<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad                                Vo o r z i t t e r
Health Council of the Netherlands
Aan de staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Onderwerp               : asbest
Uw kenmerk              : DGM/SAS/2006229816
Ons kenmerk             : I-187/SD/db/819-A
Bijlagen                :1
Datum                   : 9 mei 2006
Mijnheer de staatssecretaris,
In 2005 verschenen de resultaten van een onderzoek naar gevallen van longvlieskanker
(pleura-mesothelioom) in de regio Goor.1,2 Daar is in de jaren dertig tot zeventig van de
vorige eeuw asbest gebruikt om wegen en erven te verharden. Het Erasmus MC, het Inte-
graal Kankercentrum Stedendriehoek Twente en de Twentse ziekenhuizen vonden in hun
onderzoek verhoogde incidenties: bij vrouwen vijf keer zo hoog als in de rest van de bevol-
king, en bij mannen twee keer zo hoog. Volgens dit onderzoek is er een sterke aanwijzing
dat milieublootstelling aan asbest een belangrijke rol heeft gespeeld bij het optreden van
pleura-mesothelioom bij vijftien vrouwen die woonden in de regio Goor.
     Naar aanleiding hiervan wendde u zich op 2 februari 2006 tot de Gezondheidsraad. U
verzocht de raad om na te gaan of de bevindingen over deze vorm van niet-beroepsmatige
blootstelling herziening van het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) en het Verwaarloos-
baar Risico (VR) voor asbest noodzakelijk maken. In aanvulling daarop heb ik een tweede
vraag geformuleerd: geeft de stand van kennis na 1987, toen de risico’s werden vastgesteld,
aanleiding om de normen te herzien?
     Ik heb deze vragen voorgelegd aan de Commissie Beoordeling Carcinogeniteit van
Stoffen en aan de Beraadsgroep Gezondheid en Omgeving. Bij de beantwoording werden
de commissie en de beraadsgroep ondersteund door prof. dr DJJ Heederik en dr JH van
Wijnen. In dit briefadvies vindt u de belangrijkste conclusies. Een achtergrondnotitie is bij-
gevoegd. Daarin kunt u meer in detail nalezen op grond van welke bevindingen en overwe-
gingen de Gezondheidsraad tot zijn advies is gekomen.
Bezoekadres                                                       Postadres
Parnassusplein 5                                                  Postbus 16052
2 5 11 V X D e n          Haag                                    2500 BB Den            Haag
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 4 8 7                            Te l e f a x ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 5 2 3
E - m a i l : s i e s . d o g g e r @ g r. n l                    w w w. g r. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad                                Vo o r z i t t e r
Health Council of the Netherlands
Onderwerp               : asbest
Ons kenmerk             : I-187/SD/db/819-A
Datum                   : 9 mei 2006
Pagina                  :2
Herzien van de MTR en VR nodig op grond van het onderzoek in de regio Goor?
Naar het oordeel van de Gezondheidsraad is het onderzoek naar het voorkomen van niet-
arbeidsgebonden mesothelioom van goede kwaliteit. De commissie onderschrijft de conclu-
sie dat de extra gevallen van pleura-mesothelioom naar alle waarschijnlijkheid het gevolg
zijn van milieublootstelling. Tijdens een vergadering van de Commissie Beoordeling Carci-
nogeniteit van Stoffen heeft de eerste auteur van het rapport over de blootstelling in de regio
Goor, dr ir A Burdorf, een presentatie gegeven. De schatting van de blootstelling aan asbest
viel in eerste instantie buiten zijn opdracht en had daardoor een zeer beperkt karakter. In het
onderzoek is ter verificatie van het aantal gevonden pleura-mesothelioomgevallen, gekeken
hoeveel gevallen van mesothelioom zouden worden verwacht bij de geschatte blootstelling
volgens een risicoanalyse van Hodgson en Darnton.3 Het is niet de bedoeling van de auteurs
van het rapport van het Erasmus MC geweest om de MTR- en VR-waarden te evalueren.
     De commissie en de beraadsgroep menen dat het met de beschikbare gegevens niet
mogelijk is het niveau van blootstelling aan asbest in het verleden adequaat te schatten. In
het onderzoek is de schatting van de blootstelling gebaseerd op de immissiemeting van
asbest bij één weg. Deze ene meetserie kan niet als representatief worden gezien voor de
emissie van asbest in de gehele regio. Een groter bezwaar is dat immissiemetingen geen
goed inzicht geven in de blootstelling van vrouwen die in de regio Goor hebben gewoond.
De blootstelling is bijvoorbeeld niet alleen afhankelijk van de hoeveelheid asbestvezels die
vrijkomen uit de wegen en erven (emissie), maar ook van de frequentie van blootstelling
(hoe vaak en hoe lang zijn mensen in contact geweest met de vezels) en de wijze van con-
tact (lopend, fietsend, als automobilist). Daarnaast kan blootstelling ook thuis plaatsvinden,
doordat vezels binnenwaaien of door inlopen van vezels via kleding en schoeisel. Voor een
goede schatting van de blootstelling aan asbestvezels zouden in het verleden over langere
tijd persoonlijke metingen in het binnen- en buitenmilieu uitgevoerd moeten zijn.
     Wat betekent deze beperking voor het oordeel over een eventuele herziening van de
grenswaarden MTR en VR? Doordat de mate van blootstelling aan asbest in de regio Goor
achteraf niet meer is vast te stellen, is het ook niet mogelijk te bepalen welke mate van
blootstelling daar tot ziekte heeft geleid. Uit het onderzoek van het Erasmus MC, het Inte-
graal Kankercentrum Stedendriehoek Twente en de Twentse ziekenhuizen valt dan ook niet
te concluderen dat de huidige grenswaarden te hoog zouden zijn.
Bezoekadres                                                         Postadres
Parnassusplein 5                                                    Postbus 16052
2 5 11 V X D e n          Haag                                      2500 BB Den            Haag
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 4 8 7                              Te l e f a x ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 5 2 3
E - m a i l : s i e s . d o g g e r @ g r. n l                      w w w. g r. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad                                Vo o r z i t t e r
Health Council of the Netherlands
Onderwerp               : asbest
Ons kenmerk             : I-187/SD/db/819-A
Datum                   : 9 mei 2006
Pagina                  :3
Herzien van de MTR en VR nodig op grond van de huidige stand van wetenschap?
Het onderzoek in de regio Goor geeft dus geen houvast bij het evalueren van de huidige
grenswaarden voor blootstelling aan asbest. Zijn er sinds 1987, toen de MTR- en VR-waar-
den werden vastgesteld op basis van voorstellen in het basisdocument asbest van het
RIVM4, nieuwe kennis en inzichten beschikbaar gekomen die eventueel wèl aanleiding
geven tot herziening?
     De raad concludeert dat dat het geval is. De belangrijkste nieuwe publicaties zijn een
meta-analyse van Hodgson en Darnton3 uit 2000 en een rapport van de EPA5 uit 2003. De
meta-analyse van Hodgson en Darnton is gebaseerd op een groot aantal onderzoeken, waar-
van een aantal pas na 1987 beschikbaar is gekomen. In het rapport van de EPA wordt na een
uitgebreide beschouwing van alle beschikbare onderzoeken geconcludeerd dat vooral
asbestvezels die langer zijn dan 10 µm het risico op kanker bepalen. In de huidige norm-
stelling wordt uitgegaan van 5 µm als de vezellengte waarboven het risico belangrijk toe-
neemt.
Hoe verder?
Het recente onderzoek naar mesothelioom in de regio Goor na blootstelling aan asbest geeft
niet voldoende informatie over blootstelling om de huidige grenswaarden te kunnen evalue-
ren. Sinds 1987 beschikbaar gekomen kennis en inzichten doen dat wel. De conclusie van
de commissie en de beraadsgroep is dat herziening van de grenswaarden MTR en VR
gewenst is.
     Hoe kan die ter hand genomen worden? Ik stel u voor een herziening van de bestaande
MTR uit te laten voeren door de Commissie Beoordeling van Carcinogeniteit van Stoffen
van de Gezondheidsraad. Deze commissie is bereid spoedig met die werkzaamheden te
beginnen en medio volgend jaar met een voorstel voor een nieuwe waarde te komen.
Hoogachtend,
Prof. dr JA Knottnerus
Bezoekadres                                                       Postadres
Parnassusplein 5                                                  Postbus 16052
2 5 11 V X D e n          Haag                                    2500 BB Den            Haag
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 4 8 7                            Te l e f a x ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 5 2 3
E - m a i l : s i e s . d o g g e r @ g r. n l                    w w w. g r. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Achtergrondinformatie
bij het briefadvies over asbest
aan:
de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Nr 2006/09, Den Haag, 9 mei 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid’ (art. 21 Gezondheids-
wet).
    De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn & Sport; Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
& Milieubeheer; Sociale Zaken & Werkgelegenheid en Landbouw, Natuur &
Voedselkwaliteit. De raad kan ook eigener beweging adviezen uitbrengen. Het
gaat dan als regel om het signaleren van ontwikkelingen of trends die van belang
kunnen zijn voor het overheidsbeleid.
    De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden in bijna alle
gevallen opgesteld door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel
benoemde – Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
            De Gezondheidsraad is lid van het International Network of Agencies for Health
            Technology Assessment (INAHTA). INAHTA bevordert de uitwisseling en samenwerking
            tussen de leden van het netwerk.
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Asbest. Den Haag: Gezondheidsraad, 2006; publicatie nr
2006/09.
auteursrecht voorbehouden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    Inhoud
1   Inleiding 5
1.1 Aanleiding 5
1.2 Adviesvragen 6
1.3 Vormen van asbest 7
1.4 Asbestwegen: historie, omvang, samenstelling 7
2   Herzien van de normen nodig op grond van het onderzoek in de regio Goor? 9
2.1 Bevindingen van de onderzoekers 9
2.2 Beschrijving van de gebruikte methode voor het schatten van blootstelling 12
2.3 Kanttekeningen bij de methode voor het schatten van blootstelling 13
2.4 Conclusie 15
3   Herzien van de normen nodig op grond van de stand van wetenschap? 17
3.1 Wijze van afleiden van de normen 17
3.2 Oordeel over nieuwe bevindingen 18
3.3 Conclusie 20
    Literatuur 21
    Bijlagen 23
A   De adviesaanvraag 25
B   De geraadpleegde deskundigen 27
    Inhoud                                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>4 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Aanleiding
          Aanleiding om de Gezondheidsraad om advies te vragen over asbest is een
          onderzoek in de regio Goor, uitgevoerd door het Erasmus MC en het Integraal
          Kankercentrum Stedendriehoek Twente, in samenwerking met Twentse zieken-
          huizen. In dat gebied is in de jaren dertig tot zeventig van de vorige eeuw asbest
          gebruikt bij het verharden van wegen en erven.
              Uit het eerste deelrapport blijkt dat de incidentie van pleura mesothelioom
          (longvlieskanker) onder vrouwen en mannen in het gebied rond Goor respectie-
          velijk bijna vijf keer en twee keer zo hoog is als in de rest van Nederland.1 Dit
          geeft een sterke aanwijzing dat milieublootstelling aan asbest een belangrijke rol
          heeft gespeeld bij de sterk verhoogde incidentie van longvlieskanker in het risi-
          cogebied. Dit geldt met name voor de vrouwen, aangezien die doorgaans minder
          aan asbest zijn blootgesteld bij het uitoefenen van een beroep.
              In het tweede deelrapport wordt geconcludeerd dat asbestblootstelling in het
          milieu, namelijk door met asbest verharde wegen en erven, in de periode 1989-
          2003 bij vijftien vrouwen de (meest waarschijnlijke) oorzaak is voor het optre-
          den van longvlieskanker.2
          Inleiding                                                                          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>1.2 Adviesvragen
    Naar aanleiding van deze rapportages heeft de staatssecretaris van VROM de
    Gezondheidsraad gevraagd na te gaan of de bevindingen aanleiding geven de
    huidige grenswaarden voor asbestblootstelling te herzien (bijlage A). De eerste
    vraag die in het briefadvies beantwoord wordt luidt dan ook:
    1    Geeft het epidemiologisch onderzoek naar niet beroepsgebonden gevallen van
         mesothelioom in de regio Goor aanleiding tot herziening van de door de
         Nederlandse overheid gehanteerde normering voor toelaatbare risico's in het
         tolereren van asbest in de samenleving, te weten het VR (Verwaarloosbaar
         Risico) en het MTR (Maximaal Toelaatbaar Risico)?*
    Aanvullend wordt bekeken of sinds 1987, het jaar waarin het basisdocument van
    het RIVM over asbest verscheen, nieuwe informatie beschikbaar is gekomen die
    herziening van de uit het basisdocument afgeleide normen noodzakelijk kan
    maken. In het briefadvies wordt dan ook de volgende vraag beantwoord:
    2    Geeft de huidige stand van kennis aanleiding tot herziening van het VR en het
         MTR?
    Mocht herziening nodig zijn, dan is de vraag van de staatssecretaris hoe die het
    beste tot stand kan komen:
    3    Op welke termijn kan de Gezondheidsraad eventueel adviseren over een
         nieuwe norm voor het omgaan met asbest in de Nederlandse samenleving?
    In paragraaf 2 van deze notitie staat de belangrijkste informatie waarop de
    Gezondheidsraad zijn antwoord op de eerste vraag baseert. In paragraaf 3 volgt
    de onderbouwing en beantwoording van de tweede vraag. Afsluitend wordt in
    dezelfde paragraaf advies gegeven over het ter hand nemen van een eventuele
    herziening.
*   De MTR en VR zijn – conform het risicobeleid – concentraties die overeenkomen met een risico dat één op de mil-
    joen respectievelijk honderd miljoen mensen per jaar een kwaadaardige tumor krijgt als gevolg van de blootstel-
    ling aan die stof.
6   Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>1.3 Vormen van asbest
    Asbest is een verzamelnaam voor een zestal groepen minerale vezels. De groe-
    pen vezels zijn onderverdeeld in serpentijnen (chrysotiel: wit asbest) en amfibo-
    len ( de overige vijf groepen). De belangrijkste amfibolen zijn amosiet (bruin
    asbest) en crocidoliet (blauw asbest). Wit asbest (chrysotiel) is commercieel ver-
    uit het meeste gebruikt. Algemeen wordt aangenomen dat crocidoliet (blauw
    asbest) aanmerkelijk kankerverwekkender is dan chrysotiel.4-8
1.4 Asbestwegen: historie, omvang, samenstelling
    Van de jaren dertig tot begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw is in een
    straal van ongeveer vijftien km rondom de asbestcementfabriek (Eternit) in Goor
    op grote schaal asbestcementafval gebruikt om wegen en erven te verharden. Het
    afval, dat gratis te krijgen was bij de asbestcementfabriek, bestond uit resten en
    afgekeurde partijen van asbestcementplaten, en resten en draaisels van buizen. In
    een breekmachine werden deze in kleine stukjes gebroken.9
        Het Centrum voor Milieukunde schat dat het in totaal gaat om 83 wegen en
    erven, met een geschatte oppervlakte van 33 500 vierkante meter.10 De diktes
    van de lagen verschilden van enkele centimeters tot wel een meter. Aan de hand
    van het percentage afval in het productieproces heeft TNO geschat dat in totaal
    360 tot 4400 ton (vast) asbestafval is ontstaan (uitgaande van een gemiddeld
    asbestgehalte van 10 procent).11 Het afval kan zowel chrysotiel als crocidoliet
    bevatten.9 Buizen en draaisel daarvan bevatten vooral blauw asbest.
    Inleiding                                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>8 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 2
          Herzien van de normen nodig op grond
          van het onderzoek in de regio Goor?
2.1       Bevindingen van de onderzoekers
          Het onderzoek heeft zich vooral gericht op gevallen van mesothelioom bij vrou-
          wen, aangezien bij deze groep nauwelijks sprake is geweest van arbeidsgebon-
          den blootstelling: de meest voorkomende vorm van blootstelling. De gevallen
          waarbij ook maar enige aanleiding bestond dat beroepsmatige blootstelling een
          rol had kunnen spelen zijn niet meegenomen bij de analyse. Indien bijvoorbeeld
          de partner werkzaam was bij Eternit dan zou blootstelling aan asbestvezels plaats
          kunnen vinden via de kleding van de partner. Vijftien gevallen van mesothelioom
          bij vrouwen in de regio Goor worden toegeschreven aan de blootstelling aan
          asbest in die omgeving.
              Ook is een schatting gemaakt van de gemiddelde blootstelling voor de 75 000
          vrouwen in het risicogebied. Voor deze schatting gaan de auteurs uit van de con-
          centraties asbestvezels die TNO in 1987 heeft gemeten bij een met asbest ver-
          harde weg in de regio Goor.11 Vervolgens is gekeken hoeveel gevallen van
          mesothelioom zouden worden verwacht bij deze geschatte blootstelling, en wel
          volgens een risicoanalyse van Hodgson en Darnton.3
              De auteurs van de het Erasmus Medisch Centrum komen, verwijzend naar het
          TNO-rapport, tot de volgende aanname over blootstelling:
          Herzien van de normen nodig op grond van het onderzoek in de regio Goor?          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   Voor de situatie in het risicogebied Goor is de gemiddelde blootstelling aan asbest van personen die
   dagelijks over asbestverharde erven en wegen hebben gelopen, gefietst of gereden door de auteurs
   van dit (!) rapport geschat op ongeveer 3000 vezels/m3 gedurende het hele jaar. Deze schatting is
   gebaseerd op de middelste waarde van de vastgestelde spreiding in asbestmetingen over een hele
   week (7 dagen van 24 uur). Dit betekent dat het onze inschatting is dat 1 jaar blootstelling aan deze
   blootstelling heeft geresulteerd in een gemiddelde cumulatieve blootstelling van 0,003 vezeljaar.
   (0,003 vezel/ml-jaar)
   De gemiddelde blootstellingsduur van de vrouwen die in het risicogebied meso-
   thelioom kregen wordt in de studie geschat op 37,6 jaar. Vermenigvuldiging van
   blootstellingstijd en blootstellingsoncentratie geeft een cumulatieve blootstelling
   van 0,11 vezeljaar.
        Deze waarde wordt vervolgens gebruikt voor een vergelijking met de risico-
   analyse van Hodgson. In hun eigen risicoanalyse gaan de onderzoekers ervan uit
   dat alle 75 000 vrouwen in het risicogebied zijn blootgesteld aan 0,11 vezeljaar.
      Eenheden en blootstellingsmaten van asbest
      Concentraties asbest worden uitgedrukt in vezel/m3 (per vierkante meter) of vezel/ml. Soms
      wordt bij een concentratie ook aangegeven met welke methode is gemeten: fasecontrastmicros-
      copie (FCM) of transmissie-elektronenmicroscopie (TEM) (zie kader: metingen van asbest met
      (FCM) en (TEM)).
      Bij asbest wordt ervan uitgegaan dat het optreden van de effecten correleert met een cumula-
      tieve blootstelling: het product van de concentratie vermenigvuldigd met het aantal jaren bloot-
      stelling. De resulterende maat is dan een vezeljaar per ml. Een cumulatieve blootstelling wordt
      bijna altijd gegeven in vezeljaar per ml, en dus niet per m3. In de meta-analyse van Hodgson
      bijvoorbeeld is de eenheid in de belangrijkste tabel (tabel 11) gegeven als vezel/ml.years. Deze
      waarde heeft betrekking op een levenslange cumulatieve blootstelling gemeten met FCM.
        De onderzoekers concluderen dat het aantal gevallen van mesothelioom bij
   Goor overeenkomt met het aantal gevallen dat volgens de risicoanalyse bij die
   geschatte concentratie te verwachten is. Verder constateren ze dat het aantal
   gevallen in de regio Goor ongeveer overeenkomt met het aantal gevallen dat ver-
   wacht wordt als de blootstelling ongeveer gelijk is aan het MTR. De MTR-
   waarde is gedefinieerd als de concentratie die overeenkomt met het risico dat één
10 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>  Metingen van asbest met fasecontrastmicroscopie en elektronenmicroscopie
  Na verzameling van luchtmonsters met een luchtpomp komen de vezels die zich in de lucht
  bevinden op een filter terecht. Vervolgens worden de vezels geteld met behulp van lichtmicros-
  copie of elektronen microscopie.
  Een paar decennia geleden werden tellingen uitgevoerd met gewone lichtmicroscopen met ver-
  grotingen van 400 maal. Later zijn in de arbeidsfeer (betere) metingen met Fase Contrast
  Microscopen de norm geworden, waarbij vergrotingen van 1250 maal gangbaar zijn. Voordeel
  van de Fasecontrastmicroscopie is dat metingen sneller en goedkoper zijn. Echter met Fase-
  contrastmicoscopie (FCM) kunnen alleen vezels gemeten worden die langer zijn dan 5 µm en
  die een lengte:dikte-verhouding hebben gelijk of groter dan 3:1. Kleine en lange dunne vezels
  zijn met deze techniek gemist. Ook bundels van vezels kunnen vaak niet worden onderschei-
  den en worden daardoor als één vezel geteld. Met FCM is het niet mogelijk een onderscheid te
  maken tussen de verschillende vormen van asbest. Bovendien is met deze techniek geen onder-
  scheid mogelijk tussen asbest en niet asbestvezels.
  Met zowel scanning als transmissie elektronenmicroscopen zijn goede tellingen van asbestve-
  zels mogelijk. Het gebruik van transmissie elektronen microscopen is het meest gangbaar. Met
  elektronen microscopie zijn veel hogere vergrotingen met hoog onderscheidend vermogen
  mogelijk dan bij lichtmicroscopie het geval is. Vezels kleiner dan 5 µm en erg dunne vezels
  kunnen met deze techniek dan ook goed worden onderscheiden. Ook in een bundel vezels kun-
  nen de afzonderlijke vezels goed worden geteld. Asbestmetingen met TEM wordt vaak gecom-
  bineerd met metingen met andere meetapparatuur (energiedispersieve analyse van
  röntgenstraling) waardoor op grond van verschillen in chemische samenstelling ook identifica-
  tie van verschillende vormen van asbest mogelijk is. Ook zijn asbestvezels te onderscheiden
  van niet-asbestvezels. Nadeel van metingen van asbest met TEM is dat door de hoge vergrotin-
  gen maar een beperkt deel van het preparaat wordt onderzocht. Als consequentie daarvan is de
  nauwkeurigheid van de tellingen beperkt.
  Bij milieumonsters is het gebruik van elektronenmicroscopie voorgeschreven. Dat maakt iden-
  tificatie van vormen van asbest mogelijk en ook het onderscheiden van asbest van niet-asbest-
  vezels. In het algemeen werden metingen op de arbeidsplek in het verleden vooral uitgevoerd
  met fasecontrastmicroscopie. Vaak is daar het type asbest wel bekend en wordt de voorkeur
  gegeven van een snelle goedkope meting. In het algemeen geldt dat met FCM het aantal
  asbestvezels sterk kan worden onderschat. Een uitzondering is een situatie (zoals vaak bij
  metingen in binnenlucht het geval is) waarbij veel niet-asbestvezels in de lucht zitten (zoals
  wol, katoen en glasvezels).
Herzien van de normen nodig op grond van het onderzoek in de regio Goor?                         11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    op de miljoen mensen per jaar een kwaadaardige tumor krijgt als gevolg van de
    blootstelling aan die stof.
         Op grond van deze bevindingen zou er dus geen aanleiding zijn om de MTR-
    waarde te herzien. De vraag is echter hoe hard de conclusies over blootstelling
    zijn. Ook de onderzoekers wijzen hier op een aantal beperkingen.
2.2 Beschrijving van de gebruikte methode voor het schatten van bloot-
    stelling
    De schatting van de blootstelling aan asbest voor de 75.000 vrouwen die in het
    risicogebied rond Goor wonen berust volledig op door TNO verrichte metin-
    gen.11
    Langdurige metingen
    TNO heeft in 1985 en 1986 langdurige metingen uitgevoerd bij één weg in de
    regio Goor (Diepenheim). In 1985 is na het beschikbaar komen van de eerste
    analyseresultaten gestopt met de metingen. Er viel namelijk veel neerslag, waar-
    door geen verstuiving meer optrad en de meetwaarden op of onder de detectie-
    grens kwamen te liggen. In 1986 werden van eind april tot eind september
    langdurige metingen verricht bij drie wegen. Elke maand werden vier weekmon-
    sters samengevoegd. Vervolgens werd met zowel elektronenmicroscopie als
    lichtmicroscopie de concentratie bepaald.
         De resultaten van de metingen voor chrysotiel en crocidoliet op enkele
    meters van de weg, waarop de onderzoekers hun schatting van de blootstelling
    baseren, zijn weergegeven in tabel 1. Bij het meetpunt dat honderd meter van de
    weg af lag en bij het referentiepunt kwamen alle metingen vlak boven of onder
    het detectiegrens uit.
    Tabel 1 Concentraties van chrysotiel en crocidoliet gemeten met TEM (bron TNO-rapport 1987).
    Meetperiode        Chrysotielvezel- 95%-betrouwbaar- Gemiddelde            Gemiddelde
                       concentratie        heidsinterval      lengte           Diameter
                       (vezels m3)                            (µm)             (µm)
    29-4/28-5          1690                 440-2940          3,6              0,10
    28-5/25-6          1320                 340-2300          3,4              0,07
    25-6/23-7          2900                1040-4760          2,7              0,12
    9-7/7-8             390                 100- 680          1,3              0,05
    26-8/24-9           120                < 50- 210          2,6              0,13
12  Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    Meetperiode      Crocidolietvezel-   95%-betrouwbaar- Gemiddelde              Gemiddelde
                     concentratie        heidsinterval        lengte              Diameter
                     (vezels/m-3)                             (µm)                (µm)
    29-4/28-5         125                < 50- 220            2,5                 0,08
    28-5/25-6         180                  50- 310            2,5                 0,13
    25-6/23-7        1510                1380-1640            3,1                 0,18
    9-7/7-8           110                < 50- 190            7,1                 0,18
    26-8/24-9        < 50                                     -                   -
    Kortdurende metingen
    Bij een drietal wegen zijn tijdens een zeer droge periode ook kortdurende metin-
    gen uitgevoerd. Dit gebeurde direct naast en boven de weg, om zo inzicht te krij-
    gen in de concentraties van asbest in de lucht als er met auto’s over de weg wordt
    gereden. De resultaten van die metingen zijn weergegeven in tabel 2.
    Tabel 2 Uurgemiddelde concentraties asbestvezels bij een drietal wegen in de regio Goor gemeten
    met FCM (Bron: TNO rapport 1987).
    Naam van de weg               Chrysotiel vezelconcentratie       Crocidoliet vezelconcentraties
                                  (vezels/m3)                        (vezel/m3)
    Hazendammerweg                20.103-50.103                      15.103-30.103
    Nieuwe Sluisweg               0-5.103                            -
    Wilgemansweg                  4.103-25.103                       2.103-10.103
    Bij de Hazendammerweg (dat is dezelfde weg als die waar de langdurige metin-
    gen zijn uitgevoerd) werden concentraties chrysotiel gemeten van 20 000 tot
    50 000 vezels per m3. Deze metingen zijn verricht met fasecontrastmicroscopie.
         In het TNO-onderzoek zijn de langdurige metingen zowel uitgevoerd met
    TEM als met FCM. De onderzoekers geven aan dat maar 4 procent van de met
    een transmissie-electronenmicroscoop geanalyseerde chrysotielvezels detecteer-
    baar is met een lichtmicroscoop. Vertaald naar de kortdurende metingen houdt dit
    in dat de lucht in werkelijkheid naar schatting 500 000 tot 1 250 000 chrysotiel-
    vezels bevatte (gemeten met TEM). Dit geeft aan dat de variatie in de concentra-
    ties zeer groot kan zijn; de hoogste waarde van de kortdurende metingen is ruim
    400 keer zo hoog als de hoogste maandgemiddelde waarde.
2.3 Kanttekeningen bij de methode voor het schatten van blootstelling
    De onderzoekers geven in deelrapport 2 aan dat het niet eenvoudig is in te schat-
    ten of de metingen een reële afspiegeling vormen van de daadwerkelijke bloot-
    stelling van individuele vrouwen. De Gezondheidsraad concludeert dat het
    Herzien van de normen nodig op grond van het onderzoek in de regio Goor?                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   achteraf zelfs onmogelijk is om uit de gegevens van TNO tot een goede schatting
   te komen. Daar zijn twee redenen voor te geven.
   De gebruikte metingen zijn niet representatief voor de blootstelling
   Zo wordt van de drie wegen waarbij langdurige metingen zijn uitgevoerd slechts
   één maandgemiddelde bij één van die wegen gebruikt als basis voor het schatten
   van de blootstelling. Uit de metingen van TNO blijkt echter dat het maandgemid-
   delde van 3000 vezels/m3 niet representatief is voor de metingen in de rest van
   het jaar: de andere maandgemiddelde waarden zijn aanmerkelijk lager.
       Verder laten de kortdurende metingen van TNO zien dat de variatie in con-
   centraties ook binnen enkele uren sterk kan variëren; waarden van meer dan één
   miljoen vezels/m3 zijn gemeten, terwijl het maandgemiddelde 3000 vezels/m3
   bedroeg. Niet alleen de hoeveelheden asbest die vrijkomen uit de wegen kunnen
   erg verschillen, ook de verschillen in type vezels en vezellengtes zullen variëren.
   Dat is van belang, want de typen vezels (blauw of wit asbest) en de vezellengte
   bepalen in sterke mate het risico dat blootstelling tot mesothelioom zal leiden.
   Met dergelijke onzekerheden is het niet meer mogelijk om achteraf een represen-
   tatieve schatting te maken van de concentraties die op of bij de wegen heersen op
   grond van de beperkte metingen die bij drie wegen in het verleden hebben plaats-
   gevonden.
   Een vertaling naar de blootstelling in het hele gebied is niet mogelijk
   De tweede en belangrijkste reden waarom een schatting van de blootstelling niet
   meer te maken valt, is dat immissiemetingen geen inzicht geven in de blootstel-
   ling van asbest van vrouwen die in de regio Goor hebben gewoond. De blootstel-
   ling is bijvoorbeeld niet alleen afhankelijk van de hoeveelheid asbestvezels die
   vrijkomen uit de wegen en erven (emissie), maar ook van de frequentie van
   blootstelling (hoe vaak en hoe lang zijn mensen in contact geweest met de
   vezels) en de wijze van contact (lopend, fietsend, als automobilist). Daarnaast
   kan blootstelling ook thuis plaatsvinden, doordat vezels binnenwaaien of door
   inlopen van vezels via kleding en schoeisel. Voor een goede schatting van de
   blootstelling aan asbestvezels zouden in het verleden over langere tijd persoon-
   lijke metingen in het binnen- en buitenmilieu uitgevoerd moeten zijn.
14 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>2.4 Conclusie
    Sinds vorig jaar bestaan er normen voor asbest in de bodem. Het is duidelijk dat
    deze normen in de omgeving van Goor ernstig zijn overschreden. Immers de
    toplaag van de asbestverharde wegen en erven bestaat uit asbestcementafval, dat
    ongeveer 10% asbest bevat. De onderzoekers van Erasmus MC, het Integraal
    Kankercentrum van de Stedendriehoek Twente en de Twentse ziekenhuizen heb-
    ben als eerste in Nederland aangetoond dat de extra gevallen van pleura-meso-
    thelioom in het gebied waarschijnlijk worden veroorzaakt door
    milieublootstelling aan asbest.
        De Gezondheidsraad oordeelt dat het achteraf niet mogelijk is om op grond
    van de metingen van TNO adequaat de mate van blootstelling aan asbest te
    schatten van de 75 000 vrouwen die in het risicogebied woonden. Deze onmoge-
    lijkheid om alsnog de mate van blootstelling vast te stellen maakt dat op grond
    van het onderzoek in de regio Goor de juistheid van de MTR niet beoordeeld kan
    worden. Overigens is dit ook niet de bedoeling geweest van de auteurs.
        Hierdoor is het ook niet zinvol om bij de geschatte cumulatieve blootstelling
    te kijken hoeveel gevallen er volgens de risicoanalyse van Hodgson te verwach-
    ten zijn. Om dezelfde reden is het ook niet zinvol om te proberen de extra inci-
    dentie van vijftien gevallen van mesothelioom te verklaren door een vergelijking
    te maken met het aantal dat op grond van de MTR te verwachten valt. Het onder-
    zoek geeft al met al geen aanknopingspunten voor een andere normering.
    Herzien van de normen nodig op grond van het onderzoek in de regio Goor?          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>16 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 3
          Herzien van de normen nodig op
          grond van de stand van wetenschap?
3.1       Wijze van afleiden van de normen
          De Nederlandse normen voor asbest zijn afgeleid uit een groot aantal cohortstu-
          dies. Het gaat daarbij om cohortonderzoeken vanaf de jaren vijftig van de vorige
          eeuw, in uiteenlopende industrieën en in verschillende landen. Voor het afleiden
          van normen zijn de (hoge) concentraties waaraan mensen in de verschillende
          industrieën blootstonden vertaald naar een lage blootstelling, die voor normen
          van belang zijn. Daarbij is uitgegaan van een lineair verband tussen een hoge en
          een lage blootstelling. Asbest is namelijk een kankerwekkende stof waarvoor
          geen drempelwaarde geldt. De normstelling is gebaseerd op het vermogen van
          asbest om mesothelioom te veroorzaken, aangezien dat het meest gevoelige
          effect van asbest is.
              Twee risiconiveaus worden onderscheiden. Het MTR en VR zijn waarden die
          overeenkomen met een risico dat één op de miljoen respectievelijk één op de
          honderd miljoen mensen per jaar een kwaadaardige tumor krijgt door de bloot-
          stelling aan die stof.
              Verder zijn voor chrysotiel- en amfibole vezels (crocidoliet en amosiet)
          afzonderlijke MTR en VR-waarden afgeleid. Algemeen wordt namelijk aange-
          nomen dat amfibolen een grotere potentie hebben om mesotheliomen te veroor-
          zaken dan chrysotiel. Het MTR en VR voor amfibool zijn destijds overgenomen
          van een risicoanalyse van de WHO.8 Volgens Doll en Peto (1985) is chrysotiel
          Herzien van de normen nodig op grond van de stand van wetenschap?                17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>    twintig maal minder kankerverwekkend dan amfibole asbest.12 In het basisdocu-
    ment asbest van het RIVM is deze notie gebruikt om voorstellen te doen voor
    aparte MTR- en VR-waarden voor chrysotiel.4 In tabel 3 staan de geschatte
    risico’s van 1 op de tienduizend (MTR) en 1 op de miljoen (VR) bij een levens-
    lange blootstelling aan chrysotiel en amfibolen weergegeven. Uiteindelijk zijn de
    MTR- en VR-waarden vastgesteld als de bovengrens van de range van waarden
    die in tabel 3 wordt gegeven.
    Tabel 3 Risicoschatting voor de algemene bevolking bij levenslange bloot-
    stelling aan asbest in de buitenlucht (in vezels/m3).
    Effect mesothelioom                    Vezels per m3 langer dan 5 µrn
                                           gemeten met electronenmicroscopie
    10-4 risico voor chrysotiel            10 000-100 000
    10-4 risicovoor amfibolen               1 000- 10 000
    10-6 risico voor chrysotiel               100- 1 000
    10-6 risico voor amfibolen                 10-     100
3.2 Oordeel over nieuwe bevindingen
    Van de sinds 1987 verschenen literatuur geven de meta-analyse van Hodgson en
    Darnton (2000) en een rapport van de Environmetal Protection Agency (EPA)
    aanleiding voor een herziening van het MTR en VR.3,5
    Hodgson en Darnton (2000)
    De analyse van Hodgson en Darnton (2001) is gebaseerd op een meta-analyse
    van zeventien cohortonderzoeken. In een meta-analyse zijn de uitkomsten van
    verschillende onderzoeken samengenomen, om zo de zeggingskracht te vergro-
    ten. Een deel van de geanalyseerde onderzoeken was nog niet beschikbaar ten
    tijde van het basisdocument asbest uit 1987.
          De risico’s op mesothelioom zijn gegeven in een zogenoemde life-time table.
    Deze techniek zorgt voor een noodzakelijke correctie, omdat mensen immers
    ook aan andere aandoeningen kunnen overlijden. Verder wordt in de analyse van
    Hodgson en Darnton een aparte berekening gemaakt voor de risico’s van chryso-
    tiel en van de amfibolen amosiet en crocidoliet. Zij concluderen dat de potentie
    van chrysotiel om mesothelioom te veroorzaken zo’n honderd tot vijfhonderd
    maal lager is dan de potentie van amfibolen. In het rapport van de EPA (2003)
    wordt deze orde van grootte onderschreven.
          Dit betekent dat inmiddels, naast het beschikbaar komen van nieuwe cohort-
    onderzoeken, een betere methode beschikbaar is om normen af te leiden. Voor de
18  Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>oude berekening van de MTR en VR is destijds niet gecorrigeerd voor andere
doodsoorzaken. Ook is er vanuit gegaan dat chrysotiel maar tien maal minder
gevaarlijk is dan crocidoliet. De meta-analyse van Hodgson en Darnton lijkt
goed en degelijk onderzoek te zijn en bruikbaar voor een herziening van de MTR
en VR.
EPA 2003
In het EPA-rapport getiteld Technical support document for a protocol to assess
asbestos related risk vindt een uitgebreide analyse plaats van alle beschikbare
cohortonderzoeken5. Daarbij is veel aandacht besteed aan het zo goed mogelijk
karakteriseren van de blootstelling in die onderzoeken. Oude onderzoeken zijn
uitgebreid geëvalueerd. Zoveel mogelijk is geprobeerd alsnog informatie over de
blootstelling (concentraties, typen vezels en vezellengte) boven tafel te krijgen.
    In het rapport wordt voorgesteld om bij de afleiding van toekomstige normen
onderscheid te maken tussen vezels langer en korter dan 10 µm. In de huidige
normstelling (in binnen- en buitenland) wordt een vezellengte van 5 µm gehan-
teerd. Volgens de opstellers van het EPA-rapport is het risico van mesothelioom
bij vezels langer dan 10 µm driehonderd maal zo hoog als bij blootstelling aan
vezels met een lengte van tussen de 5 en 10 µm.
    Dat heeft ook consequenties voor de normstelling. In principe is iedere norm
gekoppeld aan een meetmethode. Een verandering van een meetmethode heeft in
principe dan ook een verandering van de norm tot gevolg. Wordt rekening
gehouden met de grens van 10 µm en het type vezel, dan daalt de variatie van de
schatting van het risico in de twintig onderzochte cohortonderzoeken van een
factor 1000 naar ruim 30. Voor de herziening van de MTR en VR lijkt dit rapport
bruikbaar.
Bespreking van de bevindingen
Een herziening van de normen voor blootstelling aan asbest in de lucht is
gewenst, zo blijkt uit de meta-analyse van Hodgson en Darnton en uit het rapport
van de EPA. Het onderzoek van Hodgson laat, naast de beschikbaarheid van
recenter cohortonderzoek zien dat voor het verschil in potentie tussen chrysotiel
en amfibolen een andere factor nodig is dan tot nu toe werd gebruikt. Ook zou
onderzocht moeten worden of een normstelling die gebaseerd is op een andere
grens voor de vezellengte in het EPA-rapport wenselijk en haalbaar is.
Herzien van de normen nodig op grond van de stand van wetenschap?                  19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>         De uitkomst voor de normstelling is niet op voorhand te geven, op grond van
    deze eerste en beperkte verkenning van de literatuur. Daarvoor is meer nodig.
    Voor de beoordeling van milieumonsters kunnen beide constateringen echter
    grote consequenties hebben. In het milieu (buitenlucht) gaat het vaak om chryso-
    tielvezels die vrij kort zijn, terwijl in de cohortonderzoeken waar de huidige nor-
    men van zijn afgeleid het meestal gaat om langere vezels.
         Daarnaast zou onderzocht kunnen worden welke conversiefactor het meest
    geschikt is om het MTR en VR, gemeten met FCM, om te rekenen naar concen-
    traties TEM. De gebruikte factor 2 is waarschijnlijk vrij conservatief: de ATSDR
    en NRC gebruiken voor deze omrekening een factor van 50 of meer.
         In het basisdocument asbest waarop de huidige norm is gebaseerd is overi-
    gens aangegeven dat de risicoschatting van de WHO is overgenomen. Daarin is
    niet meegenomen dat in een latere versie, naar aanleiding van een brief in het
    blad Science, een correctie van de WHO-waarde is voorgesteld.13 Die correctie
    zou voor de Nederlandse waarden als consequentie hebben gehad dat de MTR-
    waarde voor amfibolen niet 10 000 vezels/m3 maar 1000 vezels/m3 zou bedra-
    gen. Ook dat is dus al een reden voor een nieuwe normstelling voor asbest in de
    lucht. De VR-waarde voor asbest, die in Nederland beleidsmatig als grenswaarde
    wordt gehanteerd, is overigens een factor 100 lager dan de MTR.
3.3 Conclusie
    Recente kennis en inzicht over asbest maken een herziening van de huidige nor-
    men voor concentraties in de lucht nodig. Wat de consequenties zijn van een her-
    ziening van de MTR- en VR-waarden voor asbest is niet op voorhand duidelijk.
         Hoe kan de herziening van de normen ter hand genomen worden? In het ver-
    leden deed het RIVM in zijn basisdocumenten voorstellen voor grenswaarden,
    waarna de Gezondheidsraad deze toetste. Vervolgens stelde het ministerie van
    VROM de waarden vast. Gezien het beperkte karakter van een herziening van de
    MTR en VR voor asbest en zeker ook vanwege de maatschappelijke urgentie,
    zou deze, waar nodig met ondersteuning vanuit het RIVM, uitgevoerd kunnen
    worden door de Commissie Beoordeling van Carcinogeniteit van Stoffen van de
    Gezondheidsraad. Deze commissie is bereid spoedig met die werkzaamheden te
    beginnen en medio volgend jaar met een voorstel voor een nieuwe waarde te
    komen.
20  Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>   Literatuur
1  Burdorf A, Siesling S, Sinninghe Damste H. Regionale spreiding van het maligne mesothelioom in
   nederland. Deelrapport 1. Rotterdam/ Enschede: Erasmus MC Rotterdam: 2005.
2  Burdorf A, Siesling S, Sinninghe Damste H. Invloed van milieublootstelling aan asbest in de regio
   rond GOor op het optreden van het maligne mesothelioom onder vrouwen. Deelrapport 2. Rotterdam/
   Enschede: Erasmus MC Rotterdam: 2005.
3  Hodgson JT, Darnton A. The quantitative risks of mesothelioma and lung cancer in relation to
   asbestos exposure. Ann Occup Hyg 2000; 44(8): 565-601.
4  Slooff W, Blokzijl PJ. Basisdocument asbest. Bilthoven: RIVM; 1987: 758473006.
5  EPA. Report on the Peer Consultation Workshop to Discuss a Proposed Protocol to Assess Asbestos-
   Related Risk. Washington, DC: 2003: 68-C-98-148.
6  ATSDR. Toxicological profile for asbestos. ATSDR; 2001.
7  Gezondheidsraad. Asbest. Toetsing van een ontwerp-basisdocument. 's-Gravenhage: 2006: 1988/31.
8  WHO. Air Quality Guidelines. Copenhagen: WHO; 1987.
9  Biesheuvel PJ, Buurmeijer JF, Swuste PHJJ. Asbest: Van Goor naar Hof van Twente. Goor:
   Gemeenteraad Hof van Twente; 2003.
10 Hennekam M, Kaper W, Kole M, Reinders A. Asbestcementafval als wegverharding. Leiden:
   Centrum voor milieukunde Leiden; 1984.
11 den Boeft J. Asbestconcentraties nabij een met asbestafval verharde weg in Diepenheim. Delft: 1987:
   MT-TNO rapportR87/155.
12 Doll R, Peto J. Effects on health of exposure to asbestos. Report to the Health and Safety Committee.
   London UK: Her Majesty's Stationery Office: 1985.
13 Breslow L, Brown S, Ryzin JV. Risk from exposure to asbestos. Letter. Science 1986; 234(923).
   Literatuur                                                                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>22 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De geraadpleegde deskundigen
  Bijlagen
                               23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>24 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Bijlage A
        De adviesaanvraag
        Geachte Voorzitter,
        Uit de rapportage van een epidemiologische studie naar niet beroepsgebonden mesothelioomslachtof-
        fers (“Regionale spreiding van het maligne mesothelioom in Nederland (deelrapport 1; juni 2005)” en
        “Invloed van de milieublootstelling aan asbest in de regio rond Goor op het optreden van Maligne
        mesothelioom onder vrouwen (deelrapport 2; augustus 2005)”) door het Erasmus Medisch Centrum
        (e.a.) bleek dat significant meer slachtoffers dan verwacht zijn gevallen ten gevolge van blootstelling
        door asbestwegen. Deze studie heb ik op 4 november 2005 aan de Tweede Kamer aangeboden (Aan-
        bieding rapportage evaluatie Saneringsregeling asbestwegen eerste fase en aanbieding rapportage
        epidemiologisch onderzoek naar niet beroepsgebonden mesothelioomslachtoffers, DGM/SAS/
        2005190340) en is voor mij aanleiding de Gezondheidsraad om advies te vragen inzake de door de
        overheid te hanteren normering van het toelaatbare risiconiveau bij het omgaan met asbest in onze
        maatschappij.
        Meer specifiek luidt de vraagstelling welke ik aan de Gezondheidsraad wil voorleggen:
        1     Geeft de rapportage van het epidemiologisch onderzoek naar niet beroepsgebonden mesotheli-
              oomslachtoffers naar het oordeel van de Gezondheidsraad aanleiding tot het herzien van de door
              de Nederlandse overheid gehanteerde normering inzake toelaatbare risico’s in het tolereren van
              asbest in de samenleving, te weten het VR (Verwaarloosbaar Risico) en het MTR (Maximaal
              Toelaatbaar Risico)?
        2     Indien de Gezondheidsraad van mening is de bovenstaande vraag positief te moeten beantwoor-
              den, op welke termijn kan de Gezondheidsraad in dat geval advies uitbrengen inzake de nieuw te
        De adviesaanvraag                                                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>        formuleren normering voor het omgaan met asbest in de Nederlandse samenleving?
   Op ambtelijk niveau is reeds contact geweest ter voorbereiding van uw werkzaamheden in deze. Om
   mogelijke onrust in de maatschappij naar aanleiding van de bevindingen in het rapport te adresseren
   wil ik u verzoeken de beantwoording van deze vragen niet later dan 20 februari 2006 aan mij te doen
   toekomen, opdat ik de Tweede Kamer tijdig hierover kan informeren.
   Hoogachtend,
   de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
   Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
   w.g.
   drs PLBA van Geeel
26 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Bijlage B
        De geraadpleegde deskundigen
        Opgesteld door:
        • drs JW Dogger, secretaris
           Gezondheidsraad, Den Haag
        Met medewerking van:
        • prof. dr DJJ Heederik
           epidemioloog; Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS), Utrecht
        • dr JH van Wijnen
           medisch milieukundige; Amsterdam
        Samenstelling van de commissie ‘Beoordeling van carcinogene stoffen’
        • prof. dr ir AA van Zeeland, voorzitter
           hoogleraar moleculaire stralingsdosimetrie en stralingsmutagenese; Leids
           Universitair Medisch Centrum
        • dr GMH Swaen
           epidemioloog; Universitair Medisch Centrum, Maastricht
        • dr PJ Boogaard
           toxicoloog; Shell International BV, Den Haag
        • drs HC Dreef - van der Meulen
           toxicologisch patholoog; NV Organon, Oss
        De geraadpleegde deskundigen                                                27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   •   prof. dr H van Loveren
       hoogleraar immunotoxicologie; Universiteit Maastricht; tevens Rijksinstituut
       voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven
   •   prof. dr GJ Mulder
       hoogleraar toxicologie; Leiden/Amsterdam Center for Drug Research,
       Leiden
   •   dr MJM Nivard
       moleculair bioloog en genetisch toxicoloog; Leids Universitair Medisch
       Centrum
   •   dr H te Riele
       moleculair bioloog; Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam
   •   dr H Roelfzema, adviseur
       Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag
   •   prof. dr W Slob
       hoogleraar kwantitatieve risicobeoordeling; Universiteit Utrecht
   •   prof. dr ALM Verbeek
       hoogleraar klinische epidemiologie; Radboud Universiteit Nijmegen
   •   dr RA Woutersen
       toxicologisch patholoog; TNO, Zeist
   •   prof. dr EJJ van Zoelen
       hoogleraar celbiologie; Radboud Universiteit Nijmegen
   •   dr A van der Burght, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
   •   dr JM Rijnkels, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
   Gastspreker
   • dr ir A Burdorf
       epidemioloog; Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
   De Gezondheidsraad en belangen
   Leden van Gezondheidsraadcommissies worden benoemd op persoonlijke titel,
   wegens hun bijzondere expertise inzake de te behandelen adviesvraag. Zij kun-
   nen echter, dikwijls juist vanwege die expertise, ook belangen hebben. Dat
   behoeft op zich geen bezwaar te zijn voor het lidmaatschap van een Gezond-
   heidsraadcommissie. Openheid over mogelijke belangenconflicten is echter
   belangrijk, zowel naar de voorzitter en de overige leden van de commissie, als
   naar de voorzitter van de Gezondheidsraad. Bij de uitnodiging om tot de com-
28 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>missie toe te treden wordt daarom aan commissieleden gevraagd door middel
van het invullen van een formulier inzicht te geven in de functies die zij bekle-
den, en andere materiële en niet-materiële belangen die relevant kunnen zijn voor
het werk van de commissie. Het is aan de voorzitter van de raad te oordelen of
gemelde belangen reden zijn iemand niet te benoemen. Soms zal een adviseur-
schap het dan mogelijk maken van de expertise van de betrokken deskundige
gebruik te maken. Tijdens de installatievergadering vindt een bespreking plaats
van de verklaringen die zijn verstrekt, opdat alle commissieleden van elkaars
eventuele belangen op de hoogte zijn.
De geraadpleegde deskundigen                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>30 Achtergrondinformatie bij het briefadvies over asbest</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>