<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Enkele belangrijke ontwikkelingen in de
voedselconsumptie
Gezondheidsraad
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad                           Vice-voorzitter
Health Council of the Netherlands
Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderwerp          : Aanbieding advies Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
Uw kenmerk         : GZB/VVB/983680
Ons kenmerk        : 3072/WB/wb/653-G
Bijlagen           :1
Datum              : 30 september 2002
Mijnheer de minister,
Op verzoek van uw ambtsvoorgangster, vervat in brief nr GZB/VVB/983680, bied ik u hierbij een
advies aan over ontwikkeling in de voedselconsumptie in Nederland. Het is opgesteld door een
daartoe door mij geformeerde commissie van de Gezondheidsraad en beoordeeld door de
Beraadsgroep Voeding.
     De commissie heeft zich gebaseerd op gegevens over de voedselconsumptie in de periode
1987/88-1997/98. De extra analyses van het cijfermateriaal van de voedselconsumptiepeilingen
die de commissie nodig achtte om tot een goed oordeel te komen, en de interpretatie daarvan
hebben geruime tijd gevraagd, reden waarom het advies niet eerder beschikbaar was. Het advies
bevat conclusies en aanbevelingen die ik van harte onderschrijf. Het is duidelijk dat met een
verbetering van de voeding van de bevolking een aanzienlijke gezondheidswinst is te behalen.
Naast veranderingen in de voedselkeuze is in dit verband productaanpassing door het
voedingsmiddelenbedrijfsleven van belang, vooral om een verdere verlaging van de hoeveelheid
verzadigd vet en transvetzuren in de voeding te kunnen realiseren.
     Hoewel de in het advies geschetste veranderingen in de voedselconsumptie minder
spectaculair zijn dan wellicht werd verondersteld, deel ik de verwachting van de commissie, dat de
veranderingen in de voedselconsumptie in de periode na 1998 substantiëler zijn dan in de periode
daarvoor. Resultaten van kwalitatief marktonderzoek dat na 1998 is uitgevoerd, rechtvaardigen
deze verwachting. Dit pleit voor een herhaling van de landelijke voedselconsumptiepeiling in
2003/04. Op het belang hiervan heb ik uw voorgangster al gewezen in mijn brief over de
continuering van de voedselconsumptiepeilingen (brief U-442 535-O3 d.d. 25 maart 2002). Bij de
inrichting van deze peiling zou —vooral met betrekking tot de steekproeftrekking en de methode
van voedselconsumptie-onderzoek— zoveel mogelijk rekening moeten worden gehouden met de
socio-demografische ontwikkelingen en veranderingen in leefstijl die in de samenleving
Bezoekadres                                                             Postadres
Parnassusplein 5                                                        Postbus 16052
2511 VX    Den Haag                                                     2500 BB    Den Haag
Telefoon (070) 340     7520                                             Telefax (070) 340 75 23
E-mail:   GR@gr.nl                                                      www.gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp          : Aanbieding advies Enkele belangrijke ontwikkelingen
                     in de voedselconsumptie
Ons kenmerk        : 3072/WB/wb/653-G
Pagina             :2
Datum              : 30 september 2002
plaatsvinden en hebben plaatsgevonden. Na kennisneming van het bijgesloten advies acht ik een
dergelijke opzet van groter belang dan een inrichting die zoveel mogelijk aansluit bij de
voorgaande peilingen.
      Het advies bevat ook een aantal kritische kanttekeningen over de beperkingen die aan de
landelijke voedselconsumptiepeilingen in de huidige opzet zijn verbonden. Ik acht deze
kanttekeningen van belang voor de gedachtevorming die op dit moment plaatsvindt over de
vormgeving van de monitoring van de voedselconsumptie in de toekomst. Ik verwijs hiervoor
eveneens naar mijn eerder genoemde brief over de continuering van de
voedselconsumptiepeilingen.
      Tenslotte wil ik de conclusie van de commissie benadrukken dat het niet goed mogelijk is om
alleen op basis van voedselconsumptieonderzoek een oordeel te geven over de kwaliteit van de
voedingsstoffenvoorziening. Aanvullend onderzoek naar de voedingstoestand van de bevolking is
hiervoor noodzakelijk.
Overeenkomstig de adviesaanvraag heb ik dit advies vandaag ook aangeboden aan de minister van
Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
Met vriendelijke groet,
prof. dr JGAJ Hautvast
Bezoekadres                                                            Postadres
Parnassusplein 5                                                       Postbus 16052
2511 VX    Den Haag                                                    2500 BB    Den Haag
Telefoon (070) 340      7520                                           Telefax (070) 340 75 23
email:   GR@gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Enkele belangrijke ontwikkelingen in de
voedselconsumptie
aan:
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Nr 2002/12, Den Haag, 30 september 2002
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de regering en
het parlement “voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstuk-
ken op het gebied van de volksgezondheid” (art. 21 Gezondheidswet).
     De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden van
Volksgezondheid, Welzijn & Sport, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening &
Milieubeheer, Sociale Zaken & Werkgelegenheid, en Landbouw, Natuurbeheer & Vis-
serij. De Raad kan ook eigener beweging adviezen uitbrengen. Het gaat dan als regel om
het signaleren van ontwikkelingen of trends die van belang kunnen zijn voor het over-
heidsbeleid.
     De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden in bijna alle gevallen
opgesteld door multidisciplinair samengestelde commissies van—op persoonlijke titel
benoemde—Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
              The Health Council of the Netherlands is a member of INAHTA, the international network
              of health technology assessment (HTA) agencies that promotes and facilitates information
              exchange and collaboration among HTA agencies.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Commissie Trends voedselconsumptie. Enkele belangrijke
ontwikkelingen in de voedselconsumptie. Den Haag: Gezondheidsraad, 2002; publicatie
nr 2002/12.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands. Committee on Trends in food consumption.
Significant trends in food consumption in the Netherlands. The Hague: Health Council
of the Netherlands, 2002; publication no. 2002/12.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 90-5549-437-2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>    Inhoud
    Samenvatting 11
    Executive summary 19
1   Inleiding 27
1.1 Voorgeschiedenis 27
1.2 De adviesaanvraag 29
1.3 De commissie 29
1.4 Opzet van het advies 29
2   De periodieke landelijke voedselconsumptiepeilingen 31
2.1 Steekproef 31
2.2 Gegevensverzameling 32
2.3 Berekening van de voedingswaarde 33
2.4 Overige berekeningen 233
2.5 Beperkingen 34
3   Sociaal-demografische ontwikkelingen en veranderend consumentengedrag 37
3.1 Sociaal-demografische ontwikkelingen 37
3.2 Veranderend consumentengedrag 40
3.3 Voedingsmiddelenaanbod 42
    Inhoud                                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>4    Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen 45
4.1  Inleiding 45
4.2  Van 1965 tot 1987 46
4.3  Van 1987 tot 1997 47
4.4  Substitutie van producten 53
5    Ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening 57
5.1  Energie en macrovoedingsstoffen 57
5.2  Microvoedingsstoffen 63
6    Vergelijking van voedingsstoffen-voorziening en voedingsnormen 67
6.1  Voedingsnormen 67
6.2  De voorziening met energie en macrovoedingsstoffen 68
6.3  ‘Richtlijnen goede voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel 71
6.4  Microvoedingsstoffen 71
7    Bijdrage van productgroepen aan de voorziening met energie en voedingsstoffen 77
7.1  Energie 77
7.2  Totaal vet en verzadigde vetzuren 79
7.3  Foliumzuur 79
7.4  Vitamine B12 79
7.5  Vitamine B6 80
7.6  Retinolequivalenten en retinol 80
7.7  Vitamine E 80
7.8  Vitamine D 81
7.9  Calcium 81
7.10 IJzer 81
7.11 Belangrijkste verschillen totale populatie en geselecteerde leeftijdsgroepen 81
8    Maaltijden 83
8.1  Inleiding 83
8.2  Ontbijt 83
8.3  Gebruik van voedingsmiddelen tijdens de maaltijden 86
8.4  Eten buitenshuis 87
9    Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik 89
9.1  Inleiding 89
9.2  Modelleringsmethode 90
8    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>9.3  Verzadigde vetzuren en transvetzuren 92
9.4  Groenten en fruit 96
10   Beschouwing 101
10.1 Mogelijke foutenbronnen 101
10.2 Gebruik van voedingsmiddelen 103
10.3 Maaltijdenpatroon 105
10.4 Effect van de veranderende leefwijze 106
10.5 Voedingsstoffenvoorziening 107
10.6 Vergelijking voedingsstoffenvoorziening en voedingsnormen 111
10.7 Gezondheidseffecten van veranderde inneming verzadigd vet en transvetzuren
     en van dalend groenten- en fruitgebruik 114
11   Conclusies en aanbevelingen 119
11.1 Conclusies 119
11.2 Aanbevelingen 123
     Literatuur 129
     Bijlagen 135
A    De adviesaanvraag 137
B    De commissie 139
C    Schematisch overzicht inrichting Voedselconsumptiepeiling 141
D    Mate van onderrapportage tijdens de drie Voedselconsumptiepeilingen 143
E    Ontwikkeling in de gemiddelde consumptie van productgroepen 147
F1   Grootste statistisch significante veran-deringen in de gemiddelde consumptie 153
F2   Grootste statistisch significante procentuele veranderingen in de gemiddelde consumptie 157
F3   Grootste statistisch significante veran-deringen in het percentage gebruikers 161
G    Antropometrische gegevens 165
H    Percentage respondenten dat voldoet aan de ‘Richtlijnen goede voeding’ 169
I    Gemiddelde dagelijkse voorziening 173
J    Door de commissie gehanteerde voedingsnormen 181
K    Gemiddelde dagelijkse voorziening 183
L    Ontwikkeling in het productgebruik 187
     Inhoud                                                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   Samenvatting
   Sinds 1987 vindt in Nederland eens in de vijf jaar een peiling van de voedselconsumptie
   van de bevolking plaats. In dit advies worden de belangrijkste ontwikkelingen in de
   voedselconsumptie in de periode 1987/88-1997/98 en de mogelijke betekenis daarvan
   voor de volksgezondheid nader geanalyseerd. Het advies richt zich daarbij op de
   bevolking als totaal en op de leeftijdsgroepen 13 t/m 18 jaar en 19 t/m 35 jaar. Omdat er
   zich in de periode 1987/88-1997/98 verscheidene demografische veranderingen hebben
   voltrokken, zijn de gegevens ten behoeve van de analyse in dit advies gestandaardiseerd
   naar leeftijd, geslacht en opleiding op basis van de situatie in 1987/88*.
   Voedingsmiddelengebruik en maaltijdpatroon
   Verscheidene sociaal-demografische veranderingen en de daaruit voortkomende
   verandering in leefwijze hebben in de periode 1987/88-1997/98 de voedselkeuze en het
   maaltijdpatroon van de bevolking niet onberoerd gelaten. Deze kenmerkt zich door een
   continue daling in het gebruik van basisvoedingsmiddelen zoals aardappelen, groenten,
   fruit en vlees. Wat het fruitgebruik betreft verminderde zowel het aantal gebruikers**
   van fruit als de hoeveelheid die door hen werd gegeten. Voor groenten nam in deze
   periode vooral de hoeveelheid die werd geconsumeerd af, en niet het aantal gebruikers.
*  Dit betekent dat de gegevens in dit advies soms afwijken van elders gepubliceerde gegevens over de voedselconsumptie
   op basis van de voedselconsumptiepeilingen.
** Als in dit advies wordt gesproken over ‘het percentage gebruikers’ of ‘het aantal gebruikers’ dan gaat het om de
   respondenten die op één of beide onderzoeksdag(en) het betreffende voedingsmiddel hebben gebruikt.
   Samenvatting                                                                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>        De daling in het gebruik van genoemde basisvoedingsmiddelen ging gepaard met
   een stijging in het gebruik van voedingsmiddelen uit de productgroepen ‘granen en
   bindmiddelen’, ‘vis’, ’noten en snacks’, ‘samengestelde gerechten’ en ‘dranken’ (vooral
   suikervrije en gewone frisdranken). Ook het gebruik van vruchtensappen nam toe,
   hetgeen de daling in het fruitgebruik enigszins compenseerde. Binnen de productgroep
   ‘vetten, oliën en hartige sauzen’ verminderde het aandeel van margarine, terwijl het
   gebruik van halvarine, en vooral hartige sauzen toenam. In de productgroep ‘melk en
   melkproducten’ zette de al bestaande vervanging van volle melk(producten) door
   halfvolle en magere melk(producten) zich in de periode 1987/88-1997/98 voort.
        De voedselconsumptie van de geselecteerde leeftijdsgroepen (13 t/m 18 jaar en 19
   t/m 35 jaar) heeft zich globaal in dezelfde richting ontwikkeld als die van de totale
   bevolking. Voor de 13 t/m 18-jarige jongens is de daling in het gebruik van de
   productgroepen ‘brood’ en ‘groenten’ meer dan gemiddeld. Ditzelfde geldt voor de
   toename in het gebruik van alcoholische dranken, vooral in de periode 1992-1997/98.
   Meer jongens zijn in deze periode bier gaan drinken, en in grotere hoeveelheden. Voor
   de 13 t/m 18-jarigen valt op dat de daling in het gebruik van groenten en fruit voor de
   meisjes sterker is dan voor de jongens. Het aantal groentengebruikers onder de jongens
   bleef nagenoeg constant, terwijl er bij de meisjes sprake is van een daling. Over de
   gehele linie bezien heeft de voedselkeuze van 13 t/m 18-jarigen zich in deze periode
   ongunstiger ontwikkeld dan gemiddeld.
        Ook de voedselconsumptie van de 19 t/m 35-jarigen volgt globaal de ontwikkeling
   zoals die voor de totale bevolking is vastgesteld. Opmerkelijk is dat in de sector dranken
   een verschuiving plaatsvond van alcoholische dranken naar niet-alcoholische dranken;
   vooral naar suikervrije frisdranken en vruchtensappen. De daling in het groentengebruik
   is voor mannen en vrouwen van gelijke grootte, en minder sterk dan bij de jongere
   leeftijdscategorie. Over het algemeen is de ontwikkeling van de voedselconsumptie van
   de 19 t/m 35-jarigen wat minder ongunstig dan die van de 13 t/m 18-jarigen.
        Zowel voor de totale bevolking als voor de geselecteerde leeftijdsgroepen hebben de
   grootste wijzigingen in de voedselkeuze zich voltrokken in de periode 1987/88-1992. In
   de daarop volgende vijf jaar zette voor de meeste productgroepen de ingezette dalende
   of stijgende tendens zich voort.
        Het traditionele maaltijdenpatroon van drie maaltijden per dag heeft zich in de
   periode 1987/88-1997/98 over het algemeen goed gehandhaafd. Wel liep het
   ontbijtgebruik enigszins terug, met name in de laagste sociaal-economische klasse.
   Vooral de 19 t/m 35-jarige mannen slaan het ontbijt nog wel eens over. De
   voedingsstoffenvoorziening ligt bij niet-ontbijters op een wat lager niveau. Uit de
   gegevens blijkt echter niet dat het overslaan van het ontbijt voor de geselecteerde
   voedingsstoffen resulteert in een voorziening die lager ligt dan de aanbevolen inneming.
12 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>     Bij de warme maaltijd blijkt er duidelijk sprake van een groeiende voorkeur voor
producten met een relatief korte bereidingstijd en voor kant-en-klaarproducten. De
traditionele warme maaltijd, bestaande uit aardappelen, groenten en vlees, wordt steeds
vaker vervangen door rijst- en pastamaaltijden en samengestelde gerechten (o.a. kant-
en-klaarmaaltijden).
     Tussen de maaltijden worden koffie en thee in toenemende mate vervangen door
niet-alcoholische dranken (vooral frisdranken), en gebak en koek door noten en snacks.
Uit de gegevens blijkt niet dat in de periode 1987/88-1997/98 de praktijk van ‘grazing’
sterk is toegenomen.
     Het gebruik van lunch en warme maaltijd buitenshuis is minder toegenomen dan op
basis van marktverkenningen mag worden verwacht. Dit zelfde geldt ook voor de mate
waarin het ontbijt wordt overgeslagen, het gebruik van bijvoorbeeld kant-en-
klaarproducten tijdens de warme maaltijd, en de vervanging van het traditionele
broodontbijt door een ontbijt met ontbijtgranen of kant-en-klaardrinkontbijten. Hoewel
veel van deze ontwikkelingen zijn ingezet in het begin van de jaren negentig —en ook in
de resultaten van de voedselconsumptiepeilingen zichtbaar zijn geworden— zijn zij met
name in de periode na 1997/98 doorgezet. De commissie verwacht dat deze
ontwikkeling zich nog verder zal versterken en zonder interventie zal resulteren in een
verdere daling in het gebruik van groenten en fruit als gevolg van een toename in het
gebruik van samengestelde gerechten, kant-en-klaarmaaltijden en het eten buitenshuis.
Dit zal ook leiden tot een verdere daling in het voorzieningsniveau van verscheidene
microvoedingstoffen.
Voedingsstoffenvoorziening
De ontwikkelingen in de voedselconsumptie hebben zowel positieve als negatieve
effecten gehad op de voedingsstoffenvoorziening van de bevolking. De positieve
effecten betreffen vooral de daling van de gemiddelde energetische waarde van de
voeding, de daling van de hoeveelheid vet en de verbetering van de
vetzuursamenstelling van de voeding. De negatieve aspecten betreffen de daling van de
gemiddelde microvoedingsstoffenvoorziening.
     De energetische waarde van de voeding en de hoeveelheid energie per gram voedsel
is in de periode 1987/88-1997/98 duidelijk gedaald, zowel voor de gehele bevolking als
voor de geselecteerde leeftijdsgroepen. Deze daling heeft echter niet kunnen voorkomen
dat het aantal personen met overgewicht en obesitas aanzienlijk is toegenomen, vooral
onder de 19 t/m 35-jarige vrouwen. De toename vond vooral plaats in de lagere sociaal-
economische klassen. De daling in energie-inneming vond vooral plaats in de periode
1987/88-1992. In de periode 1992-19987/98 was er voor de totale bevolking en de 13
Samenvatting                                                                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   t/m 18-jarige meisjes sprake van een verdere lichte daling, maar voor de 13 t/m 18-jarige
   jongens en de 19 t/m 35-jarigen van een lichte toename van de energetische waarde.
        In de periode 1992-1987/98 is de gemiddelde lichamelijke activiteit —en daarmee
   het energieverbruik— van de bevolking verder afgenomen. De toename van
   overgewicht en obesitas moet volgens de commissie waarschijnlijk worden
   toegeschreven aan het feit dat de energie-inneming via de voeding in deze periode
   minder sterk is gedaald dan het energieverbruik via lichamelijke activiteit.
        De daling van de gemiddelde hoeveelheid vet in de voeding en de verbetering van
   de vetzuursamenstelling, voor zowel de totale bevolking als voor de geselecteerde
   leeftijdsgroepen, kan worden gezien als een voorzichtig positieve ontwikkeling. De
   hoeveelheid verzadigde vetzuren, en in mindere mate die van transvetzuren, in de
   voeding van de geselecteerde leeftijdsgroepen is nog aanzienlijk groter dan wordt
   aanbevolen; het gehalte aan cis-onverzadigde vetzuren ligt voor de geselecteerde
   leeftijdsgroepen binnen het gebied van de adequate inneming, maar is wel lager dan de
   gemiddelde voorziening van de totale bevolking.
        De daling in het gebruik van zichtbaar vet (smeer- en bereidingsvetten) is
   nauwelijks gecompenseerd door bedrijfsmatig toegevoegd (verborgen) vet (in brood,
   aardappelproducten, kant-en-klaarmaaltijden). De daling in de inneming van verzadigde
   vetzuren via smeer- en bereidingsvetten, melkproducten, kaas, vleeswaren, koek en
   gebak is eveneens nauwelijks gecompenseerd door een toegenomen inneming via
   bronnen als aardappelproducten en kant-en-klaarmaaltijden.
        Het aantal personen dat een voeding gebruikt die voldoet aan de ‘Richtlijnen goede
   voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel
   gezamenlijk, is gering en is in de periode 1987/88-1997/98 nauwelijks veranderd.
   Ondanks de daling in de inneming van verzadigde vetzuren blijft deze groter dan
   wenselijk. De mate waaraan wordt voldaan aan de richtlijn voor verzadigde vetzuren op
   zich, is wel toegenomen. Dit geldt ook voor de richtlijn voor totaal vet. Door de daling
   in het gebruik van aardappelen, groenten, fruit en brood blijkt vooral de richtlijn voor
   voedingsvezel steeds moeilijker te realiseren. Het gemiddeld gehalte aan voedingsvezel
   in de voeding ligt nog ver beneden het aanbevolen niveau. De belangrijkste
   belemmeringen voor het realiseren van een voeding die voldoet aan de ‘Richtlijnen
   goede voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel
   gezamenlijk blijken het gehalte verzadigde vetzuren en voedingsvezel in de voeding te
   zijn, en in mindere mate dat van totaal vet.
        Voor een aantal microvoedingsstoffen is de ontwikkeling in de voorziening
   gedurende de afgelopen tien jaar nader geanalyseerd. Het betreft de vitamines A, D, E,
   C, B6, B12 en foliumzuur, en de mineralen ijzer en calcium. Wat het gemiddeld niveau
   van de voorziening met deze voedingsstoffen betreft heeft de voedselconsumptie in
   Nederland zich in de periode 1987/88-1997/98 over het algemeen niet gunstig
14 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    ontwikkeld. Voor de meeste van deze voedingsstoffen is zowel voor de totale bevolking
    als voor de geselecteerde leeftijdsgroepen de voorziening gedaald. Bovendien is de
    voedingsstoffendichtheid* voor verschillende belangrijke microvoedingsstoffen
    afgenomen.
         Vooral de daling in de voorziening met de vetoplosbare vitamines A, E en in
    mindere mate vitamine D, vraagt om aandacht. Deze daling is het gevolg van onder
    andere de vermindering in het gebruik van smeer- en bereidingsvetten en van
    lever(producten), en de verschuiving in het gebruik van volle melk(producten) naar
    halfvolle en magere varianten. Ook is aandacht nodig voor de daling in de voorziening
    met foliumzuur en β-caroteen door de daling van het groentengebruik. De gemiddelde
    voorziening met ijzer, die vooral voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd al te laag was in
    vergelijking met de aanbevolen inneming aan het begin van de analyseperiode, daalde
    verder.
         De commissie hecht meer betekenis aan de ontwikkelingen in de voorziening met
    microvoedingsstoffen dan aan de absolute niveaus die tijdens de peilingen zijn
    vastgesteld. De betekenis van de lage voorzieningsniveaus die tijdens de
    voedselconsumptiepeiling in 1997/98 zijn berekend kan pas worden aangegeven na
    gericht onderzoek naar de voedingstoestand.
    Effecten inneming verzadigde en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik op
    de incidentie van kanker en hart- en vaatziekten
    Voor een tweetal belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie is een nadere
    analyse gemaakt van de consequenties van deze ontwikkelingen voor de
    volksgezondheid. Het gaat om de daling van de hoeveelheid verzadigde vetzuren en
    transvetzuren in de voeding van laagopgeleide** 19 t/m 35-jarigen, en de daling in het
    gebruik van groenten en fruit. Uit via modelleringsonderzoek*** verkregen schattingen
    blijkt dat er de komende veertig jaar een niet onbelangrijk aantal gevallen van kanker
    (circa 1 700) en hart- en vaatziekten (circa 3 500) in deze bevolkingsgroep in de
    komende veertig jaar had kunnen worden voorkomen als de daling in de groenten- en
    fruitconsumptie in deze periode niet had plaats gevonden. Dit komt overeen met circa
    1-2% van de gevallen van kanker en hart- en vaatziekten. De daling van het verzadigd
    vetzuurgehalte van de voeding in de periode 1987/88-1997/98 zal volgens de schatting
    daarentegen de komende veertig jaar in deze bevolkingsgroep leiden tot 5% minder
    gevallen van hart- en vaatziekten bij de mannen (9 000) en bijna 1% minder gevallen bij
*   De hoeveelheid microvoedingsstof per eenheid van energie.
**  Lager onderwijs en lager beroepsonderwijs.
*** Het betreft een computersimulatiemodel waarmee gezondheidseffecten van trends in, en interventies op leefstijlfactoren
    kunnen worden geschat.
    Samenvatting                                                                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    de vrouwen (400). De daling van de hoeveelheid transvetzuren in de voeding in de
    periode 1987/88-1997/98 zal de komende veertig jaar voor respectievelijk mannen en
    vrouwen resulteren in 5% (9 000) en 4% (2 000) minder gevallen van hart- en
    vaatziekten. Deze schattingen betreffen alleen de groep van laagopgeleide 19 t/m 35
    jarigen. Voor de gehele bevolking zal het gezondheidseffect qua omvang een veelvoud
    van deze schattingen zijn.
         Uiteraard valt de grootste gezondheidswinst te verwachten als het voedingspatroon
    van de 19 t/m 35-jarigen laagopgeleiden zodanig verandert dat wordt voldaan aan de
    aanbevolen inname: 400 g groenten en fruit, ten hoogste 10 en%* verzadigde vetzuren
    en ten hoogste 0,8 en% transvetzuren. Als gevolg van het toegenomen groenten- en
    fruitgebruik zou hiermee de komende veertig jaar het optreden van hart- en vaatziekten
    met 12% (35 000 gevallen) en van kanker met 14% (16 000 gevallen) kunnen
    verminderen. De daling van de hoeveelheid verzadigde vetzuren in de voeding tot ten
    hoogste 10 en% zou de incidentie van hart- en vaatziekten in die periode met ongeveer
    29% (75 000) kunnen reduceren. De daling van de hoeveelheid transvetzuren tot
    maximaal 0,8 en% zou de incidentie van hart- en vaatziekten in die periode met 4%
    (10 500 gevallen) kunnen verminderen. Ook hier geldt dat deze schattingen betrekking
    hebben op alleen de groep van laagopgeleide 19 t/m 35 jarigen. Voor de gehele
    bevolking zal het gezondheidseffect qua omvang veel groter zijn. De commissie wijst er
    wel op dat de schattingen van de gezondheidseffecten gezien de onzekerheden die
    samenhangen met het modelleringsonderzoek slechts mogen worden beschouwd als
    globale indicaties van de orde van grootte van de te behalen gezondheidswinst.
    Aanbevelingen
    In het licht van de geschetste ontwikkelingen in de voedselconsumptie doet de
    commissie de volgende aanbevelingen. De commissie meent dat voorlichting moet
    worden geïntensiveerd die is gericht op een voedselkeuze die leidt tot het gebruik van
    meer groenten en fruit, brood en graanproducten, en tot minder gebruik van producten,
    die rijk zijn aan vet —vooral aan verzadigde vetzuren— en producten met een hoge
    energiedichtheid** en lage voedingstoffendichtheid***. Ten behoeve van de preventie
    van overgewicht en obesitas moet tevens het belang worden benadrukt van het bereiken
    en handhaven van een goede energiebalans, door met name het dagelijkse
    energieverbruik via lichamelijke activiteit te verhogen en daarnaast de energie-inneming
    via de voeding in overeenstemming te brengen met de energiebehoefte. In het onderwijs
*   Energieprocenten.
**  Hoeveelheid energie per gram voedsel.
*** Hoeveelheid microvoedingsstof per eenheid van energie.
16  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>  moet in het lesprogramma meer structureel ruimte worden ingebouwd voor het belang
  van voeding en beweging als aspecten van een gezonde leefstijl. Tenslotte vindt de
  commissie dat ontmoediging van het gebruik van alcohol door vooral jongeren moet
  worden geïntensiveerd.
       Het voedingsmiddelenbedrijfsleven moet worden gestimuleerd bij
  productontwikkeling en grondstoffenkeuze uitgangspunten te hanteren die leiden tot een
  verdere daling van het gehalte aan transvetzuren in de voeding tot het niveau dat van
  nature aanwezig is, een verdere daling van de hoeveelheid totaal vet* —vooral via de
  hoeveelheid verzadigde vetzuren— en een toename van de hoeveelheid voedingsvezel
  in de voeding.
       In verband met het teruglopen van de voorziening met vetoplosbare vitamines moet
  volgens de commissie worden bevorderd dat het voedingsmiddelenbedrijfsleven
  producten waarvan het vetgehalte is verlaagd ‘restaureert’ met vetoplosbare vitamines
  tot het niveau in de oorspronkelijke producten (bijvoorbeeld halfvolle en magere
  melk(producten)).
       Het voedingsmiddelenbedrijfsleven, restauratieve instellingen (waaronder school-
  en bedrijfskantines), cateringbedrijven e.d. moeten worden gestimuleerd bij de
  ontwikkeling en samenstelling van bijvoorbeeld kant-en-klaarmaaltijden, voorbewerkte
  maaltijdcomponenten, snacks, en afhaalmaaltijden, de door het Voedingscentrum
  opgestelde voedingskundige richtlijnen te hanteren (ondermeer een hoge
  voedingsstoffendichtheid en lage energiedichtheid).
       Met betrekking tot de regelgeving meent de commissie dat Nederland het initiatief
  moet nemen dat leidt tot een zodanige wijziging van Richtlijn nr. 90/496/EEG van de
  Raad van Europese Gemeenschappen van 24 september 1990 inzake de
  voedingswaarde-etikettering van levensmiddelen (Pb EG L276) dat hierin ook de
  transvetzuren worden opgenomen. Ook moet daarin de verplichting worden opgenomen
  dat bij toepassing van voedingswaarde-etikettering de vetzuursamenstelling (totaal,
  verzadigd, trans, enkelvoudig onverzadigd en meervoudig onverzadigd) altijd wordt
  vermeld. Daarnaast pleit de commissie ervoor dat op het niveau van de EU een
  maximum wordt gesteld aan de hoeveelheid transvetzuren in industrieel bewerkte
  eetbare plantaardige oliën en vetten. Tenslotte moet volgens de commissie worden
  nagegaan of er in de EU een draagvlak bestaat voor een verplichte voedingswaarde-
  etikettering (energie, macrovoedingsstoffen, vetzuursamenstelling).
       Het advies besluit met een aantal aanbevelingen voor verder onderzoek.
* De commissie gaat er hierbij vanuit dat gewichtstoename of overgewicht dichter ligt bij de gangbare praktijk dan een
  wenselijk lichaamsgewicht.
  Samenvatting                                                                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>18 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>   Executive summary
   Health Council of the Netherlands. Committee on Trends in food consumption.
   Significant trends in food consumption in the Netherlands. The Haue: Health
   Council of the Netherlands, 2002; publication no. 2002/12
   A National food consumption survey has been held in the Netherlands every five years
   since 1987. This document presents the most significant dietary trends for the period
   1987/88 to 1997/98, and outlines their possible consequences in terms of public health.
   The focus of the document is on three groups: the population as a whole, the 13 to 18
   age group and the 19 to 35 age group. Because the period under review was marked by a
   number of demographic shifts, the data used for analysis have been standardised
   according to age, gender and education based on the situation obtaining in 1987/88*.
   Food consumption and meal paterns
   Various socio-demographic shifts were noted during the period under review and these
   will certainly have accounted for changes to general lifestyle, food choices and eating
   habits. Significant developments include an ongoing decrease in the consumption of
   staples such as potatoes, vegetables, fruit and fresh meat. With regard to fruit
   consumption, both the number of consumers** and the quantity of fruit eaten by each
   individual was seen to decrease. In the case of vegetables, it was largely the quantity
   consumed that fell rather than the actual number of people eating vegetables at all. The
*  Accordingly, some data with regard to food consumption presented in this report may differ from that published
   elsewhere, based on non-standardised food consumption surveys.
** Where the report refers to 'the percentage of consumers' or 'the number of persons consuming a product', this is to be taken
   to mean the number of respondents who claimed to have consumed the product in question on one or both of the survey
   dates.
   Executive summary                                                                                                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   reduction in the consumption of dietary staples was accompanied by a rise in that of the
   product groups ‘grains, cereals and binding agents’, ‘fish’, ‘nuts and snacks’, ‘pre-
   prepared meals’ and ‘beverages’ (notably sugar-free and standard soft drinks). The
   consumption of (fresh) fruit juices also increased, going some way towards
   compensating for the fall in the consumption of whole fresh fruit. Within the product
   group ‘fats, oils and savoury sauces’, margarine lost some ground to the lighter
   ‘halvarine’-type substitutes while the consumption of thick (cream) sauces increased
   substantially. In the product group ‘milk and dairy products’, the previously noted trend
   whereby full-cream products were displaced by semi-skimmed and skimmed milk
   products and derivatives continued throughout the period under review.
        In general terms, dietary trends among the two selected age groups (13 to18-year-
   olds and those between 19 and 35) are in line with those of the population as a whole.
   Nevertheless, the decline in the consumption of ‘bread’ and ‘vegetables’ is somewhat
   higher than average among boys in the 13 to 18 age group. Similarly, the consumption
   of alcoholic beverages by this group increased, particularly during the latter half of the
   period concerned, i.e. 1992-1997/98. A larger number of boys started to drink beer
   during this period, and drank it in greater quantities. Among the 13 to 18 age group, it is
   noticeable that the decrease in the consumption of (fresh) vegetables is actually greater
   for female respondents than for their male counterparts. The number of boys who
   regularly ate vegetables remained more or less constant, while the number of girls doing
   so showed a significant decrease. Taking all factors into account, dietary preferences
   among the 13 to 18 age group displayed a trend which may be described as less
   favourable than that for the population as a whole.
        The dietary preferences of the 19 to 35 age group largely follow those of the overall
   population. However, it is noticeable that in this sector there was a marked shift away
   from alcoholic drinks in favour of non-alcoholic beverages, particularly sugar-free soft
   drinks and fruit juices. The decrease in the consumption of vegetables was of similar
   proportions for both male and female respondents and was less marked than in the
   younger (13 to 18) age group. In general, the shift in the 19 to 35 age group's dietary
   preferences may be described as slightly less unfavourable than that observed among the
   younger group.
        Among both selected age groups and the population as a whole, the most
   conspicuous shift in dietary preferences was observed during the period 1987/88-1992.
   During the subsequent five-year period, the trends thus far established were seen to
   continue for most product groups.
        With regard to eating habits, the traditional 'three meals a day' pattern remained the
   norm the period 1987/88-1997/98, although there was some decline in the number of
   people taking breakfast, especially among the lower socio-economic group. Males aged
   between 19 and 35 seem particularly likely to skip breakfast. Those who do not eat
20 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>breakfast generally have a lower level of nutrition. However, there is no evidence to
suggest that failure to eat breakfast results in failure to achieve the recommended daily
intake of the selected nutrients.
     With regard to the main meal of the day, there is a clear tendency towards products
with a relatively short preparation time and for pre-prepared meals. The traditional 'meat
and two-veg' is increasingly replaced by a rice or pasta dish or some other table-ready
meal. Between meals, the consumption of coffee and tea is increasingly giving way to
that of non-alcoholic beverages (notably soft drinks of the soda type), while bakery
products (cakes and biscuits) have lost in popularity to nuts and packaged snacks.
However, there is no evidence to suggest that the practice of 'grazing' increased
significantly during the ten-year period under review.
     The number of people eating either the midday or evening meal outside the home
has increased somewhat less than general market surveys may suggest. The same can be
said of the degree to which people choose to skip breakfast, of the consumption of pre-
prepared meals, and of the replacement of the traditional Dutch (bread-based) breakfast
with one featuring breakfast cereal or a pre-prepared breakfast drink. Although such
trends did indeed emerge in the early 1990s and have indeed made some impact on the
results of the surveys on which this report is based, their main influence was felt during
the period after 1997/98. The Commission expects this development to continue and to
intensify, whereupon there is likely to be further decline in the consumption of fruit and
vegetables due to a concomitant rise in that of pre-prepared meals and more frequent
dining out. This may also lead to a further decline in the intake of various micronutrients
due to such factors as substitution of staples and a tendency not to eat breakfast.
Energy and nutrient intake
The trends in food consumption habits have had both positive and negative effects in
terms of nutrition. The positive effects relate to the decrease in average energy value
(kJ/Kcal) of the selected foodstuffs, the decrease in the intake of fats and the
improvement of the fatty acid composition of the diet. Negative effects include a
decrease in the average nutrient density of the diet.
     The energy value of the diet and the energy value per gram (energy density)
declined noticeably during the period 1987/88-1997/98, both for the population as a
whole and for the two selected age groups. However, this decline was not able to prevent
a significant increase in the number of persons classified as overweight or obese,
particularly among females aged 19 to 35 at the lower end of the socio-economic scale.
The decrease in energy intake was most noticeable during the period 1987/88-1992.
During the subsequent five-year period there was a further slight decrease for the
Executive summary                                                                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   population as a whole and for females aged 13 to 18, but an slight increase among males
   aged 13 to 18 and for the 19 to 35 age group.
        During the period 1992-1987/98, average physical activity — and hence energy
   expenditure — decreased further among all sections of the population. The commission
   concludes that the observed increase in the number of persons presenting classified as
   overweight or obese may be attributed to the fact that the reduction in energy intake was
   less than the decrease in energy expenditure through physical activity.
        The reduction in the average quantity of fat in the diet and the improvement of the
   fatty acid composition (affecting both the population as a whole and the two selected
   age groups) may be regarded as a (potentially) positive development. However, the
   quantity of saturated fatty acids and, to a lesser degree, trans fatty acids in the diet of the
   selected age groups is still markedly higher than recommended. The intake of simple
   and polyunsaturated fatty acids among these groups is within the target range, but
   nevertheless remains somewhat lower than that of the total population.
        The decrease in the consumption of ‘visible’ fats (spreads and cooking oils, etc.) has
   not been fully offset by the use of added (‘hidden’) fats in bread, potato products and
   pre-prepared meals. Similarly, the decrease in the intake of saturated fatty acids in
   spreads, cooking oils, cheese, dairy products, meat and bakery products has not been
   fully offset by the increased intake from sources such as potato products and pre-
   prepared meals.
        The number of persons maintaining a diet which complies with the published
   dietary guidelines with regard to total fat intake, saturated fatty acids, carbohydrates and
   dietary fibre remains extremely small, showing little change during the period 1987/88-
   1997/98. Despite the fall in the consumption of saturated fatty acids, such consumption
   remains higher than desirable. However, the degree to which the guidelines with regard
   to saturated fatty acids are being observed has increased, as has that with regard to total
   fat intake.
        The reduction in the consumption of potatoes, fruit, vegetables and bread has
   rendered it increasingly difficult to meet the guidelines for the intake of dietary fibre.
   The average content of dietary fibre in the average person's diet remains far below the
   recommended level. The main obstacles to achieving a diet which conforms to the
   published guidelines (with regard to total fat, saturated fatty acids, carbohydrates and
   dietary fibre) would appear to be the saturated fatty acid content and dietary fibre
   content. The total fat content plays a lesser role.
        In the case of a number of micronutrients, trends with regard to intake have been
   further analysed over the ten-year period. Particular attention was devoted to vitamins
   A, D, E, C, B6, B12, folic acid, and the minerals iron and calcium. In general, it may be
   stated that the food consumption in the Netherlands did not develop favourably with
   regard to the intake of these nutrients during the period 1987/88-1997/98. In most cases,
22 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>intake declined, both among the population as a whole and among the two selected age
groups. Moreover, a number of important micronutrients have become less readily
available, the nutrient density of the diet having decreased.
    In particular, the decrease in availability and intake of the fat-soluble vitamins A, E
and, to a lesser extent, D has been caused by the reduction in the consumption of spreads
and cooking oils and of liver (products), matched by a shift away from the consumption
of full-fat milk and products in favour of the skimmed and semi-skimmed varieties. This
requires ongoing attention, as does the decrease in the intake of folic acid and β-carotene
due to the fall in the consumption of fresh vegetables. The average intake of iron, which
was already far below recommended levels at the beginning of the period under review,
particularly among women of childbearing age, fell yet further. Further study into the
underlying causes and effects of this decrease is seen as desirable.
Likely consequences in terms of public health
A further analysis of two significant dietary trends has been made in an attempt to
identify the consequences in terms of public health: the reduction in the intake of
saturated fatty acids and of trans fatty acids by those in the 19 to 35 age group and of
lower educational qualifications, and the reduction in the general consumption of fruit
and vegetables. Projections suggest that a significant reduction in the incidence of
cancer (approximately 1,700 cases) and of cardiovascular disease (approximately 3,500
cases) within this population group could have been achieved over the next forty years if
the reduction in fruit and vegetable consumption had not taken place. This is the
equivalent of 1% to 2% of cases of these diseases. However, the reduction in the intake
of saturated fatty acids during the period 1987/88-1997/98 is likely to lead to a 5%
reduction (9,000 cases) in the incidence of cardio-vascular disease among men, and
almost 1% (400 cases) among women during the same period. The reduction in the
dietary intake of trans fatty acids during the period 1987/88-1997/98 will account for a
reduction in the incidence of cardiovascular disease in the order of 5% (9,000 cases)
among men and 4% (2,000 cases) among women over the coming forty years. Note that
these projections relate only to the 19 to 35 age group with lower educational
qualifications. For the population as a whole, the overall health effect may be
extrapolated and expressed as a multiple of these figures.
    Of course, the greatest health gains will be achieved if the food consumption of the
19 to 35 age group can be brought in line with the recommendations, i.e. 400 grams fruit
and vegetables per day, a maximum of 10%-en saturated fatty acids and no more than
0.8 en% trans fatty acids. This increase in the consumption of fruit and vegetables could
account for a 12% reduction (35,000 cases) in the incidence of cardio-vascular disease
over the coming forty years and a 14% reduction (16,000 cases) in that of cancer. The
Executive summary                                                                           23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>   target reduction in the quantity of saturated fatty acids in the diet (to no more than 10
   en%) could decrease the incidence of cardio-vascular disease by approximately 29%
   (75,000 cases) during the same period, while the reduction in the quantity of trans fatty
   acids (to a maximum of 0.8 en%) would reduce the incidence of such diseases by 4%
   (10,500 cases). Here too, these projections refer only to those in the 19 to 35 age range
   and of lower educational qualifications, whereby the overall health effect for the total
   population will be very much greater. However, the commission notes that, given the
   uncertainties inherent in the modelling method employed, the projections presented in
   the report with regard to possible health effects must be regarded as global indications
   only.
   Recommendations
   In view of the trends and developments noted in food consumption, the commission
   makes the following recommendations. First, the commission believes that effective
   public education with regard to food choices should be intensified to encourage greater
   consumption of fruit and vegetables, bread and grain products, with a concomitant
   decrease in the consumption of those products which are rich in fat (particularly
   saturated fatty acids) and those products with a high energy density but low nutrient
   density. Secondly, in the interests of reducing the number of persons classified as
   overweight or obese, the commission recommends that the importance of achieving and
   maintaining a good energy balance should be stressed. It is, for example, possible to
   improve one's energy balance by increasing the amount of physical activity undertaken
   each day while ensuring that the energy intake does not exceed personal energy
   requirements. In regular school education, more time and attention should be devoted to
   the importance of diet and exercise as aspects of a healthy lifestyle. The commission
   also recommends that efforts to discourage the consumption of alcohol, particularly by
   young people, should be intensified.
        In its product development and choice of ingredients, the food industry should be
   encouraged to observe certain basic principles which will lead to a further reduction in
   the quantity of trans fatty acids in the diet to the level found in nature itself. Measures
   should also be taken to ensure a reduction in the overall quantity of fats - particularly
   saturated fatty acids - and an increase in the amount of fibre in the diet.
        Given the decrease in the intake of fat-soluble vitamins, the commission
   recommends that products in which the fat content has been artificially lowered (e.g. in
   skimmed and semi-skimmed milk) should have the vitamin levels restored to those of
   the original product. The food industry and the catering trade (including school dining
   rooms, company canteens, etc) should be encouraged to follow the published dietary
24 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>guidelines (e.g. high nutrient density combined with low energy density) when
developing pre-prepared meals, meal components, snacks, take-away dinners, etc.
     With regard to legislation, the commission finds that the Netherlands should take the
initiative in ensuring that the necessary amendments are made to Directive 90/496/EEG
of the Council of European Municipalities (dated 24 September 1990 and relating to the
labelling of foodstuffs; Pb EG L276), whereby the trans fatty acid content should be
clearly stated and whereby all food labels (where applicable) should indicate the fatty
acid composition (total, saturated, trans, simple unsaturated and polyunsaturated.)
Moreover, the commission feels that the European Union should consider the imposition
of a maximum permissible content of trans fatty acids in industrially processed edible
vegetable oils and fats. Finally, the commission finds that the Netherlands should
examine at EU-level the willingness for a mandatory food labelling (energy,
macronutrients, fatty acids).
     The report ends with a number of recommendations for further research.
Executive summary                                                                          25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>26 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Voorgeschiedenis
          Inzicht in de voedselconsumptie van de Nederlandse bevolking werd tot het midden van
          de jaren tachtig verkregen met behulp van de zogenoemde brutoverbruiksgegevens van
          het Landbouw Economisch Instituut, het huishoudbudgetonderzoek van het CBS en
          incidenteel kleinschalig onderzoek naar de voedselconsumptie bij groepen mensen.
               De brutoverbruikgegevens geven de hoeveelheden voedingsmiddelen* aan die voor
          binnenlands gebruik gemiddeld per hoofd van de bevolking jaarlijks beschikbaar zijn
          gekomen. Bij deze gegevens wordt slechts zeer beperkt rekening gehouden met
          verliezen die optreden als gevolg van bijvoorbeeld bederf, breuk en afval. Zij geven
          slechts een indruk van de ontwikkeling in de voedselvoorziening op bevolkingsniveau
          zonder dat hierbij onderscheid kan worden gemaakt naar de verschillende
          bevolkingsgroepen.
               Het huishoudbudgetonderzoek dat sinds 1978 continu door het CBS wordt
          uitgevoerd bij een landelijk representatieve steekproef van huishoudens beperkt zich tot
          de aankoop van voedingsmiddelen op het niveau van de huishouding. Dit onderzoek
          geeft geen informatie over de wijze waarop de gekochte voedingsmiddelen zich
          verdelen over de leden van de huishouding. Bovendien staat in dit onderzoek de
*         Het gaat om producten die geen of weinig bewerking hebben ondergaan m.a.w. over het algemeen primaire agrarische
          producten.
          Inleiding                                                                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>   hoeveelheid geld die aan voedsel wordt uitgegeven centraal en niet de gekochte
   hoeveelheid.
        Het incidentele voedselconsumptie-onderzoek bij groepen mensen werd uitgevoerd
   door universitaire onderzoeksgroepen en onderzoeksgroepen van instituten als TNO
   (o.a. Ret76, Hoo90). Alleen in dit type onderzoek worden de gegevens verzameld op
   individueel niveau en wordt dus inzicht verkregen in de werkelijke voedselconsumptie
   van bepaalde —vaak niet representatieve— groepen van de bevolking.
   Het beeld van de voedselconsumptie dat uit deze onderzoeken naar voren kwam was al
   met al zeer fragmentarisch en onvoldoende om richting te kunnen geven aan het
   voedingsbeleid van de overheid. In 1983 verscheen de Nota Voedingsbeleid die in
   november 1983 door de staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, mede
   namens de staatssecretarissen van Landbouw en Visserij en van Economische zaken aan
   de tweede Kamer werd aangeboden. In die nota werd dan ook aangekondigd dat 'het
   opzetten van een systematische, periodieke peiling van voeding en gezondheidstoestand,
   in relatie met de voeding, van de bevolking' zal worden bevorderd. Hierbij zou in het
   bijzonder aandacht moeten worden besteed aan de voeding van kwetsbare groepen in de
   samenleving (Ano83).
        In november 1986 bracht de Voedingsraad een advies uit met een voorstel voor de
   opzet van een voedingspeilingssysteem in Nederland (Voe87). De doelstelling van dit
   systeem is in dit advies als volgt omschreven:
   • Een beschrijving mogelijk te maken van:
        • de gemiddelde voedselconsumptie van verschillende categorieën van de bevolking
        • de spreiding in het gebruik van voedingsmiddelen binnen die categorieën
        • de ontwikkeling van de voedselconsumptie en de spreiding in het gebruik van
          voedingsmiddelen in de tijd.
   • Informatie verzamelen over de voedingstoestand van specifieke subcategorieën van
        de bevolking.
   Aan het eerste aspect van deze doelstelling is door de overheid invulling gegeven door
   het periodiek laten uitvoeren van landelijke voedselconsumptiepeilingen volgens het
   door de Voedingsraad aanbevolen model*. Deze peilingen zijn uitgevoerd in 1987/1988
   (VCP-1), 1992 (VCP-2) en 1997/98 (VCP-3). Voor een overzicht van de rapporten die in
   de loop der tijd op basis van de resultaten van deze peilingen zijn uitgebracht wordt
   verwezen naar de publicatiereeks ‘Voedselconsumptiepeiling: stand van zaken’ van de
   Beheerscommissie VCP (Ano90, Bru93, Hul95a, Hul95b, Hul98).
*  Aan het tweede aspect is tot op dit moment niet op structurele wijze vorm gegeven.
28 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>    Door de gestandaardiseerde wijze waarop de voedselconsumptiepeilingen zijn
    uitgevoerd werd na de derde peiling een analyse mogelijk van de ontwikkeling van de
    voedselconsumptie in de periode 1987/88-1997/98.
1.2 De adviesaanvraag
    Naar aanleiding van de afronding van de derde voedselconsumptiepeiling richtte de
    minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 4 augustus 1998 een adviesaanvraag
    aan de Gezondheidsraad, waarin mede namens de minister van Landbouw,
    Natuurbeheer en Visserij een oordeel wordt gevraagd over de gezondheidskundige en
    voedingskundige implicaties van de voedselconsumptie in Nederland en de
    ontwikkelingen die zich daarin aftekenen (zie bijlage A).
1.3 De commissie
    Op 14 september 1999 installeerde vice-voorzitter prof. dr JGAJ Hautvast van de
    Gezondheidsraad de Commissie Trends voedselconsumptie —hierna te noemen: de
    commissie— die tot taak kreeg het gevraagde oordeel op te stellen. De samenstelling
    van de commissie is vermeld in bijlage B.
1.4 Opzet van het advies
    In het onderhavige advies wordt een analyse gegeven van belangrijke ontwikkelingen
    die zich in de periode 1987/88-1997/98 in de voedselconsumptie hebben voorgedaan.
    Het advies is als volgt opgebouwd. Na een korte beschrijving van de opzet en
    beperkingen van de periodieke landelijke voedselconsumptiepeilingen in hoofdstuk 2,
    worden in hoofdstuk 3 enkele belangrijke sociaal-demografische ontwikkelingen
    geschetst die in de periode 1987/88-1997/98 hebben plaats gehad en die van invloed zijn
    geweest op de leefwijze en het voedingspatroon van de bevolking. Hoofdstuk 4 geeft
    een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen in het voedingsmiddelengebruik.
    Naast een beschrijving van de algemene ontwikkeling wordt in dit hoofdstuk ook
    ingegaan op de voedingsmiddelen waarvan het gebruik het sterkst is gedaald of
    gestegen. In hoofdstuk 5 volgt de vertaling van de ontwikkeling in het gebruik van
    voedingsmiddelen in effecten op de ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening. In
    hoofdstuk 6 vergelijkt de commissie het niveau van de voedingsstoffenvoorziening van
    een tweetal geselecteerde leeftijdsgroepen ten tijde van de derde
    voedselconsumptiepeiling met de door de Voedingsraad en Gezondheidsraad
    vastgestelde aanbevolen inneming. Hoofdstuk 7 gaat in op de ontwikkeling in de
    bijdrage van verscheidene productgroepen aan de voedingsstoffenvoorziening. Daarna
    Inleiding                                                                               29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   volgt in hoofdstuk 8 een analyse van de ontwikkeling in het maaltijdenpatroon.
   Hoofdstuk 9 geeft een samenvatting van een op verzoek van de commissie door het
   Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu uitgevoerde modellering van de effecten
   van de ontwikkeling in het groenten en fruitgebruik en de inneming van verzadigde
   vetzuren en transvetzuren voor de volksgezondheid. Het advies sluit af met een
   algemene beschouwing in hoofdstuk 10, en conclusies en aanbevelingen in hoofdstuk
   11. Deze hoofdstukken bevatten de belangrijkste resultaten van de analyse. De gegevens
   waarop de commissie haar analyse heeft gebaseerd zijn vermeld in een aantal bijlagen.
30 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 2
          De periodieke landelijke
          voedselconsumptiepeilingen
          De opzet en wijze van uitvoering van de periodieke landelijke
          voedselconsumptiepeilingen zijn elders zeer gedetailleerd beschreven (Hul91a, Löw94a,
          Löw98a). In dit hoofdstuk wordt volstaan met een globale beschrijving van de opzet en
          wijze van uitvoering, waarbij de nadruk ligt op de aspecten die van belang zijn voor de
          analyse van de ontwikkeling van de voedselconsumptie van de bevolking in de periode
          1987/88-1997/98. In bijlage C is een schematische weergave opgenomen van de
          inrichting van de voedselconsumptiepeilingen.
2.1       Steekproef
          De onderzoekspopulatie is destijds gedefinieerd als: ‘alle in Nederland wonende
          personen, voor zover levend in huishoudens waarvan de huisvrouw* jonger is dan 75
          jaar, ongeacht de nationaliteit en exclusief personen jonger dan 1 jaar’. Huishoudens
          zijn hierbij gedefinieerd als: ‘twee of meer personen die in huiselijk verkeer
          samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren of een persoon die alleen
          een zelfstandig huishouden voert’. Het gaat om particuliere huishoudens.
               De deelnemers aan de peilingen zijn afkomstig uit een bestaand panel van
          huishoudens van het marktonderzoeksbureau GfK: het zogenoemde GfK-Scriptpanel.
*         Door de Vereniging van Marktonderzoeksbureaus (VMO) is het begrip ‘huisvrouw’ als volgt gedefinieerd: De huisvrouw
          is degene die (eerst)verantwoordelijk is voor de werkzaamheden in het huishouden waaonder het doen van de dagelijkse
          boodschappen (GfK98a). In deze functionele betekenis kan de ‘huisvrouw’ dus zowel een vrouw als een man zijn.
          De periodieke landelijke voedselconsumptiepeilingen                                                               31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    Dit onderzoeksbureau stelt als eis dat de deelnemers de Nederlandse taal machtig zijn in
    woord en geschrift. Het GfK-Scriptpanel is een gestratificeerde aselecte steekproef,
    representatief voor de Nederlandse bevolking, waarbij is gecontroleerd voor sociaal-
    economische klasse, leeftijd ‘huisvrouw’, gemeentegrootte en provincie. De
    representativiteit van dit onderzoekspanel wordt regelmatig getoetst aan de resultaten
    van de GfK-MiniCensus (GfK98b). Tabel 2.1 geeft een overzicht van het aantal
    deelnemers in de verschillende peilingen.
    Tabel 2.1 Aantal deelnemers aan de voedselconsumptiepleilingen.
                    periode                                           aantal personen aantal huishoudens
    VCP-1           april 1987 - maart 1988                           5 898           2 203
    VCP-2           januari 1992 – december 1992                      6 218           2 475
    VCP-3           april 1997 - maart 1998                           5 958           2 354
    Om een beoordeling mogelijk te maken van de ontwikkeling in de voedselconsumptie is
    de uitvoering van de drie peilingen zoveel mogelijk hetzelfde gehouden. Door
    praktische omstandigheden was het niet mogelijk de tweede peiling uit te voeren in
    dezelfde periode als de eerste. Er zijn geen aanwijzingen dat dit van invloed is geweest
    op de resultaten (Löw97, Löw98a).
2.2 Gegevensverzameling
    De voedselconsumptiegegevens zijn verzameld door middel van de zogenoemde
    tweedaagse opschrijfmethode (voedingsdagboekjes). Deze methode is destijds gekozen,
    omdat uit vooronderzoek was gebleken dat het opschrijven van de gebruikte voeding
    gedurende twee dagen in de onderzoeksopzet haalbaar is en het mogelijk is
    groepsgemiddelden en binnen- en tussenpersoonsvariatie in de voedselconsumptie te
    berekenen. De gegevensverzameling is evenredig gespreid over de dagen van de week
    en de seizoenen. Tijdens feestdagen en in vakantieperiodes is geen veldwerk uitgevoerd,
    omdat werd aangenomen dat het responsniveau dan laag zou zijn.
        De thuis gebruikte voedingsmiddelen zijn door degene die meestal de maaltijd
    verzorgt voor alle leden van de huishouding genoteerd in een 'huishouddagboek'. Het
    eten en drinken buitenshuis is door iedere deelnemer afzonderlijk genoteerd in een
    'persoonsdagboekje'*.
        Het veldwerk van het onderzoek, waaronder het leggen van contacten met de
    deelnemers, de instructie over het invullen van de dagboekjes, de controle van de
    dagboekjes en het coderen van de gegevens, is uitgevoerd door een team speciaal voor
*   Kinderen jonger dan 13 jaar worden hierbij zonodig door de ouders geholpen.
32  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    het onderzoek getrainde diëtisten. Voor een uitvoerige beschrijving van de uitvoering
    van het veldwerk wordt verwezen naar de publicatie van Hulshof en Van Staveren
    (Hul91a). In de wijze van gegevensverzameling is omwille van de vergelijkbaarheid van
    de resultaten in de loop der tijd zo weinig mogelijk veranderd.
2.3 Berekening van de voedingswaarde
    Bij de voedselconsumptiepeilingen is steeds gebruik gemaakt van de op dat moment
    meest recente NEVO-tabel*. De berekeningen om de belangrijke ontwikkelingen in
    kaart te kunnen brengen zijn uitgevoerd met behulp van speciale ‘NEVO-trendtabellen’.
    In deze tabellen is de voedingsstoffensamenstelling van producten gecorrigeerd voor
    niet daadwerkelijke verschillen in productsamenstelling, zoals bijvoorbeeld de in de
    loop der tijd opgetreden kwaliteitsverbeteringen van het NEVO-bestand als gevolg van
    nieuwe of verbeterde analysetechnieken, betere bemonstering, en dergelijke, die geen
    werkelijke verandering in de productsamenstelling reflecteren (Bee98). De NEVO-tabel
    die is gebruikt bij de derde peiling is hierbij het uitgangspunt geweest. Met behulp van
    deze trendtabellen zijn de voedselconsumptiegegevens die tijdens de eerste twee
    peilingen zijn verzameld opnieuw omgerekend in voedingsstoffen.
2.4 Overige berekeningen
    De resultaten op het niveau van voedingsmiddelen en voedingsstoffen zijn voor de totale
    populatie ten tijde van elk onderzoek met behulp van weegfactoren zo berekend dat zij
    een representatieve afspiegeling vormen voor de Nederlandse bevolking qua leeftijd en
    geslacht. De verschillende geslachts/leeftijdsgroepen, waarvan de indeling is gebaseerd
    op de gehanteerde indeling in de Nederlandse Voedingsnormen (Voe92), vormen op zich
    representatieve steekproeven (Löw94a). Omdat er zich in de periode 1987/88-1997/98
    verscheidene demografische veranderingen hebben voltrokken, zijn de gegevens in dit
    advies gestandaardiseerd naar leeftijd, geslacht en opleiding op basis van de situatie ten
    tijde van de eerste voedselconsumptiepeiling in 1987/88**.
         De veranderingen in de inname van voedingsstoffen zijn geanalyseerd met behulp
    van een variantie-analyse met de ontwikkeling in de voedselconsumptie als factor.
    Hierbij werden de onderliggende veronderstellingen over de normaliteit en gelijkheid
    van varianties in de verdeling nagegaan. Indien nodig zijn de waarnemingen
    logaritmisch getransformeerd. Bij een significant verschil in de ontwikkeling is met
*   De NEVO-tabel (het NEderlandse VOedingsstoffenbestand) is een databestand waarin de voedingsstoffensamenstelling
    is opgenomen van bijna 1 500 in Nederland verkrijgbare voedingsmiddelen.
**  Dit betekent dat de gegevens in dit advies soms afwijken van elders gepubliceerde gegevens over de voedselconsumptie
    op basis van de voedselconsumptiepeilingen.
    De periodieke landelijke voedselconsumptiepeilingen                                                               33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>      behulp van de Student t-toets naar verdere verschillen tussen de resultaten van de
      verschillende voedselconsumptiepeilingen gekeken.
           Het verschil in de consumptie van voedingsmiddelen is parametervrij getoetst
      volgens Kruskal en Wallis, omdat de betreffende variabelen scheef waren verdeeld en
      niet met een transformatie konden worden gecorrigeerd (Sie56). De samenhang tussen
      de resultaten van de drie voedselconsumptiepeilingen en de categorische variabelen is
      nagegaan met behulp van regressie-analyse. De verschillen tussen de resultaten van de
      drie voedselconsumptiepeilingen zijn weer paarsgewijze getoetst op significantie.
           Alle toetsen zijn afzonderlijk uitgevoerd voor de totale populatie en de in dit advies
      onderscheiden geslacht/leeftijdsgroepen. In alle analyses werd een p-waarde < 0,01 als
      significant beschouwd.
2.5   Beperkingen
      In het in 1986 door de Voedingsraad uitgebrachte advies is al aangegeven dat de
      voorgestelde onderzoeksopzet voor het verwerven van inzicht in de voedselconsumptie
      van de bevolking een aantal beperkingen kent.
2.5.1 Steekproef
      De steekproef die is gebruikt is niet representatief voor de gehele Nederlandse
      bevolking. In de steekproef zijn namelijk niet betrokken:
      • personen zonder vaste woon- of verblijfplaats
      • personen verblijvend in instellingen
      • personen die de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn
      • kinderen jonger dan 1 jaar.
      In de steekproef zijn personen uit de laagste sociaal-economische klasse (klasse D*)
      ondervertegenwoordigd.
      Daarnaast kent de gehanteerde methode van onderzoek nog een aantal beperkingen:
      • over groepen van de bevolking die relatief gering in omvang zijn zoals allochtonen,
           personen met een ander dan het gangbare voedingspatroon en zelfstandig wonende
           jongeren zijn geen uitspraken te doen, omdat zij slechts in kleine aantallen in de
           steekproef zijn opgenomen
      • omdat de steekproef is gebaseerd op huishoudens zal de spreiding tussen personen
           wat zijn onderschat (Ano93a)
*     Dit betreft personen met ongeschoolde arbeid of alleen lager onderwijs.
34    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>      •    het GfK-Scriptpanel, waaruit de steekproef is getrokken, bestaat uit personen die
           bereid zijn regelmatig deel te nemen aan marktonderzoek op velerlei gebied*. Deze
           bereidheid kan zijn gekoppeld aan persoonskenmerken die de voedselkeuze
           beïnvloeden.
      Omdat deze beperkingen gelden voor alle voedselconsumptiepeilingen, staan zij een
      analyse van de ontwikkeling van de voedselconsumptie niet in de weg.
2.5.2 Gegevensverzameling
      Zoals in de meeste voedselconsumptie-onderzoeken is er bij de
      voedselconsumptiepeilingen sprake van een onderschatting van de voedselconsumptie
      (Voo97). De werkelijke voedselconsumptie kan zijn onderschat omdat:
      • de twee ‘opschrijf-dagen’ aaneengesloten dagen zijn (onderschatting van de
           variatie)
      • tijdens feestdagen en vakantieperiodes geen gegevens zijn verzameld.
      Het geregistreerde gebruik van voedsel en dranken kan zijn vertekend omdat:
      • zelfrapportage beïnvloed wordt door sociale wenselijkheid
      • de consumptie minder nauwkeurig en minder volledig is geregistreerd door
           mogelijke sociale controle binnen de huishouding
      • het opschrijven van de geconsumeerde voeding kan interfereren met de consumptie.
      Uit het onderzoek dat is uitgevoerd ter voorbereiding van de derde peiling is niet
      gebleken dat de onderrapportage gedurende de voorgaande peilingen onderling
      belangrijk verschilt (Voo97). Er zijn geen aanwijzingen dat de derde peiling hiervan in
      belangrijke mate afwijkt. Al hoewel er in de periode van tien jaar waarin de peilingen
      zijn uitgevoerd weliswaar waarschijnlijk sprake is van een geringe toename in de
      onderrapportage van de voedselconsumptie, is deze zo gering dat zij nauwelijks kan
      bijdragen aan een verklaring van de waargenomen ontwikkelingen in de
      voedselconsumptie (Ano93, Voo97, Löw98b, zie bijlage D).
      Als gevolg van de gehanteerde methode van onderzoek reflecteren de resultaten van de
      peilingen een momentopname van de gemiddelde voedselconsumptie van de bevolking
      en minder de ‘gebruikelijke voeding’, met andere woorden het individuele
*     Ruim 16% van alle personen hebben deelgenomen aan twee of drie peilingen: 18,4% van de huishoudingen. 1,8% van alle
      personen en 2,5% van alle huishoudingen hebben aan alle drie de peilingen deelgenomen (Hulshof KFAM, persoonlijke
      mededeling).
      De periodieke landelijke voedselconsumptiepeilingen                                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>      voedingspatroon. Voor het vaststellen van de chronische blootstelling aan bijvoorbeeld
      verontreinigingen of additieven in de voeding zijn de gegevens op zich minder geschikt,
      omdat door de korte registratietijd het risico op overschatting van de blootstelling
      bestaat (Löw94a, Bru96, Löw99).
           Door de wijze van gegevensverzameling, met name de codering* en aggregatie van
      voedingsmiddelen, kunnen veranderingen in het voedingsgedrag ten gevolge van
      sociaal-demografische ontwikkelingen slechts beperkt worden nagegaan. Dit komt
      omdat bij de opzet van de voedselconsumptiepeilingen de wijze van coderen en het
      aggregeren van voedingsmiddelen vooral is gericht op de voorziening met
      voedingsstoffen, waarbij voedingsmiddelen met vergelijkbare
      voedingsstoffensamenstelling zijn geclusterd.
2.5.3 Vergelijking met andere voedselconsumptiegegevens
      Een vergelijking van de ontwikkeling van de voedselconsumptie zoals die naar voren
      komt uit de voedselconsumptiepeilingen met bijvoorbeeld de ontwikkeling in de
      brutoverbruiksgegevens van voedingsmiddelen** ligt voor de hand. Door een verschil
      in product(groep)definities, tussentijdse correcties in de brutoverbruiksgegevens en het
      ontbreken van steeds meer brutoverbruiksgegevens (bijvoorbeeld over het groenten- en
      fruitverbruik) is een dergelijke vergelijking echter niet goed mogelijk.
2.5.4 Verband tussen voeding en ziekte
      De commissie benadrukt dat de periodieke voedselconsumptiepeilingen door de
      gekozen opzet en methodiek (monitoring van de voedselconsumptie) niet geschikt zijn
      om causale verbanden te leggen tussen voeding en ziekte in Nederland.
*     Samengestelde producten bijvoorbeeld zijn gecodeerd naar de samenstelllende bestanddelen.
**    Deze gegevens geven de hoeveelheden voedingsmiddelen aan –meestal in termen van grondstoffen (primaire agrarische
      producten) – die jaarlijks per hoofd van de bevolking voor consumptie beschikbaar zijn gekomen. Zij worden berekend op
      basis van productiestatistieken met behulp van de zogenoemde balansmethode: (binnenlandse productie + import) –
      (export) +/- (voorraadmutaties). Er wordt alleen gecorrigeerd voor verliezen op het agrarische bedrijf en op het niveau van
      de groothandel (Bos78).
36    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 3
          Sociaal-demografische ontwikkelingen en
          veranderend consumentengedrag
          In dit hoofdstuk worden enkele sociaal-demografische ontwikkelingen besproken die de
          voedselconsumptie in de periode 1987/88-1997/98 hebben beïnvloed. De gegevens in
          dit hoofdstuk zijn ontleend aan diverse CBS publicaties, de jaarboeken van het
          marktonderzoeksbureau GfK en de rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau
          over de tijdsbestedingsonderzoeken in de periode 1990-2000.
3.1       Sociaal-demografische ontwikkelingen
          Bevolkingsopbouw
          In de periode 1987-1997 groeide de Nederlandse bevolking van circa 14,5 tot ruim 15,5
          miljoen mensen (CBS98). Een niet onbelangrijk deel van deze groei betreft de niet-
          westerse allochtonen, vooral die van Surinaamse, Turkse en Marokkaanse afkomst
          (CBS99a). Deze bevolkingsgroep nam in deze periode met ruim 60% toe tot meer dan
          1,2 miljoen. Deze ontwikkeling ging gepaard met de instroom van nieuwe eetculturen,
          die via een scala van eetgelegenheden worden uitgedragen en een vertrouwd beeld zijn
          geworden in de Nederlandse horeca.
          Gemiddelde leeftijd
          De gemiddelde leeftijd van de bevolking nam toe, ook de leeftijdsopbouw duidelijk is
          veranderd. Tabel 3.1 laat zien dat het aantal jongeren in de Nederlandse samenleving
          Sociaal-demografische ontwikkelingen en veranderend consumentengedrag                 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   verminderde (ontgroening), terwijl het aantal ouderen toenam (vergrijzing). Deze
   ontwikkeling zal zich naar verwachting van het CBS in de komende jaren versterkt
   doorzetten.
   Tabel 3.1 Ontwikkeling in de leeftijdsopbouw van de bevolking
   leeftijd                                    1987              1992     1997
                                               %                 %        %
   0-20 jaar                                   27,1              24,9     24,3
   20- 40 jaar                                                   33,0     31,4
                                              } 60,5
   40-65 jaar                                                    29,1     30,9
   ouder dan 65 jaar                           12,4              12,9     13,4
   ouder dan 80 jaar                             2,7              2,9      3,2
   gemiddelde leeftijd                         36,2              36,6     37,9
   Bron: CBS90, CBS93, CBS95, CBS98
   De spreiding van de bevolking over de verschillende regio’s in Nederland bleef in deze
   periode vrijwel stabiel. Het aantal mensen wonend in de regio West nam iets toe en in de
   regio Noord iets af. Van een trek naar de ‘grote stad’ is geen sprake geweest (GfK00).
   Beroepsbevolking
   De samenstelling van de beroepsbevolking is in deze tien jaar ook duidelijk veranderd.
   Het aantal vrouwen dat deelneemt aan het arbeidsproces is geleidelijk toegenomen en
   zal naar verwachting van het CBS nog verder toenemen (zie figuur 3.1).
   Het aantal huisvrouwen/mannen zonder beroep daalde van circa 17,5 % tot circa 9,5%.
   Het aantal huishoudens met tweeverdieners groeide van ruim 25% naar meer dan 30%
   (GfK00). In 1995 lag de wekelijkse arbeidsinspanning in huishoudens met
   tweeverdieners met gemiddeld 56 uur bijna 16 uur hoger dan in huishoudens met één
   kostwinner (Bro99). Met name in dit type huishouden nemen combinaties van hoofdtaak
   en neventaken —zoals huishoudelijk werk met betaald werk en studie met betaald
   werk— toe. In 1975 vormde betaald werk voor vrouwelijke tweeverdieners 20% van
   hun bezigheden; in 1995 bedroeg dit 42% (Bro99). In 2000 had ruim 50% van de
   volwassen vrouwen een betaalde (deeltijd)baan (GfK01).
38 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>               80
               70
               60
               50
   procenten
               40
               30
               20                                                    mannen
                                                                     vrouw en
               10
               0
                    1987                       1992                1997
       bron: CBS
Figuur 3.1 De ontwikkeling in de deelname aan het arbeidsproces.
Welvaart
Ook is er sprake van een toegenomen welvaart. De burger werd mobieler en hierdoor
minder plaatsgebonden. Het besteedbaar inkomen nam in de periode 1987-1997 met
ruim 4% toe. Het gedeelte hiervan dat per huishouden werd besteed aan voedings- en
genotmiddelen nam iets af van 18,5% tot circa 17%. De toegenomen welvaart komt ook
tot uitdrukking in het aantal vakanties dat in het buitenland wordt doorgebracht. Men is
vaker en verder gaan reizen en heeft daardoor kennis gemaakt met ondermeer nieuwe
eetculturen.
     Bijna alle huishoudens in Nederland beschikten in de periode 1987-1997 over een
koelkast (circa 97%). Het aantal huishoudens met een diepvriezer steeg van 47% naar
ruim 63%. De toename van het aantal huishoudens met een magnetron of combi-oven
was spectaculair: van 3% naar ruim 60%.
Individualisering van de samenleving
In de periode 1987-1997 is de samenleving steeds verder geïndividualiseerd
(huishoudverdunning). De groei van het aantal huishoudens is aanzienlijk groter
geweest dan de bevolkingsgroei. Deze individualisering van de samenleving komt tot
uitdrukking in de toename van het aantal eenpersoons huishoudens en een daling van de
gezinsgrootte; het op jongere leeftijd zelfstandig gaan wonen en het langer zelfstandig
blijven wonen (zie tabel 3.2).
Sociaal-demografische ontwikkelingen en veranderend consumentengedrag                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    Tabel 3.2 Veranderingen in de samenstelling van het huishouden.
                                               1987               1992       1997
                                               %                  %          %
    meerpersoons                               71,1               69,8       67,8
    eenpersoons                                28,9               30,2       32,2
    eenouder                                   10,8               7,3        7,0
    tweepersoons, geen kinderen                27,8               30,4       32,5
    gem aantal personen per huishouden         2,49               2,39       2,31
    personen niet levend in gezinsverband      18,5               21,0       22,4
    personen levend in instituutsverband       1,8                1,0        1,1
    Bron: CBS90, CBS93, CBS95, CBS98
3.2 Veranderend consumentengedrag
    Voedselkeuze
    De sociaal-demografische ontwikkelingen in de jaren tachtig en negentig van de vorige
    eeuw hebben het consumentengedrag en daarmee ook het voedingsgedrag van de
    bevolking niet onberoerd gelaten. Het aantal overwegingen dat men betrekt bij de keuze
    van voedingsmiddelen is groter geworden. Naast prijs en smaak zijn veiligheid,
    gezondheid, productiewijze en bereidingsgemak een belangrijke rol gaan spelen.
    (Dag98). Volgens Meulenberg wordt de voedselkeuze van de consument steeds minder
    gestuurd door een bepaalde specifieke trend als gemak, gezondheid, natuur- of
    diervriendelijkheid op zich, maar meer door een combinatie van deze trends (Meu96).
    Een andere ontwikkeling is de steeds sterkere behoefte van de consument om zich via de
    voeding —door het etaleren van een specifieke smaak en voorkeur— te onderscheiden
    van anderen (distinctiedrang). Dit leidt tot een individualisering van de voedselkeuze.
    Leefstijl en eetmomenten
    De veranderende maatschappij gaat volgens ‘trendwatchers’ voor een grote groep in de
    samenleving gepaard gaan met veranderingen in het eetpatroon. Het betreft dan vooral
    eenpersoonshuishoudens, forensen en tweeverdieners. Voor hen zal het traditionele
    eetpatroon van drie maaltijden per dag meer en meer verschuiven naar een patroon
    waarin sprake is van meerdere —en minder gestructureerde— eetmomenten (van ‘het is
    tijd om te eten’ naar ‘er is even tijd vrij om te eten’)*. Op weekdagen wordt dan weinig
    tijd vrijgemaakt voor de maaltijdbereiding; er wordt vaak buiten de deur gegeten in
*   M.a.w.: van ‘gorging’ naar ‘grazing’.
40  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>  bedrijfskantines, restaurants, eetcafés en onderweg). Daarnaast wordt steeds frequenter
  gebruik gemaakt van afhaal- en bezorgmaaltijden. In dit leefpatroon is door tijdgebrek
  de maaltijd op weekdagen veel minder een sociaal en veel meer een individuele
  aangelegenheid geworden. In het weekend daarentegen ligt de nadruk vaak op genieten
  en wordt meer dan gemiddeld tijd uitgetrokken voor de maaltijdbereiding, waarbij niet
  zelden bijzondere receptuur en exotische gerechten centraal staan.
       Wellicht als gevolg van de hectische leefstijl neigt dit type consumenten volgens
  ‘trendwatchers’ ook sterk naar een hedonistische leefstijl: ‘verwen je zelf en geniet
  zoveel mogelijk van het leven’. Deze leefstijl gaat gepaard met een grote behoefte aan
  enerzijds snel en gemakkelijk te bereiden maaltijden en anderzijds aan hoogwaardige en
  exotische voedingsmiddelen en aan catering. Daarnaast streeft men er binnen deze groep
  consumenten naar om via de voeding de gezondheid te optimaliseren. De belangstelling
  voor gezonde voeding en vooral voor voedingsmiddelen met specifiek de gezondheid
  bevorderende bestanddelen is dan ook groot. Marktverkenners verwachten dat deze
  belangstelling de komende jaren nog sterk zal toenemen en zich verder in de bevolking
  zal verspreiden.
       Marktverkenners menen dat ook binnen de meer-persoonshuishoudens er sprake is
  van een toegenomen individualisering van de voedselkeuze: voor ieder lid van het gezin
  een op de eigen wensen en behoeften afgestemde —al dan niet kant-en-klare— maaltijd
  (‘tailor made’ voedingsmiddelen en maaltijden). Ook deze ontwikkeling zal er toe
  kunnen leiden dat de momenten waarop men binnen het huishouden eet sterker
  individueel gaan wisselen en wel zodanig dat de gezamenlijke maaltijd onder druk komt
  te staan.
  Ondanks deze opvattingen van ‘trendwatchers’ komt uit de resultaten van de
  tijdsbestedingsonderzoeken over de periode 1975-1995 en 1996-2000 van het Sociaal en
  Cultureel Planbureau nog steeds een vrij traditioneel beeld van de consument naar voren
  dan (Bro99, Bre01). Ook wat betreft het eten buitenshuis komt uit deze onderzoeken een
  minder sterk veranderend beeld naar voren dan op grond van markonderzoek mocht
  worden verwacht. Er is volgens deze onderzoeken weliswaar sprake van zekere
  veranderingen in gedragspatronen, maar deze zijn veel minder ingrijpend dan
  ‘trendwatchers’ doen vermoeden*. Volgens deze onderzoeken kan in ieder geval niet
  worden gesproken van een algemene ontwikkeling in de samenleving. Zo heeft de
  grotere tijdsdruk in huishoudens met kinderen niet geleid tot een geringere aandacht
* Het kan niet worden uitgesloten dat de groep consumenten waarvan de marktverkenningen uitgaan
  ondervertegenwoordigd zijn in de steekproef van het tijdsbestedingsonderzoek. Het ligt voor de hand dat personen die
  onder grote werk- en tijdsdruk staan weinig neiging hebben om aan dergelijk onderzoek mee te werken. Aan de andere
  kant beslaat het onderzoek waarop ‘trendwatchers’ zich baseren meestal slechts een korte periode en een kleine groep
  waardoor een vertekend beeld ontstaan. In hoofdstuk 10 wordt nader op deze verschillen ingegaan.
  Sociaal-demografische ontwikkelingen en veranderend consumentengedrag                                                41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>    (=tijd) van ouders voor de kinderen. Dit geldt ook voor tweeverdieners. De toegenomen
    tijdsdruk heeft in dit type huishouden eveneens niet tot gevolg gehad dat de warme
    maaltijd minder gezamenlijk wordt gebruikt dan in kostwinnershuishoudens. Hoewel er
    gemiddeld gezien in de periode 1990-1995 volgens het tijdsbestedingsonderzoek sprake
    was van een toenemende uithuizige leefstijl, blijkt men in de periode 1995-2000 juist
    weer vaker thuis te zijn.
         De resultaten van de tijdsbestedingsonderzoeken geven ook niet aan dat het
    traditionele patroon van drie hoofdmaaltijden per dag snel aan het vervagen is. In de
    afgelopen tien jaar is de spreiding van etenstijden weliswaar groter geworden maar de
    piektijden —het ontbijt uitgezonderd— zijn nauwelijks veranderd (Bro99,Bre01)*. Wel
    blijkt uit deze onderzoeken dat men minder tijd neemt voor de maaltijd.
         In de periode 1975-1995 nam volgens deze onderzoeken het aantal personen dat wel
    eens in een restaurant at toe van 11 naar 14%. Het betrof dan vaak alleenstaanden,
    grootstedelingen en hoger opgeleiden. In 1995 at slechts 1% van de bevolking op meer
    dan twee doordeweekse dagen in een restaurant (Bro99). Uit het
    tijdsbestedingsonderzoek 1995-2000 blijkt dat het buiten de deur eten in die periode in
    frequentie wel sterker is toegenomen (Bre01).
3.3 Voedingsmiddelenaanbod
    Het voedingsmiddelenbedrijfsleven heeft in de loop der jaren ingespeeld op de
    bovengeschetste maatschappelijke ontwikkelingstendensen. In de jaren negentig is de
    productontwikkeling van voedingsmiddelen geëvolueerd van een aanbodgestuurde
    ontwikkeling (‘technology push’) naar een vraaggestuurde ontwikkeling (‘market pull’)
    waarin de behoefte van de consument centraal staat. De marketingstrategie van nieuwe
    producten is zich meer en meer gaan richten op de demografische en maatschappelijke
    ontwikkelingen die zich in de samenleving voordoen. Duidelijk wordt rekening
    gehouden met de steeds groter wordende fragmentatie en heterogeniteit van de
    consumentenmarkt.
         De distributiesector —vooral het grootwinkelbedrijf— heeft eveneens actief
    gereageerd op de veranderende consumentenmarkt. Niet alleen door een sterk groeiend
    aanbod van diepvriesmaaltijden (ook een- en tweepersoons), pan- en magnetronklare
    maaltijden, verse en koelverse maaltijden en maaltijdingrediënten, voorgesneden
    groenten enzovoorts maar ook door de introductie van een groot scala aan (kant-en-
*   In de periode 1990-1995 is alleen het ontbijt met een kwartier vervroegd tot 7:30. De gemiddelde lunch vangt aan om
    12:30 en de avondmaaltijd om 18:00 uur.
42  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>   klare) exotische en exclusieve gerechten en verse ingrediënten*. De toegenomen
   mobiliteit en de groeiende vraag naar kant-en-klaarproducten heeft tevens geleid tot een
   grote groei in het aantal —vooral minder traditionele— verkooppunten van
   voedingsmiddelen, zoals benzinestations, fast food restaurants, afhaal-restaurants, en
   cateringbedrijven**.
*  Van het aanbieden van traditionele voedingsmiddelen t.b.v. maaltijdbereiding naar catering. Volgens de Euromonitor
   bedroeg de omzet aan kant-en-klaarproducten in 1997 kDfl 440; een stijging t.o.v. het voorgaande jaar van 13%. Aan
   koelverse maaltijden werd kDfl 132 omgezet, 30% meer dan in 1996. Overigens blijkt uit een recent onderzoek dat groot
   winkelbedrijven er nog niet echt in zijn geslaagd een concept te ontwikkelen dat voldoende tegemoet komt aan de wensen
   van de consument (Gri99).
** Verwacht wordt dat deze ‘food service industry’ zich in de toekomst nog verder zal ontwikkelen. Ook
   grootwinkelbedrijven zullen deze horeca activiteiten gaan uitvoeren.
   Sociaal-demografische ontwikkelingen en veranderend consumentengedrag                                               43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>44 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 4
          Ontwikkeling in het gebruik van
          voedingsmiddelen
          Dit hoofdstuk geeft de belangrijkste verschuivingen aan in het gebruik van
          voedingsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98 voor de totale populatie en enkele
          geselecteerde leeftijdscategorieën. De commissie heeft zich hierbij beperkt tot de
          aspecten die in het bijzonder van belang zijn voor de volksgezondheid.
4.1       Inleiding
          Voor de beschrijving van de belangrijkste ontwikkelingen in de voedselconsumptie zijn
          de resultaten van de voedselconsumptiepeilingen gestandaardiseerd voor leeftijd,
          geslacht en opleiding op basis van de steekproefsamenstelling van de eerste peiling in
          1987/88. Om een indruk te geven van de ontwikkelingen in de voedselconsumptie van
          de bevolking in de periode voorafgaande aan de voedselonsumptiepeilingen wordt
          begonnen met een globale schets hiervan. De gegevens uit beide periodes zijn —gezien
          de verschillende herkomst— alleen in kwalitatieve zin met elkaar te vergelijken.
          Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>4.2 Van 1965 tot 1987
    In het Voedingsbericht 1990 is op basis van de zogenoemde brutoverbruiksgegevens*
    de ontwikkeling in het voedingsmiddelenverbruik —dat wil zeggen het
    voedingsmiddelen-aanbod— per hoofd van de bevolking voor de periode 1965-1987 als
    volgt gekarakteriseerd (Hoo90):
    • Groenten en peulvruchten: Een toename van circa 200 g naar 290 g per hoofd van
         de bevolking per dag (een stijging met bijna 45%).
    • Fruit: Een toename van 195 g tot bijna 250 g per dag (+26%).
    • Aardappelen: Een daling in het verbruik van 240 g naar 230 g per dag (-4%).
    • Graanproducten: Een daling van ruim 190 g naar 175 g per dag (-8%).
    • Melk en melkproducten: Binnen deze productgroep vond een grote verschuiving
         plaats van volle naar halfvolle en magere producten. Het verbruik van volle
         melk(producten) daalde met bijna 60%. In 1987 bedroeg het totale verbruik van
         melk en melkproducten ruim 360 g per dag. Het kaasverbruik nam toe met ruim
         70% tot circa 40 g per dag.
    • Eieren: Het verbruik daalde licht tot 188 stuks per hoofd van de bevolking per jaar.
    • Vlees(producten) en gevogelte: Het verbruik van deze groep producten nam toe met
         57% tot ongeveer 220 g per dag. Vooral het verbruik van varkensvlees steeg met
         bijna 60% tot ruim 85 g per dag.
    • Vetten en oliën: Binnen de groep zichtbare voedingsvetten voltrok zich dezelfde
         verandering in het verbruik als binnen de groep melk(producten). Het verbruik van
         halvarine nam toe ten koste van het verbruik van margarine. Het verbruik van oliën
         en bak- en braadvet nam toe met 65%. Het totale verbruik van zichtbare vetten
         daalde van 27 g naar 25 g per dag en vertoonde in de tweede helft van de jaren
         tachtig weer een licht stijgende lijn.
    • Niet-alcoholische dranken: Het koffieverbruik nam met bijna 70% toe, terwijl het
         verbruik van frisdranken verdubbelde. Het theeverbruik bleef op constant niveau.
    • Alcoholische dranken: Het verbruik nam vooral in de periode 1965-1975 sterk toe.
         In 1987 lag het verbruik 140% hoger dan in 1965. In grammen alcohol betekende
         deze toename een verdubbeling tot ongeveer 18 g per dag.
*   Deze gegevens geven de hoeveelheden voedingsmiddelen aan –meestal in termen van grondstoffen (primaire agrarische
    producten) – die jaarlijks per hoofd van de bevolking voor consumptie beschikbaar zijn gekomen. Zij worden berekend op
    basis van productiestatistieken met behulp van de zogenoemde balansmethode: (binnenlandse productie + import) –
    (export) +/- (voorraadmutaties). Er wordt alleen gecorrigeerd voor verliezen op het agrarische bedrijf en op het niveau van
    de groothandel (Bos78).
46  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>4.3   Van 1987 tot 1997
4.3.1 Inleiding
      Voor deze periode zijn via de voedselconsumptiepeilingen gegevens over het
      individuele gebruik van voedingsmiddelen beschikbaar. Voor de totale populatie en de
      geselecteerde leeftijdsgroepen zal in deze paragraaf, na een algemene beschrijving van
      de ontwikkeling op het niveau van productgroepen*, nader worden ingegaan op de
      verschuivingen in het gebruik van de vijf voedingsmiddelen waarvan het gebruik in de
      periode 1987/88-1997/98 het sterkst is veranderd. Indien niet anders wordt vermeld zijn
      de beschreven veranderingen statistisch significant (p<0,01). Het gaat hierbij om
      (subgroepen) voedingsmiddelen waarvan het dagelijks gebruik met tenminste 10 gram
      of 10% is veranderd. Voor een meer gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar de
      bijlagen E en F.
4.3.2 Selectie van de leeftijdsgroepen
      Voor de analyse heeft de commissie een tweetal leeftijds/geslachtsgroepen geselecteerd:
      de 13 t/m18-jarigen en de 19 t/m 35-jarigen. Deze keuze is gebaseerd op het feit dat:
      • de basisrapportage van de voedselconsumptiepeilingen (Ano88, Ano93b, Ano98)
           aangaf dat er voor deze leeftijdsgroepen sprake is van een meer dan gemiddelde
           daling in het groenten- en fruitgebruik
      • de voedingsgewoonten in het leeftijdstraject 13 t/m 35 jaar nog veranderen (Pos01)
           en interventie via voorlichting mogelijk is
      • voor de leeftijdscategorie 19 t/m 35 jaar het schatten van de betekenis van de
           belangrijkste ontwikkelingen —het groenten- en fruitgebruik en de
           vetzuursamenstelling van de voeding— voor de volksgezondheid goed mogelijk is.
      Bij deze keuze is de commissie zich ervan bewust dat deze leeftijdsgroepen wat betreft
      de voorziening met microvoedingstoffen over het algemeen niet de meest kwetsbare zijn
      (met uitzondering van zwangere en zogende vrouwen**).
      Zoals blijkt uit figuur 4.1 vertoonde het gebruik van de productgroepen ‘fruit’,
      ‘groenten’, ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’, ‘soepen’ en ‘brood’ (ns)*** tijdens de
*     De voedingsmiddelen zijn t.b.v. de analyse ingedeeld in 23 productgroepen (zie Ano98a).
**    Deze groepen zijn in de steekproef te klein om een verantwoorde analyse te kunnen uitvoeren.
***   Statistisch niet significant (p<0,01).
      Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen                                             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   gehele periode een dalende tendens (zie ook bijlage E). Het gebruik van de
   productgroepen ‘niet-alcoholische dranken’, ‘granen en bindmiddelen’, ‘melk en
   melkproducten’ (ns), ‘noten en snacks’ en ‘vis’ (ns) nam toe. De grootste veranderingen
   traden op tussen 1987/88 en 1992. Hoewel tussen 1992 en 1997/98 de stijgende en
   dalende tendensen in de consumptie zich hebben voortgezet, waren in deze periode
   alleen de veranderingen in het gebruik van de productgroepen ‘groenten’, ‘fruit’, ‘noten
   en snacks’ en ‘niet-alcoholische dranken’ statistisch significant. De andere
   productgroepen laten een meer wisselend beeld zien. De consumptie van de
   productgroep ‘aardappelen’ daalde alleen in de periode 1987/88-1992 en stabiliseerde
   zich daarna. Het gebruik van eieren was in 1992 met 12% gedaald en lag in 1997/98 nog
   op dit niveau. De productgroep ‘suiker, snoep en zoet broodbeleg’ laat een zelfde
   ontwikkeling zien. Het gebruik van de productgroep ‘kaas’ was in 1992 van dezelfde
   orde van grootte als in 1987/88, maar daalde daarna met 7% (ns). Het gebruik van de
   productgroep ‘samengestelde gerechten’ (voornamelijk kant-en-klaarmaaltijden) nam in
   de periode 1987/88-1992 met 40% toe en bleef daarna op dit niveau. Het gebruik van de
   productgroep ‘alcoholische dranken’ was in 1992 13% lager dan in 1987/88 waarna een
   lichte stijging met 2% optrad.
       fruit
       groenten
       eieren
       suiker & snoep
       a lc. dranken
       soepen
       aardappelen
       kaas
       gebak & koek
       vlees
       brood
       sam engest. gerechten
       noten & snacks
       niet alc. dranken
       graanproducten
       m elk(producten)
       vetten
           1992                       -40         -20          0          20          40           60
           1997/98
                                                            procenten
   Figuur 4.1 De ontwikkeling in de consumptie van voedingsmiddelen in 1992 en 1997/98 tov 1987/88.
   Totale populatie.
48 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>      Vijf grootste stijgers
      Uit bijlage F2 blijkt dat de grootste toename in het gemiddeld gebruik van
      voedingsmiddelen zich heeft voorgedaan in de sector dranken. In de periode 1987/88-
      1997/98 nam het gemiddeld gebruik van suikervrije frisdranken, halfvolle
      melk(producten), vruchtensappen, frisdranken en magere melk(producten) met
      respectievelijk 583, 55, 45, 41 en 27% het sterkst toe. De toename van het gemiddeld
      gebruik in grammen bedroeg respectievelijk 35, 74, 22, 45 en 23 gram (zie bijlage F1).
      Met uitzondering van magere melk(producten) steeg zowel het aantal gebruikers* van
      deze producten als de door hen geconsumeerde hoeveelheden. Het aantal gebruikers van
      magere melk(producten) vermeerderde met ruim 10%; de gebruikte hoeveelheid
      veranderde echter niet significant (zie bijlage F3).
      Vijf grootste dalers
      Over een periode van tien jaar daalde het gemiddeld gebruik van volle melk(producten),
      fruit, groenten, bier en aardappelen met respectievelijk 53%, 18%, 15%, 13% en 11%
      het sterkst (zie bijlage F2). Uitgedrukt in grammen per dag nam het gemiddelde gebruik
      van volle melk(producten) met 79 gram, van fruit met 23 gram, van groenten met 21
      gram, van bier met 18 gram en van aardappelen met 14 gram af (zie F1).
           Voor volle melk(producten), fruit en aardappelen verminderde zowel het aantal
      gebruikers als de door hen gebruikte hoeveelheid (zie bijlage F3). Bij groenten en bier
      was er vooral sprake van een lagere consumptie. Het aantal gebruikers van deze
      producten was slechts licht gedaald.
4.3.3 Leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar
      Bij de 13 t/m 18-jarige jongens werd tussen 1987/88 en 1997/98 een significante daling
      geconstateerd in de consumptie van de productgroepen ‘brood’ (13%), ‘groente’ (19%)
      en ‘suiker, snoep en zoet beleg’ (29%) (zie figuur 4.2 en bijlage E). De consumptie van
      de productgroepen ‘alcoholische dranken’, ‘noten en snacks’ en ‘niet-alcoholische
      dranken’ nam significant toe (met respectievelijk 86%, 32% en 19%). Voor de
      productgroepen ‘alcoholische dranken’ en ‘niet-alcoholische dranken’ voltrokken de
      veranderingen zich vooral tussen de tweede en de derde peiling. Voor de meeste andere
      productgroepen was er sprake van een dalende of stijgende tendens over de gehele
      periode, met de nadruk op de veranderingen tussen 1987/88 en 1992.
*     Als in dit advies wordt gesproken over ‘het percentage gebruikers’ of ‘het aantal gebruikers’ dan gaat het om de
      respondenten die op één of beide onderzoeksdag(en) het betreffende voedingsmiddel hebben gebruikt.
      Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen                                                                 49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>        fruit
        groenten
        eieren
        suiker & snoep
        a lc. dranken
        soepen
        aardappelen
        kaas
        gebak & koek
        v lees
        brood
        sam engest. gerechten
        noten & snacks
        niet alc. dranken
        graanproducten
        m elk(producten)
        v etten
                              -50        -25           0       25           50         75         100
            1992
            1997/98                              p ro centen
   Figuur 4.2 De ontwikkeling in de consumptie van voedingsmiddelen in 1992 en 1997/98 tov 1987/88.
   13 t/m 18-jarige jongens.
         Daarnaast vond een weliswaar statistisch niet significante maar wel substantiële
   daling (meer dan 10%) plaats in het gebruik van de productgroepen ‘aardappelen’,
   ‘fruit’, ‘gebak en koek’, ‘kaas’, ‘soepen’, ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ en een
   stijging in het gebruik van de productgroepen ‘samengestelde gerechten’ en ‘vis’.
         Bij de meisjes van 13 t/m 18 jaar vertoonden de veranderingen in de consumptie van
   voedingsmiddelen in grote lijnen dezelfde tendens als bij de jongens. Opvallend is dat in
   deze leeftijdscategorie de daling in het groenten en fruitgebruik bij de meisjes sterker
   was dan bij de jongens (zie bijlage E). In tegenstelling tot de jongens was er bij de
   meisjes sprake van een (niet significante) daling in het gebruik van de productgroep
   ‘graan en graanproducten’ en een lichte stijging in het gebruik van de productgroep
   ‘melk en melkproducten’.
   Vijf grootste stijgers
   Zowel bij de jongens als meisjes behoorden suikervrije frisdranken en vruchtensappen
   tot de vijf voedingsmiddelen waarvan het gebruik in de periode 1987/88-1997/98 het
   sterkst is gestegen (suikervrije frisdranken: voor jongens 600% (30 g) en voor meisjes
   587% (47 g) en vruchtensappen voor jongens 85% (35 g) en voor meisjes 95% (60 g)
   (zie bijlage F1en F2). Bij de meisjes is zowel het aantal gebruikers als de door hen
   gedronken hoeveelheid toegenomen; bij de jongens is de stijging in de gemiddelde
50 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>      consumptie vooral het gevolg van een toename in het aantal gebruikers van suikervrije
      frisdranken en een stijging in hoeveelheid vruchtensappen (zie bijlage F3). Bij de
      meisjes behoorden ook gewone frisdranken tot de top vijf (gemiddelde toename 32%
      (69 g), waarbij met name de gedronken hoeveelheid significant is toegenomen; bij de
      jongens gold dit voor bier. Hoewel statistisch niet significant zijn er meer jongens (4%)
      in deze leeftijdscategorie bier gaan drinken en in grotere hoeveelheden; de consumptie
      door gebruikers is met circa een derde gestegen (ns). Andere producten die tot de
      belangrijkste stijgers behoren zijn ‘hartige sauzen’ (productgroep ‘vetten, oliën en
      hartige sauzen’) en halfvolle melk(producten) (productgroep ‘melk en melkproducten’).
      Ook het gebruik van met suiker gezoete zuiveldranken in deze leeftijdsgroep nam fors
      toe, voor de jongens vooral in de periode 1987/88-1992 en voor de meisjes in de periode
      1992-1997/98 (zie bijlage E).
      Vijf grootste dalers
      Voor de jongens nam het gebruik van volle melk(producten) (-69%), margarine (-46%),
      suiker (-43%), koffie (-42%) en groenten (-19%) het sterkst af. De meisjes volgden een
      iets ander patroon. Voor hen daalde het gemiddeld koffiegebruik met 73% het sterkst,
      gevolgd door volle melk(producten) (-59%), margarine (-48%), suiker (-45%) en fruit
      (-35%) (zie bijlage F2 en F1).
           De daling in de gemiddelde consumptie van deze producten was vooral het gevolg
      van een significant lager aantal gebruikers en tevens een significant lagere consumptie
      door deze gebruikers. Het aantal gebruikers van groenten bleef echter in de periode
      1987/88-1997/98 bij de jongens nagenoeg constant, terwijl er voor de meisjes sprake
      was van een niet significante daling. De door de gebruikers gegeten hoeveelheid
      groenten nam af met 19% resp. 28%. De daling in de gemiddelde koffieconsumptie
      werd vooral veroorzaakt door een sterke daling van het aantal koffiedrinkers
      (jongens -20% en meisjes -25%) (zie bijlage F3).
4.3.4 Leeftijdsgroep 19 t/m 35 jaar
      In de periode 1987/88-1997/98 daalde bij de mannen de gemiddelde consumptie
      significant van de productgroepen ‘aardappelen’, ‘alcoholische dranken’, ‘eieren’,
      ‘fruit’, ‘groenten’ en ‘soepen’. Daarentegen steeg het gebruik van de productgroepen
      niet-alcoholische dranken’, ‘noten en snacks’ en ‘samengestelde gerechten’ significant
      (zie figuur 4.3 en bijlage E).
      Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen                                          51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>         fruit
         groenten
         eieren
         suiker & snoep
         a lc. dranken
         soepen
         aardappelen
         kaas
         gebak & koek
         v lees
         brood
         sam engest. gerechten
         noten & snacks
         niet alc. dranken
         graanproducten
         m elk(producten)
         v etten
                                 -40       -20         0         20         40         60         80
             1992
             1997/98
                                                            procenten
   Figuur 4.3 De ontwikkeling in de consumptie van voedingsmiddelen in 1992 en 1997/98 tov 1987/88.
   19 t/m 35-jarige mannen.
   Voorts was er sprake van substantiële maar niet significante veranderingen voor de
   productgroepen ‘gebak en koek’, ‘granen en bindmiddelen’ en ‘vis’. Hoewel voor
   mannen en vrouwen de absolute en relatieve wijzigingen in de consumptie verschilden,
   werden de meeste van de voor de mannen geconstateerde tendensen ook waargenomen
   voor de 19 t/m 35-jarige vrouwen (zie bijlage E). Ook voor deze leeftijdsgroep
   voltrokken de belangrijkste wijzigingen in de consumptie zich tussen 1987/88 en 1992
   en zette de tendens van de verandering zich voor de meeste productgroepen in de
   daaropvolgende vijf jaar voort.
   Vijf grootste stijgers
   Uit bijlage F1 en F2 blijkt dat ook voor de 19 t/m 35-jarigen de stijging in de consumptie
   van niet-alcoholische dranken vooral het gevolg is van een toename in de hoeveelheid
   suikervrije frisdranken, gewone frisdranken en vruchtensappen. Bij mannen steeg het
   aantal gebruikers van suikervrije frisdranken met 7%; de gemiddelde hoeveelheid
   suikervrije frisdranken die door hen werd gedronken steeg met ruim een glas per dag
   (164 g) (zie bijlage F3). Ook de gemiddelde consumptie van gewone frisdranken is bij
   mannen flink gestegen (150 g; 108%); het aantal gebruikers nam toe met 20%, de
   consumptie van de gebruikers steeg met 46% (134 g). Bij de vrouwen bedroeg de
   stijging in de gemiddelde frisdrankconsumptie 42% (48 g), het aantal gebruikers is
   daarentegen nauwelijks toegenomen (2%). Het aantal vrouwen dat de afgelopen tien jaar
   suikervrije frisdranken is gaan drinken nam toe met 17%. Gemiddeld dronken zij in
52 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>    1997/1998 per dag bijna een glas meer dan in 1987/88 (139 g; 58%) (zie bijlage F3). Het
    gebruik van met suiker gezoete zuiveldranken nam eveneens aanzienlijk toe. De
    toename was voor mannen en vrouwen nagenoeg gelijk en voltrok zich vooral in de
    periode 1992-1997/98 (zie bijlage E).
         Tot de vijf producten waarvan de consumptie het sterkst is gestegen behoorden ook
    de productgroepen ‘samengestelde gerechten’ (bij mannen respectievelijk vrouwen 69%
    en 50%), halfvolle melk(producten) (bij mannen respectievelijk vrouwen 53% en 47%)
    en verder bij mannen ‘gevogelte en wild’ (67%) en bij vrouwen ‘thee’ (30%). De
    toename van de consumptie werd veroorzaakt door een stijging in het aantal gebruikers
    en/of een stijging in de gegeten hoeveelheid (zie bijlage F1 en F3).
    Vijf grootste dalers
    De vijf producten waarvan het gebruik door mannen in de afgelopen tien jaar het sterkst
    daalde zijn: margarine (-56%), volle melk(producten) (-53%), varkensvlees (-26%), bier
    (-26%) en groenten (-22%). Voor vrouwen zijn dit vooral producten uit de
    drankensector: volle melk(producten) (-53%), wijn (-52%), bier (-42%) en koffie
    (-28%) gevolgd door groenten met een daling van 21% (zie bijlage F2).
         Evenals bij de 13 t/m 18-jarigen was er bij de 19 t/m 35-jarigen meestal sprake van
    een afname in het aantal gebruikers en een daling in de geconsumeerde hoeveelheden
    (zie bijlage F3). De ontwikkeling in de daling van het groentengebruik door mannen en
    vrouwen is nagenoeg gelijk. Het aantal gebruikers daalde met ruim 2%; mannelijke
    gebruikers aten in 1997/98 dagelijks gemiddeld 34 gram groenten minder (-20%) dan
    tien jaar daarvoor. Voor vrouwen bedraagt deze daling 29 gram (-19%).
4.4 Substitutie van producten
    Uit bijlage F blijkt dat er zich in de periode 1987/88-1997/98 in het aantal gebruikers
    van producten binnen en tussen bepaalde productgroepen verschuivingen hebben
    voorgedaan. De belangrijkste verschuivingen in het aantal gebruikers van producten
    binnen een productgroep zijn:
    • Productgroep ‘vetten, oliën en hartige sauzen’
         Het aantal gebruikers van halvarine, olie en bak- en braadvet is in de loop der jaren
         sterk toegenomen ten koste van het aantal gebruikers van vooral margarine en in
         mindere mate boter. Dit geldt niet alleen voor de totale populatie maar ook voor de
         geselecteerde leeftijdsgroepen. Ook het percentage gebruikers van hartige sauzen is
         over een periode van tien jaar fors toegenomen (14%).
    • Productgroep ‘melk en melkproducten’
         Een vergelijkbare verschuiving vond plaats in het aantal gebruikers van halfvolle en
    Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen                                           53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>        in mindere mate magere melk(producten) ten koste van de gebruikers van volle
        melk(producten).
   De belangrijkste verschuivingen in het aantal gebruikers van producten zowel binnen
   een productgroep als tussen productgroepen zijn:
   • Productgroepen ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ en ‘sojaproducten’
        Hoewel het aantal gebruikers van vleesvervangende sojaproducten in de totale
        populatie is toegenomen (ns) lijkt het er niet op dat het gebruik hiervan ten koste is
        gegaan van het vlees(waren)gebruik. Het aantal gebruikers van gemiddeld vette
        vlees(waren) is iets toegenomen ten koste van het aantal gebruikers van vette en
        magere vlees(waren). De situatie voor de geselecteerde leeftijdsgroepen komt
        hiermee goed overeen.
        Met uitzondering van de 13 t/m18-jarige meisjes is het aantal gebruikers van gehakt
        toegenomen. In zowel de groep 13 t/m 18-jarige jongens als de groep 19 t/m 35-
        jarige volwassenen is het aantal gebruikers van gevogelte en wild gegroeid, vooral
        in de groep 19 t/m 35-jarige mannen. Dit betreft dan vooral pluimveevlees als kip en
        kalkoen. Het aantal gebruikers van rund- en varkensvlees nam af. Gehakt en
        pluimveevlees worden vaak verwerkt in pasta- en rijstgerechten terwijl rund- en
        varkensvlees vaker onderdeel uitmaken van de traditionele warme maaltijd.
   • Productgroepen ‘brood’ en ‘graanproducten en bindmiddelen’
        Behalve bij de 13 t/m 18-jarige meisjes is het aantal broodgebruikers afgenomen,
        terwijl het aantal gebruikers van ontbijtgranen is toegenomen. De verschuiving in
        het aantal broodgebruikers is echter beperkt van omvang en statistisch niet
        significant. In de groep van 13 t/m 18-jarige meisjes nam het aantal broodgebruikers
        licht toe. Op het niveau van de totale populatie en in de groep volwassen mannen en
        vrouwen nam het aantal gebruikers van ontbijtgranen statistisch significant toe, en
        wel het sterkst in de groep volwassen vrouwen (ruim 7%). Op grond van deze
        gegevens kan dus niet worden gesteld dat het gebruik van brood in de afgelopen tien
        jaar in belangrijke mate is vervangen door ontbijtgranen (zie ook hoofdstuk 8).
   • Productgroepen ‘aardappelen’, ‘groenten’,’samengestelde gerechten’,‘granen en
        bindmiddelen’, ‘peulvruchten’ en ‘soepen’.
        Het aantal gebruikers van aardappelen is in de totale populatie gedaald, terwijl het
        aantal gebruikers van samengestelde gerechten*, deegwaren en rijst en
        aardappelproducten is toegenomen. Het aantal gebruikers van peulvruchten en soep
        is eveneens gedaald. Het aantal gebruikers van groenten is in de periode 1987/88-
        1997/98 met bijna 2% gedaald. Het sterkst gestegen is het aantal gebruikers van
        aardappelproducten gevolgd door rijst en deegwaren. Het is duidelijk dat op het
*  In deze gerechten zijn vaak geen aardappelen verwerkt maar rijst, pasta of aardappelproducten.
54 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   niveau van de totale populatie de aardappel terrein verliest en steeds vaker wordt
   vervangen door aardappelproducten, pasta en rijst. Voor de geselecteerde
   leeftijdsgroepen tekent deze ontwikkeling zich wel af, maar deze is alleen voor de
   mannen van 19 t/m 35 jaar statistisch significant. Hoewel statistisch niet significant,
   is de stijging van het aantal gebruikers van aardappelproducten onder de vrouwen in
   de leeftijd van 19 t/m 35 jaar met ruim 10% wel opvallend.
   Het toegenomen gebruik van samengestelde gerechten heeft de daling in het
   groentengebruik in de periode 1987/88-1997/98 geenszins gecompenseerd. De
   bijdrage van samengestelde gerechten aan het groentengebruik nam in deze periode
   gemiddeld slechts met 2 gram per dag toe (van circa 5 gram in 19987/88 naar circa 7
   gram in 1997/98).
•  Productgroepen ‘fruit’ en ‘niet-alcoholische dranken’
   De toename in het aantal gebruikers van vruchtensappen compenseerde gedeeltelijk
   de geconstateerde daling in het aantal fruitgebruikers. In tien jaar tijd daalde het
   aantal gebruikers van producten uit de productgroepen fruit en vruchtensappen
   samen met 2%. Bij de geselecteerde leeftijdscategorieën varieerde het verschil in
   gebruikers in deze periode van – 5% (jongens en mannen) tot + 1% (13 t/m 18-jarige
   meisjes).
•  Productgroepen ‘niet-alcholische dranken’, ‘alcoholische dranken’ en
   ‘(melk)producten’
   In de totale populatie is het aantal gebruikers van suikervrije frisdranken sterk
   gestegen. Het aantal gebruikers van vruchtensappen en gewone frisdranken nam ook
   toe, zij het minder sterk. Deze toename is statistisch significant voor mannen in de
   leeftijdscategorie 19 t/m 35 jaar voor gewone frisdranken en voor meisjes en
   vrouwen voor vruchtensappen. Het aantal gebruikers van thee, koffie, bier en
   gedistilleerd verminderde in de totale populatie.
   Voor de geselecteerde leeftijdscategorieën komt een andere ontwikkeling naar
   voren. In de categorie 13 t/m 18-jarige jongens is de toename van het aantal
   gebruikers van suikervrije frisdranken beduidend minder dan in de totale populatie.
   In deze leeftijdscategorie nam het aantal gebruikers van wijn, mineraalwater,
   gedistilleerd, vruchtensappen en bier toe. Alleen de verandering in het aantal
   gebruikers van gedistilleerd is statistisch significant. Het aantal gebruikers van
   koffie en thee daalde relatief sterk. Bij de 13 t/m 18-jarige meisjes steeg het aantal
   gebruikers van vruchtensappen het sterkst, gevolgd door suikervrije frisdranken,
   gewone frisdranken, mineraalwater, bier en wijn. Alleen de verandering in het
   aantal gebruikers van suikervrije frisdranken en mineraalwater is statistisch
   significant. De toename in het aantal gebruikers van (suikervrije) frisdranken,
   mineraalwater, vruchtensappen, bier en wijn, ging ten koste van het aantal
   gebruikers van koffie en thee.
Ontwikkeling in het gebruik van voedingsmiddelen                                           55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>      De leeftijdgroep van 19 t/m 35-jarigen laat zowel voor mannen als voor vrouwen
      een verschuiving zien die meer in overeenstemming is met die welke in de totale
      populatie is vastgesteld. Het aantal gebruikers van suikervrije frisdranken,
      vruchtensappen (voor mannen statistisch niet significant), gewone frisdranken (voor
      mannen statistisch niet significant) nam toe. Dit ging ten koste van het aantal
      gebruikers van andere dranken en wel met name van koffie, en wijn voor vrouwen
      en van bier en thee voor mannen.
      Uit de gegevens komt naar voren dat het aantal gebruikers van alcoholische dranken
      in de periode 1987/88-1997/98 in de totale populatie is afgenomen. De daling in het
      aantal alcoholgebruikers vond met name plaats in de leeftijdsgroep van 19 t/m 35-
      jarigen. In de leeftijdscategorie van 13 t/m 18-jarigen nam het aantal gebruikers van
      alcoholische dranken in deze periode daarentegen toe (met name de jongens), zij het
      statistisch niet significant.
      De gegevens geven niet aan dat bovengenoemde verschuivingen effect hebben
      gehad op het aantal gebruikers van melk(producten). Hoewel het aantal gebruikers
      voor alle groepen licht daalde, is deze daling statistisch niet significant. De daling
      was het sterkst voor de groep van 13 t/m 18-jarige meisjes (ruim 3%).
56 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 5
          Ontwikkeling in de
          voedingsstoffenvoorziening
          In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de voorziening met energie en
          voedingsstoffen. Bijlage I geeft een overzicht van deze ontwikkelingen. Na energie en
          de macrovoedingsstoffen (eiwit, vet en koolhydraten) —waarbij ook wordt ingegaan op
          de ontwikkeling van de prevalentie van overgewicht en obesitas en de mate waarin
          wordt voldaan aan de ‘Richtlijnen goede voeding’— volgen een aantal geselecteerde
          microvoedingstoffen (vitamines en mineralen).
5.1       Energie en macrovoedingsstoffen
5.1.1     Energie
          Voor zowel de totale populatie als de geselecteerde leeftijdscategorieën is de
          energetische waarde van de voeding in de periode 1987/88-1997/98 gedaald; het sterkst
          voor de leeftijdscategorie 13 t/m 18 jaar (jongens: 8,2%; meisjes: 6,4%). Voor de
          leeftijdsgroep 19 t/m 35-jarigen was de daling bij de vrouwen net niet statistisch
          significant (p=0,0137) (zie figuur 5.1 en bijlage I). Deze daling vond met name plaats in
          de periode 1987/88-1992. Daarna trad een lichte stijging (13 t/m 18-jarige jongens en
          19 t/m 35-jarige mannen en vrouwen) of een lichte verdere daling op (totale populatie en
          13 t/m 18-jarige meisjes).
          Ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening                                             57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>              14000
              12000
              10000
               8000
         KJ
               6000
               4000
               2000
                    0
                             totale populatie   13 t/m 18 jarige   13 t/m 18 jarige   19 t/m 35 jarige   19 t/m 35 jarige
                                                    jongens            meisjes            mannen             vrouwen
              1987/88
              1 9 9 7 /9 8
     Figuur 5.1 De ontwikkeling in de energetische waarde van de voeding.
     In paragraaf 2.5.2 is aangegeven dat de onderrapportage van de voedselconsumptie
     tijdens de drie peilingen waarschijnlijk enigszins is toegenomen. Deze toename
     verklaart echter slechts voor een klein deel de vastgestelde daling in de energie-
     inneming in de periode 1987/88-1997/98 (zie bijlage D).
          De mogelijke daling van de energie-inneming staat in schril contrast met de
     toegenomen prevalentie van overgewicht en obesitas. Opvallend in dit verband is ook
     dat de gemiddelde energetische waarde per gram voedsel in de periode 1987/88-1997/98
     met bijna 9% is verminderd. Het gewicht van de gemiddelde hoeveelheid voedsel en
     dranken die dagelijks werd gebruikt nam in deze periode wel toe; van 2 547 gram naar
     2 662 gram. Deze toename komt voor een belangrijk deel voor rekening van de sector
     dranken en vooral van suikervrije frisdranken, die wel gewicht hebben maar geen
     energie leveren. Wordt het gebruik van suikervrije frisdranken, (mineraal)water, koffie
     en thee buiten beschouwing gelaten, dan daalde de energiedichtheid* van de voeding
     met bijna 5%. De oorzaak hiervan zou een selectieve onderrapportage van het gebruik
     van voedingsmiddelen met een hoge energiedichtheid —zoals vetrijke
     voedingsmiddelen— kunnen zijn (Gor00). Uit diverse onderzoeken naar de invloed van
     de energiedichtheid op energie-inneming blijkt dat, naarmate de energiedichtheid van de
     voeding groter is, tijdens een maaltijd de energie-inneming onafhankelijk van de
     macrovoedingsstoffensamenstelling toeneemt (Wes90, Bel98, Stu98a, Stu98b, Rol99a,
*    Hoeveelheid energie per gram voedsel.
58   Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                   Rol99b, Wes00, Wes01). Echter, op de langere termijn blijkt het effect van de
                   energiedichtheid van de voeding op de 24 uurs energie-inneming primair te worden
                   veroorzaakt door de relatieve bijdrage van de macrovoedingsstoffen aan de
                   energiedichtheid. Dit impliceert dat er geen effect is van enkel energieloze componenten
                   in de voeding (water, vezel) via de energiedichtheid op de 24-uurs voedselinname.
                        Volgens de gegevens van de voedselconsumptiepeilingen nam de prevalentie van
                   overgewicht (QI≥25 en QI<30 kg/m2*) bij volwassen** toe van bijna 28% naar bijna
                   34% en die van obesitas (QI≥30 kg/m2) van bijna 6% naar ruim 11% (zie figuur 5.2 en
                   bijlage G). Wat betreft de geselecteerde leeftijdsgroepen nam het percentage
                   overgewicht in de periode 1987/88-1997/98 met ruim 8% het sterkst toe voor de 19 t/m
                   35-jarige vrouwen gevolgd door hun mannelijke leeftijdsgenoten met ruim 6%.De
                   toename in de leeftijdsgroep 13 t/m 18-jarigen was eveneens aanzienlijk. Voor de
                   grenswaarden voor overgewicht en obesitas voor deze leeftijdsgroep is gebruik gemaakt
                   van de waarden die zijn afgeleid door Cole en medewerkers (Col00).
             50
             45
             40
             35
             30
 procenten
             25
             20
             15
             10
              5
              0
                  1987/88   1992   1997/98 1987/88   1992   1997/98 1987/88   1992   1997/98 1987/88   1992   1997/98 1987/88   1992   1997/98
                     jongens 13-18 jaar       m eisjes 13-18 jaar     m annen 19-35 jaar       v rouwen 19-35 jaar     volwassenen > 19 jaar
                     overgew icht
                     obees
Figuur 5.2 De ontwikkeling in het percentage personen met overgewicht en obesitas.
*                  Quetelet Index is het lichaamsgewicht in kg gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters.
**                 Vanaf 19 jaar.
                   Ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening                                                                                 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>      De ontwikkeling van het percentage obese personen vertoont dezelfde tendens als die
      van overgewicht. Het aantal obese 19 t/m 35-jarige vrouwen steeg met bijna 6% en het
      aantal obese 19 t/m 35-jarige mannen met ruim 3% (zie figuur 5.2 en bijlage G). Bij
      deze gegevens is het van belang te benadrukken dat het gaat om door de respondenten
      gerapporteerde gegevens. Het is bekend dat er bij zelfgerapporteerde gegevens over het
      lichaamsgewicht in vergelijking met het werkelijke gewicht en zekere onderrapportage
      plaats vindt (Vie01, bijlage D). Dit betekent dat de situatie in werkelijkheid nog
      ongunstiger kan zijn. In hoofdstuk 10 wordt hier nader op ingegaan.
      De geschetste ontwikkeling in de prevalentie van overgewicht en obesitas wordt
      bevestigd door de gegevens die zijn verzameld door het CBS (CBS01)
      (zelfgerapporteerde gegevens) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
      (door de onderzoekers gemeten gegevens) (Sei95, Sei99, Sei01a, Sei01b)*.
5.1.2 Macrovoedingsstoffen
      De gemiddelde bijdrage van eiwit aan de energetische waarde van de voeding nam de
      afgelopen tien jaar toe. Alleen voor de totale populatie en de 19 t/m 35-jarige mannen is
      deze toename statistisch significant (respectievelijk van 14,0 en% naar 14,8 en% en van
      13,6 en% naar 14,1 en%).
      De gemiddelde bijdrage van vet verminderde met 11% voor de totale populatie het
      meest (een daling van 38,5 en% naar 36,0 en%). De daling was voor de 13 t/18-jarigen
      sterker dan voor de 19 t/m 35-jarigen. De samenstelling van het vet in de voeding
      verbeterde (zie figuur 5.3 en bijlage I)**.
      Het energiepercentage verzadigde vetzuren daalde licht voor zowel de totale populatie
      als de geselecteerde leeftijdsgroepen (zie bijlage I). Voor de groep 13 t/m 18-jarige
      meisjes en 19 t/m 35-jarige mannen was deze daling statistisch niet significant. Het
      energiepercentage transvetzuren in de voeding nam drastisch af. Het energiepercentage
      onverzadigde vetzuren nam daarentegen enigszins toe; deze toename is echter alleen
      voor de totale populatie en de 19-35-jarige mannen statistisch significant.
*     Ook bij kinderen is de prevalentie van overgewicht en obesitas toegenomen (Bru95, Fre00)
**    Deze analyse is alleen mogelijk voor de vetzuren die in de ‘NEVO-trend tabel’ zijn opgenomen: verzadigde vetzuren,
      transvetzuren en het totaal aan onverzadigde vetzuren. Een uitsplitsing naar bijvoorveeld n-3 en n-6 meervoudig
      onverzadigde vetzuren is niet mogelijk.
60    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                          45
                          40
                          35
                          30
       energieprocenten
                          25
                          20
                          15
                          10
                          5
                          0
                                    vet totaal   verzadigde   transvetzuren       verzadigde         onverzadigde
                                                  vetzuren                    vetzuren incl. trans     vetzuren
                          1987/88
                          1997/98
Figuur 5.3 De ontwikkeling in de inname van totaal vet en vetzuren in energieprocenten. Totale populatie.
     In absolute hoeveelheden daalde de hoeveelheid onverzadigde vetzuren voor de
leeftijdsgroep 13 t/m 18-jarigen; voor de 19 t/m 35 jarige vrouwen bleef deze op het
zelfde niveau. Voor de totale populatie en de 19 t/m 35-jarige mannen nam de
hoeveelheid onverzadigde vetzuren in de voeding in de periode 1987/88-1997/98 licht
toe. Voor de totale populatie en de twee geselecteerde leeftijdsgroepen verminderde de
absolute hoeveelheid totaal vet, verzadigde vetzuren en vooral transvetzuren in de
voeding.
De gemiddelde bijdrage van koolhydraten aan de energievoorziening nam voor de totale
populatie toe van 44,4 en% naar 46,6 en%. Voor de geselecteerde leeftijdsgroepen nam
deze bijdrage eveneens toe; de toename is met ruim 8% voor de 19 t/m 35-jarige
vrouwen het grootst (van 43,8 en% naar 47,4 en%) De bijdrage van alcohol verminderde
voor de totale populatie van 2,9 en% naar 2,6 en%; een daling met ruim 10%. Voor de
13 t/m 18-jarige jongens werd deze bijdrage echter 2,5 maal groter (van 0,4 en% naar
1,0 en%) en voor de meisjes in deze leeftijdsgroep verdubbelde deze (van 0,2 en% naar
0,4 en%). In de leeftijdscategorie 19 t/m 35-jarigen liep de bijdrage van alcohol aan de
energetische waarde van de voeding daarentegen terug: voor de mannen van 4,7 en%
naar 3,3 en% (een daling van bijna 30%) en voor de vrouwen zelfs met ruim 45 % (van
2,4 en% naar 1,3 en%). Hoewel deze verschuivingen aanzienlijk lijken, zijn zij
statistisch niet significant. Figuur 5.5 geeft een overzicht van de procentuele
Ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening                                                                       61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>      verandering in de bijdrage van de macrovoedingsstoffen aan de energetische waarde van
      de voeding.
           19 t/m 35-jarige vrouwen
           19 t/m 35-jarige mannen
           13 t/m 18-jarige meisjes
           13 t/m 18-jarige jongens
           totale populatie
                                    -100      -50          0          50         100        150        200
              energie
                                                            percentage verandering
              en% eiwit
              en% vet
              en% koolhydraten
              en% alcohol
      Figuur 5.4 Procentuele verandering energie-inneming en de bijdrage van energieleverende voedingsstoffen
      in 1997/98 tov 1987/88.
5.1.3 ‘Richtlijnen goede voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten
      en voedingsvezel
      Het aantal respondenten dat een voeding gebruikt die voldoet aan de ‘Richtlijnen goede
      voeding’ voor de inname van totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en
      voedingsvezel gezamenlijk* is in de periode 1987/88-1997/98 nauwelijks gewijzigd en
      schommelt tussen 1-2%. De ontwikkeling in het aantal respondenten dat voldoet aan de
      verschillende richtlijnen voor deze macrovoedingsstoffen afzonderlijk laat een
      gedifferentieerd beeld zien (zie bijlage H). Het aantal respondenten dat voldoet aan de
      richtlijn voor totaal vet is met 50% toegenomen tot 45% van de populatie; het aantal
      personen dat voldoet aan de richtlijn voor verzadigde vetzuren is met de helft
      toegenomen tot 9%. De mate waarin werd voldaan aan de richtlijn voor koolhydraten
      verbeterde eveneens (van 47% naar 57%). Het voldoen aan de richtlijn voor
*     Destijds door de Voedingsraad vastgesteld. Voor de macrovoedingsstoffen betekent dit een voeding met ten hoogste 35
      en% totaal vet en ten hoogste 10 en% verzadigde vetzuren, ten minste 45 en% koolhydraten en ten minste 3 g
      voedingsvezel per MJ (Voe86).
62    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>      voedingsvezel (ten minste 3 g per MJ) blijkt de meeste problemen te geven. Het aantal
      respondenten dat voldeed aan deze richtlijn daalde van 18% naar bijna 17%.
           De geselecteerde leeftijdsgroepen volgden globaal de tendens die is vastgesteld voor
      de totale populatie. Met uitzondering van verzadigde vetzuren voor 13 t/m 18-jarige
      jongens en koolhydraten voor de 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes en 19 t/m 35-jarige
      vrouwen is de procentuele verandering van het aantal respondenten dat voldoet aan de
      verschillende richtlijnen voor de afzonderlijke macrovoedingsstoffen groter dan
      gemiddeld (zie bijlage H).
5.2   Microvoedingsstoffen
5.2.1 Selectie van microvoedingsstoffen
      Voor een aantal microvoedingsstoffen is de ontwikkeling in de voorziening nader
      geanalyseerd. Het betreft de vitamines A, D, E, C, B6, B12 en foliumzuur en de
      mineralen ijzer en calcium. De selectie van deze voedingsstoffen is tot stand gekomen
      op grond van aanbevelingen van de Werkgroep van deskundigen van de NEVO-tabel en
      de leden van de Beheerscommissie VCP en op grond van het resultaat van een
      werkconferentie die ter voorbereiding van de derde voedselconsumptiepeiling in
      december 1996 door de Gezondheidsraad is belegd (Gez97). De keuze is gebaseerd op:
      • een in vergelijking met de voedingsnorm laag voorzieningsniveau: calcium, ijzer,
           vitamine B6, vitamine A
      •    een teruglopend gebruik van belangrijke bronnen zoals groenten (vitamine C en
           foliumzuur) en smeer- en bereidingsvetten(vitamine A, vitamine E en D)
      •    interactie met andere voedingsstoffen (vitamine B12 i.v.m. mogelijke verrijking van
           voedingsmiddelen met foliumzuur).
5.2.2 Microvoedingsstoffenvoorziening
      Uit figuur 5.5 en bijlage I blijkt dat in de periode 1987/88-1997/98 de gemiddelde
      voorziening met vitamine B6 (behalve 13 t/m 18-jarige jongens) en vitamine C (behalve
      19 t/m 35-jarige mannen) is toegenomen. Deze toename is alleen voor de totale
      populatie en de 19 t/m 35-jarige vrouwen statistisch significant. De gemiddelde
      voorziening met de vitamines A, E, D, B12 en foliumzuur en de mineralen ijzer en
      calcium* is daarentegen gedaald. De daling in de vitamine A** voorziening is voor alle
      geselecteerde groepen statistisch significant; de daling in de vitamine E voorziening
*     Met uitzondering van de totale populatie.
**    Retinolequivalenten.
      Ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening                                             63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>      eveneens, met uitzondering van de 19 t/m 35-jarige vrouwen. Alleen voor de totale
      populatie is de daling voor alle genoemde microvoedingsstoffen statistisch significant.
            vitamine E
            vitamine D
            vitamine C
            vitamine B12
            foliumzuur
            vitamine B6
            retinolequivalenten
            ijzer
            calcium
                                        -35 -30    -25 -20     -15    -10     -5  0      5      10     15
                 totale populatie                      percentage verandering
                 13 t/m 18 jaar meisjes
                 13 t/m 18 jaar jongens
                 19 t/m 35 jaar vrouwen
                 19 t/m 35 jaar mannen
      Figuur 5.5 Procentuele verandering in de gemiddelde mircrovoedingsstoffenvoorziening in 1997/98 tov
      1987/88.
      Omdat het Nederlands Voedingsstoffenbestand naast het gehalte retinolequivalenten ook
      gegevens bevat over het retinolgehalte van voedingsmiddelen, is het mogelijk de
      ontwikkeling in de retinolvoorziening te berekenen en op basis hiervan de ontwikkeling
      in de voorziening met β-catoteen te schatten* De gemiddelde retinolvoorziening blijkt
      in de periode 1987/88-1997/98 te zijn gedaald van 839 µg naar 660 µg, een daling van
      ruim 21%. De voorziening met β-caroteen daalde in die periode minder sterk: van 1,5
      mg naar 1,3 mg per dag; een daling van bijna 11,5%.
5.2.3 Voedingsstoffendichtheid
      Ook als de voorziening met microvoedingsstoffen wordt uitgedrukt per eenheid energie
      (voedingsstoffendichtheid) blijkt de voedingsstoffendichtheid van de voeding voor de
      totale populatie te zijn afgenomen voor retinolequivalenten, vitamine B12 en vitamine E.
*     Is alleen uitgevoerd voor de totale populatie.
64    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Voor de andere geselecteerde voedingsstoffen is deze toegenomen, vooral voor vitamine
B6. Behalve bij foliumzuur zijn deze veranderingen statistisch significant (zie bijlage I).
     Zoals blijkt uit bijlage I komt de ontwikkeling in de voedingsstoffendichtheid voor
de totale populatie globaal overeen met de ontwikkeling voor de geselecteerde
leeftijdsgroepen, met uitzondering van foliumzuur en vitamine D voor de 19 t/m 35-
jarigen en ijzer voor de 13 t/m 18-jarige jongens. De veranderingen in de
voedingsstoffendichtheid zijn statistisch significant, behalve bij calcium, ijzer en
foliumzuur.
Ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening                                               65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>66 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 6
          Vergelijking van voedingsstoffen-
          voorziening en voedingsnormen
          In dit hoofdstuk vergelijkt de commissie de voorziening met energie en voedingsstoffen
          van de geselecteerde leeftijdsgroepen op het moment van de derde
          voedselconsumptiepeiling (1997/98) met de voedingsnormen die zijn opgesteld door de
          voormalige Voedingsraad en de Gezondheidsraad. Voor een overzicht van de
          voorziening met energie en voedingsstoffen wordt verwezen naar bijlage I.
6.1       Voedingsnormen
          Voor energie, eiwit, vet, koolhydraten, vitamine D en calcium is gebruik gemaakt van de
          nieuwe aanbevelingen van de Gezondheidsraad (Gez00, Gez01). Voor de in dit
          hoofdstuk besproken voedingsstoffen waarvoor nog geen nieuwe Nederlandse
          aanbevelingen beschikbaar zijn is gebruik gemaakt van de oude normen van de
          Voedingsraad (Voe92). Omdat het leeftijdstraject van de door de commissie
          geselecteerde leeftijdsgroepen niet overeenkomt met de leeftijdsindeling die wordt
          gehanteerd in de voedingsnormen van Voedingsraad en Gezondheidsraad, is voor de
          leeftijdscategorie 13 t/m 18 jaar het gewogen gemiddelde genomen van de aanbevolen
          inneming voor de leeftijdsgroepen 9 t/m 13 jaar en 14 t/m 18 jaar. Voor de
          leeftijdscategorie 19 t/m 35 jaar is de gewogen gemiddelde van de aanbevolen inneming
          voor de leeftijdsgroepen 19 t/m 30 jaar en 31 t/m 50 jaar gebruikt. De door de commissie
          gehanteerde voedingsnormen zijn vermeld in bijlage J.
          Vergelijking van voedingsstoffen-voorziening en voedingsnormen                           67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>6.2   De voorziening met energie en macrovoedingsstoffen
6.2.1 Energie
      De gemiddelde energetische waarde van de voeding die tijdens de derde
      voedselconsumptiepeiling door 13 t/m 18-jarigen werd gebruikt bedroeg 11,1 MJ voor
      de jongens en 8,8 MJ voor de meisjes. Deze gemiddelde energievoorziening ligt 12%
      lager dan de gemiddelde behoefte (12,7MJ voor de jongens en 10,1 MJ voor de meisjes
      (Gez01)). Ook de gemiddelde energetische waarde van de voeding van 19 t/m 35-jarige
      vrouwen (8,7 MJ) was lager (bijna 13%) dan de door de Commissie Voedingsnormen
      van de Gezondheidsraad afgeleide gemiddelde behoefte (10 MJ). De gemiddelde
      energetische waarde van de voeding van de mannen van deze leeftijd (11,8 MJ) lag
      daarentegen 4% hoger dan de gemiddelde behoefte (11,3 MJ).
      Op grond van deze gegevens kan echter niet zonder meer worden geconcludeerd dat de
      energetische waarde van de voeding van deze groepen tekortschiet*. Bij het bepalen van
      de gemiddelde energiebehoefte is de Commissie Voedingsnormen van de
      Gezondheidsraad uitgegaan van een bepaald niveau van lichamelijke activiteit. Gezien
      de ontwikkeling van het gemiddelde lichaamsgewicht in de geselecteerde
      leeftijdsgroepen suggereren bovenstaande gegevens eerder dat de gemiddelde
      lichamelijke activiteit in de praktijk lager is dan die waarvan de Commissie
      Voedingsnormen bij het afleiden van de gemiddelde energiebehoefte is uitgegaan.
      Bovendien is het bekend dat er in de meeste onderzoeken naar de voedselconsumptie
      sprake is van een zekere onderrapportage van de voedselconsumptie en daarmee van de
      energetische waarde van de gebruikte voeding (Sei98).
6.2.2 Eiwit
      De gemiddelde eiwitvoorziening is voor de geselecteerde leeftijdsgroepen ruim
      voldoende en ligt beneden de aanvaardbare bovengrens van inneming. De voorziening
      van 13 t/m 18-jarige jongens (13,2 en%) is ruim twee maal hoger dan wordt aanbevolen
      (6,5 en% (Gez01)); die van de meisjes (13,5) overstijgt de aanbevolen hoeveelheid
      (7 en% (Gez01)) met 93%. Ook voor de 19 t/m 35-jarige mannen (14,1 en%) en
      vrouwen (14,7 en%) ligt de gemiddelde voorziening aanzienlijk boven de aanbevolen
*     In onderzoek wordt gemiddeld een verschil van 10-15% waargenomen tussen energie-inneming en de energiebehoefte
      volgens de voedingsnorm. Bij personen met overgewicht is dit verschil nog groter (20-45%) (Westerterp KR, persoonlijke
      mededeling).
68    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>      hoeveelheid van respectievelijk 8 en% en 9 en% (Gez01). De eiwitvoorziening is binnen
      de geselecteerde leeftijdsgroepen redelijk normaal verdeeld.
6.2.3 Vet
      Totaal vet
      Voor de beoordeling van de hoeveelheid totaal vet in de voeding wordt uitgegaan van de
      bovengrens van de adequate inneming die door de Commissie Voedingsnormen is
      vastgesteld voor de situatie waarin er sprake is van gewichtstoename of overgewicht
      namelijk 35 en% (Gez01). Dit uitgangspunt ligt volgens de commissie voor de
      geselecteerde leeftijdsgroepen dichter bij de gangbare praktijk dan het uitgangspunt dat
      er sprake is van een wenselijk lichaamsgewicht (Sei99, Vis01, Sei02a*). Op grond van
      dit criterium is de gemiddelde hoeveelheid vet in de voeding van beide geselecteerde
      leeftijdsgroepen te hoog. De overschrijding is met 4% het grootst voor 19 t/m 35-jarige
      vrouwen (36,5 en%), gevolgd door hun mannelijke leeftijdsgenoten met 3% (36,1 en%).
      De overschrijding in de leeftijdsgroep 13 t/m 18-jarigen is beduidend minder: bijna 1%
      voor de jongens (35,3 en%) en ruim 3 % voor de meisjes (35,5 en%). Voor de totale
      populatie lag de bijdrage van vet aan de energetische waarde van de voeding in 1997/98
      op 36 en%. Ook voor totaal vet is de voorziening binnen de geselecteerde
      leeftijdsgroepen redelijk normaal verdeeld.
      Verzadigde vetzuren
      De gemiddelde hoeveelheid verzadigde vetzuren in de voeding van de geselecteerde
      leeftijdsgroepen is aanzienlijk hoger dan de aanvaardbare bovengrens van 10 en%
      (Gez01). Voor 13 t/m 18-jarige jongens ligt deze hoeveelheid (13,6 en%) 36% boven het
      aanvaardbare niveau; voor de meisjes met 14 en% zelfs 40%. Voor de leeftijdscategorie
      19 t/m 35 jaar is dit beeld nog ongunstiger Het gehalte verzadigde vetzuren van de
      voeding van de mannen bedroeg 13,9 en%, van de vrouwen 14,3 en%. Deze gehaltes
      liggen respectievelijk 39% en 43% boven het niveau dat door de Commissie
      Voedingsnormen van de Gezondheidsraad als aanvaardbaar is aangegeven. De
      gemiddelde hoeveelheid verzadigde vetzuren in de voeding van de totale populatie
      bedroeg 14,3 en%. Dit niveau ligt beduidend boven de beleidsdoelstelling 2002 van het
      Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (circa 12 en%) (Ano01a).
*     Zie bijlage F.
      Vergelijking van voedingsstoffen-voorziening en voedingsnormen                           69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>      Transvetzuren
      Ondanks de daling van de hoeveelheid transvetzuren in de Nederlandse voeding lag de
      hoeveelheid transvetzuren in de voeding van 13 t/m 18-jarigen en de 19 t/m 35-jarige
      mannen met 1,8 en% nog 80% boven de aanvaardbare bovengrens van inneming
      (1 en%, Gez01). Voor de 19 t/m 35-jarige vrouwen was deze overschrijding nog groter,
      namelijk 90%. De gemiddelde inneming van transvetzuren door deze leeftijdsgroepen
      ligt boven de gemiddelde inneming van de totale populatie (1,7 en%).
      Cis-onverzadigde vetzuren
      Voor de totale hoeveelheid onverzadigde vetzuren in de cis-configuratie gaat de
      commissie uit van een adequate inneming van 8-33 en%*. De voorziening van de
      geselecteerde leeftijdsgroepen ligt binnen dit traject: 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes
      met respectievelijk 17,8 en% en 17,6 en%; 19 t/m 35-jarige mannen en vrouwen met
      respectievelijk 18,2 en% en 18,1en%. Deze niveaus liggen lager dan de gemiddelde
      voorziening van de totale populatie (19,7 en%).
6.2.4 Verteerbare koolhydraten
      De voorziening met verteerbare koolhydraten ligt voor de geselecteerde leeftijdsgroepen
      ruim boven de door de Commissie Voedingsnormen van de Gezondheidsraad
      vastgestelde adequate inneming (45 en% voor 13 t/m 18-jarigen en 40 en% voor 19 t/m
      35-jarigen; Gez01). De inneming van de 13 t/m 18-jarigen (50,5 en% voor de jongens en
      50,6 en% voor de meisjes) was circa 12% hoger. Voor 19 t/m 35-jarige mannen (46,5
      en%) en vrouwen (47,4 en%) bedroeg dit percentage respectievelijk 16% en ruim 18%.
      Evenals het geval is bij de andere macrovoedingsstoffen was de voorziening met
      koolhydraten binnen de geselecteerde leeftijdsgroepen redelijk normaal verdeeld.
6.2.5 Voedingsvezel
      De gemiddelde hoeveelheid voedingsvezel in de voeding van de geselecteerde
      leeftijdsgroepen ligt aanzienlijk beneden het niveau dat destijds door de Voedingsraad is
      aanbevolen (3 g/MJ) (Voe86). Deze hoeveelheid is voor 13 t/m 18-jarige jongens (2,0 g/
      MJ) en meisjes (2,1 g/MJ) respectievelijk 43% en 30% lager dan de aanbevolen
      inneming. Hoewel de voeding van de oudere leeftijdscategorie wat meer voedingsvezel
*     Uitgaande van de bovengrens van de aanbevolen vetinneming van 35 en% in de situatie dat er sprake is van
      gewichtstoename of overgewicht (Gez01).
70    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>      bevat, blijft deze hoeveelheid nog ruim beneden het wenselijke niveau: voor de mannen
      met 30% en voor de vrouwen met bijna 27%. De voorziening met voedingsvezel ligt
      voor beide leeftijdsgroepen beneden de gemiddelde voorziening van de totale populatie
      (2,3 g/MJ) en daarmee ruim beneden de voorlichtingsdoelstelling die het
      Voedingscentrum zich heeft gesteld (2,6 g/MJ).
6.3   ‘Richtlijnen goede voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhy-
      draten en voedingsvezel
      In 1997/98 voldeed de voeding van 1,8% van de populatie (van 1% bij de 13 t/m 18-
      jarigen tot 2% bij vrouwen van 19 t/m 35 jaar) wat betreft totaal vet, verzadigde
      vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel gezamenlijk aan de in 1986 door de
      Voedingsraad opgestelde ‘Richtlijnen goede voeding’ (Voe86)*. Dit aantal blijft laag.
      Vooral de richtlijnen voor verzadigde vetzuren en voedingsvezel blijken moeilijk te
      realiseren. Voor voedingsvezel is er zelfs sprake van een verslechtering in de loop der
      tijd. Als de richtlijnen voor de afzonderlijke macrovoedingsstoffen worden beschouwd,
      dan blijkt met name voor totaal vet zowel binnen de totale populatie als binnen de
      geselecteerde leeftijdsgroepen een aanzienlijke groep personen net niet te voldoen aan
      het criterium van 35 en% vet in de voeding (zie bijlage H).
           In termen van de ‘Aanbevolen hoeveelheden voedingsmiddelen’ zoals gehanteerd
      door het Voedingscentrum ligt het gemiddeld gebruik van groenten en fruit,
      aardappelen, brood en vis onder deze aanbevelingen (Bre98). Het gemiddeld gebruik
      van melk en melkproducten ligt boven het aanbevolen niveau; het gemiddeld gebruik
      van vlees, vleeswaren en gevogelte is in overeenstemming met hetgeen door het
      Voedingscentrum wordt aanbevolen.
6.4   Microvoedingsstoffen
6.4.1 Inleiding
      De leeftijdsgroepen die door de commissie zijn geselecteerd voor een nadere analyse
      van de ontwikkeling in de voedselconsumptie zijn wat de voorziening met
      microvoedingsstoffen betreft, over het algemeen niet de meest kwetsbare**. Oudere en
      jongere leeftijdsgroepen lopen meer risico van een onvoldoende voorziening. In het
      VTV-themarapport ‘Gezonde voeding en veilig voedsel’ van het Rijksinstituut voor
*     Wat de macrovoedingsstoffen betreft destijds door de Voedingsraad gedefinieerd als een voeding met ten hoogste 35 en%
      totaal vet en 10 en% verzadigde vetzuren, ten minste 45 en% koolhydraten en 3 g voedingsvezel per MJ.
**    Met uitzondering van de zwangere en zogende vrouwen. Deze groepen zijn in de steekproef te klein om een verantwoorde
      analyse te kunnen uitvoeren.
      Vergelijking van voedingsstoffen-voorziening en voedingsnormen                                                     71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>      Volksgezondheid en Milieu dat binnenkort verschijnt, wordt nader op deze
      leeftijdsgroepen ingegaan*.
           Vooral bij de beoordeling van de voorziening met microvoedingsstoffen is het van
      belang te beseffen dat de resultaten van de voedselconsumptiepeilingen een
      momentopname reflecteren van de gemiddelde voedselconsumptie en minder de
      gebruikelijke voeding.
6.4.2 Foliumzuur
      De gemiddelde voorziening ligt voor de 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes
      ruimschoots boven de aanbevolen hoeveelheid die door de commissie wordt gehanteerd
      (zie bijlage J)** (respectievelijk 264±86 µg en 223±72 µg t.o.v. 137,5 µg). De verdeling
      van deze voorziening binnen de groep is licht positief scheef (mediaan voor jongens en
      meisjes respectievelijk 256µg en 223 µg) en loopt naar rechts uit. De kans dat de
      foliumzuurvoorziening voor individuen in deze leeftijdsgroep niet toereikend is —
      gezien het niveau van de aanbevolen inneming— klein.
           Voor 19 t/m 35-jarige mannen en vrouwen bedraagt de gemiddelde voorziening
      respectievelijk 282±96 µg en 230±79 µg. Ook voor deze leeftijdsgroep is de verdeling
      van de voorziening binnen de groep licht positief scheef (mediaan respectievelijk 274
      µg en 227 µg). Volgens de aanbevolen inneming voor deze leeftijdsgroep van 200 µg
      kan er ook in dit geval van uit worden gegaan dat de kans dat de behoefte niet door de
      voorziening wordt gedekt binnen deze leeftijdscategorie gering is.
           In het een onderzoek naar enkele aspecten van de voedingstoestand werd op basis
      van het foliumzuurgehalte in het serum in de periode 1990-1993 alleen in de oudere
      leeftijdsgroep (50-70 jaar) bij 4% van de deelnemers een marginale foliumzuurstatus
      vastgesteld (Bru97).
6.4.3 Retinolequivalenten
      Voor 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes ligt de gemiddelde voorziening met
      respectievelijk 870±767 µg en 724±641 µg lager dan de aanbevolen inneming (1 000 µg
      voor de jongens en 800 µg voor de meisjes). De spreiding in de voorziening is echter
      groot. Gezien de mediaan —660 µg voor de jongens en 518 µg voor de meisjes— is de
      voorziening binnen de groep behoorlijk positief scheef verdeeld. Het verschil tussen de
*     Dit rapport zal in november 2002 verschijnen.
**    De commissie vergelijkt in deze paragraaf de foliumzuurvoorziening met de voedingsnorm die in 1989 door de
      Voedingsraad is vastgesteld. Deze voedingnorm wordt op dit moment door de Commissie Voedingsnormen van de
      Gezondheidsraad herzien. Indien de nieuwe voedingsnorm voor foliumzuur hoger uitvalt, zal de kwaliteit van de
      foliumzuurvoorziening opnieuw moeten worden beoordeeld.
72    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>      aanbevolen inneming en de voorziening is zodanig groot dat niet kan worden uitgesloten
      dat de voorziening van sommige individuen binnen deze leeftijdsgroep lager ligt dan de
      behoefte.
          Voor 19 t/m 35-jarige mannen bedraagt de gemiddelde voorziening 1107±1387 µg
      en voor vrouwen 756±672 µg. Ook hier is de spreiding in de voorziening vrij groot. Het
      verschil tussen de mediaan —709 µg voor de mannen en 566 µg voor de vrouwen— en
      het gemiddelde geeft aan dat er eveneens sprake is van een positief scheve verdeling van
      de voorziening binnen de groep. De voorziening van de vrouwen ligt beneden de
      aanbevolen inneming (1 000 µg voor de mannen en 800 µg voor de vrouwen) (Voe92).
      Voor sommige vrouwen in deze leeftijdscategorie bestaat dus in principe de kans dat de
      voorziening met retinolequivalenten lager is dan de behoefte.
6.4.4 Vitamine B12
      De gemiddelde voorziening van 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes overstijgt de
      aanbevolen inneming aanzienlijk (respectievelijk 4,2±3,1 µg en 3,4±1,7 µg t.o.v. 2,4 µg
      en 2,1 µg. Met name voor de jongens is de spreiding in de voorziening groot. De
      mediaan —3,6 µg voor de jongens en 3,1 µg voor de meisjes— wijst op een redelijk
      normale verdeling van de voorziening binnen de groep. Voor deze leeftijdscategorie is
      de kans dat in individuele gevallen de voorziening lager is dan de behoefte dus klein.
          Voor de 19 t/m 35-jarigen is er sprake van een overeenkomstig beeld. De
      gemiddelde voorziening ligt met 4,9±3,8 µg voor de mannen en 4,2±3,1 µg voor de
      vrouwen ruim boven de door de commissie gehanteerde aanbevolen inneming van
      respectievelijk 2,5 µg en 2,4 µg. Het verschil tussen mediaan —respectievelijk 4,1 µg en
      3,6 µg— en gemiddelde reflecteert ook hier een redelijk normale verdeling van de
      voorziening binnen de groep. Voor deze leeftijdscategorie is de kans dat in individuele
      gevallen de voorziening lager is dan de behoefte eveneens gering.
6.4.5 Vitamine B6
      De gemiddelde voorziening van 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes bedraagt
      respectievelijk 1,7±0,7 mg en 1,4±0,5 mg. De mediane voorziening ligt respectievelijk
      op 1,6 mg en 1,4 mg. Er is dus sprake van een relatief kleine spreiding in de
      voorziening, terwijl deze binnen de groep een normale verdeling benadert. Afgezet
      tegen de aanbevolen inneming van 1,5 mg voor de jongens en 1,3 mg voor de meisjes
      kan worden geconcludeerd dat het risico van een te lage voorziening klein is.
          Ook de gemiddelde voorziening van de 19 t/m 35-jarigen ligt boven de aanbevolen
      inneming (2,0±0,7 mg voor mannen en 1,5±0,5 mg voor vrouwen t.o.v. 1,43 mg en
      1,12 mg). Het kleine verschil met de mediaan —respectievelijk 1,9 mg en 1,5 mg—
      Vergelijking van voedingsstoffen-voorziening en voedingsnormen                           73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>      geeft aan dat ook hier sprake is van een nagenoeg normale verdeling van de voorziening
      binnen de groep. Ook binnen deze leeftijdsgroep is de kans op een onvoldoende
      voorziening gering.
6.4.6 Vitamine C
      De gemiddelde voorziening van 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes van respectievelijk
      74±46 mg en 81±53 mg overstijgt de gemiddelde aanbevolen inneming van 67,5 mg en
      65 mg. Er is sprake van een redelijk grote spreiding in de voorziening, terwijl de
      mediaan van respectievelijk 63 mg en 67 mg laat zien dat er sprake is van een positief
      scheve verdeling van de voorziening binnen deze leeftijdsgroep. De voorziening
      voldoet hiermee aan de voedingsnorm die door de commissie wordt gehanteerd.
          De gemiddelde voorziening van de 19 t/m 35-jarigen voldoet ook ruimschoots aan
      de aanbevolen inneming van 70 mg (78±50 mg voor de mannen en 80±53 mg voor de
      vrouwen. Ook binnen deze leeftijdscategorie is de spreiding in de voorziening groot en
      volgt de voorziening binnen de groep een —zij het minder sterke— positief scheve
      verdeling (mediaan respectievelijk 67 mg en 63 mg). Gezien het niveau van de
      aanbevolen inneming is voor deze leeftijdsgroep de kans dat de voorziening in
      individuele gevallen de behoefte niet dekt eveneens klein.
6.4.7 Vitamine E
      De gemiddelde voorziening van de 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes bedraagt
      respectievelijk 15,6±7,7 mg (mediaan 14,4 mg) en 11,6±5,6 mg (mediaan 10,9 mg). De
      voorziening binnen de groep benadert dus een normale verdeling. Op grond van de
      aanbevolen inneming die de commissie hanteert (13,7 mg voor de jongens en 14,2 mg
      voor de meisjes) is in principe de kans aanwezig dat in de groep meisjes in individuele
      gevallen de voorziening lager is dan de behoefte.
          De gemiddelde voorziening van 19 t/m 35-jarige mannen (15,4±7,1 mg) en vrouwen
      (11,6±5,6 mg) ligt boven de aanbevolen inneming van respectievelijk 14,2 mg voor de
      mannen en 10 mg voor de vrouwen. Het verschil tussen de mediane voorziening
      (14,4 mg en 10,9 mg) en de gemiddelde voorziening wijst op een nagenoeg normale
      verdeling van de voorziening binnen de groep. De kans dat deze voorziening in
      individuele gevallen lager is dan de behoefte is dus gering.
74    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>6.4.8  Vitamine D
       De gemiddelde voorziening voor beide leeftijdsgroepen overstijgt in ruime mate de
       gehanteerde aanbevolen inneming van 2,5 µg*. Voor de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar
       ligt de gemiddelde voorziening van de jongens op 4,3±2,1 µg (mediaan 4,0 µg) en de
       meisjes op 3,0±1,5 µg (mediaan 2,9 µg). Voor de leeftijdsgroep 19 t/m 35-jarigen
       bedragen deze niveaus voor mannen 4,4±2,2 µg (mediaan 4,0 µg) en voor de vrouwen
       3,0±1,5 µg (mediaan 2,9 µg). Er is voor beide leeftijdsgroepen sprake van een nagenoeg
       normale verdeling in de voorziening binnen de groep. Er kan dus worden aangenomen
       dat het risico van een te lage voorziening voor 13 t/m 35-jarigen klein is.
6.4.9  Calcium
       Voor de 13 t/m 18-jarigen ligt de gemiddelde voorziening lager dan de aanbevolen
       inneming die door de commissie wordt gehanteerd (voor de jongens 1 071±462 mg en
       voor de meisjes 908±369 mg t.o.v. respectievelijk 1 200 mg en 1 100 mg). De mediane
       voorziening bedraagt respectievelijk 1 038 mg en 887 mg. Voor deze leeftijdscategorie
       is er dus sprake van een nagenoeg normale verdeling van de voorziening binnen de
       groep. Op grond van deze gegevens acht de commissie de kans dat in deze leeftijdsgroep
       in individuele gevallen de behoefte niet door de voorziening wordt gedekt in principe
       aanwezig.
            Voor de 19 t/m 35-jarige vrouwen is de gemiddelde voorziening ook lager dan wordt
       aanbevolen (926±369 mg t.o.v. 1 000 mg). Voor de mannen voldoet de gemiddelde
       voorziening aan de aanbevolen inneming (1 098±515 mg t.o.v. 1 000 mg). Het verschil
       tussen de mediaan — 1 025 mg voor mannen en 909 mg voor vrouwen — en de
       gemiddelde voorziening wijst op een vrijwel normale verdeling van de voorziening
       binnen de groep. Voor de vrouwen in deze leeftijdsgroep bestaat er dus in principe een
       geringe kans dat in individuele gevallen de behoefte niet door de voorziening wordt
       gedekt.
6.4.10 IJzer
       Voor een beoordeling van de voorziening met ijzer gaat de commissie uit van de
       aanbevelingen die in 1989 zijn opgesteld door de Voedingsraad (zie bijlage J). Bij deze
       aanbevelingen is uitgegaan van de beschikbaarheid van ijzer uit de gemiddelde
       Nederlandse voeding. Voor de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar voldoet voor zowel de
*      Bij voldoende blootstelling aan zonlicht.
       Vergelijking van voedingsstoffen-voorziening en voedingsnormen                          75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>   jongens als de meisjes de gemiddelde voorziening niet aan de aanbevolen hoeveelheid
   (11,2±3,6 mg voor de jongens en 9,5±3,0 mg voor de meisjes t.o.v. respectievelijk 15
   mg en 13 mg ). Het verschil tussen de mediane voorziening — respectievelijk 11,0 mg
   en 9,5 mg — is erg klein, zodat kan worden gesproken van een normale verdeling van
   de voorziening binnen de groep. De afstand tussen de aanbevolen inneming en de
   gemiddelde voorziening is zodanig groot dat de kans dat op individueel niveau de
   voorziening lager is dan de behoefte in principe aanzienlijk is. Voor de vrouwen in de
   leeftijdsgroep 19 t/m 35 jaar is de situatie nog ongunstiger. De gemiddelde voorziening
   van deze vrouwen ligt met 10,3±3,0 mg ruim beneden de aanbevolen hoeveelheid van
   15,2 mg. De gemiddelde voorziening van de mannelijke leeftijdsgenoten overstijgt
   daarentegen de aanbevolen inneming (12,9±4,3 mg t.o.v. 9,4 mg). Ook voor deze
   leeftijdscategorie is het verschil tussen de mediaan — 12,5 mg voor mannen en 10,3 —
   erg klein zodat er sprake is van een normale verdeling van de voorziening binnen de
   groep. Voor 19 t/m 35-jarige vrouwen is op grond van deze gegevens in individuele
   gevallen de kans op een niet toereikende voorziening in beginsel groot.
        Met betrekking tot de ijzervoorziening in relatie tot de aanbevolen hoeveelheid wijst
   de commissie erop dat in het geval van ijzer de aanbevolen hoeveelheid slechts
   indicatief kan zijn voor het niveau van de gemiddelde behoefte. De absorptie-efficiëntie
   van ijzer uit de voeding varieert immers sterk en is afhankelijk van de ijzerstatus van een
   individu. Uit een onderzoek naar enkele aspecten van de voedingstoestand dat in 1990-
   1993 onder de volwassen bevolking (20-79 jaar) is uitgevoerd kwam niet naar voren dat
   er bij grote groepen van de bevolking sprake was van een onvoldoende of suboptimale
   ijzerstatus. Vrouwen in de leeftijd van 20-50 jaar lopen wel het grootste risico op —het
   beginstadium— van een ijzertekort: bij 16% van deze vrouwen werd een te laag
   ferritinegehalte in het serum vastgesteld, hetgeen wijst op uitputting van het beenmerg.
   Bij hun mannelijke leeftijdsgenoten werden geen lage waarden vastgesteld. De
   gemiddelde ijzervoorziening van de vrouwen lag toen 23% beneden de aanbevolen
   hoeveelheid (Bru97). Gegevens over de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar ontbreken.
76 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 7
          Bijdrage van productgroepen aan de
          voorziening met energie en
          voedingsstoffen
          In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste verschuivingen in de
          bijdrage van productgroepen aan de voorziening met energie en de door de commissie
          geselecteerde microvoedingsstoffen. De analyses zijn alleen uitgevoerd voor de totale
          populatie, omdat de belangrijkste leveranciers van energie en voedingsstoffen voor de
          leeftijdsgroepen 13 t/m 18 jaar en 18 t/m 35 jaar niet wezenlijk verschillen van die voor
          de totale populatie. Ook de tendensen in de bijdragen van de verschillende
          productgroepen in de periode 1987/88-1997/98 kwamen in grote lijnen overeen.
7.1       Energie
          In 1987/88 leverden — in rangorde — de productgroepen ‘brood’, ‘vetten, oliën en
          hartige sauzen’, ‘melk en melkproducten’, en ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ de
          grootste bijdragen aan de energetische waarde van de gebruikte voeding. In 1997/98 was
          deze situatie nagenoeg hetzelfde, zij het dat in de rangorde de productgroep ‘vetten,
          oliën en hartige sauzen’ en de productgroep ‘melk en melkproducten’ van positie
          wisselden (zie figuur 7.1).
               Deze productgroepen droegen samen in 1987/88 voor 59% en in 1997/98 voor 56%
          bij aan de energetische waarde van de voeding. Met name de bijdrage van de
          productgroepen ‘niet-alcoholische dranken’, ‘samengestelde gerechten’ en ‘noten en
          snacks’ is in deze periode toegenomen. De bijdrage van de productgroep ‘niet-
          alcoholische dranken’ nam toe van 3,3 en% naar 5 en% (van 319kJ naar 452kJ). De
          energetische waarde per gram niet-alcoholische drank is hierbij nagenoeg gelijk
          Bijdrage van productgroepen aan de voorziening met energie en voedingsstoffen             77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>   gebleven. De belangrijkste daling voltrok zich in de productgroep ‘vetten, oliën en
   hartige sauzen’. De hoeveelheid energie afkomstig van deze productgroep was in
   1997/98 326 kJ lager dan in 1987/88 (bijna 26%).
      vlees, vleeswaren en gevogelte
      vis
      vetten, oliën en hartige sauzen
      suiker, snoep en zoet broodbeleg
      soepen
      samengestelde gerechten
      noten en snacks
      melk en melkproducten
      kaas
      groenten
      granen en bindmiddelen
      gebak en koek
      fruit
      eieren
      niet-alcoholische dranken
      alcoholische dranken
      brood
      aardappelen
                                       0     2      4       6        8      10  12 14 16
          1987/88
                                                                procenten
          1997/98
   Figuur 7.1 Procentuele bijdrage aan de energievoorziening. Totale populatie.
        Zoals in paragraaf 5.1.1 is aangegeven is in de periode 1987/88-1997/98 het totale
   gewicht van de voeding toegenomen van 2 547 gram naar 2 662 gram per dag (4,5%),
   terwijl de gemiddelde energie-inneming daalde van 9 677 KJ naar 9 421 kJ per dag (-
   4,6%). Dit betekent dat de energiedichtheid met 8,7% daalde van 3,8 kJ naar 3,5 kJ per
   gram voedsel. Een belangrijk deel van deze gewichtstoename is veroorzaakt door een
   toename in het gebruik van niet-alcoholische dranken (van 992 g naar 1177 g per dag).
   Een groot deel van deze dranken (bijvoorbeeld mineraalwater, suikervrije frisdranken,
   koffie, thee) levert echter geen energie. Als de energiedichtheid van de voeding wordt
   berekend exclusief deze ‘energievrije’ producten, dan is deze over een periode van tien
   jaar gedaald met bijna 5%. Een nadere analyse van de ontwikkeling in de bijdrage van
   niet-alcoholische dranken aan de energetische waarde van de voeding komt aan de orde
   in het VTV-themarapport ‘Gezonde voeding en veilig voedsel’ van het Rijksinstituut
   voor Volksgezondheid en Milieu*.
*  Dit rapport zal in november 2002 verschijnen.
78 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>7.2 Totaal vet en verzadigde vetzuren
    Uit de gegevens blijkt dat de daling in het gebruik van zichtbare vetten als smeer- en
    bereidingvetten (circa 10 gram per dag) niet is gecompenseerd door de stijging in het
    gebruik van bedrijfsmatig toegevoegd verborgen vet via brood, aardappelproducten,
    kant-en-klaarmaaltijden, koek en gebak en hartige snacks (1,4 gram per dag). De totale
    hoeveelheid verborgen vet* daalde namelijk met ruim 2 gram per dag. De daling in de
    inneming van verzadigde vetzuren via smeer- en bereidingsvetten, melkproducten, kaas,
    vleeswaren en koek en gebak (ruim 4,5 gram per dag) is eveneens niet gecompenseerd
    door de stijging in de inneming via verborgen vet in brood, aardappelproducten, koek en
    gebak en kant-en-klaarmaaltijden (0,8 gram per dag).
7.3 Foliumzuur
    De productgroepen ‘groenten’, ‘brood’, ‘aardappelen’, ‘melk en melkproducten’, ‘fruit’,
    ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ en ‘kaas’ zijn de belangrijkste leveranciers van
    foliumzuur. Over een periode van tien jaar daalde de procentuele bijdrage van de
    productgroepen ‘groenten’, ‘aardappelen’, ‘fruit’, ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ en
    ‘kaas’ en steeg de bijdrage van de productgroep ‘melk en melkproducten’. Het
    foliumzuurgehalte van de gebruikte voeding daalde in de periode 1987/88-1997/98 met
    3,5% (9 µg). Deze daling bleek vooral te zijn veroorzaakt door de daling in het
    groentengebruik.
7.4 Vitamine B12
    Zowel in 1987/88 als in 1997/98 waren de belangrijkste bronnen voor de voorziening
    met vitamine B12 de productgroepen ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’, ‘melk en
    melkproducten’, ‘kaas’ , ‘vis’ en ‘eieren’. Ongeveer 95% van de vitamine B12-inneming
    was afkomstig van deze productgroepen. De totale vitamine B12-voorziening liep met
    ruim 8% (0,4 µg) terug. Deze daling was vooral het gevolg van de daling in het gebruik
    van voedingsmiddelen uit de productgroep ‘vlees, vleesproducten en gevogelte’.
*   Van nature in voedingsmiddelen aanwezig vet plus vet dat bedrijfsmatig wordt toegevoegd bij de productie van
    voedingsmiddelen.
    Bijdrage van productgroepen aan de voorziening met energie en voedingsstoffen                                79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>7.5 Vitamine B6
    In 1987/88 leverden —in rangorde— de productgroepen ‘vlees, vleeswaren en
    gevogelte’, ‘aardappelen’, ‘brood’, ‘melk en melkproducten’ en ‘groenten’ de
    belangrijkste bijdrage aan de vitamine B6-voorziening (74%). Tien jaar later was de
    bijdrage van deze productgroepen gedaald tot 68%, waarbij vooral de bijdrage van de
    productgroep ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ was verminderd. In de periode 1987/88-
    1997/98 is met name de toename van de bijdrage van de productgroepen ‘niet-
    alcoholische dranken’ —vooral het gevolg van de stijging in het gebruik van
    vruchtensappen— en ‘noten en snacks’ opvallend. Deze toename droeg in belangrijke
    mate bij aan de in deze periode geconstateerde stijging van de vitamine B6-inneming
    van bijna 5%.
7.6 Retinolequivalenten en retinol
    De productgroepen ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’, ‘vetten oliën en hartige sauzen’,
    ‘groenten’, ‘melk en melkproducten’ en ‘kaas’ droegen gezamenlijk in 1987/88 en
    1997/98 procentueel het meest bij aan de voorziening met retinolequivalenten
    (respectievelijk circa 92% en 94%). De voorziening met retinolequivalenten daalde in
    de periode 1987/88-1997/98 met ruim 18% (199 RE*). Deze daling was vooral het
    gevolg van een lagere consumptie van lever(producten), een verminderd gebruik van
    smeervetten. In mindere mate speelde de vervanging van boter, margarine en bak- en
    braadproducten door spijsolie en de vervanging van volle melk(producten) door
    halfvolle en magere varianten uit deze productgroep ook een rol bij de daling.
    Aangezien genoemde producten vooral leveranciers zijn van retinol, blijkt de daling in
    de voorziening met retinolequivalenten dus vooral te zijn veroorzaakt door een
    vermindering van de hoeveelheid retinol in de voeding.
7.7 Vitamine E
    De productgroep ‘vetten, oliën en hartige sauzen’ is verreweg de belangrijkste bron van
    dit vitamine. Circa 55% was afkomstig van deze productgroep. Het vitamine E-gehalte
    van de gebruikte voeding daalde met ruim 5% (0,7 µg). Deze daling was vooral het
    gevolg van een lager gebruik van voedingsmiddelen uit de genoemde productgroep.
*   Retinolequivalenten.
80  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>7.8  Vitamine D
     Procentueel leverde de productgroep ‘vetten, oliën en hartige sauzen’ de grootste
     bijdrage aan de vitamine D-voorziening (60% in 1987/88 en 54% in 1997/98). De
     gemiddelde vitamine D-voorziening via de voeding daalde in de periode 1987/88-
     1997/98 met 2,6% (0,1 µg). Hoewel in deze periode de bijdrage van andere
     productgroepen ook enigszins veranderde, werd deze daling vooral veroorzaakt door de
     daling in de bijdrage van de productgroep ‘vetten, oliën en hartige sauzen’.
7.9  Calcium
     Over een periode van tien jaar bleef de calciuminneming van de totale populatie stabiel.
     Ook de bijdrage van de verschillende productgroepen veranderde nauwelijks. De
     productgroepen ‘melk en melkproducten’ en ‘kaas’ waren de belangrijkste
     calciumbronnen (samen circa 70% van de calciumvoorziening). De productgroepen
     ‘groenten’ en ‘niet-alcoholische dranken’ leverden ieder een bijdrage van 5-6% aan de
     calciumvoorziening.
7.10 IJzer
     De productgroepen ‘brood’, ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’, ‘niet-alcoholische
     dranken’, ‘groenten’ en ‘aardappelen’ waren zowel in 1987/88 als in 1997/98 de
     belangrijkste leveranciers van ijzer. Hoewel de bijdrage van de productgroepen ‘noten
     en snacks’ en ‘samengestelde gerechten’ is toegenomen is de in paragraaf 5.2.1
     geconstateerde daling in de ijzerinneming (-1,8%) vooral het gevolg van een afgenomen
     bijdrage van de productgroepen ‘vlees, vleeswaren en gevogelte’ en ‘groenten’.
7.11 Belangrijkste verschillen totale populatie en geselecteerde leeftijds-
     groepen
     Over het algemeen was voor de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar het effect van de
     ontwikkeling in het gebruik van de productgroepen ‘niet-alcoholische dranken’ —
     vooral frisdranken en vruchtensappen— en ‘noten en snacks’ op de energie en
     voedingsstoffenvoorziening wat groter en was de bijdrage van de productgroepen ‘vis’
     en ‘groenten’ wat kleiner dan gemiddeld. Verder leverden de productgroep ‘alcoholische
     dranken’ bij de jongere leeftijdsgroep een geringere en bij mannen in de oudere
     leeftijdsgroep een grotere bijdrage aan de energievoorziening en de inneming van
     vitamine B6 (bier). Voor de 19 t/m 35-jarige vrouwen was het procentuele belang van de
     Bijdrage van productgroepen aan de voorziening met energie en voedingsstoffen            81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>   productgroepen ‘groenten’ en ‘fruit’ zowel in 1987/88 als in 1997/98 wat groter dan
   voor de mannen in deze leeftijdsgroep en groter dan gemiddeld.
82 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 8
          Maaltijden
          In dit hoofdstuk volgt een nadere analyse van de ontwikkeling rond met name het
          ontbijt. Daarnaast wordt kort ingegaan op veranderingen in de samenstelling van warme
          maaltijd, de lunch en het tussendoor gebruik van voedingsmiddelen.
8.1       Inleiding
          Uit de basisrapportage van de voedselconsumptiepeilingen komt naar voren dat voor de
          totale populatie de bijdrage aan de energievoorziening door de verschillende maaltijden
          in de periode 1987/88-1997/98 redelijk constant is gebleven (Ano88, Ano93b, Ano98).
          Ditzelfde geldt voor de voorziening met macrovoedingsstoffen en de
          microvoedingsstoffen calcium, ijzer, retinolequivalenten en vitamine C (Kis98). Wel
          neemt het ontbijtgebruik af en lijkt het karakter van het ontbijt en ook de warme maaltijd
          te veranderen.
8.2       Ontbijt
8.2.1     Ontwikkeling in ontbijtgebruik
          Het aantal respondenten dat op beide onderzoeksdagen een ontbijt* gebruikte nam in de
          periode 1987/88-1997/98 af van 85% tot 81%. Het aantal personen dat slechts op één
*         Door de respondenten als zodanig aangegeven.
          Maaltijden                                                                                 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>      van de twee onderzoeksdagen ontbeet steeg van 8% naar 9%. De daling in het
      ontbijtgebruik was in de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar sterker dan gemiddeld (voor de
      jongens van 82% naar 75%; voor de meisjes van 85% naar 78%. Ook in deze
      leeftijdgroep nam het aantal respondenten dat op één van de twee dagen ontbeet wel toe
      (jongens van 12 naar 14%; meisjes van 9% naar 13%). Het aantal 19 t/m 35-jarige
      vrouwen dat op beide onderzoeksdagen een ontbijt gebruikte nam in geringe mate toe:
      van 76% naar 77%; voor de mannelijke leeftijdsgenoten daalde dit aantal daarentegen
      van 72% naar 65%. Het aantal mannen dat op één van de twee dagen een ontbijt
      gebruikte nam eveneens enigszins toe (van 15% naar 16%), maar daalde voor de
      vrouwen: van 14% naar 12%. Er is dus duidelijk sprake van een dalende trend in het
      ontbijtgebruik. De categorie jongeren en 19 t/m 35-jarige mannen vragen in dit verband
      extra aandacht.
8.2.2 Ontbijtgebruik, sociaal-economische klasse* en opleiding
      In de lagere sociaal-economische klassen daalde het ontbijtgebruik sterker dan in de
      hogere sociaal-economische klassen. Het percentage niet-ontbijters** in de laagste
      sociaal-economische klasse*** is in de periode 1987/88-19978/98 meer dan
      verdubbeld: van 7% naar 17%. Ook in de klasse daarboven nam dit percentage
      aanzienlijk toe (van 8% naar 13%). De daling in het ontbijtgebruik was het grootst
      naarmate de respondenten een lagere opleiding hebben genoten (Hul02). Het aantal
      respondenten uit de hoogste sociaal-economische klasse**** dat op beide
      onderzoeksdagen niet ontbeet nam toe van ruim 3% tot bijna 5%. Het aantal niet-
      ontbijters in de klasse daaronder daalde daarentegen van 6% naar 5%.
8.2.3 Ontbijtgebruik en voedingsstoffenvoorziening
      Voor de leeftijdscategorie 19 t/m 35-jarigen is de betekenis van het ontbijt voor de
      dagelijkse voorziening met energie en voedingsstoffen tijdens de derde
      voedselconsumptiepeiling nader geanalyseerd (zie bijlage K). Een vergelijkbare analyse
      voor de leeftijdsgroep 13 t/m 18 jaar is minder zinvol gezien de relatief beperkte
      omvang van deze groep.
*     De indeling in sociaal-economische klassen is gebaseerd op een combinatie van opleiding, beroep en functie in dit beroep
      (Hul91b).
**    Op geen van de onderzoeksdagen werd een ontbijt gebruikt.
***   Ongeschoolde arbeid of alleen lager onderwijs.
****  WO/HBO-opleiding, leidinggevende functie.
84    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>Energie en macrovoedingsstoffen
De Quetelet Index van de mannen en vrouwen die op de onderzoeksdagen al dan niet
een ontbijt gebruikten verschilt nauwelijks: voor mannen: 23,8 versus 24 kg/m2; voor
vrouwen: 23,7 versus 23,4 kg/m2. Uit bijlage K blijkt dat de energetische waarde van de
voeding van de mannen die op beide onderzoeksdagen niet ontbeten lager is dan die van
de mannen die op deze dagen wel een ontbijt gebruikten (10,7 versus bijna 12 MJ
(p<0,001). Bij de vrouwen heeft het overslaan van het ontbijt een tegenovergesteld
effect. Bij ontbijtgebruik bedroeg de energetische waarde bijna 8 MJ; werd het ontbijt
overgeslagen 9,9 MJ. Ook dit verschil is statistisch significant (p<0,001). De
energievoorziening via de voeding per kg lichaamsgewicht blijkt bij ontbijtgebruik
significant groter.
     Het niet gebruiken van een ontbijt op beide onderzoeksdagen resulteerde zowel voor
mannen als voor vrouwen in een grotere bijdrage van alcohol, mono- en disachariden en
transvetzuren aan de energetische waarde van de voeding (ns). De bijdrage van
verzadigde vetzuren, plantaardig eiwit en totaal eiwit was daarentegen lager (ns). Bij de
mannen was de bijdrage van koolhydraten aan de energievoorziening eveneens groter;
voor de vrouwen was deze bijdrage echter kleiner. Het overslaan van het ontbijt leidde
voor vrouwen tot een grotere bijdrage van totaal vet aan de energievoorziening; voor de
mannen was het omgekeerde het geval.
     Uitgedrukt in absolute hoeveelheden ligt voor zowel mannen als vrouwen de
voorziening met energieleverende voedingsstoffen bij niet-ontbijters op een lager niveau
dan bij ontbijters (zie bijlage K). Een uitzondering vormt alcohol (ns). Voor de mannen
zijn de verschillen —behalve bij mono- en disachariden— statistisch significant; voor
vrouwen zijn de verschillen statistisch significant, behalve bij verzadigde vetzuren en
transvetzuren.
     Het overslaan van het ontbijt heeft voor mannen en vooral voor vrouwen een
beduidend lager voedingsvezelgehalte van de voeding tot gevolg. Het verschil is
statistisch significant (p<0,001). Opvallend is dat per MJ de voeding van vrouwen die
wel ontbijten minder voedingsvezel bevat in vergelijking met vrouwen die het ontbijt
overslaan (zie bijlage K).
Microvoedingsstoffen
Uit figuur 8.1 blijkt dat bij niet ontbijten de voorziening met de voor de analyse
geselecteerde microvoedingsstoffen over de gehele linie voor zowel mannen als
vrouwen op een lager niveau ligt.
Maaltijden                                                                                85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>                                                                                         v ita m in e E
                                                                                         v ita m in e D
                                                                                         v ita m in e C
                                                                                         v ita m in e B 1 2
                                                                                         fo liu m zu u r
                                                                                         v ita m in e B 6
                                                                                         re tin o le q u iv a le n te n
                                                                                         ijze r
                                                                                         c a lc iu m
        -30             -25    -20           -15         -10          -5           0
            m a n ne n                   p ro c e n te n
            v ro uw e n
    Figuur 8.1 Procentueel verschil in microvoedingsstoffenvoorziening bij niet ontbijten t.o.v. wel ontbijten in
    1997/98.
    Dit is met name het geval voor calcium, vitamine C, foliumzuur en vitamine E. Een
    zelfde beeld komt naar voren uit de analyse van de voedingsstoffendichtheid (zie bijlage
    K). De verschillen zijn voor een groot deel statistisch significant.
8.3 Gebruik van voedingsmiddelen tijdens de maaltijden*
    Ontbijt
    Uit de ontwikkeling van het aantal gebruikers van typische ontbijtproducten blijkt dat de
    gemiddelde samenstelling van het ontbijt in de periode 1987/88-1997/98 voor de totale
    populatie niet sterk is veranderd (zie bijlage L)**. Het aantal gebruikers van
    ontbijtgranen en melk(producten) nam toe met respectievelijk 3% en 7% terwijl het
    aantal gebruikers van brood, suiker en thee verminderde (respectievelijk. 7%; 13% en
    11%). Fruit stond in 1997/98 wat vaker op de ontbijttafel (2%) evenals koffie (3,5%). De
    daling in het broodgebruik leidde ook tot minder frequent gebruik van broodbeleg (kaas,
    vleeswaren, zoet broodbeleg).
*   Deze analyse is alleen mogelijk voor de totale populatie omdat de aantallen, opgesplitst naar leeftijd en geslacht, te klein
    zijn.
**  Er wordt op gewezen dat de introductie van een nieuwe generatie (drink)ontbijtproducten na 1997/98 heeft
    plaatsgevonden.
86  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>    Lunch
    Ook het aantal gebruikers van brood tijdens de lunch daalde licht (2%). Er wordt tijdens
    de lunch ook duidelijk minder vaak gedronken. Alleen het aantal gebruikers van
    frisdrank nam toe (3%). In tegenstelling tot wat het geval is bij het ontbijt, kwam fruit
    tijdens de lunch minder vaak op tafel; het aantal gebruikers nam af met ruim 3% (zie
    bijlage L).
    Warme maaltijd
    Het aantal respondenten dat in de periode 1987/88-1997/98 dagelijks een warme
    maaltijd gebruikt is stabiel gebleven (93%) (GfK99). Aardappelen worden steeds vaker
    vervangen door rijst en pastaproducten. Groenten en fruit werden aan het eind van deze
    periode respectievelijk bijna 3% en 10% minder vaak tijdens de warme maaltijd
    gebruikt dan in het begin (zie bijlage L).
         Binnen de productgroep vlees wordt vaker gekozen voor pluimveevlees (7%) en in
    mindere mate voor vis (2%) in plaats van varkensvlees (een daling van 7%) en
    rundvlees (een daling van bijna 4%). Frisdranken worden vaker tijdens de warme
    maaltijden gebruikt (6%) en melk(producten) minder vaak (een daling van ruim 2%).
    Gemaksvoedsel en kant-en-klaarproducten komen ook steeds vaker tijdens de warme
    maaltijd op tafel. In 1997/98 steeg het aantal gebruikers van samengestelde gerechten en
    vleessnacks met 4% respectievelijk 3%.
    Tussendoor
    Tussen de maaltijden is het gebruik van frisdrank, suikervrije frisdranken en mineraal-
    water toegenomen ten koste van andere dranken. Er wordt ook minder vaak fruit
    gebruikt, evenals koek en gebak. Het aantal gebruikers van snoep en chocolade en van
    noten en snacks is in de periode 1987/88-1997/98 vrijwel gelijk gebleven (zie bijlage L).
8.4 Eten buitenshuis
    Het percentage personen dat op een of op beide onderzoeksdagen het ontbijt buitenshuis
    gebruikte nam in de periode 1987/88-1997/98 toe van ruim 5% naar 8%. Ook het
    buitenshuis gebruik van de lunch nam in deze periode toe (van 40% naar 45%). De
    warme maaltijd werd in 1987/88 door bijna 13% van de respondenten buitenshuis
    gebruikt; tien jaar later was dit bijna 17%.
    Maaltijden                                                                                87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>88 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 9
          Gezondheidseffecten inneming
          verzadigd vet en transvetzuren
          en groenten- en fruitgebruik
          Dit hoofdstuk bevat de resultaten van een computersimulatiemodel (modellering)
          waarmee aan de hand van een aantal scenario’s een schatting is gemaakt van de
          gezondheidseffecten als gevolg van de ontwikkeling in de inneming van verzadigde
          vetzuren en transvetzuren en in het groenten- en fruitgebruik.
9.1       Inleiding
          De belangrijkste ontwikkelingen in de voedselconsumptie in de afgelopen tien jaar die
          van betekenis zijn voor de volksgezondheid zijn volgens de commissie de verandering
          in de vetzuursamenstelling van de voeding —vooral als het gaat om verzadigde vetzuren
          en transvetzuren— en de daling in het groenten- en fruitgebruik. Een lagere inneming
          van verzadigde vetzuren en transvetzuren resulteert in een gunstiger bloedlipidenprofiel
          en daarmee in een kleiner risico van de ontwikkeling van hart- en vaatziekten (Men90,
          Men92). Daarnaast is in een groot aantal onderzoeken een verband gevonden tussen een
          lagere groenten- en fruitconsumptie* en een grotere kans op de ontwikkeling van
          verschillende vormen van kanker en van hart- en vaatziekten (Kle98). Aan het
          Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is daarom gevraagd om met behulp van
          het door dit instituut ontwikkelde ‘Chronische Ziekten Model’ (Hoo98) een schatting te
*         Als in dit hoofdstuk wordt gesproken over de groenten- en fruitconsumptie dan wordt bedoeld de hoeveelheid groenten
          plus de hoeveelheid fruit. Vruchtensappen zijn hierbij als fruit beschouwd en zijn gedefinieerd als niet-alcoholische
          sappen en dranken op basis van vruchten.
          Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik                              89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>    maken van het effect van de ontwikkeling in de inneming van verzadigde vetzuren en
    transvetzuren en het groenten- en fruitgebruik op de volksgezondheid.
         Omdat de ontwikkeling in de groenten- en fruitconsumptie van 19 t/m 35-jarigen
    met een lage opleiding* in de afgelopen tien jaar het ongunstigste beeld laat zien, is de
    schatting gericht op deze groep. De omvang van deze leeftijdsgroep bedraagt ongeveer 1
    miljoen personen. De leeftijdsgroep is bovendien interessant vanuit het oogpunt van
    preventie, omdat kanker en hart- en vaatziekten zich over het algemeen pas na tientallen
    jaren manifesteren. De rapportage van dit project is neergelegd in een rapport van het
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Hoo00). Voor dit advies wordt volstaan
    met een korte beschrijving van de gehanteerde methodiek en de in het kader van dit
    advies relevante resultaten. Voor meer informatie en een verantwoording van de
    gebruikte schattingsmethode wordt verwezen naar het rapport van het Rijksinstituut
    voor Volksgezondheid en Milieu.
9.2 Modelleringsmethode
    Het ‘Chronische Ziekten Model’ is een computersimulatiemodel dat is ontworpen voor
    het schatten van volksgezondheidseffecten van ontwikkelingen in en interventies op
    leefstijlfactoren van de bevolking. Voor het schatten van de effecten van de
    ontwikkeling van de inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren en van de
    groenten- en fruitconsumptie is uitgegaan van verscheidene scenario’s, die zijn
    vergeleken met een referentiescenario. Het gezondheidseffect wordt in het model
    uitgedrukt in termen van te verwachten incidentie van kanker en hart- en vaatziekten en
    het aantal verloren gezonde levensjaren als gevolg van deze ziekten over een periode
    van veertig jaar**. De keuze van deze periode is arbitrair; naarmate de periode langer is
    verandert de verhouding tussen de effecten op hart- en vaatziekten en op kanker. Aan het
    eind van de periode is de leeftijd van de betrokken groep 59-75 jaar.
         In dit advies wordt alleen de gezondheidswinst in termen van incidentie-aantallen in
    beschouwing genomen gezien de vele onzekerheden die aan de schatting van de
    gezondheidseffecten zijn verbonden. Een belangrijk deel van de sterfte aan hart- en
    vaatziekten en aan kanker treedt immers op na deze leeftijd. Er is van uitgegaan dat de
    consumptieniveaus over de gehele periode constant blijven, terwijl eveneens wordt
    verondersteld dat andere factoren die het risico van het optreden van hart- en vaatziekten
    en kanker beïnvloeden constant zijn. In de praktijk zal dit echter niet het geval zijn.
    Daarnaast zijn SES***-specifieke prevalenties van andere risicofactoren (zoals roken),
*   Lager onderwijs en lager beroepsonderwijs.
**  Gerekend vanaf 1994 omdat dat jaar in het model als peiljaar geldt voor sterftecijfers en andere demografische
    kengetallen.
*** sociaal-economische Status.
90  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>SES-specifieke relatieve risico’s, noch SES-specifieke incidenties van hart-en
vaatziekten en kanker in het model toegepast. Het is moeilijk in te schatten welk effect
het op de modellering zou hebben wanneer de gegevens SES-specifiek zouden zijn
gedefinieerd. Tevens is aangenomen dat groenten, fruit en vruchtensappen wat het effect
op het risico van kanker en hart- en vaatziekten betreft uitwisselbaar zijn, en dat het
effect van verzadigde vetzuren en transvetzuren op het risico van hart- en vaatziekten
alleen verloopt via het serumcholesterolniveau. Tenslotte is er geen rekening gehouden
met een lag-time, met andere woorden met het feit dat veranderingen in de voedselkeuze
niet van het ene op het andere moment plaats vinden. Gezien de modelleringsperiode
van veertig jaar is dit laatste aspect waarschijnlijk niet van belang.
De scenario’s die gebruikt zijn voor de schatting van de gezondheidseffecten zijn:
• Het VCP1-scenario: De consumptie komt weer op het niveau dat tijdens de eerste
    voedselconsumptiepeiling in 1987/88 is vastgesteld. Dit scenario geeft dus de
    volksgezondheideffecten aan op de langere termijn als gevolg van de ontwikkeling
    in de consumptie in de periode 1987/88-1997/98.
• Het aanbevelingscenario: Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de voedselconsumptie
    na 1997/98 zodanig verandert dat iedereen dagelijks de aanbevolen hoeveelheid van
    400 g groenten en fruit eet en een voeding gebruikt die ten hoogste 10 en%
    verzadigde vetzuren en 0,8 en% transvetzuren bevat. Dit scenario geeft aan wat de
    maximale theoretisch te behalen gezondheidswinst is.
• Het referentiescenario. Voor dit scenario wordt ervan uitgegaan dat de consumptie
    van groenten en fruit en de inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren op
    het niveau blijft dat is vastgesteld tijdens de derde voedselconsumptiepeiling in
    1997/98. Dit referentiescenario geeft dus de ziekte en sterfte als gevolg van kanker
    en hart- en vaatziekten weer als de voeding niet verandert met andere woorden als
    gevolg van andere oorzaken dan de voeding.
Het ‘Chronische Ziekten Model’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
berekent jaarlijkse ziektespecifieke incidentie- en sterfte-aantallen. De gekozen
effectmaat in het kader van dit advies is het cumulatief aantal nieuwe ziektegevallen. De
effecten zijn berekend voor verscheidene vormen van kanker en hart- en vaatziekten
afzonderlijk en daarna geaggregeerd tot totaalcijfers. De verschillen tussen de
uitkomsten van het referentiescenario en die van de andere scenario’s geven het
verwachte gezondheidseffect aan van de gesimuleerde verandering in het
consumptieniveau in 1997/98.
    De schattingen van de effecten van de ontwikkeling van de inneming van
verzadigde vetzuren, transvetzuren en het groenen- en fruitgebruik zijn onafhankelijk
Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik  91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>      van elkaar uitgevoerd. Het resultaat van de afzonderlijke schattingen mag dus niet bij
      elkaar worden opgeteld.
9.3   Verzadigde vetzuren en transvetzuren
9.3.1 Inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren
      Voor de berekening is uitgegaan van de inneming van verzadigde vetzuren en
      transvetzuren in energieprocenten en van vijf consumptieniveaus. Voor de inneming van
      verzadigde vetzuren zijn de grenswaarden van deze niveaus: 10*; 12,5; 15 en 17,5 en%
      en voor transvetzuren: 0,8**; 1,2; 1,6 en 2 en%. Aangenomen is dat de inneming van
      verzadigde vetzuren en transvetzuren invloed heeft op de incidentie van hart- en
      vaatziekten en niet op die van kanker en cerebrovasculaire accidenten. Het effect is
      gemodelleerd via de risicofactor serumcholesterol voor verzadigde vetzuren en
      cholesterol en HDL-cholesterol voor transvetzuren, waarmee het grootste deel van het
      effect wordt beschreven. Voor de schatting van het effect van de inneming van
      verzadigde vetzuren en transvetzuren is gebruik gemaakt van gepubliceerde
      regressievergelijkingen (Hoo00). Aan de hoogste consumptieklasse is een relatief risico
      van 1*** toegekend.
      Inneming van verzadigde vetzuren
      Tabel 9.1 vermeldt de gemiddelde inneming van verzadigde vetzuren voor 19-35-jarigen
      met een lage opleiding in de verschillende scenario’s naar geslacht (Hoo00).
      In 1987/88 was de inneming van verzadigde vetzuren voor 19 t/m 35-jarige
      laagopgeleide mannen en vrouwen wat hoger dan in 1997/98. Dit leidt voor het VCP1-
      scenario tot een ongunstiger prevalentieverdeling over de vijf innemingsklassen; in
      1997/98 voldeden dus meer mensen aan de aanbevolen inneming (zie tabel 9.2).
*     De door de Commissie Voedingsnormen van de Gezondheidsraad aanvaardbare bovengrens van inneming (Gez01).
**    De Commissie Voedingsnormen van de Gezondheidsraad beveelt voor alle leeftijdscategorieën een aanvaardbare
      bovengrens van inneming van 1 en% aan (Gez01). Op het moment dat de schatting werd uitgevoerd was deze aanbeveling
      echter nog niet beschikbaar. Daarom is uitgegaan van de gemiddelde P10 van de inneming van transvetzuren voor het
      leeftijdstraject 19 t/m 35 jaar op basis van de resultaten van de voedselconsumptiepeiling in 1997/98.
***   Een relatief risico van 1 betekent: geen risicoreductie of risicostijging.
92    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>Tabel 9.1 Gemiddelde inneming van verzadigd vet door laag-opgeleide 19 t/m 35-jarigen volgens het
referentie- en VCP1-scenario.
                                     mannen                            vrouwen
                                     gem            SD                 gem            SD
referentiescenario                   inneming in 1997/98
verzadigd vet in g                   43,60          15,00              34,20          10,80
verzadigd vet in en%                 13,80           2,7               14,90           3
VCP1-scenario                        inneming in 1987/88
verzadigd vet in g                   47,10          14,40              35,30          13,10
verzadigd vet in en%                 14,40           2,8               15,00            3,1
Tabel 9.2 Gemiddelde inneming van verzadig vet door laag-opgeleide 19 t/m 35-jarigen ingedeeld in
klassen.
klasse.                  <=10 en%        10-12,5 en%     12,5-15 en%     15-17,5 en%     >17,5 en%
                         %               %               %               %               %
referentiescenario       inneming in 1997/98
mannen                   9,50            22,80           36,80           23,40             7,6
vrouwen                  4,00            17,10           35,70           26,60           16,70
VCP1-scenario            inneming in 1987/88
mannen                   6,70            17,10           37,10           25,10           14,00
vrouwen                  1,90            17,20           32,20           34,40           14,30
aanbevelingscenario      inneming volgens de aanbeveling: ten hoogste 10 en%
mannen                   100,00          0,00            0,00            0,00            0,00
vrouwen                  100,00          0,00            0,00            0,00            0,00
Inneming van transvetzuren
Tabel 9.3 geeft een overzicht van de gemiddelde inneming van transvetzuren door
19 t/m 35-jarige mannen en vrouwen met een lage opleiding. In 1997/98 was het gehalte
aan transvetzuren in de voeding van de mannen in grammen hoger dan in die van de
vrouwen; uitgedrukt in energieprocenten is het omgekeerde het geval.
Hoewel de hoeveelheid transvetzuren in de voeding in de periode 1987/88-1997/98
sterk is gedaald, lag het gemiddelde niveau in de voeding in 1997/98 nog aanzienlijk
boven het gehanteerde aanbevolen niveau van ten hoogste 0,8 en%. Uit de verdeling van
de inneming van transvetzuren over de vijf klassen blijkt in dat jaar slechts 7% van de
vrouwen en circa13,5% van de mannen aan deze aanbeveling te voldoen (zie tabel 9.4).
Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik           93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>      Tabel 9.3 Gemiddelde inneming van transvetzuren door laag-opgeleide 19 t/m 35-jarigen volgens het
      referentie- en VCP1-scenario.
                                         mannen                                vrouwen
                                         gem              SD                   gem             SD
      referentiescenario                 inneming in 1997/98
      transvetzuren in g                   5,30           3,40                  4,9            3,30
      transvetzuren in en%                 1,70           1,10                  2,1            1,30
      VCP1-scenario                      inneming in 1987/88
      transvetzuren in g                 16,00            8,80                 11,60           6,70
      transvetzuren in en%                 4,80           2,20                  4,9            2,30
      Tabel 9.4 Gemiddelde inneming van transvetzuren door laag-opgeleide 19 t/m 35 -jarigen ingedeeld in
      klassen.
      klasse                     <=0,8 en%      0,8-1,2 en%     1,2-1,6 en%      1,6-2,0 en%     >2,0 en%
                                 %              %               %                %               %
      referentiescenario         inneming in 1997/98
      mannen                       13,3          27,3             24,7             10,2           24,5
      vrouwen                       7            26,1             18               13             35,9
      VCP1-scenario              inneming in 1978/88
      mannen                        1,1            1,2             3,6              1,2           93
      vrouwen                       1,9          17,2             32,2             34,4           14,5
      aanbevelingscenario        inneming volgens de aanbeveling: ten hoogste 0,8 en%
      mannen                     100,00            0               0                0               0
      vrouwen                    100,00            0               0                0               0
      Vergeleken met de mannen gebruikte een groter percentage vrouwen een voeding met
      een hoger percentage transvetzuren. De inneming van transvetzuren was voor zowel
      vrouwen als mannen in 1987/88 ruim twee maal hoger dan in 1997/98. Tabel 9.4 laat
      zien dat het VCP1-senario voor de prevalentieverdeling over de vijf innemingsklassen
      in vergelijking met het referentiescenario resulteert in een veel ongunstiger beeld.
9.3.2 De gezondheidseffecten van het VCP1-scenario en het aanbevelingscenario
      Verzadigde vetzuren
      Volgens het referentiescenario —dus wanneer het niveau van de inneming van
      verzadigde vetzuren blijft op het niveau dat in 1997/98 is vastgesteld— zullen zich in de
      komende veertig jaar in het cohort dat in 1997/98 behoorde tot de laagopgeleide 19 t/m
      35-jarigen bijna 263 000 gevallen van hart- en vaatziekten ontwikkelen (mannen: bijna
      200 000 en vrouwen: 63 000). De absolute en relatieve gezondheidswinst in termen van
94    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>incidentie-aantallen van het VCP1-scenario en het aanbevelingscenario t.o.v. het
referentiescenario is weergegeven in tabel 9.5.
Tabel 9.5 Absolute en relatieve gezondheidswinst in incidentie-aantallen volgens het VCP1- en
aanbevelingscenario t.o.v. het referentiescenario voor de inneming van verzadigd vet.
cumulatief over 40 jaar            absolute winst                        relatieve winst (%)
                                   mannen           vrouwen              mannen            vrouwen
VCP1- scenario                      -9 145             -416                   -4,6             -0,7
aanbevelingscenario                56 562           18 383                   28,3              29,2
Wanneer het gehalte aan verzadigde vetzuren in de voeding van de laagopgeleide
mannen van 19 t/m 35 jaar in 1997/98 op het niveau van 1987/88 zou hebben gelegen —
het VCP1-scenario— dan zou dit de komende 40 jaar geleid hebben tot bijna 5% meer
incidentiegevallen van hart- en vaatziekten. Voor vrouwen bedraagt dit percentage bijna
1%. Door de daling van het verzadigd vetzuurgehalte van de voeding die in deze periode
is opgetreden worden deze incidentiegevallen dus voorkomen. Er is dus sprake van
gezondheidswinst.
     Zoals te verwachten is er voor zowel de mannen als de vrouwen een grote
gezondheidswinst te behalen als het aanbevelingscenario zou worden gerealiseerd. De
relatieve gezondheidswinst is hierbij voor mannen en vrouwen ongeveer gelijk (30%),
in tegenstelling tot de absolute gezondheidswinst, die voor de mannen aanzienlijk groter
is.
Transvetzuren
Als de hoeveelheid transvetzuren in de voeding van de laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen
in 1997/98 op hetzelfde niveau zou blijven, zou dit in de daaropvolgende veertig jaar
leiden tot ruim 22 000 gevallen van hart- en vaatziekten bij de mannen en circa 65 000
gevallen bij de vrouwen. Tabel 9.6 geeft de absolute en relatieve gezondheidswinst in
incidentie-aantallen hart- en vaatziekten van beide scenario’s ten opzichte van dit
referentiescenario.
Tabel 9.6 Absolute en relatieve gezondheidswinst in incidentie-aantallen volgens het VCP1- en
aanbevelingscenario t.o.v. het referentiescenario voor de inneming van transvetzuren.
cumulatief over 40 jaar             absolute winst                        relatieve winst (%)
                                    mannen           vrouwen              mannen            vrouwen
VCP1-scenario                       -9 838           -2 015               -4,6              -3,1
aanbevelingscenario                  7 844            2 655                3,7               4,1
Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik            95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>      Indien het gehalte aan transvetzuren in de voeding van laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen
      in 1997/98 op het zelfde niveau was gebleven als in 1987/88, dan zou dit de
      daaropvolgende veertig jaar bij de mannen hebben geleid tot circa 4,5% meer gevallen
      van hart- en vaatziekten, en bij de vrouwen tot 3% meer gevallen. Er is volgens dit
      scenario dus sprake van gezondheidsverlies.
           De oorzaak hiervan is duidelijk. Sinds het begin van de jaren negentig zijn de
      transvetzuren uit de harde margarines verwijderd, nadat was gebleken dat dit type
      vetzuren een sterk ongunstig effect heeft op het lipidenpatroon. De hoeveelheid
      transvetzuren in de voeding daalde hierdoor aanzienlijk. Indien het transvetzuurgehalte
      zou dalen tot het aanbevolen niveau van ten hoogste 0,8 en%, zouden de komende
      veertig jaar bij de mannen ruim 7 500 en bij de vrouwen ruim 2 500 gevallen van hart-
      en vaatziekten kunnen worden voorkomen. De gezondheidswinst is voor de mannen
      bijna drie maal groter dan voor de vrouwen.
           Ook in het geval van transvetzuren levert het aanbevelingscenario de grootste
      gezondheidswinst op. Deze gezondheidswinst is kleiner dan kan worden bereikt
      wanneer het verzadigd vetzuurgehalte van de voeding daalt tot de aanbevolen inneming.
      Dit ligt voor de hand, omdat in de periode 1987/88-1997/98 de hoeveelheid
      transvetzuren in de Nederlandse voeding al aanzienlijk is verminderd.
9.4   Groenten en fruit
9.4.1 Methode
      Bij de modellering is de indeling van de productgroepen ‘groenten’ en ‘fruit’ gebruikt
      zoals die bij de voedselconsumptiepeilingen is gehanteerd. Hierbij worden —in
      tegenstelling tot bijvoorbeeld in de Verenigde Staten— aardappelen en
      aardappelproducten niet tot groenten gerekend.
           De groenten en de fruitconsumptie is voor ieder individu gesommeerd en
      vervolgens ingebracht in het rekenmodel. Vruchtensappen zijn hierbij door de
      commissie als fruit beschouwd*. Voor de schatting van de gezondheidseffecten is
      uitgegaan van consumptieniveaus met als grenswaarden 100, 200, 300 en 400 gram
      groenten en fruit per dag.
           Het verband tussen het niveau van groenten- en fruitconsumptie en het risico van
      kanker en hart- en vaatziekten is gemodelleerd met behulp van gepubliceerde
      ziektespecifieke risico’s. Voor kanker is hierbij uitgegaan van de gegevens die door
      Klerk en medewerkers zijn verzameld (Kle98). Op basis van gegevens uit
*     Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft de berekening zowel inclusief als exclusief vruchtensappen
      uitgevoerd.
96    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>      epidemiologisch onderzoek is per kankersoort een spreiding geschat voor het relatieve
      risico. Er is van uitgegaan dat groenten en fruit een gelijk effect hebben op het risico van
      kanker en van hart- en vaatziekten, hoewel dit niet overtuigend is aangetoond.
           In de onderzoeken die zijn gebruikt voor het afleiden van de relatieve risico’s
      ontbreekt een uniforme definitie van de productgroepen ‘groenten’ en ‘fruit’. De positie
      van aardappelen, peulvruchten, noten, vruchtenconserven en vruchtensappen hierin is
      niet duidelijk en wisselt per onderzoek. In onderzoek naar de associatie tussen
      groentengebruik en kankerincidentie in populaties als de Nederlandse bevolking, waar
      aardappelen een belangrijke plaats in het voedingspatroon innemen, zijn deze
      gewoonlijk niet bij de productgroep ‘groenten’ genomen. De gezondheidseffecten bij.
      kanker en hart- en vaatziekten die van deze producten zijn vastgesteld zijn namelijk niet
      eenduidig. Zij zijn daarom in het modelleringsonderzoek niet betrokken, behalve
      vruchtensappen en vruchtenconserven.
           Omdat er dus onzekerheid bestaat over de waarde van de verscheidene relatieve
      risico’s die zijn gepubliceerd, is door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
      per kankersoort zowel een naar vermogen beste schatting (‘best guess’) als een
      conservatieve schatting uitgevoerd. De ‘best guess’ komt overeen met de middenwaarde
      van de geschatte range voor het relatieve risico; de conservatieve schatting refereert naar
      de waarde uit deze range die het dichtst bij 1 ligt. Bij de schatting is aangenomen dat de
      relatieve risico’s onafhankelijk zijn van leeftijd, geslacht en opleiding.
           Gezien de onzekerheden die er aan de uitgevoerde modellering kleven is de
      commissie voor dit advies voorzichtigheidshalve uitgegaan van de conservatieve
      schatting. Deze keuze wordt bovendien gerechtvaardigd door het feit dat uit de
      resultaten van recente cohortonderzoeken naar de relatie tussen groenten- en
      fruitgebruik en het risico van diverse vormen van kanker in het algemeen, ook kleinere
      relatieve risico’s naar voren komen, vooral voor het fruitgebruik (Jan01).
           Voor de verscheidene vormen van hart- en vaatziekten is dezelfde werkwijze
      gevolgd. De gebruikte ziektespecifieke risico’s zijn gebaseerd op de gegevens van Klerk
      en medewerkers (Kle98), aangevuld met een aantal andere onderzoeken (zie Hoo00).
           Aan de consumptieklasse ‘minder dan 100 g groenten en fruit per dag’ is het
      relatieve risico 1 toegekend; aan de consumptieklasse ‘tenminste 400 g groenten en fruit
      per dag’ is als relatief risico de conservatieve schatting toegekend. Voor de
      tussenliggende consumptieklassen is het relatieve risico door middel van interpolatie
      berekend.
9.4.2 Groenten en fruitconsumptie
      Tabel 9.7 geeft een overzicht van de gemiddelde groenten- en fruitconsumptie volgens
      het referentiescenario en het VCP1-scenario.
      Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik     97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>      Tabel 9.7 Gemiddeld groenten- en fruitgebruik van laag-opgeleide 19 t/m 35-jarigen volgens het referentie-
      en VCP1-scenario (gram/dag).
                                        mannen                                vrouwen
                                        gem              SD                   gem             SD
      referentie-scenario               gebruik in 1997/98
      groenten                          120               91                   93               68
      fuit                              118              153                  138             188
      groenten + fruit                  238              187                  231             208
      VCP1-scenario                     gebruik in 1987/88
      groenten                          141               92                  120               90
      fuit                              126              158                  131             160
      groenten + fruit                  268              192                  251             192
      De gemiddelde groenten- en fruitconsumptie lag in 1997/98 voor de laagopgeleide
      19 t/m 35-jarigen ver onder de aanbevolen hoeveelheid van 400 g per dag*. Uit tabel 9.8
      blijkt dat slechts 16,5% van de mannen en 16,1% van de vrouwen in deze groep voldoet
      aan deze aanbeveling. Een groter percentage vrouwen dan mannen valt in de lagere
      consumptieklassen.
      Tabel 9.8 Gemiddeld groenten- en fruitgebruik van laag-opgeleide 19 t/m 35-jarigen ingedeeld in klassen.
      klasse (g/dag)         <100            100-200          200-300         300-400         >400
                             %               %                %               %               %
      referentiescenario     gebruik in 1997/98
      mannen                 20,30           29,80            20,50           12,90           16,50
      vrouwen                26,20           31,30            17,80            8,6            16,10
      VCP1-scenario          gebruik in 1987/88
      mannen                 17,00           26,70            20,90           13,70           21,70
      vrouwen                17,40           28,90            21,70           15,80           16,30
      Het VCP1-scenario resulteert in een iets gunstiger beeld dan het referentiescenario. In
      1987/88 lag de groenten- en fruitconsumptie immers op een hoger niveau dan in
      1997/98. Ook volgens dit scenario blijft het percentage mannen dat in de hogere
      consumptieklassen valt groter dan dat voor vrouwen.
9.4.3 De gezondheidseffecten van het VCP1-scenario en het aanbevelingscenario
      Indien het groenten en fruitgebruik van de laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen de komende
      veertig jaar blijft op het niveau dat in 1997/98 is vastgesteld, zullen er in die periode bij
*     Dit is 200 gram groenten en 200 gram fruit (= twee stuks).
98    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>              mannen circa 71 000 gevallen van kanker en ruim 217 000 gevallen van hart- en
              vaatziekten optreden. Voor de vrouwen zijn deze aantallen respectievelijk ruim 50 000
              en 67 500. Deze cijfers geven aan dat hart- en vaatziekten in deze bevolkingscategorie
              een groter volksgezondheidsprobleem zijn dan de aan voeding gerelateerde vormen van
              kanker.
                   Als de groenten- en fruitconsumptie van deze bevolkingsgroep zich in de periode
              1987/88-1997/98 had gehandhaafd op het niveau van 1987/88 zouden er de komende
              veertig jaar voor de mannen ruim 1,5% en voor de vrouwen 1% van de gevallen van
              kanker en respectievelijk ruim 1% en 1,5% van de gevallen van hart- en vaatziekten zijn
              voorkomen (zie tabel 9.9).
Tabel 9.9 Absolute en relatieve gezondheidswinst in incidentie-aantallen volgens het VCP1- en aanbevelingscenario t.o.v. het
referentiescenrio voor het groenten- en fruitgebruik.
cumulatief over 40 jaar         kanker                                              hart- en vaatziekten
                                mannen                   vrouwen                    mannen                  vrouwen
                                relatief     abs         relatief     abs           relatief    abs         relatief     abs
VCP1-scenario                     1,7         1 181      1,00           509          1,1         2 440       1,5         1 025
aanbeveling-scenario             17,30       12 286      8,30         4 175         11,90       25 886      12,90         8 685
              Als het aanbevelingscenario zou worden gerealiseerd kunnen in deze bevolkingsgroep
              in de komende veertig jaar bij de mannen bijna 12% en bij de vrouwen bijna 13% van de
              incidentiegevallen van hart- en vaatziekten worden voorkomen. Uit de schatting van het
              Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu blijkt dat indien vruchtensappen niet als
              fruit zouden worden gerekend de te behalen gezondheidswinst met het
              aanbevelingscenario iets hoger komt te liggen. Tabel 9.9 geeft aan dat het absolute
              niveau van de te behalen gezondheidswinst voor de vrouwen aanzienlijk lager ligt dan
              voor de mannen.
              Gezondheidseffecten inneming verzadigd vet en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik                          99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>100 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 10
          Beschouwing
          Voor een analyse van de betekenis van de ontwikkeling van de voedselconsumptie in de
          periode 1987/88-1997/98 voor de volksgezondheid, heeft de commissie een keuze
          gemaakt uit de omvangrijke hoeveelheid gegevens die de drie
          voedselconsumptiepeilingen hebben opgeleverd. Zij heeft zich hierbij beperkt tot die
          ontwikkelingen die naar verwachting het grootste effect hebben op de volksgezondheid.
          Omdat er zich in de periode 1987/88-1997/98 verscheidene demografische
          veranderingen hebben voltrokken zijn de gegevens ten behoeve van de analyse in dit
          advies gestandaardiseerd naar leeftijd, geslacht en opleiding op basis van de situatie in
          1987/88*.
10.1      Mogelijke foutenbronnen
          De opzet van de voedselconsumptiepeilingen brengt verscheidene beperkingen met zich
          mee die het doen van algemene uitspraken bemoeilijken. Daarnaast kan de
          werkelijkheid worden vertekend als gevolg van diverse mogelijke foutenbronnen.
*         Dit betekent dat de gegevens in dit advies soms afwijken van elders gepubliceerde gegevens over de voedselconsumptie
          op basis van de voedselconsumptiepeilingen.
          Beschouwing                                                                                                     101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    Steekproef
    De steekproef is getrokken uit een bestaand huishoudingenpanel waarin niet alle
    groepen van de bevolking zijn vertegenwoordigd. Met name het ontbreken van
    voldoende deelname uit de laagste sociaal-economische klasse en van allochtone
    groeperingen is hierbij van belang. De in dit advies gesignaleerde ontwikkelingen in de
    voedselconsumptie kunnen dus niet worden geprojecteerd op deze bevolkingsgroepen.
    Omdat er ten behoeve van de trendanalyse weegfactoren zijn toegepast naar leeftijd en
    sociaal-economische status (opleiding) van de steekproef in 1992 en die in 1997/98, en
    op basis van leeftijdsopbouw en sociaal-economische status van de steekproef in
    1987/88 geeft de analyse wellicht een wat ongunstiger beeld van de ontwikkeling in de
    voedselconsumptie dan in werkelijkheid heeft plaats gevonden. Het aantal respondenten
    met een hogere opleiding is immers in de loop der tijd toegenomen en de
    voedselconsumptie van hoger opgeleiden is over het algemeen kwalitatief beter dan die
    van lager opgeleiden.
         Ook is de vraag gerechtvaardigd of in de steekproef de groep van ‘tweeverdieners
    onder grote tijdsdruk en met hoge werklast’ wel voldoende is vertegenwoordigd.
    Immers, deze groep zal —gezien de tijdsbelasting— waarschijnlijk weinig bereid zijn
    om aan dit type onderzoekspanels deel te nemen*. Uit de GfK Mini Census —een
    grootschalig bevolkingsonderzoek dat door vrijwel alle (markt)onderzoeksbureaus
    wordt gebruikt voor de ijking van de representativiteit van steekproeven— blijkt 30%
    van de huishoudens in 1996 te bestaan uit huishoudens waarin twee of meer personen
    een betaald beroep hebben (Temminghoff MBM, persoonlijke mededeling). Het CBS
    vermeldt voor 1997 als percentage tweeverdienende huishoudens 33% (CBS98). Het
    percentage tweeverdienende huishoudens in de populatie die heeft deelgenomen aan de
    voedselconsumptiepeiling in 1997/98 bedraagt 29%. Gegevens over de tijdsdruk en
    tijdsbelasting waaronder deze tweeverdieners leven zijn echter niet beschikbaar. Dit
    betekent dat enerzijds het aantal tweeverdienershuishoudens in de steekproef redelijk
    goed is vertegenwoordigd maar dat het anderzijds onzeker is of deze tweeverdieners
    voldoende representatief zijn voor de groep ‘tweeverdieners onder grote tijdsdruk en
    met hoge werklast’.
         Tenslotte wijst de commissie er op dat gebruik is gemaakt van huishoudens —en
    dus personen— die bereid zijn regelmatig deel te nemen aan marktonderzoek. Het is niet
    bekend in hoeverre dit feit de representativiteit van de steekproef heeft aangetast met
    persoonskenmerken die de voedselkeuze beïnvloeden. Ook hierin kan in de loop der tijd
    een verandering zijn opgetreden die van invloed is op de vastgestelde trend.
*   Dit geldt overigens ook voor onderzoek als het tijdsbestedingsonderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau.
102 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>     Kwaliteit van de verzamelde gegevens
     De kwaliteit van de verzamelde gegevens vormt ook een mogelijke foutenbron. Het is
     bekend dat zelfrapportage onderhevig is aan een zekere sociale wenselijkheid in de
     antwoorden die worden gegeven. Het is onzeker of deze verstoring, die waarschijnlijk
     bij alle peilingen een rol heeft gespeeld, in de loop der tijd constant is gebleven.
     Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat door de sterk toegenomen variatie in
     voedingsmiddelenaanbod de voedselconsumptie die wordt vastgesteld met de
     tweedaagse opschrijfmethode op individueel niveau steeds meer is gaan afwijken van de
     gebruikelijke voeding. Daarbij komt nog dat de registratie van de gebruikte
     voedingsmiddelen in de loop der tijd waarschijnlijk moeilijker is geworden als gevolg
     van deze toegenomen variatie, het frequenter buitenshuis eten en de grotere variatie in
     maaltijdmomenten binnen het gezin (individualisering).
          Op het probleem van de onderrapportage is verschillende keren gewezen. Het is niet
     waarschijnlijk dat de toename in en de omvang van de onderrapportage tijdens de drie
     peilingen zodanig groot is dat de geschetste ontwikkelingen als gevolg hiervan zijn
     vertekend.
          Wat betreft een mogelijke foutenbron bij de berekening van de
     voedingsstoffenvoorziening als gevolg van de gebruikte voedingsstoffensamenstelling
     van voedingsmiddelen, kan worden opgemerkt dat deze door het hanteren van de
     speciaal ontwikkelde ‘NEVO-trendtabel 1987/88-1997/98*’ praktisch verwaarloosbaar
     zal zijn.
     Het is van groot belang bij de beoordeling van de gesignaleerde ontwikkelingen zich
     bewust te zijn van deze mogelijke foutenbronnen.
10.2 Gebruik van voedingsmiddelen
     De ontwikkeling in het verbruik van voedingsmiddelen op basis van
     brutoverbruiksgegevens —dus het voedingsmiddelenaanbod— karakteriseerde zich in
     de periode 1965-1987 vooral door een sterke toename in het verbruik van groenten,
     fruit, vlees en vleesproducten en een verschuiving in het verbruik van volle
     melk(producten) naar halfvolle en magere varianten en van margarine naar halvarine.
          De periode 1987-1997 kenmerkt zich daarentegen door een continue daling in het
     gebruik —de werkelijke consumptie— van verscheidene basisvoedingsmiddelen, zoals
     aardappelen, groenten, fruit en vlees. Wat het fruitgebruik betreft daalde zowel het
*    NEderlands VOedingsstoffenbestand.
     Beschouwing                                                                             103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>    aantal gebruikers* van fruit als de hoeveelheid die door hen werd gegeten. Voor
    groenten verminderde in deze periode vooral de hoeveelheid die werd geconsumeerd, en
    niet het aantal gebruikers. Deze daling ging gepaard met een stijging in het gebruik van
    voedingsmiddelen uit de productgroepen ‘granen en bindmiddelen’, ‘vis’, ’noten en
    snacks’ en ‘samengestelde gerechten’. Ook het gebruik van vruchtensappen nam toe,
    hetgeen de daling in het fruitgebruik enigszins compenseerde. Binnen de productgroep
    ‘vetten, oliën en hartige sauzen’ verminderde het aandeel van margarine, terwijl het
    gebruik van halvarine, en vooral dat van hartige sauzen toenam. In de productgroep
    ‘melk en melkproducten’ zette de stijgende lijn in het gebruik van halfvolle en magere
    melk(producten) zich ook in de periode 1987/88-1997/98 voort.
         Een verklaring voor de geschetste tegengestelde ontwikkelingsrichtingen in het
    brutoverbruik van basisvoedingsmiddelen voor 1987 en het gebruik hiervan na 1987 is
    niet te geven.Waarschijnlijk vormt het verschil in de bron van de gegevens een
    belangrijke oorzaak (verbruiksgegevens per hoofd van de bevolking versus werkelijk
    gebruik per persoon in het leeftijdstraject van de steekproef die bij de peilingen is
    gebruikt). De commissie verbindt daarom aan deze discrepantie geen grote betekenis.
    De totale populatie en geselecteerde leeftijdsgroepen (13 t/m 18 jaar en 19 t/m 35 jaar)
    zijn in de periode 1987/88-1997/98 beduidend meer gaan drinken; de grootste
    wijzigingen hebben zich voorgedaan in de productgroep ‘niet-alcoholische dranken’.
    Vooral het gebruik van suikervrije frisdranken is sterk gegroeid zowel wat betreft de
    hoeveelheid als het aantal gebruikers. Ook het gebruik van met suiker gezoete
    zuiveldranken is sterk toegenomen, vooral in de leeftijdsgroep 19 t/m 35-jarigen.
         De analyse van het gebruik van de verschillende soorten niet-alcoholische dranken
    is in dit advies beperkt gebleven. In het VTV-themarapport ‘Gezonde voeding en veilig
    voedsel’ van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu** zal hierop nader
    worden ingaan. Hierbij zal vooral nadruk worden gelegd op mogelijke effecten van de
    ontwikkeling in het gebruik van suikerhoudende fris- en zuiveldranken op de
    prevalentie van overgewicht. De consumptie van halfvolle melk(producten) nam verder
    toe, zij het niet zozeer de hoeveelheid die werd gedronken als wel het aantal gebruikers.
    Koffie en thee worden steeds vaker vervangen door frisdranken.
    De voedselconsumptie van de geselecteerde leeftijdsgroepen (13 t/m 18 jaar en 19 t/m
    35 jaar) heeft zich globaal in dezelfde richting ontwikkeld als die van de totale
    populatie. Voor de 13 t/m 18-jarige jongens is de daling in het gebruik van de
    productgroepen ‘brood’ en ‘groenten’ meer dan gemiddeld. Ditzelfde geldt voor de
*   Dit zijn de respondenten die op één of beide onderzoeksdagen het betreffende voedingsmiddel hebben gebruikt.
**  Dit rapport zal in november 2002 verschijnen.
104 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>     toename in het gebruik van alcoholische dranken, vooral in de periode 1992-1997/98.
     Meer jongens zijn in deze periode bier gaan drinken en daarbij in grotere hoeveelheden.
     Voor de 13 t/m 18-jarigen valt op dat de daling in het gebruik van groenten en fruit voor
     de meisjes sterker is dan voor de jongens. Het aantal groentengebruikers onder de
     jongens bleef nagenoeg constant, terwijl er bij de meisjes sprake is van een daling. Over
     de gehele linie bezien heeft de voedselkeuze van 13 t/m 18-jarigen zich in deze periode
     ongunstiger ontwikkeld dan gemiddeld.
          Ook de voedselconsumptie van de 19 t/m 35-jarigen volgt globaal de ontwikkeling
     zoals die voor de totale bevolking is vastgesteld. Opmerkelijk is dat in de sector dranken
     een verschuiving plaatsvond van alcoholische dranken naar niet-alcoholische dranken;
     vooral naar suikervrije frisdranken en vruchtensappen. De daling in het groentengebruik
     is voor mannen en vrouwen van gelijke orde van grootte en minder sterk dan bij de
     jongere leeftijdscategorie. Over het algemeen is de ontwikkeling van de voedselkeuze
     van de 19 t/m 35-jarigen wat minder ongunstig dan die voor de 13 t/m 18-jarigen.
          De ontwikkeling in het gebruik van alcoholische dranken zoals blijkt uit de analyse
     van de gegevens van de voedselconsumptiepeilingen, komt goed overeen met gegevens
     die door anderen zijn gerapporteerd (Pos98, Zwa01). Gemiddeld is er in de periode
     1987/88-1997/98 sprake van een lichte daling in het alcoholgebruik per persoon per dag
     (Pos98). Het gebruik van alcoholische dranken door jongeren stijgt daarentegen; het
     aantal zware drinkers onder scholieren nam tot 1992 toe en stabiliseerde zich daarna
     (Zwa01). Het aantal zware drinkers onder volwassen mannen nam in deze periode
     eveneens toe, vooral in de lagere sociaal-economische klassen.
     Zowel voor de totale populatie als voor de geselecteerde leeftijdsgroepen hebben de
     grootste wijzigingen in de samenstelling van het voedingsmiddelenpakket zich
     voltrokken in de periode 1987/88-1992. In de daarop volgende vijf jaar zette voor de
     meeste productgroepen de ingezette dalende of stijgende tendens zich voort.
10.3 Maaltijdenpatroon
     Het traditionele maaltijdenpatroon van drie maaltijden per dag heeft zich in de periode
     1987/88-1997/98 over het algemeen goed gehandhaafd. Wel liep het ontbijtgebruik
     enigszins terug, met name in de laagste sociaal-economische klasse. Vooral de 19 t/m
     35-jarige mannen slaan het ontbijt nog wel eens over. De voedingsstoffenvoorziening
     ligt bij niet-ontbijters op een wat lager niveau. Uit de gegevens blijkt echter niet dat het
     overslaan van het ontbijt voor de geselecteerde voedingsstoffen resulteert in een
     voorziening die lager ligt dan de aanbevolen inneming. Het gebruik van ontbijtgranen
     tijdens het ontbijt als alternatief voor brood is licht toegenomen. De daling in het
     broodgebruik wordt hiermee echter niet volledig gecompenseerd.
     Beschouwing                                                                                  105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>          Bij de warme maaltijd blijkt er duidelijk sprake van een groeiende voorkeur voor
     producten met een relatief korte bereidingstijd en voor kant-en-klaarproducten. De
     traditionele warme maaltijd bestaande uit aardappelen, groenten en vlees wordt steeds
     vaker vervangen door rijst- en pastamaaltijden en andere samengestelde gerechten. Het
     toegenomen gebruik van gehakt en pluimveevlees ten koste van bijvoorbeeld rundvlees
     wijst ook in deze richting. Deze verandering heeft duidelijk consequenties voor het
     groentengebruik; in dergelijke maaltijden worden namelijk relatief weinig groenten
     verwerkt.
          Tussen de maaltijden worden koffie en thee in toenemende mate vervangen door
     niet-alcoholische dranken (vooral frisdranken) en gebak en koek door noten en snacks.
     Uit de gegevens blijkt niet dat in de periode 1987/88-1997/98 de praktijk van ‘grazing’*
     sterk is toegenomen.
          Het gebruik van lunch en warme maaltijd buitenshuis is minder toegenomen dan op
     basis van marktverkenningen mag worden verwacht. Dit zelfde geldt ook voor de mate
     waarin het ontbijt wordt overgeslagen, het gebruik van bij voorbeeld kant-en-
     klaarproducten tijdens de warme maaltijd, en de vervanging van het traditionele
     broodontbijt door een ontbijt met ontbijtgranen of kant-en-klaardrinkontbijten. Hoewel
     veel van deze ontwikkelingen zijn ingezet in het begin van de jaren negentig —en ook in
     de resultaten van de voedselconsumptiepeilingen zichtbaar zijn geworden— zijn zij met
     name in de periode na 1997/98 sterk doorgezet (Temminghoff MBM, persoonlijke
     mededeling)**.
10.4 Effect van de veranderende leefwijze
     Verscheidene sociaal-demografische veranderingen hebben in de periode 1987/88-
     1997/98 geleid tot veranderingen in het leefpatroon bij grote groepen van de bevolking.
     Betaald werk is binnen het huishouden steeds meer een centrale plaats gaan innemen;
     het aantal tweeverdieners is toegenomen en de gemiddelde tijdsdruk is groter geworden.
     Daarnaast is de samenleving in deze periode in sterke mate geïndividualiseerd. Dit heeft
     geleid tot een toenemende differentiatie in het consumentengedrag en in de
     voedselkeuze. Het voedingsmiddelenbedrijfsleven heeft op deze ontwikkelingen
     ingespeeld en het assortiment voedingsmiddelen is sterk uitgebreid.
          Hoewel de geschetste veranderingen in de voedselconsumptie de veranderende
     leefwijze in deze periode wel weerspiegelen, zijn zij niet zo substantieel als op basis van
*    Het gespreid over de dag eten van kleine hoeveelheden voedsel als alternatief voor drie hoofdmaaltijden.
**   Zo is in de periode 1997-2001 de aankoop van kant-en-klaarmaaltijden met meer dan 50% toegenomen. Kant-en-
     klaardrinkontbijten zijn geïntroduceerd in 1997; de gehele groei van dit nieuwe marktsegment in geheel tot stand
     gekomen na de derde voedselconsumptiepeiling. In 2001 werden door 33,6% van de huishoudens regelmatig
     drinkontbijten gekocht (Temminghoff MBM, persoonlijke mededeling).
106  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>     marktverkenningen mocht worden verwacht. De veranderingen zijn meer in overeen-
     stemming met de gematigde ontwikkelingen die in de tijdsbestedingsonderzoeken van
     het Sociaal en Cultureel Planbureau zijn vastgesteld.
          Dit zou kunnen betekenen dat de gemiddelde consument wellicht toch behoudender
     is in zijn voedselkeuze dan ‘trendwatchers’ veronderstellen, waardoor wijzigingen in de
     voedselconsumptie zich langzamer voltrekken dan zij voorspellen. Hierbij moet worden
     bedacht dat de uitspraken van ‘trendwatchers’ meestal zijn gebaseerd op kortdurend
     onderzoek met kleine en zeer specifieke groepen consumenten. Het verschil tussen
     ‘verwachting en werkelijkheid’ kan ook worden veroorzaakt doordat de groep
     ‘tweeverdieners met grote tijdsdruk en met hoge werklast’ mogelijk niet voldoende
     representatief in het GfK-Scriptpanel is opgenomen. Daarbij komt nog dat de
     voedselconsumptiepeilingen door de gehanteerde onderzoeksmethode minder geschikt
     zijn ontwikkelingen in de voedselkeuze als gevolg van een veranderende leefstijl te
     signaleren. De peilingen zijn destijds immers met name gericht op het volgen van de
     ontwikkeling in de voedingsstoffenvoorziening. De wijze van coderen en het aggregeren
     en clusteren van voedingsmiddelen zijn daarop afgestemd.
10.5 Voedingsstoffenvoorziening
     De ontwikkelingen in de voedselconsumptie hebben zowel positieve als negatieve
     effecten gehad op de voedingsstoffenvoorziening van de bevolking. De positieve
     effecten betreffen vooral de gemiddelde energetische waarde van de voeding en de
     vetzuursamenstelling; de negatieve aspecten betreffen de
     microvoedingsstoffenvoorziening.
     Energetische waarde van de voeding en overgewicht
     De energetische waarde van de voeding en de hoeveelheid energie per gram voedsel is
     in de periode 1987/88-1997/98 duidelijk gedaald, zowel voor de gehele bevolking als
     voor de geselecteerde leeftijdsgroepen. Deze daling heeft echter niet kunnen voorkomen
     dat het aantal personen met overgewicht en obesitas aanzienlijk is toegenomen, vooral
     onder de 19 t/m 35-jarige vrouwen. De toename vond vooral plaats in de lagere sociaal-
     economische klassen (Hul02).
          Een aspect dat hierbij aandacht vraagt is het sterk gestegen gebruik van
     suikerhoudende niet-alcoholische dranken en zuiveldranken* door zowel de totale
     populatie als de geselecteerde leeftijdsgroepen. Onlangs zijn namelijk de resultaten van
*    Zuiveldranken waaronder drinkyoghurt , chocolademelk enz. zijn ondergebracht in de productgroep ‘melk en
     melkproducten’.
     Beschouwing                                                                                              107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>    een onderzoek gepubliceerd waaruit een verband naar voren komt tussen de inneming
    van mono- en disachariden via dranken en het risico van het ontstaan van overgewicht
    (Lud01).
    Omdat bekend is dat de mate van onderrapportage van de voedselconsumptie toeneemt
    bij (een toenemend) overgewicht (Voo97) ligt het voor de hand een gedeelte van de
    daling van de energetische waarde van de voeding aan een toegenomen onderrapportage
    toe te schrijven. Op grond van nadere analyses lijkt het echter niet waarschijnlijk dat de
    mate van onderrapportage in de loop der tijd aanzienlijk is veranderd (Ano93, Voo97,
    Löw98b, bijlage D). De daling van de energetische waarde van de voeding in de periode
    1997/88-1997/98 loopt niet parallel aan de geleidelijke toename in de prevalentie van
    overgewicht en obesitas in deze periode. De daling van de energetische waarde van de
    voeding trad vooral op in de periode 1987/88-1992. In de periode 1992-1987/98 was er
    voor de totale populatie en de 13 t/m 18-jarige meisjes sprake van een verdere lichte
    daling, maar voor de 13 t/m 18-jarige jongens en de 19 t/m 35-jarigen van een lichte
    toename van de energetische waarde.
         De gegevens over lengte en gewicht die tijdens de voedselconsumptiepeilingen zijn
    verzameld betreffen zelfgerapporteerde gegevens. Bekend is dat dergelijke gegevens
    gevoelig zijn voor onderrapportage (Vie01, bijlage D). Van een aanzienlijke
    onderraportage kan op grond van deze gegevens echter geen sprake zijn geweest (zie
    bijlage G). Voor alle door de commissie geselecteerde groepen ligt de gemiddelde lengte
    iets boven de gemiddelde referentiewaarde voor de betreffende leeftijdscategorieën*.
    Dit zelfde geldt voor het gemiddeld gewicht van de 13 t/m 18-jarigen. Voor de 19 t/m
    35-jarigen ligt het gerapporteerde gemiddelde gewicht ruim 5 kg boven de gemiddelde
    referentiewaarde van deze leeftijdsgroep.
         De toename van overgewicht en obesitas die blijkt uit de gegevens van de
    voedselconsumptiepeilingen wordt bevestigd door onderzoek waarin lengte en gewicht
    van de respondenten door de onderzoekers is gemeten (Sei95, Sei99, Sei01a, Sei01b).
    Overgewicht is het gevolg van een positieve energiebalans dat wil zeggen dat de
    energie-inneming via de voeding groter is dan het energieverbruik door
    ruststofwisseling en lichamelijke activiteit. De lichamelijke activiteit —zowel tijdens
    het werk als in de vrije tijd— en daarmee het gemiddelde energieverbruik van de
    gemiddelde Nederlander is de afgelopen tien jaar aanzienlijk afgenomen** (Fre00,
    Kem00, Sch01, Sei01b). De voortgaande mechanisering en automatisering op allerlei
*   Voor de gemiddelde referentiewaarde zie Gez01.
**  Volgens de TNO monitor ‘Nederlandse Norm Gezond bewegen’ beweegt slechts minder dan het helft van de bevolking
    voldoende om hiervan een positief effect op de gezondheid te mogen verwachten; 12% van de bevolking is zelfs inactief
    (Hil99).
108 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>  gebied speelt hierbij een belangrijke rol. De Beleidsnota ‘Sport, bewegen en
  gezondheid’ van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geeft aan dat het
  percentage personen dat wekelijks sport dalende is, evenals het aantal deelnemers aan
  teamsporten en verenigingssport (Ano01b). Ook uit het tijdsbestedingsonderzoek van
  het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat in de periode 1995-2000 de tijd die
  gemiddeld wordt besteed aan bewegende activiteiten in huis en daarbuiten is afgenomen
  (Bre01). De toename van overgewicht en obesitas moet dan ook volgens de commissie
  worden toegeschreven aan het feit dat de energie-inneming via de voeding in de
  afgelopen tien jaar minder sterk is gedaald dan het energieverbruik via lichamelijke
  activiteit. De ontwikkeling van overgewicht en obesitas in Nederland steekt overigens
  nog relatief gunstig af bij die in Amerika en verschillende andere landen (Sei02a,
  Swi02).
  Voorziening met macrovoedingsstoffen
  De daling van het vetgebruik en de verbetering van de vetzuursamenstelling*, voor
  zowel de totale populatie als de geselecteerde leeftijdsgroepen, kan worden gezien als
  een voorzichtig positieve ontwikkeling in de voedselconsumptie. In hoeverre een
  gedeelte van deze daling moet worden toegeschreven aan de vaak substantiële —en
  mogelijke tijdsafhankelijke— onderrapportage van de gebruikte hoeveelheid vet is
  onzeker (Sei98). Uit de gegevens blijkt dat de daling in het gebruik van zichtbaar vet
  (smeer- en bereidingsvetten) nauwelijks is gecompenseerd door bedrijfsmatig
  toegevoegd verborgen vet (in brood, aardappelproducten, kant-en-klaarmaaltijden). De
  daling in de inneming van verzadigde vetzuren via smeer- en bereidingsvetten,
  melkproducten, kaas, vleeswaren, koek en gebak is eveneens nauwelijks gecompenseerd
  door een toegenomen inneming via bronnen als aardappelproducten en kant-en-
  klaarmaaltijden.
  ‘Richtlijnen goede voeding’
  Het aantal personen dat een voeding gebruikt die voldoet aan de ‘Richtlijnen goede
  voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel
  gezamenlijk is klein, en in de periode 1987/88-1997/98 is dit aantal nauwelijks
  veranderd. Ondanks de daling in de inneming van verzadigde vetzuren blijft deze groter
  dan wenselijk. De mate waaraan wordt voldaan aan de richtlijn voor verzadigde
* Deze analyse is alleen mogelijk voor de vetzuren die in de ‘NEVO-trend tabel’ zijn opgenomen: verzadigde vetzuren,
  transvetzuren en het totaal aan onverzadigde vetzuren. Een uitsplitsing naar bijvoorveeld n-3 en n-6 meervoudig
  onverzadigde vetzuren is niet mogelijk.
  Beschouwing                                                                                                     109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>    vetzuren is wel toegenomen. Dit geldt ook voor de richtlijn voor totaal vet. Door de
    daling in het gebruik van aardappelen, groenten, fruit en brood blijkt vooral de richtlijn
    voor voedingsvezel steeds moeilijker te realiseren. De belangrijkste belemmeringen
    voor het realiseren van een voeding die voldoet aan de ‘Richtlijnen goede voeding’ voor
    totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel gezamenlijk, zijn het
    gehalte verzadigde vetzuren en voedingsvezel in de voeding, en in mindere mate dat van
    totaal vet. De voeding van een aanzienlijke groep personen voldoet net niet aan het
    criterium voor totaal vet (≤35 en%). De toename waarin wordt voldaan aan de richtlijn
    voor deze macrovoedingsstoffen afzonderlijk, is gezondheidskundig moeilijk te
    waarderen omdat de individuele richtlijnen een verschillende zwaarte hebben met
    betrekking tot het te behalen gezondheidseffect.
    Voorziening met microvoedingsstoffen
    Wat het gemiddeld niveau van de microvoedingsstoffenvoorziening betreft heeft de
    voedselconsumptie in Nederland zich in de periode 1987/88-1997/98 over het algemeen
    niet gunstig ontwikkeld. Voor de meeste microvoedingsstoffen die door de commissie
    zijn geselecteerd voor een nadere analyse is zowel voor de totale populatie als voor de
    geselecteerde leeftijdsgroepen de voorziening gedaald. Bovendien is de
    voedingsstoffendichtheid* voor verschillende belangrijke microvoedingsstoffen
    afgenomen.
         Vooral de daling in de voorziening met de vetoplosbare vitamines A, E en in
    mindere mate vitamine D, als gevolg van onder andere de vermindering in het gebruik
    van smeer- en bereidingsvetten en van lever(producten), en de verschuiving van volle
    melk(producten) naar halfvolle en magere varianten vraagt om aandacht. Hetzelfde
    geldt voor daling in de voorziening met foliumzuur en β-caroteen door de daling van het
    groentengebruik. De gemiddelde voorziening met ijzer, die vooral voor vrouwen in de
    vruchtbare leeftijdsfase al te laag was in vergelijking met de aanbevolen inneming aan
    het begin van de periode, verbeterde niet. Met betrekking tot de foliumzuurvoorziening
    wijst de commissie erop dat deze is berekend op basis van gegevens verkregen met een
    microbiologische analysemethode. Uit recente analyses van het foliumzuurgehalte van
    in Nederland verkrijgbare voedingsmiddelen door middel van een HPLC-methode**
    blijkt dat gehaltes op basis van een microbiologische bepalingsmethode mogelijk te
    hoog zijn ingeschat (Kon01). Op grond van de analyses met de HPLC-methode zou het
    niveau van de foliumzuurvoorziening van de bevolking circa 25% lager liggen. Omdat
    niet duidelijk is of met deze methode alle biologisch actieve foliumzuurmetabolieten in
*   De hoeveelheid microvoedingsstof per eenheid van energie.
**  Hoge druk kolomchromatografie.
110 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>     voedsel worden gemeten is nader onderzoek naar de betekenis van deze discrepantie
     gewenst.
10.6 Vergelijking voedingsstoffenvoorziening en voedingsnormen
     Energie en macrovoedingsstoffen
     De geschetste veranderingen hebben geleid tot een voeding die qua de
     energievoorziening voor de geselecteerde leeftijdsgroepen ligt rond of beneden de
     gemiddelde behoefte die is vastgesteld door de Commissie Voedingsnormen van de
     Gezondheidsraad. De gegevens geven niet aan dat er sprake is van een energietekort dat
     leidt tot gewichtsverlies.
          De eiwit- en koolhydraatvoorziening is voor deze groepen ruim voldoende, terwijl
     de hoeveelheid vet —als wordt uitgegaan van 35 en% als bovengrens van de adequate
     inneming*— net niet voldoet aan de aanbeveling.
          De hoeveelheid verzadigde vetzuren en in mindere mate die van transvetzuren in de
     voeding van de geselecteerde leeftijdsgroepen is nog aanzienlijk groter dan wordt
     aanbevolen; het gehalte aan cis-onverzadigde vetzuren ligt voor de geselecteerde
     leeftijdsgroepen binnen het traject van de adequate inneming, maar is wel lager dan de
     gemiddelde voorziening van de totale populatie. Het gehalte aan voedingsvezel ligt nog
     ver beneden het aanbevolen niveau. Dit betekent dat het aantal personen, dat een
     voeding gebruikt die voldoet aan de ‘Richtlijnen goede voeding’ voor totaal vet,
     verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel gezamenlijk nog steeds erg klein
     is, zowel in de totale populatie als in de geselecteerde leeftijdsgroepen. Eerder is al
     opgemerkt dat vooral de richtlijnen voor verzadigde vetzuren en voedingsvezel moeilijk
     zijn te realiseren.
     Microvoedingsstoffen
     Er is al op gewezen dat de geselecteerde leeftijdsgroepen wat betreft de voorziening met
     microvoedingsstoffen over het algemeen niet de meest kwetsbare zijn (behalve
     zwangere en zogende vrouwen**). De ontwikkelingen in de voedselkeuze van deze
     leeftijdsgroepen hebben voor verscheidene microvoedingsstoffen geleid tot een
     verslechtering van de voorziening. Voor de 13 t/m 18-jarige jongens en meisjes schiet de
*    Als er sprake is van overgewicht of een ongewenste gewichtstoename bedraagt de adequate inneming 20-30/35 en% vet
     (Gez01). Gezien de hoge —en nog steeds toenemende— prevalentie van overgewicht en obesitas meent de commissie bij
     het beoordelen van de voedselconsumptie van deze grens te moeten uitgaan. Als er sprake is van een wenselijk
     lichaamsgewicht bedraagt de adequate inneming 20-40 en% vet (Gez01).
**   Deze groepen zijn in de steekproef te klein om een verantwoorde analyse te kunnen uitvoeren.
     Beschouwing                                                                                                  111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>    voorziening met retinolequivalenten, calcium en ijzer in vergelijking met de
    voedingsnorm tekort. Voor de meisjes komt daar vitamine E nog bij. De gemiddelde
    voeding van de 19 t/m 35-jarige mannen voldoet voor de geselecteerde
    microvoedingsstoffen aan de voedingsnorm. De voeding van de 19 t/m 35-jarige
    vrouwen bevat gemiddeld te weinig retinolequivalenten en vooral te weinig ijzer. Voor
    deze voedingsstoffen is het dus aannemelijk dat er binnen de populatie personen zijn
    voor wie de voorziening te laag is om aan de behoefte te voldoen. Wat ijzer betreft is uit
    onderzoek naar de ijzerstatus bij de volwassen bevolking in de periode 1990-1993
    echter niet gebleken dat er bij grote groepen van de bevolking sprake is van een
    onvoldoende of suboptimale ijzerstatus (Bru97). Wellicht is de biobeschikbaarheid van
    ijzer uit de Nederlandse voeding dan ook groter dan wordt aangenomen. Nader
    onderzoek hiernaar is gewenst.
         Met betrekking tot retinolequivalenten wijst de commissie erop dat de voorziening
    vrij scheef verdeeld is, waardoor een oordeel over de kwaliteit van de voorziening op
    basis van de beschikbare gegevens moeilijk is te geven. Daarbij komt dat het niveau van
    de retinolvoorziening meestal onregelmatig is en na consumptie van bijvoorbeeld
    leverproducten pieken kent. Het retinol dat niet direct wordt gemetaboliseerd wordt
    opgeslagen in de lever en in spierweefsel. Deze lichaamsvoorraad wordt benut op
    momenten dat de voorziening lager is dan de behoefte. Voor een goede beoordeling van
    de retinolvoorziening —en daarmee ook de voorziening met retinolequivalenten— zou
    eigenlijk moeten worden uitgegaan van de gemiddelde voorziening over een langere
    periode dan twee dagen.
         Als ervan wordt uitgegaan dat de foliumzuurvoorziening in werkelijkheid 25% lager
    ligt dan op basis van de huidige gegevens is berekend, zou de voorziening volgens de
    Nederlandse aanbeveling van de Voedingsraad (Voe92) voor de geselecteerde
    leeftijdsgroepen nog voldoende zijn. Een marginale foliumzuurstatus op basis van het
    foliumzuurgehalte in serum is tot nu toe in Nederland niet op grote schaal vastgesteld
    (Bru97). Na het beschikbaar komen van een nieuwe Nederlandse voedingsnorm voor
    foliumzuur zal de kwaliteit van de foliumzuurvoorziening opnieuw moeten worden
    beoordeeld.
         Voor de overige geselecteerde microvoedingsstoffen ligt de voorziening (ruim)
    boven de aanbevolen inneming voor de geselecteerde leeftijdsgroepen. De gemiddelde
    voorziening van geen van de geselecteerde vitamines en mineralen benaderde de door
    de Voedingsraad en Gezondheidsraad vastgestelde aanvaardbare bovengrens van
    inneming (Voe90, Gez01).
    Bij het voorgaande plaatst de commissie de volgende kanttekeningen.
         Bij het beoordelen van de kwaliteit van de voedingsstoffenvoorziening op basis van
    de resultaten van de voedselconsumptiepeilingen en de voedingsnormen is het van
112 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>  belang te beseffen dat de resultaten van de peilingen door de gekozen onderzoeksopzet
  meer een momentopname van de gemiddelde voedselconsumptie reflecteren dan de
  gebruikelijke voeding. Vooral voor voedingsstoffen die slechts in een relatief klein
  aantal voedingsmiddelen in belangrijke mate voorkomen is dit van belang (bijvoorbeeld
  retinol en vitamine D).
       Daarnaast benadrukt de commissie dat het niet mogelijk is om op grond van alleen
  een aanbevolen hoeveelheid of adequate inneming* op zich, het percentage personen in
  een populatie te schatten waarvan de inneming van een voedingsstof bij een bepaald
  voorzieningsniveau niet toereikend is (Voe92, Gez00, IOM00). Als wordt aangenomen
  dat de behoefte aan een voedingsstof binnen een homogene populatie een normale
  verdeling volgt, en de gemiddelde behoefte en de variatie van zowel de inneming als de
  behoefte bekend is, kan het percentage personen waarvan de voorziening waarschijnlijk
  ontoereikend is wel worden geschat. Deze schatting betreft dan per definitie alleen
  voedingsstoffen waarvoor een aanbevolen hoeveelheid is afgeleid.
       Wanneer de gemiddelde behoefte aan een voedingsstof niet bekend is —en dus moet
  worden volstaan met een adequate inneming— is slechts een globale beoordeling van de
  voedingsstoffenvoorziening mogelijk. Voor de geselecteerde leeftijdsgroepen en
  microvoedingsstoffen zijn dit voor de leeftijdsgroep 13 t/m 18-jarigen de vitamines E,
  retinolequivalenten, B6, C, D en calcium; voor de leeftijdsgroep 19 t/m 35-jarigen
  vitamine D en calcium. In dit geval moet worden volstaan met de conclusie dat naarmate
  de gemiddelde voorziening lager ligt dan de adequate inneming de kans dat zich binnen
  de populatie personen bevinden waarvoor de voorziening ontoereikend is, toeneemt.
       Voor de andere geselecteerde microvoedingsstoffen kan met het schatten van het
  aantal personen waarvoor de voorziening onvoldoende is, op basis van gemiddelde
  behoefte, de standaarddeviatie daarin en de gehanteerde variatiecoëfficiënt, een beter
  inzicht in de kwaliteit van de voedingsstoffenvoorziening worden verkregen (Voe92).
  Met deze manier van beoordelen is echter nog weinig ervaring opgebouwd. De
  commissie pleit ervoor dat een dergelijke benadering verder wordt geëxploreerd.
       Tenslotte is het belangrijk erop te wijzen dat op grond van een vergelijking tussen de
  gemiddelde voorziening met een essentiële voedingsstof en de voedingsnorm in zijn
  algemeenheid niet zondermeer kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een
  tekortsituatie wanneer de gemiddelde voorziening lager is dan de voedingsnorm. Nader
  onderzoek is dan nodig, waarin de validiteit van de gehanteerde methode van
  voedselconsumptie-onderzoek, de betrouwbaarheid van de gebruikte
  voedingsstoffensamenstelling van voedingsmiddelen en de soliditeit van de
* Een aanbevolen hoeveelheid en een adequate inneming zijn niveaus van inneming die toereikend zijn voor vrijwel de
  gehele populatie (Gez00). Een aanbevolen hoeveelheid is afgeleid van de gemiddelde behoefte terwijl een adequate
  inneming door het ontbreken van kennis m.b.t. de gemiddelde behoefte is gebaseerd op andere gegevens.
  Beschouwing                                                                                                      113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>     voedingsnorm centraal staan. Daarnaast zijn gegevens over de voedingstoestand
     noodzakelijk. Het vergelijken van de gemiddelde voedingsstoffenvoorziening van
     bevolkingsgroepen met voedingsnormen is slechts een eerste stap in de beoordeling van
     de voedingstoestand. Conclusies op basis van deze vergelijking vragen altijd om
     bevestiging door resultaten van onderzoek naar de voedingstoestand. Resultaten van
     voedselconsumptie-onderzoek en van onderzoek naar de voedingstoestand zijn in dit
     verband in hoge mate complementair (Löw94b). De voedselconsumptiepeilingen
     hebben hierbij een signalerende en verkennende functie.
     Op grond van bovenstaande overwegingen kent de commissie meer betekenis toe aan de
     geconstateerde ontwikkelingen in de voorziening met microvoedingsstoffen dan aan de
     vastgestelde niveaus van die voorziening tijdens de drie voedselconsumptiepeilingen.
     De betekenis van de lage voorzieningsniveaus kan pas worden aangegeven na gericht
     onderzoek naar de voedingstoestand.
10.7 Gezondheidseffecten van veranderde inneming verzadigd vet en transvet-
     zuren en van dalend groenten- en fruitgebruik
     Voor een tweetal belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie in de periode
     1987/88-1997/98 is een nadere analyse gemaakt van de consequenties van deze
     ontwikkelingen voor de volksgezondheid. Het gaat om de daling van de hoeveelheid
     verzadigde vetzuren en transvetzuren in de voeding van laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen
     en de daling in het gebruik van groenten en fruit.
         Uit de via modelleringsonderzoek verkregen schattingen blijkt dat er de komende
     veertig jaar een niet onbelangrijk aantal gevallen van kanker (circa 1 700) en hart- en
     vaatziekten (circa 3 500) in deze bevolkingsgroep had kunnen worden voorkomen als de
     daling in de groenten- en fruitconsumptie in deze periode niet had plaats gevonden. Dit
     komt overeen met ongeveer 1-2% van de gevallen van kanker en hart- en vaatziekten.
     De daling van het verzadigd vetzuurgehalte van de voeding in de periode 1987/88-
     1997/98 zal volgens de schatting daarentegen de komende veertig jaar in deze
     bevolkingsgroep leiden tot 5% minder gevallen van hart- en vaatziekten bij de mannen
     (9 000) en bijna 1% minder gevallen bij de vrouwen (400). De daling van de
     hoeveelheid transvetzuren in de voeding in de periode 1987/88-1997/98 zal de komende
     veertig jaar voor respectievelijk mannen en vrouwen resulteren in 5% (9 000) en 4%
     (2 000) minder gevallen van hart- en vaatziekten. Deze schattingen betreffen alleen de
     groep van laagopgeleide 19 t/m 35 jarigen. Voor de gehele bevolking zal het
     gezondheidseffect qua omvang het veelvoudige zijn.
         Uiteraard valt de grootste gezondheidswinst te verwachten als het voedingspatroon
     van de 19 t/m 35-jarigen laagopgeleiden zodanig verandert dat wordt voldaan aan de
114  Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>aanbevelingen: 400 g groenten en fruit, ten hoogste 10 en% verzadigde vetzuren en ten
hoogste 0,8 en% transvetzuren. Als gevolg van het toegenomen groenten- en
fruitgebruik zou hiermee de komende veertig jaar het optreden van hart- en vaatziekten
met 12% (35 000 gevallen) en van kanker met 14% (16 000 gevallen) kunnen worden
voorkomen. De daling van de hoeveelheid verzadigde vetzuren in de voeding tot ten
hoogste 10 en% zou de incidentie van hart- en vaatziekten in die periode met ongeveer
29% (75 000) kunnen reduceren. De daling van de hoeveelheid transvetzuren tot
maximaal 0,8 en% kan resulteren in een daling met 4% (10 500 gevallen).
     Hoewel theoretisch mogelijk, blijft het de vraag of dit scenario in de praktijk
haalbaar is. Gezien de percentielverdeling van het groenten- en fruitgebruik en het
vetgebruik, zoals vastgesteld in de peiling van 1997/98 moet dit voor het groenten- en
fruitgebruik in principe wel mogelijk zijn. De realisatie van de aanbevolen inneming van
verzadigde vetzuren zal een grotere inspanning vragen.
     De commissie benadrukt tenslotte dat de schattingen van het effect van het
groenten- en fruitgebruik en de inneming van verzadigde vetzuren en transvetzuren
onafhankelijk van elkaar zijn uitgevoerd. Het resultaat van deze schattingen kan dus niet
zonder meer bij elkaar worden opgeteld.
Het uitgevoerde modelleringsonderzoek gaat noodgedwongen uit van een aantal
veronderstellingen waarvan de rechtvaardiging door het ontbreken van kennis en
onderzoeksgegevens onzeker is, vooral waar het gaat over de gezondheidseffecten van
groenten en fruit. Soms zijn deze veronderstellingen een praktische noodzaak om de
modellering te kunnen uitvoeren. Daarnaast kent het basismateriaal dat voor de
modellering is gebruikt ook verscheidene onzekerheden. Voor hart- en vaatziekten
bestaat er een grote behoefte aan goede incidentiecijfers op nationaal niveau. De
incidentiecijfers die voor de modellering zijn gebruikt, zijn noodgedwongen afkomstig
van verschillende registratiebronnen waartussen aanzienlijke verschillen bestaan.
     Bij de modellering van het effect van de ontwikkeling in het groenten- en
fruitgebruik op de incidentie van hart- en vaatziekten is vooral gebruik gemaakt van
recent onderzoek om tot een schatting van de relatieve risico’s te komen. Voor de
modellering van dit effect op de incidentie van kanker zijn daarentegen vooral oudere
gegevens gebruikt; in eerste instantie tot 1995, later aangevuld tot 1998 (Kle98).
Sindsdien zijn echter de resultaten van meerdere cohortonderzoeken gepubliceerd
waaruit minder sterke verbanden tussen het groenten- en fruitgebruik en het risico van
kanker naar voren kwamen. Zo zijn de laatste jaren de resultaten van twee
cohortonderzoeken gepubliceerd waaruit blijkt dat het verband tussen groenten- en
fruitgebruik en het risico van maagkanker veel minder sterk is dan op basis van de
resultaten van eerder uitgevoerde patiënt/controle-onderzoek werd verondersteld
(Bot98, McC01). Analyses van de gepoolde resultaten van onderzoek naar het verband
Beschouwing                                                                               115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>    tussen het groenten- en fruitgebruik en het risico van borstkanker, waarbij de resultaten
    van zeven cohortonderzoeken in Europa en Amerika zijn gecombineerd, lieten
    daarentegen geen duidelijk beschermend verband zien (Smi01). Voor longkanker is ook
    in recente cohortonderzoeken een beschermend effect gevonden van groenten- en
    fruitgebruik (o.a. Voo00). De resultaten van recente cohortonderzoeken rechtvaardigen
    volgens de commissie haar keuze om in het onderhavige advies uit te gaan van de
    conservatieve schatting van de relatieve risico’s.
    Bij de schatting van het effect van de ontwikkeling van de inneming van verzadigde
    vetzuren en transvetzuren en het risico van hart- en vaatziekten plaatst de commissie de
    volgende kanttekening. Hoewel er weliswaar veel onderzoek is verricht naar het
    verband tussen de inneming van verzadigde of transvetzuurinneming en het niveau van
    bloedlipiden enerzijds en het verband tussen het niveau van bloedlipiden en het risico
    van hart- en vaatziekten anderzijds, ontbreekt substantieel onderzoek waarin het effect
    van de inneming van deze vetzuren op de incidentie van hart- en vaatziekten direct is
    nagegaan. Er bestaat dus in principe eigenlijk geen volledige zekerheid of de twee goed
    bestudeerde delen in de keten ‘voeding en hart- en vaatziekten’ en intermediaire
    factoren zonder meer aan elkaar mogen worden gekoppeld. Er zouden in theorie nog
    andere routes in het geding kunnen zijn, hoewel deze kans minimaal wordt geacht. Strikt
    gesproken is het dus theoretisch niet volledig zeker of uitspraken over het verband
    tussen de inneming van verzadigde of transvetzuren en het risico van hart- en
    vaatziekten met dezelfde stelligheid kunnen worden gedaan als uitspraken over het
    verband tussen de inneming van verzadigde of transvetzuren en het niveau van
    bloedlipiden, of uitspraken over het verband tussen het niveau van bloedlipiden en het
    risico van hart- en vaatziekten.
    Er is al op gewezen dat de via de modellering geschatte effecten van de ontwikkeling
    van het groenten- en fruitgebruik en de inneming van verzadigde vetzuren en
    transvetzuren op het gezondheidsrisico niet bij elkaar mogen worden opgeteld. Bij de
    berekening van de attributieve incidentiegevallen van hart- en vaatziekten en kanker zijn
    de effecten namelijk per scenario en per risicofactor afzonderlijk berekend. Het is echter
    niet waarschijnlijk dat in de praktijk veranderingen in het gebruik van groenten en fruit
    onafhankelijk verlopen van veranderingen in de inneming van verzadigde vetzuren of
    transvetzuren. Bovendien kan een biologische interactie tussen de risicofactoren —
    waarbij deze factoren elkaars effecten beïnvloeden— niet worden uitgesloten.
         Bij de interpretatie van de vermelde schattingen van de gezondheidseffecten moet
    ook nog worden bedacht dat deze betrekking hebben op laagopgeleide 19 t/m 35-
    jarigen. Dit is de bevolkingsgroep met de laagste groenten- en fruitconsumptie. Het is
    duidelijk dat de consumptiepatronen van personen met een andere leeftijd en opleiding
116 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>verschillen van die van laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen. Dit geldt ook voor de
ontwikkeling in die consumptiepatronen. De schattingen zijn dus niet zonder meer
generaliseerbaar naar de gehele Nederlandse bevolking. In absolute aantallen is voor de
gehele bevolking uiteraard meer gezondheidswinst te verwachten, maar procentueel is
de winst voor de gehele bevolking waarschijnlijk geringer omdat het consumptiepatroon
gemiddeld gunstiger is, en de termijn waarover de winst kan optreden voor ouderen
korter is.
    Tenslotte wijst de commissie er op dat de gemodelleerde scenario’s slechts een
ideaal beeld kunnen opleveren, omdat ervan wordt uitgegaan dat het voedingsgedrag
van het ene op het andere moment verandert. In de praktijk verlopen veranderingen in
het (voedings)gedrag echter niet drastisch, maar moeizaam en geleidelijk via
verschillende stadia (stages of change model (Pro92)). Het is daarbij van belang te
weten hoeveel tijd deze stadia in beslag nemen. Pas na een daadwerkelijk geëffectueerde
gedragsverandering treedt een vertragingstijd (‘lag time’) in, waarna een effect mag
worden verwacht op de gezondheid.
    Op grond van bovenstaande overwegingen meent de commissie meent dat de
gepresenteerde schattingen van de gezondheidseffecten moeten worden beschouwd als
globale indicaties van de orde van grootte van de potentieel te behalen
gezondheidswinst.
Beschouwing                                                                             117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>118 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 11
          Conclusies en aanbevelingen
          Met inachtneming van de geschetste onzekerheden over bijvoorbeeld mogelijke
          foutenbronnen meent de commissie de nu volgende conclusies te kunnen trekken. Deze
          conclusies hebben betrekking op de ontwikkeling van de voedselconsumptie van het
          deel van de bevolking waarvoor de gebruikte steekproef representatief mag worden
          geacht. Hierbij wordt speciale aandacht gegeven aan de leeftijdsgroepen 13 t/m 18-
          jarigen en 19 t/m 35-jarigen. De conclusies betreffen dus niet personen zonder vaste
          woon- of verblijfplaats of verblijvend in instellingen, personen die de Nederlandse taal
          niet voldoende machtig zijn en kinderen jonger dan 1 jaar. Daarnaast zijn geen
          uitspraken te doen over groepen van de bevolking die in de steekproef zijn
          ondervertegenwoordigd (laagste sociaal-economische klasse*) en over
          bevolkingsgroepen die relatief klein van omvang zijn (groepen allochtonen, zelfstandig
          wonende jongeren, groepen met niet gangbare voedingspatronen zoals vegetariërs en
          veganisten).
11.1      Conclusies
          Voedingsmiddelengebruik totale populatie
          Verscheidene sociaal-demografische veranderingen en de daaruit voortvloeiende
          verandering in leefwijze hebben in de periode 1987/88-1997/98 de voedselkeuze en het
*         Ongeschoolde arbeid of alleen lager onderwijs.
          Conclusies en aanbevelingen                                                              119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>    maaltijdpatroon beïnvloed. Het betreft dan vooral een daling in het gebruik van
    basisvoedingsmiddelen als brood (-4%), aardappelen (-11%), groenten (-15%), fruit
    (-18%) en vlees (-5%), die worden vervangen door broodvervangers (+33%),
    aardappelproducten (+23%), pasta en rijst (+17%), kant-en-klaarproducten (o.a.
    samengestelde gerechten) (+40%). De hoeveelheid groenten die via samengestelde
    gerechten wordt geconsumeerd draagt nauwelijks bij aan het groentengebruik.
    Daarnaast is er sprake van een toename van het buitenshuis eten en een lichte daling in
    ontbijtgebruik.
         Hoewel de ontwikkelingen die uit de voedselconsumptiepeilingen naar voren
    komen minder sterk zijn dan ‘trendwatchers’ suggereren, verwacht de commissie dat zij
    zich versterkt zullen doorzetten. Zonder interventie zal dit resulteren in vooral een
    verdere daling in het gebruik van groenten en fruit, als gevolg van een toename in het
    gebruik van samengestelde gerechten, kant-en-klaarmaaltijden en het eten buitenshuis.
    Ook zal het voorzieningsniveau van verscheidene microvoedingstoffen verder afnemen
    als gevolg van o.a. de vervanging van basisvoedingsmiddelen en de daling in het
    ontbijtgebruik. Deze ontwikkelingen acht de commissie niet gewenst.
         De grootste veranderingen in de voedselconsumptie hebben zich voorgedaan in de
    periode 1987/88-1992. In de periode 1992-1997/98 hebben de dalende en stijgende
    tendensen zich in meer of mindere mate voortgezet. De hoeveelheid voedsel die
    gemiddeld wordt gegeten is de afgelopen jaren gedaald, terwijl de hoeveelheid dranken
    die wordt gebruikt —vooral suikervrije frisdranken (ruim vervijfvoudigd), frisdranken,
    vruchtensappen en mineraalwater—is toegenomen. Dit heeft geleid tot een daling van
    de energiedichtheid* van de voeding met circa 9%.
    Voedingsmiddelengebruik leeftijdsgroepen 13 t/m 18 jaar en 19 t/m 35 jaar
    Over het algemeen ontwikkelde de voeding van 13 t/m 18-jarigen zich ongunstiger dan
    die van de totale bevolking. De ontwikkeling van de voeding van de 19-35-jarigen komt
    daarentegen meer overeen met de algemene tendensen. Bij de jongeren valt vooral de
    relatief grote daling op in het gebruik van brood, groenten en fruit (8-30%). Het gebruik
    van alcoholische dranken door deze leeftijdsgroep nam sterk toe (gemiddeld met 75%),
    in tegenstelling tot de ontwikkeling in de algemene bevolking en die in de leeftijdsgroep
    19 t/m 35-jarigen, waarvoor het gebruik daalde. Het gebruik van suikervrije frisdranken
    door deze leeftijdsgroepen nam sterk toe (circa 400-700%); het gebruik van
    suikerhoudende frisdranken en vruchtensappen eveneens (30-110%). Het gebruik van
    suikerhoudende frisdranken door 19 t/m 35-jarige mannen verdubbelde.
*   Hoeveelheid energie per gram voedsel.
120 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Energie en energieleverende voedingsstoffen
De gemiddelde energetische waarde van de voeding is in de periode 1987/88-1997/98
licht afgenomen (4,5%). Deze ontwikkeling heeft echter niet geresulteerd in een daling
van de prevalentie van overgewicht en obesitas in de algemene bevolking en de
geselecteerde leeftijdsgroepen. De energetische waarde van de voeding is in deze
periode blijkbaar minder sterk gedaald dan het dagelijkse energieverbruik als gevolg van
lichamelijke activiteit.
    De bijdrage van eiwitten en koolhydraten aan de energetische waarde van de
voeding is met respectievelijk circa 6% en 5% toegenomen, terwijl die van vet en
alcohol met respectievelijk 6,5 % en 10% is gedaald. Uitgedrukt in grammen is het
eiwitgehalte van de voeding licht toegenomen. Het vetgehalte daalde met ruim 10%. De
hoeveelheid grammen koolhydraten bleef gelijk, en de hoeveelheid alcohol nam met
10% af. Als gevolg van de daling in het gebruik van brood, groenten en fruit nam de
hoeveelheid voedingsvezel in de voeding af, het sterkst voor 13 t/m 19-jarige meisjes en
19 t/m 35 jarige vrouwen (respectievelijk met bijna 9% en ruim 8%).
    De vervanging van producten met een hoog vetgehalte uit de productgroep ‘oliën,
vetten en hartige sauzen’ door minder vette producten, en de vervanging van volle
melk(producten) door halfvolle en magere varianten hebben een belangrijke bijdrage
geleverd aan de daling van het vetgehalte van de voeding. Daarnaast is de
vetzuursamenstelling verbeterd door een daling van de hoeveelheid verzadigde vetzuren
(met bijna 8% op gewichtsbasis) en vooral transvetzuren (met bijna 64% op
gewichtsbasis). De daling (circa 10 gram) van de hoeveelheid zichtbare vetten (smeer-
en bereidingsvetten) heeft nauwelijks geleid tot een toename van de bedrijfsmatig
toegevoegde hoeveelheid —verborgen— vetten in de voeding (1,4 gram) via brood,
aardappelproducten en kant-en-klaarproducten. Dit zelfde geldt voor de verzadigde
vetzuren. De commissie meent dan ook dat er met betrekking tot de gemiddelde
energetische waarde van de voeding, de bijdrage van de macrovoedingsstoffen daaraan
en de vetzuursamenstelling van de voeding, sprake is van een —voorzichtig— positieve
ontwikkeling. Met uitzondering van de transvetzuren zijn de verschuivingen in de
gewichtshoeveelheden macrovoedingsstoffen echter klein.
Microvoedingsstoffen
In vergelijking met de voedingsnormen is er voor de 13 t/m 18-jarige jongens en 19 t/m
35-jarige vrouwen sprake van een zwakke voorziening met ijzer, retinolequivalenten en
calcium. Voor de 13 t/m 19-jarige meisjes komt hier vitamine E nog bij. De daling in de
voorziening met vetoplosbare vitamines —vooral van retinol en in mindere mate van
vitamine D en E— die gepaard gaat met het dalende vetgebruik, vraagt aandacht. De
Conclusies en aanbevelingen                                                              121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>    sterke daling in het groenten- en fruitgebruik heeft een duidelijk negatief effect gehad op
    de voorziening met verscheidene andere microvoedingsstoffen (ß-caroteen, foliumzuur
    en ijzer) en voedingsvezel. De ijzervoorziening van vrouwen in de leeftijd van 19 t/m 35
    jaar lag in de gehele periode 1987/88-1997/98 beneden de aanbevolen inneming. De
    discrepantie tussen het niveau van de voorziening en de aanbevolen inneming nam in
    deze periode verder toe. De commissie meent dat zonder nader onderzoek naar de
    biobeschikbaarheid van ijzer uit de Nederlandse voeding de betekenis van deze
    discrepantie niet is aan te geven. De commissie sluit niet uit dat de biobeschikbaarheid
    groter is dan die waarvan destijds bij het afleiden van de aanbevolen inneming is
    uitgegaan.
         De commissie hecht meer betekenis aan de ontwikkelingen in de voorziening met
    microvoedingsstoffen dan aan de absolute niveaus die tijdens de peilingen zijn
    vastgesteld. De betekenis van de lage voorzieningsniveaus kan pas worden aangegeven
    na gericht onderzoek naar de voedingstoestand.
    ‘Richtlijnen goede voeding’
    De gemiddeld nog te hoge inneming van totaal vet* en vooral die van verzadigde
    vetzuren (inclusief transvetzuren), en de daling van de hoeveelheid voedingsvezel in de
    voeding hebben tot gevolg dat het aantal personen dat een voeding gebruikt die voldoet
    aan de ‘Richtlijnen goede voeding’ voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten
    en voedingsvezel gezamenlijk nog steeds erg klein blijft (1-2%). De richtlijnen voor
    deze voedingsstoffen afzonderlijk worden wel steeds vaker gehaald, behalve die voor
    voedingsvezel. Het aantal personen dat in 1997/98 een voeding gebruikte die bijna
    voldeed aan de richtlijn voor totaal vet is aanzienlijk (50%). Omdat de verschillende
    richtlijnen een verschillende zwaarte hebben voor het te behalen gezondheidseffect, is
    deze op zich wel gunstige ontwikkeling echter niet goed in gezondheidskundige termen
    te waarderen.
    Effecten inneming verzadigde en transvetzuren en groenten- en fruitgebruik op
    de incidentie van kanker en hart- en vaatziekten
    Als de daling in het groenten- en fruitgebruik in de periode 1987/88-1997/98 niet had
    plaatsgevonden, zouden er de komende veertig jaar in de groep 19 t/m 35-jarige
    laagopgeleide mannen en vrouwen waarschijnlijk circa 1 700 gevallen van kanker en
    3 500 gevallen van hart en vaatziekten kunnen worden voorkomen (1-2%). De daling
*   De commissie gaat er hierbij vanuit dat gewichtstoename en overgewicht dichter ligt bij de gangbare praktijk dan een
    wenselijk lichaamsgewicht.
122 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>     van de hoeveelheid verzadigde vetzuren en transvetzuren in de voeding in deze periode
     zal daarentegen een niet onbelangrijke gezondheidswinst tot gevolg hebben. Voor
     laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen zal deze ontwikkeling in de komende veertig jaar voor
     vrouwen mogelijk kunnen leiden tot respectievelijk 1% (400) en 4% (2 000) minder
     gevallen van hart- en vaatziekten. Voor mannen bedraagt dit percentage 5% (9 000
     gevallen) voor zowel de daling van de hoeveelheid verzadigde vetzuren als de daling
     van de hoeveelheid transvetzuren. Wanneer de hoeveelheid verzadigde vetzuren en
     transvetzuren in de voeding en het groenten- en fruitgebruik overeen zouden komen met
     de aanbevelingen zou hiermee in de komende veertig jaar een aanzienlijk grotere
     gezondheidswinst kunnen worden behaald voor kanker en hart- en vaatziekten.
         Deze schattingen betreffen alleen de groep van laagopgeleide 19 t/m 35-jarigen.
     Voor de totale bevolking zullen de effecten qua omvang groter zijn. Gezien de
     onzekerheden die samenhangen met het modelleringsonderzoek, mogen deze
     schattingen slechts worden beschouwd als globale indicaties van de orde van grootte
     van de potentieel te behalen gezondheidswinst.
11.2 Aanbevelingen
     Voorlichting, onderwijs en voedingswaarde-informatie
     Door middel van voorlichting moet een voedselkeuze worden gestimuleerd gericht op
     meer groenten en fruit, brood en graanproducten, minder producten die rijk zijn aan vet
     en vooral aan verzadigde vetzuren, minder producten met een hoge energiedichtheid en
     minder producten met een lage voedingsstoffendichtheid*. Hiermee kan een voeding
     worden gerealiseerd met een betere vetzuursamenstelling, een hoger gehalte aan
     microvoedingstoffen en voedingsvezel. Een dergelijke voeding zal daarnaast kunnen
     bijdragen aan een goede energiebalans. Deze voorlichting moet verder worden
     gefaciliteerd en geïntensiveerd. Ten behoeve van de preventie van overgewicht en
     obesitas moet in deze voorlichting tevens het belang worden benadrukt van het bereiken
     en handhaven van een goede energiebalans, door met name het dagelijkse
     energieverbruik via lichamelijke activiteit te verhogen en daarnaast de energie-inneming
     via de voeding in overeenstemming te brengen met de energiebehoefte. De voorlichting
     aan jongeren moet daarnaast zijn gericht op het terugdringen van het sterk toegenomen
     alcoholgebruik door deze groep.
         In het onderwijs moet meer aandacht komen voor het belang van voeding en
     beweging als aspecten van een gezonde leefstijl. Hierbij is het van belang dat structureel
*    De hoeveelheid microvoedingsstof per eenheid van energie.
     Conclusies en aanbevelingen                                                                123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>    ruimte wordt ingebouwd in het onderwijsprogramma voor het bevorderen van een
    gezonde leefstijl.
         Het voedingsmiddelenbedrijfsleven moet worden gestimuleerd om via etikettering
    de consument te informeren over de energetische waarde en
    voedingsstoffensamenstelling van producten. Ditzelfde geldt voor de kwantitatieve
    vermelding van de hoofdbestanddelen van samengestelde producten en kant-en-
    klaarmaaltijden.
    Productontwikkeling en productaanpassing
    De commissie meent dat het gehalte aan transvetzuren in de voeding zo ver mogelijk
    moet worden teruggebracht, bij voorkeur tot het niveau dat van nature aanwezig is via
    melk(producten), eieren, vlees en vis (circa 0,5 en%), maar in ieder geval tot het hoogste
    1 en%*. Daarnaast moet het gehalte aan totaal vet, vooral via verzadigde vetzuren
    verder worden verlaagd, en dat van voedingsvezel worden verhoogd. Het
    voedingsmiddelenbedrijfsleven moet worden gestimuleerd bij productontwikkeling en
    de keuze van grondstoffen rekening te houden met deze voedingskundige aspecten.
         In verband met het teruglopen van de voorziening met vetoplosbare vitamines als
    gevolg van de daling van het vetgebruik moet worden bevorderd, dat producten waarvan
    het vetgehalte is verlaagd, worden gerestaureerd met vetoplosbare vitamines tot het
    niveau in de oorspronkelijke producten (bijvoorbeeld halfvolle en magere
    melk(producten)). De commissie geeft hierbij de voorkeur aan restauratie boven het
    verrijken van vetrijke producten met vetoplosbare vitamines, in verband met het nog te
    hoge gemiddelde vetgehalte en vooral verzadigd vetzuurgehalte van de voeding.
         Het voedingsmiddelenbedrijfsleven, restauratieve instellingen (waaronder school-
    en bedrijfskantines), cateringbedrijven e.d. moeten worden gestimuleerd bij de
    ontwikkeling en samenstelling van bijvoorbeeld kant-en-klaarmaaltijden, voorbewerkte
    maaltijdcomponenten, snacks, afhaalmaaltijden de door het Voedingscentrum
    opgestelde voedingskundige richtlijnen te hanteren (o.a. hoge voedingsstoffendichtheid
    en lage energiedichtheid). Bij het vaststellen van portiegrootte moet nadrukkelijk
    rekening worden gehouden met een energiebehoefte die is gerelateerd aan de huidige
    gemiddeld geringe mate van lichamelijke activiteit, en met de aanbevolen hoeveelheid
    groenten en fruit.
*   Dit is de door de Commissie Voedingsnormen van de Gezondheidsraad vastgestelde aanvaardbare bovengrens van
    inneming (Gez01).
124 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>Regelgeving
Voedingswaarde-etikettering is op dit moment alleen verplicht als er door de producent
beweringen worden gedaan over de voedingswaarde van een product. In andere gevallen
mag de producent de consument via etikettering informeren over de energetische waarde
en voedingsstoffensamenstelling volgens regels, die zijn vastgelegd in het
Warenwetbesluit ‘Voedingswaarde-informatie levensmiddelen’. Dit Warenwetbesluit is
een uitvoeringsvoorschrift van de Richtlijn nr. 90/496/EEG van de Raad van Europese
Gemeenschappen van 24 september 1990 inzake de voedingswaarde-etikettering van
levensmiddelen (Pb EG L276). De commissie dringt er op aan dat in deze Richtlijn ook
de transvetzuren worden opgenomen, en tevens de verplichting dat bij toepassing van
voedingswaarde-etikettering de vetzuursamenstelling (totaal, verzadigd, trans,
enkelvoudig onverzadigd en meervoudig onverzadigd) altijd wordt vermeld. Nederland
zou hiertoe het initiatief moeten nemen. Hierbij zou tevens moeten worden nagegaan of
er in de EU voldoende draagvlak bestaat voor een verplichte voedingswaarde-
etikettering (energie, macrovoedingsstoffen en vetzuursamenstelling).
     Tenslotte wordt in overweging gegeven te bevorderen dat er op het niveau van de
EU een maximum wordt gesteld aan de hoeveelheid transvetzuren in industrieel
bewerkte eetbare plantaardige oliën en vetten.
Onderzoek
Allereerst vraagt de discrepantie tussen de dalende energetische waarde en
energiedichtheid van de voeding enerzijds en de toenemende prevalentie van
overgewicht en obesitas om een nadere analyse. Hierbij moet de vraag worden
betrokken of de energievoorziening via dranken (inclusief met suiker gezoete
zuiveldranken) op een andere wijze bijdraagt aan het risico van het ontstaan van
overgewicht dan de energievoorziening via vast voedsel. Daarnaast moet de invloed van
de macrovoedingsstoffensamenstelling van de voeding op de energiebalans nader
worden onderzocht tegen de achtergrond van verschillende niveaus van energieverbruik
en de mate van overgewicht.
Voor de toetsing van de voorziening met microvoedingsstoffen aan de voedingsnormen
moet een nieuw beoordelingskader worden ontwikkeld dat het mogelijk maakt een
schatting te maken van het aantal personen waarvoor de voorziening onvoldoende is. Dit
beoordelingskader moet uitgaan van de gemiddelde behoefte, de standaarddeviatie, en
de variatiecoëfficient die is gehanteerd bij het opstellen van de voedingsnorm.
     Met betrekking tot de microvoedingsstoffen is vooral onderzoek gewenst naar de
betekenis van de huidige voorziening met retinol voor de vitamine A-status. Daarnaast
Conclusies en aanbevelingen                                                            125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>    is onderzoek nodig naar de foliumzuurstatus van kwetsbare groepen in de bevolking,
    waarbij zowel het foliumzuurgehalte in serum en erytrocyten als het
    homocysteïneniveau in het plasma wordt betrokken. Voor de beoordeling van het
    foliumzuurgehalte van de voeding is het verder van belang meer inzicht te krijgen in de
    biobeschikbaarheid van de verschillende foliumzuurverbindingen in de voeding die
    recentelijk zijn bepaald met de HPLC-methode.
        De discrepantie tussen de lage ijzervoorziening van vrouwen en het ontbreken van
    navenante klinische en biochemische signalen van een ijzertekort vraagt eveneens om
    opheldering. In dit verband zou allereerst de werkelijke biobeschikbaarheid van ijzer uit
    de gemiddelde voeding in Nederland moeten worden nagegaan. Deze ligt mogelijk op
    een hoger niveau dan destijds door de Commissie Voedingsnormen van de Voedingsraad
    —op basis van onderzoek in het buitenland— is geschat.
    Er is behoefte aan een instrument waarmee de kwaliteit van de totale voeding kan
    worden beoordeeld. Tot nu toe worden voedingsfactoren meestal geïsoleerd onderzocht
    op hun gezondheidseffecten. Door het toetsen van een voedingspatroon aan normen —
    zowel op het niveau van voedingsstoffen als voedingsmiddelen— is het mogelijk een
    gecombineerde ‘voedingsindex’ op te stellen. In de Verenigde Staten is een dergelijke
    index ontwikkeld en gekoppeld aan gegevens over morbiditeit en mortaliteit. Het
    verdient aanbeveling om de tot dusver in Nederland ontwikkelde modellen verder te
    verfijnen en te valideren.
        Voor het schatten van de effecten van veranderingen in de voedselconsumptie voor
    de volksgezondheid is het van belang dat het Chronische Ziekten Model van het
    Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieu zodanig verder wordt ontwikkeld dat het
    mogelijk wordt:
    • rekening te houden met vertragingstijden tussen een interventie en
        leefstijlverandering, en tussen leefstijlverandering en het optreden van ziekte
    • interacties te modelleren (vooral de interactie met de sociaal-economische status is
        van belang, maar ook interacties tussen leefstijlvariabelen onderling)
    • meer inzicht te krijgen in de validiteit van het model en de
        betrouwbaarheidsintervallen bij de schattingen van het gezondheidseffect.
    Naast de optimalisering van het model is het ook van belang de kwaliteit van de
    basisgegevens te verbeteren door:
    • een betere registratie van de leeftijds- en geslachtsspecifieke incidentie van hart- en
        vaatziekten
    • meer epidemiologisch- en interventie-onderzoek naar de effecten van groenten- en
        fruitgebruik en het risico van kanker, waarbij speciaal aandacht wordt besteed aan
        de betekenis van vruchtensappen en aardappelen
126 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>•   epidemiologisch- en interventie-onderzoek naar de rechtsreekse effecten van
    verzadigde vetzuren en transvetzuren op het risico van hart- en vaatziekten.
Tenslotte dringt de commissie aan op onderzoek naar de voedselconsumptie en
voedingstoestand van bevolkingsgroepen die niet of niet in voldoende mate zijn
vertegenwoordigd in de steekproef die voor de voedselconsumptiepeilingen is gebruikt.
Speciale aandacht hierbij vragen zelfstandig wonende jongeren, bevolkingsgroepen uit
de laagste sociaal-economische klasse en allochtone groepen
Conclusies en aanbevelingen                                                           127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>128 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>       Literatuur
Ano83  Anoniem. Nota Voedingsbeleid. Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 1983-1984, Kamerstuk
       18156, nrs 1-2. Den Haag: SDU Uitgevers, 1983.
Ano88  Anoniem. Wat eet Nederland. Resultaten van de voedselconsumptiepeling 1987-1988. Rijswijk: Ministerie
       van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, 1988.
Ano90  Anoniem. Voedselconsumptiepeiling: stand van zaken. Voeding 1990; 51:52-4.
Ano93a Anoniem. Methodologische verschillen tussen de eerste en tweede voedselconsumptiepeiling. Zeist: TNO
       Voeding, 1993; ( Rapport V 93.407).
Ano93b Anoniem. Zo eet Nederland 1992. Den Haag: Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1993.
Ano98a Anoniem. Zo eet Nederland. Resultaten van de voedselconsumptiepeiling 1997-1998. Den Haag:
       Voedingscentrum, 1998.
An098b Anoniem. Nederland goed gevoed? Nota Gezondheid en voeding. Tweede Kamer der Staten Generaal,
       vergaderjaar 1998-1999. Kamerstuk 26 229 nrs 1-2. Den Haag: SDU Uitgevers, 1998.
Ano01a Anoniem. Beleidsagenda VWS 2001. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2001.
Ano01b Anoniem. Beleidsnota Sport, bewegen en gezondheid. Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
       en Sport, 2001.
Bee98  Beemster CJM, Bouman M, Hulshof KFAM. Het samenstellen van een voedingsstoffenbestand specifiek
       gericht op het uitvoeren van trendanalyses op basis van voedselconsumptiepeilingen. Zeist: TNO Voeding,
       1998; (TNO Rapport V98.803).
Bel98  Bell EA, Castellanos VH, Pelkman CL, e.a. Energy density of food effects energy intake in normal-weight
       woman. Am J Clin Nutr 1998; 67: 412-20.
Bos78  Bosman W, Kosten-Zoethout H. De voeding in Nederland. Voeding 1978;39:286-296.
       Literatuur                                                                                              129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>Bot98  Botterweck AAM, van den Brandt PA, Goldbohm RA. A prospectiv cohort study on vegetable and fruit
       consumption and cancer risk in the netherlands. Am J Epidemiol 1998; 148: 842-53.
Bre98  Breedveld BC, Hulshof KFAM. Hoe goed voedt de gemiddelde Nederlander zich? Voeding Nu 1998; 1: 11-
       15.
Bre01  Breedveld K, van den Broek A, de Haan J, e.a. Trends in de tijd: en schets van recente ontwikkelingen in
       tijdbesteding en tijdsordening. Den Haag: SCP, 2001; (SCP publicatie 2001/5).
Bro99  van den Broek A, Knulst W, Breedveld K. Naar andere tijden. Tijdsbesteding en tijdsordening in Nederland
       1975 – 1995. Den Haag: SCP, 1999; (Sociale en Culturele Studies 29).
Bru93  Brussaard JH. Voedselconsumptiepeiling: stand van zaken. Voeding 1993; 54 (3) 18-22.
Bru95  Brugman E, Meulmeester JF, Spee-van der Wekke J, e.a. Peilingen in de Jeugdgezondheidszorg. PGO-
       Peiling 1993/94. Leiden : TNO Preventie en Gezondheid, 1995; (Rapport nr 95.061).
Bru96  Brussaard JH, van Dokkum W, van der Paauw CG, e.a. Dietary intake of food contaminants in The
       Netherlands. Food Additives Contamin 1996; 13 (5): 561-73.
Bru97  Brussaard JH, Brants HAM, Bouman M, e.a. Iron intake and iron status among adults in the Netherlands.
       Eur J Clin Ntr 1997;51 (suppl3): S51-8.
CBS88  Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 1988. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1988.
CBS90  Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 1990. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1990.
CBS93  Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 1993. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1993.
CBS95  Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 1995. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1995.
CBS98  Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 1998. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1998.
CBS99a Centraal Bureau voor de Statistiek. Allochtonen in Nederland 1999. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1999.
CBS99b Centraal Bureau voor de Statistiek. Statistisch jaarboek 1999. Den Haag: SDU Uitgeverij, 1999.
CBS01  Centraal Bureau voor de Statistiek. Gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking. Voorburg: CBS,
       2001.
Col00  Cole TJ, Bellizzi MC, Flegal KM, e.a. Establishing a standard definition for child overweight and obesity
       worldwide: international survey. Br Med J 2000; 320: 1-6.
Dag98  Dagevos JC. Consumententrends in voeding. TSL 1998; (13): 103-15.
Doo96  van Dooren-Flipsen MMH, van Klaveren JD, Boeijen I, e.a. Berekening inname residuen en contaminanten.
       Voeding 1996 (57) 5: 6-9.
Fre00  Frederiks AM, van Buuren S, Wit JM. Body index measurements in 1996-7 compared with 1980. Arch Dis
       Childhood 2000; 82:107-12.
Gez97  Gezondheidsraad. Voorbereiding derde voedselconsumptiepeiling 1997. Verslag van een werkconferentie
       op 18-19 december 1996 te Breukelen. Rijswijk: Gezondheidsraad, 1997; Publikatie nr A97/06.
Gez00  Gezondheidsraad. Voedingsnormen: calcium, vitamine D, thiamine, riboblavine, niacine, pantotheenzuur en
       biotine. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; Publikatie nr 2000/12.
Gez 01  Gezondheidsraad. Voedingsnormen: energie, eiwit, vet en koolhydraten. Den Haag: Gezondheidsraad,
       2001; Publikatie nr 2001/19.
GfK98a GfK Nederland. Beschrijvend rapport inzake de opzet en uitvoering van de derde voedselconsumptiepeiling
       (VCP 1997/1998). Eindverslag. Dongen: GfK Nederland,1998
130    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>GfK98b GfK Nederland. GfK Jaargids 1999. Kerncijfers voor marketing- en beleidsplannen. Dongen: GfK
       Nederland, 1998.
GfK99  GfK. GfK Pannelscanner mei 1999. Dongen: GfK, 1999.
GfK00  GfK. GfK Jaargids 1999. Kerncijfers voor marketing- en beleidsplannen. Dongen: GfK, 2000.
GfK01  GfK. GfK Jaargids 2000. Kerncijfers voor marketing- en beleidsplannen. Dongen: GfK, 2001.
Gol91  Goldberg GR, Black AE, Jebb SA, e.a.. Critical evaluation of energy intake data using fundamental
       principles of energy physiology: 1. Derivation of cut-off values to identify under-reporting. Eur J Clin Nutr
       1991;45:569-581.
Gor00  Goris AHC, Westerterp-Plantenga MS, Westerterp KR. Undereating and underrecording of habitual food
       intake in obese men : selective underreporting of fat intake. Am J Clin Nutr 2000; 71: 130-34.
Gri99  Grievink JW, Josten L. State of the art in food. Den Haag: Elsevier Bedrijfsinformatie, 1999.
Hil99  Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Trendrapport Bewegen en gezondheid 1998/99.
       Hoofddorp/Leiden: TNO, 1999.
Hoo90  ten Hoor F, Asmoredjo-Kirchmann MET, Bemelmans K, e.a. Voedingsbericht 1990. Den Haag: SDU-
       Uitgeverij, 1990.
Hoo98  Hoogenveen RT, de Hollander AEM, van Genugten MLL. The chronic disease modelling approach.
       Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1998; (RIVM report 260750001).
Hoo00  Hoogenveen RT, Jansen MCJF, Houterman S, e.a. Het effect van veranderingen in de consumptie van
       groenten en fruit, verzadigd vet en transvetzuren op de volksgezondheid in Nederland Rijksinstituut voor
       Volksgezondheid en Milieu; Bilthoven, 2000.
Hul91a Hulshof KFAM, van Staveren WA. The Dutch National Food Consumption Survey: design, methods and
       first results. Food Policy 1991;16: 257-60.
Hul91b Hulshof KFAM, Löwik MRH, Kok, FJ, e.a. Diet and other life-style factors in high and low socio-economic
       groups. Eur J Clin Nutr 1991; 45: 441-50.
Hul95a Hulshof KFAM. Voedselconsumptiepeilingen: stand van zaken na zes jaar (1). Voeding 1995; 56 (9): 28-30.
Hul95b Hulshof KFAM. Voedselconsumptiepeilingen: stand van zaken na zes jaar (2). Voeding 1995; 56 (11): 13-5.
Hul98  Hulshof KFAM. Voedselconsumptiepeilingen: stand van zaken na tien jaar. Voeding 1998; 59 (10): 14-7.
Hul02  Hulshof KFAM, Brussaard JH, Kruizinga AG, e.a. Socio economic status, dietary intake and 10 years
       trends: The Dutch National Food Consumption survey. In druk.
IOM00  Institute of Medicine. Dietary reference intakes: applications in dietary assessments. Washington DC:
       National Academy Press, 2000.
Jan01  Jansen MCJF. Fruits and vegetables and the risk of pithelial cancer. Proefschrift. Wageningen:
       Landbouwuniversiteit Wageningen, 2001.
Kem00  Kemper HCG, e.a. De effecten van 20 jaar sport, lichamelijke activiteit en overige leefstijl op de
       gezondheid op latere leeftijd. Amsterdam: VU/EMGO, 2000.
Kis98  Kistenmaker C, Stafleu A, Hulshof KFAM. De inname van energie en voedingsstoffen naar maaltijdtypen
       over een periode van 10 jaar. Zeist: TNO Voeding, 1998; (TNO Rapport V 98.819).
Kle98  Klerk M, Jansen MCJF, van ‘t Veer P, e.a. Fruits and vegetables in chronic prevention. Wageningen:
       Division of Human Nutrition and Epidemiology. Wageningen Agricultural University, 1998.
       Literatuur                                                                                                    131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>Kon01  Konings EJM, Roomans HHS, Dorant E, e.a. Folate intake of the Dutch population according to newly
       establised liquid chromatography data for foods. Am J Clin Nutr 2001; 73: 765-76.
Lev01  Levin AS. Energy density of foods: building a case for food intake management. Am J Clin Nutr 2001; 73:
       999-00.
Löw94a Löwik MRH, Brussaard JH, Hulshof KFAM, e.a. Adequacy of the diet in the Netherlands in 1987-1988
       (Dutch Nutrition Surveillance System). Int J Food Sci Nutr 1994; 45 (suppl 1): S1-S62.
Löw94b Löwik MRH, Kistenmaker C. Assessment of nutritional status in the Netherlands (Dutch Nutrition
       Surveillance System). In: Somogyi JC, Elmadfa , Walter P, red. New aspects of nutritional status. Bibl Nutr
       Diet Karger 1994; 51: 68-73.
Löw97  Löwik MRH, Hulshof KFAM, Riedstra M, e.a. High fat intake: policy implications for the Netherlands. In:
       Wheelock V, red. Implementing dietary guidelines for healthy eating. London: Blackie Academic and
       Professional, 1997: 302-315.
Löw98a Löwik MRH, Hulshof KFAM, van der Heijden LJM, e.a. Changes in the diet in the Netherlands 1987-88 to
       1992. Int J Food Sci Nutr 49 (suppl 1): S1-S64.
Löw98b Löwik MRH, Burema J, Hulshof KFAM, e.a. Verslag van de Subcommissie trends van de derde
       voedselconsumptiepeiling. Intern rapport. Zeist: Beheerscommissie VCP, 1998.
Löw99  Löwik MRH, Hulshof KFAM, Brussaard JH, e.a. Dependence of dietary intake estimates on the time frame
       of assessement. Regul Toxicol Pharmacol 1999; 30: S38-S56.
Lud01  Ludwig DS, Peterson KE, Gortmaker SL. Relation between consumption of sugar-sweetened drinks and
       childhood obesity: a prospective, observational analysis. Lancet 2001; 357: 505-08.
McC01  McCollough ML, Robertson AS, Jacobs EJ, e.a. A prospective study of diet ans stomach cancr mortality in
       United States men and women. Cancer Epidemiol Biomark Prev 2001; 10: 1201-5.
Men90  Mensink RP, Katan MB. Effect of dietary trans fatty acids on high-density and low-density lipoprotein
       cholesterol levels in healthy subjects. New Eng J Med 1990; 323: 439-45.
Men92  Mensink RP, Katan MB. Effect of dietary fatty acids on serum lipids and lipoproteins. A meta-analysis of 27
       trials. Arterioscler Throm 1992; 12: 911-19.
Meu96  Meulenberg MTG. De levensmiddelenconsument van de toekomst. In: NRLO. Markt en consument 2010.
       Den Haag: Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek, 1996; (NRLO-rapport nr. 96/4).
Mur96  Murray CLJ, Lopez AD, red. Te global burden of disease: a comprehensive assessment of mortality and
       disability from diseases, injuries, and risk factors in 1990 and projected to 2020. Cambridge MA: Harvard
       University Press, 1996.
Pos98   Postma R, Koenen F. Feiten over alcohol. 9e druk. Woerden: NIGZ, 1998.
Pos01   Post GB, de Vente W, Kemper HCG, e.a. Longitudinal trends and tracking of energy and nutrient intake
       over 20 years in a Dutch cohort of men and women between 13 and 33 years of age: The Amsterdam growth
       and health longitudinal study. Br J Nutr 2001; 85: 375-85.
Pro92  Prochaska JO, DiClemente C. Stages of change in the modification of problem behaviors. Prog Behav Mod
       1992; 28 :184-218.
Ret76  Rethans EJM, e.a.: Voeding in Nederland. Wageningen: Vakgroep Humane Voeding, Landbouwhogeschool
       Wageningen, 1967; (Rapport nr 6703).
132    Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>Rol99a Rolls BJ, Bell EA. Intake of fat and carbohydrate: role of energy density. Eur J Clin Nutr 1999; 53(suppl):
       S166-73.
Rol99b Rolls BJ, Bell EA, Castellanos VH, e.a. Energy density but not fat content of foods affected energy intake of
       lean and obese women. Am J Clin Nutr 1999; 69: 863-71.
Ruw97  Ruwaard D, Kramers PGN. Volksgezondheid Toekomst Verkenning 1997. De som der delen. Bilthoven:
       Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 1997.
Sch99  Schuit AJ.; Feskens E.J M, Seidell JC. Lichamelijke activiteit in samenhang met sociaal-demografische
       determinanten en gezondheidskenmerken bij volwassen mannen en vrouwen in Amsterdam, Doetinchem en
       Maastricht. Ned Tijdschr Geneeskd 1999; 143 (30) :1559-64.
Sch01  Schuit AJ. Neemt het aantal mensen met onvoldoende lichamelijke activiteit toe of af? In: Volksgezondheid
       Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor
       Volksgezondheid en Milieu, 2001.
Sei95  Seidell JC, Verschuren WMM, Kromhout D. Prevalence and trends in obesity in the Netherlands 1987-
       1991. Int J Obes 1995; 19: 924-927.
Sei98  Seidell JC. Dietary fat and obesity: an epidemiologic perspective. Am J Clin Nutr 1998; 67 (3) Suppl: 546S-
       550S.
Sei99  Seidell JC. Obesity: a growing problem. Acta Paediatrica (Suppl) 1999; 88 (428): 46-50.
Sei01a Seidell JC. Neemt het aantal mensen met overgewicht toe of af. In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning,
       Nationaal Kompas Volksgezondheid Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; Bilthoven: RIVM,
       2001.
Sei01b Seidell J. Trends in obesitas, energie-inname en indicatoren voor lichamelijke activiteit 1975-1995.
       Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2001.
Sei02a Seidell JC, Persoonlijke mededeling m.b.t. het Regenboogproject van het Rijksinstituut voor
       Volksgezondheid en Milieu. Bilthoven: RIVM, 2002.
Sei02b Seidell JC, Risssanen A. Prevalence of obesity in adults: the global epidemic. In: Bray GA, Bouchard C,
       red. Handbook of Obesity. New York: Marcel Dekker Inc, 2002.
Sie56  Siegel S. Non parametric statistics. New York : McGrawn Hill, 1956.
Smi01  Smith-Warner SA, Spiegelman D, Yuan SS, e.a. Fruits and vegetables and breast cancer: a pooled analysis
       of cohort studies. JAMA 2001; 285: 769-76.
Stu98a Stubbs RJ, Johnstone AM, Harbron CG, e.a. Covert manupilation of energy density of high carbohydrate
       diets in pseudo free living humans. Int J Obes Relat Metab Disord 1998; 22: 885-92.
Stu98b Stubbs RJ, Johnstone AM, O’Reilly LM, e.a. The effect of covertly manipulating the energy density of
       mixed diets on ad libitum food intake in pseudo free living humans. Int J Obes Relat Metab Disord 1998;
       22: 980-7.
Swi02  Swinburn BA, Caterson I, Seidell JC, e.a. Diet, nutrition and the prevention of obesity., Draft background
       paper for the WHO consumtaion on diet, nutrition and the prevention of chronic diiseases, februari 2002.
Vis01  Visscher TLS. The public health impact of obesity. Proefschrift. Wageningen: Universiteit Wageningen,
       2001.
       Literatuur                                                                                                    133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>Vie01 Viet AL, van Gils HWV, van den Hof S, e.a. Risicofactoren en gezondheidsevaluatie Nederlandse
      bevolking, een onderzoek op FFD’en (Regenboog-project). Jaarverslag 1999. Bilthoven: Rijksinstituut voor
      Volksgezondheid en Milieu, 2001.
Voe86 Voedingsraad. Richtlijnen goede voeding. Den Haag: Voedingsraad, 1986.
Voe87 Voedingsraad. Mogelijkheden tot het opzetten van een voedingspeilingssysteem in Nederland. Voeding
      1987; 48: 35-43.
Voe92 Voedingsraad. Nederlandse Voedingsnormen 1998. Den Haag: Voorlichtingsbureau voor de Voeding, 1992.
Voo97 Voorrips LE, Bemelmans W, Brussaard JH, e.a. Vooronderzoek VCP-3. Validering en methodologie. Zeist:
      TNO Voeding, 1997; (TNO-rapport V97.175).
Voo00 Voorrips LE, Goldbohm RA, Verhoeven DTH, e.a. Vegetable and fruit consumption and lung cancer risk in
      the Netherlands Cohort Study on Diet and Cancer. Cancer Causes Control 2000; 11: 101-15.
Wes90 Westerterp-Plantenga MS, Westerterp KR, Nicolson NA, e.a. The shape of the cumulative food intake curve
      in humans during basic and manipulated meals. Physiol Behav 1990; 47: 569-76.
Wes00 Westerterp-Plantenga MS. Eating behavior in humans characterized bij cumulative food intake curves: a
      review. Neurosc Biobeh Rev 2000; 24: 239-48.
Wes01 Westerterp-Plantenga MS. Analysis of energy density of food in relation to energy intake regulation in
      human subjects. Br J Nutr 2001; 85: 351-61.
Zwa01 de Zwart WM. Hoeveel mensen hebben een overmatig alcoholgebruik? In: RIVM. Volksgezondheid
      Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Bilthoven: Rijksinstituut voor
      Volksgezondheid en Milieu, 2001
134   Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Schematisch overzicht inrichting Voedselconsumptiepeiling
D Mate van onderrapportage tijdens de drie Voedselconsumptiepeiling
E Ontwikkeling in de gemiddelde consumptie van productgroepen en enkele
  subgroepen voedinsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98
F 1 Grootste statistisch significante veranderingen in de gemiddelde consumptie
  (g per dag) van productgroepen en voedingsmiddelen in de periode
  1987/88-1997/98
  2 Grootste statistisch significante procentuele veranderingen in de gemiddelde
  consumptie van productgroepen en voedingsmiddelen (g per dag) in de periode
  1987/88-1997/98
  3 Grootste statistisch significante veranderingen in het percentage gebruikers
  van productgroepen en voedingsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98
G Antropometrische gegevens
H Aantal respondenten (%) dat voldoet aan de Richtlijnen goede voeding mbt
  totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel gezamenlijk en
  aan de individuele richtlijnen voor deze voedingsstoffen
I Gemiddelde dagelijkse voorziening met energie en voedingsstoffen in de
  periode 1987/88-1997/98
  Bijlagen
                                                                                 135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>J   Door de commissie gehanteerde voedingsnormen
K   Gemiddelde dagelijkse voorziening met energie en voedingsstoffen naar
    ontbijtgebruik in 1997/98
L   Ontwikkeling in het productgebruik (percentage gebruikers) naar maaltijd in de
    periode 1987/88-1997/98 (totale populatie)
136 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>Bijlage A
        De adviesaanvraag
        Op 4 augustus 1998 schreef de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de
        Gezondheidsraad (briefkenmerk GZB/VVB/983680):
        Mede namens de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vraag ik uw aandacht voor het
        volgende.
             Eind april is het veldwerk van de derde voedselconsumptiepeiling afgerond. De ruwe gegevens zijn
        inmiddels aangeleverd. De eerste rapportage, inhoudende de berekeningen op basis van deze gegevens zijn,
        naar verwachting, in augustus in concept gereed. Op dat moment zijn representatieve
        voedselconsumptiegegevens van de bevolking over de periode 1997/1998 beschikbaar. Bovendien worden
        deze gegevens vergeleken met de eerdere twee landelijke voedselconsumptiepeilingen. De
        voedselconsumptie gedurende 10 jaar van de Nederlandse bevolking is dan in beeld gebracht.
             Graag zouden wij het oordeel ontvangen van de Gezondheidsraad over de gezondheidskundige en
        voedingskundige implicaties van de huidige voedselconsumptie in Nederland en de trends die zich daarin
        aftekenen. Hiertoe kunt u beschikken over de resultaten en de berekeningen die ten behoeve van de
        basisrapportage, inclusief de trendanalyse 1987/88 - 1997/98, in opdracht van het Voedingscentrum zijn
        uitgevoerd.
             Als de Raad voor het vormen van een goed oordeel behoefte heeft aan nadere analyses vernemen wij
        dat graag zo spoedig mogelijk.
        Met vriendelijke groet,
        De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
        w.g. dr E Borst-Eilers
        De adviesaanvraag                                                                                        137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>138 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>Bijlage B
        De commissie
        •  dr ir FJ Kok, voorzitter
           hoogleraar Voeding en gezondheid; Wageningen Universiteit en Researchcentrum,
           Wageningen
        •  dr ir PA van den Brandt
           hoogleraar Epidemiologie; Universiteit Maastricht, Maastricht
        •  ir BC Breedveld
           voedingskundige; Voedingscentrum, Den Haag
        •  dr ir GJ Hiddink
           voedingskundige; Stichting Zuivel, Voeding en Gezondheid, Utrecht en bijzonder
           hoogleraar Voedingsvoorlichting via intermediairen; Wageningen Universiteit en
           Researchcentrum, Wageningen
        •  dr KFAM Hulshof
           voedingskundige-diëtist; TNO-Voeding, Zeist
        •  dr EMH Mathus-Vliegen
           gastro-enteroloog; Academisch Medisch Centrum Amsterdam, Amsterdam en
           bijzonder hoogleraar Klinische voeding; Universiteit van Amsterdam
        •  dr ir MC Ocké, adviseur
           voedingskundige-epidemioloog; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu,
           Bilthoven
        •  dr ir JC Seidell
           hoogleraar Voeding en gezondheid; VU Medisch Centrum, Vrije Universiteit
           Amsterdam, Amsterdam
        De commissie                                                                      139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>    •  dr C van Weel
       hoogleraar Huisartsgeneeskunde; Katholieke Universiteit Nijmegen
    •  ir W Bosman, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
140 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>Bijlage     C
            Schematisch overzicht inrichting Voed-
            selconsumptiepeiling
                                                                 2 - d a a g s v o e d in g s d a g b o e k :
                                                                    in d iv id u e le c o n s u m p t i e
                                                      v o e d in s m id d e le n p e r m a a lt ijd , p e r d a g ,
                                                     p e r g e m id d e ld e d a g t h u is e n b u it e n s h u is
                                                                    P e r s o o n s k e n m e r k e n a ls
                                                            lic h a a m s g e w ic h t , le n g t e , g e b r u ik
                                                                v o e d in g s s u p p le m e n t e n e n z .
                                                          S o c io d e m o g r a f is c h e k e n m e r k e n o p
                                                          h u is h o u d - e n in d iv id u e e l n iv e a u a ls
                                                              h u is h o u d s a m e n s t e llin g , s o c io -
                                                         e c o n o m is c h e s t a t u s , o p le id in g , e n z .
                          r e p r e s e n t a t ie v e s t e e k p r o e f h u is h o u d e n s , h o o f d h u is h o u d e n < 7 5 ja a r
                                       V C P -1                                V C P -2                              V C P -3
                             2 2 0 3 h u is h o u d e n s            2 4 7 5 h u is h o u d e n s          2 3 5 4 h u is h o u d e n s
                                5 8 9 8 p e rs o n e n                  6 2 1 8 p e rs o n e n                5 9 5 8 p e rs o n e n
                                   N E V O -ta b e l                        N E V O -ta b e l                    N E V O -ta b e l
                                      1 9 8 6 /8 7                               1993                                1 9 9 6 -1
                              N E V O -tre n d ta b e l                N E V O -tre n d ta b e l             N E V O -ta b e l 9 6 -1
                                       V C P -1                                 V C P -2                             V C P -3
                              D a ta b e s ta n d V C P -1           D a ta b e s ta n d V C P -2       D a ta b e s ta n d V C P -3
                               in d iv id u e le in n a m e v a n e n e r g ie e n n u t r ië n t e n p e r m a a lt ijd , p e r
        B ro n : V C P                       d a g , p e r g e m id d e ld e d a g , t h u is e n b u it e n s h u is
            Schematisch overzicht inrichting Voedselconsumptiepeiling                                                                       141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>142 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>Bijlage D
        Mate van onderrapportage tijdens de drie
        Voedselconsumptiepeilingen
        De gegevens van de voedelconsumptiepeilingen hebben grotendeels betrekking op de
        door de respondenten gerapporteerde informatie. Bekend is dat zelfrapportage
        onderhevig is aan enige vorm van verstoring, vooral wanneer er sociale wenselijkheid in
        geding is.
            De basis voor het bepalen van een mogelijke onderrapportage van de
        voedselconsumptie ligt in het gebruik van de verhouding tussen de berekende energie-
        inneming (EI) op grond van de gerapporteerde voedselconsumptie en het (gemeten of
        geschatte) basaalmetabolisme (BMR). Door Goldberg et al is beschreven dat deze
        verhouding voor een populatie van minimaal 2000 personen niet beneden 1,54 mag
        komen (Gol91). Deze waarde is bepaald op grond van een theoretische berekening van
        het energieverbruik van een populatie met geringe lichamelijke activiteit en een
        tweedaagse opschrijfmethode van de voedselconsumptie. Een EI/BMR-verhouding
        lager dan 1,54 duidt op een vermoedelijke onderrapportage op groepsniveau. Op
        individueel niveau is het door de grote dag-tot-dag variatie in de voedselconsumptie
        zeer goed mogelijk dat de EI/BMR-verhouding beneden de grens van 1,54 ligt. In dat
        geval kan als afkappunt voor de gemiddelde EI/BMR-verhouding over de twee
        opschrijfdagen van de voedselconsumptie bij een betrouwbaarheidsinterval van 95%
        een verhouding van 1 worden gehanteerd (Gol91, Voo97).
        De gemiddelde EI/BMR-verhouding voor de totale populatie was voor de eerste
        voedselconsumptiepeiling 1,58, voor de tweede 1,50 en voor de derde 1,49. Voor alle
        voedselconsumptiepeilingen was de EI/BMR-verhouding voor kinderen groter dan voor
        Mate van onderrapportage tijdens de drie Voedselconsumptiepeilingen                     143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>    volwassenen en voor mannen groter dan voor vrouwen (zie tabel). Voor volwassen
    mannen bedroegen de gevonden verhoudingen voor VCP-1, VCP-2 en VCP-3
    respectievelijk 1,58, 1,51 en 1,47; voor volwassen vrouwen lag deze verhouding 7-8%
    lager.
    In de eerste voedselconsumptiepeiling had 7% van de totale populatie een EI/BMR-
    verhouding lager dan 1,0. In de twee andere peilingen bedroeg dit percentage 10%. Voor
    de volwassen mannen waren deze percentages weer lager dan voor de volwassen
    vrouwen (mannen: 5,4% in VCP-1; 9,0% in VCP-2 en 9,9% in VCP-3; vrouwen 12,7%
    in VCP-1; 18,1% in VCP-2 en 16,6% in VCP-3).
    Op basis van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat de energie-inneming
    vermoedelijk is onderschat in alle drie voedselconsumptiepeilingen en dat er sprake is
    van een geringe daling van de EI/BMR verhouding in de tien jaar waarin de peilingen
    zijn uitgevoerd. Deze daling kan worden verklaard door een toename van de
    onderrapportage en/of een daling in het niveau van lichamelijke activiteit. Zoals hierna
    blijkt spelen beide aspecten waarschijnlijk een rol. Hoewel er geen kwantitatieve
    informatie is over het energieverbruik van de Nederlandse populatie in de periode
    19987/88-1997/98, wijzen bepaalde indicatoren, zoals bijvoorbeeld het gemiddeld
    aantal uren televisie kijken per week, het percentage mensen met een zittend beroep, het
    aantal bewegende activiteiten in en om het huis erop dat de lichamelijke activiteit de
    laatste jaren is gedaald (Fre00, Kem00, Bre01, Sch01, Sei01b). Het lichaamsgewicht en
    de Quetelet Index van de Nederlandse bevolking zijn in de periode 1987-1997 gestegen,
    dit blijkt zowel uit de voedelconsumptiepeilingen als uit andere bronnen (Sei95, Sei99,
    Sei01b, CBS01). Ook is waargenomen dat de lichamelijke inactiviteit en de Quetelet
    Index positief samenhangen (Sch95). De stijging in de Quetelet Index gaat dan
    waarschijnlijk ook gepaard gaan met een afname van de lichamelijke activiteit.
    Daarnaast is uit de literatuur ook bekend dat er een positief verband tussen obesitas en
    onderrapportage van de voedselconsumptie. Een toename in het percentage personen
    met overgewicht, zou daarom naar verwachting resulteren in een toename van de
    onderrapportage van de voedselconsumptie en daarmee de energie-inneming.
    In de voedselconsumptiepeilingen is gebruik gemaakt van zelfgerapporteerde gegevens
    over het lichaamsgewicht en lengte. Deze gegevens zijn gebruikt voor het berekenen
    van het basaalmetabolisme en de Quetelet Index. Uit onderzoek is gebleken dat de
    Quetelet Index, berekend op basis van gerapporteerde of gemeten gegevens voor
    mannen tot 40 jaar gelijk is. Bij mannen ouder dan 40 jaar is de Quetelet Index berekend
    op basis van zelfgerapporteerde gegevens lager. Voor vrouwen wordt structureel een
144 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>             lagere Quetelet Index vastgesteld als deze wordt berekend aan de hand van
             zelfgerapporteerde gegevens (Vie01). Dit kan consequenties hebben voor de prevalentie
             van (ernstig) overgewicht, ook in de voedselconsumptiepeilingen. Zo constateerden Viet
             et al (Vie01) dat bij zowel mannen (vanaf 50 jaar) als vrouwen er sprake was van
             onderraportage van obesitas op basis van zelf gerapporteerde gegevens. Door
             onderschatting van het lichaamsgewicht zou de werkelijke EI/BMR-verhouding bij
             zwaardere personen nog wat lager kunnen liggen dan de berekende verhouding op basis
             van de zelfgerapporteerde gegevens en zouden er in werkelijkheid nog meer
             respondenten hebben ondergerapporteerd.
             Samenvattend kan worden geconcludeerd dat over de periode van tien jaar waarin de
             voedselconsumptiepeilingen hebben plaats gevonden de onderraportage van de
             voedselconsumptie waarschijnlijk in beperkte mate is toegenomen. Deze toename is
             echte relatief klein —tussen de laatste twee peilingen is er nauwelijks en verschil— en
             kan daarom nauwelijks een verklaring zijn voor de waargenomen ontwikkelingen in de
             voedselconsumptie.
Gemiddelde EI/BMR-verhouding naar leeftijd en geslacht en voor de totale populatie in de drie voedselconsumptiepeilingen (VCP).
                                    VCP-1                             VCP-2                            VCP-3
                                    N               EI/BMR            N                EI/BMR          N               EI/BMR
jongens/mannen
1-4 jaar                            163             1,88              149              1,67            135             1,85
4-7 jaar                            128             1,84              164              1,74            138             1,72
7-10 jaar                           120             1,74              127              1,74            103             1,72
10-13 jaar                          148             1,72              136              1,65            112             1,65
13-16 jaar                          156             1,68              119              1,58            137             1,58
16-19 jaar                          143             1,69              128              1,52            142             1,52
19-22 jaar                          88              1,66              111              1,59            130             1,55
22-50 jaar                          1230            1,60              1306             1,52            1251            1,49
50-65 jaar                          386             1,50              405              1,47            454             1,43
65+ jaar                            226             1,54              236              1,42            185             1,40
meisjes/vrouwen
1-4 jaar                            140             1,87              202              1,79            119             1,81
4-7 jaar                            128             1,77              165              1,73            138             1,76
7-10 jaar                           133             1,76              127              1,71            133             1,71
10-13 jaar                          138             1,77              119              1,67            124             1,66
13-16 jaar                          149             1,64              133              1,55            116             1,48
16-19 jaar                          166             1,57              125              1,44            139             1,48
19-22 jaar                          113             1,51              107              1,43            128             1,42
22-50 jaar                          1341            1,50              1493             1,40            1471            1,40
             Mate van onderrapportage tijdens de drie Voedselconsumptiepeilingen                                             145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>50-65 jaar                          484         1,39         545        1,35 509  1,31
65+ jaar                            266         1,41         263        1,36 263  1,33
mannen 13-18 jaar                   299         1,68         247        1,55 279  1,55
vrouwen 13-18 jaar                  315         1,60         258        1,49 255  1,48
mannen 19+ jaar                     1930        1,58         2058       1,51 2020 1,47
vrouwen 19+ jaar                    2204        1,46         2408       1,39 2344 1,37
totale populatie                    5958        1,58                    1,50      1,49
EI = energie-inneming; BMR = basaal metabolisme
146           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>Bijlage        E
               Ontwikkeling in de gemiddelde consump-
               tie van productgroepen
               en enkele subgroepen voedingsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98*
Gemiddelde consumptie van voedingsmiddelen per dag (g)
Statistische significantie p<0,01:
verschil 1987/88 en 1992 = 1
verschil 1987/88 en 1997/98 = 2
verschil 1992 en 1997/98 = 3
totale populatie
                                           1987/88   1992      1997/98      p<0,01
aantal respondenten                        5 898     6 218      5 958
productgroepen:                               gram per dag
aardappelen                                  132       120        118          1,2
brood                                        141       138        136            1
alcoholische dranken                         172       149        153          1,2
ni-t alcoholische dranken                    992     1 101     1 177         1,2,3
eieren                                        16        14         14          1,2
fruit                                        125       112        102        1,2,3
gebak en koek                                 44        44         41          2,3
graanproducten en bindmiddelen                37        40         42            2
groenten                                     141       126        120        1,2,3
hartig broodbeleg                              3         3          3
kaas                                          28        28         26
*               Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
               Ontwikkeling in de gemiddelde consumptie van productgroepen                                    147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>melk en melkproducten totaal            367     374      385    1,2,3
noten, zaden en snacks                   23      27       29    2,3
peulvruchten                              6       7        5    1,2
samengestelde gerechten                  20      28       28    1,2
soepen                                   74      70       66    1,2
sojaproducten                             1       1        2    2,3
suiker, snoep, zoet beleg                48      42       42    1,2
vetten, olien en hartige sauzen          48      48       49    1,2
vis                                       8       9       10
vlees, vleeswaren en gevogelte          117     112      111    1,2
enkele subgroepen voedingsmiddelen:
vruchtensap                              49      55       71    2,3
vruchtensap en fruit                    174     167      173
bier                                    139     119      121    1
wijn                                     26      24       27    1
gedistilleerd                             7       6        5    1,2
frisdranken                             109     150      154    1,2,3
suikervrije frisdranken                   6      24       41    1,2,3
mineraalwater                            24      32       30
koffie                                  464     451      450    1,2,3
thee                                    253     249      255    1,2
gezoete zuiveldranken incl drinkyoghurt  33      37       46    2,3
ontbijtgranen                             3       3        4    1,2,3
deegwaren en rijst                       30      33       35    1,2,3
aardappelproducten                       22      25       27    1,2,3
boter                                     5       3        2    1,2,3
halvarine                                 9      11       11    1,2,3
margarine                                20      13       10    1,2,3
bak en braadvet                           6       5        5
oliesoorten                               1       1        2    1,2,3
hartige sauzen met vet                    6      13       15    1,2,3
melk en melkproducten vol               148      85       69    1,2,3
melk en melkproducten halfvol           134     192      208    1,2,3
melk en melkproducten mager              85      98      108    1,2,3
vlees en vleeswaren ≥ 25% vet            28      25       23    1,2,3
vlees en vleeswaren 15-25% vet           26      27       29    2,3
148            Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>vlees en vleeswaren < 15% vet          62         60    59    2
suiker en zoete sauzen                 24         19    17    1,2,3
noten, zaden                              5         6     4
droge snacks                              7         8     9   2,3
overige snacks                          11        12    16    1,2,3
varkensvlees                           37         31    29    1,2,3
rundvlees                              19         17    16    1,2
gehakt                                 17         18    20    2
vleeswaren                             25         25    24
gevogelte en wild                      14         15    18    1,2,3
overige vleessoorten                      6         5     5   2
vleesvervangers                        <1         <1      1
leeftijdscategorie 13-18 jaar
                                         jongens                            meisjes
                                     1987/88    1992  1997/98 p<0,01     1987/88    1992  1997/98 p<0,01
aantal respondenten                  326        342   328                322        339   325
productgroepen:                         gram per dag                        gram per dag
aardappelen                           173        142   149                 125       109    111
brood                                 196        176   171    1,2          137       129   132
alcoholische dranken                   49         56    91    2,3           14         19    20
niet-alcoholische dranken             840        896   997    2            764       790   857
eieren                                 14         12    14                  13         11    11
fruit                                 106         87    83                 139        111    90   1,2
gebak en koek                          55         42    48                  45         50    42
graanproducten en bindmiddelen         47         53    47                  45         39    37
groenten                              133        106   108    1,2          132         99    92   1,2
hartig broodbeleg                         6         6     6                  3          3     3
kaas                                   27         25    24                  23         22    21
melk en melkproducten                 491        424   463                 371       373   377
noten, zaden en snacks                 31         42    41    2             28         31    31
peulvruchten                              4         9     4   1,3            7          9     3
samengestelde gerechten                18         28    24                  22         29    20
soepen                                 72         57    60                  66         60    60
sojaproducten                             0         1     2                  0          1     1
suiker, snoep, zoet beleg              75         60    53    1,2           53         45    44
vetten, olien en hartige sauzen        63         60    62                  47         42    44
vis                                       3         3     5                  4          4     4
               Ontwikkeling in de gemiddelde consumptie van productgroepen                             149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>vlees, vleeswaren en gevogelte          128     118      112    2,3      106  96  97
enkele subgroepen voedingsmiddelen:
vruchtensap                              41      48       76    2,3       63  62 123 2,3
vruchtensap en fruit                    148     134      159             202 175 213
bier                                     49      55       86              11  15  15
wijn                                     <1       1        2               2   3   4
gedistilleerd                            <1      <1        2              <1   1   1
frisdranken                             317     431      476    1,2      212 271 281 2
suikervrije frisdranken                   5      14       35    2,3        8  36  55 1,2
mineraalwater                             3       9       10               9  22  22 1
koffie                                  174      93      100    1,2      133  77  36 1,2,3
thee                                    208     179      162             252 221 195
gezoete zuiveldranken incl drinkyoghurt  61      82       85              55  61  82
ontbijtgranen                             5       4        5               3   2   2
deegwaren en rijst                       37      45       37              37  33  31
aardappelproducten                       36      45       39              30  33  23
boter                                     5       2        1    2          2   1   2 1,2
halvarine                                14      15       14               9   8   9
margarine                                26      15       14    1,2       19  10  10 1,2
bak en braadvet                           7       7        6               6   5   5
oliesoorten                               1       1        2    2,3        1   1   1
hartige sauzen met vet                    9      16       22    2,3        7  14  15 1,2
melk en melkproducten vol               189      74       59    1,2      136  72  56 1,2
melk en melkproducten halfvol           193     256      275    1,2      148 204 211 1,2
melk en melkproducten mager             109      92      130              87  97 109
vlees en vleeswaren ≥ 25% vet            32      30       24    2         29  23  21 2
vlees en vleeswaren 15-25% vet           30      33       33              29  26  29
vlees en vleeswaren < 15% vet            66      55       56              49  48  47
suiker en zoete sauzen                   30      20       17    1,2       20  12  11
noten, zaden                              5       6        4               4   5   2
droge snacks                             13      17       16              12  13  14
overige snacks                           13      18       20              12  12  14
varkensvlees                             35      28       29              33  30  27
rundvlees                                20      17       18              16  13  13
150            Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>gehakt                                  18        23    23                  19        16    18
vleeswaren                              31        29    23    2             21        20    21
gevogelte en wild                       19        16    15                  12        13    15
overige vleessoorten                     4         4     4                   5         5     5
vleesvervangers                         <1         0    <1                  <1         1    <1
leeftijdscategorie 19-35 jaar
                                        mannen                              vrouwen
                                     1987/88   1992  1997/98  p<0,01     1987/88   1992  1997/98 p<0,01
aantal respondenten                  836       823   727                 839       859   710
productgroepen:                         gram per dag                        gram per dag
aardappelen                            165       143   138    1,2          112       112   103
brood                                  186       180   180                 123       123   120
alcoholische dranken                   435       319   319    1,2          105        74    60   1,2,3
niet-alcoholische dranken            1 141     1 246 1 285    1,2        1 148     1 300 1 403   1,2,3
eieren                                  20        18    14    1,2           16        13    13   1,2
fruit                                  110        89    86    1,2          109        99    91
gebak en koek                           44        43    37                  44        44    44
graanproducten en bindmiddelen          48        60    61                  40        44    48
groenten                               156       135   121    1,2          143       128   113   1,2,3
hartig broodbeleg                        5         5     5                   3         3     2   3
kaas                                    35        33    32                  31        28    25
melk en melkproducten                  382       386   396                 325       336   339
noten, zaden en snacks                  35        40    44    2             28        30    37   2,3
peulvruchten                             9         9     7                   7         6     5
samengestelde gerechten                 29        44    49    1,2           24        38    36   1
soepen                                  85        83    67    2             62        57    66
sojaproducten                            1         1     2                   1         1     2
suiker, snoep, zoet beleg               60        56    57                  41        38    39
vetten, olien en hartige sauzen         62        64    63                  42        44    45
vis                                      8        11    10                   6         8     7
vlees, vleeswaren en gevogelte         147       139   143                 108       101   101   1
enkele subgroepenvoedingsmiddelen:
vruchtensap                             39        38    58    3             60        76   105   2,3
fruit en vruchtensap                   149       128   144                 169       174   196
bier                                   411       304   303    1,2           57        43    33   2
wijn                                    18        13    13                  42        25    20   1,2
gedistilleerd                            6         3     3                   3         2     3
frisdranken                            138       247   288    1,2,3        115       136   163   2
suikervrije frisdranken                  9        31    46    1,2           10        45    81   1,2,3
               Ontwikkeling in de gemiddelde consumptie van productgroepen                             151
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>mineraalwater                            24     27       24              41  61  52
koffie                                  648    622      576    2        539 473 391 1,2,3
thee                                    211    194      192             298 346 389 2
gezoete zuiveldranken incl drinkyoghurt  26     28       42              23  21  38
ontbijtgranen                             2      4        3    2          2   3   4 2
deegwaren en rijst                       41     52       52    1         34  37  41 2
aardappelproducten                       30     35       41    2         25  30  33 2,3
boter                                     4      3        2    1,2        3   2   1 1,2,3
halvarine                                12     14       15    1,2        8   8   9 1,2
margarine                                27     17       12    1,2,3     16  10   7 1,2,3
bak en braadvet                           7      7        6               5   5   4
oliesoorten                               1      1        2    1,2,3      1   1   2 2,3
hartige sauzen met vet                    9     19       23    1,2,3      8  16  19 1,2,3
melk en melkproducten vol               170    100       80    1,2,3    121  75  57 1,2,3
melk en melkproducten halfvol           144    215      235    1,2      133 179 196 1,2
melk en melkproducten mager              68     71       81    2,3       80  89  91 2
vlees en vleeswaren ≥ 25% vet            37     31       32    1         24  21  20 1,2
vlees en vleeswaren 15-25% vet           33     36       41              25  27  29
vlees en vleeswaren < 15% vet            77     71       70              58  53  52 1,2
suiker en zoete sauzen                   36     32       32              19  16  14 1,2
noten, zaden                              7      8        5               6   6   5
droge snacks                             10     12       13               9  11  11
overige snacks                           18     21       26    2         14  13  19 2,3
varkensvlees                             45     36       33    1,2       33  29  24 1,2
rundvlees                                21     18       18              17  15  12 2
gehakt                                   21     22       26              17  17  20
vleeswaren                               38     34       35    1,2       22  21  20
gevogelte en wild                        15     21       25              13  15  19 2,3
overige vleessoorten                      8      7        6               6   5   5
vleesvervangers                          <1     <1        1               1  <1   1
152           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>Bijlage        F1
               Grootste statistisch significante veran-
               deringen in de gemiddelde consumptie
               (g per dag) van productgroepen en voedingsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98*
Statistisch significante verandering in toename grammen gemiddeld gebruik (p<0,01)
vijf grootste stijgers totale populatie
rang-     voedingsmiddelengroep                toename gemiddeld        toename aantal           toename gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikersa              door gebruikersa
                                               gram       %             %            p <0,01     gram        %         p <0,01
1         halfvolle melk(producten)            74          55,2         18,2         s            40         15,9      s
2         frisdranken                          45          41,3           1,2        s            64         27,5      s
3         suikervrije frisdranken              35         583,0         10,1         s           105         46,1      s
4         magere melk(producten)               23          27,1         10,4         s              5         2,5      ns
5         vruchtensappen                       22          44,9           5,5        s            42         27,5      s
vijf grootste dalers totale populatie
rang-     voedingsmiddelengroep               afname gemiddeld          afname aantal            afname gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers               door gebruikers
                                               gram       %             %            p<0,01      gram        %         p<0,01
1         volle melk(producten)                79         53,4          18,6         s           70          39,3      s
2         fruit                                23         18,4            4,4        s           20          12,7      s
3         groenten                             21         14,9            1,9        s           19          12,8      s
4         aardappelen                          14         10,6            4,6        s           10           6,7      s
5         koffie                               14          3,0            4,4        s           + 41        + 6,5
*              Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
               Grootste statistisch significante veran-deringen in de gemiddelde consumptie                                   153
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>vijf grootste stijgers jongens 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep            toename gemiddeld toename aantal    toename gemiddeld gebruik
orde                                       gebruik           gebruikers        door gebruikers
                                           gram       %      %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         frisdranken                      159         50,2   7,2       ns     153         37,5      s
2         halfvolle melk(producten)         82         42,5  14,2       s       50         16,4      ns
3         vruchtensap                       35         85,4   9,2       ns      57         33,7      s
4         suikervrije frisdranken           30        600,0  10,4       s       12          4,5      ns
5         hartige sauzen met vet            13        144,4  16,5       s       17         89,5      s
vijf grootste dalers jongens 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep            afname gemiddeld  afname aantal     afname gemiddeld gebruik
orde                                       gebruik           gebruikers        door gebruikers
                                           gram       %      %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         volle melk(producten)            130        68,8   36,5       s      100         45,0      s
2         koffie                            74        42,5   19,8       s       12          3,4      ns
3         groenten                          25        18,8    0,1       ns      27         18,9      s
4         brood                             25        12,8    0,4       ns      24         12,2      s
5         suiker, snoep en zoet broodbeleg  22        29,3    4,3       ns      20         26,0      s
vijf grootste stijgers meisjes 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep            toename gemiddeld toename aantal    toename gemiddeld gebruik
orde                                       gebruik           gebruikers        door gebruikers
                                           gram       %      %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         frisdranken                      69          32,5   6,1       ns     67          22,0      s
2         halfvolle melk(producten)        63          42,6  18,9       s      21           8,4      s
3         vruchtensappen                   60          95,2  14,6       s      67          35,4      s
4         suikervrije frisdranken          47         587,2  14,1       s      61          23,6      ns
5         hartige sauzen met vet            8         114,3   9,5       ns     11          61,1      s
vijf grootste dalers meisjes 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep            afname gemiddeld  afname aantal     afname gemiddeld gebruik
orde                                       gebruik           gebruikers        door gebruikers
                                           gram       %      %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         koffie                           97         72,9   25,3       s      108         35,0      ns
2         volle melk(producten)            80         58,8   29,1       s       61         37,0      s
3         fruit                            49         35,2    4,5       ns      54         31,0      s
4         groenten                         40         30,3    4,3       ns      39         27,5      s
5         margarine                         9         47,4   17,1       s         8        34,8      s
154            Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>vijf grootste stijgers mannen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                toename gemiddeld        toename aantal        toename gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               gram        %            %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         frisdranken                          150         108,7        20,3       s          134         45,7      s
3         halfvolle melk(producten)             91          63,2        15,2       s            73        28,0      s
4         suikervrije frisdranken               37         411,1          7,4      s          164         63,8      s
4         samengestelde gerechten               20          69,0          6,5      s            39        26,5      s
5         hartige sauzen met vet                14         155,6        16,2       s            17        77,3      s
vijf grootste dalers mannen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                afname gemiddeld         afname aantal         afname gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               gram        %            %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         bier                                 108         26,3         14,2       s            4          0,5      s
2         koffie                                72         11,1           7,7      s          22           3,1      ns
3         groenten                              35         22,4           2,1      ns         34          20,5      s
4         aardappelen                           27         16,4           5,4      s          22          11,8      s
5         fruit                                 24         21,8           6,6      ns         22          14,1      s
vijf grootste stijgers vrouwen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                toename gemiddeld        toename aantal        toename gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               gram        %            %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         thee                                 91           30,5         -2,0      ns         134         34,2      s
2         suikervrije frisdranken              71          710,0        16,9       s          139         57,7      s
3         halfvolle melk(producten)            63           47,4        16,6       s            32        13,3      s
4         frisdranken                          48           41,7          2,1      ns           87        35,7      ns
5         vruchtensap                          45           75,0          8,7      s            71        43,6      s
vijf grootste dalers vrouwen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                afname gemiddeld         afname aantal         afname gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               gram        %            %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         koffie                               148         27,5         18,1       s          52           8,4      s
2         volle melk(producten)                 64         52,9         15,2       s          64          41,0      s
4         groenten                              30         21,0           2,3      s          29          19,0      s
4         bier                                  24         42,1           4,5      s          21           4,6      ns
5         wijn                                  22         52,4         14,3       s          +9          + 5,9     ns
a     respondenten die op één of beide onderzoeksdag(en) het betreffende voedingsmiddel hebben gebruikt
               Grootste statistisch significante veran-deringen in de gemiddelde consumptie                                155
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>156 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>Bijlage        F2
               Grootste statistisch significante procen-
               tuele veranderingen in de gemiddelde
               consumptie
               (g per dag) van productgroepen en voedingsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98*
Statistisch significante procentuele veranderingen in het gemiddeld gebruik in grammen (p<0,01)
vijf grootste stijgers totale populatie
rang-     voedingsmiddelengroep                toename gemiddeld        toename aantal           toename gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikersa              door gebruikersa
                                               %           gram         %            p<0,01      gram        %         p<0,01
1         suikervrije frisdranken              583,0       35,0         10,1         s           105,0       46,1      s
2         halfvolle melk(producten)             55,2       74,0         18,2         s            40,0       15,9      s
3         vruchtensappen                        44,9       22,0           5,5        s            42,0       27,5      s
4         frisdranken                           41,3       45,0           1,2        s            64,0       27,5      s
5         magere melk(producten)                27,1       23,0         10,4         s            5,0         2,5      ns
vijf grootste dalers totale populatie
rang-     voedingsmiddelengroep                afname gemiddeld         afname aantal            afname gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers               door gebruikers
                                               %           gram         %            p<0,01      gram        %         p<0,01
1         volle melk(producten)                -53,4       -79,0        -18,6        s           -70,0       -39,3     s
2         fruit                                -18,4       -23,0          -4,6       s           -20,0       -12,7     s
3         groenten                             -14,9       -21,0          -1,9       s           -19,0       -12,8     s
4         bier                                 -12,9       -18,0          -1,4       s           -19,0        -3,0     ns
5         aardappelen                          -10,6       -14,0          -4,6       s           -10,0        -6,7     s
*              Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
               Grootste statistisch significante procentuele veranderingen in de gemiddelde consumptie                        157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>vijf grootste stijgers jongens 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep           toename gemiddeld  toename aantal    toename gemiddeld gebruik
orde                                      gebruik            gebruikers        door gebruikers
                                          %          gram    %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         suikervrije frisdranken         600,0      30,0    10,7       s       12,0        4,5      ns
2         hartige sauzen met vet          144,4      13,0    16,5       s       17,0       89,5      s
3         vruchtensappen                   85,4      35,0     9,2       ns      57,0       33,7      s
4         bier                             75,5      37,0     3,8       ns     137,0       32,5      ns
5         halfvolle melk(producten)        42,5      82,0    14,2       s       50,0       16,4      ns
vijf grootste dalers jongens 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep           afname gemiddeld   afname aantal     afname gemiddeld gebruik
orde                                      gebruik            gebruikers        door gebruikers
                                          %          gram    %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         volle melk(producten)           -68,8      -130,0  -36,5      s      -100,0      -45,0     s
2         margarine                       -46,2       -12,0  -17,9      s       -11,0      -33,3     s
3         suiker                          -43,3       -13,0  -12,1      s       -11,0      -33,3     s
4         koffie                          -42,5       -74,0  -19,8      s       -12,0       -3,4     ns
5         groenten                        -18,8       -25,0     0,1     ns      -27,0      -18,9     s
vijf grootste stijgers meisjes 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep           toename gemiddeld  toename aantal    toename gemiddeld gebruik
orde                                      gebruik            gebruikers        door gebruikers
                                          %          gram    %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         suikervrije frisdranken         587,2      47,0    14,1       s      61,0        23,6      ns
2         hartige sauzen met vet          114,3       8,0     9,5       ns     11,0        61,1      s
3         vruchtensappen                   95,2      60,0    14,6       s      67,0        35,4      s
4         halfvolle melk(producten)        42,6      63,0    18,9       s      21,0         8,4      ns
5         frisdranken                      32,5      69,0     6,1       ns     67,0        22,0      s
vijf grootste dalers meisjes 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep           afname gemiddeld   afname aantal     afname gemiddeld gebruik
orde                                      gebruik            gebruikers        door gebruikers
                                          %          gram    %          p<0,01 gram        %         p<0,01
1         koffie                          -72,9      -97,0   -25,3      s      -108,0      -35,0     ns
2         volle melk(producten)           -58,8      -80,0   -29,1      s       -61,0      -37,0     s
3         margarine                       -47,4       -9,0   -17,1      s         -8,0     -34,8     s
4         suiker                          -45,0       -9,0   -15,4      s         -8,0     -33,3     s
5         fruit                           -35,3      -49,0    -4,5      ns      -54,0      -31,0     s
158            Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>vijf grootste stijgers mannen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                toename gemiddeld        toename aantal        toename gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               %           gram         %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         suikervrije frisdranken              411,1         37,0         7,4      s          164,0       63,8      s
2         frisdranken                          108,7       150,0        20,3       s          134,0       45,7      s
3         samengestelde gerechten               69,0        20,0          6,5      s            39,0      26,5      s
4         gevogelte en wild                     66,7         10,0       14,8       s             -8,0      -9,5     ns
5         halfvolle melk(producten)             63,2        91,0        15,2       s            73,0      28,0      s
vijf grootste dalers mannen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                afname gemiddeld         afname aantal         afname gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               %           gram         %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         margarine                            -55,6        -15,0       -31,7      s          -10,0       -32,3     s
2         volle melk(producten)                -52,9        -90,0       -17,8      s          -80,0       -40,4     s
3         varkensvlees                         -26,7         -12,0        -9,9     s            -6,0        -7,6    ns
4         bier                                 -26,3       -108,0       -14,2      s            -4,0        -0,5    s
5         groenten                             -22,4        -35,0         -2,1     ns         -34,0       -20,5     s
vijf grootste stijgers vrouwen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                toename gemiddeld        toename aantal        toename gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               %           gram         %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         suikervrije frisdranken              710,0       71,0         16,9       s          139,0       57,7      s
2         samengestelde gerechten               50,0       12,0           3,7      ns           22,0      18,2      ns
3         halfvolle melk(producten)             47,4       63,0         16,6       s            32,0      13,3      s
4         frisdranken                           41,7       48,0           2,1      ns           87,0      35,7      ns
5         thee                                  30,5       91,0         - 2,0      ns         134,0       34,2      s
vijf grootste dalers vrouwen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep                afname gemiddeld         afname aantal         afname gemiddeld gebruik
orde                                           gebruik                  gebruikers            door gebruikers
                                               %           gram         %          p<0,01     gram        %         p<0,01
1         volle melk(producten)                -52,9        -64,0       -15,2      s          -64,0       -41,0     s
2         wijn                                 -52,4        -22,0       -14,3      s              9,0        5,9    ns
3         bier                                 -42,1        -24,0         -4,5     s          -21,0         -4,6    ns
4         koffie                               -27,5       -148,0       -18,1      s          -52,0         -8,4    s
5         groenten                             -21,0        -30,0         -2,3     ns         -29,0       -19,0     s
a     respondenten die op één of beide onderzoeksdag(en) het betreffende voedingsmiddel hebben gebruikt
               Grootste statistisch significante procentuele veranderingen in de gemiddelde consumptie                     159
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>160 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>Bijlage        F3
               Grootste statistisch significante veran-
               deringen in het percentage gebruikers*
               van productgroepen en voedingsmiddelen in de periode 1987/88-1997/98**
Statistisch significante veranderingen in het percentage gebruikers (p<0,01)
vijf grootste stijgers totale populatie
rang-     voedingsmiddelengroep                  toename      toename gemiddeld gebruik            toename gemiddeld gebruik door
orde                                              aantal                                           gebruikers
                                                  gebruikers
                                                  %           gram         %           p<0,01      gram       %         p<0,01
1         halfvolle melk(producten)              18,2         74            55,2       s           40         15,9      s
2         halvarine                               15,3         2            22,2       s            -2         -8,7     s
3         oliesoorten                            13,5          1           100,0       s             0          0       s
4         hartige sauzen met vet                 14,3          9           150,0       s           14         45,2      s
5         magere melk(producten)                 10,4         23            27,1       s             5         2,5      ns
vijf grootste dalers totale populatie
rang-     voedingsmiddelengroep                   afname      afname gemiddeld gebruik             afname gemiddeld gebruik door
orde                                              aantal                                           gebruikers
                                                  gebruikers
                                                  %           gram         %           p<0,01      gram       %         p<0,01
1         margarine                               22,2        10,0         50,0        s             7,0      28,0      s
2         volle melk(producten)                   18,6        79,0         53,4        s           70,0       39,3      s
3         thee                                     9,0         2,0          0,8        s           + 62       + 17,6    s
*              respondenten die op één of beide onderzoeksdag(en) het betreffende voedingsmiddel hebben gebruikt
**             Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
               Grootste statistisch significante veran-deringen in het percentage gebruikers                                   161
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>4         boter                                8,7        3,0      60,0       s        5,0      25,0      s
5         vlees(waren) met ten minste 25% vet  6,7        5,0      17,9       s        4,0       9,5      s
vijf grootste stijgers jongens 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               toename    toename gemiddeld gebruik   toename gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                 gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01 gram       %         p<0,01
1         hartige sauzen met vet              16,5       13,0      144,0      s      17,0       89,5      s
2         halfvolle melk(producten)           14,2       82,0       42,5      s      50,0       16,4      ns
3         oliesoorten                         11,1        1,0      100,0      s        2,0      33,3      ns
4         suikervrije frisdranken             10,7       159,0      50,2      s      12,0        4,5      ns
5         overige snacks                      10,2        7,0       53,8      ns       8,0      16,0      ns
vijf grootste dalers jongens 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               afname     afname gemiddeld gebruik    afname gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                 gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01 gram       %         p<0,01
1         volle melk(producten)               36,5       130,0     68,8       ns     100,0      45,0      s
2         margarine                           17,9        12,0     46,2       s        11,0     33,3      s
3         suiker                              12,1        13,0     43,3       s        11,0     33,3      s
4         boter                                9,7          4,0    80,0       s        13,0     52,0      s
5         soepen                               7,9        12,0     16,7       ns       10,0      5,3      ns
vijf grootste stijgers meisjes 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               toename    toename gemiddeld gebruik   toename gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                 gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01 gram       %         p<0,01
1         halfvolle melk(producten)           18,9       63,0       42,6      s      21,0         8,4     ns
2         vruchtensap                         14,6       60,0       95,2      s      67,0        35,4     s
3         suikervrije frisdranken             14,1       47,0      587,5      s      61,0        23,6     ns
4         halvarine                           12,9        0,0        0,0      ns      -6,0      -25,0     ns
5         hartige sauzen met vet               9,5        8,0      114,3      s      11,0        61,1     s
vijf grootste dalers meisjes 13-18 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               afname     afname gemiddeld gebruik    afname gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                 gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01 gram       %         p<0,01
1         volle melk(producten)               29,1       80,0      58,8       ns     61,0       37,0      s
162           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>2         koffie                              25,3       97,0      72,9       s       12,0        5,2      ns
3         margarine                           17,1        9,0      47,4       s         8,0      34,8      s
4         suiker                              15,4        9,0      45,0       s         8,0      33,3      s
5         thee                                13,2       57,0      22,6       ns      21,0        6,5      ns
vijf grootste stijgers mannen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               toename    toename gemiddeld gebruik    toename gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                  gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01  gram       %         p<0,01
1         halvarine                           17,1        3,0       25,0      s        -4,0      -13,3     s
2         hartige sauzen met vet              16,2       14,0      155,6      s       17,0        77,3     s
3         oliesoorten                         15,4        1,0      100,0      s         2,0       28,6     ns
4         halfvolle melk(producten)           15,2       91,0       63,2      s       73,0        28,0     s
5         gevogelte en wild                   14,8       10,0       66,7      s        -8,0       -9,5     ns
vijf grootste dalers mannen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               afname     afname gemiddeld gebruik     afname gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                  gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01  gram       %         p<0,01
1         margarine                           31,7        15,0     55,6       s       10,0       32,3      s
2         volle melk(producten)               17,8        90,0     52,9       ns      80,0       40,4      s
3         bier                                14,2       108,0     26,3       s         4,0       0,5      s
4         varkensvlees                         9,9        12,0     26,7       s         6,0       7,6      ns
5         boter                                9,4          2,0    50,0       s         4,0      21,1      ns
vijf grootste stijgers vrouwen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep               toename    toename gemiddeld gebruik    toename gemiddeld gebruik door
orde                                          aantal                                  gebruikers
                                              gebruikers
                                              %          gram      %          p<0,01  gram       %         p<0,01
1         halfvolle melk(producten)           16,6       63,0       47,4      s        32,0       13,3     s
2         oliesoorten                         14,3        1,0      100,0      s         -1,0     -12,5     ns
3         hartige sauzen met vet              14,2       11,0      137,5      s        15,0       78,9     s
4         gevogelte en wild                   13,7        6,0       46,2      s       -15,0      -19,0     s
5         magere melk(producten)              10,3       11,0       13,8      s       -17,0       -8,8     ns
               Grootste statistisch significante veran-deringen in het percentage gebruikers                      163
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>vijf grootste dalers vrouwen 19-35 jaar
rang-     voedingsmiddelengroep          afname      afname gemiddeld gebruik    afname gemiddeld gebruik door
orde                                     aantal                                  gebruikers
                                         gebruikers
                                         %           gram      %          p<0,01 gram       %         p<0,01
1         margarine                      26,6          9,0     56,3       s       7,0       35,0      ns
2         volle melk(producten)          15,2        64,0      52,9       s      64,0       41,0      s
3         boter                          12,1          2,0     66,7       s       3,0       21,4      s
4         varkensvlees                   12,0          9,0     27,3       s       4,0        6,3      ns
5         rundvlees                        7,8         5,0     29,4       s       2,0        3,8      ns
164           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>Bijlage       G
              Antropometrische gegevens*
gemiddelde lengte (cm)
                                                                                             1987/88-1997/98
                             referentiewaarde 1987/88         1992           1997/98         verschil         toename in % p<0,01
jongens 13 t/m 18 jaar       174               176            174            175             -1,0             -0,6           ns
meisjes 13 t/m 18 jaar       166               168            168            168              0,0              0,0           ns
mannen 19 t/m 35 jaar        181               182            182            183              1,0              0,5           s
vrouwen 19 t/m 35 jaar       167               168            169            170              2,0              1,2           s
gemiddeld gewicht (kg)
                                                                                             1987/88-1997/98
                                               1987/88        1992           1997/98         verschil         toename in % p<0,01
jongens 13 t/m 18 jaar       61                61,7           60,8           61,5            -0,2             -0,3           ns
meisjes 13 t/m 18 jaar       56                56,4           56,8           57,1             0,7              1,2           ns
mannen 19 t/m 35 jaar        74                76,8           78,9           79,8             3,0              3,9           s
vrouwen 19 t/m 35 jaar       63                63,2           66,6           68,3             5,1              8,1           s
Als referentiewaarde voor lengte en gewicht is de gemiddelde referentiewaarde voor het betreffende leeftijdstraject gehanteerd
(Gez01).
*             Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
              Antropometrische gegevens                                                                                         165
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>QI (kg/m2)
                                                                        1987/88-1997/98
                                      1987/88  1992         1997/98     verschil      toename in % p<0,01
jongens 13 t/m 18 jaar                19,8     19,9         20,0        0,2           1,0          ns
meisjes 13 t/m 18 jaar                20,0     20,2         20,3        0,3           1,5          ns
mannen 19 t/m 35 jaar                 23,2     23,7         23,8        0,6           2,6
vrouwen 19 t/m 35 jaar                22,3     23,3         23,7        1,4           6,3
overgewicht (%)
                                                                        1987/88-1997/98
                                      1987/88  1992         1997/98     verschil      toename in % p<0,01
jongens 13 t/m 18 jaar*                6,7      3,5          8,3        1,6           23,9         ns
meisjes 13 t/m 18 jaar*                5,7      7,2          8,9        3,2           56,1         ns
mannen 19 t/m 35 jaar**               19,1     25,0         25,4        6,3           33,0
vrouwen 19 t/m 35 jaar**              11,3     15,3         19,5        8,2           72,6
volwassenen > 19 jaar**               27,8     32,0         33,7        5,9           21,2
* grenzen volgens (Col00)
** QI>=25-<30
obesitas (%)
                                                                        1987/88-1997/98
                                      1987/88  1992         1997/98     verschil      toename in % p<0,01
jongens 13 t/m 18 jaar*               0,0      0,0           0,5        0,5                        ns
meisjes 13 t/m 18 jaar*               0,6      0,5           1,6        1,0           166,7        ns
mannen 19 t/m 35 jaar**               2,5      3,9           5,6        3,1           124,0        s
vrouwen 19 t/m 35 jaar**              2,7      7,4           8,6        5,9           218,5        s
volwassenen > 19 jaar**               5,8      8,3          11,20       5,4            93,1        s
* grenzen volgens (Col00)
** QI>=30
energie inname per kg lichaamsgewicht
kJ                                                                      1987/88-1997/98
                                      1987/88  1992         1997/98     verschil      daling in %  p<0,01
totale populatie                      177,0    167,0        165,0       -12,00        -6,8         s
jongens 13 t/m 18 jaar                203,0    187,0        186,0       -17,00        -8,4         s
meisjes 13 t/m 18 jaar                174,0    161,0        158,0       -16,00        -9,2         s
mannen 19 t/m 35 jaar                 161,0    150,0        150,0       -11,00        -6,8         s
vrouwen 19 t/m 35 jaar                144,0    132,0        132,0       -12,00        -8,3         s
166           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>Prevalentie van overgewicht en obesitas in Nederland volgens de meest recente analyses van de gegevens van het REGENBOOG
project (2000) van het RIVM (gewogen naar de Nederlandse bevolking) Bron: Sei02a
                          overgewicht (%)                     obesitas (%)                       totaal (%)
leeftijd                  mannen            vrouwen           mannen           vrouwen           mannen          vrouwen
20 t/m 29 jaar            24                23                 5                3                29              26
30 t/m 39 jaar            36                23                 7               10                43              33
40 t/m 49 jaar            46                32                14                9                60              41
50 t/m 59 jaar            54                35                17               14                71              49
60 t/m 69 jaar            55                49                11               24                66              73
>70 jaar                  50                32                10               25                60              57
overgewicht: QI ≥25-<30 kg/m2
obesitas: QI ≥30 kg/m2
totaal: QI ≥25 kg/m2
              Antropometrische gegevens                                                                                  167
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>168 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>Bijlage       H
              Percentage respondenten dat voldoet aan
              de ‘Richtlijnen goede voeding’
              voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel
              gezamenlijk en aan de richtlijnen afzonderlijk voor deze voedingsstoffen*
percentage respondenten dat voldoet aan de richtlijnen voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en voedingsvezel
gezamenlijk.
                               1987/88             1992                  1997/98             1987/88-1997/98 % verandering
totale populatie               1,7                 2,1                   1,8                   5,8
jongens 13 t/ 18 jaar          1,0                 1,7                   1,0                   0,0
meisjes 13 t/m 18 jaar         1,3                 2,4                   1,1                 -15,4
mannen 19 t/m 35 jaar          1,4                 2,4                   1,0                 -28,6
vrouwen 19 t/m 35 jaar         1,7                 2,7                   2,0                  17,6
percentage respondenten dat voldoet aan de afzonderlijke richtlijnen voor totaal vet, verzadigde vetzuren, koolhydraten en
voedingsvezel (vier varianten)
totale populatie                                                                                                 1987/88-1997/98
vet (en%)                      < 34,5              <35,0                 35,0-35,5           <35,5               % verandering
1987/88                        27,7                29,8                  2,8                 32,6
1992                           36,0                38,7                  3,0                 41,7
1997/98                        41,5                44,7                  2,9                 47,6                50,0
                                                                                                                 1987/88-1997/98
verz. vetzuur (en%)            <9,5                <10,0                 10,0-10,5           <10,5               % verandering
1987/88                        4,0                 5,8                   1,9                   7,7
1992                           6,1                 8,3                   3,2                 11,5
1997/98                        6,4                 8,7                   2,2                 10,9                50,0
*             Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
              Percentage respondenten dat voldoet aan de ‘Richtlijnen goede voeding’                                           169
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>                                                                              1987/88-1997/98
koolhydraten (en%)          ≥44              44-45           ≥45        ≥46   % verandering
1987/88                     52,3             5,2             47,1       41,8
1992,0                      59,7             4,8             54,9       49,2
1997/98                     61,2             4,6             56,6       52,1  20,2
                                                                              1987/88-1997/98
voedingsvezel (g/MJ)        ≥2,5             2,5-3,0         ≥3,0       ≥3,5  % verandering
1987/88                     36,8             18,8            18,0       7,1
1992,0                      36,3             18,5            17,8       8,1
1997/98                     34,7             17,9            16,8       7,7   -6,7
jongens 13 t/m 18 jaar                                                        1987/88-1997/98
vet (en%)                   < 34,5           <35,0           35,0-35,5  <35,5 % verandering
1987/88                     26,2             28,5            2,3        30,8
1992,0                      37,2             38,4            2,8        41,2
1997/98                     45,2             49,8            4,1        53,9  74,7
                                                                              1987/88-1997/98
verz. vetzuur (en%)         <9,5             <10,0           10,0-10,5  <10,5 % verandering
1987/88                     3,4               5,7            2,0         7,7
1992,0                      7,2              10,0            6,4        16,4
1997/98                     6,1               8,3            3,9        12,2  45,6
                                                                              1987/88-1997/98
koolhydraten (en%)          ≥44              44-45           ≥45        ≥46   % verandering
1987/88                     76,2             4,6             71,6       64,5
1992,0                      81,3             3,2             78,1       71,2
1997/98                     83,7             3,9             79,8       75,8  11,4
                                                                              1987/88-1997/98
voedingsvezel (g/MJ)        ≥2,5             2,5-3,0         ≥3,0       ≥3,5  % verandering
1987/88                     27,4             19,0            8,4        2,4
1992,0                      27,6             18,1            9,5        2,4
1997/98                     21,4             14,3            7,1        2,2   -15,5
meisjes 13 t/m 18 jaar                                                        1987/88-1997/98
vet (en%)                   < 34,5           <35,0           35,0-35,5  <35,5 % verandering
1987/88                     29,5             31,1            3,8        34,9
1992,0                      35,4             37,8            2,0        39,8
1997/98                     45,4             49,2            4,3        53,5  58,2
                                                                              1987/88-1997/98
verz. vetzuur (en%)         <9,5             <10,0           10,0-10,5  <10,5 % verandering
1987/88                     2,9              4,5             2,2         6,7
1992,0                      8,0              9,0             1,8        10,8
1997/98                     7,6              8,2             0,8         9,0  75,5
170           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>                                                                                     1987/88-1997/98
koolhydraten (en%)           ≥44             44-45           ≥45              ≥46    % verandering
1987/88                      73,7            6,0             67,7             61,4
1992,0                       80,9            3,5             77,4             70,9
1997/98                      82,7            3,1             79,6             76,1   17,6
                                                                                     1987/88-1997/98
voedingsvezel (g/MJ)         ≥2,5            2,5-3,0         ≥3,0             ≥3,5   % verandering
1987/88                      35,2            19,7            15,5             6,6
1992,0                       31,0            17,1            13,9             3,6
1997/98                      26,6            17,0             9,6             3,6    -38,1
mannen 19 t/m 35 jaar                                                                1987/88-1997/98
vet (en%)                    <34,5           <35,0           35,0-35,5        <35,5  % verandering
1987/88                      26,0            28,8            2,1              30,9
1992,0                       32,5            34,8            2,8              37,6
1997/98                      39,9            43,1            3,3              46,4   49,6
                                                                                     1987/88-1997/98
verz. vetzuur (en%)          <9,5            <10,0           10,0-10,5        <10,5  % verandering
1987/88                      3,8             5,4             1,5               6,9
1992,0                       6,2             8,4             3,5              11,9
1997/98                      6,8             9,8             2,2              12,0   81,5
                                                                                     1987/88-1997/98
koolhydraten (en%)           ≥44             44-45           ≥45              ≥46    % verandering
1987/88                      44,2            6,5             37,7             32,6
1992,0                       55,2            5,8             49,4             41,9
1997/98                      61,3            4,0             57,3             52,2   52,0
                                                                                     1987/88-1997/98
voedingsvezel (g/MJ)         ≥2,5            2,5-3,0         ≥3,0             ≥3,5   % verandering
1987/88                      31,5            16,6            14,9             4,3
1992,0                       29,9            16,7            13,2             5,2
1997/98                      24,8            15,0             9,8             4,8    -34,3
vrouwen 19 t/m 35 jaar                                                               1987/88-1997/98
vet (en%)                    < 34,5          <35,0           35,0-35,5        <35,5  % verandering
1987/88                      23,4            25,5            2,3              27,8
1992,0                       29,4            33,9            3,0              36,9
1997/98                      37,0            40,6            2,5              43,1   55,3
                                                                                     1987/88-1997/98
verz. vetzuur (en%)          <9,5            <10,0           10,0-10,5        <10,5  % verandering
1987/88                      2,4             3,5             1,9               5,4
1992,0                       5,8             7,6             2,3               9,9
1997/98                      6,2             8,5             2,7              11,2   142,8
              Percentage respondenten dat voldoet aan de ‘Richtlijnen goede voeding’               171
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>                                                                            1987/88-1997/98
koolhydraten (en%)         ≥44              44-45           ≥45        ≥46  % verandering
1987/88                    50,5             5,4             55,9       36,8
1992,0                     61,4             7,0             54,4       48,1
1997/98                    68,3             5,4             62,9       56,5 12,5
                                                                            1987/88-1997/98
voedingsvezel (g/MJ)       ≥2,5             2,5-3,0         ≥3,0       ≥3,5 % verandering
1987/88                    37,1             18,9            18,2       7,3
1992,0                     36,4             17,0            19,4       9,8
1997/98                    30,4             14,4            16,0       7,9  -12,1
172          Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>Bijlage       I
              Gemiddelde dagelijkse voorziening
              met energie en voedingsstoffen in de periode 1998/88-1997/98*
totale populatie
                                              1987/88 (n=5898)      1997/98 (n=5958)       verschil  verschil
                                                                                           gem       sign
voedingsstof                                  gem       sd          gem         sd         %         p<0,01
energie                              kJ       9677      3051        9241        2931          -4,5         s
eiwit totaal                         en%         14,0       3,1        14,8         3,4        5,7         s
plantaardig eiwit                    en%          5,0       1,2          5,1       11,2        2,0         s
vet totaal                           en%         38,5       6,9        36,0         6,7       -6,5         s
verzadigde vetzuren                  en%         14,8       3,3        14,3         3,3        3,4         s
transvetzuren                        en%          4,3       2,2          1,7        1,0      -60,5         s
verzadigde vetzuren incl. trans      en%         19,2       4,5        16,0         3,7      -16,7         s
onverzadigde vetzuren                en%         17,0       4,0        17,9         4,3        5,3         s
koolhydraten totaal                  en%         44,5       8,0        46,6         8,2        4,7         s
mono- en disachariden                en%         22,5       7,5        23,3         8,1        3,5         s
alcohol                              en%          2,9       5,0          2,6        4,8       10,3        ns
voedingsvezel                        g/MJ         2,3       0,8          2,3        0,8        0,0        ns
eiwit totaal                         g           79,0      25,0        80,0        26,0        1,3         s
plantaardig eiwit                    g           29,0      11,0        28,0        11,0       -3,4        ns
vet totaal                           g          100,0      39,0        89,0        35,0      -11,0         s
verzadigde vetzuren                  g           38,0      15,0        35,0        14,0       -7,9         s
*             Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
              Gemiddelde dagelijkse voorziening                                                               173
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>transvetzuren                    g          11,0       7,0       4,0       3,0     -63,6        s
verz vetzuren incl. trans        g          50,0      21,0     40,0      16,0      -20,0        s
onverzadigde vetzuren            g          44,0      19,0     45,0      19,0        2,3       ns
koolhydraten totaal              g        254,0       86,0    254,0      85,0        0,0       ns
mono- en disachariden            g        128,0       54,0    126,0      54,0       -1,6       ns
alcohol                          g          10,0      19,0       9,0     18,0      -10,0       ns
voedingsvezel                    g          22,0       9,0     21,0        8,0      -4,5        s
calcium                          mg       976,0     410,0     987,0     416,0        1,1       ns
ijzer                            mg         10,9       3,8     10,7        3,9      -1,8        s
retinolequivalenten              µg      1084,0    1224,0     885,0     932,0      -18,3        s
vitamine B6                      mg          1,5       0,6       1,6       0,6       4,6        s
foliumzuur                       µg       256,0       95,0    247,0      91,0       -3,5        s
vitmine B12                      µg          4,6       4,6       4,3       3,8      -8,2        s
vitamine C                       mg         75,0      50,0     77,0      50,0        2,7        s
vitamine D                       µg          3,9       2,3       3,8       2,3      -2,6        s
vitamine E                       mg         13,3       6,7     12,6        6,6      -5,3        s
calcium                          mg/MJ    105,0       44,0    112,0      46,0        6,7        s
ijzer                            mg/MJ       1,2       0,3       1,2       0,3       2,6        s
retinolequivalenten              µg/MJ     113,0    122,0      97,0      96,0      -14,2        s
vitamine B6                      mg/MJ    159,0       47,0    175,0      53,0       10,1        s
foliumzuur                       µg/MJ      27,4      10,0     27,7        9,8      -1,1       ns
vitmine B12                      µg/MJ       0,5       0,6       0,5       0,4      -6,0        s
vitamine C                       mg/MJ       8,4       6,6       8,9       6,4       6,0        s
vitamine D                       µg/MJ       0,4       0,2       0,4       0,2       2,5        s
vitamine E                       mg/MJ       1,4       0,5       1,4       0,6       0,7        s
jongens 13 t/m 18 jaar
                                         1987/88 (n=326)               1997/98 (n=328)              verschil  sign.
                                                                                                    gem       verschil
voedingsstof                             gem       sd        mediaan gem         sd        mediaan %          p<0,01
energie                          kJ      12 139      3219    12 148    11 137      2986    10 912        -8,2          s
eiwit totaal                     en%          12,8       2,5      12,7      13,2       2,5     13,1       3,1       ns
plantaardig eiwit                en%           5,1       1,0       5,1       5,1       1,1      5,0       0,0       ns
vet totaal                       en%          38,4       6,1      39,0      35,3       5,8     35,2      -8,1          s
verzadigde vetzuren              en%          14,2       2,8      14,1      13,6       2,7     13,4      -4,2          s
transvetzuren                    en%           4,7       2,3       4,7       1,8       1,0      1,6     -61,7          s
verz vetzuren incl. trans        en%          19,0       4,1      19,0      15,4       3,1     15,1     -18,9          s
onverzadigde vetzuren            en%          17,2       3,8      17,2      17,8       4,0     17,7       3,5       ns
koolhydraten totaal              en%          48,3       6,5      47,9      50,4       6,3     50,2       4,3          s
mono- en disachariden            en%          24,3       6,1                26,3       7,0     25,5       8,2       ns
174           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>alcohol                         en%          0,4       1,6      0,0      1,0       2,8      0,0    150,0         ns
voedingsvezel                   g/MJ         2,2       0,6      2,2      2,0       0,6      2,0      -4,8          s
eiwit totaal                    g           92,0      26,0     89,0     87,0      25,0     85,0      -5,4        ns
plantaardig eiwit               g           37,0      11,0     35,0     34,0      11,0     33,0      -8,1        ns
vet totaal                      g          125,0      42,0   121,0     105,0      36,0   102,0      -16,0          s
verzadigde vetzuren             g           46,0      16,0     44,0     40,0      13,0     38,0     -13,0          s
transvetzuren                   g           15,0       9,0     13,0      6,0       4,0      5,0     -46,7          s
verz vetzuren incl. trans       g           62,0      23,0     57,0     46,0      16,0     44,0     -25,8        ns
onverzadigde vetzuren           g           56,0      20,0     56,0     53,0      20,0     50,0      -5,4        ns
koolhydraten totaal             g          347,0      96,0   334,0     333,0      91,0   334,0       -4,0        ns
mono- en disachariden           g          175,0      64,0   164,0     173,0      60,0   165,0       -1,1        ns
alcohol                         g            2,0      11,0      0,0      4,0      14,0      0,0    100,0         ns
voedingsvezel                   g           26,0       8,0     26,0     23,0       9,0     21,0     -11,5          s
calcium                         mg        1120,0     519,0  1003,0    1071,0     462,0  1038,0       -4,4        ns
ijzer                           mg          12,2       3,6     12,1     11,2       3,6     11,0     -35,9          s
retinolequivalenten             µg        1227,0    1269,0   911,0     870,0     767,0   660,0      -29,1          s
vitamine B6                     mg           1,7       0,7      1,6      1,7       0,7      1,6       0,0        ns
foliumzuur                      µg         291,0     102,0   281,0     264,0      86,0   256,0       -9,3          s
vitamine B12                    µg           4,9       5,4      4,5      4,2       3,1      3,6     -13,3        ns
vitamine C                      mg          70,0      44,0     61,0     74,0      46,0     63,0       5,7        ns
vitamine D                      µg           4,8       2,3      4,5      4,3       2,1      4,0     -10,4        ns
vitamine E                      mg          17,2       7,4     15,6     15,6       7,7     14,4      -9,3
calcium                         mg/MJ       93,0      37,0     89,0     98,0      38,0     96,0       5,4        ns
ijzer                           mg/MJ        1,0       0,2      1,0      1,0       0,2      1,0      -1,0        ns
retinolequivalenten             µg/MJ       99,0      93,0     71,0     79,0      67,0     59,0     -20,2          s
vitamine B6                     mg/MJ      143,0      40,0   137,0     154,0      41,0   151,0        7,7          s
foliumzuur                      µg/MJ       24,2       6,7     23,8     24,2       7,0     23,0       0,0        ns
vitmine B12                     µg/MJ        0,4       0,4      0,4      0,4       0,2      0,3      -5,0        ns
vitamine C                      mg/MJ        5,9       3,8      5,1      6,9       4,5      5,9      16,9        ns
vitamine D                      µg/MJ        0,4       0,2      0,4      0,4       0,2      0,5       0,0        ns
vitamine E                      mg/MJ        1,4       0,4      1,4      1,4       0,5      1,3      -0,7        ns
meisjes 13 t/m 18 jaar
                                        1987/88 (n=322)             1997/98 (n=325)             verschil  sign.
                                                                                                gem       verschil
voedingsstof                            gem       sd       mediaan gem        sd       mediaan %          p<0,01
energie                         kJ        9515      2306    9416      8903      2106    8854         -6,4          s
eiwit totaal                    en%         13,1       2,6     12,9     13,5       2,6     13,3       3,0        ns
plantaardig eiwit               en%          5,0       1,1      5,0      5,0       1,1      5,0       0,0        ns
              Gemiddelde dagelijkse voorziening                                                                 175
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>vet totaal                       en%         38,4      6,6    38,1   35,5    6,2  35,2  -7,5  s
verzadigde vetzuren              en%         14,4      2,8    14,3   14,0    2,9  13,9  -2,8 ns
transvetzuren                    en%          4,7      2,3     4,3     1,8   1,0   1,6 -61,7  s
verz vetzuren incl. trans        en%         19,1      4,3    18,9   15,8    3,2  15,9 -17,3  s
onverzadigde vetzuren            en%         17,0      3,6    17,0   17,6    4,2  16,8   3,5 ns
koolhydraten totaal              en%         48,1      6,9    47,9   50,6    6,7  50,6   5,2  s
mono- en disacchariden           en%         24,7      7,0    24,8   26,6    7,2  26,6   7,8 ns
alcohol                          en%          0,2      1,7     0,0     0,4   1,4   0,0 100,0 ns
voedingsvezel                    g/MJ         2,3      0,7     2,2     2,1   0,7   2,0  -8,9  s
eiwit totaal                     g           73,0     19,0    71,0   71,0   19,0  70,0  -2,7 ns
plantaardig eiwit                g           28,0      8,0    27,0   26,0    7,0  27,0  -4,9 ns
vet totaal                       g           98,0     32,0    94,0   84,0   27,0  82,0 -14,3  s
verzadigde vetzuren              g           37,0     12,0    35,0   33,0   11,0  32,0 -10,8  s
transvetzuren                    g           12,0      7,0    10,0     4,0   3,0   4,0 -66,7  s
verz vetzuren incl. trans        g           49,0     17,0    46,0   37,0   12,0  37,0 -24,5  s
onverzadigde vetzuren            g           43,0     16,0    41,0   42,0   16,0  39,0  -2,3 ns
koolhydraten totaal              g          272,0     73,0   269,0  267,0   69,0 267,0  -1,8 ns
mono- en disacchariden           g          140,0     51,0   136,0  141,0   51,0 138,0   0,7 ns
alcohol                          g            1,0      5,0     0,0     1,0   5,0   0,0   0,0 ns
voedingsvezel                    g           22,0      7,0    21,0   18,0    6,0  18,0 -18,2  s
calcium                          mg         902,0    365,0   878,0  908,0  369,0 887,0  -0,7 ns
ijzer                            mg          10,1      3,3     9,7     9,5   3,0   9,3  -5,9  s
retinolequivalenten              µg         905,0    778,0   680,0  724,0  641,0 518,0 -20,0  s
vitamine B6                      mg           1,4      0,5     1,3     1,4   0,5   1,4   0,7 ns
foliumzuur                       µg         243,0     79,0   231,0  229,0   72,0 223,0  -5,8 ns
vitamine B12                     µg           3,8      2,1     3,5     3,4   1,7   3,1 -11,3 ns
vitamine C                       mg          74,0     49,0    60,0   81,0   53,0  67,0   9,5 ns
vitamine D                       µg           3,6      1,7     3,4     3,4   2,0   3,0  -5,5 ns
vitamine E                       mg          13,2      5,4    12,0   12,0    5,5  11,0  -9,1  s
calcium                          mg/MJ       96,0     35,0    93,0  103,0   37,0  99,0   7,3 ns
ijzer                            mg/MJ        1,1      0,3     1,1     1,1   0,3   1,0   0,0 ns
retinolequivalenten              µg/MJ       96,0     81,0    73,0   82,0   67,0  58,0 -14,6 ns
vitamine B6                      mg/MJ      147,0     42,0   142,0  156,0   44,0 156,0   6,1  s
foliumzuur                       µg/MJ       26,3      9,2    24,4   26,4    8,2  24,7   0,4 ns
vitmine B12                      µg/MJ        0,4      0,2     0,4     0,4   0,2   0,4  -7,3 ns
vitamine C                       mg/MJ        8,2      5,9     6,7     9,4   6,4   7,6  14,6 ns
vitamine D                       µg/MJ        0,4      0,2     0,4     0,4   0,2   0,4   0,0 ns
vitamine E                       mg/MJ        1,4      0,5     1,3     1,4   0,5   1,3  -2,2 ns
176           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>mannen 19 t/m 35 jaar
                                        1987/88 (n=836)             1997/98 (n=727)             verschil  sign.
                                                                                                gem       verschil
voedingsstof                            gem       sd       mediaan gem        sd       mediaan %          p<0,01
energie                         kJ      12 136      2900   11 994   11 771      3219   11 528        -3,0        ns
eiwit totaal                    en%         13,6       2,6     13,5     14,1       2,9     13,9       3,7          s
plantaardig eiwit               en%          5,1       1,1      5,0      5,1       1,2      5,1       0,0        ns
vet totaal                      en%         38,4       6,1     38,6     36,1       6,4     36,3      -6,0          s
verzadigde vetzuren             en%         14,3       2,7     14,3     13,9       3,0     13,9      -2,8        ns
transvetzuren                   en%          4,6       2,1      4,3      1,8       1,0      1,4     -60,9          s
verz vetzuren incl. trans       en%         19,0       3,9     19,0     15,7       3,4     15,5     -17,4          s
onverzadigde vetzuren           en%         17,2       3,9     16,9     18,2       4,0     18,0       5,8          s
koolhydraten totaal             en%         43,1       6,8     42,6     46,5       7,3     46,3       7,9          s
mono- en disachariden           en%         20,4       6,2     19,9     22,6       7,2     22,7      10,9          s
alcohol                         en%          4,7       5,7      3,1      3,3       5,4      0,4     -29,8        ns
voedingsvezel                   g/MJ         2,2       0,7      2,1      2,1       0,8      2,0      -4,5          s
eiwit totaal                    g           97,0      25,0     94,0     98,0      31,0     93,0       1,0        ns
plantaardig eiwit               g           37,0      11,0     36,0     36,0      12,0     34,0      -2,7        ns
vet totaal                      g          124,0      38,0    120,0    113,0      38,0    110,0      -8,8          s
verzadigde vetzuren             g           46,0      14,0     45,0     44,0      16,0     42,0      -4,3          s
transvetzuren                   g           15,0       8,0     13,0      6,0       4,0      4,0     -46,7          s
verz vetzuren incl. trans       g           61,0      20,0     59,0     49,0      18,0     47,0     -19,7          s
onverzadigde vetzuren           g           56,0      20,0     53,0     57,0      21,0     56,0       1,8        ns
koolhydraten totaal             g          311,0      88,0    300,0    324,0      94,0    316,0       4,2        ns
mono- en disachariden           g          148,0      58,0    141,0    158,0      61,0    154,0       6,8          s
alcohol                         g           20,0      25,0     12,0     14,0      25,0      2,0     -30,0        ns
voedingsvezel                   g           27,0      10,0     25,0     24,0       9,0     23,0     -11,1          s
calcium                         mg        1117,0     488,0   1042,0   1098,0     515,0   1024,0      -1,7        ns
ijzer                           mg          13,3       4,0     12,7     12,9       4,3     12,5      -7,7        ns
retinolequivalenten             µg        1381,0    1642,0    948,0   1070,0    1387,0    709,0     -22,5          s
vitamine B6                     mg           2,0       0,6      1,9      2,0       0,7      1,9       2,5        ns
foliumzuur                      µg         311,0     101,0    300,0    282,0      96,0    274,0      -9,3          s
vitamine B12                    µg           5,6       5,7      4,5      4,9       3,8      4,1     -13,6        ns
vitamine C                      mg          79,0      52,0     67,0     78,0      50,0     67,0      -1,3        ns
vitamine D                      µg           4,9       2,4      4,7      4,4       2,2      4,0     -10,2          s
vitamine E                      mg          16,6       7,3     15,5     15,4       7,1     14,4      -7,2          s
calcium                         mg/MJ       93,0      37,0     87,0     95,0      39,0     89,0       2,2        ns
ijzer                           mg/MJ        1,1       0,3      1,1      1,1       0,3      1,1       0,9        ns
              Gemiddelde dagelijkse voorziening                                                                 177
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>retinolequivalenten              µg/MJ      114,0     130,0    78,0      92,0     108,0     62,0     -19,3          s
vitamine B6                      mg/MJ      164,0      43,0   161,0     172,0      48,0   168,0        4,9          s
foliumzuur                       µg/MJ       26,1       8,0    24,5      24,5       7,6     23,3      -6,1          s
vitmine B12                      µg/MJ        0,5       0,5      0,4      0,4       0,3      0,4     -10,6          s
vitamine C                       mg/MJ        6,7       4,6      5,7      6,8       4,4      5,9       1,5       ns
vitamine D                       µg/MJ        0,4       0,2      0,4      0,4       0,2      0,4      -7,3          s
vitamine E                       mg/MJ        1,4       0,5      1,3      1,3       0,5      1,2      -4,3          s
vrouwen 19 t/m 35 jaar
                                         1987/88 (n=839)             1997/98 (n=710)             verschil  sign.
                                                                                                           verschil
voedingsstof                             gem       sd       mediaan gem        sd       mediaan %          P<0,01
energie                          kJ        8927      2332    8783      8739      2306    8648         -2,1       ns
eiwit totaal                     en%         14,4       3,3    14,1      14,7       3,6     14,4       2,1       ns
plantaardig eiwit                en%          5,0       1,3      4,9      5,2       1,2      5,2       4,0          s
vet totaal                       en%         39,3       6,8    39,5      36,5       6,6     36,7      -7,1          s
verzadigde vetzuren              en%         15,1       3,1    15,1      14,3       3,2     14,1      -5,3          s
transvetzuren                    en%          4,4       2,2      4,1      1,9       1,1      1,6     -56,8          s
verz vetzuren incl. trans        en%         19,6       4,4    19,4      16,2       3,7     16,1     -17,3          s
onverzadigde vetzuren            en%         17,4       4,1    17,0      18,1       4,2     17,8       4,9       ns
koolhydraten totaal              en%         43,8       7,4    43,8      47,4       7,6     47,0       8,2          s
mono- en disachariden            en%         21,9       7,0    21,5      23,2       7,4     22,5       5,9          s
alcohol                          en%          2,4       4,2      0,0      1,3       3,5      0,0     -45,8       ns
voedingsvezel                    g/MJ         2,4       0,8      2,3      2,2       0,8      2,1      -8,3          s
eiwit totaal                     g           75,0      19,0    74,0      74,0      21,0     74,0      -1,3       ns
plantaardig eiwit                g           27,0       9,0    26,0      27,0       8,0     27,0       0,0       ns
vet totaal                       g           94,0      31,0    92,0      85,0      30,0     83,0      -9,6          s
verzadigde vetzuren              g           36,0      12,0    35,0      33,0      12,0     32,0      -8,3          s
transvetzuren                    g           11,0       6,0    10,0       5,0       3,0      4,0     -54,3          s
verz vetzuren incl. trans        g           47,0      16,0    46,0      38,0      14,0     36,0     -19,1          s
onverzadigde vetzuren            g           42,0      16,0    40,0      42,0      16,0     41,0       0,0       ns
koolhydraten totaal              g          232,0      71,0   228,0     246,0      74,0   248,0        4,3          s
mono- en disachariden            g          117,0      48,0   110,0     121,0      50,0   116,0        3,4       ns
alcohol                          g            8,0      14,0      0,0      4,0      12,0      0,0     -50,0       ns
voedingsvezel                    g           20,0       7,0    20,0      19,0       7,0     19,0      -5,0          s
calcium                          mg         945,0     404,0   890,0     926,0     369,0   909,0       -2,0       ns
ijzer                            mg          10,5       3,3    10,2      10,3       3,0     10,3      -1,9       ns
retinolequivalenten              µg        1042,0    1340,0   717,0     756,0     672,0   566,0      -27,4          s
vitamine B6                      mg           1,4       0,4      1,3      1,5       0,5      1,5      11,0          s
foliumzuur                       µg         237,0      81,0   229,0     230,0      79,0   227,0       -2,9       ns
178           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>vitamine B12                    µg           4,4   5,1   3,5   3,7  2,3   3,3 -15,6   s
vitamine C                      mg          72,0  47,0  63,0  80,0 53,0  72,0  11,1   s
vitamine D                      µg           3,4   1,9   3,1   3,0  1,5   2,9 -11,8   s
vitamine E                      mg          12,5   5,6  11,8  11,6  5,6  10,9  -7,2  ns
calcium                         mg/MJ      110,0  55,0 105,0 110,0 44,0 107,0   0,0  ns
ijzer                           mg/MJ        1,2   0,3   1,2   1,2  0,3   1,2   0,0  ns
retinolequivalenten             µg/MJ      118,0 147,0  81,0  88,0 77,0  65,0 -25,4   s
vitamine B6                     mg/MJ      157,0  47,0 151,0 176,0 55,0 171,0  12,1   s
foliumzuur                      µg/MJ       27,7  10,6  25,7  27,2  9,6  25,9  -1,8  ns
vitmine B12                     µg/MJ        0,5   0,6   0,4   0,4  0,3   0,4 -15,7   s
vitamine C                      mg/MJ        8,6   7,4   7,1   9,5  6,5   8,1  10,5   s
vitamine D                      µg/MJ        0,4   0,2   0,4   0,4  0,2   0,3  -7,9  ns
vitamine E                      mg/MJ        1,4   0,5   1,3   1,3  0,5   1,3  -4,3   s
              Gemiddelde dagelijkse voorziening                                     179
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>180 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>Bijlage J
        Door de commissie gehanteerde
        voedingsnormen
        voedingsstof                   13 t/m 18 jaar      19 t/m 35 jaar
                                       jongens    meisjes  mannen     vrouwen  basis
        energie                   kJ   12 700     10 100   11 300     10 000   Gez01
        eiwit totaal              en%        6,5       7,0       8,0       9,0 Gez01
        vet totaal                en%       35,0      35,0      35,0      35,0 Gez01
        verzadigde vetzuren       en%       10,0      10,0      10,0      10,0 Gez01
        transvetzuren             en%        1,0       1,0       1,0       1,0 Gez01
        cis onverzadigde vetzuren en%       8-33      8-33      8-33      8-33 Gez01
        koolhydraten totaal       en%       45,0      45,0      40,0      40,0 Gez01
        voedingsvezel             g/MJ       3,0       3,0       3,0       3,0 Voe92
        calcium                   mg     1200,0     1100,0   1000,0     1000,0 Gez00
        ijzer                     mg        15,0      13,0       9,4      15,2 Voe92
        retinolequivalenten       µg     1000,0      800,0   1000,0      800,0 Voe92
        vitamine B6               mg         1,5       1,3       1,4       1,1 Voe92
        foliumzuur                µg      137,5      137,5    200,0      200,0 Voe92
        vitamine B12              µg         2,4       2,1       2,5       2,4 Voe92
        vitamine C                mg        67,5      65,0      70,0      70,0 Voe92
        vitamine D                µg         2,5       2,5       2,5       2,5 Gez00
        vitamine E                mg        13,7      14,2      14,2      10,0 Voe92
        Door de commissie gehanteerde voedingsnormen                                 181
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>182 Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>Bijlage       K
              Gemiddelde dagelijkse voorziening
              met energie en voedingsstoffen naar ontbijtgebruik in 1997/98*
Gemiddelde dagelijkse inname van energie en voedingsstoffen naar ontbijtgebruik in 1997/98 (standaardisatie demografische gegev-
ens basis 1987/88)
mannen 19-35 jaar
aantal respondenten                                           geen ontbijta: 136         wel ontbijta: 470           significantie
                                                              gem        SD              gem        SD
energie                                            kJ         10 671     3117            11 971     3117             ***
eiwit totaal                                       en%            13,7         3,3            14,3        2,8        *
plantaardig eiwit                                  en%              4,7        1,1             5,3        1,2        ***
vet totaal                                         en%            35,3         8,0            36,2        5,9
verzadigde vetzuren                                en%            13,7         3,4            14,1        2,9
transvetzuren                                      en%              1,8        1,3             1,7        0,9
verzadigde vetzuren incl. trans                    en%            15,8         2,9            15,8        3,2
onverzadigde vetzuren                              en%            17,7         4,8            18,2        3,6
koolhydraten totaal                                en%            47,6         8,2            46,4        7,0
mono- en disacchariden                             en%            24,0         9,0            22,3        6,6
alcohol (alleen gebruikers)                        en%              8,0        9,4             5,5        5,1
eiwit totaal                                       g              87,0        30,0           101,0       31,0        ***
plantaardig eiwit                                  g              30,0        10,0            37,0       12,0        ***
vet totaal                                         g             101,0        37,0           115,0       38,0        ***
verzadigde vetzuren                                g              39,0        15,0            45,0       16,0        **
*             Standaardisatie demografische gegevens basis 1987/88.
              Gemiddelde dagelijkse voorziening                                                                               183
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>transvetzuren                                g              5,0        4,0       5,0         3,0 *
verzadigde vetzuren incl. trans              g            44,0        17,0     50,0        18,0  ***
onverzadigde vetzuren                        g            50,0        20,0      58,0       20,0  ***
koolhydraten totaal                          g           300,0        99,0    328,0        89,0  **
mono- en disacchariden                       g           150,0        65,0    158,0        58,0
voedingsvezel                                g            19,0         8,0      26,0         9,0 ***
alcohol (alleen gebruikers)                  g            30,0        35,0      25,0       29,0
calcium                                      mg          882,0       452,0   1169,0       503,0  ***
ijzer                                        mg            11,2        4,1      13,4         4,3 ***
retinolequivalenten                          µg          964,0     1082,0    1151,0      1583,0  ***
vitamine B6                                  mg             1,8        0,7       2,1         0,7 ***
foliumzuur                                   µg          230,0        79,0    299,0        97,0  ***
vitmine B12                                  µg             4,5        3,4       5,1         3,9
vitamine C                                   mg           60,0        37,0     83,0        53,0  ***
vitamine D                                   µg             4,0        2,4       4,6         2,2 ***
vitamine E                                   mg           12,7         6,5     15,8          7,0 ***
voedingsvezel                                g/MJ           1,8        0,6       2,2         0,8 ***
calcium                                      mg/MJ        83,0        35,0      99,0       38,0  ***
ijzer                                        mg/MJ          1,0        0,3       1,1         0,3 **
retinolequivalenten                          µg/MJ        87,0        95,0      98,0      120,0  **
vitamine B6                                  µg/MJ       166,0        52,0    174,0        46,0  *
foliumzuur                                   µg/MJ        21,8         6,2      25,6         8,0 ***
vitamine B12                                 µg/MJ          0,4        0,3       0,4         0,3
vitamine C                                   mg/MJ          6,8        3,4       7,2         4,7 ***
vitamine D                                   µg/MJ          0,4        0,2       0,4         0,2
vitamine E                                   mg/MJ          1,2        0,6       1,3         0,5 ***
energie/lichaamsgewicht                      kJ/kg       137,0        43,0    153,0        45,0  ***
eiwit/lichaamsgewicht                        g/kg           1,1        0,4       1,3         0,4
lichaamsgewicht                              kg           79,4        13,1      80,0       12,1
lichaamslengte                               cm          182,0         8,0    184,0          7,0
Quetelet Index                               kg/m2        24,0         3,9      23,8         3,4
vrouwen 19-35 jaar
aantal respondenten                                   geen ontbijta: 136   wel ontbijta: 470     significantie
                                                      gem        sd        gem        sd
energie                                      kJ       8889       2256      7997       2303       ***
eiwit totaal                                 en%        14,1         3,8     14,8          3,5
plantaardig eiwit                            en%          4,8        1,1       5,3        1,2    ***
184           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>vet totaal                                  en%    37,3   7,5  36,5   6,5
verzadigde vetzuren                         en%    14,2   3,2  14,8   3,6
transvetzuren                               en%     2,1   1,4   1,9   1,0
verzadigde vetzuren incl. trans             en%    17,0   4,2  16,1   3,6
onverzadigde vetzuren                       en%    18,2   4,3  18,2   4,1
koolhydraten totaal                         en%    46,2   8,4  47,6   7,5
mono- en disachariden                       en%    23,0   9,6  23,1   7,0
alcohol (alleen gebruikers)                 en%     7,0   8,1   4,0   4,7
eiwit totaal                                g      66,0  21,0  76,0  20,0 ***
plantaardig eiwit                           g      23,0   7,0  28,0   8,0 ***
vet totaal                                  g      79,0  28,0  87,0  29,0 *
verzadigde vetzuren                         g      31,0  11,0  34,0  12,0
transvetzuren                               g       5,0   3,0   5,0   3,0
verzadigde vetzuren incl. trans             g      36,0  13,0  38,0  14,0
onverzadigde vetzuren                       g      39,0  15,0  43,0  16,0 *
koolhydraten totaal                         g     220,0  76,0 251,0  72,0 ***
mono- en disachariden                       g     109,0  55,0 123,0  49,0 *
voedingsvezel                               g      16,0   6,0  20,0   6,0 ***
alcohol                                     g      21,0  25,0  13,0  16,0
calcium                                     mg    789,0 307,0 964,0 371,0 ***
ijzer                                       mg      9,0   2,8  10,6   3,0 ***
retinolequivalenten                         µg    748,0 872,0 778,0 661,0 *
vitamine B6                                 mg      1,4   0,5   1,5   0,5 ***
foliumzuur                                  µg    189,0  66,0 240,0  78,0 ***
vitmine B12                                 µg      3,2   1,8   3,8   2,4 *
vitamine C                                  mg     59,0  34,0  84,0  53,0 ***
vitamine D                                  µg      2,6   1,4   3,1   1,5 **
vitamine E                                  mg      9,8   5,2  12,0   5,5 ***
voedingsvezel                               g/MJ    2,0   0,8   2,3   0,8 ***
calcium                                     mg/MJ 104,0  44,0 112,0  43,0 *
ijzer                                       mg/MJ   1,2   0,3   1,2   0,3
retinolequivalenten                         µg/MJ  93,0 101,0  89,0  75,0
vitamine B6                                 µg/MJ 174,0  57,0 176,0  53,0
foliumzuur                                  µg/MJ  24,3   8,1  27,9   9,7 ***
vitamine B12                                µg/MJ   0,4   0,2   0,5   0,3
vitamine C                                  mg/MJ   7,8   4,9   9,9   6,6 **
vitamine D                                  µg/MJ   0,3   0,2   0,4   0,2
vitamine E                                  mg/MJ   1,2   0,5   1,3   0,5 *
              Gemiddelde dagelijkse voorziening                               185
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>energie/lichaamsgewicht                      kJ/kg     125,0    43,0    135,0 41,0 *
eiwit/lichaamsgewicht                        g/kg        1,0     0,4      1,2  0,4
lichaamsgewicht                              kg         66,9    14,5     68,4 13,8
lichaamslengte                               cm        169,0     7,0    170,0  7,0
Quetelet Index                               kg/m2      23,4     4,8     23,7  4,5
* = p<0,5
** = p<0,01
*** = p<0,001
a    op beide onderzoeksdagen
186           Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>Bijlage       L
              Ontwikkeling in het productgebruik
              (percentage gebruikers*) naar maaltijd in de periode 1987/88-1997/98 (totale populatie)
Productgebruik (percentage gebruikers) naar maaltijd (totale populatie)
                                     ontbijt                   lunch                   warme maaltijd       tussendoor
                                     1987/88  1997/98          1987/88  1997/98        1987/88    1997/98   1987/88   1997/98
                                     %        %                %        %              %          %         %         %
ontbijtgranen                         7       10                 a        a                                   a        a
                                                                                        4          4
brood                                83       76               95       93             23         15        37        35
kaas                                 31       29               57       55             12         18        24        22
vleeswaren                           22       20               59       56             12         18        18        17
ei                                    9         7              20       16             31         31         6         3
melk(producten)                      47       54               67       64             78         76        74        69
fruit                                 8       10               25       22             47         37        53        49
vruchtensap                           7       11                3         6             5          7        24        24
thee                                 53       40               22       20               a         a
                                                                                                            48        44
koffie                               22       26               21       18              4          4        73        66
suiker                               44       33               29       22             32         23        58        49
soep                                  a         a
                                                               12       12             29         22         4         4
aardappelen                           a         a                a        a            87         84         3         a
rijst, pasta                          a         a                a        a            24         29          a        a
                                      a         a                                                                      a
samengestelde producten                                         4         4            10         14         3
                                      a         a
groenten                                                       11       13             93         90         8         7
                                      a         a                         a                                   a        a
varkensvlees                                                    6                      50         43
*             Gestandaardiseerd op de demografische gegevens (leeftijd, geslacht en opleiding) van 1987/88.
              Ontwikkeling in het productgebruik                                                                           187
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>                                   a        a                                          a     a
rundvlees                                              5       4         29    25
                                   a        a          a                               a     a
gevogelte                                                      4         15    22
                                   a        a          a        a                      a     a
gehakt                                                                   30    32
                                   a        a                                          a     a
vis                                                    5       5          6     8
                                   a        a          a        a
alcoholische dranken                                                      9    10     38    33
frisdranken                        a        a
                                                       4       8         10    16     44    48
light frisdrank                    a        a          a        a         a     a      a
                                                                                            11
noten, zaden, snacks (vleesbevat-  a          a
                                           4( )        6(4)   13(5)      12(9) 17(12) 43(7) 43(7)
tende snacks)
                                                                          a     a     81    76
koek en gebak (incl. ontbijtkoek)  8       9           4       7
a
   ≤ 3%
188            Enkele belangrijke ontwikkelingen in de voedselconsumptie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>