<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Advies
Onderzoeksagenda
Medische Biotechnologie
Publicatie 53
Den Haag, april 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>RAAD VOOR GEZONDHEIDSONDERZOEK
Aan de staatssecretaris van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport
mevrouw drs. C. Ross-van Dorp
Postbus 20350
2500 EJ 'S-GRAVENHAGE
Onderwerp:              Advies Onderzoeksagenda Medische Biotechnologie
Ons kenmerk: PM/lb 06.29
Datum:                  26 april 2006
Geachte mevrouw Ross,
In maart 2005 ontving de Raad voor Gezondheidsonderzoek uw verzoek een
advies uit te brengen voor een Onderzoeksagenda Medische Biotechnologie. In
uw verzoek gaf u aan dat de Onderzoeksagenda een breed gedragen voorstel
moet bevatten voor maatschappelijke problemen, zoals aandoeningen waarvoor
nog geen adequate preventie, diagnostiek en/of behandeling mogelijk is en
waarvoor medische biotechnologie in potentie oplossingen biedt.
Hierbij bieden wij u het advies van de Raad aan, mede namens het Forum Bio-
technologie en Genetica dat bij de voorbereiding betrokken is geweest.
Dit advies bevat niet alleen een analyse van de medische biotechnologie in het
publieke onderzoeksdomein en de private biotechsector. Het is tevens geba-
seerd op nieuw verkregen gegevens die speciaal voor dit rapport zijn verzameld.
Hiervoor hebben beroepsbeoefenaren, patiënten, burgers en zorgverzekeraars
aan het prioriteringsproces deelgenomen. De uitkomsten van de verschillende
inventarisatietrajecten vertonen zoveel overeenkomst dat zij elkaar versterken.
Om die reden is de keuze voor drie topprioriteiten breedgedragen te noemen.
Het gaat om het cluster obesitas / diabetes mellitus / hart- en vaatziekten, kan-
ker en aandoeningen van het bewegingsapparaat, met name artrose. Voor de
prioriteiten zijn implementatietrajecten aangegeven.
Postadres                                                 Bezoekadres
Postbus 16052                                             Parnassusplein 5
2500 BB Den Haag                                          2511 VX Den Haag
email:    bureau@rgo.nl                                   telefoon: 070-3407521
website: www.rgo.nl                                       fax:      070-3407524
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Tevens beschrijft dit advies mogelijkheden om publiek-private samenwerking
op het terrein van medische biotechnologie te initiëren, te beïnvloeden en te
versterken.
De Raad constateert verder dat het noodzakelijk is het genomics onderzoek te
blijven ondersteunen, snel tot een beslissing te komen ten aanzien van bioban-
ken en onnodig belemmerende wet- en regelgeving te voorkomen.
Tenslotte adviseert de Raad de breed gedragen maatschappelijke bijdragen aan
agendasetting en programmering van medische biotechnologie te continueren.
Met vriendelijke groeten,
prof.dr. P.J. van der Maas
voorzitter RGO
i.a.a.   de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
         de minister van Economische Zaken
         de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Samenvatting                                                            7
Summary                                                                 9
1 Inleiding                                                            11
2 Afbakening: Matrix                                                   13
    2.1    Aandoeningen                                                13
    2.2    Technologieën, definities                                   14
    2.3    Matrix                                                      17
3 Onderzoek                                                            21
    3.1    Methoden                                                    21
    3.2    Resultaten onderzoek                                        22
4 Bedrijvigheid                                                        25
    4.1    Methode                                                     25
    4.2    Inventarisatie bedrijvigheid                                25
5 Publiek privaat                                                      31
    5.1    Samenwerking Forum Biotechnologie en Genetica               31
    5.2    VWS als katalysator van pps                                 31
    5.3    Kernpunten pps                                              32
6 Maatschappelijk traject                                              41
    6.1    Achtergrond en methode maatschappelijk traject              41
    6.2    Resultaten maatschappelijk traject                          42
    6.2.1     Maatschappelijke behoefte - chronische zorggebruikers    43
    6.2.2     Geïntegreerde maatschappelijke behoefte – burgers,
              zorgverleners en verzekeraars                            44
7 Breed gedragen onderzoeksagenda medische biotechnologie              49
    7.1    Conclusies voorgaande hoofdstukken                          49
    7.2    Synthese, aanbevelingen en implementatie                    51
Lijst van afkortingen                                                  59
Referenties                                                            61
Bijlage 1     Adviesaanvraag                                           65
Bijlage 2     Samenstelling Commissie                                  69
Bijlage 3     Omschrijving technologiëen                               71
Bijlage 4     Geconsulteerde deskukndigen                              77
Bijlage 5     Voorbeelden van potentiële ontwikkelingen                81
Bijlage 6     Financiering onderzoek 2e en 3e geldstroom               85
Bijlage 7     Korte beschrijving medisch biotechnologisch onderzoek    89
Bijlage 8     Gezondheidsonderzoek van Nederlandse bedrijven           97
Bijlage 9     Instrumenten overheid pps                               103
Bijlage 10    Succesvolle pps-projecten in de Life Sciences           111
Bijlage 11    Punten ter overweging beoordeling pps-projecten         117
Bijlage 12    Nederlandse kader voor snelle ontwikkeling griep vaccin 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>SAMENVATTING
Op verzoek van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS)
heeft de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) een advies opgesteld met
aanbevelingen voor een afgeronde, breed gedragen Onderzoeksagenda Medi-
sche Biotechnologie.
Het uitgangspunt voor dit advies zijn de zestien aandoeningen uit het rapport
Priority Medicines en dertien technologieën die de Raad als medische biotechno-
logie beschouwt. Deze zijn tegen elkaar uitgezet in een matrix. Voor ieder punt
in de matrix is bepaald of een technologie mogelijkheden biedt voor (het oplos-
sen van) een aandoening. Vervolgens is:
- in kaart gebracht of die mogelijkheden in het publieke onderzoeksdomein in
    Nederland aan bod komen en hoe sterk;
- in kaart gebracht of die mogelijkheden in het private domein (de medische
    biotechbedrijven) ontwikkeld worden en hoe sterk;
- bezien hoe het ministerie van VWS een eigen rol kan spelen bij het stimule-
    ren van publiek private samenwerking op het terrein van medische biotech-
    nologie;
- bij diverse stakeholders (patiënten, burgers, zorgverleners en zorgverzeke-
    raars) op een gestructureerde, individuele en interactieve wijze uitgezocht
    voor welke maatschappelijke behoefte medische biotechnologie een oplos-
    sing zou kunnen bieden.
De resultaten van de verschillende inventarisaties zijn geïntegreerd. Op basis
van zwaartepunten in academisch onderzoek, economische bedrijvigheid en
maatschappelijk belang zijn zeven (clusters van) aandoeningen geïdentificeerd
die aandacht verdienen. Hiervan zijn drie clusters als topprioriteit aangemerkt:
- het cluster obesitas/diabetes mellitus /hart- en vaataandoeningen;
- kanker;
- aandoeningen van het bewegingsapparaat m.n. artrose.
Medisch-biotechnologische toepassingen in de richting van preventie en behan-
deling hebben de voorkeur. In het laatste hoofdstuk, dat tevens dient als executive
summary, worden algemene aanbevelingen, aanbevelingen ter versterking van
publiek private samenwerking, en zeven specifieke aanbevelingen per cluster
gedaan. Voor de specifieke aanbevelingen is het implementatietraject reeds uit-
gewerkt.
                                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>8</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>SUMMARY
At the request of the Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS), the Advisory
Council on Health Research (RGO) has drawn up recommendations for a com-
plete and broadly supported Research Agenda in Medical Biotechnology.
The starting point for this report are the sixteen diseases listed in the report ‘Pri-
ority Medicines’ and the thirteen technologies that the Council considers to be
medical biotechnology. These are set out against each other in a matrix. For
each point in the matrix, the Council has evaluated whether a technology crea-
tes possibilities for the treatment of a disease. Subsequently, the Council:
- investigated whether and to what extent these possibilities are receiving
    attention in the public research area in the Netherlands;
- investigated whether and to what extent these possibilities are being develo-
    ped in the private area (the medical biotechnology companies);
- examined how the Ministry of Health, Welfare and Sport could play a speci-
    fic role in stimulating public-private collaboration in the field of medical bio-
    technology;
- consulted various ‘stakeholders’ (patients, citizens, doctors and insurers) to
    determine, in a structured, individual and interactive manner, the societal
    needs for which medical biotechnology could provide a solution.
The results of these various inventories were then integrated. On the basis of the
main points in university research, economic activity and the societal needs,
seven diseases or disease clusters were identified that deserve attention. Of
these, three clusters are given top priority:
- the cluster obesity / diabetes mellitus / cardiovascular diseases;
- cancer;
- diseases of the locomotor apparatus, specifically arthrosis.
Preference is given to the application of medical biotechnology in the direction
of prevention and treatment. In the last chapter, which also serves as an execu-
tive summary, general recommendations, recommendations for the strengthe-
ning of public-private collaboration, and seven specific recommendations per
cluster are presented. An implementation trajectory has already been worked
out for the specific recommendations.
                                                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>10</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>1      INLEIDING
Op 5 oktober 2004 heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport de Agenda Medische Biotechnologie gepresenteerd1. De Agenda is het
resultaat van het project ‘Biotechnologie als Open Beleidsproces’ (BOB) dat het
ministerie van VWS vanaf 2002 heeft uitgevoerd. In die tijd is in kaart gebracht
welke (maatschappelijke) knelpunten er zijn op het gebied van de medische bio-
technologie en hoe deze het beste opgelost kunnen worden. Medische biotech-
nologie wordt kortheidshalve omschreven als: ‘medische biotechnologie richt
zich op het ontwikkelen voor medische toepassing van producten en processen
met organismen of bestanddelen hiervan’: In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt
het begrip breder uitgewerkt en afgebakend.
De Agenda wordt gekenmerkt door een positieve grondtoon over mogelijke
toepassingen waarvoor al een breed draagvlak bestaat. In de Agenda van VWS
is een aantal strategische doelstellingen opgenomen, die bij elkaar tot 33 actie-
punten leiden.
Eén van de doelstellingen betreft het terrein van ‘onderzoek, innovatie en toe-
gankelijkheid’. Er wordt hier door VWS een aantal actiepunten opgevoerd die
te maken hebben met het afstemmen van het onderzoek op de maatschappe-
lijke behoefte, het domein van de RGO:
Actie 14: Het ministerie van VWS inventariseert de maatschappelijke vraag
naar medische biotechnologie en hoe onderzoek op het terrein van de medische
biotechnologie nu georganiseerd is.
Actie 15: Het ministerie van VWS inventariseert hoe publieke en private onder-
zoekinstellingen, patiënten- en consumentenorganisaties en zorginstellingen
nauwer kunnen samenwerken.
Actie 16: Er wordt een koppeling gemaakt tussen innovatief biotechnologisch
onderzoek en de maatschappelijk vraag naar dergelijk onderzoek.
Actie 17: Het opzetten van een nationale, breed gedragen onderzoeksagenda op
het gebied van de medische biotechnologie, die aansluit bij de maatschappelijke
vraag en waarbij publieke en private onderzoeksgelden effectiever kunnen wor-
den ingezet. Dit actiepunt integreert de punten 14, 15 en 16.
Het ministerie van VWS heeft de RGO verzocht om een advies over een onder-
zoeksagenda medische biotechnologie. De RGO heeft hiervoor op 3 maart
2005 een adviesaanvraag ontvangen (bijlage 1). Het advies zal gebruikt worden
ter ondersteuning van het inhoudelijk beleid dat VWS op dit terrein voert, in
                                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>samenhang met de departementen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW) en Economische Zaken (EZ).
In de adviesaanvraag verzoekt de staatssecretaris in het jaar 2005 te komen tot
een afgeronde, breed gedragen onderzoeksagenda voor maatschappelijke pro-
blemen, zoals aandoeningen waarvoor nog geen adequate preventie, diagnos-
tiek en/of behandeling mogelijk is en waarvoor medische biotechnologie in
potentie oplossingen biedt. Bovengenoemde actiepunten zijn in de adviesaan-
vraag verwerkt en worden als volgt onderscheiden:
- Het huidig onderzoek op het terrein van de medische biotechnologie in
    Nederland;
- Publieke-private samenwerking (pps) op het terrein van de medische bio-
    technologie;
- De Nederlandse maatschappelijke vraag naar medische biotechnologie.
Op basis van een breed gedragen onderzoeksagenda kan vervolgens een voor
de samenleving optimale allocatie van de publieke onderzoeksgelden plaatsvin-
den, én worden gestimuleerd dat ook onderzoeksgelden van bedrijven, onder-
zoeksinstituten en inzamelingsfondsen zich meer op prioritaire gebieden gaan
richten. Verder verzoekt de staatssecretaris aandacht te besteden aan de moge-
lijkheden voor implementatie van de onderzoeksagenda, en het Forum Biotech-
nologie en Genetica (FBG) bij de voorbereiding te betrekken.
De RGO heeft ter voorbereiding van het advies een commissie ingesteld onder
voorzitterschap van prof.dr. S.W.J. Lamberts (bijlage 2).
Dit advies is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden aandoeningen uit het
rapport over priority medicines en technologieën die de Raad als medische bio-
technologie beschouwt nader afgebakend en tegen elkaar uitgezet in een matrix.
Voor ieder punt in de matrix is bepaald of een technologie mogelijkheden biedt
voor preventie, diagnostiek of behandeling van een aandoening. In hoofdstuk 3
is in kaart gebracht of die mogelijkheden in het publieke onderzoeksdomein in
Nederland worden gerealiseerd en hoe sterk. In hoofdstuk 4 is hetzelfde gedaan
voor de private activiteiten in Nederland. Publiek-private samenwerking en hoe
het ministerie van VWS daar een eigen rol in kan spelen op het terrein van de
medische biotechnologie is uitgewerkt in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is de
maatschappelijke behoefte op een gestructureerde, individuele en interactieve
wijze geïnventariseerd bij diverse stakeholders. De resultaten van de diverse tra-
jecten zijn geïntegreerd in hoofdstuk 7. Voor de zeven onderscheiden prioritei-
ten worden tenslotte algemene en specifieke aanbevelingen gedaan, met
aandacht voor implementatie van die aanbevelingen.
       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>2       AFBAKENING: MATRIX
2.1     AANDOENINGEN
Ontwikkelingen in de biowetenschappen, met name in de medische biotechno-
logie bieden kansen voor verbetering van gezondheid en gezondheidszorg. Die
kansen zou het ministerie van VWS graag benutten voor aandoeningen waar-
voor nog geen adequate preventie, diagnostiek en/of behandeling mogelijk is.
In dit advies wordt het World Health Organisation (WHO)-rapport ‘Priority
medicines for Europe and the world’ als vertrekpunt genomen2.
De WHO noemt 16 (groepen van) aandoeningen waaraan prioriteit moet wor-
den gegeven. Een deel van deze prioriteiten komt ook terug in het preventiebe-
leid van VWS3. De Raad heeft deze prioriteiten als volgt samengevoegd.
 Groepen van aandoeningen
 1 AR           = antibioticaresistentie (W)
 2 PI           = pandemie influenza (W)
 3 HIV          = HIV/aids (W)
 4 TU           = tuberculose (W)
 5 HV           = hart en vaatziekten: secundaire preventie en beroerte (W); coro-
                    naire hart- en vaatziekten, hartfalen en beroerte (P)
 6 KA           = kanker (W); longkanker, borstkanker, dikkedarm- en endeldarm-
                    kanker (P)
 7 LO           = luchtwegaandoeningen/COPP: COPD (W); astma en chronische
                    longziekten (P)
 8 OA/RA = klachten aan het bewegingsapparaat, m.n. osteoarthritis
                    (=artrose)(W, P); en reumatoïde artritis (P)
 9 DM           = diabetes mellitus (W, P)
 10 LS          = verslaving (roken (W, P), alcohol (W, P)) en vetzucht (obesitas) (P)
 11 ZZ          = zeldzame aandoeningen (W)
 12 AZ          = dementie, incl. ziekte van alzheimer (W)
 13 PY          = psychische aandoeningen: depressie (W); depressie, angststoornis-
                    sen, en zelfdoding (P)
 14 MA          = malaria (W)
 15 TrW         = tropische weesaandoeningen (W)
 16 GY          = maternale bloedingen, postpartum problematiek (W)
 W = WHO-rapport ‘Priorituy medicines’     P = Preventienota
De eerste vier aandoeningen/problemen zijn gerelateerd aan infectieziekten, en
spelen medisch gezien ook een rol in Nederland. Malaria en tropische weesaan-
doeningen (veelal infectieziekten) zijn niet direct gekoppeld aan de Nederlandse
situatie, maar veroorzaken wereldwijd grote medische problemen. Een aantal
tropische weesaandoeningen dreigt ook de westerse landen te ‘veroveren’.
                                                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Onder lifestyle (en verslaving) vallen roken, alcoholmisbruik en vetzucht.
Artrose en reumatoïde artritis zijn beide aandoeningen van het bewegingsappa-
raat, maar worden onderscheiden omdat het twee verschillende ziekten zijn
met verschillende therapieën. Artrose wacht op ‘echte’ biotechnologische door-
braken terwijl de behandeling van reumatoïde artritis al ver gevorderd is met
immuno-modulerende stoffen.
De ‘ziekte van Alzheimer’ is in dit advies uitgebreid tot de categorie dementie
inclusief Alzheimer.
De Raad heeft verder besloten weesaandoeningen ook mee te nemen. De wees-
aandoeningen kennen in Nederland namelijk veel belangrijke onderzoeksgroe-
nen. Onderzoek naar zeldzame aandoeningen blijkt vaak als voorbeeld te
dienen voor opheldering van grote aandoeningen. Ook veel jonge biotech-
bedrijven richten zich op zeldzame aandoeningen, omdat zij op deze manier
financiering en een eigen niche in de markt vinden.
2.2    TECHNOLOGIEËN, DEFINITIES
In de Agenda Medische Biotechnologie wordt het terrein van de medische bio-
technologie als volgt gedefinieerd:
‘Biowetenschappen (life-sciences) hebben de afgelopen jaren aanzienlijke ontwik-
kelingen doorgemaakt zoals het in kaart brengen van het genoom en van eiwit-
producten van genen bij mensen, dieren, planten en micro-organismen. We
weten steeds meer over het menselijk genoom, de relatie met aandoeningen en
de kennis om die aandoening te behandelen breidt zich razendsnel uit. Biotech-
nologie richt zich op het ontwikkelen van producten en processen met organis-
men of bestanddelen hiervan. Met biotechnologie bedoelen we de innovatieve
technieken en processen:
- waarmee we vormen van biologisch leven kunnen analyseren;
- die we kunnen gebruiken voor de ontwikkeling van producten en productie-
    processen.
Als we spreken over medische biotechnologie gaat het om producten voor
medische toepassing. Dé medische biotechnologie bestaat niet omdat het een
verzameling is van diverse technologieën in verschillende stadia van ontwikke-
ling.
Het genomics-onderzoek wordt algemeen gezien als de drijvende kracht achter
de technologische ontwikkelingen binnen de biotechnologie van dit moment.
Onder genomics wordt verstaan de studie naar de samenstelling van het
genoom en de functie van de genen op het genoom. Door genomics is een groot
aantal ontwikkelingen mogelijk gemaakt op alle gebieden van de biotechnolo-
       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>gie. De diagnostiek in de gezondheidszorg heeft een nieuwe impuls gekregen,
evenals de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen’.
Als vervolg op de met genomics ingezette ontwikkelingen, zal het proteo-
micsonderzoek (de studie naar de samenstelling van de eiwitproducten en hun
functie) sterk toenemen.
Met deze omschrijving wordt de breedte van het onderzoeksterrein goed aange-
geven. Toch is ze niet erg behulpzaam bij het nader in kaart brengen van het
onderzoek in Nederland. Dit onderzoek valt doorgaans niet onder de noemer
‘medische biotechnologie’. Het ‘medisch biotechnologisch’ onderzoek bestaat in
feite uit een verzameling heel verschillende technologische ontwikkelingen,
zoals die op het terrein van nieuwe geneesmiddelen, nieuwe behandelingsme-
thoden (zoals gentherapie en stamceltherapie), betere diagnostiek en gezond-
heidsbevorderende toepassingen. In de Trendanalyse Biotechnologie 20044
wordt een aantal van deze technologieën gekarakteriseerd. De Raad heeft deze
als vertrekpunt genomen, en de lijst aangepast en uitgebreid. Onderstaand is
aangegeven (met een T) welke technologieën zijn overgenomen uit de Trend-
analyse Biotechnologie (in bijlage 3 worden de individuele technologieën gede-
finieerd). De technologieën zijn in vier clusters ondergebracht, afhankelijk van
hun toepassing:
MRP        =    medical response profiling (vanuit patiënt gezien)
                bm = biomarkers
                fg = farmacogenetica (T)
                d/p = diagnostiek/prognostiek (T)
OT         =    ontwikkeltraject (vanuit middel gezien) (T)
                tf = targetfinding
                lf = leadfinding (geneesmiddelen)
                tev = targetevaluatie (cell based assays en diermodellen)
                tm = testmethoden/veiligheid
CE         =    cel-engineering
                sc = stamcellen (T)
                ti = tissue engineering
                gt = gentherapie (T)
PO         =    productontwikkeling
                te = therapeutische entiteiten (T)
                prb = probiotica (levende microbiologische voedingssupplemen-
                ten) (T)
                va = vaccinontwikkeling (T)
                                                                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>In de eerste cluster medical response profiling is classificeren van aandoeningen
(gezien vanuit de patiënt) het doel van de technologieën. Diagnostiek/prognos-
tiek en farmacogenetica vallen hieronder. Biomarkers worden hier nieuw aan
toegevoegd, omdat ook met biomarkers subgroepen van patiënten geïdentifi-
ceerd kunnen worden.
In de tweede cluster wordt de term ontwikkeltraject (OT) nader uitgesplitst
omdat deze te veel verschillende aspecten omvat. Gezien vanuit de ontwikke-
ling van nieuwe geneesmiddelen staat het classificeren van nieuwe disease-tar-
gets, gebaseerd op de geclassificeerde ziekten, centraal. Technologieën betreffen
dan targetfinding en leadfinding, die in elkaars verlengde liggen en in principe
neerkomen op het in kaart brengen van biologische systemen (pathways), waarin
kan worden ingegrepen. Daarmee kunnen nieuwe leads worden geïdentificeerd
om zo vroeg mogelijk in de pathway invloed uit te oefenen. Een ander aspect
van het ontwikkeltraject is het aanpassen van verouderde testmethoden aan de
nieuwste technologieën (bijv. door celmodellen met snellere uitleesmogelijkhe-
den) waardoor de ontwikkelingstijd kan verminderen. Dat betreft ook en vooral
het kunnen beoordelen van de veiligheid van nieuwe producten in een vroeger
stadium (testmethoden/veiligheid). Nog weer een ander aspect is het evalueren
van nieuwe targets waarbij zowel nieuwe cell based assays, diermodellen als ont-
wikkelingen om het gebruik van proefdieren te verminderen, passen (targeteva-
luatie).
De derde cluster is cel-engineering. Deze omvat naast stamcellen en gentherapie
ook de technologie tissue engineering, die volop in ontwikkeling is: Er worden
momenteel al kraakbeencellen opgekweekt en teruggeplaatst bij behandeling
van artrose. Tissue engineering heeft ook veel raakvlakken met gentherapie en
stamcellen.
De vierde cluster, productontwikkeling, omvat de technologieën vaccinontwik-
keling, probiotica en therapeutische entiteiten. De laatste betreft zowel thera-
peutische eiwitten als peptiden en DNA of RNA-oligonucleotiden.
In de Trendananalyse is ook de technologie ‘bestrijding besmettelijke ziekten
door genetisch gemodificeerde insecten of virussen’ opgenomen. In het kader
van de medische biotechnologie zou dan o.a. gedoeld kunnen worden op gene-
tisch gemodificeerde muggen, die ziekten als malaria aan zouden kunnen pak-
ken. Omdat het hier gaat om een technologie met relatief beperkte toegevoegde
waarde voor de onderzoeksagenda, is besloten deze verder buiten beschouwing
te laten.
        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>2.3     MATRIX
De vraag die zich nu voordoet is: Wat is de betekenis van de technologieën die
gezamenlijk de medische biotechnologie vormen voor de geselecteerde aandoe-
ningen? Om deze vraag te kunnen beantwoorden heeft de Raad allereerst
geïdentificeerd welke technologieën een potentiële betekenis hebben voor de
aandoeningen. In een matrix waar op de horizontale as de aandoeningen staan
weergegeven en op de verticale as de technologieën, is op de snijpunten van die
assen door middel van de tekens +, 0 of – aangegeven of die specifieke techno-
logie betekenis heeft voor de diagnose, behandeling of het voorkómen van die
specifieke aandoening (zie tabel 1). Een + betekent dat het mogelijk is, een 0 dat
het in principe wel zou kunnen, maar dat het niet de eerste mogelijkheid is, en
een – dat van deze technologie geen bijdrage wordt verwacht. Een + geeft geen
verwachting weer over de termijn waarop een technologie een bijdrage zou
kunnen leveren noch dat deze ontwikkelingen ergens wereldwijd al plaatsvin-
den, alleen dat het kán. De toekenning van de tekens bij potentie is tot stand
gekomen in overleg tussen deskundigen en de commissie (zie bijlage 4). Nadere
analyse van de matrix leert dat de medische biotechnologie voor veel van de
aandoeningen in potentie mogelijkheden biedt.
De Raad is zich bewust van de reductionistische aard van deze matrix. Brede
technologische ontwikkelingen die nog niet gebruikt worden voor bepaalde
aandoeningen vallen er buiten. Ook bergt het gebruik van een matrix een risico
in zich dat belangrijke dingen gemist worden. Veel innovaties starten namelijk
smal. De matrix is daarom een momentopname. In de medische biotechnologie
kunnen de ontwikkelingen zo snel gaan dat het moeilijk is verder te kijken dan
een paar jaar. Ter illustratie zijn voorbeelden beschreven van een + in de matrix
(zie bijlage 5). Het gaat hier om saillante voorbeelden die model staan voor een
methode van aanpak die ook voor andere aandoeningen van toepassing zou
kunnen zijn. Waar mogelijk zijn brede technologische ontwikkelingen meegeno-
men die binnen afzienbare termijn tot een doorbraak in de behandeling zouden
kunnen leiden, zoals bijv. ontwikkelingen met RNA interferentie. Invloeden
vanuit de nanotechnologie, systeembiologie en bioinformatica zijn medebepa-
lend voor de nieuwe technologische ontwikkelingen, die steeds meer converge-
ren naar een genoombrede onderzoeksaanpak5.
                                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>     Tabel 1 Matrix potentie
18                     AR      PI   HIV   TU   HV   KA   LO   OA/RA   DM   LS   ZZ   AZ   PY   MA   TrW   GY
     MRP      bm       -       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    0    +     -
              fg       -       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    -    +    +    0    0     -
              d/p      +       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    +    +     -
     OT       tf       +       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    +    +     -
              lf       +       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    +    +     -
              tev      +       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    +    +     -
              tm       +       +    +     +    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    0    -     -
     CE       sc       -       -    +     -    +    +    0    +   +   +    -    +    0    +    -    -     -
              ti       -       -    +     -    +    +    0    +   +   +    -    +    +    0    -    -     -
              gt       -       -    +     -    +    +    +    +   +   +    +    +    +    +    -    -     -
     PO       te       -       +    +     -    +    +    +    +   +   +    -    +    0    -    -    +     +
              prb      +       -    -     -    0    0    +    -   -   +    -    +    -    -    -    -     -
              va       -       +    +     +    +    +    +    -   +   +    +    +    +    -    +    +     -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>     y-as                                                     x-as
     MRP medical response profiling (vanuit patiënt gezien)   AR = antibioticaresistentie
      bm biomarkers                                           PI = pandemie influenza
      fg farmacogenetica                                      HIV = HIV
      d/p diagnostiek/prognostiek                             TU = tuberculose
     OT ontwikkeltraject (vanuit middel gezien)               HV = hart en vaatziekten
      tf targetfinding (geneesmiddelen)                       KA = kanker
      lf leadfinding                                          LO = luchtwegaandoeningen/copd
      tev targetevaluatie                                     OA = osteoarthritis
      tm testmethoden/veiligheid                              RA = reumatoide arthritis
     CE cel-engineering                                       DM = diabetes mellitus
      sc stamcellen                                           LS = lifestyle, verslaving (roken, alcohol) en vetzucht
      ti   tissue engineering                                 ZZ = zeldzame ziekten
      gt gentherapie                                          AZ = dementie, alzheimer
     PO productontwikkeling                                   PY = psychische aandoeningen, depressie
       te therapeutische eiwitten                             MA = malaria
       prb probiotica                                         TrW = tropische weesaandoeningen
       va vaccinontwikkeling                                  GY = maternale bloedingen, postpartum problematiek
19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>20</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>3       ONDERZOEK
3.1     METHODEN
In de adviesaanvraag is gevraagd ‘al het wetenschappelijk onderzoek van funda-
menteel tot toegepast onderzoek in de kliniek dat direct van belang is voor toe-
passing van medische biotechnologie, dus leidend tot producten voor
diagnostiek en therapie’ in kaart te brengen, alsmede hoeveel bij benadering de
laatste vijf jaar in Nederland jaarlijks besteed is aan onderzoek op dit terrein.
Over dit laatste punt merkt de Raad op dat het gezien de brede omschrijving
van medische biotechnologie en de beperkt beschikbare tijd niet mogelijk is
gebleken de financieringsstromen te inventariseren die beschikbaar zijn voor
medische biotechnologie. De term medische biotechnologie is niet een term
waarmee het medisch-wetenschappelijk onderzoek doorgaans gelabeld wordt.
Het kan ook niet op een consistente manier onderzocht worden omdat de geld-
stromen moeilijk vergelijkbaar zijn. Om een indicatie van de ordegrootte van
het totale budget voor medisch wetenschappelijk onderzoek te krijgen wordt
verwezen naar bijlage 6 en referenties6, 7, 8, 9. In dit advies is voor de inventari-
satie van het onderzoek uitgegaan van de matrix waarbij ontwikkelingen die per
aandoening en per technologie met een + zijn gewaardeerd, als vertrekpunt zijn
genomen. Vervolgens is geïnventariseerd óf daar in Nederland aan wordt
gewerkt en door welke onderzoeksgroepen. Onderzoeksgroepen zijn als volgt
geïdentificeerd: Het zoeken in de publicatiedatabase van Pubmed10 naar ‘aan-
doening’ AND ‘technologie’ AND de onderscheidende zoekterm ‘the Nether-
lands’ geeft een shortlist van publicaties. Vervolgens is met behulp van
snowballing (het nalopen van referenties op naam en plaats (bijv. van een Uni-
versitair Medisch Centrum (UMC)) en kennis in de commissie, een overzicht
per aandoening gemaakt van onderzoeksgroepen geordend naar plaats11.
Alleen publicaties uit 2005 zijn gebruikt, omdat zij onderzoeksresultaten uit de
periode 2002-2003 weerspiegelen. De meest recente ontwikkelingen, die ook
nog moeten leiden tot een product dat toepasbaar is in de gezondheidszorg,
worden niet gepubliceerd, maar beschermd met een octrooi. Per aandoening is
derhalve aan één deskundige gevraagd te verifiëren of het overzicht volledig is
(en aan te vullen indien niet compleet), en of het gaat om langjarig onderzoek
met een behoorlijke kritische massa (kwalitatief). De deskundigen staan vermeld
in bijlage 4. Aan de deskundigen is tevens gevraagd aan te geven welke van de
technologieën (uit bijlage 3) door de onderzoeksgroepen wordt gebruikt. Dat
kunnen meerdere +en zijn, maar het gaat om de belangrijkste twee à drie per
groep.
                                                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>3.2    RESULTATEN ONDERZOEK
Het onderzoek is per aandoening in kaart gebracht; daarna zijn de gegevens
geaggregeerd (zie tabel 2). Hoe meer +en hoe meer onderzoeksgroepen binnen
één aandoening deze technologie gebruiken. Bovenaan de kolom staat per aan-
doening hoeveel onderzoeksgroepen die werkzaam zijn op dit terrein, in de
inventarisatie zijn meegenomen (zie rij Oz-gr). In bijlage 7 wordt het onderzoek
per aandoening in meer detail besproken. Deze inventarisatie geeft een goed
beeld van de huidige situatie, maar heeft niet de pretentie gehad volledigheid na
te streven. Niettemin tekenen zich trends zich af en kan het volgende worden
geconcludeerd.
Voor bijna alle aandoeningen is het biomarker onderzoek en daaraan gekop-
peld het diagnostisch onderzoek zwaar vertegenwoordigd, evenals target- en
leadfinding (oftewel inzicht in de ziekteprocessen en mogelijke aangrijpingspun-
ten). De (bèta)medische academische opleidingen (bijv. biomedische weten-
schappen, medische biologie) waarmee studenten aan de slag kunnen in de
medische biotechnologie, vormen een goede basis om dit soort onderzoek ook
in de toekomst te garanderen.
Celengineering en productontwikkeling zijn veel minder sterk vertegenwoor-
digd. Hoe meer het onderzoek in de richting van productontwikkeling gaat, hoe
leger de tabel wordt, en hoe beperkter de activiteiten op dat terrein derhalve
zijn. Hieruit kan worden opgemaakt dat voor het stimuleren van productont-
wikkeling publiek private samenwerking is aangewezen.
Alleen voor kanker en hart- en vaatziekten waar het medisch biotechnologisch
onderzoek groot van omvang is, komt ook de celengineering en productont-
wikkeling tot bloei.
Celengineering en productontwikkeling zijn verder vooral vertegenwoordigd
bij de aandoeningen aan het bewegingsapparaat, de zeldzame aandoeningen en
diabetes mellitus. Dit zijn niet toevallig ook de terreinen waar de bedrijvigheid
het grootst is.
Op de sterke onderzoeksgebieden zijn, ook niet toevallig, de beide genomics
zwaartepunten actief, het Centre for Medical Systems Biology (CMSB), en het
Cancer Genomics Center (CGC).
Bij de cluster van infectieziekten wijkt de situatie af: het onderzoek is niet heel
omvangrijk per aandoening, maar is vaak wel gericht op vaccinproductontwik-
keling. Ook dat vertaalt zich in bedrijvigheid.
       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>     Tabel 2 Matrix Onderzoek
                   AR    PI     HIV   TU   HV    KA    LO    OA/RA        DM    LS    ZZ   AZ    PY    MA    TrW   GY
     n   Oz-       11    2      10    5    35    57    11    12/13(20)    23    10    22   6     16    7     7     1
         gr
     MRP bm        -     -      ++    +    +++   +++   ++    +      +/-   +/-   ++    +    ++    ++    -     -
                                                                                                                        -
                                                 +
            fg     -     -      +/-   +    +/-   +     +/-   +      +/-   +     +     -    +     ++    +/-   -
                                                                                                                        -
            d/p    ++    -      +     -    +++   +++   +     +      +     +     +     ++   +     +/-   +/-   +
                                                                                                                        -
     OT     tf     +     -      +/-   -    +++   +++   ++    +      +     ++    +     +    +     ++    +     +
                                                                                                                        -
                                           +     +
            lf     -     -      +/-   -    +++   +++   -     +      +     +     +     ++   -     +/-   +     -
                                                                                                                        -
                                           +     +
            tev    ++    +/-    +     -    +++   +++   ++    +      ++    ++    +/-   +    +     +     +     +/-
                                                                                                                        -
            tm     -     +/-    +     -    +     +     -     -      +/-   +     -     +    +/-   +/-   +     -
                                                                                                                        -
     CE     sc     -     -      -     -    -     +     -     -      +/-   +/-   -     +    -     -     -     -
                                                                                                                        -
            ti     -     -      -     -    +     -     -     +      +     +     -     -    +     -     -     -
                                                                                                                        -
            gt     -     -      +/-   -    +     ++    -     -      +     -     -     ++   -     -     -     -
                                                                                                                        -
     PO     te     -     -      +     -    +++   +++   +     +      +     -     -     ++   -     -     -     -
                                                                                                                       +/-
                                                 +
            prb    +     -      -     -    -     -     +/-   -      -     +/-   -     -    -     -     -     -
                                                                                                                        -
            va     -     +      +     +    -     ++    -     -      -     +/-   -     -    +/-   -     +     +
                                                                                                                        -
23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>     y-as                                                     x-as    AR = antibioticaresistentie
24   MRP medical response profiling (vanuit patiënt gezien)          PI = pandemie influenza
        bm biomarkers                                                HIV = HIV
        fg farmacogenetica                                           TU = tuberculose
        d/p diagnostiek/prognostiek                                  HV = hart en vaatziekten
     OT ontwikkeltraject (vanuit middel gezien)                      KA = kanker
        tf targetfinding                                             LO = luchtwegaandoeningen/copd
        lf leadfinding                                               OA = osteoarthritis
        tev targetevaluatie                                          RA = reumatoide arthritis
        tm testmethoden/veiligheid                                   DM = diabetes mellitus
     CE cel-engineering                                              LS = lifestyle, verslaving (roken, alcohol) en vetzucht
         cc stamcellen                                               ZZ = zeldzame ziekten
         ti tissue engineering                                       AZ = dementie, alzheimer
         gt gentherapie                                              PY = psychische aandoeningen, depressie
     PO productontwikkeling                                          MA = malaria
          te therapeutische eiwitten                                 TrW = tropische weesaandoeningen
          prb probiotica                                             GY = maternale bloedingen, postpartum problematiek
          va vaccinontwikkeling
     Legenda tabel 2
     OZ-gr = onderzoeksgroepen. Voor de aandoeningen aan het bewegingsapparaat geldt dat er in totaal 20 onderzoeks-
     groepen zijn meegenomen, waarvan enkele zowel aan artrose (totaal 12) als reumatoïde artritis (totaal 13) werken. In
     kleur is aangegeven hoe veel kritische massa een technologie voor één aandoening heeft: ++++ en +++ = rood, ++
     en + = oranje, +/- = roze, - = geen kleur.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>4       BEDRIJVIGHEID
4.1     METHODE
Het Life Sciences sectorrapport van Biopartner12 bevat een overzicht van 184
Nederlandse biotechbedrijven met kenmerken op welke terreinen van de life
sciences zij actief zijn. Hiervan is ruim de helft medisch biotechnologisch georiën-
teerd met eigen R&D en/of is producent van een medisch biotechnologisch pro-
duct. Deze ca. 100 bedrijven zijn ook opgenomen onder de ongeveer 150
medische biotechbedrijven die er volgens de laatste gegevens in Nederland
bestaan 13, 14, 15. Voor de inventarisatie in dit advies is een steekproef genomen
van 61 bedrijven uit het Biopartnerrapport. Daarmee is ca. tweederde deel van
het totaal van 100 bedrijven geïncludeerd. Een vergelijkbare inventarisatie is uit-
gevoerd door SenterNovem met gebruik van het eigen databestand in het kader
van het innovatiegebied Life Sciences & Gezondheid van EZ16,17. Zij hebben de
R&D inspanningen van farmabedrijven in Nederland ingedeeld op aandoenin-
gen en op investering, waarin ook klinisch onderzoek en onderzoek dat in
opdracht van bedrijven bij kennisinstellingen is uitgevoerd is meegenomen (zie
bijlage 8).
4.2     INVENTARISATIE BEDRIJVIGHEID
De bedrijven zijn gescoord op basis van hun omschrijving op technologie en
aandoening. De gegevens zijn vervolgens geaggregeerd en opgenomen in tabel
3. Van de 61 bedrijven in de steekproef zijn er 19 die zich niet specifiek richten
op een aandoening, maar alleen gericht zijn op een generieke platformtechnolo-
gie (zie kolom Platform in tabel 3). Deze 19 bedrijven zijn alleen gescoord op
technologie. Van de overige 42 zijn er zes gericht op een aandoening die niet in
de matrix is opgenomen; de inventarisatie op aandoening en technologie is der-
halve gedaan op de resterende 36 bedrijven. De Raad beseft dat de inventarisa-
tie een momentopname is en niet de dynamiek weergeeft van de huidige
medisch biotechnologische bedrijvigheid. Niettemin zijn de belangrijkste con-
clusies:
Ongeveer éénderde (19/61) van de kleinere medische biotechbedrijven in
Nederland richt zich niet op een aandoening maar op een generieke platform-
technologie. Deze bedrijven scoren vooral goed op de technologieën leadfin-
ding en therapeutische entiteiten (eiwitten en oligonucleotiden). Ook werken zij
aan de ontwikkeling van diagnostische tools, op basis van biomarkers en ten
                                                                           25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>     tabel 3 Matrix Biotech bedrijven
     SP=    Aandoe Platform     AR      PI HIV   TU   HV    KA    LO    OA/RA       DM    LS    ZZ   AZ    PY    MA   TrW   GY
26   61
     n = 55 36     19           1       7   7    7    7     16    3     9/8 (13)    3     3     7    6     4     0    7     0
     MRP     bm       +         -       +   +    +    +/-   +/-   -     -     -     +/-   +/-   -    -     -     -    +     -
             fg       +         -       -   -    -    -     -     -     -     -     -     -     -    -     -     -    -     -
             d/p      ++        -       +   +    +    +/-   +     -     -     +/-   -     +/-   -    +/-   -     -    +     -
     OT      tf       -         -       -   -    -    -     +     +     +     +     +/-   +/-   +    +     +/-   -    -     -
             lf       ++        +/-     +   +    +    +     ++    +     +     ++    +     +     +    +     +     -    +     -
             tev      ++        -       +   +    +    +     +     +     +     +     +     +     ++   +     +     -    +     -
             tm       ++        -       -   -    -    +     +     +/-   +     +     +     +     +    +     +     -    -     -
     CE      sc       -         -       -   -    -    -     -     -     +/-   +/-   -     -     -    -     -     -    -     -
             ti       -         -       -   -    -    +/-   -     -     +     +/-   -     -     -    -     -     -    -     -
             gt       +/-       -       -   -    -    +/-   +     -     -     +     +/-   -     +    -     -     -    -     -
     PO      te       ++        +/-     +   +    +    +     ++    +     +     +     +     +     ++   +     +     -    +     -
             prb      -         -       -   -    -    -     -     -     -     -     -     -     -    -     -     -    -     -
             va       +/-       -       +   +    +    +/-   +     +/-   +/-   +     +/-   -     +    -     -     -    +     -
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>     y-as                                                              x-as   AR = antibioticaresistentie
      MRP medical response profiling (vanuit patiënt)                         PI = pandemie influenza
         bm biomarkers                                                        HIV = HIV
         fg farmacogenetica                                                   TU = tuberculose
         d/p diagnostiek/prognostiek                                          HV = hart en vaatziekten
     OT ontwikkeltraject                                                      KA = kanker
         tf   targetfinding                                                   LO = luchtwegaandoeningen/copd
         lf   leadfinding                                                     OA = osteoarthritis
         tev targetevaluatie                                                  RA = reumatoïde arthritis
         tm testmethoden/veiligheid                                           DM = diabetes mellitus
     CE celengineering                                                        LS = lifestyle, verslaving (roken, alcohol) en vetzucht
          sc stamcellen                                                       ZZ = zeldzame ziekten
          ti tissue engineering                                               AZ = dementie, alzheimer
         gt gentherapie                                                       PY = psychische aandoeningen, depressie
     PO productontwikkeling                                                   MA = malaria
          te therapeutische eiwitten                                          TrW = tropische weesaandoeningen
          prb probiotica                                                      GY = maternale bloedingen, postpartum problematiek
          va vaccinontwikkeling
     Legenda tabel 3
     SP = steekproef, n = 55 is het aantal bedrijven waarvan de gegevens verwerkt zijn; Aandoe = bedrijven (36) die medische technologie gebruiken voor
     een aandoening; Platform = bedrijven (19) die een platformtechnologie ontwikkelen; Voor de aandoeningen aan het bewegingsapparaat geldt dat er in
     totaal 13 bedrijven zijn geïdentifi-ceerd, waarvan enkele zowel aan artrose als reumatoïde artritis werken; In kleur is aangegeven hoe veel kritische
     massa een technologie voor één aandoening heeft: ++ = rood, + = oranje, +/- = roze, - = geen kleur.
27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>behoeve van farmacogenetica. Verder is er veel aandacht voor targetevaluatie
en testmethoden, technologieën die geschikt zijn om (nieuwe) leads te testen in
nieuwe modelsystemen, bijv. nieuwe celsystemen met nieuwe uitleesfactoren.
Deze bedrijven zijn dus van groot belang bij het ondersteunen van de onder-
zoeks- en ontwikkelingsprocessen.
Ook een groot deel van de kleinere bedrijven die zich wel op één of meer aan-
doeningen richten gaat uit van een platformtechnologie. Vaak ligt een basistech-
nologie ten grondslag aan het bedrijf die wordt ingezet voor leads op het terrein
van één of meer aandoeningen. Dit blijken in veel gevallen leads op het terrein
van kanker, reumatoïde artritis en artrose en zeldzame aandoeningen te zijn.
Kanker is een zwaartepunt omdat er door de vele onderzoeksinspanningen veel
aanknopingspunten –leads– voor een therapie zijn. Dat betreffen zowel klas-
sieke chemische entiteiten als therapeutische entiteiten (peptiden, antilichamen
etc). Maar ook de overige technologieën komen bij kanker goed aan bod.
Reumatoïde artritis is een zwaartepunt als modelziekte voor auto-immuunziek-
ten, en artrose als aspect van veroudering waarvoor veel belangstelling is. Voor
deze aandoeningen zijn er ook duidelijk ontwikkelingen op het terrein van tis-
sue engineering, gentherapie en vaccinontwikkeling.
Zeldzame aandoeningen zijn een zwaartepunt omdat het in geval van een zeld-
zame monogenetische aandoening duidelijk is welk genproduct gecompenseerd
moet worden; vooral aandacht voor modellen (tev) en biologicals (te) derhalve.
Bekende voorbeelden zijn de ziekte van Pompe en de ziekte van Gaucher.
Vervolgens is in tabel 4 een vergelijking gemaakt tussen de omvang van het
onderzoek (onderzoekscapaciteit in aantal (n) onderzoeksgroepen, zie hoofdstuk
3) en de mate van bedrijvigheid (aantal (n) bedrijven) voor een aantal aandoe-
ningen. Sommige aandoeningen zijn geclusterd (twee clusters). In het ene clus-
ter zijn de aandoeningen obesitas (onderdeel van lifestyle), diabetes mellitus en
hart- en vaatziekten samengevoegd. Deze aandoeningen liggen als het ware in
elkaars verlengde omdat overgewicht een hoger risico geeft voor diabetes en
diabetes meer hart- en vaatproblematiek veroorzaakt. Het aantal bedrijven in
deze cluster is bij elkaar opgeteld (3 + 3 + 7). Ook de infectieziekten zijn samen-
gevoegd tot één cluster: veel bedrijven geven aan dat zij zich richten op infectie-
ziekten zonder te specificeren op welke. Het gaat in totaal om zeven bedrijven.
Uit tabel 4 kan worden geconcludeerd:
De omvang van de bedrijvigheid op het terrein van kanker en de cluster hart-
en vaatziekten/ diabetes/ obesitas komt overeen met de omvang in onderzoeks-
capaciteit.
        28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Tabel 4: bedrijvigheid vs onderzoek
                                  n = aantal bedrijven n = aantal onderzoeksgroepen
 Kanker                           16 (++)              57 (+++)
 Artrose/reumatoïde artritis      13 (++)              20 (++)
 Cluster hart- en vaatziekten,    13 (++)              63 (+++)
 diabetes, obesitas
 Zeldzame ziekten                 7 (+)                22 (++)
 Cluster infectieziekten          7 (+)                31 (++)
 Alzheimer/dementie               6 (+)                6 (+)
Er is relatief veel bedrijvigheid voor de aandoeningen aan het bewegingsappa-
raat. Veroudering is een thema waar men brood in ziet, en reumatoïde artritis is
een modelziekte voor auto-immuunziekten.
Verder zijn er de nodige activiteiten op het terrein van infectieziekten en met
name in de hoek van vaccinontwikkeling. Nederland profiteert duidelijk van de
vaccinontwikkeling en productie-infrastructuur die er nog altijd is (bijv. Neder-
lands Vaccin Instituut (NVI)). Dat biedt zeker perspectief hetgeen ook blijkt uit
de verschillende financieringsregelingen die hiervoor ingezet worden (Besluit
Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur (BSIK) en centrumsubsidie). Ook
de zeldzame aandoeningen scoren goed en het is duidelijk dat zij een eigen
niche in de markt innemen.
De inventarisatie van Senter (zie bijlage 8) levert vergelijkbare indicaties op: ook
daar scoren ziekten van het bewegingsapparaat, infectieziekten, kanker en hart-
en vaatziekten hoog. Opvallend hoog scoren verder de ziekten van urinewegen,
geslachtsorganen en zwangerschap en psychische aandoeningen, beide indica-
tiegebieden van Organon. De ziekten van bloed en bloedvormende organen
komen door de activiteiten Sanquin bij Senter hoog uit, bij de RGO-inventarisa-
tie vallen de zeldzame bloedziekten in het cluster zeldzame ziekten.
                                                                           29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>30</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>5       PUBLIEK PRIVAAT
5.1     SAMENWERKING FORUM BIOTECHNOLOGIE EN GENETICA
Het tweede punt in de adviesaanvraag betreft de publiek-private activiteiten op
het terrein van de medische biotechnologie (zie bijlage 1). Bij de voorbereiding
en uitvoering van dit onderdeel is het Forum Biotechnologie en Genetica
betrokken. Eén van de kerntaken van het FBG is een bijdrage te leveren aan
visievorming bij de overheid. Het FBG heeft zijn leden gevraagd zelf mee te
werken dan wel deskundigen in hun netwerk mee te laten werken om een ant-
woord op de gestelde vragen te formuleren. Het FBG heeft daarbij secretariële
ondersteuning verleend (zie bijlage 2). Twee commissieleden en de secretarissen
van RGO en FBG hebben een werkgroep gevormd, die een aantal gesprekken
heeft gevoerd met sleutelpersonen in het veld (zie bijlage 4). De resultaten van
deze gesprekken zijn verwerkt in een conceptrapportage die aan de leden van
het FBG voor akkoord is voorgelegd. Deze rapportage is geïntegreerd in het
advies (zie 5.2). Het eindconcept van het advies is zoals gebruikelijk vastgesteld
in de RGO en is eveneens in de plenaire vergadering van het FBG besproken
ter goedkeuring.
5.2     VWS ALS KATALYSATOR VAN PPS
De veronderstelling dat er in de pps op het terrein van medische biotechnologie
(en life sciences breed) grote problemen zijn is onjuist. De Nederlandse overheid
heeft diverse instrumenten voor pps (zie bijlage 9) en zonder die actieve steun
van de overheid zou succesvol onderzoek vaak niet tot succesvolle producten
leiden. Het ministerie van VWS is geïnteresseerd in voorbeelden van geslaagde
medische biotech-pps-projecten, zodat het zijn toekomstige activiteiten beter
kan onderbouwen. In Nederland is het beste voorbeeld van een succesvol pps-
project de ontwikkeling van het meningokokken B vaccin geweest (zie bijlage 10
voor een uitgebreide beschrijving).
Daarnaast wil VWS weten of er in het veld aansluiting is te vinden bij de lijst
van 16 prioritaire gebieden zoals door de WHO gedefinieerd in het rapport Pri-
ority Medicines for Europe and the World2. VWS wenst tevens suggesties voor
de mogelijkheden om pps-projecten te sturen in de door de WHO aangeduide
richting. Echter, commerciële R&D laat zich niet direct sturen in een moderne
variant van de planeconomie.
                                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Er zijn door de gesprekspartners echter wel vele suggesties gedaan voor een
aanpak van VWS die tot succes kan leiden. In zijn algemeenheid is de Raad van
mening dat VWS in staat moet zijn om de focus van privaat onderzoek, private
investeringen en pps-projecten bij te sturen. Als de overheid werkt met concrete
afnamegaranties van een eindproduct zou dat de sturingsmogelijkheden vergro-
ten. Bij wijze van voorbeeld: als een pps-consortium in staat blijkt om tegen een
bepaald bedrag per behandeling een vaccin te ontwikkelen, zou de overheid
een aantal doses kunnen afnemen dat de jaarlijkse incidentie van de aandoening
waartegen het vaccin beschermt overtreft.
In de diverse gesprekken die de werkgroep heeft gevoerd is steeds opgemerkt
dat de rol van VWS in het pps-traject meer faciliterend dan sturend moet zijn.
De reden hiervoor is ten eerste dat VWS niet het geld heeft om wezenlijk stu-
ring te geven. Ten tweede is de beleidscyclus (vier jaar) een stuk korter dan de
R&D cyclus (12 tot 15 jaar), een discrepantie die moeilijk overbrugbaar is. Een
derde reden is dat VWS bij voorkeur niet moet remmen en gas geven tegelijk
(bijvoorbeeld: stimuleren van pps èn mogelijkheden remmen door onnodig
beperkende wet- en regelgeving, vgl. Wet Zeggenschap Lichaamsmateriaal). Het
blijft te allen tijde noodzakelijk de schakels in de gehele keten van onderzoek,
ontwikkeling (incl. klinisch onderzoek), bedrijvigheid en implementatie in de
zorg, te analyseren en waar nodig te smeren, zoals eerder geconstateerd in het
RGO-advies Knarsende Schakels18. Een vierde reden is tenslotte dat de over-
heid, en met name EZ, reeds een aantal instrumenten tot zijn beschikking heeft
om pps te bevorderen (zie bijlage 7).
5.3      KERNPUNTEN PPS
De kernpunten uit de verschillende gesprekken zijn hieronder met een korte
toelichting weergegeven. Aansluitend wordt een voorbeeld gegeven van een
mogelijk project voor VWS met een vooraf duidelijk gedefinieerd eindpunt.
Een lijst van algemene criteria om pps bij projecten te bevorderen is opgeno-
men in bijlage 11.
HET IS NODIG BEWUSTE KEUZES TE MAKEN UIT DE VEELHEID AAN
PRIORITEITEN
Een scherpe selectie uit de groslijst van VWS aandachtsgebieden is noodzake-
lijk. Voor financiering door VWS van medische biotechnologie zijn de volgende
aanbevelingen te doen:
- Het heeft geen zin om op de volle breedte van de 16 door de WHO
    genoemde indicatiegebieden financiële prikkels toe te dienen. Dat zal door
         32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    het verdunningseffect geen rendement opleveren. Keuzes maken is noodza-
    kelijk.
-   Er zijn ook keuzes nodig in de gewenste output van pps. Er moet gestuurd
    worden op outputparameters, niet op inputparameters. Die output moet
    bovendien zeer concreet worden omschreven.
-   Bij een scherpe omschrijving van het einddoel heeft een co-founding model
    (bijvoorbeeld fifty-fifty) twee voordelen: de commerciële partner heeft een
    belang bij een goede uitkomst; de overheid kan zich beperken tot een toets
    achteraf, nl. op de vraag of het doel is bereikt.
BEPERKTE BESCHIKBAARHEID VAN BELEIDSGELD DWINGT VWS TOT
HOOFDZAKELIJK FACILITEREND OPTREDEN
Welke inspanning moet een overheid leveren voor succesvolle pps? Allereerst
zal zij middelen ter beschikking moeten stellen. Te beperkte middelen voor
goede initiatieven kunnen echter fataal zijn. VWS heeft geen middelen die in
het R&D veld een beslissend verschil kunnen maken, een incidenteel speer-
puntproject uitgezonderd. De middelen moeten dus vooral gebruikt worden
voor faciliterende activiteiten: bruggen bouwen als verbinding tussen de ver-
schillende partijen. Een voorbeeld hiervan is het identificeren van de maat-
schappelijke behoefte. Van de overheid mag verder een kritische houding
worden verwacht over innovatieprocessen en de bereidheid ook de eigen rol in
al zijn consequenties ter discussie te stellen. Bij wijze van voorbeeld wordt erop
gewezen dat de verantwoordelijkheid van de overheid (VWS) niet eindigt bij
onderzoek en registratie maar ook betrekking heeft op het opnemen van nieuwe
producten in het vergoedingenstelsel. Wanneer VWS voor de keuze staat om
individuele projecten te sponsoren of een meer generale actie in te zetten, ver-
dient het aanbeveling om voor het tweede te kiezen.
Tenslotte zit er tussen sturen en faciliteren nog een heel spectrum aan – crea-
tieve – mogelijkheden. Verschillende instrumenten kunnen hiervoor worden
ingezet, die behalve op financiële ook op andere argumenten gebaseerd kunnen
zijn.
SAMENWERKING TUSSEN DE OVERHEID EN VERSCHAFFERS VAN DURFKAPITAAL
IS RENDEMENTSVERHOGEND
In termen van financieringsstructuren verdient het aanbeveling om de klassieke
subsidiestromen (EZ, VWS, SenterNovem, etc.) rechtstreeks te koppelen aan de
investeringen vanuit durfkapitaalverstrekkers en bedrijven. Dat vereist de
nodige politieke moed, maar levert zeker rendement op. De werkwijze van durf-
kapitaalfondsen zoals Life Sciences Partners of Aglaia verschilt sterk van de
overheid. Om te beginnen leggen ze andere criteria aan dan de overheid bij het
                                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>investeren in bedrijven. Zij kijken niet alleen naar de wetenschappelijke haal-
baarheid van een project, maar willen ook vertrouwen hebben in de leiding van
het bedrijf op de wetenschappelijke drive en op een sterke marktoriëntatie. Ten
tweede treden zulke investeerders meer op als sparring partner en ze volgen de
resultaten van de investeringen van nabij (voor bedrijven soms een onplezierige
ervaring). Een durfkapitaalfonds schrikt er niet voor terug om zonodig de hele
leiding te vervangen als het bedrijf zijn feitelijke mogelijkheden onvoldoende
gebruikt. Gewoonlijk is het resultaat van dat soort ingrepen beter dan de bij de
overheid gebruikelijke toets vooraf, waarna de directe betrokkenheid bij het
bedrijf in feite is afgelopen. Om de samenwerking met durfkapitaalverschaffers
te stroomlijnen, zou het goed zijn een tussenpersoon aan te stellen met kennis
van (of op zijn minst begrip voor) beide culturen.
VOOR ELK PPS-PROJECT MOET DE GEWENSTE OUTPUT VOORAF ZO PRECIES
MOGELIJK WORDEN GEDEFINIEERD
De Raad is van mening dat de vraag van VWS: ‘hoe is zichtbaar te maken hoe
beleidsprikkels en beleidsgeld het beste ingezet kunnen worden om productont-
wikkeling in een aantal prioritaire gebieden op gang te krijgen?’ te breed gefor-
muleerd is. Het wordt toegejuicht dat VWS dichter bij de markt wil opereren,
en dat aldus een gezamenlijk belang voor EZ en VWS wordt gedefinieerd. Bij
de besluitvorming over initiatieven die steun verdienen doet VWS er goed aan
om de samenhang met andere faciliterende ministeries in het oog te houden.
Maar VWS moet eerst antwoord kunnen geven op de volgende vragen:
- Hoe snel wordt resultaat verwacht?
- Hoe wordt het gewenste resultaat gedefinieerd: langjarige samenwerking,
    investering in samenwerking, publicaties, patenten?
- Welke mate van betrokkenheid van het bedrijfsleven wordt verwacht?
- Hoeveel beleidsgeld valt er structureel te besteden?
HET IS NIET HAALBAAR OM DE FOCUS VAN BEDRIJVEN VIA HET BELEID TE
RICHTEN OP DOOR        VWS GEWENSTE PRIORITEITSGEBIEDEN
De activiteiten van nieuwe bedrijven die mede door de inspanningen van Bio-
Partner zijn ontstaan, sluiten niet aan bij het verlanglijstje dat de overheid in het
rapport Priority Medicines heeft geformuleerd. Die aansluiting kan ook niet op
korte termijn tot stand worden gebracht. Dat hoeft echter niet te verhinderen
om toch een poging te doen het één en ander op de middellange termijn met
elkaar te verzoenen. Gesprekspartners wijzen er op dat het van belang is te
       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>voorkomen dat juist veelbelovende innovatieve activiteiten die niet in het
WHO- rapport staan, geen steun meer krijgen*.
STEUN PROJECTEN DIE AANSLUITEN BIJ PRIORITEITEN VAN VWS OP HET
TERREIN VAN PREVENTIE
Investeer als overheid in preventie en eventueel diagnostiek, en minder in the-
rapie. Kies bij preventie dan vooral voor die indicatiegebieden met acute of
kostbare bedreigingen van de volksgezondheid, zoals infectieziekten en kanker.
Het criterium daarbij is: wat is de grootste groep aandoeningen en hoe zwaar
weegt de ziektelast voor de maatschappij en/of het zorgstelsel? Inzetten op diag-
nostiek is verdedigbaar als het ten behoeve van preventie wordt gebruikt.
De vraag is hoe preventiesuccessen te definiëren. Het gaat niet alleen om leef-
stijladviezen die worden opgevolgd. Er worden ook nu al veel biotechnologi-
sche technieken gebruikt die verdere onnodige interventie voorkomen**. Dit
kan verborgen valorisatie worden genoemd omdat de opbrengsten van die
besparing niet worden berekend of verdisconteerd - als de waarde van een der-
gelijke geruststelling überhaupt al in geld uit te drukken is.
HET STEUNEN VAN EEN BEPERKT AANTAL PROOF OF CONCEPT STUDIES IS EEN
PRIORITEIT VOOR VWS
Het probleem van veel jonge bedrijven is dat ze geen geld hebben voor proof of
concept studies. Die vereisen vaak kostbaar klinisch onderzoek. We kunnen con-
stateren dat de overheid eigenlijk het steunen van startende bedrijven te vroeg
beëindigt. Als het proof of concept namelijk is geleverd, kan een project ineens
veel meer waard worden en dus beter verkoopbaar.
Het komt ook vaak voor dat grote bedrijven niet veel belangstelling hebben
voor investeringen in het stadium van translationeel werk van jonge, kleine
ondernemingen. Ze hebben twijfels bij de soliditeit van de bijbehorende
octrooipositie of hebben al in een iets andere benadering vele miljoenen geïn-
vesteerd, en lijden dientengevolge aan het not invented here syndroom. Voor pps-
trajecten zijn dus kleinere innoverende bedrijven, die behoorlijk commitment
inbrengen, vaak de aangewezen partners. Bij succes van de samenwerking gaapt
     * Een voorbeeld: de behandeling met oligonucleotiden, therapeutisch
        gebruikte nucleïnezuren en RNA-i, waarover in Nederland de nodige
        expertise wordt opgebouwd, komt niet als thema in het WHO rapport voor
        en loopt gevaar uit het gezichtsveld van VWS te verdwijnen.
     ** Jaarlijks worden 25.000 DNA diagnoses gesteld, waarvan de overgrote
        meerderheid (22.000) geen grote risico’s aan het licht brengt, aanvragers
        geruststelt en daardoor een onnodig beroep op medische voorzieningen
        beperkt.
                                                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>echter opnieuw de financieringskloof. VWS zou dus in een beperkt aantal geval-
len zinvol kunnen sturen met beleidsgeld. Aanvragen zouden kort en duidelijk
moeten zijn, de toegevoegde waarde van het product goed omschreven en er
moet een redelijk beeld zijn van het traject dat na het proof of principle moet wor-
den afgelegd. VWS moet anticiperen op de vraag: wat gaat het ministerie doen
als het eindproduct wel goed is maar niet commercieel interessant? Ook de fase
waarin de steun wordt verleend is belangrijk: steun past in de proof of concept
fase, maar niet later dan fase II klinisch onderzoek. Vanaf fase III kan het pro-
duct zelfstandig het laatste traject naar de markt wel afleggen, want dan zijn pri-
vate financiers eenvoudiger te vinden.
De beoordeling van zo’n proof of concept aanvraag moet zijn gebaseerd op een
klein aantal goed doordachte criteria, die vooraf moeten worden geformuleerd.
Beoordelaars moeten beperkt in aantal zijn en de buitenlandse ontwikkelingen
kennen.
Voorbeelden van die criteria zijn:
- Het project brengt een beleidsdoel voor volksgezondheid dichterbij. Bijvoor-
    beeld: een goed diagnosticum voor dikkedarm kanker brengt een nationaal
    screeningsproject binnen de grenzen van het haalbare.
- Hoeveel patiënten kun je bedienen als de uitkomst van het project positief
    is? In hoeverre verbetert hun gezondheidstoestand?
- Is het effect vertaalbaar naar de invulling van een beleidsdoelstelling?
- Leent het project zich ervoor om in samenwerking met het Top Instituut
    Pharma productontwikkeling te versnellen?
Minder directe invloed van de overheid is overigens ook mogelijk. Een groot
deel van de eerste geldstroomfinanciering van publieke kennisinstellingen ligt
tegenwoordig vast door de noodzaak investeringen van andere onderzoeksfi-
nanciers te matchen. Daarvoor is de eerste geldstroom echter nooit bedoeld
geweest. Om de balans terug te krijgen moet er een vrije financiële beleids-
ruimte geschapen worden buiten het circuit van de eerste geldstroom om. Een
mogelijkheid is dat VWS de financiële middelen om bepaalde biotechnologi-
sche toepassingen naar de eindgebruiker te brengen, in een matching pot stopt.
Dit is ook geopperd bij de voorbereidende bijeenkomst t.b.v. het Europese 7e
kaderprogramma19.
VERSTERKEN VALORISATIEKETEN VERSUS VERSTERKEN FUNDAMENTELE
KENNISPOSITIE
Verschillende gesprekspartners hebben zich uitgelaten over de relatieve waarde
van (virtuele en fysieke) onderzoeksinstituten als magneet voor pps-projecten.
Een voorbeeld: het farmaceutische bedrijf Novartis heeft een overeenkomst met
        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Harvard, die er op neerkomt dat een beperkt aantal excellente onderzoeksvoor-
stellen nader wordt uitgewerkt. Novartis investeert hierin € 20 miljoen per jaar
voor zes jaar. In Dundee is een instituut opgericht waar Pfizer, Merck en Novar-
tis elk $ 1 miljoen per jaar in steken en waar een groot aantal kinase inhibitors
wordt geprofileerd. Nederland beschikt eigenlijk niet over een concreet molecu-
lair- biologisch topcentrum waar grote bedrijven veel geld in durven te investe-
ren. Er bestaan de decentraal georganiseerde genomics zwaartepunten (CMSB
en CGC). De toppers die er in werken zijn wel internationaal bekend, maar het
instituut niet. In Nederland is, overigens om goede redenen, zelden gekozen
voor één fysiek instituut. Dit ondanks de gepercipieerde voordelen van een
sterke en richtinggevende leiding die een strategie kan uitzetten en zelfstandig
afspraken kan maken met private partners. Men ziet nu juist veel aandacht voor
versterking van de gehele translationele keten en in dat kader is ook het patiënt-
gebonden onderzoek met de landelijk gespreide expertise in de UMC’s op de
verschillende aandachtsgebieden onmisbaar. Maar als gestreefd wordt naar een
toppositie in het fundamenteel onderzoek, zou één fysiek instituut wel eens het
overwegen waard kunnen zijn.
Ook is denkbaar een door wetenschappers gerunde overheidsinstelling, die zich
richt op klinisch onderzoek. Een dergelijke instelling zou bijvoorbeeld kunnen
functioneren naar analogie van de productiefaciliteit Bioconnection in Oss, of
het NVI, waar de overheid garant staat voor de afname van een deel van de
beschikbare capaciteit. Dat verschaft een basisfinanciering waarmee pieken en
dalen in aanbod kunnen worden opgevangen.
DE UNIVERSITAIRE INFRASTRUCTUUR KAN BETER WORDEN TOEGESNEDEN OP
PPS
Universitaire medewerkers die een uitvinding doen hebben, anders dan in vele
ons omringende landen, nauwelijks een rechtspositie. Dat betekent dat zij op het
moment dat ze een uitvinding willen commercialiseren, zeer afhankelijk zijn
van de wijze waarop de universiteit met die uitvinding omgaat. Ze hebben
slechts recht op een niet nader gespecificeerde ‘redelijke vergoeding’. In de VS
is een uitvinder echter voor 30% eigenaar van de vinding, waardoor hij meer
invloed heeft op wat ermee gedaan wordt. Een probleem is vaak dat de perso-
nen die namens de universiteit als sparringpartner van de uitvinder optreden,
niet dezelfde taal spreken en niet dezelfde drive hebben als de uitvinder. De
situatie is iets verbeterd omdat vrijwel alle universiteiten holdings hebben opge-
richt waarin het Intellectual Property beheerd wordt. Sommige universiteiten
zijn actiever dan andere. Men heeft echter geen geld om de cruciale posities in
die holdings te laten bezetten door enthousiaste specialisten. Het komt nog te
veel voor dat de universiteiten daarvoor mensen aanstellen die, om wat voor
                                                                          37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>reden dan ook, elders boventallig zijn geworden. Dit probleem is in 2002 ook al
aangekaart in het eerder genoemde RGO-advies Knarsende Schakels18. Een
tweede probleem van Nederlandse universiteiten is dat er nauwelijks prikkels
zijn om goede hoogleraren te belonen voor hun samenwerking met industriële
partners. In de VS is het bij sommige universiteiten zo geregeld dat de hoogle-
raar weliswaar wordt afgerekend op academische prestaties (publicaties, criteria
van excellentie etc.), maar het geld dat binnenkomt in de vorm van octrooiver-
koop en inkomsten uit licenties zelf mag houden.
VWS MOET AANSLUITING TOT STAND BRENGEN TUSSEN GEBRUIKERS VAN
TECHNOLOGIE EN DE ZORG EN DE INDUSTRIËLE ONTWIKKELAARS ERVAN
Hoewel in de biotechnologie veel aan netwerkvorming is gedaan is, bestaat nog
wel een leemte. Er is geen goed netwerk dat de bedrijven verbindt met degenen
die in de zorgpraktijk oplossingen willen zien. Op vele netwerkbijeenkomsten
die nu worden georganiseerd worden wel wetenschappers, ondernemers en
investeerders gesignaleerd, maar nauwelijks dokters uit de praktijk. De brug tus-
sen de vraag uit de dagelijkse klinische praktijk en het technologische aanbod
moet nog geslagen worden, en dat betreft ook ‘de taal’20. Het moet duidelijk
worden waar dokters echt wat aan hebben, en welke technieken het in de dage-
lijkse praktijk afleggen. Daarnaast is het nodig aandacht te vragen voor een
keerzijde aan het succes van technologie. Een goed voorbeeld is dat er met de
komst van recombinante hemofilieproducten minder omzet is uit de conventio-
nele, op bloedplasma gebaseerde producten. Dat betekent dat er geen kapitaal
meer is om oplossingen te zoeken voor de zeldzamere bloedziekten, ook wel
rare essentials genoemd.
WERK AAN EEN CULTUUR WAARIN OOK INVESTERINGEN VAN VERMOGENDE
PARTICULIEREN IN DE ZORG WORDT BEVORDERD
Universiteiten kunnen zich niet als een daadkrachtige financiële partner opstel-
len omdat het hen ontbreekt aan doelfinanciering. Er is geen cultuur zoals in de
Angelsaksische landen waar universiteiten kunnen beschikken over legaten van
particulieren. In tegenstelling tot schenkingen aan de kunsten komen schenkin-
gen aan de wetenschap niet veel voor. Al zijn er uitzonderingen, zoals Sylvia
Tóth, die het Sylvia Tóth Centrum (een centrum voor kinderen met een com-
plexe neurologische aandoening gehuisvest in het UMCU, lokatie Wilhelmina
Kinderziekenhuis) financieel heeft ondersteund. In Nederland zijn er weinig
rijke mensen als Bill Gates die gericht in onderzoek en ontwikkeling investeren.
Er zou dus in Nederland een andere cultuur op dit gebied moeten komen.
        38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>TOEPASSING OP EEN VOORBEELD: OXYTOCINE
  VWS zou kunnen overwegen om een aantal van de boven geschetste
  overwegingen te gebruiken bij pogingen om een thermostabiele, injec-
  teerbare vorm van oxytocine beschikbaar te krijgen voor de bestrijding
  van post-partum bloedingen in ontwikkelingslanden.
  Stap1 zou moeten zijn een academische partner en een industriële part-
  ner met elkaar in contact te brengen voor het farmaceutisch-technische
  deel, en vervolgens een academische partner die het resulterende eind-
  product in het veld gaat uittesten. In fase één zou een Top Instituut
  Pharma een wezenlijke rol kunnen spelen.
  De opdracht van VWS zou in concrete termen kunnen worden omschre-
  ven als: het ontwerpen van een injectiepreparaat van oxytocine dat x
  maanden stabiel blijft bij temperaturen rond de y graden Celsius, en te
  produceren is voor een prijs van niet meer dan € z per container.
  VWS zou geld ter beschikking kunnen stellen voor de proof of concept. De
  beloning daarvoor moet grotendeels aan het eind van de rit komen, en
  niet vooraf. Dat garandeert dat alle partijen een prikkel hebben om door
  te zetten. Daarnaast zou VWS samen met bijvoorbeeld het ministerie van
  Ontwikkelingssamenwerking een garantie kunnen geven voor een mini-
  male afname van het eindproduct.
                                                                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>40</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>6      MAATSCHAPPELIJK TRAJECT
6.1    ACHTERGROND EN METHODE MAATSCHAPPELIJK TRAJECT
In de voorbereiding van de Agenda Medische Biotechnologie 20041 is expliciet
gekozen voor een interactief traject BOB21, 22. Hierbij heeft uitgebreide consul-
tatie met het veld en met burgers plaatsgehad. Medische biotechnologie is een
complex beleidsterrein waarin veel verschillende belangen en gevoeligheden
spelen23,24,25. De keuze voor de ontwikkeling van beleid via een interactief
'open beleidsproces' is met name hierop terug te voeren. Met deze aanpak werd
gestreefd beter aan te sluiten bij daadwerkelijk in de maatschappij gevoelde pro-
blemen, waardoor de betrokkenheid bij en het draagvlak voor het beleid bevor-
derd wordt26,27,28,29,30. VWS vindt voor het onderhavige advies eveneens een
interactieve voorbereiding noodzakelijk. Het Athena Instituut, Faculteit Aard-
en Levenswetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam, heeft ondersteuning
geboden bij de opzet, uitvoering en uitwerking van het voor dit advies uitge-
voerde interactieve proces, evenals bij het traject BOB.
In de adviesaanvraag staat dat het voor de uitvoerbaarheid van de onderzoeksa-
genda van groot belang is dat deze breed wordt gedragen. ‘Breed gedragen’
betekent hier gedragen door zoveel mogelijk stakeholders op het terrein van de
medische biotechnologie. De volgende groepen zijn geïdentificeerd als stakehol-
ders: overheid, intermediaire en adviserende organisaties, industrie, wetenschap-
pers, collectebusfondsen en eindgebruikers. Onder eindgebruikers worden
verstaan zorgverzekeraars, zorgverleners (huisartsen en specialisten) en zorgge-
bruikers (incidentele en chronische zorggebruikers). Omdat er voor de voorbe-
reiding van het advies beperkte tijd beschikbaar was zijn alleen de
eindgebruikers op een interactieve manier betrokken.
Er zijn aan de eindgebruikers op individueel niveau vragen gesteld, en niet op
het niveau van de koepels. De individuele aanpak is voor de Raad een nieuwe,
aanvullende benadering om de maatschappelijke behoefte op een gestructu-
reerde manier te onderzoeken. De scope van dit advies is echter onvoldoende
om de breedte van het maatschappelijk onderzoek recht te doen. Daarom zal dit
onderdeel als een aparte achtergrondstudie worden uitgebracht.
Onderstaand wordt kort samengevat hoe de verschillende groepen zijn bena-
derd.
Incidentele zorggebruikers (burgers): Twee focusgroepen, open benadering, achter-
halen intuïtieve argumenten waarom een aandoening belangrijk gevonden
wordt.
                                                                         41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Chronische zorggebruikers: Vragenlijst voor een aantal aandoeningen uit de matrix
en verstuurd naar leden van patiëntenverenigingen*. De vragenlijst richt zich op
technologische oplossingen voor medische problemen binnen één aandoening
en achterhaalt argumenten voor het relatieve belang ervan.
Zorgverleners: Twee focusgroepen, één met huisartsen en één met medisch speci-
alisten.
Huisartsen: gesloten benadering via aandoeningen in matrix, top 5 prioritering,
daarna focus op groepen technologieën (preventie, diagnose, therapie en gene-
zing) die belangrijk (kunnen) zijn voor de vijf aandoeningen.
Medisch specialisten: opgezet vanuit de technologieën, focus naar aandoeningen
en argumenten voor combinaties, daarna (positieve en negatieve) prioritering.
Zorgverzekeraars: Eén focusgroep, open benadering en achterhalen argumenten,
top 5 prioritering, daarna focus op groepen technologieën (preventie, diagnose,
therapie en genezing) die belangrijk (kunnen) zijn voor de vijf aandoeningen.
Bij geen van de methoden is gestreefd naar statistische representativiteit. Het
gaat vooral om het achterhalen van argumenten. Alle deelnemers staan ver-
meld in bijlage 4.
6.2    RESULTATEN MAATSCHAPPELIJK TRAJECT
De Raad realiseert zich dat de aantallen ondervraagde stakeholders klein zijn.
Niettemin bieden de uitkomsten interessante inzichten. De resultaten van de
maatschappelijke inventarisatie zijn samengevat in 2 tabellen. Eerst worden de
resultaten van de groep chronische zorggebruikers besproken (zie tabel 5). Glo-
baal genomen is in Nederland 15% van de bevolking ziek, waarvan een aanzien-
lijk aantal een chronische aandoening heeft. Vervolgens zijn in tabel 6 de
resultaten van de overige eindgebruikers samengevoegd. Dit reflecteert de
opvattingen van de ca. 85% van de bevolking die niet ziek is. De opvattingen
    * HIV/AIDS - HIV-Vereniging Nederland; Hart- en vaatziekten - Stichting
       Bloedlink; Kanker - Lymfklierkanker Vereniging, Stichting Doorgang,
       Asbestslachtoffers Vereniging Nederland, Stichting Contactgroep Pros-
       taatkanker, Contactgroep Kahler- en Waldenströmpatiënten, Stichting
       Melanoom; Luchtwegaandoeningen/COPD – Astmafonds; Osteoartritis en
       RA – Reumapatiëntenbond; Diabetes Mellitus - Diabetes Patiëntenve-
       reniging Nederland; Zeldzame ziekten – Vereniging Volwassenen, Kin-
       deren en Stofwisselingsziekten; Psychische aandoeningen - Cliëntenbond
       en de Belangenorganisatie cliënten Geestelijke Gezondheidszorg, Sticht-
       ing LPR.
       42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>zijn a priori verschillend omdat voor chronische zorggebruikers het aspect van
preventie minder relevant is dan voor incidentele zorggebruikers.
6.2.1 MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE - CHRONISCHE ZORGGEBRUIKERS
Patiëntenparticipatie blijkt de kwaliteit en relevantie van gezondheidsonderzoek
te verbeteren doordat patiënten een speciale vorm van kennis en expertise
bezitten door de ervaringen met hun ziekte31. Chronische zorggebruikers zijn
gevraagd voor hun aandoening aan te geven voor welke problemen zij een
oplossing zien in medische biotechnologie. Het blijkt dat zij uitstekend kunnen
differentiëren tussen de verschillende mogelijkheden (tabel 5). De resultaten van
de vragenlijsten zijn opgenomen in de tabel, wanneer er voor een aandoening
voldoende vragenlijsten zijn ontvangen (de gegevens voor de longaandoenin-
gen zijn overgenomen uit referentie 31). Er kan sprake zijn van een zekere bias,
omdat alle respondenten lid zijn van een patiëntenvereniging en hierdoor regel-
matig eerder aan onderzoeken hebben meegewerkt.
Tabel 5: Matrix chronische zorggebruikers
                          HV      KA      LO     OA/RA        DM     ZZ      PY
 Aantal vragenlijsten     30      85             39           41     stofw: 17
                                                                     32
 MRP               bm     +       ++      ++     ++           +
                   fg                     +                                  +
                   d/p    ++                     ++           ++     ++      +
 OT                tf     +       ++      ++     ++
                   lf                     ++
                   tev                                                       +
                   tm                     +
 PO                te             +       ++     ++                  ++
                   prb
                   va
 CE                sc                                         ++
                   ti                                         ++
                   gt             +                                  ++
Zo geven patiënten met diabetes aan dat zij vooral soelaas verwachten van stam-
cellen (sc) en tissue engineering (ti) om hun ziekte te genezen, en vinden zij ver-
der een vroege diagnose (d/p) van groot belang; tenslotte is er voor diabetes een
goede behandeling beschikbaar. Ook voor zeldzame ziekten biedt celenginee-
ring (m.n. gentherapie (gt)) mogelijk perspectief, zo vinden patiënten, evenals
het ontwikkelen van een middel (te) dat het ontbrekende eiwit of enzym com-
                                                                          43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>penseert (hetgeen vaak het geval is bij zeldzame aandoeningen). Ook het tijdig
stellen van een diagnose is problematisch bij zeldzame ziekten, hetgeen de
onzekerheid vergroot. Meer algemeen vinden patiënten vroege diagnostiek
belangrijk (d/p), omdat er in een vroeg stadium nog weinig/geen (blijvende)
schade is aangericht met mogelijk de beste kans op een ‘normaal’ leven en wei-
nig complicaties, er eerder met een behandeling kan worden begonnen (indien
beschikbaar) of een aanpassing aan de leefstijl kan worden bereikt, er minder
sterfgevallen zullen zijn en dat de uiteindelijke kosten minder hoog zijn. Veel
patiënten geven prioriteit aan het achterhalen van de oorzaak van hun ziekte (tf
en bm).
Kennis van de oorzaak van een ziekte wordt gezien als het opsporen van de
sleutel voor meerdere oplossingen (vroege opsporing, eerdere diagnose, (min-
der zware) behandeling, aanleiding voor nieuwe medicijnen, preventie, kosten-
besparing). Dit geldt zeker voor kanker, hart- en vaatziekten, longaandoeningen
en reumatoïde artritis. Voor longaandoeningen volgt daaruit de behoefte aan
nieuwe middelen (lf), terwijl patiënten met een psychische aandoening meer
zien in het achterhalen van de oorzaak waarom de ene patiënt wel goed reageert
op een geneesmiddel en de andere niet (fg), en de modelsystemen die daarvoor
nodig zijn (tev).
Kortom, ook hier blijkt dat een mondige en goed geïnformeerde patiënt heel
goed in staat is aan te geven waar precies de behoefte uit bestaat, en daarmee
een toegevoegde waarde vertegenwoordigt voor het prioriteren van
gezondheidsonderzoek31,32.
6.2.2 GEÏNTEGREERDE MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE – BURGERS, ZORGVER-
        LENERS EN VERZEKERAARS
Alle overige resultaten van het maatschappelijk traject zijn samengevoegd in
tabel 6. De prioriteiten zijn weergeven als +en. De +en worden nader toegelicht
in de achtergrondstudie over dit maatschappelijk traject dat separaat wordt uit-
gebracht.
Allereerst zij opgemerkt dat er grote overeenkomsten zijn tussen de resultaten
van de verschillende eindgebruikers, ook al zijn zij niet op identieke wijze
ondervraagd. De homogeniteit in de resultaten versterkt de notie dat de hier
aangegeven prioriteiten breed gedragen worden.
Zo noemen burgers en zorgverzekeraars in essentie dezelfde aandoeningen
waarvoor een oplossing noodzakelijk is (zie de bovenste twee rijen in groen en
grijs). Beide groepen denken niet aan infectieziekten en tropische aandoenin-
gen, mogelijk omdat de oorzaak van deze aandoeningen bekend is en er thera-
pie voorhanden is. Hierbij dient opgemerkt dat de focusgroepen zijn gehouden
vóór de opkomst van de vogelgriep in Europa. Burgers denken verder niet aan
        44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>lifestyle; blijkbaar wordt dit (nog) niet als een ziekte beschouwd. Verder verschil-
len verzekeraars en burgers alleen in de prioriteiten die zij stellen. Voor verzeke-
raars weegt de maatschappelijke impact van een aandoening zwaar (bijv. hart-
en vaat aandoeningen, diabetes, overgewicht (lifestyle); voor burgers meer de
persoonlijke impact (kanker, HIV, psychische aandoeningen en hart- en vaat-
ziekten).
Ook de overeenkomst tussen huisartsen en zorgverzekeraars wat betreft priori-
teiten in aandoeningen is groot: zij kiezen beiden kanker, artrose en de cluster
obesitas/diabetes mellitus/ hart- en vaatziekten. Ook wanneer ze technologieën
voor die aandoeningen moeten prioriteren zijn de overeenkomsten groot. De
technologieën zijn overigens niet los, maar als groep gepresenteerd waarbij
medical response profiling als ‘diagnostiek’ is opgevat, ontwikkelingstraject als
‘therapie’, celengineering als ‘genezing’ en productontwikkeling als ‘preventie’.
Biomarkers zijn daarbij gepositioneerd als markers voor vroege diagnose in het
kader van preventie. Preventie is voor zowel huisartsen als zorgverzekeraars hét
sleutelwoord, vandaar dat de rijen bij productontwikkeling en biomarkers
zoveel +en scoren (steeds ++ of +++ voor de geprioriteerde aandoening). Als
preventie niet meer mogelijk is, zet men in op genezing, tenzij genezing niet aan
de orde is zoals bij ouder worden. Bij therapie wordt vooral gedacht aan nieuwe
targets. Diagnostiek scoort laag tenzij het gaat om kanker, waar vroege diagnos-
tiek van belang is voor de overlevingskans. Hier zijn de specialisten het geheel
mee eens; zij verwachten op dit moment het meest van nieuwe diagnostische
testen waarmee zij beter in staat zijn bij kanker patiëntengroepen te stratificeren
om zo onder- of overbehandeling te voorkomen. Dat dit tegelijkertijd kostenbe-
sparend en effectief is, wordt secundair gevonden. Specialisten verwachten ver-
der veel van tissue engineering voor het oplossen van problemen met het
bewegingsapparaat. Over het algemeen denken specialisten eerder aan diagnos-
tische en therapeutische mogelijkheden dan aan preventie, omdat het stadium
van (primaire) preventie meestal voorbij is als ze patiënten zien. Daarmee
komen de specialisten meer overeen met de chronische zorggebruikers, hetgeen
niet onverwacht is.
Tenslotte, bij veel van de groepsdiscussies kwam één of meer van de volgende
aspecten aan de orde:
- Artrose wordt gezien als een aandoening die onderdeel is van het algemene
     probleem van ouder worden; hierbij sluiten vanuit de matrix dementie en de
     ziekte van Alzheimer aan.
- Erfelijkheid is een belangrijke rode draad voor een groot deel van de geprio-
     riteerde aandoeningen. Maar in praktische zin kunnen zorgverleners niet
                                                                           45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>  veel met de herkenning van een erfelijke component. Daarvoor is meer
  onderzoek nodig.
- Aandoeningen waarvoor al veel therapieën mogelijk zijn (hart- en vaataan-
  doeningen, longaandoeningen, reumatoïde artritis) vallen als eerste af wan-
  neer de behoeftevraag beperkt wordt tot inzetten op extra onderzoek.
- Het in Nederland gehanteerde solidariteitsbeginsel is nog diep geworteld34.
  Over het algemeen vindt men dat ‘iedereen gelijk is’, en dus dat ook mensen
  die een goed voorkombare ziekte hebben recht hebben op een goede behan-
  deling en onderzoek. Het criterium ‘gelijkheid’ weegt eveneens zwaar wan-
  neer het gaat om een zeldzame ziekte35. Kwaliteit van leven is daarbij een
  belangrijke parameter.
     46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                   Tabel 6. Geïntegreerde matrix. Medisch specialisten, Zorgverzekeraars, Huisartsen, Incidentele Zorggebruikers, Chronische zorggebruikers
                               AR      PI     HIV       TU       HV       KA       LO        OA/RA          DM         LS       ZZ       AZ       PY      MA      TrW     GY
       A: # deeln. ziekte                     (61%)     (6%)    (27%)    (88%)    (6%)                     (22%)              (16%)    (16%)    (22%)
       genoemd/totaal #                       (14%)    (14%)    (86%)    (29%)            (14%)            (86%)     (43%)                      (29%)    (14%)
             deeln.
       B: # deeln. ziekte                     23%       2%       10%      33%      2%                        8%                6%        6%       8%
       genoemd/ totaal #                      4%        4%       26%       9%               4%              26%       13%                         9%       4%
       genoemde ziekten
         MRP          bm                                         ++       +                +                ++       +++
                                                                 ++       ++              +++                        +++
                                                                 ++       ++
                       fg                                                 ++
                                                                          +
                      d/p                                                 +
          OT           tf                                         +                         +                +         +
                                                                                                                       +
                       lf                                         +                         +                +         +
                                                                                                                       +
                      tev
                      tm
          CE           sc                                         +       +                 +
                                                                  +       +
                       ti                                         +       +                 +
                                                                  +       +                 +
                       gt                                         +       +                 +
                                                                  +       +
          PO           te                                        ++       ++               +                ++       +++
                                                                 ++       ++              +++                        +++
                      prb
                      va               +                          ++        ++                  +             ++       +++
                                                                  ++        ++               +++                       +++
      Legenda tabel 6: Afkortingen voor aandoeningen en technologie zijn hetzelfde als bij tabel 1, 2 en 3. Per eindgebruiker zijn de resultaten in kleur aangegeven (zie kop
     tabel); In rij A staat het % deelnemers dat een aandoening noemt t.o.v. het totaal aantal deelnemers (vb 16 van de 18 burgers noemt kanker = 88%). De % zijn bij elkaar
     opgeteld meer dan 100%; In rij B staat het % deelnemers dat een aandoening noemt t.o.v. het totaal aantal genoemde aandoeningen (vb 16 burgers noemt kanker van de
47   totaal 36 genoemde aandoeningen. De % zijn bij elkaar opgeteld 100%. In de rij met aandoeningen staan die aandoeningen lichtblauw aangegeven waarvoor patiënten
     vragenlijsten hebben ingevuld. De resultaten ervan staan niet in deze tabel maar in tabel 5.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>48</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>7       BREED GEDRAGEN ONDERZOEKSAGENDA MEDISCHE BIO-
        TECHNOLOGIE
7.1     CONCLUSIES VOORGAANDE HOOFDSTUKKEN
In dit advies is in opdracht van het ministerie van VWS onderzocht hoe het
staat met:
- het huidig onderzoek op het terrein van de medische biotechnologie in
    Nederland, vraag IIB en IIC in adviesaanvraag;
- publiek-private samenwerking (pps) op het terrein van de medische biotech-
    nologie, vraag IA en IB in adviesaanvraag;
- de Nederlandse maatschappelijke vraag naar medische biotechnologie,
    vraag IIA in adviesaanvraag.
De antwoorden op deze vragen leiden tot een advies aan VWS over een breed
gedragen onderzoeksagenda medische biotechnologie, vraag IID in de advies-
aanvraag, alsmede een advies over de implementatie van die onderzoeksa-
genda, vraag IIE in de adviesaanvraag. Beide worden beschreven in 7.2.
De resultaten van de inventarisaties die ten grondslag liggen aan dit advies staan
beschreven in de voorgaande hoofdstukken. In dit hoofdstuk worden per onder-
deel de conclusies kort samengevat. Hierbij zij aangetekend dat in de medische
biotechnologie de ontwikkelingen zo snel kunnen gaan dat het moeilijk is ver-
der te kijken dan een tijdshorizon van een paar jaar.
ONDERZOEK
- Het onderzoek naar kanker, hart- en vaatziekten, diabetes mellitus, zeldzame
    aandoeningen en aan het bewegingsapparaat is in omvang het grootste. Het
    infectieziekteonderzoek (d.w.z influenza, HIV, tuberculose, malaria, tropi-
    sche weesaandoeningen en antibioticaresistentie tezamen genomen) is als
    groep eveneens van aanzienlijke omvang.
- Er is in Nederland veel aandacht voor biomarkers, targetfinding, en thera-
    peutische entiteiten alsmede voor het ontwikkelen van (cel)modellen om tar-
    gets te kunnen evalueren. Deze staan centraal in het publiek gefinancierde
    onderzoek. Alleen wanneer een onderzoeksterrein een behoorlijke omvang
    heeft, komen ook de andere technologieën zoals in dit advies gedefinieerd
    aan bod.
- Onderzoeksfinanciering is niet direct gekoppeld aan een omvangrijk
    medisch- biotechnologisch onderzoeksterrein (vgl. onderzoek naar zeldzame
    aandoeningen en reumatoïde artritis).
                                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>- Zodra er sprake is van productontwikkeling, blijft het onderzoek gefinan-
  cierd uit publieke middelen achter en zijn publiek-private arrangementen
  nodig om productontwikkeling te versterken.
PUBLIEK-PRIVATE SAMENWERKING
- Ongeveer eenderde van de kleinere medische biotechbedrijven in Neder-
  land richt zich niet op een aandoening maar op generieke, platformtechno-
  logie.
- Wat betreft technologie richten bedrijven zich op leadfinding, therapeutische
  entiteiten (eiwitten en oligonucleotiden), diagnostische tools (o.a. op basis van
  biomarkers), targetevaluatie en testmethoden, alsmede vaccinontwikkeling.
- De top 3 waar de bedrijven zich op richten zijn kanker, bewegingsapparaat
  en het cluster hart- en vaatziekten, diabetes en obesitas. Ook is er in verhou-
  ding veel bedrijvigheid rond zeldzame ziekten, infectieziekten (vaccinont-
  wikkeling) en de ziekte van Alzheimer.
- De relatief grote omvang van de bedrijvigheid op het terrein van kanker en
  het cluster hart- en vaatziekten/ diabetes/ obesitas komt overeen met de rela-
  tief grote omvang in onderzoekscapaciteit op deze terreinen.
MAATSCHAPPELIJKE BEHOEFTE
- Wat betreft de aandoeningen wordt de maatschappelijke behoefte breed
  gedragen voor
      - kanker
      - het cluster lifestyle (obesitas), diabetes en gerelateerde hart- en vaat-
        klachten
      - artrose (niét reumatoïde artritis)
- Overige prioriteiten zijn aandoeningen die gerelateerd zijn aan veroudering
  (o.a Alzheimer) en aandoeningen waar erfelijkheid een nog onduidelijke rol
  speelt.
- Er is een breed gedragen voorkeur voor preventie; ook het stratificeren
  (indelen in verschillende groepen) van patiënten, vroege diagnostiek en het
  achterhalen van de oorzaak van de aandoening worden belangrijk gevon-
  den.
- Solidariteit is in Nederland nog steeds diepgeworteld: er moet ook geïnves-
  teerd worden in zeldzame ziekten en voorkoombare (lifestyle) ziekten. Kwali-
  teit van leven is daarbij een belangrijke parameter.
- Goed geïnformeerde patiënten zijn uitstekend in staat aan te geven waar pre-
  cies de behoefte uit bestaat, en zijn daarmee een toegevoegde waarde voor
  het prioriteren van gezondheidsonderzoek.
      50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>7.2      SYNTHESE, AANBEVELINGEN EN IMPLEMENTATIE
SYNTHESE
Om te komen tot een breed gedragen onderzoeksagenda zijn de uitkomsten van
de inventarisaties naast elkaar gezet in tabel 7. Het is duidelijk dat drie clusters
hoog scoren op zowel brede maatschappelijke behoefte, als het onderzoek en de
bedrijvigheid: het cluster hart- en vaatziekten/ diabetes mellitus/ obesitas, kan-
ker en het bewegingsapparaat m.n. artrose. Ook voor de zeldzame ziekten en de
cluster dementie/ ziekte van Alzheimer zijn het onderzoek, de bedrijvigheid en
de maatschappelijke behoefte ruim voldoende aanwezig. Dat geldt niet voor de
cluster infectieziekten: onderzoek en bedrijvigheid scoren positief, maar er
wordt geen breed gedragen maatschappelijke behoefte gevoeld medische bio-
technologie hier op in te zetten. Tenslotte is ook een echte lacune geïdentifi-
ceerd: maternale bloedingen en postpartum problematiek die vooral in
ontwikkelingslanden speelt.
Deze prioriteiten zijn door de Raad en het FBG bediscussieerd en vastgesteld en
vormen tezamen de Onderzoeksagenda Medische Biotechnologie.
Tabel 7 Prioriteiten onderzoeksagenda medische biotechnologie
 Clusters                     onderzoek         bedrijvigheid     maatschappelijk
 1. Hart- en vaatziekten/dia  +++               ++                ++
 betes mellitus/obesitas
 2. Kanker                    +++               ++                ++
 3. Bewegingsapparaat         ++                ++                ++ artrose (- RA)
 (artrose en reumatoïde
 artritis)
 4. Infectieziekten           ++                ++                -
 5. Zeldzame ziekten          ++                +                 +
 6. Dementie en Alzheimer     +                 +                 +
 7. Postpartum bloedingen     -                 -                 -
Onderstaand worden enkele algemene aanbevelingen gedaan, aanbevelingen
voor pps en aanbevelingen per cluster uit tabel 7. Wat betreft dit laatste worden
ook suggesties gedaan ten aanzien van implementatie. De resultaten van de ver-
schillende inventarisaties zijn gebruikt om verder te specificeren binnen de prio-
riteit en de hoofdfocus per cluster te bepalen. Hierbij is tevens rekening
gehouden met bestaande onderzoeksfinanciering op het desbetreffende gebied
en heeft de Raad zich afgevraagd of en zo ja wat extra financiering nog toe-
                                                                          51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>voegt. Er zijn namelijk op medisch gebied al aanzienlijke sturingsgelden in de
vorm van genomics zwaartepunten (CMSB en CGC) en BSIK-financiering (o.a.
Top Instituut (TI) Pharma, DPTE, VIRGO Consortium). De meeste prioriteiten
sluiten aan bij de grote maatschappelijke opgaven die VWS heeft
gesignaleerd36. Verder zijn er overeenkomsten tussen een deel van de prioritei-
ten. Zowel artrose als de ziekte van Alzheimer zijn multifactoriële verouderings-
aandoeningen en behoeven een vergelijkbare oplossing, nl. biomarkers in
combinatie met epidemiologische studies op grote populaties ten behoeve van
preventie. Het waarborgen van een goede infrastructuur (biobanken/cohorten
met patiëntengegevens en biomateriaal) is hiervoor een noodzakelijke basis37.
Het genomics onderzoek in Nederland is de laatste jaren goed van de grond
gekomen, met aandacht voor valorisatie en nieuwe bedrijvigheid38,39. Veel bio-
markers, targets en leads zijn daarbij geïdentificeerd. Zij vormen de basis voor
toekomstige productontwikkeling. Tenslotte wijst de Raad er op dat wet- en
regelgeving niet onnodig belemmerend moet zijn, en dat het proces van maat-
schappelijke prioritering een toegevoegde waarde heeft.
ALGEMENE AANBEVELINGEN
- Om ook in de toekomst verzekerd te zijn van nieuwe mogelijkheden, is het
    nodig de financiering van het genomics onderzoek op peil te houden. Dat
    betekent dat continuering van het Netherlands Genomics Iniative (NGI) een
    noodzakelijke basis is voor het kunnen realiseren van de in dit advies
    genoemde prioriteiten.
- Het is urgent dat VWS zich nu committeert aan een plan voor biobanken;
    als zij dat niet doet gaat het momentum verloren en worden allerlei individu-
    ele initiatieven opgestart die over een aantal jaar alleen met grote (financiële)
    inspanning weer aan elkaar geknoopt kunnen worden.
- De Code Goed Gebruik Lichaamsmateriaal is in de praktijk werkzaam
    gebleken. De uitgangspunten ervan dienen te worden overgenomen in de
    Wet Zeggenschap Lichaamsmateriaal.
- Preventie, behandeling en platformtechologie is een goede combinatie om te
    stimuleren.
- Breed gedragen maatschappelijke bijdragen aan het proces van agendaset-
    ting en programmering moeten worden voortgezet.
AANBEVELINGEN PPS
- Steun is nodig voor pps-projecten die aansluiten bij prioriteiten van VWS op
    het terrein van preventie.
        52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>-    Maak bewuste keuzes uit de veelheid aan prioriteiten. VWS dient, gelet op
     de beperkte beschikbaarheid van beleidsgeld, hoofdzakelijk faciliterend op
     te treden.
-    Het is niet haalbaar om de focus van bedrijven via overheidsbeleid te richten
     op door VWS gewenste prioriteitsgebieden.
-    VWS dient bij voorrang een beperkt aantal proof of concept studies te steu-
     nen.Voor elk pps-project moet de gewenste output vooraf zo precies moge-
     lijk worden gedefinieerd.
-    Let bij projecten op een goede samenwerking tussen de overheid en ver-
     schaffers van durfkapitaal aangezien dit tot een hoger rendement kan leiden.
AANBEVELINGEN PER CLUSTER IN VOLGORDE VAN PRIORITEIT CF. TABEL 7
1. Cluster hart- en vaatziekten, diabetes mellitus, obesitas en metabool syn-
     droom
Overweging: Het gaat in dit cluster met name om de aan lifestyle geassocieerde
aandoeningen, die door VWS al langer als een groot maatschappelijk probleem
worden gezien. Dat geldt zowel voor de omvang van de (aankomende) diabetes
type 2 epidemie, de zorgvraag die daaruit volgt, als de organisatie die nodig is
voor preventie en behandeling. Een belangrijke overweging in dit advies ten
aanzien van sturing door VWS is dat diabetes mellitus geen plaats heeft gekre-
gen in het TI Pharma40.
Focus: De focus ligt op preventie, en dan met name op medisch-biotechnolo-
gisch onderzoek naar erfelijke risicofactoren, oftewel biomarkers ten behoeve
van farmacogenetica en prognostiek (in relatie tot omgevingsfactoren) met als
doel daarmee preventie te versterken. Er kan goed worden aangesloten bij het
epidemiologische onderzoek (databestanden) en bestaande onderzoekscohorten
cq. biobanken in Nederland. Daarmee valt op het terrein van de klinische diag-
nostiek veel winst te behalen. De bedrijvigheid kan hier eveneens op aansluiten.
Preventieve maatregelen zoals leefstijladvisering en mogelijkheden die voortko-
men uit het nutrigenomicsonderzoek vallen buiten het kader van dit advies,
maar sluiten ook aan.
Implementatie: Het organiseren van een groot onderzoek waarin geschikte (zo
mogelijk bestaande) cohorten worden gevormd en waar leefstijlgegevens gekop-
peld kunnen worden aan biomarkers die in preventieve programma’s gebruikt
kunnen worden. Het gaat dus om populatieonderzoek als trainingsset, waarbij
de output van het onderzoek een set van gevalideerde biomarkers is t.b.v. far-
macogenetica en prognostiek. Met de biomarkers kunnen onderbouwde leef-
stijladviezen worden gegeven. Gezien de grote maatschappelijke opgave, ligt
het voor de hand dat VWS hiervoor het initiatief neemt, waarbij zoveel moge-
                                                                        53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>lijk stakeholders worden aangesloten zoals onderzoekers (epidemiologen en ‘tech-
nologen’), fondsen (Diabetesfonds en Hartstichting), en de beheerders van
bestaande biobanken/cohorten (bijv. de Rotterdam Studie). Zorgonderzoek
Nederland Medische Wetenschappen (ZonMw) kan deze aanbeveling opnemen
in het programmavoorstel Priority Medicines voor punt 4 en 5. Intussen zou
gestreefd kunnen worden naar het organiseren/financieren van een bevolkings-
onderzoek naar de risico’s op deze cluster van aandoeningen op verschillende
leeftijden (bijv, 20, 35 en 50 jaar) door de verzekeraars, waarbij de gevalideerde
set gebruikt wordt (die mogelijkerwijs ook commercieel als toolkit ontwikkeld
kan worden).
2. Cluster kanker
Overweging: Ook in dit advies wordt kanker als aandoening geprioriteerd. Een
brede onderzoeksinzet vindt reeds plaats via de grote 3e geldstroom, het zwaar-
tepunt CGC binnen het NGI en het hoofdthema kanker in het TI Pharma. Een
deel van de (translationele) ontwikkelingen zal hiermee opgevangen kunnen
worden. Er zijn echter specifieke ontwikkelingen die ook toepasbaar zijn voor
andere aandoeningen. Deze specifieke, maatschappelijk gedragen ontwikkelin-
gen verdienen stimulering.
Focus: Vanuit het medisch-biotechnologische kankeronderzoek zijn een aantal
toepassingen ontstaan die in de reguliere gezondheidszorg kunnen worden inge-
voerd, zoals microarrays ten behoeve van de prognose bij borstkanker en leuke-
mie. Om dit te realiseren is prognostisch patiëntgebonden onderzoek nodig
teneinde de doelmatigheid ervan vast te stellen41. Dit past bij solidariteit.
Evenzo is diagnostiek voor stratificatie van dure geneesmiddelen voor VWS
relevant. Stimulering van implementatie van nieuwe geneesmiddelen is vooral
voor EZ relevant.
Implementatie: Uitbreiding van het programma doelmatigheidsonderzoek van
ZonMw ten behoeve van brede introductie in de zorg van medisch biotechnolo-
gische toepassingen voor de behandeling van kanker. Diagnostiek voor stratifi-
catie van dure geneesmiddelen en implementatie van nieuwe geneesmiddelen
kan gestimuleerd worden via de FES-gelden die worden ingezet.
3. Cluster bewegingsapparaat
Overweging: Voor de aandoeningen van het bewegingsapparaat, artrose (OA) en
reumatoïde artritis (RA) geldt de vraag óf extra aandacht vanuit VWS nog een
verschil kan maken. Reumatoïde artritis is een voorbeeldaandoening voor auto-
immuunziekten en ontstekingsreacties en is als zodanig verankerd binnen het TI
Pharma. Beide aandoeningen zijn prominente voorbeeldaandoeningen voor tis-
        54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>sue engineering binnen het door BSIK gefinancierde DPTE, tegenwoordig Plat-
form Regenerative Medicine.
Focus: Prioriteit geven aan het inventariseren van biomarkers die indicatief zijn
voor risicofactoren, voor het ontstaan, of voor de prognose van artrose en deze
te koppelen aan grote epidemiologische studies in het kader van preventie. Aan-
gezien dit een typisch multifactoriële aandoening is zijn de benodigde aantallen
waarschijnlijk groot.
Implementatie: Onderzoeksprogramma bij ZonMw in het kader van het pro-
gramma Priority Medicines (punt 2) naar biomarkers voor artrose, in combina-
tie met het waarborgen van patiëntencohorten/biobanken voor epidemio-
logische studies.
4. Cluster infectieziekten
Overweging: ZonMw maakt momenteel een programmavoorstel om het infectie-
ziekteonderzoek te stimuleren42. In het TI Pharma vormen de infectieziekten
een hoofdthema en voor influenza is al veel aandacht binnen het Virgo Consor-
tium (BSIK) en NIVAREC (centrumsubsidie). Er zijn derhalve de nodige ont-
wikkelingen. De maatschappelijke inventarisatie in dit advies laat zien dat niet
in eerste instantie gedacht wordt aan infectieziekten wanneer er ingezet moet
worden op onderzoek. Maatschappelijk gezien is er echter vanuit de WHO veel
aandacht voor HIV, malaria en tuberculose, waarbij vaccinontwikkeling voorop
staat. Het ligt voor de hand deze onderwerpen vooral op de internationale
agenda medische biotechnologie te plaatsen.
Focus: (a) Gezien de waarschijnlijkheid van het in de toekomst optreden van een
influenzapandemie, is het wenselijk om de tijd die nodig is om een influenza
vaccin te ontwikkelen te bekorten. Nederland heeft hier in beginsel zowel de
mensen als een groot deel van de faciliteiten voor beschikbaar.
(b) Om in de zorg optimaal gebruik te kunnen maken van de medische biotech-
nologie is het nodig te kiezen voor het breed invoeren van DNA-diagnostiek in
de kliniek. Qua onderzoek ligt hier voor de bovengenoemde aandoeningen ook
het zwaartepunt. Dit is al eerder aanbevolen in de RGO-adviezen Antibiotica-
resistentie, Nieuwe toepassingen genetische diagnostiek en Jaarbericht Geno-
mics 1 43, 44
Implementatie: Ten aanzien van de (vogel)griep wordt naar verwachting ruim een
miljard € bijeen gebracht om een wereldwijde epidemie van de ziekte te voorko-
men. Nederland kan zich hierbij actief opstellen. Om een versnelde vaccinont-
wikkeling (van zes naar drie maanden) na het uitbreken van een pandemie
mogelijk te maken is een logistieke operatie noodzakelijk, die in Nederland uit-
voerbaar is binnen bestaande kaders (zie bijlage 12).
                                                                       55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Voor het breed invoeren van DNA-diagnostiek voor infectieziekten en antibioti-
caresistentie is geen extra medische biotechnologie nodig. Het gaat voorname-
lijk om tariefdiscussies (microbiologisch vs. DNA-onderzoek) en opleidings-
aspecten. Deze moeten door VWS geëntameerd worden.
5. Cluster zeldzame ziekten
Overweging: De zeldzame aandoeningen vormen een terrein dat zich heeft weten
te bewijzen ondanks gebrekkige onderzoeksfinanciering. Het kan derhalve
beschouwd worden als kansrijk. De vraag is echter wat te doen om dit gebied
verder te stimuleren, en of een dergelijke stimulering kans van slagen heeft
tegen de achtergrond van de vergoedingsproblematiek. De overheid probeert
een balans te vinden tussen aan de ene kant de noodzaak van het stimuleren
van onderzoek en ontwikkeling, zodat nieuwe, effectieve producten worden
ontwikkeld; aan de andere kant is de overheid gedwongen oog te houden voor
de financiële consequenties van toepassing van die nieuwe producten en er voor
te zorgen dat producten niet onredelijk hoge vergoedingen krijgen. Dit lijkt op
remmen en gas geven tegelijk. Het is wenselijk dat VWS poogt dit mechanisme
verder te verfijnen en obstakels bij de vergoedingensystematiek verwijdert als er
eenmaal is gekozen om gas te geven.
Focus: De Raad kiest ervoor bedrijvigheid als vertrekpunt te nemen en daarbij
aan te sluiten, omdat dit in Nederland een sterk punt is. Daarbij is het voor
VWS mogelijk een aantal van de aanbevelingen op het terrein van de pps in de
praktijk te brengen, bijv. het definiëren van output, proof of concept studies, en
samenwerking met durfkapitaalverstrekkers.
Implementatie: Om deze aanbeveling gestalte te geven valt te denken aan een uit-
breiding van het budget voor de Stuurgroep Weesgeneesmiddelen om in te zet-
ten voor financieringsmogelijkheden volgens een STIGON- of Biopartner stage
1-benadering. Een BSIK-constructie ligt niet direct in de rede: er zijn meer spin-
offs op dit terrein dan bestaande bedrijven die mee willen financieren.
6. Cluster dementie en de ziekte van Alzheimer
Overweging: De ziekte van Alzheimer en dementie is een prioriteit gelet op de
impact die de aandoening heeft op het maatschappelijk (grote toename ver-
wacht in aantallen patiënten; tot 300.000 in 2030) en persoonlijk leven. Evenals
artrose is de aandoening gerelateerd aan veroudering. Er is momenteel weinig
specifieke onderzoeksfinanciering voor.
Focus: De ziekte van Alzheimer wordt momenteel succesvol onderzocht met een
combinatie van biomarkers en beeldvormende technieken. Nieuwe biomarkers
        56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>zijn ook mogelijke nieuwe targets, vandaar dat de focus hierop moet liggen ten
behoeve van vroegdiagnostiek en prognostiek.
Implementatie: Een onderzoeksprogramma bij ZonMw in het kader van het pro-
gramma Priority Medicines (punt 2) naar biomarkers voor de ziekte van Alzhei-
mer en dementie, in combinatie met het waarborgen van patiëntencohorten/
biobanken voor epidemiologische studies. Er kan worden aangesloten bij de
reeds toegekende Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek -
Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (NWO-BIG)-subsidies die inzet-
ten op beeldvormende technieken.
7. Cluster maternale bloedingen en postpartum problematiek
Overweging: Dit, in WHO-termen, grote probleem met name in de ontwikke-
lingslanden, is van alle aandoeningen in de priority medicines het meest verwaar-
loosde terrein in termen van onderzoek, bedrijvigheid en maatschappelijke
belangstelling. Niettemin is het met relatief eenvoudige middelen wel mogelijk
een belangrijke doorbraak te realiseren. Het thermostabiel maken van oxyto-
cine is voor het terugdringen van maternale sterfte van cruciaal belang.
Focus: Het is bij uitstek een project voor VWS om met andere dan financiële
middelen als pps-project te stimuleren. Te denken valt aan prijsafspraken, een
salescap, of een terugbetaling van de initiële investering. Dit sluit aan bij de con-
clusies uit het pps-traject.
Implementatie: Het ligt in de rede dat VWS en Ontwikkelingssamenwerking
(Directoraat Generaal Internationale Samenwerking) samenwerken en contact
zoeken met in eerste instantie Nederlandse onderzoekers en een industriële
partner.
Samenvattend: Uitgangspunt voor deze agenda zijn 16 aandoeningen en 13
technologieën, ondergebracht in vier hoofdthema’s. Zwaartepunten in acade-
misch onderzoek, in economische bedrijvigheid en zwaartepunten van maat-
schappelijk belang zijn geïnventariseerd en er zijn zeven (clusters van)
aandoeningen overgebleven die relevant worden geacht voor de agenda medi-
sche biotechnologie. Drie clusters van aandoeningen hebben vervolgens het eti-
ket ‘topprioriteit’ gekregen, waarbij de nadruk moet liggen op preventie en
behandeling.
                                                                           57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>58</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>LIJST VAN AFKORTINGEN
AMC         Advanced Market Commitments
BOB         Biotechnologie als Open Beleidsproces
BSIK        Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur
CGC         Cancer Genomics Center
CMSB        Center for Medical Systems Biology
COPD        Chronic Obstructive Pulmonary Diseases
DPTE        Dutch Platform Tissue Engineering
EZ          Ministerie van Economische Zaken
FBG         Forum Biotechnologie en Genetica
GSK         Glaxo Smith Kline
HPV         Humaan Papilloma Virus
IOP         Innovatiegericht onderzoeksprogramma
KNAW        Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
MRI         Magnetic Resonance Imaging
NGI         Netherlands Genomics Initiative
NVI         Nederlands Vaccin Instituut
NWO         Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
MKB         Midden- en Kleinbedrijf
OCW         Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
OT          Ontwikkeltraject
PET         Positron Emissie Tomografie
pps         publiek-private samenwerking
R&D         Research and Development
RGO         Raad voor Gezondheidsonderzoek
RIVM        Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
SARS        Severe Acute Respiratory Syndrome
SNP         Single Nucleotide Polymorphism
SPECT       Single Photon Emission Computer Tomography
STW         Stichting Technische Wetenschappen
TI Pharma   Top Instituut Pharma
TTI         Technologisch Topinstituut
UMCU        Universitair Medisch Centrum Utrecht
VWS         Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WBSO        Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk
WHO         World Health Organisation
ZonMw       Zorgonderzoek Nederland Medische Wetenschappen
                                                                 59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>60</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>REFERENTIES
1   Agenda Medische Biotechnologie; Beleidsvoornemens 2004-2007, Minis-
    terie van VWS, oktober 2004.
2   Kaplan W, Liang R. Priority Medicines for Europe and the World.
    WHO/EDM/PAR/2004.7, World Health Organisation, 2004.
3   Preventienota, 31 oktober 2003, Tweede Kamerstuk 22 894.
4   Trendanalyse Biotechnologie 2004, gezamenlijke notitie van de Commis-
    sie Biotechnologie bij Dieren (CBD), de Centrale Commissie Mensge-
    bonden Onderzoek (CCMO) en de Commissie Genetische Modificatie
    (COGEM), juli 2004.
5   Genomics 2030: Part of everyday life, Stichting Toekomstbeeld der Tech-
    niek (STT)/Beweton, oktober 2005.
6   Een vermogen betalen, Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebe-
    leid (AWT), advies nr. 61, februari 2005.
7   Erop of eronder: Financiering van (bio)medisch wetenschappelijk onder-
    zoek, Raad voor Medische Wetenschappen (RMW) van de KNAW,
    augustus 2005.
8   Financiering van gezondheidsonderzoek, interne publicatie Raad voor
    Gezondheidsonderzoek, 2005.
9   King DA. The scientific impact of nations: what different countries get for
    their research spending. Nature 2004;430:311-316.
10  www.ncbi.nlm.nih.gov/entrez/query.fcgDB=pubmed
11  Greenhalgh T, Peacock R. Effectiveness and efficiency of search methods
    in systematic reviews of complex evidence: audit of primary sources.
    BMJ 2005;331:1064-1065.
12  The Netherlands Life Sciences Sector Report 2005 – New challenges
    ahead, Biopartner Network, 2005 www.minez.nl.
13  Life Sciences Monitor – Stand van zaken EZ-Actieplan Life Sciences,
    Ministerie van EZ, december 2005.
14  Dynamiek van de hoog-innovatieve Life Sciences bedrijven in Neder-
    land, Beleidsinteractierapport 2005-2006, SenterNovem, oktober 2005,
15  Biotechnology in Europe: 2005 Comparative study, EuropaBio, april
    2005.
16  Gezondheidsonderzoek van Nederlandse bedrijven, rapport in het kader van
    het innovatiegebied Life Sciences & Gezondheid, SenterNovem, december
    2005.
17  Onderscheidend vermogen: “Sleutelgebieden-aanpak: samen werken aan
    innovatie op kansrijke gebieden”, Ministerie van EZ, april 2005.
                                                                     61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>18 Advies Knarsende Schakels, Raad voor Gezondheidsonderzoek, publica-
   tie 36, 2002.
19 KP7 / Health Ontsloten voor het beleid. Verslag invitational conference
   14 december 2005, Raad voor Gezondheidsonderzoek.
20 De dokter en de ingenieur, voorverkenning Raad voor Gezondheidson-
   derzoek in samenwerking met Stichting Toekomstbeeld der Techniek,
   januari 2006.
21 Project ‘Biotechnologie als Open Beleidsproces’, Ministerie van VWS, 27
   oktober 2003. Kamerstuk GMT/MT 2422120.
22 Os P van. Medische Biotechnologie; kunnen verwachtingen waar worden
   gemaakt? Stageverslag Athena Instituut VU, 2004.
23 Foekema H. Donkere wolken voor medisch wetenschappelijk onderzoek,
   TNS NIPO, 2004;
24 Gaskell G, Allum N, Stares S. Europeans and Biotechnology in 2002:
   Eurobarometer 2002, 2003.
25 Publieksonderzoek Genomics. Stichting Consument en Biotechnologie,
   2002.
26 Arnstein SR. A Ladder of Citizen Participation, The Journal of the Amer-
   ican Institute of Planners 1969; Vol. 35:4.
27 Goorden L, Vandenabeele J. Publieksparticipatie aan besluitvorming
   over technologie: burgers en experts uitgedaagd, Universiteit Antwerpen,
   STEM, Antwerpen, 2002.
28 Guijt D, Van Megchelen P. Vraagsturing: empowerment, cultuuromslag
   en markt, Mediator special, 2005, jaargang 16:1.
29 Burgerparticipatie in het milieubeleid. Questions, Answers and More
   BV, 2003.
30 Vriend HC. Burgers en trends in biotechnologie: Onderzoek naar waar-
   den en doelen, Stichting Consument en Biotechnologie, 2004.
31 Caron-Flinterman JF, Broerse JEW, Teerling J, Bunders JFG. Patients'
   priorities concerning health research: the case of asthma and COPD
   research in the Netherlands. Health Expectations, 2005; Vol. 8(3):253.
32 Geenen R, De Wit M, van Middendorp H. Op zoek naar de meerwaarde
   van actieve patiëntenparticipatie in wetenschappelijk onderzoek bij chro-
   nisch zieken: het perspectief van patiënten en onderzoekers. Nederlands
   Tijdschrift voor Reumatologie, 2005; 8(1):55-60.
33 Arts W. Solidariteit: wat de mensen vinden en willen. Spectrum, 2005, nr
   6.
34 Sociaal en Cultureel Rapport 2000, Nederland in Europa. Sociaal en Cul-
   tureel Planbureau, 2000, Rapportnr. 20000913.
   62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>35 NICE Citizens Council Report, Ultra Orphan Drug, NICE, UK, 2004.
36 Maatschappelijke Opgaven Volksgezondheid en Gezondheidszorg: leid-
   motief voor de kennis- en innovatieagenda voor de gezondheidssector,
   ministerie VWS, maart 2006.
37 Multifactoriële aandoeningen in het Genomics-tijdperk, Raad voor Medi-
   sche Wetenschappen (RMW) van de KNAW, mei 2006.
38 Resultaten Nationale Genomics Strategie 2002-2007, Netherlands Geno-
   mics Initiative (NGI), december 2005.
39 Genomics 2008-2012: bouwen en benutten, Netherlands Genomics Initi-
   ative (NGI), december 2005.
40 Businessplan Topinstitute Pharma, FIGON, Leiden, juni 2005.
41 Jaarbericht Genomics 1, Raad voor Gezondheidsonderzoek en Gezond-
   heidsraad, publicatie 47, 2004.
42 Advies Kennisinfrastructuur Infectieziekten, Raad voor Gezondheidson-
   derzoek, publicatie 40, 2003.
43 Antibioticaresistentie, Raad voor Gezondheidsonderzoek, publicatie 24,
   2000.
44 Advies Nieuwe toepassingen genetische kennis in de gezondheidszorg:
   Welke kennis is nodig?, Raad voor Gezondheidsonderzoek, publicatie
   35, 2002.
                                                                 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>64</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 1
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
De voorzitter van de Raad voor Gezondheidsonderzoek
T.a.v. de heer prof. dr. H.G.M. Rooijmans
Postbus 16052
2500 BB DEN HAAG
Ons kenmerk               Inlichtingen bij           Doorkiesnummer Den Haag
GMT/MT 2563030 drs. J. v/d Wijngaard 070-3407083~ 3 M RT 2 0 0 5
Onderwerp                                        Bijlage(n)
Adviesaanvraag onderzoeksagenda medische
biotechnologie
Geachte heer Rooijmans,
Biowetenschappen (life-sciences) hebben de afgelopen jaren aanzienlijke ont-
wikkelingen doorgemaakt, zoals het in kaart brengen van het genoom en van
eiwitproducten van genen bij mensen, dieren, planten en micro-organismen.
We weten inmiddels steeds meer over het menselijk genoom, de relatie met
aandoeningen en de kennis om die aandoening te diagnostiseren en te behan-
delen breidt zich razendsnel uit.
Met name de medische biotechnologie als onderdeel van die levenswetenschap-
pen biedt daarmee aanmerkelijke kansen voor gezondheid en gezondheidszorg.
Maatschappelijke problemen zoals aandoeningen waarvoor geen adequate
preventie, diagnostiek en/of behandeling mogelijk is gaan, tegen de achter-
grond van wat in potentie mogelijk is met medische biotechnologie en de
hoopgevende ontwikkelingen bij fundamenteel onderzoek op dit terrein,
steeds meer klemmen. Zoals de WHO in haar rapport Priority medicines for
Europe and the World (november 2004) heeft laten zien geldt dat nog steeds
voor tal van ziekten geen adequate (diagnostiek en) behandeling voorhanden
is. De WHO noemt in haar rapport 16 prioritaire (groepen van) aandoenin-
gen waaraan prioriteit moet worden gegeven. Een aantal van deze prioritei-
ten komen ook terug in het beleid van VWS bijvoorbeeld als het gaat om het
preventiebeleid. Het is van belang dit ook terug te laten komen in het onder-
zoek- en innovatiebeleid van VWS, in de samenwerking op dit terrein met
                                                                             65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen en in de feitelijke besteding van publieke onder-
zoeksgelden.
Het is wenselijk dat voor de samenleving een optimale allocatie van de
publieke onderzoeksgelden plaatsvindt én dat wordt gestimuleerd dat ook
onderzoeksgelden van bedrijven, onderzoeksinstituten en inzamelingsfond-
sen zich meer op die prioritaire gebieden gaan richten. Een eerste stap daarin
is het tot stand brengen van een breedgedragen onderzoeksagenda. Hiermee
bedoel ik een lijst met onderwerpen waarvoor geldt dat deze de hoogste prio-
riteit hebben voor (nader) wetenschappelijk onderzoek dat moet bijdragen
aan het vinden van (meer) doelmatige vormen van preventie, diagnostiek en
therapie.
Het is daarom, dat ik in mijn Agenda medische biotechnologie (oktober
2004) heb aangekondigd hiervoor het initiatief te zullen nemen.
Graag doe ik een beroep op uw expertise om samen met de bij dit proces te
betrekken partijen voor de medische biotechnologie een voorstel voor een
breedgedragen onderzoeksagenda tot stand te brengen en vervolgens met
hen een plan voor implementatie van die agenda uit te werken.
Hieronder vindt u de voor mij daarbij relevante aandachtspunten waarover
ik graag uw bevindingen c.q. uw voorstel ontvang.
I. Publiek-private samenwerking (pps) op het terrein van de medische bio-
technologie.
1. Welke publieke en private organisaties zijn actief op het terrein van pps?
2. Worden door (potentiële) deelnemers mbt. pps moeilijkheden/knelpunten
    ervaren?
    Indien ja, welke zijn dat en hoe kunnen ze worden weggenomen?
3. Hoe zouden publieke en private onderzoeksinstellingen, patiënten- en
    consumentenorganisaties en zorginstellingen op het terrein van onderzoek
    medische Biotechnologie beter kunnen samenwerken?
4. Wat zijn uw conclusies en aanbevelingen mbt. pps en de positie daarin van
    de overheid?
II. Ontwikkeling van een breedgedragen onderzoek- en innovatieagenda voor
de medische biotechnologie.
A.Wat is de Nederlandse maatschappelijke vraag naar medische biotechnolo-
gie?
1.    Wat zijn de belangrijkste aandoeningen die bij voorrang om een oplossing
      vragen? Ik verzoek u hierbij uit te gaan van hetgeen is neergelegd in de
        66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>     meest recente Toekomstverkenningen Gezondheidszorg, de in 2004
     vastgestelde Preventienota, het WHO-rapport over priority medicines en
     met de uitkomsten van de EU-conferentie 'Priority Medicines for the
     Citizins of Europe and the World' van 18 november jl.
B. Huidig onderzoek op het terrein van de medische biotechnologie in
Nederland.
1.   Welke publieke en private partijen doen onderzoek op het terrein van de
     medische
     Biotechnologie?
2. Hoeveel werd bij benadering de laatste 5 jaar in Nederland jaarlijks besteed
    aan onderzoek op het terrein van de medische biotechnologie? Uit welke
    bronnen zijn deze gelden afkomstig en welk deel daarvan valt onder de
    besluitvorming van de overheid (VWS, EZ, OCW en nauw hiermee ver-
    bonden publieke instellingen)?
3. Welke instrumenten/onderzoekslijnen binnen de medische biotechnolo-
    gie (diverse vormen van diagnostiek en therapie) zijn kansrijk voor het ver-
    krijgen van oplossingen voor
    de onder IIA1 bedoelde problemen en wie doen in Nederland op deze ter-
    reinen al substantieel onderzoek?
C. Breedgedragen onderzoeksagenda
1. Aan welk onderzoek op welke terreinen moet nationaal voorrang wor-
     den gegeven?
D. Implementatie
1.   Hoe kan implementatie van de onderzoeksagenda als bedoeld onder C op
     een nationaal
     niveau plaatsvinden?
2. Hoe kan daarbij PPS optimaal worden gestimuleerd?
Het is van groot belang voor de uitvoerbaarheid van de onderzoeksagenda
en van uw advies met betrekking tot de implementatie dat deze breed wor-
den gedragen, dat wil zeggen worden gedragen door de partijen die bij
onderzoek en innovatie op het terrein van de medische biotechnologie
betrokken zijn. Ik verzoek u in het bijzonder het Forum biotechnologie en
genetica bij uw activiteiten te betrekken.
                                                                      67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Tenslotte verzoek ik u over uw activiteiten en de tussentijdse resultaten
ervan nauw af te stemmen met drs. J. van den Wijngaard.
Graag zie ik het resultaat van uw activiteiten tegemoet vóór het einde van
2005.
Met vriendelijke groet,
De Staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
drs. Clémence Ross-van Dorp
       68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 2
SAMENSTELLING
COMMISSIE ONDERZOEKSAGENDA MEDISCHE BIOTECHNOLOGIE
prof.dr. S.W.J. Lamberts (voorzitter) Erasmus MC
prof.dr. R.C. Hoeben                  LUMC
dr. C. van Schagen                    GlaxoSmithKline
dr. C. Smit                           VSOP
mw.dr. L.J. van ’t Veer               NKI
ir. M.F.A. Veerman                    NVI
prof.dr. R. Vos                       UM
mw. dr. I. Meijer (secretaris)        RGO
mw. N. Honingh (stagiaire)            RGO (t/m 01-01-2006)
dr. M. van der Graaff (secretaris)    FBG
Waarnemers;
drs. H.W. Benneker                    RGO (t/m 01-12-2005)
prof.dr. H.G.M. Rooijmans             RGO (t/m 01-01-2006)
drs. J.B. van den Wijngaard           VWS/GMT
ir. M.W. Horning                      EZ
mw. drs. J. Lelij                     OCW
Secretariële ondersteuning en layout
mw. L. Bakker                         RGO
                                                           69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>70</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>bijlage 3.fm Page 71 Thursday, April 20, 2006 12:48 PM
                BIJLAGE 3
                OMSCHRIJVING INDIVIDUELE TECHNOLOGIEËN
                BIOMARKERS BM
                Biomarkers zijn kenmerken die objectief (kwantificeerbaar) gemeten en beoor-
                deeld worden als een interne indicator van veranderingen op moleculair of cel-
                lulair niveau om sleutelgebeurtenissen in normale biologische of pathogene
                processen óf farmacologische reacties op een therapeutische interventie te
                detecteren. De kenmerken (biomarkers) zijn biologische eigenschappen zoals
                het niveau van bepaalde moleculen in het lichaam (biochemisch, DNA, RNA,
                eiwit, peptide). Overigens kunnen ook uitkomsten van anatomische metingen of
                specifieke beeldvormende technieken (PET, Magnetic Resonance Imaging
                (MRI), CT, echo) opgevat worden als biomarker. Het detecteren van biomar-
                kers die specifiek zijn voor een bepaalde aandoening kan helpen bij het identifi-
                ceren, de diagnose en de behandeling van aangedane personen en mensen die
                een risico lopen maar nog geen symptomen vertonen. Voorbeelden zijn PSA als
                biomarker voor prostaatkanker en CA125 als biomarker voor ovariumkanker.
                FARMACOGENETICA FG
                Farmacogenetica richt zich op het leggen van verbanden tussen genetische vari-
                atie als oorzaak van verschillen in de uitwerking van geneesmiddelen. Die ver-
                schillen kunnen betrekking hebben op het therapeutisch effect en op
                bijwerkingen. Zo is er aanzienlijke variatie in de snelheid waarmee bepaalde
                medicijnen in het lichaam worden afgebroken (farmacokinetiek; een bekend
                voorbeeld is CYP2D6). Ook kunnen verschillende effecten optreden door inter-
                individuele variatie in de eiwitten waarop de geneesmiddelen gericht zijn (far-
                macodynamiek; een bekend voorbeeld is salbutamol in de behandeling van
                astma), of door erfelijk bepaalde, onbedoelde interferenties met normale fysio-
                logische processen (voorbeeld anemie bij antimalariamiddelen). Met meer
                genetische markers voor de verschillende reacties van individuen, biedt farma-
                cogenetica meer verschillende mogelijkheden voor farmacotherapie op maat,
                zoals specifieke geneesmiddelen voor (sub)groepen patiënten.
                                                                                      71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>DIAGNOSTIEK/PROGNOSTIEK D/P
Met behulp van genetische testen kunnen vroegtijdig erfelijke aandoeningen
(bijvoorbeeld erfelijke hartafwijkingen) en niet-erfelijke genetische afwijkingen
opgespoord worden. Verder kunnen de predispositie (aanleg) en het verloop
van een ziekte beter voorspeld worden (bijvoorbeeld bij borstkanker). Geneti-
sche testen worden toegepast voor monogenetische ziekten en voor multifactori-
ele aandoeningen. Genetische diagnostiek biedt verder de mogelijkheid om het
verloop van een ziekte te voorspellen en de effectiviteit van een behandeling te
bepalen (prognostiek). Met behulp van DNA-microarrays kan de expressie van
duizenden genen in cellen van grote aantallen patiënten worden bepaald. Op
basis van de moleculaire profielen en de reacties van patiënten op een behande-
ling zijn verschillende subtypes te onderscheiden met elk een verschillende
prognose. Microarrays ontwikkelen zich technisch gezien naar het analyseren
van eiwitten. Dan is geen sprake meer van het vaststellen van de mogelijkheid
dat iemand een aandoening zal krijgen (predispositie), maar wordt geanalyseerd
of een persoon een aandoening al dan niet heeft.
TARGETFINDING TF
Klassieke medicijnen die geproduceerd worden via chemisch-synthetische rou-
tes worden steeds vaker ontwikkeld door gebruik te maken van kennis voortko-
mend uit genomics. Dit is met name het geval voor de ontdekking van targets.
Targets zijn de doelwitten waar geneesmiddelen op aangrijpen zoals receptoren.
Op deze targets worden vooral klassieke medicijnen in de vorm van kleine che-
mische moleculen ontwikkeld. In het begin werd gedacht dat met behulp van
genomics op een relatief simpele manier vele targets geïdentificeerd zouden kun-
nen worden die direct gerelateerd zijn aan een ziekte, maar dit blijkt niet het
geval te zijn. Targets worden geïdentificeerd bij de ontrafeling van de normale
biologische of pathogene processen op moleculair niveau. Targets komen vooral
voort uit het publieke onderzoek en targetfinding gaat idealiter vooraf aan lead-
finding.
LEADFINDING LF
Het op grote schaal testen van vele verschillende chemische entiteiten of small
molecules (peptiden, RNAi) die een mogelijke lead zijn om verder te ontwikkelen
als geneesmiddel. Het gaat bijv. om het identificeren van peptiden die bindings-
sites (actieve bindingssite van liganden) van cruciale enzymen in verschillende
pathways blokkeren of activeren. Leadfinding vindt doorgaans in een private set-
ting plaats, of anders in samenwerking met marktgerichte organisaties (bijv.
Nederlandse Organisatie voor Toepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek
TNO). In het verleden zijn er nogal eens leads geïdentificeerd zonder dat een
        72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>concreet target bekend was. Tegenwoordig is dat niet of nauwelijks meer het
geval. Voor leadfinding zijn geavanceerde technology platforms (bijv. phage dis-
play) van belang, die snelle analyse mogelijkheden bieden.
TARGETEVALUATIE TEV
Momenteel zijn er veel biotechnologische medicijnen, vaccins en andere thera-
peutica in ontwikkeling. Voor het vaststellen van de werkzaamheid van deze
middelen (de targets) zijn modelsystemen (de evaluatie) noodzakelijk die een
realistische weergave zijn van de biologische systemen waarin deze therapeutica
ingrijpen. Deze systemen kunnen in vitro (als cell-based assays) worden uitge-
voerd, maar voor het evalueren van ingrepen in biologische systemen, zijn ook
diermodellen (in vivo) onmisbaar.
TESTMETHODEN/VEILIGHEID TM
Of een (nieuw) medicijn op de markt komt is van vele factoren afhankelijk. De
farmaceutische industrie heeft te maken met verouderde testmethoden, waar-
door de ontwikkeling van een geneesmiddel wordt vertraagd. Met nieuwe test-
methoden, die ook in registratieprocedures worden erkend als veilig, kan eerder
de veiligheid van een product bepaald worden. Ontwikkeltrajecten van gene-
rieke medicijnen kunnen met verbeterde testmethoden korter worden en daar-
door ook goedkoper. Technology platforms zijn hiervoor van groot belang.
THERAPEUTISCHE ENTITEITEN TE
Therapeutische entiteiten zijn eiwitten (receptoren, antilichamen, enzymen of
hormonen) en small molecules als peptiden (het actieve of werkzame deel van een
eiwit), die als geneesmiddel worden gebruikt. Therapeutische eiwitten en small
molecules worden geproduceerd in genetisch gemodificeerde dierlijke of humane
celkweeksystemen (het gen of deel van het gen dat codeert voor het eiwit of
peptide is ingebracht), waarna zij gezuiverd worden van de overige celresten.
Bekende voorbeelden van therapeutische eiwitten zijn humaan insuline voor
behandeling van diabetes mellitus en humaan stollingsfactor VIII voor behan-
deling van hemofilie A. Monoclonale antilichamen kunnen ook als therapeu-
tisch eiwit ingezet worden, zoals antiTNFα voor de ziekte van Crohn.
Therapeutische eiwitten passeren moeilijk de blood brain barrier (gelokaliseerd in
de hersenen) en zijn daarom minder geschikt voor behandeling van psychische
aandoeningen. Nucleïnezuren, zoals RNAi, antisenseoligonucleotiden en
andere oligonucleotiden, al dan niet gemodificeerd, worden chemisch gesynthe-
tiseerd en daarmee wordt de problematiek rondom de zuiverheid en reprodu-
ceerbaarheid voorkomen.
                                                                        73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>PROBIOTICA PRB
Het gebruik van (levende) micro-organismen in voedingssupplementen ter
bevordering van de gezondheid voor mens en dier is sterk toegenomen. Probio-
tica worden veel gebruikt in zuivelproducten. Mogelijke therapeutische voorde-
len van probiotica zijn het opheffen van lactose-intolerantie, cholesterol-
verlaging, stimulatie van het afweersysteem, en het verminderen van het risico
van darmkanker. Probiotica zijn een specifieke vorm van functional food. Een
functional food wordt omschreven als en normaal type voedingsmiddel waaraan
een ingrediënt is toegevoegd dat zorgt voor een gezondheidsvoordeel, voor het
traditionele verzadigingsgevoel en voor de benodigde nutriënten (bijv. calcium
of vitamine toevoegingen). Een nieuwe ontwikkeling betreft het gebruik van
genetisch gemodificeerde micro-organismen, die gebruikt kunnen worden voor
bacterial replacement therapy waarbij de natuurlijke bacteriepopulatie als het ware
vervangen wordt door een vergelijkbare populatie met verbeterde eigenschap-
pen.
VACCINONTWIKKELING VA
Een vaccin bestaat uit één of meerdere antigenen (een lichaamsvreemde stof die
in het lichaam een afweerreactie kan oproepen) afgeleid van ziekteverwekkende
organismen en virussen. Infectieziekten kunnen met vaccins bestreden worden.
De vaccins prikkelen het immuunsysteem antistoffen te produceren op onge-
veer dezelfde manier als wanneer het daadwerkelijk om de ziekte gaat. Op deze
wijze bouwt het lichaam immuniteit op tegen een toekomstige infectie. Vaccins
bestaan uit een verzwakte of dode bacterie of virus of uit specifieke (delen van)
eiwitten van een bacterie of virus Eén van de ontwikkelingen die te verwachten
is binnen het vaccinonderzoek, is het toenemende gebruik van zogenaamde
DNA vaccins. DNA vaccins worden ook wel naakt DNA genoemd omdat het
DNA niet is ‘verpakt’ in eiwitten, zoals dit wel het geval is bij vaccins gemaakt
van virussen. Het ingebrachte DNA wordt tot expressie gebracht waarna een
afweerreactie op gang komt tegen de gevormde eiwitten. Ook de behoefte aan
combinatievaccins (tegen meerder ziekten) is een belangrijke ontwikkeling.
Vaccins kunnen tevens therapeutisch worden ingezet; in dat geval wordt het
afweersysteem geleerd een afwijking te herkennen die al in het lichaam aanwe-
zig is. Voorbeeld: HPV-vaccin tegen baarmoederhalskanker.
TISSUE ENGINEERING TI
Tissue engineering (ook wel: regeneratieve geneeskunde) is een opkomend,
multidisciplinair (biologie, geneeskunde en techniek) terrein dat zich bezighoudt
met het kweken van weefsel en organen, waarbij gebruik wordt gemaakt van
levende cellen, vaak in combinatie met biocompatibel of bioafbreekbaar ‘dra-
        74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>ger’ materiaal, met als doel beschadigd of verdwenen weefsel en organen, zoals
huid, bot, kraakbeen en bloedvaten, te ondersteunen, herstellen of vervangen.
Aspecten van tissue engineering betreffen: biomaterialen, cellen (autoloog, allo-
geen, xenogeen), biomoleculen (o.a. groeifactoren), ‘engineering design aspec-
ten’ (2-D en 3D groei, opslag en vervoer) en biomechanica. De levende cellen
(en dit kunnen ook stamcellen zijn) die hiervoor gebruikt worden zijn al dan
niet genetisch gemodificeerd om beter te zijn toegerust voor het doel. Daarnaast
kunnen de cellen zowel in situ als buiten het lichaam worden opgekweekt en
vervolgens getransplanteerd met een therapeutisch of diagnostisch doel. Deze
technologie is van groot belang om het tekort aan donororganen in de toekomst
beter op te kunnen vangen.
STAMCELLEN SC
Stamcellen zijn cellen die zich nog niet gespecialiseerd hebben. Er worden ver-
schillende stamcellen typen onderscheiden, embryonale (pluripotente), foetale
en somatische (adulte), en van humane of niet-humane origine. Vanuit embryo-
nale stamcellen kunnen nog alle weefsels gevormd worden. Veel somatische
stamcellen zijn gecommitteerd en kunnen zich nog in een beperkt aantal weef-
sels specialiseren. Voordat het gebruik van levende stamcellen in vivo aan de
orde is, zal nog veel aandacht besteed moeten worden aan de condities van het
kweken, het identificeren van factoren die differentiatie kunnen sturen, en het
ongevoelig maken voor afstoting van stamcellen. Stamcelonderzoek betreft niet
het transgeen maken van stamcellen, gen knock out studies noch het creëren
van chimere dieren. Men hoopt dat stamcellen kunnen dienen als oneindige
levende bron van te vervangen cellen en weefsels voor de genezing van een
scala aan ziekten waaronder Alzheimer, suikerziekte en hartziekten. Stamcellen
zijn een specifiek onderdeel van tissue engineering.
GENTHERAPIE GT
Gentherapie heeft als doel om ziekten te behandelen door gerichte veranderin-
gen aan te brengen in het genoom van cellen van een patiënt. Hiervoor wordt in
een beperkt aantal lichaamscellen een genetische verandering aangebracht door
een therapeutisch gen binnen te brengen. Deze genetische verandering kan
plaats vinden binnen het lichaam van de patiënt (in vivo), of in cellen die uit de
patiënt worden geïsoleerd en na de genetische modificatie weer worden terug-
geplaatst in de patiënt (ex vivo gentherapie). Het therapeutische gen moet bij in
vivo gentherapie specifiek de beoogde cellen binnen gaan en daar de boodschap
afleveren. Voor het overbrengen van de genen worden zogenaamde vectoren
gebruikt. Worden de genen verpakt als virus, dan spreekt men van virale vecto-
ren. In virale vectoren worden de virusgenen vervangen door het therapeuti-
                                                                        75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>sche gen. De resulterende vectorvirussen zijn door het ontbreken van essentiële
virale genen onschadelijk gemaakt en niet langer in staat om ziekten te veroor-
zaken. Virale vectoren zijn in het algemeen efficiënt. Daarnaast bestaan er syn-
thetische of niet-virale vectoren waarbij de genen worden verpakt in een
kunstmatige mantel (liposomen, polymeren). Deze vectoren zijn eenvoudiger te
maken maar vaak minder efficiënt dan de virale vectoren. De eerste klinische
gentherapiestudies zijn uitgevoerd met patiënten met een defect aan het
immuunsysteem. Daarnaast vindt onderzoek plaats naar een groot aantal
andere erfelijke aandoeningen zoals hemofilie, taaislijmziekte, spierdystrofie en
thalassemie. Gentherapie kan mogelijk ook oplossingen brengen voor veelvoor-
komende ziekten zoals kanker, infectieziekten, en hart- en vaatziekten. Tenslotte
worden virale en niet-virale vectoren gebruikt als therapeutisch vaccin en later
mogelijk als profylactisch vaccin tegen virale infecties en tumoren.
       76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 4
GECONSULTEERDE DESKUNDIGEN
ALGEMEEN:
drs. H. van den Berg         Organon
mw. dr. M. Brandsma          ZonMw
prof.dr. H. Clevers          Hubrecht Laboratorium Utrecht
prof.dr. F.P. Nijkamp        Universiteit Utrecht
ONDERZOEK:
prof.dr. B. Berkhout         AMCA
prof.dr. T.W.J. Huizinga     LUMC
dr. C. Janse                 LUMC
prof.dr. P.A. Kager          AMCA
prof.dr. J. Kastelein        AMCA
dr. A.B.M. Klaassen          Nederlandse Hartstichting
prof.dr. E.R. de Kloet       LUMC
mw. dr. K. Kremer            RIVM
prof.dr. D. Kromhout         Wageningen Universiteit/Gezondheids-
                             raad
mw. prof.dr. D.S. Postma     UMCG
prof. dr. P.L.C.M. van Riel  UMC St. Radboud
prof.dr. J.A. Romijn         LUMC
prof.dr. Ph. Scheltens       VUmc
prof.dr. H.A. Verbrugh       ErasmusMC
dr. W. Vooijs                KWF
dr. A.P. Waters              LUMC
mw. dr. S. van Weely         Stuurgroep Weesgeneesmiddelen
PPS:
prof.dr. G.M.A. van Beynum   MisAmigos
prof.dr. R.J. Bino           Plant Research International BV
prof.dr. G.H. Blijham        Nederlandse Federatie van Universitaire
                             Medische Centra
prof.dr. E.H.J.H.M. Claassen ViroNovative
prof.dr. H. Clevers          Hubrecht Laboratorium
dr. M.J.A. de Groot          Senter Novem
dr. W. Most                  Netherlands Proteomics Centre
prof.dr. G.J.B. van Ommen    Center for Medical Systems Biology
                                                             77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>dr. O. Postma                  Center for Medical Systems Biology
mw. ir. S. Verboon             SenterNovem
prof.dr. B.A.M. van der Zeijst Nederlands Vaccin Instituut
MAATSCHAPPELIJK TRAJECT:
mw. dr. J.E.W. Broerse         Vrije Universiteit Amsterdam
prof.dr. Tj. De Cock Buning    Vrije Universiteit Amsterdan
mw. dr. A. Nelis               Center for Society and Genomics,
                               Nijmegen
VRAGENLIJST CHRONISCHE ZORGGEBRUIKERS
A. van Bellen                  Stichting Bloedlink
M. Blom                        Alzheimer Nederland
mw. A. Blonk                   Lymfklierkanker vereniging
P. de Boer                     Astmafonds
mw. M. van Braak               Stichting Melanoom
H. van Deutekom                GGD Amsterdam, afdeling tuberculose
                               bestrijding
J. Gillissen                   Diabetes Patiëntenvereniging Nederland
mw. P. Huybregts,              Nederlandse Federatie van Kankerpatiën-
                               tenorganisaties (NFK)
mw. A. Janssen                 Cliëntenbond
mw. P. Kortenhoeven            Reumapatiëntenbond
H. van Laarhoven               Stichting Bloedlink
mw. J.H.F. Leemhuis            Stichting Doorgang
J. van der Lubbe               Contactgroep Kahler- en Waldenströmpa-
                               tiënten
mw. C. Moree                   GGD Amsterdam, afdeling tuberculose
                               bestrijding
mw. A. Oldhoff                 Alzheimer Nederland
K. Rumke                       HIV-Vereniging Nederland
J. van der Steen               Belangenorganisatie cliënten GGZ (LPR)
P. Streng                      Vereniging Spierziekten Nederland (VSN)
mw. G. Stroosnijder            Diabetes Patiëntenvereniging Nederland
mw. drs.ing. B. Vermaas        Volwassenen, Kinderen en Stofwisselings-
                               ziekten (VKS)
mw. S. Weinreich               Vereniging Spierziekten Nederland (VSN)
L.J.G. Widdershoven            Asbestslachtoffers Vereniging Nederland
M. de Wit                      Reumapatiëntenbond
P. van Zanten                  Stichting Contactgroep Prostaatkanker
        78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>FOCUSGROEP INCIDENTELE ZORGGEBRUIKERS
Z. Astitou
drs. B. Bissumbhar
mw. E. Brinkkemper
mw. A. van den Broek
J. van den Broek
P. van den Broek
A. Folkerts
mw. G. Honingh
mw. I. Jelsma
J. Koper
mw. T.M. Laan
J. Langeveld
mw. E. Lens
J. van der Linde
mw. A. Roelofsen
mw. dr.ir. V.W.T. Ruiz van Haperen
mw. C. Smit
I.J. Smit
FOCUSGROEP HUISARTSEN
B. Beenakker, arts
R. van Bentveld, arts
P. van den Berg, arts
M. Evers, arts
K. Limburg, arts
M. Neeteson, arts
H. Pals, arts
B. van der Poel, arts
A. Poppelaars, arts
H. Postema, arts
J. Sloekers, arts
FOCUSGROEP MEDISCH SPECIALISTEN VAN HET FRANCISCUS ZIEKENHUIS,
ROOSENDAAL
R.J. Bos, cardioloog
P.C. Buijs, radioloog
H. Fabry, chirurg
mw. A. Groenhuijzen, ziekenhuisapotheker
J.L.M. van Helmond, longarts
                                                          79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>G.W.H. Hendriks, anesthesioloog
dr. J.Th.P. Jansen, internist
J.J.M. Ogink, orthodepisch chirurg
mw. dr. C. Pagano Mirani-Oostdijk, arts klinische chemie
R.S. Pal, gynaecoloog
dr. W.B. van der Pompe, lid Raad van Bestuur (en nucleair geneeskundige)
Focusgroep medisch adviseurs zorgverzekeraars
S. Eggen                           Interpolis
B. Geerdes                         Zorgverzekeraars Nederland
mw. J.M. Homsma                    Nationale Nederlanden
mw. L.M. Peeters-Udding            CZ Zorgverzekering
mw. A.A.M.G. Pisters-van Roy       CZ Zorgverzekering
F.M. Rutten                        De Hoop
H.F. van der Werf                  VGZ
       80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 5
VOORBEELDEN VAN POTENTIËLE ONTWIKKELINGEN
1. Pandemie influenza –farmacogenetica.
Opmerkelijk zijn de sterk genetisch bepaalde verschillen tussen mensen in grie-
presistentie. Deze verschillen hangen samen met de verschillende Major en
Minor Histocompatibility (MHC) Class I en II genen, waarvan ieder individu een
eigen combinatie bezit. Maar er kunnen meer genetische factoren bij betrokken
zijn die met bijv. single nucleotide polymorphism (SNP) analyse kunnen worden
geïdentificeerd.
2. Ziekte van Alzheimer –biomarkers
Het is onmogelijk om tijdens het leven directe metingen te doen aan het hersen-
weefsel. Daarom zijn biomarkers, ofwel maten die een afspiegeling vormen van
wat er in de hersenen gebeurt zo belangrijk. De eiwitten ‘amyloid-bèta’ en ‘tau’
in het hersenvocht zijn goede biomarkers voor de ziekte van Alzheimer. Het
hersenvocht staat direct in verbinding met de hersenen, en kan makkelijk via
een ruggenprik worden afgenomen. De Alzheimer biomarkers kunnen worden
gebruikt in de verschillende imaging technieken, functionele(f)MRI, Single Pho-
ton Emission Computed Tomography (SPECT) en Position-Emissie Tomografie
(PET) en dragen zo bij aan diagnostiek en onderzoek naar de functie van genen.
SPECT is sterk in het detecteren van bepaalde receptoren (bindingsplaatsen)
voor stoffen die een rol spelen bij signaaloverdracht tussen zenuwcellen in de
hersenen. Bij deze techniek worden radioactief gemerkte stoffen (liganden) toe-
gediend aan patiënten. De liganden hechten zich aan de receptoren en in het
brein en worden met behulp van een SPECT camera zichtbaar gemaakt, en
geven daarmee aanwezigheid en locatie aan.
3. Longaandoeningen (COPD) – targetfinding
Voor aandoeningen als astma/COPD zijn de precieze pathways, de werkingsme-
chanismen en de ziekteprocessen nog niet bekend. Daarom wordt in het onder-
zoek ingezet op comparitive genome hybridisatie (CGH)-microarrays (om te kun-
nen vergelijken tussen de genomen van individuen) met als doel nieuwe target-
genen en doeleiwitten te identificeren. Recent is het ADAM-33-gen geïdentifi-
ceerd, waarvan polymorphismen in het gen betrokken zijn bij een afname in de
longfunctie en COPD.
                                                                      81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>4. Lifestyle – leadfinding
Een veelbelovende ontwikkeling tegen overgewicht en roken blijkt de CB1
endocannabinoid receptor antagonist. In Frankrijk is dit als geneesmiddel
(rimonabant, dat in 2006 op de markt komt) ontwikkeld door Sanofi waardoor
men afvalt, men stopt met roken omdat men er beroerd van wordt, het LDL-
cholesterol omhoog gaat en de bloedsuiker naar beneden gaat. Het is een pil die
zo'n beetje alle uitwassen van het menselijk consumptiepatroon tegengaat. Deze
lead bestrijkt dus 3 kolommen van de matrix (LS, DM en HV) en kan preventief
gebruikt worden.
5. Kanker – therapeutische entiteiten/ targetevaluatie/ diagnostiek/prognostiek
Een nieuwe methode maakt het mogelijk menselijke genen één voor één uit te
schakelen. Binnen een halfjaar zijn met de aanpak vijf genen gevonden die kan-
ker onderdrukken, waar voorheen tientallen onderzoekers jaren nodig hadden
er één te identificeren. Zij zijn gevonden bij de eerste toepassing van een ‘biblio-
theek’ met moleculen waarmee bijna 8.000 menselijke genen ieder afzonderlijk
uitgeschakeld kunnen worden. De bibliotheek bestaat uit bijna 24.000 korte
haarspeldvormige RNA-moleculen en werkt met de pas ontwikkelde techniek
van RNA-interferentie (RNAi). Tot nu toe hadden de korte interfererende
RNA's (siRNA's) hun nut alleen in fruitvliegen en rondwormen bewezen. Nu is
aangetoond dat zo'n bibliotheek van duizenden goedgekozen kleine RNA-frag-
menten ook in celkweken van zoogdier- en mensencellen genen selectief kan
uitschakelen. Daardoor is de werking van die genen snel te achterhalen. De
siRNA-bibliotheek belooft een standaardwerktuig van het moleculair-biologisch
laboratorium te worden. Binnen het Nederlands Kanker Instituut zijn met de
bibliotheek ook al genen opgespoord die bepalen of een chemotherapiekuur
met taxol bij een borstkankerpatiënte wel of niet zal aanslaan. Kenmerkend
voor deze technologie is de hoge specificiteit en grote gevoeligheid. Niet alleen
voor het onderzoek, maar ook therapeutisch wordt de technologie als veelbelo-
vend beschouwd. Er zijn echter nog nauwelijks ervaringen met patiënten. Net
als bij gentherapie is de aflevering op de juiste plaats van bestemming van
siRNA een bottleneck *
6. Kanker–vaccin
Een besmetting met Humaan Papillomavirus (HPV) kan leiden tot baarmoeder-
halskanker. Er zijn verschillende types HPV, sommige geven een hoger risico
    * RNA-interferentie: wondermiddel of zeepbel? Pharmaceutisch Weekblad 2005; 16:
       536-539
       82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>op kanker. Er zijn twee soorten vaccinaties tegen baarmoederhalskanker, pre-
ventieve vaccinatie bij jonge meisjes die nog geen seksueel contact hebben
gehad, zodat ze later een eventuele HPV-besmetting goed kunnen bestrijden, en
therapeutische vaccinatie, nádat iemand al besmet is geraakt met het virus, bij-
voorbeeld een patiënt met baarmoederhalskanker. Met een therapeutisch vac-
cin wordt getracht het afweersysteem zover te krijgen dat het de strijd tegen het
virus aangaat. Om een virus dat al cellen geïnfecteerd heeft te bestrijden, is het
nodig dat de afweercellen in het geweer komen. Dat wordt gedaan door het
inspuiten van het vaccin dat bestaat uit stukjes eiwit ofwel peptiden, die zijn
nagebootst van het meest tumorvormende deel van het virus. Als reactie op die
peptiden zetten de afweercellen een proces in werking waardoor virusgeïnfec-
teerde cellen, en daarmee de tumor, alsnog worden opgeruimd.
7. Diabetes mellitus – tissue engineering en stamcellen
Er wordt gewerkt aan een nieuwe methode om insuline producerende cellen
(Eilandjes van Langerhans) te isoleren uit donor alvleesklieren voor de behan-
deling van suikerziekte. Een alternatief zou het gebruik van bepaalde stamcellen
uit de alvleesklier van een (overleden) donor kunnen zijn. Het opkweken van de
stamcellen in het laboratorium gaat echter matig, waardoor nog steeds twee
donoren nodig zijn voor de behandeling van één diabetespatiënt.
8. Artrose/ reumatoïde artritis – tissue engineering
In tissue engineering zijn de eerste klinische toepassingen veelbelovend zeker in
combinatie met stamcellen en ex vivo gentherapie. Zo worden eigen chondrocy-
ten in het laboratorium opgekweekt en ingespoten in een aangedaan gewricht
voor nieuwe kraakbeenontwikkeling. Ook loopt op dit moment een klinische
trial die de toepasbaarheid van gentherapie onderzoekt voor het vastzetten van
losgeraakte kunstheupen. Bij één op de tien patiënten met een kunstheup vormt
zich rondom de pen waarmee deze vastzit als gevolg van een ontstekingsreactie
binnen tien jaar een vlies met daarin een rubberachtige laag. Deze laag maakt
dat de pen kan bewegen wat zo pijnlijk is dat de patiënten vaak in een rolstoel
terecht komen. Het gewricht is, nadat een kunstheup geplaatst is, nog steeds een
min of meer afgesloten ruimte, waar ingespoten stoffen niet makkelijk uit lek-
ken. Met behulp van gentherapie worden de cellen die de rubberlaag produce-
ren gedood. Vervolgens zuigt de chirurg de ontstane holte leeg en vult deze met
een op cement lijkende vloeistof op, die vervolgens keihard wordt: de kunst-
heup zit weer vast.
                                                                        83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>9. Hart- en vaatziekten –stamcellen
Door een hartinfarct sterft vaak een groot deel van de hartspiercellen, waardoor
de pompfunctie van het hart sterk verslechtert. Ter compensatie gaat het hart
harder werken, wat in veel gevallen leidt tot hartfalen en zelfs overlijden.
Daarom willen cardiologen het dode weefsel graag vervangen door een nieuw,
gezond stuk spier. In een trial wordt het effect onderzocht van het inspuiten van
stamcellen uit het beenmerg in de kransslagader, binnen een week na een hart-
infarct. Deze stamcellen zouden de doorbloeding van de hartspier kunnen ver-
beteren, maar vormen waarschijnlijk geen nieuwe hartspiercellen. In 2005
starten nieuwe onderzoeken naar het inspuiten van speciale beenmerg stamcel-
len (mesenchymale stamcellen) die mogelijk wel nieuwe hartspiercellen kunnen
vormen. Deze trial is op 18 april 2006 op last van de Centrale Commissie Mens-
gebonden Onderzoek (CCMO) gestaakt.
Tenslotte: Nieuwe technologische ontwikkelingen op het gebied van genoom-
onderzoek hebben de mogelijkheden van wetenschappelijk onderzoek naar
(multifactoriële) aandoeningen sterk uitgebreid. In plaats van het bestuderen
van de structuur en de functie van één enkel gen of eiwit, richt men zich steeds
meer op de identificatie van (afwijkingen in) genen die betrokken zijn bij het
ontstaan en/of de ontwikkeling van (multifactoriële) aandoeningen en het bepa-
len van het functioneren van eiwitten in gezonde en zieke cellen. Hiervoor wor-
den verschillende zogenaamde high throughput technieken gebruikt, die de
mogelijkheid bieden om grote groepen patiënten te onderzoeken en zo meer
inzicht in een aandoening te krijgen maar ook in effecten van behandeling en
bijwerkingen van geneesmiddelen. Een groot aantal van die high throughput tech-
nologieën, zoals bijv. differentiële expressieanalyse m.b.v. microarray, compara-
tive genomic hybridisation (CGH-microarray), single nucleotide polymorhisms (SNP-
)analyse, en zeer geavanceerde massaspectrometer analyses van eiwitten/pepti-
den (o.a. SELDI-TOF-MS*) waarmee biomarkers kunnen worden geïdentifi-
ceerd, wordt beschreven in het rapport “Multifactoriële aandoeningen in het
genomics-tijdperk” (KNAW, 2006).
    * Zoeken naar biomarkers met de SELDI-TOF massaspectrometer. Select
        2005; 54: 10-11
        84
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 6
FINANCIERING ONDERZOEK TWEEDE EN DERDE GELDSTROOM
De omvang van de financiering van medisch biotechnologisch onderzoek is
slechts bij benadering te achterhalen. Onderzoek wordt doorgaans niet met
deze term gelabeld. In deze bijlage wordt een aantal tweede en derde geld-
stroom financieringsbronnen gepresenteerd, waar in elk geval een (substantieel)
deel van het onderzoek medisch biotechnologisch van aard is. Let wel: de
genoemde bedragen zijn dus totalen en niet het deel dat voor medische biotech-
nologie beschikbaar is.
 KNAW instituten             Budget (jaarverslag 2003) Aantal projecten (bron:
                                                       NOD)
 Interuniversitair Cardiolo- € 4.774.000,- (46%        32 onderzoeksprojecten
 gisch Instituut (ICIN)      KNAW, 54% externe subsi- aandoening: HV
                             dies)
 Hubrecht Laboratorium       € 11.200.000,- (51%       6 onderzoeksprogramma’s
                             KNAW, 39% extern, 10%     37 onderzoeksprojecten
                             contract)
 Nederlands Instituut voor   € 6.871.000,- (62% KNAW, 1 onderzoeksprogramma )
 Hersenonderzoek (NIH)       38% externe subsidies)    39 onderzoeksprojecten
                                                       aandoening: PY, AZ
 Interuniversitair Oogheel-  € 6.762.100,- (64% KNAW, 11 onderzoeksprojecten
 kundig Instituut (IOI)      36% externe subsidies)
Alleen de KNAW instituten die medisch biotechnologisch onderzoek verrich-
ten zijn hier weergegeven.
                                                                         85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre> NGI (Nederlands Geno-      Budget voor totale looptijd Programma’s/projecten
 mics Initiative            (budget 2003)
 Centre for Medical Systems € 16.000.000,- (€ 8,0 m)    Centre of excellence. HV,
 Biology (CMSB)                                         DM, KA, ZZ, OA/RA, PY,
                                                        AZ, Trw, MA, TU AZ, LS,
                                                        ZZ
 Cancer Genomics Centre     € 14.100.000,- (€ 4,8 m)    Centre of excellence. KA
 (CGC)
 Netherlands Proteomics     € 20.000.000,- (€ 2 m)      Technology Centre
 Centre (NPC)                                           56 projecten
 Celiac Diasease Consor-    € 10.000.000,- (0)          Innovative Cluster
 tium
 VIRGO Consortium           € 12.000.000,- (0)          Innovative Cluster (Infec-
                                                        tieziekten)
 Nutrigenomics              € 12.000.000,- (0)          Innovative Cluster
 IOP Genomics               € 21.100.000,- (€ 8,6 m)    13 projecten
 programma Genomics         € 13.600.000,- (?)          9 programma’s, 8 projecten
 NWO
 Netherlands Toxigenomics   € 1.200.000,- (€ 0,1 m)     In ontwikkeling,
 Centre (NTC)                                           Alternatieven dierproeven
 Horizon Programma          € 12.300.000,- (€ 0,7 m)    Jonge onderzoekers
Alleen de onderdelen waar medisch biotechnologisch onderzoek een zeker deel
uitmaakt van het programma of centre zijn hier opgenomen. Waar bekend is
aangegeven op welke aandoeningen van de matrix het onderzoek zich richt.
       86
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre> Tweede Geldstroom       Budget 2005
 ZonMw
 NWO (N) of VWS (V)      fundamenteel strategisch      team
 Open programma (N)      € 17.900.000,- € 6.700.000,-  Wetenchap en innovatie
 Type 1 Diabetesonderz.  € 400.000,-                   Wetenschap en innovatie
 (N)
 Dierproeven begrensd                   € 1.000.000,-  Wetenschap en innovatie
 (V)
 Gen-omgevingsinterac-                  € 700.000,-    Wetenschap en innovatie
 ties (V)
 Biopartner/STIGON                      € 100.000,-    Wetenschap en innovatie
 (N)
 Infectieziekten/vaccins                € 200.000,-    Wetenschap en innovatie
 (N)
 Tissue Engineering (N)                 € 500.000,-    Wetenschap en innovatie
 Verantwoorde voeding                   € 800.000,-    Wetenschap en innovatie
 (N,V)
 Acad.Werkpl.Publieke                   € 400.000,-    Preventie
 Gezondheid (N,V)
 Preventie deelprogr. 1                 € 3.000.000,-  Preventie
 (V)
 Sport, bewegen en gez.                 € 300.000,-    Preventie
 (V)
 Geestkracht (N,V)                      € 2.400.000,-  Langdurende zorg
 Chronisch Zieken (V)                   € 1.200.000,-  Langdurende zorg
 Revalidatie (N,V)                      € 2.000.000,-  Langdurende zorg
 RIDE (ouderdom, N,V)                   € 700.000,-    Langdurende zorg
 Verslaving (N,V)        € 800.000,-                   Langdurende zorg
 Doelmatigheidsonder-                   € 1.500.000,-  Kwaliteit & doelmatigheid
 zoek (V)
 Totaal                  € 19.100.000,- € 21.000.000,-
 Deel VWS                € 400.000,-    € 10.800.000,-
Bron: Mediator nr. 7 november 2005
Het totale budget van ZonMw in 2005 bedraagt € 97,4 miljoen. Behalve funda-
menteel (budget € 19,1 miljoen) en strategisch (budget € 21 miljoen) onderzoek
(waar het medisch biotechnologisch onderzoek vooral plaatsvindt) voert
ZonMw ook programma’s uit voor toegepast onderzoek, ontwikkelprojecten of
landelijke implementatie. Daarvoor is het overige budget (97,4 – 40,1 = € 57,3
miljoen) bestemd, dat voor het grootste deel door VWS wordt gefinancierd. In
deze lijst ontbreekt het programma Translationeel Gentherapeutisch Onder-
                                                                        87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>zoek (totaal budget € 15,6 miljoen, tot 2013). In 2004 zijn de eerste projecten
hiervan toegekend.
 Derde Geldstroom (collectebusfondsen)            Budget voor wetenschappelijk
                                                  onderzoek in 2003
 De Nederlandse Hartstichting                     € 13.800.000,-
 KWF Kankerbestrijding                            € 42.200.000,-
 Stichting AIDS Fonds                             € 4.400.000,-
 NFGV (Nationaal Fonds Geestelijke                € 182.616,-
 Volksgezondheid
 Reumafonds                                       € 3.700.000
 Diabetes Fonds                                   € 2.692.806,-
 Hersenstichting Nederland                        € 845.991,-
 Nederlands Astmafonds                            € 2.500.000,-
 Nationaal Fonds ter bestrijding van              € 1.800.000,-
 spierziekten (Prinses Beatrixfonds)
 Alzheimer Nederland                              € 200.000,--
Het is onbekend welk deel van het budget dat wordt besteed aan wetenschappe-
lijk onderzoek medisch biotechnologisch van aard is. Dat wisselt ook per fonds.
        88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 7
KORTE BESCHRIJVING MEDISCH BIOTECHNOLOGISCH ONDERZOEK PER
AANDOENING
1 KA = KANKER
Het is een groot onderzoeksgebied (57 onderzoeksgroepen in de inventarisatie),
waar redelijk veel geld in omgaat (ca. € 50 miljoen); dat geldt m.n. voor de
derde geldstroom (ca. € 42 miljoen), de omvang van de tweede geldstroom is
verhoudingsgewijs klein (ca. 10% van het totaal). Gezien de omvang en de kwa-
liteit van het onderzoek is het niet verbazingwekkend dat het NGI op dit gebied
een zwaartepunt heeft toegewezen, het CGC met extra financieringsmogelijkhe-
den voor het onderzoek.
Het kankeronderzoek richt zich specifiek op darmkanker, borstkanker, hemato-
logische kankers, gynaecologische kanker, uro-genitale kankers, huidkanker (in
het bijzonder melanoom) en long- en gastrointestinale kanker. Daarbij gaat de
aandacht momenteel vooral uit naar kankervaccins, immunotherapie (anti kan-
ker antilichamen, onder andere door fusie-eiwitten), gene-expression profiling (met
behulp van microarray), RNAinterferentie en targeted genetherapy, angiogenese,
signaaltransductie en apoptose.
Het kankeronderzoek is een leading onderzoeksterrein. Dat is niet alleen zo voor
het fundamenteel onderzoek, maar zeker ook wat betreft de toepassingsmoge-
lijkheden vanuit de genomics. Die toepassingen zijn er zowel diagnostisch (bm
en d/p), als in target en leadfinding (tf en lf), als in gebruik van therapeutische
entiteiten als geneesmiddel (te). Ook de mogelijkheden van de andere technolo-
gieën worden geëxploreerd, met uitzondering van probiotica en tissue enginee-
ring, al zal dat laatste ongetwijfeld gebruikt gaan worden bij reconstructies na
verwijdering van organen of lichaamsdelen (dus secundaire toepassing). Er zijn
in de jaren 90 van de vorige eeuw veel oncogenen en tumorsuppressor genen
geïdentificeerd en de kennis over de functie van die genen is nu zo dat toege-
werkt kan worden naar mogelijke oplossingen. Dat is te zien aan de diagnosti-
sche mogelijkheden die epidemiologisch getest worden en toepasbaar raken
voor de kliniek41, maar ook aan het aantal kleine biotechbedrijven dat als spin
off van het onderzoek de laatste jaren in opkomst is. Een rijk onderzoeksgebied
daarom, dat floreert en maatschappelijk ook van groot belang wordt gevonden.
                                                                          89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>2 HV = HART- EN VAATZIEKTEN
Ook dit is een groot onderzoeksgebied (35 onderzoeksgroepen in inventarisatie)
met eveneens een ruime 3e geldstroom (€ 10,5 miljoen in 2003) waar veel aan-
dacht is voor vernieuwing in het onderzoek. In het hart- en vaatonderzoek is
een aantal belangrijke medisch biotechnologische ontwikkelingen zoals genthe-
rapie in een redelijk vergevorderd stadium. Het onderzoek richt zich, evenals
het kankeronderzoek, veel op biomarkers, target- en leadfinding alsmede
modelsystemen (tev). Imaging technieken worden regelmatig toegepast in de
hart en vaatziekten, al is dat niet zo zichtbaar in de onderzoeksinventarisatie.
Hart en vaatonderzoek in Nederland bestaat uit 2 hoofdstromen. De eerste is
atherosclerose georiënteerd, dus onderzoek naar de vaatwand, fosfolipiden, pro-
enflammatie, het ontstaan van stolling etc.. De tweede stroom betreft vooral
onderzoek naar wat er precies gebeurt in een hart waar een hartinfarct optreedt
of, met minder directe schade, hartfalen. Dit onderzoek is dus meer gericht op
de hartfunctie, al staat het niet los van vaataandoeningen. Er vindt ook wel
onderzoek plaats naar arrithmie, (anti)hypertensie en cholesterolhuishouding
maar in veel mindere mate (qua omvang). Overigens zit een deel van het cho-
lesterolonderzoek bij het overgewichtonderzoek.
In deze onderzoeksagenda is er vooral aandacht voor preventie in het cluster
obesitas - metabool syndroom - diabetes - hart en vaataandoeningen. Daar ligt
de grote maatschappelijk belangstelling. Niet overigens bij burgers; die vinden
dat er al veel kan bij hart- en vaatziekten.
3 DM = DIABETES MELLITUS
Het gaat om een behoorlijk omvangrijk onderzoeksterrein (23 onderzoeksgroe-
pen in inventarisatie), waarvan een deel hier niet eens in kaart is gebracht. Veel
van de niet-medisch biotechnologische epidemiologie en gezondheidsvoorlich-
ting (gvo), preventie derhalve, valt buiten de inventarisatie. Op medisch bio-
technologisch terrein is het onderzoek gefragmenteerd en wordt er niet veel
samengewerkt (dat geldt zelfs al binnen één universiteit). Het onderzoek is wel
breed: behalve epidemiologie en diagnostiek (voor risicofactoren en biomarkers
bij diabetes mellitus type 2) is er aandacht voor targetfinding (identificeren van
insuline gereguleerde pathways). Opvallend is de aandacht voor targetevaluatie,
ofwel modelsystemen. Dat gaat in het geval van diabetes vooral om patiënt
gebonden onderzoek in grote cohorten (biobanken).Ook is er redelijk wat aan-
dacht voor celengineering met als doel het – op de langere termijn – in staat zijn
de eilandjes van Langerhans te vervangen.
       90
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>4 ZZ = ZELDZAME AANDOENINGEN
In Nederland wordt behoorlijk wat goed onderzoek gedaan aan zeldzame aan-
doeningen (22 onderzoeksgroepen in inventarisatie). Het gaat weliswaar vaak
om één à twee onderzoeksgroepen per aandoening maar er wordt een groot
aantal verschillende erfelijke zeldzame aandoeningen onderzocht. Zonder
andere zeldzame aandoeningen te kort willen doen, zijn bekende voorbeelden
de ziekte van Pompe, de ziekte van Gaucher, de ziekte van Duchenne, cystic
fibrose (CF) en fragiele x-syndroom. Het onderzoek naar stofwisselingsziekten en
de spierziekten is goed van de grond gekomen. Dit is niet zelden medisch bio-
technologisch van aard omdat zeldzame erfelijke afwijkingen vaak monogene-
tisch zijn. Wanneer het aangedane gen eenmaal is geïdentificeerd zijn de
aanknopingspunten voor nieuwe leads en diagnostiek bekend. Hiermee vormen
de orphan drugs duidelijk een teaching device voor de grotere (in aantallen patiën-
ten), vaak multifactoriële aandoeningen. Dat is ook zichtbaar bij de biotech
bedrijvigheid. Uit de inventarisatie blijkt het terecht dat voor de Nederlandse
situatie de zeldzame ziekten zijn toegevoegd. Dat is ook te rechtvaardigen want
alle zeldzame aandoeningen leveren bij elkaar een groot aantal patiënten
(www.weesgeneesmiddelen.nl).
5 OA/RA = AANDOENINGEN AAN HET BEWEGINGSAPPARAAT, M.N. ARTROSE
(OSTEOARTHRITIS) EN REUMATOÏDE ARTRITIS
In deze inventarisatie zijn 20 onderzoeksgroepen opgenomen, waarvan 12 OA
en 13 RA.
Hoewel de beide aandoeningen het woord artritis delen is er een wereld van
verschil ten aanzien van het onderzoek. Bij artrose (osteoarthrirtis is de Engelse
term voor deze aandoening) gaat het om slijtage, die sterker wordt naarmate
men ouder is. Onderzoek richt zich vooral op het identificeren van biomarkers
en veranderingen daarin in aangedaan bot en kraakbeen. Er is belangstelling
voor geschikte diermodellen en er is veel aandacht voor biomateriaal, vaak in
combinatie met natuurlijke eigenschappen van bot en kraakbeen zoals de dicht-
heid en biomechanische integriteit. Onderzoek naar artrose betreft dus vooral
celengineering alsmede een beetje van alle andere technologieën als biomar-
kers, targetfinding, targetevaluatie en therapeutische entiteiten. Het zou overi-
gens zo kunnen zijn dat de aandoening artrose meelift op ontwikkelingen die in
het kader van reumatoïde artritis plaatsvinden met name op het gebied van de
tissue engineering. Omdat het een auto-immuunziekte betreft is er veel kennis
van immunologische factoren die beïnvloed worden (cytokines, CD24 en
CD25). Daarmee onderscheidt RA zich van artrose, en daarom zijn er voor de
behandeling van RA veel targets waarmee gericht gentherapie en stamcelonder-
zoek plaatsvindt. Tevens is er veel genoomonderzoek (microarrays) naar genen
                                                                          91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>waarvan het genproduct vervolgens weer wordt beïnvloed in de inflammatoire
reactieketen en is er een aantal leads waarvan bekeken wordt of die de ontste-
kingreactie kunnen beïnvloeden. Samen met astma is reumatoïde artritis een
voorbeeldziekte voor auto-immuunziekten waar zeer veel aan gedaan wordt. En
van oudsher is het immunologisch onderzoek in Nederland sterk vertegenwoor-
digd. Dat blijkt ook uit de sterke bedrijfsmatige spin off.
6 PY = PSYCHISCHE AANDOENINGEN
In de inventarisatie zijn 16 onderzoeksgroepen opgenomen. Psychische aandoe-
ningen vormen een belangwekkend onderzoeksterrein omdat de ziekteproces-
sen (depressie, angst), precieze pathways en werkingsmechanismen van de
verschillende medicijnen nog niet bekend zijn. Daarom is er veel aandacht voor
targetfinding (genotype verschillen, genen betrokken bij veranderingen of diffe-
rentiatie in morfologie of functie hersen(gebieden)) en biomarkers (stress recep-
toren, dopamine, cortisol). Ook richt het onderzoek zich op neuronale
stamcellen. Bij de psychische aandoeningen zijn eveneens de verschillende ima-
gingtechnieken van grote waarde, zoals de functionele MRI, en het identificeren
van receptoren met SPECT of PET. In dat verband zijn de biomarkers ook zeer
van belang. In klinisch opzicht staat het kunnen stratificeren van patiëntengroe-
pen en farmacogenetica centraal, omdat men duidelijk wil krijgen hoe en
waarom bepaalde patiënten wel of niet goed reageren op bepaalde medicijnen.
Het biomarker onderzoek is hierbij een integraal onderdeel.
7 LO = LONGAANDOENINGEN, M.N. COPD/ASTMA
In de inventarisatie zijn 11 onderzoeksgroepen opgenomen. Net als PY is LO
een gebied waar targetfinding en biomarkers van belang zijn omdat de precieze
pathways, de werkingsmechanismen en de ziekteprocessen nog niet bekend zijn.
Er is natuurlijk een verschil tussen COPD en Astma. De laatste is een acute
allergische reactie die gepaard gaat met een ontstekingsreactie en waar dus veel
immunologische factoren (T-cellen, eosinophilen en specifieke receptoren (bv
CD28)) een rol spelen. Maar ook bij COPD spelen locale en systemische ontste-
kingsreacties een rol. Voor longaandoeningen zijn momenteel de modelsyste-
men van belang. Die zijn nodig nadat een genome screen mogelijke target en gen
kandidaten heeft opgeleverd. Voor deze aandoeningen spelen de patiënten-
cohorten een grote rol omdat de omgevingsfactoren bij de longaandoeningen
zwaar meewegen. Juist voor multifactoriële aandoeningen zijn grote aantallen
nodig om onderscheid te kunnen maken tussen de bijdrage van de verschil-
lende factoren.
       92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>8 AR = ANTIBIOTICARESISTENTIE
Het antibioticaresistentie onderzoek in Nederland (11 onderzoeksgroepen in
inventarisatie) is vooral gericht op het opsporen en epidemiologisch in kaart
brengen van resistentie (dmv surveillance, lokaal, regionaal en landelijk). Dat
verklaart de grote hoeveelheid diagnostiek. Er worden daarbij veel moleculair
biologische technieken gebruikt voor het in kaart brengen van resistentiegenen
(tev) maar er zijn in Nederland geen/nauwelijks groepen die sterk zijn in de ont-
wikkeling van nieuwe antimicrobiële middelen. Dit komt overeen met de situa-
tie zoals in eerder in kaart gebracht in het RGO-advies Antibioticaresistentie43.
Naar aanleiding van dit advies wordt tegenwoordig een Nethmap gemaakt waar
het antibioticagebruik en de resistentiesurveillances gekoppeld worden. Euro-
pees scoort Nederland goed. Er is op het vlak van antibioticaresistentie vooral
wat te doen in het breed invoeren van DNA-technologie in de zorg. Dit vergt
met name een vergoedingen en tariefdiscussie met het College Tarieven
Gezondheidszorg. Niet onbelangrijk daarbij is dat het ook implicaties heeft voor
de afdelingen die de microbiologische testen uitvoeren. In dat opzicht zal de
brede invoering van DNA-testen in de kliniek consequenties hebben voor de
klinische chemie en het tariefstelsel dat nu nog wordt gehanteerd. Overigens is
dit voor meerdere infectieziekten besproken in het RGO-advies Nieuwe toepas-
singen genetische kennis in de gezondheidszorg44. De industriële activiteit op
dit terrein is minimaal.
9 LS = LIFESTYLE, M.N. OBESTITAS EN VERSLAVING (ROKEN EN ALCOHOL)
In deze inventarisatie zijn tien onderzoeksgroepen meegenomen (vijf obesitas,
vijf verslaving). Het verslavingsonderzoek in Nederland is voor het overgrote
deel sociaal geneeskundig van aard, medische biotechnologie speelt geen grote
rol, al zijn er wel een aantal instituten waar biomarkers gebruikt worden en
gezocht wordt naar middelen om de verslaving te onderdrukken.
Het obesitasonderzoek is medisch biotechnologisch vooral op biomarkers en
diagnostiek gericht, en niet op het voorkòmen of targets zoeken om op die
manier het vetzucht probleem aan te pakken. Het gaat daarbij m.n. om adipocy-
ten-onderzoek. Biomarkers zijn vooral gekoppeld aan overig epidemiologisch,
gedrags- en gvo-onderzoek (dus sociaal geneeskundig onderzoek). Daar ligt ook
eerder de kracht van Nederland.
10 HIV = HIV/AIDS
In deze inventarisatie zijn tien onderzoeksgroepen meegenomen. Er is zeer veel
biomarker-onderzoek: iedereen die aan HIV werkt, werkt ook aan biomarkers.
Verder is er een duidelijke focus op vaccin ontwikkeling en alles wat er bij kan
helpen om de ziekte onder controle te houden (namelijk inzicht in hoe het
                                                                        93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>immuunsysteem ontregeld raakt door HIV, wat je eraan zou kunnen doen om
dat te voorkomen), nieuwe soorten virotherapie. Cell-assays en diermodellen
worden ontwikkeld om bovengenoemde vraagstukken uit te zoeken. Tenslotte
is het klinisch onderzoek naar HIV-therapie verankerd in Nederland, waarbij er
vooral aandacht is voor het uittesten van nieuwe therapieën en resistentieont-
wikkeling. Het HIV onderzoek in Nederland heeft behoorlijk kritische massa en
er zijn de nodige toppen, zoals eerder beschreven in het RGO-advies Kennisin-
frastructuur Infectieziekten42.
11 MA = MALARIA
In deze inventarisatie zijn zeven onderzoeksgroepen meegenomen. Het malaria
onderzoek in Nederland is goed, divers en zeer medisch biotechnologisch van
aard, zoals eerder beschreven in het RGO-advies Kennisinfrastrcutuur
Infectieziekten42. Het onderzoek is ook niet zozeer gericht op diagnostiek, maar
juist op target en leadfinding (o.a artemisinine) en diermodellen waarin dit
onderzocht kan worden. In die zin is het veelbelovend en onderscheidt het zich
van veel van de andere infectieziekten-onderzoeksgebieden die meer diagnos-
tisch gericht zijn. Wereldwijd zijn er vele initiatieven iets te doen aan HIV,
malaria en tuberculose. De vraag is of er méér gedaan kan worden dat nog ver-
schil maakt. Internationaal zijn er vele vaccin initiatieven al betwijfelen de des-
kundigen of er binnen 10 jaar werkelijk een vaccin zal zijn. Net als bij HIV, is
de complexiteit van het ziekteverwekkende organisme zodanig dat een vaccin
ontwikkelen geen sinecure is.
12 TRW = TROPISCHE WEESAANDOENINGEN
In deze inventarisatie zijn zeven onderzoeksgroepen meegenomen. Er wordt
aan verscheidene tropische weesziekten wel wat onderzoek gedaan, maar zoals
eerder geconstateerd in het RGO-advies Kennisinfrastructuur Infectieziekten42:
het ijs is niet dik. Veel van het onderzoek beperkt zich tot diagnostiek. Er zijn
wel de nodige internationale ontwikkelingscontacten. En er zijn wat plukjes ini-
tiatieven in het kader van de vaccinontwikkeling, maar dat is niet heel veel.
Deze vaccininitiatieven geven wel wat spin off, omdat Nederlandse bedrijven
daar mee aan de slag kunnen.
Van de met name genoemde ziekten in de Priority Medicines-lijst2: aan de
ziekte van Chagas wordt niets aan gedaan, aan buruli ulcer werkt één onder-
zoeksgroep die goed Europees is ingebed en aan trypanosomie wordt nog iets
gedaan. Verder is er enige onderzoeksactiviteit aan Dengue en West Nile virus;
minder aan lepra en leishmanie.
        94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>13 AZ = DEMENTIE, M.N. DE ZIEKTE VAN ALZHEIMER
In deze inventarisatie zijn 6 onderzoeksgroepen meegenomen. De ziekte van
Alzheimer is een beperkt onderzoeksgebied in Nederland. Veel van het onder-
zoek is klinisch en/of epidemiologisch. Er is een duidelijke lijn richting biomar-
kers, die geïdentificeerd worden op basis van genome screening en proteomics. De
resultaten van het biomarker onderzoek worden gebruikt in de verschillende
imaging technieken en daaruit vloeit weer onderzoek in celsystemen en diermo-
dellen voort. Die zijn beide erg belangrijk voor het testen van nieuwe drugs. Er
zijn ook wel wat initiatieven op het terrein van het kweken van hersencellen en
verder wordt stamceltherapie in het algemeen als kansrijk gezien. Er zijn twee
centra in Nederland, waar veel onderzoek gebeurt, en veel van de ontwikkelin-
gen concentreren zich ook daar.
14 TU = TUBERCULOSE
Het tuberculose onderzoek is niet omvangrijk (vijf onderzoeksgroepen in inven-
tarisatie), de meeste groepen zijn vooral gericht op diagnostiek en genetische
markers. Er lopen echter wat lijntjes naar vaccinontwikkeling en immunologi-
sche aspecten van tuberculose. Het is een gebied dat voor de Nederlandse
omvang van de problematiek in verhouding is, maar in geen enkele verhouding
staat tot de omvang van de wereldwijde problematiek. In vergelijking is het
malaria onderzoek groter. Er zijn wat activiteiten op het gebied van tuberculose-
vaccin-ontwikkeling.
15 PI = PANDEMIE INFLUENZA
Er is bijzonder weinig in termen van omvang van het onderzoek, er zijn twee
onderzoeksgroepen in de inventarisatie meegenomen, maar de kwaliteit ervan
is goed. Internationale surveillance in het kader van European Influenza Sur-
veillance Scheme (EISS) en activiteiten van Nivel worden hier niet besproken.
Het onderzoek is ingebed in een publiek-private context met het VIRGO Con-
sortium (BSIK-regeling) en het Netherlands Influenza Vaccine Research Centre
(NIVAREC, opgezet met een Centrumsubsidie van NWO gericht op multidisci-
plinaire aanpak). Het influenzaonderzoek is daarmee zeer gefocust op vaccins.
De vraag is wat je er nog aan zou kunnen versterken. De partijen hebben elkaar
al gevonden en ook in het TI Pharma zijn de infectieziekten duidelijk gepositio-
neerd. Het is al als kansrijk gebied erkend. Wat zou nog verschil maken?
16 GY = POSTPARTUM PROBLEMATIEK, M.N. MATERNALE BLOEDINGEN
Op dit terrein wordt nauwelijks onderzoek verricht. Er is één onderzoeksgroep
in Nederland (Nijmegen) die zich heeft bezig gehouden met het stabiliseren van
oxytocine.
                                                                          95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>96</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 8
GEZONDHEIDSONDERZOEK VAN NEDERLANDSE BEDRIJVEN
Deze bijlage bevat de integrale tekst van het rapport van SenterNovem16 dat is
gemaakt op basis van inventarisatie van gegevens uit hun eigen database ten
behoeve van het innovatiegebied Life Sciences & gezondheid van het ministerie
van EZ.
Naar schatting wordt er in 2004 bijna € 900 miljoen uitgegeven aan onderzoek
op het gebied van de volksgezondheid. Het grootste deel van deze uitgaven
wordt gedaan door de publieke sector. Onderzoek op het gebied van de
gezondheid is het grootste onderzoeksgebied in de publieke sector. Bijna een
kwart van de totale onderzoeksinspanningen bij universiteiten en gelieerde
instellingen heeft betrekking op deze categorie*.
Naar schatting éénderde van de uitgaven aan gezondheidsonderzoek vindt
plaats bij bedrijven (figuur 1). Deze private uitgaven zijn de focus van dit stuk.
Ruim 200 bedrijven houden zich binnen Nederland bezig met onderzoek op
het gebied van de volksgezondheid Een deel van het onderzoek wordt uitbe-
steed aan bijvoorbeeld de academische ziekenhuizen.
Binnen de bij SenterNovem bekende groep van farmaceutische bedrijven wordt
het grootste deel van het R&D budget besteed aan onderzoek naar nieuwe of
verbeterde geneesmiddelen. Onder medische hardware wordt onderzoek ver-
staan dat zich richt op het ontwikkelen van medische instrumenten, prothesen,
of bijvoorbeeld een kunsthart (figuur 2).
Bij verbeteringen in medische behandelingen kun je denken aan bijvoorbeeld
stralingsbehandelingen, diagnose technieken en het aanleggen van databestan-
den met DNA of genetische informatie. Tenslotte slaat verbeteringen in de pro-
ductie van medicijnen op onderzoek naar het sneller en goedkoper produceren
van al bestaande geneesmiddelen. Een onderdeel hiervan is ook het zoeken van
een patentvrije route om een medicijn te produceren of de overgang naar gene-
rieke productie van eerdere gepatenteerde producten.
*       CBS, Kennis en Economie 2004, tabel 3.3.2. Deze tabel geeft de onderzoeksinspanningen
        weer in arbeidsjaren, deze zijn gerelateerd aan de totale uitgaven aan onderzoek van de sec-
        tor om te komen tot een schatting van de uitgaven aan onderzoek..
                                                                                         97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>Figuur 1. Uitgaven aan gezondheidsonderzoek in Nederland, 2004.
                                    Instellingen
                                     in opdracht
                                          van
                                      bedrijven
                                          3%
                                                               Bedrijven
                                                                  34%
          Instellingen
               63%
Figuur 2. Uitgaven aan gezondheidsonderzoek in Nederland, 2004, naar focus
         Medische hardware     Verbeteringen in de
                7%                productie van
                                   medicijnen
              Verbeteringen in         6%
                 medische
               behandelingen
                   15%
                                                       Nieuwe of verbeterde
                                                          geneesmiddelen
                                                               72%
       98
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>Het onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen kan ingedeeld worden al naar
gelang de ziekte of aandoening waarvoor een oplossing wordt gezocht (figuur
4)*. Ter illustratie is ook gekeken naar de belangrijkste doodsoorzaken van de
bevolking(figuur 5).
Op basis van deze twee gegevens kunnen we een indeling maken van de ziektes
al naar gelang de vraag of er veel of weinig privaat onderzoek naar de ziekte
plaatsvindt en de vraag of er veel of weinig mensen in Nederland aan deze
ziekte sterven.
R&D UITGAVEN DOOR BEDRIJVEN EN STERFTE AAN ZIEKTES
1 - Veel R&D, lage sterfte
-   Ziekten van de urinewegen en de geslachtsorganen, zwangerschap
-   Ziekten van het bewegingsstelsel en bindweefsel
-   Infectieziekten en parasitaire ziekten
-   Ziekten van bloed en bloedvormende organen
2 - Veel R&D, hoge sterfte
-   Kanker
-   Ziekten van het hart- en vaatstelsel
3 - Weinig R&D, lage sterfte
-   Ziekten van het zenuwstelsel en zintuigen
-   Ziekten van het spijsverteringsstelsel
-   Endocriene, voedings- en stofwisselingsziekten
-   Aangeboren afwijkingen
4 - Weinig R&D, hoge sterfte
-   Ziekten van de ademhalingswegen
Uit de tabel is goed af te lezen dat sterfte niet de voornaamste reden voor bedrij-
ven is om geneesmiddelen te ontwikkelen. Veel geld gaat naar aandoeningen en
ziekten waar relatief weinig mensen aan overlijden. Daarbij kun je denken aan
zaken als anticonceptie, vruchtbaarheidsbehandelingen, soa’s, incontinentie,
reuma, botontkalking en zwaarlijvigheid. Deze aandoeningen zijn niet direct
levensbedreigend, maar wel zaken waar veel mensen mee te maken (kunnen)
hebben.
    * Deze indeling is niet altijd eenduidig te maken. Een deel van het onder-
       zoek is nog in een zo vroeg stadium dat nog onbekend is tegen welke
       ziekte een bepaalde stof werkzaam zal kunnen zijn. Ook zijn er stoffen die
       werkzaam zijn tegen meerdere ziektes tegelijk.
                                                                           99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>De belangrijkste doodsoorzaken in Nederland zijn kanker en hart- en vaatziek-
ten. Van de personen die in 2003 in Nederland overleden stierf 33 % aan hart-
en vaatziekten, en 28 % aan kanker. Hierbij is wel het voorbehoud te maken dat
kanker vaak geen geneesmiddel kent, maar wel via behandelingen kan worden
bestreden. Een deel van de uitgaven aan kankerbestrijding zal dus verwerkt zijn in de
post verbeteringen in medische behandelingen.
Bedrijven gaven ongeveer 11 % van hun R&D uit aan het zoeken naar nieuwe
geneesmiddelen voor deze ziekten. Op de met 10 % in aantal derde belangrijk-
ste doodsoorzaak, ziekten van de ademhalingswegen (vooral astma en COPD),
wordt 4 % van de R&D inspanningen gericht.
Tenslotte zijn er nog de ziekten waar zowel relatief weinig mensen aan sterven
als waar relatief weinig geld in onderzoek naar geneesmiddelen wordt gestopt.
Het gaat dan om ziekten als diabetes, parkinson, multiple sclerose en epilepsie.
Het meeste onderzoek van bedrijven heeft betrekking op onderzoek naar kan-
ker. Kanker is ook een van de belangrijkste doodsoorzaken. De onderzoeken
naar kanker kunnen verder worden ingedeeld naar het soort kanker (figuur 3).
Figuur 3. Uitgaven aan kankeronderzoek in Nederland, 2004, projecten gericht op
bestrijding van kanker
                       Overige soorten
                            12%
                  Borstkanker
                      5%                               Prostaatkanker
                                                            30%
                 Leukemie
                   11%
               Baarmoederhals
                    kanker                           Longkanker
                                 Darmkanker
                     12%                                17%
                                     13%
        100
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>Figuur 4 Indeling R&D bij Nederlandse farma bedrijven op het gebied van de volksge-
zondheid (% totaal R&D) , 2004
 Ziekten van de urinewegen en de geslachtsorganen, zwangerschap              18
 Ziekten van het bewegingsstelsel en bindweefsel                             14
 Infectieziekten en parasitaire ziekten                                      10
 Ziekten van bloed en bloedvormende organen                                  9
 Psychische stoornissen                                                      9
 Kanker                                                                      8
 Ziekten van het hartvaatstelsel                                             8
 anders                                                                      6
 Ziekten van het zenuwstelsel en zintuigen                                   6
 Ziekten van de ademhalingswegen                                             5
 Ziekten van het spijsverteringsstelsel                                      3
 Endocriene, voedings- en stofwisselingsziekten                              3
 Aangeboren afwijkingen                                                      1
 Ziekten van de huid en subcutis                                             0
 totaal                                                                      100
Bron: SenterNovem
Figuur 5 Sterftes naar doodsoorzaak, 2003
                                                    Sterftes 2003
                                                    Aantal           Aandeel
 Hartvaatstelsel                                    46.930            33,1
 Kanker                                             39.970            28,1
 Ademhalingswegen                                   14.270            10,1
 Overige aandoeningen en/of meerdere ziektes        12.920              9,1
 Psychische stoornissen                               6.530             4,6
 Spijsverteringsstelsel                               5.890             4,1
 Endocriene, voedings- en stofwisselingsziekten       4.540             3,2
 Zenuwstelsel en zintuigen                            3.690             2,6
 Urinewegen en de geslachtsorganen, vruchtbaar-       2.980             2,1
 heid
 Infectieziekten en parasitaire ziekten              1.920              1,4
 Bewegingsstelsel en bindweefsel                       920              0,6
 Aangeboren afwijkingen                                570              0,4
 Bloed en bloedvormenden organen                       430              0,3
 Huid en subcutis                                      430              0,3
 Totaal                                             141.990          100,0
Bron: Nationaal kompas volksgezondheid, www.nationaalkompas.nl
                                                                          101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>102</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 9
INSTRUMENTEN OVERHEID PPS
Onderstaand figuur geeft sturingsinstrumenten weer die de overheid, en met
name het ministerie van EZ, tot zijn beschikking heeft. Naarmate een ontwikke-
ling dichter bij de markt komt wordt het aandeel van de overheid in het instru-
ment kleiner, en neemt het aandeel privaat geld toe.
      Financiering                 IOP           TTI’s
      onderwijs 1e                                                  IS
      en 2e                                                            Markt
                                STW                               WBSO
                                                  Bsik
      geldstroom
                   Aandeel privaat geld in ondersteuning overheid
OVERZICHT INSTRUMENTEN OCW, EZ EN UNIVERSITEITEN
Onderstaande informatie is zoveel mogelijk beperkt tot randvoorwaarden voor
publiek private activiteiten en de medisch biotechnologische programma’s die
gebruik maken van die mogelijkheid.
IOP: INNOVATIEGERICHTE ONDERZOEKSPROGRAMMA'S
Met de innovatiegerichte onderzoeksprogramma's wil de overheid de onder-
zoekswereld toegankelijker maken voor het bedrijfsleven en contacten tussen
bedrijfsleven en onderzoekswereld verbeteren en intensiveren. IOP is een subsi-
dieregeling van EZ, SenterNovem voert deze uit. De begeleiding van de uitvoe-
ring van een IOP is in handen van een programmacommissie bestaande uit
vertegenwoordigers van onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven. Begeleidings-
commissies sturen (clusters van) onderzoeksprojecten aan. Bedrijven zijn wel-
                                                                             103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>kom om deel te nemen aan symposia, congressen en workshops, actief deel te
nemen in een begeleidingscommissie van een (cluster van) project (en), of een
financiële bijdrage te leveren aan een onderzoeksproject. Bedrijven kunnen
geen subsidie ontvangen uit het IOP.
Een Innovatiegericht Onderzoeksprogramma geeft een tijdelijke impuls aan een
onderzoeksterrein, die ertoe moet leiden dat de Nederlandse kennisinfrastruc-
tuur en het Nederlandse bedrijfsleven blijvend zullen samenwerken en voorop
gaan lopen in bepaalde technologische ontwikkelingen.
Lopende IOP’s op het terrein van de medische biotechnologie:
- IOP Genomics
- IOP Industriële Eiwitten
TECHNOLOGIESTICHTING STW
Sinds 1990 is Technologiestichting STW een zelfstandig onderdeel van de
Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Techno-
logiestichting STW financiert technisch-wetenschappelijk toegepast onderzoek.
Het budget van STW is € 46 miljoen per jaar. Jaarlijks krijgt STW ruim 250 pro-
jectaanvragen met een omvang van ongeveer € 100 miljoen.
Een belangrijk STW- instrument is het ‘Open Technologie Programma’. Binnen
dit programma kunnen onderzoeksaanvragen met een utilisatieaspect (d.w.z.
kans op mogelijke toepassing) worden ingediend. Hoogstaande wetenschappe-
lijke kwaliteit én utilisatie zijn de twee criteria waar aan voldaan moet worden.
Bij STW onderzoek worden gebruikers bij de projecten betrokken: bedrijfsle-
ven, instituten of overheid. Als één van de toekomstige gebruikers exclusieve
rechten op de onderzoeksresultaten wil, dan kan dat, maar dan moet hij financi-
eel aan het onderzoek bijdragen. Meebetalen kan een exclusief recht geven op
voorkennis. Wil de gebruiker resultaten commercialiseren dan moet er een con-
tract voor kennisoverdracht worden gemaakt. Daarin worden onder meer rech-
ten op octrooiering geregeld en zijn royalty's vastgesteld in overeenstemming
met de marktwaarde van de kennis.
Naast het open programma voert STW speciale programma's uit. Sommige van
deze programma's worden extern gefinancierd, sommige worden volledig door
STW gefinancierd. Andere hebben meer een 'platform'-functie.
Voorbeelden hiervan die relevant zijn voor de medische biotechnologie zijn:
- Tissue Engineering (DPTE); dit onderzoek wordt gefinancierd in het kader van
    de BSIK-regeling. Tissue Engineering is een multidisciplinair domein dat
    doorbraken vanuit verschillende wetenschapsgebieden (o.a. moleculaire,
    chemische en medische wetenschappen als ook biomechanica en enginee-
    ring) met elkaar verbindt.
       104
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>-   Innovatieve Genomics Clusters, een gezamenlijk programma van de Technolo-
    giestichting STW en het NGI. STW en NGI willen onderzoeksvragen stimu-
    leren die hun grondslag vinden in het bedrijfsleven of in organisaties van
    andere belanghebbenden.
BESLUIT SUBSIDIES INVESTERINGEN KENNISINFRASTRUCTUUR (BSIK)
BSIK is een breed opgezet, nationaal onderzoeksstimuleringsprogramma waar-
mee Nederland zijn fundament voor de toekomst wil versterken. Daarvoor is in
totaal een bedrag van € 820 miljoen beschikbaar gesteld. BSIK is de opvolger
van de ICES/KIS-regeling. Aanleiding voor de BSIK-regeling was dat het
onderzoek op de (thema)terreinen te versnipperd is waardoor vraag en aanbod
van kennis niet voldoende op elkaar aansluiten. Alleen samenwerkingsverban-
den (consortia) van vraag- en aanbodpartijen uit de cyclus van kennisontwikke-
ling naar kennisverspreiding konden aanvragen indienen. Daarbij ging de
voorkeur uit naar consortia met een publiek-privaat karakter die kennis, exper-
tise en innovatief vermogen bundelen. Eind november 2003 heeft het kabinet
besloten welke BSIK-aanvragen in aanmerking kwamen voor Bsik-subsidie. Na
een tweede tranche begin 2004 zijn er in totaal 37 samenwerkingsverbanden of
consortia die BSIK-subsidie krijgen. De programma's hebben een looptijd van
vier tot zes jaar, moeten fundamenteel onderzoek verrichten en dat zien te ver-
talen in nieuwe producten, processen of maatschappelijke concepten. Elk pro-
ject/programma kent vele subprojecten. De 37 projecten zijn verdeeld over vijf
thema's, waarvan het thema ‘Gezondheids-, voedings-, gen- en biotechnologi-
sche doorbraken’ voor de medische technologie de meest relevante is.
Dit thema richt zich vooral op genomics. Nederland heeft een positie opge-
bouwd op dit terrein en dit thema is bedoeld om die positie te behouden en te
versterken. Zwaartepunten van dit thema zijn: genomics, voeding en voedselinte-
griteit, en biomedische technologie.
Toegekende projecten zijn:
- VIRGO: genomics of hostrespiratory virus interactions toward novel inter-
    vention strategies
- Molecular imaging of ischemic heart disease
- Ecogenomics: the living soil
- Trauma related neurological disorders (TREND)
- Stem cells in development and disease
- DPTE: Dutch program for tissue engineering
- Celiac Disease Consortium
- Neuro-Bsik mouse phenomics
                                                                    105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>-   Nutrigenomics
-   Biorange
-   Cyttron
-   Netherlands Proteomics Centre
EZ en VWS hebben ervoor gekozen om de afhandeling van de administratieve
en financiële aspecten van deze subsidierelatie (het beheer) uit te besteden aan
SenterNovem. OCW heeft voor zes projecten de afhandeling van de admini-
stratieve en financiële aspecten van de subsidierelatie uitbesteed aan het NGI.
SenterNovem adviseert aan NGI over het uitkeren van voorschotgelden en pro-
jectwijzigingen.
TECHNOLOGISCHE TOPINSTITUTEN (TTI)
TTI’s hebben als doel om op een specifiek thema van internationale betekenis
kennis te ontwikkelen. Bij een TTI zijn de ontwikkelingen meer uitgekristalli-
seerd en gaat het om het verder brengen van de onderzoeksambities tot de pro-
ductontwikkeling. TTI is een best practice en balt wetenschappelijke excellentie
en potentie samen. Een TTI kan voorafgegaan worden door een IOP traject. De
uitvoering van de regeling is in handen van Senter-Novem.
Het reeds 25 jaar succesvolle IOP instrument is recent gemoderniseerd en aan-
gepast aan de wensen en eisen van deze tijd. Op 14 november 2005 is de
nieuwe IOP/TTI Ministeriële Regeling in de Staatscourant gepubliceerd, of
meer exact de ‘Subsidieregeling IOP-TTI-module van de experimentele Kader-
regeling subsidies innovatieprojecten’. Deze nieuwe regeling vloeit voort uit het
beleid inzake de bevordering van innovatie en dan met name het beleid gericht
op publiek-private samenwerking op het terrein van de programmatische uit-
voering van innovatief en hoogwaardig onderzoek. Aanleiding voor deze subsi-
dieregeling is de zogenaamde herijking van het innovatie-instrumentarium (zie
ook Herijkingsnota, mei 2005). Het vernieuwde financiële instrumentarium zal
bestaan uit een basispakket (een pakket voor informatie en advies en een pakket
voor kapitaal) en een programmatisch pakket.
Het programmatisch pakket
Wat dit programmatisch pakket betreft; EZ wil samen met bedrijven, kennisin-
stellingen en andere departementen en overheden topprestaties leveren op
gebieden die (in potentie) een sterke uitstraling hebben op de gehele Neder-
landse economie. Vraagsturing en maatwerk staan daarbij voorop. De pro-
gramma’s gaan uit van een gezamenlijke visie op toekomstige ontwikkelingen
op markten, technologieën en gebieden. De programma’s kunnen in aanmer-
        106
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>king komen voor financiële ondersteuning. Daarvoor gelden uiteraard financi-
ele en economische randvoorwaarden. Deze worden vastgelegd in de
experimentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten. De nieuwe Ministe-
riële Regeling IOP / TTI is een bouwsteen en eerste module van deze experi-
mentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten.
De onderzoeksprogramma's die op basis van de Subsidieregeling IOP-TTI-
module van de experimentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten wor-
den ondersteund, worden bij voorkeur ontwikkeld in het kader van genoemde
programmatische aanpak. In eerste instantie gaat het daarbij om de pilotpro-
gramma’s op gebieden zoals ‘Water’, ‘High Tech Systemen en Materialen’ en
‘Flowers & Food’. Onderzocht wordt momenteel of ook Gezondheid een thema
zal worden.
TI Pharma: Het TI Pharma heeft de volgende missie: “The Top Institute
Pharma aims to achieve leadership in research and education in areas critical
for the international competitiveness of the pharmaceutical industry in the Net-
herlands. The Institute will conduct groundbreaking, cross-disciplinary research
and offer training programs focused on improving the efficiency of the drug
development process in order to reduce time- & cost-to-patient, and as such con-
tribute to the well-being of the society”. Het TI Pharma heeft vijf doelen. In de
eerste plaats wil het focussen op precompetitief strategisch onderzoek voor de
reductie van ‘time- & cost-to-patiënt’ van nieuwe medicijnen door de efficiëntie
van medicijn ontdekking en ontwikkeling te verhogen door middel van transla-
tioneel onderzoek. In de tweede plaats wil TI Pharma een sterke impuls geven
aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen die belangrijk zijn voor het welzijn
van de samenleving (Priority Medicines2). TI Pharma heeft verder als doel om
de synergie en kennisoverdracht te maximaliseren tussen alle participanten van
academische kennis infrastructuur, industrie en overheid. Als vierde doel heeft
het TI Pharma om een nieuwe generatie van onderzoekers te onderwijzen bin-
nen een crossdisciplinaire aanpak om afgestudeerden beter voor te bereiden op
de vaardigheden welke nodig zijn voor de farmaceutische industrie en de
samenleving als geheel. Tot slot heeft het TI Pharma als doel een leidende posi-
tie te bereiken in farmaceutisch onderzoek en training instituut in Europa en om
zo een coördinerende partner te worden in Europese onderzoeksnetwerken.
Het TI pharma heeft vijf onderzoeksthema’s geselecteerd: (1) (auto)immuun-
ziekten als reumatoïde artritis, COPD en astma, (2) cardiovasculaire aandoenin-
gen (inclusief CVA), (3) oncologie, (4) infectieziekten (met ondermeer aandacht
voor influenza en antibioticaresistentie) en (5) psychische aandoeningen als Alz-
heimer en depressie. Als speciale 6e thema is geformuleerd: “Efficiency Analy-
sis of the Process of Drugs Discovery, Development and Utilization”. TI
                                                                       107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>Pharma richt zich op 5 disciplines: (1) Therapeutic Target Finding and Animal
Models, (2) Lead Selection, In-Silico and PK/PD Modelling, (3) Predictive Drug
Disposition and Toxicology, (4) Biomarkers and Biosensoring en (5) Drug For-
mulation, Delivery and Targeting.
IS-REGELING INNOVATIESUBSIDIE SAMENWERKINGSPROJECTEN
De regeling 'Innovatiesubsidie Samenwerkingsprojecten' komt voort uit de
Innovatiebrief van het kabinet en werd 1 januari 2004 van kracht. Uitgangspun-
ten hierin zijn dat er meer innoverende bedrijven moeten komen en dat bedrij-
ven die investeren in innovatie, financiële ondersteuning krijgen. Ook wil het
kabinet onderzoeksinstellingen stimuleren meer en gerichter onderzoek te
doen. Zo worden universiteiten beloond die helpen bij het opzetten van bedrij-
ven of langdurig samenwerken met het bedrijfsleven. De subsidie moet bedrij-
ven en onderzoeksinstellingen stimuleren samen aan onderzoek en
ontwikkeling te doen, zowel in nationaal als internationaal verband. Door
gebruik te maken van elkaars kennis kunnen bedrijven hun kennispositie verbe-
teren en hun concurrentiepositie verstevigen. De regeling moet zo bijdragen
aan de innovatiekracht van de Nederlandse economie. Voor de nieuwe subsi-
dieregeling is in 2004 ongeveer € 80 miljoen beschikbaar.
Randvoorwaarden:
- Er is subsidie voor een R&D-project dat een bedrijf samen met één of meer
    kennisinstellingen en/of bedrijven uitvoert.
- Alleen bedrijven kunnen een aanvraag indienen.
- Het basis-subsidiepercentage ligt tussen de 25 en 50 procent van de
    projectkosten.
- Samenwerkingsverbanden waarin een kennisinstelling of een internationale
    partner risicodragend deelneemt, krijgen 10 procent extra subsidie in R&D-
    projecten.
- Ondernemers uit het MKB in een samenwerkingsverband krijgen 10 pro-
    cent extra subsidie voor R&D-projecten.
- Er zijn vier beoordelingscriteria voor R&D-projecten: technologische inno-
    vatie, samenwerking, duurzaamheid en economisch perspectief.
- Alleen Nederlandse projectkosten zijn subsidiabel.
- Nationale én internationale samenwerkingsverbanden komen voor subsidie
    in aanmerking.
WBSO: WET BEVORDERING SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK
De WBSO is een fiscale stimuleringsregeling die een deel van de loonkosten
voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) compenseert (verlaagt). Een bedrijf
        108
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>moet dan wel bezig zijn met technologische ontwikkelingen (zoals bijv. proce-
sinnovatie, nieuwe producten of programmatuur). Twee maal per jaar kan een
aanvraag worden ingediend. Per 1 januari 2006 wordt een wetswijziging van
kracht die een vereenvoudiging van de WBSO inhoudt. De kern van de vereen-
voudiging is dat de loonberekening per werknemer komt te vervallen, de eind-
afrekeningaangifte wordt afgeschaft en de regeling bijna geheel zal worden
uitgevoerd door SenterNovem.
Voor de WBSO komen vier soorten S&O-projecten in aanmerking:
1.    Technisch wetenschappelijk onderzoek - Technisch verwijst naar gebieden
      als: fysica, chemie, biotechnologie, productietechnologie, informatie- of
      communicatietechnologie. Wetenschappelijk heeft betrekking op: het zoe-
      ken van een verklaring voor een verschijnsel (het doel en op de manier
      waarop het onderzoek wordt opgezet en uitgevoerd.
2. Ontwikkelingsprojecten - Ontwikkelingsprojecten binnen de WBSO hebben
    betrekking op technisch nieuwe (onderdelen van) producten, processen of
    programmatuur. Voor producten en productieprocessen geldt dat het om
    tastbare, fysieke zaken moet gaan. Er wordt gezocht naar een technisch
    nieuwe oplossing voor een technisch probleem en er wordt een werkings-
    principe bewezen in bijvoorbeeld een prototype. Voor de WBSO eindigt de
    ontwikkeling als het werkingsprincipe is aangetoond, bijvoorbeeld in een
    prototype, model of applicatie.
3. Analyse technische haalbaarheid - De analyse is gericht op de technische
    haalbaarheid van S&O. De analyse moet betrekking hebben op een eigen
    mogelijk S&O-project. Analyses die voor een belangrijk deel betrekking
    hebben op de economische en financiële haalbaarheid komen niet in aan-
    merking.
4. Technisch onderzoek - richt zich op de verbetering van een productieproces
    of de gebruikte programmatuur.
                                                                     109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>110</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 10
PRODUCTEN ALS MAAT VOOR SUCCESVOLLE PPS-PROJECTEN IN DE LIFE
SCIENCES
SAMENVATTING
Pps is één van de manieren waarmee verschillende vormen van marktfalen kun-
nen worden gecorrigeerd. In de Life Sciences betekent dit dat zonder actieve
steun van de overheid succesvol onderzoek vaak niet leidt tot succesvolle pro-
ducten.
In Nederland is het beste voorbeeld van een succesvol pps project de ontwikke-
ling van het Meningitis B vaccin geweest. Uitgaande van deze casus exploreert
dit stuk enige randvoorwaarden waaraan goede pps trajecten moeten voldoen.
Om dergelijke successen vaker te scoren, is een verbreding tot een internatio-
nale aanpak onvermijdelijk. Hierbij lijkt de benadering via AMC (Advanced
Market Commitments: een premie die het verschil verkleint tussen de prijs die
de industrie vraagt en wat de kopers kunnen betalen) het meest kansrijk.
INLEIDING
Voorbeelden van succesvolle pps projecten waarin overheid en bedrijfsleven
gezamenlijk producten genereren voor toepassing in de gezondheidszorg zijn
zeldzaam. Dit komt omdat de belangen van de overheid schuiven in de tijd. Tij-
dens de ontwikkeling probeert de overheid via subsidies en andere prikkels de
ontwikkeling van een product te stimuleren.
Daarom is publieke R&D, gericht op het genereren van nieuwe inzichten, en
met de overheid als voornaamste financier, tamelijk probleemloos. Als getoetst
wordt in hoeverre deze inzichten tot een product kunnen leiden, moet het
bedrijfsleven gaan meedoen. De vormgeving van zo’n pps in deze fase gaat de
overheid ook nog redelijk goed af. In Nederland kan men hiervoor de oprich-
ting van het TI Pharma als voorbeeld nemen. Als een product daadwerkelijk op
de markt komt, krijgt de overheid een ander belang. Zij tracht gebruik en kos-
tenontwikkeling te beteugelen, dan wel een zo breed mogelijke verspreiding
tegen zo laag mogelijke kosten te bereiken. De belangen van de overheid zijn
time inconsistent. Om deze discrepantie aan te pakken moet men gebruik maken
van bijzondere omstandigheden, of deze creëren.
Casus: Het Meningokokken B-Pneumokokken combinatievaccin
In de tachtiger jaren van de vorige eeuw wilden het ministerie van Volksge-
zondheid en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) zuige-
                                                                    111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>lingen tegen bacteriële hersenvliesontsteking laten vaccineren. De
farmaceutische industrie kende echter geen prioriteit toe aan de ontwikkeling
van een vaccin tegen meningokokken B, de belangrijkste ziekteverwekker.
Gesteund door adviezen van de Gezondheidsraad heeft de overheid in 1990 en
daarna de opdracht gegeven aan het RIVM om zelf een meningokokken B vac-
cin voor Nederland te ontwikkelen: het RIVM had al eerder met internationaal
gerespecteerd succes nieuwe belangrijke vaccins voor de Nederlandse bevol-
king ontwikkeld toen er nog geen industrie in was geïnteresseerd. In 1999 werd
een proof of principle gepubliceerd voor een zesvoudig meningokokken B vesicle
vaccin (HexaMen), dat voldoende veilig en immunogeen in zuigelingen bleek.
De sterk gestegen eisen aan vaccinontwikkeling en daardoor oplopende kosten
en het afbreukrisico maakten het voor het Nederlands Vaccin Instituut (NVI)
noodzakelijk de ontwikkeling van een meningokokken B vaccin samen met een
private partner voort te zetten. Hiervoor is Wyeth Vaccines de partner gewor-
den, omdat zij al een pneumokokkenvaccin produceerden waar Nederland
behoefte aan heeft. Het NVI is voor Wyeth een belangrijke partner, omdat
Wyeth expertise mist voor meningokokken B vaccins. Sinds 2001 heeft het NVI
een samenwerkingsovereenkomst met Wyeth voor de ontwikkeling van een
combinatievaccin in één spuit, bestaande uit een 9-voudig meningokokken B
vaccin van het NVI en een sterk verbeterd (13-voudig) pneumokokkenvaccin
van Wyeth. Daarmee kan de oorspronkelijke overheidsdoelstelling gehaald
worden, dat kinderen middels in een combinatievaccin tegen de belangrijkste
verwekkers van hersenvliesontsteking beschermd worden.
FACTOREN VOOR WEDERZIJDS VERTROUWEN
Waarom durfde de industrie hier in te springen? De redenen daarvoor zijn deels
dezelfde die de private partijen dreven bij de ontwikkeling van een vergelijk-
baar vaccin in Engeland*, waar de variant meningitis C de grootste dreiging
vormde. Hoewel de Engelse overheid in het overleg met de industrie geen
schriftelijke toezeggingen deed over afname van het vaccin, bleken toch drie
bedrijven bereid en in staat een vaccin te ontwikkelen en te produceren: Wyeth,
Baxter en Chiron. Zij kregen van de overheid uiteindelijk alle drie een deel van
de markt. Die bedrijven durfden het ontwikkelingstraject onder meer aan van-
wege de volgende omstandigheden:
- Het ministerie was meerdere malen in staat gebleken politieke steun en dus
    * Towse A and Kettler H. Advance price or purchase commitments to create
       markets for treatments of poverty: lessons from three policies. Bull WHO,
       april 2005, 83 (4); 301-307.
       112
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>    ook financiering te verwerven voor belangrijke vaccinatieprojecten
-   Zowel politici en medische opinieleiders spraken regelmatig hun openlijke
    steun uit en creëerden daarmee het benodigde draagvlak
-   Het ministerie betaalde mee aan Fase II klinische studies
-   Het ministerie financierde een studie die uitwees dat de kosten per gewon-
    nen disability adjusted life year (DALY) in de orde van 1400 pond bedroegen;
    dit werd beschouwd als een redelijk bedrag en dat verhoogde de kans op
    inkoop van vaccin door de overheid
FINANCIERING PANDEMISCHE EN INTERPANDEMISCHE PRODUCTIECAPACITEIT
De ontwikkeling en productie van vaccins tegen ziekten die pandemisch de kop
opsteken is een typisch voorbeeld van marktfalen. Zolang de pandemie actief is,
is de vraag naar het product extreem groot en daarvoor moet een enorme pro-
ductiecapaciteit aanwezig zijn. Zodra de pandemische storm is gaan liggen, zakt
de vraag vrijwel naar nul en is de productiecapaciteit te groot en te kostbaar om
in bedrijf te houden. Zowel de WHO als de Amerikaase overheid hebben hier
hun eigen oplossingen voor gezocht. De WHO heeft tegen haar industriële part-
ners gezegd: wij hebben voor de bestrijding van polio een miljard doses nodig,
en er moet een minimale productiecapaciteit blijven bestaan in de orde van 10
miljoen doses per jaar. De VS heeft een vergelijkbaar probleem bij het beveili-
gen van het land tegen terroristische aanslagen. Daarvoor is de Bioshield wetge-
ving uitgevaardigd. In beide gevallen zorgt de (supranationale) overheid dat de
bedrijfsprocessen winstgevend en continueerbaar zijn.
Wat voor vaccins geldt, geldt in wezen ook voor andere geneesmiddelen tegen
infectieziekten, zoals de griepproducten Relenza en Tamiflu. Doordat deze pro-
ducten initieel geen groot commercieel succes waren, is de productiecapaciteit
nooit uitgebreid. Nu de vogelgriep dreigt, wil iedereen deze middelen bestellen,
en verbaast zich erover dat ze niet direct in grote hoeveelheden van de band
rollen.
TOEPASSING VAN ERVARINGEN OP PRIORITY MEDICINES EN VERWAARLOOSDE
ZIEKTEN
Als we de opgedane ervaringen leggen tegen de ambities die zijn verwoord in
‘Priority Medicines for the Citizens of Europe and the World’2 dan moeten we
onderscheid maken tussen geneesmiddelontwikkelings-strategieën tegen aan-
doeningen die van belang zijn in de rijke westerse landen en die tegen aandoe-
ningen die voornamelijk arme landen teisteren. Voor de eerste categorie is de
bovenbeschreven strategie mogelijk herhaalbaar. Voor de tweede moet er iets
extra’s gebeuren. Er is namelijk een grote discrepantie tussen de koopkracht in
                                                                        113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>arme landen en de omzet die bedrijven moeten genereren om uit de kosten te
komen.
Om uit dit dilemma te geraken, zijn er verschillende oplossingen voorgesteld en
geprobeerd. Om te beginnen worden er grote hoeveelheden geld ter beschik-
king gesteld voor toepassingsgericht research door private weldoeners en (mede
door hen gefinancierde) non-gouvernementele organisaties. De strategie die
hier gekozen wordt is dat verschillende elementen van het totale proces van
basale R&D tot en met productie van de markt bij verschillende partners wor-
den ondergebracht. Iedereen doet waar hij goed in is en krijgt hiervoor een pas-
sende beloning. Dit is duidelijk te zien aan de ontwikkeling van het nieuwe
vaccin tegen meningitis A, dat met tussenpozen hele regio’s in Midden-Afrika in
zijn greep houdt*.
Een vergelijkbaar proces is de financiering van een malariavaccin voor Afrika.
Hierin werken GSK en de Bill and Melinda Gates Foundation samen met het
Malaria Vaccine Initiative (MVI)**. Het beoogde eindresultaat is een primair
voor jonge kinderen ontwikkeld vaccin dat eenvoudig toe te dienen, te produce-
ren, en te transporteren is. Weliswaar zal het eerste vaccin minder effectief zijn
dan de gebruikelijke kindervaccins, en de duur van de immuniteit zal minder
lang zijn. Niettemin zal het effect al een geweldige reductie van het dodental en
de onomkeerbare gezondheidsschade te weeg brengen.
Een andere oplossing waarvoor regelmatig wordt gepleit en die maar zelden
echt gebruikt wordt, is het creëren van een aankoopfonds voor noodzakelijke
nieuw te ontwikkelen geneesmiddelen. Men heeft echter gemerkt dat bedrijven
door het vooruitzicht van een aankoopfonds niet zonder meer bereid zijn een
ontwikkeling te starten. Dat heeft te maken met die time inconsistencies. Niets
garandeert dat overheden de bedrijven uiteindelijk niet zullen dwingen een prijs
te accepteren, die ligt onder het verwachtingsniveau dat het besluit om de ont-
wikkeling te starten, rechtvaardigde.
Om dit probleem te ondervangen, is onlangs in het kader van het overleg tussen
de ministers van financiën van de acht rijkste landen, de G8, een nieuwe strate-
gie voorgesteld. Men noemt deze de ‘Advanced Market Commitments
(AMC)’***. De grondgedachte van deze aanpak is dat overheden van rijke wes-
terse landen per dosis een vaste (maar mogelijk in de tijd afnemende) premie
    * http://www.scienceinafrica.co.za/2004/july/meningitis.htm
    ** www.malariavaccine.org
    ***Advanced Market Commitments for vaccines. A new tool in the fight
       against disease and poverty. Report to G8 finance Ministers. Giulio Trem-
       onti, Minister of the Economy and Finance, Italy. London, December 2,
       2005.
       114
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>zetten op een eindig aantal verstrekkingen van een nieuw te ontwikkelen vaccin.
Een voorwaarde is dat de ontwikkelingslanden zelf een tender voor het product
moeten uitschrijven en moeten betalen naar rato van hun draagkracht. Waar
deze te kort schiet om een initiatief van de industrie uit te lokken, komt de pre-
mie in beeld. Enkele voordelen hiervan zijn: het geld komt ten goede aan alle
bedrijven die zaken willen (gaan) doen met ontwikkelingslanden en het stimu-
leert ook de ontwikkeling van een volgende generatie producten. Afgezien van
de premie blijven de normale marktomstandigheden vrijwel van kracht. Een
groot voordeel is dat het niet gaat om een echte open-einde regeling: uiteinde-
lijk moet de continuïteit van de levering gewaarborgd zijn zonder extra over-
heidsingrijpen.
Een vergelijkbare aanpak is wellicht ook denkbaar voor overheden die noodza-
kelijk geachte ontwikkelingen willen uitlokken in de ontwikkelde landen.
In ieder geval is het duidelijk dat een nationale overheid als VWS, die de doel-
stellingen uit “Priority Medicines” dichterbij wil brengen, zowel creatieve belo-
ningssystemen moet ontwikkelen als moet streven naar grotere internationale
samenwerkingsverbanden om deze dichterbij te brengen.
                                                                        115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>116</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 11
“PUNTEN TER OVERWEGING” BIJ BEOORDELING PROJECTEN PUBLIEK PRIVATE
SAMENWERKING (PPS)
Deze bijlage is een uitwerking van de conclusies in hst 5 en zijn bedoeld als
mogelijke concrete vertaling naar randvoorwaarden die VWS zelf zou kunnen
stellen aan financiering van projecten in het algemeen en bij het nemen van
beslissingen over matching met overheidsgeld. Het geeft een denkrichting aan
voor de punten ter overweging van pps projecten, die door VWS kan worden
gebruikt.
Voor het maken van een checklist voor het beoordelen van pps projecten is een
mathematische benadering niet bruikbaar. De criteria moeten simpel zijn toe te
passen en relevantie hebben voor globale doelen die de geldverstrekker voor
ogen staan. Op deze basis is een lijst met een tiental punten samengesteld. Bij
ieder punt wordt de overweging er cursief bij gegeven.
VOORSTEL 10 PUNTEN TER OVERWEGING (INCLUSIEF MOTIVERING)
1. Is er bij het project meer dan één bedrijf betrokken?
      Hoe meer bedrijven, hoe groter de kans dat het werkelijk een relevant onderzoek
      betreft en hoe groter de kans dat het project ook wetenschappelijk goed in elkaar zit.
      Als het enigszins kan moet VWS niet zelfstandig de wetenschappelijke kwaliteit van
      een plan toetsen, maar varen op ‘circumstantial evidence’ zoals bij dit criterium. Als
      alternatief kan een daartoe geëquipeerde organisatie de wetenschappelijke kwaliteit
      beoordelen (STW, SenterNovem).
2. Investeert het bedrijfsleven in het eerste jaar minstens € 1 miljoen?
    Zoals uit de interviews blijkt, is een grote investering door het bedrijfsleven de beste
    garantie voor actieve betrokkenheid: een mislukking zou financieel behoorlijk pijn
    doen. Discussie bij het FBG geeft aan dat dit bedrag wellicht te hoog is en meer
    gedacht moet worden in de richting van € 200.000-400.000.
3. Passen de outputparameters van het project in de ‘priority medicines’
    thema’s?
    VWS kan hiermee op zachte wijze sturen zonder dat hiermee een dwangbuissconstruc-
    tie ontstaat. Ook als een ander thema wordt bewerkt, is door goed scoren op andere
    punten financiering mogelijk.
4. Zijn er bij het project 5 fte (bij instelling en bedrijf samen) of meer betrok-
    ken?
    Hoe meer personen betrokken zijn, hoe groter de kans dat een project door alle partijen
    als wezenlijk wordt beschouwd. De kans dat er in een beperkte en eindige periode
                                                                                 117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>    bruikbare resultaten worden neergezet, neemt toe. Ervaring met IOP-projecten leert
    dat 5 fte al heel behoorlijk is. Als alternatief zou je ook het omgekeerde criterium kun-
    nen hanteren nl. een ondergrens van 3 fte omdat anders een project geen body heeft.
    Een punt aftrek kan overwogen worden. Door hiermee te ‘spelen’ kun je sturen op con-
    centratie en versnippering tegengaan.
5. Zetten industrie en kennisinstellingen personeel naar evenredigheid in, of is
    er structurele uitwisseling van personeel?
    Mede hiermee stelt men vast of van beide zijden vergelijkbare commitment is, en er
    werkelijke kennistransfer kan plaatsvinden
6. Zijn de mijlpalen omschreven in termen van stappen naar de markt?
    Is het doel zodanig concreet dat er ook uitzicht bestaat op economisch rendabele toepas-
    sing?
7. Wordt er bestaande industriële infrastructuur in Nederland benut?
    De samenwerking zou in principe een accelerend effect moeten hebben op het gebruik
    en verdere exploitatie van kennis en infrastructuur die in Nederland rendement ople-
    vert. Daarom zijn bijvoorbeeld projecten in de sfeer van vaccins interessant omdat
    hiervoor in Nederland zowel wetenschappelijke als productie- en marketing expertise
    aanwezig is. De biotech bedrijvigheidsmatrix (hoofdstuk 4) kan hierbij verder van
    dienst zijn.
8. Sluit het project aan bij een bloeiend wetenschapsgebied dat royaal in staat is
    gebleken financiering te verwerven voor exploratief onderzoek?
    Een wetenschapsgebied kan erg ‘in’ zijn, maar dat hoeft nog niet altijd te betekenen
    dat er voor pps projecten bruikbare vertrekpunten aanwijsbaar zijn. Een goede doop-
    ceel voor de waarde van het onderzoek bestaat dan niet alleen uit de science citation
    index maar ook uit bewezen financiering die een indruk geeft van de breedte en
    omvang van het wetenschappelijk werk. De onderzoeksmatrix (hoofdstuk 3) kan hier-
    bij van dienst zijn.
9. Is er een translationele stap opgenomen in het projectplan of een proof of
    principle?
    Een proof of principle is een signaal dat een project het moment nadert dat een laatste
    injectie nodig is voordat het project op eigen kracht geld uit de kapitaalmarkt kan
    gaan ophalen. Dergelijke stappen zijn in principe steunwaardig.
10. Levert het project infrastructureel iets blijvends op in termen van octrooien,
    werkgelegenheid, behoud van kennis in Nederland of stroomt de kennis in
    bij andere instellingen
    Een duidelijke bijdrage aan de versterking van de Nederlandse kennisbasis vergroot de
    kans dat private partijen zaken willen doen waardoor mogelijk op termijn de overheid
    minder zwaar hoeft te investeren. Behoud of vergroting van structurele werkgelegen-
    heid draagt in zijn algemeenheid bij aan de kenniseconomie.
        118
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>GEBRUIK VAN DE SCORINGSLIJST
Lang niet alle projecten zullen zoveel elementen bevatten dat het mogelijk is om
op alle tien de vragen met “ja” te antwoorden. Niettemin moet het mogelijk zijn,
als elk ja-antwoord met 1 punt wordt gehonoreerd, een ruwe inschatting te
maken van de relevantie en financieringswaardigheid van het project. Bij over-
tekening van het beschikbare budget kan de lijst gebruikt worden als een selec-
tiecriterium: de projecten met de meeste punten komen eerst. In geval van
ondertekening, kan het zinvol zijn om een peer review te doen om te bezien of
het honoreren van alle aanvragen wel zinvol is. Dat hoeft niet per se een weten-
schappelijke review te zijn. Ook het voorleggen van de lijst aan een durfkapi-
taalverstrekker kan verrassende perspectieven opleveren. Bij elke (jaarlijkse?)
matchingronde kan eventueel een aanvullend criterium in de scoringslijst wor-
den opgenomen wanneer de overheid een ziektegebied of technologie wil bena-
drukken.
Uit bovenstaande volgt dat het van belang is bij pps naast wetenschappelijke
kwaliteit vooral ook de kans op utilisatie mee te wegen. Utilisatie is het ten nutte
maken van de resultaten van het onderzoek door (potentiële) gebruikers. Zowel
het in een vroeg stadium hebben van een netwerk, als financieringsmogelijkhe-
den zijn cruciaal. Ook de EU heeft in het 6e kaderprogramma allerlei financie-
ringsvormen waarbij al goed is nagedacht over het opnemen van
randvoorwaarden. Voorbeeld zijn de STREP’s, de Specific Targeted REsearch
Projects, waar 1-3 bedrijven (MKB) samen met tenminste 1 kennisinstelling
voor subsidie in aanmerking kunnen komen (50% industrie, 100% kennisinstel-
ling).
                                                                         119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>120</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 12
UITWERKING NEDERLANDS KADER VOOR SNELLE ONTWIKKELING GRIEPVACCIN
Het is vrijwel zeker dat nieuwe infectieziekten, vaak veroorzaakt door virussen
afkomstig van dieren, ook in de toekomst een grote bedreiging voor de mens
zullen blijven vormen en mogelijk tot wereldwijde uitbraken kunnen leiden.
Dergelijk uitbraken kunnen niet alleen veel slachtoffers eisen maar ook tot ern-
stige stagnatie van handels- en personenverkeer.
De overheid is de aangewezen instantie om hiervoor scenario’s te maken. Pre-
ventie maatregelen zullen aanzienlijk kosteneffectiever zijn dan de miljarden die
nodig zijn als noodmaatregelen genomen moeten worden als er al een uitbraak
is. In het kader van deze verkenning gaat het dan met name om specifieke maat-
regelen ter controle van pandemische influenza en om meer generieke maatre-
gelen ter bestrijding van SARS-achtige uitbraken. Hoewel internationale
samenwerking geboden is, kan Nederland daarin en voortrekkersrol spelen,
mede ingegeven door het welbegrepen eigenbelang van een handelsnatie. Bij
SARS-achtige uitbraken biedt vaccinontwikkeling geen oplossing op de korte
termijn, maar kunnen synthetische antilichamen een oplossing bieden. Crucell
heeft samen met Nederlandse en Duitse onderzoekers pionierswerk op dit
gebied gedaan. Op het gebied van influenza is er aanzienlijke kennis in Neder-
land. Allereerst bij de vaccinproducenten Solvay, Nobilon, en het NVI en bij
Crucell. De groepen van prof. Osterhaus en prof. Wilschut hebben ervaring met
diermodellen voor influenza, inclusief primaatmodellen. Het NVI is daarnaast
de trekker van een EU-project, FLUSECURE, dat o.a. als doel heeft de produc-
tietijd van een vaccin te verkorten en methoden te ontwikkelen om de werk-
zaamheid van vaccins te voorspellen. Tenslotte zijn zowel bij het NVI, als de
Animal Sciences groep in Lelystad kennis over en faciliteiten voor vaccinpro-
ductie aanwezig die ingezet kunnen worden voor de productie van een pande-
misch vaccin, zowel op pilotschaal als in grote hoeveelheden.De implementatie
zou plaats kunnen vinden door een door VWS samengestelde task force.
                                                                      121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>122</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>