<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>De Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) heeft tot taak de ministers van Volks- gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On- derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW), en van Economische Zaken (EZ) te adviseren over prioriteiten in het gezondheidsonder- zoek, in het zorgonderzoek en de technologie- ontwikkeling in deze sector, evenals over de daarbij behorende infrastructuur. Het maat- schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO steeds het uitgangspunt. In dit advies geeft de RGO een over- zicht van het huidige en gewenste wetenschap- pelijke onderzoek op het gebied van de fysio- therapie en de onderzoeksinfrastructuur. De Raad staat stil bij de knelpunten in de kennis- verwerving, kennisverspreiding en kennistoe- passing en doet op basis hiervan een aantal aanbevelingen ter verbetering van de situatie. De publicaties van de RGO zijn via de website van de RGO te raadplegen. R A A D V O O R G E Z O N D H E I D S O N D E R Z O E K Publicatie 42 Postadres: Raad voor Gezondheidsonderzoek Postbus 16052 2500 BB Den Haag Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag telefoon (070) 340 75 21 fax (070) 340 75 24 e-mail bureau@rgo.nl website www.rgo.nl R A A D V O O R G E Z O N D H E I D S O N D E R Z O E K Advies Onderzoek Fysiotherapie</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies
Onderzoek Fysiotherapie
Publicatie 42
Den Haag, juni 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>BAAD YOOR GESONDPHELNSONTDERZORR

Aan de minister van Wolksgezondheld, Welzijn en Sport
drs. J.F, Hoogervorst

Posthis 20050

2500 E] DEM HAAG

Ons kenmerk: HR 0.62
Bijlageiny: L

Taam: 24 juni 2003
Geachie heer Hoogervorsl.

In maart 2001 cemving de Raad voor Gezandheidscederzoek (ROO) van uw voorgangeter het verzoek te
mävieren over de inhoud en de infrastroctuur van het cederzoek op het gebied van de fysiotherapie. Het ging
daartij om cen overzicht van hei boidige en gewenste omilerzoek en het vamult maatschappelijke perspectief
stellen van prioriteiten voor onderzoek, alsmede om lacunes In de huldige infrastructuur en mogelijke
sanpassingen,

De Band beeft geconstateerd Au de bervepegroep fyslotherapie erop is gericht de eigen eminem tõ bewaren.
rowel len aanzien van aanpalende paramedische (met name vefeceherapie Mensenticck en ocfeenherapie Cesar)
als medische disciplines (met name revalidatie- en huzisartsgeneeskunde en orthopedic). De Raad constateert
voor het werenschappelijk onderzoek in de fysictherapie hetzelfde. Dil wordt verricht daar zowel
fvsiccherapeuren abs met-fysinthernpenien in universitaire en builenuniveraltabre onderroeksinstitaten,
afdelingen van ziekenhumen., kenmscentra en hogescholen. Samenwerking mei andere wetenschappen dice
echter niet als een bedreiging van de eigen üheütireit te worden gezien, maar als een vaardeel met oog op cen
verdere verweterechappelijking van bet vak fysbetherapie en met oog, op verhoging van de kwaliteit van de
verleende zorg. Eerder dan domeindiscussees warden in dit advies de kwalitest en haalbaarheid van relevanie
cederzoeksvragen centraal gesteld, De Rand geeft aan het onderzoek van vier thema ‘s prbories en beziet
vervolgen hee en mei de inbreng van welke relevante disciplines deze vraagstellingen beanswoard kunnen
worden. Vermerking van het wetenschappelijk draagvlak binnen de beroepsgroep is naar de mening van de
Raad eescenicel om de sameewerking met andere disciplines swectsrijk te laten zijn en om de implementatie van
ondersocksresulimen io de praktijk van de fysiotherapeubische zorg te bevorderen,

Ten einde hei verrichten van wetenschappelijk cederzoek door praktiserende Fysitherapeuten le bevorderen
melt de Raad een promotiefimds voor, waaruit onderzoek op de vier door de Raad geselecteerde
onderzoeksthema’s kan woeden gefinancierd,

De Raad acht het wenselijk dat ter bevordering van bundeling en codedinaiie van het nogal versnipperde
anderzoek een coommissle “Onderzoek Pysiotherapie™ ward ingesteld bij ZonMw, De commissie heeft tot baai
de voortgang van het promociefonds te oanirolerer, priürileien voor onderzoek indien gewenst bij le stellen en
te ereven maar samenhang bessen de verschillende organisacics die zich bezig bonden met inbediting.
ilimemming, moodioring en programmering van oederzoek

Met vriendelijke grovel. A
| Ol Vt a
MEA Kara t AA
protdr, HGM, Rooijmans | lee HW. Benneker
voorziner Rr algemeen secretaris RGO

Laa. de minister van Economische Zaken
de minister van Onderwijs, Culuzar en Wetenschappen

Part pe Mere kilres

Posthus WISE Parnassusplein 4

Zi BB Dern Haag BALL UK Den Haag
e-mail kureawrgo.nl ä Teken Gr > AAN 75 21

website waargenl Fax O70 - Sh 75 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>INHOUD
Samenvatting                                                         1
Summary                                                              7
1    Inleiding                                                      13
     1.1    Adviesaanvraag                                          13
     1.2    Opzet van het advies                                    13
2    Fysiotherapie in Nederland; stand van zaken en ontwikkelingen  15
     2.1    De beroepsgroep fysiotherapie                           15
     2.2    Oefentherapie Mensendieck en oefentherapie Cesar        18
     2.3    De behoefte aan fysiotherapeutische zorg                19
     2.4    Professionalisering van de fysiotherapie                21
     2.5    Fysiotherapie en wetenschappelijk onderzoek             24
3    Lopend onderzoek in de fysiotherapie                           27
     3.1    Werkwijze                                               27
     3.2    Infrastructuur van het onderzoek                        29
     3.2.1 Omvang                                                   30
     3.2.2 Financiering                                             30
     3.2.3 Duur                                                     31
     3.3    Inhoud van het onderzoek                                32
     3 .4. Onderzoeksprogramma’s op het gebied van de fysiotherapie 35
     3.4.1 Deelprogramma Paramedische Zorg, CVZ                     35
     3.4.2 Programma Kwaliteit Paramedische Zorg, ZonMw             36
     3.4.3 Programma Gezond Leven, ZonMw                            36
     3.4.4 Programma Preventie, ZonMw                               37
     3.4.5 Doelmatigheidsonderzoek, ZonMw                           37
     3.4.6 Revalidatieonderzoek, ZonMw                              38
     3.4.7 Vernieuwingsimpuls, NWO                                  38
     3.4.8 Collectebusfondsen                                       39
     3.5    Samenvatting                                            39
4    Gewenst onderzoek                                              41
     4.1    APTA                                                    41
     4.2    De onderzoekers (aanbodzijde)                           43
     4.3    De vraagzijde                                           43
     4.4    Andere bronnen van onderzoeksvragen                     44
     4.4.1 Advies fysische techniek Gezondheidsraad                 45
     4.4.2 Advies oefentherapie Gezondheidsraad                     46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>       4.4.3 ‘Lacunebak’ NHG                                               46
       4.5      Afstemming van aanbod op de vraag naar onderzoek           46
5      Knelpunten en mogelijke oplossingen                                 51
       5.1      Stappen in de HTA-cyclus                                   51
       5.1.1 Signalering                                                   51
       5.1.2 Prioritering                                                  52
       5.1.3 Onderzoek                                                     52
       5.1.4 Disseminatie                                                  56
       5.1.5 Implementatie                                                 56
       5.1.6 Evaluatie                                                     57
       5.2      Onderzoeksinfrastructuur                                   57
       5.2.1 Samenwerking en afstemming                                    57
       5.2.2 Onderzoeksprogramma                                           58
       5.2.3 Opleiding                                                     58
       5.2.4 Werkplaats                                                    58
6      Beschouwing en conclusies                                           59
       6.1      Fysiotherapeutisch onderzoek in de knel                    59
       6.2      Onderzoek en professionalisering van de fysiotherapie      60
       6.2.1 Scholing                                                      60
       6.2.2 Onderzoekers werkzaam op het gebied van de fysiotherapie      61
       6.2.3 Domein van de fysiotherapie                                   61
7      Aanbevelingen                                                       63
Lijst met afkortingen                                                      67
Referenties                                                                71
Bijlage 1       Adviesaanvraag
Bijlage 2       Samenstelling van de commissie
Bijlage 3       Deskundigheidsomschrijving fysiotherapie
Bijlage 4       Deskundigheidsomschrijving oefentherapie Mensendieck en
                oefentherapie Cesar
(Bijlage 5, 6, 7 en 8 zijn te vinden op <http://www.rgo.nl>)
Bijlage 5       Vragenlijst inventarisatie lopend onderzoek
Bijlage 6       Lopend onderzoek oefentherapie Mensdieck en oefentherapie Cesar
Bijlage 7       Lopend onderzoek fysiotherapie per onderzoekscentrum
Bijlage 8       Onderzoeksvragen fysiotherapie uit de 'lacunebak' NHG
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>SAM E N V ATTIN G
De Raad voor Gezondheidsonderzoek ontving in maart 2001 van de minister van
VWS de vraag te adviseren over onderzoeksprioriteiten op het gebied van de
fysiotherapie en over de onderzoeksinfrastructuur. De minister wees er op dat er
momenteel onvoldoende wetenschappelijk verantwoorde informatie beschikbaar
is om een oordeel te vellen over de werkzaamheid, doelmatigheid en
doeltreffendheid van fysiotherapie. Zij vroeg advies over de manier waarop hierin
kan worden voorzien en verzocht de RGO een overzicht te geven over het
huidige en gewenste onderzoek op het gebied van de fysiotherapie, alsmede de
huidige infrastructuur voor het onderzoek en de benodigde aanpassingen hiervan.
De Raad heeft ervoor gekozen naast het onderzoek op het gebied van de
fysiotherapie eveneens beknopt aandacht te geven aan het onderzoek op het
gebied van de oefentherapie Mensendieck en oefentherapie Cesar.
WERKTERREIN EN PROFESSIE VAN DE FYSIOTHERAPEUT
De fysiotherapie werkt (evenals de oefentherapeut) vrijwel uitsluitend op
verwijzing van een arts, met name de huisarts (84%) of medisch specialist (15%).
Ruim driekwart (12.800) van de fysiotherapeuten werkt extramuraal, vrijgevestigd
of in loondienst, in particuliere praktijken, gezondheidscentra of
bedrijfsfysiotherapie; ca. een kwart (5.200) werkt intramuraal in instellingen zoals
ziekenhuizen, revalidatiecentra en verpleeghuizen.
De belangrijkste verwijsdiagnoses betreffen lage rugpijn, nek- en schouder-
klachten. Een fysiotherapeut behandelt deze klachten met begeleiding, bewegings-
of oefentherapie, massagetherapie of fysische therapie in engere zin. De
oefentherapeuten Mensendieck en Cesar (respectievelijk 861 en 895 in aantal)
geven uitsluitend oefentherapie, volgens een eigen methodiek.
De kosten voor extramurale fysiotherapie bedroegen in 1999 ca. i 683 miljoen,
ca. 2 % van de totale kosten van de gezondheidszorg. Verschillende studies laten
zien dat met een toenemende vergrijzing van de bevolking de fysiotherapeutische
zorg verder zal toenemen, zowel als gevolg van een intensivering als van een
toename in de duur van behandelingen.
PROFESSIONALISERING EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
De fysiotherapie is een relatief jong beroep, dat zich aan het professionaliseren is.
Dit is o.a. te zien aan het wetenschappelijk onderzoek dat sinds de instelling van
de leerstoel fysiotherapie in 1992 aan de Universiteit van Utrecht van de grond is
gekomen, de recent gestarte universitaire kopstudie ‘Fysiotherapiewetenschap’ en
                                                                            1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>de aanstelling van 14 lectoren aan 9 hogescholen op het gebied van de
fysiotherapie of paramedische zorg. Door het Koninklijk Nederlands Genootschap
voor Fysiotherapie (KNGF) wordt een kwaliteitsbeleid gevoerd, bestaande uit o.a.
verplichte bij- en nascholing, de ontwikkeling en implementatie van evidence-
based richtlijnen, en de ontwikkeling van het Intercollegiaal Overleg
Fysiotherapeuten.
Het wetenschappelijk onderzoek in de fysiotherapie wordt door zowel
fysiotherapeut-onderzoekers als niet-fysiotherapeut-onderzoekers uitgevoerd. De
laatste groep is in de meerderheid. Het onderzoek maakt vaak deel uit van een
groter onderzoek, waarbij een niet-fysiotherapeut-onderzoeker projectleider is. Er
vindt samenwerking plaats met medische, gedrags- en bewegingswetenschappen.
Inmiddels zijn er ongeveer 40 à 50 gepromoveerde fysiotherapeuten, veelal met
een aanvullende universitaire opleiding in een van die wetenschappen. Meestal
hebben zij het praktijkveld verlaten.
LOPEND ONDERZOEK
Het lopende onderzoek in 2002 is in kaart gebracht met vragenlijsten gericht aan
(buiten)universitaire medische onderzoekscentra. Uit de inventarisatie blijkt dat
het fysiotherapeutisch onderzoek in een groot aantal onderzoeksgroepen
plaatsvindt, ondergebracht bij verschillende onderzoeksscholen, onderzoeks-
instituten en bij afdelingen van een ziekenhuis, in een kenniscentrum of
hogeschool. De totale omvang van het onderzoek in 2002 wordt geschat op 123
fte wetenschappelijk personeel (wp) en betreft zowel fysiotherapeutisch onderzoek
in engere zin (ongeveer eenderde van het totaal) als het onderzoek met relevantie
voor de fysiotherapie (ongeveer tweederde). Dit laatste is veelal onderzoek van
het bewegingsvermogen, verricht onder verantwoordelijkheid van specialisaties
van aanpalende gebieden, zoals revalidatiegeneeskunde, huisartsgeneeskunde,
reumatologie, orthopedie en bewegingswetenschappen. Samenwerking vindt met
name plaats op projectbasis. Ongeveer 70% van de beschikbare fte wp’s is
werkzaam in universitaire onderzoeksinstituten en 30% buitenuniversitair.
Tweederde deel is in tijdelijke dienst.
Uit de inventarisatie blijkt dat ruim de helft (60%) van de onderzoeksprojecten
evaluatie-onderzoek betreft naar behandelingen van het houdings- en
bewegingsapparaat.
Dit is in lijn met de verwijsdiagnoses voor fysiotherapie door de huisarts, die
uitsluitend het bewegingsapparaat betreffen. Bij ongeveer 10% van de projecten
gaat het om verklarend en bij 6% om preventieonderzoek.
        2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Het onderzoek vindt op dit moment voor tweederde plaats binnen verschillende
onderzoeksprogramma’s (tweede en derde geldstroom). Een aantal onderzoeks-
programma’s loopt echter op korte termijn af en wordt waarschijnlijk niet
gecontinueerd. Er is geen apart onderzoeksprogramma voor fysiotherapeutisch
onderzoek. Dit brengt de continuïteit van het onderzoek in gevaar.
Toekomstig fysiotherapeutisch onderzoek zou beperkt kunnen (blijven)
plaatsvinden binnen de volgende onderzoeksprogramma’s: het beleidsonder-
steunend onderzoek eerstelijnszorg van het CVZ, doelmatigheidsonderzoek van
ZonMw, revalidatieonderzoek van ZonMw, de vernieuwingsimpuls van NWO en
de onderzoeksprogramma’s van de collectebusfondsen.
GEWENST ONDERZOEK
Bij het ordenen van het gewenste onderzoek is uitgegaan van de onderzoeks-
vragen die zijn opgesteld door de American Physical Therapy Association (APTA).
Deze ordening is naar de mening van de Raad goed bruikbaar voor de
Nederlandse situatie, al worden er geen prioriteiten in gesteld. Het gewenste
onderzoek is in kaart gebracht met vragenlijsten gericht aan onderzoekers
(aanbodzijde) en organisaties van de vraagzijde van het onderzoek (KNGF,
zorgverzekeraars Nederland) en ingedeeld volgens de APTA. Gelet op een ander
aggregatieniveau was het niet mogelijk het lopende onderzoek volgens de APTA
in te delen. De Raad heeft ook andere bronnen van onderzoeksvragen in binnen-
en buitenland geraadpleegd.
Tenslotte is het gewenste onderzoek geplaatst naast het lopende onderzoek en zijn
aan de hand van een aantal overwegingen de volgende vier met elkaar
samenhangende terreinen van onderzoek geprioriteerd en ingedeeld volgens de
APTA:
- patiëntgebonden evaluatie-onderzoek naar fysiotherapeutische behandelingen,
   in het bijzonder de oefentherapie, met daarnaast onderzoek te richten op
   reactiveringsprogramma’s bij patiënten met chronische aandoeningen;
- preventieonderzoek naar bewegingsprogramma’s bij patiënten met chronische
   aandoeningen;
- ontwikkeling van meetinstrumenten/klinimetrie;
- verklarend onderzoek naar werkingsmechanismen.
                                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>KNELPUNTEN EN MOGELIJKE OPLOSSINGEN
De Raad signaleert een aantal knelpunten in de kennisverwerving, -verspreiding
en -toepassing, ook wel aangeduid als de stappen ‘onderzoek’, ‘disseminatie’ en
‘implementatie’ van de HTA-cyclus. Daarnaast staat de Raad stil bij knelpunten in
de signalering en prioritering van onderzoeksonderwerpen en in de evaluatie, de
stap die volgt op de kennistoepassing. Bij alle stappen worden mogelijke
oplossingen besproken.
AANBEVELINGEN
Aan de hand van de knelpunten formuleert de Raad de volgende aanbevelingen:
1. Signalering
De signalering van vragen uit de beroepspraktijk sluit onvoldoende aan op de
vertaling van deze vragen in onderzoeksvoorstellen. De beroepsgroep kan de
vragen goed signaleren, maar heeft moeite met de vertaling ervan in onder-
zoeksvoorstellen. Anderzijds hebben onderzoekers moeite met het signaleren van
die vragen. Fysiotherapeut-onderzoekers die werkzaam blijven in de praktijk zijn
goed in staat beide functies te vervullen. Nu zij echter veelal de praktijk verlaten
wordt de brugfunctie tussen praktijk en onderzoek onvoldoende vervuld
De Raad pleit ervoor dat onderzoeksinstituten nauwe binding aangaan met een of
meer fysiotherapiepraktijken, zodat fysiotherapeut-onderzoekers in de praktijk
werkzaam blijven.
Ten behoeve van de signaleringen uit de praktijk en de implementatie van
onderzoeksresultaten onderstreept de Raad de noodzaak van samenwerking van
hogescholen met universitaire en buitenuniversitaire onderzoeksinstituten.
2. Prioritering
De Raad acht meer ordening van het onderzoek nodig en beveelt aan prioriteiten
voor onderzoek volgens de clinical research agenda van de APTA te rangschikken.
Een op te richten commissie ‘Fysiotherapie-onderzoek’ bij ZonMw dient
prioriteiten te verzamelen en krijgt tevens tot taak te streven naar samenhang
tussen de diverse instanties die zich bezig houden met inbedding, afstemming,
monitoring, coördinatie en programmering van onderzoek op het gebied van de
fysiotherapie.
3. Zwaartepunten voor onderzoek en infrastructuur
De Raad beveelt aan het fysiotherapeutisch onderzoek te concentreren op de vier
eerder genoemde zwaartepunten. Hij beveelt aan bij de prioritering van onder-
       4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>zoeksvragen binnen de eerste drie zwaartepunten, behalve van Nederlandse
gegevens, gebruik te maken van literatuurgegevens en van ervaringen in andere
landen.
De Raad vindt de huidige infrastructuur van het fysiotherapeutisch onderzoek te
versnipperd en acht meer ordening en bundeling van het onderzoek noodzakelijk.
Ook is meer samenwerking nodig met andere disciplines, met name de klinische
epidemiologie, revalidatie- en huisartsgeneeskunde. De Raad beveelt aan
fysiotherapiepraktijken tot extramurale werkplaatsen voor onderwijs en
onderzoek in te richten.
4. Promotiefonds
Om het wetenschappelijk draagvlak binnen de beroepsgroep te verbreden en te
versterken stelt de Raad voor een promotiefonds in te stellen om gedurende een
aantal jaren door fysiotherapeuten te verrichten onderzoek te financieren. De
financiering moet een gedeelde verantwoordelijkheid zijn van de beroepsgroep en
de overheid.
Uitgaande van 4 à 6 promovendi per jaar, en een jaarbedrag van i 75.000 per
promotietraject, gaat het om i 300.000-450.000 per jaar, gedurende vooralsnog 4
jaar. Daarna zou een evaluatie nodig zijn met het oog op een beslissing over
continuering van het programma.
Voorwaarden voor deelname zijn: het promotie-onderwerp valt binnen één van
de vier onderzoeksthema’s; de fysiotherapeut is tevens werkzaam in de praktijk;
de promovendus wordt begeleid vanuit een onderzoekscentrum dat een nauwe
relatie heeft met een fysiotherapiepraktijk.
De kwaliteit van het promotievoorstel en de daarbij behorende infrastructuur
wordt beoordeeld door een bij ZonMw onder te brengen commissie
‘Fysiotherapie-onderzoek’.
5. Disseminatie
De Raad beveelt aan sleutelpublicaties te vertalen in het Nederlands en te
publiceren in Nederlandstalige vakbladen voor fysiotherapie (dubbelpublicaties in
Nederlands Tijdschrift voor Fysiotherapie, FysioPraxis).
6. Implementatie en Evaluatie
Het ontwerpen en implementeren van KNGF-richtlijnen verdient naar de mening
van de Raad continuering. Evaluatie van de knelpunten in de implementatie van
richtlijnen is nodig, met eventuele aanpassing van de richtlijn. De KNGF dient
hiervoor een plannings- en controlesysteem te ontwikkelen.
                                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>7. Oefentherapie Mensendieck, oefentherapie Cesar en fysiotherapie
Voor de toekomst acht de Raad een studie naar de overeenkomsten van de
oefentherapie Mensendieck, oefentherapie Cesar en fysiotherapie van groot
belang. Het gaat daarbij niet zo zeer om de overeenkomsten in de beginselen van
de oefentherapie of fysiotherapie, als wel in de aangeboden ‘zorgproducten’ en
behandeldoelen. Hierdoor is te verwachten dat de verschillen tussen ‘de
zorgproducten’ van de drie beroepsgroepen duidelijk worden, waardoor meer
duidelijkheid ontstaat voor de verwijzer en de patiënt.
       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>SU M M AR Y
In March 2001, the Dutch Minister of Health, Welfare and Sport requested the
Advisory Council on Health Research (‘Raad voor Gezondheidsonderzoek’;
Dutch acronym: RGO) to advise as to the priorities for research in the field of
physiotherapy and the research infrastructure. The Minister pointed out that there
is presently insufficient scientifically reliable information available to enable an
assessment of the efficacy, efficiency and effectiveness of physiotherapy. She
requested advice as to the way in which such information could be gathered and
asked the RGO to provide an overview of the present and desired research in the
field of physiotherapy, as well as the present research infrastructure and the
necessary adjustments to it. The Council has chosen not to limit its advice to
research in the field of physiotherapy but also to give brief attention to research in
the field of Mensendieck and Cesar exercise therapy.
AREA OF WORK AND PROFESSION OF THE PHYSIOTHERAPIST
A physiotherapist (like an exercise therapist) works practically exclusively on the
basis of a referral from a physician, particularly a general practitioner (84%) or a
medical specialist (15%). More than three-quarters (12,800) of all physiotherapists
work extramurally, either self-employed or on salary, in private practices, health
centres or occupational physiotherapy; about one-quarter (5,200) work
intramurally in institutions such as hospitals, rehabilitation centres and nursing
homes.
The most important referral diagnoses are low back pain and pain in the neck and
shoulders. A physiotherapist treats such complaints by means of guidance,
exercise therapy, massage or physical therapy in the narrower sense of the term.
The Mensendieck and Cesar exercise therapists (totalling 861 and 895,
respectively) give only exercise therapy using their own specific techniques.
In 1999, the costs of extramural physiotherapy amounted to approximately i 683
million or about 2% of the total costs of health care. Various studies have shown
that the amount of physiotherapeutic care provided will increase still further
together with the ageing of the population, due to both intensification and an
increase in the duration of treatment.
PROFESSIONALISATION AND SCIENTIFIC RESEARCH
Physiotherapy is a relatively young profession, which is now becoming more
professional. This can be seen, for example, in the scientific research that has been
started since the establishment of the Chair of Physiotherapy at the University of
                                                                              7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Utrecht in 1992, the postgraduate course in ‘Physiotherapeutic Science’ that was
recently started, and the appointment of 14 lectors in the field of physiotherapy or
paramedical care at 9 polytechnics. The Royal Netherlands Society for
Physiotherapy (‘Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie’: Dutch
acronym: KNGF) maintains a policy on quality consisting of, for example,
compulsory refresher training and continuing-education courses, the development
and implementation of evidence-based guidelines, and the development of the so
called Intercollegiate Consultation of Physiotherapists.
Scientific research in physiotherapy is carried out by both research
physiotherapists and investigators who are not physiotherapists. The latter group
is the larger. The research is often part of a larger research project in which the
project leader is not a physiotherapist. There is collaboration with specialists in
medical, behavioural and human movement sciences. Approximately 40 or 50
physiotherapists have in the meantime obtained a doctorate, often with
supplementary university training in one of those sciences. Most of these have
abandoned physiotherapeutic practice.
RESEARCH IN PROGRESS
An inventory was made of the research in progress in 2002 by means of
questionnaires directed at medical research centres, both within and outside of the
universities. The results of this inventory indicate that physiotherapeutic research
is carried out in a large number of research groups located in various research
schools, research institutes and the departments of hospitals, centres for
dissemination of knowledge and polytechnics. The overall magnitude of the
research in progress in 2002 is estimated at 123 full-time equivalents (fte’s) of
academic personnel, including both physiotherapeutic research in the narrow
sense of the term (about one-third of the total) and research with relevance for
physiotherapy (about two-thirds). The latter is often research on locomotor ability
carried out under the responsibility of specialists from neighbouring fields, such as
rehabilitation medicine, general practice, rheumatology, orthopaedics and human
movement sciences. The collaboration normally takes place on a project basis.
Approximately 70% of the available fte’s of academic personnel work in
university research institutes, while 30% are extra-academic. Two-thirds are
employed on a temporary basis.
The inventory shows that more than half (60%) of the research projects constitute
an evaluation of treatments of the musculoskeletal system. This is in line with the
referral diagnoses for physiotherapy from the general practitioner, which pertain
        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>exclusively to the locomotor apparatus. Approximately 10% of the projects
concern explanatory research and 6% concern preventive research.
At present, two-thirds of the research is done as part of various research
programmes (the indirect government funding and third party funding). However,
a number of these research programmes will soon be terminated and will
probably not be continued. There is no separate research programme for
physiotherapeutic research. This endangers the continuity of the research.
Future physiotherapeutic research could (continue to) be done on a limited scale
within the following research programmes: the policy-supportive research on first-
line care of the CVZ (Dutch Health Care Insurance Board), the efficiency study of
ZonMw (Netherlands Organisation for Health Research and Development), the
rehabilitation research of ZonMw, the so-called ‘vernieuwingsimpuls’ of the NWO
(Netherlands Organisation for Scientific Research), and the research programmes
of the charity funds.
NEEDS FOR RESEARCH
In its classification of the needs for research, the Council proceeded on the basis
of the research questions drawn up by the American Physical Therapy
Association (APTA). In the Council's opinion, this classification is quite suitable
for the situation in the Netherlands, even though no priorities are set. The desired
research was identified by means of questionnaires directed at both the
investigators (the supply side) and the organisations on the demand side of
research (KNGF, Dutch health insurance providers), and classified in accordance
with the APTA. In view of the different level of aggregation, it was not possible to
classify the research in progress in accordance with the APTA. The Council also
consulted other sources of research questions, both domestic and foreign.
Finally, the desired research was compared with the research in progress and, on
the basis of a number of considerations, the following four related areas of
research were prioritised and classified in accordance with the APTA:
- patient-related evaluative research on physiotherapeutic treatments, particularly
   exercise therapy, plus research directed at reactivation programmes in patients
   with chronic diseases;
- preventive research on exercise programmes in patients with chronic diseases;
- the development of measuring instruments and clinimetrics;
- explanatory research on working mechanisms.
                                                                            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>BOTTLENECKS AND THEIR POSSIBLE SOLUTIONS
The Council has identified a number of bottlenecks in the acquisition,
dissemination and application of knowledge, sometimes referred to as the
‘research’, ‘dissemination’ and ‘implementation’ steps of the HTA-cycle.
Moreover, the Council has given attention to the bottlenecks in the identification
and prioritisation of research topics and in the evaluation, the step following the
application of knowledge. Possible solutions are discussed in connection with all
of these steps.
RECOMMENDATIONS
1. Identification
The identification of questions originating in professional practice dovetails
insufficiently with the translation of these questions into proposals for research.
The profession is quite able to identify the questions but has difficulty translating
them into proposals for research. On the other hand, investigators have difficulty
identifying the questions. Research physiotherapists who remain active in practice
are quite able to fulfil both roles. However, since they now often abandon
practical work, the role of a bridge between practice and research is fulfilled
insufficiently.
The Council urges research institutes to establish a close relationship with one or
more physiotherapy practices so that research physiotherapists will continue their
practical work. In order to improve the identification of questions arising in
practice and the implementation of research results, the Council emphasises the
necessity for collaboration between polytechnics and both academic and non-
academic research institutes.
2. Prioritisation
The Council feels that the research should be more systematically organised and
recommends that research priorities be drawn up in accordance with the Clinical
research agenda of the APTA. A committee on ‘Physiotherapy research’ that is to
be set up as part of ZonMw will have to collect the priorities and will also be
expected to strive for more collaboration between the various institutions that deal
with the embedding, harmonisation, monitoring, co-ordination and programming
of research in the area of physiotherapy.
3. Key areas for research and the infrastructure
The Council recommends that physiotherapeutic research be concentrated in the
four key areas that were listed above. It recommends that when priorities are
        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>assigned to research questions in the first three key areas, use should be made of
data in the literature and experience in foreign countries in addition to Dutch
data.
The Council considers the present infrastructure of physiotherapeutic research to
be overly fragmented and feels that better organisation and grouping of research
projects is necessary. There should also be more collaboration with other
disciplines, particularly clinical epidemiology, rehabilitation medicine and general
practice. The Council recommends that physiotherapy practices be utilised for
education and research.
4. Doctoral (student) research fund
In order to broaden and reinforce the scientific basis within the profession, the
Council recommends that a fund for doctoral research be set up in order to
finance the research that is to be carried out by physiotherapists over the next
several years. The financing should be a shared responsibility between the
profession and the government.
Assuming 4 to 6 doctoral candidates per year and an annual cost of i 75,000 per
candidate, this would amount to i 300,000-450,000 per year for (for the time
being) 4 years. Thereafter, an evaluation would be required before deciding
whether or not the programme should be continued.
The requirements for participation would be: the doctoral research topic falls
within one of the four key areas for research; the physiotherapist is also engaged
in practice; and the doctoral candidate is guided by a research centre that has a
close relationship to a physiotherapy practice.
The quality of the proposed doctoral research and the infrastructure that is
associated with it will be assessed by the committee on ‘Physiotherapy research’
that is to be set up as part of ZonMw.
5. Dissemination
The Council recommends that key publications be translated into Dutch and
published in Dutch professional journals for physiotherapy (duplicate publication
in the ‘Nederlands Tijdschrift voor Fysiotherapie [Dutch Journal for
Physiotherapy]’ and ‘FysioPraxis’).
6. Implementation and evaluation
In the Council’s opinion, the design and implementation of the KNGF guidelines
should be continued. An evaluation of the bottlenecks in the implementation of
guidelines is needed, followed by amendment of the guideline if necessary. The
KNGF should develop a planning and control system for this purpose.
                                                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>7. Mensendieck exercise therapy, Cesar exercise therapy and physiotherapy
The Council feels that a study of the similarities between Mensendieck exercise
therapy, Cesar exercise therapy and physiotherapy would be of great importance
for the future. What is important is not so much the similarities in the principles of
exercise therapy and physiotherapy, but the similarities in the ‘care products’ that
are offered and the goals of treatment. Such a study can be expected to clarify the
differences between the ‘care products’ provided by the three professions and thus
create more clarity for both the referring physician and the patient.
       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>1          INLEIDING
1.1        ADVIESAANVRAAG
Op 30 maart 2001 ontving de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) een
adviesaanvraag over het onderzoek in de fysiotherapie van de toenmalige minister
van VWS (bijlage 1). Zij schrijft hierin dat het Koninklijk Nederlands
Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) in november 2000 een Weten-
schappelijke Raad voor de Fysiotherapie heeft opgericht, wiens activiteiten
moeten leiden tot een betere onderbouwing van de fysiotherapie. In dat kader
heeft het KNGF de minister voorgesteld de RGO advies te vragen over het
onderzoek op dat gebied. De minister wijst er in haar aanvraag op dat er
momenteel onvoldoende wetenschappelijk verantwoorde informatie beschikbaar
is voor het vellen van een oordeel over de werkzaamheid, doelmatigheid en
doeltreffendheid van fysiotherapie. Zij vraagt advies over de manier waarop hierin
kan worden voorzien en verzoekt de RGO een overzicht te geven over: het
huidige en gewenste onderzoek op het terrein van de fysiotherapie (mede gelet op
de prioritering met het oog op maatschappelijke relevantie); de huidige
infrastructuur voor het onderzoek en de lacunes daarin; de wijze waarop in deze
lacunes kan worden voorzien, met inachtneming van de noodzaak tot het
scheppen van samenhang; de behoefte aan MTA-onderzoek en onderzoek naar
de organisatie en structuur van de fysiotherapeutische hulpverlening. Op grond
van dit overzicht verzoekt zij aan te willen geven of en zo ja op welke wijze de
huidige infrastructuur voor onderzoek aanpassing behoeft. Een commissie van de
RGO onder voorzitterschap van prof. dr. W.G. van Aken heeft het advies voor-
bereid (zie bijlage 2 voor de samenstelling van de commissie).
1.2        OPZET VAN HET ADVIES
De adviesaanvraag richt zich op het onderzoek op het gebied van de
fysiotherapie. Hoewel dit onderzoek niet uitsluitend wordt uitgevoerd door
fysiotherapeuten, speelt deze beroepsgroep natuurlijk wel een heel belangrijke rol.
Het leek daarom nuttig eerst aandacht te besteden aan de professie en het
werkterrein van de fysiotherapeut: wat is de huidige stand van zaken, en welke
relevante ontwikkelingen zijn gaande of te verwachten (hoofdstuk 2)? Daarna
wordt in hoofdstuk 3 een overzicht gegeven van het lopende onderzoek op het
terrein van de fysiotherapie en van de daarbij behorende infrastructuur. Ook
wordt in dit hoofdstuk ingegaan op onderzoeksprogramma’s waarbinnen
momenteel weinig fysiotherapeutisch onderzoek plaatsvindt, hoewel die
programma’s daar wel ruimte voor bieden. In hoofdstuk 4 komt, vooral op
                                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>geleide van de onderzoeksagenda van de APTA (American Physical Therapy
Association), aan de orde welk onderzoek gewenst is. Na vergelijking van wat
gewenst is met wat er al gebeurt, wordt dit hoofdstuk afgesloten met een lijst van
door de RGO gestelde onderzoeksprioriteiten. Hoofdstuk 5 is gewijd aan een
bespreking van de knelpunten die zich op de terreinen kennisverwerving, -
verspreiding en -toepassing voordoen. De bespreking vindt plaats aan de hand
van de fasen in de HTA-cyclus: signaleren, prioriteren, onderzoek (speciaal de
onderzoeksinfrastructuur), disseminatie, implementatie en evaluatie. Waar nodig
zal de bespreking van ieder knelpunt uitmonden in een aanbeveling ter
verbetering van de situatie. Hoofdstuk 6 bevat een beschouwing over de infra-
structuur van het fysiotherapeutisch onderzoek en het professionaliseringsproces
van de fysiotherapie. In een slothoofdstuk (hoofdstuk 7) worden de aanbevelingen
nog eens bij elkaar gezet.
       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>2           FY S I O T H E R A P I E   I N NE D E R L A N D ; S T A N D V A N
            ZAKEN EN ONTWIKKELINGEN
2.1         DE BEROEPSGROEP FYSIOTHERAPIE
De fysiotherapie is een paramedisch beroep. De paramedische zorg omvat de
volgende beroepsgroepen: diëtisten, ergotherapeuten, fysiotherapeuten, logope-
disten, mondhygiënisten, oefentherapeuten Cesar, oefentherapeuten Mensen-
dieck, orthoptisten, podotherapeuten radiologisch laboranten en huidtherapeuten.
De paramedische beroepen verschillen sterk van elkaar in aantal en qua inhoud,
hoedanigheid en plaats van beroepsuitoefening. In totaal zijn er in Nederland ca.
38.000 paramedici werkzaam, van wie de fysiotherapeuten de grootste groep
vormen met ca. 18.000 werkenden en de huidtherapeuten de kleinste met 255 (zie
tabel 1). Er is een groot verschil tussen enerzijds fysiotherapeuten, ergothera-
peuten, diëtisten e.d. die zelf het behandelplan vaststellen en uitvoeren op geleide
van een verwijzing van een arts, en anderzijds orthoptisten en radiologisch
laboranten die niet zelf het behandelplan vaststellen. De laatste groep werkt ook
altijd in loondienst bij een ziekenhuis.
Tabel 1:     Paramedische beroepen: aantal werkzame beroepsbeoefenaren in
             20011
  Fysiotherapeuten (extramuraal)                                12.800        34%
  Fysiotherapeuten (intramuraal)                                  5.200       14%
  Radiologisch laboranten                                         5.800       15%
  Logopedisten                                                    4.387       12%
  Ergotherapeuten                                                 2.500         7%
  Diëtisten                                                       2.317         6%
  Mondhygiënisten                                                 2.176       5.8%
  Oefentherapeuten Cesar                                            895         2%
  Oefentherapeuten Mensendieck                                      861         2%
  Podotherapeuten                                                   430         1%
  Orthoptisten                                                      312       0.8%
  Huidtherapeuten                                                   255       0.6%
  Totaal                                                        37.833       100%
                                                                           15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>In totaal zijn er 32.668 fysiotherapeuten geregistreerd in het register van de Wet
op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG)2, van wie zoals
gezegd ruim de helft (18.000) daadwerkelijk als zodanig werkzaam is.a Per 1
januari 2001 zijn er in Nederland naar schatting 12.800 extramuraal werkende
fysiotherapeuten, vrijgevestigd of in loondienst. Zij werken in particuliere
praktijken, gezondheidscentra of in de bedrijfsfysiotherapie. Ongeveer 5.000
fysiotherapeuten zijn intramuraal werkzaam in instellingen zoals ziekenhuizen,
revalidatiecentra en verpleeghuizen.
In artikel 3 van de Wet BIG wordt de beroepstitel ‘fysiotherapeut’ beschermd.
Ook zijn de opleidingseisen en het deskundigheidsgebied van de fysiotherapeut
uitgewerkt. De fysiotherapeut werkt binnen de gezondheidszorg in principe
uitsluitend op verwijzing van een arts. In ca. 84% van de gevallen verwijst de
huisarts, in 15% de medisch specialist, vooral de orthopeed, chirurg en neuroloog.
In 1% van de gevallen komen patiënten op eigen initiatief (of is de manier van
verwijzing onbekend).3 De belangrijkste verwijsdiagnose is lage rugpijn (26%),
gevolgd door nek- (12%) en schouderklachten (11%). De overige verwijsdiagnoses
betreffen symptomen en klachten aan andere delen van het bewegingsapparaat.4
De fysiotherapeut doet onderzoek naar de functionele gevolgen van de
pathologie/klachten en stelt in overleg met de patiënt een behandelplan op. De
behandeling bestaat vervolgens uit begeleiding, bewegings- of oefentherapie,
massagetherapie of fysische therapie in engere zin.
De laatste jaren geeft de beroepsgroep fysiotherapie aan voorstander te zijn van
rechtstreekse toegang van de patiënt. De beroepsgroep meent dat de kennis van
de huisarts over het bewegend functioneren beperkt is. Verwijzing door de
huisarts zou daarom niet veel toevoegen en vormt slechts aanvullende admini-
stratieve belasting. Er bestaan naar de mening van de beroepsgroep doelmatige en
ondoelmatige verwijzingen en de eerste blijven soms achterwege.5 De Raad voor
Volksgezondheid en Zorg (RVZ) beveelt in zijn rapport ‘Fysiotherapie en
oefentherapie’ in 1996 aan het criterium ‘verwijzing door een arts’ voor de
paramedische zorg te handhaven.6 Hij stelt dat waar het verwijzen zelf nadere
standaardisering behoeft, deze ook het beste door de artsen, in nauw overleg met
de paramedische beroepsgroep, verder ontwikkeld zou moeten worden. In het
rapport ‘Taakherschikking in de gezondheidszorg’ beveelt de RVZ in 2002 echter
aan dat de fysiotherapeut en andere paramedici rechtstreeks voor patiënten
toegankelijk moeten zijn. De wet- en regelgeving dienen hiervoor naar zijn
mening aangepast te worden.7 Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)
        a
            Het Nivel onderzoekt momenteel in het kader van een behoefteraming wat de niet-
            werkzame fysiotherapeuten, die in de BIG geregistreerd staan, doen.
        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>geeft in een reactie aan de directe toegankelijkheid van paramedici geen goede
oplossing te vinden en refereert aan een experiment met directe toegang tot de
fysiotherapeut in Nieuw-Zeeland dat tot hogere kosten heeft geleid.8 Het College
voor Zorgverzekeringen (CVZ) heeft in 2002 een haalbaarheidsstudie uitgevoerd
naar de mogelijkheid de aanspraak op fysiotherapeutische zorg mogelijk te maken
zonder verwijzing door de huisarts. Deze studie had als uitkomst dat dit onder
bepaalde voorwaarden mogelijk is voor bepaalde patiëntencategorieën.9 In
vervolg op deze haalbaarheidsstudie zal in 2003 bij het CVZ een experimentele
studie plaatsvinden in acht verschillende locaties. Op basis van de resultaten van
deze studie neemt het CVZ daarna een standpunt in over de directe
toegankelijkheid van de fysiotherapie.
Binnen de fysiotherapie hebben zich de afgelopen jaren een aantal deel-
specialismen ontwikkeld, zoals kinderfysiotherapie, oedeemtherapie, geriatrische
fysiotherapie etc.b
Het onderhavige advies gaat in op de fysiotherapie in brede zin, niet zozeer op
deelspecialismen of werksettings van de fysiotherapeut. Voor de omschrijving van
het werkterrein van de fysiotherapeut wordt in het advies aangesloten bij de
deskundigheidsomschrijving fysiotherapie van de Wet BIG en de beroeps-
omschrijving fysiotherapie van het KNGF (zie bijlage 3). Dit advies zal zich
vanzelfsprekend in eerste instantie richten op het onderzoek op het gebied van de
fysiotherapie (het was tenslotte het KNGF die op een RGO-advies aandrong),
maar het onderzoek naar oefentherapie Mensendieck en oefentherapie Cesar
wordt eveneens besproken. Oefentherapie wordt door zowel fysiotherapeuten als
oefentherapeuten Mensendieck en oefentherapeuten Cesar gegeven. Bij de
verwijzing oefentherapie wordt door de verzekeraar geen onderscheid gemaakt
wie van deze beroepsgroepen de oefentherapie geeft.
De fysiotherapie valt volgens de Wet BIG onder de beroepen die titelbescherming
genieten. Deze wet omschrijft onder andere het deskundigheidsgebied van de
fysiotherapeut, stelt de opleidingseisen vast en bepaalt dat de fysiotherapeut onder
het tuchtrecht ressorteert. De overheid beheert een register waarin fysio-
therapeuten die de opleiding met succes hebben afgerond worden ingeschreven.
Alleen geregistreerden mogen de (wettelijk beschermde) titel fysiotherapeut
voeren. De paramedici krijgen beroepsmatige ondersteuning van het Nederlands
Paramedisch Instituut, een landelijk kenniscentrum paramedische zorg.
       b
           De RVZ beveelt aan dat de overheid op het terrein van de specialisaties zou moeten
           aandringen op een zekere terughoudendheid (zie ook referentie 18).
                                                                                    17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>2.2         OEFENTHERAPIE MENSENDIECK EN OEFENTHERAPIE CESAR
Voor de oefentherapie Mensendieck en oefentherapie Cesar worden ingevolge
artikel 34 van de Wet BIG bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) de
registratie en opleiding geregeld en het deskundigheidsgebied omschreven (zie
bijlage 4). Beoefenaren van deze beroepen vallen niet onder het tuchtrecht. De
paramedische beroepsgroepen (exclusief de fysiotherapie) hebben gezamenlijk op
vrijwillige basis het kwaliteitsregister Paramedici geopend. Het register is enige
jaren geleden opengesteld. Na vijf jaar is herregistratie mogelijk op basis van de
door de desbetreffende beroepsgroep gestelde criteria voor herregistratie.
De oefentherapeuten van beide richtingen werken voor het overgrote deel (95%
of meer) extramuraal. Een klein deel (tussen de 6 en 8%) is (ook) intramuraal
werkzaam. In vergelijking met fysiotherapeuten zijn deze oefentherapeuten vaker
parttime werkzaam.6
Oefentherapie Mensendieck en oefentherapie Cesar kennen een HBO-
dagopleiding die met ingang van het studiejaar 2003-2004 vier jaar (voorheen drie
jaar) duurt en gevolgd kan worden aan respectievelijk de Hogeschool van
Amsterdam en de Hogeschool van Utrecht.
Deze therapeuten verrichten uitsluitend oefentherapie volgens een eigen metho-
diek, met kenmerkende onderlinge verschillen. Oefentherapie Mensendieck is
gericht op herstel of correctie van afwijkingen in houding en beweging en op het
bevorderen van gezond bewegingsgedrag.10 Oefentherapie Cesar is gebaseerd op
de bewegingsleer van Marie Cesar en gericht op het motorisch functioneren en op
preventie of herstel van afwijkingen in het motorisch functioneren.10 Beide
oefentherapeuten streven gedragsverandering na. De oefentherapeut Cesar legt
een sterker accent op ritmiek en dynamiek en minder nadruk op verbale aspecten
die in de methode Mensendieck van belang zijn.6 Fysiotherapie daarentegen
behelst naast oefentherapie, ook massagetherapie en fysische therapie in engere
zin. Het is de Raad gebleken dat de drie beroepsgroepen veel waarde toekennen
aan behoud van de eigen identiteit.
Verwijzing naar een oefentherapeut Mensendieck of Cesar geschiedt door een arts
(ca. driekwart wordt verwezen door de huisarts, bijna een kwart door de medisch
specialist en minder dan 1% komt op eigen initiatief).3 De verwijsdiagnoses van de
huisarts bij oefentherapie Mensendieck, Cesar en fysiotherapie zijn voor een groot
deel gelijk. De drie beroepsgroepen vissen met andere woorden in dezelfde vijver.
Een belangrijk verschil tussen de verwijsdiagnoses van de huisarts bij
oefentherapie en fysiotherapie is dat de tien meest voorkomende verwijsdiagnoses
bij fysiotherapie uitsluitend bestaan uit klachten en symptomen met betrekking tot
het bewegingsapparaat, terwijl bij de verwijsdiagnoses oefentherapie ook
hyperventilatie en spanningshoofdpijn behoren. De bekendheid van de huisarts
        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>met de therapeut lijkt de belangrijkste reden te zijn om naar de fysiotherapeut of
oefentherapeut te verwijzen.4
2.3       DE BEHOEFTE AAN FYSIOTHERAPEUTISCHE ZORG
Uit verschillende studies blijkt dat de vraag naar fysiotherapeutische zorg
toeneemt. Volgens cijfers van het CBS is het percentage van de algemene bevol-
king dat in een jaar contact heeft met de fysiotherapeut in de periode 1996-2000
gestegen van 13,2% naar 16,2%. De stijging onder ziekenfondsverzekerden was
2,9% (van 13,9 naar 16,8%) en bij de particulier verzekerden 3,2% (van 12,2 naar
15,4%); onder vrouwen 3,2% (van 15,3 naar 18,5%) en onder mannen 2,8 (van
11,1% naar 13,9%). In 2000 bezochten dus meer ziekenfonds- dan particulier
verzekerden de fysiotherapeut en meer vrouwen dan mannen.11 Van de
ziekenfondsverzekerden is het macrobedrag van de verstrekking paramedische
zorg gestegen van i 349 miljoen op 1 januari 1996 naar i 454 miljoen in 2000;
van deze bedragen heeft 87% betrekking op fysiotherapie, 3,2% op oefentherapie
Mensendieck; 3,3% op oefentherapie Cesar en 6,5% op logopedie.12
De 'Kosten-van-ziekten studie' geeft aan dat de totale kosten voor extramurale
paramedische zorg i 778 miljoen bedroegen in 1999 en dat 88% voor rekening
kwam van fysiotherapie, gevolgd door logopedie (6%), oefentherapie Mensen-
dieck en oefentherapie Cesar (5%) en ergotherapie (1%).13 Uit deze cijfers blijkt
eveneens dat fysiotherapie het grootste kostenaandeel heeft in de paramedische
zorg. De kosten voor extramurale fysiotherapie zijn gestegen van i 568 miljoen
in 1994 naar i 683 miljoen in 1999. Dit laatste bedrag is inclusief de kosten
gemaakt via aanvullende verzekeringen en betreft 2% van de totale kosten van de
gezondheidszorg.13 14
De verwachting is dat met de toenemende vergrijzing van de bevolking de vraag
naar fysiotherapeutische zorg verder zal toenemen, zowel als gevolg van een
toename van het aantal patiënten als van een toename in de duur van
behandelingen. Volgens berekeningen van het RIVM lijkt een jaarlijkse groei in
de orde van 2,4 tot 3% minimaal noodzakelijk tot 2006.15 Daarnaast zal de reeds
ingang gezette verschuiving van zorg van intra- naar extramuraal verder
doorzetten, met directe gevolgen voor de fysiotherapeutische zorg. Momenteel is
ca. 32% van de onder fysiotherapeutische behandeling staande patiënten 55 jaar
of ouder (12,5% is 55-64 jaar; 19,1% is 65+); veelal gaat het om patiënten met
chronische aandoeningen.3 Van de patiënten met acute klachten aan het
bewegingsapparaat wordt de grootste groep (20%) gevormd door patiënten tussen
de 35 en 44 jaar.3
Een fysiotherapeutische behandeling bestaat veelal uit meerdere behandel-
vormen: ca. 88% van de behandelingen bestaat uit oefen- of bewegingstherapie;
                                                                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>daarnaast wordt in 65% van de gevallen massagetherapie toegepast, in 46%
fysische therapie en in 60% wordt advies en informatie verstrekt.3
Sinds 1 januari 1996 is ‘De beperkende maatregel fysiotherapie, oefentherapie
Mensendieck en oefentherapie Cesar’ van kracht. Dit houdt in dat een zieken-
fondsverzekerde per indicatie en per jaar aanspraak kan maken op maximaal 9
toestemmingsvrije behandelingen (zittingen) door een fysiotherapeut of oefen-
therapeut. Voor bepaalde aandoeningen geldt dat langdurige/intermitterende
behandeling door een fysiotherapeut of oefentherapeut mogelijk is. Deze
aandoeningen staan op een lijst vermeld. Het Nivel en het Npi hebben in
opdracht van VWS de beperkende maatregel geëvalueerd. Hieruit blijkt dat het
gemiddelde aantal zittingen per verwijzing bij vrouwen hoger is dan bij mannen
(respectievelijk 12,8 en 11,6; het aantal zittingen van op ‘de lijst’ staande
aandoeningen trekt het gemiddelde op tot boven de 9 toestemmingsvrije
behandelingen). Het aantal zittingen hangt samen met de leeftijd; bij patiënten
van 65 jaar en hoger is het gemiddelde aantal zittingen 14,9; bij 25-34 jarigen
bedraagt het gemiddelde aantal 10,5.3 Op dit moment is nog onduidelijk welk
percentage van de patiënten dat fysiotherapie krijgt, langdurige zorg behoeft. De
eerste gegevens van het LIPZ-netwerk (Landelijke Informatievoorziening
Paramedische Zorg, een landelijk informatie netwerk waaraan 43 praktijken voor
fysiotherapie hun declaratiegegevens leveren) geven daarin nog beperkt inzicht.
De onderzoekers constateren dat het aandeel patiënten met een langdurige
behandeling (>6 maanden) 2,4% bedraagt van het totaal aantal patiënten.16 Uit de
tabel is ook af te leiden dat het volume van fysiotherapeutische zorg besteed aan
langdurige behandelingen 7,5% bedraagt. De onderzoekers benadrukken echter
dat deze percentages een onderschatting zijn. Gezien het relatief korte bestaan van
het LIPZ-netwerk zijn er nog weinig langdurige behandelepisodes van begin tot
eind geregistreerd. Onbekend is in welke frequentie deze langdurige
behandelingen worden gegeven (eenmaal per week of eenmaal per twee weken of
anders). Er zijn plannen de beperkende maatregel fysiotherapie op te heffen en er
zijn ook plannen de patiënt directe toegang te verschaffen tot de fysiotherapeut.
De cijfers over fysiotherapeutische zorg kunnen dan uiteraard veranderen.
In toenemende mate zijn fysiotherapeuten betrokken bij bedrijfsfysiotherapie, die
zowel gericht is op preventie van arbeidsgerelateerde klachten van werknemers
en op preventie van ziekteverzuim, als op behandeling en reïntegratie-activiteiten
bij uitval van werknemers.
Circa eenderde van de WAO’ers is arbeidsongeschikt ten gevolge van psychische
klachten, ca. eenderde tengevolge van aandoeningen van het bewegingsapparaat
en ca. eenderde tengevolge van overige aandoeningen.17 De instroom van het
totaal aantal WAO’ers is gestegen van 891.900 in 1999 naar 948.400 in 2001. Het
aantal personen dat werd afgekeurd met als reden klachten van het
        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>bewegingsapparaat nam toe van 257.600 in 1999 tot 275.400 in 2001.17 Bij een
verdere toename van het aantal WAO’ers zal zowel de vraag naar reïntegratie van
werknemers die tijdelijk arbeidsongeschikt zijn als de behoefte aan preventie
stijgen.
2.4        PROFESSIONALISERING VAN DE FYSIOTHERAPIE
De fysiotherapie is zich gaan professionaliseren door enerzijds het kennisdomein
verder uit te bouwen en te verwetenschappelijken en anderzijds de kwaliteit van
de zorgverlening te verbeteren.18 Wat betreft de verwetenschappelijking is de
fysiotherapie volop in ontwikkeling. Met de instelling van een bijzondere leerstoel
fysiotherapie in 1992 in het UMCU (onlangs omgezet in een gewone leerstoel)
kreeg het fysiotherapeutisch onderzoek een belangrijke impuls. Tevens is na lange
voorbereiding in september 2002 een universitaire studie ‘fysiotherapie
wetenschap’ gestart aan de Academie Gezondheidszorg Utrecht, een
samenwerking van het UMCU, de UU en de Hogeschool Utrecht. Het betreft een
vierjarige doctoraal studie voor fysiotherapeuten, die in deeltijd kan worden
gevolgd (in de toekomst opleiding tot master of science). Aan de VU-MC en St.
Radboud UMC zijn twee leerstoelen paramedische zorg ingesteld, waarvan
fysiotherapie deel uitmaakt. Binnenkort zal aan de UM een bijzondere leerstoel
fysiotherapie worden ingesteld. Twee post-HBO-opleidingen voor de
fysiotherapeut zijn recent gestart (opleiding tot professional master aan de Saxion
Hogeschool te Enschede; opleiding tot master of sciencec in de paramedische zorg,
aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, in samenwerking met Hogeschool
Amsterdam, Nederlands Paramedisch Instituut en St Radboud UMC).
Het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de fysiotherapie heeft zich de
afgelopen 10-15 jaar verder ontwikkeld. Dit is te zien aan de naar schatting van
het KNGF 1000 fysiotherapeuten die een academische opleiding hebben gevolgd
na afronding van hun fysiotherapie-opleiding. Naar schatting zijn 40
fysiotherapeuten gepromoveerd en ongeveer10 promoveren binnenkort.
De opleiding fysiotherapie is een vierjarige HBO-opleiding, die bij 11
hogescholen verspreid over het land kan worden gevolgd. Voor toelating tot de
opleiding wordt minimaal een HAVO-diploma vereist. In het studiejaar 1997
waren er ca. 5000 studenten fysiotherapie ingeschreven.19 Binnen de bestaande
curricula van de HBO-opleidingen vindt aanpassing plaats aan veranderde
opvattingen over de didactiek om een maximaal leerrendement bij de student te
       c
           In 2001 en 2002 betrof het een opleiding tot master of science. In 2003 gaat de opleiding
           niet van start, na 2003 wellicht een opleiding tot professional master.
                                                                                         21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>bereiken en wordt aangesloten bij het landelijk vastgestelde beroepsprofiel. Steeds
meer aandacht wordt besteed aan de wetenschappelijke oriëntatie gericht op het
handelen in de praktijk (evidence based practice).20 Aan negen hogescholen zijn 14
lectoren aangesteld in de fysiotherapie of paramedische zorg.d Zij zijn
verantwoordelijk voor onderwijs, onderzoek en ontwikkeling en het onderhouden
van contacten met het beroepenveld.21 Rondom een lector wordt een groep
gevormd van ongeveer acht docenten die binnen het thema van het lectoraat
onderzoeksprojecten zal uitvoeren. Deze zogeheten kenniskringen staan onder
leiding van de lector. Het ministerie van OCenW stelt per lectoraat i 226.890
per jaar ter beschikking voor vier jaar: ca. de helft van dit bedrag is voor de
aanstelling van een fulltime lector (1,0 fte ), de andere helft voor de aanstelling
van de leden van de kenniskring.e Het merendeel van de lectoren richt zich in
eerste instantie op het onderwijs. Lectoren die onderzoek willen verrichten zijn
aangewezen op de tweede en derde geldstroom. De Stichting Kennisontwikkeling
HBO (SKO) is met OCenW in onderhandeling over een apart budget voor de
lector voor onderzoek en ontwikkeling.
Vanaf september 2002 wordt het BaMa, het nieuwe twee-cyclimodel voor
universiteiten en hogescholen, stapsgewijs ingevoerd in Nederland. Het is de
bedoeling dat in 2009 alle Europese hogescholen en universiteiten zijn
overgestapt op het Angelsaksische bachelor-masterstelsel (BaMa), met als doel het
internationaal beter vergelijkbaar maken van de onderwijsgraden in het hoger
onderwijs. De huidige vierjarige HBO-opleiding fysiotherapie zal binnenkort
overgaan in een vierjarige bachelor-opleiding. Hierna kan met een één- of
tweejarige vervolgopleiding aan de hogeschool de titel master en met een één- of
tweejarige opleiding aan de universiteit de titel bachelor of science of bachelor of arts
worden behaald. Vervolgens bestaat de mogelijkheid tot het volgen van een
éénjarige universitaire studie tot master of science of master of arts. Op deze manier
zal de student betrekkelijk eenvoudig kunnen overstappen van hogeschool naar
universiteit.
       d
           Een volledige lijst met omschrijvingen van lectoraten gericht op onder meer de
           paramedische zorg, waaronder de fysiotherapie, is op te vragen via de website
           <http://www.skohbo.nl>, onder de link infotheek.
       e
           In het najaar van 2003 vindt een tussentijdse en in 2004 een eindevaluatie plaats van de
           lectoren, met als doel uitsluitsel te geven over het slagen van de lectoren. Als de uitkomst
           positief is, worden de lectoren gecontinueerd en blijft het beschikbare budget in het
           HBO; het wordt dan a.h.w. aan het reguliere HBO-budget toegevoegd.
       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>De huidige vierjarige doctoraalstudies, waarvoor een VWO-diploma wordt
vereist, gaan over in een driejarige universitaire studie waarmee men bachelor of
science of bachelor of arts wordt, gevolgd door een eenjarige universitaire studie tot
master of science of master of arts. Het belangrijkste verschil tussen de
masteropleiding aan de hogeschool en de masteropleiding aan de universiteit is
dat de eerste een beroepsgerichte oriëntatie heeft, terwijl de tweede vooral
wetenschappelijk georiënteerd is.
Het tweede aspect van de professionalisering van de fysiotherapie, verbetering
van de kwaliteit van de zorgverlening, krijgt gestalte in het kwaliteitsbeleid dat
gevoerd wordt door het KNGF.18 Dit bestaat uit de ontwikkeling van een
kwaliteitsregister voor fysiotherapeuten (naast het huidige BIG-register);
ontwikkeling van een kwaliteitskeurmerk voor fysiotherapiepraktijken en
afdelingen fysiotherapie in ziekenhuizen en instellingen; verplichte bij- en
nascholing, als onderdeel van de eisen voor het kwaliteitsregister;
richtlijnontwikkeling; ontwikkeling van het Intercollegiaal Overleg Fysiotherapie
(IOF); ontwikkeling van kwaliteitsdeelsystemen (intercollegiale toetsing, intervisie,
casuïstiekbespreking).
De ontwikkeling en implementatie van evidence based richtlijnen in de fysiotherapie
gebeurt veelal in een samenwerking van het NPi en het KNGF. Inmiddels zijn er
tien richtlijnen ter beschikking, bijvoorbeeld voor lage rugpijn, artrose van heup
en knie en acuut enkelletsel.22
Het Intercollegiaal Overleg Fysiotherapie (IOF) is een overleg van 10-15
fysiotherapeuten van verschillende werksettings. Deelname hieraan is verplicht
voor herregistratie in het kwaliteitsregister van het KNGF. In een IOF vindt
intercollegiale toetsing plaats en worden richtlijnen of casuïstiek besproken.
Momenteel zijn er in Nederland ongeveer 1200 IOF’s waarin 12.000
fysiotherapeuten participeren.22 Voor een praktiserende beroepsgroep betekent
het werken volgens richtlijnen een omslag in het denken. Verplichte nascholing
roept nog weerstanden op bij een deel van de beroepsgroep. In toenemende mate
zijn fysiotherapeuten betrokken bij multidisciplinaire richtlijnen en samenwerking
met andere professies (bijvoorbeeld referentschap van richtlijnen van andere
organisaties).
Op beleidsniveau heeft het KNGF de Wetenschappelijke Raad (WR) voor de
Fysiotherapie opgericht in november 2000. Deze heeft tot doel het KNGF te
adviseren over wetenschappelijke ontwikkelingen op het gebied van de
fysiotherapie: "de WR geeft een multidisciplinair advies over zowel voorgelegde
vraagstukken als over zelf gesignaleerde wetenschappelijke ontwikkelingen en
benadert deze vraagstukken integraal, vanuit een specifiek wetenschappelijk
kader".
                                                                            23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>De laatste 10 jaar hebben de oefentherapie Mensendieck en oefentherapie Cesar
gewerkt aan de ontwikkeling en implementatie van richtlijnen, aan visitatie,
intercollegiale toetsing en aan accreditatie van bij- en nascholing. Daartoe is door
beide beroepsgroepen een regionale structuur tot stand gebracht om de
implementatie van kwaliteitsinstrumenten en communicatie binnen de
beroepsgroepen te bevorderen. Het aantal onderzoekers is, vergeleken met het
aantal op het terrein van de fysiotherapie, zeer gering.
2.5        FYSIOTHERAPIE EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
Wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de fysiotherapie wordt zowel door
fysiotherapeuten als niet-fysiotherapeuten uitgevoerd. De laatste groep is in de
meerderheid. Er zijn nog relatief weinig gepromoveerde fysiotherapeuten (geschat
wordt 40). Promovendi en gepromoveerden uit de beroepsgroep van de
fysiotherapeuten hebben vaak een aanvullende universitaire opleiding gevolgd
(bewegings-, gedrags-, of gezondheidswetenschappen), maar hebben veelal het
praktijkveld verlaten. Er zijn te weinig fysiotherapeuten die zowel in de praktijk
als in wetenschappelijk onderzoek werken en zodoende een ‘brugfunctie’ tussen
het werkveld fysiotherapie en de onderzoekers kunnen vervullen.
Onderzoek op het terrein van de fysiotherapie maakt nogal eens deel uit van een
groter onderzoek waarbij een niet-fysiotherapeut projectleider is. Er vindt
samenwerking plaats met bijv. bewegingswetenschappen, gedragswetenschappen
en medische wetenschappen. Sommige fysiotherapeuten ervaren dit als een
bedreiging van de eigen identiteit, andere zien voordelen in deze samenwerking
met het oog op verdere verwetenschappelijking van het vak.
Enkele grote onderzoeksgroepen in Nederland hebben onderzoek verricht naar
de werkzaamheid van fysiotherapie bij bepaalde aandoeningen. Het bleek dat van
sommige fysiotherapeutische handelingen (fysische techniek) geen effect kon
worden aangetoond. Dit leidde tot negatieve publiciteit voor de fysiotherapie. De
beroepsgroep wees erop dat de gebruikte studie-opzet te ver afstaat van de
dagelijkse praktijk. Een fysische techniek wordt namelijk alleen inleidend op
oefentherapie ingezet. Naar de mening van de beroepsgroep werd ten onrechte
een bepaalde techniek geïsoleerd uit de totale fysiotherapeutische behandeling.
Daarnaast werd er ook geen recht gedaan aan de therapeutische betekenis van de
context waarbinnen behandelingen plaatsvinden. Contextfactoren zijn in de
fysiotherapie van groot belang - evenals trouwens bij andere vormen van medisch
handelen.23 Overigens bestaat de indruk dat de gewraakte technieken inmiddels
       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>veel minder frequent worden toegepast, maar cijfers hierover zijn (nog) niet
beschikbaar.f
Ook fysiotherapeut-onderzoekers hadden kritiek op de studie-opzet, hoewel zij het
wel eens waren met het opdelen van een interventie in verschillende segmenten.
Zij stelden dat niet alleen de medische diagnose maar ook de functionele
beperkingen van belang zijn bij fysiotherapeutisch handelen. Naast, of in plaats
van, diagnostische criteria zouden functionele profielen moeten worden gebruikt
bij wetenschappelijk onderzoek.
Concluderend kan gesteld worden dat de fysiotherapie zich in een proces van
verwetenschappelijking bevindt, maar zo'n proces vergt tijd. Er bestaan
belangrijke verschillen van inzicht tussen de beroepsgroep, fysiotherapeut-onder-
zoekers en niet-fysiotherapeut-onderzoekers over de wijze waarop weten-
schappelijk onderzoek moet worden uitgevoerd. Deze verschillen zijn niet alleen
negatief te duiden, ze hebben ook geleid tot vruchtbare discussies.
       f
           Naar verwachting zijn actuele cijfers over fysiotherapeutische verrichtingen de tweede
           helft van 2003 bekend via het LIPZ .
                                                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>26</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>3          LO PE N D    ONDERZOEK IN DE FYSIOTHERAPIE
In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het lopende onderzoek op het gebied
van de fysiotherapie in Nederland, infrastructureel (3.2) en inhoudelijk (3.3). Tot
de infrastructuur van het onderzoek worden de universitaire en buiten-
universitaire onderzoeksinstituten gerekend, hun samenwerkingsverbanden en de
financieringsstructuur van het onderzoek. Inhoudelijk is het onderzoek
beschreven aan de hand van verzamelde informatie over het type onderzoek; de
thema’s en aandoeningen die in het onderzoek centraal staan.
3.1        WERKWIJZE
Het lopende onderzoek in de fysiotherapie in 2002 is beschreven aan de hand van
informatie die werd ingewonnen van deskundigen. Het doel was inzicht te krijgen
in welk onderzoek waar loopt en met welke omvang. Het overzicht pretendeert
niet volledig te zijn, maar wel een representatief beeld te verschaffen van de
onderzoeksinspanningen.
De inventarisatie geschiedde aan de hand van vragenlijsten (zie bijlage 5). Per
(universitair) medisch onderzoekscentrum werd één contactpersoon gevraagd
informatie te geven over al het aldaar verrichte onderzoek in de fysiotherapie. In
totaal werden 14 vragenlijsten verstuurd en geretourneerd (9 van universitaire
onderzoekscentra en 5 van buitenuniversitaire (onderzoek)centra). De vragen
richtten zich zowel op de infrastructuur als de inhoud van het onderzoek.
Het onderzoek werd in drie categorieën ingedeeld:
1. onderzoek dat bestaat uit dataverzameling, data-analyse en publicatie;
2. onderzoek dat wordt verricht met bestaande data;
3. overig onderzoek, zoals methode- en richtlijnontwikkeling, registratie en
    implementatie. De taak of doelstelling van het onderzoeksinstituut bepaalt
    uiteraard voor een groot deel waarop het onderzoek van het instituut gericht
    is. Buitenuniversitaire onderzoeksinstituten hebben naast het doen van
    wetenschappelijk onderzoek veelal ook één of meer andere doelstellingen (zie
    kader).
                                                                         27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Taakstellingen/missies van buitenuniversitaire (onderzoeks)instituten
Kenniscentrum Arbeid en Klachten Bewegingsapparaat (AKB)
Kenniscentrum met als taak/missie: bevorderen van doelmatige zorg en verantwoorde
arbeidsparticipatie bij mensen met arbeidsrelevante aandoeningen van het bewegingsapparaat, en het
stimuleren van preventie van deze aandoeningen. Het centrum verzamelt en ontwikkelt
wetenschappelijk onderbouwde kennis over de relatie tussen arbeid en klachten van het bewegings-
apparaat en vertaalt deze naar overzichtelijke en toegankelijke informatie voor de beroepspraktijk.
Doel is zorgverleners, die betrokken zijn bij de behandeling en begeleiding van mensen met klachten
van het bewegingsapparaat, te ondersteunen in het aanbieden van doelmatige zorg.24
NPi
Kenniscentrum paramedische zorg met als taak/missie: bevorderen van de kwaliteit en verdere
professionalisering van de paramedische beroepsuitoefening. Het instituut werkt hieraan door het
verruimen van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor een professionele beroepsuit-
oefening, door het verrichten van ontwikkelingsgericht onderzoek, en door het opzetten en uitvoeren
van activiteiten die rechtstreeks of zijdelings bevorderlijk zijn voor de beroepsuitoefening.25 26
Nivel
Onderzoeksinstituut en Kenniscentrum met als taak/missie: verwerven en verspreiden van kennis en
inzicht over structuur en functioneren van de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening,
mede in relatie tot andere maatschappelijke sectoren. Vanuit een primary care based oriëntatie gericht
zowel op de hulpvragers als op de hulpverleners.25
TNO-PG
Onderzoeksinstituut met als taak/missie: bevorderen van het aantal gezonde levensjaren en de
kwaliteit van leven van de mens. Het onderzoek richt zich op verbetering van gezondheid en
gezondheidszorg in alle levensfasen: jeugd, arbeidende mens, en ouderen. Speerpunten zijn:
chronische ziekten, mede in verband met de toenemende vergrijzing; kwaliteits- en doelmatigheids-
onderzoek; nieuwe medische technologieën gericht op optimale kosten-effectiviteit; de ontwikkeling
van nieuwe zorgconcepten en preventieprogramma’s.25
iRV
Kenniscentrum voor revalidatie en handicap met als taak/missie: toegepast wetenschappelijk
onderzoek en informatie- en kennisoverdracht, dat bijdraagt aan de verbetering van interventies,
voorzieningen en hulpmiddelen voor mensen met langdurige functionele handicaps. Het perspectief
en het belang van de doelgroep staan daarbij centraal. Het iRV vervult een brugfunctie tussen theorie
en praktijk.27
         28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Bij de inventarisatie zijn projecten die werden afgesloten vóór 1 januari 2002 uit
het overzicht gelaten, evenals projecten die nog in voorbereiding waren. Zeven
projecten die uitsluitend over oefentherapie Mensendieck en/of oefentherapie
Cesar handelen zijn niet in het overzicht opgenomen, maar staan in bijlage 6.
Bij de inventarisatie bleek dat onderzoekers van mening verschilden over wat wel
en niet tot het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie kan worden
gerekend. Er is een groep die vindt dat het alleen gaat om fysiotherapeutisch
onderzoek dat wordt verricht door fysiotherapeuten, met als achterliggende
gedachte dat fysiotherapeut-onderzoekers in het onderzoek de dagelijkse praktijk
van de fysiotherapeut weten te benaderen. Anderen rekenen ook het onderzoek
ertoe dat relevant is voor de fysiotherapie en eventueel verricht wordt door
andere disciplines dan de fysiotherapie. In dit advies wordt fysiotherapie in brede
zin benaderd en is zowel het fysiotherapeutisch onderzoek in sensu stricto
opgenomen als het onderzoek dat relevant is voor de fysiotherapie. Door de
respondenten werd de laatste categorie zeer breed geïnterpreteerd. Naast
onderzoeksprojecten werden ook andere projecten opgegeven, bijvoorbeeld op
het gebied van de registratie (zoals de ontwikkeling van een landelijke
informatievoorziening paramedische zorg (LIPZ) door het Nivel), implementatie
(bijvoorbeeld implementatieactiviteiten van KNGF-richtlijnen fysiotherapie door
het NPi), richtlijnontwikkeling etc.
In het hiernavolgende overzicht is de informatie van de afzonderlijke
onderzoekscentra samengevat (bijlage 7 geeft een meer specifiek overzicht van het
lopende onderzoek van de afzonderlijke onderzoekscentra). Eerst zal worden
ingegaan op de infrastructuur van het onderzoek op het gebied van de
fysiotherapie, daarna op de inhoud.
3.2          INFRASTRUCTUUR VAN HET ONDERZOEK
Het onderzoek in de fysiotherapie is ondergebracht in verschillende
onderzoeksscholen en onderzoeksinstituten (gevestigd bij VU-MC; Erasmus MC;
UM-AZM; UMC St Radboud; RUG-AZG; UMCU; Medisch spectrum Twente;
Nivel; TNO-PG); bij andere afdelingen van een ziekenhuis (AMC; LUMC) of in
een kenniscentrum (iRV, Kenniscentrum AKB, NPi).
De infrastructuur van het onderzoek wordt omschreven aan de hand van de
omvang van het onderzoek, de financiering en de duur van de onderzoeks-
projecteng.
        g
          In de volgende tabellen verschilt per tabel het totale aantal onderzoeksprojecten, afhankelijk
          van het aantal respondenten dat de desbetreffende vraag heeft beantwoord.
                                                                                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>3.2.1        OMVANG
De omvang van het onderzoek, uitgedrukt in het aantal fte’s (fulltime equivalents)
van het wetenschappelijk personeel (wp) werkzaam bij het onderzoeksinstituut,
bedraagt in 2002 123 fte wp, met de aantekening dat dit zowel onderzoek in de
fysiotherapie betreft (ongeveer eenderde van het totaal), als onderzoek met
relevantie voor de fysiotherapie (ca. tweederde). Ongeveer 70% van de fte wp’s is
werkzaam in universitaire onderzoeksinstituten en 30% buitenuniversitair;
tweederde van al deze onderzoekers is in tijdelijke dienst.
De omvang van de onderzoeksgroepen verschilt per instituut (zie tabel 2). Er is
een clustering van het onderzoek te zien in een aantal grote onderzoeksgroepen,
te weten vier universitaire (VU-MC, Erasmus MC, UMCU en UM-AZM) en drie
buiten-universitaire groepen (TNO-PG, NPi, Nivel).
Tabel 2     Omvang van het onderzoek in fte wp*
  Universitair                                      Buitenuniversitair
  VU-MC                                    26.5     TNO-PG                                     10.0
  Erasmus MC                               18.6     Nivel                                       8.7
  UMCU                                     10.0     Npi                                         9.8
  UM-AZM                                     9.0    Kenniscentrum AKB                           2.8
  LUMC                                       6.7    iRV                                         3.2
  Med. Spectrum Twente                       5.3
  UMC St. Radboud                            4.7
  RUG-AZG                                    4.1
  UvA-AMC                                    3.8
  Totaal                                   88.7     Totaal                                     34.5
* Dit betreft zowel het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie als het onderzoek met relevantie
  voor de fysiotherapie.
In de vier universitaire onderzoeksgroepen wordt het grootste deel van het
onderzoek in de centra verricht door tijdelijk personeel, veelal in de vorm van
promotieonderzoeken. Ook bij de buitenuniversitaire centra wordt het onderzoek
vooral uit tijdelijke financieringsbronnen gefinancierd.
3.2.2        FINANCIERING
De financiering van een project is onderscheiden naar de verschillende
geldstromen: eerste geldstroom is basisfinanciering van het instituut; tweede
geldstroom betreft financiering via onderzoeksprogramma’s van ZonMw; derde
        30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>geldstroom betreft financiering door collectebusfondsen en overheidsgefinan-
cierde fondsen; vierde geldstroom is financiering door de industrie.
Uit de ontvangen gegevens is het volgende af te leiden (zie tabel 3): ca. 30% van
de onderzoeksprojecten wordt structureel gefinancierd uit de eerste geldstroom en
ongeveer 70% wordt tijdelijk gesponsord: twintig projecten werden uit twee
geldstromen gefinancierd, twee projecten uit drie geldstromen.
Tabel 3       Financiering van 155 onderzoeksprojecten*
  Geldstroom         Universitair              Buitenuniversitair                     Totaal (%)
  eerste                       44                                16                 60       (33)
  tweede                       28                                 9                 37       (20)
  derde                        46                                32                  78      (43)
  vierde                        6                                 1                  7        (4)
  Totaal (%)                  124      (68)                      58      (32)     182**     (100)
*   Van vijf projecten ontbraken gegevens over de financiering. Eén project dat Europees aanbesteed
    werd is als vierde geldstroom ingedeeld.
** Van de 155 projecten werden er 23 projecten uit twee geldstromen en drie projecten uit drie
    geldstromen gefinancierd.
3.2.3        DUUR
Van 119 onderzoeksprojecten is de duur opgegeven. Van twee universitaire en
één buitenuniversitair instituut ontbreken gegevens over de duur. Ongeveer de
helft (57 van de 119) van alle onderzoeksprojecten is van korte duur (één à twee
jaar, zie tabel 4) en veelal gericht op richtlijnen, implementatie en registratie. De
helft van de projecten die twee jaar of korter duren worden verricht door
buitenuniversitaire onderzoeksinstituten (een kwart van het totale aantal
onderzoeksprojecten).
                                                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Tabel 4     Duur van 119 onderzoeksprojecten*
                               Universitair           Buitenuniversitair              Totaal
  < 1 jaar                                  1                             7                 8
  1 jaar                                  15                             14                29
  2 jaar                                  11                              9                20
  3 jaar                                  12                              5                17
  4 jaar                                  24                              7                31
  > 4 jaar                                  7                             3                10
  missing**                                 3                             1                 4
  Totaal                                  73                             46              119
*   Gegevens over de duur van de onderzoeksprojecten ontbreken van 2 universitaire
    centra (VU-MC, Erasmus MC) en één buitenuniversitair centrum (kenniscentrum
    AKB).
** Van vier onderzoeksprojecten ontbraken gegevens over de onderzoeksduur.
3.3          INHOUD VAN HET ONDERZOEK
In totaal is van 160 onderzoeksprojecten de aard opgegeven. Het betreft een grote
verscheidenheid aan onderzoek (zie tabel 5). De meeste projecten betreffen
patiëntgebonden onderzoek.
Voor het overgrote deel betreft het evaluatie onderzoek (60%) en/of beschrijvend
onderzoek (32%). Aanzienlijk minder onderzoek was zorgorganisatorisch (19%) of
verklarend (10%) van karakter. Let wel, in 25% van de gevallen werd een
onderzoek in meerdere categorieën ingedeeld en dus dubbel geteld (zie tabel 6).
Veruit het meeste onderzoek heeft als thema behandeling (56%); gevolgd door
diagnostiek (18%) en prognostiek (18%) (zie tabel 7). Richtlijnen en implementatie
zijn respectievelijk in 13% en 14% van de projecten thema van onderzoek,h
registratie en methodiekontwikkeling in 11% en 10%. 6% van de projecten heeft
als thema preventie. Ook hier zijn projecten soms in meerdere categorieën
ingedeeld.
         h
           De percentages voor richtlijnen, implementatie, registratie en methodeontwikkeling zijn in
tabel 7 hoger dan in tabel 5, omdat in tabel 7 dubbeltellingen zijn opgenomen en in tabel 5 niet.
         32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Tabel 5 Drie categorieën van onderzoek*
                                    Universitair        Buitenuniversitair Totaal     %
  1. onderzoek: dataverzameling, data-analyse, publicatie
      patiëntgebonden                       82**                       17      99     62
      zorgorganisatie                        7**                       11      18     11
      biomechanica                              5                       0       5      3
  2. onderzoek met bestaande data
      systematische reviews                     2                       0       2      1
  3. overig onderzoek
      methodeontwikkeling                       9                       1      10      6
      modelontwikkeling                         0                       4       4      3
      richtlijnontwikkeling                     4                       6      10      6
      registratie                               1                     4**       5      3
      implementatie                             1                       6       7      5
  Totaal                                     111                       49     160    100
*   Het betreft zowel onderzoek op het gebied van de fysiotherapie, als onderzoek met
    relevantie voor de fysiotherapie
** 3 keer werd één (multicentre) onderzoeksproject door 2 onderzoekscentra opgegeven
Tabel 6 Type onderzoek
                               Universitair       Buitenuniversitair       Totaal     %
  aantal projecten                     110                        49          159
  beschrijvend                          37                        14           51     32
  evaluatie                             77                        19           96     60
  verklarend                            13                         3           16     10
  zorgorganisatie                       16                        14           30     19
  anders                                  1                        3            4      3
  (dubbeltellingen                                                             39    25)
In 62% van de gevallen betreft het onderzoek naar het houdings- en
bewegingsapparaat, in 22% het zenuwstelsel en 7% het algehele functioneren.
Enkele projecten zijn gericht op het ademhalingsstelsel/longen (4%), hart en vaten
(4%), endocrien systeem (1%) en tractus digestivus (1%) (zie tabel 8).
                                                                                  33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Tabel 7     Thema van onderzoek
                           Universitair Buitenuniversitair Totaal  %
 aantal projecten                 110                  49    159
 diagnostiek                        23                  5     28   18
 prognostiek                        25                  4     29   18
 behandeling                        73                 16     89   56
 preventie                           7                  2      9    6
 registratie                        10                  8     18   11
 richtlijnen                         9                 12     21   13
 implementatie                      11                 11     22   14
 methodeontwikkeling                12                  5     17   10
 anders                              0                  9      9    6
 (dubbeltellingen                                             84  53)
Tabel 8     Aandoening
                           Universitair Buitenuniversitair Totaal  %
 aantal projecten                 110                  49    159
 houdings- en                       82                 15     98   62
 bewegingsapparaat
 hart en vaten                       4                  2      6    4
 ademhalingsstelsel                  5                  2      7    4
 longen
 zenuwstelsel                       26                  9     35   22
 endocrien systeem                   2                  0      2    1
 tractus digestivus                  2                  0      2    1
 algeheel functioneren               7                  4     11    7
 anders                              4                 22     26   17
 (dubbeltellingen                                             26  16)
        34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>3 .4.      ONDERZOEKSPROGRAMMA’S OP HET GEBIED VAN DE
           FYSIOTHERAPIE
In deze paragraaf wordt beschreven in hoeverre het onderzoek op het gebied van
de fysiotherapie participeert in de open competitie voor subsidiëring. Daarbij is
het van belang erop te wijzen dat er geen specifiek onderzoeksprogramma is op dit
terrein. Uit de inventarisatie van het lopende onderzoek blijkt dat ongeveer
tweederde van het onderzoek wordt gesubsidieerd uit verschillende
onderzoeksprogramma’s in de tweede en derde geldstroom. Wel zijn er
onderzoeksprogramma’s waarin wel fysiotherapeutisch onderzoek mogelijk is
maar waar dit om financiële redenen niet gebeurt. Achtereenvolgens zijn de
volgende onderzoeksprogramma’s te noemen:
3.4.1      DEELPROGRAMMA PARAMEDISCHE ZORG, CVZ
Bij het CVZ liep van 1994 tot 2003 het ‘Deelprogramma effectiviteitsonderzoek
paramedische zorg’, zorg verstrekt op grond van de Ziekenfondswet. In de
verstrekking zijn opgenomen fysiotherapie, oefentherapie Cesar, oefentherapie
Mensendieck, logopedie en enkelvoudige extramurale ergotherapie.
Het budget van dit deelprogramma dat in 2000 nog i 1,5 miljoen bedroeg is in
2002 verminderd tot i 680.670. Een commissie (de Deelprogrammacommissie
Paramedische Zorg (DPZ)) prioriteerde het onderzoek en stuurde het top down
aan. De onderbouwing van de onderwerpskeuze werd beschreven in het
jaarprogramma effectiviteitsonderzoek paramedische zorg en ter goedkeuring
voorgelegd aan de minister van VWS.28
In 2002 bestond het Deelprogramma uit 29 projecten, waarvan 14 op het gebied
van de fysiotherapie met een gezamenlijk budget van i 4.937.990. Eén project
had betrekking op oefentherapie Cesar (i 179.502). Op één project na zijn alle in
de inventarisatie van het lopende onderzoek opgenomen.
De DPZ heeft daarnaast in 2002 zeven beleidsonderzoeksprojecten aangestuurd
op het gebied van de fysiotherapie, waarvan twee zich naast de fysiotherapie ook
op de oefentherapie Mensendieck en Cesar richtten, met een totale subsidie ten
bedrage van i 1.018.905.
Anno 2003 rekent het CVZ het effectiviteitsonderzoek niet meer tot haar
kerntaken, het DPZ is in februari 2003 opgeheven. In het nieuwe onderzoeks-
beleid wordt prioriteit gegeven aan beleidsonderzoek, bijvoorbeeld onderzoek
naar de organisatie van de zorg (zoals directe toegang tot fysiotherapie) en
onderzoek naar noodzakelijke voorwaarden voor het optimaal afstemmen van
zorg van verschillende disciplines in de eerste lijn. Effectiviteitsonderzoek komt
slechts in aanmerking als het gerelateerd is aan doelmatigheidsverbeteringen van
de sociale ziektekostenverzekering en past binnen de beleidsdoelstellingen van het
                                                                          35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>CVZ. Hierbij zal de multidisciplinaire benadering van de zorgvraag van de
patiënt prioriteit krijgen. Effectiviteitsstudies naar enkelvoudige
fysiotherapeutische interventies zullen door het CVZ niet meer worden uitgezet.
Er komt een nieuwe commissie (begeleidingscommissie beleidsondersteunend
onderzoek/eerstelijns zorg) die het beleidsonderzoek in het kader van de eerste
lijn gaat begeleiden.29
3.4.2      PROGRAMMA KWALITEIT PARAMEDISCHE ZORG, ZONMW
Bij ZonMw loopt het programma kwaliteit paramedische zorg in 2002 af (omvang
i 1.154.871 voor 3 jaar). ZonMw heeft continuering van het programma
aangevraagd bij VWS. Het programma betreft verschillende paramedische
beroepsgroepen en zou naar de mening van ZonMw zich moeten richten op over-
koepelende onderwerpen: kwaliteit; doelmatigheid; vraag gestuurde zorg
(communicatie patiënt-paramedicus; samenwerking met andere (niet) para-
medische beroepsgroepen); verspreiding van kennis; specifieke deskundigheid. In
het programma zijn drie voor de fysiotherapie relevante projecten opgenomen:
één op het gebied van de fysiotherapie en twee over paramedische zorg waarvan
fysiotherapie deel uitmaakt.
Tussen de onderzoeksprogramma’s paramedische zorg van het CVZ en ZonMw
heeft geen afstemming plaatsgevonden. Wel financierde het CVZ i 408.402 van
het onderzoeksprogramma Kwaliteit Paramedische Zorg van ZonMw.
Naar de mening van de fysiotherapeuten komt het onderzoek op het gebied van
de fysiotherapie onvoldoende tot zijn recht binnen het ZonMw-programma.
3.4.3      PROGRAMMA GEZOND LEVEN, ZONMW
In 2000 kreeg ZonMw opdracht van VWS een Programma Gezond Leven op te
stellen, met een budget van i 18.151.208 voor vijf jaar. Doel van dit programma
is vernieuwing in de aanpak van ongezonde leefgewoonten (BRAVO-thema’s:
Voldoende Bewegen, niet Roken, matig Alcohol gebruik, gezonde Voeding,
Veiligheid en Veilig Vrijen, voldoende Ontspanning). In dit programma passen
bijvoorbeeld onderzoeksprojecten gericht op primaire preventie van obesitas met
behulp van bewegingsprogramma’s. Twee projecten zijn gehonoreerd die rele-
vantie voor de fysiotherapie hebben: één project over een bewegingsprogramma,
een over een integrale benadering van chronische pijnklachten bij vrouwelijke
migranten.
       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>3.4.4       PROGRAMMA PREVENTIE, ZONMW
Het programma Preventie liep van 1998 tot 2002 en had een budget van i 128,6
miljoen gedurende 5 jaar. Het onderzoek werd ondergebracht in drie
deelprogramma’s:
1. innovatief preventieonderzoek;
2. effectiviteits- en doelmatigheidsonderzoek;
3. onderzoek naar implementatie-aspecten van preventie.
Later zijn hieraan nog twee deelprogramma’s toegevoegd:
4. uitvoeringsprojecten en
5. landelijke implementatie.
Er lopen geen onderzoeksprojecten op het gebied van de fysiotherapie in dit
onderzoeksprogramma. Inmiddels heeft ZonMw verlenging met eenzelfde budget
van het programma aangevraagd bij VWS voor de periode 2003-2007. Doel van
het tweede programma is: ‘Het uitvoeren van interventies teneinde gezondheid te
bevorderen en ziekten of gezondheidsproblemen te voorkomen, en zodoende
gezondheidswinst te bereiken’. Evenals het eerste programma richt het tweede
zich op primaire en secundaire preventie, tertiaire preventie valt buiten het
programmakader. Een van de prioriteiten is bijvoorbeeld preventie (via GVO-
activiteiten) van aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat op de
werkplek. Aandachtsgebieden die genoemd worden zijn o.a. lichamelijke
activiteit; behoud van gezond gedrag etc.
3.4.5       DOELMATIGHEIDSONDERZOEK, ZONMW
Het eerste ZonMw-programma doelmatigheidsonderzoek loopt van juli 2001 tot
2004 met een budget van i 8.621.824 en richt zich op doelmatigheidsvragen uit
zorgpraktijk en -beleid. Het gebied is zeer breed, omvat preventie, care en cure en
is gericht op diagnostiek, therapie en de organisatie van het professionele
handelen. Er zijn op dit moment twee projecten gehonoreerd op het gebied van
de fysiotherapie. Een verklaring voor dit lage aantal is wellicht dat het moeilijk is
voor subsidie binnen dit programma in aanmerking te komen, o.a. omdat alleen
projecten worden gehonoreerd over interventies die bewezen effectief zijn.
In april 2002 ontving ZonMw van VWS opdracht voor het nieuwe (tweede)
programma Doelmatigheidsonderzoek voor de jaren 2003-2006. Het hieraan te
toe te kennen budget wordt door VWS definitief vastgesteld na ontvangst van het
programmavoorstel. Doel van het programma is: het bijdragen aan rationalisering
van zorgpraktijk en -beleid op micro-, meso- en macroniveau, dus betreffende
respectievelijk het professioneel handelen, de zorgorganisatie dan wel het
zorgsysteem. Na een veldraadpleging zijn ruim 450 signalen voor
doelmatigheidsonderzoek ontvangen, die uiteindelijk tot 6 geprioriteerde thema’s
                                                                           37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>zijn geclusterd. Eén van deze thema’s betreft het bewegingsapparaat, waarbinnen
drie subthema’s worden geprioriteerd:
- knie- en heupproblemen: onderzoek naar de doelmatigheid van toepassing
    van fysiotherapie bij knie-/heupklachten dan wel na knie-/heupoperaties,
    zowel intramuraal als extramuraal; onderzoek naar de doelmatigheid van de
    behandeling met corticosteroïden/NSAID’s in vergelijking met afwachtend
    beleid of operatie bij pijnklachten van het bewegingsapparaat;
- osteoporose: doelmatigheidsonderzoek naar de behandeling van osteo-
    porotische fracturen;
- chronische aandoeningen: onderzoek naar de kosteneffectiviteit van fysio-
    therapie/ergotherapie/Mensendieck/Cesar e.a. bij multipele sclerose, whiplash
    en de ziekte van Parkinson, met aandacht voor geïntegreerd zorgaanbod;
    doelmatigheidsonderzoek naar de behandeling van en zorg voor patiënten met
    reumatoïde artritis.
3.4.6      REVALIDATIEONDERZOEK, ZONMW
Dit programma heeft een looptijd van 1998 tot en met 2005 met een beoogd
budget van i 13.613.40, waarvan inmiddels i 11.501.276,4 beschikbaar is
gesteld door VWS, OCenW/NWO, VRIN en NRF. Vervolgfinanciering is
aangevraagd. Doel is het versterken en verankeren van de onderzoeks-
infrastructuur voor het revalidatieonderzoek en het bevorderen van onderzoek op
het terrein van 8 thema’s, te weten:
1. herstel loopvaardigheid na een CVA,
2. functionele prognose bij neurologische aandoeningen,
3. mobiliteitsherstel in de behandeling van mensen met een dwarslaesie,
4. beperkingen bij chronische lage rugpijn: een integratie van gedragsmatige en
fysiologische benaderingen,
5. revalidatietechnische hulpmiddelen en bruikbaarheid,
6.cognitieve revalidatie,
 7. revalidatieonderzoek bij kinderen en
8. bij ouderen.
Binnen dit programma loopt (nog) geen fysiotherapeutisch onderzoek.
Fysiotherapie kan op deelgebieden wel onderdeel gaan uitmaken van de
interventie. Het cluster herstel loopvaardigheid na CVA richt zich naast
revalidatieartsen ook op fysiotherapeuten.
3.4.7      VERNIEUWINGSIMPULS, NWO
De vernieuwingsimpuls heeft als doel vernieuwing van het wetenschappelijk
onderzoek. Voor het programma staat centraal dat talentvolle, creatieve
onderzoekers de gelegenheid krijgen hun onderzoek uit te voeren en op deze
        38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>wijze in of door te stromen bij de wetenschappelijke onderzoeksinstellingen. Het
programma richt zich met drie verschillende persoonsgerichte subsidievormen op
verschillende fasen in de wetenschappelijke carrière van jonge, excellente
onderzoekers, van pas gepromoveerd tot ervaren en professorabel, respectievelijk
de zogeheten VENI, VIDI en VICI-subsidies.i Volgens de huidige afspraken loopt
dit programma van 2001 tot en met 2007 en betreft het alle wetenschapsgebieden.
ZonMw zet binnen dit programma per jaar uit: 24 VENI-subsidies à i 4.8
miljoen, 18 VIDI-subsidies à i 10.8 miljoen, en 4 VICI-subsidies à i 5 miljoen
(iedere subsidie is inclusief 33% financiering vanuit de instelling zelf). De looptijd
van gehonoreerde projecten is 3 (VENI) tot 5 jaar (VIDI en VICI). Het
programma stelt hoge kwaliteitseisen, de competitie is groot en het
honoreringspercentage relatief laag. In het programma vindt op dit moment geen
onderzoek plaats op het gebied van de fysiotherapie.
3.4.8      COLLECTEBUSFONDSEN
Bij het Reumafonds, de Nederlandse Hartstichting en de Nierstichting worden de
laatste jaren weinig onderzoeksprojecten aangeboden op het gebied van de
paramedische zorg.
3.5        SAMENVATTING
Uit de inventarisatie blijkt dat het huidige onderzoek in de fysiotherapie wordt
verricht in een groot aantal onderzoeksgroepen in universitaire en buiten-
universitaire onderzoeksinstituten, afdelingen van ziekenhuizen, kenniscentra en
hogescholen. Geschat wordt dat ca. 89 fte wp universitair werkzaam is en 34 fte
wp buitenuniversitair. Dit aantal fte wp verricht zowel onderzoek op het gebied
van de fysiotherapie als onderzoek met relevantie voor de fysiotherapie. In beide
        i
           De VENI-subsidie biedt de pas gepromoveerde onderzoeker de mogelijkheid om
           gedurende drie jaar zijn/haar ideeën verder te ontwikkelen (maximaal i 200.000 voor
           een periode van drie jaar). De VIDI-subsidie is gericht op de onderzoeker die na
           zijn/haar promotie al een aantal jaren onderzoek op post-doc niveau heeft verricht en
           daarbij heeft aangetoond vernieuwende ideeën te genereren en succesvol zelfstandig tot
           ontwikkeling te brengen (maximaal i 600.000 voor een periode van vijf jaar). De VICI-
           subsidie is gericht op de senior-onderzoeker die heeft aangetoond met succes een eigen
           vernieuwende onderzoekslijn tot ontwikkeling te kunnen brengen en als coach voor jonge
           onderzoekers te kunnen fungeren (maximaal i 1.250.000 voor een periode van vijf jaar).
           Meer informatie is op te vragen via de website <http://www.nwo.nl>, onder de link
           subsidiewijzer en brochure vernieuwingsimpuls.
                                                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>gevallen wordt het onderzoek ten dele verricht door andere
(gedragswetenschappelijke, bewegingswetenschappelijke of medische) disciplines
dan de fysiotherapie. Samenwerking vindt met name plaats op projectbasis.
Het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie, zoals geïnventariseerd, wordt
voor ca. tweederde gefinancierd uit tijdelijke financieringsbronnen, veelal tweede
en derde geldstroom. Uit de inventarisatie blijkt verder dat ruim de helft (60%)
van de onderzoeksprojecten evaluatie onderzoek betreft naar behandelingen van
het houdings- en bewegingsapparaat. Ongeveer 10% van de projecten is
verklarend en 6% is preventieonderzoek. Aandoeningen van het houdings- en
bewegingsapparaat en van het zenuwstelsel staan in respectievelijk 62% en 22%
van de projecten centraal; aandoeningen van het ademhalingsstelsel/longen en
hart en vaten elk in 4%; aandoeningen van het endocrien systeem en tractus
digestivus elk in 1% . Hierbij moet worden opgemerkt dat de verwijsdiagnoses
voor fysiotherapie door de huisarts uitsluitend het bewegingsapparaat betreffen.4
Daarnaast heeft fysiotherapie een duidelijke rol bij de revalidatie na
myocardinfarct en bij de begeleiding van ernstig astma/COPD. Bij het endocrien
systeem en tractus digestivus heeft de fysiotherapeut behalve bij bekken-
bodemtraining een minder duidelijke rol.
Onderzoek op het gebied van de fysiotherapie vindt op dit moment voor
tweederde plaats binnen verschillende onderzoeksprogramma’s (tweede en derde
geldstroom). Een aantal onderzoeksprogramma’s loopt op korte termijn echter af
en wordt waarschijnlijk niet gecontinueerd.
Toekomstig fysiotherapeutisch onderzoek zou kunnen plaatsvinden binnen de
volgende onderzoeksprogramma’s : het beleidsondersteunend onderzoek eerste-
lijnszorg van het CVZ; het doelmatigheidsonderzoek en revalidatieonderzoek van
ZonMw; de vernieuwingsimpuls van NWO en de onderzoeksprogramma’s van de
collectebusfondsen.
       40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>4           GE W E N S T        ONDERZOEK
Om het gewenste onderzoek te kunnen bepalen is de Raad uitgegaan van de
onderzoeksvragen die zijn opgesteld door de American Physical Therapy Association
(APTA) (paragraaf 4.1). Een soortgelijke ‘agenda’ voor fysiotherapie onderzoek in
Europese landen ontbreekt. Deze onderzoekswensen zijn geïnventariseerd bij
onderzoekers (aanbodzijde) en bij organisaties van de vraagzijde van het
onderzoek (KNGF, Zorgverzekeraars Nederland (ZN), zie 4.2 en 4.3) . Deze
onderwerpen zijn vervolgens ingedeeld volgens de APTA-research agenda. In 4.4
worden andere bronnen van onderzoeksvragen beschreven, waaronder de recent
in Engeland ontwikkelde prioriteiten voor fysiotherapeutisch onderzoek. Tenslotte
wordt in 4.5 de vraag naar onderzoek geplaatst naast het aanbod en worden op
basis hiervan prioriteiten voor onderzoek gesteld.
4.1         APTA
In 2000 rapporteerde de APTA over een clinical research agenda physical therapy30,
waarin onder meer wordt geconstateerd dat enerzijds wetenschappelijke
onderbouwing van het fysiotherapeutisch handelen ontbreekt en dat anderzijds
ruime toepassing in de zorg plaats vindt: “From the perspective of APTA, in order for
the profession to justify itself as unique in the application of clinical sciences to the human
condition, it is imperative to aggregate research efforts into unified scientific program that
maximizes the expenditure of individual efforts and produces an organized body of evidence
for clinical practice.” Met deze agenda wil de APTA het onderzoek naar de
effectiviteit van fysiotherapeutische interventies sturen, waarbij de agenda als
referentiepunt moet dienen. De APTA, die alleen onderzoek subsidieert dat
gericht is op vraagstellingen uit de agenda, is voornemens in 2004/2005 de
agenda te evalueren.
De APTA volgde een nauwgezet proces waarbij met uitgebreide conferenties,
editorials en review analyses uiteindelijk 72 onderzoeksvragen bijeengebracht
werden in een agenda. Bij dit proces waren een groot aantal fysiotherapeuten en
onderzoekers betrokken. De agenda bevat onderzoekthema’s die het handelen
van de fysiotherapeut ondersteunen. Naar de mening van de Raad is de waarde
van de agenda vooral gelegen in de ordening van onderzoeksonderwerpen, een
checklist die direct toepasbaar is op de Nederlandse situatie (zie tabel 9). Het
gewenste onderzoek zoals geïnventariseerd en beschreven in 4.2 en 4.3 is dan ook
geordend volgens deze ‘agenda’. Gelet op het andere aggregatieniveau van de
APTA was het niet mogelijk het geïnventariseerde lopende onderzoek (hoofdstuk
3) volgens de APTA in te delen (het merendeel van dit lopende onderzoek valt
overigens onder APTA 3). Tenslotte merkt de Raad op dat de APTA- research
                                                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>agenda gericht is op kennisverwerving op het gebied van de diagnostiek,
prognostiek en evaluatie, en niet op de verspreiding en de toepassing van kennis,
zoals het opstellen en evalueren van richtlijnen en de implementatie van
onderzoeksresultaten.
Tabel 9    Onderzoeksvraagstellingen van de APTA Clinical Research Agenda
APTA Clinical Research Agenda
1. What is the usefulness of information derived from examination (history, review of
   systems, tests and measures) for patient classification that can be used to direct/guide
   intervention?
   1.1.    What measures could be used to classify patients?
   1.2.    What are the psychometric properties of tests and measures used for patient
           classification?
   1.3.    What are the psychometric properties of classification systems?
   1.4.    How can data best be used for clinical decision making?
   1.5.    Are there combinations of measures of impairment and critical levels of
           function that would predict disability, and if so, how can we determine them?
2. What is the usefulness of information derived from examination (history, review of
   systems, tests and measures) for prognosis?
   2.1     What measures are currently used for prognosis?
   2.2     What are the natural histories of conditions for which physical therapists
           provide services?
   2.3     What are the relationships among pathology, impairment, functional limitation,
           and disability?
   2.4     What are the effects of demographic factors (eg, age, language, race ethnicity,
           sex, social history, comorbidity, culture, family/caregiver resources) on the
           outcome of physical therapy interventions?
3. What are the optimal characteristics of an intervention to achieve a desired effect or
   outcome (function, satisfaction, cost) for given diagnoses?
   3.1     What is the effectiveness of physical therapy intervention?
   3.2     What is the optimal frequency, intensity, and duration of an intervention to
           achieve a desired effect or outcome for a given diagnosis?
   3.3     Are there optimal time periods for interventions that influence pathology,
           impairment, functional limitation, and disability?
   3.4     What is the relative effectiveness of 2 or more interventions for a particular
           patient diagnostic classification?
   3.5     What is the optimal combination of interventions to achieve desired patient
           outcomes?
   3.6     Are there factors that interact with physical therapy interventions, and how do
           they interact to affect patient outcomes and clinical decision making?
   3.7     What factors predict supply, demand, and need for physical therapy services?
        42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>4.2        DE ONDERZOEKERS (AANBODZIJDE)
Aan de contactpersonen die ook over het lopend onderzoek hebben
gerapporteerd, is gevraagd aan welk onderzoek er behoefte is. De respondenten
gaven in een top vijf weer welke onderzoeksvorm (beschrijvend, evaluatie,
verklarend en zorgorganisatie), welke onderzoeksthema’s en welke aandoeningen
in ieder geval gestimuleerd zouden moeten worden. Dit heeft geresulteerd in de
volgende prioriteiten (met tussen haakjes het aantal keer dat deze werden
genoemd):
- evaluatieonderzoek/doelmatigheidsonderzoek van fysiotherapeutische inter-
    venties (9x); APTA 3
- prognostisch/diagnostisch onderzoek (9x); APTA 2
- opstellen en evalueren van richtlijnen (5x); niet in APTA
- klinimetrie/ontwikkeling van meetinstrumenten (5x); APTA 1.2
- registratie (3x); niet in APTA
- zorgorganisatieonderzoek (3x); APTA 3.7
- preventieonderzoek (3x); niet in APTA
- onderzoek naar fysiotherapeutische interventies op het gebied van
    arbeid /arbeidsomstandigheden (3x); APTA 3
- verklarend/fundamenteel onderzoek naar werkingsmechanismen van fysio-
    therapeutische interventies (2x); APTA 2.3
- overig (hulpmiddelen; nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld gedragsmatige
    interventies; invloed van relationele en gedragsmatige aspecten op het effect
    van de behandeling; beschrijvend en evaluatief onderzoek naar klinische
    populaties; fysiotherapie bij IC-patiënten, alle 1x genoemd).
4.3        DE VRAAGZIJDE
Aan CVZ, ZN, KNGF, PatiëntenPraktijkj, en ZonMw werd eveneens gevraagd
een top vijf met onderzoeksprioriteiten samen te stellen.
Het KNGF gaf prioriteit aan:
- onderzoek naar de effecten van preventie en arbeidsgerelateerde fysiotherapie;
    preventie, niet in APTA; arbeidsgerelateerde fysiotherapie, APTA 3
- verklarend onderzoek naar werkingsmechanismen in de fysiotherapie; APTA
    2.3
        j
           De    Patiëntenpraktijk is   een    klein  kennisbureau over   onderzoek  voor
           patiënten/consumentenorganisaties. Voor meer informatie wordt verwezen naar de
           website <http://www.patiëntenpraktijk.nl>.
                                                                                43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>-   organisatie-onderzoek naar directe toegankelijkheid van de fysiotherapeut in
    de eerste lijn; APTA 3.7
- onderzoek naar indicatoren voor patient outcome; APTA 2
- organisatie-onderzoek naar transmurale zorg;APTA 3.7.
ZN gaf prioriteit aan:
- effectiviteitsonderzoek naar fysiotherapeutisch interventies; APTA 3
- opstellen en evalueren van richtlijnen; niet in APTA
- bij rechtstreekse toegankelijkheid fysiotherapeut: onderzoek naar de gewenste
    opleiding, zodat fysiotherapeut poortwachtersfunctie van de huisarts kan
    overnemen en goede indicaties kan stellen; APTA 3.7
- onderzoek naar meerwaarde van fysiotherapeutische interventies bij arbeids-
    verzuim (welke interventies helpen bij welke problemen); APTA 3
- onderzoek naar meerwaarde preventieve taken van de fysiotherapeut; niet in
    APTA.
Aangezien ZonMw van VWS opdracht krijgt voor het aansturen van onderzoek
achtte ZonMw het niet op haar weg liggen inhoudelijke prioriteiten aan te geven.
De Patiëntenpraktijk was niet in staat prioriteiten aan te geven die representatief
zijn voor alle patiënten die gebruik maken van fysiotherapie. CVZ kon om
organisatorische redenen geen antwoord geven.
4.4          ANDERE BRONNEN VAN ONDERZOEKSVRAGEN
Naast de APTA zijn ook elders in het buitenland pogingen ondernomen om tot
een programmeringsstrategie te komen, zoals in Engeland. In een recent
verschenen rapport van de Chartered Society of Physiotherapy getiteld ‘Priorities for
physiotherapy research in the UK: project report 2002’ wordt beschreven hoe na
uitgebreide consultatie in totaal 309 onderwerpen worden verzameld en verdeeld
over zes panels van deskundigen (cardiorespiratory; mental health and learning
difficulties; muskuloskeletal; neurology; older people; women’s health and paediatrics).31
Ieder panel heeft vervolgens ca. 10 onderwerpen geprioriteerd en uitgebreid
beschreven. In totaal worden er 56 prioriteiten gesteld die in een overall consensus
meeting zijn teruggebracht tot een top-10 van prioriteiten voor fysiotherapeutisch
onderzoek (niet volgens de APTA in te delen, omdat een ander aggregatieniveau
is gebruikt, zie tabel 10) .
        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Tabel 10      Prioriteiten voor fysiotherapeutisch onderzoek in Engeland
Chartered Society of Physiotherapy: ten overall research questions that were agreed at the
consensus meeting
1. Are manual chest physiotherapy techniques clinically and cost effective in the
    managemaent of respiratory disorders?
2. What are the movement strategies used by older people with normal functional ability
    to perform everyday tasks, specifically transfers, stand to sit and turning?
3. Do physiotherapy programmes designed to enable repetitive practice enhance skill
    acquisition in stroke rehabilitation?
4. What is the clinical and cost-effectiveness of physiotherapy for people with Multiple
    Sclerosis?
5. The effectiveness of structured exercise interventions to improve function in the frail
    elderly living in the community.
6. Are the tests commonly used by physiotherapists for assessing the musculoskeletal
    system, reliable, valid and sensitive?
7. Is routine daily chest physiotherapy in asymptomatic infants diagnosed with cystic
    fibrosis (CF) by neonatal screening valuable in terms of long term outcome?
8. Can physical activity intervention make a significant difference to the reduction of
    positive and / or negative symptoms in adults with a diagnosis of Schizophrenia as well
    as improve levels of physical fitness?
9. A longitudinal study to assess what factors are associated with the adherence to an
    exercise programme in patients with osteoporosis?
10. What physiotherapy management is most clinically and cost effective for patients with
    osteoarthritis of peripheral joints?
Naast de door de aanbodzijde (onderzoekers) en vraagzijde (ZN en KNGF)
genoemde prioriteiten bestaan in ons land nog andere bronnen waarin
onderzoekonderwerpen worden genoemd (zij het van een lager aggregatieniveau
dan de prioriteiten genoemd in 4.2 en 4.3). Achtereenvolgens zijn dit het ‘Advies
fysische techniek’ van de Gezondheidsraad, het advies in voorbereiding over
oefentherapie van de Gezondheidsraad en de ‘lacunebak’ van het NHG.
4.4.1       ADVIES FYSISCHE TECHNIEK GEZONDHEIDSRAAD
In het in december 1999 uitgebrachte advies ‘De effectiviteit van fysische
therapie’32 heeft de Gezondheidsraad het werkingsmechanisme, het toe-
passingsgebied en de effectiviteit van elektro-, laser- en ultrageluidtherapie in de
fysiotherapie beschreven. Op basis van systematische literatuuranalyses wordt
                                                                                 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>geconcludeerd dat ruime toepassing in de reguliere zorg van electrotherapie,
lasertherapie en ultrageluidbehandeling bij uiteenlopende aandoeningen - op
enkele uitzonderingen na - niet gerechtvaardigd is. Bij enkele aandoeningen wordt
enig bewijs gevonden voor de effectiviteit van bepaalde behandelwijzen. Het
advies stelt dat nadere evaluatie van deze behandelvormen nodig is en noemt:
electrotherapie bij artrose, lasertherapie bij pijnbehandeling en bij reumatische
artritis, ultrageluidbehandeling bij ‘tenniselleboog’. Naar dit laatste onderwerp is
inmiddels onderzoek verricht.33
4.4.2        ADVIES OEFENTHERAPIE GEZONDHEIDSRAAD
In het kader van het werkprogramma van de Kerncommissie Medical
Technology Assessment is in februari 2002 een werkgroep van deskundigen
geïnstalleerd die zich zal buigen over de stand van zorg en de stand van
wetenschap van oefentherapie. Bij de stand van wetenschap zal de commissie aan
de hand van gepubliceerde systematische literatuuranalyses nagaan wat de
effectiviteit is van oefentherapie voor bepaalde indicatiegebieden. Hierbij valt te
denken aan aspecifieke klachten van het bewegingsapparaat, artrose, reumatische
aandoeningen, CVA en de ziekte van Parkinson.
4.4.3        ‘LACUNEBAK’ NHG
Het NHG inventariseert lacunes in de huisartsgeneeskunde, d.w.z. onderwerpen
die voor wetenschappelijk onderzoek in aanmerking komen, omdat voor de
onderbouwing van de NHG-standaard op dit onderwerp evidence ontbreekt. In de
‘lacunebak’ staan 858 onderwerpen genoemd. Een aantal heeft direct betrekking
op het fysiotherapeutisch handelen, zoals “wat is de waarde van tapes, bandages,
braces, rekoefeningen, ijsapplicaties en/of andere vormen van fysiotherapie bij
epicondylitis” (zie bijlage 8 voor de onderzoeksvragen op het gebied van de
fysiotherapie in de lacunebak).
4.5          AFSTEMMING VAN AANBOD OP DE VRAAG NAAR ONDERZOEK
De APTA geeft een ordening van onderzoeksvragen die bruikbaar is voor de
Nederlandse situatie, zonder evenwel prioriteiten te stellen. De Raad heeft het
gewenste onderzoek geplaatst naast het lopende onderzoek en zich afgevraagd of
een type onderzoek aan prioriteit verliest als dit door verschillende
onderzoeksinstituten al wordt verricht; of een type onderzoek aan prioriteit wint
als dit in Nederland nog weinig plaatsvindt en of voor dergelijk onderzoek
voldoende expertise in Nederland beschikbaar is. De Raad heeft bij deze
afwegingen het maatschappelijk belang van de fysiotherapie vooropgesteld. Aan
        46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>de hand van deze overwegingen komt de Raad tot vier met elkaar
samenhangende prioriteiten die een breed terrein van onderzoek beslaan.
Deze prioriteiten zijn in willekeurige volgorde:
- patiëntgebonden evaluatie-onderzoek (RCT’s) naar fysiotherapeutische
   behandelingen, in het bijzonder de oefentherapie. Tevens is het van belang het
   onderzoek te richten op reactiveringsprogramma’s bij patiënten met
   chronische aandoeningen ( komt overeen met APTA 3);
- preventieonderzoek naar bewegingsprogramma’s bij patiënten met chronische
   aandoeningen (APTA 3);
- ontwikkeling van meetinstrumenten/klinimetrie (APTA 1.2);
- verklarend onderzoek naar werkingsmechanismen (APTA 2.3);
Hierbij worden de volgende opmerkingen geplaatst:
1. Bij een groot aantal onderzoeksinstituten vindt patiëntgebonden evaluatie-
   onderzoek plaats naar behandelingen van het houdings- en bewegings-
   apparaat. Dit is de essentie van de fysiotherapie en er bestaan nog veel vragen
   op dit belangrijke onderzoeksgebied. Het ligt dus voor de hand dat dit
   onderzoek prioriteit krijgt.
   Een fysiotherapeutische behandeling kan bestaan uit verschillende inter-
   venties: oefentherapie (of bewegingstherapie), fysische therapie en massage-
   therapie. De Raad wil zich nadrukkelijk richten op de oefentherapie,
   begeleiding en instructie. Bij verschillende aandoeningen zijn bepaalde
   vormen van oefentherapie effectief gebleken.34 Er zijn echter nog veel vragen
   over de effectiviteit van verschillende typen van oefentherapie in termen van
   frequentie, aard en intensiteit in relatie tot de behandeling. Eind 2003 zal de
   Gezondheidsraad in zijn advies over oefentherapie specifieke vraagstellingen
   voor nader onderzoek bij verschillende ziekten en aandoeningen definiëren.
   Daarnaast acht de Raad onderzoek naar reactiveringsprogramma’s bij
   patiënten met chronische aandoeningen van groot belang. Reactiverings-
   programma’s bestaan uit meer componenten dan alleen het verhogen van de
   fysieke activiteit met fysiotherapie, ze zijn bijvoorbeeld ook gericht op het
   actiever gaan functioneren/participeren in de maatschappij, op betere voeding
   en op stoppen met roken. Juist de samenhang van deze componenten levert
   een belangrijk positief effect op voor chronische aandoeningen.
   De Raad ziet op dit moment geen behoefte aan nader onderzoek naar fysische
   technieken, omdat in een systematische review weinig tot geen bewijs werd
   gevonden voor de effectiviteit van elektrotherapie, lasertherapie en
   ultrageluidbehandeling bij uiteenlopende aandoeningen.32 Hij maakt een
   uitzondering voor eventuele nieuwe technologieën die toegepast zouden
   kunnen worden en om een evaluatie vragen.
                                                                         47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>   Naar het nut van massagetherapie is nog weinig onderzoek verricht. In veel
   landen behoren massagetechnieken niet tot de fysiotherapie. In Nederland is
   dit wel het geval, al wordt massage alleen inleidend op oefentherapie ingezet.
   Een fysiotherapeutische behandeling bestaat zelden uit massage alleen. De
   Raad acht onderzoek naar massagetechnieken dan ook niet nodig.
2. Voor het nut van bewegingsprogramma’s in het kader van preventie is over-
   tuigend wetenschappelijk bewijs gevonden bij verschillende (chronische)
   aandoeningen.35 Nader onderzoek naar de inhoud van bewegingsprogramma’s
   is gewenst: zowel naar de inspanningsfysiologie (trainingseffecten van
   bewegingsprogramma’s) als naar het gedrag en de gedragsbestendiging
   (factoren die het volhouden’ van bewegingsprogramma’s helpen bevorderen),
   en de wijze waarop een bewegingsprogramma aangeboden moet worden
   (continue aanbieden of intermitterend begeleiden). Onderzoek naar de
   doelmatigheid van tertiair preventieve bewegingsprogramma’s bij patiënten
   met chronische aandoeningen dient daarom naar de mening van de Raad
   prioriteit te krijgen.
3. De Raad hecht veel belang aan de ontwikkeling van meetinstrumenten die
   door zowel onderzoekers als fysiotherapeuten worden geaccepteerd, aangezien
   dit de implementatie van onderzoeksresultaten kan bevorderen. Hij denkt
   hierbij niet aan klinimetrisch onderzoek pur sang, maar aan het koppelen van
   additionele vraagstellingen op het gebied van meetinstrumenten aan lopend
   patiëntgebonden evaluatie-onderzoek. Daarnaast wil hij systematische reviews
   naar meetinstrumenten bevorderen. Een overzicht van verschillende meet-
   instrumenten met specifieke eigenschappen (betrouwbaarheid, validiteit,
   responsiviteit etc.) op het gebied van de fysiotherapie bij verschillende aan-
   doeningen, is gewenst.
4. Het verklarende onderzoek op het gebied van de fysiotherapie is ook een van
   de prioriteiten. Fysiotherapie is meer dan alleen ‘bewegen’. Er is behoefte aan
   inzicht in de fysiologische en gedragsmatige elementen van de fysiotherapie.
   Zowel de vraag waarom bepaalde technieken effect hebben, welke
   werkingsmechanismen hieraan ten grondslag liggen, als de vraag in welke
   context of therapeutische setting deze technieken het beste kunnen worden
   aangeboden, verdienen nader onderzoek. Wat betreft de eerste vraag is er
   behoefte aan verklarend onderzoek naar fysiotherapeutische interventies op
   weefsel- en celniveau. Wat zijn bijvoorbeeld de effecten op de skeletspier en
   het gewricht; wat zijn de effecten van inspanning op pijn; (over)belasting in
   relatie tot spiermetabolisme/morfologie; wat is spiervermoeidheid? Het betreft
   vragen die met neurologisch-, fysiologisch- en biomechanisch onderzoek
   kunnen worden beantwoord.
       48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>    Wat betreft de tweede vraag, de therapeutische setting, is er eveneens behoefte
    aan verklarend onderzoek. Want hoewel er wetenschappelijk gezien redenen
    zijn voor twijfel aan de effectiviteit van bepaalde fysiotherapeutische inter-
    venties, staat het buiten kijf dat veel mensen zeggen er baat bij te hebben. Ter
    verklaring van deze ogenschijnlijke tegenspraak wordt vaak verwezen naar
    zgn. contextfactoren. Dit is een reden deze contextfactoren tot een serieus
    object van onderzoek te maken. Te denken valt bijvoorbeeld aan onderzoek
    naar de interactie tussen therapeut en patiënt, alsmede het onderzoek naar de
    factoren die het gedrag van de patiënt beïnvloeden.
De organisatie van de zorg is momenteel een actueel onderwerp, mede met het
oog op mogelijke taakverschuivingen van (para)medische disciplines in de zorg.
Onderzoek hiernaar is naar de mening van de Raad belangrijk. Hij geeft er echter
de voorkeur aan dit type onderzoek te verrichten binnen de totale context van de
zorgorganisatie in plaats van alleen de fysiotherapie. Daarom geeft de Raad aan
dit type onderzoek in het onderhavige advies geen prioriteit.
                                                                            49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>50</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>5          KN E L P U N T E N    EN MOGELIJKE OPLOSSINGEN
Dit hoofdstuk gaat in op knelpunten in de kennisverwerving, -verspreiding en -
toepassing. Daarnaast ziet de Raad ook knelpunten in de signalering en
prioritering van onderzoeksonderwerpen. Daarom heeft hij er voor gekozen de
knelpunten te beschrijven aan de hand van de stappen in de HTA-cyclus, te
weten signaleren, prioriteren, onderzoek, synthese, disseminatie, implementatie en
evaluatie.36 De stap ‘onderzoek’ uit de HTA-cyclus is in wezen synoniem met
kennisverwerving , de stappen 'synthese' en 'disseminatie' met kennisverspreiding
en de stap 'implementatie' met kennistoepassing. De Raad hecht tenslotte ook
belang aan de stap die volgt op de kennistoepassing, de ‘evaluatie’. In 5.1.
worden per stap zowel de inhoudelijke als infrastructurele knelpunten beschreven.
In 5.2 worden de knelpunten in de onderzoeksinfrastructuur beschreven, voor
zover nog niet besproken in 5.1. Waar nodig worden mogelijke oplossingen
gesuggereerd.
5.1        STAPPEN IN DE HTA-CYCLUS
5.1.1      SIGNALERING
De beroepsgroep heeft talrijke vragen betreffende fysiotherapeutische
handelingen die onbeantwoord blijven. Relevante vragen uit de beroepspraktijk
worden onvoldoende vertaald in onderzoeksvoorstellen die passen in bestaande
of nieuw te ontwerpen onderzoeksprogramma’s. Het komt regelmatig voor dat
een uit de praktijk ingediend onderzoeksvoorstel wordt afgewezen omdat het
kwalitatief tekort schiet. De beroepsgroep is zeer goed in staat klinische
vraagstellingen te signaleren, maar heeft moeite deze te vertalen in relevante
onderzoeksvragen. Omgekeerd kunnen onderzoekers vragen goed vertalen naar
onderzoeksvoorstellen, maar ze hebben moeite vragen te signaleren.
Fysiotherapeut-onderzoekers die werkzaam blijven in de praktijk kunnen zowel
signaleren als vertalen en zodoende een brugfunctie vervullen tussen het werkveld
van de fysiotherapeut en het wetenschappelijk onderzoek op dit gebied. Wanneer
in Nederland fysiotherapeut-onderzoekers onderzoek gaan verrichten, verlaten zij
vaak de praktijk. Zodoende krijgt thans de brugfunctie tussen praktijk en
onderzoek onvoldoende gewicht.
Tevens onderstreept de Raad de noodzaak van samenwerking van universitaire
en buitenuniversitaire onderzoeksorganisaties met hogescholen bij het signaleren
van onderwerpen voor wetenschappelijk onderzoek. De hogescholen hebben
goede ingang tot het praktijkveld en hebben een groot netwerk van fysiotherapie-
praktijken. Dit is belangrijk met het oog op signaleringen van onderzoeksvragen
                                                                         51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>uit de praktijk, en omgekeerd de implementatie van onderzoeksresultaten naar de
praktijk.
Bij het Nivel is het LIPZ-netwerk gestart, met als doel op landelijk niveau
informatie te verzamelen over de vraag naar paramedische zorg en het
paramedisch handelen in de extramurale praktijk. Bij het LIPZ zijn 43 praktijken
voor fysiotherapie aangesloten. De aangeleverde gegevens uit het LIPZ kunnen
een signalerende functie hebben.
5.1.2       PRIORITERING
De clinical research agenda van de APTA geeft een ordening van onderzoeksvragen
die naar het oordeel van de Raad goed bruikbaar is voor de Nederlandse situatie.
Prioriteiten voor onderzoek die door onderzoekers en organisaties aan de
vraagzijde van het onderzoek worden aangegeven kunnen volgens deze agenda
worden ingedeeld.
Het ministerie van VWS hecht veel belang aan het patiëntenperspectief. In het
onderhavige advies ontbreken door patiëntenorganisaties gestelde onderzoeks-
prioriteiten in de fysiotherapie. Het bleek te moeilijk voor de PatiëntenPraktijk
prioriteiten aan te geven die representatief zijn voor het totaal van patiënten die
gebruik maken van fysiotherapie. Die patiënten verschillen sterk van elkaar in
aard van de aandoening, aard van de beperkingen, leeftijd, enz., en zijn niet goed
onder één noemer te brengen.
In dit advies is ervoor gekozen op basis van een overzicht van het huidige
lopende onderzoek lacunes aan te wijzen en te prioriteren. Ook op andere
manieren kunnen lacunes worden opgespoord, zoals bij onderbouwing van
richtlijnen; of bij een implementatieprobleem dat een prikkel kan zijn voor
vervolgonderzoek, bijvoorbeeld bij een waargenomen discrepantie tussen een
richtlijn en de (persisterende) praktijk. Deze prioriteiten zouden door een bij
ZonMw onder te brengen commissie ‘Fysiotherapie-onderzoek’ kunnen worden
verzameld. Deze commissie stelt prioriteiten op voor onderzoek en krijgt tevens
tot taak te streven naar samenhang tussen de diverse instanties die zich bezig
houden met monitoring, coördinatie en programmering van onderzoek op het
gebied van de fysiotherapie.
5.1.3       ONDERZOEK
In 4.5 heeft de Raad op basis van de inventarisatie van het huidige lopende en
gewenste onderzoek vier met elkaar samenhangende onderzoeksprioriteiten
opgesteld. Achtereenvolgens zijn dit in willekeurige volgorde: patiëntgebonden
evaluatie-onderzoek, preventieonderzoek, ontwikkeling van meetinstrumenten en
classificatiesystemen en verklarend onderzoek. Hieronder wordt per prioriteit op
inhoudelijke en infrastructurele knelpunten ingegaan.
        52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Patiëntgebonden evaluatie-onderzoek naar fysiotherapeutische behandelingen
Het is van groot belang het toekomstig onderzoek te richten op fysiothera-
peutische interventies die werkzaam zijn, de oefentherapie en de reactiverings-
programma’s. Dit brengt met zich mee dat de beroepsgroep de onderzoeks-
resultaten betreffende de niet werkzame (fysische) technieken moet accepteren en
implementeren.
Patiëntgebonden evaluatieonderzoek vond plaats in een aantal onderzoeks-
programma’s die inmiddels zijn afgelopen of opgeheven:
- het DPZ van het CVZ, (inmiddels opgeheven);
- het ZonMw-programma paramedische zorg (afgelopen, continuering
    aangevraagd bij VWS);
- het eerste ZonMw-programma doelmatigheid dat in 2004 afloopt, het tweede
    gaat zeer waarschijnlijk binnenkort van start met een nog onbekend budget.
    Het richt zich top down op drie thema’s binnen het bewegingsapparaat (knie-
    en heupproblemen; osteoporose; chronische aandoeningen (multiple sclerose,
    whiplash, ziekte van Parkinson en reumatoïde artritis)).
- Voor het ZonMw-programma revalidatieonderzoek is een deel van het
    beoogde budget beschikbaar gesteld. Het cluster herstel loopvaardigheid na
    CVA biedt ruimte aan fysiotherapeutisch evaluatie-onderzoek.
De financiële mogelijkheden voor dit type onderzoek waren tot op heden goed,
maar zijn in de toekomst naar verwachting binnen het ZonMw-programma
doelmatigheidsonderzoek en het ZonMw-programma revalidatieonderzoek
beperkt. Dit zal uiteraard zijn consequenties hebben op de totale omvang van het
fysiotherapeutisch onderzoek.
Het evaluatieonderzoek dat op dit moment plaats vindt is van goede kwaliteit en
wordt vooral verricht in drie grote universitaire epidemiologisch georiënteerde
onderzoeksinstituten (EMGO Instituut VUmc, Erasmus MC, UM). Het ontbreekt
echter aan structurele samenwerking en afstemming.
Preventieonderzoek
Preventieonderzoek op het gebied van de fysiotherapie wordt nauwelijks verricht.
Preventie wordt onderscheiden in primaire, secundaire en tertiaire preventie.37
Primaire preventie richt zich op een interventie vóór een gezondheidsprobleem
ontstaat; secundaire preventie betreft vroege opsporing van een reeds ontstaan
maar nog niet klinisch manifest gezondheidsprobleem; tertiaire preventie is
gericht op het voorkómen van complicaties en het verminderen van rest-
verschijnselen, en daarmee het voorkómen van beperkingen en handicaps, door
een reeds aanwezige ziekte. De activiteiten met betrekking tot tertiaire preventie
hangen veelal samen met de behandeling zelf, dus met curatieve activiteiten.
                                                                           53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>De fysiotherapeutische behandeling bestaat veelal voor een deel uit tertiaire
preventie in de vorm van het verstrekken van informatie aan de patiënt ter
voorkoming van recidief klachten. De Raad is van mening dat er behoefte bestaat
aan onderzoek naar de tertiaire preventie van bewegingsprogramma’s bij
patiënten met chronische aandoeningen. Hij merkt hierbij op dat over primair en
secundair preventieve bewegingsprogramma’s al veel informatie vanuit de
bewegingswetenschappen, epidemiologie en neuroimmunologie beschikbaar is,
maar dat deze kennis ten onrechte niet wordt gebruikt voor de beantwoording
van tertiaire preventieve zorgvragen.
Onderzoek naar de tertiaire preventie van bewegingsprogramma’s past niet
binnen de onderzoeksprogramma’s ‘Preventie’ en ‘Gezond Leven’ van ZonMw.
Het eerste programma honoreert alleen onderzoek gericht op primaire en
secundaire preventie, het tweede richt zich op primaire preventie in de algemene
bevolking. Het onderwerp bewegingsprogramma’s bij patiënten met chronische
aandoeningen werd in het RGO-advies ‘Onderzoek sportgezondheidszorg’
eveneens geprioriteerd en dient zodoende in een ZonMw-onderzoeksprogramma
sportgezondheidszorg zijn plaats te krijgen. Eveneens zou dit onderwerp naar de
mening van de Raad in het onderzoeksprogramma revalidatieonderzoek, binnen
de thema’s ouderen en chronische lage rugpijn, een plaats moeten krijgen. De
Raad denkt dat er voldoende expertise op het gebied van preventieonderzoek
aanwezig is.
Ontwikkeling van meetinstrumenten en classificatiesystemen
Over de opzet van evaluatieonderzoek in de fysiotherapie is veel discussie tussen
de beroepsgroep, fysiotherapeut-onderzoekers en klinisch-epidemioloog
onderzoekers. Deze heeft er toe geleid dat in toenemende mate overeenstemming
is bereikt over de onderzoeksopzet. Klinisch-epidemiologen hebben meer
aandacht gekregen voor de omschrijving van patiëntengroepen en interventies,
fysiotherapeuten hebben meer oog gekregen voor de methodologische kwaliteit
van het onderzoek en systematische reviews. De Raad hecht veel belang aan
voortzetting van deze discussie over de onderzoeksopzet, in het bijzonder over de
gehanteerde meetinstrumenten en classificatiesystemen. Hij vindt een
standaardisatieproces van meetinstrumenten die valide, betrouwbaar en responsief
zijn nodig, evenals onderzoek naar de verdere ontwikkeling van meet-
instrumenten die door zowel de beroepsgroep fysiotherapie als door klinisch-
epidemiologische onderzoekers wordt geaccepteerd. Systematische reviews naar
meetinstrumenten bij verschillende aandoeningen zijn belangrijk. Aangezien
reeds een aantal instrumenten is ontwikkeld, is de Raad enigszins terughoudend
ten aanzien van de ontwikkeling van nieuwe instrumenten. Slechts indien
bestaande meetinstrumenten voor een specifieke onderzoeksvraag ontbreken, is
       54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>het zinvol nieuwe meetinstrumenten in evaluatieonderzoek toe te voegen aan
algemeen geaccepteerde meetinstrumenten. Daarnaast is het wenselijk verschil-
lende geaccepteerde instrumenten onderling te vergelijken, zodat vraagstellingen
op het gebied van de klinimetrie onderzocht kunnen worden. De implementatie
van meetinstrumenten in de dagelijkse praktijkvoering zou moeten worden
bevorderd, zodat fysiotherapeuten kunnen beoordelen in hoeverre een interventie
heeft gewerkt.
Naast consensus over meetinstrumenten is consensus nodig over de gehanteerde
classificatiesystemen. Artsen en fysiotherapeuten hanteren niet dezelfde systemen:
huisartsen gebruiken de ICPC-codering en fysiotherapeuten de ICIDH of ICF.k
Het is duidelijk dat de diagnostische classificatie die in het onderzoek wordt
gebruikt ook in de praktijk toepasbaar moet zijn (net zoals bijvoorbeeld de DSM-
IV-classificatie). De ICPC-codering wordt door huisartsen gebruikt voor medische
diagnostiek voor verwijzing, de ICIDH en ICF door fysiotherapeuten en
oefentherapeuten voor fysiotherapeutische- of oefentherapeutische diagnostiek en
behandeling. De uitgangsvraag bepaalt het gebruik van classificatie. Bij de vraag
“moet ik deze patiënt voor fysiotherapie verwijzen?” of “is bij deze patiënt
fysiotherapie effectiever dan een afwachtend beleid” dient (mogelijk) met een
andere manier van classificatie te worden gewerkt dan bij de vraag “moet deze
patiënt met rugpijn eerst met manipulatie of eerst met oefentherapie worden
behandeld?”. Bij de eerste vraag dient het classificatiesysteem aan te sluiten bij de
manier van denken van de huisarts (anders zijn de onderzoeksresultaten niet te
implementeren) en in het tweede geval bij die van de fysiotherapeut. De
verschillende professies hebben verschillende achtergronden en werkwijzen, zodat
een universeel classificatiesysteem wellicht niet haalbaar is. Een andere
mogelijkheid zou zijn in het onderzoek naast de medische diagnostiek ook de
fysiotherapeutische diagnostiek te gebruiken (naast de ICPC- ook de ICF-
codering).
Er is geen onderzoeksprogramma waarin onderzoek naar meetinstrumenten en/of
classificatiesystemen op het gebied van de fysiotherapie kan plaatsvinden.
Financiering van dit type onderzoek is een probleem. Expertise op dit gebied is
voldoende aanwezig bij een aantal onderzoeksgroepen. Samenwerking en af-
stemming ontbreekt.
        k
            ICPC = International Classification of Primary Care; ICIDH = International
            Classification of Impairments, Disabilities and Handicaps; ICF = Internationale
            Classificatie van het menselijk Functioneren.
                                                                                55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Verklarend onderzoek
Onderbouwing van de fysiotherapie door het verschaffen van inzicht in de
fysiologische en gedragsmatige elementen van de fysiotherapie wordt door de
Raad essentieel geacht.
Dit kan worden bereikt door structurele samenwerking met andere disciplines,
zoals de gedragswetenschappen, bewegingswetenschappen en medische weten-
schappen. De kwaliteit en haalbaarheid van vraagstellingen dient voorop te staan.
Vervolgens valt te bezien hoe de vraagstellingen te beantwoorden zijn en welke
disciplines betrokken moeten worden. Met de inbreng van deskundigheid op
aanpalende gebieden kan meer gedaan worden aan de fundamenten van de
fysiotherapie. De beroepsgroep heeft aangegeven hieraan grote behoefte te
hebben.
Het ontbreekt aan een onderzoeksprogramma, waarbinnen het verklarend
onderzoek past. De Raad denkt dat voor het verklarend onderzoek in potentie
voldoende expertise aanwezig is in Nederland, maar dat deze niet gecoördineerd
en gebundeld wordt ingezet. Samenwerking met belendende gebieden is vereist.
Voor dit type onderzoek is de beschikbaarheid van een laboratorium
noodzakelijk, alsmede van medewerkers die dierexperimenteel onderzoek mogen
verrichten. Immers, fysiotherapeuten zijn hiervoor niet geëquipeerd.
5.1.4      DISSEMINATIE
Onderzoeksresultaten op het gebied van de fysiotherapie worden meestal
gepubliceerd in Engelstalige literatuur. Teneinde de leesbaarheid en impact van
vakliteratuur in de fysiotherapie te vergroten verdient dubbelpublicatie van
Engelstalige artikelen in Nederlandse tijdschriften grote aandacht. Daarnaast acht
de Raad de publicatie van evidence-based rubrieken voor de bespreking van
hoogwaardig onderzoek, zoals de Cochrane-rubriek in het Tijdschrift voor
Fysiotherapie van groot belang. Tevens dient in de opleiding fysiotherapie en in
de bij- en nascholing van de fysiotherapeut aandacht te worden besteed aan het
lezen van Engelstalige vakliteratuur.
5.1.5      IMPLEMENTATIE
De verspreiding en implementatie van kennis in de fysiotherapie gebeurt
grotendeels via richtlijnen, die ontwikkeld worden door het NPi in samenwerking
met het KNGF. Inmiddels zijn er 10 evidence-based richtlijnen ontwikkeld. Twee
richtlijnen (chronisch enkelletsel en claudicatio intermittens) zijn binnenkort
gereed. Een KNGF-richtlijn wordt ontworpen op basis van wetenschappelijke
literatuur (evidence based) en wordt afgestemd met huisartsen (NHG-standaarden)
en overige relevante disciplines. Richtlijnen worden volgens een standaard
methode geïmplementeerd. Deze methode is eerder ontwikkeld door het CBO,
        56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>het NPi en het KNGF. Momenteel vindt er bij het NPi implementatieonderzoek
plaats waarin verschillende implementatiestrategieën worden vergeleken met de
standaard implementatiestrategie. Op basis van de resultaten hiervan zal de
methode voor richtlijnontwikkeling worden geactualiseerd.
De gehanteerde inclusiecriteria voor patiënten en meetinstrumenten in evaluatie-
onderzoek moeten aansluiten bij de praktijk, zodat het onderzoeksresultaat
geaccepteerd en geïmplementeerd wordt.
5.1.6      EVALUATIE
Bij het NPi vinden thans 7 prospectieve studies plaats naar de bruikbaarheid en
knelpunten van richtlijnen. Het Nivel heeft de implementatie van de richtlijn
‘acuut enkelletsel’ geëvalueerd.38 Het Nivel concludeert in zijn rapport: “van de
fysiotherapeuten die wel eens patiënten met acuut enkelletsel behandelen bleek
een meerderheid de inhoud van de richtlijn (enigszins) te kennen. Er werden over
het algemeen meer voor- dan nadelen ervaren bij het opvolgen van de richtlijn.
Disseminatie en implementatie van de richtlijn had plaatsgevonden via het IOF.”
De Raad is van mening dat het systematisch aanbieden van richtlijnen, gevolgd
door een evaluatie en eventuele bijstelling van het gebruik van groot belang is. De
Raad constateert dat er op dit moment geen plannings- en controlesysteem is
voor het structureel opstellen, implementeren en evalueren van richtlijnen in de
fysiotherapie.
5.2        ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR
5.2.1      SAMENWERKING EN AFSTEMMING
Bij onderzoekers in de fysiotherapie ontbreekt het aan overzicht welk onderzoek
waar loopt. De inventarisatie die heeft plaatsgevonden voor het advies voldeed in
een behoefte bij de onderzoekers en is in feite een eerste aanzet geweest tot
afstemming. Continuering hiervan door monitoring van het onderzoek in de
toekomst acht de Raad van wezenlijk belang. Er is daarnaast een gebrek aan
structurele samenwerking. Samenwerking dient plaats te vinden tussen fysio-
therapeuten en onderzoekers uit verschillende disciplines, zoals onderzoekers uit
medische wetenschappen, gedragswetenschappen en bewegingswetenschappen,
evenals tussen hogescholen en universitaire en buitenuniversitaire onderzoeks-
organisaties. Met de komst van lectoraten aan hogescholen zou op de lange duur
een samenwerking met een structureel karakter van hogescholen met (buiten)
universitaire onderzoeksinstituten tot de mogelijkheden behoren.
Het onderzoek is verspreid over een groot aantal onderzoeksgroepen en vindt
versnipperd plaats. Samenwerking moet een structureel karakter krijgen door
kernen van onderzoek na te streven. Er moet met andere woorden landelijk
                                                                          57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>gestreefd worden naar een zekere verdeling van onderzoeksthema’s op basis van
de prioriteiten in 4.5. Een commissie dient zorg te dragen voor monitoring van
het onderzoek, coördinatie en afstemming. Interdisciplinaire en multidisciplinaire
samenwerking wordt zo bevorderd.
Hoewel in zekere zin al een verdeling van onderzoeksthema’s over het land heeft
plaatsgevonden, verdient een verdere bundeling van het fysiotherapeutisch
onderzoek rond de geprioriteerde thema’s aanbeveling.
5.2.2      ONDERZOEKSPROGRAMMA
Er is geen apart onderzoeksprogramma voor fysiotherapeutisch onderzoek. Het
onderzoek vindt voor tweederde plaats in het kader van onderzoeksprogramma’s
die gefinancierd worden uit de tweede en derde geldstroom. Een aantal onder-
zoeksprogramma’s is recent gestopt of afgelopen (5.1.3), zodat de continuïteit van
het onderzoek gevaar loopt.
5.2.3      OPLEIDING
Er is een tekort aan fysiotherapeut-onderzoekers die tevens werkzaam zijn in de
praktijk. De Raad vindt het daarom belangrijk dat onderzoeksinstituten een
nauwe band aangaan met een of meer fysiotherapiepraktijken, zodat het voor
fysiotherapeut-onderzoekers mogelijk is (weer) in de praktijk te gaan, resp. te
blijven werken.
Ca. 10 tot 15% van de fysiotherapeuten volgt een universitaire opleiding gezond-
heids-, gedrags-, of bewegingswetenschappen en gaat onderzoek doen. In de
toekomst zullen meer fysiotherapeuten de universitaire opleiding fysiotherapie-
wetenschap aan de Academie Gezondheidszorg Utrecht volgen. De aanwas van
universitair geschoolde fysiotherapeuten lijkt daarmee gewaarborgd.
5.2.4      WERKPLAATS
Tweederde van de fysiotherapeutische zorg vindt extramuraal plaats. De
fysiotherapie-praktijken aangesloten bij hogescholen kunnen als werkplaats
dienen voor onderzoek in de extramurale fysiotherapie. De afdelingen fysio-
therapie in universitaire ziekenhuizen en revalidatiecentra kunnen als werkplaats
dienen voor het onderzoek in de intramurale fysiotherapie.
       58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>6           BE S C H O U W I N G    EN CONCLUSIES
6.1         FYSIOTHERAPEUTISCH ONDERZOEK IN DE KNEL
De vraag naar fysiotherapeutische zorg is groot en zal naar verwachting nog
verder toenemen als gevolg van de vergrijzing van de bevolking. Meer patiënten
met vooral chronische aandoeningen zullen om fysiotherapeutische zorg vragen.
Patiënten geven aan baat te hebben bij fysiotherapie39, hoewel de negatieve
resultaten van sommige effectiviteitsstudies anders doen vermoeden. Onderzoek
naar de effectiviteit en doelmatigheid van fysiotherapeutische interventies behoeft
zeker continuering.
Uit de inventarisatie blijkt dat het huidige onderzoek in de fysiotherapie wordt
verricht in universitaire en buitenuniversitaire onderzoeksinstituten, afdelingen
van ziekenhuizen, kenniscentra en hogescholen. De totale omvang van het
onderzoek in 2002 is ca. 123 fte wetenschappelijk personeel en omvat zowel het
onderzoek op het gebied van de fysiotherapie (ca. eenderde van het totaal) als het
onderzoek met relevantie voor de fysiotherapie (ca.. tweederde). Dit laatste betreft
meestal onderzoek van het bewegingsvermogen dat wordt verricht onder
verantwoordelijkheid van aanpalende specialisaties, zoals revalidatiegeneeskunde,
huisartsgeneeskunde, reumatologie, orthopedie, bewegingswetenschappen. De
grens tussen wat wel en wat minder relevant onderzoek genoemd kan worden is
vloeiend. De Raad heeft er bewust voor gekozen de grens ruim te trekken, mede
vanuit het gezichtspunt dat voor een verdere verwetenschappelijking van de
fysiotherapie samenwerking met andere disciplines vereist is. Bij het relatief grote
aantal fte’s dient te worden bedacht dat het onderzoeksgebied groot en
versnipperd is.
Bij de verschillende onderzoeksgroepen is geen duidelijk patroon van zwaarte-
punten aan te wijzen. Fysiotherapie is veelal ingebed in verschillende
zwaartepunten of thema’s voor onderzoek, bijvoorbeeld ‘aandoeningen van het
bewegingsapparaat’, ‘hersenen’, ‘immunologie’ of ‘reumatologie’. Uit de inventari-
satie blijkt dat er aan veel verschillende onderwerpen wordt gewerkt, soms door
een enkele onderzoeker. Aan de andere kant wordt ook door verschillende
onderzoekers aan eenzelfde onderwerp gewerkt, waarbij niet altijd in samen-
werking is voorzien. Er is geen duidelijk aanspreekpunt en inzicht in wie wat doet
ontbreekt. Samenwerking vindt met name plaats op projectbasis.
Het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie, zoals geïnventariseerd, wordt
voor ca. tweederde gefinancierd uit tijdelijke financieringsbronnen, veelal
afkomstig uit de tweede en derde geldstroom. Gezien de bezuinigingen van de
afgelopen tijd, waardoor het onzeker is of bijvoorbeeld het onderzoeksprogramma
                                                                          59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>‘Paramedische Zorg’ van ZonMW nog doorgang zal vinden, wordt het steeds
moeilijker onderzoek gesubsidieerd te krijgen. Het CVZ heeft het
Deelprogramma Paramedische Zorg, dat zich vooral richtte op effectiviteits-
onderzoek, opgeheven en heeft prioriteit gegeven aan beleidsonderzoek. Hierdoor
zal een zwaarder beroep gedaan moeten worden op de onderzoeksprogramma’s
die op andere wijzen worden gefinancierd, zoals via de collectebusfondsen. De
continuïteit van het fysiotherapeutisch onderzoek komt in gevaar bij gebrek aan
structurele financiering.
6.2        ONDERZOEK EN PROFESSIONALISERING VAN DE
           FYSIOTHERAPIE
De fysiotherapie is een relatief jong beroep, dat nog volop in de ontwikkelingsfase
verkeert en niet kan terug vallen op een jarenlange traditie. Uit de inventarisatie
blijkt dat er grote behoefte is aan verklarend onderzoek naar de werkings-
mechanismen van fysiotherapeutische interventies. Deze wetenschappelijke
onderbouwing en de discussies over de grondslagen van het beroep passen in het
professionaliseringsproces van de fysiotherapie. Hierin kunnen twee aspecten
worden onderscheiden: uitbouw en verwetenschappelijking van het kennisdomein
en verbetering van de kwaliteit van zorgverlening.18 In het professionaliserings-
proces zijn te onderscheiden de wetenschappelijke onderbouwing en de discussies
over de grondslagen van het beroep enerzijds en verbetering van de kwaliteit van
de zorgverlening anderzijds. Het kennisdomein is volop in ontwikkeling, zoals te
zien is aan het wetenschappelijk onderzoek in de fysiotherapie van de afgelopen
10 jaar en aan de realisering van een universitaire kopstudie voor
fysiotherapeuten. De verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening krijgt
vorm in het kwaliteitsbeleid dat gevoerd wordt door het KNGF, bestaande uit o.a.
verplichte bij- en nascholing, richtlijnontwikkeling, en de ontwikkeling van het
IOF.
6.2.1      SCHOLING
Onlangs zijn opleidingsmogelijkheden gecreëerd voor afgestudeerde
fysiotherapeuten, bijvoorbeeld de doctoraal studie ‘fysiotherapie wetenschap’ en
de twee post-HBO-opleidingen tot professional master (2.4.). Op termijn kan dit
betekenen dat het potentieel aan fysiotherapeut-onderzoekers zal toenemen en
positieve invloed zal hebben op verdere verwetenschappelijking van de
fysiotherapie. De RVZ gaf in het rapport “Professionals in de zorg” al aan te
verwachten dat, met de realisering van een geheel universitaire opleiding
fysiotherapie (al dan niet met handhaving van een opleidingsmogelijkheid op
HBO-niveau), niet alleen de wetenschappelijke onderbouwing van het beroep en
        60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>de uitbouw van de body of knowledge kunnen worden bevorderd, maar dat ook de
communicatie van de fysiotherapie met een aantal medische disciplines verder
kan worden bevorderd.18 Binnen een aantal hogescholen zijn inmiddels lectoraten
aangesteld op het gebied van fysiotherapie of paramedische zorg, die
verantwoordelijk zijn voor onderwijs, onderzoek en ontwikkeling en contacten
met het beroepenveld. Hogescholen (lectoren) zoeken toenadering tot universi-
teiten om in samenwerkingsverband onderzoek te gaan doen. Helaas lopen deze
initiatieven nogal eens dood.
6.2.2      ONDERZOEKERS WERKZAAM OP HET GEBIED VAN DE
           FYSIOTHERAPIE
Uit de inventarisatie komt naar voren dat het huidige onderzoek in de
fysiotherapie slechts mondjesmaat wordt verricht door fysiotherapeuten. Op zich
is dat niet verwonderlijk, een HBO-opleiding fysiotherapie is tot op heden een
beroepsopleiding en geen wetenschappelijke opleiding. Het onderzoek wordt
vooral verricht door academisch geschoolde onderzoekers, te weten fysiothera-
peut-onderzoekers en niet-fysiotherapeut onderzoekers. De eersten hebben na het
behalen van hun diploma fysiotherapie veelal een aanvullende universitaire studie
gezondheidswetenschappen of bewegingswetenschappen gevolgd, de tweeden zijn
veelal afkomstig uit de medische wetenschappen (zoals revalidatiegeneeskunde,
neurologie, klinische epidemiologie, huisartsgeneeskunde), bewegingswetenschap-
pen, of gedragswetenschappen.
De Raad acht de bijdragen van niet-fysiotherapeut onderzoekers essentieel, omdat
voor een verdere verwetenschappelijking van het vak inbreng van andere weten-
schappers nodig is. Anderzijds is het natuurlijk zeer gewenst dat meer mensen uit
de beroepsgroep zich met onderzoek bezig houden. In alle gevallen moet het
belang van verbinding met de praktijk van de fysiotherapie benadrukt worden.
Fysiotherapeut-onderzoekers die ook als fysiotherapeut blijven praktiseren
kunnen in staat worden geacht deze brugfunctie te vervullen.
6.2.3      DOMEIN VAN DE FYSIOTHERAPIE
Binnen een professionaliseringsproces past een domeindiscussie: een afbakening
van het beroepsdomein ten opzichte van aanpalende paramedische (zoals oefen-
therapie Mensendieck, oefentherapie Cesar en ergotherapie) en medische
beroepen (zoals huisartsgeneeskunde, revalidatiegeneeskunde, orthopedie). Dit is
te zien in een stroming binnen de fysiotherapie die zich kritisch opstelt tegen een
inbedding van de fysiotherapie in de paramedische beroepen en van mening is
dat fysiotherapie een eigen identiteit heeft, die weinig gemeen heeft met andere
paramedische beroepsgroepen. Anderen zoals de RVZ in zijn rapport
“professionals in de gezondheidszorg” vinden dat een verbreding van het
                                                                           61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>kennisdomein van de fysiotherapie moet worden nagestreefd met bijvoorbeeld de
oefentherapie Mensendieck en Cesar en/of met de ergotherapie.18 Hiermee zou
volgens de RVZ de verscheidenheid in het beroepenveld kunnen worden
teruggebracht ten gunste van onder meer een grotere duidelijkheid voor patiënten
en verwijzers en een betere communicatie met medische disciplines.
      62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>7          AA N B E V E L I N G E N
Aan de hand van de knelpunten in hoofdstuk 5, komt de Raad tot de volgende
aanbevelingen:
1. Signalering
Bij de signalering van klinische vraagstellingen is een belangrijke rol weggelegd
voor de beroepsgroep. Bij de vertaling van deze klinische vraagstellingen naar
onderzoeksvragen die passen binnen een bepaald onderzoeksprogramma is ook
de betrokkenheid belangrijk van andere onderzoekers, zoals klinisch-epidemio-
logen. Deze signalering en vertaling moeten op elkaar aansluiten. Fysiotherapeut-
onderzoekers die werkzaam blijven in de praktijk kunnen zowel signaleren als
vertalen. Fysiotherapeuten die onderzoek gaan verrichten, verlaten nu veelal de
praktijk. Daarom hecht de Raad er veel belang aan dat onderzoekers met een
fysiotherapie-opleiding worden uitgenodigd en ondersteund om (weer) in de
praktijk te gaan, respectievelijk te blijven, werken. De Raad pleit ervoor dat
onderzoeksinstituten een nauwe band aangaan met een of meer fysiotherapie-
praktijken, zodat fysiotherapeut-onderzoekers ook in de praktijk werkzaam
kunnen blijven. Het zou goed zijn na te gaan welke fysiotherapiepraktijken
interesse hebben in een verdere ontwikkeling van het vakgebied. Anderzijds
zouden ervaren onderzoekers vaker in een projectgroep van een van de andere
academische of hogeschool-projecten kunnen worden opgenomen.
2. Prioritering
De Raad acht meer ordening van het onderzoek nodig en beveelt aan prioriteiten
voor onderzoek volgens de APTA-research agenda te rangschikken. Uitgaande
van de verwachting dat er financiële middelen komen voor wetenschappelijk
onderzoek (met name een promotiefonds voor fysiotherapeuten (zie onder 4),
beveelt de Raad aan een commissie “Fysiotherapie-onderzoek” op te richten bij
ZonMw die voortgang controleert, prioriteiten indien gewenst bijstelt en die
tevens tot taak krijgt te streven naar samenhang tussen de verschillende
organisaties die zich bezig houden met inbedding, afstemming, monitoring,
coördinatie en programmering van onderzoek op het gebied van de fysiotherapie.
3. Zwaartepunten en infrastructuur
De Raad beveelt aan het fysiotherapeutisch onderzoek te concentreren op een
viertal (met elkaar samenhangende) zwaartepunten voor onderzoek. In
willekeurige volgorde:
                                                                         63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>-   patiëntgebonden evaluatieonderzoek van fysiotherapeutische behandelingen,
    in het bijzonder de oefentherapie, met daarnaast onderzoek te richten op
    reactiveringsprogramma’s bij patiënten met chronische aandoeningen;
-   preventieonderzoek naar bewegingsprogramma’s bij patiënten met chronische
    aandoeningen;
-   ontwikkeling van meetinstrumenten en classificatiesystemen die door zowel
    onderzoekers als praktisch werkzame fysiotherapeuten worden geaccepteerd.
    Deze zijn nodig om onderzoek beter herkenbaar te maken voor de praktijk, en
    implementatie van onderzoeksresultaten te bevorderen.
-   verklarend onderzoek naar werkingsmechanismen.
De Raad beveelt aan bij de prioritering van onderzoeksvragen binnen de eerste
drie zwaartepunten, behalve van Nederlandse gegevens, gebruik te maken van
literatuurgegevens en van ervaringen in andere landen (zie bijvoorbeeld de
prioriteiten voor fysiotherapeutisch onderzoek onlangs beschreven door de
Chartered Society of Physiotherapy in Engeland in de annexes31).
De huidige infrastructuur van het fysiotherapeutisch onderzoek is te versnipperd.
Meer ordening en bundeling van het onderzoek is noodzakelijk. Ook is meer
samenwerking nodig met andere disciplines, met name klinische epidemiologie,
revalidatie- en huisartsgeneeskunde. De Raad beveelt aan fysiotherapiepraktijken
tot extramurale werkplaatsen voor onderwijs en onderzoek in te richten.
4. Promotiefonds
Essentieel voor een verdere uitgroei van het wetenschappelijk onderzoek op het
terrein van de fysiotherapie is verbreding en versterking van het wetenschappelijk
draagvlak binnen de beroepsgroep zelf. Er zijn nu te weinig praktiserende
fysiotherapeuten die tevens onderzoek hebben gedaan of doen (er zijn ca. 40
gepromoveerde fysiotherapeuten). Een versterking van het draagvlak is zowel
nodig om de samenwerking met andere disciplines succesrijk te laten zijn als om
implementatie van onderzoeksresultaten in de praktijk te bevorderen. De Raad
stelt daarom voor een promotiefonds in te stellen, waaruit gedurende een aantal
jaren promovendi (fysiotherapeuten die tevens onderzoek willen doen) kunnen
worden gefinancierd. De financiering dient een gedeelde verantwoordelijkheid te
zijn van de beroepsgroep zelf en de overheid.
Uitgaande van 4 à 6 promovendi per jaar, en een jaarbedrag van i 75.000 per
promotieproject, gaat het om i 300.000-450.000 per jaar, gedurende een periode
van vooralsnog 4 jaar. De Raad tekent hierbij aan dat het natuurlijk gaat om een
schatting, rekening houdende met de verwachte belangstelling en de
begeleidingscapaciteit.
        64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Na vier jaar zou een evaluatie plaats moeten vinden met het oog op een beslissing
over continuering van het programma.
Aan een promotietraject dient een aantal voorwaarden te zijn verbonden:
1. Het promotie-onderwerp valt binnen één van de vier genoemde onderzoeks-
    thema’s;
2. De fysiotherapeut is tevens werkzaam in de praktijk;
3. De promovendus moet begeleid worden vanuit een onderzoekscentrum dat
    zich richt op het desbetreffende zwaartepunt, bij voorkeur een centrum dat een
    nauwe relatie heeft aangegaan met een fysiotherapiepraktijk zoals boven
    genoemd.
De kwaliteit van het promotievoorstel en de daarbij behorende infrastructuur
wordt beoordeeld door de bij ZonMw onder te brengen commissie ‘Fysiotherapie-
onderzoek’. Promovendi dienen gebruik te maken van onderwijsmodules in
aanpalende gebieden, zoals klinische epidemiologie, bewegingswetenschappen en
revalidatiegeneeskunde. De Raad verwacht dat door de instelling van dit
promotiefonds een bijdrage wordt geleverd aan de gewenste bundeling van het
fysiotherapeutisch onderzoek.
Zoals geconstateerd door de Raad in de hoofdstukken 3 en 5 lopen veel
onderzoeksprogramma’s in de fysiotherapie af. Zoals het er nu naar uitziet zal het
fysiotherapeutisch onderzoek nog beperkt mogelijk zijn binnen de ZonMw-
programma’s ‘doelmatigheidsonderzoek’ , ‘revalidatieonderzoek’ , het NWO-
programma ‘vernieuwingsimpuls’, het CVZ-programma ‘beleidsondersteunend
onderzoek eerstelijns zorg’ en de onderzoeksprogramma’s van de collectebus-
fondsen. De Raad is van mening dat er voldoende mogelijkheden moeten blijven
bestaan voor fysiotherapeutisch onderzoek, met name in relatie tot andere
disciplines.
5. Disseminatie
De Raad beveelt aan sleutelpublicaties te vertalen in het Nederlands en te
publiceren in Nederlandstalige vakbladen voor fysiotherapie (Nederlands
Tijdschrift voor Fysiotherapie, FysioPraxis). Hij wil subsidiegevers als subsidie-
voorwaarde laten opnemen dat naast publicaties in Engelstalige vakliteratuur ook
Nederlandstalige publicaties worden verzorgd (dubbelpublicaties). Hij stelt voor
dat in het Tijdschrift voor Fysiotherapie een vaste rubriek op te nemen, waarin
resultaten van wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de fysiotherapie
worden besproken.
                                                                         65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>6. Implementatie en Evaluatie
Het ontwerpen en implementeren van KNGF-richtlijnen is een goede ontwik-
keling die naar de mening van de Raad continuering behoeft. Hij acht een
evaluatie van de knelpunten in de implementatie van richtlijnen noodzakelijk,
gevolgd door een eventuele aanpassing van de desbetreffende richtlijn. Naar zijn
oordeel dient de KNGF hiervoor een plannings- en controlesysteem te
ontwikkelen. Wellicht kan ook hier effectief worden samengewerkt met het NHG,
dat ruime kennis en ervaring heeft. De Raad beveelt aan op de korte termijn
binnen het programma ‘Effectieve implementatie’ van ZonMw een studie te
verrichten naar de disseminatie en implementatie van wetenschappelijke kennis in
de fysiotherapie.
7. Oefentherapie Mensendieck, oefentherapie Cesar en fysiotherapie
Voor de toekomst acht de Raad een studie naar de overeenkomsten van de
oefentherapie Mensendieck, oefentherapie Cesar en fysiotherapie van groot
belang. Niet zo zeer de overeenkomsten in de beginselen van de oefentherapie of
fysiotherapie, als wel in de aangeboden ‘zorgproducten’ en behandeldoelen. Dit
geeft inzicht in de vraag welk onderzoek het meest relevant is voor de drie
beroepsgroepen en kan daarnaast acceptatie en implementatie van de onderzoeks-
resultaten door de beroepsgroepen versterken. Met een dergelijke studie is
eveneens te verwachten dat de verschillen tussen ‘de zorgproducten’ van de drie
beroepsgroepen duidelijk worden, waardoor meer duidelijkheid ontstaat voor de
verwijzer en de patiënt.
       66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>LIJST  MET AFKORTINGEN
AIO            Arts in Opleiding
AKB            Kenniscentrum Arbeid en Klachten Bewegingsapparaat
AMC            Academisch Medisch Centrum
AmvB           Algemene Maatregel van Bestuur
APTA           American Physical Therapy Association
AZG            Academisch Ziekenhuis Groningen
AZM            Academisch Ziekenhuis Maastricht
BaMa           Bachelor-Masterstelsel
BIG            Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg
BRAVO          thema’s: voldoende Bewegen, niet Roken, matig Alcohol
               gebruik, gezonde Voeding, Veiligheid en Veilig Vrijen,
               voldoende Ontspanning
BW             Bewegingswetenschappen
CBS            Centraal Bureau voor de Statistiek
COPD           Chronic Obstructive Pulmonary Disease / chronisch
               obstructief longlijden
CVA            Cerebrovasculair accident
CVZ            College voor Zorgverzekeringen
CBO            Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale
               Toetsing
DPZ            Deelprogrammacommissie Paramedische Zorg van het
               CVZ
DSM-IV         Diagnostic and Statistic manual of Mental Disorders,
               vierde editie
EMGO instituut Instituut voor Extramural Geneeskundig Onderzoek
Erasmus MC     Erasmus Medisch Centrum
GR             Gezondheidsraad
GVO            Gezondheidsvoorlichting en opvoeding
HAVO           Hoger Algemeen Vormend Onderwijs
HBO            Hoger Beroeps Onderwijs
HTA            Health Technology Assessment
ICPC           International Classification of Primary Care
ICIDH          International Classification of Impairments, Disabilities
               and Handicaps
ICF            Internationale Classificatie van het menselijk
               Functioneren
IOF            Intercollegiaal Overleg Fysiotherapie
iRV            Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap
                                                              67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>KNGF             Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
LinH             Landelijk informatienetwerk Huisartsenzorg
LIPZ             Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg
LUMC             Leids Universitair Medisch Centrum
MTA              Medical Technology Assessment
NHG              Nederlands Huisartsen Genootschap
Nivel            Nederlands Instituut voor Onderzoek van de
                 Gezondheidszorg
NPi              Nederlands Paramedisch instituut
NRF              Nationaal Revalidatie Fonds
NSAID’s          Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs
NWO              Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
                 Onderzoek
OCenW            Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
RCT              Randomized Controlled Trial
RGO              Raad voor Gezondheidsonderzoek
RIVM             Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
RUG              Rijksuniversiteit Groningen
RVZ              Raad voor Volksgezondheid en Zorg
SKO              Stichting Kennisontwikkeling HBO
TNO-PG           Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuur-
                 wetenschappelijk Onderzoek - Preventie en Gezondheid
UM               Universiteit Maastricht
UMC              Universitair Medisch Centrum
UMC St Radboud   Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen
UMCU             Universitair Medisch Centrum Utrecht
UU               Universiteit Utrecht
UvA              Universiteit van Amsterdam
VENI, VIDI, VICI Drie verschillende persoonsgerichte subsidievormen
                 binnen de vernieuwingsimpuls van NWO gericht op
                 verschillende fasen in de wetenschappelijke carrière van
                 onderzoekers, van pas gepromoveerd tot ervaren en
                 professorabel. Zie voor meer informatie
                 <http://ww.nwo.nl/subsidiewijzer>.
VTV              Volksgezondheid Toekomst Verkenning
VUMC             Vrije Universiteit Medisch Centrum
VU               Vrije Universiteit
VRIN             Vereniging van Revalidatie Instellingen in Nederland
VWO              Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs
VWS              Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport
      68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>WR    Wetenschappelijke Raad voor de Fysiotherapie,
      opgericht door het KNGF
ZonMw Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen
ZN    Zorgverzekeraars Nederland
                                                  69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>70</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>RE F E R E N TI E S
1.   Rapportage Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn, 2001; Tabelnummer 4.7;
     Datum opmaak 061102. http://www.azwinfo.nl/Tabellen/4.7.htm
2.   Het register van Beroepen in Individuele Gezondheidszorg, Ministerie van
     Volksgezondheid, Welzijn en Sport, peildatum 31 december 2002
3.   Pijnenborg A, Berkel van L, Ende van den E, Ravensberg van D,
     Oostendorp R, Dekker J: De beperkende maatregel fysiotherapie,
     oefentherapie Cesar en oefentherapie Mensendieck: resultaten van het
     evaluatie-onderzoek. Deelrapport 1. Nederlands Paramedisch Instituut,
     Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, 1998. ISBN
     90 6905 402 7
4.   Verheij R, Jabaaij L, Bakker de D, Abrahamse H, Hoogen van den H,
     Braspenning J, Althuis van T, Rutten R. LinH Jaarrapport 2001. Cijfers uit
     het Landelijk InformatieNetwerk Huisartsenzorg: contacten, verwijzingen
     en voorschrijven in de huisartspraktijk. Utrecht/Nijmegen: NIVEL/WOK,
     2001. ISBN 90 6905 576 7
5.   Simons HJ. Agenda fysiotherapie, 14 november 2001
6.   Raad voor de Volksgezondheid en Zorg: Fysiotherapie en oefentherapie.
     De positionering van de paramedische zorg. Zoetermeer, 1996. ISBN 90
     5732 006 1
7.   Raad voor de Volksgezondheid en zorg: Taakherschikking in de
     gezondheidszorg. Zoetermeer, 2002. ISBN 90 5732 109 2
8.   Maassen H. Nieuwe schoenmakers, andere leesten. Taakherschikking in de
     gezondheidszorg. Medisch contact, 24 januari 2003, bladzijde 125
9.   Salzmann WH, Reij R: Experiment directe toegankelijkheid fysiotherapie.
     College voor Zorgverzekeringen, Amstelveen, 2002. Publicatienummer
     02/117
10.  Rijken PM, Heugten van CM, Dekker J: Brancherapport paramedische
     zorg. Utrecht: NIVEL, Nederlands instituut voor onderzoek van de
     gezondheidszorg,1996. ISBN 90 6905 288 1
                                                                    71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>11. Centraal Bureau voor de Statistiek, Gebruik medische                   voor-
    zieningen,Voorburg/Heerlen 2002-04-09. http//www.statline
12. CVZorgcijfers 1996-2000, Ziekenfondswet en Algemene Wet Bijzondere
    Ziektekosten; september 2001
13. Polder JJ, Takken J, Meerding WJ, Kommer GJ, Stokx LJ. Kosten van
    Ziekten in Nederland. De zorgeuro ontrafeld. 2002, Rijksinstituut voor
    Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven en instituut Maatschappelijke
    Gezondheidszorg, Rotterdam, 2002. ISBN 90 313 3961 X
14. Polder et al, 2002. En: Polder JJ, Meerding WJ, Koopmanschap MA,
    Bonneuw L, van der Maas PJ: Kosten van ziekten in Nederland 1994.
    Rotterdam: Erasmus Universiteit, instituut Maatschappelijke
    Gezondheidszorg, instituut voor Medische Technology assessment, 1997.
    ISBN 90 72245 78 4
15. RIVM Gezondheid op koers? Volksgezondheid toekomst Verkenning
    2002. RIVM. Oers van JAM. ISBN 90 313 4008 1
16. Wimmers R., Swinkels I., Visser I., Bakker de D., Ende van den E.:
    Jaarboek LiPZ 2001: deel 1: beroepsgroep fysiotherapie. Utrecht: Nivel
    2002. ISBN 90 6905 584 8
17. Centraal Bureau voor de statistiek, Uitkeringsontvangers, totaal leeftijd 15-
    64 jaar. Voorburg/Heerlen 2002-11-26. http://www.statline
18. Raad voor de Volksgezondheid en Zorg: Professionals in de
    gezondheidszorg. Zoetermeer, 2000. ISBN: 90 5732 058 4
19. Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs, 1997
20. Sectorale kwaliteitszorg HBO, eindrapport van de visitatiecommissie
    fysiotherapie, ergotherapie en bewegingstechnologie: Dynamiek in een
    veranderend decor, mei 2000
21. Vonderen van J: Hogescholen willen kritische en vernieuwende
    kenniscentra worden. Artikel uit uitleg 5 van 27 maart 2002.
    http://www.minocw.nl
22. http://www.kngf.nl
    72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>23. Raad voor Gezondheidsonderzoek: Contextwerking in de geneeskunde.
    Den Haag, augustus 2000
24. Jaarverslag 2001. Nederlandse kenniscentra               arbeidsrelevante
    aandoeningen. Kenniscentrum AKB. Maart, 2002
25. Adressengids. Organisaties in het gezondheidsonderzoek. Raad voor
    Gezondheidsonderzoek, Nederlands Instituut voor Wetenschappelijke
    Informatiediensten, mei 2000
26. Werkplan 2003 Nederlands Paramedisch Instituut. Amersfoort, augustus
    2002. ISBN 90 76986 21 5
27. <http:www\\irv.nl>
28. Salzmann WH: Jaarprogramma effectiviteitsonderzoek paramedische zorg
    2002. College voor zorgverzekeringen, Amstelveen, 2001.
    publicatienummer 80
29. Zwaap J, Reij R: Jaarplan beleidsonderzoek eerstelijns zorg 2003. College
    voor Zorgverzekeringen, Amstelveen, 2002
30. Clinical research agenda for physical therapy. Physical Therapy
    2000;80:499-513
31. Chartered Society of Physiotherapy: Priorities for physiotherapy research
    in the UK: project report 2002. Chartered Society of Physiotherapy,
    London, 2002. ISBN: 1904400019. http://www.csp.org.uk
32. Gezondheidsraad: De effectiviteit van fysische therapie. Elektrotherapie,
    lasertherapie, ultrageluidbehandeling. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999;
    publicatienummer 1999/20. ISBN: 90 5549 287 6
33. Smidt N, Windt van der DAWM, Assendelft WJJ, Devillé WLJM,
    Korthals-de Bos IBC, Bouter LM: Corticosteroid injections, physiotherapy,
    or wait-and-see policy for lateral epicondylitis: a randomised controlled
    trial. Lancet 2002; 359: 657-62
34. Herbert RD, Maher CG, Moseley AM, Sherrington C: Clinical review.
    Effective physiotherapy. BMJ 2001;323:788-790
                                                                     73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>35. Mosterd WL, Bol E, Vries de WR, Zonderland ML, Peters HPF, Winter de
    ThC, Schmikli SL: Bewegen gewogen. Measures in motion. Inventarisatie
    van wetenschappelijke gegevens en formulering van aanbevelingen ter
    ondersteuning van actiegericht beleid inzake sport en (volks)gezondheid.
    Utrecht, 1996
36. Raad voor Gezondheidsonderzoek: advies Medical Technology
    Assessment deel 1. Inventarisatie van MTA-onderzoek en een aanzet tot
    coördinatie. Adviesnummer 15. Den Haag, 1998
37. Raad voor Gezondheidsonderzoek: Prioriteiten in het Preventieonderzoek.
    Den Haag, 1996
38. Plas M, Hofhuis H, Dorgelo M, Dekker J, Ende van den E:
    Kwaliteitsbevordering paramedische zorg. Evaluatie richtlijnen,
    standaarden en protocollen. Utrecht, NIVEL Nederlands instituut voor
    onderzoek in de gezondheidszorg, mei 2001. ISBN 90 6905 527 9
39. Rijken PM, Spreeuwenberg P, Baanders AN, Lindert van H, Dekker J:
    Patiëntenpanel chronisch zieken: kerngegevens 2000. Utrecht: Nivel, 2001.
    ISBN 90 6905 542 2
    74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>BIJLAGE |

Minimterin wan Wolkagerondheid, Vwatrijn an Opcet

FHaad vaar Gezandheidsondaerzeek

Las, de hear prof. de, 4.6. Rooijmang, voorzitten
Postbus 16052

2500 BB 5 GRAVENHAGE

Ona karenart Inbetängan tej Dien thea area Ei Hdi
CSZ/EZ-2184273 — P.S.B. Boom 070 340 74 56 O MU 2001
Onda vern Didmgalr: Liv been
adwaaaansraga onderzoak

firszatherapie

Geachte heer Acaijmans,

By deze beent warzoak ik u am advies uit te brengen over de inhoud en de stroctwur van hat
anderzoek inzake de fysiotherapie.

iran

Oe fystaiherapie heeft zich in ralatseve korte tijd ontmikkeld tet een uitgebreid zorgvald. in
1973 waren er nog slechts ca 1500 fysiotherapeuten werkzaam. inmiddels zijn dat er ruim
12000, goed voor ses jaarlijkse omzet van ongeveer 1,3 mild gegen. Een dergelijke forse on
nag steets groeiende mzet van Personen en middatan noopt tot aen bezinning op de
weerkzaamheid, deeltreffendheid en doelmatigheid wan de fysiotherapis. Deze effecten zijn
niet im ae gevallen helder. Een deel van de fysiotherapie jä onbepaald, mede door har
antbreken van sõn wetensthappelijke onderbtudseng. weardeor inzicht in hat produkt
antbraakt, In 1896 heaft da Raad voor de Valksgezondheid en Zorggerelatearde
dienstverlening (AV2Z) een overzcht van etfectviteitsonderzoeken naar fysiotherapie an
oefentherape gepubliceerd. Er zijn talrijke onderzoeken gõimventärieeerd alsmede diverse
mats-anderzoeken (“onderzoaken naar onderzoeken”). Daarwit bleek dat het gros van het
ahfegtimitaltsondarzoak mathadalogesch zwak is (te kleine anderzaekssapulaties, niet
duidelijk amschreven behandetngen, gean contreingrespen ete.) Op grand van de wel
oomaot uitgevoerde onderzoeken kon waar een deel van de fysiotherapie de conclusie
warden getrokken dat de wrarkzaamhreid gering wae, ln 1993 heeft de moenmaliga
Ziskantondaraad aan lijat opgeatald mat 136 verarekkingen waarover twijfel bestond of
dana wel doelmatig werden voongeschravan ef doolmatlg werden toegepast, Op deze lijst
staan diverse fysiotherapia-boahandelingen |stroaomtysiotherapie, laserbehandeling,
mapgnuetbehandelingi die discutabel werden geacht.

Praiban 20155 Hurzs määran: Lorruaporeikmõta ueighabe id Inderal tt
2600 EJ OEH HAS Piitiiiuipj ni 5 PENT anni Fest DRT Nee ima Tae ol
THetoon (07H) JAN 7a 11 2001 Wh GEM HAAG mei vars kärgi van de

Fax [070 2240 78 34 Batu a hari karenerk ven

Mce hiel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>1
/
Finishers van Volkegaronchaid, Wiel an Beurt |

Bled
Fi

Kanmatk

CALE TGA

Huidige situatie

In het kader van de meerjerenalspraken is afgesproken am hoge pricssteil te gevan pan
ventenschapeelijk onderzoek op het gebied van de fyaioihesapie. Made vanult dat licht heeft
het Koninklijk Medertande Genaatschap waar Fyeietherapte in november varia jaar GEN
Waarschapgelijke Raad woar de Fysiotherapie opgericht, din er toe moet leiden dat er sen
betara onderbauwing van da fysiothnrapen toestand wordt gebracht. In dat kader heeft de
KNGF mij gevraagd om aan uw Hand advies te vragen met betrekking tot het onderzoek in
de fytotherapie.

Probleemstelling

Er is omvoldoende ondarzoskamatarisal beschikbaar om ean oordael te vollan over da
“carkzaamhaid, doelmatigheid an deealtrefferdhaid van tysiotherapie. De onderzoeken die wel
zijn uitgevoerd zijn wetenschappelijk onvoldoende onderbouwd en verteren weinig
samenhang. Er is geen ihematische ortening en prioriteiten warden onvoldoende gesteld,
Ook is er nauvreliiks sprake van een onderzoaksinfrastrwestuiut,

AVAST VT

ik warzook u mij te willan advesrran over de manier waarop kan worden woorzien im
wetenschappelijk verantwoorde informatie die kan dienen tot inzicht in de werkzaamheid,
doeltreHendheid an doelmatigheid van de Pwsintherapie.

Hat advies dient in elk geval een ovarzicht te bevatten van:

= hat huidige an gewenste onderzoek op hat tesraln van de fystamiherapie mede gent op
da praritering met het het aag op maatschappebjke relevantiel;

ede huidige infrastructuur voor het onderzoek en de lacunes daarin:

» de wijze waar in deze lacunes kan worden vaarzien, met inachineming van de
noodzaak tat het scheppen van samenhang:

ede bahootte aan MTA-andarzoek en onderzoek naar de organisatie en structuw ven de
häiolharapautischa hulpwaerleneng,

Op grand van dit overzicht, verzoek ik u aan te willen geven of en 20 ja op walke wijze de
huidige Infrastructuur vaar onderzoek ap het terrein wan de fysiotherapse aanpassing
behoe,

ik varzaek u em mij uiterlijk media april een plan wan aanpak toe te zenden. Op grond van dit
Man wil ik nadera afspraken mat u maken ever de uitvoering wan uw adviesvoorbereiding.

Haagachtend,

da Minister van Welkegezondheid,
Welzijn en Sport,

5 er

dr, E. Borst-Evlers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 2
SAMENSTELLING COMMISSIE FYSIOTHERAPIE
prof.dr. W.G. van Aken, voorzitter   ZonMw
prof.dr. J.H. Arendzen               LUMC
dr. W.J.J. Assendelft                NHG
prof.dr. J. Dekker                   EMGO Instituut VUmc
prof.dr. P.J.M. Helders              UMC Utrecht
prof.dr. J.M.J.P. van der Linden     AZM
prof.dr. R.A.B. Oostendorp           Nederlands Paramedisch Instituut
drs. A. van der Zeijden              CG-Raad
mw. dr. C.H. Bakker, secretaris      RGO
Waarnemers:
drs. H.W. Benneker                   RGO
dhr. R. Reij                         CVZ
prof.dr. H.G.M. Rooijmans            RGO
Secretariële ondersteuning en layout
mw. L. Bakker                        RGO
                                                                   1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 3
DESKUNDIGHEIDSOMSCHRIJVING EN BEROEPSPROFIEL FYSIO-
THERAPEUT
Artikel 29 van de Wet BIG stelt:
1.     Tot het gebied van deskundigheid van de fysiotherapeut wordt gerekend
       het verrichten van bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven
       handelingen op het gebied van de fysiotherapie, voor zover zij liggen op
       het gebied van de geneeskunst en het verrichten ervan geschiedt:
       a.        op grond van een door een arts afgegeven voorschrift dat aan de
                 bij de maatregel te stellen eisen voldoet, en
       b.        met inachtneming van de regels, bij de maatregel te stellen
                 aangaande de verdere betrekkingen tot die arts ter zake van de
                 behandeling die wordt gegeven.
2.     Tot het gebied van deskundigheid van de fysiotherapeut wordt mede
       gerekend het verrichten van handelingen, rechtstreeks betrekking
       hebbend op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheidstoestand
       te bevorderen of te bewaken, welke overeenkomen met de krachtens het
       eerste lid omschreven handelingen, doch niet liggende op het gebied van
       de geneeskunst.
In Artikel 5, Algemene Maatregel van Bestuur, worden de handelingen en
methoden behorende tot de deskundigheid van de fysiotherapeut uitgewerkt:
1.     De tot het gebied van deskundigheid van de fysiotherapeut te rekenen
       handelingen, bedoeld in artikel 29 eerste lid van de wet, bestaan uit:
       a.        Onderzoeken van de patiënt op aanwezigheid van een
                 belemmering of bedreiging van diens bewegend functioneren en
                 de mate waarin daarvan sprake is, en op basis van de verkregen
                 gegevens opstellen van een behandelplan;
       b.        Behandelen van de patiënt door het toepassen van fysio-
                 therapeutische methoden, strekkende tot het opheffen, ver-
                 minderen of compenseren van stoornissen of beperkingen van
                 het steun- en bewegingsapparaat en de daarbij betrokken
                 organen en regelsystemen, als mede het normaliseren van het
                 houdings- en bewegingsvermogen.
       c.        Geven van advies aan betrokken patiënt.
                                                                         1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>2.     De fysiotherapeutische methoden, bedoeld in het eerste lid onder b,
       omvatten:
       a.      Bewegingstherapie, waaronder wordt verstaan het door de
               fysiotherapeut uitvoeren van bewegingen aan de patiënt of doen
               uitvoeren van bewegingen door de patiënt;
       b.      Massagetherapie, waaronder wordt verstaan het methodisch
               toepassen van specifieke handgrepen aan het lichaam van de
               patiënt;
       c.      Fysische therapie in engere zin, waaronder wordt verstaan het
               aan de patiënt toedienen van fysische prikkels, niet zijnde
               ioniserende stralen. (Staatsblad, 1997, 516)
BEROEPSOMSCHRIJVING FYSIOTHERAPIE VOLGENS HET KNGF
De primaire deskundigheid van de fysiotherapeut ligt besloten in (potentiële)
problemen in het dagelijks bewegen. De fysiotherapeut is deskundig in het
analyseren van het dagelijks bewegen en in het analyseren in hoeverre
stoornissen van het bewegingsapparaat, persoonskenmerken en externe
factoren van invloed zijn op dit dagelijks bewegen en zet dit in op het gebied
van preventie, curatie en advies. (Lange termijnvisie Vakgebied Fysiotherapie
en Opleiding, 21 januari 2002)
       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 4
DESKUNDIGHEIDSOMSCHRIJVING FYSIOTHERAPIE
In Artikel 21, Algemene Maatregel van Bestuur, worden de handelingen en
methoden behorende tot de deskundigheid van de oefentherapeut uitgewerkt:
1. Tot het gebied van deskundigheid van de oefentherapeut wordt gerekend:
     a.     Het op verwijzing van een arts:
     -      Onderzoeken van de patiënt op diens houdings- en bewegings-
            vermogen en gewoonten en op de aanwezigheid van stoornissen en
            beperkingen van diens steun- en bewegingsapparaat en de
            functioneel daarbij betrokken organen en regelsystemen volgens de
            oefentherapie, gebaseerd op de bewegingsleer Cesar dan wel de
            methode Mensendieck, en op basis van de verkregen gegevens
            opstellen van een behandelplan;
     -      Behandelen van de patiënt, strekkende tot het opheffen,
            verminderen of compenseren van stoornissen of beperkingen van
            het steun- en bewegingsapparaat en de daarbij betrokken organen
            en regelsystemen en het normaliseren van het houdings- en
            bewegingsvermogen, door middel van het doen uitvoeren van
            oefeningen, ontleend aan en gericht op dagelijkse functionele
            bewegingen en elementaire bewegingsvaardigheden, volgens de
            bewegingsprincipes en normen van de bewegingsleer Cesar, dan
            wel het door middel van informatie en begeleiding doen oefenen
            van vaardigheden, ontleend aan dagelijkse handelingen, volgens de
            methode Mensendieck;
     b.     Het onderzoeken van een persoon of het geven van een advies,
            voorlichting en instructie op basis van de bewegingsleer Cesar dan
            wel van de methode Mensendieck, aan een persoon, met als doel
            het bevorderen van een goede lichaamshouding en lichaams-
            beweging in leef-, woon-, werk- en sportsituaties.
2. De verwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt schriftelijk, is
     gedateerd en ondertekend door de betrokken arts en bevat ten minste de
     door deze, voor het door de oefentherapeut onderzoeken en behandelen
     van de patiënt, relevant geachte diagnostische gegevens. (Staatsblad, 1997,
     523)
                                                                        1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 5
VRAGENLIJST VAN DE RGO-COMMISSIE ONDERZOEK FYSIOTHE RAPIE
                                   1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>Vra genlijs t van de RG O-co mmiss ie Ond erzoe k Fys iother apie
Retourneren aan:
dr. Carla H . Bakker
Raad voor Gezondheidsonderzoek - RGO
Postbus 16052
2500 BB Den Haag
tel: 070 340 75 21
Hartelijk dank voor uw medewerking!
      Naam:                           . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . .
      Fun ctie:                       . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . .
      Medisch Centrum:                . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . .
                                      . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . .
      Afdeling / D ivisie:
  1.1 Kent uw centrum een of meer onderzoekprogramma’s of hoofdthema’s voor onderzoek op
      het terrein van de fysiotherapie?
      “ Nee
      “ Ja, zo ja, welke?
             En wie is hiervoor de    A . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .
             programmaleider /
             contactpersoon?          B . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . .
                                      C . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . .
                                      D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .
  1.2 Is het onderzoek op het terrein van de fysiotherapie in uw centrum ingebed in een
      onderzoekschoo l of onderzoekinstituut?
      “ Nee
      “ Ja, zo ja, welke              A . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .
             onderzoekschool en /
             of onderzoekinstituut?   B . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . .
                                      C . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . .
                                      D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .
  1.3 Is het onderzoek op het terrein van de fysiotherapie in uw centrum (vakgroep en/of
      faculteit) een zwaartepunt in het onderzoekbeleid?
      “ Nee
      “ Ja, zo ja, welk?              A . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .
                                      B . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . .
                                      C . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . .
                                      D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . .
                                                            3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>1.4 Hoe veel o nderzo ekpro jecte n op he t terr ein va n de fys iother apie 1 worden OP DIT
    MOMENT IN UW CENTRUM uitgevoerd? Het gaat hierbij om w etensch appelijk on derzoek
    verricht door u w medew erkers en niet om een vers lagleggin g van een wet ensch app elijke stag e in
    het kader van een studie (doctoraalprojecten of afstudeerscripties).
    . . . . . . onderz oekpro jecten (a anta l)
          1
                    Fysiotherapie wordt omschreven volgens de deskundigheidsomschrijving fysiotherapie in de Wet BIG en
                    de be roep som sch rijving fysiot her apie v an h et Ko nin klijk N eder land s Ge noo tsch apFys ioth erap ie
                    (KNGF).
                                                                      4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>1.5 Wat zijn de titels van de ze, THAN S IN UW CENT RUM L OPEN DE ond erzoekpro jecten,
    de namen van de p rojectleiders en de afdeling va n het centrum? (Desgew enst kunt u korte
    project beschrijv ingen meesture n. Gebruik eventueel de achterkant van dit vel of een
    bijlage v oor a anvullingen)
Titels van de onderzoekprojecten, namen van de projectleiders en afdeling van het centrum
    A. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    B. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    C. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    D. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    E. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    F. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    G. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
    H. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
                                                                              5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>    1.6     Wilt u vo or de b ij vraag 1.5 ge noemde o nderzoekp rojecten Tab el I invullen?
            De letters in de tabel corresponderen met de letters in vraag 1.5.
    Kunt u per p roject a angev en:
    -       om wat voor type onderzoek het gaa t? Besc hrijvend ond erzoek, eva luatie onderzo ek,
            verklarend onderzoek of zorgorganisatie onderzoek                    . 2)
    -       op welke thema’s het onderzo ek zich richt? Diag nostiek, pro gnostiek, be handeling
            (oefentherapie, fysische therapie, massage therapie); preventie; registratie;
            richtlijnen; implementatie; methodeontwikkeling; anders.
    -       op welke aandoening het onderzoek betrekking heeft? Aandoeningen van het
            houdings- en b eweg ingsapp araa t; hart en va ten; ademha lingsstelsel/ long en;
            zenuwstelsel; endocriensysteem; tractus digestivus; anders. Of is het gericht op het
            algehele functioner en?
    -       op welke speciale doelgroep het onderzo ek betrekking hee ft? Kindere n; ouderen;
            werkenden; speciale sociale groeperingen; zwangeren; gehandicapten; chronisch
            zieken; anders.
    Nb.     Bovengenoemde categorieën zijn niet elkaar uitsluitend, dus meerdere antwoorden
            op één v raag zijn mogelijk.
    -       wat de omvang van het onderzoek is in aantal fte wetenschappelijk personeel (WP)
            in vas t of tijd elijk die nstv erba nd? E n in aan tal fte nie t-we tensc happ elijk pe rso neel?
     -      hoe het onderzoekpro ject word t gefinancierd. Eerste g eldstroo m (basisfinancie ring
            van het onderzoeksinstituut); tweede geldstroom (ZonMw); derde geldstroom
            (collectebusfondsen e.d.); vierde g eldstroom (industrie).
     -      Of uw centrum samenwerkt in het onderzoekproject met andere organisaties
            (bijvoo rbeeld ond erzoeksinstituten; afdelingen va n (acade mische) ziekenhuizen;
            afdelingen va n faculteiten genees kunde, bewe gingsw etenschap pen,
            gezondheidswetenschappen, sociale wetenschappen; revalidatiecentra;
            verpleeghuizen; hogescholen voor fysiotherapie; anders?
        2
Verklarend o nderzoek                     Is gericht op het begrijpen van m echanismen van normaal en abnorm aal
(fun dame nteel on derzoek)               functioneren van de m ens.
Beschrijvend onderzoek                    Is gericht op aard, omvang en vóórkomen van functionele mogelijkheden en
                                          bepe rkin gen op h et ge bied v an d e fysio the rapie
Evalua tie onderzoek                      Is gericht op de effectiviteit en doelmatigheid van nieuwe en bestaande
(Toegep ast/han delings gericht           methoden en technieken in de fysiotherapie (preventie; diagnostiek; therapie;
onderzoek)                                prog nos e; be geleid ing; reïn tegr atie/r econ dition erin g; h ulpm iddele n; k wa liteit
                                          van leven).
Zorgo nder zoek/                          Heeft betrekking op het systeem van de gezondh eidszorg: structuur,
zorgorganisatie ond erzoek                organisatie, functioneren en financiering,-kwaliteit/doelmatigheid,
                                          imp leme nta tie en evalu atie.
                                                               6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>1.7 Lopen er op dit moment in uw centrum onderzoeksprojecten op het terrein van de
    oefentherapie Mensendieck en/of oefentherapie Cesar?
    “ Nee
    “ Ja, zo ja, wilt u dan vraag 1.4 t/m 1.6 ook invullen, waarbij u aangeeft of het om
          oefentherapie Mensendieck en/of oefentherapie Cesar gaat
                                                   7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>2.1 In Tabel II vindt u vier vormen van onderzoek die een bijdrage kunnen leveren aan de
    onder bouw ing va n het fysio therap eutisch ha ndelen.
           Geef per onderzoeksvorm aan waarop het onderzoek zich naar uw mening moet
           richten:
    -      op welke thema’s ;
    -      op welke aandoeningen ;
    -      op welke speciale doelgroepen.
2.2 Welk e va n de bij vra ag 2 .1 ge noem de on derzo eksv orme n, thema ’s, aa ndoe ningen, spec iale
    doelgroepen of combinaties zouden naar uw mening in ieder geval moeten worden
    ges timule erd ? De bela ngri jkste vijf:
    1.     .........................................................................................................................................
    2.     ........................................................................................................................................
    3.     ........................................................................................................................................
    4.     ........................................................................................................................................
    5.     ........................................................................................................................................
                                                                             8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>Tabel I
Titel     Type onderzoek T h em a                 Aandoening              Spe ciale          Omvang                Financiering        Structurele samenwerking andere organisaties
onderzoek                                                                 doelgroepen
          - beschrijvend    - diagnostiek         - houdings- en                             - aan tal fte ’s      - eerste geldstroom - onderzoeksinstituten
          - evalua tie      - prognostiek           bewegingsapparaat     - kinderen           wete nsch app elijk - tweede geldstroom - afd. Acad. Ziekenh.
          - verklarend      - behandeling         - hart en vaten         - ouderen            personeel (WP)      - derde geldstroom  - bewegingswetenschappen
          - zorgorganisatie - preven tie          - ademh.stelsel/longen  - werkenden          vast e n tijd elijk - vierde geldstroom - gezondheidswetenschappen
                            - registratie         - zenuwstelsel          - spec. socia le                                             - sociale wetenschappen
                            - richtlijnen         - endocriensysteem        groeperingen                                               - revalida tiecentra
                            - imple men tatie     - tractus digestivus    - zwangeren                                                  - verpleeghuizen
                            - methodeontwikkeling - algeheel functioneren - gehandicapten                                              - hoge scholen voor fysiot herap ie
                                                                          - chronisch zieken
 A
 B
 C
 D
 E
 F
 G
 H
                                                                                           9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>Tabel 2
                      T h em a              Aandoening              Speciale doelgroepen
                      - diagnostiek         - houdings- en          -  kinderen
                      - prognostiek           bewegingsapparaat     -  ouderen
                      - behandeling         - hart en vaten         -  werkenden
                      - preven tie          - ademh.stelsel/longen  -  spec. sociale groeperingen
                      - registratie         - zenuwstelsel            - zwangeren
                      - richtlijnen         - endocriensysteem      - gehandicapten
                      - imple men tatie     - tractus digestivus    - chronisch zieken
                      - methodeontwikkeling - algeheel functioneren
 Beschrijvend
 onderzoek
 Evaluatieonderzoek
 Verklarend onderzoek
 Zorg orga nisatie
 onderzoek
                                                   10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 6
LOPEND ONDERZOEK OP HET GEBIED VAN DE OEFENTHERAPIE MENSENDIECK EN
OEFENTHERAPIE CESAR
                                    1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>LOPEND ONDERZOEK OP HET GEBIED VAN DE OEFENTHERAPIE               MENSENDIECK EN
OEFENTHERAPIE CESAR
A. Bethranet: Opzet, implementatie en evaluatie van een netwerk van oefentherapeuten
   Mensendieck en Cesar ten behoeve van de Reumatologie. Projectleider: TPM Vliet
   Vlieland en J Verhoef. Afdeling Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en Ergotherapie
   LUMC.
B. Vaststellen van de waarde van intermitterende oefentherapie ter behoud van het
   behandeleffect. Projectleider: A. Wolters. Vereniging Bewegingsleer Cesar.
C. Arbeidsmarktmonitor oefentherapie Cesar en oefentherapie-Mensendieck.
   Projectleider: dr. L. Hingstman
D. Oefentherapie-Mensendick bij chronische nek/schouder klachten. Projectleider: dr
   O.G. Meijer, Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit Bewegingswetenschappen.
E. Coördinatie en spier-activiteit tijdens het gaan bij patiënten met chronische lage
   rugklachten. Projectleider: dr O.G. Meijer, Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit
   Bewegingswetenschappen.
F. Bewegingspathologie bij patiënten met aan de zwangerschap gerelateerde bekken-
   instabiliteit. Projectleider: dr O.G. Meijer, Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit
   Bewegingswetenschappen.
G. Problemen in het bewegend functioneren na een knie-vervanging. Projectleider: dr
   O.G. Meijer, Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit Bewegingswetenschappen.
Een aantal projecten opgenomen in het overzicht van het lopend onderzoek op het gebied
van de fysiotherapie (bijlage 7) heeft ook betrekking op de oefentherapie Mensendieck en
oefentherapie Cesar.
- Bij het NIVEL de projecten LIPZ, ‘verwijzingen naar paramedische zorg in de
   eerstelijn’ , ‘evaluatie IKPZ-programma’ en ‘Alternatieve vergoedingsregeling
   fysiotherapie en oefentherapie’ (in bijlage 8 onder Nivel de projecten B, F, G en H.
- bij het LUMC de projecten ‘opvattingen over netwerkvorming en
   deskundigheidsbevordering rondom chronische aandoeningen bij fysiotherapeuten en
   oefentherapeuten Mensendieck en Cesar’.
- bij het Npi de projecten ‘Implementatie handreikingen voor de samenwerking van
   huisarts en fysiotherapeut, oefentherapeut Cesar en oefentherapeut Mensendieck
   (HOF)’ en ‘gezamenlijke deskundigheidsbevordering voor ergotherapeuten,
   fysiotherapeuten, oefentherapeuten Cesar en Mensendieck, gericht op arbeidsrelevante
   factoren die van belang zijn bij de reguliere behandeling en begeleiding van de
   werknemers met klachten en aandoeningen van het bewegingsapparaat’.
                                              3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>  Titel        Type              T h em a         Aandoening             Spe ciale        Omvang                       Financiering                       Samenwerking andere organisaties
  onderzoek    onderzoek                                                 doelgroepen
  A            beschrijvend      behandeling      houdings- en           chronisch zieken 0 . 4 f t e wp               derde geldstroom (Ned Ver          Jan van Breemeninstituut Amsterdam, afdelking
               evaluat ie        implemen tati    bewegingsapparaat                       0.2 fte niet-wp (tijdelijk)  Oefenth Mensend., Ver              reuma tologie VU A msterd am, Le yenb urg
               zorgorg anisatie  e                                                        duur: 2 jaar                 Bewegingsl. Cesar                  Ziekenhuis Den Haag
               evaluat ie        behandeling      houdings- en           volwassenen      1,0 fte wp                   d e r de g e ld s tr o o m         Vereniging Bewegingsleer Cesar; afdeling
  B                                               bewegingsapparaat                                                                                       oefen therap ie Hog eschoo l Utrech t; TNO arbeid
  C            zorgorg anisatie  aanbod van                                               0.11 fte wp*                 derde geldstroom
                                 zorg                                                     0,3 nwp
                                                                                          duur: 3 jaar (start
                                                                                          01/11/01)
  D            evaluatie         behandeling      houdings- en                            0.9 fte wp ( 0.8 A IO en 0.1 derde geldstroom (Ned Ver          Afdeling orthopedie VU-mc; RUM afdeling
                                                  bewegingsapparaat                       vaste staf)                  Oefenth Men sendieck)              experimentele en kelinische psychologie;
                                                                                          duur: 4 jaar                                                    NVOM
               verklarend         ande rs         houdings- en                            0.9 fte wp ( 0.8 A IO en 0.1 e e rs t e e n t w ee d e (N W O ) Afdeling orthopedie VU-mc; Afdeling
  E                                               bewegingsapparaat                       vaste staf)                  g e l ds t ro o m                  fysiotherapie VU-mc; RUM afdeling
                                                                                          duur: 4 jaar                                                    e x p e ri m e n te l e e n k li n is c he p s yc h o lo g i e; N V O M
  F            verklarend         ande rs         houdings- en           zwangeren        0.9 fte wp ( 0.8 A IO en 0.1 vierde geldstroom                  Afdeling orthopedie VU-mc; Afdeling
                                                  bewegingsapparaat                       vaste staf)                                                     fysiotherapie VU-mc; RUM afdeling
                                                                                          duur: 4 jaar                                                    e x p e ri m e n te l e e n k li n is c he p s yc h o lo g i e; N V O M
               beschrijvend       ande rs         houdings- en                            0.5 fte wp ( 0.4 A IO en 0.1 v i er d e ge l d st r oo m        Afdeling orthopedie VU-mc; RUM afdeling
  G                                               bewegingsapparaat                       vaste staf)                                                     e x p e ri m e n te l e e n k li n is c he p s yc h o lo g i e; N V O M
                                                                                          duur: 4 jaar
* Kortlopende projecten, de formatie is omgerekend naar jaarbasis (2002)
                                                                                                    4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 7
LOPEND ONDERZOEK IN DE FYSIOTHERAPIE (2002)
                                    1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>LOPEND ONDERZOEK IN DE FYSIOTHERAPIE (2002)
Deze bijlage geeft een overzicht van het in 2002 lopende onderzoek in de fysiotherapie en
het onderzoek met relevantie voor de fysiotherapie. Per onderzoekscentrum werd één
contactpersoon gevraagd een vragenlijst (zie bijlage 5) in te vullen. Het onderzoek zoals
dat werd opgegeven door deze contactpersoon wordt letterlijk in deze bijlage
weergegeven, terug te vinden onder <http://www.rgo.nl>. De contactpersonen zijn in
volgorde van verslaglegging:
Prof.dr. P.J.M. Helders              UMC Utrecht /Wilhelmina Kinderziekenhuis
Prof.dr. J. Dekker                   VU Medisch Centrum
mw. Prof.dr. H.C.W. de Vet                 Instituut Extramuraal Geneeskundig Onderzoek
                                           EMGO
Dr. G. Kwakkel                       VU Medisch Centrum
Dr. R.A. de Bie                      Universiteit Maastricht en Academisch Ziekenhuis
                                     Maastricht
Dr. H.A.M. Seelen                    IRV en Stichting Revalidatie Limburg
Dr. C.P. van der Schans              Rijksuniversiteit Groningen en Academisch
                                     ziekenhuis Groningen
mw. Dr. Th.P.M. Vliet Vlieland             Leids Universitair Medisch Centrum
Prof.dr. W.H. Eisma                        AMC Amsterdam
Prof.dr. R.A.B. Oostendorp                 UMC St. Radboud en Nederlands Paramedisch
                                           Instituut
Prof.dr. B.W. Koes                   Erasmus MC
Dr. H. Miedema                       Kenniscentrum Arbeid en Klachten
                                     Bewegingsapparaat
Prof.dr. J.J. Rasker                 Medisch Spectrum Twente en ziekenhuis MST
Drs. W.T.M. Ooijendijk               TNO-PG
mw. Dr. C.H.M. van den Ende          Nederlands Instituut voor onderzoek van de
                                     Gezondheidszorg Nivel
In deze bijlage wordt verstaan onder (de categorieën zijn niet elkaar uitsluitend):
- type onderzoek:
    beschrijvend; evaluatie; verklarend; zorgorganisatie.
- thema:
    diagnostiek; prognostiek; behandeling; preventie; registratie; richtlijnen; implementatie;
    anders.
- aandoening:
    houdings- en bewegingsapparaat; hart en vaten; ademhalingsstelsel / longen;
    zenuwstelsel; endocriensysteem; tractus digestivus; algeheel functioneren.
- speciale doelgroepen:
    kinderen, ouderen, werkenden, speciale sociale groeperingen, zwangeren,
    gehandicapten, chronisch zieken.
- omvang:
    aantal fte's werenschappelijk personeel (WP) en aantal fte's niet wetenschappelijk
    personeel
- financiering:
    eerste geldstroom, tweede geldstroom (ZonMw), derde geldstroom (collectebusfonds,
    CVZ), vierde geldstroom (industrie).
- samenwerking andere organisaties:
    onderzoeksinstituten, andere afdelingen binnen het UMC, bewegingswetenschappen,
    gezondheidswetenschappen, sociale wetenschappen, revalidatiecentra, verpleeghuizen,
    hogescholen voor fysiotherapie, anders.
                                             3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>Informatie over het gewenste onderzoek werd ingewonnen bij bovengenoemde
onderzoekers (aanbodzijde) en bij contactpersonen van organisaties van de vraagzijde: drs.
P. J. Van der Wees, KNGF; mw. J. van Duren, ZN; R. Reij, CVZ; P. Kleingeld,
PatiëntenPraktijk; M. Slijper, ZonMw. Prof. dr. M. Kramer, ZonMw; mw. dr. R. Klop,
ZonMw; P.S.B. Boom, VWS. Van de aanbodzijde werden tevens geïnterviewd: dr. N. van
Meeteren, Universitair Medisch Centrum Utrecht; Mw. Prof.dr. J.M. Bensing, Nederlands
Instituut voor onderzoek van de Gezondheidszorg Nivel; dr. F. Oosterveld, Saxion
Hogeschool Enschede.
                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>UMCU en WKZ
Prof. dr. P.J.M. Helders rapporteert:
Binnen het UMCU en WKZ is geen specifieke onderzoekslijn fysiotherapie. Het
onderzoek op het gebied van de fysiotherapie is ingebed in vijf thema’s en in drie
onderzoekscholen. Dit zijn de onderzoekscholen: Immunologie en infectie; genen /
metabolisme; en hersenen.
Momenteel lopen er 8 promotietrajecten en 2 onderzoeksprojecten.
De titels van de lopende onderzoekprojecten zijn:
A. Exercisetolerance and Cystic Fibrosis (promotieonderzoek; Projectleider: Helders;
   kinderfysiotherapie WKZ)
B. Exercise / aquarobics and Juvenil Rheumtoid Arthritis (JRA) (promotieonderzoek;
   Projectleider: Helders; kinderfysiotherapie WKZ)
C. Neuropsychoendocrine characteristics of children with JRA (promotieonderzoek;
   Projectleider: Helders; kinderfysiotherapie WKZ / Neurosciences RMI
D. Disablement process in epilepsysurgery (promotieonderzoek; Projectleider: Helders
   kinderfysiotherapie WKZ)
E. Disablementprocess in Spina Bifida (promotieonderzoek; Projectleider: Helders;
   kinderfysiotherapie WKZ)
F. Disablementprocess in haemophilia (promotieonderzoek; Projectleider: Helders;
   fysiotherapie AZU)
G. PORT-study (Post Operative Complications in Cardiac Surgery) (promotieonderzoek;
   Projectleider: Helders; fysiotherapie AZU)
H.Cognition in Reumatoid Arthritis (promotieonderzoek; Projectleider: Helders
   fysiotherapie AZU)
I. Tredmill in paraplegia (Fysiotherapie AZU + Revalidatiegeneeskunde AZU)
J. Correlates of MRI and motor performance (kinderfysiotherapie WKZ + Neonatale
   neurologie WKZ)
                                            5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>Tabel 1        UMC UTRECHT
 Titel     Type         T h em a    Aandoening         Spe ciale   Omvang             Financiering Same nwerking andere
 onderzoek onderzoek                                   doelgroepen                                 organisaties
 A         evaluat ie   behandeling adem h.stelsel/    kinderen    0.8 fte wp(1 AIO)  eerste       a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           RCT                      longen                         0.5 WP
                                                                   duur: 4 jaar
 B         evaluat ie   behandeling houdings- en       kinderen    0.8 fte wp (1 AIO) eerste       a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           RCT                      bewegingsapparaat              0.5 WP
                                                                   duur: 4 jaar
 C         verklarend   diagnostiek zenuwstelsel       kinderen    0.8 fte wp (1 AIO) eerste       a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
                                    endocriensysteem               0.4 WP                          RMI-UU
                                    houdings- en                   duur 4 jaar
                                    bewegingsapparaat
 D         evaluat ie   behandeling zenuwstelsel       kinderen    0.8 fte wp (1 AIO) eerste/derde a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           beschrijvend                                            0.2 WP
                                                                   duur: 4 jaar
 E         evaluat ie   behandeling zenuw stelsel      kinderen    0.8 fte wp (1 AIO) eerste/derde a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           beschrijvend prognostiek                                0.2 WP
                                                                   duur: 4 jaar
 F         evaluat ie   behandeling houdings- en       volwassenen 0.8 fte wp (1 AIO) eerste/derde a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           beschrijvend prognostiek beweging sapparaat             0.4 WP
                                                                   duur: 4 jaar
 G         evaluat ie   behandeling ademwegen/         volwassenen 0.8 fte wp (1 AIO) tweede       a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           RCT                      circulatie                     0.4 WP                          praktijken fysiothe rapie
                                                                   duur: 4 jaar
 H         evaluat ie   behandeling houdings- en       volwassenen 0.8 fte wp (1 AIO) eerste       a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           RCT                      bewegingsapparaat              0.2 WP                          + reum acentra
                                                                   duur: 4 jaar
 I         evaluat ie   behandeling zenuwstelsel       volwassenen 0.5 WP; duur: 2    eerste/derde revalida tiecentra
           RCT                                                     jaar
 J         evaluat ie   prognostiek zenuwstelsel       kinderen    0.3 WP ; duur 4    eerste       a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et U M C
           beschrijvend                                            jaar
                                                                                6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>VU medisch centrum
Prof. dr. J. Dekker rapporteert, alsmede prof. dr. H.C.W. de Vet en dr. G. Kwakkel
In het onderzoek op het terrein van de fysiotherapie bij de Vrije Universiteit kunnen twee
clusters worden onderscheiden. Enerzijds het onderzoek in de onderzoekslijn
“aandoeningen van het bewegingsapparaat”, dat deel uit maakt van het Instituut voor
Extramuraal Geneeskundig Onderzoek (EMGO-instituut, onderdeel van het VUmc). Dit
onderzoek is ondergebracht in de onderzoeksschool Netherlands School of Primary Care
Research (CaRe). De onderzoekslijn “aandoeningen van het bewegingsapparaat” is één
van de vier zwaartepunten van het EMGO-instituut.
Anderzijds betreft het onderzoek in de onderzoekslijnen “Effecten van fysiotherapie”en
“stoornissen in bewegingssturing”. Dit onderzoek wordt gecoördineerd vanuit de dienst
fysiotherapie van het VUmc. Het onderzoek is ondergebracht in het Instituut voor
Fundamentele en Klinische Bewegingswetenschappen (IFKB) (een samenwerkingsverband
tussen de Vrije Universiteit en de Katholieke Universiteit Nijmegen) en het Research
Institute Neurosciences (onderdeel van het VUmc). Het onderzoek valt onder het
zwaartepunt “Extrapyramidale bewegingsstoornissen”. Het VUmc heeft voor beide
clusters afzonderlijk een vragenlijst ingevulde en teruggestuurd.
Bij de beantwoording van de vragen van het EMGO wordt opgemerkt dat het voor
sommig onderzoek volledig duidelijk is dat het op het terrein van de fysiotherapie ligt.
Voor ander onderzoek geldt dat het diverse elementen bevat die zeer relevant zijn voor de
fysiotherapie, terwijl het onderzoek toch niet volledig op het terrein van de fysiotherapie
ligt. Daarom is bij de beantwoording een onderscheid gemaakt in onderzoek dat op het
terrein van de fysiotherapie ligt (acht onderzoeksprojecten) en onderzoek dat relevant is
voor de fysiotherapie (10 onderzoeksprojecten).
Onderzoekprogramma “Aandoeningen van het bewegingsapparaat”:
Rapporteur is mw. prof. dr. H.C.W. de Vet.
Titels van acht onderzoeksprojecten fysiotherapie:
A. Effectiveness of corticoid injections, physiotherapy and a standardized “wait and see”
   policy for patients with lateral epicondylitis: a randomized controlled trial in primary
   care. Mw. dr. D.A.W.M. van der Windt, EMGO-instituut / Huisartsgeneeskunde
B. The effectiveness of manual therapy, physiotherapy and continued care by the general
   practitioner for patients with neck pain: a randomized controlled trial. mw prof. dr.
   H.C.W. de Vet, EMGO-instituut
C. Comparison of manual therapy and cognitive behavioural graded activity programme
   by the physiotherapist for patients with sub-acute neck pain. mw. prof. dr. H.C.W. de
   Vet, EMGO-instituut
D. Evaluation of the implementation of the Dutch physiotherapy guidelines for non-
   specific low back pain. Dr. M.W. van Tulder, EMGO-instituut.
E. Description of the content of manual therapy as performed by manual therapists
   (physiotherapists), ortho manual therapists (physicians) and chiropractors. mw. prof. dr.
   H.C.W. de Vet, EMGO-instituut.
F. The efficacy of a graded activity programme for workers who are disabled as a result of
   non-specific low back pain: a randomzied clinical trial in an occupational setting. Prof.
   dr. W. van Mechelen, EMGO-instituut / Sociale Geneeskunde.
G. The Amsterdam “Sherbrooke model” Evaluation Study (ASE study): effective
    prevention of chronic low back pain by integration of ergonomic measures, social
    guidance and early return to work. Prof. dr. W. van Mechelen, EMGO-instituut /
    Sociale Geneeskunde; mw. prof. dr. H.C.W. de Vet, EMGO-instituut.
H.The (cost) effectiveness of back schools for chronic and recurrent low back pain. mw.
    prof. dr. H.C.W. de Vet, EMGO-instituut; Prof. dr. W. van Mechelen, EMGO-instituut
    / Sociale Geneeskunde.
                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>Titels van onderzoeksprojecten met relevantie voor de fysiotherapie
I. Functional mobility assessment and prognostication of patients with arthrosis. Prof. dr.
   G. Lankhorst, EMGO-instituut / Revalidatiegeneeskunde.
J. Clinemetric evaluation in multiple sclerosi (MS) and determinants of prognosis. Prof.
   dr. G. Lankhorst, EMGO-instituut / Revalidatiegeneeskunde.
K. Cost-effectiveness of treatment for musculoskeletal disorders in primary care. Dr. M.W.
   van Tulder, EMGO-instituut.
L. Loss of muscle strength and muscle mass in older people (sarcopenia) and its
   relationship to physical disability. Mw. dr. M. Visser.
M.Clinimetric evaluation in rehabilitation medicine and determinants of prognosis in
   neurological disorders (FuPro). Prof. dr. G. Lankhorst, EMGO-instituut /
   Revalidatiegeneeskunde.
N. A comprehensive cohort study on the prognosis of shoulder disorders in primary care,
   with randomized controlled trials in subgroups. Mw. dr. D.A.W.M. van der Windt,
   EMGO-Instituut / Huisartsgeneeskunde.
O.Musculoskeletal disorder study (BAS): determinants of clinical course of complaints of
   the neck, shoulder, elbow, hand/wrist, hip, knee and ankle/foot in general practice.
   Mw. dr. C.B. Terwee, EMGO-instituut.
P. The effectiveness of a worksite physical activity programme on physical activity, fitness,
   musculoskeletal disorders and absenteeism for work. Prof. dr. W. van Mechelen,
   EMGO-instituut / Sociale Geneeskunde.
Q.The effect and cost-effectiveness of a preventive propriocepsis and balance-board
   training programme on the risk of sustaining acute lateral ankle injury. Prof. dr. W. van
   Mechelen, EMGO-instituut / Sociale Geneeskunde.
R. The course of functional status of elderly patients with sequelae of poliomyelitis,
   osteoarthritis, and Parkinson’s disease: the influence of age related impairments and
   comorbidity. Prof. dr. G. Lankhorst, EMGO-instituut / Revalidatiegeneeskunde.
                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>Tabel 2        VU medisch centrum: Projecten in de fysiotherapie
 Titel     Type         T h em a    Aandoening        Spe ciale   Omvang                Financiering                  Same nwerking andere
 onderzoek onderzoek                                  doelgroepen                                                     organisaties
 A         evaluat ie   behandeling Houdings- en                  1 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O Huisartspraktijken en praktijken
                                    bewegingsapparaat             2 f .t .e . N W P     3 e g e l ds t ro o m : C V Z voor fysio therap ie
 B         evaluat ie   behandeling Houdings- en                  1 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O Huisartspraktijken en praktijken
                                    bewegingsapparaat             2 f .t .e . N W P     3 e g e l ds t ro o m : C V Z voor fysio therap ie en m anue le
                                                                                                                      therap ie
 C         evaluat ie   behandeling Houdings- en                  1 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O Huisartspraktijken en praktijken
                                    bewegingsapparaat             0 . 5 f .t .e . N W P                               voor fysio therap ie en m anue le
                                                                                                                      therap ie
 D         evaluat ie   richtlijnen Houdings- en                  1 f.t.e. W P          3 e g e l ds t ro o m : V W S Praktijken voor fysiot herap ie
                                    bewegingsapparaat             0 . 5 f .t .e . N W P                               en KNGF
 E         beschrijvend behandeling Houdings- en                  1 f.t.e. W P          3 e geldstroom                Vertegenwoordigers van de 3
                                    bewegingsapparaat                                                                 manuele beroepsgroepen
 F         evaluat ie   behandeling Houdings- en      werkenden   2 f.t.e. W P          3 e g e l ds t ro o m : C V Z KLM
                                    bewegingsapparaat             1 f .t .e . N W P
 G         evaluat ie   behandeling Houdings- en      werkenden   2 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O Diverse bedrijven en BGD-en
                                    bewegingsapparaat             0 . 5 f .t .e . N W P 3 e g e l ds t ro o m : Z ON
 H         evaluat ie   behandeling Houdings- en      werkenden   1 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O ARBO-Ned
                                    bewegingsapparaat             0 . 5 f .t .e . N W P 3 e g e l ds t ro o m : Z ON
 I         beschrijvend prognostiek Houdings- en                  1 f.t.e. W P          3 e g e l ds t ro o m : SG O  Zieken huizen , afdeling en orth oped ie
                                    bewegingsapparaat
 J         beschrijvend prognostiek Zenuwstelsel en               1 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O Revalidatie-instellingen
                                    Houdings- en
                                    bewegingsapparaat
 K         evaluat ie   behandeling Houdings- en                  1 f.t.e. W P          3 e g e l ds t ro o m : C V Z Huisartspraktijken en praktijken
                                    bewegingsapparaat             0 . 5 f .t .e . N W P                               voor fysio therap ie en m anue le
                                                                                                                      therap ie
 L         beschrijvend prognostiek Houdings- en                  1 f.t.e. W P          2 e g e l ds t ro o m : N W O
                                    bewegingsapparaat
 M         beschrijvend prognostiek Zenu wstelsel                 1 f.t.e. W P          3 e g e l ds t ro o m : Z ON  Diverse revalidatie-instellingen
                                                                                          e
 N         beschrijvend behandeling Houdings- en                  1 f.t.e. W P          2 g e l ds t ro o m : N W O
                                    bewegingsapparaat
 O         beschrijvend Prognostiek Houdings- en                  2 f.t.e. W P          1 e geldstroom                2 e Nation ale Stud ie: diverse
                                    bewegingsapparaat             1 f .t .e . N W P     3 e g e l ds t ro o m :       huisartspraktijken
                                                                                        Reum afond s
                                                                                     9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Titel     Type         T h em a    Aandoening          Spe ciale      Omvang          Financiering                     Same nwerking andere
onderzoek onderzoek                                    doelgroepen                                                     organisaties
P         evaluat ie   preven tie  Houdings- en        werkenden      1 f.t.e. W P    3 e g e l ds t ro o m : Z ON     Gemeente Enschede
                                   bewegingsapparaat                                  3 e g e l ds t ro o m :
                                                                                      NOC*NSF
Q         evaluat ie   preven tie  Houdings- en        volleyb allers 1 f.t.e. W P    3 e g e l ds t ro o m : Z ON ,   Zieken huizen , afdeling en orth oped ie
                                   bewegingsapparaat                                  NeVoBo, NOC*NSF
R         beschrijvend prognostiek Houdings en         - ouderen      1.5 fte WP      2 e g e l ds t ro o m : Z O NM W Revalidatiecentra, AMC, NIVEL
                                   beweging sapparaat;                0.8 NWP
                                   zenuwstelsel
                                                                                   10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>VU-mc
Onderzoekprogramma “Effecten van fysiotherapie”en “Stoornissen in bewegingssturing”:
Rapporteur is dr. G. Kwakkel.
Titels van vier onderzoeksprojecten:
A. Rehabilitation in Parkinson’s disease: Strategies for cueing (RESCUE)
B. Effects of non-invasive ventilatory support in COPD
C. Functional recovery of gait after stroke
D. Ontwikkeling fysiotherapeutische behandelrichtlijnen an een beroerte
                                            11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>Tabel 3         VUmc
 Titel     Type         Thema        Aandoening      Specia le   Omvang Financiering Same nwerk ing an dere
 onderzoek onderzoek                                 doelgroepen                     organisaties
 A         verklarend + methode-     zenuwstelsel    ouderen     2      europ ese    universite it New castle
           evaluat ie   ontwikkeling                                    subsidie     universiteit Leuven
                                                                                     Fac. bewegingswetenschappen
 B         evaluat ie   behandeling  adem h.stelsel/ ouderen     1      derde        fac. bewegingswetenschappen
                                     longen
 C         verklarend   prognostiek  zenuwstelsel    ouderen     1      tweede       fac. bewegingswetenschappen
 D         evaluat ie   richtlijnen  zenuwstelsel    ouderen     1      derde        andere afdelingen binnen het
                                                                                     UMC
                                                                              12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>AZM en UM
Rapporteur: dr. R. de Bie
Het onderzoek op het terrein van de fysiotherapie in het het AZM en de UM valt binnen
het onderzoekprogramma “bewegingsapparaat” en is ingebed in de onderzoekschool Extra
/ Care. Het onderzoek valt onder de zwaartepunten “bewegingsapparaat”en
“reumatologie”. Momenteel lopen er negen promotietrajecten en drie onderzoeksprojecten
(pilots) op het terrein van de fysiotherapie.
Titels van de negen promotieonderzoeken:
A. Nederlands Schouder Onderzoek. Projectleider: Rob de Bie; IRV, UM, HAG
B. Zelfmanagement knie/heup arthrose. Projectleider: O. van Schayck; UM, HAG
C. Peripartaal bekkenpijnsyndroom: etiologie, prognose en therapie. Projectleider: R. de
   Bie; epidemiologie, verloskunde AZM
D. Return to work in chronic low back pain. Projectleider: R. de Bie; epidemiologie,
   kliniek Valens (revalidatiecentrum Zwitserland).
E. Effectiviteit van continues passive motion (CPM) in de klinische nabehandeling van
   totale heup prothese. Projectleider: R. de Bie; epidemiologie, fysiotherapie AZM
F. Albatros: trainingsprogramma ter versterking low back pain bij militairen. Projectleider:
   R. de Bie; epidemiologie, koninklijke landmacht.
G. Effect HMSN (hereditaire motore en sensible neuropathie) behandeling. Projectleider:
   R. de Bie; fysiotherapie AZM, revalidatie AZM en epidemiologie
H.Toetsing richtlijn hartrevalidatie. Projectleider: R. de Bie; fysiotherapie epidemiologie
I. Kinematica opstaan en zitten van de knie. Projectleider: R. de Bie; fysiotherapie
   epidemiologie, bewegingslaboratorium. (duur van dit project is 1 jaar; overige gegevens
   van dit project ontbreken in Tabel 1)
                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>Tabel 4        UM
 Titel     Type         T h em a    Aandoening        Spe ciale      Omvang              Financiering    Samenwerking
 onderzoek onderzoek                                  doelgroepen                                        andere organisaties
 A         beschrijvend diagnostiek houdings- en      werkenden      2.4 wp              tweede          IRV, HAG, UM
           evaluat ie   prognostiek bewegingsapparaat                0 . 8 n i e t- w p  (ZonMw)
                        behandeling schouder                         duur: 5 jaar
 B         evaluat ie   behandeling houdings- en      werkenden      0.8 wp              derde
                        progn ose   bewegingsapparaat                1 . 4 n i e t- w p  (reuma fond s)
                                    knie/heup                        duur: 5 jaar
 C         beschrijvend diagnostiek houdings- en      zwangeren      1.6 wp              derde (CVZ)     gynaecologie/o bstetr
           evaluat ie   prognostiek bewegingsapparaat                1 . 2 n i e t- w p
                        behandeling bekke n/lrk                      duur: 4 jaar
 D         evaluat ie   diagnostiek houdings- en      werkenden      1.0 wp              vierde (kliniek Kliniek Valens
                        behandeling bewegingsapparaat                0 . 8 n i e t- w p  Valens          (revalida tiecentru m in
                                                                     duur: 4 jaar        Zwitserland)    Zwitserland)
 E         evaluat ie   behandeling houdings- en      ouderen        0.8 wp              eerste          fysioteh rapie
                        diagnostiek bewegingsapparaat (meren deel)   0 . 4 n i e t- w p
                                    knie                             duur: 4 jaar
 F         evaluat ie   behandeling houdings- en      werkenden      1.6 wp              vierde (le ger/ landmacht
                        progn ose   bewegingsapparaat                4 . 2 n i e t- w p  landmach t)
                                    rug                              duur: 4 jaar
 G         beschrijvend diagnostiek houdings- en      gehandicapten  0.4 wp              eerste          revalidatie,
           evaluat ie   behandeling bewegingsapparaat                duur: 1 jaar                        fysiothe rapie
                                    voet
 H         beschrijvend behandeling hart en vaten     hart patiënten 0.4 wp              eerste          f y si o t he r a p ie , A Z M ,
           evaluat ie   registratie                                  duur: 1 jaar                        IRV
                                                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>AZG en RUG
Rapporteur: dr. C.P. van der Schans
Het onderzoek op het terrein van de fysiotherapie valt binnen het onderzoekprogramma
“fysiotherapie bij longziekten” en is ingebed in het Noordelijk Centrum voor
Gezondheidsvraagstukken (NCG). Het onderzoek valt onder een zwaartepunt.
Op dit moment lopen er zeven onderzoekprojecten binnen dit programma:
A. Routinematig bronchiaal toilet versus tubeverzorging on demand bij orotracheaal
   geïntubeerde intensive care patiënten. Projectleider: dr. C.P. van der Schans (Centrum
   voor Revalidatie), J.H. Zwaveling (Intensive Care Chirurgie) Academisch Ziekenhuis
   Groningen.
B. Effecten van revalidatie bij kankerpatiënten. Projectleider: dr. C.P. van der Schans
   (Centrum voor Revalidatie)
C. Spierkracht en de effecten van fysiotherapie bij patiënten na een longtransplantatie.
   Projectleider: dr. C.P. van der Schans (centrum voor Revalidatie)
D. Mechanische efficiëntie als uitkomstmaat voor revalidatie/fysiotherapie bij patiënten
   met longziekte. Projectleider: dr. C.P. van der Schans (Centrum voor Revalidatie)
E. Fysiotherapie en schouderklachten na halsklierdissectie. Projectleider: dr. P.U. Dijkstra
   (Centrum voor Revalidatie).
F. Test-Hertest betrouwbaarheid van schouderonderzoek. Projectleider dr. P.U. Dijkstra
   (Centrum voor Revalidatie)
G. Test-Hertest betrouwbaarheid van de flock-of-birds en de concurente validiteit.
   Projectleider: dr. P.U. Dijkstra/dr. J. Winters (Centrum voor Revalidatie).
                                             15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>Tabel 5       Groningen
 Titel     Type         T h em a    Aandoening        Spe ciale   Omvang          Financiering Samenwerking andere organisaties
 onderzoek onderzoek                                  doelgroepen
 A         evaluatie    behandeling adem h.stelsel/          -    0,2 fte wp      eerste       intensive c are
                                    longen                        duur: 1996-2003              chirurgie
 B         evaluatie    behandeling oncolog ie              -     0,4 fte wp      derde        Integra le Kan ker Ce ntra
                                                                  duur:1998-2001
                                                                  en 2002-2006
 C         beschrijvend behandeling houdings- en           -      0,4 fte wp      eerste       andere afdelingen binnen UMC
                                    bewegingsapparaat             doorlopend                   onderzo ek geïn tegree rd in
                                                                                               patiënte nzorg
 D         verklarend   behandeling houdings- en           -      0,1 fte wp      eerste       andere afdelingen binnen UMC
                                    bewegingsapparaat             duur: 1999-2002
                                    adem h.stelsel/
                                    longen
 E         beschrijvend prognostiek houdings- en      oncolog ie  0,4 fte wp      eerste +     andere afdelingen binnen UMC
                                    bewegingsapparaat             duur: 1999-2002 tweede
 F         evaluatie    diagnostiek houdings- en                  0,05 fte wp     tweede       andere afdelingen binnen UMC
                                    bewegingsapparaat             duur: 2001-2002
 G         evaluatie    diagnostiek houdings- en                  0,05 fte wp     eerste       andere afdelingen binnen UMC
                                    bewegingsapparaat             duur: 2001-2002
                                                                   16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>LUMC
Rapporteur: mw. dr. T.P.M. Vliet Vlieland
Het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie valt binnen vier
onderzoekprogramma’s: reumatologie, ziekte van Parkinson, klinimetrie en schouder en
hand. Het onderzoek valt binnen het zwaartepunt immunologie. Momenteel lopen er 19
onderzoekprojecten, waarvan één project uitsluitend op het gebied van oefentherapie
Mensendieck en Cesar:
A. Ontwikkeling van een richtlijn voor de behandeling van patiënten met de ziekte van
   Parkinson. Projectleider: M. Munneke. Afdeling Reumatologie en Dienst Fysiotherapie
   en Ergotherapie LUMC.
B. Doelmatigheid van fysiotherapie bij de ziekte van Parkinson. Een gerandomiseerd
   onderzoek (pilot studie). M. Munneke. Afdeling Reumatologie en Dienst Fysiotherapie
   en Ergotherapie LUMC.
C. Lange termijn compliance en effectiviteit van intensieve groepsoefentherapie bij
   reumatoïde arthritis (vervolg RAPIT project). M. Munneke en T. Vliet Vlieland.
   Afdeling Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en Ergotherapie. LUMC
D. Cyber training: het bevorderen van de lichamelijke activiteit van mensen met
   reumatoïde arthritis; haalbaarheid en effectiviteit van een thuis uit te voeren
   bewegingsprogramma in groepsverband met individuele begeleiding gebruikmakend
   van internet. T.P.M. Vliet Vlieland en M. Munneke. Afdeling Reumatologie en Dienst
   Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
E. Doelmatigheid van het gebruik van hulpmiddelen door patiënten met reumatoïde
   arthritis. T.P.M. Vliet Vlieland en I. de Boer. Afdeling Reumatologie en Dienst
   Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
F. Fyranet: Opzet, implementatie en evaluatie van een fysiotherapie-netwerk ten behoeve
   van de reumatologie. T.P.M. Vliet Vlieland. Afdeling Reumatologie en Dienst
   Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
H.Opvattingen over netwerkvorming en deskundigheidsbevordering rondom chronische
   aandoeningen bij fysiotherapeuten en oefentherapeuten Mensendieck en Cesar. T.P.M.
   Vliet Vlieland en A. Vaassen. Afdeling Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en
   Ergotherapie LUMC.
I. Implementatie van het revalidatie activiteiten profiel in de multidisciplinaire zorg voor
   patiënten met reumatoïde arthritis. T.P.M. Vliet Vlieland en J. Verhoef. Afdeling
   Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
K. Diagnostiek en behandeling van schouderklachten: Effectiviteit van eindstandige
   mobilisatietechnieken in de fysiotherapeutische behandeling van een frozen shoulder.
   Een gerandomiseerd onderzoek. Deelprojecten: De responsiviteit van de shoulder
   function assessment score bij patiënten met reumatoïde arthritis. De waarde van de
   Schouder Score Lijst bij verschillende schouderaandoeningen. Een inventariserend
   onderzoek naar opvattingen over de behandeling van de frozen shoulder bij
   fysiotherapeuten, huisartsen en orthopedisch chirurgen. T.P.M. Vliet Vlieland en E.
   Vermeulen. Afdeling Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
O.Validiteit van de Juvenile Arthritis Functional Assessment Scale (JAFS) bij kinderen met
   juveniele idiopatische arhtritis T.P.M. Vliet Vlieland en P. Bekkering. Afdeling
   Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
P. Fysiotherapie bij urine-incontinentie. Een beschrijvend onderzoek. M. Munneke. Dienst
   Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
Q.Handfunctie bij reumatische ziekten: eén project met drie deelvragen: Validiteit en
   responsiviteit van de Michigan Hand Outcomes Questionnaire bij patiënten met
   reumatische aandoeningen en handfunctieproblematiek. Handfunctieproblemen bij
   patiënten met reumatische aandoeningen. Een beschrijvend onderzoek. Effectiviteit van
   fysiotherapie bij handfunctieproblematiek bij patiënten met reumatoïde arthritis. Een
   systematisch review. T.P.M. Vliet Vlieland en F. van der Giesen. Afdeling
   Reumatologie en Dienst Fysiotherapie en Ergotherapie LUMC.
                                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Projecten waarbij de fysiotherapie is betrokken:
S Screening responsiviteit op lumbale sleeve injectie met bupivacaine en depomedrol met
  aansluitend intensive straight leg raising oefentherapie. N.T. Dasselaar, D. Boonman,
  D.C.A.A. de Vries.
S Baclofen infusion for RSD related dystonia. J.J. van Hilten, M.A. van Rijn
S Selectieve oefentherapie bij het primaire impingement syndroom van de schouder.
  E.R.A. van Arkel, H.E. Henkes, H.M. Vermeulen.
                                            18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>Tabel 6        LUMC
 Titel     Type             T h em a        Aandoening        Spe ciale   Omvang                      Financiering                       Samenwerking andere organisaties
 onderzoek onderzoek                                          doelgroepen
 A         Evalua tie       behandeling     zenuwstelsel      chronisch   0.8 fte wp (tijdelijk)      derde geldstroom                   Afde ling Ne urologie LUM C, afde ling Ne urologie
           zorgorg anisatie richtlijnen                       zieken      duur:1 jaar 6 mnd           (Prinses Be atrix Fo nds)          U M C N i jm e g e n , a f d el in g f ys io t h er a p ie V U
                            implem entatie
 B         Evalua tie       behandeling     zenuwstelsel      chronisch   1 fte (tijdelijk)           eerste geldstroom                  a f d el in g N e u ro l o gi e L U M C , a f d el in g n e u ro l o gi e U M C
                                                              zieken      duur:1 jr 4 maanden         ( d o el m a ti g h ei d L U M C ) N i jm e g e n , a f d el in g f ys io t h er a p ie V U
 C         beschrijvend     behandeling     houdings- en      chronisch   0.8 fte niet wp (tijdelijk) eerste geldstroom                  Jan van Breemeninstituut Amsterdam, afdeling
           evaluat ie       implem entatie  bewegingsapparaat zieken      duur: 1 jaar 6 mnd                                             reuma tologie VU A msterd am, Le yenb urg Zie kenh uis
           zorgorg anisatie                                                                                                              Den Haag
 D         Beschrijvend     behandeling     houdings- en      chronisch   0 . 8 f t e -w p            tweede geldstroom                  Leyenburg Ziekenhuis Den Haag, Reinier de Graaf
           evaluat ie       implem entatie  bewegingsapparaat zieken      0.8 fte niet-wp (tijdelijk) (ZonMw)                            G a s th u i s D e l ft , T N O - P G , N E B A S
           zorgorg anisatie                                               duur: 2 jaar
 E         beschrijvend     behandeling     houdings- en      chronisch   1 fte wp (tijdelijk)        eerste geldstroom                  TNO-PG
           verklarend                       bewegingsapparaat zieken      duur: 2 jaar                ( d o el m a ti g h ei d L U M C )
 F         beschrijvend     behandeling     houdings- en      chronisch   0 . 8 f t e ni e t - w p    tweede geldstroom                  Medisch Spectrum Twente, Integraal Kankercentrum
           evaluat ie       implem entatie  bewegingsapparaat zieken      (tijdelijk)                 ( Zo n MW )                        West, Hogeschool Leiden, Saxion Hogeschool
           zorgorg anisatie                                               duur: 2 jaar                                                   Enschede
 H         beschrijvend     behandeling     houdings- en      chronisch   0 . 4 f t e wp               derde geldstroom (Ned             Jan van Breemen instituut Amsterdam, afdeling
           evaluat ie        implem entatie bewegingsapparaat zieken      0.2 fte niet-wp (tijdelijk)  Ver O efen th. M ense nd.,        reuma tologie VU A msterd am, Le yenb urg Zie kenh uis
           zorgorg anisatie                                               duur: 2 jaar                 Ver Be wegin gsl. Cesar)          Den Haag
 I         evaluat ie        behandeling    houdings- en      chronisch   0.8 fte wp (tijdelijk)       eerste geldstroom                 afdeling klinische informatiekunde LUMC, afdeling
           zorgorg anisatie  implem entatie bewegingsapparaat zieken      duur: 2 jaar                                                   revalidatiegeneeskunde LUMC, revalidatiecentrum
                                                                                                                                         Beatrixoord Haren
 K         evaluat ie        behandeling    houdings- en      -           1 fte wp (tijdelijk):        eerste geldstroom                 afd orthoped ie LUM C, afd reumatolog ie LUM C, afd
           beschrijvend                     bewegingsapparaat             duur: 4 jaar                                                   radiod iagno sitek LU MC , afd orth oped ie div
                                                                                                                                         ziekenhuizen in de regio, afd huisartsgeneeskunde
 O         beschrijvend      diagnostiek    houdings- en      kinderen    0.2 fte wp (tijdelijk)       eerste geldstroom                 a f d el in g k in d e rg e n e es k un d e L U M C
                                            bewegingsapparaat             duur: 2 jaar
 P         beschrijvend      behandeling    anders, tractus   -           0.2 fte wp (tijdelijk)       eerste geldstroom                 a f d el in g u ro l o gi e L U M C
           verklarend                       urogen italis                 duur: 1 jaar
 Q         beschrijvend,     diagnostiek    houdings- en      chronisch   0.5 fte wp (tijdelijk)       eerste geldstroom                 afdelin g revalid atiegen eeskun de en orthop edie
           verklarend,       behandeling    bewegingsapparaat zieken      duur: 2 jaar                                                   LUMC , Maartenskliniek Nijmegen
           evaluat ie
                                                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>AMC-UvA
Rapporteur: prof. dr. W.H. Eisma en anderen
De fysiotherapie maakt als discipline onderdeel uit van de afdeling Revalidatie van het
AMC. De onderzoeksstructuur binnen het AMC afdeling revalidatie is tot op heden voor
fysiotherapie zeer beperkt gebleven, alhoewel er 2,5 fte onderzoekstijd beschikbaar was.
Structuur en begeleiding lieten echter de laatste tijd te wensen over. Momenteel is er een
reorganisatie gaande binnen de afdeling. Tijdens deze reorganisatie functioneert prof.
Eisma als interim medisch hoofd. In het Revalidatiecentrum Amsterdam vindt momenteel
geen onderzoek plaats op het gebied van de fysiotherapie. Binnen het Instituut voor
Fysiotherapie van de Hogeschool van Amsterdam lopen twee onderzoeksprojecten.
Het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie vindt plaats op de volgende
onderzoekthema’s: “Zuigelingen en jonge kinderen met een ontwikkelingsrisico”en
“FuPro” en binnen de onderzoeksscholen van het AMCOGG en ORCA. Er lopen
momenteel acht onderzoeksprojecten bij de afdeling revalidatie van het AMC en twee
onderzoeksprojecten bij het Instituut voor fysiotherapie Hogeschool van Amsterdam.
De titels van de onderzoeksprojecten zijn:
A. Haalbaarheid van een nieuw interventieprogramma voor VLBW kinderen en hun
   ouders. Projectleider: dr. M.J. Wolf
B. FuPro. Projectleider: I. de Groot en E. Lindeman; UMCU
C. FIT-studie (fecale incontinentie). Projectleider: B. Bergman, UM
E. Revalidatie na VKB-reconstructie: een voorstel voor revalidatie. Projectleider: H.G. v.
   Keeken; AMC afdeling revalidatie en ORCA
F. Stroom project. Projectleider T. Hogervorst
H.Mobiliseerbaarheid bij beademde intensive care-patiënten. Projectleider: dr. R. de Vos,
   afdeling KEB-AMC; afdeling Revalidatie, fysiotherapie en afdeling Intensive Care
   AMC.
I. Effectiviteit van laagvermogen laserbehandeling bij chronische wonden. Projectleider:
   dr. C. Lucas; Hogeschool van Amsterdam Instituut Fysiotherapie en Universiteit van
   Amsterdam afdeling klinische epidemiologie en biostatistiek (AMC)
J. Vroegtijdige multidisciplinaire adviesdienst bij recent gediagnosticeerde knie- en
   heuparthrose. Projectleider: dr. C. Lucas; Hogeschool van Amsterdam Instituut
   Fysiotherapie en Universiteit van Amsterdam afdeling klinische epidemiologie en
   biostatistiek (AMC).
                                             20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>Tabel 7         AMC
 Titel     Type             T h em a       Aandoening            Spe ciale       Omvang                 Financiering                 Same nwerking andere
 onderzoek onderzoek                                             doelgroepen                                                         organisaties
 A         beschrijvend     diagnostiek,   algeheel functioneren kinderen        0.8 fte reva lidatie   derde (Sticht.Kinde rpost-   a f d . N e o n a to l o gi e A M C / EK Z
           evaluat ie       prognostiek,                                         0.2 fte ne onato logie zegels Ned 0.8 fte)
                            behandeling                                          duur: 4-2001/7-2002:   eerste neonatol. (0.2 fte)
                                                                                 1 jr 3 mnd             eerste revalidatie (0.2 fte)
 B         zorgorg anisatie prognostiek    zenuwstelsel          ?               ?                      t w e ed e ( Z O N )         ?
 C         beschrijvend     Diagnostiek    tractus digestivus    fecale          ? f te w p             tweede (Z0nMw)               U M e n 3 0 co l le g a ’s b u it e n h et A M C
                            behandeling                          incon tinent ie duur: 2001-2005
 E         beschrijvend     richtlijnen    houdings-en           werkenden       1 wp va st             eerste                       ORCA
                                           bewegingsapparaat                     1 nwp
                                                                                 duur mrt02-sept02
 F         zorgorg anisatie implem entatie houdings- en          werkenden en    1 nwp                  eerste                       CBO
                                           bewegingsapparaat     ouderen         duur okt 01-heden
 H         beschrijvend     behandeling,   algeheel functioneren Intensiv e-Care 0.6 fte tijde lijk     tweede (ZonMw)               afdeling klinische epidemiologie en
                            richt lijn                           patiënten       duur: 2001-2002                                     B i o st a ti st i ek A M C
 I         evaluat ie       behandeling    anders: chronische    chronisch       0 . 5 f t e wp         eerste en derde              a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et A M C
                                           wond                  zieken          0 . 5 f t e nw p                                    en verpleeghuizen
 J         evaluat ie       preven tie     houdings- en          ouderen         0 . 7 f t e wp         derde (CVZ)                  a n d e re a f de l in g e n b in n e n h et A M C
           zorgorg anisatie                bewegingsapparaat                     0 . 3 f t e nw p
                                                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>UMC St. Radboud
Het UMC St Radboud concentreert het onderzoek vijf aandoenings-georiënteerde
hoofdprogramma’s en drie dwarsverbanden, die gekarakteriseerd worden door
gemeenschappelijke benaderingswijzen en onderzoeksvelden.
Hoofdprogramma’s:                          Dwarsverbanden:
1 Oncologie,                               A. Moleculaire levenswetenschappen
2 Nier- en vaataandoeningen,               B. Translationeel, farmacologisch en klinisch
                                           onderzoek
3 Neurowetenschappen,                      C. Evaluatie en preventie in de
                                           gezondheidszorg
4 Infectie, ontsteking, trauma en herstel,
5 Genetische en metabole aandoeningen
De afdelingen Fysiotherapie participeren elk binnen de hoofdprogramma’s, waarbij de
nadruk ligt voor de afdeling Fysiotherapie CSS1 (Cluster Snijdende Specialismen 1) op de
hoofdprogramma’s 1, 2 en 4, voor de afdeling Fysiotherapie CUKZ (Cluster Universitair
Kinder Ziekenhuis) op de hoofdprogramma’s 3 en 5, en voor de afdeling Fysiotherapie
CZZO (Cluster Zenuw, Ziel en Ouderenzorg) op de hoofdprogramma’s 3 en 5.
Tot het dwarsverband C ‘Evaluatie en preventie in der gezondheidszorg’ behoort het
kwaliteits- en doelmatigheidsonderzoek. Een groot deel hiervan heeft zich verenigd onder
de noemer Nijmegen Centre for Evidence Based Practice (EBP). De bijzondere leerstoel
Paramedische Zorg, met als hoogleraar prof. dr. R. Oostendorp, is hierbinnen
gepositioneerd, en meer specifiek binnen het Centre for Quality of Care Research
(voorheen Werkgroep Onderzoek Kwaliteit [WOK]). De nadruk in de onderzoekslijnen
van het Centre for Quality of Care Research ligt op patiënt- en zorggebonden onderzoek
naar de doelmatigheid, aanvaardbaarheid, toepasbaarheid, kwaliteit en implementatie van
(effectief gebleken) preventieve, klinische en zorgprocedures in de intra-, extra- en
transmurale zorg.
Het paramedisch onderzoek evenals de leerstoel paramedische zorg worden vanuit Staf
Zorg ondersteund door het staflid Paramedisch Onderzoek.
Het EBP is ingebed in bestaande nationale en internationale onderzoeksinfrastructuren
(o.a. onderzoekscholen CaRe, NIHES, NICI, EPP). Het Centre for Quality of Care
Research (WOK) is opgenomen in de KNAW goedgekeurde onderzoekschool CaRe.
Het onderzoek van de afdeling Fysiotherapie CUKZ naar het syndroom van Turner is
ingebed in het onderzoekinstituut NICI (Nijmeegs Instituut voor Cognitie en Intelligentie).
Het zorggerelateerd onderzoek op het terrein van verpleegkunde en paramedische zorg (in
het bijzonder fysiotherapie) is één van de zwaartepunten van het UMC St Radboud. Het
Strategisch Beleidsplan “Koers op kennis, kennis op koers” (UMC St Radboud, februari
2002) meldt hierover het volgende: “Het UMC St Radboud bevordert verpleegkundig en
paramedisch onderzoek en de verdere professionalisering van deze disciplines. Het
wetenschappelijk onderzoek van de verpleegkundige en paramedische disciplines verkeert
nog in de beginfase. De wetenschappelijke en professionele ontwikkeling van de
verschillende verpleegkundige en paramedische functies blijft daarom een nadrukkelijk
aandachtsgebied van het UMC. Het zorgonderzoek dient aan te sluiten bij het onderzoek
binnen de hoofdprogramma’s.”
Per afdeling Fysiotherapie is het één van de drie zwaartepunten, naast patiëntenzorg en
onderwijs.
Door de instelling van de bijzondere leerstoel Paramedische Zorg in februari 2000 is het
onderzoek op het terrein van de fysiotherapie één van de zwaartepunten geworden binnen
de onderzoekslijnen van het Centre for Quality of Care Research (WOK).
                                            22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>Er lopen momenteel 15 wetenschappelijk projecten. De titels van deze projecten zijn:
A. Effect van mimetherapie bij patiënten met een perifere facialisparese. Projectleiders:
   prof. dr. R.A.B. Oostendorp; prof. dr. P. Heymans, vakgroep
   Ontwikkelingspsychologie, Universiteit Utrecht.
B. Korte en lange termijn effecten van TENS bij patiënten met chronisch benigne pijn.
   Projectleiders: prof. dr. R.A.B. Oostendorp; prof. dr. B. Crul, Kenniscentrum Pijn,
   UMC St Radboud.
D. Motorische ontwikkeling bij ex-prematuren : a. Prognose na ernstige dysmaturiteit
   en/of vroeggeboorte; b. Validatie van instumenten voor gestructureerde follow-up van
   vroeggeborenen op de leeftijd van vijf jaar. Projectleider: mw. prof. dr. Verloove, TNO
   gezondheid en preventie.
E. Proces-georiënteerd, kwantitatief en kwalitatief motorisch onderzoek: een studie naar
   motorische problemen bij meisjes met het Syndroom van Turner. Is fysiotherapeutische
   interventie effectief? Projectleiders: prof. dr. G. van Galen, NICI; prof. dr. R. Sengers,
   afdeling Kindergeneeskunde, UMC St Radboud.
F. Optimalisering en implementatie van de fysiotherapeutische behandeling bij kinderen
   met defecatieproblematiek. Projectleider: mw. R. Nijhuis.
G. Ontwikkelen van een prognostische instrument voor de post-operatieve zorg bij
   patiënten met een Lumbosacraal Radiculair Syndroom. Projectleiders: prof. dr. R.A.B.
   Oostendorp; P. Kühlmann.
H.Gerichte verwijzing van patiënten met een neuromusculaire aandoening voor
   paramedische zorg ter verbetering van de transmurale zorgketen. Projectleiders: prof.
   dr. R.A.B. Oostendorp; dr. B.G.M. van Engelen, NeuroMusculair Centrum Nijmegen,
   UMC St Radboud; dr. G.J. van der Wilt, afdeling Medical Technology Assessment,
   UMC St Radboud.
I. Paramedische Verslaglegging. Projectleiders: prof. dr. R.A.B. Oostendorp; mw. dr. Y.F.
   Heerkens, Nederlands Paramedisch Instituut.
J. Klinimetrie bij reumatische aandoeningen. Projectleiders: prof. dr. R.A.B. Oostendorp;
   prof. dr. P. van Riel, afdeling Reumatologie, UMC St Radboud; prof. dr. L.M. Bouter,
   EMGO-instituut, Vrije Universiteit Amsterdam.
K. Kinesiofobie en fear-avoidance bij patiënten met acute lage rugpijn. Projectleiders: prof.
   dr. R.A.B. Oostendorp; prof. Dr. A. Verbeek, afdeling Epidemiologie en Biostatistiek,
   UMC St Radboud; dr. J.W. Vlaeyen, vakgroep Experimentele Psychologie, Universiteit
   Maastricht.
L. Effect van oefentherapie bij patiënten met whiplash. Projectleiders: prof. dr. R.A.B.
   Oostendorp; dr. A.P. Verhagen, afdeling Huisartsgeneeskunde, Erasmus Universiteit
   Rotterdam.
M.Implementatie van de KNGF richtlijnen voor lage rugpijn. Projectleiders: prof. dr. L.M.
   Bouter, EMGO-instituut, Vrije Universiteit Amsterdam; prof. dr. R.A.B. Oostendorp.
N. Effect van “graded activity” bij patiënten met artrose van heup of knie. Projectleiders:
   prof. dr. J. Dekker, afdeling Revalidatiegeneeskunde, Vrije Universiteit; prof. dr. R.A.B.
   Oostendorp; prof.dr. J.Bijlsma, afdeling Reumatologie, Universiteit Utrecht.
O.Het ontwikkelen van een beoordelingskader voor de kwaliteit van preventieve
   bewegingsprogramma’s onder begeleiding van fysiotherapeuten. Projectleiders: prof. dr.
   R.A.B. Oostendorp; dr. M. Wensing, Werkgroep Onderzoek Kwaliteit, UMC St
   Radboud.
                                              23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>Tabel 8        UMC St Radboud
 Titel     Type          T h em a                  Aandoening         Spe ciale         Omvang           Financiering                   Samenwerking andere organisaties
 onderzoek onderzoek                                                  doelgroepen
 A         evaluat ie    behandeling               houdings- en       ande rs           06 fte WP        eerste geldstroom              Vakgroep ontwikkelingspsychologie,
                                                   bewegingsapparaat  volwassenen       duur 1999-2003   afdelingsinvestering           Universiteit Utrecht
                                                   zenuwstelsel
 B         evaluat ie    behandeling               houdings- en       ande rs           0.55 fte WP      tweede geldstroom              Kenniscentrum Pijn, UMC St. Radboud
                                                   bewegingsapparaat  mensen met        duur 1999-2003   (tot 1 oktober
                                                   algeheel           chronisch benigne                  2002); erna 1 e
                                                   functioneren       pijn                               g e l ds t ro o m ,
                                                   chro nisch e pijn                                     afdelingsinvestering
 D         beschrijvend  diagnostiek               algeheel           kinderen          0.4 fte WP       eerste en tweede               UMC St. Radboud: afdeling
                         prognostiek               functioneren                         duur:1997-2003   geldstroom                     Kind ergen eeskun de; TN O; an dere
                                                   houdings- en                                                                         Academische Ziekenhuizen
                                                   bewegingsapparaat
                                                   zenuwstelsel
 E         verklarend    prognostiek               algeheel           kinderen          0.3 fte WP       e e rs t e g e l ds t ro o m , Onderzoekinstituut: NICI; afdeling
                         methodeontwikkeling       functioneren                         duur: 1999-2003  afdelingsinvestering           Kindergeneeskunde, UMC St. Radboud
                                                   zenuwstelsel
 F         evaluat ie    behandeling, richtlijnen  houdings- en       kinderen          0.2 fte WP       derde geldstroom               Afdeling M edische Psychologie, UM C St.
                         (eigen ontwikkeling, niet bewegingsapparaat                    duur: 2000-2002                                 Radboud
                         KNGF)                     tractus digestivus
 G         beschrijvend  prognostiek               houdings- en       ande rs           0.5 fte WP       derde geldstroom               Afdeling Neurochirurgie, afdeling Medische
           zorgonderzoek richt lijn                bewegingsapparaat  volwassenen       duur: 2001-2004                                 Psycho logie, UM C St. R adbo ud; div erse
                                                   zenuwstelsel                                                                         perifere ziekenhuizen
 H         zorgonderzoek methodeontwikkeling:      houdings- en       chronisch zieken  1.0 fte WP       tweede geldstroom              Afdeling Neurologie, afdeling Medical
                         gerichte verwijzing van   bewegingsapparaat                    duur:2002-2003                                  Technolog y Assessment, UM C St.
                         patiënten;                zenuwstelsel                                                                         Radboud.
                         implem entatie
 I         zorgonderzoek regis tratie ;rich tlijn  ande rs            ande rs           0.4 fte WP       e e rs t e g e l ds t ro o m , Nederlands Param edisch Instituut,
                         implem entatie            (paramedische      alle patiënten    duur:2001-2002   deels                          Ame rsfoort
                                                   verslaglegging)                                       afdelingsinvestering
 J         beschrijvend  registratie; prognostiek  houdings- en       chronisch zieken  vrij onderzoek   -                              Afdeling Reumatologie, UMC St. Radboud;
                         behandeling               bewegingsapparaat                    (0.5 fte) du ur:                                EMG O-institu ut, Vrije U niversiteit
                                                                                        2001-2004                                       Amsterdam
 K         evaluat ie    prognostiek               houdings- en       ande rs           vrij onderzoek   -                              Afdeling Epidemiologie en Biostatistiek,
                         behandeling               bewegingsapparaat  volwassenen       (0.5 fte) du ur:                                UMC St. Radboud; vakgroep
                                                                                        2001-2004                                       Expe riment ele Psych ologie, U niversiteit
                                                                                                                                        Maastricht
 L         evaluat ie    behandeling               houdings- en       ande rs           personeel Npi    derde geldstroom               Vakgroep Huisartsgeneeskunde, Erasmus
                                                   bewegingsapparaat  volwassenen       duur: 1999-2003                                 Universiteit Rotterdam
                                                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>Titel     Type           T h em a            Aandoening        Spe ciale      Omvang          Financiering       Samenwerking andere organisaties
onderzoek onderzoek                                            doelgroepen
M         implementatie- richtlijnen         houdings- en      ande rs        personeel Npi   derde geldstroom   EMG O-Institu ut, Vrije U niversiteit
          onderzoek      implem entatie      bewegingsapparaat volwassenen    duur: 2001-2004                    Amsterdam Instituut Medical Technology
                                                                                                                 Assessm ent (iM TA), Era smus U niversiteit
                                                                                                                 Rotterdam
N         evaluat ie     behandeling         houdings- en      ande rs        personeel       derde geldstroom   Afd eling Rev alida tieg ene esku nde , Vrije
                                             bewegingsapparaat volwassenen    NIVEL                              Universiteit Amsterdam; afdeling
                                                                              duur: 2001-2004                    Reumatolog ie, Universiteit Utrecht;
                                                                                                                 Nederlands Param edisch Instituut,
                                                                                                                 Ame rsfoort
O         zorgonderzoek  methodeontwikkeling houdings- en      ouderen        0.5 fte WP      vierde geldstroom  Werkgroep Onderzoek K waliteit, UMC St.
                                             bewegingsapparaat volwassenen    2002            (zorgverze keraar) R a d b o ud ; zo r g ve r ze k e ra a r V G Z
                                                                           25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>AMC Dijkzigt / Erasmus MC
Rapporteur: prof dr BW Koes
Het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie is ingebed in het Onderzoeksinstituut
Bewegingsapparaat Rotterdam (IBR). Aandoeningen van het bewegingsapparaat is een
zwaartepunt van het onderzoeksbeleid. Onderzoek op het terrein van de fysiotherapie valt
hierbinnen. Momenteel worden 16 onderzoeksprojecten uitgevoerd. De titels van deze
projecten zijn als volgt:
A. Systematische Review tension type headache.
   Projectleider: Mw.dr. A.P. Verhagen
   Afdeling: Huisartsgeneeskunde (medische psychologie).
B. RCT chronische nekpijn en twee FT strategieën.
   Projectleider: Mw.dr. A.P. Verhagen
   Afdeling: Huisartsgeneeskunde.
C.       RCT. Beleid Ha versus FT bij lumboradiculair syndroom (LRS).
   Projectleider: prof.dr. B.W. Koes.
   Afdeling: Huisartsgeneeskunde.
D. Oefentherapie na een inversietrauma van de enkel, RCT en Review.
   Projectleider: Mw.dr. S.M.A. Bierma.
   Afdeling: huisartsgeneeskunde.
E. Inventarisatiestudie met systematische review naar RSI in de fysiotherapie praktijk.
   Projectleider: Mw.dr. S.M.A. Bierma (RCT) en Mw. dr. A.P. Verhagen (systematische
   review). Afdeling: HAG.
F. Kniecohort. Systematische review.
   Projectleider: Mw.dr. S.M.A. Bierma.
   Afdeling: Huisartsgeneeskunde.
G. Stabiliteit van gewrichten. Hieronder vallen verschillende onderzoeken zoals
   biomechanica van lage rug- en bekkenklachten, het bepalen van de stijfheid van
   gewrichten door middel van Doppler Imaging of Vibration, het onderzoek naar lage
   rugklachten bij astronauten (ESA Topical Team of Low Back Pain) en het onderzoek
   naar de behandeling van R.I.
   Projectleider: Prof.dr.ir. C.J. Snijders
   Afdeling: Biomedische Natuurkunde en Technologie.
H.Effecten van fysiotherapie en arbozorg op klachten en ziekteverzuim
   bewegingsapparaat (RCTs).
   Projectleider: Dr. A. Burdorf.
   Afdeling: Maatschappelijke Gezondheidszorg
I. Disability in arm-hand use in patients with Complex Regional Pain Syndrome type I.
   Projectleider: Dr.J.B.J. Bussman.
   Afdeling: Revalidatie.
J. Effect of physical exercise on activity level of heart failure patients.
   Projectleider: Mw.dr. H.J.G. van den Berg-Emons.
   Afdeling: Revalidatie.
K. Physical exercise and activity monitoring in patients with Guilain-Barré Syndrome.
   Projectleider: dr. J.B.J. Bussman.
   Afdeling: Revalidatie.
L. Pregnancy-related pelvic pain in relation to sacroiliac joint laxity.
   Projectleider: Prof.dr. H.J. Stam.
   Afdeling: Revalidatie.
M.Hip loading after total hip surgery.
   Projectleider: Prof.dr. H.J. Stam.
   Afdeling: Revalidatie.
                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>N. A questionnaire to assess effectiveness of interventions to the hands of patients with a
   cervical spinal cord injury.
   Projectleider: Prof.dr. H.J. Stam.
   Afdeling: Revalidatie.
O.Physical activity after spinal cord injury.
   Projectleider: Mw.dr. H.J.G. van den Berg-Emons.
   Afdeling: Revalidatie.
P. Isokenetic dynamometry of the shoulder.
   Projectleider: Prof.dr. H.J. Stam.
   Afdeling: Revalidatie
                                            27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>Tabel 9        EUR
 Titel     Type       T h em a            Aandoening                            Spe ciale     Omvang     Financiering      Samenwerking andere organisaties
 onderzoek onderzoek                                                            doelgroepen
 A         evaluat ie behandeling         Tension Headache                      alle          w:0,8fte   tweede geldstroom Med ische Psyc holog ie, Erasmu s MC
 B         evaluat ie behandeling         Chronische nekklachten                volwassenen   w:1,0fte   derde geldstroom  EMGO, VU
 C         evaluat ie behandeling         Lum bo rad iculair                    volwassenen   w.1,0fte   derde geldstroom  N e u ro c h ir u rg i e Er a sm u s M C , E G O , V U
                                          syndroom
 D         evaluat ie behandeling         Inversietrauma enkel                  volwassenen   w:1,0fte   eerste geldstroom Ortho pedie en An atomie Erasmu s MC
 E         evaluat ie behandeling         R.I.                                  volwassenen   w:2,0fte   derde geldstroom  M G Z E r a sm u s M C , K e n n is c en t ru m A K B
 F         evaluat ie behandeling         Knieklachten                          alle          w:1,0fte   eerste geldstroom Ortho pedie Erasmu s MC
 G         evaluat ie behandeling         Bewegingsapparaat                     alle          w:5,0fte;  eerste, tweede en Uni. Of Quee nsland (Australië),
           verklarend                                                                         nw:2,0 fte vierde geldstroom Fysioth erapie E rasmus M C
 H         evaluat ie preven tie          Bewegingsapparaat                     werkenden     W;1,2fte   tweede geldstroom Huisartsg eneesk unde Erasmu s MC
 I         evaluatief diagnostiek;        Complex Regional                      volwassenen   w:0,8 fte  derde geldstroom  T U Tw e nt e, LU M C
                      registratie         Pain Syndrome type I
                      methodeontwikkeling
 J         evaluatief behandeling         Heart fa ilure                        volwassenen   w:0,6fte;  derde geldstroom  Card iologie E rasmus M C
                                                                                              nw: 0,2fte
 K         evaluatief diagnostiek;        G u i ll a in - B ar ré s yn d r om e volwassenen   w: 0,8 fte derde geldstroom  Neuro logie Era smus M C
                      registratie
                      methodeontwikkeling
                      behandeling
 L         evaluatief diagnostiek;        Sacroilliac joint laxaty              volwassenen   w:0,8 fte  derde geldstroom  Biomedisch Natuurkunde en Technologie,
                      registratie                                                                                          Erasmu s MC
                      methodeontwikkeling
                      behandeling
 M         evaluatief diagnostiek;        Hip                                   volwassenen   w:1,0 fte  eerste geldstroom Ortho pedie en Fy siotherap ie Erasm us MC
                      registratie
                      methodeontwikkeling
                      behandeling
 N         evaluatief diagnostiek;        Cervica l spinal co rd                volwassenen   w: 0,4 fte eerste en derde   Revalidatie Centrum Rijnmond
                      registratie         injury                                                         geldstroom        Rotterdam
                      methodeontwikkeling
 O         evaluatief diagnostiek;        Cervica l spinal co rd                volwassenen   w: 1,0 fte tweede en derde   Revalidatie Centrum Rijnmond
                      registratie         injury                                                         geldstroom        R o t te r d am , F ac u lt e it B W V U
                      methodeontwikkeling
 P         evaluatief diagnostiek;        schouderklachten                      volwassenen   w: 0,2 fte eerste geldstroom -
                      registratie
                      methodeontwikkeling
                      behandeling
                                                                                            28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>Kenniscentrum AKB
Binnen het Kenniscentrum worden i.s.m. de afdeling Huisartsgeneeskunde van EMC twee
onderzoeken uitgevoerd met relevantie voor de fysiotherapie:
A. Beloop en prognose van klachten van arm, nek of schouder in de huisartspraktijk.
   Projectleider dr. S. Bierma (huisartsgeneeskunde en drs H. S. Miedema, AKB.
B. Samenwerking huisartsen en bedrijfsartsen bij aspecifieke lage rugklachten.
   Projectleider dr. S. Bierma (huisartsgeneeskunde en drs A. Nauta, AKB.
                                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>Tabel 10       Kenniscentrum AKB
 Titel     Type         T h em a    Aandoening        Spe ciale   Omvang   Financiering     Samenwerking andere organisaties
 onderzoek onderzoek                                  doelgroepen
 A         beschrijvend diagnostiek houdings- en      volwassenen 0,8 fte  eerste en derde  vakgroep huisartsengeneeskunde
           (verklarend) progn ose   bewegingsapparaat werkenden   a.i.o.   geldstroom       vakgro ep orth oped ie
                        behandeling                                                         Inst. Maatschappelijke
                                                                                            Gezon dheid szorg
 B         evaluat ie   behandeling houdings- en      volwassenen 1,0 fte  derde geldstroom Vereniging Bewegingsleer Cesar
                                    bewegingsapparaat             W.P .                     Afd. Oefentherapie Hogeschool Utrecht
                                                                                            TNO arbeid
                                                                          30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>Medisch Spectrum Twente
Het onderzoek op het gebied van de fysiotherapie vindt plaats op de volgende drie
thema’s:
1 Preventieve maatregelen binnen de (bedrijfs)fysiotherapie
2 Effecten van bedrijfsfysiotherapeutische interventies
3 Effecten van fysiotherapie bij chronische aandoeningen, zoals reumatische
   aandoeningen
Contactpersoon voor deze lijnen Dr. F.G.J. Oosterveld, lector Instituut voor Paramedische
Studies, Saxion Hogeschool Enschede. En voor C. tevens Prof dr J.J. Rasker.
Het onderzoek is ingebed in de volgende onderzoekinstituten:
A Unit Research & Development van het Instituut voor Paramedische Studies van de
   Saxion Hogeschool Enschede
B Afdeling Reumatologie Twente
C Afdeling Communicatiewetenschap Univ Twente en aldus ook in de onderzoeksschool
   psychology and health.
D Er is structurele samenwerking met het onderzoeksinstituut van het revalidatiecentrum
   Het Roessingh, en daardoor met diverse landelijke onderzoeksscholen .
De lijn fysiotherapie bij reumatische aandoeningen is sinds 20 jaar een van de speerpunten
van het onderzoek van de afd reumatologie van het MST en later ook van de afdeling
communcatiewetenschap UT
Er lopen momenteel negen onderzoekprojecten:
A. Onderzoek naar het functioneel herstel na CVA.
In het kader van een fundamentele studie naar de invloed van een CVA op het
functioneel looppatroon wordt deelonderzoek gedaan naar veranderingen in EMG-
patronen. Zo blijken loophulpmiddelen significant bij te dragen aan het herstel van
‘normale’ spieraanspanningspatronen bij CVA-patienten. Projectleider J. Buurke,
Revalidatiecentrum het Roessingh, RRD, Enschede.
B. Onderzoek naar de associatie tussen fysieke belasting en het ontstaan van een
   lumbosacraal syndroom t.g.v. HNP.
Vanuit de literatuur worden verschillende fysieke oorzaken aangegeven, die bij kunnen
dragen aan het ontstaan van een lumbale HNP met bijbehorende symptomen.
Epidemiologische kengetallen zoals relatieve risico’s en/of odds ratio’s van de
verschillende mogelijke determinaten zijn echter in de literatuur niet voorhanden. In een
samenwerking tussen de afdelingen fysiotherapie, neurochirurgie en neurologie van het
Medisch Spectrum Twente is een betrouwbare en gevalideerde vragenlijst ontwikkeld om
determinanten voor een HNP te kunnen meten. In een prospectief patiënt-controle zal de
invloed van deze risicofactoren worden onderzocht. Projectleider A.B. ten Brinke,
Medisch Spectrum Twente, Enschede.
C. Onderzoek naar arbeidsgerelateerde aandoeningen bij musici.
Klachten van het bewegingsapparaat komen frequent bij (beroeps)musici voor, o.a. door
de veelvuldige eenzijdige (over)belasting en onvoldoende aandacht voor primaire en
secundaire preventie. In een zorgvernieuwingsproject wordt een infrastructuur gecreëerd,
waarbinnen snelle en adequate behandeling in een nieuw op te zetten expertisecentrum
voor arbeidsgerelateerde aandoeningen bij musici mogelijk is. Tevens worden vanuit dit
centrum preventieve maatregelen ontwikkeld en geïmplementeerd. Het project is een
samenwerking met Medisch Spectrum Twente, Universiteit Twente, Conservatorium van
de Saxion Hogeschool Enschede, Orkest van het Oosten, de Nationale Reisopera en het
Contactorgaan van Nederlandse Orkesten. Projectleider drs. A. Bieleman, Saxion
Hogeschool Enschede.
D. Onderzoek naar fysiologische en klinische effecten van infrarood sauna bij gezonde
   proefpersonen en patiënten met reumatische aandoeningen.
                                           31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>Patiënten met klachten van het bewegingsapparaat blijken baat te hebben bij regelmatig
gebruik van infrarood sauna. Uit onderzoek, dat samen met de afdeling reumatologie van
het Medisch Spectrum Twente is uitgevoerd, blijkt bij patiënten met reumatoïde artritis en
spondylitis ankylopoetica pijn en stijfheid significant af te nemen na een infrarood sauna
behandeling. Het welbevinden van de patiënten neemt significant toe na behandeling. In
vergelijking met een qua leeftijd en sexe overeenkomende groep gezonde proefpersonen
blijken reumapatiënten biologisch niet anders te reageren; hartslag, bloeddruk, huid- en
kerntemperatuur blijken gedurende een IR sauna behandeling op gelijke wijze te worden
beïnvloed. Vervolgonderzoek bij andere patiënten groepen is in voorbereiding.
Projectleider Dr. F.G.J. Oosterveld, Saxion Hogeschool Enschede.
E. Early osteoarthritis cohort onderzoek (CHECK)
Het Nationaal Reumafonds heeft de aanzet gegeven tot een 10-jarig landelijk onderzoek
naar het beloop van beginnende artrose, om risicofactoren voor het progressief beloop te
identificeren. Er zal een cohort gevormd worden van 1000 patiënten met (vermoedelijke
artrose van knie of heup. Deze patiënten zullen gedurende de 10 jaar van het onderzoek
regelmatig worden beoordeeld op de ontwikkeling van hun artrose. Een
samenwerkingsverband vanuit Saxion Hogeschool Enschede, afdeling reumatologie MST
en afd communicatiewetenschap UT heeft zich verantwoordelijk gesteld voor de
uitvoering van de volgende subvragen in dit onderzoek:
a. Wat is de associatie tussen stoornissen op orgaanniveau en de ervaren beperkingen in
   (arbeids)participatie.
b. In hoeverre zijn vroege functiestoornissen voorspellers voor latere (arbeids)participatie
   beperkingen.
c. Welke functiestoornissen zijn de beste voorspellers voor latere beperkingen in
   (arbeids)participatie.
d. Hoe correleren klinische effectvariabelen met andere uitkomstmaten zoals
   Röntgenbeeld, MRI uitkomsten en bloed- en urinewaarden.
e. Hoe is de associatie tussen verlies aan arbeidsparticipatie enerzijds en arbeidsbelasting
   en functionele stoornissen en activiteiten beperkingen anderzijds.
Projectleiders dr M.A.F.J. van de Laar MST, Dr. F.G.J. Oosterveld, Saxion Hogeschool en
dr. E. Taal UT, Enschede.
F. Effecten van reconvalescentie bij RA patiënten.
Met subsidie van de zorgverzekeraars Nederland en met medewerking van het Nationaal
Reumafonds zal bij 80 patiënten met een reumatische aandoening die geopereerd zijn aan
knie of heup worden nagegaan wat het effect is van 3 weken geprotocolleerde
nabehandeling in Groot Stokkert. Het is een gerandomiseerd onderzoek en vergeleken
wordt met 80 controlepersonen wat het effect is op conditie, functie, kwaliteit van leven en
kosten.
Projectleiders zijn dr M.A.F.J. van de Laar MST, dr. F.G.J. Oosterveld, Saxion
Hogeschool en
dr. E. Taal UT, Enschede, Dr W Drossaers-Bakker en Prof Dr J.J.Rasker MST en UT.
G. Onderzoek naar betrouwbaarheid, validiteit, responsiviteit en prognostische
   voorspellende waarde van klinische metingen naar fysiek functioneren bij patiënten met
   (beginnende) artrose.
Dit onderzoek wordt verricht als additioneel onderzoek bij het CHECK onderzoek. Lopen
het cohort CHECK kan ander onderzoek aan subgroepen worden uitgevoerd. De binnen
het cohort verzamelde data zullen worden gebruikt voor de analyse. Bij de 100 te
rekruteren patiënten in Enschede, onder controle bij het Medisch Spectrum Twente, zullen
ten behoeven van het dit onderzoek aan de initiële metingen van de Checkstudie de
functionele metingen worden toegevoegd. In de studie zullen de volgende vragen worden
beantwoord:
a. Hoe betrouwbaar, valide en responsief is een set klinische functionele metingen voor
   beperkingen in activiteiten bij patiënten met artrose.
                                             32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>b. Hoe betrouwbaar en valide is het ‘Blankenship Functional Capacity Evaluation (FCE)
   system’ voor het bepalen van de fysieke belastbaarheid bij patiënten met artrose.
c. Hoe groot is de voorspellende waarde van het ‘Blankenship FCE system’ voor de
   bepaling van toekomstig (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid.
Projectleider Dr. F.G.J. Oosterveld, Saxion Hogeschool Enschede.
H.Evaluatie en implementatie van een zorgvernieuwingsproject voor fysiotherapeutische
      ketenzorg bij reumapatiënten. (FYRANET)
In twee regio’s, Leiden en Enschede, zijn netwerken ontwikkeld van fysiotherapeuten, die
specifieke deskundigheid op het gebeid van reumatische ziekten hebben verworven en
deze ook bijhouden. Binnen dit netwerken worden patiënten met reumatische
aandoeningen (transmuraal) verwezen, dat de kwaliteit van de individuele behandeling
verbeterd. Gedurende twee jaar is met subsidie van ZONMW het netwerk opgezet, dat
succesvol bleek. Verdere uitbreiding, implementatie en borging van het netwerk is nu aan
de orde, waarbij tevens de effectiviteit en kosten effectiviteit wordt onderzocht.
Projectleider Dr. F.G.J. Oosterveld, Saxion Hogeschool Enschede, samenwerking met afd
reumatologie AZ Leiden en MST Enschede.
I. Effectiviteit van het Mulligan Concept, de "MWMs", bij de behandeling van de
   Epicondylalgia Lateralis Humeri.
Het onderzoek omvat een prospectieve studie naar het therapeutisch effect van de
Mobilization With Movement (MWM), bij de behandeling van de tenniselleboog.
Teneinde de therapeutische effecten te onderzoeken worden aan de aangedane arm
metingen gedaan betreffende de pijnvrije maximale knijpkracht met een dynamometer,
drukpijn met een algometer en de manuele weerstandstest voor de dorsaalflexie van de
pols. Voor de gezonde arm wordt de maximale knijpkracht gemeten. Tevens worden een
pijnvragenlijst en een VAS voor pijn en voor functie gemaakt en word de mobiliteit van de
linker en rechter elleboog met elkaar vergeleken. Betreft de diagnostiek en de behandeling
van de tenniselleboog. Het gaat hier om een nieuwe methode, die bij gebleken effectiviteit
aanleiding zou kunnen zijn om het beleid betreffende de behandeling te wijzigen.
Projectleider: dhr. A. Bakker, Saxion Hogeschool Enschede.
                                             33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>Tabel 11       Universiteit Twente
 Titel     Type             T h em a       Aandoening            Spe ciale        Omvang                   Financiering Same nwerking andere
 onderzoek onderzoek                                             doelgroepen                                            organisaties
 A         verklarend       behandeling    houdings- en          ouderen          1 fte                    tweede       revalidatie centrum
           evaluatief       methode-       bewegingsapparaat     chronisch zieken duu r:4 jr               geldstroom   universite it
                            ontwikkeling   hart/vaten                             (mrt 1999- mrt 2003)                  Saxion Hogeschool
                                           zenuwstelsel                                                                 ziekenh uis
 B         verklarend       prognostiek    houdings- en          werkenden        0 fte                    geen         ziekenhuis MST
                            preven tie     bewegingsapparaat                      duur: 3 jr                            Saxion Hogeschool
                                           zenuwstelsel                           (aug 2001 - juli 2004)
 C         beschrijvend     diagnostiek    houdings- en          werkenden        1.0 fte                  derde        Saxion Hogeschool
           zorgorg anisatie behandeling    bewegingsapparaat                      duu r 3 jr               geldstroom   Universiteit Twente
                            preven tie     zenuwstelsel                           (sept 2002 - aug 2005)                ziekenhuis MST
 D         evaluatie        behandeling    houdings- en          ouderen          0.5 fte                  vierde       Saxion Hogeschool
                                           bewegingsapparaat     chronisch zieken duur: 3 jr               geldstroom   Universiteit Twente
                                           hart en vaten                          (juli 1999 - juni 2002)               ziekenhuis MST
                                           endocrien systeem
                                           algeheel functioneren
 E         beschrijvend     diagnostiek    houdings- en          ouderen          1.0 fte                  derde        UMC; ziekenhuis MST
           verklarend       prognostiek    bewegingsapparaat     werkenden        duur: 1 0 jaar           geldstroom   Saxion Hogeschool
                            preven tie                           chronisch zieken (sept 2002 - aug 2012)                Universiteit Twente
 F         evaluat ie       behandeling    houdings- en          ouderen          1.0 fte                  derde        ziekenhuis MST
           zorgorg anisatie                bewegingsapparaat     chronisch zieken duur: 2 jaar             geldstroom   Universiteit Twente
                                           algeheel functioneren                  (jan 2002 - dec 2004)                 Saxion Hogeschool
 G         beschrijvend     diagnostiek    houdings en           ouderen          0,2 fte; duur: 2 jaar    vierde       ziekenhuis MST
           verklarend       prognostiek    bewegingsapparaat     werkenden        (sept 2002-aug 2004      geldstroom   Saxion Hogeschool
                            preven tie                           chronische       respectievelijk voor                  Universiteit Twente
                                                                 patiënten        deelvragen 2007)
 H         evaluat ie       implem entatie houdings- en          chronisch zieken 0.4 fte                  derde        ziekenhuis MST
           zorgorg anisatie                bewegingsapparaat                      duur: 3 ,5 jaar          geldstroom   Universiteit Twente
                                                                                  (jan 1999 - juni 2002)                Saxion Hogeschool
 I         evaluat ie       diagnostiek    houdings- en          werkenden         0.2 fte                  eerste      Saxion Hogeschool
                            prognostiek    bewegingsapparaat                       duur: 2 jr en 10 mnd     geldstroom  Universiteit van St.
                            behandeling                                            (sept 1999 - juni 2002)              Augustine, Florida, USA
                                                                                  34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>TNO-PG
Rapporteur: drs WTM Ooijendijk
Binnen TNO-PG wordt onderzoek op het gebied van de fysiotherapie verricht binnen het
onderzoekprogramma “Bewegen en gezondheid”met als programmaleider dr M Hopman-
Rock. Momenteel lopen er vier onderzoekprojecten. De titels zijn:
A. Sportfysiotherapie in de praktijk. Projectleider: WTM Ooijendijk.
B. Haalbaarheidsstudie directe toegankelijkheid fysiotherapie. Projectleider: WTM
   Ooijendijk.
C. Proefimplementatie artroseprojecten.
D. Incontinentie in verzorgingshuizen.
                                            35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>Tabel 12       TNO-PG
 Titel     Type onderzoek   T h em a        Aandoening             Spe ciale   Omvang                      Financiering             Same nwerking andere
 onderzoek                                                         doelgroepen                                                      organisaties
 A         zorgorg anisatie preven tie      algeheel               algeh ele   3 fte wp                    tweede (min.             Nivel
                            registratie     functioneren           popu latie  duur: sept 2001-okt 2002    VWS)
                            implem entatie
 B         zorgorg anisatie richtlijnen     algeheel               algeh ele   3 fte wp                    D e r d e (C V Z )       -
                            implem entatie  functioneren           popu latie  duur: mrt 2002 - mei 2002
                            zorgvernieuwing
 C         evaluat ie       implem entatie  houdings- en           chronisch   3 fte wp                    T w e e d e (Z o n M w ) hoge school fy siotherap ie
                                            bewegingsapparaat      zieken      duur: medio 2000- aug
                                                                               2002
 D         ontwikkeling en  preven tie      ande rs                ouderen     1 fte wp                    T w e e d e (Z o n M w ) verzorgingshuizen
           evaluat ie                       tractus uro genita lis             duur: febr 2002 - febr 2004                          LUMC
                                                                                  36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>Nivel
Programmaleiders zijn: mw. dr. CHM van den Ende; B Dr L. Hingstman.
(programmaleider ‘Beroepen in de zorg’); Mw. dr. M. Rijken (programmaleider
‘Chronisch Zieken’).
Het onderzoek is ingebed in de Onderzoeksschool Care, (de programmaleider
paramedische zorg en enkele promovendi op het terrein van de fysiotherapie zijn lid van
Care) en in de Onderzoeksschool Psychology and Health (onder andere programmaleider
Chronisch Zieken, dr. M. Rijken).
Binnen het Nivel vormt het themagebied ‘paramedische zorg’ een zwaartepunt. Binnen het
themagebied paramedische zorg is fysiotherapie een zeer belangrijk aandachtsgebied.
Er lopen acht (+5) onderzoeksprojecten. De titels van de onderzoeksprojecten, namen
van de projectleiders en afdeling van het centrum:
A. Het effect van GRADIT, graded activity door middel van intermitterende
   oefentherapie.      (Projectleider: Dr. CHM van den Ende)
B. Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg (LIPZ)
         (projectleider: dr. R.Wimmers)
C. Sportfysiotherapie in de praktijk (projectleider: dr. CHM van den Ende)
D. Registratie extramurale fysiotherapeuten (projectleider: dr. L. Hingstman)
E. Behoefteraming fysiotherapie (projectleider: dr. L. Hingstman)
F. Verwijzingen door huisartsen naar paramedische zorg in de eerstelijn (deelonderzoek
   Tweede Nationale Studie naar morbiditeit en verrichtingen in de huisartsenzorg,
   projectleider dr. F. Schellevis).
G. Evaluatie van het IKPZ (Implementatie kwaliteitsbeleid paramedische zorg)
   (projectleider dr. CHM van den Ende)
H.Naar een alternatieve vergoedingsregeling voor fysiotherapie, oefentherapie Cesar en
   oefentherapie-Mensendieck. (projectleider dr. CHM van den Ende)
Naast bovengenoemde projecten is bij de volgende projecten fysiotherapie op indirecte
wijze onderwerp van onderzoek.
I. Het beloop van functionele status bij patiënten met artrose van heup of knie
   (projectleider dr. CHM van den Ende)
J. Patiëntenpanel Chronisch Zieken (projectleider mw. dr. M. Rijken)
Daarnaast is het Nivel bij meerdere (promotie)-onderzoeksprojecten van andere instituten
betrokken.
Extra toelichting
De enquête is toegeschreven naar een universitaire onderzoeksomgeving. Vragen die in de
enquête gesteld worden zijn niet in alle gevallen van toepassing op het Nivel. Hieronder
wordt daarom een toelichting gegeven op de antwoorden.
Het Nivel is het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Bij het
Nivel werken ruim 180 mensen. Onderzoek wordt op projectbasis uitgevoerd voor een
groot aantal opdrachtgevers, afkomstig uit de overheid en (koepels van) zorgverzekeraars,
beroepsgroepen, zorginstellingen en patiënten- en consumentenorganisaties.
Het Nivel had in 2001 een omzet van ongeveer 12 miljoen Euro. Ongeveer een vijfde deel
daarvan is als (structurele) subsidie afkomstig van het ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, de zogenaamde basissubsidie. Deze basissubsidie is wellicht te
vergelijken met de eerste geldstroom. Vrijwel alle onderzoeksactiviteiten worden door
extern gefinancierde middelen (tweede en derde geldstroom) gefinancierd. Uit de
basissubsidie worden, naast een aantal structurele activiteiten (zoals de bibliotheek, de
registratie van huisartsen en fysiotherapeuten en ‘kenniscentrum Nivel’), de directie en
programmaleiders (gedeeltelijk) gefinancierd.
                                             37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>Het onderzoeksterrein van het Nivel is onderverdeeld in dertien themagebieden.
Voorbeelden van themagebieden zijn: huisartsgeneeskundige zorg, verpleging en
verzorging, kwaliteit en organisatie, migranten, en vraaggestuurde zorg. De
programmaleiders zijn verantwoordelijk voor de werving van onderzoek en de coördinatie
van hun themagebied. Onderzoek op het terrein van fysiotherapie en oefentherapie is
ondergebracht bij een tweetal themagebieden. Binnen het themagebied ‘Paramedische
zorg’ wordt onderzoek verricht op het terrein van 10 paramedische beroepsgroepen,
waarvan fysiotherapie de grootste beroepsgroep is. Onderzoek binnen dit themagebied
richt zich op proces van zorg, de inhoud van zorg en de evaluatie van zorg.
Onderzoeksprojecten met beleidsmatige onderzoeksvragen worden veelal voor meerdere
beroepsgroepen tegelijk uitgevoerd. Voorbeelden hiervan zijn onderzoek naar het
kwaliteitsbeleid van de paramedische beroepsverenigingen en het project Landelijke
Informatievoorziening Paramedische Zorg (LIPZ). Evaluatie-onderzoek
(effectiviteitsonderzoek, systematische literatuuronderzoek) binnen het themagebied
paramedische zorg richt zich met name op de fysiotherapie en de ergotherapie.
Binnen het themagebied ‘Beroepen in de zorg’ vindt onderzoek plaats naar het aanbod
van zorg van huisartsen, specialisten en paramedici. Registraties van werkzame
beroepsbeoefenaren, behoefteramingen en onderzoek naar draaglast vallen onder dit
themagebied.
Binnen het themagebied ‘Beroepen in de zorg’ wordt één project structureel gefinancierd
door het Ministerie van VWS, namelijk de registratie van werkzame extramurale
fysiotherapeuten. Het streven is om in de toekomst het project LIPZ ook op structurele
basis te financieren. Alle overige projecten worden op tweede of derde geldstroomgelden
uitgevoerd.
                                             38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>Tabel 13            NIVEL
 Titel          Type                T h em a               Aandoening        Doelgroepen             Omvang                            Financiering      Samenwerking
 onderzoek      onderzoek
 A              evaluat ie          behandeling            houdings- en      pt me t artrose         WP: 1,2 fte (excl KEA door        derde geldstroom  VU (E MG O, revalid atie), Np i,
                                    (oefentherapie)        bewegingsapparaat                         EM GO ) NW P: 1,1 fte d uur: 3 jr                   UMC Utrecht
                                                                                                     en 4 mnd
                                                                                                     start 01/04/2001
 B              beschrijvend        registratie, vraag     -                 eerstelijns patienten   WP: 2,1 fte                       derde geldstroom  in d e Stu urgro ep L IPZ z ijn
                                    naar zorg                                fysiotherapie /         NWP : 2,9 fte                                       beleid smake rs en bero eps-
                                                                             oefen th. Cesa r,       duur: 3 jr 10 mnd                                   verenigingen vertegenwoordigd
                                                                             oefenth. M’dieck        start: 01/03/2000
 C              beschrijvend        registratie vraag      houdings- en      sporters                WP: 0,4 fte*                      derde geldstroom  TNO-PG
                                    naar zorg              bewegingsapparaat                         NW P: 0,2
                                                                                                     duur: 1 jr (start 01/09/01)
 D              zorgonderzoek       aanb od van zorg       nvt               nvt                     WP: -                             basissub sidie
                                                                                                     NWP: 0,5 fte*
                                                                                                     doorlopend project
 E              zorgonderzoek       aanb od van zorg       nvt                                       WP: 0,5 fte*                      derde geldstroom
                                                                                                     NWP : 0,14 fte
                                                                                                     duur: 9 mnd (start 01/04/02)
 F              zorgonderzoek       registratie, vraag     nvt               nvt                     maakt deel uit van g root project eerste, tweede en
                                    naar zorg                                                        met budget van 8,2 milj. Euro.    derde geldstroom
                                                                                                     Maakt onderdeel uit van NS 2:
                                                                                                     1999-2003
 G              zorgonderzoek       kwaliteitsbeleid van   nvt                                       nog onbekend                      derde geldstroom
                                    10 paramedische                                                  duu r: 18 m aan den ,
                                    beroepsverenigingen                                              start 1 dec 2002
 H              zorgonderzoek       financiering                                                     WP: 2,2 fte                       derde geldstroom
                                                                                                     duur: 5,5 mnd
                                                                                                     NWP: 0,08
                                                                                                     einddatum: 01-03-2002
 I              beschrijvend /      prognostiek            artrose           ouderen                 WP : 0,7 N WP : 0,25 d uur: 6 jr  tweede            V U A ms te rd a m, AM C
                verklarend                                                                           (start 01/09/01)                  geldstroom
 J              beschrijvend        gebru ik van zo rg                       chronisch zieken        WP: 1,6 fte NW P: 1,9 fte         derde geldstroom
                                                                                                     duur: 3,5 jr(start 010101)
*Kortlopend e projecten, formatie is omgereken d naar jaarbasis (2002).
                                                                                                  39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>Npi
Het Npi is het landelijk ondersteuningsinstituut en kenniscentrum voor de 12
paramedische beroepsgroepen. Van die 12 beroepsgroepen is fysiotherapie de grootste. Bij
43 van de 58 in 2002 lopende of startende projecten binnen het Npi is (ook) fysiotherapie
betrokken. Veel van de projecten zijn multidisciplinair.
De projecten binnen de afdeling O&O zijn ondergebracht in de volgende zes
onderzoeksprogramma’s:
3 Classificaties, definities en coderingen. Programmaleider: dr. Y.F. Heerkens (projecten
     C, D)
4 Meetinstrumenten. Programmaleider: prof.dr. R.A.B. Oostendorp (project E)
5 Indicatiestelling. Programmaleider: prof.dr. R.A.B. Oostendorp (projecten G, H)
6 Richtlijnen / standaarden. Programmaleiders: prof.dr. R.A.B. Oostendorp, dr. H.J.M.
     Hendriks, drs. H.W.A. Wams (projecten J,K,L,M,N,O,Q,R,S)
8 Kwaliteit en doelmatigheid paramedische zorg. Programmaleiders: prof.dr. R.A.B.
     Oostendorp, dr. C.D. van Ravensberg, drs. H.W.A. Wams (projecten
     T,U,V,W,X,Y,Z3,Z4)
Bij de projecten wordt samengewerkt met een scala aan andere organisaties. Dat kan een
onderzoeksinstituut zijn (zoals het Nivel), maar ook wordt vanzelfsprekend samengewerkt
met de paramedische beroepsverenigingen, met kenniscentra, etc.
Op het terrein van de fysiotherapie lopen momenteel 29 projecten. Het onderzoek op het
terrein van de fysiotherapie is één van de zwaartepunten van het NPi.
De titels van de onderzoekprojecten zijn:
C. Ontwikkeling van een codering voor de fysiotherapeutische diagnose - Fase 3
D. Implementatie ICF (aangestuurd vanuit Nederlandse WHO FIC Collaborating Centre)
E. 'Welbevinden'-schaal: evaluatie van haalbaarheid en methodologische
     kwaliteit
G. PACK: Paramedische zorg bij chronisch zieken: multidisciplinair kennissysteem
     voor huisartsen, fase 2
H. Indicatiestelling en behandeling van kinderen bij kinderfysiotherapeuten in de
     eerste lijn.
I. Medical Technology Assessment
J. Ontwikkeling en publicatie richtlijnen fysiotherapie
     Voor 2002 staan gepland:
     ontwikkeling KNGF-ontwerp-richtlijnen RSI en Bekkenpijn
     ontwikkeling KNGF-richtlijn CVA (KNGF/ VU/NPi)
     voortzetting ontwikkeling KNGF-ontwerp-richtlijn Meniscusletsel
     afronding ontwikkeling KNGF-richtlijn Chronisch enkelletsel
     afronding ontwikkeling KNGF-richtlijn Acuut knieletsel
     voortzetting registratietraject reeds ont-wikkelde richtlijn Hartrevalidatie
     afronding registratietraject richtlijn Artrose heup-knie
K. Richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met Claudicatio
     Intermittens
L. Analyse van implementatiestrategieën (kosten/effectiviteit) van de richtlijn voor het
     fysiotherapeutische handelen bij patiënten met aspecifieke lage-rugpijn
M. Bijstellen methode ontwikkeling en implementeren van richtlijnen
N. Richtlijn manuele therapie en lage-rugpijn
O. Ontwikkelen en implementeren van een richtlijn voor de behandeling van patiënten
     met de ziekte van Parkinson
Implementatie Richtlijnen / Standaarden
Q. Implementatie-activiteiten voor KNGF-richtlijnen fysiotherapie:
     richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met stress-urine-
     incontinentie;
     richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met COPD;
                                              40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>    richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met acuut enkelletsel;
    richtlijn voor informatieverstrekking aan de huisarts;
    richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met chronisch enkelletsel;
    richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met artrose heup/knie;
    richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten met lage-rugpijn;
    richtlijn voor fysiotherapie bij patiënten met osteoporose;
    richtlijn voor fysiotherapie bij whiplash;
    richtlijn voor fysiotherapie in de hartrevalidatie;
    richtlijn voor fysiotherapie bij acuut knie-letsel;
    geactualiseerde richtlijn fysiotherapeutische verslaglegging.
    KNGF-ontwerprichtlijnen:
    richtlijn postoperatief lumbosacraal radiculair syndroom;
    richtlijn astma bij kinderen;
    richtlijn postoperatief beleid menisectomie (zomer 2002 afgerond);
    richtlijn RSI (najaar 2002 afgerond);
    richtlijn bekkenpijn (najaar 2002 afgerond).
R.  Implementatie van de richtlijn voor het fysiotherapeutisch handelen bij patiënten
    met COPD
S.  Effectiviteit van implementatiestrategieën van KNGF-richtlijnen
T.  Revalidatie van patiënten met een verbrande hand
U.  Whiplash: een gerandomiseerd onderzoek naar de doeltreffendheid en
    doelmatigheid van het oefenen en sturen van functies en vaardigheden door
    de fysiotherapeut
V.  De fysiotherapeut ontleed
W.  Fysiotherapie bij ouderen (Ouderen met mobiliteitsproblemen) - een inventarisatie in
    Amsterdam)
X.  Activiteiten/ontwikkelingen vanuit het Amsterdams Dienstenmodel
Y.  Functieprofielen fysiotherapie
    Implementatie Kwaliteit en doelmatigheid paramedische zorg:
Z3. Implementatie handreikingen voor de samenwerking van huisarts en fysiotherapeut,
    oefentherapeut Cesar en oefentherapeut-Mensendieck (HOF).
Z4. Gezamenlijke deskundigheidsbevordering voor ergotherapeuten, fysiotherapeuten,
    oefentherapeuten Cesar/-Mensendieck, gericht op arbeidsrelevante factoren die van
    belang zijn bij de reguliere behandeling en begeleiding van werknemers met klachten
    en aandoeningen van het bewegingsapparaat.
                                             41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>Tabel 14          NPi
Titel     Type onderzoek         T h em a                  Aandoening                   Spe ciale         Omvang                 Financiering                            Samenwerking andere organisaties
onderzoek                                                                               doelgroepen
C         beschrijvend           registratie               onafh ankelijk v an de soort geen specifieke   ca. 24 dagen           I K P Z -g e l de n v ia K N G F        62 fysioth erapeu ten we rkzaam in
                                                           aandoening                   doelgroep                                                                        diverse sectoren binnen de
                                                                                                                                                                         gezondheidszorg; werkigroep van 7
                                                                                                                                                                         leden met kennis op het gebied van
                                                                                                                                                                         codering
D         ande rs, introduc tie  registratie               niet aandoeningsgebonden geen specifieke       132 uur o p jaarba sis eerste geldstroom (VWS)                 RIVM , cVtV, N ederlan ds W HO F IC
          termin ologie                                                                 doelgroep                                                                        Collab orating Cen tre
E         evaluat ie             prognostiek               niet aandoeningsgebonden geen specifieke       0.05 fte (2000-2002)   eerste geldstroom (VWS)                 Hogeschool Rotterdam & Omstreken,
                                  registratie              algeheel functioneren        doelgroep                                                                        Hogeschool van Arnhem en Nijmegen
G         zorgonderzoek          methodeontwikkeling       chronische aandoeningen      chronisch zieken  0.15 fte (22 maanden) tweede geldstroom                        W O C Z , N H G , K N G F, NV E , N V O M ,
                                 diagnostiek                                                                                     (ZonMw)                                 V B C, NV R L NV D N vv P, NV M ,
                                                                                                                                                                         NVLF, orde van medisch specialisten
H         beschrijvend           diagnostiek               niet aandoeningsgebonden kinderen              1.0 fte (2001-2002)    d e r d e g e l d st r o om ( C V Z )   Nederlandse Vereninging van
                                 behandeling                                                                                                                             fysiotherapeuten in de Kinder- en
                                                                                                                                                                         J e u gd g e zo n d h e id s zo r g (N V F K )
I         ande rs                richtlijnen               niet aandoeningsgebonden diverse               1999-2002              eerste geldstroom (VWS)                 iMTA, EMGO, UMC St Radboud,
                                                                                        doelgroepen                                                                      K w a l it e it s in s ti t uu t C B O , N P C F
J         beschrijvend,          richtlijnen               houdings- en                 diverse           1.0 fte (2001-2002)    d e r d e g e l d st r o om ( I K P Z ) KNGF
          ont wikk el rich tlijn                           bewegingsapparaat            doelgroepen
K         beschrijvend,          richtlijnen               hart- en vaten               chronisch zieken  0.5 fte (2000-2002)    derde geldstroom (Ned                   Nederlands Hart Stichting
          ont wikk el rich tlijn                                                        claudica tio                             Hart Stichting)
                                                                                        intermittens
L         evaluat ie             richtlijnen               houdings- en                 a-specifieke lage 1.0 fte /1999-2003     e e rs t e g e l ds t ro o m ( M T A -  iMTA, EMGO
                                 implem entatie            bewegingsapparaat            rugp ijn                                 programma VWS)
M         evaluat ie             methodeontwikkeling       niet aandoeningsgebonden geen specifieke       0.2 fte 2002           d e r d e g e l d st r o om ( I K P Z ) KNGF
                                 implementatie;richtlijnen                              doelgroep
N         beschrijvend,          richtlijnen               houdings- en                 patiënten met a-  0.5 fte                derde geldstroom (NVMT) Ned V er voor M anue le The rapie
          ont wikk el rich tlijn                           bewegingsapparaat            specifieke lage   12 mnd
                                                                                        rugp ijn
O         beschrijvend,          richtlijnen               zenuwstelsel                 chronisch zieken  18 maanden             derde geldstroom                        Dienst Fysiotherapie LUMC, afdeling
          ont wikk el rich tlijn implem entatie                                         (Parkinson)       fte nader vastte       (Beatrixf onds)                         Neurologie UMC St. Radboud
                                                                                                          stellen
Q         zorgonderzoek          implem entatie            meerdere aandoeningen        geen specifieke   0.3 fte (2002)         derde geldstroom (KNGF)                 KNGF
                                 richtlijnen               fysiotherapiebreed           doelgroep
R         zorgonderzoek          implem entatie            ademhalingsstelsel /longen chronisch zieken    0,25 fte (24 maanden) derde geldstroom (Ned.                   Nederlands Astma fonds
                                 richtlijnen                                            (COPD)                                   Astma fond s)
                                                                                                 42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>Titel      Type onderzoek  T h em a                 Aandoening               Spe ciale          Omvang                 Financiering                          Samenwerking andere organisaties
onderzoek                                                                    doelgroepen
S          evaluat ie      implem entatie           niet aandoeningsgebonden diverse            0.3 fte (2002)         derde geldstroom                      Accredidact, CBO, Fontys
                           richtlijnen                                       doelgroepen                               ( K N G F / IK P Z )                  H o g e sc h o le n , K N G F
T          evaluat ie      behandeling              ande rs,                 patiënten met      0.75 fte (1997-2002)   derde geldstroom (Ned                 Werkgroep Paramedische Beroepen
                                                    brandwondenpatiënten     brandwonden                               Brandwonden Stichting)                van d e drie b randw onde ncen tra in
                                                                                                                                                             Nederland
U          evaluat ie      behandeling              houdings- en             chronisch zieken   1.5 fte (1999-2003)    d e r d e g e l d st r o om ( C V Z ) Can isius Wilh elmina ziekenh uis
                                                    bewegingsapparaat        whiplash-patiënten                                                              Nijmegen, Willem Alexander
                                                                                                                                                             Ziekenhuis ‘s Hertogenb osch, Rijnstate
                                                                                                                                                             Zieken huis Arn hem , Zieken huis
                                                                                                                                                             Rivierenland Tiel
V          exploratief     ande rs                  niet aandoeningsgebonden geen specifieke    0.4 fte (2 jaar)       derde geldstroom (KNGF)               KNGF
                                                                             doelgroep
W          beschrijvend    diagnostiek              houdings- en             ouderen            0.5 fte (3 jaar)       d e r d e g e l d st r o om ( C V Z ) Zorgverzekeringen Amsterdam en
                           behandeling              bewegingsapparaat                                                                                        Omgeving (ZAO), Regionaal
                                                                                                                                                             Geno otschap Fysioth erapie
                                                                                                                                                             Amsterdam
X          beschrijvend    niet aandoeningsgebonden niet aandoeningsgebonden geen specifieke    in onderlinge          derde geldstroom                      Zorgverzekeringen Amsterdam en
                                                                             doelgroep          afspraak               ( Z A O / R G F- A )                  Omgeving (ZAO), Regionaal
                                                                                                                                                             Geno otschap Fysioth erapie
                                                                                                                                                             Amsterdam
Y          zorgonderzoek   ande rs                  niet aandoeningsgebonden geen specifieke    wisselend per          derde geldstroom (KNGF)               Ned V er voor fysio therap ie bij
                                                                             doelgroep          functieprofiel (7 mnd)                                       Bekkenproblematiek (NVFB), Ned Ver
                                                                                                                                                             voor Fy siotherap ie in de Geriatrie
                                                                                                                                                             ( N V F G ), K N G F
Z3         zorgonderzoek   implem entatie           niet aandoeningsgebonden geen specifieke    0.7 fte (2001-2003)    d e r de g e ld s tr o o m ( W F O -  KNGF, NVOM, VBC, LHV
                                                                             doelgroep                                 g e ld e n K N G F, NV O M ,
                                                                                                                       VBC
Z4         zorgonderzoek   methodeontwikkeling      houdings- en             werkenden          0.7 fte (sept 2001-aug derde geldstroom                      Hogescholen voor fysiotherapie,
                                                    bewegingsapparaat                           2003)                                                        Onderzoeksinstituten, KINGF, NVE,
                                                                                                                                                             NVOM, VBC
Overzicht afkortingen
Paramedische beroepsverenigingen
Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)                              Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD)
Nederlandse Vereniging voor Ergotherapie (NVE)                                           Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF)
Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten (NVM)                                         Nederlandse Vereniging van Oefentherapeuten-Mensendieck (NVOM)
Nederlandse Vereniging van Orthoptisten (NvvO)                                           Nederlandse Vereniging van Podotherapeuten (NVvP)
Nederlandse Vereniging van Radiologisch Laboranten (NVRL)                                Optometristen Vereniging Nederland (OVN)
Vereniging Beweg ingsleer Cesa r (VBC).
                                                                                     43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 8
LACUNEBAK NHG
              1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>Tabel 1:                         Lacunebak NHG
 Onde rwerp                                                                   Toelichting                                                                 Bron
 Wat is het effect van fysiotherapie (applicaties) op                         Er is geen valide onderzoek. Bij persiterende klachten                      Schouderklachten
 het beloop en de recidiefkans van schouderklachten                           is oefent herap ie zinvol g ebleke n. Gezie n het g unstig
 in de acute fase?                                                            beloop zonder fysiotherapie kiest de werkgroep
                                                                              ervoor niet te verwijzen in de eerste 6 weken.
 Wat is het effect van fysiotherapie, oefentherapie,                          Hierover is maar beperkt gepubliceerd.                                      Migraine
 ontspanningstechnieken, acupunctuur en psycho-
 therapie op migraine? (voorkomen/frequentie van
 aan valle n e.d .)
 Wat is de bijdrage van fysiotherapie (oefentherapie,                         G o e d o pg e z et t e s t ud i e s w o r d en n i et g e vo n d e n . D e Traumatische
 spierversterking en coördinatietraining) aan het                             standaard meent dat verwijzing naar een                                     knieproblemen
 herstel en het uitblijven van recidieven bij eerstelijns                     fysiotherapeut kan worden overwogen bij patiënten
 popu laties me t (verden king op ) intra-artic ulaire                        met activiteiten waarbij hoge eisen aan het
 letsel van de knie. En voor welke p atiënt?                                  functioneren van de knie worden gesteld.
 Wat is het effect van fysiotherapeutische interventies Voor v erschillen de fysiot herap eutische interven ties is                                       COPD:
 bij COPD?                                                                    onvoldoende goed onderzoek gevonden. Geïsoleerde                            behandeling
                                                                              toepassing wordt niet aanbevolen.
 Wat is de wa arde va n tape s, band ages, bra ces,                           De waarde ervan is niet aangetoond . Relevante                              Epicon dilitis
 rekoefeningen, ijsapplicaties en/of andere vormen                            literatuur over tapes en bandages e.d. werd niet
 van fysio therap ie bij epico ndilitis?                                      aangetroffen. Van fysiotherapeutische therapieën
                                                                              werden tegenstrijdige bevindingen gevonden.
 Kan toepa ssing van tapes, ba ndag es, braces,                               De waarde ervan bij de preventie van recidieven                             Epicon dilitis
 rekoefeningen, ijsapplicaties en/of andere vormen                            epicondilitis is niet aangetoond. Relevante literatuur
 van fysio therap ie recidiev en van epicon dilitis                           over tapes en bandages e.d. werd niet aangetroffen.
 voorkomen of uitstellen?                                                     Van fysiotherapeutische therapieën werden
                                                                              tegenstrijdige bevindingen gevonden.
 Wat is de omvang van het aantal verwijzingen van                             Er zijn geen betrouwbare gegevens bekend.                                   Reumatoïde
 RA-patiënten naar fysiotherapie en de resultaten                                                                                                         arthritis
 ervan?
 Wat is de effectiviteit van fysio- of oefentherapie,                         Effecten van deze behandelingen zijn niet voldoende                         Lumbosacraal
 manuele therapie, tractie en epidurale steroïd-                              aangetoond. Veel studies kennen methodologische                             radiculair syndroom
 i n je c ti e s b i j l u m b os a cr a al ra d i cu l ai r s y n dr o o m ? bezwaren. Enkele studies laten geen verschil ten
                                                                              opzich te van p lacebo zien, and ere wel.
 Is klinische o f amb ulante longre validatie                                 Bij deze patiënten lijkt een combinatie van                                 Astma bij
 (gecombineerde zorg: medisch, verpleegkundig,                                interven ties zinvol.                                                       volwassenen,
 fysiotherapeutisch e.d.) zinvol bij volwassen                                                                                                            behandeling
 patiënten met astma die ernstige beperkingen
 blijven houden ondanks de gebruikelijke zorg.
                                                                                          3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>        De Raad voor Gezondheidsonderzoek       Postadres:
(RGO) heeft tot taak de ministers van Volks-    Raad voor
gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On-     Gezondheidsonderzoek
derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW),      Postbus 16052
en van Economische Zaken (EZ) te adviseren      2500 BB Den Haag
over prioriteiten in het gezondheidsonder-
zoek, in het zorgonderzoek en de technologie-   Bezoekadres:
ontwikkeling in deze sector, evenals over de    Parnassusplein 5
daarbij behorende infrastructuur. Het maat-     2511 VX Den Haag
schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO
steeds het uitgangspunt.                        telefoon
        In dit advies geeft de RGO een over-    (070) 340 75 21
zicht van het huidige en gewenste wetenschap-   fax
pelijke onderzoek op het gebied van de fysio-   (070) 340 75 24
therapie en de onderzoeksinfrastructuur. De     e-mail
Raad staat stil bij de knelpunten in de kennis- bureau@rgo.nl
verwerving, kennisverspreiding en kennistoe-    website
passing en doet op basis hiervan een aantal     www.rgo.nl
aanbevelingen ter verbetering van de situatie.
        De publicaties van de RGO zijn via de
website van de RGO te raadplegen.
RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK                  Publicatie 42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>