<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    Gezondheidsraad
De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderwerp             : aanbieding advies De mondzorg van morgen
Uw kenmerk            :-
Ons kenmerk           : U-7104/GS/db/863-B
Bijlagen              :1
Datum                 : 27 april 2012
Geachte minister,
Mondzorg en mondgezondheid staan volop in de maatschappelijke belangstelling. De zorg-
verlening heeft de laatste jaren veel veranderingen doorgemaakt in de financiering, de
organisatie van de tandheelkundige praktijken, de taakverdeling tussen verschillende pro-
fessionals en het zorgaanbod. De mondgezondheid van bevolkingsgroepen zoals kwetsbare
ouderen en jonge kinderen is regelmatig onderwerp van publieke discussie. Tegelijk is de
maatschappelijke vraag om transparantie over kwaliteit van zorg steeds explicieter gewor-
den. Patiënten willen weten op welke kwaliteit van zorg zij kunnen rekenen en hoe die zich
verhoudt tot de kosten.
Voor de Gezondheidsraad waren deze ontwikkelingen aanleiding de wetenschappelijke
onderbouwing van de mondzorg onder de loep te nemen. In hoeverre kan deze versterkt
worden en leidt dat tot betere zorg? Voor de voorbereiding van dit advies heeft de raad een
commissie ingesteld onder voorzitterschap van prof. dr. E. Schadé. Het advies is getoetst
door de Raadscommissie voor Gezondheidsonderzoek en de Beraadsgroep Geneeskunde.
Met genoegen bied ik u hierbij het eindresultaat aan: De mondzorg van morgen. Het experi-
ment met de vrije tarieven maakt dit advies juist nu actueel.
Het kwaliteitsbeleid in de mondzorg is vooral gericht op de randvoorwaarden voor de zorg
en minder op de inhoudelijke kwaliteit. Een wetenschappelijke basis voor de klinische
besluitvorming in de mondzorg ontbreekt vaak en professionals werken nog nauwelijks vol-
gens evidence-based richtlijnen, zoals steeds meer gemeengoed wordt in de gezondheids-
zorg. Richtlijnontwikkeling zou op verschillende manieren de kwaliteit en transparantie van
de zorg kunnen verbeteren. Zo helpen richtlijnen de ongefundeerde behandelvariatie tussen
Bezoekadres                                                      Postadres
Parnassusplein 5                                                 Postbus 16052
2 5 11 V X D e n         Haag                                    2500 BB Den            Haag
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 6 1 8                           Te l e f a x ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 5 2 3
E - m a i l : G. A . J . S o e t e @ g r . n l                   w w w. g r. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp             : aanbieding advies De mondzorg van morgen
Ons kenmerk           : U-7104/GS/db/863-B
Pagina                :2
Datum                 : 27 april 2012
tandartsen te verminderen en vormen ze een voorwaarde voor veilige delegatie van taken.
De commissie beveelt aan om op korte termijn met richtlijnontwikkeling te beginnen. Dit
kan door zogenoemde best practices op te stellen voor die terreinen waar de grootste behan-
delvariatie bestaat. In de tussentijd kan wetenschappelijk onderzoek opgezet worden dat
een sterke verbinding heeft met de praktijk.
Meer kruisbestuiving tussen de mondzorgpraktijk en de wetenschap kan de al in gang
gezette ontwikkelingen op het gebied van kwaliteitsbeleid versnellen en verbreden. Ik ver-
wacht dat de mondzorg hiermee een instrument in handen krijgt om adequaat te antwoorden
op de maatschappelijke vraag om transparantie. Ik onderschrijf derhalve van harte de con-
clusies van de commissie.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. H. Obertop,
waarnemend voorzitter
Bezoekadres                                                      Postadres
Parnassusplein 5                                                 Postbus 16052
2 5 11 V X D e n         Haag                                    2500 BB Den            Haag
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 6 1 8                           Te l e f a x ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 5 2 3
E - m a i l : G. A . J . S o e t e @ g r . n l                   w w w. g r. n l
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De mondzorg van morgen
aan:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Nr. 2012/04, Den Haag, 27 april 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-
(zorg)onderzoek’ (art. 22 Gezondheidswet).
     De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn & Sport; Infrastructuur & Milieu; Sociale Zaken
& Werkgelegenheid; Economische Zaken, Landbouw & Innovatie en Onderwijs,
Cultuur & Wetenschap. De raad kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen,
en ontwikkelingen of trends signaleren die van belang zijn voor het overheidsbe-
leid.
     De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel
opgesteld door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel
benoemde – Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                 for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                 adviesorganen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het International Network of Agencies for Health
                 Technology Assessment (INAHTA), een internationaal samenwerkingsverband
                 van organisaties die zich bezig houden met health technology assessment.
  I NA HTA
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. De mondzorg van morgen. Den Haag: Gezondheidsraad,
2012; publicatienr. 2012/04.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands. Perspectives on oral health care. The Hague:
Health Council of the Netherlands, 2012; publication no. 2012/04.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 978-90-5549-895-6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    Inhoud
    Samenvatting 11
    Executive summary 15
1   Inleiding 19
1.1 Vragen aan de commissie 19
2   Mondgezondheid in Nederland 23
2.1 Wat is mondgezondheid? 23
2.2 Het maatschappelijk belang van mondgezondheid 28
2.3 De epidemiologie van de mondgezondheid in Nederland 32
2.4 Conclusies 37
3   De eerstelijns mondzorg 39
3.1 De eerstelijns mondzorg in vogelvlucht 39
3.2 Kwaliteitsaspecten van de mondzorg 42
3.3 Behandelvariatie in de mondzorgverlening 46
3.4 Kwaliteitsinstrumenten voor de mondzorg in Nederland 48
3.5 De wetenschappelijke onderbouwing van het klinisch handelen 53
3.6 Conclusies 57
    Inhoud                                                         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>4   De kennisinfrastructuur 59
4.1 Het wetenschappelijk onderzoek 59
4.2 De kennisinfrastructuur voor evidence-based richtlijnontwikkeling voor de mondzorg 63
4.3 Conclusies 66
5   Antwoorden op de vragen aan de commissie en aanbevelingen 67
5.1 De waarde van kennis in het algemeen en evidence-based richtlijnen
    in het bijzonder voor de mondgezondheid en voor de kwaliteit van de mondzorg 67
5.2 Het stimuleren van het ontwikkelen van richtlijnen en van het richtlijnconform handelen 70
5.3 Prioriteiten op het gebied van kennisinfrastructuur en onderzoek 73
    Literatuur 77
    Bijlagen 85
A   De commissie 87
B   Het gebruik van klinische richtlijnen in de mondzorg: een internationale inventarisatie 89
C   Samenvatting recente epidemiologische cijfers 95
10  De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Een gezond gebit in een gezonde mond is van groot belang voor het dagelijks
functioneren en het welbevinden van mensen. In de eerstelijns mondzorg hebben
de afgelopen jaren veel veranderingen plaatsgevonden, onder meer in de finan-
ciering, de praktijkorganisatie en het zorgaanbod. De maatschappij verwacht in
toenemende mate dat zorgverleners verantwoording afleggen over de kwaliteit
van de zorg. Ook tandartsen krijgen daarmee te maken. Er zijn signalen dat de
kwaliteit van zorg niet altijd transparant is en dat er tussen tandartsen behandel-
variatie bestaat. Reden voor de Gezondheidsraad om de wetenschappelijke
onderbouwing van de mondzorg onder de loep te nemen. In hoeverre kan deze
worden versterkt en leidt dat tot betere zorg? Een speciale commissie heeft zich
hierover gebogen. De activiteiten van deze commissie zijn actueel gezien het
experiment met de vrije tarieven in de mondzorg.
Beschikbare gegevens zijn beperkt
Hoewel de gebitstoestand van Nederlanders vergeleken met dertig jaar geleden
sterk is verbeterd, lijdt nog steeds een aanzienlijk deel van de bevolking aan de
gevolgen van mondziekten. Opvallend is bijvoorbeeld dat cariës en parodontitis
met relatief eenvoudige preventieve maatregelen te voorkomen zijn, maar deson-
danks veel voorkomen. De kosten van mondzorg liggen op hetzelfde niveau als
de kosten voor huisartsenzorg en stijgen net zo hard als de totale zorguitgaven.
Er zijn slechts in beperkte mate cijfers beschikbaar over de mondgezondheid in
Samenvatting                                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   Nederland. Zo is er geen zicht op eventuele regionale verschillen. Mensen met
   een lage sociaaleconomische status, kwetsbare ouderen en mensen met onderlig-
   gende ziekten lopen een verhoogde kans op gebitsproblemen. Welke factoren
   hieraan precies bijdragen is echter onvoldoende bekend. Ook de gegevens over
   de toegankelijkheid van de zorg voor deze groepen zijn niet volledig. Een groei-
   end probleem is dat steeds meer mensen lijden aan meerdere aandoeningen tege-
   lijk. Voor een goede behandeling is nodig dat artsen en tandartsen over en weer
   weten hoe hun behandelingen elkaar beïnvloeden.
   Evidence-based werken niet vanzelfsprekend
   De afgelopen jaren is er binnen de mondzorg veel aandacht geweest voor kwali-
   teitsbeleid. Dit richt zich vooral op de randvoorwaarden voor de zorg en minder
   op de inhoudelijke kwaliteit. Waar evidence-based werken in de medische
   wereld steeds meer gemeengoed is, is dit in de mondzorg nog niet het geval.
   Overigens is dit niet alleen in Nederland zo, maar ook internationaal. Er zijn wei-
   nig wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen die laten zien wat de beste behan-
   deling is van een bepaalde aandoening. Er lijkt in de praktijk ook geen
   overeenstemming hierover te zijn, zo blijkt uit enkele voorbeelden. Er bestaan
   grote verschillen tussen tandartsen in de behandeling van cariës in het melkgebit
   van jonge kinderen. Verder nodigen veel tandartsen hun patiënten volgens een
   standaard interval uit voor controle in plaats van het interval af te stemmen op de
   individuele situatie van de patiënt. Ook volgen lang niet alle tandartsen de richt-
   lijn die aangeeft wanneer een verstandskies wel of niet getrokken zou moeten
   worden.
   Kloof tussen wetenschap en praktijk
   Het meeste wetenschappelijk onderzoek op het gebied van mondzorg is funda-
   menteel van aard, of richt zich op de ontwikkeling van nieuwe technieken. Er is
   nauwelijks onderzoek naar doelmatigheid van behandelingen. Aan dergelijk
   onderzoek is wel behoefte, omdat het de basis kan vormen voor richtlijnen. Ook
   sociaal-tandheelkundig onderzoek is schaars. Dit type onderzoek is nodig om
   vragen over mondgezondheid van verschillende bevolkingsgroepen te beant-
   woorden of inzicht te geven in effectieve preventiestrategieën.
12 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Aanbevelingen
Om verantwoording te kunnen afleggen over de kwaliteit van de verleende zorg
(een wens van veel patiënten) is het nodig om de wetenschappelijke onderbou-
wing van de mondzorgverlening te versterken. De commissie geeft hiervoor een
aantal handvatten.
Bepalen behandeldoelen
Om te beginnen is het belangrijk dat de beroepsgroepen samen formuleren wat
optimale zorg is. Hierbij gaat het om afwegingen die te maken hebben met ver-
schillende aspecten van de zorg: bijvoorbeeld of de zorg veilig is, of patiënten
tevreden zijn, en hoe de effectiviteit van behandelingen zich verhoudt tot de kos-
ten ervan.
Richtlijnen ontwikkelen
De commissie beveelt aan evidence-based richtlijnen te ontwikkelen, die
beschrijven wat de bewezen beste behandeling is van een bepaalde aandoening.
Dergelijke richtlijnen kunnen ervoor zorgen dat beschikbare kennis doordringt
tot de praktijk en verminderen de ongefundeerde verschillen in aanpak tussen
tandartsen. Ook geven ze inzicht in het effect dat de zorgverlening heeft op de
mondgezondheid.
    Bij de ontwikkeling en invoering van richtlijnen spelen de professionals in de
mondzorg (zoals tandartsen, mondhygiënisten en tandprothetici) een doorslagge-
vende rol. Zij moeten om te beginnen het belang ervan inzien. Vooral de tandart-
sen zouden een voortrekkersrol moeten vervullen, omdat zij wetenschappelijk
geschoold zijn.
    De commissie beveelt aan op korte termijn te beginnen door zogenoemde
best practices op te stellen op gebieden waar de grootste behandelvariatie bestaat.
Om richtlijnontwikkeling evidence-based te maken en andere relevante onder-
werpen te kunnen kiezen is verder onderzoek nodig.
Gegevens verzamelen
Van groot belang is dat er meer kennis komt over de mondgezondheid in Neder-
land. De commissie beveelt aan daarvoor een landelijke monitor op te zetten.
Deze zou informatie moeten verzamelen over regionale verschillen in mondge-
Samenvatting                                                                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>   zondheid, over de mondgezondheid van risicogroepen, over de kennis die men-
   sen hebben op het gebied van preventie van mondziekten en de relatie tussen
   financiële draagkracht en mondzorg.
   Kennis verwerven
   Om te stimuleren dat wetenschap en praktijk sterker verbonden raken, beveelt de
   commissie aan om een netwerk van praktijken met academische verankering in
   te richten. Dat zijn praktijken waar wetenschappelijk onderzoek gedaan wordt en
   waar opleiding plaatsvindt. Het onderzoek zou moeten aansluiten op de vragen
   die er in de praktijk leven en kennis moeten opleveren die als basis kan dienen
   voor richtlijnontwikkeling. Het zou volgens de commissie verder goed zijn als
   professionals verschillende carrièrepaden zouden kunnen volgen, bij voorkeur
   met de mogelijkheid praktijk en academisch werk te combineren.
14 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Executive summary
Health Council of the Netherlands. Perspectives on oral health care. The
Hague: Health Council of the Netherlands, 2012; publication no. 2012/04.
Healthy teeth in a healthy mouth are of great importance to daily functioning and
well-being. Primary oral care has undergone many changes in the past years,
including changes in funding, practice organisation and care offerings. Society
increasingly expects care providers to show accountability for the quality of care
provided. Dentists also face this issue. There are signs that the quality of oral
care is not always transparent, and that there is substantial practice variation
between dentists. These signs were the reason for the Health Council to examine
the evidence base of oral care in closer detail. To what extent can it be
strengthened and would this lead to improved care? A specialised Committee has
been appointed to answer these questions. The activities of this Committee are
especially relevant given the current experiment with free market rates in oral
care in the Netherlands.
Available data are limited
Although oral health in the Netherlands has improved significantly compared to
30 years ago, a significant proportion of the population still suffers from oral
diseases. For example, while caries and periodontitis may be avoided using
relatively simple preventive measures, both diseases remain common. The costs
of oral care are equivalent to those of primary medical care, and are rising in step
with overall care spending. Data on oral health in the Netherlands are limited.
For example, there is no available information on regional differences that may
Executive summary                                                                    15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>   exist. People with a low socioeconomic status, frail elderly people and
   individuals with underlying medical conditions are at increased risk of dental
   problems. The factors that contribute to this are insufficiently understood. Data
   on accessibility of oral care is also lacking for these groups. The increasing
   number of people who suffer from multiple medical conditions at the same time
   is a growing problem. To provide proper treatment for this group, doctors and
   dentists should be aware of how their respective treatments affect each other.
   Evidence-based practice is not self-evident
   In recent years, quality policy has received increased attention within the field of
   oral care. However, efforts at improvement have primarily focused on the
   preconditions for care delivery rather than the quality of the care itself. Whereas
   evidence-based practice is slowly becoming the norm in the medical world, this
   is not yet the case in dentistry. This is not only true for the Netherlands, but also
   internationally. There are few evidence-based guidelines describing the best
   treatment for specific conditions. Consensus on treatment decisions also appears
   to be lacking in daily practice, as demonstrated by a number of examples. There
   are significant differences between dentists when it comes to treating caries in
   primary teeth of young children. Furthermore, many dentists schedule check-ups
   according to a fixed schedule, rather than tailoring the interval to their patients’
   individual situations. Guidelines on whether wisdom teeth should or should not
   be extracted are not widely followed.
   Gap between science and daily practice
   Most scientific research in the field of oral care is about fundamental scientific
   questions, or focuses on the development of new techniques. Hardly any research
   into treatment efficiency has been conducted. This type of research is necessary
   to provide an evidence base for guidelines. Research in the field of social
   dentistry is also scarce. This type of research is required in order to answer
   questions about the oral health of various population groups and to provide
   insight into effective prevention strategies.
   Recommendations
   In order to provide accountability for the quality of care provided (a wish shared
   by many patients) the evidence base of oral care must be strengthened. The
   Committee sees a number of means to this end.
16 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Determination of treatment goals
Firstly, it is important that professional groups define what they perceive to be
optimal care. To do this they must weigh the importance of various aspects of
care, such as safety, patient satisfaction, treatment efficacy and cost-
effectiveness.
Guideline development
The Committee recommends evidence-based guidelines be developed that
describe the best proven treatment for a specific condition. These guidelines can
function as a vehicle for available knowledge to reach practitioners and may
reduce unfounded variation in treatment decisions between dentists. They may
also provide insight into the effects of oral care on the oral health of the
population.
     Oral care professionals (such as dentists, dental hygienists and dental
prosthetisits) have a crucial role in guideline development and implementation.
To begin with, they must become convinced of the importance of using
guidelines. As dentists are scientifically trained, they should play a leading role
in initiating the development of evidence-based guidelines.
     The Committee recommends starting by drafting best-practice recommen-
dations for areas with the greatest treatment variation in the short-term. In order
for guideline development to become truly evidence-based and to select other
areas of interest, further research will be required.
Data collection
It is of great importance to obtain greater knowledge of oral health in the
Netherlands. To this end, the Committee recommends setting up a national
monitor. This monitor should collect information about regional differences in
oral health, oral health in vulnerable groups, the knowledge of the population
concerning the prevention of oral disease, and the relationship between financial
resources and access to oral care.
Obtaining knowledge
To stimulate the interaction between science and daily practice, the Committee
recommends creating a network of dental practices anchored to academic
institutions. These are practices where scientific research is conducted and
Executive summary                                                                   17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   educational training is given. This research should address the questions that
   arise in daily practice and provide knowledge that can be used for guideline
   development. In the opinion of the Committee, professionals ideally should be
   able to follow a variety of career paths, with the possibility of combining private
   practice with academic work.
18 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 1
          Inleiding
          Mondgezondheid en de mondzorgverlening staan de laatste jaren volop in de
          maatschappelijke belangstelling. Hoewel de algemene indruk is dat het goed gaat
          met de mondgezondheid van de Nederlandse bevolking, worden er in verschil-
          lende media vragen gesteld over de mondgezondheid van sommige groepen,
          zoals kwetsbare ouderen en jonge kinderen. Er is steeds meer aandacht voor de
          mogelijke relatie tussen mondgezondheid en andere aspecten van de algemene
          gezondheid.
          De eerstelijns mondzorg heeft de laatste jaren grote veranderingen ondergaan in
          de financiering, de organisatie van de tandheelkundige praktijken, de opleidingen
          en taken van de verschillende professionals en het zorgaanbod. Tegelijk is de
          maatschappelijke vraag om transparantie over kwaliteit van zorg steeds explicie-
          ter geworden. Hier ligt een uitdaging voor de zorgverlening. Er zijn namelijk sig-
          nalen dat de wetenschappelijke onderbouwing (evidence base) van het klinisch
          handelen niet altijd duidelijk is en dat er nog nauwelijks volgens wetenschappe-
          lijk onderbouwde (evidence-based) richtlijnen wordt gewerkt. Ook lijkt er een
          ruime mate van behandelvariatie te bestaan.
1.1       Vragen aan de commissie
          Naar aanleiding van deze signalen heeft de voorzitter van de Gezondheidsraad
          een commissie ingesteld met deskundigen op het gebied van mondgezondheid en
          Inleiding                                                                          19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>   mondzorg (bijlage A). De commissie heeft een brede analyse gemaakt die een
   aantal punten omvat: een indruk van de mondgezondheid van Nederlanders; een
   analyse van het klinisch handelen in de mondzorg, met een focus op de weten-
   schappelijke onderbouwing ervan; en een overzicht van de bestaande kennisin-
   frastructuur. Gekoppeld aan deze analyse heeft de commissie de volgende vragen
   beantwoord:
   1 In hoeverre kan het gebruik van wetenschappelijke kennis, en met name van
       evidence-based richtlijnen, de kwaliteit van de mondzorg en de mondgezond-
       heid van de bevolking ten goede komen?
   2 Hoe kan men de ontwikkeling van en het werken volgens evidence-based
       richtlijnen stimuleren?
   3 Wat zijn – in het licht van de antwoorden op het eerste punt – de prioriteiten
       op het gebied van kennisinfrastructuur en onderzoek?
   Opzet van het advies
   Het rapport is opgedeeld in beschrijvende hoofdstukken en een hoofdstuk aanbe-
   velingen. In de eerste drie hoofdstukken analyseert de commissie de verschil-
   lende aspecten van de problematiek. Op basis van de belangrijkste conclusies
   hieruit beantwoordt zij vervolgens de vragen en doet zij aanbevelingen.
   Het eerste onderdeel van de probleemanalyse geeft een globaal overzicht van de
   context van het advies: de gezondheid van de mond. Wat is het belang van een
   gezonde mond en welke factoren zijn erop van invloed? Vervolgens wordt
   beschreven hoe het ervoor staat met de mondgezondheid in Nederland: wat
   weten we van de mondziekten waarmee mensen van verschillende leeftijdscate-
   gorieën te maken krijgen en wat zijn de belangrijkste risicogroepen?
   Het tweede onderdeel van de analyse gaat in op de kwaliteit van de eerstelijns
   mondzorg. De gepercipieerde behandelvariatie in de mondzorg wordt daarbij uit-
   gediept, waarbij de vraag wordt beantwoord of er daadwerkelijk sprake is van
   zorgverlenergebonden variatie en wat de aard ervan is. De mogelijke (deel)oor-
   zaken voor variatie worden stapsgewijs geanalyseerd. De vraag in hoeverre deze
   variatie veroorzaakt wordt door gebrek aan of onvoldoende benutten van kennis
   staat hierbij centraal. Ten behoeve van een compleet overzicht van de problema-
   tiek worden ook patiëntgebonden factoren die een rol spelen besproken.
   Het derde onderdeel van de analyse gaat in op de kennisinfrastructuur op het ter-
   rein van mondgezondheid en mondzorg. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar
20 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>het genereren van wetenschappelijke kennis, maar ook naar de structuren die de
kennis moeten overdragen naar de dagelijkse praktijk. Wat zijn de zwakke scha-
kels in de keten?
Op basis van dit overzicht van de problematiek doet de commissie in het laatste
hoofdstuk aanbevelingen over de manieren waarop het gebruik van kennis de
mondgezondheid en de kwaliteit van de zorg kan verbeteren.
Inleiding                                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>22 De mondzorg van morgen</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 2
          Mondgezondheid in Nederland
          Wat zijn de meest voorkomende mondziekten en wat weten we van de determi-
          nanten die erop van invloed zijn? Waarom is mondgezondheid belangrijk? En
          hoe staat het ervoor met de mondgezondheid van Nederlanders: wat zijn gunstige
          en ongunstige trends en wat zijn de belangrijkste risicogroepen? Dit hoofdstuk
          schetst een beeld van de bredere maatschappelijke context van dit advies. Daarbij
          ligt de focus op grote groepen mensen en op de meest voorkomende mondziek-
          ten.
2.1       Wat is mondgezondheid?
          Wat wordt bedoeld met mondgezondheid? Klassieke definities van gezondheid
          zijn gebaseerd op (het afwezig zijn van) ziekte en sterfte. De definitie van de
          World Health Organization (WHO) is echter veel breder: Een toestand van volle-
          dig fysiek, geestelijk en sociaal welbevinden. In de laatste decennia is er in over-
          eenstemming met deze omschrijving steeds meer aandacht gekomen voor de
          impact van (chronische) ziekte op de kwaliteit van leven. In 2010 heeft een door
          ZonMw en de Gezondheidsraad georganiseerde internationale conferentie de
          WHO-definitie geherformuleerd. Gezondheid moet worden beschouwd als een
          dynamisch concept dat op drie indicatieniveaus bepaald wordt: het klinische,
          pathofysiologische beeld van het lichaam, het individueel functioneren (zowel
          lichamelijk als psychisch) en het sociaal en maatschappelijk participeren. Deze
          gedachtegang is goed toepasbaar op de mondgezondheid. Mondgezondheid is
          Mondgezondheid in Nederland                                                          23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>      dan te beschouwen op het niveau van het klinische, pathofysiologische beeld en
      de functionaliteit van de mond en de omliggende weefsels, op het niveau van het
      individuele functioneren en op het niveau van het sociaal en maatschappelijk
      participeren.
2.1.1 Mondzorgverlening
      De mondzorgverlening (zie hoofdstuk 3) door tandartsen en mondhygiënisten
      richt zich in de eerste plaats op preventie van mondziekten. Als primaire preven-
      tie tekortschiet, kan alleen aanpassing van gedrag en levensstijl helpen om ziek-
      teprocessen daadwerkelijk tot stilstand te brengen. Als er grote schade door
      ziekte is ontstaan, kan het nodig zijn om schade- en/of functieherstel uit te voe-
      ren. De materialen die voor schadeherstel gebruikt worden gaan meestal niet
      levenslang mee, en bij elke restauratie blijft steeds minder van het originele
      gebitselement over. De tandarts moet zowel over medische kennis over het ver-
      loop van ziekteprocessen beschikken, als over technische kennis om restauraties
      en constructies te ontwerpen en het falen ervan te beoordelen, rekening houdend
      met de restauratiecyclus.
2.1.2 Aandoeningen aan de mond
      Er zijn veel verschillende aandoeningen die zich in of nabij de mondholte open-
      baren. De maatschappelijke aandacht voor mondgezondheid beperkt zich echter
      vaak tot cariës en parodontitis. Dit is begrijpelijk gezien de zeer hoge prevalentie
      van (de gevolgen van) deze ziekten. Omdat in de vragen van de voorzitter van de
      Gezondheidsraad aan de commissie de focus ligt op de eerstelijnszorgverlening
      is ervoor gekozen om de bespreking van mondziekten hoofdzakelijk te richten op
      veelvoorkomende aandoeningen die relevant zijn voor de eerstelijnszorg, omdat
      ze daar worden gediagnosticeerd en/of behandeld. De commissie wil benadruk-
      ken dat de context van mondgezondheid breder is dan alleen de preventie, diag-
      nose en behandeling van cariës en parodontitis. Kader 1 geeft een kort overzicht
      van mondproblemen aan de hand van een indeling in vijf categorieën, die later in
      meer of mindere mate ter sprake komen.
24    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre> Kader 1: Aandoeningen aan de mond
 Microbieel gemedieerde ziekten
 Cariës en parodontitis zijn allebei ziekten die worden gemedieerd door bac-
 teriën die zich op de tanden en kiezen ophopen: de tandplaque. De oorzaken
 en het verloop van beide ziekten zijn echter verschillend. Bij cariës leidt het
 metaboliseren van suikers uit het voedsel door bepaalde soorten bacteriën
 tot het ontstaan van zuren die eerst het tandglazuur, en vervolgens het
 onderliggende weefsel aantasten, waardoor gaatjes ontstaan. Speeksel heeft
 een bufferende werking tegen dit proces van demineralisatie. Vrijwel de
 gehele volwassen bevolking heeft enige cariëservaring (dit is een maat voor
 de mate waarin caviteiten zijn ontstaan, al dan niet gevuld of getrokken),
 maar de progressie van de ziekte verloopt bij de meeste mensen traag. Paro-
 dontitis is een – vaak chronische – ontsteking van de weefsels rondom de
 tanden en kiezen, het parodontium. Door de ontstekingsreactie vindt
 afbraak van het parodontium en kaakbot plaats. Als parodontitis niet behan-
 deld wordt, kan het leiden tot het los gaan staan van tanden en kiezen en het
 uiteindelijke verlies ervan. Een minder ernstige vorm van ontsteking is gin-
 givitis, ontstoken tandvlees.
 Gebitsslijtage
 Er worden drie verschillende vormen van gebitsslijtage onderscheiden.
 Attritie is de fysiologische slijtage van het gebit over vele jaren door het bij-
 ten en kauwen en is een normaal verouderingsverschijnsel. Abrasie is de
 niet-fysiologische, mechanische slijtage van het gebit. Veelvoorkomende
 voorbeelden van abrasie zijn de slijtage van de kiezen door knarsen
 (bruxisme), de slijtage van de tanden door het dragen van piercings en slij-
 tage veroorzaakt door verkeerd tandenpoetsen. Erosie is de chemische slij-
 tage die optreedt door frequente blootstelling aan zuren in de voeding, of,
 bijvoorbeeld bij boulimiapatiënten, door veelvuldig overgeven. Abrasie en
 erosie kunnen al op jonge leeftijd tot ernstige beschadigingen van gebitsele-
 menten leiden. Bij jeugdigen komt erosieve gebitsslijtage steeds meer voor
 (zie 2.3).
 Functiestoornissen
 Functiestoornissen van de mond, zoals een verminderd kauwvermogen, pijn
 aan het kauwstelsel, en problemen met eten en drinken, kunnen verschil-
Mondgezondheid in Nederland                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>     lende oorzaken hebben. Een van de belangrijkste is de beschadiging of het
     verlies van gebitselementen door cariës, parodontitis of gebitsslijtage. Ook
     orthodontische afwijkingen kunnen zorgen voor functieproblemen, net als
     afwijkende mondgewoonten. Stoornissen van het mandibulaire bewegings-
     apparaat uiten zich in pijn van het kaakgewricht en/of de kauwspieren en
     beperkingen in het openen en sluiten van de mond.
     Esthetische afwijkingen
     De tanden zijn bepalend voor de aanblik van het gezicht en hebben als zoda-
     nig een belangrijke rol bij sociale interactie. In de westerse maatschappij is
     het vrij algemeen gebruik om esthetische imperfecties te behandelen. In de
     tandheelkunde is veel aandacht voor het behoud van de natuurlijke aanblik
     van het gebit. Restauraties worden in tandkleurige vulmaterialen uitgevoerd
     en verkleuringen van gebitselementen worden gecorrigeerd. Ook bij de
     behandeling van orthodontische afwijkingen worden esthetische overwe-
     gingen meegenomen, naast functionele en mondhygiënische overwegingen.
     De commissie vindt het relevant om onderscheid te maken tussen cosmeti-
     sche behandelingen, die tot doel hebben om de esthetiek van het gebit bin-
     nen de algemeen aanvaarde maatschappelijke norm te brengen, en
     cosmetische behandelingen, die tot doel hebben om een bepaald ideaalbeeld
     te bereiken. Een voorbeeld van het laatste is het bleken van tanden zodat ze
     witter worden dan de oorspronkelijke kleur. Overigens verschuift de grens
     tussen deze twee met de tijd.
     Kanker
     Kanker van de lippen, mondholte, of keelholte treft vooral mensen van mid-
     delbare leeftijd en ouder. De tumoren zijn vrijwel allemaal plaveiselcelcar-
     cinomen, ontstaan uit het slijmvlies dat de verschillende delen van de
     mond- en keelholte bedekt. De belangrijkste risicofactoren zijn roken,
     gebruik van pruimtabak en overmatig alcoholgebruik. Andere risicofactoren
     zijn voor lipkanker blootstelling aan zonlicht en roken van een pijp, en voor
     keelkanker blootstelling aan het humaan papilloma virus (HPV). De vijf-
     jaarsoverleving is sterk afhankelijk van de locatie van het carcinoom en van
     het stadium waarin de diagnose plaatsvindt.
26 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>2.1.3 Determinanten van mondgezondheid
      De meeste aandoeningen aan de mond hebben een multifactoriële oorzaak. In dit
      opzicht zijn mondziekten te vergelijken met chronische leefstijlziekten zoals dia-
      betes, hart- en vaatziekten en obesitas. Door de complexe interactie tussen ver-
      schillende risicofactoren op verschillende niveaus is er een grote individuele
      variatie in de progressie van mondziekten: niet iedereen die aan ongunstige
      omstandigheden blootstaat, ontwikkelt ze in even grote mate, en niet iedereen die
      preventieve maatregelen neemt, is in even grote mate beschermd. Een recent ver-
      schenen rapport van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
      (KNAW) hanteert een driedeling voor multifactoriële aandoeningen: genetische
      factoren, omgevingsfactoren en leefstijl.1 Deze determinanten kunnen overlap-
      pen. Voor de mondgezondheid is het beeld als volgt.
      • Genetische factoren bepalen voor een deel het microklimaat in de mond,
          zoals de samenstelling van het tandglazuur en het speeksel. Dit heeft tot op
          zekere hoogte invloed op de progressie van ziekten als cariës en parodontitis.
          Erfelijke eigenschappen hebben ook indirect invloed op de progressie van
          mondziekten: zij beïnvloeden bijvoorbeeld een voorkeur voor zoet voedsel.
          Daarbij moet – gezien de hoge prevalentie van cariës – opgemerkt worden
          dat de mogelijk beschermende invloed van genetische factoren bij cariës
          beperkt is. De stand van de kaak en de tanden is grotendeels genetisch
          bepaald.
      • Omgevingsfactoren zorgen voor variabelen op meerdere niveaus. Voor het
          microklimaat in de mond is de bacteriële samenstelling van de tandplaque
          belangrijk. Op individueel niveau spelen variabelen zoals leeftijd en alge-
          mene gezondheidstoestand een rol. Sociale en maatschappelijke determinan-
          ten zijn de toegang tot professionele mondzorg, de verzekerbaarheid van
          deze zorg, de heersende sociale normen rond mondgezondheid en de
          beschikbaarheid van fluoride, bijvoorbeeld via tandpasta zoals in Nederland
          het geval is.
      • Er zijn leefstijlgerelateerde determinanten die invloed hebben op de mondge-
          zondheid. Voedingspatronen zijn mede bepalend voor de gebitstoestand
          omdat zij cariësactiviteit en de mate van erosieve slijtage beïnvloeden. Het
          onderhouden van een goede mondhygiëne is essentieel voor een goede
          mondgezondheid. Het gebruik van tabak en overmatig gebruik van alcohol
          zijn risicofactoren voor mondziekten. Ook medicijnen kunnen de speeksel-
          vloed en daarmee de mondgezondheid beïnvloeden.
      Mondgezondheid in Nederland                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>2.1.4 Preventie van mondziekten
      Een belangrijk kenmerk van de meest voorkomende mondziekten is dat zij met
      preventieve maatregelen voor een groot deel te voorkomen zijn. Dat eenvoudige
      maatregelen ingepast in de dagelijkse zelfzorg in de meeste gevallen effectief
      zijn tegen het ontstaan en het voortschrijden van cariës en parodontitis is
      afdoende wetenschappelijk bewezen en hierover bestaat dan ook consensus.2 Het
      is daarom opvallend dat de preventie van deze ziekten bij een groot deel van de
      populatie nog steeds niet volledig effectief is (zie voor cijfers 2.3). Dit kan ener-
      zijds wijzen op een gebrek aan kennis over effectieve preventie en anderzijds op
      het feit dat preventief gedrag niet vanzelfsprekend is. Omdat recente gegevens
      over het kennisniveau in de bredere populatie ontbreken, is niet bekend of kennis
      over basale preventieve maatregelen tegen mondziekten gemeengoed is of niet.
      Overigens is kennis slechts één aspect van het complexe proces van het aanleren
      of afleren van gedragingen, of het nu gaat om mondgezondheid of andere aspec-
      ten van gezondheid. Informatie over gewenst gedrag leidt wel tot een hoger ken-
      nisniveau, maar is meestal niet voldoende om ervoor te zorgen dat mensen
      bepaald gedrag daadwerkelijk aannemen. Hoewel er wetenschappelijke consen-
      sus is over de preventieve maatregelen die effectief zijn tegen mondziekten, is de
      manier waarop preventief gedrag op de juiste manier aangeleerd moet worden
      nog onderwerp van discussie.3,4 Er is geen wetenschappelijk bewijs voor de
      effectiviteit op lange termijn van alleen voorlichtingsinterventies om gedragsver-
      andering op het gebied van mondgezondheid te ondersteunen.5,6 Toch is informa-
      tieverstrekking vaak de belangrijkste methode om preventief gedrag te
      bevorderen, zowel op individueel als op collectief niveau.
2.2   Het maatschappelijk belang van mondgezondheid
2.2.1 De invloed van mondgezondheid op welzijn en kwaliteit van leven
      De meeste mondziekten zijn niet direct levensbedreigend, met uitzondering van
      mond- en keelkanker. Aandoeningen aan de mond hebben echter wel een grote
      invloed op het lichamelijke en geestelijke welzijn en op het maatschappelijke
      functioneren: zij tasten het vermogen om te eten en te praten aan, evenals het
      uiterlijk. Fysieke, psychologische, en sociale beperkingen ten gevolge van mond-
      ziekten kunnen daardoor vergelijkbaar zijn met die van aandoeningen met een
      veel ernstiger klinische uitkomst. Het inzicht dat de gezondheidseffecten van
      ziekte zich niet beperken tot de fysiologische verschijnselen ervan is niet nieuw.
28    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>      De zelfgerapporteerde symptomen en ervaren gezondheid van patiënten correle-
      ren vaak slecht met de gemeten fysiologische effecten van ziekten. Deze princi-
      pes gelden ook voor mondziekten7: de mate van cariëservaring correspondeert
      bijvoorbeeld niet met de ervaren mondgezondheid. Het verband tussen tande-
      loosheid en een slechte ervaren mondgezondheid is daarentegen sterk,8,9 terwijl
      tandeloze mensen vaak geen klinische symptomen van mondziekten (meer) heb-
      ben. Het is dus onvoldoende om de beschrijving van mondgezondheid te beper-
      ken tot de aan- of afwezigheid van fysiologische tekenen van mondziekten. De
      effecten van mondziekten op welzijn en kwaliteit van leven zijn belangrijke
      onderdelen van de ziektelast,7,9 die bovendien vaak levenslang doorwerken,
      vooral bij het verlies van gebitselementen.
2.2.2 Het verband tussen mondgezondheid en algemene gezondheid
      Hoewel de mond in de context van gezondheid en zorg vaak los van het lichaam
      wordt beschouwd, is de mond natuurlijk een integraal onderdeel ervan. Het is
      dan ook geen verrassing dat gezondheidsproblemen zoals ondervoeding, infec-
      ties, stress en chronische ziekten leiden tot klinische symptomen in de mond.
      Medicijnen tegen chronische ziekten kunnen invloed hebben op de mondgezond-
      heid (zie kader 2). Aandoeningen aan de mond en tandheelkundige behandelin-
      gen kunnen omgekeerd ook effect hebben op de rest van het lichaam. Naast de
      directe gevolgen van mondziekten zijn er minder voor de hand liggende interac-
      ties waar op dit moment relatief veel aandacht voor bestaat. Er is met name een
      groeiende hoeveelheid wetenschappelijke literatuur die de rol van parodontitis
      als onafhankelijke risicofactor voor hart- en vaatziekten onderzoekt.11 Ook het
      verband tussen mondhygiëne en cardiovasculaire aandoeningen is recent in een
      cohortstudie onderzocht.10 De rol van parodontitis tijdens de zwangerschap als
      risicofactor voor complicaties zoals vroeggeboorte, een laag geboortegewicht en
      pre-eclampsie is eveneens een onderwerp waarover steeds meer onderzoeksre-
      sultaten verschijnen.12-14 Omdat de resultaten van de verschillende studies naar
      dit onderwerp zeer heterogeen zijn moeten zij voorzichtig geïnterpreteerd wor-
      den als het gaat om de situatie in Nederland.
      Mondgezondheid in Nederland                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>         Kader 2: Medisch-tandheelkundige interacties
         Veel medicijnen en therapieën tegen chronische aandoeningen hebben bij-
         werkingen, zoals bijvoorbeeld vermindering van de speekselvloed (xerosto-
         mie).15 Naast het ongemak dat dit veroorzaakt, heeft xerostomie ook grote
         gevolgen voor de progressie van cariës en parodontitis. Ook vermindert het
         aantal van nature aanwezige afweerstoffen in de mondholte erdoor, wat zich
         kan manifesteren in infecties van de slijmvliezen. Omdat een groot deel van
         de bevolking, met name ouderen, een of meerdere medicijnen slikt in ver-
         band met chronische aandoeningen is dit een groeiend probleem. Voor het
         bewustzijn over dit probleem bij de medische beroepsgroepen is het belang-
         rijk dat de curricula van de opleidingen aandacht besteden aan de gevolgen
         van de orale bijwerkingen van een breed scala aan medicijnen.
         Medische behandelingen kunnen invloed hebben op de mondgezondheid.
         Omgekeerd kunnen sommige tandheelkundige behandelingen gevolgen heb-
         ben voor de algemene gezondheid. Antibiotica en pijnstillers die in de tand-
         heelkundige praktijk worden voorgeschreven, kunnen interacties vertonen
         met medicatie die geslikt wordt in verband met andere aandoeningen.16
         Sommige tandheelkundige behandelingen worden afgeraden aan mensen die
         bepaalde medicatie slikken (bijvoorbeeld antistolling) of bepaalde onderlig-
         gende aandoeningen hebben. Het gebruik van restauratiematerialen kan in
         sommige gevallen leiden tot toxische en allergische reacties.17 Het is de
         vraag of het bij tandartsen gemeengoed is om te vragen naar medicijngebruik
         of onderliggende aandoeningen en allergieën. Ook is onduidelijk of artsen
         voldoende kennis hebben om de relatie tussen tandheelkundige behandelin-
         gen en symptomen elders in het lichaam te leggen.
2.2.3 De kosten van de eerstelijns mondzorg
      De kosten van de mondzorg vormen een belangrijk aspect van de maatschappe-
      lijke relevantie van mondgezondheid. Dat de zorg voor volwassenen privaat gefi-
      nancierd wordt, maakt het kostenaspect voor burgers niet minder relevant. Ter
      illustratie: de kosten van de zorg verleend in tandartspraktijken zijn vergelijkbaar
      met de kosten van de zorg verleend in huisartspraktijken. In figuur 1 zijn deze
      kosten zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek per december
30    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>        % totale zorguitgaven
                                                                   jaartal
Figuur 1 Kosten van zorg verleend in huisartspraktijken en tandartspraktijken als percentage van totale zorguitgaven.
                                2011 in de periode 1998-2010 weergegeven als percentage van de totale zorgkos-
                                ten.18 Het bedrag in 2010 gemoeid met tandartszorg bedroeg ruim 2,6 miljard
                                euro op totale zorguitgaven van 87,1 miljard euro. Dat is gelijk aan 3,0% van de
                                totale zorguitgaven. De kosten van de huisartsenzorg bedroegen in 2010 2,5 mil-
                                jard euro, of 2,9% van de totale zorguitgaven. Vergeleken met het jaar 2009 was
                                er in 2010 sprake van een stijging van de kosten van de zorg verleend in tandarts-
                                praktijken met 3,3%; de totale zorguitgaven stegen met 3,6%. De kosten van de
                                tandartszorg zijn over de periode 1998-2010 ongeveer even hard gestegen als de
                                totale zorguitgaven. Volgens een schatting van het College voor zorgverzekerin-
                                gen (CVZ) bedroegen de kosten van de mondzorg verleend in de eerste lijn in
                                2010 3,1 miljard euro, of 3,6% van de totale zorguitgaven. Bij deze schatting zijn
                                naast de kosten van de zorg verleend in tandartspraktijken de kosten van de zorg
                                verleend bij vrijgevestigde mondhygiënisten en de kosten van volledige prothe-
                                sen meegenomen.
                                Een deel van het bedrag dat aan mondzorg wordt besteed, komt uit de publieke
                                middelen: de laatste cijfers van het CVZ laten bijvoorbeeld zien dat in 2008
                                ongeveer 586 miljoen euro aan mondzorg is uitgegeven in het kader van de Zorg-
                                Mondgezondheid in Nederland                                                             31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>      verzekeringswet.19 Het grootste deel van dit bedrag, 316 miljoen euro, is besteed
      aan jeugdigen tot 22 jaar.
2.3   De epidemiologie van de mondgezondheid in Nederland
      Om de mondgezondheid van de Nederlandse bevolking te beschrijven, maakt dit
      rapport onderscheid tussen verschillende leeftijdscategorieën: kinderen (tot 18
      jaar), volwassenen (18-55 jaar), en ouderen (55+). Omwille van de leesbaarheid
      beperkt de beschrijving zich tot de belangrijkste conclusies voor elke groep. In
      bijlage C komen de cijfers uitgebreider aan bod.
2.3.1 De mondgezondheid van kinderen
      Schade aan het gebit is niet terug te draaien, en beschadigingen opgelopen in de
      kindertijd hebben onherroepelijk gevolgen voor de mondgezondheid gedurende
      het hele leven. Bij kinderen is het belangrijkste aspect van mondgezondheid
      daarom het voorkómen van schade aan het melkgebit en het blijvende gebit. De
      belangrijkste oorzaak van gebitsschade bij kinderen is nog altijd cariës. Daar-
      naast kan blootstelling aan zuren in de voeding bij jeugdigen erosieve gebitsslij-
      tage veroorzaken. Het corrigeren van afwijkingen in de tandstand zodra het
      blijvende gebit is doorgebroken, gebeurt zowel uit functionele als uit esthetische
      overwegingen.
      De belangrijkste epidemiologische trends bij kinderen in Nederland
      samengevat
      De vermindering van de cariëservaring bij jeugdigen lijkt tot stilstand te zijn
      gekomen; er hebben zich in de afgelopen tien jaar geen grote veranderingen meer
      voorgedaan.20 De cariësprevalentie blijft overigens hoog: meer dan de helft van
      de vijfjarigen heeft gaatjes in het melkgebit en ruim 80% van de jeugdigen heeft
      geen gaaf gebit meer bij het bereiken van de 21-jarige leeftijd. Kinderen met een
      lage sociaaleconomische status hebben in alle leeftijdcategorieën meer cariëser-
      varing dan kinderen met een hoge sociaaleconomische status. Het aantal jeugdi-
      gen met erosieve gebitsslijtage is de afgelopen tien jaar sterk toegenomen:
      ongeveer een op de drie 21-jarigen had in 2009 ernstige tekenen van slijtage.20
      De oorzaken en het verloop van erosieve gebitsslijtage zijn complex; er spelen
      meerdere variabelen een rol, waaronder voedingsvariabelen.21,22 Het aantal kin-
      deren dat een orthodontische behandeling ondergaat, is in de afgelopen decennia
      eveneens sterk gestegen, van ongeveer een op vijf aan het einde van de jaren ’80
32    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>      naar meer dan de helft in 2009.20 Zie bijlage C voor uitgebreide epidemiologi-
      sche informatie.
2.3.2 De mondgezondheid van volwassenen
      Ook bij de huidige generatie volwassenen zijn het voorkomen en vertragen van
      het cariësproces en het herstellen van de schade die door cariës ontstaan is,
      belangrijke aspecten van een goede mondgezondheid. De introductie van fluori-
      dehoudende tandpasta in de jaren ’70 van de vorige eeuw is een belangrijke ont-
      wikkeling geweest in de preventie van cariës in Nederland. De generaties die
      ‘post-fluoride’ zijn opgegroeid zullen mogelijk pas op latere leeftijd problemen
      ervaren van de cumulatieve schade door cariës dan de generaties die hen voor-
      gaan. Bij volwassenen neemt met de leeftijd de geaccumuleerde slijtage aan het
      gebit en de omliggende weefsels toe. Dit uit zich bijvoorbeeld en verkleuringen
      en abrasie van het gebit en in blootliggende en geërodeerde tandwortels. Paro-
      dontale problemen en kaakgewrichtsklachten zijn belangrijke aspecten van
      mondgezondheid bij volwassenen. Een exacte schatting van de prevalentie van
      parodontitis is lastig, omdat er vergeleken met cariës minder makkelijk reprodu-
      ceerbare epidemiologische meetmethoden zijn voor parodontitis. De WHO schat
      dat ernstige vormen van parodontitis, dat wil zeggen progressief, met botafbraak,
      bij 10-15% van de volwassen bevolking voorkomen.23 Een veel groter deel van
      de bevolking heeft licht ontstoken tandvlees (gingivitis).
      De belangrijkste epidemiologische trends bij volwassenen in Nederland
      samengevat
      De gebitstoestand van volwassenen is de afgelopen dertig jaar verbeterd. De
      carieservaring is duidelijk afgenomen en mensen behouden steeds langer het
      natuurlijke gebit.24,25 Er bestaat echter een aanzienlijke sociaaleconomische
      ongelijkheid wat betreft de mondgezondheid.25 Mogelijk is er een verband tussen
      de mondgezondheidstoestand, het al dan niet aanvullend verzekerd zijn voor
      mondzorg, en/of de financiële draagkracht. Zie bijlage C voor uitgebreide epide-
      miologische informatie.
2.3.3 De mondgezondheid van ouderen vanaf 55 jaar
      De slijtage van het gebit en de veroudering van de weefsels van de mondholte
      begint bij oudere volwassenen invloed te hebben op de mondgezondheid. Het
      verlies van tanden en kiezen is echter geen natuurlijk gevolg van het ouder wor-
      Mondgezondheid in Nederland                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>      den, maar een gevolg van geaccumuleerde schade. De huidige generatie oudere
      volwassenen heeft vooral te maken met een grote cumulatieve schade van
      cariës.25 Het gebit is meestal veelvuldig gerestaureerd met technieken waarbij
      relatief veel weefsel verloren ging. Daarbij zijn deze restauraties met een zekere
      regelmaat vervangen waarbij steeds grotere delen van het oorspronkelijke ele-
      ment verloren gingen (de restauratiecyclus),26 vaak met het uiteindelijke verlies
      van het natuurlijke element als gevolg. De huidige generatie oudere volwassenen
      heeft een aanzienlijk aantal gebitselementen verloren.25 Tegenwoordig zijn
      zowel de mogelijkheden van preventie als de curatieve technieken verbeterd. Het
      is niet exact te voorspellen hoe de mondgezondheid van de toekomstige genera-
      ties ouderen eruit zal zien, maar de verwachting is dat zij langer de natuurlijke
      elementen zullen behouden dan de huidige generatie ouderen.
      Er is een sterk verband tussen het aantal gebitselementen en de zelfgerappor-
      teerde mondgezondheid.8 Met name volledige tandeloosheid heeft ingrijpende
      gevolgen voor het dieet en de kwaliteit van leven. Om de functionaliteit te her-
      stellen na het verlies van gebitselementen worden protheses of implantaten
      gebruikt, of een combinatie van beide. Nog steeds hebben veel ouderen een vol-
      ledig kunstgebit.24 Dit geeft specifieke problemen, want protheses hebben nade-
      len: zij zijn minder functioneel dan de natuurlijke elementen, en door resorptie
      van de kaakwallen gaat bij volledige protheses de houvast uiteindelijk verloren.
      Implantaten die gebitselementen vervangen en protheses die met implantaten
      worden bevestigd, herstellen de functie beter en hebben esthetische voordelen.
      Implantaten vergen echter secuur onderhoud en kunnen tot complicaties leiden.
      De belangrijkste epidemiologische trends bij ouderen in Nederland
      samengevat
      Er wordt geen specifiek epidemiologisch onderzoek gedaan naar de mondge-
      zondheid van ouderen, waardoor weinig details bekend zijn over deze groep. De
      belangrijkste trend is dat oudere mensen steeds langer de natuurlijke elementen
      behouden.24,25 Zie bijlage C voor uitgebreide epidemiologische informatie.
2.3.4 Risicogroepen
      Een aantal bevolkingsgroepen loopt een verhoogd risico op mondgezondheids-
      problemen. Risicogroepen zijn mensen met een lage sociaaleconomische status,
      kinderen, kwetsbare ouderen, en mensen met onderliggende medische aandoe-
      ningen.
34    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Mensen met een lage sociaaleconomische status
De gezondheid van mensen met een lage sociaaleconomische status (SES) is
over het algemeen slechter dan die van mensen met een hoge SES. Mondgezond-
heid vormt hierop geen uitzondering: laagopgeleiden hebben over het algemeen
een slechtere gebitstoestand en zijn ook minder tevreden over hun mondgezond-
heid dan hoogopgeleiden.25 Dit verband bestaat ook op internationaal niveau.
Ook bij kinderen is SES een belangrijke risico-indicator voor het voorkomen van
cariës.20 Bij kinderen is een aantal mediërende determinanten onderzocht die de
verschillen in cariëservaring deels zouden kunnen verklaren. De belangrijkste
zijn de voedingsvariabelen en de mondhygiëne. Niet alle verschillen kunnen ech-
ter door deze variabelen verklaard worden.
Kinderen
Kinderen zijn extra gevoelig voor beschadiging van het gebit omdat het tandgla-
zuur van zowel het melkgebit als het pas doorgebroken blijvende gebit anders
van structuur is dan dat van het volwassen gebit. Daarbij zijn jonge kinderen nog
niet in staat tot zelfzorg. De cariësprevalentie onder jeugdigen blijft hoog,
ondanks de introductie van fluoride als preventieve maatregel, en de prevalentie
van erosieve gebitsslijtage is in het afgelopen decennium sterk toegenomen.
Kwetsbare ouderen
Door de vergrijzing en de stijgende levensverwachting groeit het aantal ouderen.
Ongeveer 15% van de bevolking is op dit moment boven de 65 jaar en dit per-
centage zal groeien tot 20% in 2025 en 25% in 2040, op het hoogtepunt van de
vergrijzing. Ongeveer een kwart van de mensen boven de 65 jaar kan omschre-
ven worden als kwetsbaar.27 Het Sociaal en Cultureel Planbureau definieert
kwetsbaarheid bij ouderen als het proces van het opeenstapelen van lichamelijke,
psychische en/of sociale tekorten in het functioneren dat de kans vergroot op
negatieve gezondheidsuitkomsten. Kwetsbare ouderen hebben een verhoogd
risico op mondgezondheidsproblemen.28 Een deel van deze problemen is direct
gerelateerd aan de algemene gezondheidstoestand. Een natuurlijk gebit vergt
secuur dagelijks onderhoud, wat moeilijker wordt als de motoriek achteruit gaat.
Het natuurlijk evenwicht in de mond verandert met de leeftijd door afnemende
speekselproductie en dit proces wordt vaak verergerd door medicatie tegen chro-
nische aandoeningen (zie kader 2). Wanneer de mobiliteit vermindert, wordt het
Mondgezondheid in Nederland                                                       35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   moeilijk om de tandarts te blijven bezoeken. Dit geldt zowel voor thuiswonende
   ouderen als voor ouderen in verzorgingshuizen.
   Mensen met onderliggende medische aandoeningen
   Mensen met bepaalde chronische aandoeningen lopen een groter risico op mond-
   gezondheidsproblemen, en andersom hebben zij een grotere kans op bepaalde
   complicaties als zij een slechte mondgezondheid hebben. Diabetici hebben een
   grotere kans op het ontwikkelen van parodontitis.29,30 Het vóórkomen van paro-
   dontitis is op zijn beurt bij diabetici in verband gebracht met het fluctueren van
   de bloedsuikerspiegel.30-33 Er zijn aanwijzingen dat parodontale behandeling
   effect kan hebben op het controleren van de bloedsuikerspiegel, al is de effectivi-
   teit nog niet geheel duidelijk.34,35 Bij patiënten met een gecompromitteerd
   immuunsysteem zijn ontstekingen van het tandvlees eveneens een risicofactor
   voor het ontwikkelen van complicaties. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om kanker-
   patiënten, transplantatiepatiënten en patiënten met een immuunstoornis,36 zoals
   reumatoïde artritis.37,38 De medicatie tegen deze aandoeningen veroorzaakt op
   haar beurt mondgezondheidsproblemen (zie kader 2).15 Patiënten met chronische
   infectieziekten zoals hepatitis B, tuberculose en HIV/AIDS hebben specifieke
   mondgezondheidsproblemen.36 Ook mensen met een lichamelijke of verstande-
   lijke beperking hebben specifieke behoeftes met betrekking tot mondzorg, net
   zoals mensen met psychiatrische problemen.
   Voor de behandeling van het toenemende aantal mensen met comorbiditeit is het
   van groot belang dat de circulatie van kennis tussen de verschillende medische
   beroepsgroepen goed verloopt. De Council of European Dentists heeft in dit
   kader opgeroepen tot een meer geïntegreerde aanpak van chronische ziekten,
   gebaseerd op het uitwisselen van kennis en samenwerking tussen de verschil-
   lende eerstelijnszorgverleners.39 De Nederlandse Maatschappij tot bevordering
   der Tandheelkunde (NMT) en de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) zijn
   eveneens voorstander van meer samenwerking in de eerste lijn. Verwijsrelaties
   tussen tandartsen en huisartsen zijn echter nog eerder uitzondering dan regel (zie
   hoofdstuk 3), terwijl leefstijlgerelateerde chronische ziekten (mondziekten, obe-
   sitas) duidelijke raakvlakken hebben bij de vroegdiagnostiek. Er zijn geen richt-
   lijnen voor het tandheelkundig behandelen van patiënten met verschillende
   ziektebeelden. Het nieuwe zesjarige curriculum van de opleiding tot mondarts
   beoogt de algemeen medische achtergrond te vergroten, onder andere om de
   tandarts beter toe te rusten voor de behandeling van deze groeiende patiënten-
   groep.
36 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>2.4 Conclusies
    Een goede mondgezondheid is van groot belang voor het individueel en sociaal
    functioneren en voor het welzijn. Het is daarom belangrijk dat er binnen het
    volksgezondheidbeleid aandacht voor dit thema blijft bestaan. De gebitstoestand
    van Nederlanders is sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw sterk verbeterd. Een
    groot deel van de bevolking lijdt echter nog steeds aan de gevolgen van mond-
    ziekten en de kosten van de mondzorg stijgen even hard als de totale zorguitga-
    ven. Mondgezondheid blijft sterk verbonden met sociaaleconomische status. Een
    aantal trends van de afgelopen decennia verdient de aandacht van beleidsmakers
    en beroepsgroepen.
    • De cariësprevalentie bij jeugdigen blijft hoog: de helft van de vijfjarigen
        heeft enige mate van cariëservaring en slechts 15% van de 21-jarigen heeft
        nog een volledig gaaf gebit. Er valt nog terrein te winnen op het gebied van
        preventie gericht op kinderen en hun ouders.
    • De prevalentie van erosieve gebitsslijtage bij jeugdigen is toegenomen. Dit
        kan grote gevolgen hebben voor de levensduur van het gebit. Er is wel onder-
        zoek gedaan naar de oorzaken, maar het is nog niet bekend welke preventieve
        maatregelen effectief zijn.
    • Het aantal kinderen dat een orthodontische behandeling ondergaat, is in de
        afgelopen decennia meer dan verdubbeld. Gezien de hoge aantallen zou het
        wenselijk zijn om gegevens over de esthetische of functionele noodzaak van
        deze behandelingen te verzamelen.
    • De specifieke zorgbehoefte van kwetsbare ouderen en – deels daarmee
        samenhangend – mensen met onderliggende medische aandoeningen is sterk
        toegenomen. Deze groepen hebben specifieke mondgezondheidsproblemen
        en een specifieke zorgbehoefte. Het is volgens de commissie belangrijk dat er
        bij de medische en tandheelkundige beroepsgroepen voldoende bewustzijn
        over en weer is over medisch-tandheelkundige interacties en dat er aandacht
        besteed wordt aan de toegankelijkheid van de zorgverlening, met name voor
        kwetsbare ouderen.
    De belangrijkste kennislacunes
    Op dit moment worden slechts in een beperkt aantal plaatsen epidemiologische
    cijfers verzameld. Hierdoor is het niet mogelijk uitspraken te doen over regionale
    verschillen in mondgezondheid. Vanwege verschillen in de samenstelling van de
    bevolking is het wel voorstelbaar dat er verschillen zijn tussen regio’s, bijvoor-
    Mondgezondheid in Nederland                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>   beeld tussen de grote steden en plattelandsgemeenten. Met het oog op ontwikke-
   lingen zoals het experiment met het vrijgeven van de tarieven per januari 2012 is
   het extra relevant om te bepalen of de mondgezondheid verband houdt met regi-
   onale verschillen in het aanbod en de prijs van mondzorg, en of de kosten van de
   zorg een drempel voor de toegang kunnen vormen. Er zijn op dit moment relatief
   weinig gegevens over de factoren die bijdragen aan de mondgezondheid van
   kwetsbare groepen, met name kwetsbare ouderen en mensen met een lage SES.
   Er is ook weinig bekend over de toegankelijkheid van zorg voor deze groepen.
   Bij het bestuderen van de beschikbare cijfers valt op dat de aandacht voor mond-
   gezondheid sterk op cariës gericht is. Andere aandoeningen, met name parodon-
   titis, zijn minder goed onderzocht op epidemiologisch niveau. Hierdoor kunnen
   er minder goed uitspraken gedaan worden over de omvang van de ziektelast bij
   verschillende groepen.
   Hoewel de werkzaamheid van een aantal eenvoudige preventieve maatregelen
   tegen veelvoorkomende mondziekten onomstreden is, komen deze ziekten toch
   nog bij een significant deel van de populatie voor. Dit fenomeen is op verschil-
   lende manieren te verklaren. Misschien zijn mensen niet voldoende op de hoogte
   van preventie tegen mondziekten. Of mensen zijn wel goed op de hoogte, maar
   hebben om uiteenlopende redenen moeite met het aannemen van preventief
   gedrag. Er is weinig bekend over het kennisniveau over preventie van mondziek-
   ten bij de bevolking en over de specifieke factoren die meespelen bij het al dan
   niet nemen van preventieve maatregelen. Er is tevens weinig bekend over de
   effectiviteit van interventies gericht op het aanleren van preventief gedrag. Ten
   slotte is er nog geen uitsluitsel over de vraag of interventies op het gebied van
   preventie zich zouden moeten richten op risicogroepen of op de hele populatie
   voor een maximaal effect.
38 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 3
          De eerstelijns mondzorg
          Dit hoofdstuk gaat in op de kwaliteit van de eerstelijns mondzorg en de relatie
          met de behandelvariatie tussen tandartsen. De commissie brengt in kaart welke
          instrumenten beschikbaar zijn om de kwaliteit te bevorderen en te waarborgen.
          In hoeverre is het klinisch handelen wetenschappelijk onderbouwd?
3.1       De eerstelijns mondzorg in vogelvlucht
          Als achtergrondinformatie geeft de commissie een kort overzicht van de context:
          de professionals en de praktijkorganisatie in de eerstelijns mondzorg.
3.1.1     De professionals
          Tandartsen
          Tandartsen zijn academisch opgeleide mondzorgprofessionals die bevoegd zijn
          om de brede zorg aan de individuele patiënt te verlenen, dat wil zeggen diagnose,
          indicatiestelling, behandelplanning en curatieve behandeling van aandoeningen.
          De titel tandarts is beschermd via de Wet op de beroepen in de individuele
          gezondheidszorg (Wet BIG) en valt onder de acht beroepen in de ‘zware catego-
          rie’. Een tandarts die van de opleiding komt is algemeen-practicus en mag het
          vak in de hele breedte beoefenen. Per december 2011 stonden 12.865 tandartsen
          in het BIG-register ingeschreven.40 Volgens een schatting van de beroepsvereni-
          De eerstelijns mondzorg                                                           39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   ging Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT)
   waren in januari 2012 ongeveer 8.700 tandartsen in Nederland beschikbaar voor
   beroepsuitoefening, dat is omschreven als jonger dan 64 jaar met een Nederlands
   woon- of werkadres.41 In 2012 begint de eerste termijn van verplichte periodieke
   registratie voor het BIG-register voor een aantal medische beroepsgroepen,
   waaronder tandartsen. In 2017 zal de eerste verplichte herregistratie plaatsvin-
   den. De precieze eisen die hiervoor zullen gelden, zijn op het moment van schrij-
   ven nog niet officieel naar buiten gebracht.
   Gedifferentieerde tandartsen
   Er bestaan negen differentiaties voor tandartsen, met bijbehorende wetenschap-
   pelijke verenigingen die ieder een register bijhouden. Differentiaties, bijvoor-
   beeld de tandarts-implantoloog of de tandarts-parodontoloog zijn geen wettelijk
   erkende specialisaties en worden niet vermeld in het BIG-register. Ongeveer 800
   tandartsen hebben een geregistreerde differentiatie.41
   Tandheelkundig specialisten
   Er zijn twee wettelijk erkende specialisaties die volgen op de opleiding tot tand-
   arts: orthodontie en kaakchirurgie. Om de titel van orthodontist of kaakchirurg te
   mogen voeren moet men voldoen aan de eisen om ingeschreven te staan in het
   specialistenregister dat wordt bijgehouden door de NMT. Volgens een schatting
   van de NMT waren in januari 2011 318 orthodontisten en 216 kaakchirurgen in
   Nederland beschikbaar voor beroepsuitoefening.
   Mondhygiënisten
   Mondhygiënisten zijn de professionals die zich richten op de preventie van
   mondziekten, vooral van cariës en tandvleesproblemen. De werkzaamheden van
   de mondhygiënist omvatten het screenen op afwijkingen, het stellen van een
   diagnose en het opstellen van een behandelplan binnen het eigen deskundig-
   heidsgebied. Daarnaast mogen bevoegde en bekwame mondhygiënisten in
   opdracht van de tandarts een aantal voorbehouden handelingen uitvoeren, zoals
   het restaureren van primaire cariës. Ook de titel mondhygiënist is beschermd via
   de Wet BIG, maar valt onder de ‘lichte categorie’. Dat houdt onder andere in dat
   mondhygiënisten niet in het BIG-register ingeschreven staan. Er waren in 2010
   volgens een schatting van het Nederlands instituut voor onderzoek van de
   gezondheidszorg (NIVEL) in samenwerking met de Nederlandse Vereniging van
40 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>      Mondhygiënisten (NVM) 2.425 mondhygiënisten in Nederland beschikbaar voor
      beroepsuitoefening.42
      De opleidingen voor tandarts en mondhygiënist zijn recent hervormd.43,44
      Belangrijke doelen van de hervormingen zijn dat de tandarts meer medisch-
      wetenschappelijk te werk gaat en de aandacht meer gaat richten op complexere
      behandelingen, terwijl de mondhygiënist een bredere basis krijgt om alle preven-
      tieve en een reeks van curatieve handelingen te kunnen uitvoeren. De bedoeling
      is dat er taakherschikking van de tandarts naar de mondhygiënist plaatsvindt.
      Tandprothetici
      Tandprothetici zijn gespecialiseerd in het aanmeten en maken van prothesen voor
      in de mond. De titel is beschermd via artikel 34 van de Wet BIG, tandprothetici
      staan dus niet in het BIG-register. Er zijn volgens de Organisatie voor Neder-
      landse Tandprothetici (ONT) naar schatting 350 tandprothetici werkzaam in
      Nederland.45
      Tandartsassistenten
      In vrijwel alle tandartspraktijken zijn tandartsassistenten werkzaam die het
      instrumentarium beheren, administratieve taken doen en assisteren bij de zorg-
      verlening aan de stoel. Preventieassistenten zijn tandartsassistenten die zich via
      een cursus bekwaamd hebben om in opdracht en onder toezicht van een tandarts
      preventieve zorgtaken uit te voeren. Er is een groot aantal al dan niet formeel
      opgeleide tandartsassistenten werkzaam in tandartspraktijken: volgens een schat-
      ting van de NMT bedroeg hun aantal in 2010 18.350.46
3.1.2 Praktijkorganisatie in de mondzorg
      Het overgrote deel van de mondzorg wordt verleend in tandartspraktijken. Het
      aantal algemene en gedifferentieerde tandartspraktijken in Nederland werd in
      2010 geschat op ongeveer 5.600.46 Daarnaast zijn er 21 centra voor jeugdtand-
      verzorging die reguliere tandheelkundige zorg verlenen aan jeugdigen, en 22
      centra voor bijzondere tandheelkunde waar zorg wordt verleend aan patiënten
      met ernstige tandheelkundige, lichamelijke of geestelijke beperkingen. In 2010
      had de algemene praktijk gemiddeld 2,4 behandelstoelen en werden er 150
      patienten per week behandeld.
      De eerstelijns mondzorg                                                            41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>    Werkverbanden
    De traditionele vorm van praktijkvoering in de tandheelkunde is de solopraktijk,
    waarbij de tandarts alle patiëntenzorg en de bedrijfsvoering voor zijn rekening
    neemt, ondersteund door een of meerdere assistenten. Er is echter een trend tot
    meer samenwerking gaande, zowel binnen als tussen de verschillende beroeps-
    groepen in de mondzorg.46-48 Het aandeel tandartsen dat solopraktijkhouder is, is
    tussen 1997 en 2010 gedaald van 76% naar 61%.46 De rest van de tandartsen is
    werkzaam in een praktijk met meerdere tandarts-praktijkhouders – meestal
    twee –, en/of meerdere tandartsen in dienst, of bij andere instellingen. Gemiddeld
    werkten tandartsen in 2010 38 uur per week, waarvan 32 declarabele uren.
    In 2010 werkte 60% van de mondhygiënisten in dienst van een algemene tand-
    heelkundige praktijk. Dit komt erop neer dat in 34% van de tandartspraktijken
    één of meerdere mondhygiënisten werkzaam was.42,46 Ongeveer 35% was vrijge-
    vestigd in een solopraktijk of een groepspraktijk, en de overige 5% werkte bij
    andere instellingen, bijvoorbeeld de GGD. Van de nieuwste lichtingen mondhy-
    giënisten die met het vierjarige curriculum zijn opgeleid, gaat 90% (in vol- of
    deeltijd) in de tandartspraktijk aan de slag.49 In vrijwel alle (97%) tandartsprak-
    tijken zijn tandarts- of preventieassistenten in dienst.46 5% van de praktijken
    heeft zijn eigen tandprotheticus. In 25% van de praktijken is een praktijkmanager
    werkzaam.
    Verwijsrelaties
    Vrijwel alle tandartsen verwijzen naar de kaakchirurg, de orthodontist, en de
    mondhygiënist, en 30% verwijst naar de tandprotheticus.46 Bijna alle tandartsen
    verwijzen naar (gedifferentieerde) collega-tandartsen en 34% krijgt patiënten
    doorverwezen van andere tandartsen. De zorgverleners binnen de mondzorg
    onderhouden dus uitgebreide verwijsrelaties, maar het komt relatief weinig voor
    dat zij structureel verwijzen naar andere eerstelijnszorgverleners. Slechts 8% van
    tandartsen onderhoudt een zorginhoudelijke samenwerking, bijvoorbeeld een
    verwijsrelatie, met huisartsen, apothekers, logopedisten of fysiotherapeuten.46
3.2 Kwaliteitsaspecten van de mondzorg
    Kwaliteit van zorg staat momenteel volop in de maatschappelijke belangstelling.
    Wat behelst kwaliteit in dit verband? De algemeen geaccepteerde definitie van
    kwaliteit van zorg is door het Institute of Medicine (IOM) in 2001 opgesteld50:
42  De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>      Quality of care is the degree to which health services for individuals and populations increase the
      likelihood of desired health outcomes and are consistent with current professional knowledge.
      Deze definitie legt bij het bepalen van kwaliteit dus de nadruk op de uiteindelijke
      bijdrage van de zorg aan de individuele gezondheid en volksgezondheid. Op
      grond van de bovenstaande definitie worden zes kwaliteitsdoelstellingen voor de
      zorg onderscheiden: tijdigheid, toegankelijkheid, veiligheid, patiëntgerichtheid,
      patiëntveiligheid, doeltreffendheid (effectiveness), en doelmatigheid (efficiency).
3.2.1 Tijdigheid en toegankelijkheid van de mondzorgverlening
      Tijdigheid en toegankelijkheid houdt in dat mensen die zorg nodig hebben –
      ongeacht hun persoonlijke kenmerken – op tijd toegang hebben tot zorgverle-
      ning, zonder daarbij hoge drempels tegen te komen. Een randvoorwaarde voor
      toegankelijkheid en tijdigheid van zorg is dat er voldoende gekwalificeerde zorg-
      aanbieders zijn. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concludeerde in 2009 dat
      vraag en aanbod van mondzorg op landelijk niveau in balans was, hoewel er in
      enkele regio’s tekorten konden zijn.51 Het capaciteitsorgaan heeft in 2010
      geraamd dat de opleidingscapaciteit voor tandartsen en mondhygiënisten uitge-
      breid zal moeten worden om in de toekomst aan de vraag te voldoen.52 Uit het
      onderzoek van de NMT blijkt dat in het jaar 2010 16% van de praktijken ruimte
      had om patiënten aan te nemen zonder voorwaarden, en nog eens 60% nam pati-
      enten aan onder bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld het hebben een familie- of
      vriendenrelatie met een ingeschreven patiënt.46 Patiënten die een spoedeisende
      behandeling nodig hadden konden in vrijwel alle gevallen binnen één dag
      terecht. Voor een periodieke controle konden patiënten bij 38% van de praktijken
      binnen twee weken terecht en een behandeling kon bij 25% van de praktijken
      binnen twee weken worden uitgevoerd.
      Er is een aantal toegangsdrempels voor de mondzorg, vooral voor kwetsbare
      groepen. Mobiliteitsproblemen kunnen bijvoorbeeld de toegang tot de algemene
      praktijk bemoeilijken voor ouderen en mensen met lichamelijke aandoeningen.
      Voor angstige patiënten en mensen met psychische aandoeningen bestaan grote
      psychische drempels. Kleine kinderen zijn afhankelijk van hun ouders voor het
      tijdig bezoeken van de tandarts, en vragen om een gerichte benadering door de
      zorgverlener. De private financiering van de mondzorg voor volwassenen bete-
      kent dat er ook financiële drempels voor toegang kunnen bestaan, los van de
      vraag of de zorg bekostigd wordt uit eigen middelen of uit een aanvullende ver-
      zekering. Alle aanvullende verzekeringen die worden aangeboden zijn bedoeld
      De eerstelijns mondzorg                                                                             43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>      als onderhoudspakketten, niet als risicopakketten. Dat wil zeggen dat de kosten
      van een behandeling slechts vergoed worden tot een bepaald maximum, dat vol-
      doende is voor basisonderhoud, maar dat grote ingrepen of ongevallen niet (vol-
      ledig) dekt. Ook kan er sprake zijn van een strenge selectie als een onverzekerde
      volwassene een polis wil afsluiten: mensen met tandheelkundige risico’s voldoen
      niet aan de selectiecriteria voor aanvullende verzekeringen. Uit het onderzoek
      Mondgezondheid Volwassenen bleek dat 10% van de deelnemers wel eens een
      behandeling uitstelt of ervan afziet vanwege de kosten.25 Er is nog geen specifiek
      onderzoek verricht naar de vraag in hoeverre kosten een drempel vormen voor de
      toegang tot mondzorg of voor de keuze van een behandeling.
3.2.2 Patiëntveiligheid in de mondzorg
      Patiëntveiligheid houdt in dat er geen risico is dat een patiënt schade oploopt als
      gevolg van het niet volgens de professionele standaard handelen van zorgverle-
      ners. Diverse recente ontwikkelingen in de mondzorg kunnen gevolgen hebben
      voor patiëntveiligheid. Zo wordt voor steeds meer behandelingen verwezen naar
      andere mondzorgverleners (mondhygiënisten, tandartsen en gedifferentieerde
      tandartsen) en worden steeds meer taken gedelegeerd aan assistenten. Het is
      voorstelbaar dat dit de kans op fouten kan vergroten, vooral als dossiers niet goed
      worden bijgehouden. Daarnaast brengen nieuwe technologische ontwikkelingen
      andere risico’s met zich mee. Voorbeelden hiervan zijn de verschuiving van de
      productie van tandtechniek – waaronder kronen, implantaten, en protheses – naar
      landen buiten de EU, het toenemende gebruik van biologische materialen, het
      gebruik van nieuwe vormen van röntgendiagnostiek, en het gebruik van innova-
      tieve invasieve technieken, bijvoorbeeld in de implantologie. Op dit moment is
      er weinig informatie beschikbaar over patiëntveiligheid in de mondzorg. Het is
      bijvoorbeeld niet bekend of zorgverleners standaard veiligheidsmaatregelen
      nemen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van beschermende hulpmiddelen om
      inademen of doorslikken van scherp instrumentarium bij patiënten te voorko-
      men. Een structurele vorm van registratie en analyse van incidenten ontbreekt.
      Uit onderzoek op basis van dossieronderzoek kwam naar voren dat er in 2009
      acht incidenten op duizend patiënten plaatsvonden.53 Dit betekent dat in Neder-
      land circa honderdduizend incidenten per jaar plaatsvinden. De auteurs van de
      studie concluderen dat het melden van incidenten waarschijnlijk niet professie-
      breed gebeurt en dat dossiers in veel praktijken summier worden bijgehouden.
44    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>3.2.3 Patiëntgerichtheid in de mondzorg
      Patiëntgerichtheid houdt in dat de zorg is afgestemd op de noden, wensen en
      waarden van de patiënt. Zwaarwegende factoren in de perceptie van de patiënt
      zijn de technische vaardigheden van de tandarts en de interpersoonlijke relatie.54
      De patiëntenenquête van de NMT uit 2009 die gehouden werd onder 4.047
      patienten van 32 tandartspraktijken liet zien dat veruit de meeste ondervraagde
      patienten de verschillende aspecten van de behandeling door hun tandarts als
      (zeer) goed beoordeelde.55 Tandartsen scoren bij de deelnemers aan de enquête
      met name hoog op het resultaat van de behandeling, vakkundigheid, hygiëne, de
      zorg om een tand of kies te behouden en de manier van omgaan met kinderen.
      Ook de behandeling door mondhygiënist en/of de preventieassistent beoordeelt
      het merendeel van de patiënten (90% of meer) als (zeer) goed. Minder positief
      zijn de patiënten over de informatie die de tandarts verstrekt over de kosten van
      een behandeling, de vergoedingsmogelijkheid door de zorgverzekeraar, en de
      mogelijkheid van een second opinion bij een andere tandarts. De Nederlandse
      Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) heeft een aantal meldacties over
      mondzorg opgezet. Tijdens de actie van 2009 gaven de 1.883 deelnemers hun
      tandarts gemiddeld het rapportcijfer 7,6.56 De NPCF geeft in dit rapport aan dat
      ondanks het feit dat patiënten aangeven tevreden te zijn over de kwaliteit van de
      tandarts, het moeilijk is voor hen om na te gaan of een tandarts goede kwaliteit
      levert. Zowel zorgverleners als zorggebruikers zouden volgens de NPCF beter
      hun best moeten doen om voorafgaand aan behandelingen informatie te verkrij-
      gen respectievelijk te geven. Uit het TNS-NIPO-rapport Consumenten aan de
      tand gevoeld, een enquête uitgevoerd in opdracht van de NZa onder 954 volwas-
      senen, blijkt eveneens dat de meeste (97%) patiënten (zeer) tevreden zijn over de
      huidige tandarts.57 Tegelijk geeft 23% aan ooit uit ontevredenheid te zijn gewis-
      seld van behandelaar. Er bestaat bij de geënquêteerden desgevraagd behoefte aan
      duidelijkere informatie over prijzen, meer inzicht in de kwaliteit van behande-
      laars, en duidelijkere facturen, maar dit heeft dus niet direct weerslag op de
      tevredenheid over de zorgverlener. In 2009 concludeerde de NZa in haar visiedo-
      cument dat er een gebrek is aan toegankelijke, betrouwbare, begrijpelijke, en ver-
      gelijkbare informatie in de mondzorg, met andere woorden een gebrek aan
      transparantie, met name wat betreft de kwaliteit van de zorg.51
      De eerstelijns mondzorg                                                            45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>3.2.4 Doeltreffendheid en doelmatigheid van de mondzorg
      Doeltreffendheid zegt iets over de mate waarin een doel wordt bereikt, terwijl
      doelmatigheid (alsmede de begrippen efficiëntie en kosteneffectiviteit) de ver-
      houding aangeeft tussen het bereiken van een resultaat en de daarvoor gebruikte
      middelen. Een doeltreffende en doelmatige zorgverlening houdt in dat er geen
      onder- of overbehandeling plaatsvindt, dat wil zeggen dat er een passende indica-
      tie gesteld wordt. Mocht (verdere) diagnostiek of behandeling geïndiceerd zijn,
      dan moet de kwaliteit van de technische uitvoering vervolgens voldoen aan de
      professionele norm. De juiste begeleiding door professionals en aandacht voor
      langetermijnuitkomsten zijn volgens de commissie belangrijke onderdelen van
      een doelmatige mondzorgverlening. Daarbij moet het bevorderen van de mond-
      gezondheid van de patiënt centraal staan. Het is opvallend dat weliswaar het een
      en ander bekend is over de kortetermijneffecten van interventies en behandelin-
      gen in de mondzorg, maar dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar langeter-
      mijneffecten op de mondgezondheid, noch naar de kosteneffectiviteit. Daarom
      kan op dit moment geen duidelijke uitspraak worden gedaan over de doeltref-
      fendheid en doelmatigheid van de mondzorg. Het bestaan van ongefundeerde,
      zorgverlenergebonden behandelvariatie is een aanwijzing dat de doelmatigheid
      van de zorgverlening niet altijd gewaarborgd is. Dit onderwerp is een van de aan-
      leidingen voor de vragen van de voorzitter van de Gezondheidsraad aan de com-
      missie en wordt in de rest van dit hoofdstuk uitgediept en als kapstok gebruikt
      voor de analyse van de bijdrage van wetenschappelijke kennis bij aan de kwali-
      teit van de zorg.
3.3   Behandelvariatie in de mondzorgverlening
      De commissie onderscheidt twee hoofdoorzaken voor behandelvariatie:
      1 patiëntgebonden factoren
      2 zorgverlenergebonden factoren.
      Na een korte toelichting op de patiëntgebonden factoren, zullen de analyse en de
      aanbevelingen in dit advies zich vervolgens, gezien de context van de vragen aan
      de commissie, beperken tot de zorgverlenergebonden behandelvariatie.
46    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>3.3.1 Patiëntgebonden behandelvariatie
      Persoonlijke kenmerken en voorkeuren van patiënten en verschillen in gezond-
      heidstoestand zorgen voor patiëntgebonden variaties in de gezondheidszorg.
      Dergelijke variatie is ook wenselijk, aangezien een behandeling die bijvoorbeeld
      geschikt is voor een gezonde jonge persoon niet altijd geïndiceerd is voor een
      zieke oudere. Dit principe geldt ook voor de mondzorg: iemand met een goede,
      stabiele mondgezondheid heeft een andere indicatiestelling dan iemand met een
      hoge cariësactiviteit of ernstige parodontale afwijkingen. Culturele achtergrond,
      sociaaleconomische status en angst voor de tandarts kunnen de klinische besluit-
      vorming eveneens beïnvloeden, net zoals variatie in de persoonlijke voorkeur
      van patiënten. Als de patiënt bijvoorbeeld verwacht dat de tandarts curatief
      ingrijpt, dan kan dat de keuze voor een behandeling beïnvloeden. Iedere patiënt
      maakt een eigen afweging over de waarde van verschillende parameters zoals
      functieherstel en esthetiek, en deze keuzes zijn niet altijd in overeenstemming
      met wat de professional als het optimum beschouwt.
      Een belangrijk kenmerk van de mondzorg is dat een groot deel van de zorg pri-
      vaat gefinancierd wordt, waardoor – anders dan in de geneeskunde – financiële
      overwegingen bij het kiezen van behandelopties een belangrijke rol kunnen spe-
      len. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van een voorbeeld, zoals het her-
      stel van schade veroorzaakt door cariës. Voor het schade- en daaraan gekoppelde
      functieherstel worden meerdere behandelopties aangeboden die kunnen verschil-
      len in prijs, waarbij de prijs gekoppeld kan zijn aan mate van functionaliteit,
      esthetiek, en technologische innovatie. Relatief dure restauratieve behandelin-
      gen, zoals kronen en implantaten, maar ook uitgebreide parodontale behandelin-
      gen, zijn wellicht niet voor alle patiënten betaalbaar, zoals hierboven bij de
      toegankelijkheid van de zorgverlening besproken. Ook een cumulatie van minder
      dure behandelingen kan leiden tot een substantieel bedrag aan kosten. Verschil-
      len in financieel draagkracht tussen patiënten zou daarom een belangrijke oor-
      zaak kunnen zijn voor behandelvariatie.
3.3.2 Zorgverlenergebonden variatie
      Een belangrijk aspect van kwaliteit van zorg is dat patiënten een kwalitatief
      goede behandeling krijgen, ongeacht de zorgverlener die zij bezoeken. Dit houdt
      in dat er een zekere mate van uniformiteit bestaat, omdat zorgverleners allemaal
      binnen een bepaalde bandbreedte rond het optimum opereren. Een substantiële
      De eerstelijns mondzorg                                                           47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    mate van zorgverlenergebonden behandelvariatie is een probleem, omdat veron-
    dersteld kan worden dat er aan de randen van het behandelspectrum sprake is van
    onder- of overbehandeling. De term behandelvariatie verwijst in dit rapport naar
    variatie in diagnose en indicatiestelling. Op basis van de beschikbare literatuur is
    niet te zeggen of er ook sprake is van substantiële variatie in de technische uit-
    voering van verrichtingen.
    De afgelopen twintig jaar is onderzoek gedaan naar de zorgverlening in een aan-
    tal landen, waaronder Nederland, met name naar de diagnose en behandeling van
    (de gevolgen van) cariës. Hieruit valt te concluderen dat er bij tandartsen een
    substantiële mate van variatie in de klinische besluitvorming bestaat die niet op
    variatie in indicatie berust.58-66 Onderzoek wijst uit dat zorgverleners bijvoor-
    beeld verschillende klinische criteria hanteren voor het vervangen van restaura-
    ties.67-69 De variatie in de klinische besluitvorming heeft zowel betrekking op de
    keuze om al dan niet invasief in te grijpen als op de keuze voor een bepaalde
    methode van restaureren.67 Uit de verschillende studies kan een aantal conclusies
    worden getrokken over de persoonlijke en praktijkgebonden kenmerken die van
    invloed zijn op de besluitvorming.58,61,67,70,71
    • Tandartsen kunnen worden onderscheiden naar behandelstijl: sommigen voe-
         ren een relatief hoog aantal preventieve en diagnostische handelingen uit en
         anderen een relatief hoog aantal curatieve en restauratieve behandelingen.
    • De klinische besluitvorming van tandartsen wordt beïnvloed door persoons-
         gebonden factoren zoals: het routinematig gebruik van risico-evaluatie, het
         geslacht van de tandarts, het aantal jaren sinds afstuderen, leeftijd, oplei-
         dingsplaats, welke bij- en nascholing gevolgd is en variabelen in de praktijk-
         organisatie.
    Er is vooralsnog weinig bekend over variatie in de houding van mondhygiënisten
    en de invloed hiervan op de zorgverlening.
3.4 Kwaliteitsinstrumenten voor de mondzorg in Nederland
    In 2000 heeft het NIVEL een overzichtsstudie uitgevoerd naar de invulling van
    het kwaliteitsbeleid van elf verschillende medische en paramedische beroeps-
    groepen.72 Om vergelijking mogelijk te maken werden de beroepsgroepen opge-
    deeld naar de fase waarin hun kwaliteitsbeleid zich bevond. Fase 1 betekende dat
    er nog geen concrete activiteiten ontwikkeld waren, fase 2 dat er enkele losse
    activiteiten ontwikkeld waren en dat aan verdere ontwikkeling en implementatie
    gewerkt werd, en fase 3 dat de beroepsgroep ver gevorderd was, zowel met de
48  De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>ontwikkeling van activiteiten als met het opzetten van een infrastructuur voor
implementatie en het creëren van samenhang. De conclusie van deze studie was
dat tandartsen en paramedische beroepsgroepen (hier horen mondhygiënisten
bij) zich in fase 2 bevonden, net als verpleeghuisartsen en verloskundigen. Huis-
artsen, medisch specialisten, en apothekers bevonden zich in fase 3. Sociaal
geneeskundigen, psychologen, verpleegkundige en verzorgende beroepsgroepen,
en alternatieve genezers in fase 1. Hieronder volgt een kort overzicht van de
kwaliteitsinstrumenten die per januari 2012 beschikbaar zijn voor de verschil-
lende professionals in de mondzorg.
Bij- en nascholing
De kwaliteit van de bij- en nascholingscursussen voor tandartsen wordt gewaar-
borgd door een keurmerk van de Nederlandse Vereniging van Tandartsen (NVT)
in samenwerking met de verschillende wetenschappelijke verenigingen. In de
tandheelkunde bestaat geen verplichting tot bij- en nascholing. De overgrote
meerderheid van tandartsen zegt bij- en nascholing belangrijk te vinden.61,73 Uit
data van de NMT kan echter met een hoge mate van waarschijnlijkheid afgeleid
worden dat minstens 20% van de tandartsen geen enkele vorm van geaccredi-
teerde nascholing volgt.74 De NVM heeft een eigen cursusinstituut – Dental
Courses Mondhygiënisten (DCM). In het jaar 2011 is door 525 cursisten bij- en
nascholing gevolgd via dit cursusinstituut. Dit is geen absoluut aantal, omdat per
mondhygiënist meerdere cursussen van DCM gevolgd kunnen zijn. Daarnaast
zijn er nog andere kanalen die mondhygiënisten gebruiken voor het volgen van
bij- en nascholing, maar daar heeft de beroepsvereniging geen zicht op.
Intercollegiale toetsing
Tandartsen kennen, in tegenstelling tot andere medische beroepsgroepen, geen
verplichte intercollegiale toetsing in de vorm van visitaties of andere vormen van
toezicht op inhoudelijke kwaliteit. Een uitzondering vormen de tandartsen gere-
gistreerd als tandarts-parodontologen, tandarts-implantologen en tandarts-endo-
dontologen, die een eigen systeem van intercollegiale toetsing en registratie
ontwikkeld hebben. De NMT ondersteunt intercollegiaal overleg met het IQual-
programma. Hieraan doet een kwart van de tandartsen mee. De NVM heeft een
systeem voor vrijwillige intercollegiale toetsing opgezet, waaraan per januari
2012 774 leden deelnamen. Daarnaast kennen vrijgevestigde praktijken interne
visitatie via de NVM. De afgelopen jaren zijn 70 vrijgevestigde praktijken gevi-
siteerd.
De eerstelijns mondzorg                                                            49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Kwaliteitsregisters
   Het kwaliteitsregister tandartsen (KRT) is in 2007 opgericht door de NMT en is
   ook voor niet-leden toegankelijk. Inschrijving in het KRT vereist naast inschrij-
   ving in het BIG-register een opgave van het aantal uren dat de tandarts gemid-
   deld actief is, de gevolgde nascholing en de bestudeerde vakliteratuur. De
   controle op deze grotendeels zelf gerapporteerde gegevens is onduidelijk. Begin
   2012 stonden ongeveer 4.400 tandartsen in het KRT ingeschreven op een totaal
   van bijna 9.000 praktiserende tandartsen. Sinds 2009 heeft de NVM een eigen
   kwaliteitsregister waarin per januari 2012 1.100 van de 2.500 praktiserende
   mondhygiënisten stonden ingeschreven. Voorwaarden voor inschrijving zijn
   onder andere een minimum aan werkervaring en het volgen van geaccrediteerde
   bijscholing. Mondhygiënisten kunnen ook ingeschreven staan in het kwaliteitsre-
   gister paramedici, dat 1.470 geregistreerde mondhygiënisten telt. Voor tandpro-
   thetici heeft de Organisatie van Nederlandse Tandprothetici (ONT) een
   beroepsprofiel opgesteld.
   Certificering
   Voor de certificering van tandheelkundige praktijken heeft de NMT in samen-
   werking met de stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling Zorgsector (HKZ)
   een beoordelingsschema ontwikkeld. Tot aan 2012 zijn aan tandartspraktijken
   twaalf certificaten uitgereikt.75 Daarnaast bestaat de mogelijkheid om een ISO-
   certificaat te behalen. Tandprothetische praktijken kunnen een HKZ-certificaat
   behalen of een branchecertificaat dat door de ONT wordt uitgegeven.
   Klachtenregelingen
   Op grond van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zijn tandartsen verplicht
   aangesloten bij een klachtenregeling. De beroepsverenigingen NMT en Associa-
   tie Nederlandse Tandartsen (ANT) hebben beiden een klachtenregeling. Tevens
   is het mogelijk een klacht in te dienen bij de Stichting Garantiefonds Mondzorg
   indien de beroepsbeoefenaar daarbij is aangesloten. De NMT-klachtenregeling,
   waarbij ongeveer 77% van de actieve beroepsgroep is aangesloten, ontving in
   2010 585 klachten. In het grootste deel van de gevallen kon de klacht worden
   opgelost door overleg of bemiddeling.76 De 750 vrijgevestigde mondhygiënis-
   ten die lid zijn van de NVM zijn via hun lidmaatschap aangesloten bij de Klach-
   tencommissie Paramedici Eerstelijn.
50 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Indicatoren
De ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren voor de mondzorg staat nog in de kin-
derschoenen, zowel op nationaal als op internationaal niveau. In april 2011 heeft
de Stuurgroep Zichtbare Zorg Mondzorg een set met achttien zorginhoudelijke
indicatoren op hoofdlijnen vastgesteld, die de veiligheid, effectiviteit, cliëntge-
richtheid en doelmatigheid van de mondzorg betreffen.77 Deze indicatoren bevin-
den zich nog in de testfase.
Indicatoren internationaal
Het IOM benoemt in zijn recente rapport Advancing Oral Health in America een
aantal specifieke hindernissen die het ontwikkelen van indicatoren voor de
mondzorg in de weg staan,78 die ook voor de Nederlandse situatie gelden:
• er zijn nauwelijks evidence-based richtlijnen voor het professioneel handelen
     die als standaard voor het opstellen van indicatoren kunnen dienen
• er is een gebrek aan bruikbare klinische registratiesystemen en informatie-
     technologiesystemen
• de mondzorg kent weliswaar een uitgebreid coderingssysteem voor het bij-
     houden van uitgevoerde verrichtingen, maar een universeel systeem voor
     diagnostische codering ontbreekt. Dit wil zeggen dat bijgehouden kan wor-
     den welke verrichtingen zijn uitgevoerd, maar niet waarom: er is geen inzicht
     in de indicatiestelling.
Richtlijnen
Het werken met richtlijnen wordt inmiddels breed gedragen in de medische
wereld (geneeskunde, verpleegkunde, psychiatrie). De Regieraad Kwaliteit van
Zorg definieert een richtlijn als volgt:
Document met aanbevelingen ter ondersteuning van zorgprofessionals en zorggebruikers, gericht op
het verbeteren van de kwaliteit van zorg, berustend op wetenschappelijk onderzoek aangevuld met
expertise en ervaringen van zorgprofessionals en -gebruikers.79
De Regieraad gaat er bij deze definitie vanuit dat een richtlijn volgens evidence-
based principes tot stand is gekomen. Dat houdt in dat het bestaande wetenschap-
pelijke bewijsmateriaal (evidence) met de klinische expertise van de professio-
nals die de doelgroep van de richtlijn zijn wordt geïntegreerd. Aangezien
kwalitatief hoogwaardig wetenschappelijk bewijsmateriaal nogal eens ontbreekt
De eerstelijns mondzorg                                                                          51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>   en zelden generaliseerbaar is, en omdat niet alle variabelen die meespelen in de
   zorg wetenschappelijk te toetsen zijn, is de ervaringskennis van de beroepsgroep
   bij richtlijnontwikkeling essentieel. Richtlijnen maken deel uit van de professio-
   nele standaard, bevatten normatieve uitspraken en hebben mede daardoor een
   juridische betekenis. Afwijken van de richtlijn kan, maar moet gemotiveerd wor-
   den. De zorgverlener dient na te gaan of onder bepaalde omstandigheden of bij
   een bepaalde patiënt andere handelingen geboden zijn dan die welke de richtlijn
   aanbeveelt. Als een richtlijn lokaal wordt omgezet in een op de dagelijkse prak-
   tijk gerichte handelingsinstructie, spreekt men van een protocol.
   Er is een aantal richtlijnen voor de mondzorg verschenen, maar in de meeste
   gevallen zijn deze noch via een systematische procedure tot stand gekomen, noch
   breed geïmplementeerd. Het betreft vooral richtlijnen met betrekking tot de orga-
   nisatie van de zorg, of preventieve praktijkadviezen. De systematische ontwikke-
   ling en implementatie van evidence-based richtlijnen door de beroepsgroep heeft
   in Nederland een betrekkelijk incidenteel karakter (zie paragraaf 3.5).
   Professionele standaard
   Het begrip professionele standaard wordt door de Regieraad Kwaliteit van Zorg
   gedefinieerd als volgt:
   De beste manier van handelen in een specifieke situatie met inachtneming van recente inzichten en
   evidence, zoals neergelegd in richtlijnen en protocollen van de beroepsgroep dan wel het handelen
   zoals van een gemiddeld ervaren en bekwame beroepsgenoot in gelijke omstandigheden had mogen
   worden verwacht.80
   Het begrip ‘standaard’ kan betrekking hebben op die richtlijn zelf of op de inhou-
   delijke beschrijving ervan. De professionele standaard is in de mondzorg tot op
   heden als volgt geformuleerd:
   De op grond van wetenschap en ervaring aangewezen wijze van tandheelkundig handelen, zoals een
   gemiddeld bekwame tandarts in gelijke omstandigheden zou doen, met middelen die in een redelijke
   verhouding staan tot het concrete behandelingsdoel.81
   Het zou aanbeveling verdienen om in de toekomst aan te sluiten bij de definitie
   van de Regieraad.
52 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>      Een probleem bij het opstellen van professionele standaarden en richtlijnen voor
      de mondzorg is dat er geen duidelijkheid bestaat over wat optimale zorg inhoudt.
      Algemeen kan het doel van de mondzorg omschreven worden als het individueel
      bereiken en behouden van mondgezondheid. Maar zoals eerder aangegeven heeft
      mondgezondheid meerdere facetten: het vrij zijn van ziekte, behoud van functie
      van het gebit, of tevredenheid over de toestand van de mond. Analoog hieraan
      zijn er verschillende behandeldoelen voor de mondzorg te formuleren, bijvoor-
      beeld: het beheersen van pathologische processen in de mond, technisch herstel
      van afwijkingen en functiestoornissen of adequaat inspelen op de hulpvraag van
      de patiënt, bij voorkeur vastgelegd in een individueel zorgplan. De verschillende
      interpretaties van mondgezondheid zorgen – op macroniveau – voor onduidelijk-
      heid over de gewenste uitkomst van behandelingen en interventies in de mond-
      zorg.
3.5   De wetenschappelijke onderbouwing van het klinisch handelen
      Het principe van evidence-based practice houdt in dat de best verkrijgbare
      wetenschappelijke kennis (evidence) bij de klinische besluitvorming wordt mee-
      gewogen om tot de meest doeltreffende en doelmatige behandeling voor de
      patient te komen. In de medische wereld is deze handelswijze steeds meer
      gemeengoed. In de vernieuwde curricula van de opleidingen tot mondarts en
      mondhygiënist is er ook ruim aandacht voor evidence-based werken. In de prak-
      tijkvoering is evidence-based practice echter nog niet vanzelfsprekend.
      Kader 3 schetst drie voorbeelden die de problematiek rondom het genereren van
      evidence en de toepassing van evidence-based werken in Nederland illustreren.
3.5.1 De wetenschappelijke onderbouwing van het klinisch handelen
      Voor de meeste interventies en behandelingen in de mondzorg is slechts een
      zwakke evidence-base beschikbaar. Op het moment van schrijven heeft de
      Cochrane Collaboration Oral Health Group 117 systematische reviews uitgevoerd
      naar interventies op het gebied van oral health.82 Hiervan kon de helft (57) geen
      uitsluitsel geven over de vooraf gestelde onderzoeksvraag, omdat de evidence-
      base over het betreffende onderwerp te smal was. Bij een derde (37) van de
      reviews kon op basis van de beschikbare evidence met voorbehoud (deels) een
      antwoord op de onderzoeksvraag geformuleerd worden, en bij een zesde (22) van
      de reviews werd er een adequate hoeveelheid evidence gevonden om de onder-
      zoeksvraag volledig te beantwoorden. Onderwerpen van deze 22 reviews waren:
      De eerstelijns mondzorg                                                           53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>     Kader 3: voorbeelden van de problematiek rondom de wetenschappe-
     lijke onderbouwing van het klinisch handelen
     De behandeling van cariës in het melkgebit
     De behandeling van cariës in het melkgebit illustreert twee kanten van de
     problematiek die in dit advies wordt beschreven.
     Allereerst de moeizame vertaling van wetenschappelijke kennis naar de
     praktijk. Er woedt al geruime tijd een academische discussie over de manier
     waarop cariës in het melkgebit moet worden behandeld. Summier samenge-
     vat zijn de standpunten:
     • zo min mogelijk invasief ingrijpen en in plaats daarvan een intensief pre-
        ventief behandelplan uitvoeren
     • restauratief ingrijpen.
     Er is dringend behoefte aan een wetenschappelijk onderbouwde richtlijn
     kindertandheelkunde die uitsluitsel geeft over de behandeloptie met de
     beste uitkomst op basis van de beschikbare evidence. Deze richtlijn wordt
     binnenkort verwacht, maar het proces verloopt langzaam.
     Het tweede punt dat dit voorbeeld illustreert is de ongefundeerde behandel-
     variatie tussen zorgverleners in de praktijk. Er is weliswaar geen eenslui-
     dende academische visie over hoe cariëslaesies in het melkgebit precies
     behandeld zouden moeten worden, maar tussen zorgverleners is er overeen-
     stemming dat er in ieder geval moet worden ingegrepen op basis van pro-
     fessioneel erkende methoden. 87% van tandartsen is van mening dat
     caviteiten in de tweede melkmolaar altijd behandeld zouden moeten wor-
     den.87,88 Men zou dan ook verwachten dat dit bij de meeste kinderen
     gebeurt. Toch heeft 42% van jonge kinderen die onder behandeling zijn bij
     een tandarts één of meer onbehandelde caviteiten in de tweede melkmolaar.
     Instelling voor Jeugdtandzorg hebben een hoger behandelpercentage.
54 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>  Het periodieke mondonderzoek
  61% van de bezoeken aan de tandheelkundige praktijk betreft een periodiek
  mondonderzoek (PMO). Er is al geruime tijd een discussie gaande over het
  optimale interval voor het PMO. Veel zorgverleners nodigen hun patiënten
  volgens een vaste frequentie uit, vaak eens in de zes maanden of een keer
  per jaar, onafhankelijk van de mondgezondheidstoestand. Het is de vraag of
  dit voor het aanzienlijke deel van de patiënten met een stabiele mondge-
  zondheid zinvol is. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het zesmaande-
  lijks periodiek mondonderzoek (kosten)effectief is.90 Zoals elke screening
  vergroot het PMO het risico op overbehandeling. Ook wat het PMO betreft
  bestaat er behandelvariatie die niet afhankelijk is van kenmerken van de
  patiënt, maar van de tandarts.65 Sommige zorgverleners houden voor het
  periodiek mondonderzoek een standaardinterval aan, terwijl anderen zich
  baseren op het risicoprofiel van patiënten om het optimale interval te bepa-
  len. Als er tijdens het PMO voor de zekerheid standaard röntgenopnames
  worden gemaakt, zal dit naast de extra stralingsbelasting in sommige geval-
  len tot onnodig curatief ingrijpen leiden. Er is inmiddels een evidence-
  based richtlijn over het PMO verschenen die gebaseerd is op individuele
  risicoanalyse.85
  Het verwijderen van verstandskiezen
  Het profylactisch verwijderen van asymptomatische, niet doorgebroken
  verstandskiezen is niet zonder kosten en brengt medische risico’s met zich
  mee voor de patiënt. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat het verwijderen
  van asymptomatische verstandkiezen effectief is, ofwel problemen voor-
  komt zoals scheefstand van de snijtanden of het ontstaan van abcessen.91
  Verschillende instanties raden deze procedure dan ook af. Toch adviseren
  veel zorgverleners om deze kiezen te laten verwijderen. Er is inmiddels een
  evidence-based richtlijn voor Nederland ontwikkeld die beschrijft wanneer
  het trekken van de kies wel en niet aangewezen is. Hoewel zorgverleners
  deze informatie nuttig zeggen te vinden, is de implementatie van deze richt-
  lijn in de praktijk niet vanzelfsprekend.92
De eerstelijns mondzorg                                                        55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>      •   het gebruik van fluoride als preventieve maatregel tegen cariës (7 reviews)
      •   het gebruik van sealants
      •   het gebruik van paracetamol
      •   endodontologie
      •   orthodontie
      •   kaak- en kaakgewrichtsklachten
      •   tandenpoetsen
      •   de behandeling van kankerpatiënten (5 reviews)
      •   het bleken van tanden
      •   parodontitis (2 reviews).
      Ongeveer een vijfde (27) van de reviews ging over functieherstel van gebits-
      elementen; dat wil zeggen over restauratie, endodontologie en implantologie. Bij
      slechts één van deze reviews werd de evidence voldoende geacht om onderzoeks-
      vraag te beantwoorden. Bij achttien reviews was de evidence basis te smal om
      enig uitsluitsel te geven en bij acht reviews kon op basis van zwakke evidence een
      conclusie getrokken worden.
3.5.2 Van wetenschappelijke kennis naar praktijk: richtlijnontwikkeling voor de
      mondzorg in Nederland
      De vertaling van de beschikbare wetenschappelijke kennis ten behoeve van de
      praktiserende beroepsgroep verloopt op sommige vlakken moeizaam. Hoewel
      technologische innovaties, bijvoorbeeld digitale afdruktechnieken en nieuwe
      mogelijkheden voor tandtechniek, voortvarend worden overgenomen, verloopt
      de transfer van nieuwe wetenschappelijke inzichten over bijvoorbeeld (het
      gebrek aan) doeltreffendheid en doelmatigheid van interventies niet zo vlot. Aca-
      demische inzichten over een terughoudend optreden bij cariës hebben er bijvoor-
      beeld ruim vijftien jaar over gedaan om tot de praktijkvoering door te dringen.
      De afgelopen decennia hebben verschillende organisaties in de mondzorg diverse
      richtlijnen ontwikkeld. Deze zijn onder te verdelen in evidence-based klinische
      praktijkrichtlijnen (KPR), gericht op de ondersteuning van klinische beslissin-
      gen, en algemene praktijkrichtlijnen (APR), gericht op de ondersteuning van de
      praktijkvoering. De meeste richtlijnen die tot dusverre voor de mondzorg zijn
      ontwikkeld zijn algemene praktijkrichtlijnen, bijvoorbeeld Second opinion, Dos-
      siervoering, Horizontale verwijzing, Waarneemregeling (NMT) of preventieve
      praktijkadviezen zoals onder andere Fluoride, Sealants en Erosieve gebitsslij-
56    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>    tage (Adviescollege het Ivoren Kruis). In het afgelopen decennium zijn er vier
    evidence-based klinische praktijkrichtlijnen ontwikkeld:
    • de geïmpacteerde klachtenvrije derde molaar in de onderkaak (2003)83
    • tandletsel (2004)84
    • periodiek mondonderzoek (2007)85
    • mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen (2007).86
    De NMT heeft in samenwerking met het kwaliteitsinstituut voor de gezondheids-
    zorg CBO de KPR over tandletsel ontwikkeld. De KPR over de derde molaar en
    het periodieke mondonderzoek zijn ontwikkeld binnen het onderzoeksproject
    Kwaliteit van zorg van het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud.
    De KPR voor verpleeghuizen is ontwikkeld door de Nederlandse vereniging van
    verpleeghuisartsen (NVVA) in samenwerking met de NMT en de Nederlandse
    vereniging voor Gerodontologie (NVG). Verder is er nog een evidence-based
    richtlijn in ontwikkeling: Mondzorg voor jeugdigen (0-13 jaar). Deze zal in het
    voorjaar van 2012 worden geïmplementeerd. Vanuit de geneeskunde zijn met
    betrekking tot de mondzorg een drietal KPRs ontwikkeld: Mondholte- en Orop-
    harynx carcinoom (2004), Orale mucositis (2007) en Diagnostiek en behande-
    ling van het obstructieve slaapapneusyndroom (2009). Tevens bestaat er een
    Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraak (LESA) over antistolling en een
    Advies Preventie Bacteriële Endocarditis (2000).
3.6 Conclusies
    Bij het bespreken van kwaliteit moet volgens de commissie de nadruk gelegd
    worden op de vraag wat de bijdrage is van de mondzorg aan de mondgezondheid
    van individuen en van de populatie. Vooralsnog is deze vraag niet te beantwoor-
    den. Er zijn geen gegevens over de (langetermijn)doeltreffendheid en doelmatig-
    heid van de zorgverlening. De ontwikkeling van kwaliteitsinstrumenten is in
    gang gezet, maar bevindt zich nog in een vroeg stadium. De commissie heeft de
    indruk dat bij het kwaliteitsbeleid in de mondzorg tot nu toe de nadruk meer is
    gelegd op randvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld infectiepreventie,93 dan op de
    zorginhoudelijke kwaliteit. Als zorginhoudelijke kwaliteit ter sprake komt dan
    betreft het vaak eenmalige productkwaliteit en niet de (kosten)effectiviteit op de
    lange termijn. Voor dit advies over de wetenschappelijke onderbouwing van het
    klinisch handelen zijn juist deze aspecten van kwaliteit het meest relevant. De
    lacunes in het kwaliteitsbeleid leiden op het zorginhoudelijke vlak tot een aan-
    zienlijke mate van zorgverlenergebonden variatie in diagnose en indicatiestelling
    in de mondzorg.
    De eerstelijns mondzorg                                                            57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>   Het gegeven dat praktijkorganisatie van invloed kan zijn op behandelvariatie is
   volgens de commissie zeer relevant, vanwege de grote veranderingen die gaande
   zijn in de praktijkorganisatie van de mondzorg in Nederland. Het toenemende
   aantal samenwerkingsverbanden en de gewijzigde tariefstructuur zullen op ver-
   schillende manieren invloed hebben op de kwaliteit van zorg. Omdat de tand-
   heelkunde van oudsher een solistisch beroep is, hebben tandartsen een sterk
   gevoel van professionele autonomie en vertrouwen ze veelal op analogie en erva-
   ring bij het nemen van klinische beslissingen. Samenwerkingsverbanden kunnen
   de kwaliteit van de zorg verhogen, omdat er meer sociale controle en professio-
   nele input is. Anderzijds is het denkbaar dat de zorgverlening in grote praktijken
   beïnvloed kan worden door de (commerciële) visie van het management op een
   manier die de kwaliteit niet ten goede komt.
   De wetenschappelijke onderbouwing van het klinisch handelen
   De wetenschappelijke onderbouwing van het klinisch handelen in de mondzorg
   is relatief zwak. Dit komt enerzijds door de smalle evidence-base voor de effecti-
   viteit en doelmatigheid van interventies en anderzijds door de trage doorstroming
   van wetenschappelijke inzichten naar de praktijk. Er zijn slechts een paar richtlij-
   nen die volgens een evidence-based methode zijn opgesteld, en deze zijn nog niet
   goed geïmplementeerd. Hier speelt mee dat de behandeldoelen in de mondzorg
   onduidelijk zijn. De commissie heeft de indruk dat de maatschappelijke ver-
   wachting van de tandheelkunde nog steeds voornamelijk is: het herstellen van
   defecten tot de anatomisch oorspronkelijke situatie. Herstel van functie en verbe-
   tering van de esthetiek van het gebit is echter niet noodzakelijkerwijs hetzelfde
   als het bereiken van een goede mondgezondheid. Als de mondhygiëne van de
   patiënt bijvoorbeeld slecht is, zal het gebit steeds verder achteruitgaan ongeacht
   de kwaliteit van restauraties.
58 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 4
          De kennisinfrastructuur
          De doelmatigheid van interventies in de mondzorg is nauwelijks wetenschappe-
          lijk onderbouwd en wetenschappelijke inzichten sijpelen in sommige gevallen
          traag door naar de praktijk. Hoe komt dat? In dit hoofdstuk gaat de commissie in
          op de kennisinfrastructuur in de mondzorg: hoe ziet het onderzoekslandschap
          eruit, wat voor soort onderzoek komt hieruit voort en op welke manier vindt
          richtlijnontwikkeling plaats?
4.1       Het wetenschappelijk onderzoek
          Het onderzoekslandschap op het gebied van mondgezondheid en mondzorg in
          Nederland is compact en vrij overzichtelijk. Er zijn drie academische instellingen
          waar structureel onderzoek wordt gedaan: ACTA (de samenwerkende tandheel-
          kundige faculteiten van de UvA en de VU), het UMC St. Radboud en het UMCG.
          TNO voert epidemiologisch onderzoek uit naar mondgezondheid. De NMT heeft
          een netwerk van peilstations waarmee het praktijkgebonden onderzoek uitvoert.
          Dit betreft voornamelijk onderzoek naar de beroepsuitoefening van tandartsen,
          met name gericht op de organisatie van tandartspraktijken en de opvattingen en
          gedragingen van tandartsen. Incidenteel voert het NIVEL onderzoek uit. Dat
          betreft vooral vragen op het gebied van het aanbod aan zorg.
          De onderzoekscapaciteit aan de academische instellingen wordt bepaald door de
          hoeveelheid wetenschappelijk personeel dat ingezet kan worden. Het aantal pro-
          De kennisinfrastructuur                                                            59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>   motieplekken geeft een indruk van hoeveel onderzoekers worden opgeleid. In
   2010 waren bij ACTA, de grootste academische instelling in totaal 57,9 fte’s aan
   wetenschappelijk personeel in dienst.94 Van deze fte’s werden 36,7 uit de eerste
   geldstroom (direct uit het budget van de universiteit) gefinancierd en 21,3 uit
   andere geldstromen. Bij ACTA waren in 2010 86 promovendi in vol- of deeltijd
   werkzaam. Daarvan hadden 60 een tandheelkundige achtergrond. Bij het Cen-
   trum voor tandheelkunde en mondzorgkunde van het UMCG waren in 2010 7,4
   fte’s aan wetenschappelijk personeel in dienst.95 Er waren 14 promovendi (in
   deeltijd) werkzaam. Bij de afdeling tandheelkunde van het UMC St Radboud
   waren 38,1 fte’s aan wetenschappelijk personeel in dienst. Van deze fte’s werden
   10,3 uit de eerste geldstroom en 28 uit andere geldstromen gefinancierd. Er
   waren bij het UMC St Radboud 38 promovendi (in deeltijd) werkzaam, waarvan
   ongeveer 18 met een tandheelkundige achtergrond.96 Het aantal fte’s is bij alle
   instellingen is kleiner dan het aantal wetenschappelijk personeelsleden, omdat de
   onderzoeksaanstellingen vaak kleine deeltijdaanstellingen zijn.
   Een volledige bibliometrische analyse van het Nederlandse onderzoek gaat aan
   de reikwijdte van dit rapport voorbij. De voornaamste vraag die de commissie
   wil beantwoorden luidt: in hoeverre overlappen de zwaartepunten in het weten-
   schappelijk onderzoek met de kennislacunes op het gebied van mondgezondheid
   en mondzorg die in de voorgaande hoofdstukken geïdentificeerd zijn? Om hier
   een indruk van te krijgen, is ervoor gekozen om alle wetenschappelijke peer-
   reviewed publicaties die over het jaar 2010 aan de academische instellingen zijn
   verschenen te categoriseren (figuur 2).94-96 De commissie maakt daarbij onder-
   scheid tussen fundamenteel onderzoek, klinisch onderzoek, sociaal-tandheelkun-
   dig onderzoek en onderzoek naar de zorgverlening (health services onderzoek).
   Meerdere categorieën per publicatie zijn mogelijk. Onderzoek is aangemerkt als
   fundamenteel als dat onderzoek gaat over de eigenschappen en/of werking van
   bepaalde stoffen/weefsels en/of basale functies. Onderzoek is beschouwd als kli-
   nisch als op één of andere manier in directe zin de behandeling van patiënten
   onderwerp van onderzoek was. Er is sprake van sociaal-tandheelkundig onder-
   zoek als bepaalde sociale en/of gedragsmatige kanten van een tandheelkundig
   fenomeen zijn bestudeerd. Tot slot is health services onderzoek opgevat als
   onderzoek waarin de organisatie of de (professionele) aanpak van de zorgverle-
   ning centraal stond. Een belangrijk onderscheid tussen fundamenteel onderzoek
   enerzijds, en klinisch, sociaal-tandheelkundig, en health services onderzoek
   anderzijds is dat de laatstgenoemde onderzoekscategorieën door vragen vanuit
   het zorgveld of het beleid gedreven worden.
60 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Figuur 2.
Uit de wetenschappelijke output voor Nederland zijn een aantal conclusies te
trekken:
• het fundamenteel onderzoek neemt in Nederland een belangrijke plaats in.
    Van de Nederlandse publicaties werd bijna 50% gecategoriseerd als zuiver
    fundamenteel. Dat wil zeggen dat er bij de helft van de publicaties nog geen
    sprake is van directe toepassing op mensen. 6% van de publicaties betrof
    onderzoek dat deels fundamenteel en deel klinisch was
• ongeveer 8% van de Nederlandse publicaties heeft een sociaal-tandheelkun-
    dig aspect
• ongeveer 5% van de Nederlandse publicaties gaat over health services
    research
• er vindt in Nederland weinig onderzoek plaats op het terrein van doelmatig-
    heid en langetermijnuitkomst van preventieve, diagnostische en therapeuti-
    sche interventies. Slechts 5 van de 354 publicaties beschrijven dit type
De kennisinfrastructuur                                                          61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>       onderzoeksresultaten, en 5 van de 354 publicaties zijn systematic reviews, op
       een systematische wijze opgestelde beoordelingen van dit type onderzoek
   •   een groot deel van het klinisch onderzoek, 61 van de 165 publicaties, betreft
       nieuwe technologische ontwikkelingen en nieuwe technieken op curatief
       gebied.
   Om te kunnen inschatten of de Nederlandse situatie vergelijkbaar is met de inter-
   nationale situatie is een steekproef van 300 abstracts van de jaarlijkse meeting
   van de International Association of Dental Research (IADR) van 2010 op verge-
   lijkbare wijze gecategoriseerd (figuur 3). De abstracts voor de meeting hebben
   geen grondige peer review ondergaan, maar zijn wel algemeen getoetst door
   wetenschappelijke toelatingscommissies van de IADR. Dit reviewproces is ech-
   ter wel aanzienlijk minder streng dan dat bij wetenschappelijke publicaties het
   geval is. Desondanks geeft het een indruk van wat er op internationaal niveau
   gaande is in de onderzoekswereld, te meer omdat de auteurs van de wetenschap-
   pelijke literatuur ook in veel gevallen hun actieve bijdrage leveren aan de IADR-
   bijeenkomsten en met hen ook velen uit de onderzoeksgroepen waartoe zij beho-
   ren.
   Over het lopende onderzoek op internationaal niveau kunnen op basis van de
   IADR-abstracts de volgende uitspraken gedaan worden:
   • ongeveer 22% van het lopend onderzoek op internationaal niveau is funda-
       menteel en ongeveer 18% fundamenteel-klinisch
   • ongeveer 17% van het onderzoek gaat over sociaal-tandheelkundige onder-
       werpen
   • ongeveer 5% van het onderzoek betreft health services.
   Zowel in het gepubliceerde onderzoek uit Nederland als in het lopende onder-
   zoek wereldwijd is er veel aandacht voor klinisch en fundamenteel onderzoek. In
   het lopende onderzoek wereldwijd verschuift de balans iets meer naar het zuiver
   klinische onderzoek.
62 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>    Figuur 3.
4.2 De kennisinfrastructuur voor evidence-based richtlijnontwikkeling
    voor de mondzorg
    Tot nu toe verloopt de ontwikkeling van evidence-based klinische richtlijnen bin-
    nen de mondzorg in Nederland betrekkelijk ongestructureerd. Het maakt geen
    integraal onderdeel uit van een structureel proces van kwaliteitszorg en er is geen
    specifieke landelijke organisatie verantwoordelijk voor de lange termijn.
    In de medische wereld ontwikkelen de wetenschappelijke (koepel)verenigingen
    van de verschillende beroepsgroepen zelf richtlijnen, of gebeurt dit binnen richt-
    lijnprogramma’s zoals bij het Nederlands Huisartsen Genootschap. De tandheel-
    kunde heeft ook wetenschappelijke verenigingen, maar zij zijn kleinschalig: er
    De kennisinfrastructuur                                                             63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>      bestaat geen functionele wetenschappelijke koepelstructuur. De meeste van deze
      verenigingen gebruiken geen systematische methode om hun richtlijnen te ont-
      wikkelen, zodat het de vraag is in hoeverre deze evidence-based en actueel zijn.
      Er is op dit moment geen centrale organisatie voor evidence-based richtlijnont-
      wikkeling in de mondzorg.
      Bij structurele richtlijnontwikkeling zijn vele verschillende experts gewenst: cli-
      nici, ervaren epidemiologen en tandartsen die bekwaam zijn in het evidence-
      based zoeken en in het beoordelen van de literatuur. Deze experts zijn binnen de
      mondzorg nauwelijks voorhanden, onder andere omdat deze vaardigheden in het
      voormalige curriculum voor de opleiding tandheelkunde ontbraken.
4.2.1 Richtlijnontwikkeling voor de mondzorg in het buitenland
      Om inzicht te verkrijgen in richtlijnontwikkeling in Nederland en in de rest van
      de westerse wereld heeft de commissie een globale inventarisatie gedaan van de
      ontwikkeling van klinische richtlijnen in de mondzorg. De commissie heeft zich
      beperkt tot richtlijnen die in de Engelse taal beschikbaar waren. Hiervoor heeft
      de commissie de websites doorgenomen van evidence-based organisaties in de
      gezondheidszorg uit landen die qua welvaartsniveau, kennisinfrastructuur en
      organisatie van de mondzorg in het algemeen vergelijkbaar zijn met Nederland.
      Verder heeft de commissie een brede zoekstrategie op PubMed uitgevoerd. De
      gevonden documenten zijn globaal gescreend en niet nauwkeurig een voor een
      diepgaand bestudeerd. Bijlage B bevat een lijst met organisaties en de zoekstrate-
      gie.
      Op de verschillende websites maken richtlijnen over mondzorg een bescheiden
      onderdeel van het totaal uit. Over de kwaliteit van het merendeel van de klinische
      richtlijnen kan in de context van deze analyse moeilijk een algemene uitspraak
      worden gedaan. Wel constateert de commissie dat er slechts fragmentarisch aan
      richtlijnontwikkeling wordt gedaan. Daarbij valt op dat het woord richtlijn op
      uitlopende wijze wordt gehanteerd (bijvoorbeeld: consensus statement,
      guidance, guideline, governance, management). Vaak is niet duidelijk wie ver-
      antwoordelijk is voor de ontwikkeling. Bovendien ontbreekt het niet zelden aan
      een duidelijke probleemstelling, een gestructureerde reproduceerbare zoekstrate-
      gie naar evidence en/of een rating van de robuustheid van de gevonden evidence.
      De inmiddels internationaal als gouden standaard geaccepteerde evidence-based
      richtlijnontwikkeling (EBRO) inclusief het AGREE-instrument voor betrouw-
      bare toetsing van de ontwikkelprocedure is maar zelden bij de gevonden richtlij-
64    De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>      nen op de sites terug te vinden. Uitzonderingen hierop vormen een drietal
      klinische richtlijnen uit het Verenigd Koninkrijk, ontwikkeld door het National
      Institute for Health and Clinical Excellence (NICE) en het Scottisch Intercollegi-
      ate Guidelines Network (SIGN) en de vijf binnen het Haute Autorité de Santé
      (HAS) in Frankrijk ontwikkelde richtlijnen voor de mondzorg.
      De zoekstrategie in PubMed over een periode van vijf jaar leverde 64 hits op. De
      opstelling van de meeste ‘richtlijnen’ leek ver af te staan van de EBRO-methode.
      Het betrof vooral wetenschappelijke manuscripten die een methode van professi-
      oneel handelen omschrijven, waarbij een beperkte groep wetenschappers uitspra-
      ken doet over innovaties op deelgebieden van de mondzorg. De inbreng van
      clinici is hierbij veelal afwezig. Het overgrote deel van deze lijst bevat documen-
      ten gericht op de kindertandheelkunde, voornamelijk afkomstig uit de Verenigde
      Staten (American Academy on Pediatric Dentistry Council on Clinical Affairs).
      Er is een duidelijke overlap waarneembaar met de resultaten uit de zoektocht op
      de websites.
4.2.2 Implementatie en evaluatie van richtlijnen
      Het beperkt aantal evidence-based richtlijnen dat nu voor de mondzorg bestaat,
      wordt niet op grote schaal nageleefd.92 Implementatie en terugkoppeling door
      evaluatie zijn onlosmakelijk verbonden met richtlijnontwikkeling: alleen disse-
      minatie van de opgestelde richtlijn is niet voldoende. Ook in de medische wereld
      wordt nog gezocht naar effectieve manieren om implementatie te bevorde-
      ren.97,98 Op grond van het beschikbare materiaal concludeert de commissie dat er
      geen consistent bewijs is voor de beste implementatiestrategie voor de richtlijn in
      de praktijk.97,98 Er zijn aanwijzingen dat een combinatie van verschillende inter-
      venties tegelijk, gebaseerd op een grondige analyse vooraf van de problemen in
      het veld, tot een effectieve implementatie kan leiden. Dit houdt vaak in dat er
      lokale bijeenkomsten worden georganiseerd in combinatie met scholing en inter-
      venties op verschillende niveaus (patiënt, zorgverlener en betrokken organisa-
      ties). Er is nog maar weinig bekend over de implementatie van richtlijnen in de
      mondzorg,99-105 maar opvallend genoeg is Nederland tot nu toe wel koploper op
      dit gebied met het IQ healthcare project van het UMC St. Radboud.104,105 In het
      kader hiervan is 2010 in een toonaangevend wetenschappelijk tijdschrift gepubli-
      ceerd over de effecten van implementatie van richtlijnen op de patiëntenzorg.104
      Op dit moment loopt binnen het ZonMw programma Zorg voor Beter II een
      implementatietraject met evaluatie door het VU medisch centrum voor de richt-
      De kennisinfrastructuur                                                             65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>    lijn Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen onder 700 mede-
    werkers in 14 verpleeghuizen.106
4.3 Conclusies
    Het onderzoek
    Er een discrepantie is tussen het soort onderzoek dat uitgevoerd wordt aan acade-
    mische instellingen en de kennisbehoefte zoals vastgesteld in voorgaande hoofd-
    stukken. Een groot deel van de wetenschappelijke output van de academische
    instellingen betreft fundamenteel onderzoek. Er wordt weinig gepubliceerd op
    het gebied van sociaal-tandheelkundig onderzoek, terwijl dit type onderzoek
    nodig is om de vragen die er zijn over de mondgezondheid van verschillende
    bevolkingsgroepen en over preventie te beantwoorden. Het health services
    onderzoek en het aandeel van het klinisch onderzoek dat over (kosten)effectivi-
    teitsaspecten van interventies gaat is minimaal, waardoor de vragen over de doel-
    matigheid van de zorgverlening onbeantwoord blijven. De output van het
    klinisch wetenschappelijk onderzoek is sterk gericht op nieuwe technieken en
    technologische mogelijkheden voor functieherstel.
    Richtlijnontwikkeling
    Evidence-based richtlijnontwikkeling voor de mondzorg wordt belemmerd door
    het ontbreken van een functionele infrastructuur, waaronder een verantwoorde-
    lijke koepelorganisatie, professionals met de juiste bagage om in richtlijncom-
    missies plaats te nemen en werkzame implementatiestrategieën. Ook in andere
    landen zijn er geen overkoepelende organisaties in de mondzorg die integraal kli-
    nische richtlijnontwikkeling stimuleren, coördineren en evalueren. Bij overkoe-
    pelende nationale organisaties zoals NICE (Engeland), SIGN (Schotland) en het
    overheidsinstituut HAS (Frankrijk) is het aantal richtlijnen over mondzorg
    beperkt.
66  De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk 5
          Antwoorden op de vragen aan de
          commissie en aanbevelingen
          In de huidige maatschappelijke context wordt van zorgverleners verwacht dat zij
          verantwoording afleggen over de kwaliteit van de door hen verleende zorg. Het
          is volgens de commissie dan ook niet zozeer de vraag óf mondzorgverleners zich
          hieraan moeten conformeren, maar wanneer en op welke manier. De beroeps-
          groepen moeten zelf het initiatief nemen, willen zij de regie houden over het pro-
          ces. Dit advies biedt daarbij enkele handvatten. Bij het lezen van de
          aanbevelingen vindt de commissie het belangrijk om in het achterhoofd te hou-
          den dat aan evidence-based practice een bepaalde houding ten grondslag ligt:
          mondzorgverleners zullen zowel binnen als buiten de eigen beroepsgroep bereid
          moeten zijn om op professionele wijze verantwoording af te leggen over het wat,
          het hoe, en het waarom van hun klinisch handelen. De commissie heeft het ver-
          trouwen dat de aanbevelingen in dit advies haalbaar zijn voor de professionals in
          de mondzorg als er voldoende draagvlak is voor dit principe.
5.1       De waarde van kennis in het algemeen en evidence-based richtlijnen
          in het bijzonder voor de mondgezondheid en voor de kwaliteit van
          de mondzorg
          De eerste vraag luidde:
          In hoeverre kan het gebruik van wetenschappelijke kennis, en met name van evidence-based richtlij-
          nen, de kwaliteit van de mondzorg en de mondgezondheid van de bevolking ten goede komen?
          Antwoorden op de vragen aan de commissie en aanbevelingen                                          67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>   Uit de voorgaande hoofdstukken is duidelijk geworden dat de wetenschappelijke
   onderbouwing van de mondzorg relatief zwak is en dat er nog forse stappen
   gezet moeten worden op het gebied van kwaliteitsbeleid. De commissie is ervan
   overtuigd dat het gebruik van (evidence-based) richtlijnen (naast andere instru-
   menten) elders in de gezondheidszorg een positieve bijdrage aan de kwaliteit van
   zorg heeft geleverd, en daarmee aan de gezondheid van de bevolking. Het is te
   verwachten dat richtlijnen ook voor de mondzorg van waarde kunnen zijn om
   knelpunten op verschillende gebieden op te lossen.
   Waarde van richtlijnen voor knelpunten op het gebied van kennis
   1   De commissie constateert dat sommige nieuwe inzichten, met name techno-
       logische innovaties, snel van de onderzoekssetting naar de mondzorgpraktijk
       toevloeien, maar andere daarentegen slechts langzaam. Richtlijnen zijn een
       manier om wetenschappelijke kennis toegankelijk te maken voor praktise-
       rende professionals. Ook kunnen richtlijnen de wetenschappelijke professio-
       nele discussie binnen de beroepsgroepen stimuleren.
   2   Het overgrote deel van het wetenschappelijk onderzoek dat aan de Neder-
       landse faculteiten wordt uitgevoerd concentreert zich op basaal wetenschap-
       pelijke vraagstellingen en het ontwikkelen van nieuwe technieken. Deze
       trend geldt niet alleen voor Nederland maar ook internationaal. Hierdoor
       heeft de tandheelkunde zich op curatief gebied enorm ontwikkeld, maar heeft
       onderzoek naar de doelmatigheid van de zorgverlening nauwelijks aandacht
       gekregen. Bij het opstellen en toepassen van richtlijnen worden de belang-
       rijkste kennishiaten op dit gebied zichtbaar; dit maakt het mogelijk om de
       meest relevante wetenschappelijke onderzoeksvragen op te stellen.
   Waarde van richtlijnen voor knelpunten op het gebied van kwaliteit
   3   Op dit moment is er bij sommige onderdelen van de zorgverlening sprake
       van een substantiële mate van niet-verklaarde behandelvariatie. Het opstellen
       van richtlijnen is een goed middel om de discussie op gang te brengen over
       kwaliteitszorg, indicatiestelling, diagnostische codering, keuze uit behandel-
       modaliteiten, en patiëntfactoren. Deze discussie is nodig om behandelvariatie
       te verminderen en de continuïteit van de zorgverlening te vergroten, en daar-
       mee de kwaliteit van de zorg te verbeteren.
   4   De introductie van de Wet BIG heeft de mogelijkheden op het gebied van
       taakdelegatie en taakherschikking vergroot. Bij een veranderende verhouding
       tussen tandartsen, mondhygiënisten en assistenten zijn richtlijnen een voor-
68 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>    waarde om makkelijk en veilig taken te kunnen delegeren. Zij kunnen ook
    een leidraad bieden bij het proces van taakherschikking binnen de mondzorg.
5   De commissie concludeert dat het op dit moment niet goed mogelijk is om de
    kwaliteit van de mondzorg te meten, omdat de instrumenten ontbreken. De
    ontwikkeling van richtlijnen kan het verder ontwikkelen van zorginhoude-
    lijke indicatoren voor kwaliteit stimuleren en andersom.
6   De aspecten van de mondzorgverlening waar patiënten het minst tevreden
    over zijn hebben te maken met transparantie. Het gebruik van richtlijnen
    geeft zorgverleners een middel om aan elkaar, maar vooral ook aan patiënten,
    verzekeraars, en anderen te laten zien dat zij kwalitatief goede zorg verlenen.
7   Algemeen aanvaarde richtlijnen bieden zorgverleners en patiënten een refe-
    rentiekader, en daarmee bescherming tegen onder- en overbehandeling.
Maatschappelijke waarde van richtlijnen
8   Het is op dit moment niet te zeggen hoe doeltreffend en doelmatig de bij-
    drage van de mondzorgverlening aan de gezondheid van de bevolking is.
    Richtlijnen kunnen bijdragen aan de vaststelling van het effect van de zorg-
    verlening op de (mond)gezondheid en daarmee van de waarde van de zorg.
9 De commissie constateert dat de behandeling van het toenemende aantal
    mensen met comorbiditeit, waaronder kwetsbare ouderen, vraagt om meer
    uitwisseling van kennis tussen de verschillende medische beroepsgroepen.
    Richtlijnen, al dan niet multidisciplinair, kunnen hierbij een steun in de rug
    bieden.
10 Het is opvallend dat cariës nog steeds veel voorkomt bij jonge kinderen.
    Richtlijnen in het kader van de collectieve preventie kunnen bijdragen aan de
    effectiviteit van voorlichting. Het kan zowel gaan om preventie gericht op de
    hele populatie als om preventie gericht op risicogroepen.
11 Er is onvoldoende kennis beschikbaar om te beoordelen of patiënten die een
    groot deel van de mondzorg zelf moeten betalen en beperkte financiële
    mogelijkheden hebben, drempels in de toegang tot zorg ervaren. Richtlijnen
    kunnen een basis bieden voor discussie over de vraag of essentiële mondzorg
    betaalbaar en toegankelijk is voor de hele bevolking. Een goede onderbou-
    wing van de zorgverlening is ook van belang voor het verzekeren van de
    beste passende behandelingen.
Hoewel de vraag specifiek over evidence-based richtlijnen gaat, vindt de com-
missie het belangrijk om op te merken dat richtlijnen ook – en misschien wel
juist – zeer waardevol zijn op gebieden waar nog weinig wetenschappelijke ken-
Antwoorden op de vragen aan de commissie en aanbevelingen                           69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>    nis voor handen is. Het gaat bij richtlijnen niet alleen om de beschikbare hoeveel-
    heid wetenschappelijke kennis, maar ook om het gebruik van een systematische
    methode om tot een professionele consensus te komen, en het inzichtelijk maken
    van kennislacunes.
5.2 Het stimuleren van het ontwikkelen van richtlijnen en van het richt-
    lijnconform handelen
    De tweede vraag luidde:
    Hoe kan men de ontwikkeling van en het werken volgens evidence-based richtlijnen stimuleren?
    Overkoepelende voorwaarden
    De commissie stelt vast dat er twee overkoepelende voorwaarden zijn voor het
    effectief opstellen en implementeren van richtlijnen voor de mondzorg. De com-
    missie heeft de indruk dat de meeste tandartsen en mondhygiënisten bij evi-
    dence-based practice de associatie hebben met (uitsluitend) wetenschappelijk
    onderzoek dat ver van de dagelijkse beroepsuitoefening staat. De beroepsgroe-
    pen zullen overtuigd moeten worden van het nut van evidence-based practice
    voor de mondzorg. De rol van de professionals is des te belangrijker, omdat de
    initiatiefrol van de overheid in privaat gefinancierde zorg beperkt is. Ten tweede
    moeten de verschillende beroepsgroepen binnen de mondzorg formuleren wat zij
    verstaan onder optimale zorg. Hierbij gaat het om afwegingen die te maken heb-
    ben met de eerder geformuleerde kwaliteitsdoelstellingen: tijdigheid, toeganke-
    lijkheid, patiëntgerichtheid, patiëntveiligheid, doeltreffendheid, en
    doelmatigheid.
    Alle medische beroepsgroepen die onder de Wet BIG vallen, dragen de wette-
    lijke verantwoordelijkheid voor de systematische bewaking, beheersing en ver-
    betering van de kwaliteit van de onder hun verantwoordelijkheid geleverde zorg,
    met inbegrip van door hen gedelegeerde taken.107 De beroepsgroep van tandart-
    sen is de academisch opgeleide groep mondzorgverleners en als enige in de sec-
    tor bevoegd om zelfstandig voorbehouden handelingen te verrichten. Om deze
    redenen is de commissie van mening dat tandartsen primair verantwoordelijk
    zijn voor het initiëren van het proces van evidence-based richtlijnontwikkeling.
    Vanzelfsprekend moeten de andere professionals in de mondzorg, met name
    mondhygiënisten en tandprothetici, betrokken worden bij de ontwikkeling en
    implementatie daarvan. Volgens de commissie is het in het belang van de patiënt
70  De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>om het kwaliteitsbeleid van de verschillende beroepsgroepen in samenhang te
bezien. De ervaring bij verschillende medische beroepsgroepen leert dat angsten
over de consequenties van het gebruik van richtlijnen, met name voor zoge-
naamde kookboekgeneeskunde en voor medico-legale consequenties, ongegrond
zijn.
De randvoorwaarden voor evidence-based richtlijnontwikkeling in de
mondzorg
De commissie is van mening dat voor een succesvolle ontwikkeling en imple-
mentatie van evidence-based richtlijnen aan een aantal randvoorwaarden voldaan
moet worden.
1 De regierol invullen
    Een centrale organisatie met voldoende gezag, kennis, en middelen om de
    continuïteit van het proces te waarborgen, moet de regie nemen bij het priori-
    teren van onderwerpen, het opzetten van richtlijncommissies, en het opzetten
    van implementatietrajecten. Deze organisatie moet een sterke verankering
    hebben binnen de tandheelkundige beroepsgroep, dat wil zeggen met oplei-
    dingen, wetenschappelijke verenigingen, en beroepsorganisaties. Mocht er
    een rol weggelegd zijn voor beroepsorganisaties bij richtlijnontwikkeling,
    dan dient voorkomen te worden dat dit botst met taken op het gebied van
    belangenbehartiging. Dit kan door de eventuele functie van beroepsorganisa-
    ties in richtlijnontwikkeling los te koppelen van de functie op het gebied van
    belangenbehartiging.
2 Een financieringsmechanisme opzetten
    Het is essentieel dat er een adequate en continue vorm van financiering voor
    richtlijnontwikkeling beschikbaar wordt gesteld. Te denken valt aan een
    vorm van gemengde financiering, waarbij delen kunnen komen uit bijvoor-
    beeld (maar niet uitsluitend) opslag van de tarieven, subsidiëring via lopende
    programma’s voor kwaliteit van zorg, en/of een promillagefonds dat door
    zorgverleners zelf beheerd wordt. Verzekeraars zouden een bijdrage kunnen
    leveren vanuit hun rol als financiers van de zorgverlening. Dit houdt niet in
    dat zij een actieve rol bij het ontwikkelen van richtlijnen invullen, maar dat
    zij het richtlijnconform handelen financieel ondersteunen, bijvoorbeeld van-
    uit het pay-for-performance principe.
3 Scholing van professionals verzorgen
    Voor richtlijncommissies zijn, naast klinische experts, ook wetenschappelijk
    geschoolde professionals nodig die de juiste bagage hebben om de weten-
    schappelijke literatuur te beoordelen. Hoewel de vernieuwde zesjarige oplei-
Antwoorden op de vragen aan de commissie en aanbevelingen                          71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>      ding op termijn professionals met meer kennis op dit vlak zal opleveren, is op
      dit moment de pool met geschikte kandidaten vermoedelijk niet zo groot. Dit
      kan deels opgelost kunnen worden door cursussen aan te bieden aan geïnte-
      resseerde professionals. De commissie raadt aan om in de begintijd actieve
      begeleiding te verkrijgen van organisaties met kennis op het gebied van evi-
      dence-based (eerstelijns) richtlijnontwikkeling, zoals het Dutch Cochrane
      Centre, het Nederlands Huisartsen Genootschap en het Centraal Begelei-
      dingsorgaan/TNO.
   4  Informatie uit het veld inwinnen
      Er is op dit moment weinig informatie beschikbaar over diagnose, indicatie-
      stelling, en evaluatie van behandeling van patiënten in de algemene praktijk.
      Het opzetten van een internationaal geaccepteerde registratie is een uitda-
      ging, onder andere vanwege het ontbreken van een uniform systeem voor
      diagnostische coderingen. Toch is het belangrijk om deze informatieverga-
      ring te initiëren, omdat het de basis is voor het opstellen van richtlijnen en het
      evalueren van de implementatie ervan. De meest voor de hand liggende
      manier om deze informatie te verkrijgen is door middel van peilstations voor
      registratie. Het doel van dergelijke registraties is meervoudig:
      • ze laten zien waar de grootste behandelvariatie is en daarmee de behoefte
          aan richtlijnen
      • als er richtlijnen ingevoerd worden, bieden de registratiegegevens infor-
          matie over de naleving ervan
      • registratiesystemen bieden spiegelinformatie voor de zorgverleners zelf.
   5  Onderzoeksvraagstukken uit de praktijk aanpakken
      De huidige onderzoeksinfrastructuur binnen de tandheelkunde is niet toege-
      spitst op het soort onderzoek dat nodig is als kennisbasis voor de ontwikke-
      ling en evaluatie van richtlijnen. De commissie stelt voor om voor dit type
      onderzoek een netwerk in te richten van praktijken die nauw gelieerd zijn aan
      de universiteiten. Dit punt wordt hieronder verder uitgewerkt.
   6  Doorpakken op het gebied van kwaliteitsbeleid
      De commissie is van mening dat het voor een succesvolle implementatie van
      richtlijnen essentieel is dat de verschillende beroepsgroepen in de mondzorg
      doorgaan met de ontwikkeling van een transparant en functioneel kwaliteits-
      systeem. Op de korte termijn houdt dit in dat de bestaande instrumenten wor-
      den uitgediept en uitgebreid, met de nadruk op accreditering.
72 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>    Op korte termijn: het vaststellen van best practices op gebieden waar een
    grote mate van behandelvariatie bestaat
    Het kost veel tijd voordat voldoende onderzoek opgezet, uitgevoerd, en beschik-
    baar gemaakt is om tot evidence-based richtlijnen te komen. In de tussentijd is
    een tijdelijk alternatief noodzakelijk. Er is veel kennis geaggregeerd in de vorm
    van de klinische ervaring van professionals, die als (tijdelijke) basis voor het
    onderbouwen van richtlijnen zou kunnen dienen. Ook als de lacunes in de weten-
    schappelijke kennis over een onderwerp groot zijn kan een goed ingevoerde
    commissie op basis van ’best practice points’ op systematische wijze een consen-
    susrichtlijn opstellen.
    Richtlijnen hebben vooral een meerwaarde waar een grote behandelvariatie
    bestaat, of waar er een grote discrepantie bestaat tussen de standaardpatronen in
    de praktijk en (vaak nieuwe) wetenschappelijke inzichten. Over het algemeen
    weten professionals om welke onderwerpen het dan gaat. Om te beginnen moe-
    ten deze onderwerpen worden geïnventariseerd en geprioriteerd. Daarna kan een
    systematische methode gebruikt worden om richtlijnen op te stellen voor de
    onderwerpen met een hoge prioriteit. Tijdens het zoeken naar informatie zal dui-
    delijk worden waar de grootste kennislacunes zijn. Dit kan weer leiden tot aanbe-
    velingen voor vervolgonderzoek om uiteindelijk tot evidence-based richtlijnen te
    komen.
    De commissie merkt op dat de mogelijkheid bestaat om via local adaptation of
    guidelines, eventuele buitenlandse (evidence-based) richtlijnen via een ‘lichte
    procedure’ aan te passen aan de eigen situatie. Dit zou een veilige en snelle kans
    bieden om met richtlijnontwikkeling te starten.
5.3 Prioriteiten op het gebied van kennisinfrastructuur en onderzoek
    De derde vraag luidde:
    Wat zijn – in het licht van de antwoorden op het eerste punt – de prioriteiten op het gebied van ken-
    nisinfrastructuur en onderzoek?
    De commissie heeft geconstateerd dat richtlijnen waarde kunnen hebben om
    knelpunten op het gebied van kennis en kwaliteit op te lossen en een positief
    effect kunnen hebben op de mondgezondheid van de bevolking. Naast de rand-
    voorwaarden voor het opstellen van richtlijnen zijn er een aantal stappen op het
    Antwoorden op de vragen aan de commissie en aanbevelingen                                             73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>   gebied van kennisinfrastructuur en onderzoek die het ontwikkelen van evidence-
   based richtlijnen kunnen stimuleren.
   1 Het opzetten van een landelijke monitor mondgezondheid
      Uit hoofdstuk 2 blijkt dat de kennis over de mondgezondheid van Nederlan-
      ders op dit moment een aantal belangrijke hiaten vertoont. Over kwetsbare
      groepen ontbreken belangrijke gegevens. De commissie heeft met name zor-
      gen over de - vermoedelijk grote - groep kwetsbare ouderen die problemen
      met de mondgezondheid ervaart. Wat betreft jeugdigen ontbreekt nog kennis
      over effectieve methodes voor de preventie van cariës en erosieve gebitsslij-
      tage. Er is nog nauwelijks onderzoek gedaan naar de verbanden tussen finan-
      ciële draagkracht, etniciteit of opleidingsniveau en mondgezondheid of
      variatie in aangeboden zorg. Tenslotte is er nauwelijks iets bekend over regi-
      onale verschillen. Om al deze redenen beveelt de commissie aan om een
      monitor mondgezondheid in te stellen, die regionale verschillen detecteert en
      waarin onderzoek naar risicogroepen meegenomen wordt.
   2 Het inrichten van mondzorgpraktijken voor onderzoek
      De commissie constateerde eerder dat belangrijke vraagstukken, in het bij-
      zonder op het gebied van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de zorg-
      verlening, niet of nauwelijks onderwerp van onderzoek aan de universiteiten
      vormen. Ook is geconstateerd dat bij professionals het beeld bestaat dat het
      wetenschappelijk onderzoek ver van hun dagelijkse praktijk afstaat. De com-
      missie ziet twee aansluitende mogelijkheden om deze afstand tussen de aca-
      demie en de dagelijkse praktijkvoering te overbruggen. De eerste is het
      opzetten van een netwerk van algemene praktijken voor onderzoek. Een posi-
      tief effect hiervan is dat het praktiserende zorgverleners een actieve rol geeft
      in het proces om wetenschap en praktijk beter op elkaar te laten aansluiten.
      De tweede mogelijkheid, die in het verlengde hiervan ligt, is de inrichting
      van een netwerk van praktijken met een sterke academische verankering.
      Binnen deze praktijken vindt - in nauwe samenwerking met academische
      instellingen - een combinatie van voorbeeldzorg, onderwijs en opleiding, en/
      of wetenschappelijk onderzoek plaats. Deze optie heeft zijn waarde op
      andere terreinen - met name in de huisartsengeneeskunde en publieke
      gezondheid - ruimschoots bewezen. Het onderzoek dat wordt uitgevoerd zou
      in beide gevallen moeten aansluiten op de kennishiaten die tijdens het proces
      van richtlijnontwikkeling worden geconstateerd.
   3 Aandacht voor mondzorg binnen bestaande ZonMw-programma's
      Parallel aan het opzetten van de infrastructuur zou er binnen bestaande
      ZonMw-programma’s, zoals bijvoorbeeld het programma Preventie, het pro-
      gramma Doelmatigheid, en/of het toekomstige programma Kwaliteit van
74 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   zorg, ruimte gecreëerd moeten worden voor onderwerpen die te maken heb-
   ben met mondzorg.
4  Het verruimen van de carrièremogelijkheden in de mondzorg
   Bij het beschrijven van de randvoorwaarden voor richtlijnontwikkeling
   kwam ter sprake dat er op dit moment een te beperkt aantal professionals is
   met de benodigde wetenschappelijke vaardigheden voor richtlijncommissies.
   Een van de oorzaken hiervan is dat op dit moment nog te weinig gestimu-
   leerd wordt om werkzaamheden binnen een tandartspraktijk te combineren
   met diverse wetenschappelijke activiteiten. De commissie beveelt aan na te
   denken over verschillende soorten carrièrepaden voor gemotiveerde professi-
   onals, die niet een uitsluitend praktische of academische carrière nastreven.
   Ook het opzetten van academische werkplaatsen zoals hierboven aanbevolen,
   verruimt de mogelijkheden voor praktiserende tandartsen en mondhygiënis-
   ten om (promotie)onderzoek uit te voeren en/of onderwijs te geven.
Antwoorden op de vragen aan de commissie en aanbevelingen                        75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>76 De mondzorg van morgen</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>   Literatuur
1  KNAW verkenning. Multifactoriele aandoeningen in het genmics tjdperk. 2006.
2  Loveren C van, van der Weijden GA. Preventieve tandheelkunde Op weg naar een doelmatige
   aanpak. Bohn Stafleu van Loghum; 2000.
3  Blinkhorn AS. Factors affecting the compliance of patients with preventive dental regimens. Int Dent
   J 1993; 43(3 Suppl 1): 294-298.
4  Chu R, Craig B. Understanding the determinants of preventive oral health behaviours. Probe 1996;
   30(1): 12-18.
5  Freeman R, Ismail A. Assessing patients' health behaviours. Essential steps for motivating patients to
   adopt and maintain behaviours conducive to oral health. Monogr Oral Sci 2009; 21: 113-127.
6  Kay E, Locker D. A systematic review of the effectiveness of health promotion aimed at improving
   oral health. Community Dent Health 1998; 15(3): 132-144.
7  Allen PF. Assessment of oral health related quality of life. Health Qual Life Outcomes 2003; 1: 40.
8  Steele JG, Sanders AE, Slade GD, Allen PF, Lahti S, Nuttall N e.a. How do age and tooth loss affect
   oral health impacts and quality of life? A study comparing two national samples. Community Dent
   Oral Epidemiol 2004; 32(2): 107-114.
9  Verrips G.H.W., Schuller AA. De invloed van mondgezondheid op de levenskwaliteit van volwassen
   Nederlanders. Ned Tijdschr Tandheelkd 2011; 118(3): 162-164.
10 Oliveira C de, Watt R, Hamer M. Toothbrushing, inflammation, and risk of cardiovascular disease:
   results from Scottish Health Survey. BMJ 2010; 340: c2451.
11 Friedewald VE, Kornman KS, Beck JD, Genco R, Goldfine A, Libby P e.a. The American Journal of
   Cardiology and Journal of Periodontology editors’ consensus: periodontitis and atherosclerotic
   cardiovascular disease. J Periodontol 2009; 80(7): 1021-1032.
   Literatuur                                                                                             77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>12 Chambrone L, Guglielmetti MR, Pannuti CM, Chambrone LA. Evidence grade associating
   periodontitis to preterm birth and/or low birth weight: I. A systematic review of prospective cohort
   studies. J Clin Periodontol 2011; 38(9): 795-808.
13 Kunnen A, van Doormaal JJ, Abbas F, Aarnoudse JG, van Pampus MG, Faas MM. Periodontal
   disease and pre-eclampsia: a systematic review. J Clin Periodontol 2010; 37(12): 1075-1087.
14 Han YW. Oral health and adverse pregnancy outcomes - what’s next? J Dent Res 2011; 90(3): 289-
   293.
15 Rees TD. Drugs and oral disorders. Periodontol 2000 1998; 18: 21-36.
16 Seymour RA. Drug interactions in dentistry. Dent Update 2009; 36(8): 458-6, 469.
17 Lygre GB, Gjerdet NR, Bjorkman L. A follow-up study of patients with subjective symptoms related
   to dental materials. Community Dent Oral Epidemiol 2005; 33(3): 227-234.
18 Centraal Bureau voor de Statistiek. Gebruik medische voorzieningen; vanaf 1981. http://
   statline.cbs.nl.
19 College voor Zorgverzekeringen. Signalement mondzorg 2010. Diemen: College voor
   Zorgverzekeringen; 2010: 29075178.
20 Schuller AA, Poorterman JH, van Kempen CPF, Dusseldorp EML, van Dommelen P, Verrips G.H.W.
   Kies voor tanden tussenmeting 2009. 2011.
21 El Aidi H. Development & aetiology of erosive tooth wear in adolescents [Proefschrift]. Nijmegen:
   Radboud Universiteit; 2011.
22 Gambon DL. Dental erosion in children: risk factors in daily life in the 21st century [Proefschrift].
   2011.
23 WHO. World Oral Health report 2003. 2003.
24 Centraal Bureau voor de Statistiek. Gezondheid, leefstijl, gebruik van zorg. http://statline.cbs.nl.
25 Schuller AA, Bruers JJ, van Dam BA, Poorterman JH, Verrips GHW. Mondgezondheid volwassenen
   2007. 2009.
26 Brantley CF, Bader JD, Shugars DA, Nesbit SP. Does the cycle of rerestoration lead to larger
   restorations? J Am Dent Assoc 1995; 126(10): 1407-1413.
27 Sociaal en Cultureel Planbureau. Kwetsbare ouderen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau;
   2011.
28 Kandelman D, Petersen PE, Ueda H. Oral health, general health, and quality of life in older people.
   Spec Care Dentist 2008; 28(6): 224-236.
29 Chavarry NG, Vettore MV, Sansone C, Sheiham A. The relationship between diabetes mellitus and
   destructive periodontal disease: a meta-analysis. Oral Health Prev Dent 2009; 7(2): 107-127.
30 Ryan ME, Carnu O, Kamer A. The influence of diabetes on the periodontal tissues. J Am Dent Assoc
   2003; 134 Spec No: 34S-40S.
31 Gurav A, Jadhav V. Periodontitis and risk of diabetes mellitus. J Diabetes 2011; 3(1): 21-28.
32 Lamster IB, Lalla E, Borgnakke WS, Taylor GW. The relationship between oral health and diabetes
   mellitus. J Am Dent Assoc 2008; 139 Suppl: 19S-24S.
78 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>33 Salvi GE, Carollo-Bittel B, Lang NP. Effects of diabetes mellitus on periodontal and peri-implant
   conditions: update on associations and risks. J Clin Periodontol 2008; 35(8 Suppl): 398-409.
34 Simpson TC, Needleman I, Wild SH, Moles DR, Mills EJ. Treatment of periodontal disease for
   glycaemic control in people with diabetes. Cochrane Database Syst Rev 2010;(5): CD004714.
35 Teeuw WJ, Gerdes VE, Loos BG. Effect of periodontal treatment on glycemic control of diabetic
   patients: a systematic review and meta-analysis. Diabetes Care 2010; 33(2): 421-427.
36 Scully C. Medical Problems in Dentistry. Churchill Livingstone Elsevier; 2010.
37 Treister N, Glick M. Rheumatoid arthritis: a review and suggested dental care considerations. J Am
   Dent Assoc 1999; 130(5): 689-698.
38 Detert J, Pischon N, Burmester GR, Buttgereit F. The association between rheumatoid arthritis and
   periodontal disease. Arthritis Res Ther 2010; 12(5): 218.
39 Council of European Dentists. Press release.European dentists call for better integration of oral and
   general health, adopt policy on the professional qualifications directive and the medical devices
   directives. 2011. Brussel CED.
40 BIG register cijfers. BIG register. https://www.bigregister.nl/overbigregister/cijfers/default.aspx.
41 NMT. Analyse NMT-tandartsenadministratie: NMT organisatiegraad 2011; tabellenrapportage.
   Nieuwegein: Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde; 2011.
42 NIVEL. Actuele gegevens over het arbeidsaanbod van mondhygiënisten in Nederland. Resultaten
   van een ramingsenquête onder NVM-leden ten behoeve van de integrale capaciteitsraming 2010.
   Utrecht: NIVEL; 2010.
43 Adviesgroep capaciteit mondzorg (commissie Lapré). “Capaciteit mondzorg. Aanbevelingen voor de
   kortere en langere termijn”. 2000.
44 Commissie Innovatie Mondzorg. Advies Innovatie in de Mondzorg. Leiden: Instituut voor
   Onderzoek Overheidsuitgaven BV; 2006.
45 ONT. ONT. http://www.ont.nl/.
46 NMT. Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering: Praktijksituatie en werkdruk van tandartsen in
   2010. Tabellenrapport 11.01. NMT Onderzoek & Informatievoorziening; 2011.
47 Kalf RRJ, Schepman SM, Batenburg RS. Actuele gegevens over het arbeidaanbod aan tandartsen in
   Nederland. Nivel; 2010.
48 Schaub Rr. Samenwerken in de mondzorg. Bohn Stafleu van Loghum; 2008.
49 Jerkovic-Cosic K. The relation between profession development and job (re)desing; The case of
   dental hygiene in the Netherlands. [Proefschrift]. Faculty of Economy an d Business, University of
   Groningen; 2012.
50 IOM (Institute of Medicine). Crossing the Quality Chasm: The IOM Health Care Quality Initiative.
   2001.
51 NZa. Visiedocument. Bekostigingstructuur mondzorg. Transparante mondzorg met vrije prijzen; de
   consument kiest. Utrecht: Nederlandse Zorgautoriteit; 2009.
   Literatuur                                                                                            79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>52 Stichting Capaciteitsorgaan voor Medische en Tandheelkundige Vervolgopleidingen. Capaciteitsplan
   2010. Deelrapport 3: Mondzorg. Utrecht: Stichting Capaciteitsorgaan voor Medische en
   Tandheelkundige Vervolgopleidingen; 2010.
53 Mettes TH, Bruers JJ, Van der Sanden WJM, van Eeten-Kruiskamp L, van der Horst RH, Harmsen M
   e.a. Patientveiligheid: zorgverlening aan patienten in tandartspraktijken in 2009. Ned Tijdschr
   Tandheelkd 2010; 117: 628-636.
54 Newsome PR, Wright GH. A review of patient satisfaction: 1. Concepts of satisfaction. Br Dent J
   1999; 186(4 Spec No): 161-165.
55 Dam BA van, den Boer JC. Veel patienten positief over hun tandarts. Nederlands Tandartsenblad
   2010;
56 NPCF. Meldactie mondzorg 2009. 2009.
57 Hendriks E. Consumenten aan de tand gevoeld. Een verkenning van de mondzorg. Amsterdam: TNS-
   NIPO; 2009.
58 Bader JD, Shugars DA. Understanding dentists' restorative treatment decisions. J Public Health Dent
   1992; 52(2): 102-110.
59 Bader JD, Shugars DA. Agreement among dentists' recommendations for restorative treatment. J
   Dent Res 1993; 72(5): 891-896.
60 Bader JD, Shugars DA. Descriptive models of restorative treatment decisions. J Public Health Dent
   1998; 58(3): 210-219.
61 Bruers JJ. Zorgverlening door tandartsen-Studie naar tandartsvariaties in verleende zorg
   [Proefschrift]. Nijmegen: 2004.
62 Dekker J den. Behandelingsplanning in de tandartspraktijk [Proefschrift]. 1990.
63 Grembowski D, Milgrom P, Fiset L. Dental decisionmaking and variation in dentist service rates. Soc
   Sci Med 1991; 32(3): 287-294.
64 Grembowski D, Fiset L, Milgrom P, Forrester K, Spadafora A. Factors influencing the
   appropriateness of restorative dental treatment: an epidemiologic perspective. J Public Health Dent
   1997; 57(1): 19-30.
65 Mettes TG, Bruers JJ, van der Sanden WJ, Verdonschot EH, Mulder J, Grol RP e.a. Routine oral
   examination: differences in characteristics of Dutch general dental practitioners related to type of
   recall interval. Community Dent Oral Epidemiol 2005; 33(3): 219-226.
66 Poorterman JHG. On quality of dental care. The development, validation and standardization of an
   index for the assessment of restorative care. [Proefschrift]. 1997.
67 Gordan VV, Garvan CW, Richman JS, Fellows JL, Rindal DB, Qvist V e.a. How dentists diagnose
   and treat defective restorations: evidence from the dental practice-based research network. Oper Dent
   2009; 34(6): 664-673.
68 Bader JD, Shugars DA. Descriptive models of restorative treatment decisions. J Public Health Dent
   1998; 58(3): 210-219.
69 Poorterman JHG. On quality of dental care. The development, validation and standardization of an
   index for the assessment of restorative care. [Proefschrift]. 1997.
80 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>70 Gordan VV, Bader JD, Garvan CW, Richman JS, Qvist V, Fellows JL e.a. Restorative treatment
   thresholds for occlusal primary caries among dentists in the dental practice-based research network. J
   Am Dent Assoc 2010; 141(2): 171-184.
71 Mettes TGPH. Routine oral examination: towards a patient-tailored risk strategy [Proefschrift]. 2008.
72 Bennema-Broos M, Sluijs EM, Wagner C. [Decade of quality health care: dentists in comparison
   with other health professionals]. Ned Tijdschr Tandheelkd 2001; 108(10): 408-412.
73 Sluijs EM, nema-Broos M, Wagner C. [Dentists and mutual practice visitation. Results of a
   descriptive study on the effects on mutual visitation by dentists]. Ned Tijdschr Tandheelkd 2002;
   109(1): 20-24.
74 Boer JC den, Bruers JJ, van Dam BA. [Dentists on continuing dental education]. Ned Tijdschr
   Tandheelkd 2006; 113(9): 346-350.
75 Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector. certificaten Tandartspraktijken.
   http://www.hkz.nl/component/option,com_certificate/task,viewCertificate/sector_id,68/Itemid,1054/.
76 NMT. Staat van de mondzorg. 2010.
77 Zichtbare Zorg. ‘Laten zien wat je doet!’ Visiedocument Zichtbare Zorg Mondzorg. Den Haag: IGZ;
   2009.
78 IOM (Institute of Medicine). Advancing Oral Health in America. Washington DC: The National
   Academies Press; 2011.
79 Regieraad Kwaliteit van Zorg. Definitie Richtlijn. Glossarium Kwaliteit van Zorg. http://
   glossarium.regieraad.nl/Richtlijn.
80 Regieraad Kwaliteit van Zorg. Definitie Professionele Standaard. Glossarium Kwaliteit van Zorg.
   http://glossarium.regieraad.nl/Professionele_standaard.
81 NMT. Kwaliteitssysteem tandheelkunde. Brochure. 2008. Nieuwegein Nederlandse Maatschappij tot
   bevordering der Tandheelkunde.
82 Cochrane Oral Health Group Reviews. http://www.ohg.cochrane.org/reviews.html.
83 Projectgroep Kwaliteit van Tandheelkundige Zorg UMC St Radboud 1998-2008. De geïmpacteerde,
   klachtenvrije derde molaar in de onderkaak. 2007.
84 NMT. Tandletsel. 2010.
85 Projectgroep Kwaliteit van Tandheelkundige Zorg UMC St Radboud 1998-2008. Periodiek
   mondonderzoek (PMO). Klinische praktijkrichtlijnen. Nijmegen: UMC St Radboud; 2007.
86 Beroepsvereniging van verpleeghuisartsen en sociaal geriaters. Richtlijn mondzorg voor
   zorgafhankelijke cliënten in verpleeghuizen. 2011.
87 Bruers JJ, van Dam BA, Schuller AA, Truin GJ. [The restorative care index in children 2. Factors
   concerning the dentist]. Ned Tijdschr Tandheelkd 2009; 116(8): 404-409.
88 Schuller AA, Bruers JJM, van Dam BAFM, Truin GJ. Jeugdmondzorg: De restauratieve
   verzorgingsgraad. TNO Kaliteit van Leven; 2007.
89 Truin GJ, Schuller AA, Poorterman JHG, Mulder J. Trends in de prevalentie van cariës bij de 6- en
   12-jarige jeugd in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2010; 117(3): 143-147.
   Literatuur                                                                                             81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>90  Davenport C, Elley K, Salas C, Taylor-Weetman CL, Fry-Smith A, Bryan S e.a. The clinical
    effectiveness and cost-effectiveness of routine dental checks: a systematic review and economic
    evaluation. 2003.
91  Mettes TG, Nienhuijs ME, van der Sanden WJ, Verdonschot EH, Plasschaert AJ. Interventions for
    treating asymptomatic impacted wisdom teeth in adolescents and adults. Cochrane Database Syst
    Rev 2005;(2): CD003879.
92  Sanden WJM van der. Clinical practice guidelines in dental care. Studies on development and use
    [Proefschrift]. Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen; 2003.
93  Werkgroep Infectiepreventie. Infectiepreventie in de tandheelkundige praktijk. 2007.
94  Academic Centre for Dentistry Amsterdam. Annual Research Report 2010. Amsterdam: ACDA;
    2011.
95  UMCG. Jaarverslag 2010. Groningen: UMCG - Centrum voor Tandheelkunde en Mondzorgkunde;
    2011.
96  UMC St Radboud. Dentistry 2010 Research Report. Nijmegen: UMC St Radboud; 2010.
97  Baker R, Camosso-Stefinovic J, Gillies C, Shaw EJ, Cheater F, Flottorp S e.a. Tailored interventions
    to overcome identified barriers to change: effects on professional practice and health care outcomes.
    Cochrane Database Syst Rev 2010;(3): CD005470.
98  Grimshaw J, Eccles M, Tetroe J. Implementing clinical guidelines: current evidence and future
    implications. J Contin Educ Health Prof 2004; 24 Suppl 1: S31-S37.
99  Bahrami M, Deery C, Clarkson JE, Pitts NB, Johnston M, Ricketts I e.a. Effectiveness of strategies to
    disseminate and implement clinical guidelines for the management of impacted and unerupted third
    molars in primary dental care, a cluster randomised controlled trial. Br Dent J 2004; 197(11): 691-
    696.
100 Bonetti D, Johnston M, Pitts NB, Deery C, Ricketts I, Bahrami M e.a. Can psychological models
    bridge the gap between clinical guidelines and clinicians’ behaviour? A randomised controlled trial
    of an intervention to influence dentists' intention to implement evidence-based practice. Br Dent J
    2003; 195(7): 403-407.
101 Bonetti D, Pitts NB, Eccles M, Grimshaw J, Johnston M, Steen N e.a. Applying psychological theory
    to evidence-based clinical practice: identifying factors predictive of taking intra-oral radiographs.
    Soc Sci Med 2006; 63(7): 1889-1899.
102 Foley J. An audit of the implementation of guidelines in relation to the prevention of dental caries.
    Surgeon 2003; 1(6): 350-353.
103 Koch M, Eriksson HG, Axelsson S, Tegelberg A. Effect of educational intervention on adoption of
    new endodontic technology by general dental practitioners: a questionnaire survey. Int Endod J 2009;
    42(4): 313-321.
104 Mettes TG, van der Sanden WJ, Bronkhorst E, Grol RP, Wensing M, Plasschaert AJ. Impact of
    guideline implementation on patient care: a cluster RCT. J Dent Res 2010; 89(1): 71-76.
82  De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>105 Sanden van der WJ, Mettes DG, Plasschaert AJ, Grol RP, Mulder J, Verdonschot EH. Effectiveness of
    clinical practice guideline implementation on lower third molar management in improving clinical
    decision-making: a randomized controlled trial. Eur J Oral Sci 2005; 113(5): 349-354.
106 ZonMw. Implementatie van evidence based mondzorg in verpleeghuizen. 2011.
107 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). 1993.
    Literatuur                                                                                        83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>84 De mondzorg van morgen</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>A De commissie
B Het gebruik van klinische richtlijnen in de mondzorg: een internationale
  inventarisatie
C Samenvatting recente epidemiologische cijfers
  Bijlagen
                                                                           85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>86 De mondzorg van morgen</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>Bijlage A
        De commissie
        •  prof. dr. E. Schadé, voorzitter
           hoogleraar huisartsgeneeskunde, Academisch Medisch Centrum Amsterdam
        •  prof. dr. W.J.J. Assendelft
           hoogleraar huisartsgeneeskunde, Leids Universitair Medisch Centrum
        •  dr. J.J.M. Bruers
           socioloog, Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde,
           Nieuwegein
        •  dr. J. den Dekker
           tandarts, tandheelkundig adviseur, College voor zorgverzekeringen, Diemen
        •  prof. dr. A.J. Feilzer
           decaan, hoogleraar tandheelkundige materiaalwetenschappen, tandarts
           werkzaam in de klinische mondzorg, Academisch Centrum Tandheelkunde
           Amsterdam
        •  dr. K. Jerkovic-Cosic
           mondhygiëniste-epidemioloog, Hanzehogeschool/Rijksuniversiteit
           Groningen
        •  J.A. Kieft
           tandarts werkzaam in de klinische mondzorg, adviserend tandarts Coöperatie
           VGZ, Broek op Langendijk
        •  dr. T.G.P.H. Mettes
           tandarts-onderzoeker, tandarts werkzaam in de klinische mondzorg,
           Universitair Medisch Centrum St. Radboud, Nijmegen
        De commissie                                                                  87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>   •   R. Rowel
       tandarts werkzaam in de klinische mondzorg, Raalte
   •   prof. dr. R.M.H. Schaub
       emeritus hoogleraar tandheelkundige zorgverlening, tandarts werkzaam in de
       klinische mondzorg, Universitair Medisch Centrum Groningen
   •   drs. M. Schoneveld
       beleidsadviseur, Consumentenbond, Den Haag
   •   dr. A.A. Schuller
       tandarts-epidemioloog, TNO, Leiden
   •   prof. dr. B. Stegenga
       hoogleraar klinische epidemiologie van de tandheelkunde, kaakchirurg,
       Universitair Medisch Centrum Groningen
   •   prof. dr. G.H.W. Verrips
       bijzonder hoogleraar mondzorg en kwaliteit van leven, TNO/Academisch
       Centrum Tandheelkunde Amsterdam
   •   drs. P.S.B. Boom, waarnemer
       ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag
   •   dr. G.A.J. Soete, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
   De Gezondheidsraad en belangen
   Leden van Gezondheidsraadcommissies worden benoemd op persoonlijke titel,
   wegens hun bijzondere expertise inzake de te behandelen adviesvraag. Zij kun-
   nen echter, dikwijls juist vanwege die expertise, ook belangen hebben. Dat
   behoeft op zich geen bezwaar te zijn voor het lidmaatschap van een Gezond-
   heidsraadcommissie. Openheid over mogelijke belangenconflicten is echter
   belangrijk, zowel naar de voorzitter en de overige leden van de commissie, als
   naar de voorzitter van de Gezondheidsraad. Bij de uitnodiging om tot de com-
   missie toe te treden wordt daarom aan commissieleden gevraagd door middel
   van het invullen van een formulier inzicht te geven in de functies die zij bekle-
   den, en andere materiële en niet-materiële belangen die relevant kunnen zijn voor
   het werk van de commissie. Het is aan de voorzitter van de raad te oordelen of
   gemelde belangen reden zijn iemand niet te benoemen. Soms zal een adviseur-
   schap het dan mogelijk maken van de expertise van de betrokken deskundige
   gebruik te maken. Tijdens de installatievergadering vindt een bespreking plaats
   van de verklaringen die zijn verstrekt, opdat alle commissieleden van elkaars
   eventuele belangen op de hoogte zijn.
88 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>Bijlage B
        Het gebruik van klinische richtlijnen in
        de mondzorg:
        een internationale inventarisatie
        Vraagstelling
        In welke mate en op welke wijze worden er internationaal binnen de mondzorg
        richtlijnen ontwikkeld?
        Doel
        Deze inventarisatie heeft tot doel een vergelijkend inzicht te verkrijgen tussen
        richtlijnontwikkeling in Nederland en de rest van de Westerse wereld.
        Methode
        Er zijn twee strategieën gebruikt:
        • websites van evidence-based organisaties in de gezondheidszorg zijn door-
            zocht
        • er is een brede zoekstrategie op PubMed uitgevoerd
        Er is bij de geselecteerde websites gekozen voor landen die qua welvaartsniveau,
        kennisinfrastructuur en organisatie van de mondzorg in het algemeen vergelijk-
        baar zijn met Nederland. De richtlijnen die zijn onderzocht waren (ook) in de
        Engelse taal verschenen. Het betreft een globale screening van de gevonden
        documenten, zonder dat ze nauwkeurig één voor één diepgaand zijn bestudeerd.
        Het gebruik van klinische richtlijnen in de mondzorg: een internationale inventarisatie 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>   De geraadpleegde websites:
   http://www.g-i-n.net/; Guideline International Network, Supernational Network
   http://www.clinicalguidelines.gov.au/; Clinical Practice Guideline Portal (Aus-
   tralia)
   http://www.cmaj.ca/cgi/collection/clinical_practice_guidelines; Clinical Prac-
   tice Guideline (Canada) CMAJ
   http://www.nzgg.org.nz/; New Zealand Guidelines Group
   http://www.nice.org.uk/Guidance/Topic; UK Guidelines
   http://www.sign.ac.uk/; Scottisch Intercollegiate Guidelines Network
   http://www.ahrq.gov/clinic/ngcfact.htm; The National Guideline Clearinghouse,
   AHRQ, US department of health
   http://www.fdiworldental.org/guidelines-for-continuing-professional-develop-
   ment; FDI World Dental Federation (restricted only to members)
   http://www.tripdatabase.com/ ; UK founders linked with Centre for Evidence-
   Based Medicine (www.cebm.net)
   http://www.has-sante.fr/portail/jcms/j_5/accueil; HAS (Haute Autorité de Santé),
   Frankrijk (http://bit.ly/hasthk)*
   https://www.iqwig.de/ ; IQWIG (Institut für Qualität und Wirtschaftlichkeit im
   Gesundheitswesen), Duitsland (http://bit.ly/IQWIG)
   Database Pubmed:
   Zoektermen: ‘clinical practice guidelines’ AND ‘Dentistry’((“practice guide-
   line”[Publication Type] OR“practice guidelines as topic”[MeSH Terms] OR “cli-
   nical practice guidelines”[All Fields]) AND (“dentistry”[MeSH Terms] OR
   “dentistry”[All Fields])) AND (“humans”[MeSH Terms] AND Practice Guide-
   line[ptyp] AND English [lang])
   Limits: Humans, Practice Guideline, English, published in last five years.
   Periode: 2005-2011
   Tevens is bij dit onderdeel gebruik gemaakt van een recente zoekstrategie die in
   2010 is uitgevoerd bij de nog lopende ontwikkelingsprocedure van de richtlijn
   Mondzorg van jeugdigen, opgesteld door het TNO/CBO. Er is hierbij uitgebreid
   gezocht naar de evidentie van effectieve disseminatie- en implementatiestrate-
   gieën in de mondzorg. Zoekstrategie is opvraagbaar.
90 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>Resultaten richtlijnen op internationale websites
De internationale elektronische zoektocht levert, zoals blijkt uit tabel 1, hits op
uit de landen Australie (AUS), Canada (CAN),; Frankrijk (FR), Duitsland
(GER), Engeland (ENG), Nieuw Zeeland (NZ), Schotland (SCO), Verenigde Sta-
ten (VS) en Wales (WLS). Volgens de EBRO-methode ontwikkelde klinische
richtlijnen worden vooral gevonden bij SIGN en NICE (ENG) en in mindere
mate bij HAS (FR) (tabel 1).
Tabel 1 Richtlijnen naar aantal, onderwerp en land van herkomst op internationale websites tussen
2003 en 2011.
Richtlijnen                                           n        Land herkomst
Anesthesie (lokaal, algeheel)                         6        ENG, USA, FR
Tand- en gebitsontwikkeling                           2        ENG, USA
Kindertandheelkunde algemeen                          4        USA, SCO
Parodontitis                                          3        USA, FR
Voeding                                               2        ENG, USA
Erosie                                                1        ENG
Recall*                                               1        ENG*
Profylaxe                                             5        USA, ENG
Cariës algemeen                                       2        USA, SCO, CAN, FR*
Cariës risico kinderen*                               4
Chirurgie                                             3        USA, GER
Traumata                                              1        USA
Zwangerschap                                          2        USA
Fluoride                                              5        USA, GER, NZ
Reanimatie                                            1        ENG
Sealant (verzegeling)*                                3        USA, GER, WLS, FR*
Derde molaren*                                        5        USA, GER, SCO*, ENG*
Oncologie                                             3        USA
Endodontie                                            1        USA
Pulpa problematiek                                    2        USA
Bijzondere tandheelkunde                              1        USA
Endocarditis                                          1        AUS
Obstructieve slaapapnoesyndroom                       1        GER
Implantaat gedragen tandvervanging                    1        GER
Postoperatieve pijn na chirurgie                      1        FR
Indicaties kunststof vullingen                        1        FR
* volgens EBRO-methode ontwikkeld
AUS: Australie / CAN: Canada / FR: Frankrijk/ GER: Duitsland / ENG: Engeland / NZ: Nieuw Zee-
land / SCO: Schotland / USA: Verenigde Staten / WLS: Wales
Het gebruik van klinische richtlijnen in de mondzorg: een internationale inventarisatie           91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>   Resultaten internationale klinische richtlijnen uit PubMed
   De zoekstrategie in PubMed over een periode van 5 jaar levert 64 hits op. Het
   overgrote deel van deze lijst bevat documenten gericht op de kindertandheel-
   kunde, voornamelijk afkomstig uit de Verenigde Staten (American Academy on
   Pediatric Dentistry Council on Clinical Affairs). Er is een duidelijke overlap
   waarneembaar met de resultaten voortkomend uit de zoektocht van de websites.
   Echter de volledige prothese (USA), chirurgische parodontologie (USA, Italië),
   kaakgewrichtsproblemen (België), traumata (Denemarken), dementie (ENG)
   zijn onderwerpen die niet werden aangetroffen op de websites, maar wel via Pub-
   Med aan het licht kwamen.
   Tabel 2 Richtlijnen naar aantal en onderwerp in Nederland tussen 2003 en 2011.
   Richtlijnen                                             n       Verantwoordelijke organisatie(s)
   Vanuit de mondzorg:
   Derde molaren*                                          1        UMC St Radboud Tandheelkunde
   Traumata*                                               1       NMT
   Periodiek mondonderzoek *                               1       UMC St Radboud Tandheelkunde
   Fluoride                                                1       Ivoren Kruis
   Sealant (verzegeling)                                   1       Ivoren Kruis
   Erosieve gebitslijtage                                  1       Ivoren Kruis
   Mondzorg voor zorgafhankelijke cliënten in              1       NVVA, NMT, NVG
   verpleeghuizen*
   Mondzorg voor jeugdigen (in ontwikkeling)               1       NMT
   Vanuit de geneeskunde:
   Diagnostiek /behandeling van obstructieve               1       NVALT
   slaapapneusyndroom*
   Orale mucositis*                                        1       V & VN Oncologie, NIVEL,
                                                                   LEVV, UMC St Radboud, VIKC
   Mondholte- en Oropharynx carcinoom*                     1       KNO
   * volgens EBRO-methode ontwikkeld
   UMC St Radboud: Universitair Medisch Centrum , Radboud Universtiteit, Nijmegen
   NMT: Nederlandse. Maatschappij Bevordering der Tandheelkunde, Nieuwegein
   NVVA: Nederlandse vereniging van verpleeghuisartsen, Utrecht
   NVG: Nederlandse vereniging voor Gerodontologie, Apeldoorn
   NVALT:Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose, ‘s-Hertogenbosch
   V & VN Oncologie:Beroepsvereniging van zorgprofessionals, Utrecht
   NIVEL: Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg, Utrecht
   LEVV: Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging, Utrecht
   VIKC: Vereniging van Integrale Kankercentra, Utrecht
   KNO:Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsge-
   bied, Utrecht
92 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>De aanvullende zoekstrategie met betrekking tot internationaal onderzoek naar
de effectiviteit van disseminatie en implementatiestrategieën van richtlijnen in de
gezondheidszorg levert wat de mondzorg betreft een bescheiden opbrengst op. Er
bestaat onderzoek uit Schotland en recent onderzoek uit Nederland.99,104,105
Richtlijnontwikkeling in Nederland
Gedurende de afgelopen decennia zijn in de mondzorg diverse praktijkrichtlijnen
door organisaties van uiteenlopende aard ontwikkeld (tabel 2).
Het gebruik van klinische richtlijnen in de mondzorg: een internationale inventarisatie 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>94 De mondzorg van morgen</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>Bijlage C
        Samenvatting recente
        epidemiologische cijfers
        Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) laat regelmatig door TNO onder-
        zoek uitvoeren naar de gebitstoestand van kinderen en volwassenen. De recente
        epidemiologische trends die hier worden beschreven komen voornamelijk uit
        deze onderzoeksrapporten, het rapport Kies voor tanden, voorheen Tandheelkun-
        dige verzorging Jeugdige Ziekenfondsverzekerden (TJZ), en het rapport Mond-
        gezondheid volwassenen.20,25 Een belangrijk punt bij deze epidemiologische
        cijfers is dat de gegevens over kinderen in slechts vier plaatsen worden verza-
        meld (‘s Hertogenbosch, Gouda, Alphen aan den Rijn en Breda), en dat de gege-
        vens over volwassenen uit één plaats komen (Den Bosch). Dit betekent dat de
        resultaten niet zonder meer geëxtrapoleerd kunnen worden naar nationaal niveau.
        Er kunnen door allerlei oorzaken regionale verschillen in de absolute getallen
        over mondgezondheid bestaan. Er kan daarentegen wel worden aangenomen dat
        trends, dat wil zeggen relatieve verschillen over de tijd, die in deze plaatsen wor-
        den waargenomen voor het hele land gelden. Waar andere cijfers zijn meegeno-
        men wordt hieraan gerefereerd.
         Epidemiologische trends bij kinderen
        Epidemiologische gegevens over verschillende aspecten van mondgezondheid
        bij de jeugd worden sinds 1987 structureel verzameld in opdracht van het CVZ,
        onder meer om het effect van stelselwijzigingen te kunnen volgen. De belang-
        Samenvatting recente epidemiologische cijfers                                        95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>   rijkste bevindingen van het meest recente tussenmeting van het project Kies voor
   Tanden uitgevoerd in 2009 bij jeugdigen van 9, 15, en 21 jaar,20 worden hier
      Kader 4: Hoe meet men verschillen in cariëservaring tussen verschil-
      lende groepen?
      Om de klinische verschijnselen van mondziekten te kwantificeren is een
      aantal indices ontwikkeld. De bekendste index voor het meten van de geac-
      cumuleerde schade door cariës is de DMFT of DMFS index. Deze index is
      de optelsom van het aantal aangetaste, ontbrekende, en gevulde tanden of
      tandvlakken (Decayed Missing Filled Teeth/Surfaces). Deze methode wordt
      al decennialang veel gebruikt in het epidemiologisch onderzoek op internati-
      onaal niveau. Er zijn verschillende aanpassingen van de index voor verschil-
      lende doeleinden. De validiteit van al deze indices is niet optimaal, maar de
      DMF blijft de beste beschikbare en meest gebruikte methode om de cariës-
      ervaring tussen groepen te vergelijken. De index is bedoeld om groepen
      mensen met elkaar te vergelijken en niet voor diagnostiek op individueel
      niveau. De index zegt vooral iets over de cumulatieve schade door cariës en
      niet over het pathologische proces op het moment van meten; de mate van
      cariësactiviteit kan immers niet met het blote oog worden waargenomen.
      Toch wordt aangehouden dat het voorkomen van veel cariëservaring de
      beste voorspeller is voor nieuwe en voortgaande ziekte. Een laatste onvolko-
      menheid van de index is dat wordt aangenomen dat alle ontbrekende ele-
      menten ten gevolge van cariës verloren zijn gegaan, terwijl er een aantal
      andere oorzaken kan zijn.
   samengevat, samen met de hoofdpunten uit de recent verschenen meta-analyse
   van epidemiologische cariësonderzoeken bij Nederlandse kinderen van 5-6 en
   11-12 jaar.25,89 Het onderzoek uit 2009 is het eerste dat is uitgevoerd na de stel-
   selwijziging van 2006, waar het onderscheid tussen particulier en ziekenfonds-
   verzekerde jeugdigen wegviel. Om trends in de periode 1990-2009 te kunnen
   beschrijven is het onderzoek gestratificeerd naar sociaaleconomische status
   (SES) in plaats van naar type verzekerde. Het onderzoek bestond uit een klinisch
   deel en een vragenlijst. De belangrijkste conclusies volgen hieronder.
96 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>Cariës
•    Cariës is nog steeds een veelvoorkomende aandoening bij jeugdigen. Van de
     9-jarigen die in 2009 meededen aan Kies voor tanden heeft ongeveer de helft
     cariës in het melkgebit en een vijfde in het blijvende gebit, van de 15-jarigen
     heeft ongeveer de helft cariëservaring in het blijvende gebit, en van de 21-
     jarigen meer dan drie kwart.
•    Er is een aanzienlijk verschil in mate van cariëservaring tussen jeugdigen met
     een lage SES en jeugdigen met een hoge SES (tabel 3).
•    In de periode 1990-2009 is het aantal 20-jarigen met een gaaf gebit toegeno-
     men. Bij de groep jeugdigen met een lage SES is ook het aantal 14-jarigen
     met een gaaf gebit toegenomen.
•    Ten opzichte van 2003 zijn er in 2009 geen grote verschillen waarneembaar
     in de mate van cariëservaring bij jeugdigen. De trends die waarneembaar
     zijn, zijn positief: zowel de 9-jarigen als de 15-jarigen hebben minder cariës-
     ervaring. Bij de 21-jarigen is er geen verschil.
•    De trend in cariëservaring bij jonge kinderen is vooralsnog onduidelijk. Uit
     de laatste meting die is uitgevoerd bij jonge ziekenfondsverzekerde kinderen
     in de vier bovengenoemde gemeenten in 2005 bleek een lichte tendens tot
     verslechtering. Het aantal 5-jarige ziekenfondsverzekerden met een cariësvrij
     melkgebit was in 1992 55%, in 1999 51%, en in 2005 44%. De conclusie van
     de meta-analyse van cariësonderzoeken bij 6-jarigen tussen 1980-2009 is
     echter dat de cariësprevalentie sinds medio jaren ’80 niet significant is veran-
     derd. Een oorzaak voor deze discrepantie zou de achtergrond van de kinderen
     in de verschillende onderzoeken kunnen zijn. Het volgende onderzoeksrap-
     port van Kies voor Tanden waarin jonge kinderen worden meegenomen zal
     in 2012 verschijnen. Hopelijk zal dit rapport uitsluitsel geven over de stand
     van zaken.
Tabel 3 Cariëservaring bij jeugdigen met lage en hoge SES. Alle verschillen zijn statistisch signifi-
cant.
Leeftijd                                     Lage SES                   Hoge SES
% met gaaf gebit
9-jarigen, melkgebit                         39%                        53%
9-jarigen, blijvend gebit                    77%                        85%
15-jarigen                                   42%                        53%
21-jarigen                                   15%                        23%
DMFS score
9-jarigen, dmfs (melkgebit)                  4,3                        2,5
9-jarigen, DMFS                              0,6                        0,3
Samenvatting recente epidemiologische cijfers                                                         97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   15-jarigen                              2,6                     1,7
   21-jarigen                              8,5                     5,5
   Gebitsslijtage
   •    De prevalentie van niet-fysiologische gebitsslijtage bij jeugdigen, dat wil
        zeggen een zodanig ernstige mate van glazuurverlies dat het dentine zicht-
        baar is, is in de afgelopen 10 jaar fors toegenomen. In 2003 was bij een op de
        tien 21-jarigen sprake van niet-fysiologische slijtage, in 2009 bij een op de
        drie. Er werd in het TNO-onderzoek geen verband gevonden met SES. In een
        longitudinaal onderzoek bij jonge adolescenten uit Oss is het verloop en de
        etiologie van erosie bestudeerd.21 Bij aanvang van het onderzoek waren de
        kinderen gemiddeld 11,8 jaar en zij werden drie jaar lang gevolgd. In het
        begin van het onderzoek werd er bij 1,8% van de kinderen slijtage tot diep in
        het glazuur of in het dentine gevonden, na drie jaar was het percentage geste-
        gen tot 23,8%. Er zijn verbanden tussen erosieve slijtage bij jeugdigen en eet-
        en drinkpatronen, maar de etiologie is complex en er spelen meerdere facto-
        ren mee.21,22
   Orthodontische behandelingen
   •    Het aantal jeugdigen dat een orthodontische behandeling ondergaat is in de
        afgelopen twintig jaar sterk toegenomen. Aan het einde van de jaren ’80 had
        slechts 20% van de jongvolwassenen een beugel gehad, aan het einde van de
        jaren ’90 was dit gestegen tot rond de 40%, en in 2009 hadden 50% van de
        laagopgeleide jongeren van 21 jaar en 64% van de hoogopgeleide jongeren
        van 21 jaar een beugel gehad. Het lijkt erop dat de criteria voor het ondergaan
        van een orthodontische behandeling in de afgelopen twintig jaar zijn veran-
        derd.
   Tandartsbezoek
   •    Het tandartsbezoek bij de jeugdigen uit de onderzoekspopulatie is hoog: voor
        alle groepen geldt dat meer dan 90% minimaal een keer per jaar voor perio-
        diek mondonderzoek naar de tandarts gaat (9-jarigen 97-99%, 15-jarigen
        95%, 21-jarigen 91-92%). Er is geen onderscheid naar SES. Uit gegevens
        van het CBS blijkt dat het percentage jongeren dat in het afgelopen jaar naar
        de tandarts is geweest al twintig jaar stabiel is en tussen 80-85% ligt. Daarbij
98 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>    zijn ook de kinderen van 0-2 meegerekend, die in principe nog niet naar de
    tandarts gaan.
Angst
•   3-13% van de jeugdigen is bang voor de tandarts.
Mondhygiëne en gedrag
Voor het TNO-onderzoek is nagegaan in hoeverre de respondenten voldeden aan
de adviezen van het Ivoren Kruis over mondhygiënisch gedrag en voedingge-
woontes. De huidige inzichten over preventie tegen cariës benadrukken het
belang van poetsen met fluoridetandpasta vanaf de doorbraak van de eerste tand,
en het beperken van het aantal eetmomenten per dag. De belangrijkste conclusies
waren als volgt, wanneer er twee percentages gegeven zijn is de eerste voor de
lage SES groep en de tweede voor de hoge SES groep:
• 77-82% van de 9-jarigen, 72-78% van de 15-jarigen en 61-70% van de 21-
    jarigen poetst de tanden tweemaal daags.
• ruim 60% van de 9-jarigen heeft matig tot veel plaque op het gebit. Voor de
    15-jarigen is dit ruim 25% en voor 21-jarigen ruim 20%. Er is net zoals bij
    poetsfrequentie een verband met SES. Jongere kinderen hebben dus een min-
    der goede mondhygiëne dan oudere kinderen.
• Negen op tien 9-jarigen heeft maximaal zeven eet- of drinkmomenten per
    dag en voldoet daarmee aan het voedingsadvies van het Ivoren Kruis. Van de
    15-jarigen en 21-jarigen heeft slechts een derde minder dan acht eet- of
    drinkmomenten.
Epidemiologische trends bij volwassenen
Om het effect van stelselwijzigingen bij te houden heeft het CVZ in 1983, 1995,
2002 en 2007 onderzoek naar de mondgezondheid van volwassenen laten uitvoe-
ren in Den Bosch. Hier zijn de conclusies van het onderzoeksrapport Mondge-
zondheid volwassenen die voor dit rapport relevant zijn samengevat.25 De
onderzoekspopulatie was in 2007 tussen de 25-74 jaar oud. Een aantal resultaten
kond worden vergeleken met de resultaten uit 2002 om trends te duiden. De niet-
respondenten van het onderzoek weken enigszins af van de respondenten; zij
waren vaker mannelijk, laagopgeleid en allochtoon. Daarom geven de resultaten
mogelijk een iets te positief beeld.
Samenvatting recente epidemiologische cijfers                                   99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>    Tandeloosheid
    •  De natuurlijke gebitselementen blijven steeds langer behouden: in 1981 was
       32% van de bevolking boven de 16 jaar edentaat, dat wil zeggen geheel zon-
       der eigen tanden en kiezen, in 2009 was dit nog slechts 12%. Sinds 2000 is de
       daling van het aantal mensen met een kunstgebit aan het afvlakken. De meer-
       derheid (acht van de tien) van de edentaten die deelnamen aan het CVZ-
       onderzoek was boven de 55 jaar oud.
    Cariëservaring en gebitstoestand
    •  Als men naar de globale gebitstoestand kijkt, blijkt dat jongere volwassenen
       vaker alleen eigen tanden en kiezen hebben dan oudere volwassenen. Vrijwel
       alle volwassenen hebben enige cariëservaring. De jongere leeftijdscatego-
       rieën hebben een betere gebitstoestand gemeten in aantal gave gebitten, aan-
       tal ontbrekende elementen, en DMF-index, dan de oudere groepen.
    •  Er is een duidelijk verband tussen mondgezondheid en SES. In de jongere
       leeftijdscategorieën hebben hoogopgeleiden minder onbehandelde cariës en
       minder restauraties dan laagopgeleiden, in de oudere leeftijdscategorieën
       hebben zij minder geëxtraheerde elementen en meer restauraties. Ook hebben
       hoogopgeleiden minder vaak een volledig kunstgebit.
    •  Als de resultaten van 25-54 jarige ex-ziekenfondsverzekerden uit 2007 wor-
       den vergeleken met de resultaten van 25-54 jarige ziekenfondsverzekerden
       uit 2002 blijkt dat de gemiddelde gebitstoestand voor alle leeftijdsgroepen
       verbeterd is. De DMF-score is voor alle groepen lager, dat wil zeggen dat het
       aantal aangetaste of ontbrekende elementen gedaald is. Hierbij moet aangete-
       kend worden dat deze daling niet geconstateerd is bij het kleine aantal men-
       sen dat niet aanvullend verzekerd was.
    Parodontitis
    •  6-17% heeft een of meer verdiepte pockets, een symptoom van parodontitis.
       De incidentie neemt toe met de leeftijd.
    Klachten
    •  Drie kwart van de respondenten uit het onderzoek onder dentaten had in het
       voorafgaande jaar problemen met de mondgezondheid. De klachten die het
       meest genoemd werden, waren verkleuringen (27%), gaatjes (25%), tand-
100 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>    vleesproblemen (24%), loszittende of gebroken elementen (22%), en proble-
    men bij eten en drinken (17%). 68% had ooit pijn aan het gebit gehad.
    Leeftijd houdt opvallend genoeg geen verband met klachten. Er is geen ver-
    schil tussen de leeftijdsgroepen, noch wat betreft het aantal klachten, noch
    wat betreft het klachtenpatroon en ook niet wat betreft de tevredenheid over
    het gebit.
•   Ongeveer een kwart van de respondenten heeft kaakgewrichts- of kauwspier-
    klachten en ongeveer de helft van deze groep ervaart deze klachten als hin-
    derlijk.
•   Opleidingsniveau houdt geen verband met het aantal klachten. Wel hebben
    laagopgeleiden een negatiever beeld van hun eigen mondgezondheid dan
    hoogopgeleiden.
Tandartsbezoek
•   De meerderheid van de dentate respondenten (87%) was in het afgelopen jaar
    bij de tandarts geweest. Ook de cijfers van het CBS laten zien dat het tand-
    artsbezoek bij volwassenen voortdurend hoog is, in het onderzoeksjaar 2007
    was 87% van de dentate volwassenen tussen de 20-65 jaar in het afgelopen
    jaar bij de tandarts geweest. Voor de dentate 65+’ers was dit 80%.
Mondhygiënisch gedrag
Bij het vragenlijstonderzoek voor Mondgezondheid volwassenen is het mondhy-
giënisch gedrag geïnventariseerd om een indruk te krijgen hoe groot de belang-
stelling voor de mondgezondheid bij volwassenen is. Zelfgerapporteerd
mondhygiënisch gedrag houdt niet noodzakelijkerwijs verband met klinische uit-
komsten zoals aanwezigheid van plaque.
• 80% van de volwassenen poetst de tanden minstens tweemaal per dag, onge-
    veer 18% poetst eenmaal per dag en 3% poetst niet dagelijks. Vrouwen poet-
    sen vaker twee keer per dag dan mannen en hoogopgeleiden vaker dan
    laagopgeleiden.
• Een derde van de dentate respondenten gebruikt dagelijks interdentale reini-
    gingsmiddelen, de helft gebruikt ze wel, maar niet dagelijks en een vijfde
    gebruikt ze nooit. De jongste leeftijdsgroep gebruikt ze minder dan de oudere
    groepen.
• De jongste leeftijdsgroep eet vaker tussendoortjes dan de oudere leeftijds-
    groepen. Dit resultaat sluit aan bij de bevinding dat jeugdigen vaak meer dan
    zeven eetmomenten per dag hebben.
Samenvatting recente epidemiologische cijfers                                     101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    Angst
    •   19% van de volwassenen is bang voor de tandarts. Dit percentage lijkt stabiel
        te blijven, in 1990 was 22% bang voor de tandarts.
    Kanker
    •   De incidentie van mond- en keelkanker is in Nederland ongeveer 1.600
        gevallen per jaar (waarvan ongeveer 200 lip-, 850 mond- en 550 keelkanker).
    Epidemiologische trends bij ouderen
    Hoewel er niet specifiek epidemiologisch onderzoek gedaan is naar de mondge-
    zondheid van ouderen, geeft een aantal gegevens inzage in ontwikkelingen in de
    groep ouderen van 55-75 jaar.24,25
    • Het aantal edentate ouderen is in de afgelopen dertig jaar sterk afgenomen. In
        1981 had 78% van de ouderen boven de 65 een kunstgebit, en 54% van de
        volwassenen tussen de 45-65 jaar. In 2009 had 41% van de 65-plussers een
        volledig kunstgebit en slechts 12% van de 45-65 jarigen.
    Van de deelnemers aan het TNO-onderzoek van 2007 die tussen de 55-75 jaar
    oud waren en niet edentaat heeft de helft een prothese of brug in de bovenkaak en
    een kwart een prothese of brug in de onderkaak. Deze mensen zijn ongeveer 9
    gebitselementen kwijtgeraakt, voor het grootste deel aan de gevolgen van cariës.
    Zij hebben gemiddeld nog 19 gave of gerestaureerde elementen.
102 De mondzorg van morgen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>