<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Blik op Brussel
     Nederlands gezondheidsonderzoek en Europese agendavorming
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Onderwerp             : aanbieding advies Blik op Brussel. Nederlands gezondheidsonderzoek
                        en Europese agendavorming
Uw kenmerk : 377310
Ons kenmerk : -1187/LC/ts/003-B
Bijlagen              :1
Datum                 : 28 november 2012
Geachte staatssecretaris,
Eind februari 2012 vroeg uw ambtsvoorganger de Gezondheidsraad om een praktisch
advies over de optimale aansluiting van de Nederlandse gezondheidsonderzoeksector op het
Europese onderzoeks- en innovatiebeleid. Het gevraagde advies, dat is getoetst door de
Raadscommissie voor Gezondheidsonderzoek, bied ik u hierbij aan. Tevens heb ik een
exemplaar van dit advies aangeboden aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport (VWS) en aan de minister van Economische Zaken (EZ).
In het advies beschrijft de commissie het belang van verschillende veranderingen in het
Europese landschap voor onderzoek en innovatie, zoals een toenemende focus op maat-
schappelijke uitdagingen en valorisatie. De commissie wijst op het strategisch belang van
een betere coördinatie van de bijdragen die de diverse vertegenwoordigers van overheid en
veldpartijen leveren aan de Europese agendavorming. Daartoe beveelt de commissie de
betrokken bewindspersonen van OCW, VWS en EZ aan een nieuwe klankbordgroep
Gezondheid in te stellen die een gezamenlijke visie formuleert en prioriteiten voorstelt voor
de inbreng van de Nederlandse overheid in Brusselse gremia. In het advies doet de commis-
sie ook enkele handreikingen voor een optimale ondersteuning van onderzoekers bij hun
(streven naar) deelname aan Europese programma's en partnerschappen.
Bezoekadres                                                            Postadres
Parnassusplein 5                                                       Postbus 16052
2 5 11 V X D e n        Haag                                           2500 BB Den     Haag
E - m a il : lm .c o r n i ps @ g r.n l                                w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 5 5 0 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Onderwerp             : aanbieding advies Blik op Brussel. Nederlands
                        gezondheidsonderzoek en Europese agendavorming
Ons kenmerk : -1187/LC/ts/003-B
Pagina                :2
Datum                 : 28 november 2012
De aanbevelingen van de commissie onderschrijf ik van harte. Ze passen ook goed bij de
toenemende internationale oriëntatie van het Nederlandse gezondheidsonderzoek.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. W.A. van Gool,
voorzitter
Bezoekadres                                                           Postadres
Parnassusplein 5                                                      Postbus 16052
2 5 11 V X D e n        Haag                                          2500 BB Den     Haag
E - m a il : lm .c o r n i ps @ g r.n l                               w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 5 5 0 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Blik op Brussel
Nederlands gezondheidsonderzoek en Europese agendavorming
aan:
de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de minister van Economische Zaken
Nr. 2012/25, Den Haag, 28 november 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-
(zorg)onderzoek’ (art. 22 Gezondheidswet).
     De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn & Sport; Infrastructuur & Milieu; Sociale Zaken
& Werkgelegenheid; Economische Zaken, en Onderwijs, Cultuur & Wetenschap.
De raad kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen, en ontwikkelingen of
trends signaleren die van belang zijn voor het overheidsbeleid.
     De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel
opgesteld door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel
benoemde – Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                 for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                 adviesorganen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het International Network of Agencies for Health
                 Technology Assessment (INAHTA), een internationaal samenwerkingsverband
                 van organisaties die zich bezig houden met health technology assessment.
  I NA HTA
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Blik op Brussel. Nederlands gezondheidsonderzoek en Euro-
pese agendavorming. Den Haag: Gezondheidsraad, 2012; publicatienr. 2012/25.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands. Eyes on Brussels. Dutch health research and
the shaping of the European agenda. The Hague: Health Council of the Nether-
lands, 2012; publication no. 2012/25.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 978-90-5549-928-1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>   Inhoud
   Samenvatting 11
   Executive summary 15
   Inleiding 19
.1 Achtergrond 19
.2 Adviesaanvraag 20
.3 Werkwijze en opzet advies 20
   Europese programma’s voor onderzoek en innovatie 23
.1 Onderzoek en innovatie in het Zevende Kaderprogramma (KP7) 23
.2 Europa 2020 en (nieuwe) programma’s voor onderzoek en innovatie 27
   Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng 31
.1 Totstandkoming Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s 31
.2 Organisatie van de Nederlandse inbreng in Europa 35
.3 Conclusie en knelpunten 40
   Deelname aan Europees onderzoek en innovatie 43
.1 Participeren in Europa: ondersteuning voor onderzoekers 43
.2 Deelname vraagt eerst investering 45
.3 Boter bij de vis 46
   Inhoud                                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre> .4 Mkb-deelname 47
 .5 Europese carrièreontwikkeling onderzoekers en ambtenaren 47
 .6 De regels van deelname 48
 .7 Conclusie en knelpunten 49
    Aanbevelingen 51
 .1 Een coördinatiestructuur voor een toekomstbestendige inbreng in Europa 51
 .2 Ondersteuning en voorwaarden voor optimale deelname aan
    Europees gezondheidsonderzoek 55
    Literatuur 59
    Bijlagen 61
A   De adviesaanvraag 63
B   De commissie 65
C   Cijfers KP7 69
D   Programma’s en partnerschappen voor onderzoek en innovatie 73
E   Samenstelling Taskforce European Connection 77
 0  Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Hoe kan het Nederlandse gezondheidsonderzoek zich gecoördineerd, efficiënt en
duurzaam positioneren in Brussel, zodat de sector een goede bijdrage levert aan
de Europese agendavorming? Op verzoek van de staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap heeft de Gezondheidsraad zich over deze vraag gebogen.
De commissie die is ingesteld voor de voorbereiding van dit advies doet voor-
stellen voor aanpassing van de huidige coördinatiestructuur en aanbevelingen
voor een betere ondersteuning van onderzoekers die deelnemen aan Europese
programma’s.
Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s
In het huidige Zevende Kaderprogramma heeft Nederland goed gepresteerd.
Nederlandse aanvragen binnen het thema gezondheid werden anderhalf keer zo
vaak gehonoreerd als aanvragen van andere landen en Nederland haalde negen
procent van de beschikbare financiering binnen, terwijl ons land 4,9 procent bij-
draagt aan de begroting van de Europese Unie. Inmiddels bestaan er naast het
kaderprogramma veel andere initiatieven, waardoor het Europese onderzoeks-
landschap onoverzichtelijker is geworden. Er is meer nadruk komen te liggen op
de coördinatie van gezamenlijke programmeringsinitiatieven (van diverse lidsta-
ten), op het stimuleren van publiekprivate samenwerking, op financiering van
onderzoek dat bijdraagt aan de oplossing van maatschappelijke uitdagingen en
op valorisatie (ontwikkeling van economische of sociale toepassingen). Om opti-
Samenvatting                                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>  maal gebruik te blijven maken van de kansen die Europa biedt, moet de Neder-
  landse gezondheidsonderzoekssector en de overheid rekening houden met deze
  ontwikkelingen.
  Inbreng in de Europese agendavorming
  Zowel vanuit de overheid als vanuit het veld vindt belangenbehartiging plaats in
  Brussel. Met name de doelmatigheid en de coördinatie van de Nederlandse
  inbreng is voor verbetering vatbaar. In het kort constateert de commissie de vol-
  gende knelpunten.
  Om te beginnen lopen de initiatieven van de overheid en van veldpartijen niet
  parallel en dragen zij niet altijd een gemeenschappelijke langetermijnvisie uit. Er
  is een klankbordgroep die de belangen van het veld onder de aandacht van de
  overheid moet brengen, maar die functioneert niet goed. Mede daardoor onder-
  nemen veldpartijen zelf actie richting Brussel, en in sommige gevallen leidt dat
  tot ongewenste concurrentie of een weinig doelmatige situatie. Vooralsnog is de
  Nederlandse inbreng sterk gericht op het kaderprogramma. Initiatieven buiten
  het kaderprogramma om worden echter steeds belangrijker. De belangenbeharti-
  ging van zowel het veld als de overheid zou ook daarop gericht moeten zijn.
  Onlangs is de Taskforce European Connection ingesteld, die de Nederlandse top-
  sector Life Sciences & Health moet positioneren in Brussel. Een sterk punt van
  de Taskforce is dat er zowel publieke als private partijen in vertegenwoordigd
  zijn, die goed kunnen inspelen op het toenemende belang van valorisatie. De
  Taskforce vertegenwoordigt echter niet het hele gezondheidsveld en kan dus niet
  de coördinerende rol op zich nemen die de staatssecretaris in zijn adviesaanvraag
  voor ogen heeft.
  Deelname aan Europees onderzoek en innovatie
  Mede dankzij een goede ondersteuningsstructuur bij (kennis)instellingen, het
  Expertisecentrum voor internationaal onderzoek en innovatie (EiOI) en het
  Netherlands house for Education and Research (Neth-ER) participeert Neder-
  land goed in Europees gezondheidsonderzoek. Wel is een aantal aspecten voor
  verbetering vatbaar.
  De overheid spoort instellingen aan deel te nemen aan consortia en partnerschap-
  pen die Europese onderzoeksprojecten gaan uitvoeren, maar verbindt hieraan
2 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>niet altijd financiële of ambtelijke ondersteuning. Dat beperkt de succesvolle
voorbereiding van dergelijke samenwerking. Bovendien hebben de kennisinstitu-
ten en UMC’s steeds meer moeite om te voldoen aan de matchingsverplichtin-
gen, die voorschrijven dat een Europese subsidie gepaard moet gaan met inzet
van eigen middelen. Tot slot is de achterblijvende deelname van private partijen,
met name het midden- en kleinbedrijf (mkb), aan onderzoeks- en innovatie-
programma’s zorgelijk, omdat valorisatie steeds meer nadruk krijgt.
Aanbevelingen
De commissie adviseert een nieuwe klankbordgroep in te stellen die vanuit de
belangen van veldpartijen in het gezondheidsonderzoek een gemeenschappelijke
visie ontwikkelt ter voorbereiding van het beleid van de overheid. Op die manier
kan Nederland met één mond spreken in Brussel, wat tot een effectievere bij-
drage leidt. De klankbordgroep moet het collectieve belang van het veld verte-
genwoordigen, zodat de ministeries dit kunnen meenemen in het formele overleg
over de Europese onderzoeks- en innovatieagenda. Omgekeerd horen onderzoe-
kers en bestuurders via de klankbordgroep en het EiOI en Neth-ER wat er speelt
in Europa en welke nieuwe programma’s of initiatieven beschikbaar komen voor
inschrijving.
Om daadkrachtig en efficiënt te kunnen functioneren, zou de klankbordgroep een
dagelijks bestuur moeten hebben. Ook een gedeeltelijke personele unie met de
onlangs ingestelde Taskforce European Connection ligt voor de hand. Het is
namelijk van belang dat klankbordgroep en Taskforce nauw samenwerken. Voor
de uitwerking van thema’s die prioriteit verdienen met het oog op de Brusselse
agenda zouden werkgroepen met daarin inhoudelijke experts ingesteld kunnen
worden.
Om de deelname van Nederlandse gezondheidsonderzoekers aan Europese initi-
atieven te consolideren is praktische ondersteuning nodig vanuit de EU liaison
officers van de kennisinstellingen, die de expertise in huis hebben voor een kans-
rijke indiening van onderzoeksvoorstellen. Daarnaast biedt het EiOI ondersteu-
ning op veel aspecten rond de deelname aan Europees onderzoek en innovatie.
Ter verbetering van de deelname beveelt de commissie aan de aansporingen van-
uit de overheid om mee te doen aan Europees onderzoek vergezeld te laten gaan
van financiële ondersteuning. Hier geldt dat de kost voor de baat uitgaat. Daar-
naast adviseert de commissie een matchingsfonds in te stellen. Daaruit kunnen
Samenvatting                                                                       13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>  instellingen die een Europese subsidie hebben verworven, putten om aan hun
  matchingsverplichtingen te voldoen.
  Een werkgroep zou zich moeten buigen over de vraag hoe deelname van het mkb
  aan gezondheidsonderzoek in Europees verband verbeterd kan worden. Best
  practices uit het buitenland kunnen daarbij als voorbeeld dienen. Tot slot is het
  van belang dat de nieuw in te stellen klankbordgroep aandacht besteedt aan de
  regels voor deelname aan Europese projecten. Voor zover wijzigingen hierin
  wenselijk zijn, moet dat worden ingebracht in de Brusselse besluitvorming.
4 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Executive summary
Health Council of the Netherlands. Eyes on Brussels. Dutch health
research and the shaping of the European agenda. The Hague: Health
Council of the Netherlands, 2012; publication no. 2012/25.
How can the Dutch health research sector position itself in Brussels in a
coordinated, efficient, and sustainable manner, so that it can make a useful
contribution to the formation of the European agenda? The Health Council of the
Netherlands has considered this question at the request of the State Secretary for
Education, Culture and Science. The Committee that was set up to prepare this
advisory report has made proposals for modifying the existing coordination
structure and issued recommendations for improving support to researchers
taking part in European programmes.
European research and innovation programmes
The Netherlands has performed well in the current Seventh Framework Pro-
gramme. Applications by Dutch researchers within the Health theme have been
honoured one and a half times more frequently than applications from other
countries. The Netherlands has secured nine per cent of the available funding,
whereas it contributes 4,9 per cent to the total budget of the European Union. In
addition to the framework programme, there are now many other initiatives; the
result of this is that the European research landscape has become more cluttered.
A greater emphasis is now placed on the coordination of joint programming initi-
atives (by different member states), on the stimulation of public-private partner-
ships, on financing research that contributes towards solving societal challenges,
and on valorisation (development of economic or social applications) for
Executive summary                                                                  15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>  research. In order to make the best possible use of the opportunities offered by
  Europe, the Dutch health research sector and the government must take account
  of these developments.
  Contribution to the formation of the European agenda
  Both the government and the health research sector represent their interests in
  Brussels. There is room for improvement to the efficiency and the coordination
  of the Dutch contribution in particular. Briefly, the Committee has noted the fol-
  lowing problem areas.
  To start with, government initiatives and those of the sector do not run in parallel
  and they do not always convey a common long-term vision. There is a consulta-
  tion group that has the task of highlighting the interests of the sector to the gover-
  nment, but it is not functioning well. It is partly in consequence of this that the
  various sector parties launch initiatives aimed at Brussels on their own, which in
  some cases leads to unwanted competition and is largely inefficient. So far, the
  Dutch contribution has been very much targeted at the framework programme.
  However, initiatives outside the framework programme are becoming increasin-
  gly important. Those representing the interests of the government and the sector
  alike should adapt the representation of their interests accordingly.
  The Taskforce European Connection, which has recently been set up, has been
  charged with positioning the Dutch ‘Topsector Life Sciences & Health’ in
  Brussels. A major feature of the Taskforce is that it includes representatives from
  both the public and private sectors who are well placed to respond to the increa-
  sing importance of valorisation. However, the Taskforce does not represent the
  entire health sector and is therefore unable to assume the coordinating role
  envisaged by the State Secretary in his request for advice.
  Participation in European research and innovation
  Thanks partly to a good support structure among knowledge institutes, the
  Expertisecentrum voor internationaal onderzoek en innovatie (the international
  research and innovation centre of expertise – EiOI) and the Netherlands house
  for Education and Research (Neth-ER), the Netherlands is playing a strong part
  in European health research. Still, a number of aspects could be improved.
6 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>The government encourages institutes to join consortia and enter into partner-
ships that are going to carry out European research projects, but does not always
provide financial or bureaucratic support in the process. This hinders successful
preparation for collaborations of this kind. Moreover, the knowledge institutes
and university hospitals are finding it more and more difficult to meet the mat-
ching obligations, which prescribe that a European grant must be matched by a
participant’s own resources. Finally, the lagging participation by the private sec-
tor in research and innovation projects, in particular small and medium-sized
enterprises, is a matter for concern, as an increasing emphasis is being placed on
valorisation.
Recommendations
The Committee recommends the setting up of a new consultation group that can
represent the interests of the sector parties and develop a common vision in pre-
paration for the policy of the Dutch government. This will enable the Nether-
lands to speak with one voice in Brussels, which will produce a more effective
contribution. The consultation group must represent the collective interests of the
sector so that the government ministries can take these into account during for-
mal consultations on the European research and innovation agenda. Conversely,
health researchers and officials will be able to learn from the consultation group
of any developments in Europe and of any imminent programmes or initiatives
for which they can apply.
In order to be able to function effectively and efficiently, the consultation group
would have to have an executive board. A partial personnel overlap with the
recently founded Taskforce European Connection is an obvious move, as it is
important that the consultation group and Taskforce work closely together. Wor-
king groups that include relevant specialists could be set up to develop themes
that should be prioritised in respect of the Brussels agenda.
In order to consolidate the participation of Dutch health researchers in European
initiatives, practical support from EU liaison officers within knowledge institutes
is needed, as they have the relevant expertise to develop favourable research pro-
posals. Besides this, the international research and innovation centre of expertise
– EiOI – offers support to many aspects related to participation in European
research and innovation. In order to improve the participation of Dutch health
researchers in European research and innovation, the Committee recommends
that the efforts on the part of the government to encourage such participation
Executive summary                                                                   17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>  should be paired with financial backing. It is the case here of losing a fly to catch
  a trout. The Committee also advises the establishment of a matching fund, from
  which institutes that have secured a European grant can obtain finance to meet
  their matching obligations.
      A working group should consider the question of how participation by small
  and medium-sized enterprises in European health research can be improved. Best
  practices from other countries may serve as an example. Finally, it is important
  that the new consultation group examines the rules of participation in European
  projects. If any changes in these rules are needed, they should be introduced to
  the Brussels decision-making process.
8 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre> oofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Achtergrond
          De Europese Unie (EU) ziet onderzoek en innovatie als dé manier om grote uit-
          dagingen als de vergrijzing, klimaatverandering, economische crises, globalise-
          ring en het tekort aan private investeringen het hoofd te bieden en de mondiale
          competitieve positie van Europa te versterken. Belangrijke pijler van het Euro-
          pese onderzoeks- en innovatiebeleid is het streven naar een zogenoemde Euro-
          pese Onderzoeksruimte (European Research Area, ERA), waarin activiteiten,
          programma’s en beleid op het gebied van onderzoek en ontwikkeling samenko-
          men vanuit de gedachte dat zij gebaat zijn bij een transnationaal perspectief.1
          Met grootschalige kaderprogramma’s en vele andere instrumenten stimuleert de
          EU onderzoek, innovatie en internationale samenwerking.
              De Nederlandse Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
          (ATW) heeft een handvat opgesteld voor een Europese strategie voor Neder-
          landse (top)sectoren, waaronder de topsectoren Life Sciences & Health (LSH) en
          Agri&Food.2 Nederland kan een belangrijke bijdrage leveren aan het Europese
          innovatievermogen en daarmee aan de verbetering van de Europese concurren-
          tiepositie, die omgekeerd ook de positie van Nederland weer versterkt, zo luidt
          de boodschap van de AWT. Volop meedoen in Europa is nodig om een goede
          positie te verwerven in de competitie om Europese middelen voor onderzoek en
          innovatie.
          Inleiding                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>        Het huidige Zevende Kaderprogramma 2007-2013 (KP7) en het nieuwe
    kaderprogramma Horizon 2020 (2014-2020) besteden veel aandacht en budget
    aan gezondheidsonderzoek, al dan niet in publiekprivaat verband. Nederlandse
    gezondheidsonderzoekers en bedrijven participeren in veel KP7–projecten, maar
    zullen vooruit moeten kijken om ook in de toekomst aan te sluiten bij het nieuwe
    kaderprogramma en andere Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s en
    instrumenten. Hoe kan Nederland een optimale en duurzame aansluiting van het
    Nederlandse gezondheidsonderzoek op de Europese agenda waarborgen? Dat is
    het onderwerp van dit advies.
1.2 Adviesaanvraag
    Tegen de achtergrond van de aanbeveling van de AWT om ‘per zwaartepunt, top-
    sector of delen daarvan’ een strategische visie te ontwikkelen op het Europese
    onderzoeks- en innovatiebeleid, vroeg de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
    en Wetenschap (OCW) op 27 februari 2012 de Gezondheidsraad om een prak-
    tisch advies over de kansen voor gezondheidsonderzoek in Europa. Hij vroeg de
    Gezondheidsraad een Europese strategie voor het Nederlandse gezondheidson-
    derzoek voor te stellen waarmee de sector ook in de toekomst goed en efficiënt
    aansluiting kan vinden bij het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid (zie bij-
    lage A). Om dit advies voor te bereiden heeft de voorzitter van de Gezondheids-
    raad op 28 maart 2012 een commissie ingesteld (zie bijlage B). De commissie
    kreeg als opdracht in te gaan op de volgende vragen:
    1 Hoe kan de Nederlandse gezondheidsonderzoekssector zich gecoördineerd,
        efficiënt en duurzaam positioneren in Brussel zodat de sector een goede bij-
        drage levert aan Europese agendavorming?
    2 Hoe kunnen Nederlandse gezondheidsonderzoekers optimaal (blijven) deel-
        nemen aan Europese programma’s en projecten?
1.3 Werkwijze en opzet advies
    Al bij de installatie van de commissie was duidelijk dat onder het Deense EU-
    voorzitterschap grote stappen werden gezet in de voorbereiding van Horizon
    2020. De commissie stelde vast dat zij vaart zou moeten maken om effectief te
    kunnen adviseren over de coördinatie van de Nederlandse bijdrage aan Europese
    agendavorming. Bovendien werd na de tweede vergadering van de commissie
    duidelijk dat de Topsector LSH besloten had tot de instelling van een Taskforce
    European Connection, die zich richting Brussel zal inzetten voor de in de LSH-
    sector verenigde publiekprivate samenwerkingsverbanden. De commissie con-
 0  Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>cludeerde daarop dat zij er goed aan zou doen op korte termijn een beknopt
advies uit te brengen, toegesneden op de actuele situatie. Op basis van voorver-
kenningen, interviews met vertegenwoordigers van diverse veldpartijen en over-
heidsorganen en haar eigen beraadslagingen, formuleerde de commissie
vervolgens dit advies, dat is getoetst door de Raadscommissie voor Gezond-
heidsonderzoek (RGO) van de Gezondheidsraad.
Inleiding                                                                        21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>2 Blik op Brussel</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre> oofdstuk 2
          Europese programma’s voor
          onderzoek en innovatie
          De EU heeft overkoepelende kaderprogramma’s en tal van instrumenten ontwik-
          keld om onderzoek, innovatie en internationale samenwerking te stimuleren. In
          dit hoofdstuk bespreekt de commissie een aantal trends op het gebied van Euro-
          pees onderzoek en innovatie aan de hand van een beschrijving van de grootste en
          voor het gezondheidsonderzoek meest relevante programma’s.
2.1       Onderzoek en innovatie in het Zevende Kaderprogramma (KP7)
          Het meeste door de Europese Unie gecoördineerde onderzoek wordt gefinan-
          cierd uit meerjarige kaderprogramma’s. In 2007 is het Zevende Kaderprogramma
          (KP7) van start gegaan dat nog tot en met 2013 doorloopt. KP7 was met een
          begroting van 54 miljard euro voor zeven jaar indertijd het grootste Europese
          programma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie. De calls
          voor de laatste werkprogramma’s van 2013 sluiten in het najaar van 2012 en in
          sommige gevallen vroeg in 2013.3
          KP7 bestaat uit vier onderdelen:
          • Ideeën. Dit onderdeel ondersteunt excellente onderzoekers bij hun grensver-
              leggend onderzoek. De programmering en onderzoeksfinanciering wordt
              geregeld door een externe uitvoeringsorganisatie van de Europese Commis-
              sie, de European Research Council (ERC).
          Europese programma’s voor onderzoek en innovatie                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>      •   Mensen. Dit onderdeel is gericht op het versterken van de capaciteit van
          onderzoekers en hun internationale onderzoekscarrière, via financiering van
          de Marie-Curie beurzen.
      •   Capaciteiten. Dit omvat een aantal programmaonderdelen die beogen de
          capaciteit van onderzoek en onderzoeksinfrastructuren in Europa te verster-
          ken.
      •   Samenwerking. Dit is verreweg het grootste onderdeel, goed voor twee derde
          van het totale budget van KP7. Dit onderdeel financiert Europese bedrijven
          en instellingen die in internationale consortia onderzoek doen dat past binnen
          één van de tien vastgestelde thema’s.
      Gezondheid is een van de tien thema’s binnen het KP7-onderdeel Samenwer-
      king. Met een budget van 6 miljard euro voor de gehele KP7-looptijd heeft
      Gezondheid het op één na grootste stuk van de taart gekregen, alleen voor het
      thema ICT is meer geld uitgetrokken.4 Binnen het KP7-thema Gezondheid wor-
      den vier gebieden geprioriteerd:
      • Biotechnology, generic tools and medical technologies for human health.
          Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het ontwikkelen van nieuwe imaging-tech-
          nieken en onderzoek naar innovatieve behandelingsmethoden.
      • Translating research for human health. Translationeel onderzoek naar
          gezondheidsproblemen zoals epidemieën, ziekten als kanker, chronische aan-
          doeningen en zeldzame ziekten.
      • Optimising delivery of healthcare to European citizens. Gezondheidszorgon-
          derzoek, waaronder onderzoek naar de bevordering van het vertalen van kli-
          nisch onderzoek naar de klinische praktijk, en kwaliteit en efficiëntie van
          gezondheidszorgsystemen.
      • Other actions across the Health theme. Dit vierde gebied dient vooral voor
          de financiering van beleidsondersteunende projecten en onderwerpen die
          politiek hoog op de agenda worden gezet door het Europees Parlement. Bin-
          nen dit onderdeel worden ook activiteiten gesteund die samen met, en ten
          behoeve van, landen buiten de EU (opkomende en ontwikkelingslanden)
          worden opgezet.
2.1.1 Nederlandse deelname aan KP7
      Jaarlijks publiceert het Expertisecentrum internationaal Onderzoek en Innovatie
      (EiOI), onderdeel van uitvoeringsorganisatie AgentschapNL, gegevens over de
      Nederlandse deelname aan het kaderprogramma. De overzichtspublicatie Neder-
      land in KP7 2011 biedt inzicht in de participatie van Nederland in het kaderpro-
 4    Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>gramma ten opzichte van andere Europese landen, op basis van gegevens over
afgesloten contracten (grant agreements) binnen KP7 van 2007 tot en met 2010.5
Bijlage C geeft een overzicht van de deelname van Nederlandse partijen in het
kaderprogramma, en een specificatie van de participatie in verschillende onder-
delen binnen het thema Gezondheid. In dat overzicht wordt onder meer zichtbaar
dat Nederland veelvuldig participeert in het relatief grote subonderdeel translati-
oneel onderzoek, maar ook in relatief kleine subonderdelen zoals gezondheids-
zorgonderzoek.
Voor het gehele thema Gezondheid zijn van 2007 tot en met 2010 in totaal 690
projecten toegekend, waarvan 340 met Nederlandse deelnemers. Het aantal aan-
gevraagde projecten met Nederlandse deelnemers is 1.302 en daarmee haalt
Nederland een slagingspercentage van 26,1 procent. Dit slagingspercentage geeft
aan welk deel van de ingediende projecten voor financiering in aanmerking
komt. Ter vergelijking: het gemiddelde slagingspercentage binnen Gezondheid
voor alle landen is met 16,1 procent een stuk lager.
    Tabel 1 vermeldt de toegekende financiering uit KP7-Gezondheid, per land.
Dit zogenoemde retourpercentage geeft per land aan welk percentage van de toe-
gekende KP7 financiering is verkregen. Hoewel Nederland in absolute zin (ruim)
achterblijft bij het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk is het retourper-
centage van 9,0 procent voor een klein land als Nederland erg goed te noemen,
zeker als dat percentage wordt afgezet tegen het percentage dat Nederland aan de
totale EU begroting bijdraagt: 4,9 procent.
Tabel 1 Toegekende financiering KP7-Gezondheid, per land.
      Land                  Toegekende financiering Retourpercentage       KP7 bijdrage (%),
                            KP7-Gezondheid             (%)                 gebaseerd op totale
                            (miljoen €)                                    afdracht aan EU
                                                                           begrotinga
1     Verenigd Koninkrijk   532,8                      16,9                11,2
2     Duitsland             512,3                      16,2                19,5
3     Frankrijk             331,1                      10,5                16,6
4     Nederland             283,4                       9,0                 4,9
5     Italië                236,5                       7,5                13,4
6     Zweden                173,2                       5,5                 2,4
7     Spanje                164,7                       5,2                 9,2
8     Zwitserland           140,0                       4,4                onbekend
9     België                120,3                       3,8                 4,1
10    Denemarken             89,2                       2,8                 2,2
a   De KP7 bijdrage van de geassocieerde landen (niet-lidstaten zoals Zwitserland) is niet bekend
    en is dus niet meegenomen in de berekening van de KP7 bijdrage. In werkelijkheid vallen de
    genoemde KP7 bijdragen van de EU-lidstaten daarom iets lager uit.
Europese programma’s voor onderzoek en innovatie                                                  25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>           Voor een gedetailleerder beeld van de participatie van diverse Nederlandse par-
           tijen in het kaderprogramma heeft het EiOI een analyse gemaakt van de verde-
           ling van toegekende financiering per type organisatie. Veruit de meeste
           financiering gaat naar de academie, op grote afstand gevolgd door onderzoeksor-
           ganisaties, midden- en kleinbedrijf (mkb), groot bedrijfsleven en ‘overig’ (zie
           figuur 1).
           De figuur laat zien dat de financiering van het Nederlandse mkb en het groot
           bedrijfsleven respectievelijk 8 en 0,5 procent bedraagt. Aangezien het Europees
           gemiddelde op 13 procent ligt voor het mkb en 3 procent voor het groot bedrijfs-
           leven loopt Nederland achter in vergelijking met andere landen. Dit probleem
           bestaat al langer: ook in KP6 was de participatie van private partijen in het toen-
           malige thema ‘levenswetenschappen en gezondheid’ relatief laag.6 Ondanks ver-
           schillende stimuleringsmaatregelen neemt de participatie van het mkb in
           Europees onderzoek en innovatie nog niet toe. Voor de Europese Commissie is
           dit een blijvend punt van zorg.
           Over het geheel genomen presteert Nederland goed in het Europees gefinan-
           cierde onderzoek binnen het onderdeel Gezondheid. KP7 loopt echter ten einde
           en zal worden opgevolgd door een nieuw kaderprogramma: Horizon 2020. Dit
           kaderprogramma verschilt in een aantal opzichten van KP7, en daarnaast zullen
           enkele (nieuwe) programma’s en partnerschappen in de komende jaren in belang
           toenemen. De aansluiting en positionering van het Nederlands gezondheidson-
           derzoek op Europa vraagt daarom blijvende aandacht.
iguur 1 Participatie Nederlandse partijen in KP7-Gezondheid.
6          Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>2.2 Europa 2020 en (nieuwe) programma’s voor onderzoek en innovatie
    Na de Lissabon-groeistrategie heeft de Europese Commissie de nieuwe
    groeistrategie Europa 2020 opgesteld, met als algemeen streven een slimme,
    duurzame en inclusieve economie. Europa 2020 kent zeven grootschalige initia-
    tieven, ook wel vlaggenschepen genoemd. Voor Europees onderzoek en innova-
    tie is het vlaggenschip Innovatie Unie het meest relevant. De Innovatie Unie
    heeft een drieledig doel:
    • stimuleren van Europese wetenschappelijke excellentie
    • wegnemen van obstakels voor innovatie
    • bevorderen van samenwerking tussen publieke en private partijen.
    Binnen de Innovatie Unie neemt de verdere ontwikkeling van een Europese
    Onderzoeksruimte een centrale plaats in. De Europese Commissie hoopt hiermee
    Europa aantrekkelijker te maken voor Europese en internationale onderzoekers
    en de coördinatie en samenhang van onderzoek en innovatie in verschillende
    EU-lidstaten te vergroten*.
         De afgelopen jaren zijn nieuwe instrumenten toegevoegd om de Europese
    Onderzoeksruimte verder vorm te geven, zoals de European Research Council
    (ERC), de Joint Technology Initiatives (JTI’s) en de Knowledge and Innovation
    Communities, (KIC’s). Met de toename van het aantal instrumenten en pro-
    gramma’s is het Europese landschap onoverzichtelijker geworden, en daarmee
    ook het ontwikkelen van de diverse agenda’s.1 De Europese Commissie zal
    daarom de komende jaren gebruik gaan maken van een common strategic frame-
    work (CSF), waarmee de coherentie en integratie van verschillende Europese
    fondsen en programma’s wordt nagestreefd.7 Voor het Nederlandse gezondheids-
    onderzoek zal dat betekenen dat de diverse Europese programma’s binnen en
    buiten Horizon 2020 in de toekomst meer in samenhang bekeken moeten wor-
    den.
         Twee belangrijke onderdelen van de Europese Onderzoeksruimte zullen hier-
    onder worden besproken: het nieuwe kaderprogramma Horizon 2020 en de geza-
    menlijke programmeringsinitiatieven. Bijlage D bevat een beschrijving van een
    aantal andere programma’s en partnerschappen die voor het thema gezondheid
    relevant zijn.
    Voor een overzicht van de European Research Area zie: http://ec.europa.eu/research/era.
    Europese programma’s voor onderzoek en innovatie                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>2.2.1 De opvolger van KP7: Horizon 2020
      In Brussel wordt momenteel hard gewerkt aan de inhoud en structuur van een
      nieuw grootschalig kaderprogramma voor onderzoek en innovatie: Horizon
      2020. Deze opvolger van KP7 zal met een door de Europese Commissie voorge-
      steld budget van ongeveer 80 miljard euro omvangrijker zijn dan ooit. Horizon
      2020 bestaat uit drie onderdelen:
      • wetenschappelijke excellentie: gericht op versterking van de Europese ken-
          nisbasis met behulp van zowel fundamentele als toegepaste wetenschappen
      • industrieel leiderschap: gericht op het versnellen van innovatie ter verster-
          king van de concurrentiekracht van Europese ondernemingen, waaronder het
          mkb
      • de aanpak van zes grote maatschappelijke uitdagingen:
          • gezondheid, demografische veranderingen en welzijn
          • voedselveiligheid, duurzame landbouw, marien en maritiem onderzoek en
              de bio-economie
          • veilige, schone en efficiënte energie
          • slim, groen en geïntegreerd vervoer
          • klimaatbeleid, hulpbronefficiëntie en grondstoffen
          • inclusieve, innoverende en veilige samenlevingen.8
      Deze maatschappelijke uitdagingen zullen van groot belang zijn voor de agenda-
      setting van Europese programma’s binnen en buiten Horizon 2020; ze zullen de
      kaders schetsen waarbinnen de jaarlijkse werkprogramma’s worden ingevuld.
      Daarnaast zullen de maatschappelijke uitdagingen een grote invloed uitoefenen
      op de invulling van andere programma’s, evenals de onderzoeksprogramma’s
      van de lidstaten.
      Door de groeiende nadruk van de Europese Commissie op innovatie en economi-
      sche valorisatie zal een hogere deelname van mkb en andere private partners nog
      belangrijker worden in Horizon 2020 dan momenteel het geval is in KP7. Twin-
      tig procent van de financiering uit de pijlers industrieel leiderschap en maat-
      schappelijke uitdagingen moet aan onderzoek uitgevoerd door het mkb worden
      besteed, een percentage dat momenteel niet gehaald wordt door veel landen,
      waaronder Nederland. Deze trend verdient bijzondere aandacht omdat een hoge
      participatie van het mkb juist op het gebied van gezondheidsonderzoek een lastig
      te realiseren doelstelling is.
 8    Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>      In Horizon 2020 wordt ook het Competitiveness and Innovation Framework
      (CIP) en het European institute of Innovation and Technology (EIT) opgenomen,
      twee initiatieven die voorheen los van het kaderprogramma stonden. Hieruit
      blijkt nogmaals dat innovatie en valorisatie in het nieuwe kaderprogramma een
      belangrijker rol zullen gaan spelen. Binnen het EIT zijn de zogenaamde kennis
      en innovatie gemeenschappen (Knowledge and Innovation Communities, KIC’s)
      belangrijk voor het uitvoeren van onderzoek en de implementatie van de strategi-
      sche onderzoeksagenda’s. Een KIC is een netwerk waarin de driehoek weten-
      schap, bedrijfsleven en onderwijs gezamenlijk werkt aan innovatie op een
      bepaald terrein, met een looptijd van zeven tot vijftien jaar. Het EIT draagt tot 25
      procent van de kosten van de KIC’s bij, de andere 75 procent moet uit publieke
      en private bronnen komen. Op dit moment zijn er drie KIC’s (ICT Labs,
      InnoEnergy en Climate) gestart met deelnemers uit verschillende landen. Ook
      Nederland participeert in deze KIC’s.
           De Europese Commissie stelt voor om het aantal KIC’s de komende jaren uit
      te breiden. Momenteel lopen drie verschillende Nederlandse regio’s ieder met
      hun eigen (buitenlandse) partners warm voor de plannen voor een KIC Health
      die naar verwachting van start zal gaan in 2014.* De definitieve plannen van het
      EIT moeten nog worden vastgesteld dan wel van advies worden voorzien door de
      Raad van ministers (ook wel de Raad van de Europese Unie genoemd, kortweg
      de ‘Raad’) en het Europees Parlement.
2.2.2 Gezamenlijke programmeringsinitiatieven
      Hoewel de Europese Commissie door de jaren heen steeds meer geld beschik-
      baar heeft gesteld voor onderzoek en innovatie, vormt het Brusselse budget maar
      een klein deel van het totale budget voor onderzoek en innovatie van alle Euro-
      pese lidstaten. Om toe te werken naar een gemeenschappelijke Europese Onder-
      zoeksruimte wil de Europese Commissie de onderzoeksinspanningen van
      individuele lidstaten beter op elkaar en op de Europese programma’s voor onder-
      zoek en innovatie afstemmen.8 Daartoe wordt de gezamenlijke inzet van exper-
      tise en financiën van lidstaten (vaak in publiekprivate verbanden) gestimuleerd.
      Door instrumenten te ontwikkelen die gecoördineerde onderzoeksprogramme-
      ring (op specifieke thema’s) in Europa ondersteunen hoopt de Europese Com-
      missie versnippering en doublering van onderzoek te voorkomen. Waarschijnlijk
      De KIC Health wordt voorbereid onder de naam Innovation for healthy living and active ageing.
      Daarnaast gaan naar verwachting twee andere KIC’s van start in 2014: Food4future, waarin Neder-
      land een belangrijke rol speelt, en Raw materials. Zie ook: http://eit.europa.eu/about-us/strategy/
      Europese programma’s voor onderzoek en innovatie                                                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>  zal deze vorm van Europese samenwerking in de komende jaren in belang toene-
  men.
       Een van de bekendste instrumenten gericht op Europese samenwerking zijn
  de gezamenlijke programmeringsinitiatieven (Joint Programming Initiatives,
  JPI’s). Dit zijn samenwerkingverbanden tussen lidstaten om nationale onder-
  zoeksprogramma’s beter te coördineren en de Europese maatschappelijke uitda-
  gingen het hoofd te bieden. Niet de Europese Commissie, maar de individuele
  lidstaten ontwikkelen hierbij een strategische onderzoeksagenda en voeren deze
  uit. De financiële ondersteuning vanuit Brussel is bedoeld voor het verbeteren
  van de coördinatie; de lidstaten betalen het onderzoek. Van de tien vastgestelde
  JPI’s zijn er vier met een duidelijke gezondheidscomponent. Nederland is betrok-
  ken bij elk van deze JPI’s: A healthy diet for a healthy life; Antimicrobial chal-
  lenge – an emerging threat to human health; More years, better lifes; Pilot
  initiative Neurodegenerative disease research. * De participatie aan deze JPI’s is
  mede te danken aan het lidmaatschap van gerenommeerde Nederlandse onder-
  zoekers in de verschillende internationaal samengestelde scientific advisory
  boards. Het is mogelijk dat de thema’s voor de JPI’s mede richting zullen geven
  aan de onderzoeks- en innovatieagenda’s van de Europese Commissie. Voor het
  participeren in JPI’s is overigens in een vroegtijdig stadium financiële ondersteu-
  ning vereist.
       Omdat het opzetten van JPI’s niet via de reguliere formele kanalen in Brussel
  verloopt (zoals het geval is voor de grootschalige kaderprogramma’s, zie hoofd-
  stuk 3), vergt het organiseren van de inbreng een andere aanpak. Dat blijkt bij-
  voorbeeld uit de geschiedenis van de totstandkoming van het JPI Antimicrobial
  challenge - an emerging threat to human health. Het Nederlandse veld bleek
  onvoldoende georganiseerd ten tijde van de opstartfase van het initiatief. Het
  ministerie van VWS, dat kampte met logistieke problemen, en ZonMW hebben
  lang geaarzeld om voluit mee te draaien in de voorbereidende vergaderingen. Pas
  nadat het veld signaleerde dat Nederland gezien de goede reputatie op het gebied
  van infectieziekten ten onrechte niet bij het JPI was aangesloten, werd voor een
  meer actieve insteek gekozen. ZonMw heeft vervolgens ingegrepen in de verga-
  dering waarin besloten werd over de verdeling van het (inhoudelijke) werk bin-
  nen het JPI, en is er zo alsnog in geslaagd het leiderschap in het belangrijkste
  workpackage – de ontwikkeling van de strategische onderzoeksagenda – te ver-
  werven.
  Zie voor een overzicht http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/overzicht-jpis.
0 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre> oofdstuk 3
          Europese agendavorming en
          (Nederlandse) inbreng
          Uit het vorige hoofdstuk bleek dat Europese programma’s voor onderzoek en
          innovatie aan verandering onderhevig zijn en dat diverse programma’s relevant
          zijn voor het gezondheidsonderzoek. In dit hoofdstuk beschrijft de commissie
          globaal de verschillende processen volgens welke de agenda’s van deze pro-
          gramma’s tot stand komen. De nadruk ligt op de organisatie van de Nederlandse
          inbreng voor de Europese agendavorming.
3.1       Totstandkoming Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s
3.1.1     Formele besluitvormingsprocessen
          De ontwikkeling van (de grote lijnen van) de Europese onderzoeks- en innovatie-
          programma’s valt onder de officiële Europese besluitvorming voor wetgeving en
          beleid. Dat betekent dat bij de totstandkoming van de structuur van bijvoorbeeld
          een kaderprogramma alle 27 lidstaten zijn betrokken en dat de besluitvorming
          plaatsvindt in een interactie tussen Europese Commissie (die de collectieve
          belangen van de EU behartigt), de Raad van Ministers (die de lidstaten vertegen-
          woordigt) en het Europees Parlement (voor de belangen van Europese burgers).
          Bij het opstellen van de grote lijnen van het nieuwe kaderprogramma Horizon
          2020 spelen de ambtenaren van de Europese Commissie, met name de scientific
          officers, een grote rol: zij voeren de pen. Dat geldt ook voor een later stadium, bij
          Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>  het invullen van de meer gedetailleerde werkprogramma’s. De ambtelijke onder-
  steuning van de Europese Commissie bestaat uit verschillende directoraten-gene-
  raal (DG’s), die ieder een beleidsterrein bestrijken. Voor de totstandkoming van
  Horizon 2020 maakt vooral DG Onderzoek & Innovatie de plannen en voorstel-
  len, maar andere DG’s kunnen invloed uitoefenen op de voorstellen van DG
  Onderzoek & Innovatie. Voor het gezondheidsonderzoek is het belangrijk reke-
  ning te houden met de invloed van DG Sanco (dat gaat over gezondheid en con-
  sumenten). De beleidsagenda van DG Sanco kan namelijk gebruikt worden bij de
  voorbereiding van de (specifieke invulling van) voorstellen van DG Onderzoek
  & Innovatie.
       De voorstellen van DG Onderzoek & Innovatie worden eerst besproken bin-
  nen de Raadswerkgroep Onderzoek, waar onderhandelingen plaatsvinden tussen
  de 27 lidstaten, vertegenwoordigd door attachés van de Permanente Vertegen-
  woordigingen (PV). Na afronding van de onderhandelingen in de Raadswerk-
  groep Onderzoek komt het al dan niet aangepaste voorstel in het comité van
  Permanente Vertegenwoordigers (Coreper). De besluitvorming vindt plaats in
  een onderhandelingsproces tussen de Europese Commissie, het Europees Parle-
  ment en de Raad van Ministers (nadat de lidstaten in de Raad van Ministers een
  gezamenlijk standpunt hebben ingenomen en ook het Europees Parlement eigen-
  standig een standpunt in heeft genomen over het voorstel van de Europese Com-
  missie). Het parlement kan wetsvoorstellen en andere plannen van de Europese
  Commissie goedkeuren, wijzigen of tegenhouden en speelt dan ook een substan-
  tiële rol in Europese besluitvorming.9
  De werkprogramma’s per onderdeel (waaronder ‘gezondheid’ en ‘agro-food’),
  zijn thematische invullingen van de grote lijnen (pijlers) van een kaderpro-
  gramma, waarmee de Europese Commissie aangeeft welk onderzoek in aanmer-
  king komt voor financiering. Voor de betrokken landen is het daarom erg
  belangrijk dat de werkprogramma’s de juiste onderwerpen bevatten en dat de
  voorwaarden op een gunstige wijze zijn geformuleerd. De werkprogramma’s stelt
  de Europese Commissie op in samenspraak met de lidstaten en tevens met een
  aantal niet-lidstaten die participeren in onderzoeks- en innovatieprogramma’s,
  zoals Noorwegen en Zwitserland (de zogenaamde geassocieerde landen). De for-
  mele inbreng voor de werkprogramma’s krijgt zijn beslag via het Programma
  Comité (PC), waarin per land één of meer afgevaardigden zitting nemen (veelal
  beleidsmedewerkers van ministeries). De Europese Commissie onderneemt daar-
  naast zelf verschillende activiteiten om input voor de nieuwe onderzoeks- en
  innovatieprogramma’s te vergaren. Zo voeren ambtenaren van de Europese Com-
  missie grootschalige (web)consultaties uit in het veld. Naast deze formele consul-
2 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>taties bestaan vele informele manieren waarop ambtenaren van de Europese
Commissie aan input van stakeholders komen (Zie paragraaf 3.1.2).
   Stand van zaken Horizon 2020
   Het voorstel voor Horizon 2020 is op 30 november 2011 door de Europese
   Commissie gepubliceerd, waarna een lang proces op gang is gekomen om
   tot een meer gedetailleerd en definitief voorstel te komen. Zowel de Raad
   van Ministers (met daarin de verschillende lidstaten) als het Europees Parle-
   ment krijgen de kans om met voorstellen voor aanpassingen (amendemen-
   ten) te komen, in de hoop dat er zo een gemeenschappelijk standpunt bereikt
   wordt. Onder het voorzitterschap van Denemarken (tot half 2012) is vaart
   gemaakt met de procedure, veel van de onderhandelingen met vertegen-
   woordigers van de lidstaten zijn al afgerond. In de tweede helft van 2012
   heeft Cyprus het voorzitterschap overgenomen van Denemarken. Onder het
   voorzitterschap van Ierland (eerste helft 2013) en later Litouwen (tweede
   helft 2013) moeten het budget en de nadere invulling van het programma
   voor Horizon 2020 worden vastgesteld. Op het gebied van gezondheid en
   agrofood kan Nederland met name nog veel bijdragen aan de invulling (eind
   2012 en in 2013) van het specifieke programma Health, demographic
   change and well-being, en daarnaast bijvoorbeeld aan de programma’s voor
   grootschalige onderzoeksfaciliteiten en ICT. Op dit moment (eind 2012)
   staat het totale budget van Horizon 2020 onder druk omdat enkele lidstaten
   het geplande budget te hoog vinden.
Sommige kleinere onderzoeksgebieden en thema’s volgen een heel eigen route
om op de Europese onderzoeksagenda te komen. Op het terrein van het gezond-
heidszorgonderzoek bijvoorbeeld heeft Nederland enkele jaren geleden de tot-
standkoming van een support action gestimuleerd. Met support actions
ondersteunt de Europese Commissie niet het onderzoek zelf maar de coördinatie
van en netwerken rond onderzoeksprojecten en programma’s. De support action
voor het gezondheidszorgonderzoek had als doel de prioriteiten voor het gezond-
heidszorgonderzoek te verkennen, binnen een van de laatste calls van KP7. De
support action is door een consortium van Europese partners uitgevoerd, waarbij
Nederland de leiding had. Via DG Onderzoek & Innovatie zijn de resultaten
teruggevoerd naar KP7. De ambtenaren van DG Onderzoek & Innovatie hadden
een belangrijk aandeel in de succesvolle disseminatie van de onderzoeksagenda
Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng                                  33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>      voor dit relatief kleine onderzoeksterrein. Het is de vraag in hoeverre de bottom-
      up methode die is gebruikt voor deze support action ook weer de ruimte krijgt
      binnen de nieuwe opzet van Horizon 2020. Het zal belangrijk blijven de verschil-
      lende routes in de gaten te houden waarlangs de agendasetting voor kleinere
      thema’s plaatsvindt.
         EU-routeplanner
         Het ministerie van VWS erkent het belang van een goede kennis van en
         ervaring met Europese besluitvorming als het gaat om grensoverschrijdend
         gezondheidsbeleid en wetgeving. In 2010 bracht VWS een update uit van
         een door de directie Internationale Zaken in 2006 opgestelde EU-route-
         planner. Deze gids voor Europese besluitvorming maakt beleidsmedewer-
         kers van het ministerie wegwijs in ingewikkelde EU-besluitvormingspro-
         cessen.9 De commissie vindt deze gids niet alleen van waarde voor
         betrokkenen bij Europees gezondheidsbeleid en wetgeving, maar acht de
         gids ook van groot nut voor vertegenwoordigers van het Nederlandse
         gezondheidsonderzoek die de gang naar Brussel willen maken. Om een
         meer gedetailleerd beeld te krijgen van de formele besluitvormingsprocedu-
         res, agendering, en de rol van Raadswerkgroepen, Coreper, Raad van Minis-
         ters en Parlement kan zij de EU-routeplanner van harte aanbevelen. Deze
         kan gratis worden opgevraagd bij het ministerie van VWS, directie Interna-
         tionale Zaken.
3.1.2 Informele processen rond agendavorming
      Met name de vroege fasen van agendavorming zijn minder transparant en for-
      meel gestructureerd dan de latere fasen waarin de thema’s voor onderzoeks- en
      innovatieprogramma’s (met name via de werkprogramma’s van het kaderpro-
      gramma) worden ingevuld en vastgesteld. In de vroege fasen spelen belangen-
      vertegenwoordigers een grote rol. De rol van belangenvertegenwoordigers in
      Brussel is in vergelijking met andere politieke hoofdsteden relatief groot. Een
      veel gehanteerd functioneel argument hiervoor is het permanente en structurele
      informatiegebrek waar de Europese Commissie mee kampt.10 Afgezet tegen de
      grote Europese bevolking beschikt de Europese Commissie over een relatief
      bescheiden ambtenarenapparaat. Ook heeft de Europese Commissie geen goed
      functionerend foresight instituut waarmee prioriteiten voor de langere termijn
 4    Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>      kunnen worden opgesteld. Mede daarom is het gebruikelijk om de Europese
      onderzoeks- en innovatieagenda’s op te stellen met hulp van verschillende veld-
      partijen (stakeholders) die op het juiste moment met een liefst breedgedragen (en
      langetermijn)visie of passende boodschap komen. Anders gezegd: de Europese
      Commissie is een effectieve plek om invloed uit te oefenen op de Europese agen-
      davorming.11 Belangenbehartiging behelst overigens meer dan de zendingsdrang
      van professionele lobbyisten. Veel van de informele processen waarin Europese
      ambtenaren hun input vergaren, vinden plaats in workshops of (wetenschappe-
      lijke) conferenties die bezocht worden door wetenschappers, patiëntenorganisa-
      ties en andere stakeholders. Ook het participeren in die gelegenheden is een
      vorm van belangenbehartiging. Naast belangenbehartiging via de Europese
      Commissie (op ambtelijk dan wel bestuurlijk niveau) is belangenbehartiging
      steeds meer gericht op Europese parlementariërs, mede omdat het Parlement in
      de afgelopen jaren een zwaardere rol in Europese besluitvorming heeft gekregen.
      Individuele onderzoekers kunnen als lid van commissies voor werkprogramma’s,
      en via informele contacten met DG Onderzoek & Innovatie, de inhoudelijke
      invulling van het kaderprogramma beïnvloeden. Met name principal investiga-
      tors kunnen hier een belangrijke rol vervullen en zouden ruimte en waardering
      moeten krijgen voor het vervullen van deze taak.
           Na de afronding van een onderzoeksproject gebruikt de Europese Commissie
      vaak de ervaring van de coördinatoren van het project bij het opstellen van de
      agenda voor daarop volgende projecten. Het coördinatorschap functioneert dus
      in belangrijke mate als een vehikel om richting te geven aan toekomstige onder-
      zoeks- en innovatieprogramma’s.
3.2   Organisatie van de Nederlandse inbreng in Europa
      Voor de Nederlandse inbreng in Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s
      kunnen eveneens twee routes onderscheiden worden: een formele en een infor-
      mele. De formele route loopt via de Nederlandse overheid, de informele route via
      belangenbehartiging door Nederlandse veldpartijen. Deze twee routes zijn in een
      tijd waarin steeds meer wordt geprobeerd overheid en veldpartijen samen te laten
      optrekken niet duidelijk gescheiden.
3.2.1 Formele routes Nederlandse inbreng
      Een belangrijke formele route voor de Nederlandse inbreng op de grote lijnen
      van de kaderprogramma’s en aanverwante programma’s loopt via de Raadswerk-
      Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>  groep Onderzoek, waar de PV de Nederlandse belangen behartigt. Op de PV
  werken voornamelijk afgevaardigden van de diverse Nederlandse ministeries en
  zij opereren in Brussel op basis van instructies van die ministeries. De afgevaar-
  digden voor de Raadswerkgroep Onderzoek krijgen hun instructies direct vanuit
  de ministeries van OCW (directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid, OWB) en
  EZ (directie Internationale Zaken, IZ). Indirect zijn ook andere ministeries, waar-
  onder VWS, betrokken bij het instrueren van de Nederlandse vertegenwoordi-
  gers in Brussel.
  Zoals beschreven in paragraaf 3.1.1 organiseren landen hun formele inbreng voor
  de werkprogramma’s van het kaderprogramma via het Programma Comité, dat in
  vergelijking met de Raadswerkgroep Onderzoek meer op detailniveau werkt. Het
  Programma Comité zal voor Horizon 2020 in verschillende configuraties (waar-
  onder een voor Gezondheid) bijeen komen. Vanuit Nederland zitten beleidsme-
  dewerkers van de verschillende ministeries in het Programma Comité; voor de
  configuratie Gezondheid zijn ambtenaren van VWS, EZ en OCW aangesteld als
  PC-leden. Zij worden ondersteund door een of meer experts. Voor het gezond-
  heidsonderzoek kunnen ook andere configuraties van het Programma Comité
  belangrijk zijn, zoals Voedsel, Ideeën en Capaciteiten. AgentschapNL heeft het
  overzicht van de Nederlandse PC-leden en experts van alle configuraties; de
  namen van de betrokkenen kunnen daar worden opgevraagd.
  Om de inbreng via de formele route naar Europa beter te coordineren heeft de
  Nederlandse overheid een Interdepartementaal Werkoverleg Kaderprogramma
  (IWK) ingesteld waarin met name zaken rond het kaderprogramma worden
  besproken en waarbij AgentschapNL, PC-leden en verschillende betrokkenen bij
  Europese partnerschappen aanschuiven.* Hoofddoel van het IWK is informatie-
  uitwisseling over Europese programma’s en partnerschappen, en bespreking van
  aspecten die voor alle thema’s relevant zijn. De inbreng voor de verschillende
  Programma Comités wordt uitgewisseld in het IWK, waarvoor in totaal ongeveer
  zestig personen op de uitnodigingenlijst staan.
       Bij het bepalen van de formele inbreng van de Nederlandse overheid (via de
  PC-leden) zijn ook de beleidsdoelstellingen van de betrokken ministeries van
  belang. De formele verantwoordelijkheid voor de Nederlandse inbreng ligt bij de
  PC-leden, die actuele beleidsprioriteiten naar voren kunnen schuiven. Zij probe-
  ren zoveel mogelijk signalen van diverse veldpartijen mee te nemen bij het bepa-
  Betrokken ambtenaren werken aan een iets gewijzigde opzet voor dit overleg, dat waarschijnlijk ook
  een nieuwe naam zal krijgen.
6 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>      len van die inbreng. Veldpartijen kunnen direct aankloppen bij ministeries of
      AgentschapNL, maar idealiter laten zij hun stem horen via de daarvoor inge-
      stelde klankbordgroepen, waarin de inbreng van veldpartijen wordt georgani-
      seerd. De klankbordgroep Gezondheid bestaat uit een brede vertegenwoordiging
      van het gezondheidsveld waaronder diverse inhoudsdeskundigen, kennisinstel-
      lingen en bedrijfsleven en wordt ingesteld door de PC-leden na consultatie van
      veldpartijen. De klankbordgroep komt fysiek bijeen voor de voorbereidingen van
      nieuwe kaderprogramma’s en wordt verder geconsulteerd wanneer inhoudelijke
      inbreng nodig is voor het opstellen (bijsturen) van de werkprogramma’s van het
      kaderprogramma.
      De samenstelling van de huidige klankbordgroep stamt uit de voorbereidingspe-
      riode voor KP7. Omdat de opzet en focus van Horizon 2020 en andere pro-
      gramma’s voor onderzoek en innovatie zal verschillen van de huidige situatie,
      ligt het voor de hand de klankbordgroep opnieuw in te richten.
           De commissie stelt op basis van haar eigen ervaringen en op basis van
      gesprekken met betrokkenen vast dat de afgelopen jaren de betrokkenheid van de
      klankbordgroep in de praktijk voor verbetering vatbaar was. Het bleek soms las-
      tig om partijen voldoende en op tijd te betrekken en hun input te krijgen ter voor-
      bereiding van bijeenkomsten van het PC. Dat zou kunnen liggen aan de geringe
      tijd die er was voor de experts om reactie (op soms dikke stukken) te geven. Ook
      was hun niet altijd duidelijk of en hoe hun reacties uiteindelijk in het Brusselse
      zullen doorwerken. Dit heeft tot gevolg dat de leden zich niet voldoende verant-
      woordelijk voelden voor het formuleren van hun inbreng. De respons lijkt al met
      al te bouwen op een kleine schare betrokkenen die de kar trekken, wat tot een
      enigszins kwetsbare situatie leidt.
3.2.2 Informele routes Nederlandse inbreng
      De grotere Nederlandse kennisinstellingen hebben eigen liaison officers aange-
      steld die zich voor een goede positionering in Europa kunnen inspannen. Deze
      liaison officers komen onderling regelmatig bijeen om de inbreng af te stemmen.
      Het overleg tussen liaison officers heeft een praktisch karakter en kent een
      hogere mate van betrokkenheid dan bij de huidige klankbordgroep Gezondheid
      het geval is. Een nadeel is dat de kleinere instellingen en onderzoeksgebieden
      vaak niet vertegenwoordigd zijn, omdat zij de capaciteit missen om liaison offi-
      cers aan te stellen. De liaison officers zijn er meestal niet specifiek voor het
      thema gezondheid, maar bestrijken meerdere velden. De organisatie van het
      regulier liaisonofficersoverleg ligt bij de vereniging van universiteiten VSNU en
      Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng                                     37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>  de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU). Ook het
  Expertisecentrum voor internationaal Onderzoek en Innovatie (EiOI) wordt voor
  dit overleg uitgenodigd. Het EiOI is voornamelijk gericht op uitvoeringsaspecten
  van Europees onderzoek en innovatie en biedt onderzoekers ondersteuning aan
  (zie hoofdstuk 4). Door het onderzoeksveld tijdig op de hoogte te brengen van
  ontwikkelingen en kansen op de Europese onderzoek en innovatieagenda heeft
  het EiOI ook een belangrijke waarde voor Nederlandse veldpartijen die willen
  bijdragen aan de agendasetting in Brussel.
  Naast de PV in Brussel is Neth-ER (Netherlands house for Education and
  Research) een tweede belangrijke organisatie voor het Nederlandse gezondheids-
  veld in Brussel. Neth-ER (opgericht in 2006) is een internationale vereniging
  zonder winstoogmerk die een groot deel van het publieke Nederlandse kennis-
  veld (organisaties op het gebied van onderzoek, onderwijs en innovatie) verte-
  genwoordigt in Europa en zijn leden en hun achterban ondersteunt in de
  beïnvloeding van Brusselse beleidsprocessen. Op deze wijze kan optimaal
  gebruik gemaakt worden van wat Europa aan Nederland te bieden heeft. Naast de
  VSNU is ook de NFU lid van de Vereniging. Neth-ER wordt ondersteund door
  het ministerie van OCW. Met andere ministeries, zoals EL&I en VWS, en met de
  medewerkers van de PV wordt nauw samengewerkt. Neth-ER is dan ook een
  goed voorbeeld van een organisatie die opereert op het grensvlak van formele
  inbreng (van overheden) en informele inbreng (van veldpartijen) bij de totstand-
  koming van Europees beleid. Naast het steunen en adviseren van de aangesloten
  organisaties dient Neth-ER een breder belang door het Nederlandse kennisveld te
  informeren (via nieuwsbrieven en seminars) over relevante Europese ontwikke-
  lingen op het gebied van onderwijs, onderzoek en innovatie. Daarnaast organi-
  seert Neth-ER werkgroepen op belangrijke thema’s en programma’s, zoals
  Horizon 2020, om de aangesloten leden te helpen bij het formuleren van hun
  eigen belangen en die van de andere leden en te zorgen voor een juiste afstem-
  ming voor de inbreng in Brussel.
      In 2009 heeft de NFU in samenwerking met ZonMw een overleg ingesteld,
  de Commissie Internationaal, om de activiteiten op het gebied van het gezond-
  heidsonderzoek in Europees en internationaal verband beter te coördineren. De
  Commissie Internationaal vertegenwoordigt de universitair medische centra
  (UMC’s) en probeert de prioriteiten van het Nederlandse gezondheidsonderzoek
  op de Europese agenda te krijgen. Daarvoor worden position papers geschreven
  waarmee enkele zeer actieve en betrokken vertegenwoordigers de gang naar
  Brussel maken.12 De prioriteiten in het position paper van de NFU zijn opgesteld
8 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>      door acht inhoudelijke werkgroepen, waarin met name hoogleraren uit de
      UMC’s, zitting hebben.
           Los van de succesvolle inspanningen van de Commissie Internationaal vin-
      den Nederlandse UMC’s ook zelf de weg naar Brussel. Het parallel bestaan van
      deze informele vorm van belangenbehartiging naast de gecoördineerde vertegen-
      woordiging door de Commissie Internationaal, of andere gremia, is uit het oog-
      punt van de gezamenlijke Nederlandse gezondheidsonderzoekers weinig effec-
      tief en kan zelfs contraproductief werken.
3.2.3 Positionering in Brussel via de Taskforce European Connection
      Het lijkt waarschijnlijk dat het topsectorenbeleid dat de toenmalige minister van
      Economische zaken, Landbouw en Innovatie heeft geformuleerd, de komende
      jaren zal worden voortgezet. Voor elk van de topsectoren is een zogenaamd inno-
      vatiecontract opgesteld, zo ook voor Life Sciences & Health (LSH). Daarin wor-
      den publiekprivate samenwerkingsverbanden gestimuleerd binnen sterke
      onderzoeks- en innovatiegebieden die van maatschappelijk én economisch
      belang zijn. De LSH-plannen zullen de komende tijd een grote rol spelen in de
      coördinatie van het Nederlandse gezondheidsonderzoek. Het innovatiecontract
      LSH bestaat uit tien roadmaps, die richting geven aan onderzoek en innovatie
      binnen de sector.
           Op aanwijzing van het ministerie van EL&I proberen de topsectoren ook de
      relatie met Europees onderzoek en innovatie te leggen. LSH is na de zomer van
      2012 aan de slag gegaan met een Taskforce European Connection. De LSH-
      Regiegroep, die zorg draagt voor de uitvoering van alle LSH-plannen, heeft de
      Taskforce ingesteld en de opdracht meegegeven een actieplan te maken waarin
      ‘investeren’ en ‘profiteren’ uiteindelijk ten gunste van de Nederlandse LSH-
      sector zullen uitvallen. De Taskforce richt zich op publiekprivate samenwerking
      en is inhoudelijk in eerste instantie georiënteerd op het thema active and healthy
      ageing. De Taskforce streeft naar een goede aansluiting van de diverse Neder-
      landse programma’s op JPI’s en het publiekprivate European Innovation Part-
      nership on Active and Healthy Ageing, dat binnen het Entrepreneurship and
      Innovation Programme (EIP) valt. Verder heeft de Taskforce als doel om de top-
      sectoren Agri&Food, HTSM (via Philips) en Creatieve industrie te betrekken bij
      LSH. Het is mogelijk dat de Taskforce op de langere termijn zijn focus (en
      samenstelling) zal verbreden. Vertegenwoordigers van de NFU, het groot
      bedrijfsleven, het mkb, ZonMw, de topsector Agri&Food en de topsector Crea-
      tieve industrie nemen deel aan de Taskforce. Daarnaast is een brede ondersteu-
      nersgroep ingesteld, waarin ervaringsdeskundigen uit de NFU, VWS, ZonMw en
      Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng                                    39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    Neth-ER plaatsnemen en die in verbinding staat (via ambtelijk waarnemers) met
    de ministeries van VWS, EZ en OCW en ook met de PV. In bijlage E is de
    samenstelling van de Taskforce opgenomen.
    Het is de bedoeling dat de Taskforce namens de in de LSH-sector verenigde
    publiekprivate verbanden een stevige aanzet zal geven tot de ‘positionering in
    Brussel’ waarop de staatssecretaris doelt in zijn eerste vraag aan de Gezond-
    heidsraad. Uit beoogde looptijd van de in LSH-verband ontplooide initiatieven
    valt af te leiden dat LSH voorlopig nog een belangrijke rol zal spelen in de coör-
    dinatie van het veld als het gaat om publiekprivate samenwerking in relatie tot
    Europese partnerschappen en programma’s.
3.3 Conclusie en knelpunten
    Het geheel overziend stelt de commissie vast dat er sprake is van een behoorlijk
    functionerend netwerk van personen en instellingen, van de overheid en van het
    veld, die elkaar door de jaren heen over het algemeen goed weten te vinden en
    ook in de richting van Europa redelijk effectief hebben geopereerd. Maar de
    commissie meent ook, met de staatssecretaris, dat de coördinatie van de Neder-
    landse inbreng in Europa, en met name de doelmatigheid daarvan, voor verbete-
    ring vatbaar is. Dit heeft zowel te maken met knelpunten in de huidige situatie
    als met ontwikkelingen in het onderzoek- en innovatiebeleid binnen Europa
    waarop Nederland moet inspelen om mee te blijven doen.
    Gezamenlijke visie wordt weinig uitgedragen
    Een optimale positionering in de agendavorming van Europees onderzoek en
    innovatie vraagt een heldere langetermijnvisie, waaraan zowel overheid als veld-
    partijen zich willen committeren en die dus daadwerkelijk gemeenschappelijk is.
    De veranderingen op het gebied van Europees onderzoek en innovatie maken het
    nodig een dergelijke visie op gezette tijden te vernieuwen en steeds weer
    opnieuw uit te dragen.
    Formele route en informele route zijn onvoldoende geïntegreerd
    Er is een aantal gremia van de overheid waarbinnen afstemming plaatsvindt en
    tevens een aantal meer informele gremia van veldpartijen, die ieder hun eigen
    focus en karakter kennen. De onderlinge coördinatie en verantwoordelijkheids-
    verdeling laat nog te wensen over. De klankbordgroep Gezondheid zou een
 0  Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>belangrijke rol kunnen spelen als mediator tussen veld en overheid, maar dit
komt momenteel onvoldoende uit de verf. Dat komt doordat de leden zich niet
altijd verantwoordelijk voelen voor een tijdige en breed gedragen inbreng, die
dan ook slechts ten dele tot stand komt. De PC-leden zijn als gevolg hiervan gro-
tendeels aangewezen op hun kennis van en directe contacten met het Neder-
landse veld en maken zelf een weging van de belangen van verschillende
veldpartijen. De klankbordgroep wordt bovendien meer ad hoc in plaats van
structureel geraadpleegd.
     Verschillende veldpartijen hebben ingezien dat de klankbordgroep zijn
beperkingen heeft. Veldpartijen organiseren daarom zelf de gang naar Brussel en
stellen daar hun eigen prioriteiten voor. Hoewel het goed is dat instellingen de
ruimte krijgen om met goede ideeën aan de Europese agendavorming bij te dra-
gen, is het belangrijk dat de inspanningen vanuit een gedeelde verantwoordelijk-
heid plaatsvinden. Losse initiatieven zijn vanuit het perspectief van de
Nederlandse gezondheidsonderzoekssector vaak weinig doelmatig. In elk geval
is het belangrijk dat de belangenbehartiging van veldpartijen goed wordt afge-
stemd met de formele Nederlandse vertegenwoordigers. De commissie conclu-
deert daarom dat de formele en informele routes naar Brussel meer geïntegreerd
moeten worden.
Veldpartijen trekken onvoldoende samen op, kleine veldpartijen zien wei-
nig kans zich te laten horen
Vanuit diverse veldpartijen vindt parallelle belangenbehartiging plaats in Brus-
sel. Zo probeert de Commissie Internationaal van de NFU prioriteiten op de
Europese agenda te krijgen, maar maken ook individuele UMC’s en (technische)
universiteiten de gang naar Brussel. De Europese Commissie ontvangt van veel
partijen position papers en zal de inbreng van partijen die gezamenlijk opereren
zwaarder wegen dan de inbreng van een enkele partij.13 Dat is ook de reden dat
koepelorganisaties zoals VSNU en de NFU een krachtig geluid kunnen laten
horen. Het succes van de Nederlandse vertegenwoordigers in Brussel hangt dus
mede af van de mate waarin coördinatie in Nederland tot stand komt en er voor
draagvlak wordt gezorgd.
     Drie Nederlandse regio’s proberen momenteel onafhankelijk van elkaar een
nieuwe KIC Health toegewezen te krijgen. Dergelijke nationale competitie is
weinig doelmatig omdat er slechts één hoofdlocatie voor een KIC wordt aange-
wezen. Na de uitverkiezing van de hoofdlocatie (en de overige co-locaties) is het
in het belang van het Nederlandse gezondheidsonderzoek dat het winnende con-
sortium waar mogelijk samenwerking zoekt met de overige partijen.
Europese agendavorming en (Nederlandse) inbreng                                   41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>       Andere, veelal kleine veldpartijen, bijvoorbeeld uit het gezondheidszorgon-
  derzoek, missen de middelen om actief de gang naar Brussel te maken en zijn
  voor hun vertegenwoordiging voornamelijk toegewezen op de klankbordgroep.
  Formele route is te eenzijdig gericht op kaderprogramma’s
  Het is de commissie opgevallen dat de formele aansturingstructuur, waaronder
  het Interdepartementaal Werkoverleg Kaderprogramma, de PC-leden en experts
  en de klankbordgroep sterk op de kaderprogramma’s zijn gericht. Het groeiende
  belang van gezamenlijke programmeringsinitiatieven (JPI’s) en andere partner-
  schappen en programma’s buiten het kaderprogramma vergt zeker in de toekomst
  de aandacht van de diverse vertegenwoordigers van het gezondheidsonderzoek,
  ook van de overheid. Omdat de relatie tussen het kaderprogramma en andere pro-
  gramma’s en partnerschappen zal worden geïntensiveerd is het nodig de belan-
  genbehartiging voor programma’s, initiatieven en partnerschappen van binnen en
  buiten het kaderprogramma te koppelen. Uit de beschrijving van de moeizame
  totstandkoming van de Nederlandse deelname aan het JPI op het gebied van
  infectieziekten (zie paragraaf 2.2.2) blijkt bovendien dat een goede structuur van
  veldpartijen en overheid ter signalering van kansen, ontbreekt. Daardoor dreigt
  de Nederlandse deelname aan dergelijke programma’s en consortia te veel af te
  hangen van de (ad hoc) activiteiten van enkelen.
  Taskforce mist brede vertegenwoordigende karakter dat nodig is voor
  effectieve coördinatie van het hele gezondheidsveld
  De LSH Taskforce European Connection biedt een geschikt platform om de rela-
  tie te leggen tussen onderzoek en valorisatie, dankzij het lidmaatschap van
  enkele belangrijke vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de uitstekende
  kennis en ervaring met het opzetten van publiekprivate partnerschappen. De
  Taskforce heeft de slagvaardigheid en ervaring met belangenbehartiging in huis
  die nodig is om in Brussel voortvarend te werk te gaan. Doordat ook de andere
  topsectoren zoals Agri&Food worden betrokken is de Taskforce bovendien goed
  uitgerust om cross-sectoraal te denken. Dat is een belangrijke kwaliteit nu Brus-
  sel veel minder sectorgericht is en meer nadruk legt op de maatschappelijke uit-
  dagingen. Tegelijkertijd is duidelijk dat de Taskforce bestaat uit een select
  gezelschap zonder sector breed gedragen status; de leden zijn door de LSH top-
  sector uitgekozen. De Taskforce mist daarmee het open en vertegenwoordigende
  karakter dat vereist is voor een effectieve coördinatie van het gehele gezond-
  heidsveld.
2 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre> oofdstuk 4
          Deelname aan Europees onderzoek en
          innovatie
          De tweede adviesvraag van de staatssecretaris gaat over hoe Nederland zo goed
          mogelijk kan inspelen op de kansen die Europees onderzoek en innovatie te bie-
          den heeft: hoe kunnen Nederlandse gezondheidsonderzoekers optimaal deelne-
          men aan Europese programma's en projecten? Daarover gaat dit hoofdstuk.
4.1       Participeren in Europa: ondersteuning voor onderzoekers
          Het participeren in Europese projecten en programma’s is geen sinecure. De
          competitie die eraan voorafgaat is fel en vereist niet alleen inhoudelijke excellen-
          tie maar ook een goede kennis van het reilen en zeilen van Europese pro-
          gramma’s, van de regels voor deelname en van de criteria voor honorering – die
          niet alleen gebaseerd zijn op wetenschappelijke excellentie. Bovendien is samen-
          werking met Europese partners essentieel voor succes in Brussel. Onderzoekers
          zullen moeten investeren in hun kennis van het veld, en rekening houden met de
          beste (internationale) partijen.
              Omdat het voor individuele onderzoekers lastig is op de hoogte te blijven van
          alle kansrijke initiatieven en facetten die relevant zijn voor het meedingen naar
          subsidies (en het daadwerkelijk participeren in projecten), zijn er verschillende
          routes voor hulp in het leven geroepen. De commissie meent dat de verantwoor-
          delijkheid voor de ondersteuning van onderzoekers ligt bij de universiteit, UMC
          of andere instelling waar de onderzoeker werkzaam is. Via zowel de formele als
          de informele routes die in het vorige hoofdstuk zijn beschreven, vloeit informatie
          Deelname aan Europees onderzoek en innovatie                                         43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>  over nieuwe thema’s, aanstaande calls en conceptstukken terug naar Nederlandse
  (kennis)instellingen. Grants offices en liaison officers van instellingen bieden de
  onderzoekers in een vroeg stadium van de Europese plannen de essentiële infor-
  matie en de benodigde ondersteuning en advies bij het traject dat voorafgaat aan
  de indiening van een onderzoeksvoorstel of participatie in een consortium of pro-
  gramma. Zij hebben de actuele kennis van Europees onderzoek en innovatie
  (waaronder juridische, financiële en managementaspecten).
  Kennis van de gewenste maatschappelijke impact is cruciaal bij het streven naar
  een goede deelname aan Europees onderzoek en innovatie. Het criterium impact
  blijft namelijk nog wel eens onderbelicht in voorstellen van Nederlandse onder-
  zoekers – die wel erg goed scoren op het criterium wetenschappelijke excellen-
  tie. Gezien het groeiende belang van interdisciplinair onderzoek en innovatie
  voor de aanpak van maatschappelijke uitdagingen, kunnen liaison officers van
  universiteiten een belangrijke toegevoegde waarde bieden door onderzoekers te
  wijzen op mogelijke samenwerking met andere onderzoekers uit verschillende
  disciplines.
       Onderzoekers doen er bovendien goed aan het perspectief van de patiënt
  ruim baan te geven in Europese onderzoeksaanvragen, omdat de Europese Com-
  missie de betekenis van onderzoek en innovatie voor de eindgebruiker steeds
  vaker als criterium hanteert (een onderdeel van ‘maatschappelijke impact’).
       De mogelijkheden die DG Sanco biedt aan gezondheids(zorg)onderzoekers
  zijn vaak minder bekend bij Nederlandse veldpartijen. Zeker omdat een aantal
  geprioriteerde gebieden uit de topsector LSH goed aansluit op de agenda van DG
  Sanco liggen hier kansen. Ondersteuners doen er goed aan onderzoekers te wij-
  zen op het kopje ‘informatie’ bij DG Sanco, waaronder onderzoek wordt uitgezet
  met open calls of oproepen voor enkele eerder geselecteerde partijen. Hetzelfde
  geldt voor de kansen op de agenda van DG Connect (voormalig DG INFSO), dat
  gaat over internet en communicatie. Meer in het algemeen bieden het techniek-,
  ICT- en voedingsonderzoek steeds meer kansen voor gezondheidsonderzoekers.
  Behalve via de liaison officers van (kennis)instellingen kunnen onderzoekers die
  inzetten op Europese subsidies gebruikmaken van de hulp van het expertisecen-
  trum EiOI. Het EiOI is formeel het Nederlandse National Contact Point (NCP)
  voor Brussel, dat de verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoeringsaspecten
  van onderzoek en innovatie.* Ieder land heeft zijn eigen NCP dat diensten ver-
  leent om onderzoekers en projectleiders te informeren en praktisch te ondersteu-
  Zie http://cordis.europa.eu/fp7/ncp_en.html.
4 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    nen bij Europese projecten en projectaanvragen. In Nederland organiseert het
    EiOI ook de verspreiding van informatie over kansen in Europa richting het
    Nederlandse onderzoeksveld.
        Het EiOI helpt Nederlandse organisaties door middel van voorlichting en
    trainingen te participeren in Europese programma's (met name in het kaderpro-
    gramma). Onderzoekers kunnen hun conceptvoorstel laten toetsen in een pre-
    evaluatie check, om zo de kans op succes te vergroten. Verder helpt het EiOI met
    vragen van onderzoekers over de indiening van voorstellen en de Europese
    regels voor deelname.
        Tot slot kunnen commerciële bureaus worden ingehuurd om de indiening van
    een Europees onderzoeksvoorstel voor te bereiden. Sommige van deze bureaus –
    een kritische selectie is vereist – hebben de expertise in huis om onderzoeksvoor-
    stellen optimaal te laten aansluiten bij Europese criteria voor honorering. Een
    vaak genoemd voordeel is dat deze bureaus de capaciteit hebben om zo nodig op
    korte termijn extra ondersteuning te bieden.
    De ondersteuning van onderzoekers lijkt zijn vruchten af te werpen, gezien de
    positieve retourpercentages die Nederland voor KP7 heeft behaald (zie hoofd-
    stuk 2 en bijlage C). De commissie meent dat met name kundige liaison officers
    en de diverse waardevolle diensten van het EiOI hieraan bijdragen.
4.2 Deelname vraagt eerst investering
    Het is duidelijk dat de tweede adviesvraag nauw samenhangt met de eerste vraag
    over de organisatie van de Nederlandse inbreng in de ontwikkeling van Europese
    onderzoeks- en innovatieagenda’s. Immers, de kost gaat voor de baat uit. De
    moeite die het kost om programma’s, projecten en partnerschappen mede te vor-
    men kan zich terugbetalen in deelname aan die programma’s, projecten en part-
    nerschappen.
        De overheid spoort ZonMw en andere instellingen aan te participeren in con-
    sortia en partnerschappen, zoals de JPI’s. Nederlandse partijen hebben een goede
    positie verworven in de Europese onderzoeksinfrastructuur voor biobanken
    (BBMRI), een groot Europees partnerschap op het gebied van translationeel
    onderzoek (EATRIS) en de vier JPI’s op het gebied van gezondheid (zie ook bij-
    lage D). De commissie constateert echter dat aan de aansporingen van beleidsde-
    partementen om deel te nemen aan Europees onderzoek en innovatie niet altijd
    een financieel commitment wordt verbonden. Dat belemmert de voorbereidingen
    om deel te nemen aan Europese projecten en partnerschappen. Voor een partner-
    Deelname aan Europees onderzoek en innovatie                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>    schap als een JPI, waarvoor de lidstaten onderzoeksfinanciering inzetten, is een
    dergelijk commitment zelfs onontbeerlijk.
         Het coördinatorschap van een Europees programma geeft goede mogelijkhe-
    den voor sturing van de inhoudelijke koers. In de opstartfase van programma’s
    wordt vaak gekeken welke partner geschikt zou kunnen zijn als coördinator. Het
    is belangrijk dat de overheid zich realiseert dat een coördinatorschap extra man-
    kracht en financiële inzet vereist, naast de investering in het daadwerkelijke
    onderzoek onder andere voor het opzetten van een secretariaat. Het zou goed zijn
    als de overheid voor dit soort zaken een budget beschikbaar heeft.
         De commissie wijst erop dat de baten van deelname aan Europese onder-
    zoeks- en innovatieprogramma’s en partnerschappen niet alleen financieel zijn;
    de opbrengst kan ook inhoudelijk groot zijn. Via gezamenlijke programmering
    worden Nederlandse onderzoekers en onderzoeksgroepen in staat gesteld mee te
    doen aan grote multinationale projecten, waarmee ze indirect toegang krijgen tot
    nationale fondsen van andere lidstaten. Door de gecoördineerde aanpak binnen
    die initiatieven kunnen de Nederlandse onderzoekers het nationale geld beter
    focussen op deelgebieden, in de wetenschap dat andere deelgebieden door onder-
    zoekers uit andere landen worden opgepakt. Ook de baten van deze inhoudelijke
    coördinatie rechtvaardigen een financiële investering die voorafgaat aan de deel-
    name aan Europese programma’s en partnerschappen.
4.3 Boter bij de vis
    Europese subsidies voor onderzoek en innovatie dekken slechts een deel van de
    kosten die participanten moeten maken. Het is gebruikelijk dat als een instelling
    een subsidie aanvaardt, deze daarmee verplicht wordt een deel van de kosten
    voor eigen rekening te nemen. Dat wordt het matchen van subsidies met eigen
    middelen genoemd. De Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid
    (AWT) wees in 2004 al op het belang van voldoende cofinancieringsmogelijkhe-
    den en riep op tot veranderingen in de matchingssystematiek.14 In het in 2009
    uitgebrachte advies Boter bij de vis schreef de Raadscommissie voor Gezond-
    heidsonderzoek (RGO) dat de matchingsverplichting de deelname aan Europese
    onderzoeks- en innovatieprogramma’s dreigt te beperken waardoor de ontwikke-
    ling van onderzoeksgroepen wordt belemmerd.15 In Nederland waren het vooral
    de nationale kennisinstituten NIVEL, RIVM, TNO, het Trimbos-instituut en uit
    de agrofood sector ook de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO) die grote
    moeite hadden om tegemoet te komen aan matchingsverplichtingen. Deze situa-
    tie is sinds het verschijnen van het advies niet ten goede veranderd. Integendeel:
    steeds vaker ondervinden ook universiteiten en UMC’s moeite om te voldoen aan
 6  Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>    de matchingsverplichting. Het dringende beroep op matchingsgelden dreigt
    bovendien een te groot beslag te leggen op de ruimte voor vrij onderzoek. De
    RGO kwam in zijn advies tot de conclusie dat de instelling van een matchings-
    fonds de deelname aan Europees onderzoek en innovatie kan stimuleren. De
    Europese regels laten ruimte voor gebruik van een dergelijk fonds; een aantal
    andere Europese landen heeft of had een matchingsfonds. De RGO concludeerde
    bovendien dat de investering in een matchingsfonds ook in economisch moei-
    lijke tijden wenselijk is omdat de kosten van het fonds zullen worden overtroffen
    door de financiële baten in de vorm van Europese subsidies.
4.4 Mkb-deelname
    Participatie van het mkb in Europees gezondheidsonderzoek wordt vaak als las-
    tig ervaren, zoals blijkt uit de cijfers over deelname aan KP7 uit hoofdstuk 2. De
    horizon van Europese projecten (vaak een jaar of vijf) zou te lang zijn voor deze
    bedrijven. Een rol als coördinator van een project is onaantrekkelijk voor het
    mkb; dat laten ze liever over aan universiteiten en kennisinstellingen, ook als de
    coördinatiekosten worden vergoed. Soms is participatie van het mkb in projecten
    weinig logisch omdat de Europese dimensie onvoldoende bij het bedrijfsprofiel
    past. Dat kan te maken hebben met de markt waarin deze bedrijven opereren, het
    product dat ze leveren, of een gebrek aan affiniteit met het reilen en zeilen in
    Brussel. Als dit soort bedrijven toch meedoet, wordt later nogal eens opgemerkt
    dat ze er ‘met de haren zijn bijgesleept’. Soms vragen Nederlandse partijen uit
    een consortium de andere, buitenlandse partners om mkb-ers uit hun land te
    betrekken. Het lijkt erop dat bedrijven die academici in dienst hebben, zoals vaak
    het geval is bij spin-offs van kennisinstellingen, beter toegerust zijn om op een
    goede manier te participeren in consortia. Het is in het belang van universiteiten
    en instituten om het bedrijfsleven, waaronder mkb, te betrekken bij Europees
    onderzoek en innovatie. Dat kan bijvoorbeeld door het coördinatorschap, dat
    wegens de zware administratieve lasten onaantrekkelijk is voor mkb, voor eigen
    rekening te nemen.
4.5 Europese carrièreontwikkeling onderzoekers en ambtenaren
    De Europese Commissie ondervindt regelmatig moeite bij het vinden van goede
    reviewers van onderzoeksvoorstellen uit Nederland (en uit andere lidstaten).
    Wanneer Nederlandse gezondheidsonderzoekers een goede internationale positie
    hebben opgebouwd in de wetenschap valt er winst te behalen als zij Europees
    actief worden als reviewer. Op die manier zien ze veel calls voorbij komen, leren
    Deelname aan Europees onderzoek en innovatie                                       47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    ze de kwaliteiten van onderzoeksinstellingen in andere Europese landen kennen,
    krijgen ze goed zicht op de state of the art in hun onderzoeksgebied en doen ze
    ervaring op met Brusselse procedures. Het opnemen van review-taken is dus een
    waardevol instrument voor carrièreontwikkeling en verdient vooral meer aan-
    dacht bij jonge onderzoekers. Het geeft Nederland bovendien de kans om de
    erkenning van wetenschappelijke excellentie als belangrijkste criterium bij het
    beoordelen van aanvragen te bewaken. Nederlandse onderzoekers scoren over
    het algemeen erg goed op dit aspect en het beleidsstandpunt van Nederland is dat
    het criterium ook in de toekomst leidend moet zijn.
         Bestuurders van instellingen zouden een goede participatie in Europees
    onderzoek moeten erkennen als een teken van kwaliteit. De instellingen doen er
    goed aan hun onderzoekers aan te sporen Europees actief te zijn en zich aan te
    melden als reviewer. Onder meer Neth-ER en EiOI kunnen het Nederlandse ken-
    nisveld informeren als de vraag naar reviewers actueel is bij de Europese Com-
    missie.
    In Brussel komen soms tijdelijke posten vrij op ambtelijk niveau waarvoor ook
    Nederlandse ambtenaren nodig zijn. Ter bevordering van de ervaring met Euro-
    pese besluitvorming en instrumenten en programma’s op het gebied van gezond-
    heidsonderzoek doen ministeries er goed aan ambtenaren (of geschikte personen
    uit andere publieke organisaties zoals universiteiten en instituten) op strategische
    tijdelijke posten in Brussel te zetten.
4.6 De regels van deelname
    In de Europese Rules of participation, ofwel regels van deelname, zijn de rand-
    voorwaarden vastgelegd voor samenwerking tussen de Europese Commissie en
    contractanten, en tussen contractanten onderling. Deze regels zijn van belang
    voor het Nederlandse gezondheidsonderzoek omdat ze onder meer voorschijven
    op welke manier organisaties hun fondsen kunnen werven. De regels voor deel-
    name zijn bovendien van groot belang bij het valoriseren van wetenschappelijke
    projectresultaten; ze bepalen hoe aantrekkelijk het is voor bedrijven om deel te
    nemen. Voor het mkb is momenteel de complexiteit van de regels van deelname
    een onaantrekkelijke factor. De Europese Commissie werkt overigens met één
    set van regels voor deelname voor alle onderdelen van Horizon 2020, er zijn dus
    geen speciale regels voor gezondheidsonderzoek.*
         Om effectieve consortia op te zetten is het nodig dat de verschillende typen
    deelnemers onderlinge afspraken maken die goed passen binnen het raamwerk
    van de regels van deelname. Het is om deze reden van groot belang dat instellin-
 8  Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>    gen expertise in huis hebben voor het (mede vormgeven aan en) gebruiken van
    de regels van deelname. Een integratie van financiële, administratieve en juridi-
    sche deskundigheid is hiervoor vereist. Deze essentiële deskundigheid is bij
    grote instellingen vaak voorhanden maar voor kleinere organisaties, met een
    lager budget en minder mankracht, is deze lastig te realiseren.
    De ministeries van EZ en OCW hebben een klankbordgroep met specialisten
    voor de financieel juridische regels van Europese programma’s waarin veel veld-
    partijen zitting hebben en waarbinnen ook aspecten besproken kunnen worden
    die specifiek van belang zijn voor het gezondheidsonderzoek. Voor deze klank-
    bordgroep is het echter lastig de aspecten die specifiek voor het gezondheidson-
    derzoek belangrijk zijn goed te overzien.
4.7 Conclusie en knelpunten
    Mede dankzij een goede ondersteuningsstructuur bij (kennis)instellingen en het
    Expertisecentrum EiOI participeert Nederland goed in Europees gezondheidson-
    derzoek. De commissie meent dat de verantwoordelijkheid voor de ondersteu-
    ning van onderzoekers bij (het streven naar) deelname aan Europees onderzoek
    en innovatie veelal bij de instelling ligt waar de onderzoeker werkzaam is. De
    commissie wijst op het bijzondere belang van een aantal aspecten rond de deel-
    name aan Europese programma’s en partnerschappen, zoals het tijdig en passend
    informeren van onderzoeksgroepen door het EiOI, Neth-ER en andere ondersteu-
    ners, het vervullen van reviewtaken door onderzoekers als daar vraag naar is bij
    de Europese Commissie, en een goed zicht van betrokken ambtenaren en veld-
    partijen op relevante regels van deelname. Tevens vindt de commissie dat een
    aantal aspecten rond de deelname aan Europese programma’s en partnerschap-
    pen voor verbetering vatbaar is.
    Wens om te participeren aan Europese projecten mist commitment
    overheid
    De overheid spoort instellingen aan te participeren in consortia en partnerschap-
    pen, zoals gezamenlijke programmeringsinitiatieven (JPI’s), maar verbindt hier-
    Veel gebruikers van de kaderprogramma’s dringen aan op vereenvoudiging van de diverse financie-
    rings-, administratieve en juridische modaliteiten. Die vereenvoudiging heeft momenteel prioriteit op
    de agenda van de Europese Commissie.
    Deelname aan Europees onderzoek en innovatie                                                          49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>  aan niet altijd financiële of ambtelijke ondersteuning. Dat beperkt de succesvolle
  voorbereiding van een project of partnerschap.
  Matchingsverplichtingen knellen steeds meer
  Zowel de nationale kennisinstituten als de universiteiten en UMC’s hebben
  steeds meer moeite te voldoen aan de Europese matchingsverplichting (die voor-
  schrijft dat een subsidie van de Europese Commissie gepaard moet gaan met
  inzet van eigen financiële middelen).
  Mkb te weinig betrokken bij onderzoeksprogramma’s en partnerschappen
  Aangezien de Europese Commissie een toenemend belang hecht aan het betrek-
  ken van het mkb bij onderzoek en innovatie (ten behoeve van valorisatie) is de
  achterblijvende deelname van private partijen, met name mkb, aan programma’s
  en partnerschappen, zorgelijk. Dit moet voor het Nederlandse gezondheidsonder-
  zoek een belangrijk aandachtspunt zijn, wil zij in de toekomst de aansluiting op
  de Europese agenda behouden.
0 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre> oofdstuk 5
          Aanbevelingen
          Hoe kan de Nederlandse gezondheidsonderzoekssector zich gecoördineerd, effi-
          ciënt en duurzaam positioneren in Brussel zodat de sector een goede bijdrage
          levert aan Europese agendavorming? De commissie zoekt het antwoord op deze
          eerste adviesvraag in een aangepaste coördinatiestructuur voor de inbreng in
          Europa. Idealiter worden daarmee de bestaande (en veelal succesvolle) ‘formele’
          en ‘informele’ initiatieven richting Brussel gekoppeld en op één lijn gebracht
          zodat de Nederlandse inbreng voor Europese programma’s zoals Horizon 2020
          ook op de lange termijn gecoördineerd en efficiënt tot stand komt.
5.1       Een coördinatiestructuur voor een toekomstbestendige inbreng in
          Europa
          Het Europees landschap van onderzoek en innovatie bevindt zich in een over-
          gangsfase: de nadruk op valorisatie wordt groter, maatschappelijke uitdagingen
          zijn leidend, en programma’s en instrumenten voor onderzoek, innovatie en regi-
          onale ontwikkeling raken meer verweven. Dat vraagt om blijvende aandacht
          voor de Europese onderzoek- en innovatieagenda en de Nederlandse inbreng in
          die agenda. Uit hoofdstuk 3 blijkt dat de huidige organisatie van de Nederlandse
          inbreng een aantal knelpunten vertoont. Wat vooral mist is één coördinerend
          lichaam dat zowel afstemt met het beleid van de Nederlandse overheid als de
          belangen van het veld weet te organiseren en te integreren. Op die manier kunnen
          Nederlandse betrokkenen meer dan nu het geval is gezamenlijk optrekken naar
          Aanbevelingen                                                                    51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>  Brussel (zonder onderlinge competitie), wat de overtuigingskracht en dus de sla-
  gingskans vergroot. Bovendien ontstaat er dan voor de PV in Brussel en Neth-ER
  een duidelijk aanspreekpunt van betrokken bestuurders en onderzoekers in de
  gezondheidsonderzoekssector, waardoor de informatievoorziening effectiever
  verloopt. De aanbevelingen van de commissie aan de ministeries van OCW,
  VWS en EZ hebben daarom met name betrekking op een strakkere coördinatie-
  structuur.
  Aanbeveling 1 Stel een nieuwe breed samengestelde
  klankbordgroep Gezondheid in
  De door de betrokken bewindspersonen van OCW, VWS en EZ in te stellen
  klankbordgroep neemt verantwoordelijkheid voor het formuleren van de inhou-
  delijke Nederlandse inbreng op het gebied van Europees gezondheidsonderzoek
  en adviseert daarover de PC-leden en andere formele vertegenwoordigers. De
  commissie stelt zich voor dat deze klankbordgroep bestaat uit vertegenwoordi-
  gers van veldpartijen die een uitstekend overzicht hebben over hun achterban en
  ook namens die achterban spreken. De klankbordgroep zal in het begin regelma-
  tig bijeen moeten komen, en daarna bijvoorbeeld halfjaarlijks. Voor ad hoc ont-
  wikkelingen kan zij schriftelijk worden geconsulteerd. De commissie adviseert
  de klankbordgroep breed samen te stellen met maximaal ongeveer vijftien verte-
  genwoordigers, waaronder in elk geval de volgende elf:
  • voorzitter
  • vertegenwoordiger van de NFU
  • vertegenwoordiger van de HBO Raad
  • vertegenwoordiger KNAW, NWO en VNSU
  • vertegenwoordiger van ZonMw
  • vertegenwoordiger van het RIVM
  • vertegenwoordiger TNO/Nivel/Trimbos
  • vertegenwoordiger groot bedrijfsleven
  • vertegenwoordiger mkb
  • vertegenwoordiger patiëntenorganisaties
  • vertegenwoordiger gezondheidsfondsen.
  De commissie adviseert het secretariaat van de klankbordgroep bij Agent-
  schapNL te beleggen en een waarnemer vanuit Neth-ER en ambtelijk waarne-
  mers vanuit de ministeries van OCW, VWS en EZ te benoemen. De overige
  posities in de klankbordgroep kunnen worden ingevuld met vertegenwoordigers
2 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>van nader te bepalen (maatschappelijk betrokken) organisaties zoals zorgverze-
keraars, GGD’en, en andere zorgaanbieders dan UMC’s.
De nieuwe klankbordgroep adviseert de ambtelijk vertegenwoordigers in Euro-
pese overlegorganen omtrent de inhoudelijke inbreng die zij kunnen leveren als
de Europese Commissie werkt aan nieuwe Europese werkprogramma’s of onder-
werpen rond het thema Gezondheid, zowel binnen als buiten het nieuwe kader-
programma Horizon 2020. De verbinding van verschillende onderdelen en
andere, verwante initiatieven (zoals de JPI’s) verdient daarbij bijzondere aan-
dacht. De klankbordgroep draagt het collectieve belang uit van het Nederlandse
gezondheidsonderzoekveld en formuleert daartoe, in wisselwerking met de ver-
tegenwoordigers van de betrokken ministeries, een gezamenlijke visie – die
dankzij het brede draagvlak effectief te gebruiken is als bijdrage aan Europese
agendavorming. De publieke delen van het Nederlandse gezondheidsonderzoek,
bijvoorbeeld public health onderzoek en gezondheidszorgonderzoek, dienen dan
ook nadrukkelijk te worden betrokken bij de prioriteitstelling van de klankbord-
groep en de activiteiten in Brussel. Het streven naar een gecoördineerde inbreng
betekent bovendien dat de kern van de klankbordgroep probeert initiatieven van
veldpartijen richting Europa die sporen met de gezamenlijk geformuleerde
Nederlandse inbreng te stimuleren, en, waar mogelijk, niet-sporende initiatieven
te ontmoedigen. De Nederlandse ambtenaren die de Brusselse vergaderingen bij-
wonen doen verslag aan de klankbordgroep zodat zij goed op de hoogte blijft van
het verloop van besprekingen in de formele Europese gremia.
Aanbeveling 2 Benoem een dagelijks bestuur van de
klankbordgroep, ter bevordering van daadkracht en efficiëntie
De commissie adviseert de bewindspersonen van VWS, OCW en EZ een dage-
lijks bestuur van de klankbordgroep Gezondheid te benoemen dat in wisselwer-
king met de hele groep een visie opstelt en voorstellen formuleert. Daarnaast zou
dit dagelijks bestuur zelf op gezette tijden de gang naar Brussel (op bestuurlijk
niveau) moeten maken, in voorbereiding en in aanvulling op de formele ambte-
lijke inbreng. De PV in Brussel en Neth-ER, als vooruitgeschoven post van de
Nederlandse overheid en het veld, dienen nauw te worden betrokken bij zowel
het opstellen van de Nederlandse visie en voorstellen als bij de daadwerkelijke
gang naar Brussel van het dagelijks bestuur van de klankbordgroep. Zij weten
wat de juiste gelegenheden zijn die Nederland moet aangrijpen om met inhoude-
lijke inbreng voor de dag te komen. De commissie acht het daarom van belang
Aanbevelingen                                                                     53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>  dat Neth-ER ook in de toekomst de middelen krijgt om de benodigde diensten
  aan te bieden.
  De commissie beveelt aan het dagelijks bestuur van de klankbordgroep als volgt
  samen te stellen: voorzitter, vertegenwoordiger NFU (overweeg hiervoor de
  voorzitter van de NFU Commissie Internationaal te vragen) en een vertegen-
  woordiger van private partijen.
  Aanbeveling 3 Zorg voor een goede samenwerking van
  klankbordgroep en Taskforce
  De commissie is van mening dat de recent ingestelde Taskforce European Con-
  nection een kleine en slagvaardige club is die goed uit de voeten kan met nieuwe
  Europese ontwikkelingen, zoals het groeiende belang van publiekprivate partner-
  schappen, valorisatie, en integratie van onderzoek, innovatie en instrumenten
  voor regionale ontwikkeling. Anderzijds is het voor de commissie duidelijk dat
  dit coördinerende mechanisme niet het gehele Nederlandse gezondheidsonder-
  zoekveld omvat. Het ontstaan van een dubbele coördinatiestructuur, enerzijds
  een structuur voor het in publiekprivaat verband uitgevoerde gezondheidsonder-
  zoek en daarnaast een structuur voor het onderzoek dat daarbuiten valt, acht de
  commissie onwenselijk. De commissie zoekt de oplossing in het organiseren van
  een intensieve dialoog tussen (het dagelijks bestuur van) klankbordgroep en
  Taskforce door middel van een gedeeltelijke personele unie. Zij adviseert daartoe
  de voorzitter en één lid van de Taskforce tevens op te nemen in de nieuw in te
  stellen klankbordgroep Gezondheid. Voorts verdient het overweging om één van
  deze twee Taskforceleden in het dagelijks bestuur van de klankbordgroep op te
  nemen.
  Aanbeveling 4 Stel werkgroepen in voor de uitwerking van
  prioritaire thema’s
  De commissie beveelt aan om voor de uitwerking van thema’s die kansrijk zijn in
  relatie tot de actuele stand van zaken in de vorming van de Europese onderzoeks-
  en innovatieagenda’s inhoudelijke ad-hoc werkgroepen in te stellen. Om de sec-
  toroverstijgende verbanden te leggen die in Europa zoveel aandacht krijgen, ver-
  dient het aanbeveling in deze werkgroepen ook relevante partijen uit andere
  domeinen (denk aan Agri&Food of HTSM) op te nemen. De werkgroepen rap-
  porteren aan de klankbordgroep in de vorm van position papers.
4 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>    Bij de instelling van haar werkgroepen zal de klankbordgroep goed rekening
    moeten houden met de inhoudelijke werkgroepen van de NFU Commissie inter-
    nationaal. Dubbel werk dient te worden vermeden, beschikbare deskundigheid
    moet efficiënt worden ingezet. Als een onderwerp behandeld wordt dat verwant
    is aan een onderwerp dat eerder door een van de werkgroepen van de NFU is
    opgepakt, ligt het voor de hand de voorzitter van die werkgroep bij de werkgroep
    van de klankbordgroep te betrekken. Hoewel het vaak effectief zal zijn als het
    dagelijks bestuur van de klankbordgroep de gang naar Brussel maakt, is het voor
    de invulling van inhoudelijke (sub)thema’s op de Europese onderzoek- en inno-
    vatieagenda soms nuttiger wetenschappelijke zwaargewichten in te zetten. De
    voorzitters van de NFU-werkgroepen, met hun kennis en ervaring op het gebied
    van Europees onderzoek en innovatie en hun veelal goede ingangen tot de scien-
    tific officers, zullen deze rol met succes op zich kunnen nemen.
5.2 Ondersteuning en voorwaarden voor optimale deelname aan Euro-
    pees gezondheidsonderzoek
    Hoe kunnen Nederlandse gezondheidsonderzoekers optimaal (blijven) deelne-
    men aan Europese programma's en projecten? De commissie heeft voor het
    beantwoorden van deze tweede adviesvraag vooral gekeken naar de ondersteu-
    ningsstructuur voor onderzoekers en de factoren die deelname aan Europees
    onderzoek stimuleren dan wel belemmeren. De ondersteuning voor Nederlandse
    onderzoekers is in eerste instantie een aangelegenheid voor de (liaison officers
    van de) instelling waar de onderzoeker werkt. Praktische ondersteuning op het
    gebied van regels van deelname aan Europees onderzoek en de criteria van hono-
    rering is erg belangrijk in het traject dat voorafgaat aan de indiening van een
    onderzoeksvoorstel of participatie in een consortium of programma. Voor onder-
    zoekers is het goed te weten dat zij tevens terecht kunnen bij het Expertisecen-
    trum EiOI, dat ondersteuning biedt bij vrijwel alle aspecten rond de deelname
    aan Europese programma’s. De commissie schrijft het Nederlandse succes in
    KP7 voor een deel toe aan de deskundige dienstverlening van het EiOI en acht
    het daarom van belang dat het EiOI ook in de toekomst de middelen krijgt om de
    benodigde diensten aan te bieden. Dat geldt ook voor Neth-ER, dat een belang-
    rijke rol draagt in de informatievoorziening over de kansen op de onderzoeks- en
    innovatieagenda’s. Ter verbetering van de deelname van Nederland aan Europese
    programma’s en partnerschappen op het gebied van gezondheidsonderzoek
    vraagt de commissie de ministers van OCW, VWS en EZ om bijzondere aan-
    dacht voor het belang van matching en financiering, mkb-participatie en de Euro-
    pese regels van deelname.
    Aanbevelingen                                                                    55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>  Aanbeveling 5 Ondersteun de participatie in Europese programma’s,
  ook materieel
  De kost gaat voor de baat uit: de overheid zal haar streven naar intensieve partici-
  patie in Europese programma’s en partnerschappen moeten vertalen in tijdige
  ondersteuning (financieel en personeel). De vraag hoe Nederland via nationale
  programma’s zal bijdragen aan bijvoorbeeld een JPI moet zo vroeg mogelijk
  worden aangekaart; een heldere inbedding van de verantwoordelijkheid voor de
  JPI op ambtelijk niveau is daarbij essentieel.
  Aanbeveling 6 Stel een fonds in voor de matching van Europese
  onderzoekssubsidies
  Instellingen die Europese subsidies hebben verworven kunnen uit dit matchings-
  fonds putten om aan de matchingsverplichtingen te voldoen. Doordat de Neder-
  landse onderzoeksfinanciering onder druk staat is een matchingsfonds een goed
  middel om de Nederlandse gezondheidsonderzoekssector, ondanks lastige eco-
  nomische tijden, verder te ontwikkelen. De commissie onderschrijft de in het
  eerdere RGO-advies aanbevolen opzet van het fonds.15
  Aanbeveling 7 Stel een werkgroep in die zich buigt over
  mkb-deelname
  De commissie acht een verbetering van de deelname van het mkb aan gezond-
  heidsonderzoek in Europees verband van groot belang voor een goede participa-
  tie van het hele gezondheidsonderzoekveld. De commissie beveelt aan een aparte
  werkgroep – gekoppeld aan de nieuwe klankbordgroep Gezondheid – in te stel-
  len die uitzoekt wat de grootste kansen en knelpunten zijn rond mkb-deelname.
  De werkgroep dient daarbij speciaal aandacht te besteden aan best practices uit
  andere landen.
  Aanbeveling 8 Geef de regels van deelname het gewicht dat ze
  toekomt
  Voorstellen en initiatieven van de klankbordgroep zullen getoetst moeten worden
  aan de Europese regels van deelname en aan de praktische uitvoerbaarheid. De
  klankbordgroep Gezondheid zal dan ook (praktijk)deskundigen op dat gebied in
  haar beraadslagingen moeten betrekken. Waar verandering van de regels van
6 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>deelname wenselijk is dient de klankbordgroep Gezondheid, in samenspraak met
de ambtelijk vertegenwoordigers van de betrokken ministeries, prioriteiten te
benoemen en in te brengen in de Brusselse besluitvorming op dit gebied.
Aanbevelingen                                                                 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>8 Blik op Brussel</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>  Literatuur
  European Commission. A Reinforced European Research Area Partnership for Excellence and
  Growth. Document No 392. Brussel; 2012.
  Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid. Scherp aan de wind! Handvat voor een
  Europese strategie voor Nederlandse (top)sectoren. Den Haag: Adviesraad voor het Wetenschaps- en
  Technologiebeleid; 2011.
  European Commission, Community Research and Development Information Service (CORDIS).
  http://cordis.europa.eu/fp7/health/ geraadpleegd op 16 oktober 2012.
  Europese Commissie. FP7 - De antwoorden van morgen beginnen vandaag. Zevende
  kaderprogramma. Europese Gemeenschappen; 2006.
  Agentschap NL. Nederland in KP7, 2011. Den Haag: Agentschap NL; 2011.
  Technopolis. Impact Europese Kaderprogramma's in Nederland. Technopolis Group the Netherlands;
  2009: Deel II Thematische gebieden.
  European Commission. Elements for a Common Strategic Framework 2014 to 2020 for the European
  Regional Development Fund, the European Social Fund, the Cohesion Fund, the European
  Agricultural Fund for Rural Development and the European Maritime and Fisheries Fund. Brussel:
  European Commission; 2012.
  Europese Commissie. “Horizon 2020” - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-
  2020). Document Nr 808 definitief. Brussel: Europese Commissie; 2011.
  Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport. Routeplanner Europese besluitvorming 2010. Den
  Haag: 2010.
0 Greer SL. The politics of European Union health policies. Berkshire: Open University Press; 2009:
  67.
  Literatuur                                                                                        59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>1 Kik S. Nederlands gezondheidsonderzoek en de Europese agenda. Belangenbehartiging en Europese
  beleidsbeïnvloeding. Netherlands House for Education and Research (Nether); 2011: 21.
2 NFU & ZonMw. European priorities in health research. The Dutch perspective. Position paper. NFU;
  2010.
3 Kik S. Nederlands gezondheidsonderzoek en de Europese agenda. Belangenbehartiging en Europese
  beleidsbeïnvloeding. Netherlands House for Education and Research (Nether); 2011: 91.
4 Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid. De prijs van succes. Over matching van
  onderzoekssubsidies in kennisinstellingen. 2004: 58.
5 Raad voor Gezondheidsonderzoek. Boter bij de vis. Over matching van Europese subsidies voor
  gezondheidsonderzoek. Den Haag: 2009.
6 European Commission. Synergies between FP7, the CIP and the Cohesion policy funds. Final report
  of the expert group. Brussel: European Commission; 2011.
7 European Commission. Taking forward the Strategic Implementation Plan of the European
  Innovation Partnership on Active and Healthy Ageing. Communication 83 final. Brussel: European
  Commission; 2012.
0 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Cijfers KP7
D Programma’s en partnerschappen voor onderzoek en innovatie
E Samenstelling Taskforce European Connection
  Bijlagen
                                                             61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>2 Blik op Brussel</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>ijlage A
       De adviesaanvraag
       Brief van 27 februari 2012 (kenmerk 377310) van de staatssecretaris van Onder-
       wijs, Cultuur en Wetenschap aan de voorzitter van de Gezondheidsraad.
       In de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap heb ik voor 2025 het per-
       spectief voor het onderzoekslandschap geschetst. Hierin zie ik een aantal uitgesproken, internationaal
       erkende en concurrerende onderzoekszwaartepunten, die goed in staat zijn om Europese fondsen te
       verwerven omdat zij goed zijn ingebed in sterke Europese allianties.
       Om hiertoe te komen zijn we met het kabinet het proces gestart voor verdere profilering van ons
       onderzoekslandschap. Daarnaast, en daarmee verweven, heeft het kabinet in het Bedrijfslevenbeleid
       de topsectorenaanpak opgezet voor onze economische zwaartepunten. Hiermee wordt het Neder-
       landse onderzoeks- en innovatiebeleid beter gestroomlijnd.
       Voor een optimale aansluiting op het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid is een strategie nodig
       voor de gezondheidsonderzoekssector. Life Sciences & Health is een van de negen economische top-
       sectoren. In het innovatiecontract van deze sector is een internationale agenda opgesteld die deel zal
       moeten uitmaken van de Europese strategie van de gezondheidsonderzoekssector.
       In 2010 heb ik de AWT gevraagd om de gevolgen van de ontwikkelingen in het Europese beleid voor
       onderzoek en innovatie voor Nederland te schetsen en mij te adviseren over hoe Nederland hier het
       beste op kan inspelen. Het advies van de AWT Scherp aan de wind! Een handvat voor een Europese
       De adviesaanvraag                                                                                      63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>  strategie voor Nederlandse (top)sectoren is onlangs verschenen. Dit advies biedt een goed uitgangs-
  punt voor de op te stellen strategie voor de gezondheidsonderzoekssector.
  Ik verzoek u op korte termijn een praktisch advies op te stellen voor deze strategie en in uw advies de
  vraag centraal te stellen hoe het Nederlandse gezondheidsonderzoek zo goed mogelijk kan aansluiten
  op het Europese onderzoeks- en innovatiebeleid en daarbij in het bijzonder in te gaan op:
  1    hoe de Nederlandse gezondheidsonderzoekssector zich gecoördineerd, efficiënt en duurzaam
       kan positioneren in Brussel, zodat deze sector een goede bijdrage levert aan de Europese agenda-
       vorming en
  2    hoe de Nederlandse gezondheidsonderzoekers optimaal kunnen (blijven) deelnemen aan de
       Europese programma's en projecten.
  Ik vraag u dit te doen in nauwe afstemming met de topsector Life Sciences & Health, die een interna-
  tionale agenda voorbereidt, en in samenspraak met ZonMw, NFU, 3TU en de ministeries van VWS,
  EL&I en OCW.
  w.g.
  de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
  Halbe Zijlstra
4 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>ijlage B
       De commissie
       •  prof. dr. E.C. Klasen, voorzitter
          lid Raad van Bestuur en decaan (tot 1 juni 2012), Leids Universitair Medisch
          Centrum
       •  dr. P.Y.W. Dankers
          universitair docent supramoleculaire geneeskunde & biomaterialen, faculteit
          Biomedische Technologie, Technische Universiteit Eindhoven
       •  prof. dr. G.A.M.S. van Dongen
          hoogleraar experimentele hoofd-hals oncologie, VU medisch centrum
          Amsterdam
       •  prof. dr. A.M.M. Eggermont
          hoogleraar chirurgische oncologie, Directeur Général Institut de Cancérolo-
          gie Gustave Roussy, Parijs (Frankrijk); hoogleraar International Networking
          Cancer Research, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam
       •  prof. dr. P.P. Groenewegen
          directeur NIVEL, en bijzonder hoogleraar sociale en geografische aspecten
          van gezondheid en gezondheidszorg, Universiteit Utrecht
       •  prof. dr. P.C.W. Hogendoorn
          patholoog, Raad van Bestuur en decaan (sinds 1 juni 2012), Leids Universi-
          tair Medisch Centrum
       •  Fr. C.A. Jaspers, MSc, MD, internist-np
          lid Raad van Bestuur, Universitair Medisch Centrum Groningen
       De commissie                                                                    65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>  •   F.M. Kramer, MSc
      directeur Neth-ER, Brussel
  •   prof. dr. ir. W.H.M. Saris
      hoogleraar humane voeding, Universiteit Maastricht
  •   drs. E. Vroom
      voorzitter Duchenne Parent project, Veenendaal
  •   drs. W. Wolters
      Centre for Research Innovation, Support and Policy (CRISP), Maastricht
      Universitair Medisch Centrum
  •   dr. D.C. Zijderveld MPA
      Managing Director Earth, Environmental and Life Sciences, TNO, Zeist
  •   dr. E.P. Beem, adviseur
      plaatsvervangend directeur ZonMw, de Nederlandse organisatie voor
      gezondheidsonderzoek en zorginnovatie, Den Haag
  •   S. de Wild-Chardonnens, adviseur
      senior adviseur Life Sciences and Health, Agentschap NL, ministerie van
      Economische Zaken, Den Haag
  •   dr. J.W.A. Ridder-Numan, waarnemer
      plaatsvervangend hoofd wetenschapsgebieden, directie Onderzoek en Weten-
      schapsbeleid, ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag
  •   H.J.J. Seeverens, arts, waarnemer
      directie Geneesmiddelen en Medische Technologie, ministerie van Volksge-
      zondheid, Welzijn en Sport, Den Haag
  •   L.M. Cornips, MPhil, secretaris
      Gezondheidsraad, Den Haag
  De Gezondheidsraad en belangen
  Leden van Gezondheidsraadcommissies worden benoemd op persoonlijke titel,
  wegens hun bijzondere expertise inzake de te behandelen adviesvraag. Zij kun-
  nen echter, dikwijls juist vanwege die expertise, ook belangen hebben. Dat
  behoeft op zich geen bezwaar te zijn voor het lidmaatschap van een Gezond-
  heidsraadcommissie. Openheid over mogelijke belangenconflicten is echter
  belangrijk, zowel naar de voorzitter en de overige leden van de commissie, als
  naar de voorzitter van de Gezondheidsraad. Bij de uitnodiging om tot de com-
  missie toe te treden wordt daarom aan commissieleden gevraagd door middel
  van het invullen van een formulier inzicht te geven in de functies die zij bekle-
  den, en andere materiële en niet-materiële belangen die relevant kunnen zijn voor
  het werk van de commissie. Het is aan de voorzitter van de raad te oordelen of
6 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>gemelde belangen reden zijn iemand niet te benoemen. Soms zal een adviseur-
schap het dan mogelijk maken van de expertise van de betrokken deskundige
gebruik te maken. Tijdens de installatievergadering vindt een bespreking plaats
van de verklaringen die zijn verstrekt, opdat alle commissieleden van elkaars
eventuele belangen op de hoogte zijn.
De commissie                                                                    67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>8 Blik op Brussel</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>ijlage C
       Cijfers KP7
       Deelname Nederland in KP7 algemeen
       Over het algemeen presteert Nederland goed in KP7. Het retourpercentage – dat
       aangeeft welk percentage van de toegekende KP7 financiering (in totaal bijna 25
       miljard euro) aan een land is toegekend – ligt voor Nederland op 6,7 procent. Ter
       vergelijking: de Nederlandse afdracht aan de Europese Unie voor de periode
       2007-2010 bedraagt 4,9 procent van de totale EU-begroting. Met het retourper-
       centage van 6,7 procent staat Nederland op de zesde plaats in de rangorde van
       deelnemende landen op basis van de toegekende KP7-financiering per land. Het
       totaal aantal toegekende KP7-projecten is 14.286, en daarvan hebben 3009 pro-
       jecten Nederlandse deelnemers. Ook voor deze indicator staat Nederland op de
       zesde plaats in de rangschikking op basis van het aantal toegekende KP7-project-
       voorstellen met één of meerdere deelnemers uit het betreffende land. Nederland
       is ook relatief vaak coördinator van projecten. Binnen het onderdeel Samenwer-
       king coördineert Nederland 340 projecten, 7 procent van het totaal aantal toege-
       kende projecten. Het slagingspercentage geeft aan welk deel van de ingediende
       projecten voor financiering in aanmerking komt. Voor Nederland ligt dit percen-
       tage op 23,2 procent terwijl het slagingspercentage voor KP7 over het geheel
       17,8 procent is.
       Cijfers KP7                                                                       69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>          Deelname Nederland in KP7 Gezondheid
          Van alle toegekende KP7-Gezondheid projecten neemt Nederland deel aan 340
          projecten, 49 procent van het totaal aantal projecten binnen dit thema. Bij som-
          mige projecten zijn meerdere Nederlandse deelnemers vertegenwoordigd; in
          totaal zijn Nederlandse deelnemers 548 keer vertegenwoordigd binnen de 340
          succesvolle projecten. Nederland heeft 80 projecten als coördinator toegekend
          gekregen, een aandeel van 12 procent. Ook het slagingspercentage van de inge-
          diende projecten als coördinator is hoger dan het gemiddelde voor KP7 Gezond-
          heid.
          Tabel 2 Nederlandse deelname in KP7 Gezondheid.
          Totaal toegekende KP7-Gezondheid-financiering (M€)                   3.161,2
          Toegekende financiering NL deelnemers (M€)                           283,4
          Retourpercentage NL                                                  9,0%
          Toegekende financiering NL MKB (M€)                                  22,8
          Totaal aantal toegekende KP7-Gezondheid-projecten                    690
          Aantal toegekende projecten met NL deelnemers                        340
          Aandeel NL                                                           49,3%
          Slagingspercentage NL                                                26,1%
          Slagingspercentage KP7-Gezondheid                                    16,1
          Onderstaande figuur geeft een gedetailleerder overzicht van de Nederlandse
          deelname aan projecten binnen de vier verschillende KP7 Gezondheid onderde-
          len.
iguur 2 Nederlandse deelname binnen KP7 Gezondheid onderdelen.
0         Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Vooral voor de onderdelen twee en drie geldt dat de Nederlandse slagingspercen-
tages hoog zijn in vergelijking met het KP7 gemiddelde. Het grote aandeel trans-
lationeel onderzoek valt duidelijk op, met 196 toegekende projecten met
Nederlandse deelnemers. Nederland is vooral goed vertegenwoordigd binnen de
subonderdelen major diseases (waaronder kanker en cardiovasculaire ziekten),
bijna de helft van de succesvolle projecten valt onder dat subonderdeel. Ruim
een kwart van de succesvolle projecten valt binnen het subonderdeel major infec-
tious diseases (waaronder onderzoek naar resistentie, HIV/AIDS en epide-
mieën).
Cijfers KP7                                                                      71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>2 Blik op Brussel</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>ijlage D
       Programma’s en partnerschappen
       voor onderzoek en innovatie
       ERAnet, ERAnet Plus en Artikel 185 initiatieven
       Een European Research Network (ERAnet) is een netwerk waarin onderzoeksfi-
       nanciers (zoals NWO of ZonMw) uit verschillende landen samenwerken aan een
       onderzoeksprogramma om versnippering te voorkomen, bijvoorbeeld op het
       gebied van zeldzame ziekten. De Europese Commissie ziet het als een middel om
       de Europese onderzoeksruimte te realiseren en draagt enkel geld bij voor de
       coördinatie. Wanneer lidstaten samenwerken aan een thema dat spoort met de
       door de Europese Commissie gedefinieerde maatschappelijke uitdagingen
       komen zij in aanmerking voor financiering via de ERAnets. Voor een overzicht
       van een aantal ERA-nets binnen de Knowledge-Based Bio-Economy (KBBE),
       waarin de onderdelen voedsel en gezondheid ook in ruime mate aan bod komen,
       zie: ftp://ftp.cordis.europa.eu/pub/fp7/kbbe/docs/fafb-eranet-2010_en.pdf
       Binnen KP7 biedt de Europese Commissie tevens de mogelijkheid om een bij-
       drage te vragen voor gezamenlijke onderzoekskosten: een ERAnet Plus. In jaar-
       lijkse werkprogramma’s worden de thema’s vastgesteld die in aanmerking
       komen voor een ERAnet (Plus).
       Programma’s en partnerschappen voor onderzoek en innovatie                    73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>       Via zogenaamde artikel 185 initiatieven* ondersteunt de Europese Commis-
  sie niet alleen de coördinatie van nationale onderzoeksinitiatieven maar finan-
  ciert zij ook zelf substantieel mee. De Europese Commissie heeft ook inspraak
  over de inhoudelijke richting van het initiatief. Artikel 185 initiatieven bieden
  een wettelijke basis voor langdurige financiering, maar een nadeel is dat de Brus-
  selse besluitvorming rond Artikel 185 initiatieven veel tijd in beslag neemt.
  Bestaande Artikel 185 initiatieven zijn bijvoorbeeld het European and Develo-
  ping Countries Trials Partnership (EDCTP) en Ambient Assisted Living (AAL).
  Onderzoeksinfrastructuur
  De kosten voor het opzetten van grote onderzoeksfaciliteiten (zowel voor speci-
  fieke locaties als in fysieke en digitale netwerken) zijn zo hoog geworden dat
  deze niet meer op te brengen zijn door individuele lidstaten. Om deze reden is
  het European Strategy Forum for Research Infrastructures (ESFRI) ingesteld,
  dat roadmaps opstelt voor de constructie van diverse infrastructuren die van
  belang zijn voor de ontwikkeling van Europees onderzoek en innovatie. De uit-
  voering van de ESFRI agenda is een van de grotere doelstellingen binnen het
  Europese onderzoeks- en innovatiebeleid en wordt deels gefinancierd uit Euro-
  pese budgetten voor onderzoek en innovatie, waarbij de lidstaten cofinanciering
  bijdragen.
       Nederland participeert in een aantal belangrijke gezamenlijke infrastructuren
  onder regie van ESFRI, zoals Biobanking and Biomolecular Resources Research
  Infrastructure (BBMRI), European Infrastructure for Translational Medicine
  (EATRIS) en European Clinical Research Infrastructures Network (ECRIN).
  Voor UMC’s en andere kennisinstellingen is de ESFRI agenda van groot belang
  omdat veel gezondheidsonderzoek afhankelijk is van het gebruik van grote pan-
  Europese infrastructuren.
  Onderzoek en innovatie in relatie tot regionale ontwikkeling
  Meer dan voorheen tracht de Europese Commissie innovatie via regionale ont-
  wikkeling te stimuleren. De zogenaamde Structuurfondsen van de EU zijn inge-
  steld om de economische verschillen tussen regio’s te verkleinen. Structuur-
  fondsen dragen onder meer bij aan het opzetten van regionale publiekprivate
  partnerschappen, om zo de ‘slimme specialisatie’ (smart specialisation) van
  De naam verwijst naar het EU verdrag waarin de juridische basis ligt voor de participatie van de EU
  in onderzoeksprogramma’s van lidstaten.
4 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>regio’s te stimuleren. In Nederland biedt met name het Europees Fonds voor
Regionale Ontwikkeling (EFRO) middelen om regionale concurrentiekracht te
vergroten, onder meer middels investeringen in het mkb en investeringen in
onderzoeksinfrastructuur (gebouwen, faciliteiten). Een verbeterde synergie tus-
sen programma’s voor onderzoek en innovatie, structuurfondsen en regionale
ontwikkeling is een van de actuele prioriteiten op de Brusselse agenda.16
European Innovation Partnership Active and Healthy Ageing
Het European Innovation Partnership Active and Healthy Ageing (EIP-AHA) is
een initiatief van de Europese Commissie, ondersteund door de DG’s Sanco,
Digitale Agenda en Onderzoek & Innovatie, en is gericht op de uitdaging van de
ouder wordende Europese bevolking. Het EIP-AHA is ingericht om publiekpri-
vate samenwerking binnen Europa te stimuleren. Het partnerschap is niet een
nieuw financieringsprogramma of instrument maar brengt verschillende initiatie-
ven bij elkaar.17 In het strategisch implementatie plan van EIP-AHA worden
veertien prioritaire gebieden aangewezen waarbinnen (in de komende jaren)
calls voor projecten worden uitgezet.
Joint Technology initiatives
Joint Technology Initiatives (JTI’s) zijn publiekprivate samenwerkingsverbanden
tussen industrie, onderzoeksinstellingen en publieke instellingen over landsgren-
zen heen. Het doel is de Europese competitiviteit te verbeteren op enkele strate-
gische gebieden, met hulp van financiering van de Europese Commissie. Het is
de verwachting dat JTI’s in de komende jaren belangrijker zullen worden voor
gezondheidsonderzoek. Momenteel is het Innovative Medicines Initiative (IMI),
met als doel de versnelling van de ontwikkeling van medicijnen, het grootste
voorbeeld. Er zijn plannen voor verbreding van JTI’s naar het terrein van medi-
sche hulpmiddelen (medical devices).
Op pagina 76 is een overzicht opgenomen van programma’s en partnerschappen
op het gebied van gezondheid.
Programma’s en partnerschappen voor onderzoek en innovatie                        75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>    Overzicht programma’s en partnerschappen op het gebied van
    gezondheid
    Binnen het thema Gezondheid lopen onder meer de volgende programma’s
    en partnerschappen (de JPI’s en KIC’s op het gebied van gezondheid wor-
    den in paragraaf 2.2.2 beschreven).
    ERA-NET’s
    • E-Rare-2 (zeldzame ziektes)
    • ERA-ENVHEALTH (coördinatie van nationale milieu- en gezondheids-
        onderzoek programma’s)
    • EUROCOURSE (registratie van kanker en integratie van nationale en
        regionale programma’s)
    • HIVERA (harmonisering van Europees onderzoek naar AIDS/HIV)
    • NEURON (basaal en translationeel onderzoek naar hersenziekten)
    • PatroGenoMics (coördinatie van onderzoek naar genome sequencing en
        genomics van pathogene micro-organismen)
    • TRANSCAN (translationeel kankeronderzoek)
    Artikel 185 initiatieven
    • European and Developing Countries Trials Partnership (EDCTP)
    • Ambient Assisted Living (AAL)
    Onderzoeksinfrastructuur onder regie van ESFRI
    • Biobanking and Biomolecular Resources Research Infrastructure
        (BBMRI)
    • European Infrastructure for Translational Medicine (EATRIS)
    • European Clinical Research Infrastructures Network (ECRIN)
    European Innovation Partnership (EIP)
    • European Innovation Partnership Active and Healthy Ageing
        (EIP-AHA)
    Joint Technology Initiatives (JTI)
    • Innovative Medicines Initiative (IMI)
6 Blik op Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>ijlage E
       Samenstelling Taskforce European
       Connection
       De volgende personen nemen deel aan de Taskforce European Connection:
       • Frans Jaspers (NFU), voorzitter
       • Emmo Meijer (Friesland Campina, boegbeeld topsector Agri&Food)
       • Hans Hofstraat (Philips Research)
       • Huib Pols (NFU)
       • Hugo Hurts (VWS)
       • Ton Vries (MKB, Syncom)
       • Yuri van Geest (MKB, lid topteam van topsector Creatieve industrie)
       • Edvard Beem (ZonMw)
       • Ambtenaren van VWS, EZ en OCW zullen de Taskforce ondersteunen
       Samenstelling Taskforce European Connection                           77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>8 Blik op Brussel</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>