<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>3   Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met
    gezondheidsclaims1
    Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims zijn een nieuwe trend in de supermarkt. Het
    maken van een gezonde voedselkeuze door de consument is er daarmee echter niet een-
    voudiger op geworden. Ten eerste omdat de consument er niet zonder meer op kan ver-
    trouwen dat alle gezondheidsclaims op voedingsmiddelen juist zijn. Ten tweede omdat het
    de consument vaak aan de kennis ontbreekt om, als hij dat zou willen, daarmee een
    gezond voedingspakket samen te stellen. De huidige Nederlandse regelgeving dwingt de
    betrouwbaarheid van gezondheidsclaims onvoldoende af. Weliswaar is er Europese regelge-
    ving in de maak maar hoe die zal uitpakken is nog onzeker.
    Het blijkt dat de voedselgerelateerde ziekteschade in Nederland vergelijkbaar is met die
    van roken. Voor 95% wordt deze veroorzaakt door ongezond voedingsgedrag. Het is denk-
    baar dat voedingsmiddelen met gezondheidsclaims een bijdrage zullen leveren in het
    terugdringen van deze ziektelast, maar dan zal de consument ook in staat moeten worden
    gesteld om, mede op basis van dergelijke producten, een gezond voedingspakket samen te
    stellen. Hierbij mag overigens niet vergeten worden dat de betekenis van voedsel verder
    gaat dan haar belang voor de gezondheid.
3.1 Inleiding
    ‘Gezond, grijp uw kans. De consument vraagt erom’. Aldus de aankondiging van een symposium
    voor voedselproducenten. 2 Gezonde producten staan in de belangstelling. ‘Light’ is al langer
    een trend. Sinds kort neemt ook de aandacht voor voeding met toegevoegde ‘bioactieve stoffen’
    en micro-organismen toe, zoals brood met visolie of yoghurt met speciale bacteriën. De claims
    lopen uiteen: dergelijke producten zouden de spijsvertering verbeteren, de botten steviger
    maken, de weerstand verhogen of bijdragen aan het verminderen van risicofactoren voor hart-
    en vaatziekten. De verwachting is dat het aanbod de komende jaren zal toenemen.
    Voor deze voedingsmiddelen met extra’s zijn allerlei benamingen in omloop, zoals functionele
    voedingsmiddelen, nutriceuticals, voedingsmiddelen met ‘specifiek bioactieve componenten’ en
    ‘specifiek gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen’. Het probleem met deze omschrijvingen
    is dat ze – vaak vaak ten onrechte – suggereren dat ‘gewone’ voedingsmiddelen of daarin aan-
    1   Opgesteld door drs RAA Zwiers, secretaris bij de Gezondheidsraad
    2   Zie: www.vmt.nl/html/bijeenkomsten
                                                           Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>wezige voedingsstoffen, zoals vitamines en mineralen, geen functionaliteit of bioactieve werking
zouden hebben. In dit signalement is daarom gekozen voor de omschrijving ‘voedingsmiddelen
met gezondheidsclaims’. Deze gezondheidsclaims hoeven overigens niet altijd expliciet te zijn.
Een voorbeeld van een impliciete gezondheidsclaim is: ‘dit product is rijk/arm aan…’(Gezond-
heidsraad 2003).
Op het eerste gezicht leidt de introductie van deze producten tot een win-win-situatie. Fabrikan-
ten ontwikkelen producten waarmee ze marktaandeel veroveren en beter geïnformeerde consu-
menten kunnen gezondere voedselkeuzes maken. Dat is ook wenselijk, want het RIVM
constateert een toename in de voedingsgerelateerde gezondheidsschade in Nederland, waarvan
naar schatting 95% toe te schrijven valt aan voedingsgedrag en slechts 5% aan onveilig voedsel.
De totale gezondheidsschade als gevolg van ongezonde voeding is vergelijkbaar met die van
roken. Mensen krijgen te veel calorieën, transvet en verzadigd vet en zout binnen, terwijl de con-
sumptie van groenten, fruit en vezels juist tekortschiet. Gevolg: obesitas, hart- en vaatziekten,
diabetes type II en bepaalde vormen van kanker (RIVM 2004). Overal waar een westerse levens-
stijl voorkomt is die trend zichtbaar (WHO 2003). Producten die kunnen helpen de trend te
keren kunnen dan nuttig zijn.3
Volgens het RIVM (2004) is het belang van deze ontwikkeling op zichzelf beperkt:
          specifiek gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen (SGV’s) en voedingssupplementen vormen
          geen oplossing voor de gezondheidsproblemen door een ‘ongezonde‘ voeding. Consumenten die
          zich aan de Richtlijnen Goede Voeding houden, hebben geen SGV’s en/of voedingssupplementen
          nodig. Alleen voor specifieke risicogroepen (zoals kinderen of ouderen met een suboptimale micro-
          nutriëntenstatus) kan consumptie van deze producten tot een beperkte gezondheidswinst leiden.
Met andere woorden: als mensen een evenwichtig voedingspatroon hebben, heeft het gebruik
van gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen in het algemeen geen meerwaarde voor de
gezondheid. Volgens schattingen echter, houdt minder dan 2% van de Nederlandse bevolking
(Gezondheidsraad 2002a) zich aan de richtlijnen goede voeding. Het is dus denkbaar dat een
niet onbelangrijk deel van de Nederlandse bevolking toch in zekere mate baat kan hebben bij
het eten van voedingsmiddelen met een specifiek gezondheidsbevorderende werking.
In dit signalement worden de ethische kwesties in kaart gebracht die een rol spelen bij voe-
dingsmiddelen met claims over gezondheidseffecten. De bespreking spitst zich toe op een vijftal
vragen. Kan de consument vertrouwen op de juistheid van de claims? (3.2) Is de veiligheid
gewaarborgd? (3.3) Heeft iedereen toegang tot producten die een gunstig effect op de gezond-
heid kunnen hebben? (3.4) Zijn consumenten in staat te kiezen? (3.5) Zal de beschikbaarheid
3    Naast voedingsmiddelen met gezondheidsclaims valt ook te denken aan ‘productmodificatie’, Een goed voorbeeld is de
     campagne ‘gezonder frituren’, gericht op de horeca. Door productmodificatie is de inname van transvetzuren gedaald
     van 4,3 energieprocent in 1987 naar 1,7 energieprocent in 1998. Uit de VCP 2003 bleek dat deze dalende trend zich
     voortzet. De gemiddelde inname van transvetzuren benadert momenteel de norm van 1 energieprocent (Taskforce
     2005). Zie: www.friturenindehoreca.nl en http://www.mvo.nl/voeding-en-gezondheid/download/
     taskforce_170403_2.pdf
                                                    Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims     54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    van op ziektepreventie gerichte voedingsmiddelen niet kunnen leiden tot een buitenproportio-
    nele uitvergroting van het gezondheidsbelang van voeding? (3.6)
    Bij de bespreking van deze vragen wordt ingegaan op de gevolgen voor de consument en de rol
    van de overheid.
3.2 Betrouwbaarheid van claims
    In de ideale situatie kloppen de claims over gezondheidseffecten van voedingsmiddelen. De
    autonome consument kan dan op grond daarvan tot een geïnformeerde keuze komen (Belt
    1999). Maar hoe gaat het in de praktijk?
    Gevolgen voor de consument
    De vraag is of de gezondheidsclaims die deze voedingsmiddelen voeren of impliceren, bijvoor-
    beeld in reclame of op verpakkingen, correct zijn. Producenten van deze voedingsmiddelen heb-
    ben, behalve de gezondheid van de consument, ook zeker de gezondheid van hun bedrijf op het
    oog (Nestle 2002). De betrouwbaarheid van de expliciete of impliciete claims is dus een belang-
    rijke eis. Wordt hieraan niet voldaan, dan kan de consument misleid worden. Op termijn kan
    hierdoor het vertrouwen van de consument in gezondheidsclaims eroderen (Katan 2004b).
    Misleiding betekent niet per se dat onwaarheden worden verteld. De claim op Katja drop
    (‘Kokindjes’): ‘bevat geen vet’, is op zich zelf juist. Hij suggereert echter dat het product minder
    vet bevat dan vergelijkbare producten en daardoor minder dikmakend zou zijn. Drop bevat ech-
    ter nooit vet; het zijn juist de suikers in drop die (bij te grote consumptie) worden omgezet in
    lichaamsvet.
    Ook vage claims kunnen een werkzaamheid suggereren zonder dat daarvoor harde bewijzen zijn:
    ‘verbetert het welzijn’, ‘zuivert het lichaam’, ‘houdt het lichaam jeugdig’, ‘helpt het lichaam tegen
    stress’, enzovoort.
    Kritische, (zeer) goed geïnformeerde consumenten kunnen voedingsclaims op hun merites
    beoordelen, maar bij minder oplettende consumenten kan al snel de indruk ontstaan dat een
    claim onomstotelijk bewezen is.
    Een andere kwestie is de constatering dat de voedingsmiddelenindustrie niet altijd de vanuit
    volksgezondheidsperspectief meest veelbelovende innovaties onderzoekt, omdat dat commerci-
    eel niet interessant zou zijn. Daarop is recent gewezen door voedingswetenschapper Katan. De
    onderzoeksresultaten zijn in veel gevallen niet patenteerbaar, en de onderzoekskosten kunnen
    dan niet worden doorberekend aan de consument: daarmee zou de producent zichzelf immers
    uit de markt prijzen. Het bedrijfsleven beperkt zijn voedingsonderzoek daarom tot voedingscom-
                                                       Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>ponenten die wel patenteerbaar zijn. De consequentie is dat bij de ontwikkeling van innovatieve
gezondheidsbevorderende voedingsmiddelen kansen blijven liggen (Katan 2004a).
Rol van de overheid
Wat kan de overheid doen om misleidende claims over werkzaamheid te voorkomen?
Er bestaat regelgeving om betrouwbaarheid van claims te waarborgen. Voedingsmiddelen, en
dus ook voedingsmiddelen met gezondheidsclaims, vallen onder de Warenwet. De Warenwet
verbiedt het misleiden van de consument. Bescherming van de consument tegen claims als ‘drop
zonder vet’ is bijvoorbeeld geregeld in het Warenwetbesluit Voedingswaarde-informatie levens-
middelen. Toch zijn daarmee niet alle onbewezen of suggestieve claims op het gebied van voe-
dingsmiddelen uitgebannen.
Om te beginnen maakt de wet niet duidelijk hoe eigenlijk vastgesteld moet worden of een claim
misleidend is, terwijl de bewijslast dat er sprake is van misleiding ligt bij de overheid:
       wat misleidend is bepaalt de Keuringsdienst van Waren (inmiddels: de Voedsel en Waren Autoriteit
       RZ), die een misleiding bij de rechter hard moet maken. De Keuringsdienst […] benut die macht ech-
       ter alleen voor grove, duidelijk aan te tonen misleiding. Logisch, gezien de kosten van een (verlo-
       ren) rechtszaak. Maar wel met gevolg dat de fabrikanten veel ruimte hebben om met op zich zelf
       ware beweringen de consument toch min of meer te misleiden (Innovatienetwerk 2003).
De Warenwet maakt een scherp onderscheid tussen gezondheidsclaims en medische claims. Aan
voedsel een medische claim verbinden (product x voorkomt of behandelt een bepaalde ziekte)
mag niet, ook niet als deze claim wetenschappelijk is onderbouwd. Zeggen dat een voedings-
middel bijdraagt aan het verbeteren of instandhouden van de gezondheid, een gezondheids-
claim, mag wèl. Hier is zelfs geen wetenschappelijke onderbouwing vereist. Een voorbeeld
hiervan is een claim die zegt dat een voedingsmiddel bijdraagt aan ‘behoud van gezonde cellen
en weefsels’.
Een tussencategorie tussen gezondheidsclaims en medische claims zijn claims over ziekterisico-
factoren. Ook de claim dat een voedingsmiddel een risicofactor voor ziekte helpt te verlagen is
in sommige gevallen toegestaan (ook zonder wetenschappelijke onderbouwing). Een voorbeeld
van zo’n claim is: ‘helpt bij het voorkomen van een hoog cholesterolgehalte’. Een hoog choleste-
rolgehalte is op zichzelf geen ziekte. Het is wel een factor die de kans op hart- en vaatziekten
verhoogt.
Wat betreft voedingsmiddelen met gezondheidsclaims en claims over terugdringen van risicofac-
toren voor ziekte voorziet de Warenwet dus niet in regels om deze claims te onderbouwen en
toetsen. Een instantie die op het eerste gezicht een toezichthoudende rol zou kunnen spelen is
de Keuringsraad Aanprijzing Gezondheidsproducten (KAG). De omschrijving van ‘gezondheids-
                                              Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims 56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>producten’ beperkt zich echter tot producten in een farmaceutische vorm, zoals pillen en capsu-
les. Voedingsmiddelen met een gezondheidsclaim vallen hier niet onder. Wel is er een vrijwillige
‘Gedragscode ten behoeve van wetenschappelijke onderbouwing gezondheidseffecten’, opge-
steld op initiatief van de Stichting Voedingscentrum Nederland (Voedingscentrum 1998).
Wordt het probleem van de misleidende claims daarmee voldoende afgedekt? Uit de evaluatie
van de Gedragscode Gezondheidseffecten in 2001 bleek dat deze nog niet aan de verwachtingen
voldeed. De belangrijkste redenen waren de vrijblijvendheid en het gebrek aan prikkels. Voe-
dingsmiddelenproducenten zijn niet verplicht om de procedure van de Gedragscode te doorlo-
pen en worden bovendien onvoldoende gestimuleerd om dat ook te doen. De producent mag op
de voedseletiketten namelijk niet vermelden dat hij de Gedragscode succesvol doorlopen heeft,
zodat zijn producten zich onvoldoende kunnen onderscheiden van andere producten die de
Gedragscode niet hebben doorlopen.
Ook het advies van de Gezondheidsraad over voedingsmiddelen met claims was kritisch: ‘De
huidige regelgeving rond claims laat ruimte voor verwarring’ en ‘In de winkels verschijnen steeds
meer voedingsmiddelen en voedingssupplementen met beweringen – claims – die de indruk
wekken dat het product ‘gezond’ of ‘gezonder’ is. Die indruk is niet altijd juist’ (Gezondheids-
raad 2003a). Het RIVM (2004) sluit zich hierbij aan: ‘vaak ontbreekt voor deze producten de
onderbouwing voor de gebruikte gezondheidsclaims, en wordt de consument misleid door bij-
voorbeeld te rooskleurige reclame boodschappen’. De Gezondheidsraad adviseerde vage claims
te verbieden, omdat ze niet toetsbaar zijn. Ook adviseerde de Raad om het verschil tussen medi-
sche en gezondheidsclaims niet als leidraad te nemen, maar wetenschappelijke onderbouwing
als criterium te gebruiken voor al dan niet toelaten.
In 2003 heeft de Europese Commissie een voorstel (EC 2003) ingediend dat tegemoet lijkt te
komen aan de problemen in de huidige Nederlandse praktijk. Gezondheidsclaims op voedings-
middelen zullen worden toegestaan als ze wetenschappelijk zijn onderbouwd. Binnen het Euro-
pese onderzoeksproject ‘Passclaim’ worden criteria ontwikkeld voor de wetenschappelijke
onderbouwing van gezondheids- en medische claims. 4 De resultaten van dit onderzoek, die bin-
nenkort worden gepresenteerd, zullen naar verwachting medebepalend zijn voor de vormgeving
van het Europese wettelijke beoordelingskader van gezondheidsclaims.
Over de ontwerpverordening bestaan echter nog belangrijke meningsverschillen en het is aller-
minst zeker hoe de verordening er uiteindelijk uit zal zien. Binnen het kader van dit signalement
kunnen slechts enige hoofdlijnen worden geschetst. Naar aanleiding van het wetsvoorstel door
de Commissie heeft rapporteur Adriana Poli Bortone een rapport opgesteld voor het Europarle-
ment (EP 2005). Het rapport komt met voorstellen waardoor het wetsvoorstel aan bescherm-
kracht lijkt in te boeten.
4   zie http://europe.ilsi.org
                                               Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    Het belangrijkste conflictpunt is artikel 4 van het wetsvoorstel, over het hanteren van gezonde
    ‘voedingsprofielen’. Volgens het oorspronkelijke wetsvoorstel zou een voedingsmiddel dat meer
    dan een nader te bepalen gehalte aan suikers, vetten, trans- en verzadigde vetten of zout bevat,
    geen gezondheidsclaims mogen dragen (geen Magnum-ijsjes met extra calcium tegen osteope-
    rose). Bortone stelt voor dit artikel te schrappen. Belangrijkste reden is dat het de voedselinno-
    vatie teveel zou belemmeren.
    Daarnaast stelt het rapport een notificatieprocedure voor in plaats van een autorisatieprocedure.
    De autorisatieprocedure zou te zwaar zijn, met name voor het midden- en kleinbedrijf. Dit zou
    als gevolg hebben dat de bewijslast of een voedingsclaim klopt, bij de openbare controlerende
    autoriteit komt te liggen in plaats van bij de producent die de gezondheidsclaim wil voeren. Bij
    de laatste stemming heeft het Europarlement in meerderheid overeenkomstig de adviezen van
    het rapport Bortone gestemd.
    Wat dit alles voor gevolgen heeft voor het wetsvoorstel is nog onduidelijk. Indien de voorstellen
    van het parlement worden overgenomen in de verordening, lijkt er weinig verbetering op te tre-
    den vergeleken met de huidige Nederlandse situatie. De Commissie beschouwt artikel 4 en de
    autorisatieprocedure als hoekstenen van de verordening en heeft aangegeven hieraan vast te
    houden. Het wetsvoorstel in de huidige vorm wordt gesteund door de Commissie en de Raad
    van Ministers, maar niet door het Europarlement. Mogelijk wordt er een compromis gevonden
    waar alle partijen zich in kunnen vinden; zo niet, dan is het wetsvoorstel van tafel.
    Hoe zit het, ten slotte, met die andere kwestie: de gemiste kansen in het voedingsmiddelenon-
    derzoek? Wat kan de overheid doen om te stimuleren dat commercieel minder interessante,
    maar voor de volksgezondheid veelbelovende voedingsproducten ontwikkeld zullen worden?
    Een mogelijk antwoord is hier dat overheid en/of zorgverzekeraars als financiers van dergelijk
    onderzoek kunnen optreden. Op die manier kunnen zij het onderzoek naar gunstige voedsel-
    componenten optimaal sturen en de mogelijkheden benutten om via voedsel de gezondheid van
    consumenten te verbeteren.
3.3 Veiligheid
    Als gezondheidsclaims wetenschappelijk onderbouwd zijn en daarover heldere informatie wordt
    verstrekt is aan de eis van betrouwbare claims voldaan. Een ander punt is de veiligheid.
    Gevolgen voor de consument
    Ieder voedingsmiddel dat op de markt is, of wordt gebracht, wordt geacht veilig te zijn.5 Dat
    geldt uiteraard ook voor voedingsmiddelen met gezondheidsclaims. Ook als voedingsmiddelen
    5   Of dat altijd het geval is, is nog maar de vraag. Zo kan de vraag gesteld worden of snacks die gefrituurd zijn in vetten
        met een hoog gehalte aan transvetzuren, wel veilig zijn omdat ze het risico op een hartinfarct sterk verhogen (persoon-
        lijke mededeling prof dr D. Kromhout).
                                                          Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims       58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>op zichzelf veilig zijn, kunnen problemen ontstaan door verkeerd gebruik. Dat kan ook zijn:
gebruik door mensen die niet tot de doelgroep behoren. Er zijn namelijk voedingsmiddelen die
gezondheidswinst claimen voor een specifieke doelgroep maar die voor andere groepen schade-
lijk kunnen zijn.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij fytosterolen en fytostanolen. Deze stoffen, die vaak verwerkt
worden in yoghurts en smeerbare vetten, helpen om het LDL-cholesterolgehalte in het bloed te
verlagen (Law 2000, Miettinen 1995, Westrate 1998). Als bijwerking kan echter een (geringe) ver-
laging optreden in de voorziening van vetoplosbare (pro-)vitamines. Zwangere vrouwen en kin-
deren wordt daarom geadviseerd deze middelen niet te gebruiken. Dit staat ook op de
verpakking. Het is echter niet uitgesloten dat ze dit toch doen en daar (bij langdurig gebruik)
schade van ondervinden. In zo’n geval treedt een belangenconflict op. Wat voor de ene groep
consumenten gezondheidswinst kan opleveren, kan bij verkeerd gebruik bij een andere groep
tot schade leiden.
Bij het beoordelen van de risico’s door verkeerd gebruik wordt rekening gehouden met de ‘vei-
lige bandbreedte’. Dat is de ruimte tussen de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid en de grens-
waarde waarboven schade kan optreden. Naast het risico van overdosering is het denkbaar dat
voedingsmiddelen net als medicijnen schadelijke effecten hebben. Die zijn misschien niet altijd
opgemerkt tijdens het aan de markttoelating voorafgaande onderzoek, maar openbaren zich pas
op langere termijn.
Maar ook overdosering bij de beoogde gebruikers is mogelijk (RIVM 2004). Bij voedingsmidde-
len zal dit risico overigens een stuk kleiner zijn dan bij voedingssupplementen: extra vitamines
of mineralen die mensen naast hun gewone voeding innemen. De toegevoegde bestanddelen
zijn in voeding in veel lagere concentraties aanwezig.
Rol van de overheid
Ook bij het indammen van deze risico’s heeft de overheid regelgeving tot haar beschikking. Ze
oefent haar controlerende taak uit door wettelijke kaders waarin voorschriften zijn neergelegd
voor drie groepen voedingsmiddelen met claims.
De eerste groep is die van voedingsmiddelen waaraan vitamines en mineralen zijn toegevoegd.
In de meeste gevallen is dit toegestaan. Voor vitamine A en D, foliumzuur, jodium, fluor, zink
koper en selenium gold altijd een uitzonderingspositie. Verrijkingen van voedingsmiddelen met
deze stoffen was niet toegestaan, omdat hiervoor een doelgericht verrijkingsbeleid wordt
gevoerd of omdat hieraan risico’s kleven voor de volksgezondheid. In december 2004 deed het
Europese Hof van Justitie een uitspraak die voor dit beleid in ons land niet zonder gevolgen is.
Daarin werd weliswaar gesteld dat de Nederlandse overheid bevoegd is om een eigen toelatings-
beleid te voeren ten aanzien van verrijkte voedingsmiddelen. Maar verrijkte producten mogen
niet van de Nederlandse markt worden geweerd, tenzij de overheid kan aantonen dat deze pro-
                                                 Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>ducten bij sommige groepen van consumenten tot gezondheidsschade zou leiden (Hof van Justi-
tie 2004).
De tweede groep waarvoor een wettelijke regeling geldt is die van voedingsmiddelen waaraan
andere ‘bekende stoffen’ zijn toegevoegd, dat wil zeggen stoffen die tot 1997 binnen de Euro-
pese Gemeenschap in significante mate voor menselijke voeding zijn gebruikt. Deze worden
geacht veilig te zijn. Als er aanwijzingen zijn dat dit niet het geval is, moet de Voedsel en Waren
Autoriteit optreden. De bewijslast voor het aantonen van de (on)veiligheid ligt dus niet bij de
producent, maar bij de overheid.
Dan is er nog een derde groep waarvoor regels gelden: de zogenoemde novel foods, zoals pro-
ducten op basis van genetisch gemodificeerde soja of exotische producten waarmee hier niet
eerder (dwz tot 1997) ervaringen zijn opgedaan. De Novel Foods Verordening kent een extra
streng veiligheidsregime (Gezondheidsraad 2002). De producent moet met behulp van een dos-
sier aantonen dat zijn product veilig is, voordat het op de markt wordt toegelaten. Dit dossier
wordt beoordeeld door het College Beoordeling Geneesmiddelen (voorheen door de Commissie
Veiligheidsbeoordeling van Nieuwe Voedingsmiddelen (VNV) bij de Gezondheidsraad). Boven-
dien moet, na markttoelating, het gebruik van deze voedingsmiddelen gemonitord worden met
het oog op de mogelijke schadelijke bijwerkingen. De Novel foods Verordening strekt zich overi-
gens niet uit tot de geclaimde werkzaamheid van de op hun veiligheid te beoordelen producten.
Wordt met deze regelingen de veiligheid van voedingsmiddelen met claims ook voldoende afge-
dekt? De toetsing van producten afzonderlijk lijkt weinig reden tot zorg te geven. De veiligheid
lijkt redelijk te kunnen worden gegarandeerd, hoewel incidenten nooit definitief uit te sluiten
zijn. Hoewel Belt e.a. beargumenteren dat het nooit volledig te bewijzen is dat voedingsmidde-
len ‘onschadelijk voor de menselijke gezondheid’ zijn (Belt 1999), kan na het uitvoeren van ‘ran-
domized clinical trials’ met harde eindpunten, een hoge mate van veiligheid worden
gegarandeerd. Resultaten van dit soort trials zijn in de voedingswereld echter zeer beperkt
beschikbaar.
De beoordeling of een nieuw product in combinatie met reeds bestaande producten op de markt
een gevaar oplevert voor de volksgezondheid (cumulatie) is bij uitstek een taak van de over-
heid, aangezien zij de mogelijkheden van de afzonderlijke producenten overstijgt. Alleen de
overheid kan, via een toelatingsbeleid voor afzonderlijke producten, er op toezien dat het
gecombineerde effect geen gevaar oplevert voor de volksgezondheid. Hierbij kan gebruik
gemaakt worden van de zogenaamde Voedselconsumptiepeilingen, waarin het voedingspatroon
van consumenten wordt onderzocht (Hulshof 2004). Op die manier wordt in ieder geval globaal
duidelijk van welke combinaties van voedingsmiddelen mensen gebruik maken en wat daarvan
de mogelijke risico’s zijn. Speciale aandacht is hier vereist voor de zogenaamde ‘liefhebber con-
sumptie’, het verschijnsel dat sommige personen veel consumeren van voedingsmiddelen met
gezondheidsclaims waardoor er een groter risico is op accumulatie.
                                            Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims 60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    Een ander punt is hoe omgegaan moet worden met belangenconflicten tussen verschillende
    groepen. Wat te doen als voedingsmiddelen schadelijk kunnen zijn voor de ene groep, maar
    mogelijk heilzaam zijn voor de andere?
    Internationaal wordt over dit dilemma verschillend gedacht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het ver-
    schillende beleid bij de verrijking van voedingsmiddelen met foliumzuur. Er is een Europese
    richtlijn in de maak die de verrijking van voedingsmiddelen met microvoedingsstoffen, waaron-
    der foliumzuur, regelt.
    Het Nederlandse verbod om met foliumzuur verrijkte cornflakes tot de markt toe te laten was
    onder meer gebaseerd op de mogelijke risico’s van deze verrijking voor ouderen. Foliumzuurver-
    rijking van voedsel zou in voorkomende gevallen vitamine B12 deficiënties kunnen maskeren;
    ook zou in theorie de synthetische variant van foliumzuur, PMG, neurologische afwijkingen bij
    ouderen kunnen uitlokken of verergeren (Gezondheidsraad 2000).
    Tegenover deze onzekere risico’s staan gezondheidsbaten in de vorm van een gereduceerde inci-
    dentie van neurale buisdefecten (NBD, ‘open rug’). In een recente retrospectieve cohortstudie
    (Botto 2005) werd de incidentie van NBD in verschillende landen vergeleken. Het bleek dat in
    landen waar vrouwen via voorlichtingscampagnes aangemoedigd worden foliumzuur supplemen-
    ten te gebruiken over het algemeen geen waarneembare verbetering optrad in de incidentie van
    NBD. Dit wordt geweten aan een slechte ‘therapietrouw’. Ook bestaat er een verband tussen
    foliumzuurinname en sociaal economische status. Hoog opgeleide vrouwen hebben een hogere
    foliumzuurinname dan laagopgeleide vrouwen (Walle 2001). De onderzoekers verbinden hieraan
    de aanbeveling dat de verrijking van voedsel met foliumzuur zo snel mogelijk ter hand genomen
    moet worden.
    De onderzoeksresultaten zijn duidelijk genoeg, maar over die aanbeveling is nog wel discussie
    mogelijk. Gaan de onderzoekers (‘folic acid is inexpensive, safe and easy to use’) niet te gemak-
    kelijk voorbij aan de mogelijke risico’s van (te hoge) foliumzuurinname? (Morris 2005) Alternatie-
    ven zouden verder onderzocht kunnen worden om de foliumzuurvoorziening van de doelgroep
    op peil te krijgen zonder daarbij mogelijke risico’s voor anderen te creëren. Ook als zou blijken
    dat verbetering van de foliumzuurvoorziening van vrouwen in hun vruchtbare periode alleen via
    verrijking van voedingsmiddelen gerealiseerd zou kunnen worden (subsidiariteit), is het niet op
    voorhand evident dat dit belang de doorslag zou moeten geven (proportionaliteit).
3.4 Toegankelijkheid
    Wie profiteren er van de eventuele voordelen van voedingsmiddelen met gezondheidsclaims? Als
    aan de voorwaarden van betrouwbare claims over werkzame en veilige producten is voldaan is
    dat een volgende vraag. Het gaat dan om gelijke toegang tot gezondheidsbevorderende produc-
    ten voor alle consumenten.
                                                    Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Gevolgen voor de consument
Gelijke toegang tot zaken die een goede gezondheid bevorderen is niet vanzelfsprekend. Diverse
studies hebben de relatie gelegd tussen gezondheid en sociaal-economische status. Mensen met
een hoger inkomen of een hogere opleiding besteden (gemiddeld) meer aandacht aan hun ge-
zondheid. Ze eten gezonder, doen meer aan sport, roken minder, leven langer en blijven langer
gezond dan mensen met een lagere sociaal economische status. Tussen mensen uit de groepen
met de hoogste en de laagste sociaal- economische status bestaat gemiddeld een verschil van
drie tot vijf levensjaren en vijftien ziektevrije levensjaren (Herten 2002, James 1997, WHO 2003).
Het is in die context ook denkbaar dat de groep van mensen met hogere opleidingen en inko-
mens meer zal profiteren van de eventuele voordelen van (duurdere) voedingsmiddelen met
gezondheidsclaims. Deze voedingsmiddelen kunnen daarbij met name interessant zijn voor de
groeiende groep ouderen die graag gebruik wil maken van mogelijkheden om gezond en vitaal
te blijven, en die ook bereid en in staat is hiervoor te betalen. Het is mogelijk dat dan ook de
maatschappelijke ‘gezondheidskloof’ verder zal toenemen, mede door het verschil in toegang.
Wie mogelijk ook onvoldoende zullen kunnen profiteren van deze ontwikkeling, zijn mensen die
voor hun voedselvoorziening afhankelijk zijn van de keuzen van derden, zonder dat ze er zelf
veel invloed op kunnen uitoefenen, zoals kinderen of mensen die verblijven in instellingen of
inrichtingen.
Wat betekent dit nu? Op zich is de mogelijk ongelijke toegang geen reden om het op de markt
komen van voedingsmiddelen met gezondheidsclaims te problematiseren. Dat ze voor een
bepaalde groep misschien minder toegankelijk zijn is immers nog geen reden om anderen de
eventuele voordelen te ontzeggen. Dit zou een vorm van ‘neerwaarts egalitarisme’ zijn. Dat
neemt niet weg dat voedingsmiddelen die echt van groot belang zijn voor de gezondheid voor
iedereen toegankelijk zouden moeten zijn. En daarom is ook productverbetering van bestaande
voedingsmiddelen van groot belang zoals vermindering van trans – en verzadigd vet, suiker en
zout. In dat geval komen de positieve gezondheidseffecten aan de gehele bevolking ten goede.
Rol van de overheid
Voorlichting is voor iedereen van belang, maar met name voor groepen met een lage sociaal
economische status lijkt nog een wereld te winnen door goede voedingsvoorlichting en -scho-
ling. Deze doelgroep blijkt echter moeilijk te benaderen. De overheid heeft hier een taak, bij-
voorbeeld op grond van artikel 22 van de Grondwet. Op lokaal niveau zijn er verschillende
initiatieven, zoals buurtgerichte projecten (Kloek 2004).
Maar wordt het probleem van de toegankelijkheid voldoende afgedekt door de huidige regelin-
gen en aanpak? Hoewel er andere en waarschijnlijk effectievere methoden bestaan om de
gezondheidsachterstand van mensen uit lagere sociaal-economische groepen te verminderen,
                                             Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims 62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>kan beargumenteerd worden dat ook zij toegang zouden moeten hebben tot de eventuele
gezondheidswinst die door voedingsmiddelen met gezondheidsclaims mogelijk gemaakt wordt.
Dit laatste geldt ook voor mensen die voor hun voeding afhankelijk zijn van de keuzen van der-
den. Waaraan moet de overheid dan denken?
1. Afspraken met bedrijfsleven/scholen/instellingen
Voor de tweede groep, de mensen die om verschillende redenen niet zelf de verantwoordelijk-
heid kunnen nemen voor hun voeding, kan de overheid een doelgroepenbeleid voeren. Te den-
ken valt aan het maken van afspraken met het bedrijfsleven over het aanbod van
voedingsmiddelen met claims in bedrijfskantines. Op dit moment is dit nog niet aan de orde.
2. Verplichte toevoeging van stoffen aan voeding
De doeltreffendste methode om voor iedereen gelijke toegang te bereiken is door verplichte toe-
voeging van stoffen aan voedingsmiddelen. In een aantal landen gebeurt dit ook. Zo is het in
Zuid-Afrika verplicht meel te verrijken met een mix van vitamines en mineralen (vitamine A, thia-
mine, riboflavine, niacine, pyridoxine, foliumzuur, ijzer en zink) ter bestrijding van ondervoeding.
In de VS geldt verplichte verrijking met foliumzuur, voor alle met B-vitamines verrijkte tarwe-
meel, rijst, pasta’s, maismeel en andere graanproducten (Gezondheidsraad 2000). Overigens
heeft deze foliumzuurverrijking een specifieke doelgroep, namelijk vrouwen in hun vruchtbare
levensfase. Ongeveer de helft van de zwangerschappen in de VS zijn niet gepland. Door de ver-
rijking te verplichten wordt gepoogd iedereen in deze doelgroep te bereiken. Alle overige groe-
pen krijgen echter ook de met foliumzuur verrijkte producten, al is er voor hen geen aangetoond
gezondheidseffect (zie ook de bespreking onder ‘veiligheid’ in dit signalement).
In Nederland zijn enige tijd jodiumverrijking van broodzout en fluoridering van drinkwater wette-
lijk verplicht geweest. In beide gevallen had de overheid hiertoe besloten uit een oogpunt van
de volksgezondheid. Maar hiertegen kwam protest. Een van de hoofdargumenten was dat het
onaanvaardbaar is verplicht ‘medicatie’ te moeten gebruiken (aantasting van het recht op per-
soonlijke integriteit). De mensen die bezwaar maakten eisten de mogelijkheid om daarvan af te
kunnen zien. Het ‘middel’, verplichte verrijking, werd disproportioneel geacht voor het nage-
streefde doel. Bovendien waren er andere, minder vergaande mogelijkheden om de middelen
beschikbaar te stellen aan de doelgroepen.
In beide gevallen werd de verplichte verrijking uiteindelijk teruggedraaid.6 Het meeste brood dat
vandaag de dag in Nederland wordt verkocht wordt overigens nog steeds bereid met gejodeerd
broodzout. Bakkers gebruiken dit echter op vrijwillige basis. Een alternatief is beschikbaar, aan-
gezien biologische bakkers broodzout gebruiken waaraan geen jodium is toegevoegd.
Verplichte toevoeging van stoffen aan voedingsmiddelen vanwege de volksgezondheid is ook nu
echter niet uitgesloten. Omdat het zo’n ingrijpende beslissing is, die mensen de mogelijkheid
6    Een speciaal geval is margarine. Dit is op de markt gebracht als een substituut voor roomboter. Omdat roombo-
     ter vitamine A en D bevat is dit ook toegevoegd aan margarine.
                                                         Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    om er niet voor te kiezen ontneemt, moet wel echter eerst aan zware voorwaarden zijn voldaan.
    Zo moeten de toevoegingen noodzakelijk zijn; dat wil zeggen: anders optredende fysieke schade
    voorkomen. Verder is het middel alleen geoorloofd als het doel niet op een andere, minder
    ingrijpende wijze te realiseren is (subsidiariteit). En het middel moet in verhouding staan tot het
    nagestreefde doel (proportionaliteit).
    3. Subsidiëren
    Een derde mogelijkheid om gelijke toegang tot de mogelijke gezondheidsvoordelen van voe-
    dingmiddelen met bewezen gezondheidsclaims te stimuleren is door subsidiëring. Dit kan
    gericht zijn op scholen en/of instellingen, maar ook op specifieke doelgroepen zoals mensen met
    een lagere sociaal-economische status. Op voorhand lijkt het niet waarschijnlijk dat deze voe-
    dingsmiddelen vergoed zouden moeten worden via verplichte collectief gefinancierde verzekerin-
    gen. Vergoeding via die weg is immers gerelateerd aan individuele medische noodzaak.
    Bovendien wordt alleen vergoed als de gezondheidsbevorderende werking van een middel niet
    op een andere, goedkope wijze bereikt kan worden. Als echter bijvoorbeeld het gehalte LDL-cho-
    lesterol net zo goed7 door een bepaalde margarine verlaagd kan worden als door veel duurdere
    medicatie, dan lijkt dit een goede reden dit alledaagse voedingsmiddel te vergoeden. Inmiddels
    is er één zorgverzekeraar (VGZ) die een dergelijk product vergoedt. Het is denkbaar dat dit voor-
    beeld navolging zal krijgen. Voor voedingsmiddelen met een gezondheidsclaim geldt namelijk
    een minder zware toelatingsprocedure dan voor medicijnen, waardoor ze in principe tegen
    lagere kosten kunnen worden geproduceerd. Het is dan de vraag of ziektekostenverzekeraars de
    meerkosten van sommige medicijnen nog zullen willen vergoeden. Op termijn zouden voedings-
    middelen met gezondheidsclaims de plaats van bepaalde medicijnen kunnen innemen.
3.5 Keuzeproblemen
    Betrouwbaarheid van claims over werkzaamheid, veiligheid en toegankelijkheid: daarover ging
    het tot nu toe. Zijn er nog andere normatieve aspecten aan het groeiende aanbod van voedings-
    middelen met gezondheidsclaims? Twee punten dienen zich aan. Ze hebben beide te maken met
    het groeiende aanbod. Dat kan enerzijds leiden tot keuzeproblemen voor de consument, en
    anderzijds tot een buitenproportioneel uitvergroten van de gezondheidseffecten van voeding.
    Gevolgen voor de consument
    Stelt u zich voor: u staat in de supermarkt. Op uw boodschappenlijstje staat sinaasappelsap. Op
    de vertrouwde plaats staat de jus d’orange in verschillende kwaliteiten. Maar uw oog valt
    opeens op het van de tv bekende merk Drink, speciaal voor healthy kids, met immuniteitsonder-
    steunende vitamines, calcium voor sterke botten en een kindvriendelijke smaak. Dat klinkt toch
    gezonder dan uw gewone merk. Maar wacht: daaronder staat Drink healthy heart, met zes vita-
    7   Vooralsnog is dit niet het geval: statines zijn effectiever dan fytosterolen of -stanolen in het verlagen van het
        cholesterolgehalte in het bloed (Kraak 2004).
                                                        Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims    64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>mines en mineralen die een bewezen invloed hebben op risicofactoren voor hart- en vaatziekten.
En het wordt nog moeilijker, want daarnaast staat Drink light ’n healthy, met een derde minder
suiker en calorieën dan gewone sinaasappelsap. Misschien kunt u er voor een keer dan best een
zak chips bij nemen. Maar hoe zit het dan met de transvetzuren?
Zijn consumenten voldoende competent om te kiezen uit het toenemende aanbod? Bij de voed-
selkeuze spelen verschillende factoren een rol, zoals gewoonte, intuïtie, prijs, gemak, tijdsdruk,
smaak, presentatie, voedingswaarde, bekendheid, opvoeding, cultuur, religie en persoonlijke
waarden (Caplan 1997).
De laatste decennia heeft een verschuiving in het consumptiegedrag plaatsgevonden, waardoor
de consument steeds minder basisvoedingsmiddelen en steeds meer samengestelde voedings-
middelen en gemaksvoeding is gaan gebruiken (Gezondheidsraad 2002a). Die producten zijn
samengesteld uit een veelheid aan ingrediënten. De tijd lijkt voorbij dat een volledige maaltijd
werd bereid uit tien grondstoffen: aardappels, bloemkool, meel, melk, boter, gehakt, beschuit-
kruimels, nootmuskaat, zout en peper. Een beetje pastasaus of instant soep bevat al meer ingre-
diënten, die bovendien lang niet altijd een voor de consument herkenbare herkomst hebben
(wat is een emulgator bijvoorbeeld?).
Als consument moet je inmiddels haast een voedingskundige achtergrond hebben om op grond
van de informatie op de etiketten een gezonde voeding samen te stellen. De opkomst van voe-
dingsmiddelen met toevoegingen waarvan een gezondheidsbevorderende werking wordt
geclaimd, maakt deze keuze nog moeilijker:
        some functional foods blur the traditional distinctions between food groups, e.g. by including
        vitamins in confectionary, fiber in drinks, fish oil in bread and so on. Such foods contradict the basic
        understanding of what is a balanced diet, based on food groups. Since food group conceptions
        appear to be well integrated in lay understandings of healthy eating, there is a risk that such
        functional foods will be counter-productive to the nutrition health of populations (Holm 2003).
De consument heeft daarnaast in de regel een gebrekkig begrip van de betekenis van claims,
hoewel niet iedereen zich altijd daarvan bewust is. En dit blijkt onafhankelijk te zijn van het
opleidingsniveau (UK Food Standards Agency 2002). Ook wordt de consument blootgesteld aan
een veelheid van informatie, die ervaren kan worden als een information overload. Ten slotte
blijken berichten over gezonde voeding in de pers elkaar regelmatig tegen te spreken. Mede
hierdoor sluiten consumenten zich soms af voor nieuwe informatie en trekken zij hun eigen plan.
De bewering lijkt dan ook gerechtvaardigd dat niet alle consumenten zomaar in staat zijn om
bewust te kiezen uit het groeiende aanbod van voedingsmiddelen, waaronder voedingsmiddelen
met gezondheidsclaims. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit de grote populariteit van afslankdiëten
waarvan de effecten twijfelachtig en onbewezen zijn (Gezondheidsraad 2003b). Voor groepen
consumenten kan het samenstellen van een gezond voedingspakket moeilijker in plaats van
                                                       Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    gemakkelijker worden. Dit kan consumenten ten onrechte een gevoel van ‘veiligheid’ geven
    (Nestle 2002) en leiden tot compensatiegedrag. Het kan zelfs leiden tot gezondheidsschade, bij-
    voorbeeld wanneer consumenten zelf gaan ‘dokteren’ in plaats van de arts te bezoeken wanneer
    ze een gezondheidsprobleem hebben.
    Een mogelijkheid die kan helpen bij het maken van een voedselkeuze is dat consumenten zich
    preventief laten testen om te bepalen of ze al dan niet behoren tot de doelgroep die voor het
    gebruik van voedingsmiddelen met claims in aanmerking komt. Naar verwachting zal een groep
    consumenten, al dan niet na voorafgaande preventieve testen op aandoeningen, in staat zijn
    gezondheidswinst te behalen met behulp van de nieuwe producten.
    Rol van de overheid
    Wat is de rol van de overheid hierin? Als de consument in staat blijkt te profiteren van de toene-
    mende keuzemogelijkheden, dan hoeft de overheid zich daar verder niet in te mengen. Zou ech-
    ter blijken dat consumenten, mede als gevolg van het groeiende aanbod, de
    verantwoordelijkheid voor een gezonde voedselkeuze niet alleen kunnen dragen, dan wordt dat
    mogelijk anders. Door extra voorlichting, scholing of begeleiding zouden aan consumenten die
    daar prijs op stellen, mogelijkheden kunnen worden aangereikt om in deze situatie een gezonde
    voedselkeuze te kunnen maken en goed om te gaan met gezondheidsclaims op voeding.
    Of hier het voortouw genomen moet worden door de overheid, de industrie, de winkeliers, of
    maatschappelijke organisaties zoals de consumentenbond, of samenwerkingsverbanden hiervan,
    is niet op voorhand duidelijk. Met name de winkelbedrijven lijken bij uitstek in de positie te ver-
    keren waarin ze bij de samenstelling van hun assortiment rekening kunnen houden met de
    belangen van hun klanten. In alle gevallen blijft het monitoren van consumentengedrag belang-
    rijk om problemen te signaleren en eventueel beleid te kunnen aanpassen. Het veranderen van
    voedingspatronen is, gezien de weerbarstigheid van de materie, overigens niet eenvoudig
    (Keane 1997).
3.6 Uitvergroting van het gezondheidsbelang van voeding
    Dat gezondheid van belang is bij het denken over goede voeding, is uiteraard niets nieuws. Voe-
    ding heeft echter ook culturele en sociale betekenisdimensies. Door middel van voeding geven
    we uiting aan onze identiteit; in onze voeding weerspiegelen zich onze keuzes en waarden en
    normen. Voeding is niet alleen een voorwaarde voor alle mogelijke invullingen van het goede
    leven, maar ook een uitdrukking van onze visie daarop (Korthals 2002, Meijboom 2003). Deze
    andere dimensies dreigen in het gedrang te komen bij toenemende of zelfs exclusieve aandacht
    voor het gezondheidsperspectief van voeding. Dat kan in diverse opzichten verlies betekenen.
    Sociaal en cultureel, maar ook waar het gaat om de vraag hoeveel ruimte we houden om zelf
    invulling te geven aan een ideaal van het goede leven, ook als daarin de zorg voor een goede
    gezondheid niet de belangrijkste waarde zou zijn (Verweij, deze bundel).
                                              Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims 66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Gevolgen voor de consument
In een samenleving waar voeding in de eerste plaats wordt beoordeeld op wat ze bijdraagt aan
gezondheid, valt niet uit te sluiten dat mensen ook verantwoordelijk gehouden zullen worden
voor hun gezonde of ongezonde voedingsgedrag. Wie door gezond te eten had kunnen voorko-
men ziek te worden, zo luidt dan de redenering, hoeft niet bij de samenleving aan te kloppen
voor de vergoeding van medische zorg:
         some would wish to respond differently to health needs depending on who is responsible for
         creating and maintaining them. In this view, what we can do for ourselves, we should not look to
         others to do for us. If we become sick and disabled as a result of neglecting to take care of
         ourselves, or by having taken undue risks, then dealing with these health needs should be seen as
         personal rather than social responsibility and as such should not be considered on a par with other,
         unavoidable health needs (Wikler 2002).
De vraag welke rol de eigen verantwoordelijkheid moet spelen in het bepalen van de toegang
tot de gezondheidszorg is buitengewoon complex. In het kader van dit signalement valt er
slechts op te wijzen dat het niet zonder meer duidelijk is hoe moet worden bepaald wat wel en
wat niet kan gelden als gezond of ongezond gedrag. Sporten is gezond, maar soms ook niet
(blessures), bepaalde sporten (bergbeklimmen) zijn zelfs relatief gevaarlijk.
Bij gezondheidsschade spelen vaak vele verschillende factoren – bekende en onbekende – een
rol. Het is een complexe (en mogelijk arbitraire) zaak om de verschillende factoren te bepalen en
te wegen. Vervolgens is het de vraag hoe al de benodigde kennis verkregen zou kunnen worden
zonder daarbij op onaanvaardbare wijze de privacy aan te tasten. Tenslotte zou rechtvaardigheid
vereisen dat er een risicovergelijking wordt gemaakt tussen alle mogelijke verschillende risico-
dragende activiteiten zoals verre vakanties, skiën, late zwangerschap, hard werken, wonen in de
buurt van een snelweg of grote luchthaven, etcetera en niet slechts het voedingsgedrag. De
instituties die nodig zijn om hier op een coherente en consistente wijze mee om te gaan zouden
de samenleving veranderen in een ‘controle samenleving’ die weinig nastrevenswaardig lijkt.
Verder is het de vraag of, en in hoeverre, consumenten de verantwoordelijkheid voor hun
gezondheid kunnen dragen. Hoe kan worden vastgesteld of en in hoeverre gezondheidsschade
het gevolg is van eigen keuze? Het morele belang van deze vraag kan onder meer worden geïllu-
streerd met de reeds eerder genoemde grote gezondheidsverschillen die bestaan tussen mensen
met een hoge - en lage sociaal economische status.
         Similarly, the assignment of responsibility for health impinges on the content of human rights,
         specifically on the the right to health, Article 12 of the Convenant on Economic, Social and Cultural
         Rights, which countries worldwide have ratified. If social and economic inequalities are as powerful
         in determining health expectancies as current research indicates they are, then signatories to the
         Convenant would seem to be obligated to narrow these inequalities, or to find ways to reduce their
                                                        Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>             impact on health and longevity. But if we assign responsibility for the excess mortality and morbidity
             associated with socio-economic inequality to individuals, on the premise that these misfortunes
             stem from differences in lifestyles, reflecting different personal priorities, tastes, and character traits,
             then we cannot demand remedial action by states bound by the Convenant (Wikler 2002).
    Het centraal stellen van de eigen verantwoordelijkheid bij het bepalen van de toegang tot de
    gezondheidszorg, kan tot gevolg hebben dat deze gezondheidskloof verder wordt vergroot.
    Gegeven deze overwegingen lijken er praktische en principiële grenzen aan het verantwoordelijk
    stellen van consumenten op de gevolgen van hun (voedings-)gedrag. Dat laat onverlet dat de
    eigen keuzes van mensen van groot belang zijn voor het helpen voorkomen van gezondheids-
    schade. Het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid in de zin van ‘vermogen te zorgen
    voor’ (empowerment) kan en dient een belangrijke rol te spelen in voorlichting over gezonde
    voeding.
    Rol van de overheid
    Zorg voor de volksgezondheid is een belangrijke taak voor de overheid en het ondersteunen van
    consumenten om een gezonde voedings- en levensstijl te ontwikkelen is daartoe een middel. De
    vraag is hoe dat kan gebeuren zonder burgers de ruimte te ontnemen op eigen wijze invulling te
    geven aan idealen van ‘het goede leven’.
3.7 Agendapunten
    Welke punten levert deze inventarisatie nu op voor de ethische beleidsagenda? Over welke
    aspecten van verrijking van voedingsmiddelen moet verder nagedacht worden?
    — In de huidige situatie in Nederland zijn nog onvoldoende waarborgen voor de wetenschappe-
        lijke onderbouwing van de gezondheidsclaims van voedingsmiddelen. Het is onzeker of en
        op welke termijn nieuwe Europese regelgeving hier verandering in kan brengen.
    — De toetsingsprocedure voor voedingsmiddelen met een gezondheidsclaim, waaronder claims
        over reductie van ziekterisicofactoren, is minder zwaar dan die voor medicijnen. Dat lijkt
        ongewenst.
    — Om te voorkomen dat belangrijke kansen worden gemist, zou het onderzoek naar gezonde
        ingrediënten niet geheel aan de voedingsmiddelenindustrie moeten worden overgelaten.
    — Het stimuleren van productmodificatie als methode om gezondheidsschade op bevolkingsni-
        veau te voorkomen is wenselijk, zowel op nationaal als Europees niveau.
    — Extra onderwijs en voorlichting, ook over voedingsmiddelen met gezondheidsclaims, zijn
        nodig om consumenten te helpen bij het samenstellen van een gezond voedingspakket. Een
        belangrijke vraag is wel hoe te voorkomen valt dat hun daarbij de ruimte wordt ontnomen
        een eigen invulling te geven aan ‘het goede leven’.
                                                      Nu met extra bacteriën! Voedingsmiddelen met gezondheidsclaims   68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Literatuur
Botto LD, Lisi A, Robert-Gnansia E, ea. International          Hulshof KFAM, Ocké MC, van Rossum CTM, ea.
retrospective cohort study of neural tube defects in           Resultaten van de voedselconsumptiepeiling 2003.
relation to folic acid recommendations: are the                TNO rapport nummer V6000, RIVM rapport
recommendations working? BMJ 2005; 330: 571.                   35003002/2004. 2004.
Caplan P (ed). Food, health and identity. London:              Innovatienetwerk Groene Ruimte en Agrocluster.
Routledge, 1997.                                               Brochure Gezond? Rapportnr.: 03.2.022. Den Haag;
                                                               2003.
Europese Commissie. Voorstel voor een verordening
van het Europees Parlement en de Raad inzake                   James WP, Nelson M, Ralph A, ea. Socioeconomic
voeding- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen              determinants of health. The contribution of nutrition
/* com/2003/0424 def. – COD/2003/0165 */.                      to inequalities in health. British Medical Journal 1997;
                                                               314: 1545-9.
European Parliament. On the proposal for a
regulation of the European Parliament and of the               Katan MB. Marktwerking in het voedingsonderzoek:
Council on nutrition and health claims made on                 goed voor de volksgezondheid? Graadmeter 2004; 6,
foods. Report A6-0128/2005 by Adriana Poli Bortone             20, Gezondheidsraad 2004a.
12-05 2005.
                                                               Katan MB, de Roos NM. Promises and problems of
Food Standards Agency. Health Claims on Food                   functional foods. Critical Reviews in Food Science and
Packaging – Consumer related qualitative research.             Nutrition. 2004b; 5: 369-378.
Londen: Food Standards Agency; 2002.
                                                               Keane A. Too hard to swallow? The palatability of
Gezondheidsraad. Risico’s van foliumzuurverrijking.            heathy eating advice. In: Caplan P. (ed). Food, health
Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr                 and identity. London: Routledge; 1997: 172-192.
2000/21.
                                                               Kloek G. Improving Health related behavior in
Gezondheidsraad. Commissie trends                              deprived neighborhoods. Academisch proefschrift,
voedselconsumptie. Enige belangrijke ontwikkelingen            Rotterdam: Erasmus Universiteit; 2004.
op het gebied van de voedselconsumptie. Den Haag:
Gezondheidsraad, 2002a; publicatie nr 2002/12.                 Korthals M. Voor het eten, filosofie en ethiek van
                                                               voeding. Amsterdam: Boom, 2002.
Gezondheidsraad. Veiligheidsbeoordeling van nieuwe
voedingsmiddelen. Den Haag: Gezondheidsraad,                   Kraak H. Margarines of statines tegen lagere kans op
2002b; publicatie nr 2002/05VNV.                               ziekte en sterfte? Voeding Nu 2004; 3: 14-15.
Gezondheidsraad. Voedingsmiddelen en –                         Law M. Plant sterol and stanol margarines and
supplementen met claims over gezondheidseffecten.              health. British Medical Journal 2000; 320: 861-4.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2003a; publicatie nr
2003/09.                                                       Marmot M, RG Wilkinson. Social determinants of
                                                               health. Oxford: Oxford University Press, 1999.
Gezondheidsraad. Overgewicht en obesitas. Den
Haag: Gezondheidsraad, 2003b; publicatie nr 2003/              Meijboom FLB, Verweij MF, Brom FWA. You eat what
07.                                                            you are. Moral.
Hof van Justitie EG. 2 december 2004, C-41/02,                 dimensions of diets tailored to one’s genes, Journal
Commissie tegen Nederland.                                     of Agricutural and Envrionmental Ethics, 2003; 16:
                                                               557-568.
Holm, L. Food health policies and ethics: Lay
perspectives on functional foods. Journal of                   Meyer G. Are tailor-made, individual diets relevant for
Agricultural and Environmental Ethics 2003; 16: 531-           problems of public health? Eursafe News. 2005; 7: 1-
544.                                                           3.
                                                      Signalering ethiek en gezondheid 2005 _ Gezondheidsraad        69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Miettinen TA, Puska P, Gylling H, ea. Reduction of     Van Herten LM. Gezonde levensverwachting naar
serum cholesterol with sitostanol-ester margarine in a sociaal economische status. Leiden: TNO Preventie
mildly hypercholesterolemic population. New England    en Gezondheid, 2002.
Journal of Medicine, 1995; 333: 1308-12.
                                                       Verordening nr 258/97 van het Europees Parlement
Ministerie van VWS. Warenwetbesluit                    en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen en
Voedingswaarde-informatie levensmiddelen. Rijswijk:    nieuwe voedselingrediënten. 1997.
Ministerie van VWS, 1993.
                                                       Voedingscentrum. Gedragscode wetenschappelijke
Ministerie van VWS. Warenwetbesluit toevoeging         onderbouwing gezondheidseffecten ten behoeve van
micro-voedingsstoffen. Rijswijk: Ministerie van VWS,   gezondheidsclaims op eet- en drinkwaren. Den Haag:
1996.                                                  Voedingscentrum, 1998.
Morris MC, Evans DA, Bienias JL, ea. Dietary Folate    Voedingsraad. Richtlijnen goede voeding. Den Haag:
and Vitamin B12 intake and Cognitive Decline Among     Voedingsraad, 1986.
Community-Dwelling Older Persons. Archives of
neurology 2005; 62: 641-649.                           De Walle HEK. Awareness and use of folic acid in the
                                                       Netherlands: from science to practice (academisch
Nestle M. Food Politics. How the food industry         proefschrift). Groningen: RUG, 2001.
influences nutrition and health. Berkeley: University
of California Press, 2002                              Westrate JA, Meijer GW. Plant sterol-enriched
                                                       margarines and reduction of plasma total and LDL-
RIVM. Ons eten gemeten. Houten: Bohn Stafleu Van       cholesterol concentrations in normocholesterolaemic
Loghum, 2004.                                          and mildly hypercholesterolaemic subjects. European
                                                       Journal of Clinical Nutrition 1998; 52: 334-43.
Taskforce verantwoorde vetzuursamenstelling. Juni
2005: Nieuwsbrief 1; 2005.                             WHO. Diet nutrition and the prevention of chronic
                                                       disease. Geneva: WHO, 2003.
Van de Belt H, Te Molder H, Aarts, N. Functional
foods: van dilemma’s naar beleid. Programma            Wikler D. Personal and social responsibility for
Technologisch Aspectenonderzoek, Ministerie van        health, Ethics & International Affairs 2002; 16: 47-55.
LNV. 1999.
                                                                                          Literatuur        70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>