<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>De Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) heeft tot taak de ministers van Volks- gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On- derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW), en van Economische Zaken (EZ) te adviseren over prioriteiten in het gezondheidsonder- zoek, in het zorgonderzoek en de technologie- ontwikkeling in deze sector, evenals over de daarbij behorende infrastructuur. Het maat- schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO steeds het uitgangspunt. Dit advies behandelt de kennisinfra- structuur en de wijze van kennisoverdracht in de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. De Raad doet een aantal aanbevelingen ter versterking en stimulering hiervan. Een vervolgadvies over verzekeringsgeneeskunde is voorzien. De publicaties van de RGO zijn via de website van de RGO te raadplegen. R A A D V O O R G E Z O N D H E I D S O N D E R Z O E K Publicatie 41 Postadres: Raad voor Gezondheidsonderzoek Postbus 16052 2500 BB Den Haag Bezoekadres: Parnassusplein 5 2511 VX Den Haag telefoon (070) 340 75 21 fax (070) 340 75 24 e-mail bureau@rgo.nl website www.rgo.nl R A A D V O O R G E Z O N D H E I D S O N D E R Z O E K Advies Onderzoek Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies
Onderzoek Arbeids- en
Bedrijfsgeneeskunde
Publicatie 41
Den Haag, mei 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK

Aan de minister van Volksgezondheid, Aan de minister van Onderwijs, Cultuur en
Welzijn en Sport Wetenschappen

Mr. A.J. de Geus Mw. M.J.A. van der Hoeven

Postbus 20350 Postbus 25000

2500 EJ Den Haag 2700 LZ Zoetermeer

Aan de minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid

Mr. A.J. de Geus

Postbus 90801

2509 LV Den Haag

Ons kenmerk: HR/Ib 03.50
Bijlage(n): 1
Datum: 27 mei 2003

Geachte heer De Geus, geachte mevrouw Van der Hoeven,

In april 2000 ontving de RGO van de ministers van VWS en OCenW het verzoek te adviseren over onderzoek
en kennisinfrastructuur op het terrein van public health. Een van de thema's die de RGO naar aanleiding
hiervan ter hand heeft genomen betreft Arbeid en Gezondheid, een onderwerp dat voor een groot deel van de
bevolking van veel betekenis is en dat met enige regelmaat in het brandpunt van de belangstelling staat.

De Raad heeft, mede in overleg met ambtelijke vertegenwoordigers van uw departement, besloten het thema in
twee afzonderlijke delen te behandelen. Het voorliggende eerste deel behandelt de arbeids- en bedrijfs-
geneeskunde. In vervolg hierop zal op korte termijn een advies over onderzoek en kennisinfrastructuur op het
gebied van de verzekeringsgeneeskunde verschijnen.

Er bestaat een nauwe samenhang tussen beide disciplines, zowel ten aanzien van de vereiste deskundigheden als
ten aanzien van het takenpakket. In het volgende advies zal hierop nader worden ingegaan.

De Raad is tot de conclusie gekomen dat het onderzoek en de onderzoeksinfrastructuur op het terrein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde aanzienlijke versterking behoeven, evenals de structuur van de kennis-
overdracht. Ook in de medische opleiding moet dit gebied meer aandacht krijgen. Een nadere uitwerking en
onderbouwing van de onderzoeksprioriteiten, alsmede van de wijze waarop hieraan gestalte is te geven, treft u
in het advies aan. De Raad is van mening dat het grote maatschappelijk belang van een adequaat functionerende
bedrijfsgeneeskundige zorg een extra financiële impuls voor een gericht stimuleringsprogramma rechtvaardigt.
Overheid en maatschappelijke organisaties dienen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid hieraan een bijdrage
te leveren.

‚Met vriendelijke groet,

a 8. (pr 00 > —
prof.dr. H.G.M. Rooijmans

voorzitter RGO algemeen secretaris RGO
Postadres Bezoekadres
Postbus 16052 Parnassusplein 5

2500 BB Den Haag 2511 VX Den Haag
e-mail bureau@rgo.nl Telefoon 070 - 340 75 21
website www.rgo.nl Fax 070 - 340 75 24

4; >
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>INHOUD
Samenvatting                                                      1
Summary                                                           5
1    Inleiding                                                    9
     1.1    Adviesvraag                                           9
     1.2    Opzet van het advies                                 10
2    Domein arbeids- en bedrijfsgeneeskunde                      11
     2.1    Domeinbeschrijving                                   11
     2.2    De taken van de bedrijfsarts nader omschreven        12
     2.2.1 Arbeidsomstandighedenbeleid                           12
     2.2.2 Reïntegratiebeleid                                    14
     2.2.3 Curatieve taken van de bedrijfsarts                   17
     2.2.4 Andere ondersteunende taken van de bedrijfsarts       17
     2.3    Arbodiensten                                         17
     2.4    Raakvlakken met andere disciplines                   19
     2.4.1 Raakvlakken met arbo-disciplines                      19
     2.4.2 Raakvlakken met medische disciplines                  20
3    Aanbod en behoefte aan onderzoek                            23
     3.1    Werkwijze                                            23
     3.2    Inventarisatie van het lopende onderzoek             23
     3.2.1 Capaciteit van de onderzoeksinstellingen              23
     3.2.2 Thematische samenvatting van het aanbod aan onderzoek 27
     3.3    Inventarisatie van de behoefte aan onderzoek         31
4    Prioritering van onderzoek                                  37
     4.1    Werkwijze en matching van aanbod en behoefte         37
     4.2    Onderzoeksprioriteiten samengevat                    41
5    Onderzoeksinfrastructuur en wijze van kennisoverdracht      43
     5.1    Inleiding                                            43
     5.2    Huidige onderzoeksinfrastructuur                     43
     5.3    Huidige activiteiten van kennisoverdracht            44
     5.4    Knelpunten in de onderzoeksinfrastructuur            47
     5.4.1 Universitaire inbedding                               47
     5.4.2 Academische werkplaatsen                              48
     5.4.3 Afstemming van onderzoek                              48
     5.4.4 Financiering van onderzoek                            49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>       5.5    Knelpunten in de wijze van kennisoverdracht              49
       5.6    Internationaal                                           50
6      Conclusies en aanbevelingen                                     53
       6.1    Conclusies                                               53
       6.2    Aanbevelingen                                            54
       6.2.1 Stimuleringsprogramma en onderzoeksinfrastructuur         55
       6.2.2 Kennisoverdracht                                          58
Lijst met afkortingen                                                  61
Referenties                                                            63
Bijlage 1     Adviesaanvraag
Bijlage 2     Samenstelling commissie
Bijlage 3     Geraadpleegde deskundigen
Bijlage 4     Enquêteformulier voor inventarisatie aanbod en behoefte
              aan onderzoek
Bijlage 5     Organisaties betrokken bij kennisoverdracht: adressen en
              websites
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>SAM E N V ATTIN G
De ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen (OCenW) hebben de Raad voor Gezondheids-
onderzoek (RGO) gevraagd de kennislacunes op het gebied van Public Health
nader in kaart te brengen. Naar aanleiding van deze adviesaanvraag heeft de
RGO geconstateerd dat aandacht nodig was voor het thema Arbeid en gezond-
heid. De Raad heeft er, mede in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW), voor gekozen dit terrein te behandelen in twee deel-
adviezen, waarvan het voorliggende eerste deel gewijd is aan onderzoek op het
gebied van arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. In vervolg hierop zal een advies
uitgebracht worden dat aandacht schenkt aan verzekeringsgeneeskunde.
In dit advies is de Raad uitgegaan van het handelen van de bedrijfsarts binnen het
vakgebied van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. In het beroepsprofiel van de
bedrijfsarts kan men vier groepen van taken onderscheiden: werkzaamheden bij
de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid, uitvoering van het
reïntegratiebeleid, curatieve taken en andere, ondersteunende taken. Verreweg de
meeste bedrijfsartsen vervullen hun taken vanuit een arbodienst. Zij voeren deze
taken uit in teamverband met andere arbo-disciplines, waaronder arbeids- en
organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen. Het advies
beschrijft kort de raakvlakken met andere arbo-disciplines en medische
disciplines, maar blijft verder beperkt tot het onderzoek en de onder-
zoeksinfrastructuur op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
LOPEND ONDERZOEK EN BEHOEFTE AAN KENNIS
De Raad heeft aan de hand van semi-gestructureerde interviews het lopend
onderzoek en de behoefte aan kennis op dit gebied in Nederland
geïnventariseerd. De omvang van het bestaande onderzoek wordt geschat op in
totaal ruim 160 fte wetenschappelijk personeel, verdeeld over twaalf universitaire
en buitenuniversitaire instellingen. Bij veel onderzoeksinstellingen is de omvang
van het onderzoek (te) klein, met uitzondering van TNO Arbeid (67 fte). De Raad
concludeert dat het onderzoekspotentieel in Nederland relatief beperkt is, zeker in
relatie tot de gesignaleerde onderzoeksbehoeften ter versterking van de kwaliteit
van de bedrijfsgeneeskundige zorg en de omvang van de maatschappelijke
problematiek waarvoor deze zorg zich gesteld ziet.
In het onderzoek heeft de Raad vier thema’s onderscheiden: arbeid en gezond-
heid; arbeidsverzuim en reïntegratie; interventie-ontwikkeling en -evaluatie;
kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening. Per
thema is het lopend onderzoek in beeld gebracht. De nadruk blijkt overwegend te
liggen op algemeen onderbouwend onderzoek op het terrein van arbeid,
                                                                           1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>gezondheid en ziekteverzuim. Dit onderzoek is zeker van belang voor het
functioneren van de bedrijfsarts, maar slechts voor een beperkt deel direct van
toepassing op bevordering van de kwaliteit van het bedrijfsgeneeskundig
handelen.
Ook de behoefte aan onderzoek is in beeld gebracht en gerangschikt volgens de
genoemde vier thema’s. Op alle vier de thema’s bestaan onderzoeksvragen met
een wisselende mate van urgentie. Deze behoefte aan onderzoek is afgezet tegen
het gesignaleerde aanbod. Vervolgens heeft de Raad prioriteiten voor onderzoek
vastgesteld. De hoogste prioriteit is gegeven aan thema’s waar een urgente
behoefte aan onderzoek is, maar waarbij geen of onvoldoende aanbod van
onderzoek is. Dit zijn de thema’s ‘Interventieontwikkeling en -evaluatie’ en
‘Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening’. Het
eerste thema omvat wetenschappelijk onderzoek ter onderbouwing van bestaande
interventies en instrumenten (onderzoek naar kosteneffectiviteit en toepas-
baarheid) en de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en interventies. Het
tweede thema betreft onderzoeksvragen naar de rol en positie van de bedrijfsarts
bij het uitvoeren en de organisatie van het arbo- en verzuimbeleid en onderzoek
naar de kosten-effectiviteit van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening als
geheel.
ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR EN KENNISOVERDRACHT
Naast de omvang en inhoud van het onderzoek heeft de Raad ook de huidige
onderzoeksinfrastructuur en de wijze van kennisoverdracht globaal in beeld
gebracht. Daarbij is beperkt aandacht besteed aan de organisatie van het
onderzoek in het buitenland.
In het basiscurriculum van de meeste medische opleidingen blijkt weinig tot geen
aandacht voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde te zijn. Er zijn op dit moment in
Nederland slechts twee leerstoelen op dit terrein. In academische werkplaatsen
voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde wordt nauwelijks geïnvesteerd. Daar komt
bij dat voor bedrijfsartsen bij arbodiensten weinig mogelijkheden bestaan tot
deelname aan wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met universiteiten en
extra-universitaire instellingen.
Onderzoek op het gebied van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde wordt veelal
gefinancierd uit de tweede geldstroom, waarvan een groot deel afkomstig is uit het
Thema Arbeid en Gezondheid van ZonMw. Overigens ontbreekt een landelijke
afstemming en programmering voor onderzoek op dit terrein. De Raad
concludeert dat door de sterke afhankelijkheid van subsidies uit de tweede
geldstroom een stabiele onderzoeksstructuur op veel plaatsen ontbreekt.
De opleiding tot bedrijfsarts is een belangrijke weg waarlangs (wetenschappelijk
ontwikkelde) kennis bij de praktijk terecht komt. De opleiding is gecentraliseerd
        2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>in twee plaatsen: de NSPOH (die ook na- en bijscholing verzorgt) en het Centrum
voor Arbeid en Gezondheid van de KUN. Binnen de huidige opleiding tot
bedrijfsarts ontbreekt het aan uitgebreide en meer flexibele faciliteiten voor
scholing in wetenschappelijk onderzoek. Deze opleiding wordt momenteel
vernieuwd. De Raad beschouwt dit als een gunstige ontwikkeling en beveelt aan
een sterkere relatie tot stand te brengen tussen de opleiding en
onderzoeksinstellingen.
Er zijn verschillende activiteiten ontplooid om de overdracht van kennis uit
onderzoek naar de praktijk te bevorderen. Het advies geeft een overzicht van
negen van deze activiteiten, variërend van het Nederlandse Focal Point voor
Veiligheid en Gezondheid op het Werk en de Nederlandse kenniscentra voor
arbeidsrelevante aandoeningen tot de Arbobalans van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Er wordt door de Raad getwijfeld aan de
doelmatigheid van de huidige structuur van deze activiteiten. De structuur is
ondoorzichtig voor zowel de onderzoekswereld als het praktijkveld. De contacten
tussen de onderzoekswereld en het praktijkveld zijn beperkt. De samenwerking
tussen onderzoeksinstellingen en instellingen die de verspreiding van
onderzoeksresultaten als missie hebben kan aanmerkelijk worden verbeterd.
De Raad concludeert dat er behoefte is aan een vorm van centrale regie, zodat het
veld optimaal toegang heeft tot de meest recente en relevante wetenschappelijke
kennis. Versterking van de inbedding van de vier landelijke kenniscentra in het
netwerk van het bedrijfsgeneeskundig onderzoek en in de praktijk is nodig
teneinde hun zichtbaarheid te vergroten en inhoud te kunnen geven aan hun
beoogde landelijke positionering.
Om het onderzoek en de onderzoeksinfrastructuur op het terrein van de arbeids-
en bedrijfsgeneeskunde te versterken, stelt de RGO voor een stimulerings-
programma op te zetten. In dit stimuleringsprogramma zouden de twee
geprioriteerde thema’s uitgewerkt moeten worden. Het voorstel van de Raad
behelst een twee-sporenbenadering: ten eerste een versterking van de infra-
structuur in de vorm van onderzoekscentra, ten tweede een onderzoekspro-
gramma met een bottom up procedure voor subsidieaanvragen.
De ontwikkeling van twee à drie onderzoekscentra zou kunnen plaatsvinden door
hechte bundelingen van universitair en extra-universitair onderzoek. Aldus valt
verbetering te brengen in het versnipperde karakter van de huidige onderzoeks-
infrastructuur. Bestaande onderzoeksinstellingen zouden hiervoor zelf plannen
moeten opstellen. In het advies formuleert de Raad een aantal voorwaarden voor
de goedkeuring van dergelijke plannen. In deze plannen moet afstemming en
samenwerking met instellingen die zorg dragen voor de kennisoverdracht, zijn
gewaarborgd.
                                                                         3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De Raad heeft een schatting gemaakt van de bedragen die nodig zijn voor de
ontwikkeling van de onderzoekscentra en het onderzoeksprogramma. De helft
van de kosten voor de onderzoekscentra dienen ten laste te komen van de
organisaties die in de centra participeren. Naar verwachting zullen partijen uit het
veld bereid zijn bij te dragen aan het onderzoeksprogramma, in de vorm van geld
maar bijvoorbeeld ook door het vrijmaken van bedrijfsartsen voor het uitvoeren
van onderzoek. Naar het oordeel van de Raad zou voor het onderzoeks-
programma een verdeling in de financieringsbijdragen van 2/3 overheid (VWS &
SZW)en 1/3 praktijkveld haalbaar moeten zijn.
De Raad heeft voor het stimuleringsprogramma een looptijd van 6 tot 8 jaar in
gedachten. Uitgaande van een looptijd van 8 jaar en de instelling van 2
onderzoekscentra zal een bijdrage van de overheid van in totaal circa i 13
miljoen noodzakelijk zijn. Hier bovenop komen nog de bijdragen van de
participanten in de onderzoekscentra. Een deel van het totaalbudget (in de orde
van grootte van 10%) dient gereserveerd te worden voor de eerder genoemde
maatregelen om de kennisoverdracht en -implementatie te bevorderen.
Nadere uitwerking, sturing, coördinatie en kwaliteitsbewaking voor beide sporen
van het stimuleringsprogramma zouden ondergebracht kunnen worden bij
ZonMw. Ten slotte verdient het aanbeveling een financieringsoverleg in te stellen,
waarin naast de overheid ook vertegenwoordigers van overige financierende
instanties zitting hebben. Een belangrijke functie van dit financieringsoverleg is de
beoordeling en vaststelling van de langere-termijnstrategie voor het stimulerings-
programma.
       4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>SU M M AR Y
In April 2000, the Dutch Ministers of Health, Welfare and Sport (VWS) and
Education, Culture and Science (OCenW) asked the Advisory Council for Health
Research (RGO), among other things, to draw up an inventory of the gaps in
knowledge in the area of Public Health. In response to this request for advice, the
RGO determined that there was a need for attention to the theme of Work &
Health. The Council decided, after consultation of the Ministry of Social Affairs
and Employment (SZW), to make this field the subject of two partial reports, the
first of which is submitted herewith and deals with research in the field of
occupational medicine. The following advice to be issued will deal with insurance
medicine.
In the present advice, the Council describes the work of the medical officer within
the field of occupational medicine. In the professional profile of the medical
officer, one can distinguish four groups of tasks: actions connected with the
implementation of the policy on working conditions, implementation of the policy
on reintegration, curative tasks and other supportive tasks. Most medical officers
carry out these tasks as part of a team with other occupational health and safety
disciplines, including experts in labour and organisation, work hygienists, and
safety experts within a so called 'Arbodienst'. This report gives a brief description
of the interfaces with other occupational health and safety disciplines and medical
disciplines, but limits itself further to the research and research infrastructure in
the field of occupational medicine.
CURRENT RESEARCH AND THE NEED FOR KNOWLEDGE
On the basis of semi-structured interviews, the Council has drawn up an inventory
of the current research and the need for knowledge. The amount of manpower
devoted to existing research is estimated at a total of more than 160 fte of
scientific personnel, spread over twelve academic and non-academic institutions.
In many research institutes, with the exception of 'TNO Arbeid' (Dutch
organisation for applied scientific research on labour, 67 fte), the amount of
research carried out is (too) small. The Council concludes that the potential for
research in the Netherlands is relatively limited, certainly when compared to the
research required to improve the quality of medical care and the magnitude of the
social problems that this care is facing.
In the current research, the Council was able to distinguish four topics: work and
health; work absenteeism and reintegration; the development and evaluation of
interventions; and the quality and efficiency of occupational health services. A
picture has been drawn of the current research in each of these areas. It turns out
that the emphasis is placed mainly on general supportive research in the area of
                                                                             5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>work, health and sickness absenteeism. Such research is certainly important for
the way in which the medical officer functions, but is directly applicable to
improving the quality of occupational health care only to a limited extent.
An inventory has also been made of the research needs, classified in accordance
with the four topics listed above. In all four areas, there are research needs with a
varying degree of urgency. These research needs were then compared with the
research that has been identified as ongoing. Subsequently, the Council set its own
priorities for research. The highest priority was assigned to subjects in which there
is an urgent need for research but in which no or insufficient research is being
done. These are the topics 'Development and evaluation of interventions' and
'Quality and efficiency of medical services'. The first topic comprises scientific
research in support of existing interventions and instruments and the development
of new instruments and interventions. The second topic concerns demands for
research into the role and position of the medical officer in the implementation
and organisation of the policy on occupational health and safety and absenteeism,
and research into the cost-effectiveness of the medical services as a whole.
RESEARCH INFRASTRUCTURE AND THE TRANSFER OF KNOWLEDGE
In addition to studying the extent and content of current research, the Council has
drawn a general picture of the present research infrastructure and the way in
which knowledge is transferred. In the basic curriculum of most medical training
programmes, little or no attention is given to occupational medicine. At present in
the Netherlands, there are only two full professorships in this area. There is hardly
any investment in academic positions for trainees in occupational medicine. In
addition, the medical officers working in the so called 'Arbodiensten' are given
little opportunity to participate in scientific research together with academic and
non-academic institutions.
Research in the field of occupational medicine is frequently financed via indirect
government funding, a large part of which is derived from the 'Work and Health
Theme' of the Netherlands Organisation for Health Research and Development
(ZonMw). Actually, a national co-ordination and programming of research in this
field is lacking. The Council concludes that a stable research infrastructure is
lacking in many places as a result of the strong dependence on subsidies from the
indirect government funding.
The training of medical officers is an important way in which (scientifically
developed) knowledge is brought into practice. This training is centralised in two
places: the Netherlands School of Public & Occupational Health (NSPOH), which
also offers post-graduate and refresher courses, and the Centre for Work and
Health of the Catholic University of Nijmegen. Within the present training
programme for medical officers there is a lack of more extensive and more
        6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>flexible facilities for training in scientific research. This training programme is
presently being revised. The Council looks upon this as a favourable development
and recommends that a stronger relationship be created between the training
programme and research institutions.
Various activities have been developed in order to promote the transfer of
knowledge from research into practice. This report provides a more detailed
description of nine of these activities, varying from the Netherlands Focal Point
for Safety and Health at Work and the Dutch knowledge centres for work-related
diseases to the 'Arbobalans' (Occupational health and safety balance) of the Dutch
Ministry of Social Affairs and Employment. The Council has doubts as to the
efficiency of the present structure of these activities. The structure is opaque for
both the research community and those working in the field. There are only
limited contacts between the research community and those working in the field.
The collaboration between research institutions and institutions whose mission is
to disseminate the results of research could be improved considerably.
The Council concludes that there is a need for a type of central direction, so that
those in the field will have optimal access to the most recent and relevant
scientific knowledge. The embedding of the four national knowledge centres in
the network of occupational medical research and in practice must be
strengthened in order to increase their visibility and to impart value to their
intended attainment of a national position.
In order to strengthen the research and the research infrastructure in the area of
occupational medicine, the RGO proposes to set up a stimulation programme.
The two topics to which priority has been given should be worked out further in
this stimulation programme. The Council's proposal comprises an approach along
two simultaneous tracks: firstly, strengthening the infrastructure in the form of
research centres, and secondly a research programme with a bottom-up procedure
for requesting subsidies.
The development of two or three research centres could be accomplished via a
firm combination of university and non-university research groups. This would
improve the fragmented character of the present research infrastructure. The
existing research institutes should draw up plans for this themselves. In its
recommendation, the Council also states a number of prerequisites for the
approval of such plans. In these plans, co-ordination and collaboration with
institutions that are responsible for the transfer of knowledge must be guaranteed.
The Council has estimated the amounts that would be needed for the
development of the research centres and the research programme. Half of the
costs of the research centres will have to be borne by the organisations that
                                                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>participate in the centres. It is expected that parties active in the field will be
prepared to contribute to the research programme, in the form of money but also,
for example, by giving medical officers opportunities to carry out research. In the
opinion of the Council, it should be feasible to obtain two-thirds of the financing
of the research programme from the government (VWS and SZW, i.e. Ministries
of Health, Welfare and Sport and Social Affairs and Employment) and one-third
from parties active in the field.
The Council proposes a period of 6-8 years for the stimulation programme.
Assuming a period of 8 years and the organisation of two new research centres, a
total contribution from the government of approximately i 13 million will be
necessary. This will have to be supplemented by contributions from the
participants in the research centres. Part of the total budget (on the order of 10%)
will have to be reserved for the measures described above for promoting the
transfer and implementation of knowledge.
The further elaboration, direction, co-ordination and quality control of both
aspects of the stimulation programme could well be left to 'ZonMw'. Finally, it
would be advisable to set up a financial consultative body with representatives
from both the government and the other financing institutions. An important task
for this financial consultative body will be to evaluate and establish the long-term
strategy for the stimulation programme.
        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>1         INLEIDING
1.1       ADVIESVRAAG
Op 28 april 2000 hebben de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
(VWS) en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) in een brief aan
de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) gevraagd om vanuit het perspectief
van het volksgezondheids- en gezondheidszorgbeleid de kennislacunes op het
gebied van Public Health en Genomics nader in kaart te brengen en
aanbevelingen te doen over de wijze waarop het onderzoek naar deze thema’s het
beste gestalte kan krijgen binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur.
Ter voorbereiding van de advieswerkzaamheden heeft een interne werkgroep van
de RGO een aantal thema’s op het terrein van Public Health gedefinieerd,
waaraan in het licht van deze adviesaanvraag met prioriteit aandacht zou moeten
worden geschonken. Een van deze thema’s betreft het onderzoek naar Arbeid en
Gezondheid. De werkgroep constateerde namelijk dat er een grote discrepantie
bestaat tussen enerzijds de omvang van de maatschappelijke problematiek (met
name het ziekteverzuim en de instroom krachtens de Wet op de Arbeids-
ongeschiktheid (WAO)) en de hieraan te relateren onderzoeksbehoefte en
anderzijds de omvang en kwaliteit van het huidige wetenschappelijk onderzoek.
In veel maatschappelijke sectoren is sprake van een hoog - en in sommige
gevallen nog verder toenemend - ziekteverzuim. Bij de overheid bijvoorbeeld is
het ziekteverzuim gestegen van 6,4% in 1998 naar 7,8% in 2001. Cijfers over
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen geven een beeld van het aantal werknemers
dat inmiddels langer dan één jaar wegens ziekte niet meer werkt. Als percentage
van de totale beroepsbevolking daalt het aantal uitkeringen krachtens de WAO al
jaren, maar de absolute omvang van de WAO-intrede stijgt sinds 1998. In 2001
ontvingen meer dan 790.000 personen een WAO-uitkering.
Ook de maatschappelijke kosten die het ziekteverzuim en de WAO veroorzaken
zijn hoog: de kosten van het ziekteverzuim bedragen jaarlijks ca. i 12,5 miljard,
die van de WAO ca. i 18,3 miljard.
Vanwege de omvang van de maatschappelijke problematiek vindt de RGO dat
een nadere beschouwing van het onderzoek dat kan bijdragen aan de aanpak van
dit probleem, het onderzoek op het terrein van arbeid en gezondheid, dringend
nodig is. Deze stellingname wordt onderschreven door de Nederlandse
Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB), die bij herhaling heeft
gepleit voor een verdere wetenschappelijke uitbouw van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde.
In vervolg op de prioritering door zijn interne werkgroep heeft de Raad in overleg
met het ministerie van VWS, en later ook na overleg met het ministerie van SZW,
                                                                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>besloten met voorrang advies uit te brengen over de bestaande kennisbehoeften
en -lacunes op het terrein van arbeid en gezondheid.
Om praktische redenen heeft de RGO besloten niet het hele terrein van arbeid en
gezondheid integraal in beschouwing te nemen, maar zijn aanbevelingen voorals-
nog in twee deeladviezen uit te brengen. Vanzelfsprekend zal hierbij de nodige
aandacht aan de samenhang worden geschonken.
In dit eerste advies is de aandacht van de Raad gericht op de arbeids- en bedrijfs-
geneeskunde, in het bijzonder op de programmering van noodzakelijk c.q.
gewenst onderzoek, alsmede op de hiervoor gewenste infrastructuur voor onder-
zoek en kennisoverdracht (zie bijlage 1 voor de adviesaanvraag). Naar ver-
wachting zal de RGO medio 2003 een analoog advies uitbrengen over de
verzekeringsgeneeskunde.
Ter voorbereiding van het advies heeft de Raad een commissie ingesteld onder
voorzitterschap van het raadslid dr. W.R.F. Notten, waarin deskundigen zitting
hadden uit zowel het onderzoeksveld als de praktijk van arbeids- en bedrijfs-
geneeskunde (zie bijlage 2 voor de samenstelling van de commissie).
1.2        OPZET VAN HET ADVIES
In hoofdstuk 2 van dit advies wordt een afbakening van het domein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde gegeven. Hoofdstuk 3 bevat een omschrijving
van de wijze waarop de gegevens voor het advies zijn verzameld en verwerkt.
Tevens wordt een overzicht gegeven van het aanbod en de behoefte aan onder-
zoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde in Nederland. Op
basis van de gegevens uit hoofdstuk 3 worden in hoofdstuk 4 de prioriteiten van
onderzoek geformuleerd, waarna in hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de huidige
onderzoeksinfrastructuur en kennistransfer-structuur. Tot slot volgen in hoofdstuk
6 de conclusies en aanbevelingen.
        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>2          DO M E I N      ARBEIDS- EN BEDRIJFSGENEESKUNDE
Dit advies heeft de bedoeling bij te dragen aan de bevordering van de kwaliteit
van het handelen van de bedrijfsarts, actief op het vakgebied van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde. Dit handelen is beschreven in het professioneel statuut van
de bedrijfsarts1, een door de eigen beroepsgroep opgesteld, zelfstandig document,
gericht op de specifieke beroepsuitoefening van de bedrijfsarts en aanvaard door
de Branche Organisatie Arbodiensten (BOA). Deze BOA is de landelijke orga-
nisatie die de belangen van arbodiensten behartigt. De meeste bedrijfsartsen zijn
in dienst bij een arbodienst. In het professioneel statuut staat beschreven dat de
bedrijfsarts zijn functie uit dient te oefenen conform het Beroepsprofiel van de
bedrijfsarts en de Beroepscode voor bedrijfsartsen.
In het Beroepsprofiel voor bedrijfsartsen worden de taken van de bedrijfsarts
beschreven.
De Beroepscode voor bedrijfsartsen is een formele vastlegging van de profes-
sionele normen en waarden waaraan bedrijfsartsen zich dienen te houden. Dit
hoofdstuk beschrijft het domein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde aan de
hand van het professioneel statuut.
2.1        DOMEINBESCHRIJVING
De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde stelt zich ten doel de gezondheid van
werknemers te beschermen en te bevorderen, in de relatie tot hun arbeid. Deze
zorg omvat aspecten van begeleiding, hulpverlening, onderzoek, ondersteuning en
behandeling. De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde richt zich op individuele
werknemers of groepen werknemers, werkzaam binnen bedrijven of andere
arbeidsorganisaties.
De bedrijfsarts is de medisch specialist voor gezond werken. In het beroepsprofiel
van de bedrijfsarts worden vier groepen taken onderscheiden:
1. de bedrijfsarts houdt zich bezig met belastende gezondheidsbedreigende
    factoren in de arbeid en de arbeidsomstandigheden van de werknemer, en de
    effecten hiervan op de gezondheid. Dit worden ook wel taken bij de
    uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid genoemd.
2. Voorts richt de bedrijfsarts zich op de consequenties die stoornissen in de
    gezondheid of (chronische) ziekten kunnen hebben voor de geschiktheid om
    bepaalde arbeid te verrichten. Dit worden ook wel taken bij de uitvoering van
    het reïntegratiebeleid genoemd.
3. Er zijn een drietal curatieve taken voor de bedrijfsarts onderscheiden, die deels
    overlappen met taken die vallen onder 1 en 2.
                                                                          11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>4. Tot slot heeft de bedrijfsarts nog een aantal ondersteunende taken zoals
     onderzoek, onderwijs, ontwikkeling en kwaliteitsbevordering.
In het professioneel statuut worden drie uitgangspunten gedefinieerd die aan-
geven waarop bovengenoemde taken gericht zijn:
1. De werkzaamheden van de bedrijfsarts moeten gericht zijn op de primaire,
     secundaire en tertiaire preventie van arbeidsgebonden gezondheids-
     problemen en van arbeidsongeschiktheid.
2. De werkzaamheden moeten gericht zijn op de bescherming en bevordering
     van de gezondheid, veiligheid en het welzijn van de werknemers.
3. De werkzaamheden moeten gericht zijn op de interactie van de gezondheid
     van de werknemer met de kwaliteit van arbeid (nader omschreven als de
     arbeidsinhoud, de arbeidsomstandigheden, de arbeidsvoorwaarden en de
     arbeidsverhoudingen).
In de dagelijkse praktijk is er een aantal maatschappelijke spelers dat het taken-
pakket van de bedrijfsarts bepaalt: de beroepsgroep zelf, de arbodienst waar de
bedrijfsarts werkzaam is, de andere disciplines werkzaam binnen een arbodienst,
de werkgever, de werknemer en de wetgever (overheid). Binnen deze context
blijft de bedrijfsarts zelf verantwoordelijk voor de beroepsuitoefening, alsmede
voor de kwaliteit van de zorg- en dienstverlening die door hemzelf of door derden
in opdracht van hem wordt verleend.
2.2        DE TAKEN VAN DE BEDRIJFSARTS NADER OMSCHREVEN
In deze paragraaf volgt een nadere weergave van de verschillende taken van de
bedrijfsarts zoals deze worden beschreven in het beroepsprofiel.
2.2.1      ARBEIDSOMSTANDIGHEDENBELEID
In het beroepsprofiel worden de taken bij de uitvoering van het arbeids-
omstandighedenbeleid onderverdeeld in taken op organisatieniveau (het niveau
van de werkgever; dit wordt ook als macroniveau aangeduid) en taken op
individueel niveau (het niveau van de individuele werknemer).
T AKEN OP ORGANISATIENIVEAU
Op organisatieniveau heeft de bedrijfsarts zowel een adviseursrol als een
expertrol. De bedrijfsarts heeft een specifieke taak om in multidisciplinair verband
met betrekking tot arbeidsomstandighedenbeleid te adviseren. De bedrijfsarts
moet lacunes binnen het arbobeleid kunnen signaleren en kunnen aangeven hoe
de lacunes beleidsmatig aangepakt kunnen worden. Dit is de adviseursrol. De
        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>expertrol van de bedrijfsarts betreft de inzet van specifieke arbo-instrumenten: de
risico-inventarisatie en -evaluatie (RIE), en de bedrijfshulpverlening en voor-
lichting. Naarmate een werkgever meer aandacht besteedt aan arbozorg zullen
deze instrumenten meer worden ingezet en daarbij meer gericht zijn op
preventieve activiteiten. Samengevat gaat het om de volgende taken:
Advisering met betrekking tot het arbeidsomstandighedenbeleid
Hiermee wordt bedoeld het adviseren en ondersteunen van de werkgever inzake
het arbeidsomstandighedenbeleid zoals dat is vastgesteld door de werkgever met
instemming van het medezeggenschapsorgaan. In dit kader toetst de bedrijfsarts
ook of het ingezette beleid heeft geleid tot adequate maatregelen en levert hij een
bijdrage aan de uiteindelijke effectevaluatie. Daarnaast levert de bedrijfsarts een
bijdrage aan het jaarverslag en plan van aanpak van de arbodienst betreffende de
dienstverlening aan de onderneming. Dat geldt eveneens voor het arbojaar-
plan/verslag van de onderneming zelf.
Verder verzamelt een bedrijfsarts kennis en gegevens over arbeidsgeneeskundige
en arbeidsgezondheidkundige ontwikkelingen in relatie tot de werksituatie, met
het oog op het treffen van (preventieve) maatregelen op het gebied van veiligheid,
gezondheid en welzijn.
Risico Inventarisatie en Evaluatie (RIE)
De Arbeidsomstandighedenwet verplicht een werkgever een RIE te verrichten. In
dit kader zal de bedrijfsarts een bijdrage leveren aan het identificeren en
evalueren van gezondheidsrisico’s in de arbeid. Op basis daarvan adviseert hij de
werkgever bij de ontwikkeling van een doeltreffend arbeidsomstandighedenbeleid
ter bescherming en bevordering van de gezondheid van werknemers. De
gegevens die worden verzameld bij de RIE betrekt de bedrijfsarts onder andere
bij het adviseren bij en (mede) verrichten van het arbeidsgezondheidkundig
onderzoek. De bedrijfsarts vertaalt hiertoe gezondheidrisico’s naar preventief
gezondheidkundig onderzoek. Dit geldt zowel voor aanstellingskeuringen als voor
het (gericht) periodiek arbeidsgezondheidkundig onderzoek.
Bedrijfshulpverlening
De bedrijfsarts levert een bijdrage aan de organisatie van de bedrijfshulpverlening.
Dit houdt in het organiseren en in voorkomende gevallen verlenen van eerste
hulp bij ongevallen, en het instrueren van overige hulpverleners.
Voorlichting
De bedrijfsarts geeft voorlichting aan werknemers over risico’s op de werkplek en
hoe daarmee moet worden omgegaan. Daarnaast is het de taak van de bedrijfsarts
                                                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>een bijdrage te leveren aan deskundigheidsbevordering van staf- en lijn-
functionarissen ten aanzien van het arbeidsomstandighedenbeleid.
T AKEN OP INDIVIDUEEL NIVEAU
Ook op individueel niveau heeft de bedrijfsarts een adviseursrol en een expertrol.
De bedrijfsarts moet zijn deskundigheid op het terrein van het arbeids-
omstandighedenbeleid in de advisering aan het individu kunnen toepassen.
Daarbij moet hij de interacties tussen individu en andere actoren binnen en buiten
de onderneming kunnen analyseren. De expertrol van de bedrijfsarts op
individueel niveau betreft taken in het kader van arbeidsgezondheidkundig
onderzoek en de melding en registratie van (vermoede) beroepsziekten.
Arbeidsgezondheidkundig onderzoek
Om te adviseren over gezondheidsproblemen in verband met het werk houdt de
bedrijfsarts een arbeidsgezondheidkundig spreekuur. Daarnaast voert hij
(periodiek) arbeidsgezondheidkundig onderzoek (PAGO) uit, en geeft hij op basis
hiervan adviezen.
De bedrijfsarts voert een spreekuurregistratie om problemen systematisch in kaart
te brengen. Gegevens hieruit kunnen worden gebruikt als onderbouwing voor
beleidsadviezen.
Beroepsziekten
De bedrijfsarts heeft een belangrijke taak bij de opsporing en diagnostisering van
(vermoede) beroepsziekten. Indien hiervan sprake is stelt hij de werkgever op de
hoogte en maakt hij hiervan melding bij het Nederlands Centrum voor
Beroepsziekten (NCvB).
2.2.2      REÏNTEGRATIEBELEID
Wanneer een werknemer ziek is, meldt de werkgever dit tijdig aan de arbodienst.
Als de werknemer 6 weken ziek is, en men voorziet dat het ziekteverzuim lang zal
duren, dan zal de werkgever volgens de Wet Verbetering Poortwachter samen
met de zieke werknemer een plan opstellen om de werknemer weer zo snel
mogelijk aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Dit plan wordt opgesteld op
basis van een advies van de arbodienst (de bedrijfsarts). Na 13 weken ziekte
informeert de werkgever het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
(UWV). Ondertussen maakt de werkgever samen met de zieke werknemer een
reïntegratiedossier, waarin onder meer alle gemaakte afspraken en ondernomen
activiteiten die gericht waren op het herstel van de zieke werknemer zijn vermeld.
In de achtste maand van het ziekteverzuim stellen de werkgever en werknemer
samen een reïntegratieverslag op aan de hand van dit dossier. Dit verslag wordt
        14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>ingediend bij het UWV, uiterlijk na 9 maanden ziekmelding. Het UWV beoor-
deelt op basis hiervan enerzijds of de werkgever voldoende inspanning heeft
geleverd om de werknemer te reïntegreren, en anderzijds of de werknemer
voldoende heeft meegewerkt aan de reïntegratie. Na één jaar ziekte heeft de
werknemer volgens de WAO recht op een loonvervangende uitkering. De hoogte
en duur van deze uitkering hangt onder andere af van de mate van arbeids-
ongeschiktheid2,3.
In het beroepsprofiel worden de taken van de bedrijfsarts bij de uitvoering van het
reïntegratiebeleid onderverdeeld in taken op organisatieniveau (op het niveau van
de werkgever) en taken op individueel niveau (het niveau van de werknemer).
Ook wordt onderscheid gemaakt tussen de adviseursrol en expertrol van de
bedrijfsarts.
T AKEN OP ORGANISATIENIVEAU
Bedrijfsartsen moeten in staat zijn verbanden te leggen tussen problematiek en
processen ten aanzien van gezondheid op individueel, afdelings- en organisatie-
niveau. Een belangrijke taak bij de uitvoering van het reïntegratiebeleid is het
voorkomen van arbeidsongeschiktheid. Als startpunt van een professioneel
preventief beleid heeft de bedrijfsarts tot taak mee te werken aan het identificeren
en evalueren van arbeidssituaties met een verhoogd risico op arbeids-
ongeschiktheid.
Daarnaast moeten bedrijfsartsen een goede probleemanalyse bij verzuimende
werknemers kunnen opstellen en adviseren ten aanzien van te nemen preventieve
maatregelen, zoals aanpassingen in de werksituatie. Het (mede) geven van voor-
lichting over arbeidsongeschiktheidsrisico's en hoe daar mee om te gaan maakt
hier onderdeel van uit.
De expertrol van de bedrijfsarts komt tot uitdrukking in zijn adviezen aan de
onderneming over de opzet van het reïntegratiebeleid, met name ten aanzien van:
- de melding en registratie van het verzuim;
- de verschillende componenten van het reïntegratiebeleid;
- de informatie-uitwisseling over verzuimende werknemers;
- deskundigheidsbevordering van betrokken partijen. Hierbij zal de bedrijfsarts
    in multidisciplinair verband moeten kunnen samenwerken en rapporteren.
T AKEN OP INDIVIDUEEL NIVEAU
Bedrijfsartsen zijn medeverantwoordelijk voor de sociaal-medische begeleiding
van individuen en specifiek voor het optimaliseren van het evenwicht tussen
belasting en belastbaarheid. Zij geven hieraan gestalte door:
                                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>-   het adviseren, op basis van een sociaal-medische beoordeling, over de mate
    van arbeidsgeschiktheid van een werknemer voor zijn functie. De analyse,
    vaststelling van de diagnose, de advisering en de begeleiding vinden zoveel
    mogelijk plaats op basis van evidence based methoden, of, als deze nog niet
    voorhanden zijn, op basis van best practices. Daarnaast bieden de reeds
    ontwikkelde richtlijnen een belangrijk instrument voor gestandaardiseerd
    handelen;
-   de rol van zowel casemanager (bij delegeren en verwijzen) als casebegeleider
    te beheersen;
-   in overleg met de curatieve sector de begeleiding en behandeling van werk-
    nemers doelgericht te organiseren volgens geldende afspraken en
    convenanten;
-   daar waar geïndiceerd multidisciplinair samen te werken met bedrijfs-
    verpleegkundige, arbeidsdeskundige en andere disciplines, zoals het bedrijfs-
    maatschappelijk werk, psychologen en (multidisciplinaire) behandelaars voor
    klachten van het bewegingsapparaat;
-   op indicatie te overleggen met de verzekeringsarts bij (dreigend) chronisch
    verzuim. Het doel hiervan is tijdige inzet van reïntegratie-instrumenten, tijdige
    signalering van problemen voor reïntegratie bij eigen werkgever en
    beantwoording van aanvullende vragen over de belastbaarheid;
-   het adviseren over het aanpassen van de werkzaamheden al dan niet van
    tijdelijke aard;
-   een bijdrage te leveren aan plannen van aanpak voor reïntegratie en het
    zorgvuldig samenstellen van het medisch deel van het reïntegratiedossier;
-   het adviseren inzake voorzieningen en maatregelen die de arbeids-
    geschiktheid bevorderen.
Daarnaast heeft de bedrijfsarts tot taak zorg te dragen voor een zorgvuldige
informatie-uitwisseling met de curatieve sector en de uitvoeringsorganen van de
sociale zekerheid, conform de hiertoe ontwikkelde code en wettelijke ver-
plichtingen voor het beheer en verkeer van medische informatie-uitwisseling.
Tot de taak van de bedrijfsarts behoort tevens het bevorderen van en begeleiden
bij de plaatsing van gehandicapten en/of personen met chronische gezond-
heidsproblemen in het arbeidsproces, inclusief instellingen voor sociale
werkvoorziening. Dit geschiedt veelal in samenwerking met andere disciplines.
        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>2.2.3      CURATIEVE TAKEN VAN DE BEDRIJFSARTS
Bij de curatieve taken van de bedrijfsarts bestaat overlap met de taken voor de
individuele begeleiding voor arbo- en reïntegratietaken. Het gaat om de volgende
werkzaamheden:
Verlenen van eerste hulp en behandeling van lichte aandoeningen
Het gaat hier om dienstverlening die met name bij grotere interne arbodiensten
en voor specifieke grote organisaties wordt uitgevoerd. Het betreft het verlenen
van eerste hulp bij grote organisaties voor bedrijfsongevallen en kleine ingrepen
zoals bijvoorbeeld het uitspuiten van oren.
Begeleiding van en verwijzen voor arbeidsrelevante klachten
Aanwijzingen voor begeleiding door de bedrijfsarts zijn vooral te vinden in de
richtlijn van de NVAB voor de begeleiding van werknemers met psychische
klachten, in mindere mate ook in de richtlijn voor begeleiding van werknemers
met lage rugklachten.
Dezelfde richtlijnen geven tevens aanwijzingen voor het verwijzen, in overleg met
de curatieve sector. Het gaat hierbij alleen om curatieve aspecten en verwijzen
indien sprake is van een arbeidsrelevante context.
Opstellen van een behandelplan t.a.v. (vermoede) beroepsziekten
Tot de taken van de geregistreerde bedrijfsarts behoort naast het diagnosticeren
van (vermoede) beroepsziekten, het opstellen van een behandelplan, inclusief een
eventuele verdere verwijzing. Dit laatste gebeurt in afstemming met de huisarts.
2.2.4      ANDERE ONDERSTEUNENDE TAKEN VAN DE BEDRIJFSARTS
Het gaat hier om taken bij onderzoeks- en opleidingsinstituten, ministeries en
expertisebureaus of deeltaken als freelance adviseur. Als met deze werkzaam-
heden de gezondheid van de werknemers (in relatie tot hun arbeid) wordt
bevorderd, vallen zij onder dit gedeelte van het beroepsprofiel.
2.3        ARBODIENSTEN
Bedrijfsartsen zijn veelal werkzaam bij een arbodienst, een organisatie die tot doel
heeft werkgevers en werknemers te helpen bij het opstellen en uitvoeren van een
goed arbeidsomstandigheden- en ziekteverzuimbeleid. Wettelijke verplichtingen
op dit gebied vereisen specifieke deskundigheid waar de werkgever niet altijd
over beschikt. Om de werkgever te helpen bij het optimaal uitvoeren van taken
biedt een arbodienst tegen betaling professionele deskundigheid over allerlei
zaken die te maken hebben met arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim. De
                                                                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Arbeidsomstandighedenwet 1998 (Arbowet) kent een certificeringprocedure voor
arbodiensten. Deze certificering houdt in dat zij voldoen aan een aantal speciaal
voor hen ontwikkelde normen, gericht op deskundigheid, organisatie en kwaliteit
van de dienstverlening. Arbodiensten worden getoetst op deze normen. Sinds de
inwerkingtreding van de Arbowet moeten alle bedrijven met personeel in
loondienst zich aansluiten bij een gecertificeerde arbodienst. Binnen de
gecertificeerde arbodiensten vormen de zogenoemde externe arbodiensten de
grootste categorie. Zij hebben meerdere bedrijven als klant. Interne arbodiensten
zijn onderdeel van grote bedrijven, en dragen zorg voor de werknemers van die
bedrijven. Naast de gecertificeerde externe en interne arbodiensten zijn er arbo-
adviesbureaus. Deze zijn niet gecertificeerd en geven adviezen over
arbeidsomstandigheden.
De Arbowet verplicht een werkgever tot inschakeling van een gecertificeerde
arbodienst voor minimaal de volgende vijf taken: de RIE, de begeleiding van
zieke werknemers, het PAGO, het arbeidsomstandighedenspreekuur en de
aanstellingskeuring. Zoals gezegd speelt de bedrijfsarts een belangrijke rol bij de
uitvoering van deze taken4. Het is van belang te beseffen dat de bedrijfsarts, om
zijn taken zoals beschreven in het beroepsprofiel en professioneel statuut naar
behoren en effectief te kunnen vervullen, in zekere mate afhankelijk is van de
faciliteiten die de arbodienst biedt dan wel van de bereidwilligheid en geboden
faciliteiten van de werkgever(s).
Sinds 1995 kent de arbodienstverlening in Nederland een voortdurende groei. De
omvang van het personeel, de omzet en de kosten zijn vanaf 1995 gestegen. Het
totaal aantal arbodiensten is sinds 1995 echter gedaald. De oorzaak hiervan zijn
de vele fusies en overnames. In 2001 kende Nederland 105 gecertificeerde
arbodiensten en arbo-adviesbureaus (met vijf of meer bezette arbeidsplaatsen). De
omzet in de sector arbodienstverlening is in 2001 gestegen tot i 859 miljoen. De
kosten zijn gestegen tot i 830 miljoen. Het bedrijfsresultaat bedraagt in 2001 dus
bijna i 30 miljoen. Eind 2001 zijn er bij arbodiensten en arbo-adviesbureaus
ruim 9500 bezette arbeidsplaatsen. Ruim een kwart van deze arbeidsplaatsen
wordt bezet door artsen5. Naast opgeleide, geregistreerde bedrijfsartsen werken er
bij arbodiensten ook artsen die hun opleiding tot bedrijfsarts nog niet hebben
afgerond, of nog moeten starten met de opleiding.
Verreweg de meeste bedrijfsartsen vervullen hun taken vanuit een arbodienst. Dit
laat onverlet dat een bedrijfsarts als zelfstandige kan functioneren en ook bij
andere instellingen een taak uitoefent, zoals in de opleidingsinstituten, onder-
zoeksinstituten, ministeries, expertisebureaus of als freelance adviseur.
        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>2.4        RAAKVLAKKEN MET ANDERE DISCIPLINES
Voor een goede beroepsuitoefening werkt de bedrijfsarts veelal samen met andere
disciplines en professies. Enerzijds gaat het om samenwerking met andere arbo-
disciplines, anderzijds betreft het samenwerking met andere medische
specialismen, die niet primair gericht zijn op de relatie tussen arbeid en
gezondheid, maar die daar wel duidelijke raakvlakken mee hebben.
2.4.1      RAAKVLAKKEN MET ARBO-DISCIPLINES
De bedrijfsarts bij een arbodienst zal zijn taken over het algemeen uitvoeren in
teamverband met andere arbo-disciplines. Binnen dit team brengt hij een
specifieke medische deskundigheid in. Onder de andere teamleden bevinden zich
vaak de arbeids- en organisatiedeskundige (A&O-deskundige), de arbeidshygiënist
en de veiligheidskundige. Samen met de bedrijfsarts worden deze de vier
kerndisciplines genoemd. Daarnaast werken ook anderen nauw samen met de
bedrijfsarts: de arboverpleegkundige, de arbeidsdeskundige, de psycholoog, de
ergonoom, de bedrijfsmaatschappelijk werker, de fysiotherapeut, en de
personeelsfunctionaris. Het multidisciplinaire karakter van de bedrijfsgezond-
heidszorg komt hieruit goed naar voren. Hieronder volgen enkele voorbeelden
van samenwerking6.
Samen met de A&O-deskundige geeft de bedrijfsarts advies over arbeids-
omstandigheden. De A&O-deskundige is gespecialiseerd in vraagstukken rond
arbeidsinhoud en organisatie van het werk. Wanneer een werknemer zich op het
spreekuur meldt met bijvoorbeeld RSI-klachten, zal de bedrijfsarts een inschatting
maken van zijn medische probleem, terwijl de A&O-deskundige wordt ingezet om
de taakinhoud van de werknemer te onderzoeken en voorstellen doen om de
taakinhoud te veranderen.
De arbeidshygiënist heeft tot taak te bevorderen dat de werknemer op de
werkplek kan functioneren zonder schade aan gezondheid en/of welzijn te
ondervinden. In veel opzichten raken de werkgebieden van de bedrijfsarts en de
arbeidshygiënist elkaar. Beide professionals bewegen zich op het terrein van de
preventie van gezondheidsschade door blootstelling aan omgevingsfactoren. Een
duidelijk voorbeeld van het raakvlak is het bepalen van de blootstelling aan
straling op de werkplek. De bedrijfsarts verricht metingen aan het lichaam van
een werknemer (stelt de diagnose aan de mens), terwijl de arbeidshygiënist
metingen verricht op de werkplek (stelt de diagnose aan de hand van de
werkomgeving). Beide metingen samen geven een goed beeld van de feitelijke
blootstelling aan straling, en vormen de basis voor een advies hoe de blootstelling
aan straling kan worden gereduceerd.
                                                                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Ook de werkterreinen van de bedrijfsarts en de veiligheidskundige raken elkaar.
Een voorbeeld hiervan is de ongevalsanalyse. Een veiligheidskundige analyseert
de oorzaken en achterliggende factoren van een ongeval, en stelt veiligheids-
kundige maatregelen voor om toekomstige ongevallen te voorkomen. Bij een
ongeval waarbij zich lichamelijk letsel voordoet zal de veiligheidskundige samen
met de bedrijfsarts uit de aard en de omvang van het lichamelijk letsel informatie
trachten te verkrijgen ter preventie van toekomstige ongevallen.
2.4.2      RAAKVLAKKEN MET MEDISCHE DISCIPLINES
Naast raakvlakken met arbo-disciplines heeft de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
ook raakvlakken met disciplines buiten dit terrein, zoals verzekeringsartsen,
huisartsen, revalidatieartsen, en de geestelijke gezondheidszorg. De zin van
samenwerking tussen bedrijfsartsen en deze disciplines bij de preventie van
langdurig ziekteverzuim en bij het reïntegratieproces staat over het algemeen niet
ter discussie. Er zijn andere medische disciplines waarmee in mindere mate
samenwerking plaatsvindt, met name als het gaat om minder prevalente
aandoeningen. Toch is ook die samenwerking noodzakelijk, gezien de aard en
omvang van de problematiek. Ten slotte werkt de bedrijfsarts samen met
sectoren/disciplines en instellingen in de zogenaamde tweedelijns Arbozorg,
waaronder reïntegratiebedrijven.
Hieronder volgt een korte uitwerking van de raakvlakken van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde met de verzekeringsgeneeskunde, de huisartsgeneeskunde en
de tweedelijns Arbozorg.
De sociale verzekeringsgeneeskunde wordt toegepast bij de uitvoering van
loondervingswetten, waarbij ziekte en gebrek, het menselijk arbeidsvermogen en
hun onderlinge samenhang van belang zijn. Kern van het vakgebied is de kennis
omtrent de wijze waarop belasting en belastbaarheid elkaar beïnvloeden, en de
kennis van de methodieken om op individueel niveau te kunnen vaststellen of er
sprake is van een verstoring van het evenwicht tussen belasting en belastbaarheid.
Maar ook kennis van de preventie- en herstelmethoden en -technieken ten
aanzien van een disbalans tussen belasting en belastbaarheid behoort tot het
terrein van de verzekeringsgeneeskunde7.
Er is sprake van een continuüm tussen bedrijfsarts en verzekeringsarts. Zeer
onlangs hebben de NVAB en de Nederlandse Vereniging voor Verzekerings-
geneeskunde (NVVG) een convenant ondertekend, waarmee intensieve
samenwerking tussen beide organisaties wordt bekrachtigd. De verwachting is dat
hierdoor de rollen van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts beter op elkaar
afgestemd zullen worden. Dit kan positief bijdragen aan het optimaliseren van de
sociaal-medische zorg en de begeleiding en beoordeling van (zieke) werknemers.
       20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Een aanzienlijk deel van het patiëntenbestand van de huisarts bestaat uit werk-
nemers. Daarom kan het bij de diagnostiek en behandeling van een patiënt door
de huisarts nuttig zijn om de expertise van een bedrijfsarts te benutten. De
bedrijfsarts heeft op zijn beurt in veel gevallen de expertise van een huisarts
nodig. Samenwerking tussen bedrijfsarts enerzijds en huisarts en medisch
specialist anderzijds zal de kwaliteit van de zorg voor de patiënt-werknemer
verbeteren. In het beroepsprofiel van de bedrijfsarts staat de samenwerking met
de curatieve sector ook expliciet beschreven als één van de taken van de bedrijfs-
arts bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid en het ziekte-
verzuimbeleid.
Vrijwel geen van de richtlijnen en standaarden die gelden voor huisartsen of
andere disciplines bevat een verwijzing naar het aandachtsveld arbeid. Werkher-
vatting en werkaanpassingen bij of na ziekte worden meestal volledig buiten
beschouwing gelaten. In curatieve richtlijnen voor veelvoorkomende aan-
doeningen waardoor de belastbaarheid afneemt (bijvoorbeeld diabetes mellitus)
zijn de arbeidsaspecten opvallend afwezig. In de richtlijnen die bestaan binnen de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde worden wel regelmatig verwijzingen naar de
curatieve sector aangetroffen8. Recent lijken er stappen in de goede richting te zijn
gezet als het gaat om het bevorderen van samenwerking tussen bedrijfsarts en
huisarts. Het College voor Zorgverzekeraars (CVZ) heeft op verzoek van de Orde
van Medisch Specialisten een subsidie verleend aan het Bureau Richtlijnen van de
NVAB en het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) samen, om
voor de bestaande CBO richtlijnen de paragraaf arbeid te gaan invullen. Verder is
er een convenant gesloten tussen de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en
de NVAB om samenwerking tussen beide beroepsgroepen te bevorderen.
Het verzorgen van het reïntegratietraject is de kern van de dienstverlening van de
tweedelijns arbozorg. Reïntegratiebedrijven stellen zich tot doel het realiseren of
herstellen van optimale arbeidsparticipatie van mensen die daartoe zelf niet of
onvoldoende in staat zijn9 (een andere veelgebruikte benaming voor reïnte-
gratiebedrijven is interventiebedrijven). Werknemers die door ziekte of gebrek
(tijdelijk) ongeschikt zijn voor het eigen werk komen in aanmerking voor deze
vorm van tweedelijns arbozorg. Een bedrijfsarts kan in samenspraak met de zieke
werknemer en werkgever besluiten om de zieke werknemer door te verwijzen
naar een reïntegratiebedrijf. Professionals werkzaam bij het reïntegratiebedrijf
zullen dan vervolgens zorg dragen voor een zo spoedig mogelijke terugkeer van
de werknemer naar het (al dan niet aangepaste) werk. De bedrijfsarts en het
reïntegratiebedrijf houden gedurende de reïntegratie nauw contact over de
gezondheid van de werknemer.
                                                                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>22</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>3          AA N B O D    EN BEHOEFTE AAN ONDERZOEK
3.1        WERKWIJZE
Ter voorbereiding van dit advies is een aantal interviews gehouden met
sleutelpersonen die een goed overzicht hebben over het aanbod en/of de behoefte
aan onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. Zij zijn
vertegenwoordigers van instellingen die onderzoek uitvoeren, dan wel
representanten van instellingen die gebruik maken van onderzoeksresultaten (zie
bijlage 3 voor de lijst met geraadpleegde sleutelpersonen). Met behulp van een
semi-gestructureerd interview is gevraagd naar lopend onderzoek (aanbod),
gewenst onderzoek (behoefte), en naar knelpunten en mogelijke oplossingen in de
onderzoek- en kennisinfrastructuur. Ter voorbereiding van het interview
ontvingen sleutelpersonen een lijst met aandachtspunten die tijdens het interview
besproken werd (zie bijlage 4 voor lijst met aandachtspunten).
Op basis van de informatie uit de interviews zijn overzichten gemaakt van het
aanbod en de behoefte aan onderzoek. Aan de hand van deze overzichten zijn
onderzoeksprioriteiten geformuleerd (zie hoofdstuk 4). In dit hoofdstuk komen
achtereenvolgens het aanbod en de behoefte aan onderzoek aan bod.
3.2        INVENTARISATIE VAN HET LOPENDE ONDERZOEK
Aan de hand van de verschillende taken van de bedrijfsarts zijn verschillende
sleutelpersonen van universitaire en buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen
gevraagd naar informatie over lopend onderzoek dat tot doel had de kwaliteit van
het handelen van de bedrijfsarts te bevorderen. Ook is informatie verkregen van
de commissieleden. Bij deze inventarisatie was het niet zozeer de bedoeling
volledig te zijn, maar een representatief beeld te scheppen van het lopende
onderzoek in Nederland.
3.2.1      CAPACITEIT VAN DE ONDERZOEKSINSTELLINGEN
Tabel 1 geeft een schatting van het aantal aan onderzoek bestede fte’s per
onderzoeksinstelling, uitgesplitst naar fte’s voor bepaalde tijd en fte’s voor
onbepaalde tijd. Deze informatie is afkomstig van de sleutelpersonen. De getallen
geven een beeld over de grootte en de verdeling van het onderzoeksveld.
Belangrijk is dat het hier gaat om een zelf-gerapporteerde schatting, en dat het
genoemde aantal fte’s per onderzoeksinstituut mogelijk enigszins afwijkt van de
werkelijke hoeveelheid fte’s.
De Raad constateert op basis van de gegevens uit Tabel 1 dat het aantal aan
onderzoek bestede fte’s versnipperd is. Er zijn diverse onderzoeksinstellingen ver-
                                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Tabel 1 Overzicht van het aantal aan onderzoek bestede fte’s per onderzoeks-
           instelling, uitgesplitst naar fte’s voor onbepaalde tijd (fte-obt) en fte’e voor
           bepaalde tijd (fte-bt); peildatum eind 2002
  Universitaire onderzoeksinstellingen                                    fte-obt    fte-bt
  Rijksuniversiteit Groningen (RuG), Disciplinegroep Dermatologie           <1*         1
  RuG, Disciplinegroep Sociale Geneeskunde                                  <1          4
  Universitair Medisch Centrum St Radboud (UMC St Radboud),                 <1          2
  Sociale Geneeskunde
  Universiteit Maastricht (UM), Instituut Health/ExTra (tegenwoordig         7         15
  CAPHRI)
  Rutten Instituut voor wetenschappelijk onderzoek in de                     2          6
  Psychologie, sectie Arbeids- en Organisatiepsychologie, Katholieke
  Universiteit Nijmegen (KUN)
  Erasmus Medisch Centrum (Erasmus MC), Instituut                            1          6
  Maatschappelijke Gezondheidszorg (iMGZ)
  Erasmus MC, Afdeling Huisartsgeneeskunde                                  <1          3
  Vrije Universiteit Medisch Centrum (Vumc) , Sociale Geneeskunde            2         16
  Academisch Medisch Centrum (AMC), Coronel Instituut                        5          7
  Subtotaal 1                                                               17         60
  Buiten-universitaire onderzoeksinstellingen                             fte-obt    fte-bt
  TNO Arbeid                                                                57         10
  Astri                                                                      8          3
  Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap (iRv), Hoensbroeck              2          4
  Revalidatiecentrum
  Subtotaal 2                                                               67         17
  Totaal                                                                    84         77
* Indien het aantal fte’s kleiner dan 1 is (<1), wordt dit aantal niet meegeteld bij de
totaalscore
        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>spreid over Nederland die onderzoek uitvoeren ter ondersteuning van het
handelen van bedrijfsartsen. In de meeste gevallen gaat het echter om een geringe
tot zeer geringe capaciteit. Uitzondering hierop is de Nederlandse Organisatie
voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) Arbeid (67 fte’s). Van
de universitaire onderzoeksinstellingen besteden de instituten Health/ExTra
(inmiddels gefuseerd tot CAPHRI) van de Universiteit Maastricht (UM), de
afdeling Sociale Geneeskunde van het Vrije Universiteit medisch centrum
(VUmc), en het Coronel Instituut van het Academisch Medisch Centrum (AMC)
Amsterdam de meeste fte’s aan onderzoek ter ondersteuning van het handelen
van bedrijfsartsen.
Bezien we de verhouding in het aantal fte’s voor onbepaalde en bepaalde tijd, dan
lijkt dit redelijk in evenwicht (84 fte’s voor onbepaalde tijd en 77 fte voor
bepaalde tijd). Wanneer echter meer en detail wordt gekeken, dan blijkt die
verhouding in het universitaire compartiment ongeveer 1:3 te zijn. Verreweg het
grootste gedeelte van de universitaire capaciteit wordt gevormd door onder-
zoekers met een tijdelijke aanstelling. De vaste basis aan onderzoekers is bij
universiteiten dus zeer beperkt.
Voor de buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen ligt de verhouding in fte’s
voor onbepaalde en bepaalde tijd anders. Hier hebben de meeste onderzoekers
een dienstverband voor onbepaalde tijd.
Aan de sleutelpersonen afkomstig van de onderzoeksinstellingen is verder
gevraagd welk percentage van de onderzoekscapaciteit wordt besteed aan
verschillende onderzoeksthema’s binnen de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
Tabel 2 geeft hiervan een overzicht. De Raad heeft vier onderzoeksthema’s
gedefinieerd, die een bundeling vormen van het geheel aan onderzoek op het
terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
Thema 1. Arbeid en gezondheid: onderzoek naar arbeidsgebonden determinanten,
risicofactoren en prognostische factoren voor klachten en aandoeningen die
leiden tot ziekteverzuim of arbeidsongeschiktheid. Verder valt onderzoek naar de
opsporing, melding en diagnostiek van beroepsziekten onder dit thema.
Thema 2. Arbeidsverzuim en reïntegratie: onderzoek naar ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid, bijvoorbeeld onderzoek naar de kosten van ziekteverzuim,
en onderzoek naar het verzuimgedrag van groepen werknemers. Ook valt
onderzoek naar de sociaal-medische begeleiding van zieke werknemers onder dit
thema.
                                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Tabel 2    Overzicht van het percentage aan onderzoek bestede fte’s per
           onderzoeksinstelling, uitgesplitst naar de vier onderzoeksthema’s;
           peildatum eind 2002
                        Thema 1        Thema 2     Thema 3    Thema 4    Overig
 RuG, Dermatologie        70%            20%         10%          -          -
 RuG, Sociale             10%            40%          -         50%          -
 geneeskunde
 UMC St Radboud           25%            40%         10%        25%          -
 UM, Health/ExTra         65%            20%         15%          -          -
 (tegenwoordig
 CAPHRI)
 KUN, Rutten              60%               -         -           -        40%
 Instituut
 Erasmus MC,              50%            25%         15%        10%          -
 iMGZ
 Erasmus MC, Huis-        50%            50%          -           -          -
 artsgeneeskunde
 VUmc, Sociale            25%            15%         50%        10%          -
 geneeskunde
 AMC, Coronel             50%            25%         20%        5%           -
 Instituut
 TNO Arbeid               40%            45%         5%         10%          -
 Astri                    30%            50%         10%        10%
 iRv,                     20%            45%         35%          -          -
 Revalidatiecentrum
Thema 3. Interventieontwikkeling en -evaluatie: onderzoek naar interventies,
methoden of instrumenten die van direct belang zijn voor de praktijk van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskundige zorgverlening. Het gaat dus om onderzoek naar
de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en toepasbaarheid van bestaande en nieuwe
        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>interventies of instrumenten ter ondersteuning van het handelen van de
bedrijfsarts.
Thema 4. Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstver-
lening: onderzoek naar de rol van de bedrijfsarts bij de organisatie en uitvoering
van het arbo- en verzuimbeleid, onderzoek naar arbocuratieve samenwerking,
onderzoek naar wet- en regelgeving die van toepassing is op de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde, kosten-effectiviteitsonderzoek, onderzoek naar toetsing,
onderzoek naar de opleiding tot bedrijfsarts en onderzoek naar bijvoorbeeld de
privatisering van de bedrijfsgezondheidszorg.
De thema’s 1 en 2 omvatten onderzoek op het meer brede terrein van arbeid,
gezondheid en ziekteverzuim. Dit onderzoek is zeker nuttig voor de bedrijfsarts,
maar slechts voor een beperkt deel direct van specifiek nut voor toepassing
binnen het bedrijfsgeneeskundig handelen. Onderzoek dat valt binnen de thema’s
3 en 4 is over het algemeen meer direct van toepassing op de bevordering van de
kwaliteit van het bedrijfsgeneeskundig handelen. Sommige onderzoeken kunnen
in verschillende thema’s worden ondergebracht. Er is steeds gekozen voor
indeling bij het meest voor de handliggende thema.
Uit Tabel 2 valt af te lezen dat de meeste onderzoeksinstellingen het grootste deel
van hun onderzoekscapaciteit inzetten voor onderzoek op het thema Arbeid en
gezondheid (Thema 1). Gemiddeld genomen wordt hier 41% van de totale onder-
zoekscapaciteit ingezet. Een ander groot gedeelte van de onderzoekscapaciteit
(gemiddeld 31%) wordt ingezet voor onderzoek dat valt binnen het thema
Arbeidsverzuim en reïntegratie (Thema 2).
Een veel kleiner gedeelte van het onderzoek valt binnen de thema’s Interventie-
ontwikkeling en -evaluatie (Thema 3, gemiddeld 14%) en Kwaliteit van de
bedrijfsgeneeskundige dienstverlening (Thema 4, gemiddeld 10%).
3.2.2      THEMATISCHE SAMENVATTING VAN HET AANBOD AAN
           ONDERZOEK
Het aanbod aan onderzoek wordt hieronder per onderzoeksthema samengevat.
Het is geen gekwantificeerde weergave van het aanbod, maar een overzicht van
verschillende onderzoeksonderwerpen die aan bod komen binnen de vier
onderzoeksthema’s.
                                                                         27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>T HEMA 1. A RBEID EN GEZONDHEID
Arbeidsgebonden determinanten
Bijna alle ondervraagde universitaire en buitenuniversitaire onderzoeksinstituten
doen etiologisch onderzoek. Zowel cross-sectioneel als longitudinaal etiologisch
onderzoek naar risicofactoren en prognostische factoren wordt uitgevoerd, waarbij
verschillende uitkomstmaten worden gebruikt. De belangrijkste twee groepen
klachten die bestudeerd worden zijn psychische klachten en klachten van het
bewegingsapparaat (met name RSI-klachten en lage rugklachten). Daarnaast
wordt ook onderzoek verricht naar minder vaak voorkomende aandoeningen
zoals huidaandoeningen, luchtwegaandoeningen, bepaalde vormen van kanker en
reproductiestoornissen. Overigens wordt niet alleen de relatie met klachten en
aandoeningen bestudeerd, maar is er ook onderzoek naar de relatie met ziekte-
verzuim en arbeidsongeschiktheid.
Verschillende risicofactoren en prognostische factoren worden bestudeerd. Dit
zijn onder andere de fysieke belasting op het werk (zoals duwen, trekken en
beeldschermwerk), de psychosociale belasting, de chemische blootstelling, de
historische belasting (zoals de blootstelling aan asbest), organisatorische factoren
(zoals overwerken of het werken in zelf-sturende teams), arbeidsconflicten, indi-
vidu gebonden factoren (zoals geslachtsverschillen), en de werk-thuisinterferentie.
Tot slot krijgt een aantal branches en beroepen relatief veel aandacht: kantoor-
personeel, verplegend personeel, huisvuilbeladers, bouw- en brandweerpersoneel.
Beroepsziekten
Het NCvB is een landelijk kennisinstituut dat bijdraagt aan de preventie van en
zorg voor beroepsziekten10. Het NCvB is geen onderzoeksinstituut, maar beschikt
wel over geregistreerde gegevens over beroepsziekten.
Enkele onderzoeksinstituten doen al dan niet in samenwerking met het NCvB
onderzoek op het terrein van beroepsziekten. Dit onderzoek richt zich onder
andere op het verkennen van mogelijkheden voor het opzetten van peilstations
voor de melding en registratie van beroepsziekten en op de incidentie van
bepaalde beroepsziekten, zoals huidaandoeningen.
T HEMA 2. A RBEIDSVERZUIM EN REÏNTEGRATIE
Verzuim en arbeidsongeschiktheid
Er wordt in Nederland op relatief ruime schaal onderzoek uitgevoerd naar de
kosten van het ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid en naar het verzuim-
gedrag van bepaalde groepen werknemers, zoals allochtonen. Ook wordt
       28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>onderzoek uitgevoerd naar determinanten voor uitval uit werk (arbeids-
ongeschiktheid) en naar determinanten voor terugkeer naar werk (reïntegratie).
Sociaal-medische begeleiding
Onderzoek naar de sociaal-medische begeleiding van de zieke werknemer richt
zich vaak op speciale groepen werknemers. Voorbeelden zijn werknemers met
psychische klachten (bijvoorbeeld de evaluatie van de richtlijn voor sociaal-
medische begeleiding bij overspannen werknemers), chronisch zieke werknemers
zoals diabetespatiënten of nierpatiënten, oudere werknemers, adolescenten die
een ernstige ziekte hebben gehad tijdens de jeugd, of kankerpatiënten. In
sommige studies staan juist onderdelen van de sociaal-medische begeleiding
centraal, zoals onderzoek naar het opstellen van reïntegratieplannen, de beoor-
deling van arbeidsmogelijkheden of de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
T HEMA 3. I NTERVENTIEONTWIKKELING EN - EVALUATIE
In de dagelijkse praktijk van de bedrijfsarts wordt veel gebruik gemaakt van
interventies of instrumenten waarvan de effectiviteit ter discussie staat. Naast
onderzoek naar de effectiviteit en toepasbaarheid van bestaande interventies
wordt er binnen de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde tevens onderzoek gedaan
naar de ontwikkeling, effectiviteit en toepasbaarheid van nieuwe interventies ter
ondersteuning van het handelen van bedrijfsartsen.
Werkplek/determinanten
Er wordt onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling, effectiviteit en toepas-
baarheid van:
- de RIE, onder andere in de schoonmaaksector, bij verpleegkundigen en in de
   bouw;
- maatregelen op het werk en aanpassingen van het werk die de arbeids-
   geschiktheid moeten bevorderen (in het kader van zowel primaire als
   secundaire preventie);
- (nieuwe) interventies of instrumenten ter ondersteuning van de opsporing,
   melding en diagnostiek van beroepsziekten.
Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
Onderzoek wordt uitgevoerd naar de ontwikkeling, effectiviteit en toepasbaarheid
van:
- het PAGO bij onder andere oudere werknemers in de bouw en bij trillingen;
- aanstellingskeuringen, bij onder andere de brandweer en in de aluminium-
   industrie;
                                                                        29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>- instrumenten om arbeidsongeschiktheid te kunnen meten;
- verschillende reïntegratie-programma’s en programma’s ter ondersteuning van
   de sociaal-medische begeleiding bij langdurig zieke werknemers, werknemers
   met klachten van het bewegingsapparaat (vooral rugklachten), werknemers met
   psychische klachten en werknemers met klachten na de bevalling (in het kader
   van zowel secundaire als tertiaire preventie);
- (nieuwe) interventies of instrumenten ter ondersteuning van de sociaal-
   medische begeleiding;
- een expertsysteem voor psychische klachten;
- de Medical Disability Advisor, een handboek dat per aandoening the state of the art
   weergeeft wat betreft diagnostiek, behandeling en de verwachte gemiddelde
   verzuimduur;
- instrumenten, protocollen en richtlijnen ten behoeve van de bedrijfs-
   geneeskundige begeleiding, zoals richtlijnen ter bevordering van arbocuratieve
   samenwerking en richtlijnen voor sociaal-medische begeleiding.
Voorlichting en interventies
Door verschillende onderzoeksinstituten wordt momenteel onderzoek uitgevoerd
naar de ontwikkeling, effectiviteit en toepasbaarheid van leefstijlinterventies en
(voorlichtings)programma’s voor gezondheidbevordering op de werkplek (in het
kader van zowel primaire als secundaire preventie). Veel van deze interventies
richten zich op de preventie van overgewicht en lichamelijke inactiviteit.
Kosten-effectiviteitsonderzoek
Een kosten-effectiviteitsanalyse maakt onderdeel uit van een aantal projecten
waarin de ontwikkeling, effectiviteit en toepasbaarheid van (nieuwe) interventies
of instrumenten ter bevordering van het handelen van bedrijfsartsen wordt
bestudeerd.
T HEMA 4. K WALITEIT EN DOELMATIGHEID VAN DE BEDRIJFSGENEESKUNDIGE DIENST -
VERLENING
Rol van de bedrijfsarts bij de organisatie en uitvoering van het arbo- en verzuimbeleid
Er wordt op verschillende plaatsen in Nederland onderzoek uitgevoerd naar de
rol van de bedrijfsarts als case-manager bij reïntegratie. Voorbeelden zijn onder-
zoek naar het zogenaamde disability-management of onderzoek naar de rol van
bedrijfsarts als case-manager bij reïntegratie.
       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Arbocuratieve samenwerking
Er wordt momenteel een aantal regionale pilotstudies uitgevoerd naar de
samenwerking tussen de bedrijfsarts en huisarts. Er zal achteraf één gezamenlijke
evaluatie van deze verschillende projecten plaatsvinden. Verder wordt een aantal
onderzoeksprojecten uitgevoerd naar de arbocuratieve samenwerking bij
specifieke klachten, zoals psychische klachten en eczeemproblematiek. Ook de
satisfactie van de werknemer wordt betrokken bij het onderzoek naar
arbocuratieve samenwerking.
Overig onderzoek dat valt onder dit thema
In geringe mate worden procesevaluaties uitgevoerd van de verwijsfunctie van
bedrijfsartsen, met name gericht op het doorverwijzen door bedrijfsartsen naar de
zogenaamde tweedelijns arbozorg. Daarnaast voert TNO Arbeid een aantal
onderzoeksprojecten uit die niet vallen onder één van bovengenoemde thema’s,
maar die in het kader van dit advies van belang zijn. Het betreft de evaluatie van
verschillende wetten, zoals de Wet Medische Keuringen, de Wet Reïntegratie
Arbeidsgehandicapten en de Wet Verbetering Poortwachter, en onderzoek naar
het effectief functioneren van arbodiensten en bedrijfsartsen (een jaarlijks
terugkerend monitor-onderzoek van de Nederlandse arbodiensten). Het Coronel
Instituut voert een onderzoek uit naar de effectiviteit van de opleiding tot
bedrijfsarts.
3.3        INVENTARISATIE VAN DE BEHOEFTE AAN ONDERZOEK
Om lacunes in het wetenschappelijk onderzoek vast te stellen is ook de behoefte
aan onderzoek gepeild. Hiervoor zijn met name sleutelpersonen geraadpleegd van
instellingen die gebruik maken van onderzoeksresultaten. Onder hen bevond zich
ook een aantal vertegenwoordigers van grote landelijke arbodiensten. Hieronder
volgt per onderzoeksthema de gesignaleerde behoefte aan onderzoek, gebaseerd
op de informatie van de sleutelpersonen.
T HEMA 1. A RBEID EN GEZONDHEID
Arbeidsgebonden determinanten
In het kader van preventie is er behoefte aan (longitudinaal) onderzoek naar de
incidentie en prevalentie van arbeidsgerelateerde klachten, ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid, en naar (branche-specifieke) risicofactoren en prognos-
tische factoren (dosis-respons relatie). Psychische klachten en klachten van het
bewegingsapparaat zouden centraal moeten staan bij determinantenonderzoek,
aangezien deze klachten het vaakst voorkomen. De zorgsector, de onderwijssector
                                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>en het midden- en kleinbedrijf zijn specifieke sectoren waarop dit onderzoek
gericht moet zijn.
Verder is onderzoek gewenst om meer inzicht te krijgen in de mate waarin
bepaalde aandoeningen gerelateerd zijn aan arbeid en verzuim. Ligt de oorzaak
van de aandoening wel in het werk, of wordt de aandoening veroorzaakt door
factoren buiten het werk? Naast arbeidsgebonden determinanten zou dus ook
onderzoek gedaan moeten worden naar individugebonden determinanten.
Voorts is er met het oog op de toekomst behoefte aan onderzoek naar de relatie
tussen nieuwe (technische) ontwikkelingen zoals handsfree bellen, werken op een
laptop en mobiele telefonie enerzijds en de fysieke en mentale gezondheid van
werknemers anderzijds. Onderzoek is gewenst naar de relatie tussen aspecten die
samenhangen met de organisatie van het werk, zoals de relatie tussen het werken
in ploegendiensten of het uitvoeren van dubbeltaken en de fysieke en mentale
gezondheid van de werknemer.
Beroepsziekten
Er is behoefte aan onderzoek omtrent de melding van beroepsziekten. Vragen die
steeds terugkomen luiden: Hoe valt de melding van beroepsziekten te stimuleren?
Hoe ziet een valide meldingssysteem eruit? En waarom worden er zo weinig
meldingen gedaan? Naast behoefte aan kennis rond de melding van beroeps-
ziekten blijkt er een gebrek aan kennis rond nieuwe beroepsziekten te zijn. Door
continue veranderingen in werkprocessen of arbeidsomstandigheden kunnen
nieuwe arbeidsgerelateerde gezondheidsrisico’s ontstaan. Er is behoefte aan
onderzoek naar wat deze nieuwe beroepsziekten nu precies zijn en naar
diagnostiek en behandeling ervan.
T HEMA 2. A RBEIDSVERZUIM EN REÏNTEGRATIE
Verzuim en arbeidsongeschiktheid
Er is op bedrijfsniveau onderzoek gewenst naar de verzuim-uitstroomcurve en de
WAO- instroomcurve. Hoe zien deze curves er uit? Zijn er bepaalde trends en
ontwikkelingen te zien in de afgelopen jaren? Op landelijk niveau zijn hierover
wel gegevens beschikbaar. Tevens is onderzoek gewenst naar de wijze waarop
verzuim- en arbeidsongeschiktheidscijfers moeten worden geïnterpreteerd en naar
de wijze van verspreiding van deze gegevens naar de verschillende belang-
hebbenden. Daarnaast is er behoefte aan onderzoek naar determinanten van
arbeidsongeschiktheid, in het bijzonder voor specifieke doelgroepen.
        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Sociaal-medische begeleiding
Er blijkt sterke behoefte aan onderzoek naar allerlei aspecten van de sociaal-
medische begeleiding van de zieke werknemer, vooral gericht op het vaak
voorkomende arbeidsverzuim door klachten van het bewegingsapparaat of
psychische klachten. Er is behoefte aan onderzoek naar de effectiviteit van de
gezondheidkundige beoordeling en begeleiding of therapie die wordt uitgevoerd
wordt in het kader van de sociaal-medische begeleiding en naar de effectiviteit
van het opstellen van reïntegratie-plannen en probleemanalyses.
Wat betreft de herbeoordelingsprocedure is er met name behoefte aan kwan-
titatief onderzoek: hoe vaak wordt de herbeoordelingsprocedure uitgevoerd en
wanneer en wordt er in dit kader gebruik gemaakt van second opinions? Ten slotte
is er in dit kader behoefte aan onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts als
case manager in het proces.
T HEMA 3. I NTERVENTIEONTWIKKELING EN - EVALUATIE
In de dagelijkse praktijk van de bedrijfsarts wordt veel gebruik gemaakt van
interventies, methodieken of instrumenten waarvan de (kosten-)effectiviteit ter
discussie staat. Er is grote behoefte aan onderzoek naar de (kosten-)effectiviteit en
toepasbaarheid van bestaande interventies en aan de ontwikkeling van nieuwe
interventies ter ondersteuning van het handelen van bedrijfsartsen.
Werkplek/determinanten
Er is behoefte aan onderzoek naar de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en toepas-
baarheid van:
- de RIE;
- voorzieningen, preventieve maatregelen en aanpassingen aan de werkplek ter
     preventie van klachten en ziekteverzuim en ter bevordering van arbeids-
     geschiktheid.
Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
Er is behoefte aan onderzoek naar de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en
toepasbaarheid van:
- het PAGO. In dit kader is tevens onderzoek gewenst naar de mogelijkheid om
     het PAGO te gebruiken als een soort intrede-onderzoek en als instrument
     voor grootschalig onderzoek;
- een transparant arbeidsgezondheidkundig spreekuur. Momenteel is het
     spreekuur een black box. Naast het voeren van een spreekuur houdt de
     bedrijfsarts ook een spreekuurregistratie bij, met het oog op het systematisch
     in kaart brengen van problemen. Er is onderzoek gewenst naar de ontwik-
                                                                           33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>     keling van een transparant registratiesysteem. Welke gegevens zouden nu
     precies op welke wijze geregistreerd moeten worden?
-    wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor aanstellingskeuringen, inclu-
     sief de indicatiestelling hiervoor;
-    instrumenten om de belastbaarheid van een werknemer vast te stellen, en
     onderzoek naar mogelijkheden om de balans tussen belasting en belast-
     baarheid positief te beïnvloeden;
-    instrumenten voor de vroege signalering en voorspelling van verzuim, om zo
     langdurig verzuim en arbeidsongeschiktheid te voorkomen;
-    instrumenten die gebruikt worden gedurende allerlei stappen van de sociaal-
     medische begeleiding van de zieke werknemer, zoals de gezondheidskundige
     beoordeling en het opstellen van reïntegratieplannen;
-    protocollen voor de begeleiding van gehandicapten en chronisch zieken in
     het arbeidsproces, met daarin aanwijzingen voor (arbocuratieve) samen-
     werking met andere disciplines.
Voorlichting en interventies
Er is onderzoek gewenst naar de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en toepas-
baarheid van:
- methoden voor het geven van voorlichting aan werknemers over risico’s op de
    werkplek en arbeidsongeschiktheid (primaire en secundaire preventie). Deze
    voorlichting moet leiden tot gezondheidsbevordering van werknemers.
    Gedragsverandering en gedragsbeïnvloeding van de werknemer staan hierbij
    centraal; methoden voor het geven van voorlichting in het kader van deskun-
    digheidsbevordering van lijn- en staffunctionarissen op het terrein van arbeids-
    omstandigheden en verzuimpreventie;
- leefstijlinterventies die uitgevoerd kunnen worden in de arbeidssetting.
T HEMA 4. K WALITEIT EN DOELMATIGHEID VAN DE BEDRIJFSGENEESKUNDIGE DIENST -
VERLENING
Rol van de bedrijfsarts bij de organisatie en uitvoering van het arbo- en verzuimbeleid
Er blijkt grote behoefte aan meer inzicht in de rol en positie van de bedrijfsarts bij
het uitvoeren van het arbo- en verzuimbeleid. Deze rol is vaak onduidelijk, bij-
voorbeeld in het geval van de begeleiding van gehandicapten en chronisch zieken
in het arbeidsproces. Door de toenemende werkdruk moeten bedrijfsartsen vaak
bepaalde taken door anderen te laten uitvoeren. Onderzoek naar de taak-
verdeling, naar substitutiemogelijkheden, en naar multidisciplinair samenwerken
binnen de arbodienst zou mogelijk oplossingen kunnen brengen voor de tijdsdruk
waaronder bedrijfsartsen werken.
        34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Om de kwaliteit van de communicatie tussen arbodienst en werkgever of onder-
nemingsraad te bevorderen is onderzoek gewenst naar de kwaliteit van de
managementadviezen over het arbo- en verzuimbeleid die een bedrijfsarts aan de
werkgever geeft.
Arbocuratieve samenwerking
Een gebrek aan samenwerking tussen bedrijfsartsen en de overige curatieve sector
gaat ten koste van de kwaliteit van de dienstverlening van arbodiensten aan werk-
gevers en werknemers. Er wordt reeds onderzoek gedaan naar mogelijkheden tot
verbetering van de arbocuratieve samenwerking. Toch blijft er nog steeds
behoefte aan onderzoek naar criteria en/of richtlijnen voor zulke samenwerking,
met name grootschalig onderzoek naar de effectiviteit en de implementatie ervan.
Momenteel lopen namelijk vooral veel kleinschalige projecten. Het onderzoek
zou zich vooral moeten richten op samenwerking van de bedrijfsarts met de
huisarts, de geestelijke gezondheidszorg, de verzekeringsgeneeskunde en de
tweedelijns arbozorg (reïntegratie bedrijven), omdat dit de sectoren zijn waarmee
de bedrijfsarts het vaakst te maken heeft.
Verder is meer inzicht gewenst in de wijze waarop huisartsen en specialisten te
stimuleren zijn binnen de eigen praktijk aandacht te besteden aan de factor
arbeid. Zijn er misschien mogelijkheden voor de ontwikkeling van klinische
arbeidsgeneeskunde, of voor een geïntegreerde huisartsen-bedrijfsartsen
polikliniek?
Kosten-effectiviteitsonderzoek
Er is behoefte aan kosten-effectiviteitsonderzoek/doelmatigheidsonderzoek met
betrekking tot de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening, in termen van de
verhouding tussen de kosten enerzijds en gezondheidswinst en economische
voordelen (arbeidsverzuim, WAO, enz.) anderzijds.
Overig onderzoek dat valt onder dit thema
Er zijn vraagtekens bij het nut van de scheiding tussen behandeling en controle.
Voor het verwijzen door bedrijfsartsen moeten criteria worden vastgesteld. Het
effect van de poortwachtersfunctie op het handelen van bedrijfsartsen is onbe-
kend. Voor al deze vraagstukken is onderzoek nodig.
Voorts is er onderzoek gewenst naar criteria om het handelen van bedrijfsartsen te
kunnen meten en toetsen op verschillende niveaus. Wat zijn bijvoorbeeld goede
resultaatparameters op bedrijfsniveau of op het niveau van de arbodienst? Er is
onderzoek gewenst naar de effectiviteit van intercollegiale toetsing en intervisie.
En er is een internationaal vergelijkend onderzoek gewenst waarbij de verschil-
                                                                          35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>lende arbo-zorg systemen van verschillende landen met elkaar worden
vergeleken.
De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde is een van de weinige medische disciplines
die niet valt onder het publieke gezondheidszorgsysteem, maar die zich juist
bevindt in de private sector. Er is behoefte aan onderzoek naar het effect van de
privatisering van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde op het functioneren van
bedrijfsartsen.
Ook de beroepsopleiding tot bedrijfsarts is anders georganiseerd dan de
opleidingen voor andere medische specialisaties. Deze opleiding vindt centraal
plaats, op twee plaatsen in Nederland, terwijl de meeste andere opleidingen voor
medische specialisaties decentraal worden verzorgd (meestal in nauwe
samenwerking met een academisch ziekenhuis). Er is behoefte aan onderzoek
naar de kwaliteit van de opleiding tot bedrijfsarts en naar de aansluiting van de
opleiding bij het dagelijkse werk van de bedrijfsarts. In hoofdstuk 5 wordt uitge-
breider stilgestaan bij de opleiding tot bedrijfsarts.
        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>4           PRIORITERING           VAN ONDERZOEK
4.1         WERKWIJZE EN MATCHING VAN AANBOD EN BEHOEFTE
In dit hoofdstuk wordt de geïnventariseerde behoefte gematched met het aanbod
aan onderzoek. Vervolgens geeft de Raad prioriteiten voor toekomstig onderzoek,
waarbij hij zich heeft laten leiden door de volgende drie overwegingen:
1. De gesignaleerde behoefte aan onderzoek is in redelijke balans met het
    onderzoeksaanbod en behoeft hoogstens enige bijstelling binnen het thema
    met betrekking tot de uitvoering.
2. Er is sprake van geen of onvoldoende aanbod aan onderzoek, waaraan wel
    een zekere behoefte is gebleken.
3. Er is sprake van geen of onvoldoende aanbod aan onderzoek, waaraan een
    hoge mate van urgentie bestaat.
Voor alle duidelijkheid wil de Raad vermelden dat het hierbij niet gaat om een
gekwantificeerd onderbouwde afweging, maar om een taxatie (expert judgement), op
basis van de geïnventariseerde en vervolgens gematchte gegevens, in combinatie
met de kennis van de commissieleden op het onderhavige gebied. De commissie
heeft bepaald welk van bovenstaande overweging van toepassing was op elk
deelthema en de Raad heeft dit overgenomen.
Toekenning van overweging 1 aan een bepaald deelthema betekent dat het des-
betreffende onderzoek in de bestaande omvang, grosso modo, toereikend wordt
geacht, waarbij eventueel gewenste verschuivingen binnen het deelthema
uiteraard niet zijn uitgesloten.
Als overweging 2 of 3 is toegekend betekent dit dat er naar het oordeel van de
commissie een wanverhouding bestaat in aanbod en behoefte aan onderzoek
binnen het deelthema. Overweging 3 impliceert bovendien dat het hierbij gaat
om onderzoek met een hoge mate van urgentie. De Raad heeft met name aan de
deelthema’s behorende tot de laatste categorie (overweging 3) de hoogste prioriteit
toegekend.
Zoals gemeld in hoofdstuk 3, is de totale omvang van de onderzoekscapaciteit
relatief klein, zeker vergeleken met de omvang van de onderzoeksbehoeften. Het
wekt dan ook geen verwondering dat bijna al het onderzoek relatief hoog
prioritair is.
In Tabel 3 staat in de linker kolom een omschrijving van de behoefte aan
onderzoek. In de rechter kolom wordt de bijpassende urgentiegraad weergegeven
die de commissie toekent aan een bepaald onderzoeksonderwerp. Hieronder
volgt een korte onderbouwing van de prioriteiten.
                                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>T HEMA 1. A RBEID EN GEZONDHEID
arbeidsgebonden determinanten (overweging 1)
Onderzoek naar arbeidsgebonden determinanten is belangrijk, zeker ook in het
kader van primaire preventie van arbeidsgebonden klachten. Echter, er wordt in
Nederland en in het buitenland al veel onderzoek gedaan op dit terrein. Daarbij
komt dat onderzoek naar arbeidsgebonden determinanten funderend van aard is,
en dus niet direct toepasbaar op het dagelijks handelen van bedrijfsartsen.
Onderzoek naar arbeidsgebonden determinanten zal zijn toepassing mogelijk pas
op langere termijn vinden. Om bovengenoemde redenen is aan onderzoek naar
arbeidsgebonden determinanten overweging 1 toegekend.
Tabel 3     Prioritering van onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfs-
            geneeskunde aan de hand van de gedefinieerde overwegingen
  Onderzoeksthema’s                                        Overweging
  Arbeid en Gezondheid
  Arbeidsgebonden determinanten                                  1
  Beroepsziekten                                                 2
  Arbeidsverzuim en reïntegratie
  Verzuim en arbeidsongeschiktheid                               2
  Sociaal-medische begeleiding                                   2
  Interventieontwikkeling en -evaluatie
  Werkplek/determinanten                                         3
  Bedrijfsgeneeskundige begeleiding                              3
  Voorlichting en interventies                                   3
  Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening
  Rol van de bedrijfsarts bij de organisatie en uitvoering
  van het arbo- en verzuimbeleid                                 3
  Arbocuratieve samenwerking                                     2
  Kosten-effectiviteitsonderzoek                                 3
  Overig onderzoek dat valt onder dit thema                      2
        38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Beroepsziekten (overweging 2)
De Raad signaleert een duidelijke disbalans in het aanbod en de behoefte aan
onderzoek op het terrein van met name de diagnostiek en arbeidsgerelateerdheid
van nieuwe beroepsziekten. Hiermee worden arbeidsgebonden gezondheids-
risico’s bedoeld die ontstaan door continue veranderingen in het arbeidsproces of
de arbeidsomstandigheden. De commissie is daarom van mening dat aan onder-
zoek op dit terrein behoefte bestaat. Deze prioritering sluit aan bij een van de
conclusies van het advies Nieuwe risico’s dat de Sociaal Economische Raad (SER)
in mei 2002 uitbracht11, te weten dat er sprake is van een tekort aan kennis over
nieuwe arbeidsgerelateerde gezondheidsrisico’s. Volgens de SER zou dit enerzijds
kunnen belemmeren dat tijdig nieuwe risico’s worden gesignaleerd, anderzijds zou
de gezondheidsschade als gevolg van deze nieuwe risico’s nu niet effectief kunnen
worden voorkomen en behandeld.
T HEMA 2. A RBEIDSVERZUIM EN REÏNTEGRATIE
Verzuim en arbeidsongeschiktheid (overweging 2)
Kennis over factoren die de reïntegratie beïnvloeden is schaars, maar wel van
essentieel belang voor een geslaagd reïntegratieproces. De aanhoudend hoge
ziekteverzuim- en arbeidsongeschiktheidscijfers in Nederland onderstrepen het
belang van onderzoek. Dat onderzoek moet dan ook in zijn huidige omvang
worden voortgezet. De Raad is van mening dat er behoefte is aan onderzoek naar
determinanten van verzuim en arbeidsongeschiktheid.
Sociaal-medische begeleiding (overweging 2)
De uitvalsduur van werknemers uit het arbeidsproces is relatief lang. Verder loopt
de kwaliteit van de sociaal-medische begeleiding van de zieke werknemer nogal
uiteen. Toekomstig onderzoek binnen dit deelthema zal zich moeten richten op
de vraag hoe de uitgevallen werknemer weer snel en op een adequate wijze terug
aan het werk kan worden geholpen. Ofschoon er in Nederland al tamelijk veel
onderzoek wordt uitgevoerd naar de sociaal-medische begeleiding, vindt de Raad
blijvende aandacht voor dit deelthema nodig, ten minste op het bestaande niveau
- en zo mogelijk in wat grotere omvang. Dit is van belang ter ondersteuning van
arbodiensten die zich actief inzetten voor de bevordering en het behoud van het
arbeidsvermogen van de Nederlandse werkende bevolking. Daarom is er volgens
de Raad behoefte aan onderzoek naar de sociaal-medische begeleiding van de
zieke werknemer.
                                                                         39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>T HEMA 3. I NTERVENTIEONTWIKKELING EN - EVALUATIE
De Raad streeft naar evidence-based occupational medicine: het handelen van
bedrijfsartsen moet door wetenschappelijk onderzoek worden onderbouwd.
Momenteel zijn voor ongeveer 5 tot 10% van de bedrijfsgeneeskundige
handelingen richtlijnen of protocollen beschikbaar. Hiervan is slechts 30%
wetenschappelijk onderbouwd (evidence based). Stijging van deze percentages zal
leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het handelen van bedrijfsartsen. Er
is een toenemend aantal interventies of instrumenten ter ondersteuning van dat
handelen. De (kosten-)effectiviteit en toepasbaarheid van deze interventies of
instrumenten zal door middel van interventieonderzoek moeten worden
aangetoond. Aan deze vorm van onderzoek - op alle drie hieronder genoemde
deelthema’s - geeft de Raad de hoogste prioriteit. De urgentie van het onderzoek
is zo groot dat hierin door het bestaande onderzoeksaanbod slechts zeer ten dele
kan worden voorzien.
Werkplek/determinanten (overweging 3)
Onderzoek naar de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en toepasbaarheid van
preventieve maatregelen op de werkplek ten behoeve van zowel de primaire als
secundaire preventie van arbeidsgebonden aandoeningen.
Bedrijfsgeneeskundige begeleiding (overweging 3)
Onderzoek naar de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en toepasbaarheid van de
bedrijfsgeneeskundige begeleiding ter verhoging van de kwaliteit van het dagelijks
handelen van bedrijfsartsen. De bedrijfsarts besteedt immers het grootste gedeelte
van zijn werktijd aan de bedrijfsgeneeskundige begeleiding van werknemers.
Voorlichting en interventies (overweging 3)
Onderzoek naar de ontwikkeling, (kosten-)effectiviteit en toepasbaarheid van
instrumenten en interventies ten behoeve van het bevorderen van een gezonde
leefstijl op de werkplek.
T HEMA 4. K WALITEIT EN DOELMATIGHEID VAN DE BEDRIJFSGENEESKUNDIGE DIENST -
VERLENING
Rol van de bedrijfsarts bij de organisatie en uitvoering van het arbo- en verzuimbeleid
(overweging 3)
Er is een duidelijke wanverhouding tussen het aanbod en de behoefte aan
onderzoek naar de rol en de positie van de bedrijfsarts bij de organisatie van het
arbo- en verzuimbeleid. De behoefte aan dergelijk onderzoek is groot, terwijl het
         40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>onderzoeksaanbod minimaal is. Omdat de vragen die aan de behoeftezijde gesteld
worden essentieel zijn in het kader van de kwaliteitsbevordering van het
bedrijfsgeneeskundige handelen, is dit onderzoek zeer urgent.
Arbocuratieve samenwerking (overweging 2)
Op het gebied van de arbocuratieve samenwerking worden thans met name
kleinschalige onderzoeksprojecten uitgevoerd. In het veld bestaat behoefte aan
grootschaliger onderzoek naar arbocuratieve samenwerking. Dergelijk onderzoek
is van belang voor de problematiek van chronisch zieken en werk.
Kosten-effectiviteitsonderzoek (overweging 3)
Er is weinig kennis en informatie beschikbaar over de doelmatigheid van de
dienstverlening door bedrijfsartsen. De doelmatigheid kan gezien worden vanuit
het perspectief van de productiviteit of vanuit het perspectief van de gezondheid
van de werknemer. De rol van de bedrijfsarts en de organisatie van de
bedrijfsgeneeskundige dienstverlening zullen beoordeeld moeten worden aan de
hand van kosten-effectiviteitsanalyses vanuit deze verschillende perspectieven.
Onderzoek naar de kosteneffectiviteit van de bedrijfsgeneeskundige dienstver-
lening als geheel is dus van essentieel belang voor arbodienst, werkgever en
werknemer en is daarom ingedeeld in de categorie met de hoogste prioriteit.
Bovendien is de sterke behoefte aan kosten-effectiviteitsonderzoek niet in balans
met het beperkte aanbod.
Overig onderzoek dat valt onder dit thema (overweging 2)
De behoefte aan onderzoek naar wet- en regelgeving op het terrein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde lijkt redelijk in balans te zijn met het aanbod.
Er is onvoldoende onderzoek naar criteria om het handelen van bedrijfsartsen te
kunnen meten en toetsen om in de behoefte te voorzien.
Er wordt geen onderzoek uitgevoerd naar het effect van privatisering van de
bedrijfsgezondheidszorg op het functioneren van bedrijfsartsen, terwijl daar wel
behoefte aan is, zeker omdat het hier gaat om een unieke situatie in het
Nederlandse gezondheidszorgsysteem.
De Raad vindt dat er onvoldoende aanbod is aan onderzoek naar de kwaliteit van
de opleiding tot bedrijfsarts en naar de aansluiting van de opleiding bij de
praktijk.
4.2        ONDERZOEKSPRIORITEITEN SAMENGEVAT
Ten behoeve van dit advies zijn het aanbod en de behoefte aan onderzoek op het
terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde geïnventariseerd. Vervolgens zijn
                                                                          41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>het gesignaleerde aanbod en de behoefte aan onderzoek aan elkaar gematcht, om
uiteindelijk te komen tot een aantal onderzoeksprioriteiten. Aan de hand van drie
overwegingen is de mate van prioriteit voor bepaald onderzoek vastgesteld. De
Raad heeft besloten onderzoek met overweging 3 (er is een urgente behoefte aan
dit onderzoek, maar er is geen of onvoldoende aanbod) als zwaartepunten te
beschouwen in de onderzoeksprioritering. Samengevat leidt dit tot de volgende
twee onderzoekszwaartepunten:
Zwaartepunt 1. Interventieontwikkeling en -evaluatie
De wetenschappelijke onderbouwing van het bedrijfsgeneeskundig handelen zoals
beschreven in richtlijnen en protocollen behoeft dringend versterking. Naast
uitbreiding van de bestaande interventies of instrumenten ter ondersteuning van
het bedrijfsgeneeskundig handelen, is er vooral behoefte aan onderzoek naar de
(kosten-)effectiviteit en toepasbaarheid van deze interventies en instrumenten.
Speciaal zal de aandacht uit moeten gaan naar de ontwikkeling, (kosten-)effec-
tiviteit en toepasbaarheid van:
- preventieve maatregelen op de werkplek;
- instrumenten en interventies ter ondersteuning van de bedrijfsgeneeskundige
   begeleiding van zieke werknemers;
- instrumenten en interventies in het kader van de bevordering van een gezonde
   leefstijl op de werkplek.
Zwaartepunt 2. Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening
Verduidelijking van de rol en positie van de bedrijfsarts bij het uitvoeren en de
organisatie van het arbo- en verzuimbeleid zijn essentieel voor de bevordering
van de kwaliteit het bedrijfsgeneeskundige handelen. De rol van de bedrijfsarts en
de organisatie van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening zullen beoordeeld
moeten worden aan de hand van kosten-effectiviteitsanalyses vanuit verschillende
perspectieven, nl. het perspectief van de onderneming en het perspectief van de
werknemer.
Onderzoek naar de kosteneffectiviteit van de bedrijfsgeneeskundige dienst-
verlening als geheel is van essentieel belang voor verschillende partijen in het veld
van de bedrijfsgezondheidszorg, zoals de arbodienst, de werkgever en de werk-
nemer, en heeft daarom zeer hoge prioriteit.
         42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>5          ON D E R Z O E K S I N F R A S T R U C T U U R E N W I J Z E V A N
           KENNISOVERDRACHT
5.1        INLEIDING
Dit hoofdstuk gaat dieper in op de onderzoeksinfrastructuur en de mogelijkheden
voor kennisoverdracht op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
Tijdens de interviews met de sleutelpersonen zijn diverse facetten van de onder-
zoeksinfrastructuur en de wijze van kennisoverdracht besproken. Sleutelpersonen
gaven aan waar knelpunten bestaan in de huidige structuur, en hoe deze
knelpunten mogelijk verbeterd of opgelost zouden kunnen worden. Hieronder
volgt een korte beschrijving van de huidige onderzoeksinfrastructuur en wijze van
kennisoverdracht, en de gesignaleerde knelpunten daarin. Ook wordt ingegaan op
de huidige opleiding tot bedrijfsarts, in het kader van de kennisoverdracht.
5.2        HUIDIGE ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR
Onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde wordt in
Nederland uitgevoerd bij een beperkt aantal universiteiten en buitenuniversitaire
onderzoeksinstellingen. In het kader van dit advies zijn negen universitaire en drie
buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen benaderd. In hoofdstuk 3 is hiervan
een overzicht gegeven. In de meeste gevallen gaat het om instellingen met een
geringe tot zeer geringe capaciteit. Het aantal aan onderzoek bestede fte’s is
verspreid in sub-kritische massa’s over verschillende plaatsen in Nederland. Vier
van de negen universitaire onderzoeksinstellingen gaven zelfs aan te beschikken
over minder dan één onderzoeks-fte voor onbepaalde tijd. De verhouding tussen
het aantal in onderzoek geïnvesteerde fte’s voor onbepaalde tijd en bepaalde tijd
is voor universiteiten ongeveer 1:3. Verreweg het grootste gedeelte van de
universitaire capaciteit betreft onderzoekers met een tijdelijke aanstelling. Bij de
buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen hebben de meeste onderzoekers een
dienstverband voor onbepaalde tijd.
Onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde wordt veelal
gefinancierd uit de tweede geldstroom. Financiering uit de tweede geldstroom
komt vooral vanuit het de Thema Arbeid en Gezondheid van ZorgOnderzoek
Nederland Medische Wetenschappen van NWO (ZonMw)12 Binnen dit thema
vallen:
- het programma Samenwerking bij sociaal-medische begeleiding (startdatum
   1997, duur 7 jaar, budget i 2.291.590);
- het programma Klachten aan het Bewegingsapparaat (startdatum 1998, duur 4
   jaar, budget i 2.042.011);
                                                                          43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>- het programma Implementatie van de Samenwerking huisarts-bedrijfsarts
   (startdatum 2000, duur 4 jaar, budget i 1.173.249);
- het programma Betere zorg, tevreden patiënten (startdatum 2001, duur 3 jaar,
   budget i 5.032.423);
- het programma Nederlandse Kenniscentra Arbeidsrelevante Aandoeningen
   (startdatum 2000, duur 3 jaar, budget i 101.193).
Opdrachtgevers van het Thema Arbeid en Gezondheid zijn VWS en SZW. Uit de
bovengenoemde ZonMw-programma’s wordt overigens niet alleen onderzoek
gefinancierd. Naast de genoemde programma's is er nog het programma
Psychische vermoeidheid in de Arbeidssituatie (startdatum 1995, duur 8 jaar,
budget i 3.155.587) dat gefinancierd wordt via NWO13.
Samenwerking tussen onderzoeksinstellingen (universitaire en buiten-
universitaire) vindt plaats, maar is mede afhankelijk van de beschikking over
fondsen en subsidies en van goede persoonlijke verhoudingen tussen betrokken
onderzoeksinstellingen en onderzoekers.
5.3        HUIDIGE ACTIVITEITEN VAN KENNISOVERDRACHT
Het spreekt voor zich dat de kennis uit het wetenschappelijk onderzoek verspreid
moeten worden onder bedrijfsartsen, wil het leiden tot bevordering van de
kwaliteit van hun handelen.Om kennisoverdracht van het onderzoeksveld naar
het praktijkveld te realiseren zijn in Nederland diverse activiteiten ontplooid. De
belangrijkste van deze activiteiten worden genoemd in een brief van de
Staatssecretaris van SZW aan de Tweede Kamer (oktober 2002)14. Hieronder
worden deze activiteiten kort toegelicht.
1. Het Nederlands Focal Point voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk
     maakt deel uit van het netwerk van nationale Focal Points van het Europees
     Agentschap voor de Veiligheid en Gezondheid op het Werk van de Europese
     Unie te Bilbao. Een belangrijk doel van het Focal Point is het onderhouden
     van de arbo-website. Via de website wordt informatie en kennis toegankelijk
     gemaakt die het praktijkveld nodig heeft om een goed arbo-, verzuim-, en
     reintegratie beleid te kunnen voeren.
2. Het Kennis en Documentatiecentrum (KDC) op het terrein van arbeids-
     omstandigheden van TNO Arbeid heeft als doel het selecteren, bewaren en
     toegankelijk maken van kennis en informatie op het terrein van arbeids-
     omstandigheden voor het praktijkveld. Het KDC is gekoppeld aan het
     Nederlands Focal Point.
3. Het Arbo Platform heeft als belangrijke taak het versterken en bevorderen
     van de afstemming van de vraag naar kennis en kennisaanbod en de door-
     stroming en ontsluiting van arbokennis in Nederland. Het Arbo Platform wil
        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   de beschikbaarheid van arbokennis en de samenwerking van actoren in het
   arboveld optimaliseren. Het Arbo Platform en het Nederlands Focal Point
   zijn voornemens hun krachten te bundelen.
4. Het NCvB is een landelijk kennisinstituut dat zich bezig houdt met de
   kwaliteit van zorg voor beroepsziekten. Hierbij richt het NCvB zich op de
   diagnostiek, de behandeling, de begeleiding, de vroegdiagnostiek en de
   preventie van beroepsziekten. Het NCvB is gelieerd aan het Coronel Instituut
   voor arbeid, gezondheid en milieu.
5. De stichting Expertise Centrum Reïntegratie (STECR) is een initiatief van de
   BOA en SZW. Het initiatief is ingegeven door het hoge verzuim, de hoge
   WAO-instroom en het besef dat gezocht moet worden naar nieuwe wegen om
   deze te beperken. STECR is een nationaal kenniscentrum op het gebied van
   ziekteverzuim en reïntegratie, inventariseert, bundelt en presenteert expertise
   over verzuim en reïntegratie en geeft daarmee voortdurend kwaliteits-
   impulsen aan de reïntegratie-dienstverlening. STECR onderhoudt een sterke
   relatie met TNO Arbeid.
6. Het Bureau Richtlijnen NVAB verzamelt vakinhoudelijke kennis, selecteert
   en bundelt die informatie en maakt die kennis toegankelijk voor bedrijfsartsen
   in de vorm van praktische richtlijnen. Het doel van deze activiteiten is de
   expertise van de bedrijfsarts op een hoger plan te brengen. Naast de
   ontwikkeling van richtlijnen verricht het Bureau diverse werkzaamheden ter
   ondersteuning van de implementatie van de richtlijnen bij arbodiensten.
7. Het kennisnetwerk arbeidsrelevante aandoeningen richt zich op de
   verbetering van de samenwerking tussen de medische beroepsgroepen met als
   oogmerk snellere en betere zorg en daarmee vroegtijdige reïntegratie. De 4
   Nederlandse kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen vormen een
   onderdeel van het kennisnetwerk. Zij verzamelen en ontwikkelen kennis over
   arbeid en gezondheidsklachten en stellen deze kennis beschikbaar aan artsen
   en paramedici die zieke werknemers behandelen en begeleiden. Ieder kennis-
   centrum concentreert zich op een belangrijke groep van arbeidsrelevante
   aandoeningen (aandoeningen van het bewegingsapparaat, longaandoeningen,
   huidaandoeningen en psychische problematiek). De vier verschillende kennis-
   centra zijn begin 2000 op aanwijzing van de minister van VWS gestart. Met
   uitzondering van het Kenniscentrum Arbeid en Psyche zijn alle kenniscentra
   verbonden aan een universiteit. De kenniscentra werken nauw samen met
   elkaar, alsmede met het NCvB en STECR.
8. Naast de 4 kenniscentra bestaan er sinds 2002 onder de naam Medwerk 15
   regionale samenwerkingsverbanden en expertisecentra ten behoeve van een
   meer doelmatige en doeltreffende gevalsbehandeling door het actief
   verspreiden en uitdragen van kennis en expertise over arbeidsrelevante
                                                                         45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>    aandoeningen en versterking van de samenwerking en communicatie tussen
    medische beroepsbeoefenaren. Medwerk vervult een belangrijke
    intermediaire functie tussen de Nederlandse kenniscentra en de professionals
    in het veld. Kennisuitwisseling van het nationaal naar het regionaal niveau en
    omgekeerd wordt hierdoor gewaarborgd.
9. Informatie over belangrijke ontwikkelingen op het terrein van de arbeids-
    omstandigheden in Nederland worden jaarlijks bijeengebracht in de
    Arbobalans van SZW. Het gaat hier om het verzamelen van representatieve
    informatie over risicovolle werksituaties, de effecten daarvan op de
    gezondheid van werknemers en de maatregelen die genomen worden om
    deze risico’s te beperken. Deze informatie is van belang voor het signaleren
    van beleidsrelevante trends en kan op die manier input vormen voor nieuw of
    aan te passen beleid.
In bijlage 5 van dit advies wordt extra informatie gegeven over de boven-
genoemde activiteiten (adresgegevens en/of website).
Naast deze activiteiten voor kennistransfer vormen ook opleidingen (opleiding tot
bedrijfsarts, cursussen, bij- en nascholing) een belangrijke route waarlangs weten-
schappelijk ontwikkelde kennis bij het praktijkveld terechtkomt.
De beroepsopleiding tot bedrijfsarts vindt in Nederland, in tegenstelling tot de
meeste andere medische beroepsopleidingen, niet gedecentraliseerd plaats vanuit
een academische setting (zoals een academisch medisch centrum), maar
gecentraliseerd vanuit twee plaatsen in Nederland. De vierjarige opleiding is
bedoeld voor (basis-)artsen, die werkzaam zijn als bedrijfsarts-in-opleiding bij een
gecertificeerde Arbodienst onder supervisie van een praktijkbegeleider. De
opleiding leidt op tot inschrijving in het register van Beroepen in de Individuele
Gezondheidszorg (BIG-register) als ‘arts voor arbeid en gezondheid, bedrijfsarts’.
De ene plaats waar een postacademische beroepsopleiding tot bedrijfsarts wordt
verzorgd, is de Netherlands School of Public and Occupational Health (NSPOH). De
NSPOH werkt samen met diverse universiteiten en instellingen, zoals de EUR,
het AMC, het VUmc, TNO Preventie en Gezondheid (TNO-PG), TNO Arbeid
en het Nederlands Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie
(NIGZ). Naast de vierjarige opleiding tot bedrijfsarts verzorgt de NSPOH een
omvangrijk programma aan na- en bijscholingscursussen.
De andere plaats voor een bedrijfsartsenopleiding is Nijmegen. De Nijmeegse
opleiding is onderdeel van het Centrum voor Arbeid en Gezondheid van de
KUN. De hoofdactiviteit hier is de postacademische opleiding tot bedrijfsarts,
Sociaal-Geneeskundige Beroepsopleiding Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
       46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>(SGBO-ABG) genoemd. Het Centrum en de SGBO-ABG maken deel uit van de
afdeling Sociale Geneeskunde van de KUN.
De opleiding tot bedrijfsarts wordt momenteel vernieuwd, tegen de achtergrond
van ontwikkelingen in het vakgebied en algemene trends in de medische
opleidingen. Eén van de opties die in het College voor Sociale Geneeskunde
besproken gaat worden, betreft het meer flexibiliseren van de opleidingsstructuur,
op een wijze die het individuele cursisten mogelijk maakt op onderdelen te
verdiepen of te verbreden verdieping of verbreding te zoeken . Dit overigens
zonder de totale opleidingsduur te verlengen, maar mogelijk zelfs te verkorten via
een iets andere opleidingsstructuur, die beter aansluit bij de basisopleiding. Het
wordt dan voor cursisten onder andere mogelijk om een langere en meer
diepgaande onderzoeksstage te doen dan de beperkte stage die nu wordt gevolgd.
5.4        KNELPUNTEN IN DE ONDERZOEKSINFRASTRUCTUUR
5.4.1      UNIVERSITAIRE INBEDDING
De sociale geneeskunde is één van de acht kerndisciplines binnen het
basiscurriculum van de medische faculteiten. De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
is binnen deze kerndiscipline één van de twee hoofdstromen. Het vakgebied heeft
een grote omvang: eind 2001 waren er in Nederland bij arbodiensten en arbo-
adviesbureaus ruim 9500 bezette arbeidsplaatsen, waarvan ruim een kwart werd
bezet door artsen; ter vergelijking: het aantal BIG-geregistreerde bedrijfsartsen
(1.557) ligt in dezelfde orde van grootte als het geregistreerde aantal specialisten
Inwendige geneeskunde (1.685). Het is dus noodzakelijk dat studenten zich
kunnen oriënteren op het vakgebied. Vertegenwoordiging van het vakgebied aan
iedere medische faculteit lijkt gerechtvaardigd. Echter, er blijkt weinig tot geen
aandacht voor de sociale geneeskunde en dus ook voor de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde in het basiscurriculum van de meeste medische opleidingen.
Op sommige medische faculteiten wordt zelfs helemaal geen onderwijs gegeven
over de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. Slechts twee medische faculteiten in
Nederland hebben momenteel een leerstoel op dit terrein(VUmc, afdeling Sociale
geneeskunde en AMC, Coronel Instituut). Eén volwaardige leerstoel per
universiteit zou, primair vanuit de optiek van de basisopleiding, wenselijk zijn.
De omvang van het vakgebied, gevoegd bij de behoefte aan kennis (zie hoofdstuk
4), rechtvaardigt ook een zekere omvang van de wetenschappelijke inspanningen.
De wetenschappelijke ontwikkeling van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde aan
de medische faculteiten blijft evenwel achter. Het aanstellen van senior-
onderzoekspersoneel met bedrijfsgeneeskundige achtergrond is problematisch. Er
is sprake van een smalle vaste senior capaciteit, met weinig promoties. De meeste
                                                                          47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>gepromoveerde onderzoekers zijn geen bedrijfsarts, maar hebben een andere
achtergrond, zoals bewegingswetenschappen, fysiotherapie of psychologie.
5.4.2      ACADEMISCHE WERKPLAATSEN
In zijn advies over de werkplaatsfunctie buiten het academische ziekenhuis
(uitgebracht in 2000) concludeert de RGO dat de werkplaatsfunctie ten behoeve
van de sociale geneeskunde ernstig tekort schiet15. Het budget van de medische
faculteiten lijkt volgens de RGO onvoldoende te zijn om de academisering van
deze werkplaatsen te financieren. In de praktijk blijkt dat het beschikbare geld
voor academische werkplaatsen vooral wordt geïnvesteerd binnen de kliniek en
dus niet terecht komt bij extramurale vakgebieden zoals de huisartsgeneeskunde,
verpleeghuisgeneeskunde of sociale geneeskunde. Slechts verwaarloosbaar kleine
bedragen worden momenteel door medische faculteiten beschikbaar gesteld voor
initiatieven op het terrein van de academische werkplaatsen binnen de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde. Daar komt bij dat er onder bedrijfsartsen en arbodiensten
geen stimulerende onderzoekscultuur heerst. Dit houdt in dat de mogelijkheden
om mee te werken aan wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met
universiteiten, bijvoorbeeld door een constructie van een academische werkplaats,
minimaal zijn.
De oplossing die de RGO in zijn eerdere advies heeft aangedragen, nl. oormerken
van een deel van de rijksbijdrage aan de academische ziekenhuizen, is door de
minister van OCenW afgewezen16. Het is in deze visie de eigen verantwoorde-
lijkheid van de universitair medische centra die middelen te gebruiken voor het
creëren van een academische werkplaats t.b.v. extramurale disciplines (zoals de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde). De Raad is van mening dat de universitaire
medische centra die verantwoordelijkheid moeten nemen.
5.4.3      AFSTEMMING VAN ONDERZOEK
Er ontbreekt een landelijke programmering voor onderzoek op het terrein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. Een gevolg hiervan is dat het onderzoek erg
verdeeld is. Uit Tabel 2 van hoofdstuk 3 blijkt verder dat de meeste universitaire
en buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen het grootste percentage van de
onderzoekscapaciteit besteden aan onderzoek dat valt onder de onder-
zoeksthema’s ‘Arbeid en gezondheid (thema 1, gemiddeld 41%)’ en ‘Arbeids-
verzuim en reïntegratie’ (thema 2, gemiddeld 31%), terwijl zij veel minder vaak
onderzoek doen binnen het thema ‘Interventieontwikkeling en -evaluatie’ (thema
3, gemiddeld 14%) en het thema ‘Kwaliteit van de bedrijfsgeneeskundige
dienstverlening’ (thema 4, gemiddeld 10%).
Samenwerking tussen universiteiten en buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen
vindt in beperkte mate plaats. Voorbeelden hiervan zijn het recent opgerichte
        48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>onderzoekscentrum Body@Work, een gezamenlijk initiatief van het Instituut voor
Extramuraal Geneeskundig Onderzoek (VUmc), TNO Arbeid en TNO-PG, of het
NWO-programma Psychische vermoeidheid in de arbeidssituatie, een programma
met meer dan 40 projecten waarbij diverse universiteiten, niet-universitaire
instellingen en soms ook arbodiensten betrokken zijn.
5.4.4       FINANCIERING VAN ONDERZOEK
Door een zeer beperkte financiering uit de eerste geldstroom blijkt het bij
universiteiten bijna onmogelijk een vaste wetenschappelijke staf op te bouwen.
Onderzoekers zijn voor de financiering van onderzoek sterk afhankelijk van
subsidies uit de tweede geldstroom (ZonMw), waardoor een stabiele onderzoeks-
structuur veelal ontbreekt.
Er bestaat binnen de tweede geldstroom geen landelijk onderzoeksprogramma
gericht op de professionalisering van het handelen van bedrijfsartsen. De onder-
zoeksprogramma’s van ZonMw die mogelijkheden bieden voor financiering van
onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, lopen alle
uiterlijk 2004 af. Er is onduidelijkheid over de instelling dan wel continuering van
onderzoeksprogramma’s in de tweede geldstroom die financiering van dit
onderzoek mogelijk maken.
5.5         KNELPUNTEN IN DE WIJZE VAN KENNISOVERDRACHT
In paragraaf 5.2 is kort een aantal Nederlandse initiatieven geschetst die moeten
zorgen voor de overdracht van kennis uit wetenschappelijk onderzoek naar het
praktijkveld. De huidige wijze van kennistransfer kent echter een aantal knel-
punten.
Mede gelet op de complexiteit en het ontbreken van een duidelijke samen-
hangende structuur twijfelt de Raad aan de kwaliteit van de huidige
mogelijkheden voor kennisoverdracht. De huidige structuur is ondoorzichtig voor
de onderzoekswereld en het praktijkveld waardoor de brugfunctie tussen de
onderzoekswereld en het praktijkveld beperkt is.
Een voorbeeld van deze ondoorzichtigheid is de onduidelijke relatie tussen de
vier landelijke kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen en het
praktijkveld van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. De relatie tussen de vier
landelijke kenniscentra en het achterliggende klinische/curatieve onderzoeks-
domein lijkt overigens goed te zijn.
Een voorbeeld van een organisatie waar de capaciteit voor kennisoverdracht
tekort schiet is het Bureau Richtlijnen van de NVAB. Er blijkt in het praktijkveld
een grote behoefte aan de ontwikkeling van richtlijnen. Op jaarbasis kan het
Bureau echter maar een beperkt aantal richtlijnen ontwikkelen. Het ontbreekt
                                                                           49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>bovendien aan voldoende professionele capaciteit voor de implementatie van
richtlijnen.
Zoals al eerder gezegd biedt ook de opleiding een goede mogelijkheid voor
kennisoverdracht. Het is van belang tijdens de opleiding tot bedrijfsarts kennis en
vaardigheden op te doen op onderzoeksgebied. Dit betreft zowel de kennis die
nodig is om onderzoeksresultaten van anderen te kunnen beoordelen en in de
praktijk te gebruiken, als de kennis die nodig is om zelf op beperkte schaal
toegepast onderzoek te kunnen uitvoeren. In de huidige opleiding wordt op twee
manieren gewerkt aan het verkrijgen van deze kennis en vaardigheden. Ten eerste
wordt tijdens de gehele opleiding aan de bedrijfsarts in spé geleerd om aan-
geboden leerstof kritisch te beoordelen en het kenniselement in het aanbod voort-
durend te evalueren. Daarnaast is tijdens de opleiding een onderzoeksstage van 20
dagen ingebouwd, gedurende welke periode de cursist onder begeleiding kennis
kan maken met het zelfstandig verrichten van kleinschalig toegepast onderzoek.
Een knelpunt in de opleiding tot bedrijfsarts is het ontbreken van meer uit-
gebreide en meer flexibele faciliteiten voor scholing in wetenschappelijk
onderzoek.
In het volgende hoofdstuk worden aan de hand van een aantal conclusies en
aanbevelingen mogelijke oplossingen gelanceerd voor deze gesignaleerde
knelpunten.
5.6        INTERNATIONAAL
Het is aannemelijk dat Nederland niet het enige land is met knelpunten op het
gebied van de onderzoeksinfrastructuur voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
Internationale samenwerking is voor onderzoekers essentieel om de kwaliteit van
het onderzoek te verhogen en om vernieuwingen uit andere landen te
introduceren. Om die reden heeft de Raad zich (overigens in beperkte mate)
georiënteerd op de internationale situatie in het onderzoek.
Onverlet de knelpunten die de Raad heeft gesignaleerd, staat het weten-
schappelijk onderzoek in ons land internationaal gezien zeker niet geïsoleerd,
blijkend uit internationale publicaties en uit de organisatie van internationale
congressen in Nederland.
Het meeste arbeidsgeneeskundig onderzoek en onderzoek op het terrein van
gezondheid en veiligheid op het werk (occupational health and safety) vindt plaats in
de geïndustrialiseerde landen. Sinds kort is een toename van activiteiten te zien in
de recent geïndustrialiseerde landen zoals in Zuid-Oost Azië. Internationale
samenwerkingsverbanden zijn te vinden in de Scientific Committees van de
        50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>International Commission on Occupational Health (ICOH), in contacten via de World
Health Organisation, in EU-onderzoeksprogramma’s en in losstaande vaak
bilaterale samenwerkingsverbanden. Er zijn internationale fondsen die een
directe, zij het in omvang beperkte, bijdrage kunnen leveren aan de financiering
van onderzoek.
De organisatie van het onderzoek in andere landen kan een bron van inspiratie
vormen. Te noemen zijn activiteiten van een aantal Berufsgenossenschaften in
Duitsland waarbij een goede verbinding is gelegd tussen beroepsziekten, preventie
en onderzoek. In de USA is door de NIOSH (the National Institute for
Occupational Safety and Health) een omvangrijk onderzoeksprogramma (NORA)
gestart en naar het lijkt succesvol uitgevoerd in samenwerking met een groot
aantal partners waaronder universiteiten en bedrijven. Een nadere verkenning van
de opzet, kosten en opbrengst kan voor ons land leerzaam zijn. In Finland worden
door het nationale instituut FIOH (Finnish Institute of Occupational Health)
diverse onderzoeksprogramma’s uitgevoerd en worden met regelmaat
internationale conferenties georganiseerd over actuele onderwerpen. De
Scandinavische landen werken samen in een gezamenlijk internationaal
cursusprogramma waarbij de nieuwste ontwikkelingen worden gedoceerd (NIVA
cursussen). In Canada biedt het CCOHS (Canadian Centre for Occupational Health
and Safety) een succesvolle internetservice aan de gehele bevolking voor alle
mogelijke vragen op het terrein van gezondheid en veiligheid op het werk
(ccohs.ca). Het Canadese instituut werkt samen met de EU-Agency in Bilbao, de
WHO en de International Labour Organisation met de bedoeling te komen tot een
global portal voor kennisoverdracht. In WHO-verband wordt door diverse
instituten in Nederland bijgedragen aan de internationale uitwisseling van
onderzoeksgegevens en onderwijsprogramma’s. Voor de ontwikkeling van
Evidence Based Occupational Medicine wordt intensief samengewerkt tussen instituten
in Nederland, Finland en Italië.
                                                                         51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>52</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>6         CO N C L U S I E S   EN AANBEVELINGEN
In voorgaande hoofdstukken zijn aanbod en behoeften aan onderzoek op terrein
van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde aan een nadere beschouwing onder-
worpen. Tevens is een schets gegeven van de bestaande onderzoeksinfrastructuur,
de wijzen waarop de kennisoverdracht is geregeld, alsmede de hierbij
gesignaleerde knelpunten. Op grond hiervan is de Raad tot de volgende
conclusies en aanbevelingen gekomen. Bij elke conclusie staat een verwijzing naar
de paragraaf die daaraan ten grondslag ligt.
6.1       CONCLUSIES
1.   Het onderzoekspotentieel in Nederland op het terrein van de arbeids- en
     bedrijfsgeneeskunde is relatief beperkt (3.2.1), zeker in relatie tot de
     gesignaleerde onderzoeksbehoeften ter versterking van de kwaliteit van de
     bedrijfsgeneeskundige zorg en de omvang van de maatschappelijke
     problematiek waarvoor deze zorg zich gesteld ziet (3.3).
2.   Het bestaande onderzoek op het onderhavige gebied is versnipperd over
     diverse universitaire en buitenuniversitaire onderzoeksinstellingen en kent in
     veel gevallen een omvang die als subkritisch valt te betitelen (3.2.1).
3.   De nadruk ligt hierbij in overwegende mate op meer algemeen
     onderbouwend onderzoek op het terrein van arbeid, gezondheid en
     ziekteverzuim (thema’s 1 en 2). Dit onderzoek is zeker van belang te noemen
     voor het functioneren van de bedrijfsarts, maar slechts voor een beperkt deel
     direct van toepassing op bevordering van de kwaliteit van het
     bedrijfsgeneeskundig handelen (3.2.2).
4.   Er ontbreekt in Nederland een landelijke afstemming en programmering
     voor onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde (5.4).
5.   Door een zeer beperkte financiering uit de eerste geldstroom zijn
     onderzoekers voor de financiering van onderzoek sterk afhankelijk van
     subsidies uit de tweede geldstroom en andere geldstromen. Hierdoor
     ontbreekt veelal een stabiele onderzoeksstructuur (5.2 en 5.4).
6.   Het beschikbare geld voor academische werkplaatsen wordt nauwelijks
     geïnvesteerd in extramurale vakgebieden zoals de sociale geneeskunde.
     Bovendien bestaan er bij bedrijfsartsen en arbodiensten weinig mogelijk-
     heden tot deelname aan wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met
     universiteiten en extra-universitaire instellingen (5.4).
7.   Onverlet de wenselijkheid om een meeromvattende, brede impuls te geven
     aan het onderzoek op terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, is de
                                                                         53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>     Raad van oordeel dat gezien de gesignaleerde urgenties een aanmerkelijke
     stimulering nodig is van de volgende twee thema’s ( 4.2):
     - ‘Interventieontwikkeling en -evaluatie’. Onderzoek waarmee zowel
       bestaande als nieuwe interventies, instrumenten en handelingen van
       bedrijfsartsen wetenschappelijk onderbouwd worden. Dit onderzoek kan
       direct leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het handelen van
       bedrijfsartsen.
     - ‘Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgezondheidszorg’. Onderzoeks-
       vragen naar de rol en positie van de bedrijfsarts bij het uitvoeren en de
       organisatie van het arbo- en verzuimbeleid en onderzoek naar de kosten-
       effectiviteit van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening als geheel zijn
       van direct en essentieel belang voor de kwaliteitsbevordering van het
       bedrijfsgeneeskundige handelen.
     De Raad beseft terdege dat er een zekere overlap bestaat tussen beide
     thema’s, maar acht ze van zodanig belang dat ze afzonderlijk aandacht
     verdienen.
8. Er is weinig tot geen aandacht voor het vakgebied arbeids- en bedrijfs-
     geneeskunde in het basiscurriculum van de meeste medische opleidingen.
     De twee medische faculteiten in Nederland die een leerstoel op dit gebied
     hebben, blijken in het curriculum meer aandacht aan arbeids- en
     bedrijfsgeneeskunde te schenken dan de andere faculteiten (5.4).
9. Binnen de huidige opleiding tot bedrijfsarts ontbreekt het aan meer uit-
     gebreide en meer flexibele faciliteiten voor scholing in wetenschappelijk
     onderzoek (5.5).
10. Er wordt door de Raad getwijfeld aan de doelmatigheid van de huidige
     mogelijkheden voor kennisoverdracht op het terrein van de arbeids- en
     bedrijfsgeneeskunde. De huidige structuur is ondoorzichtig voor zowel de
     onderzoekswereld als het praktijkveld (5.5). De contacten tussen de onder-
     zoekswereld en het praktijkveld zijn beperkt. De samenwerking tussen
     onderzoeksinstellingen en instellingen die de verspreiding van onderzoeks-
     resultaten als missie hebben kan aanmerkelijk worden verbeterd. Er is
     behoefte aan een vorm van centrale regie zodat het veld optimaal toegang
     heeft tot de meest recente en relevante wetenschappelijke kennis.
6.2        AANBEVELINGEN
Naar aanleiding van de hierboven beschreven conclusies doet de Raad twee
soorten aanbevelingen. De eerste betreffen de wijze waarop het onderzoek en de
onderzoeksinfrastructuur kunnen worden gestimuleerd; de tweede betreffen de
kennisoverdracht en de implementatie van de ontwikkelde kennisproducten.
       54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>6.2.1      STIMULERINGSPROGRAMMA EN ONDERZOEKSINFRA-
           STRUCTUUR
1. Twee thema’s uitwerken in een stimuleringsprogramma
De Raad beveelt aan om de in conclusie 7 vermelde 2 thema’s, te weten
‘Interventieontwikkeling- en evaluatie’ en ‘Kwaliteit en doelmatigheid van de
bedrijfsgeneeskundige dienstverlening’, verder uit te werken in een stimulerings-
programma.
Kern van het thema Interventieontwikkeling- en evaluatie vormt onderzoek
waarmee zowel bestaande als nieuwe interventies, instrumenten en handelingen
van bedrijfsartsen wetenschappelijk onderbouwd worden. Het betreft preventieve
maatregelen op de werkplek, de bedrijfsgeneeskundige begeleiding van (zieke)
werknemers en de bevordering van een gezonde leefstijl op de werkplek.
Onderzoek dat valt binnen dit thema kan direct leiden tot een verbetering van de
kwaliteit van het handelen van bedrijfsartsen.
Kern van het thema Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige
dienstverlening vormt onderzoek naar de verduidelijking van de rol en positie van
de bedrijfsarts bij het uitvoeren en de organisatie van het arbo- en verzuimbeleid.
Dit kan onder andere door kosten-effectiviteitsanalyses op systeemniveau.
Onderzoek naar de kosten-effectiviteit van de bedrijfsgeneeskundige dienst-
verlening als geheel is voor partijen uit het veld zoals de arbodienst, de werkgever
en de werknemer van essentieel belang, om de kwaliteit van het bedrijfs-
geneeskundig handelen te bevorderen.
2. Uitvoering van het stimuleringsprogramma: kies een twee-sporenbenadering
De Raad beveelt voorts aan bij de uitvoering van het stimuleringsprogramma te
kiezen voor een tweesporen benadering. Ter versterking van de onderzoeks-
infrastructuur is een deel van de te alloceren middelen t.b.v. het stimulerings-
programma in te zetten voor de ontwikkeling van twee of drie onderzoekscentra.
Als de ontwikkeling van deze centra is gerealiseerd, dient uitvoering gegeven te
worden aan het nog nader uit te werken onderzoeksprogramma (tweede spoor),
via de gebruikelijke bottom up procedure voor subsidieaanvragen t.b.v. onder-
zoeksprojecten.
3. Nadere invulling van het eerste spoor: ontwikkeling van onderzoekscentra
Bij de onderzoekscentra denkt de Raad aan hechte bundelingen van universitair
en extra-universitair onderzoek in enkele concentratiepunten, met een duidelijke
programmatische concentratie en van een zodanige omvang en niveau dat
                                                                            55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>hiermee nationaal - en voor zover van toepassing ook internationaal - erkende
posities behaald kunnen worden of behouden kunnen blijven. Aldus valt
verbetering te brengen in het versnipperde karakter van de huidige onderzoeks-
infrastructuur.
De Raad adviseert onderzoeksinstellingen uit te nodigen plannen in te dienen
voor de oprichting van deze onderzoekscentra (‘tender-procedure’). Deze plannen
dienen een concrete omschrijving te bevatten van het onderzoeksprogramma met
beoogde doelstellingen, personele omvang en managementstructuur alsmede een
uitgewerkte begroting. Leidraad voor de inrichting van deze centra vormt het
onder 1 genoemde onderzoeksprogramma waarin de eerder genoemde, gepriori-
teerde onderzoeksthema’s nader zijn uitgewerkt.
De basis personele omvang en samenstelling per in te stellen onderzoekscentrum
omvat tenminste 1 fte hoogleraar, 3 fte senior onderzoekers en 4 fte promovendi.
Als richtsnoer voor de all-in kostenbegroting per centrum is uit te gaan van een
bedrag van ca. i 1 miljoen per jaar. De Raad beschouwt deze centra als ontwik-
kelingskernen met voldoende potentie tot verdere groei via te acquireren
middelen uit de tweede, derde en vierde geldstroom.
De Raad meent dat de universitaire en extra-universitaire samenwerkings-
verbanden in de centra bereid en in staat dienen te zijn om de helft van de
benodigde middelen (eventueel in de vorm van personeel) voor eigen rekening te
nemen. Universiteiten waar nog geen leerstoel is dienen in hun plan de instelling
van een leerstoel op te nemen, waarvan de continuering na afloop van het
onderzoeksprogramma wordt gegarandeerd door de betrokken universiteit. Inzet
van de leerstoel bij de vormgeving van het onderwijs op terrein van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde in het basiscurriculum van de medische opleiding, dient
onderdeel te vormen van de leeropdracht. Binnen het onderzoeksprogramma
dient voorts (financiële) ruimte te worden gecreëerd voor ten minste twee tot vier
promotieplaatsen voor praktiserende bedrijfsartsen. Op deze wijze wordt de
betrokkenheid van en de samenwerking met het praktijkveld gewaarborgd.
Het is van belang op te merken dat de NVAB een groot voorstander is van het
creëren van promotieplaatsen voor bedrijfsartsen. Arbodiensten moeten worden
gestimuleerd tot betrokkenheid bij onderzoek, bijvoorbeeld door het opstellen van
een BOA-convenant of overeenkomst waarin staat dat getalenteerde bedrijfsartsen
door arbodiensten gefaciliteerd moeten worden om mee te kunnen werken aan
onderzoek (bijvoorbeeld in het kader van academische werkplaatsen). Ten slotte
meent de Raad dat in de plannen ter versterking van de kennistransfer, afstem-
ming en samenwerking met instellingen die zorg dragen voor de kennisoverdracht
        56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>in voldoende mate moet zijn gewaarborgd, bijvoorbeeld in de vorm van personele
unies of structureel overleg (zie ook aanbeveling 7).
4.     Nadere invulling van het tweede spoor: onderzoeksprogramma met bottom up
       procedure
In het nog nader uit te werken onderzoeksprogramma kan de gebruikelijke bottom
up procedure voor subsidieaanvragen t.b.v. onderzoeksprojecten gehanteerd
worden. De aanvragende partijen behoeven hierbij uiteraard niet beperkt te
blijven tot de te ontwikkelen onderzoekscentra. Op basis van de bestaande grootte
van het vakgebied en de verwachte kwaliteit van de onderzoeksaanvragen wordt
geschat dat ca. 6 onderzoeksprojecten (zowel promotieprojecten als post-docs) per
jaar kunnen worden gehonoreerd. Rekening houdend met een budget van jaar-
lijks ongeveer i 100.000 per onderzoeksproject zullen de kosten van het tweede
deel van het onderzoeksprogramma neerkomen op ca. i 600.000 per jaar.
5. Financiering van het stimuleringsprogramma
De Raad heeft voor het totale stimuleringsprogramma een loopduur van 6 tot 8
jaar in gedachten. Uitgaande van de hierboven genoemde bedragen en een
looptijd van 8 jaar acht de Raad bij de instelling van 2 onderzoekscentra een
bijdrage van de overheid van ca. i 13 miljoen noodzakelijk. Bij de instelling van
3 onderzoekscentra wordt dit bedrag ca. i 17 miljoen. Hier bovenop komen nog
de bijdragen van de participanten in de onderzoekscentra.
De Raad pleit voor een geleidelijke groei van de uitgaven binnen het gegeven
totaalbudget, op geleide van de resultaten van een tussentijdse evaluatie van het
onderzoeksprogramma na 3 en na 5 jaar.
De Raad beveelt aan om voor de financiering van het voorgestelde programma 3
partijen uit te nodigen gezamenlijk bij te dragen: VWS, SZW en het praktijkveld.
Uit recent gevoerde, oriënterende gesprekken met het praktijkveld (Stichting
Instituut Gak, Arbounie en ArboNed) blijkt dat er een principe-bereidheid bestaat
bij partijen uit het veld om te praten over medefinanciering van het voorgestelde
onderzoeksprogramma (in de vorm van geld maar bijvoorbeeld ook door het
vrijmaken van bedrijfsartsen voor het uitvoeren van onderzoek). Hierbij dient
uitdrukkelijk ook de BOA betrokken te worden. Naar het oordeel van de Raad
zou een verdeling in de financieringsbijdragen van tweederde deel overheid
(VWS & SZW) en eenderde deel praktijkveld haalbaar moeten zijn. Desgewenst is
de Raad bereid initiatieven te ontplooien voor nader overleg dienaangaande met
partijen uit het veld.
                                                                        57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>6. Taken voor ZonMw en een nieuw in te stellen financieringsoverleg
Nadere uitwerking, sturing, coördinatie en kwaliteitsbewaking voor beide sporen
van het stimuleringsprogramma zouden ondergebracht kunnen worden bij
ZonMw, die hiervoor een programmacommissie samenstelt. Het verdient
aanbeveling daarnaast een nader uit te werken financieringsoverleg in te stellen,
waarin naast de overheid ook vertegenwoordigers van overige financierende
instanties zitting hebben. Een belangrijke functie van dit financieringsoverleg is de
beoordeling en vaststelling van de langere-termijnstrategie voor het
stimuleringsprogramma (omvang, koers).
6.2.2      KENNISOVERDRACHT
Binnen het stimuleringsprogramma moet gerichte aandacht en ruimte zijn voor
kennisoverdracht en implementatie van de ontwikkelde kennisproducten. Zowel
het ontwikkelen van kennis, als kennisoverdracht en implementatie moeten na te
streven doeleinden van het stimuleringsprogramma zijn, waarover de betrokken
organisaties verantwoording zullen moeten afleggen.
7. Maatregelen om kennisoverdracht en -implementatie te bevorderen
Versterking van de inbedding van de vier landelijke kenniscentra in het netwerk
van het bedrijfsgeneeskundig onderzoek en de praktijk in Nederland is nodig
teneinde hun zichtbaarheid te vergroten en inhoud te kunnen geven aan hun
beoogde landelijke positionering.
Voorts beveelt de Raad aan de samenwerking tussen instellingen die zorg dragen
voor kennisoverdracht en de onderzoekscentra te intensiveren, bijvoorbeeld in de
vorm van samenwerkingsconvenanten, personele unies, extramurale onderzoeks-
plaatsen, etc. Op deze wijze wordt een koppeling gemaakt tussen de ontwikkeling
en de verspreiding van kennis (zie ook aanbeveling 2).
Ter bevordering van de afstemming en samenhang tussen onderzoek en
kennistransfer verdient het bovendien aanbeveling aan de praktische toepassing,
disseminatie en implementatie van ontwikkelde kennis expliciete aandacht te
schenken in het stimuleringsprogramma.
In dit kader beveelt de Raad aan in het bijzonder aandacht te schenken aan de
verspreiding van kennis betreffende evidence based occupational medicine, in voor de
praktijk van de bedrijfsgezondheidszorg bruikbare vorm, zoals geëvalueerde
richtlijnen, protocollen en geëvalueerde zoekstrategieën en -hulpmiddelen.
Voor dit onderdeel van het stimuleringsprogramma zou een deel van het budget
in de orde van 10 % kunnen worden gereserveerd. In lijn met het voorgaande ligt
het voor de hand om de in aanbeveling 6 genoemde programmacommissie bij
        58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>ZonMw qua samenstelling en taakstelling af te stemmen op de beide aspecten,
onderzoek en kennistransfer.
8. Versterk relatie tussen onderzoek en opleiding
De Raad acht de huidige vernieuwingen in de opleiding tegen de achtergrond van
de behoefte aan meer onderzoekers een gunstige ontwikkeling. Als er bovendien
een sterkere relatie tot stand kan worden gebracht tussen onderzoeksinstellingen
en de opleiding tot bedrijfsarts, waar mogelijk met concrete medewerking van de
arbodiensten waar cursisten hun praktijkopleiding volgen, zijn betere
randvoorwaarden geschapen voor een noodzakelijk groter potentieel aan ook op
onderzoeksgebied geïnteresseerde en bekwame bedrijfsartsen.
Ten behoeve van de wetenschappelijke scholing dient een stimulerings-
programma voor bedrijfsarts-onderzoekers ontwikkeld te worden, vergelijkbaar
met de scholings-en opleidingsactiviteiten in het deelprogramma revalidatie-
geneeskunde van het stimuleringsprogramma Gezondheidsonderzoek (SGO).
Binnen dit stimuleringsprogramma moeten getalenteerde bedrijfsartsen opgeleid
worden tot bedrijfsarts-onderzoeker. De Raad is ervan overtuigd dat op deze wijze
de onderzoekskwaliteiten van bedrijfsarts-onderzoekers kunnen worden vergroot,
de toegankelijkheid voor onderzoek in de bedrijfsgezondheidszorg verbeterd en
de uitstraling van (de functie van) wetenschappelijk onderzoek binnen de bedrijfs-
gezondheidszorg versterkt.
                                                                        59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>60</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>LIJST  MET AFKORTINGEN
A&O-deskundige Arbeids- en organisatiedeskundige
AMC            Academisch Medisch Centrum
BIG            Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg
BOA            Branche Organisatie Arbodiensten
BOREA          Brancheorganisatie Reïntegratiebedrijven
CAPHRI         Care & Public Health Research Institute
               (fusie van Instituten Health/ExTra)
CBO            Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg
CVZ            College voor Zorgverzekeringen
EMGO Instituut Instituut voor Extramuraal Geneeskundig Onderzoek
Erasmus MC     Erasmus Medisch Centrum
FIOH           Finnish Institute of Occupational Health
FNV            Federatie Nederlandse Vakbeweging
iMGZ           Instituut Maatschappelijke Gezondheidszorg
iRv            Kenniscentrum voor Revalidatie en Handicap
KDC            Kennis en Documentatie Centrum
KUN            Katholieke Universiteit Nijmegen
LHV            Landelijke Huisartsen Vereniging
NCvB           Nederlands Centrum voor Beroepsziekten
NIGZ           Nederlands Instituut voor Gezondheidsbevordering en
               Ziektepreventie
NIOSH          The National Institute for Occupational Safety and Health
NSPOH          Netherlands School of Public & Occupational Health
NVAB           Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en
               Bedrijfsgeneeskunde
NVVG           Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde
NWO            Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
OCenW          Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
PAGO           Periodiek Arbeidsgezondheidkundig Onderzoek
UM             Universiteit Maastricht
UMC St Radboud Universitair Medisch Centrum St Radboud
RGO            Raad voor Gezondheidsonderzoek
RIE            Risico Inventarisatie en -Evaluatie
RuG            Rijksuniversiteit Groningen
SER            Sociaal-Economische Raad
SGBO-ABG       Sociaal-Geneeskundige Beroepsopleiding Arbeids- en
               Bedrijfsgeneeskunde
SKB            Stichting Kwaliteitsbevordering bedrijfsgezondheidszorg
                                                                61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>STECR   Stichting Expertisecentrum Reïntegratie
SZW     Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
TNO     Nederlandse organisatie voor Toegepast Natuurweten-
        schappelijk Onderzoek
UM      Universiteit Maastricht
UWV     Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
VUmc    Vrije Universiteit medisch centrum
VNO-NCW Verbond van Nederlandse Ondernemingen - Nederlands
        Christelijk Werkgeversbond
VWS     Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAO     Wet op de Arbeidsongeschiktheid
ZonMw   ZorgOnderzoek Nederland - Medische Wetenschappen
    62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>RE F E R E N TI E S
1.   Professioneel statuut van de bedrijfsarts. Eindhoven: Nederlandse
     Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, 2003, website:
     www.nvab.artsennet.nl
2.   Langdurig ziekteverzuim: algemene informatie voor werkgevers,
     voorlichtingstekst. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werk-
     gelegenheid, website: www.minszw.nl.
3.   Langdurig ziekteverzuim: algemene informatie voor werknemers,
     voorlichtingstekst. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werk-
     gelegenheid, website: www.minszw.nl
4.   Arbodiensten: algemene informatie voor werkgevers, voorlichtingstekst.
     Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, website:
     www.minszw.nl
5.   Arbodiensten en Arbo-adviesbureaus. Cijfers van het Centraal Bureau voor
     de Statistiek, Voorburg/Heerlen, 2003, website: www.cbs.nl
6.   Buijs PC,van Eek WH, Pal TM, van Til M (redactie). Handboek
     Bedrijfsgezondheidszorg. Maarssen: Elsevier, 2001.
7.   Willems JHBM. Professionalisering van de verzekeringsgeneeskunde. Den
     Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2000
8.   Weel ANH, Fortuin RJ. Richtlijnontwikkeling voor artsen, een gezamenlijk
     belang. Amsterdam: Stichting Kwaliteitsbevordering Bedrijfs-
     gezondheidszorg (SKB), 1998
9.   www.borea.nl, website van de Brancheorganisatie Reïntegratiebedrijven
     (BOREA)
10.  Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Jaarverslag 2000. Amsterdam:
     NCvB, 2001
11.  Nieuwe Risico’s, advies over de aanpak en de verzekerbaarheid van
     nieuwe arbeidsgerelateerde gezondheidsrisico’s. Den Haag: Sociaal
     Economische Raad SER, publicatienummer 6, 2002
                                                                     63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>12. www.zonmw.nl. website van ZonMW, 2003
13. NWO PRIORITEIT-programma Psychische Vermoeidheid in de
    Arbeidssituatie, jaarverslag 2001. Den Haag: NWO, 2002
14. Brief d.d. 15 oktober 2002 van Staatssecretaris van Sociale Zaken M. Rutte
    aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal over de
    voortgang van de arbokennisinfrastructuur. Den Haag: Ministerie van
    Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 2002
15. Raad voor Gezondheidsonderzoek RGO. Werkplaatsfunctie buiten het
    academisch ziekenhuis. Den Haag: RGO, advies 21, 2000
16. Raad voor Gezondheidsonderzoek RGO. Advies Kennisinfrastructuur
    Public Health: Kennisverwerving en kennistoepassing. Den Haag: RGO,
    publicatie 39, 2003
    64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK

BIJLAGE 1

Aan de voorzitter en leden van de
commissie Onderzoek Arbeid en Gezondheid

Onderwerp: Advies Onderzoek Arbeid en Gezondheid
Ons kenmerk: HR/GA.0172
Datum: 30 oktober 2001

Op 28 april 2000 hebben de ministers van VWS en OCenW in een brief aan de RGO
gevraagd “om vanuit het perspectief van het volksgezondheid- en gezondheidszorgbeleid de
kennislacunes op het gebied van Public Health en Genomics nader in kaart te brengen en
aanbevelingen te doen op welke wijze het onderzoek naar deze thema’s het beste gestalte
kan krijgen binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur” .

Ter voorbereiding van de advieswerkzaamheden heeft een interne werkgroep van de RGO
een aantal thema’s op het terrein van Public Health benoemd waaraan in het licht van de
adviesaanvraag naar haar oordeel met prioriteit aandacht zou moeten worden geschonken.
Een van deze thema’s betreft het onderzoek naar Arbeid en Gezondheid. De werkgroep
verstaat hieronder niet alleen het onderzoek de beroepsmatige blootstelling aan schadelijke
invloeden maar geeft hieraan een ruimere interpretatie. Zowel de instroom in de WAO als
de tekorten op de arbeidsmarkt vormen een groot maatschappelijk probleem. Toekomstig
onderzoek zou volgens de werkgroep derhalve gericht kunnen worden op een innovatieve
aanpak van preventie van arbeidsongeschiktheid. Ook onderzoek op het gebied van de
verzekeringsgeneeskunde zou gestimuleerd moeten worden. De werkgroep constateert
echter anderzijds dat er een grote discrepantie bestaat tussen de omvang van de
maatschappelijke problematiek en de hieraan te relateren onderzoeksbehoefte enerzijds en
anderzijds de omvang en kwaliteit van het huidige onderzoek. Wat de kennisinfrastructuur
betreft merkt de werkgroep op dat een versterking van de onderzoekscapaciteit op het
terrein arbeid en gezondheid, binnen de sociale geneeskunde, dringend nodig is.

Deze stellingname wordt onderschreven door de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en
Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) die bij herhaling heeft gepleit voor een nadrukkelijker
wetenschappelijke uitbouw van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.

In vervolg op de prioritering door de werkgroep Public Health heeft de Raad in overleg met
het ministerie van VWS, en later ook na overleg met het ministerie van SZW besloten met
voorrang advies uit te brengen over de bestaande kennisbehoeften en -lacunes op het terrein
van Arbeid en Gezondheid.

Postadres Bezoekadres

Postbus 16052 Parnassusplein 5

2500 BB Den Haag Á 2511 VX Den Haag
e-mail bureau@rgo.nl x Telefoon 070 - 340 75 21
website www.rgo.nl Fax 070 - 340 75 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Om praktische redenen heeft de RGO besloten niet het hele terrein van Arbeid en
Gezondheid integraal in beschouwing te nemen maar zijn aanbevelingen in een aantal
deeladviezen uit te brengen. Vanzelfsprekend zal hierbij de nodige aandacht aan de
samenhang dienen te worden geschonken.

Als eerste zal de aandacht van de Raad gericht zijn op de Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
en wel in het bijzonder op de programmering van noodzakelijk c.q. gewenst onderzoek ter
versterking van de kwaliteit van de door deze beroepsgroep te verlenen zorg aan
werkenden. In dit kader zal worden nagegaan in hoeverre:
- het onderzoeksaanbod afgestemd is op de behoefte en
- het wenselijk is de infrastructuur van het wetenschappelijk onderzoek op dit
gebied - en daarmee samenhangend de bedrijfsgeneeskundige opleiding - te
versterken.
Voor het onderhavige advies zal in de eerste plaats een afbakening van het domein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde moeten plaatsvinden. De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
heeft vele raakvlakken met andere beroepsgroepen in de gezondheidszorg zoals de
huisartsgeneeskunde en verzekeringsgeneeskunde. Die raakvlakken zullen in kaart moeten
worden gebracht.
Na afbakening van het domein zal de onderzoekssituatie van dit moment beschreven
worden. Aansluitend hierop zal de behoefte aan onderzoek vanuit de praktijk worden
geinventariseerd, en zal in kaart gebracht worden in welke mate de behoefte aansluit bij het
aanbod van onderzoek. Tevens zal er veel aandacht moeten zijn voor de infrastructuur van
het onderzoek, en daarmee samenhangend de structuur van de opleiding.

Het is de bedoeling dat het advies najaar 2002 gereed zal zijn. Het is het uitdrukkelijke
voornemen van de RGO om zo spoedig mogelijk in overleg met het ministerie van SZW een
analoog advies over de verzekeringsgeneeskunde uit te brengen. Overige onderwerpen
binnen het veld Arbeid en Gezondheid kunnen hierna ter hand genomen worden.

ANA —
prof. dr. H.G.M. Rooijmans
voorzitter Raad voor Gezondheidsonderzoek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 2
SAMENSTELLING COMMISSIE ONDERZOEK ARBEIDS- EN
BEDRIJFSGENEESKUNDE
dr. W.R.F. Notten (voorzitter)       TNO-PG
prof.dr. F.J.H. van Dijk             Coronel Instituut AMC
prof. dr. J.W. Groothoff             RuG
dr. C.T.J. Hulshof                   Coronel Instituut AMC
prof.dr. W. van Mechelen             EMGO Instituut VUmc
prof.dr. F.J.N. Nijhuis              UM
drs. D.J. van Putten                 TNO Arbeid
drs.ing. P. Staal                    Arbo Unie
drs. O.B.A. Veldhuijzen-van Zanten   KLM Arbo Services bv
prof.dr. J.H.B.M. Willems            TNO-PG
mw.dr. G.A.M. Ariëns, secretaris     RGO
dr. C.H. Langeveld, secretaris       RGO
Waarnemers:
drs. H.W. Benneker                   RGO
mw.drs. A.C.F. van Galen-Metz        SZW
mw. L.A.M. Kuijpers                  VWS
prof.dr. J.P. Mackenbach             Erasmus MC
prof. dr. H.G.M. Rooijmans           RGO
mw.drs. A.C. Samson, waarnemer       VWS (tot 1 juli 2002)
Secretariële ondersteuning en layout
mw. L. Bakker                        RGO
                                                           1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>2</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 3
GERAADPLEEGDE DESKUNDIGEN
mw. drs. M.T.J. A-Tjak     NVAB
J. Bruins Slot             Arbo Unie
dr.ir. A. Burdorf          Erasmus MC
prof.dr. P.J. Coenraads    Nederlands Kenniscentrum
                           ArbeidsDermatosen
prof.dr. F.J.H. van Dijk   Coronel Instituut AMC
drs. J. Dijkhorst          BOREA
P.J.M. Erich               Commit Arbo
R.J. Fortuin               SKB Expertisecentrum Gezondheid en
                           Arbeid
Mr. C.S. Frenkel           VNO-NCW
drs. C.J. Goudswaard       Arbogroep GAK
prof.dr. J.W. Groothoff    RuG
dr. J.W.J. van der Gulden  UMC St. Radboud
drs. P. Heuts              iRV
prof.dr. W. van den Heuvel iRV
prof.dr. B.W. Koes         Erasmus MC
prof.dr. M.A.J. Kompier    UMC St. Radboud
A. Koster                  Commit Arbo
dr. P.J. Kroon             NSPOH
drs. G.J. Lind             Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Psyche
A.L.J.E. Martens           Zorgverzekeraars Nederland
prof.dr. W. van Mechelen   EMGO Instituut
dr. H. Miedema             Nederlands Kenniscentrum Arbeid en
                           Klachten Bewegingsapparaat
                                                             1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>prof.dr. F.J.N. Nijhuis     UM, SRL Hoensbroek Centrum voor
                            Arbeidsperspectief
mw. drs. M.A. van Oostindië STECR
dr. R. Prins                Astri
drs. D.J. van Putten        TNO Arbeid
mw. dr. F. Rikken           CVZ
Ing. G. Rouboss             BOREA
Mr. A.P.M.G. Schoenmaeckers BOA
D. Spreeuwers               NCvB
Mr. A.H.M. Stam             ArboNed
Dr. G.M.H. Swaen            UM
drs. M.J. van Til           BOA
mw.drs. M.G. Veenstra       CVZ
drs. M. Wilders             FNV
drs. L.W.J.P. de Wit        ArboNed
       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 4
ENQUÊTEFORMULIER INVENTARISATIE AANBOD EN BEHOEFTE AAN
ONDERZOEK
Ter ondersteuning van het interview voor de inventarisatie van het
aanbod/behoefte aan wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de
Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
Datum:
Naam Instelling:
Naam geïnterviewde:
DOMEIN, RAAKVLAKKEN EN TAKEN
De inventarisatie van de behoefte en het aanbod aan wetenschappelijk
onderzoek op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde zal gebeuren
op geleide van de verschillende taken van de bedrijfsarts. Hieronder volgt een
korte uiteenzetting van het domein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde, de
raakvlakken met overige (arbo)disciplines, en een overzicht van de belang-
rijkste taken van de bedrijfsarts.
De arbeids- en bedrijfsgeneeskunde stelt zich ten doel de gezondheid van
werknemers te beschermen en te bevorderen in de relatie tot hun arbeid. Deze
zorg omvat aspecten van onderzoek, voorlichting, advisering, begeleiding,
hulpverlening, ondersteuning en behandeling. De arbeids- en bedrijfsgenees-
kunde richt zich op individuele of groepen werknemers binnen een
bedrijfssituatie.
De bedrijfsarts zal veelal in teamverband werken met andere arbo-
deskundigen, maar binnen dit team brengt de bedrijfsarts wel een specifieke
medische deskundigheid in. Binnen het domein arbeid en gezondheid zijn
naast de bedrijfsarts nog drie andere kerndisciplines werkzaam: de arbeids- en
organisatiedeskundige, de arbeidshygiënist en de veiligheidskundige. Naast
deze kerndisciplines worden verder nog andere disciplines genoemd zoals de
arbeidsdeskundige, de klinisch psycholoog, de ergonoom, de bedrijfsmaat-
schappelijk werker, de fysiotherapeut en de p & o functionaris. Uit boven-
staande opsomming blijkt het multidisciplinaire karakter van het domein arbeid
en gezondheid. De bedrijfsarts vervult zijn taken in samenwerking en overleg
met deze andere disciplines en professies.
                                                                      1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Behalve de bovengenoemde arbo-disciplines waarmee wordt samengewerkt,
zijn er natuurlijk ook andere medische disciplines waarmee samenwerking
plaatsvindt. De belangrijkste zijn de verzekeringsartsen, huisartsen, revalidatie-
artsen, en de ggz. Tot slot vindt samenwerking plaats tussen de bedrijfsarts en
sectoren/disciplines en instellingen in de zogenaamde tweedelijns Arbozorg
(reïntegratiebedrijven).
De bedrijfsarts is de medisch specialist voor gezond werken. In het beroeps-
profiel van de bedrijfsarts worden twee groepen van taken onderscheiden:
taken bij de uitvoering van het arbobeleid en taken bij de uitvoering van het
verzuimbeleid. De verschillende taken van de bedrijfsarts zijn gericht op
primaire, secundaire en tertiaire preventie van arbeidsgebonden gezondheids-
problemen en arbeidsongeschiktheid. De bescherming en bevordering van
gezondheid, veiligheid en welzijn van werknemers vormt uitgangspunt van de
taken van de bedrijfsarts. Verder zullen de taken van de bedrijfsarts altijd
gericht zijn op de interactie tussen gezondheid en de kwaliteit van arbeid, weer
te geven enerzijds in termen van eisen en risico’s (arbeidsinhoud, arbeids-
omstandigheden, arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen), anderzijds in
termen van ‘resources’, hulpbronnen die ter beschikking staan. Naast
bovengenoemde taken was voor de bedrijfsarts een beperkte curatieve taak
weggelegd zoals de verlening van eerste hulp bij ongevallen op de werkplek.
Van recente datum is een aanzienlijke uitbreiding van de curatieve activiteiten
van de bedrijfsarts bij arbeidsrelevante aandoeningen zoals overspannenheid
en lage rugklachten.
Er is een aantal maatschappelijke spelers dat het takenpakket van de
bedrijfsarts uiteindelijk bepaalt: de beroepsgroep zelf, de arbodienst waar de
bedrijfsarts werkzaam is, de andere disciplines werkzaam binnen een
arbodienst, de werkgever en werknemer, en de overheid (de wet en het
toezicht).
Hieronder volgt een opsomming van de verschillende taken van de bedrijfsarts,
zoals deze worden beschreven in het beroepsprofiel van de bedrijfsarts.
1. Taken bij de uitvoering van het arbobeleid
Het streven naar gezond werk, het voorkomen van risico’s in het werk en het
voorkomen van beroepsziekten zijn centrale punten bij deze taken. In het
beroepsprofiel van de bedrijfsarts wordt onderscheid gemaakt tussen taken op
macro/ondernemingsniveau en taken op individueel niveau.
       2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>1a. Taken bij de uitvoering van het arbobeleid op macroniveau
- De bedrijfsarts levert een bijdrage aan de organisatie van het arbobeleid
    van de onderneming.
- Bij de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) zal de bedrijfsarts gegevens
    aanleveren over arbeidsgebonden aandoeningen en ziekteverzuim, en zich
    vooral richten op het identificeren en evalueren van arbeidsgebonden
    determinanten van gezondheidsrisico’s, met name voor kwetsbare indivi-
    duen en groepen.
- De bedrijfsarts geeft voorlichting aan werknemers over risico’s op de
    werkplek en hoe daar mee om te gaan in het kader van gezondheids-
    bevordering van werknemers. Daarnaast geeft de bedrijfsarts voorlichting
    in het kader van de deskundigheidsbevordering van staf- en lijnfunctio-
    narissen ten aanzien van het arbobeleid.
- De bedrijfsarts levert een bijdrage aan de organisatie van de bedrijfshulp-
    verlening.
1b. Taken bij de uitvoering van het arbobeleid op individueel niveau
- Om te kunnen adviseren over gezondheidsproblemen in verband met het
    werk houdt de bedrijfsarts een arbeidsgezondheidskundig spreekuur.
- De bedrijfsarts voert een spreekuur registratie met het oog op het syste-
    matisch in kaart brengen van problemen.
- Tevens adviseert de bedrijfsarts bij een Periodiek Arbeidsgezondheid-
    kundig Onderzoek (PAGO), en voert dit mede uit.
- Wanneer een functie bijzondere eisen stelt aan de medische geschiktheid
    zal de bedrijfsarts een aanstellingskeuring verrichten. Wanneer dit niet
    verplicht is kan de bedrijfsarts een vrijwillig intrede-onderzoek verrichten.
- De bedrijfsarts heeft een belangrijke rol bij de opsporing, diagnostisering en
    melding van beroepsziekten.
- Adviseren van en samenwerken met behandelend artsen (arbocuartieve
    samenwerking) behoort eveneens tot de taken van de bedrijfsarts,
    bijvoorbeeld in het kader van de behandeling en begeleiding van werk
    gerelateerde gezondheidsproblemen.
2. Taken bij de uitvoering van het verzuim- en reïntegratiebeleid
Het streven naar gezond kunnen (blijven) werken in een bedrijf (ook voor
arbeidsgehandicapten) en het voorkomen van verzuim en WAO instroom zijn
centrale punten bij deze taken. In het beroepsprofiel van de bedrijfsarts wordt
onderscheid gemaakt tussen taken op macro/ondernemingsniveau en taken op
individueel niveau.
                                                                           3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>2a. Taken bij de uitvoering van het verzuim- en reïntegratiebeleid op macroniveau
- De bedrijfsarts verzorgt een professioneel preventief beleid ten aanzien van
    het identificeren en evalueren van arbeidsongeschiktheidsrisico’s, en
    adviseert over te nemen preventieve maatregelen, zoals aanpassingen in de
    werksituatie, management style en cultuur.
- De bedrijfsarts draagt bij aan deskundigheidsbevordering van staf- en
    lijnfunctionarissen in het kader van verzuimpreventie en -beheersing.
- De bedrijfsarts geeft voorlichting over arbeidsongeschiktheidsrisico’s en hoe
    daar mee om te gaan.
- De bedrijfsarts ondersteunt het bedrijf bij de interpretatie van ziekte-
    verzuim- en arbeidsongeschiktheidscijfers.
2b. Taken bij de uitvoering van het verzuim- en reïntegratiebeleid op individueel niveau
- De bedrijfsarts adviseert over de mate van arbeidsgeschiktheid op basis van
    een gezondheidkundige beoordeling.
- De bedrijfsarts bemiddelt bij het aanpassen van werkzaamheden.
- De bedrijfsarts levert een bijdrage aan de reïntegratieplannen.
- De bedrijfsarts adviseert over voorzieningen die de arbeidsgeschiktheid
    bevorderen.
- De bedrijfsarts voert de herbeoordelingsprocedure uit.
- Daarnaast zorgt de bedrijfsarts voor een goede informatie uitwisseling met
    de curatieve sector (arbocuratieve samenwerking).
- De bedrijfsarts bevordert de toetreding van en begeleiding van gehandi-
    capten en/of personen met chronische gezondheidsproblemen in het
    arbeidsproces.
Naast bovengenoemde taken die expliciet vermeld staan in het beroepsprofiel
van de bedrijfsarts zijn er nog aanvullende taken te bedenken, zoals taken die
voortvloeien uit de (toekomstige) poortwachtersfunctie en verwijsfunctie van de
bedrijfsarts, of taken als het uitvoeren van leefstijlinterventies/gezondheids-
bevordering in de arbeidssituatie.
INSTRUCTIE
Hierna volgt een lijst met 6 aandachtspunten die in het gesprek, dat dr. Geertje
Ariëns met u heeft, aan de orde komen. Wilt u voorafgaand aan het gesprek
deze lijst met aandachtspunten voorbereiden? Tijdens het gesprek zal op ieder
aandachtspunt worden ingegaan. U kunt in de opengelaten ruimten alvast
antwoorden invullen. Tijdens het gesprek kan dit worden aangevuld.
        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>Voor aanvang van het interview wil ik u eerst de volgende vraag stellen: Wat
zijn de naar uw mening de tien belangrijkste urgenties voor versterking van het
wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde? Wilt u uw antwoord kort toelichten?
        Belangrijkste urgenties voor versterking Korte toelichting
        van het onderzoek op het terrein van de
        arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
  1
  2
  3
  4
  5
  6
  7
  8
  9
  10
Ik wil u hartelijk danken voor uw medewerking aan dit interview.
                                                                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>AANDACHTSPUNTEN VOOR AANBOD AAN ONDERZOEK
AANDACHTSPUNT 1
Wilt u onderstaande tabel de organisatorische eenheid en de samenstelling van
uw onderzoeksinstituut* weergeven?
Organisatorische eenheid: ...................................................................................
                                     In onderzoek                          In onderzoek
                                     geïnvesteerde fte’s                   geïnvesteerde fte’s
                                     (Onbepaalde tijd)                     (Bepaalde tijd)
  Aantal hoogleraren
  Aantal senior onderzoekers
  Aantal junior onderzoekers
  Aantal postdocs
  Aantal promovendi
De fte’s aan onderwijstaken moeten hier uitgesloten worden. Als peildatum
kunt u het gemiddelde over het afgelopen jaar (2001) hanteren. Als uw instituut
bijvoorbeeld niet werkt met de term ‘postdocs’ of ‘promovendi’, dan vult u hier
niets in.
* Met het begrip onderzoeksinstituut wordt bedoeld de organisatorische eenheid waar u werkzaam
bent, bijvoorbeeld afdeling, organisatie, onderzoeksgroep, onderzoeksschool, instituut
AANDACHTSPUNT 2
In de toelichting op deze enquête worden de belangrijkste taken van de
bedrijfsarts opgesomd, zoals deze beschreven worden in het beroepsprofiel.
Zijn dit naar uw mening de belangrijkste taken, of zijn er misschien belangrijke
taken die ontbreken in deze opsomming?
         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>         Belangrijke taken van de bedrijfsarts die ontbreken in de opsomming
  1
  2
  3
  4
  5
AANDACHTSPUNT 3
Inventarisatie van lopend en uitgevoerd onderzoek ter ondersteuning van de
taken van de bedrijfsarts ten aanzien van het arbobeleid, uitgevoerd door het
eigen onderzoeksinstituut.
U wordt verzocht om aan de hand van Tabel 1 aan te geven:
a. op welke gebieden uw onderzoeksinstituut zelf onderzoek uitvoert ('ja'
    omcirkelen als u op dit gebied onderzoek uitvoert; 'nee' omcirkelen als dit
    niet zo is);
b. of dit onderzoek deel uitmaakt van een meerjaren onderzoeksprogramma;
c. hoe het onderzoek van uw instituut wordt gefinancierd; het gaat hierbij om
    de verhouding tussen eerste en overige geldstromen;
d. wat de aard van het onderzoek is; gaat het om onderzoek dat op korte
    termijn (1 à 2 jaar) ondersteuning verleent aan de praktijk, of gaat het om
    (middel)lange termijn onderzoek (> 2 jaar).
e. of er specifieke redenen zijn waarom dit onderzoek juist in Nederland wordt
    uitgevoerd? (gaat het bijvoorbeeld om een puur Nederlandse vraagstelling,
    of zijn juist in Nederland de faciliteiten aanwezig voor de uitvoering van dit
    onderzoek). Wilt u tevens aangeven of er in Nederland nog meer onderzoek
    op dit terrein verricht wordt en of er op korte termijn belangrijke
    ontwikkelingen te verwachten zijn op dit terrein?
f. of uw onderzoeksinstituut naar uw mening voldoende mogelijkheden heeft
    voor de uitvoering van dergelijk onderzoek. Hierbij valt te denken aan de
    infrastructuur, de capaciteit en de financiering.
                                                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>AANDACHTSPUNT 4
Inventarisatie van lopend en uitgevoerd onderzoek ter ondersteuning van de
taken van de bedrijfsarts ten aanzien van het verzuim- en reïntegratiebeleid,
uitgevoerd door het eigen onderzoeksinstituut. U wordt verzocht om aan de
hand van Tabel 2 aan te geven:
a. op welke gebieden uw onderzoeksinstituut zelf onderzoek uitvoert ('ja'
    omcirkelen als u op dit gebied onderzoek uitvoert; 'nee' omcirkelen als dit
    niet zo is);
b. of dit onderzoek deel uitmaakt van een meerjaren onderzoeksprogramma;
c. hoe het onderzoek van uw instituut wordt gefinancierd; het gaat hierbij om
    de verhouding tussen eerste en overige geldstromen;
d. wat de aard van het onderzoek is; gaat het om onderzoek dat op korte
    termijn (1 à 2 jaar) ondersteuning verleent aan de praktijk, of gaat het om
    (middel)lange termijn onderzoek (> 2 jaar).
e. of er specifieke redenen zijn waarom dit onderzoek juist in Nederland wordt
    uitgevoerd? (gaat het bijvoorbeeld om een puur Nederlandse vraagstelling,
    of zijn juist in Nederland de faciliteiten aanwezig voor de uitvoering van dit
    onderzoek). Wilt u tevens aangeven of er in Nederland nog meer onderzoek
    op dit terrein verricht wordt en of er op korte termijn belangrijke
    ontwikkelingen te verwachten zijn op dit terrein?
f. of uw onderzoeksinstituut naar uw mening voldoende mogelijkheden heeft
    voor de uitvoering van dergelijk onderzoek. Hierbij valt te denken aan de
    infrastructuur, de capaciteit en de financiering.
AANDACHTSPUNT 5
Inventarisatie van lopend en uitgevoerd overig onderzoek dat naar uw
mening valt binnen het domein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde maar
niet is onder te brengen in één van bovengenoemde categorieën, en dat door
uw eigen onderzoeksinstituut wordt uitgevoerd. U wordt verzocht om aan de
hand van Tabel 3 aan te geven:
a. wat het onderwerp is van dit onderzoek;
b. of dit onderzoek deel uitmaakt van een meerjaren onderzoeksprogramma;
c. hoe het onderzoek van uw instituut wordt gefinancierd; het gaat hierbij om
    de verhouding tussen eerste en overige geldstromen;
d. wat de aard van het onderzoek is; gaat het om onderzoek dat op korte
    termijn (1 à 2 jaar) ondersteuning verleent aan de praktijk, of gaat het om
    (middel)lange termijn onderzoek (> 2 jaar).
        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>e. of er specifieke redenen zijn waarom dit onderzoek juist in Nederland wordt
    uitgevoerd? (gaat het bijvoorbeeld om een puur Nederlandse vraagstelling,
    of zijn juist in Nederland de faciliteiten aanwezig voor de uitvoering van dit
    onderzoek). Wilt u tevens aangeven of er in Nederland nog meer onderzoek
    op dit terrein verricht wordt en of er op korte termijn belangrijke
    ontwikkelingen te verwachten zijn op dit terrein?
f. of uw onderzoeksinstituut naar uw mening voldoende mogelijkheden heeft
    voor de uitvoering van dergelijk onderzoek. Hierbij valt te denken aan de
    infrastructuur, de capaciteit en de financiering.
AANDACHTSPUNT 6
Welke knelpunten zijn er naar uw mening in het wetenschappelijk onderzoek
op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde? Te denken valt aan:
- Knelpunten in de onderzoeks- of kennisinfrastructuur, beschikbare expertise
    en/of beschikbare faciliteiten.
- Knelpunten in het aanstellen van onderzoekspersoneel en daarmee samen-
    hangend de financiering van personeel.
- Knelpunten in de onderzoeks- en kennisinfrastructuur die van belang zijn
    met betrekking tot de ondersteuning van de beroepsopleiding tot bedrijfs-
    arts of het medisch basiscurriculum.
- Knelpunten in de samenwerking met/tussen instituten zoals universiteiten
    en arbodiensten.
- Knelpunten in de positionering van kenniscentra zoals STECR, NcvB en de
    landelijke en regionale kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen in
    de kennisinfrastructuur.
Kunt u daarbij tevens aangeven waarop uw mening gebaseerd is?
Toelichting: Het gaat hier om meer algemene knelpunten die voor het landelijk
onderzoek gelden. U kunt hierbij desgewenst mogelijke oplossingen aangeven.
                                                                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>        Knelpunten in het onderzoek op het terrein  Basis voor uw mening, en
        van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde      mogelijke oplossingen
  1
  2
  3
  4
  5
  6
  7
  8
  9
  10
TOT SLOT
Ik wil u vragen of u van uw eigen onderzoeksinstituut voor de afgelopen 5 jaar
per jaar een publicatielijst heeft van artikelen op het terrein van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde die verschenen zijn in ‘peer reviewed’ nationale en
internationale tijdschriften. Is er ook over de afgelopen 5 jaar een overzicht per
jaar beschikbaar van de afgeronde promoties op het terrein van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde binnen uw onderzoeksinstituut? Tot slot zou ik graag een
jaarverslag van uw onderzoeksinstituut willen ontvangen.
       10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>AANDACHTSPUNTEN VOOR BEHOEFTE AAN ONDERZOEK
AANDACHTSPUNT 1
In de toelichting op deze enquête worden de belangrijkste taken van de
bedrijfsarts opgesomd, zoals deze beschreven worden in het beroepsprofiel. Zijn
dit naar uw mening de belangrijkste taken, of zijn er misschien belangrijke
taken die ontbreken in deze opsomming?
             Belangrijke taken van de bedrijfsarts die ontbreken in de
             opsomming
  1
  2
  3
  4
  5
AANDACHTSPUNT 2
Inventarisatie van de behoefte aan onderzoek ter ondersteuning van de taken
van de bedrijfsarts ten aanzien van het arbobeleid. Is het nodig dat er
onderzoek wordt uitgevoerd dat gericht is op ondersteuning van de taken van
de bedrijfsarts ten aanzien van het arbobeleid?
    JA / NEE                   (doorhalen wat niet van toepassing is)
Als u bovenstaande vraag positief beantwoordt, wilt u dan in Tabel 1 de
antwoorden op de volgende vragen invullen.
a. lk wetenschappelijk onderzoek ter ondersteuning van de taken van de
    bedrijfsarts ten aanzien van het arbobeleid vindt u nodig? (1 omcirkelen als
    u onderzoek op dit gebied helemaal niet nodig vindt; 5 omcirkelen als u
    onderzoek op dit gebied heel erg nodig vindt)
b. Kunt u kort motiveren waarom dit onderzoek moet plaatsvinden en
    aangeven om wat voor soort onderzoek het dan gaat?
c. Zijn er specifieke redenen waarom dit onderzoek juist in Nederland moet
    worden uitgevoerd? (gaat het bijvoorbeeld om een puur Nederlandse
                                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>    vraagstelling, of zijn juist in Nederland de faciliteiten aanwezig voor de
    uitvoering van dit onderzoek)
d. Wordt er in Nederland reeds onderzoek op dit terrein verricht en zijn er op
    korte termijn belangrijke ontwikkelingen te verwachten in het onderzoek op
    dit terrein?
e. Wat zijn de mogelijkheden van toepassing/implementatie van de onder-
    zoeksresultaten en op welke termijn zijn die te verwachten?
AANDACHTSPUNT 3
Inventarisatie van de behoefte aan onderzoek ter ondersteuning van de taken
van de bedrijfsarts ten aanzien van het verzuim- en reïntegratiebeleid. Is het
nodig dat er onderzoek wordt uitgevoerd dat gericht is op ondersteuning van de
taken van de bedrijfsarts ten aanzien van het verzuim- en reïntegratiebeleid?
JA / NEE                       (doorhalen wat niet van toepassing is)
Als u bovenstaande vraag positief beantwoordt, wilt u dan in Tabel 2 de
antwoorden op de volgende vragen invullen.
a. Welk wetenschappelijk onderzoek ter ondersteuning van de taken van de
    bedrijfsarts ten aanzien van het verzuim- en reïntegratiebeleid vindt u
    nodig? (1 omcirkelen als u onderzoek op dit gebied helemaal niet nodig
    vindt; 5 omcirkelen als u onderzoek op dit gebied heel erg nodig vindt)
b. Kunt u kort motiveren waarom dit onderzoek moet plaatsvinden en
    aangeven om wat voor soort onderzoek het dan gaat?
c. Zijn er specifieke redenen waarom dit onderzoek juist in Nederland moet
    worden uitgevoerd? (gaat het bijvoorbeeld om een puur Nederlandse
    vraagstelling, of zijn juist in Nederland de faciliteiten aanwezig voor de
    uitvoering van dit onderzoek)
d. Wordt er in Nederland reeds onderzoek op dit terrein verricht en zijn er op
    korte termijn belangrijke ontwikkelingen te verwachten in het onderzoek op
    dit terrein?
e. Wat zijn de mogelijkheden van toepassing/implementatie van de
    onderzoeksresultaten en op welke termijn zijn die te verwachten?
       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>AANDACHTSPUNT 4
Wilt u in Tabel 3 het overige onderzoek noemen, wat naar uw mening
uitgevoerd zou moeten worden op het terrein van de arbeids- en
bedrijfsgeneeskunde, maar wat niet is onder te brengen in één van de eerder
genoemde categorieën.
a. Welk overig onderzoek vindt u nodig? (1 omcirkelen als u onderzoek op dit
    gebied helemaal niet nodig vindt; 5 omcirkelen als u onderzoek op dit
    gebied heel erg nodig vindt)
b. Kunt u kort motiveren waarom dit onderzoek moet plaatsvinden en
    aangeven om wat voor soort onderzoek het dan gaat?
c. Zijn er specifieke redenen waarom dit onderzoek juist in Nederland moet
    worden uitgevoerd? (gaat het bijvoorbeeld om een puur Nederlandse
    vraagstelling, of zijn juist in Nederland de faciliteiten aanwezig voor de
    uitvoering van dit onderzoek)
d. Wordt er in Nederland reeds onderzoek op dit terrein verricht en zijn er op
    korte termijn belangrijke ontwikkelingen te verwachten in het onderzoek op
    dit terrein?
e. Wat zijn de mogelijkheden van toepassing/implementatie van de
    onderzoeksresultaten en op welke termijn zijn die te verwachten?
AANDACHTSPUNT 5
Welke knelpunten zijn er naar uw mening in het wetenschappelijk onderzoek
op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde? Te denken valt aan:
- Knelpunten in de onderzoeks- of kennisinfrastructuur, beschikbare expertise
    en/of beschikbare faciliteiten.
- Knelpunten in het aanstellen van onderzoekspersoneel en daarmee samen-
    hangend de financiering van personeel.
- Knelpunten in de onderzoeks- en kennisinfrastructuur die van belang zijn
    met betrekking tot de ondersteuning van de beroepsopleiding tot
    bedrijfsarts of het medisch basiscurriculum.
- Knelpunten in de samenwerking met/tussen instituten zoals universiteiten of
    arbodiensten.
- Knelpunten in de positionering van kenniscentra zoals STECR, NcvB en de
    landelijke en regionale kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen in
    de kennisinfrastructuur.
Kunt u daarbij tevens aangeven waarop uw mening gebaseerd is?
                                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>Toelichting: Het gaat hier om meer algemene knelpunten die voor het landelijk
onderzoek gelden. U kunt hierbij desgewenst mogelijke oplossingen aangeven.
        Knelpunten in het onderzoek op het          Basis voor uw mening, en
        terrein van de arbeids- en bedrijfs-        mogelijke oplossingen
        geneeskunde
 1
 2
 3
 4
 5
 6
 7
 8
 9
 10
AANDACHTSPUNT 6
Ziet u de rol en betrokkenheid van uw eigen instelling c.q. organisatie bij de
kennisinfrastructuur en de financiering van het onderzoek op het terrein van de
arbeids- en bedrijfsgeneeskunde? Zo ja, hoe ziet u die rol en betrokkenheid
dan?
       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>BI J L A G E 5
ORGANISATIES BETROKKEN BIJ KENNISOVERDRACHT:
ADRESSEN EN WEBSITES
Nederlands Focal Point voor Veiligheid en Gezondheid op het werk
(www.arbo.nl) TNO Arbeid, postbus 718, 2130 AS Hoofddorp
Kennis en Documentatie Centrum TNO Arbeid (www.arbeid.tno.nl)
TNO Arbeid, postbus 718, 2130 AS Hoofddorp
Arbo Platform (www.arbo.nl)
TNO Arbeid, postbus 718, 2130 AS Hoofddorp
Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (www.beroepsziekten.nl)
Coronel Instituut, AMC, UVA, postbus 22660, 1100 DD Amsterdam
Stichting Expertise Centrum Reïntegratie (www.stecr.nl)
STECR, Platform Reïntegratie, postbus 718, 2130 AS Hoofddorp
Bureau Richtlijnen NVAB (www.richtlijnen-nvab.nl)
Postbus 23086, 1100 DN Amsterdam
Nederlands kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen ‘Opgelucht Werken’
(www.opgelucht-werken.nl, www.kenniscentra.nl)
Universitair Longcentrum Dekkerswald, postbus 9001, 6560 GB Groesbeek
Nederlands kenniscentrum Arbeid en Klachten Bewegingsapparaat
(www.kenniscentrumakb.nl, www.kenniscentra.nl)
Postbus 2040, 3000 CA Rotterdam
Nederlands kenniscentrum Arbeid en Psyche (www.nkap.nl,
www.kenniscentra.nl)
Postbus 8400, 3503 RK Utrecht
                                                                  1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>Nederlands kenniscentrum ArbeidsDermatosen - NECOD (www.necod.nl,
www.kenniscentra.nl)
Academisch Ziekenhuis Groningen, afdeling Dermatologie, postbus 30001,
9700 RB Groningen
VUmc, afdeling Dermatologie, postbus 7057, 1007 MB Amsterdam
Medwerk (www.medwerk.nl)
Arbobalans Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(www.minszw.nl)
Postbus 90801, 2509 LV Den Haag
      2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>        De Raad voor Gezondheidsonderzoek      Postadres:
(RGO) heeft tot taak de ministers van Volks-   Raad voor
gezondheid, Welzijn en Sport (VWS), van On-    Gezondheidsonderzoek
derwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW),     Postbus 16052
en van Economische Zaken (EZ) te adviseren     2500 BB Den Haag
over prioriteiten in het gezondheidsonder-
zoek, in het zorgonderzoek en de technologie-  Bezoekadres:
ontwikkeling in deze sector, evenals over de   Parnassusplein 5
daarbij behorende infrastructuur. Het maat-    2511 VX Den Haag
schappelijk perspectief is daarbij voor de RGO
steeds het uitgangspunt.                       telefoon
        Dit advies behandelt de kennisinfra-   (070) 340 75 21
structuur en de wijze van kennisoverdracht in  fax
de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. De Raad    (070) 340 75 24
doet een aantal aanbevelingen ter versterking  e-mail
en stimulering hiervan. Een vervolgadvies over bureau@rgo.nl
verzekeringsgeneeskunde is voorzien.           website
        De publicaties van de RGO zijn via de  www.rgo.nl
website van de RGO te raadplegen.
RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK                 Publicatie 41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>