<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Werken met nanodeeltjes:
blootstellingsregistratie en
gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Onderwerp             : aanbieding advies Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en
                        gezondheidsbewaking
Uw kenmerk : G&VW/GW/2009/18420
Ons kenmerk : I-254/JR/fs/818-J1
Bijlagen              :1
Datum                 : 13 december 2012
Geachte minister,
Graag bied ik u hierbij het advies Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en
gezondheidsbewaking aan. Om u te adviseren heeft een commissie van deskundigen zich
gebogen over de mogelijkheden van een registratie en bewakingssysteem vanuit weten-
schappelijk perspectief. Ik onderschrijf de conclusies en aanbevelingen van de commissie.
Nadat de commissie het conceptadvies had opgesteld, is dit getoetst binnen de Beraads-
groep Gezondheid en omgeving. Daarnaast zijn er twee andere beraadslagingen geweest
waarbij inhoudelijk commentaar gegeven kon worden. De eerste was een werkconferentie
waaraan op uitnodiging van de commissie een groep van Nederlandse (ervarings)deskundi-
gen uit het bedrijfsleven, de onderzoekswereld en arbogerelateerde organisaties deelnam.
De tweede was een openbare schriftelijke commentaarronde onder belangstellenden in bin-
nen- en buitenland. De commissie heeft de commentaren betrokken bij het opstellen van het
definitieve advies.
De nanowetenschap en -technologie en daarmee ook de kennis over de mogelijke gezond-
heidsrisico’s die het gebruik van synthetische nanodeeltjes met zich meebrengt, is erg in
beweging en veel is nog onbekend. De commissie ziet dit advies dan ook als een moment-
opname en verwacht dat met de huidige voortzetting van de ontwikkelingen de commissie
wellicht over een aantal jaren anders zou adviseren.
In het voorliggende advies geeft de commissie de contouren weer van een blootstellingsre-
gistratie en een passieve medische surveillance (gezondheidsbewaking). Hiermee kunnen
gegevens worden gegenereerd die nodig zijn om te weten te komen of er een verband
Bezoekadres                                                           Postadres
Parnassusplein 5                                                      Postbus 16052
2 5 11 V X D e n        Haag                                          2500 BB Den      Haag
E - m a il : jo l a n d a . r i jn k e l s @g r. n l                  w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 6 3 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Onderwerp             : aanbieding advies Werken met nanodeeltjes: blootstel-
                        lingsregistratie en gezondheidsbewaking
Uw kenmerk : G&VW/GW/2009/18420
Pagina                :2
Datum                 : 13 december 2012
bestaat tussen beroepsmatige blootstelling aan synthetische nanodeeltjes en ziekten dan wel
dat zo’n verband kan worden weerlegd. Die gegevens zijn noodzakelijk om een preciezere
inschatting van de gezondheidsrisico’s te kunnen maken en te besluiten over de noodzaak
tot verdere voortzetting of aanpassing van de systemen. Daarnaast pleit de commissie
ervoor snel meer gericht onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen (op korte en lange
termijn) van beroepsmatige blootstelling aan synthetische nanodeeltjes.
Om een blootstellingsregistratie succesvol op te zetten, dienen belanghebbende partijen
afwegingen te maken over essentiële zaken. Behalve de inzet, gaat het om de traceerbaar-
heid van synthetische nanodeeltjes in nanomaterialen, het verschaffen van informatie over
de eigenschappen van die deeltjes en om de bewustwording dat op het werk materialen wor-
den gehanteerd waarin synthetische nanodeeltjes zijn verwerkt. Daarbij is zorgvuldige en
transparante communicatie nodig voor werkgevers en werknemers over de onzekere risico’s
van beroepsmatige blootstelling aan deze nanodeeltjes.
Ik heb dit advies vandaag ook ter kennisname toegezonden aan de minister van Volksge-
zondheid, Welzijn en Sport en de minister van Infrastructuur en Milieu.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. W.A. van Gool
voorzitter
Bezoekadres                                                           Postadres
Parnassusplein 5                                                      Postbus 16052
2 5 11 V X D e n        Haag                                          2500 BB Den     Haag
E - m a il : jo l a n d a . r i jn k e l s @g r. n l                  w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 6 6 3 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Werken met nanodeeltjes:
blootstellingsregistratie en
gezondheidsbewaking
aan:
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Nr. 2012/31, Den Haag, 13 december 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-
(zorg)onderzoek’ (art. 22 Gezondheidswet).
     De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn & Sport; Infrastructuur & Milieu; Sociale Zaken
& Werkgelegenheid; Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur & Wetenschap.
De raad kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen, en ontwikkelingen of
trends signaleren die van belang zijn voor het overheidsbeleid.
     De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel
opgesteld door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel
benoemde – Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                 for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                 adviesorganen.
                De Gezondheidsraad is lid van het International Network of Agencies for Health
                Technology Assessment (INAHTA), een internationaal samenwerkingsverband
                van organisaties die zich bezig houden met health technology assessment.
  I NA HTA
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezond-
heidsbewaking. Den Haag: Gezondheidsraad, 2012; publicatienr. 2012/31.
auteursrecht voorbehouden
ISBN: 978-90-5549-925-0
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>   Inhoud
   Samenvatting 11
   Inleiding 19
.1 Achtergrond 19
.2 Vraagstelling 20
.3 Commissie en werkwijze 20
.4 Afbakening 21
.5 Opzet van dit advies 22
   Nanodeeltjes op de werkplek 23
.1 Nanodeeltjes en nanomaterialen 24
.2 Diversiteit van nanodeeltjes 25
.3 Toepassingen 26
.4 Beroepsbevolking 27
.5 Is werken met nanodeeltjes schadelijk voor de gezondheid? 29
.6 Een veilige en gezonde werkplek 36
.7 Evaluatie en conclusie 41
   Blootstellingsregistratie 43
.1 Waarom de blootstelling registreren? 43
.2 Wanneer registreren? 44
.3 Voorbeelden van bestaande registraties 45
   Inhoud                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre> .4 Welke gegevens zijn minimaal nodig
    om de gezondheidsrisico’s in kaart te kunnen brengen? 47
 .5 Randvoorwaarden voor implementatie 56
 .6 Aansluiting op of implementatie met bestaande registratiesystemen 57
 .7 Dient voor de registratie onderscheid gemaakt te
    worden tussen categorieën nanodeeltjes? 58
 .8 Risicogroepen 58
 .9 Evaluatie en conclusie 59
    Systemen van gezondheidsbewaking en early warning 61
 .1 Screening 61
 .2 Gezondheidsmonitoring 64
 .3 Medische surveillance 65
 .4 Epidemiologisch onderzoek als onderdeel van early warning 69
 .5 Risicogroepen 70
 .6 Evaluatie en conclusie 70
    Overwegingen en antwoorden aan de minister 73
 .1 Overwegingen 73
 .2 Beantwoording van de vragen van de minister 75
    Literatuur 79
    Bijlagen 95
A   De adviesaanvraag 97
B   De commissie 101
C   Werkconferentie 103
D   Ontvangen commentaren op het openbare conceptadvies 105
E   Voluntary Reporting Scheme (Defra, UK) 107
F   Voluntary Nanoscale Materials Stewardship Program (US EPA) 111
G   Nanospecifiek individueel bloot-stellingsformulier (CEA, Frankrijk) 115
H   Formulier blootstellingscenario’s (NANEX-WP2, EU) 117
    Procesgegevens voor nanomaterialen in de literatuur 123
    Monitoring en meettechnieken 127
K   Overzicht van te registreren gegevens 131
 0  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Nanodeeltjes zijn minieme stukjes materiaal met fysische grenzen die tussen de
1 en 100 nanometer liggen.* Dat werknemers bloot kunnen staan aan zulke
minuscule deeltjes is niet nieuw. Bij bijvoorbeeld laswerkzaamheden of verbran-
ding van diesel in motoren komen onbedoeld deeltjes in de lucht terecht die zo
klein kunnen zijn (werkproces gegenereerde nanodeeltjes). Wat wel nieuw is, is
dat sinds kort de mens in staat is om minieme stukjes materiaal met gedefini-
eerde fysische grenzen samen te stellen en te produceren. Deze doelbewust
gesynthetiseerde nanodeeltjes (in het Engels aangeduid als engineered of manu-
factured nanoparticles) vertonen specifieke fysische en chemische eigenschap-
pen, die nieuwe toepassingmogelijkheden bieden. Dit advies handelt over deze
doelbewust gesynthetiseerde nanodeeltjes, in de tekst kortweg aangeduid als
nanodeeltjes.
     De nanospecifieke eigenschappen leiden tot de vraag of nanodeeltjes schade-
lijker kunnen zijn voor de gezondheid van de mens en het milieu, dan dezelfde
stoffen bij grotere afmetingen. Aangaande de arbeidssituatie baart deze vraag de
minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zorgen, omdat dit weleens zou
kunnen betekenen dat de ingezette beheersmaatregelen voor de reguliere stoffen
onvoldoende zijn om de gezondheid van werknemers te beschermen. De minister
vraagt de Gezondheidsraad welke mogelijkheden er zijn voor een blootstellings-
registratie zodat een verband kan worden gelegd met (eventueel later) optre-
Zie de EU-definitie voor nanodeeltjes en nanomaterialen (paragraaf 2.1).
Samenvatting                                                                     11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>  dende gezondheidseffecten door beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes,
  dan wel dat een dergelijk verband kan worden uitgesloten. Ook wil hij weten in
  hoeverre het mogelijk en zinvol is om een systeem van gezondheidsbewaking en/
  of early warning in te zetten. Een speciaal hiervoor benoemde commissie van de
  Gezondheidsraad heeft zich over deze vragen gebogen en dit advies opgesteld.
  Steeds meer werknemers hanteren producten waarin nanodeeltjes zijn
  verwerkt
  Er verschijnen op de markt steeds meer producten waarin nanodeeltjes zijn ver-
  werkt: textiel met antimicrobiële werking; zelfreinigende ruiten; versterkte auto-
  banden; verfproducten; kleinere elektronica. Deze nanodeeltjes hebben allerlei
  samenstellingen (koolstof, metalen(oxiden)) en vormen (bolletjes, vezels).
      Waarschijnlijk neemt het aantal producten met nanodeeltjes de komende
  jaren alleen maar toe. Dit betekent ook dat steeds meer werknemers uit allerlei
  industriesectoren in de gehele gebruiksketen in contact kunnen komen met deze
  nanodeeltjes, van onderzoek en ontwikkeling, vervaardiging en productie tot
  gebruik, afvalverwerking en recycling. Op basis van een kleine steekproef is
  geschat dat momenteel ongeveer drieduizend mensen in Nederland beroepsmatig
  kunnen worden blootgesteld aan nanodeeltjes. Waarschijnlijk is dit een onder-
  schatting, want lang niet iedereen is zich ervan bewust dat hij of zij met nanoma-
  terialen werkt. Ook zijn de beschikbare steekproeven vaak beperkt tot een deel
  van de gebruiksketen.
  Er zijn oprecht zorgen dat blootstelling aan nanodeeltjes schadelijk kan
  zijn voor de gezondheid van de mens, maar direct bewijs is er niet
  Er zijn oprecht zorgen dat (beroepsmatige) blootstelling aan nanodeeltjes schade-
  lijker kan zijn voor de gezondheid van de mens dan de dezelfde stoffen met een
  grotere diemensie. De zorgen komen voort uit dierexperimenten met een beperkt
  aantal typen nanodeeltjes en uit de kennis die is opgedaan met deeltjes en vezels
  met vergelijkbare afmetingen als nanodeeltjes, maar die van nature of onbedoeld
  door menselijke activiteiten zijn ontstaan. Sommige onderzoekers verwachten
  dat er effecten op hart en luchtwegen kunnen gaan optreden. Veel is echter nog
  onbekend en onder mensen die werken met nanomaterialen is nog geen systema-
  tisch onderzoek gedaan. Waarschijnlijk kost het nog vele jaren voordat met
  gericht epidemiologisch en toxicologisch onderzoek een verband tussen gezond-
  heidseffecten en blootstelling aan de vele typen nanodeeltjes kan worden aange-
  toond of uitgesloten. Gegeven de onzekerheid zijn er voldoende redenen om op
2 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>de werkplek alert te zijn en voorzichtig om te gaan met deze deeltjes en de mate-
rialen waarin ze zijn verwerkt.
Een blootstellingsregistratie is zinvol
Vanwege de zorgen en gebrek aan kennis vindt de Gezondheidsraad het zinvol
om een blootstellingsregistratie op te zetten. Gegevens uit de registratie kunnen
een waardevolle bron zijn bij het in kaart brengen van gezondheidsrisico’s.
Wanneer registreren?
Zo’n blootstellingsregistratie zou ingezet moeten worden voor alle onoplosbare
en slecht in water oplosbare nanodeeltjes. Hetzelfde geldt voor alle vaste materi-
alen waarin nanodeeltjes zijn verwerkt. Als deze materialen in goede staat zijn
zullen er nauwelijks nanodeeltjes uit vrij komen. Bij slijtage en handelingen als
boren en schuren, is echter niet uit te sluiten dat er alsnog nanodeeltjes vrijko-
men. Aan nanodeeltjes die bij contact met water of waterig milieu direct uiteen-
vallen of oplossen waardoor ze niet meer voldoen aan de EU-definitie van
nanomaterialen zou de commissie minder prioriteit willen geven. Aangenomen
wordt dat deze deeltjes in biologische systemen oplossen en zich niet anders
gedragen dan reguliere stoffen en daarmee niet de specifieke toxiciteit van nano-
deeltjes vertonen. In de risicoanalyse kunnen ze op dezelfde wijze worden bena-
derd als de andere stoffen.
    Inzichten in mogelijke gezondheidseffecten van nanodeeltjes worden het
eerste verkregen in arbeidssituaties waarin blootstelling frequent voorkomt. De
blootstellingregistratie is daarom bedoeld voor alle bedrijven en instellingen
waarvan duidelijk is dat de werknemers herhaaldelijk en op gezette tijden bloot
kunnen staan aan nanodeeltjes. Incidenteel gebruik en ongevallen horen daar wat
de commissie betreft niet bij.
Hoe zou geregistreerd moeten worden?
Het doel van de registratie is om verbanden te kunnen leggen tussen blootstelling
en gezondheidseffecten, of deze te weerleggen. Daarvoor moet bepaald worden
of en waar blootstelling heeft plaatsgevonden en om welke nanodeeltjes het ging.
Dit laatste is belangrijk omdat de potentie van nanodeeltjes om schade te veroor-
zaken afhangt van de chemische en fysische eigenschappen. Om vast te kunnen
stellen of er überhaupt blootstelling is geweest zijn gegevens nodig om te beoor-
delen of er kans is geweest op emissie en blootstelling. Daarnaast bepalen de
Samenvatting                                                                       13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>  hoogte en duur van de blootstelling of iemand gezondheidsschade oploopt. Dus
  ook gegevens over de blootstellingsconcentraties op de werkplek zijn nodig. Ten
  aanzien van dat laatste zijn er nog een aantal vragen over de mogelijkheden en
  betrouwbaarheid van meetinstrumenten die nog opgelost moeten worden, waar-
  onder de vraag wat de beste blootstellingsmaat voor nanodeeltjes is. Maar met de
  huidige beschikbare instrumenten kunnen in de meeste situaties redelijke
  inschattingen van de blootstellingconcentraties worden gemaakt. De drie soorten
  aan gegevens – chemische en fysische eigenschappen, determinanten van emis-
  sie en blootstelling, en blootstellingsconcentraties – geven de contouren aan van
  een goede blootstellingsregistratie.
      Voor een goede registratie acht de commissie het voldoende dat de gegevens
  op bedrijfsniveau worden aangeleverd, dus niet op het niveau van de individuele
  werknemer, en dat bij verandering van de werksituatie de registratie wordt geac-
  tualiseerd. Zodra meer kennis is verworven over de mogelijke schadelijke gevol-
  gen kan dan binnen een bedrijf via personeelsdossiers worden nagegaan wie
  blootgesteld is (geweest) en dus wie mogelijk een risico heeft gelopen. Daarbij
  veronderstelt de commissie dat in de personeelsdossiers goed wordt bijgehouden
  welke functies de individuele werknemer binnen het bedrijf heeft vervuld.
      Voor een zinvolle registratie is het belangrijk dat zoveel mogelijk bedrijven
  en instellingen waar gewerkt wordt met nanomaterialen meedoen. Registratie
  dient op een uniforme en systematische manier te gebeuren. Ze kan dan ook het
  beste centraal worden beheerd zodat gegevens makkelijker op volledigheid
  gecontroleerd kunnen worden en worden samengevoegd.
      De minister vroeg of de blootstellingsregistratie kan aansluiten bij bestaande
  registraties. Binnen Nederland zijn er bijvoorbeeld de Risico Inventarisatie &
  Evaluatie (RI&E) en geldt de Europese REACH-regelgeving. In beide gevallen
  worden gegevens opgenomen die de commissie ook nodig acht voor de blootstel-
  lingsregistratie, maar de overlap aan gegevens is klein. Dit komt omdat RI&E en
  REACH met andere doelen zijn opgezet. Kortom de commissie vindt dat er wei-
  nig aansluitingsmogelijkheden zijn, maar een deel van de gegevens uit de syste-
  men kunnen zonder meer gebruikt worden voor de blootstellingregistratie.
  Beleidsafwegingen bij een blootstellingsregistratie
  De commissie benadrukt dat er zaken buiten het werkterrein van de Gezond-
  heidsraad vallen die het welslagen van een registratie in de weg kunnen staan.
  Behalve dat een aantal meetinstrumenten zich nog in de testfase bevinden en nog
  niet van alle nanodeeltjes de fysische en chemische eigenschappen bekend zijn,
  kan bijvoorbeeld de bereidheid van werkgevers om gegevens aan te dragen in het
4 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>geding komen door zaken als (intellectuele) eigendomsrechten en de uitgebreide
set aan gegevens die verzameld moet worden (afgezet tegen het productie- en
gebruiksvolume). Daarnaast zal geïnvesteerd moeten worden in een betere
bewustwording van werkgevers en werknemers, omdat op lang niet alle produc-
ten vermeld is dat er nanodeeltjes in zijn verwerkt en om welke nanodeeltjes het
gaat. Ook zal geïnvesteerd moeten worden in een goede communicatie over hoe
tegen de onzekere risico’s bij het werken met nanodeeltjes moet worden aange-
keken. Over dit soort zaken zullen stakeholders (beleidsmakers, werkgevers,
werknemers) in gesprek moeten gaan en beslissingen nemen.
Medische surveillance zou kunnen worden ingezet als een systeem van
gezondheidsbewaking
Gezondheidsbewaking is een werkwijze waarmee veranderingen in de gezond-
heidsstatus van individuen of het aantal ziektegevallen in een populatie opge-
spoord kunnen worden. Dit kan op verschillende manieren. Met screening
worden vooraf gekozen gezondheidseffecten opgespoord bij een individu. Bij
gezondheidsmonitoring gebeurt dit op populatieniveau. Medische surveillance
richt zich op een breder scala aan nog onbekende gezondheidseffecten op popu-
latieniveau op continue basis. Gezondheidsbewaking kan worden beschouwd als
een systeem van early warning als daarmee snel vroeg-optredende effecten kun-
nen worden gesignaleerd.
     Welk systeem gekozen wordt, hangt af van de gezondheidseffecten die bij
blootstelling aan nanodeeltjes te verwachten zijn. Als dat – zoals onderzoekers
veronderstellen – effecten op hart en luchtwegen zijn, dan is het de vraag of bij
gezondheidsbewaking alleen naar deze orgaansystemen gekeken zou moeten
worden. Wetenschappelijk gezien zijn daar geen redenen voor, want veel is nog
onbekend en onzeker. Door zich alleen op deze twee orgaansystemen te richten,
kunnen minder vanzelfsprekende (ernstige) effecten in andere organen worden
gemist. Daarbij komt dat respiratoire en cardiovasculaire ziekten frequent voor-
komen in de bevolking en diverse oorzaken kennen, waardoor het moeilijk zal
zijn om geconstateerde afwijkingen bij een individu en (kleine) veranderingen in
incidentie of prevalentie in een populatie met voldoende zekerheid toe te wijzen
aan blootstelling aan nanodeeltjes. Om voorgaande redenen is de commissie er
geen voorstander van om de gezondheidsbewaking te beperken tot de effecten op
hart en luchtwegen. Dit betekent dat zij screening en gezondheidsmonitoring niet
de beste systemen vindt.
     Bij medische surveillance worden alle opties opengehouden wat de te ver-
wachten gezondheidseffecten zijn. Daarom ziet de commissie wel mogelijkhe-
Samenvatting                                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>  den voor medische surveillance. Voorwaarden voor een goede medische
  surveillance zijn dat: de gegevens continu en systematisch worden verzameld; de
  gegevens volledig en betrouwbaar zijn; er een hoge participatiegraad wordt ver-
  wacht; en de surveillance een zo groot mogelijke populatie omvat.
  Implementeren door gebruik te maken van bestaande gezondheidsregis-
  traties: passieve medische surveillance
  In Nederland bestaan registraties voor de beroepsbevolking en de algemene
  bevolking, waarin continu ziektegegevens worden ingevoerd. De commissie
  heeft daarom in de eerste plaats beoordeeld of die registraties al voldoende infor-
  matie kunnen opleveren (passieve surveillance). Ondanks de beperkingen die
  sommige systemen hebben, dekken zij een groot scala aan mogelijke gezond-
  heidseffecten en kunnen ze daardoor samen waardevolle informatie geven op de
  korte en lange termijn. Daarom vindt de commissie het niet zinnig een apart
  medisch surveillancesysteem op te zetten voor nanowerkers (actieve surveil-
  lance). Extra argumenten zijn de hoge kosten van een geheel nieuw systeem,
  zeker als men ze afzet tegen de onzekere gezondheidsrisico’s.
      De commissie benadrukt dat passieve surveillance geen snelle antwoorden
  kan opleveren op de vragen of er gezondheidsrisico’s zijn bij het werken met
  nanodeeltjes en zo ja welke. Samen met doelgericht wetenschappelijk onderzoek
  kan het volgens de commissie wel een waardevolle bijdrage daaraan leveren.
      Een essentiële voorwaarde voor een succesvol gebruik is dat de bestaande
  gezondheidsgegevens gekoppeld moeten kunnen worden met de nieuwe gege-
  vens uit de blootstellingsregistratie. Hoewel geanonimiseerde gegevens vol-
  doende zijn om verbanden te kunnen leggen, zijn die bestanden alleen te
  koppelen via tot individuen te herleiden gegevens. De commissie realiseert zich
  dat persoonsgegevens niet zonder meer geleverd kunnen worden in verband met
  de privacywetgeving. Daarvoor zal eerst toestemming moeten worden gegeven.
  Dit geldt overigens ook voor de andere systemen van gezondheidsbewaking.
  Epidemiologisch onderzoek
  Dit advies gaat expliciet over systemen van early warning bij de mens. Als aan-
  vulling hierop ziet de commissie ook een belangrijke rol voor epidemiologisch
  onderzoek. Epidemiologisch onderzoek kan namelijk waardevolle informatie
  opleveren, omdat het met passieve surveillance wellicht niet lukt om tot betrouw-
  bare uitspraken te komen of er een verband bestaat tussen gezondheidseffecten
  en blootstelling. In feite is het epidemiologisch onderzoek complementair aan de
6 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>medische surveillance en kan het in de toekomst focus in de surveillance aan-
brengen. De commissie beschouwt dus het uitvoeren van epidemiologisch onder-
zoek als een noodzakelijk onderdeel van early warning.
Samenvatting                                                                  17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>8 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre> oofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Achtergrond
          Nanodeeltjes zijn deeltjes met afmetingen van miljoenste millimeters. Met de
          opkomst van de nanowetenschap en nanotechnologieën nemen de fabricage van
          nanodeeltjes en nanomaterialen de laatste jaren een hoge vlucht, en daarmee ook
          het aantal werknemers dat daaraan kan blootstaan. Aan deze doelbewust gesyn-
          thetiseerde nanodeeltjes (in het Engels aangeduid als engineered of manufactu-
          red nanoparticles) worden specifieke fysische en chemische eigenschappen
          toegedicht, die anders zijn dan de eigenschappen van andere stoffen met een-
          zelfde chemische samenstelling.1 De synthetische nanodeeltjes bieden daardoor
          nieuwe of verbeterde toepassingsmogelijkheden in bijvoorbeeld cosmetica, elek-
          tronica, geneesmiddelen, kleding en bouwmaterialen.
              De andere eigenschappen leiden ook tot de vraag of deze doelbewust gesyn-
          thetiseerde nanodeeltjes schadelijker kunnen zijn voor de gezondheid van de
          mens en het milieu dan dezelfde stoffen bij grotere afmetingen. Aangaande de
          arbeidssituatie baart deze vraag de minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-
          heid zorgen, omdat dit zou kunnen betekenen dat de ingezette beheersmaatrege-
          len voor de stoffen in ‘niet-nanovorm’ onvoldoende zijn om de gezondheid van
          werknemers te beschermen. In 2008 adviseerde de Sociaal-Economische Raad
          hem om – in aansluiting op de bestaande wet- en regelgeving – werkgevers en
          werknemers uit voorzorg alle mogelijke maatregelen te laten nemen om de bloot-
          stelling aan gesynthetiseerde nanodeeltjes op de werkplek zo laag mogelijk te
          Inleiding                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    houden.2 Daarnaast meldde de Sociaal-Economische Raad dat er in het arboveld
    behoefte was aan een blootstellingsregistratiesysteem en gezondheidsbewakings-
    systeem en/of early warning. Deze twee punten waren voor de minister redenen
    om zich te richten tot de Gezondheidsraad.
1.2 Vraagstelling
    In september 2009 ontving de raad een brief waarin de minister verzocht hem te
    adviseren over een gezondheidsbewakingssysteem en blootstellingsregistratie
    voor beroepsmatige blootstelling aan gesynthetiseerde nanodeeltjes. De volle-
    dige tekst van het verzoek is te lezen in bijlage A. De twee hoofdvragen zijn in
    het verzoek als volgt verwoord:
    1 Hoe moet een registratie van beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes
        (minimaal) worden ingericht, zodat een verband kan worden gelegd met
        (eventueel later) optredende gezondheidseffecten (dan wel een dergelijk ver-
        band kan worden uitgesloten)?
    2 In hoeverre is het mogelijk en zinvol om bij het werken met nanodeeltjes
        gezondheidsbewaking en/of een early warning systeem in te zetten? Aan
        welke voorwaarden zou een dergelijk systeem moeten voldoen om goed te
        kunnen functioneren?
    Daarnaast vraagt de minister de raad om in te gaan op specifieke deelonderwer-
    pen, zoals de te registreren eigenschappen van de nanodeeltjes, risicogroepen
    onder werknemers, de te verwachten gezondheidseffecten, aansluitingsmogelijk-
    heden bij bestaande registraties, en internationale ontwikkelingen.
1.3 Commissie en werkwijze
    Voor het opstellen van het advies heeft de voorzitter van de Gezondheidsraad in
    december 2010 de Commissie ‘Omgaan met nanodeeltjes op de werkplek’ inge-
    steld, hierna verder aangeduid als de commissie. De samenstelling van de com-
    missie is vermeld in bijlage B van dit advies.
    De Gezondheidsraad heeft eerder over verwante vragen geadviseerd. In 2011
    verscheen een signalement waarin de toenemende hoeveelheid nanomaterialen in
    afval onder de aandacht wordt gebracht, evenals de mogelijke risico’s hiervan
    voor de volksgezondheid.3 Eerder al adviseerde de raad over de betekenis van
    nanotechnologieën voor de gezondheid.1
 0  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>         Buiten de Gezondheidsraad zijn er in het arboveld allerlei activiteiten gaande
    voor het inventariseren en beheersen van beroepsmatige blootstelling aan nano-
    deeltjes. In Nederland heeft het RIVM advies uitgebracht over nano-referentie-
    waarden. Er is een nanospecifieke module van Stoffenmanager ontwikkeld door
    TNO, ArboUnie en BECO. Diverse gremia zijn bezig met nanospecifieke control
    banding methodieken*. En TNO inventariseert op dit moment de toepassingen,
    de industrieën en het aantal potentieel blootgestelde werknemers. Ook in het bui-
    tenland lopen allerlei projecten zoals de Nanosafety Cluster projecten van de
    Europese Unie en projecten van het Nanoparticle Occupational Safety and
    Health Consortium van de Britse Health & Safety Executive (HSE) en de Ameri-
    kaanse National Institute for Occupational Safety and Health (NIOSH).
         Voor dit advies heeft de commissie gebruik gemaakt van de publicaties van
    bovengenoemde instellingen. Daarnaast baseert zij zich op medisch- en toxicolo-
    gisch-wetenschappelijke literatuur. In Medline en Toxline is gezocht op termen
    als risk assessment, nanoparticle*, toxicology, health surveillance, screening,
    industrial hygiene, occupational safety en de Engelse benamingen voor diverse
    nanomaterialen. Ook heeft zij gezocht naar publicaties en rapporten die niet in
    deze literatuurbestanden staan vermeld, via vakspecifieke internetfora en -podia.
         Verder heeft de Gezondheidsraad in januari 2012 een werkconferentie gehou-
    den met (ervarings)deskundigen uit het Nederlandse bedrijfsleven, de onder-
    zoekswereld en arbogerelateerde organisaties. De mensen en organisaties die
    daaraan hebben deelgenomen zijn in bijlage C vermeld. Daarnaast heeft de raad
    in mei 2012 andere (ervarings)deskundigen uit binnen- en buitenland de gelegen-
    heid geboden om schriftelijk commentaar te leveren op een concept van het
    advies. Mensen of organisaties die daarop gereageerd hebben zijn vermeld in bij-
    lage D. De commissie heeft de informatie en commentaren die zij kreeg gebruikt
    bij het vaststellen van het definitieve advies.
1.4 Afbakening
    Voor de beschrijving van een nanodeeltje of nanomateriaal volgt de commissie
    de definities die gehanteerd worden door de Europese Commissie, in die zin dat
    de commissie zich beperkt tot de groep doelbewust gesynthetiseerde nanodeel-
    tjes die vallen onder deze definities. In de tekst worden ze kortweg aangeduid als
    ‘nanodeeltjes’. Proces gegenereerde of van nature ontstane nanodeeltjes vallen
    buiten dit advies. Het gaat verder om beroepsmatige blootstelling via met name
    inademing, omdat dit de meest voorkomende blootstellingsroute op de werkplek
    Zie paragraaf 2.6.2 voor uitleg control banding methodieken.
    Inleiding                                                                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    zijn. Het advies gaat niet over de richtlijnen die voortkomen uit het Nederlandse
    of Europese Arbeidsomstandighedenbeleid, zoals het voorschrift over te nemen
    preventieve maatregelen om blootstelling te voorkomen of te minimaliseren, de
    door bedrijven verplicht op te stellen Risico-Inventarisatie en -Evaluatie, en de
    REACH-regelgeving. De richtlijnen hiervoor zijn opgesteld en worden getoetst
    door zowel de overheid als het bedrijfsleven.
1.5 Opzet van dit advies
    In hoofdstuk 2 beschrijft de commissie wat onder nanodeeltjes wordt verstaan,
    waarin ze worden toegepast, wat de mogelijke schadelijke gezondheidseffecten
    zijn, wie beroepshalve blootgesteld kan zijn aan deze deeltjes, en welke midde-
    len het bedrijfsleven gebruikt om het risico op blootstelling te bepalen en te
    beheersen. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens dieper in op blootstellingsregistratie en
    hoofdstuk 4 op gezondheidsbewaking. In het slothoofdstuk (5) beantwoordt de
    commissie de vragen van de minister.
 2  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>oofdstuk 2
         Nanodeeltjes op de werkplek
         Dat werknemers bloot kunnen staan aan deeltjes ter grootte van miljoenste milli-
         meters is niet nieuw. Bij bijvoorbeeld laswerkzaamheden en andere vormen van
         metaalbewerking (snijden, oppervlaktebehandeling), mijnwerkzaamheden of
         verbranding van diesel in motoren komen onbedoeld deeltjes in de lucht terecht
         die zo klein kunnen zijn (werkproces gegenereerde nanodeeltjes). Daarnaast
         komen nanodeeltjes vrij bij normale fysische en chemische processen, bijvoor-
         beeld bij bosbranden en vulkaanuitbarstingen (natuurlijke nanodeeltjes).1,4-7 Wel
         nieuw is dat de mens sinds kort in staat is om minieme stukjes materiaal met
         gedefinieerde afmetingen doelbewust samen te stellen en te produceren (synthe-
         tische nanodeeltjes). Het materiaal krijgt daardoor andere fysisch-chemische
         eigenschappen wat nieuwe toepassingen biedt voor ‘oude’ materialen. In dit
         advies gaat het om deze laatste groep nanodeeltjes, de doelbewust gesyntheti-
         seerde nanodeeltjes, kortweg aangeduid als nanodeeltjes.
             Nanomaterialen bestaan uit nanodeeltjes, maar wat zijn dat voor deeltjes?
         Hoe schadelijk zijn deze deeltjes eigenlijk? Hoeveel werknemers komen met
         deze doelbewust gesynthetiseerde nanodeeltjes en -materialen in contact en
         welke middelen staan ter beschikking voor een veilige en gezonde werkplek? Dit
         zijn vragen die in dit hoofdstuk worden beantwoord.
         Nanodeeltjes op de werkplek                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>2.1 Nanodeeltjes en nanomaterialen
    Voor de beschrijving van nanodeeltjes en nanomaterialen volgt de commissie de
    definities van de Europese Commissie*.
        Voor de definitie van een nanodeeltje volgt de Europese Commissie weer de
    aanbeveling van de International Organization for Standardization (ISO), die het
    omschrijft als een miniem stukje materiaal met gedefinieerde fysische grenzen
    (ISO 146446:2007**).
        Een nanomateriaal wordt door de Europese Commissie gedefinieerd als een
    natuurlijk, incidenteel of geproduceerd materiaal dat uit deeltjes bestaat, hetzij in
    ongebonden toestand of als aggregaat of agglomeraat en waarvan ten minste
    50% van de deeltjes in de gekwantificeerde grootteverdeling een of meer externe
    dimensies bezit binnen het bereik van 1 nm tot 100 nm (zie Publicatieblad van de
    EU L275, 20 oktober 2011). De Europese Commissie schrijft ook dat:
    • in specifieke gevallen en waar nodig vanuit milieu-, gezondheids-, veilig-
        heids- en mededingingsoogpunt de drempelwaarde van 50% voor de
        gekwantificeerde grootteverdeling kan worden vervangen door een drempel
        van tussen de 1 en 50%
    • fullerenen, grafeenvlokken en enkelwandige koolstofnanobuisjes met één of
        meer externe dimensies beneden 1 nm als nanomaterialen dienen te worden
        beschouwd
    • agglomeraat gedefinieerd wordt als een verzameling los met elkaar verbon-
        den deeltjes of aggregaten waarvan de totale externe oppervlakte gelijk is aan
        de som van de oppervlakten van de individuele componenten
    • aggregaat gedefinieerd wordt als een deeltje dat uit sterk verbonden of gefu-
        seerde deeltjes bestaat
    • een materiaal geacht wordt onder de definitie van een nanomateriaal te vallen
        wanneer zijn specifieke oppervlakte per volume materiaal groter is dan 60
        cm2/cm3. Een materiaal dat, op basis van zijn gekwantificeerde grootteverde-
        ling, echter een nanomateriaal vormt, moet geacht worden te voldoen aan de
        definitie van een nanomateriaal, zelfs wanneer het een specifieke oppervlakte
        heeft van minder dan 60 cm2/cm3.
    De hierboven gehanteerde definities zijn gebaseerd op een advies uit 2010 van
    het Europese adviesorgaan voor nieuwe risico’s in wetenschap en technologie
    Bron: http://ihcp.jrc.ec.europa.eu/, april 2012.
 *  Bron: http://www.iso.org/, april 2012.
 4  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>    (SCENIHR) van de Europese Commissie.8 De SCENIHR benadrukt dat ondanks
    het feit dat fysische en chemische eigenschappen van materialen kunnen veran-
    deren door de grootte, er geen wetenschappelijke onderbouwing is die een onder-
    en bovenlimiet rechtvaardigt voor alle nanomaterialen, maar dat voor beleids-
    doeleinden wel een bovenlimiet genoemd kan worden (100 nm). Wat de onder-
    grens van 1 nm betreft zijn nanodeeltjes en clusters van nanodeeltjes van rond de
    1 nm nauwelijks meer te onderscheiden van moleculen. Moleculen vallen in
    principe buiten de definitie van nanomaterialen, op bepaalde (niet met name
    genoemde) uitzonderingen na.
        Eind 2014 wordt opnieuw bekeken of de definities aanpassing behoeven aan
    de hand van nieuwe wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.
2.2 Diversiteit van nanodeeltjes
    De nanowetenschap en -technologie leiden tot de ontwikkeling van nanodeeltjes
    in allerlei samenstellingen en vormen. Voorbeelden zijn nanobuisjes gemaakt
    van koolstof en anorganische verbindingen, anorganische nanodraden, organi-
    sche nanovezels, biopolymeren, nanodeeltjes van metalen of metaaloxiden
    (nanozilver), carbon black (synthetisch roet), fullerenen (bolvormige moleculen
    van zestig koolstofatomen), films of platen van één of enkele atomen dik, dendri-
    meren (bolvormige, sterk vertakte organische polymeren) en kwantumdots
    (nanokristallen van halfgeleidermateriaal). De meeste van deze materialen
    bestaan uit koolstof, titanium of silicium, maar ook metalen (zink, ijzer, cerium,
    zirconium, goud, zilver, koper, lood, cadmium, germanium en selenium) en oxi-
    den van deze metalen worden gebruikt.9
    Verschillende gremia en onderzoekers proberen enigszins orde en harmonisatie
    na te streven in de grote diversiteit van typen nanodeeltjes door een nomencla-
    tuur op te stellen en nanodeeltjes te groeperen. De ISO heeft bijvoorbeeld in
    2010 de nanoboom geïntroduceerd (ISO/TR 11360:2010*). De nanoboom onder-
    scheidt nanodeeltjes op basis van structuur, chemische samenstelling en andere
    kenmerken:
    • nanodeeltjes (alle drie externe dimensies vallen binnen het nanobereik)
    • nanovezels (twee externe dimensies vallen binnen het nanobereik), die onder
        te verdelen zijn in: nanodraad (elektrisch geleidend nanovezel); nanobuisje
        (holle nanovezel); nanostaaf (solide nanovezel)
    • nanoplaatjes (één externe dimensie valt binnen het nanobereik).
    Bron: http://www.iso.org/, april 2012.
    Nanodeeltjes op de werkplek                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    Voor het toxicologisch onderzoek hebben Maynard en Aitken een indeling geop-
    perd, mede ingegeven door de fysische en chemische eigenschappen die naar
    verwachting bepalend zullen zijn voor de toxiciteit:10
    1 sferische en compacte deeltjes (homogeen van samenstelling)
    2 high aspect nanodeeltjes (staafjes, vezels met homogene samenstelling)
    3 complexe niet-sferische deeltjes (homogeen van samenstelling)
    4 heterogeen samengestelde deeltjes, waarvan bijvoorbeeld het oppervlak een
        andere samenstelling heeft dan de kern
    5 heterogeen samengestelde deeltjes, waarvan het ene type verwerkt is in een
        ander nanodeeltje, bijvoorbeeld als bolletje in een niet-sferisch deeltje
    6 homogene agglomeraten van een enkel type deeltje
    7 heterogene aggregaten met diverse typen deeltjes
    8 actieve deeltjes, waarbij het gedrag en eigenschappen van deeltjes afhangen
        van externe stimuli
    9 multifunctionele nanodeeltjes, waarbij gedrag en eigenschappen van deeltjes
        afhangen van functionele responsen en van lokale milieu stimuli.
    Vooralsnog is er wereldwijd nog geen gestandaardiseerde indeling van nanodeel-
    tjes.
2.3 Toepassingen
    Nanodeeltjes vertonen chemische, mechanische, optische, elektrische en magne-
    tische eigenschappen, die wezenlijk anders kunnen zijn dan de eigenschappen
    van dezelfde stoffen bij grotere afmetingen.4,11,12 Die veranderde eigenschappen
    worden hoofdzakelijk verklaard doordat het deeltjesoppervlak per massa-een-
    heid bij nanodeeltjes veel groter is dan van de stoffen in ‘niet-nanovorm’.4,11,12
    Dit heeft tot gevolg dat er relatief meer chemisch reactieve atomen aan het
    oppervlak liggen, waardoor de chemische reactiviteit van het deeltje drastisch toe
    kan nemen. Verder gedragen nanodeeltjes in het kleinere nanobereik zich niet
    meer volgens de wetten van de klassieke fysica, maar van de kwantummecha-
    nica.4,11,12 Het gevolg daarvan is dat de optische, magnetische en elektrische
    eigenschappen veranderen ten opzichte van de andere stoffen.
        De ‘nieuwe’ eigenschappen leveren hooggespannen verwachtingen wat
    betreft nieuwe toepassingen. De nanotechnologie heeft al honderden consumen-
    tenproducten opgeleverd die nanodeeltjes bevatten.13 Daarin zijn vooral zilver,
    titaniumoxide, ceriumoxide, silica en nanokoolstofbuisjes gebruikt. Voorbeelden
    zijn titaniumdioxide en zinkoxide in zonnebrandcrèmes. Normaal zijn deze stof-
    fen wit, maar op als gesynthetiseerd nanodeeltje kleurloos, terwijl ze toch hun
 6  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>      ultraviolet-absorberend en -reflecterend vermogen blijven behouden. Andere
      voorbeelden zijn koolstofnanobuisjes als materiaalversterkers in autobanden en
      natuurlijke kleideeltjes in autobumpers; nanocoatings die worden gebruikt op
      brillenglazen, krasbestendige sensoren en zelfreinigende ruiten; nanokristallen
      die snij- en boorwerktuigen extra hard en slijtvast maken; nanomaterialen die
      oppervlakken water- en vuilafstotend maken; nanomaterialen in de bouwnijver-
      heid (verven, cement, glas); laagjes nanodeeltjes op voedingsmiddelen en textiel
      om hun antimicrobiële werking; nanomaterialen om kleding kreukvrij en vuilaf-
      stotend te maken. Nanotechnologie maakt verder de elektronica steeds kleiner,
      sneller en multi-functioneler. Nanomaterialen hebben ook hun weg gevonden in
      medische toepassingen, zoals in de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen,
      implanteerbare materialen en apparaten, wondverzorging, en in diagnostische en
      analytische instrumenten.13 In de voedselindustrie worden nanomaterialen in de
      hele keten toegepast (productie, verwerking, verpakking, conservering, supple-
      menten).13 Ook heeft het toepassingen in de energie- en watertechnologiesector.
          Het aantal nanomaterialen zal de komende jaren nog toenemen, omdat veel
      mogelijke toepassingen nog in de ontwikkel- en onderzoeksfase verkeren.
2.4   Beroepsbevolking
      Een compleet overzicht van Nederlandse bedrijven en instellingen die nanomate-
      rialen ontwikkelen of gebruiken is er momenteel niet (ook niet van bedrijven in
      het buitenland), dus is het lastig in te schatten hoeveel mensen tijdens hun werk
      mogelijk blootstaan aan nanodeeltjes. Dit komt onder meer omdat het bewustzijn
      over het gebruik van nanomaterialen in een aantal sectoren laag is (met name aan
      het eind van de gebruiksketen), bepaalde toepassingen nog niet goed bekend zijn
      en nanomaterialen niet eenduidig gelabeld zijn of in productbeschrijvingen zijn
      genoemd.14,15 Dit betekent dat cijfers die zijn gepubliceerd waarschijnlijk een
      onderschatting zijn. Met voorgaande in gedachte zijn diverse studies uitgevoerd,
      zowel in Nederland als in het buitenland, die een globaal beeld geven van het
      mogelijk aantal aan nanomaterialen blootgestelde werknemers in bepaalde fasen
      van de gebruiksketen, op basis van kleine steekproeven. Hieronder volgt een kort
      overzicht.
2.4.1 Nederland
      In Nederland zijn twee studies gepubliceerd. De eerste is die van Borm e.a. uit
      2008, die zich richtte op werknemers in de onderzoeks-, ontwikkelings- en pro-
      ductiesector van nanomaterialen (eerste fasen van de gebruiksketen).16 De onder-
      Nanodeeltjes op de werkplek                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>      zoekers schatten dat ongeveer vierhonderd werknemers in zesentwintig
      bedrijven en elf onderzoeksinstellingen regelmatig werkzaamheden verrichtten
      met nanomaterialen. In ongeveer de helft van die bedrijven ging het om verwer-
      king van carbon black, amorf silica en metaaloxiden. De hoeveelheden van deze
      materialen betrof meerdere tonnen per jaar. Andere nanomaterialen, zoals kool-
      stofnanobuisjes, nanozilver en ijzeroxides werden in veel kleinere hoeveelheden
      gebruikt en geproduceerd. De onderzoekers meldden ook dat 137 mensen in
      onderzoeksinstellingen regelmatig meewerkten aan het ontwikkelen van nieuwe
      nanomaterialen. De hoeveelheden van deze ‘experimentele’ nanomaterialen lag
      tussen de 1 en 100 gram per jaar.
          In 2011 hebben TNO en RIVM gezamenlijk een rapport gepubliceerd waarin
      geschat wordt dat ongeveer drieduizend werkers blootgesteld kunnen worden
      door vervaardiging en (professioneel) gebruik van nano-eindproducten.15 Het
      gaat om andere groepen werknemers dan in het onderzoek van Borm e.a. (2008).
      De gegevens in het TNO/RIVM-rapport zijn afkomstig van 350 bedrijven uit
      diverse sectoren. Vooral bij de productie van banden en reparatie van beton wor-
      den nanomaterialen toegepast, maar ook bij de productie van verf, coatings en
      nat en prefab beton. Schoenmakers, automonteurs, schilders, coaters en textiel-
      reinigers gebruiken regelmatig nanomaterialen.
2.4.2 Europa en de Verenigde Staten
      De Duitse BAuA* heeft in samenwerking met de chemische industrie 656 bedrij-
      ven een vragenlijst voorgelegd over de productie en het gebruik van nanomateri-
      alen.17 Daarop reageerden 217 bedrijven, waarvan 45 melding maakten van
      activiteiten met nanomaterialen. Bij de helft van de 45 bedrijven ging het om
      minder dan 100 kilogram nanomaterialen per jaar; 11 procent verwerkte meer
      dan 100 ton per jaar. Het gros (75%) van die bedrijven had één tot negen werkers
      in dienst die werkzaamheden met nanomaterialen uitvoerden. Slechts vier bedrij-
      ven hadden meer dan 250 mensen in dienst. Uit deze gegevens is het lastig te
      bepalen hoeveel mensen precies werken met nanomaterialen. In een ander onder-
      zoek werden 87 Duitse en 48 Zwitserse bedrijven, waarvan aannemelijk was dat
      zij met nanomaterialen werkten, aangeschreven met verzoek om informatie.18
      Daarvan reageerden in totaal 40 bedrijven en daarvan hadden 25 bedrijven min-
      der dan 100 werknemers in dienst en 6 bedrijven meer dan 1.000.
      De BAuA (Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin) is een federale onderzoeksinstelling
      in Duitsland die specifiek onderzoek doet en adviseert op het gebied van een veilige en gezonde
      werkplek.
 8    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>          Op basis van vragenlijsten die door meer dan 900 Zwitserse bedrijven werden
    ingevuld, werd in de Nano-inventory het aantal potentieel aan nanodeeltjes bloot-
    gestelde werkers in de productiesector geschat op ruim 1.300 medewerkers.19
          De Britse HSE* schatte dat in 2004 ongeveer 2.000 nanowerkers actief waren
    in Engelse onderzoeksfaciliteiten en nieuwe bedrijven die zich volledig toeleggen
    op nieuwe nanomaterialen.20 Zij schatte ook dat in dat zelfde jaar ongeveer 500
    werkers betrokken waren bij de productie van carbon black op nanoschaal. Verder
    zouden ongeveer 102.000 mensen door hun werkzaamheden blootgesteld kunnen
    worden aan nanodeeltjes, voornamelijk in de farmaceutische industrie. Het is vol-
    gens de HSE echter onduidelijk hoeveel van deze 102.000 mensen daadwerkelijk
    blootgesteld zijn aan nanodeeltjes; waarschijnlijk een veel kleinere groep omdat
    niet iedereen in een bedrijf blootgesteld zal zijn (bijvoorbeeld kantoormedewer-
    kers).
          De Nordic Council of Ministers, waarin alle Scandinavische landen zijn verte-
    genwoordigd, publiceerde in 2007 een rapport met enige informatie over toepas-
    sing van nanomaterialen in die landen.21 Denemarken telde op dat moment zo’n
    50 ondernemingen waarin nanotechnologie werd toegepast. In Finland betrof het
    meer dan 100 bedrijven; in Zweden 85 bedrijven. Gegevens over het aantal poten-
    tieel blootgestelde werknemers zijn niet gegeven.
          In Frankrijk is geschat dat in 2007 tussen de 2.000 en 4.000 werknemers
    betrokken waren bij de productie van nanomaterialen in verschillende industrie-
    sectoren, de onderzoekslaboratoria niet meegeteld.22
          In de Verenigde Staten zijn 61 bedrijven geïdentificeerd waar nanomaterialen
    op basis van koolstof worden gebruikt (o.a. koolstofnanobuisjes, fullerenen, graf-
    een).23 In het onderzoek werden bedrijven uitgesloten die zich volledig wijdden
    aan research en development en die de komende vijf jaren niet de intentie hadden
    hun materialen te gaan produceren voor commerciële doeleinden. Bij die bedrij-
    ven werken ten minste 620 werknemers. Er is verder geschat dat de werkpopulatie
    met koolstofnanomaterialen jaarlijks met vijftien tot zeventien procent toeneemt.
2.5 Is werken met nanodeeltjes schadelijk voor de gezondheid?
    Bij blootstelling aan nanodeeltjes wordt gesproken van onzekerheid over de aard
    en omvang van de gezondheidsrisico’s. Maar wat is er al wel bekend, en zijn er
    op basis van wetenschappelijke gegevens redenen om zich zorgen te maken? Een
    kort overzicht volgt hieronder.
    De HSE (Health and Safety Executive) is een zelfstandig orgaan met uitvoerende bevoegdheden dat
    als taak heeft het reduceren van werk gerelateerde sterfte en ongevallen op Britse werkplekken.
    Nanodeeltjes op de werkplek                                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>2.5.1 Toxicokinetiek
      Gezondheidsrisico’s hangen in de eerste plaats af of sprake is van blootstelling
      en hoe hoog die blootstelling is. Maar de mate van de toxiciteit en het type
      schade worden mede bepaald door de potentiële toxiciteit van een nanodeeltje,
      de plek van blootstelling, en hoe het lichaam omgaat met de aanwezigheid van
      nanodeeltjes (de toxicokinetiek). In deze paragraaf gaat de commissie kort in op
      de toxicokinetiek. In de toxicokinetiek onderscheidt men absorptie (opname van
      een stof in de bloedbaan vanuit de luchtwegen, longen, huid en mond), distributie
      (verdeling van een stof door het lichaam), metabolisme (chemische omzetting en
      afbraak van een stof in al dan niet toxische afbraakproducten) en excretie (ver-
      wijdering van de stof en zijn afbraakproducten uit het lichaam).
           In tabel 1 is een overzicht gegeven van de bevindingen bij een aantal typen
      nanodeeltjes. Het gaat vooral om dierexperimenten; gegevens afkomstig van
      mensen zijn er nog nauwelijks. Er zijn sterke aanwijzingen dat verschillende
      typen nanodeeltjes worden opgenomen door het lichaam na inademing of via de
      huid, en vervolgens via de bloedbaan in allerlei organen terecht kunnen komen.
      Ook zijn er aanwijzingen dat bepaalde nanodeeltjes de bloed-hersenbarrière en
      de placenta kunnen passeren, en dat sommige nanodeeltjes via het reukweefsel
      en de reukzenuwen de hersenen kunnen bereiken. Opvallend is dat er nog nauwe-
      lijks gegevens zijn over de mate van oplosbaarheid in het lichaam en de excretie.
      Tabel 1 Globaal overzicht van de toxicokinetiek: resultaten van voornamelijk dierexperimenten. Het
      betreft onderzoek met relatief hoge doseringen.
      Route              Toxicokinetiek
      Inademing          Multi-walled koolstofnanobuisjes: aangetroffen in lymfeklieren rondom longen en
                         in longvliezen.24,25 Titaniumdioxide: aangetroffen in bloedcirculatie.26 Zilverdeel-
                         tjes: aangetroffen in diverse organen (longen, lever, nieren, milt, hersenen) in rat-
                         ten en muizen. Mangaan- en ijzeroxide nanodeeltjes: aangetroffen in hersenen van
                         ratten en muizen.27 Verschillende onderzoeken wijzen op mogelijke opname van
                         nanodeeltjes (metalen, koolstof, quantum dots) door het reukweefsel en vervolgens
                         transport via de neuszenuwen naar de hersenen.28-31
      Huid               Titaniumdioxide: kan door huid penetreren afhankelijk van oplosmiddel en coa-
                         tingsmateriaal.25,32-36 Zilverdeeltjes in wondverband: aanwezig in bloedcirculatie
                         van brandwondpatiënten. Gouddeeltjes: kleinere deeltjes (12 nm diameter) dringen
                         dieper in de huid dan reguliere chemicaliën.37 Quantum dots: afhankelijk van
                         samenstelling van het omhulsel penetreerden ze door de huid naar de bloedbaan;
                         vervolgens aangetroffen in onder meer de lymfeklieren, lever en hersenen.32,34,38-41
      Injectie in de     Fullerenen: aangetroffen in onder meer lever, nieren en milt; kunnen de placenta
      bloedbaan          passeren.25,42,43 Titaniumdioxide: kan de placenta passeren; aangetroffen in foetale
                         lever en hersenen.43 Nanodeeltjes van zilver, koper en aluminium: passage bloed-
                         hersenbarrière.44,45
 0    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>2.5.2         Biologische en toxicologische effecten
              Blootstelling aan stoffen kan biochemische, functionele of anatomische verande-
              ringen in het lichaam bewerkstellingen. Het kan gaan om kleine biologische ver-
              anderingen die snel optreden, maar die daarna weer verdwijnen zonder schade of
              klachten te veroorzaken, of om toxicologische effecten, waarbij organen en
              weefsels beschadigd raken en hun functie niet (goed) meer kunnen uitoefenen.
              Als het lichaam de schade niet (voldoende) herstelt, kunnen vervolgens – op de
              korte of de lange termijn – ziekteverschijnselen optreden.
              Dierexperimenten
              Gegevens over de mogelijke schadelijke gezondheidseffecten zijn in tabel 2
              samengevat. Het meeste onderzoek is gedaan naar de korte termijneffecten van
              blootstelling aan koolstofnanobuisjes, titaniumdioxide en enkele andere metaal-
              bevattende nanodeeltjes, zoals zilverdeeltjes. Daarbij gaat de meeste aandacht uit
              naar effecten op het ademhalingsstelsel en hart- en bloedvaten. Het gaat bijvoor-
              beeld om ontstekingen in de neus, luchtwegen en longen, longfibrose en trombo-
              seachtige verschijnselen. Ook zijn er aanwijzingen dat blootstelling aan bepaalde
              nanodeeltjes kan leiden tot effecten in de hersenen, huidontstekingen en zwan-
              gerschaps-complicaties. In een enkel onderzoek zijn op de lange termijn longtu-
              moren gevonden (titaniumdioxide) en bij een gevoelige muizensoort
              mesotheliomen in de buikholte (koolstofnanobuisjes, na toediening in de buik-
              holte).
 abel 2 Globaal overzicht van de gerapporteerde effecten in dierexperimenten.
  ffecten op:
Ademhalings-          Kortetermijneffecten. Single- en multi-walled CNT: longontstekingen, hyperplasie en longfi-
 telsel               brose.24,25,30,46-54 Mogelijke oorzaak overbelasting.55 Fullerenen: longontstekingen afhankelijk van che-
                      mische samenstelling.25,38,56 Carbon black: rhinitis, longontsteking en longfibrose.57-59 Titaniumdioxide:
                      Longontsteking en longfibrose; mate van effect afhankelijk van deeltjesgrootte.25,38,42,60,61 Zilverdeeltjes:
                      tegensprekende resultaten wat ontstekingen in de longen betreft na inhalatie.25,37
                      Langetermijneffecten. Titaniumdioxide: in één onderzoek, longkanker in ratten (maar niet in mui-
                      zen).60
Hart- en bloed-       Kortetermijneffecten. Single-walled CNT: versnelde vorming van atherosclerotische beschadigingen in
 aten                 de aorta van muizen.62 Single-walled en multi-walled CNT, carbon black: aanwijzingen voor vasculaire
                      trombose (sterkere reactie dan urban particulate matter).25,48,63 Zuivere fullerenen: geen aanwijzingen
                      voor vasculaire trombose. Quantum dots (gecoat met carboxyl of amine): vasculaire trombose in de lon-
                      gen (mate afhankelijk van elektrische lading dots).64
                      Langetermijneffecten. Geen gegevens.
              Nanodeeltjes op de werkplek                                                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>  enuwstelsel          Kortetermijneffecten. Titaniumdioxide: schade aan hersenen van muizen (deeltjes ingebracht via de
                       buikholte).27,29 Nanodeeltjes van ijzer- of mangaanoxide: veranderingen hersenactiviteit.29,65,66 Nano-
                       deeltjes van zilver, koper of aluminium: schade aan zenuwcellen in hersenen (diverse blootstellingrou-
                       tes).27,29,44,45 Voor aluminium zijn gedragsneurologische veranderingen in muizen beschreven (deeltjes
                       ingebracht in de neus).67 Silica nanodeeltjes: aanwijzingen voor schade in zenuwcellen van hersenen
                       (deeltjes ingebracht via de neusholte).68
                       Langetermijneffecten. Geen gegevens.
  intuigen             Kortetermijneffecten. Fullerenen: negatief voor irritatie en sensibilisatie aan de ogen.69 Meer onder-
                       zoek is nodig voor een definitieve conclusie.
                       Langetermijneffecten. Geen gegevens.
Huid                   Kortetermijneffecten. Single- en multi-walled CNT: huidontstekingen.24 Fullerenen: negatief voor irri-
                       tatie en sensibilisatie.69 Meer onderzoek is nodig voor een definitieve conclusie. Nota bene, zilverdeel-
                       tjes in wondverband: ontkleuring van de huid en verminderde leverfunctie bij patiënten met
                       brandwonden.37,70
                       Langetermijneffecten. Geen gegevens.
  pijsvertering        Kortetermijneffecten. Geen gegevens.
 n buikholte           Langetermijneffecten. Multi-walled CNT: geen tumoren in buik van ratten na eenmalige injectie in de
                       buikholte, maar wel bij gevoelige muizensoort (en in ratten na toediening van asbestvezels).71,72
Urogenitaliën          Korte- en langetermijneffecten. Geen gegevens.
  ewegings-            Korte- en langetermijneffecten. Geen gegevens.
 telsel
  oortplanting         Silicium- en titaniumdioxide: zwangerschapcomplicaties in muizen, zoals afwijkingen placenta (deeltjes
 n nageslacht          geïnjecteerd in de bloedbaan).43 Titaniumdioxide: in muizen verminderde spermaproductie bij het nage-
                       slacht. Fullerenen en silicadeeltjes (> 300 nm): geen zwangerschapscomplicaties.43
Afweer                 Kortetermijneffecten. CNT: verergering van allergische astma. Multi-walled CNT onderdrukt mogelijk
                       het immuunsysteem.30,58,73,74
                       Langetermijneffecten. Geen gegevens.
Hormoonhuis-           Korte- en langetermijneffecten. Geen gegevens.
 ouding
CNT, koolstofnanobuisjes.
              Het is vooralsnog onzeker of de gevonden effecten ook bij lagere doseringen bij
              mensen kunnen optreden. In een aantal dierexperimenten zijn bijvoorbeeld hoge
              doseringen gebruikt en zijn de blootstellingsroutes (injectie in bloedbaan, inbren-
              gen in de luchtpijp of buikholte) minder relevant voor de mens. Veel onderzoek
              is verder slechts eenmaal uitgevoerd op één specifieke diersoort en dient op z’n
              minst door andere onderzoekers herhaald te worden, bijvoorkeur met andere
              diersoorten. Ook is er nog nauwelijks onderzoek verricht naar de langetermijnef-
              fecten bij chronische blootstelling. Anderzijds zijn de beschreven effecten niet
              soortspecifiek en kunnen zij ook voor de mens relevant zijn.
              In vitro-onderzoek
              Met in vitro-onderzoek (cel- en weefselkweken) wordt onderzocht of nanodeel-
              tjes het vermogen hebben om biologische en toxicologische reacties op te roepen
              op cellulair niveau, en welke mechanismen daaraan ten grondslag liggen. Het
  2           Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>gaat om het induceren van bijvoorbeeld oxidatieve stress, celdood, DNA-schade,
pro-inflammatoire reacties, veranderingen in enzymniveaus, en of nanodeeltjes
de cel en de celkern kunnen binnendringen en ongewenst aan celcomponenten
kunnen binden. Dergelijke effecten zijn beschreven voor onder meer koolstofna-
nodeeltjes, fullerenen, carbon black, titaniumdioxide, zilverdeeltjes, ceriumdi-
oxide en quantum dots.25,37,38,56,75-77
     Het meeste in vitro-onderzoek is gedaan naar oxidatieve stress door vorming
van reactieve zuurstof- (en stikstof-) radicalen.4,78-85 Dergelijke radicalen kunnen
eiwitten en het genetische materiaal beschadigen.86 Hoewel het lichaam is voor-
zien van een efficiënt systeem om schade te herstellen en radicalen weg te van-
gen, kan dat systeem overbelast raken, bijvoorbeeld bij hoge blootstelling of
verminderde weerstand zoals bij ziekte of slechte voeding. Bij overbelasting is
dan sprake van oxidatieve stress. De schade aan eiwitten en genetisch materiaal
kan vervolgens leiden tot celdood, (chronische) weefselontsteking en kanker.86
Onderzoekers veronderstellen dat oxidatieve stress mogelijk een grotere rol
speelt bij nanodeeltjes dan bij de dezelfde stoffen in ‘niet-nanovorm’ door de
relatief grotere chemische reactiviteit van de nanodeeltjes bij een zelfde massa-
concentratie. Er zijn aanwijzingen dat gesynthetiseerde nanodeeltjes van titani-
umdioxide en koolstofnanobuisjes oxidatieve schade kunnen
veroorzaken.48,49,54,87,88 Naast oxidatieve stress zou ook mechanische interferen-
tie van nanodeeltjes met componenten op cellulair niveau tot weefselschade en
kanker kunnen leiden.78,79,89
     De commissie wijst erop dat in in vitro-onderzoek vaak blootstellingsniveaus
worden gebruikt die vele malen hoger zijn dan in een normale situatie te ver-
wachten zijn. Verder is het onzeker of de beschikbare in vitro-genotoxiciteitstests
geschikt zijn voor het vaststellen of vezelachtige deeltjes bepaalde kankerver-
wekkende eigenschappen bezitten, omdat het onzeker is of deze vezels vanwege
hun structuur bijvoorbeeld de celkern, waarin het genetische materiaal ligt opge-
slagen, kunnen bereiken. De resultaten kunnen verder niet zomaar één op één
naar de mens worden vertaald, omdat niet het hele organisme in ogenschouw is
genomen. Wel kan in vitro-onderzoek ondersteunend zijn voor de bevindingen
uit dierexperimenteel en observationeel onderzoek, of kunnen de bevindingen uit
in vitro-onderzoek redenen zijn om dit soort onderzoek op te zetten of een
bepaald soort werkingsmechanisme te duiden.
Observationeel onderzoek
Er zijn nog geen epidemiologische gegevens over de mogelijke korte- en lange-
termijn gezondheidseffecten van gesynthetiseerde nanodeeltjes. Epidemiologen
Nanodeeltjes op de werkplek                                                          33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>  staan voor een aantal uitdagingen, zoals de grote diversiteit aan nanodeeltjes, de
  relatief korte periode dat nanodeeltjes in productie en gebruik zijn, problemen
  met het identificeren van de blootgestelde werkpopulatie en onduidelijkheid over
  welke gezondheidsparameters het beste gemeten kunnen worden.90-92,92 Het
  belangrijkste probleem is echter dat voor observationeel onderzoek ook relevante
  blootstellingsgegevens beschikbaar moeten zijn en deze zijn voor nanomateria-
  len tot op heden onvoldoende tot niet beschikbaar. Door de grote heterogeniteit
  van nanodeeltjes is het moeilijk om genoeg mensen te vinden die aan dezelfde
  nanodeeltjes bloot staan. Daardoor is het lastig een samenhang tussen blootstel-
  ling en ziekteverschijnselen vast te stellen. Tot voor kort stonden vooral werkne-
  mers van wetenschappelijke onderzoeksinstellingen potentieel bloot aan
  nanomaterialen; waarschijnlijk zullen dat de komende jaren vaker werknemers
  zijn die nanodeeltjes of -materialen produceren en gebruiken in diverse industrie-
  sectoren. Dit proces is in beweging en dat maakt het lastig om aan te geven waar
  blootstelling zal plaatsvinden en wie er beroepsmatig is blootgesteld. Er is verder
  een gebrek aan gestandaardiseerde blootstellingsmonitoringsystemen.
       Wel zijn eerste initiatieven voor epidemiologisch onderzoek onder de
  beroepsbevolking genomen.92 In Taiwan is recent een dwarsdoorsnede-onder-
  zoek uitgevoerd onder 227 potentieel blootgestelde werknemers en 137 niet-
  blootgestelde werknemers van verschillende bedrijven die nanodeeltjes ter
  grootte van 20 tot 100 nm verwerkten of produceerden. Het doel van dit onder-
  zoek was het identificeren van gezondheidseffectmarkers voor toekomstig onder-
  zoek. De onderzoekers vonden duidelijk verlaagde antioxidant enzymactiviteiten
  onder blootgestelde werknemers, evenals verhoogde activiteiten van markers die
  vroege cardiovasculaire afwijkingen kunnen traceren (fibrinogeen, intercellulaire
  adhesiemoleculen en interleukine-6). Er werden geen afwijkingen gevonden bij
  markers voor het traceren van ontstekingen in de longen. Ook week de longfunc-
  tie tussen de groep blootgestelden en de groep niet-blootgestelden niet van elkaar
  af.93 Het Franse Institut de Veille Sanitaire heeft in 2010 een voorstel bij de
  Franse regering ingediend voor het opzetten van een epidemiologisch surveillan-
  cesysteem, dat bestaat uit een verkennend prospectief cohortonderzoek en her-
  haalde dwarsdoorsnede-onderzoeken.94,95 In de eerste fase zullen werknemers
  worden geregistreerd die mogelijk worden blootgesteld aan deze materialen en
  zullen emissie- en blootstellingsscenario’s in kaart worden gebracht. Door mid-
  del van passief gezondheidstoezicht (consultatie van medisch-administratieve
  gegevensbestanden, benutten van medische gegevens van gezondheidsdiensten
  op het werk en individuele vragenlijsten) zal de gezondheidsstatus beoordeeld
  worden. In de Verenigde Staten is NIOSH bezig met het opzetten van een epide-
  miologisch onderzoek onder mensen die beroepsmatig blootstaan aan koolstof-
4 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>      nanobuisjes. Ten slotte verkent IARC of er mogelijkheden zijn voor het opzetten
      van een internationaal epidemiologisch onderzoek naar de gezondheidsrisico’s
      van nanodeeltjes.
2.5.3 Kennis opgedaan met (nano)deeltjes die van nature of onbedoeld door
      menselijke activiteiten zijn ontstaan
      De verwachting dat synthetische nanodeeltjes schadelijk kunnen zijn voor de
      gezondheid komt onder meer voort uit de kennis die is opgedaan met deeltjes en
      vezels met vergelijkbare afmetingen, maar die van nature of onbedoeld (proces
      gegenereerd) door menselijke activiteiten ontstaan. Voorbeelden zijn de uitstoot
      van (ultra)fijn stof door verbranding en beroepsmatige blootstelling aan lasrook-
      deeltjes en aan asbest- en minerale kunstvezels.96,97
      Uitstoot van (ultra)fijn stof door verbranding
      Voorbeelden van (ultra)fijn stof zijn de roetdeeltjes, vliegas en carbon black
      nanodeeltjes die vrijkomen door verbranding van fossiele brandstoffen of huis-
      vuil. (Ultra)fijne stofdeeltjes (met een diameter kleiner dan ca. 1.000 nanometer)
      uit deze bronnen kunnen maanden en zelfs jaren achterblijven in de diepere
      luchtwegen en de longen.5 Van daaruit kunnen ze infiltreren in de longen en zo in
      de bloedbaan terechtkomen en zich verspreiden door het hele lichaam.42,98
      (Ultra)fijne stofdeeltjes uit verbrandingsmotoren blijken weefselschade teweeg
      te kunnen brengen in onder meer de luchtwegen en longen (ontstekingen, chroni-
      sche obstructieve longziekten (COPD)). Ook kunnen zij cardiovasculaire aan-
      doeningen veroorzaken, allergische reacties verergeren (wat kan leiden tot astma
      en COPD), en wellicht ook de cognitieve vaardigheden bij ouderen sneller ver-
      minderen.5,42,51,63,96,98-105
          Sommige onderzoekers vinden dat de bevindingen over (ultra)fijn stof in de
      buitenlucht niet zonder meer gelden voor synthetische nanodeeltjes.106 Zij wijzen
      op grote verschillen tussen het buitenmilieu en de werkplek. Buitenlucht is niet
      alleen verontreinigd met (ultra)fijn stof, maar vaak ook met andere stoffen waar-
      van bekend is dat ze gezondheidseffecten kunnen veroorzaken: zwaveldioxide,
      stikstofoxiden, ozon. Het is daarbij onduidelijk welke componenten in het bij-
      zonder verantwoordelijk zijn voor de beschreven gezondheidseffecten. Andere
      factoren kunnen ook van invloed zijn op de gezondheid, zoals geluidsoverlast
      door verkeersactiviteiten. In het onderzoek naar de effecten van luchtverontreini-
      ging onder de bevolking zijn ook hoog-risicogroepen, zoals kinderen, ouderen en
      zieken betrokken.106
      Nanodeeltjes op de werkplek                                                        35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>    Lasrookdeeltjes
    Tijdens het lassen kunnen inerte lasrookdeeltjes in de lucht terechtkomen die qua
    grootte in het nanobereik kunnen vallen. Ze kunnen vervolgens aggregeren tot
    submicrondeeltjes die iets groter zijn dan de bovengrens van 100 nm.107-111 Zulke
    deeltjes bestaan voornamelijk uit ijzer en soms silicium. In de literatuur zijn
    diverse gevallen beschreven van lassers die gedurende hun werkzame periode
    pneumoconiose (longfibrose) of longemfyseem ontwikkelden, wat leidde tot ver-
    minderde longfunctie.112 Uit observationeel onderzoek komen verder aanwijzin-
    gen dat lasrook (long)kanker kan veroorzaken.113 Recent vonden onderzoekers
    aanwijzingen dat lasrookdeeltjes het risico op hartaandoeningen vergroten.114,115
    Asbest- en minerale kunstvezels
    Van de natuurlijke en kunstmatige vezels die na inademing diep in de longen
    terecht kunnen komen, worden asbestvezels als de meest schadelijke vezels
    beschouwd. Ze kunnen op de lange termijn longfibrose, longkanker en longvlies-
    kanker (mesotheliomen) veroorzaken.51,116-118 In 2007 zijn in Nederland onge-
    veer vierhonderd mensen gestorven aan mesotheliomen die vrijwel allemaal toe
    te schrijven zijn aan blootstelling aan asbest.118 Daarnaast is geschat dat jaarlijks
    ruwweg negenhonderd gevallen van longkanker (12% van alle gevallen van
    longkanker) vermeden hadden kunnen worden door beroepsmatige blootstelling
    aan asbest te mijden.118 Van de minerale kunstvezels komen de superfijne glasve-
    zels met een diameter van 100 tot 3.000 nanometer het dichtst in de buurt van
    nanovezels. Bij inademing van deze glasvezels kunnen neusontstekingen en –
    irritatie optreden.119
2.6 Een veilige en gezonde werkplek
    Het arbeidsomstandighedenbeleid in een bedrijf heeft tot doel om een veilige en
    gezonde werkplek te creëren en te behouden. Sturend daarin zijn de Arboregel-
    geving en het Nederlandse en Europese stoffenbeleid. Daarin zijn verplichtingen
    opgenomen aangaande het inventariseren en registreren van gevaarlijke stoffen
    die op de werkplek aanwezig kunnen zijn, het beoordelen van de blootstelling en
    het nemen van maatregelen om blootstelling te voorkomen.
 6  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>2.6.1 Arboregelgeving en stoffenbeleid
      In de Arbowet* staan de rechten, plichten en regels van werkgevers en werkne-
      mers voor het verbeteren van de arbeidsomstandigheden. De werkgever zorgt in
      principe voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met
      de arbeid verbonden aspecten. De werkgever voert daartoe een beleid dat is
      gericht op zo goed mogelijke arbeidsomstandigheden, gelet op de stand van de
      wetenschap en professionele dienstverlening. De werknemer is verplicht op de
      arbeidsplaats, overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven
      instructies, naar vermogen zorg te dragen voor zijn eigen veiligheid en gezond-
      heid en die van de andere betrokken personen.
          Bij blootstelling aan stoffen is ook het Europees stoffenbeleid van belang.
      Onder de REACH-regelgeving (Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie
      van CHemische stoffen) worden alle bedrijven in de toeleveringsketen van een
      chemische stof (fabrikanten, importeurs, gebruikers, afnemers) verantwoordelijk
      gesteld voor het veilig gebruik (productie, import, handel, toepassing) en het
      beperken van de risico’s daarbij voor de gezondheid van de mens en/of het
      milieu.**
          Op dit moment is er geen aparte regelgeving voor nanodeeltjes. Dit betekent
      dat de kennis over de stoffen in ‘niet-nanovorm’ leidend is voor het nemen van
      beheersmaatregelen. Er zijn deskundigen die opteren voor een speciale aanpas-
      sing in REACH ten behoeve van nanomaterialen. Sommigen menen zelfs dat het
      beter zou zijn om nanomaterialen als nieuwe stoffen te behandelen in REACH,
      vanwege de veranderde fysische eigenschappen, ook al is de chemische samen-
      stelling niet nieuw. Deze voorstellen worden door de Europese Commissie afge-
      houden met het argument dat bestaande wetten en regelgevingen vooralsnog
      voldoende houvast lijken te bieden.120,121
          De Sociaal-Economische Raad en de minister van Sociale Zaken en Werkge-
      legenheid hebben verder bij beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes het
      voorzorgbeginsel omarmd.2,122,123 Bij onzekerheden streeft men er naar om alert,
      zorgvuldig, redelijk en transparant te zijn. In een eerder advies stelde de Gezond-
      heidsraad dat vrije, persistente nanodeeltjes zich goed lenen voor het toepassen
      van het voorzorgbeginsel, gezien de grote onzekerheid over hoe hun gedrag de
      opname en verspreiding in het lichaam, en het vermogen om ziekteverschijnselen
      te veroorzaken of verergeren, zal beïnvloeden.124-126 Tegenover de grote onze-
      Meer details over de regelgeving zijn te vinden op de website www.overheid.nl van de Rijksoverheid.
 *    Voor meer details zie http://stoffenbeleid.nl van de Rijksoverheid.
      Nanodeeltjes op de werkplek                                                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>      kerheid staat dat het risico op gezondheidsschade plausibel is op grond van gege-
      vens over ultrafijne stofdeeltjes en het onderzoek aan synthetische nanodeeltjes
      dat al voorhanden is. Nanodeeltjes van elke stof moeten op de werkplek het-
      zelfde behandeld worden als gevaarlijke stoffen.
2.6.2 Inventariseren en registreren
      Werkgevers zijn wettelijk verplicht een Risico-Inventarisatie en Evaluatie
      (RI&E) uit te voeren. Zij kunnen hierop gecontroleerd worden door de Inspectie.
           Een van de methoden die bedrijven kunnen gebruiken om de emissie- en
      blootstellingsscenario’s te inventariseren is control banding. Deze methode
      wordt gebruikt om een kwalitatief oordeel te geven als dat kwantitatief niet
      mogelijk is, bijvoorbeeld door een gebrek aan informatie over de toxiciteit of
      door het ontbreken van normen (grenswaarden). Deze situatie is van toepassing
      op nanodeeltjes. Daarom zijn er methodieken ontwikkeld en nog in ontwikke-
      ling, speciaal voor nanodeeltjes (voorbeelden: Stoffenmanager Nano; CB Con-
      trol Banding Nanotool; Cornelissen e.a. (2010); Control Banding van ANSES
      (Frankrijk); Groso e.a. (Zwitserland); Brouwer 2012).3,127-135 De methoden
      komen erop neer dat op basis van scores over een vooraf vastgestelde reeks fac-
      toren (de ernst van de risico’s en de waarschijnlijkheid van blootstelling) een
      bepaald nanodeeltje wordt ingedeeld in een risiconiveau. De risiconiveaus zijn
      vervolgens gekoppeld aan te nemen beheersmaatregelen. De werkgever is
      momenteel niet verplicht control banding uit te voeren; eigen methodieken kun-
      nen worden gebruikt indien die maar goed inzicht geven in de blootstelling en de
      risico’s die deze met zich meebrengt.
2.6.3 Beoordelen van de blootstelling
      Bij blootstelling kunnen de risico’s vaak worden ingeschat door de resultaten van
      de metingen op de werkplek te toetsen aan grenswaarden. Een grenswaarde is
      een stofspecifieke norm, een concentratie in de lucht, die door de overheid of het
      bedrijfsleven is vastgesteld. De waarde geeft aan bij welke grens de blootstelling
      onaanvaardbaar wordt. Komen de metingen op een hogere concentratie uit dan
      de grenswaarde, dan dienen beheersmaatregelen genomen te worden. Aan de
      grenswaarde liggen wetenschappelijke bevindingen ten grondslag over de te ver-
      wachten schadelijke gezondheidseffecten en de relatie tussen de mate van bloot-
      stelling en het optreden van die effecten.
           Voor veel van de stoffen die op dit moment in nanomaterialen worden toege-
      past is de potentiële toxiciteit van de reguliere stoffen goed in kaart gebracht en
 8    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>   zijn grenswaarden vastgesteld.136 Inspelend op de verwachting dat een nanodeel-
   tje verhoudingsgewijs schadelijker is dan de reguliere stof, zijn in Duitsland
   (DFG) en Amerika (ACGIH) de grenswaarden voor inhaleerbaar en respirabel
   stof (met lage chemische toxiciteit) aangepast. De betreffende grenswaarden gel-
   den daar niet meer voor stof op nanoschaal.137-140
        Er zijn her en der voor bepaalde nanodeeltjes al aparte grenswaarden aanbe-
   volen.132 Deze zijn gebaseerd op de resultaten van een aantal (sub)chronische
   dierexperimenten. Zo heeft de Amerikaanse NIOSH* in 2005 een voorstel
   gedaan voor ultrafijn titaniumdioxide en in 2011 voor koolstofnanobuisjes.141,142
   Verder heeft Bayer MaterialSciene, een onderdeel van het Duitse chemiebedrijf
   Bayer, een voorstel gedaan voor hun Baytubes® (meerwandige koolstofnano-
   buisjes).143
         Er is daarnaast een initiatief onder de leden van de internationale Organisatie
   voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling om gegevens te genereren,
   zodat een kwantitatieve risicoanalyse kan worden uitgevoerd voor veertien ver-
   schillende synthetische nanomaterialen die commercieel worden toegepast of
   binnenkort commercieel toegepast zullen gaan worden.144,145
        Voor de meeste nanodeeltjes is nog onvoldoende informatie beschikbaar om
   wetenschappelijk onderbouwde grenswaarden te kunnen vaststellen. Daarom
   worden in verschillende landen de laatste tijd nano-referentiewaarden voorge-
   steld. Dit zijn tijdelijke pragmatische richtwaarden, die zouden moeten gelden
   totdat er voldoende informatie beschikbaar is. Nano-referentiewaarden zijn dus
   geen wetenschappelijk afgeleide normen en dienen ook niet als zodanig te wor-
   den gehanteerd. Voorstellen voor referentiewaarden zijn gedaan in Duitsland
   (IFA)**, het Verenigd Koninkrijk (BSI)*** en Nederland (RIVM).146-148 Zich
   baserend op de voorstellen van de IFA heeft het RIVM nanomaterialen in vier
   groepen onderverdeeld, en voor elke groep een nano-referentiewaarde voorge-
   steld (zie tabel 3).
        In 2012 heeft de Sociaal-Economische Raad onderzocht of de voorgestelde
   nano-referentiewaarden in de praktijk haalbaar zijn.149,150 Op basis van een pilot
   stelt de Sociaal-Economische Raad enkele wijzigingen in de indeling van de
   nano-referentiewaarden voor (zie tabel 4).
   De Amerikaanse NIOSH (National Institute for Occupational Health and Safety) is een federaal
   agentschap dat verantwoordelijk is voor het uitvoeren van onderzoek en het doen van aanbevelingen
   ten behoeve van preventie van werkgerelateerde aandoeningen en ongevallen.
*  Het Institut für Arbeitsschutz der Deutschen Gesetzlichen Unfallversicherung (IFA) is een onder-
   zoeksinstituut dat de Duitse sociale ongevallenverzekeringsinstituten en -organisaties ondersteunt bij
   wetenschappelijke en technische problemen aangaande veiligheid en gezondheid op het werk.
** BSI is het equivalent voor de Engelse National Standards Body, een non-profit organisatie, die zich
   onder meer bezig houdt met het opstellen van standaarden voor chemische stoffen.
   Nanodeeltjes op de werkplek                                                                            39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   Tabel 3 Nano-referentiewaarden, zoals voorgesteld door het RIVM in 2010.148
        Beschrijving              Dichtheid         NRW                Nanomaterialen
  1     Koolstofnanobuisjes       -                 0,01 vezels/cm3 Koolstofnanobuisjes waar-
        waarvoor asbestachtige                                         voor asbestachtige effecten
        effecten niet zijn uitge-                                      niet zijn uitgesloten.
        sloten.
  2     Metalen, metaaloxiden > 6.000 kg/m3         20.000             goud, zilver, ijzer, lood, tita-
        en andere biopersistente                    deeltjes/cm3       niumdioxide, ceriumdi-
        granulaire nanomateria-                                        oxide, zinkoxide, amorf
        len met een diameter                                           silica, aluminiumtrioxide,
        van 1 tot 100 nm.                                              tindioxide, cobaltoxide en
                                                                       nanoklei.
  3     Biopersistente granu-     < 6.000 kg/m3     40.000             C60, carbon black, titaanni-
        laire nanomaterialen met                    deeltjes/cm3       tride, antimoonoxide, poly-
        een diameter van 1 tot                                         meren, polystryreen,
        100 nm.                                                        dendrimeren en koolstofna-
                                                                       nobuisjes.
  4     Niet-biopersistente       -                 Gangbare           Bijvoorbeeld: vetten, kool-
        nanomaterialen met                          grenswaarde        waterstoffen, siloxanen en
        een diameter van 1 tot                                         ultrafijne vloeibare deeltjes.
        100 nm.
  NRW, Nano-referentiewaarde (8-urig tijdgewogen gemiddelde).
  Tabel 4 Nano-referentiewaarden, zoals voorgesteld door de Sociaal-Economische Raad in 2012.149
       Beschrijving               Dichtheid        NRW                 Nanomaterialen
  1    Rigide biopersistente,     -                0,01 vezels/cm3     Koolstofnanobuisjes of
       nanovezels waarvoor                                             vezel-vormige metaaloxi-
       asbestachtige effecten                                          den waarvoor asbestachtige
       niet zijn uitgesloten.                                          effecten niet zijn uitgesloten
                                                                       door de fabrikant.
  2    Biopersistente granulaire > 6.000 kg/m3     20.000 deeltjes/cm3 goud, zilver, ceriumdioxide,
       nanomaterialen met een                                          cobaltoxide, ijzer en ijzer-
       diameter van 1 tot 100                                          oxiden, lood, antimoondi-
       nm.                                                             oxode, tindioxide.
  3    Biopersistente granulaire < 6.000 kg/m3     40.000 deeltjes/cm3 Aluminiumtrioxide, sili-
       en vezelvormige nano-                                           cium-dioxide, titaniumdi-
       materialen met een dia-                                         oxide, zink-oxide, nanoklei,
       meter van 1 tot 100 nm.                                         C60, carbon black, dendri-
                                                                       meren en polystry-reen.
                                                                       Nanovezels waarvoor
                                                                       asbestachtige effecten
                                                                       expliciet zijn uitgesloten.
  4    Niet-biopersistente gra- -                  Gangbare grens-     Bijvoorbeeld: vetten,
       nulaire nanomaterialen                      waarde              siloxanen en keukenzout.
       met een diameter van 1
       tot 100 nm.
  NRW, Nano-referentiewaarde (8-urige tijdgewogen gemiddelde).
0 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>2.6.4 Beheersmaatregelen
      Op basis van de inventarisatie en evaluatie van de blootstelling dient de werkge-
      ver bepaalde beheersmaatregelen te nemen. Daarvoor dient de arbeidshygiëni-
      sche strategie uit de Arbowet gevolgd te worden. Daarbij kunnen naar prioriteit
      beheersmaatregelen worden ingezet, zoals bron-, organisatorische en technische
      maatregelen, en persoonlijke maatregelen. Wat de bron van emissie en blootstel-
      ling betreft is prevention through design vermeldenswaardig. Dat wil zeggen dat
      nanomaterialen en productieprocessen tijdens het ontwerp zo worden gemodifi-
      ceerd dat de toxiciteit en emissie zo laag mogelijk blijven.
2.7   Evaluatie en conclusie
      In alle industriesectoren worden steeds vaker synthetische nanodeeltjes verwerkt.
      Steeds meer werknemers in de gehele gebruiksketen (ontwikkeling, productie,
      gebruik, recycling en afval) komen er aan bloot te staan. Het gaat verder om een
      grote diversiteit aan soorten nanodeeltjes met wisselende samenstelling, vorm en
      grootte.
2.7.1 Zijn nanodeeltjes schadelijk voor de gezondheid?
      De eerste toxicologische onderzoeken (met vooral dierexperimenten) duiden
      erop dat inademing van nanodeeltjes schadelijk kan zijn voor het ademhalings-
      stelsel en de hart- en bloedvaten. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor effecten op
      de (beschadigde) huid, het centrale zenuwstelsel en de voortplanting. Doordat
      nanodeeltjes gemakkelijker in de bloedbaan kunnen komen dan stoffen die bui-
      ten het nanobereik vallen, kunnen ze vrij eenvoudig diverse organen bereiken en
      wellicht ook de bloed-hersenbarrière en de placenta passeren. Huidblootstelling
      kan leiden tot huidontsteking en via beschadigde huid kunnen nanodeeltjes in de
      bloedbaan terecht komen. Enkele nanodeeltjes lijken de potentie te hebben kan-
      ker te veroorzaken bij proefdieren. Deze bevindingen baren de commissie zor-
      gen. De zorgen worden versterkt door de kennis die is opgedaan met
      (nano)deeltjes en vezels die in de natuur of onbedoeld zijn ontstaan (roetdeeltjes,
      vliegas en carbon black door verbranding van brandstoffen, lasrookdeeltjes,
      asbest en minerale kunstvezels) en waarvan is aangetoond dat deze bij de mens
      tot respiratoire en cardiovasculaire ziekten kunnen leiden.
           Tegenover dit alles staat dat bovenstaande bevindingen afkomstig zijn van
      een zeer beperkt aantal typen nanodeeltjes (koolstofnanobuisjes, fullerenen, tita-
      Nanodeeltjes op de werkplek                                                         41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>      niumdioxide en zilvernanodeeltjes). Naar andere typen nanodeeltjes is nog geen
      toxicologisch onderzoek naar is gedaan. Verder is het onderzoek beperkt tot dier-
      experimenten en in vitro-onderzoek. De uitgevoerde onderzoeken geven nog niet
      het totale plaatje van alle mogelijke schadelijke gezondheidseffecten. Er is bij-
      voorbeeld nog nauwelijks onderzoek gedaan naar chronische blootstelling en
      langetermijneffecten, zoals kanker. Hoewel de mogelijke verklarende toxicologi-
      sche mechanismen, zoals oxidatieve stress, en de daaruit voortvloeiende weefsel-
      schade relevant zijn voor de mens, dient in ogenschouw te worden genomen dat
      in sommige dierexperimenten blootstellingroutes zijn gekozen (injectie in de
      bloedbaan of buikholte, inbrengen in de luchtpijp) in combinatie met hoge dose-
      ringen die in een normale situatie bij de mens niet voorkomen.
          Uiteraard bepaalt de combinatie van blootstelling aan nanodeeltjes en de
      potentiële toxiciteit uiteindelijk of er sprake is van een risico. Vooralsnog is er
      geen bewijs dat blootstelling aan (bepaalde) nanodeeltjes bij de mens schade aan
      de gezondheid veroorzaakt, maar de gegevens die wel beschikbaar zijn geven
      voldoende aanleiding om voorzichtig om te gaan met nanomaterialen.
2.7.2 Een gezonde en veilige werkplek bij het werken met nanodeeltjes
      In de Arbowet is geregeld dat werkgevers voor een veilige en gezonde werkplek
      moeten te zorgen en dat werknemers zich dienen te houden aan de maatregelen
      die daarvoor worden genomen. Voor blootstelling aan nanodeeltjes is dat niet
      anders. Aangezien de aard en omvang van de gezondheidsrisico’s onzeker zijn,
      dient er alles aangedaan te worden om de blootstelling zo laag mogelijk te hou-
      den. Voor een goede inventarisatie en evaluatie van de risico’s bij werken met
      nanodeeltjes zijn middelen ontwikkeld speciaal voor nanodeeltjes, zoals nano-
      specifieke control banding en nano-referentiewaarden.
 2    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre> oofdstuk 3
          Blootstellingsregistratie
          Er is behoefte aan een blootstellingsregistratie voor bedrijven en instellingen
          waar op enigerlei wijze in de gebruiksketen nanomaterialen worden gehanteerd
          die tot blootstelling kan leiden. In dit hoofdstuk geeft de commissie handreikin-
          gen over het type informatie dat in zo’n registratie zou moeten worden verza-
          meld. Ook schetst zij de randvoorwaarden voor het welslagen van zo’n
          registratiesysteem.
3.1       Waarom de blootstelling registreren?
          Voor de minister is het inzetten van een registratie voor nanodeeltjes primair
          bedoeld om na te gaan of er een verband kan worden gelegd of uitgesloten met
          (eventueel later) optredende gezondheidseffecten. Vaak ook worden registraties
          ingezet als bekend is met welke gevaren en gezondheidsrisico’s men te maken
          heeft, maar ook kan het gaan om een vermoeden van gevaar. Registreren is niet
          gelijk aan onderzoek doen, maar de gegevens uit de registratie kunnen – indien
          systematisch en goed doordacht opgezet – wel dienen als informatiebron voor
          onderzoek.106,151,152 Registreren is ook niet gelijk aan een meldingssysteem
          waarbij in de regel extra verplichtingen gelden en een centrale autoriteit is
          betrokken; de twee systemen kunnen elkaar wel aanvullen en overlappen.
               Verder zou met een blootstellingsregistratie op individueel niveau achter-
          haald kunnen worden wie was blootgesteld en of iemand daardoor een verhoogd
          risico op gezondheidsschade heeft gelopen. Binnen een bedrijf kan een blootstel-
          Blootstellingsregistratie                                                         43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>    lingsregistratie worden gebruikt om te beoordelen of en welke beheersmaatrege-
    len getroffen moeten worden of dat de heersende maatregelen moeten worden
    aangescherpt. Ook kan het een hulpmiddel zijn bij de risicocommunicatie en
    bewustwording.151,152
3.2 Wanneer registreren?
    Om verbanden tussen blootstelling en ziekte te kunnen leggen of weerleggen zijn
    veel gegevens nodig van alle mogelijke typen nanodeeltjes of -materialen.
    Omdat er nog veel onduidelijk is over de potentiële toxiciteit van nanodeeltjes is
    de commissie daarom van mening dat alle onoplosbare en slecht in water oplos-
    bare nanodeeltjes moeten worden geregistreerd, ongeacht fysische staat of vorm.
    Het gaat dus ook om materialen in vaste vorm waarin nanodeeltjes zijn verwerkt
    en die voldoen aan de Europese definitie van een nanomateriaal. Als deze materi-
    alen in goede staat zijn zullen er nauwelijks nanodeeltjes uit vrijkomen, maar
    door slijtage en handelingen als boren en schuren kan dat wel gebeuren. Aan
    nanodeeltjes die bij contact met water of waterig milieu direct uiteenvallen of
    oplossen waardoor ze niet meer voldoen aan de EU-definitie van nanomaterialen
    zou de commissie minder prioriteit willen geven. Aangenomen wordt dat deze
    deeltjes in biologische systemen oplossen en zich niet anders gedragen dan stof-
    fen in ‘niet-nanovorm’ en daarmee niet de specifieke toxiciteit van nanodeeltjes
    vertonen. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat wateroplosbare nanodeeltjes geen
    schadelijke gezondheidseffecten kunnen veroorzaken.
        Inzichten in mogelijke gezondheidseffecten van nanodeeltjes worden het eer-
    ste verkregen in arbeidssituaties waarin blootstelling frequent voorkomt. De
    blootstellingregistratie is daarom bedoeld voor alle bedrijven en instellingen
    waarvan duidelijk is dat de werknemers herhaaldelijk en op gezette tijden bloot
    kunnen staan aan deze nanomaterialen. Incidenteel gebruik en ongevallen horen
    daar wat de commissie betreft niet bij.
        Omdat er nog zo weinig bekend is heeft de commissie geen wetenschappe-
    lijke gronden om bepaalde groepen werknemers of bepaalde industriesectoren
    waar gewerkt wordt met nanomaterialen aan te wijzen of uit te sluiten van een
    blootstellingsregistratie.
 4  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>3.3           Voorbeelden van bestaande registraties
3.3.1         Europa en de Verenigde Staten
              In een aantal landen zijn projecten gestart om de beroepsmatige blootstelling aan
              nanodeeltjes te registreren. Een enkel initiatief, zoals dat in Frankrijk (CEA),
              vloeit voort uit een wettelijke verplichting tot registratie en melding van arbeids-
              risico’s voor de individuele werknemer door blootstelling aan chemische stoffen.
              Andere initiatieven zijn opgezet op vrijwillige basis, maar verschillen in organi-
              satievorm. Het Britse ministerie Defra en de Amerikaanse Environmental Protec-
              tion Agency bijvoorbeeld, hebben registratieprogramma’s ontwikkeld en vragen
              aan bedrijven om bepaalde gegevens aan te leveren. In alle gevallen gaat het om
              centraal beheerde registraties. Er zijn ook eigen initiatieven, zoals bij de Ameri-
              kaanse AFRL/ASC, die zelf een registratiesysteem hebben ontwikkeld voor
              intern gebruik.
 and, initiator          :  Verenigd Koninkrijk, Department of Environment, Food and Rural Affairs (Defra; een overheids-
                            orgaan).
Naam programma           :  Voluntary Reporting Scheme (VRS), een tweejarige pilot, gelanceerd in 2006.153,154
Doel                     :  Meer kennis vergaren over de eigenschappen en karakteristieken van verschillende nanomateria-
                            len om de potentiële gevaren, blootstelling en risico’s beter in kaart te kunnen brengen, en in de
                            toekomst gerichtere beheersmaat-regelen te kunnen nemen.
 orm registratie         :  Defra beheert de gegevens van alle ingeschreven bedrijven. Inschrijving van bedrijven en onder-
                            zoeksinstellingen is op vrijwillige basis.
Welke gegevens worden :     Op bedrijfsniveau: onder meer de identiteit van de nanomaterialen, chemische en fysische karakte-
 erzameld?                  ristieken, het gebruik, productieproces, kans op blootstelling, gegevens over de levenscyclus van
                            het materiaal, en indien beschikbaar toxicologische gegevens (zie bijlage E).
Bevindingen              :  Het aantal bedrijven dat deelnam is erg laag (dertien formulieren waren ingevuld, elf van bedrij-
                            ven, twee van wetenschappelijke instituten). Dit komt volgens de Defra onder meer door de vele
                            gedetailleerde gegevens waarom gevraagd werd (en de daarbij horende kosten), zorgen over
                            eigendomsrechten, en dat bedrijven de persoonlijke voordelen ervan niet inzagen. Zowel Defra als
                            de betrokken Engelse stakeholders denken momenteel na over een betere implementatie van het
                            VRS. Belangrijke punten in bespreking zijn de vraag of niet beter alles geregeld kan worden op
                            Europees niveau, de vrijwillige versus verplichte deelname, en de wens van werkgevers om een
                            registratiesysteem dat zich beperkt tot basisgegevens.
 and, initiator          :  Verenigde Staten, Environmental Protection Agency (EPA)
Naam programma           :  Voluntary Nanoscale Materials Stewardship Program (NMSP), pilotprogramma in 2008.155,156
Doel                     :  Het verzamelen van bestaande gegevens, het genereren van nieuwe gegevens en het ontwikkelen
                            van goede praktijken.
 orm registratie         :  Bedrijven geven op vrijwillige basis de gevraagde gegevens aan de EPA, die deze voor hen cen-
                            traal beheert.
              Blootstellingsregistratie                                                                                      45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Welke gegevens worden :     Op bedrijfsniveau: onder meer algemene informatie over het bedrijf, informatie over identificatie,
 erzameld?                  chemische en fysische karakteristieken van het nanomateriaal, productie- en gebruiksinformatie,
                            informatie over blootstelling (kwalitatief en kwantitatief) en informatie over toegepaste beheers-
                            maatregelen (zie bijlage F).
 evindingen              :  Eind 2008 hadden 29 bedrijven informatie aangeleverd die gezamenlijk over 123 verschillende
                            nanomaterialen rapporteerden. Hoewel de EPA het NMSP succesvol vindt, zijn er ook punten van
                            aandacht. Zo is de participatie laag vergeleken met het aantal bedrijven dat nanodeeltjes hanteert,
                            blijken de aangeleverde gegevens niet altijd compleet te zijn, en merkt de EPA dat een aantal
                            bedrijven niet bereid is mee te doen en geen gegevens wil verstrekken over hun nanomaterialen.
                            De EPA denkt momenteel na over vervolgstappen om aan de benodigde informatie te komen.
 and, initiator          :  Frankrijk, Commissariat à l'énergie atomique et aux énergies alternatives (CEA).
Naam formulieren         :  Nanospecific individual exposure sheet.
Doel                     :  Het ontwikkelen van een registratie voor het routinematig verzamelen van kwalitatieve en kwanti-
                            tatieve gegevens over blootstellingsomstandigheden en – karakteristieken. Initiatief komt voort uit
                            meldingsplicht.
 orm registratie         :  CEA registreert van elke werknemer de blootstellingsomstandigheden.
Deelname                 :  Vijf à zeshonderd werknemers, voornamelijk werkzaam in laboratoria. Deelname is verplicht in
                            het kader van een Franse wet over arbeidsomstandigheden bij het werken met chemische stoffen.
Welke gegevens worden :     Gebruik van zelf ontwikkelde nanospecifieke blootstellingsformulieren, die zijn gebaseerd op een
 erzameld?                  algemeen blootstellingsformulier van de CEA. Voor elke werknemer moet zo’n formulier worden
                            ingevuld (zie bijlage G).
 evindingen              :  Niet gerapporteerd.
 and, initiator          :  Verenigde Staten, Air Force Research Laboratory (AFRL) en de Aeronautical Systems Center
                            (ASC)
Naam formulier           :  Personal nanomaterial exposure record.157
Doel                     :  Het bevorderen van risicocommunicatie en –management; in de toekomst zijn de gegevens vol-
                            gens de initiatoren wellicht ook bruikbaar voor epidemiologisch onderzoek.
 orm registratie         :  Verzamelen van gegevens van individuele werknemers van AFRL en ASC, die voornamelijk
                            werkzaam zijn in onderzoekslaboratoria.
Welke gegevens worden :     Elke werknemer heeft een record. De records zijn digitaal (via WINGS™, Web-interface nano-
 erzameld?                  technology environmental safety and health guidance system) en kunnen worden ingevuld door de
                            werknemer zelf of door een arbeidshygiënist.
Bevindingen              :  Niet gerapporteerd.
3.3.2         Nederland
              Specifieke blootstellingsregistraties op de werkplek bestaan al. Zo is er een Nati-
              onaal Dosisregistratie- en Informatiesysteem (NDRIS) voor beroepsmatige
              blootstelling aan ioniserende straling. Dit wordt in opdracht van het ministerie
              van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beheerd door de Nuclear Research and
              Consultancy Group. Registratie van ioniserende straling is een verplichting op
              basis van de Kernenergiewet. In feite gaat het om een meldingsplicht. Het gaat
              om individuele dosisgegevens die tot dertig jaar na beëindiging van de werk-
              zaamheden worden bewaard. Op dit moment bevat de registratie gegevens van
 6            Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>    zo’n honderdduizend personen. Het maakt voor de registratie niet uit of de werk-
    nemer bij een ander bedrijf of instelling gaat werken. Als een medewerker (tijde-
    lijk) in het buitenland gaat werken, krijgt hij of zij een zogenaamd
    stralingspaspoort mee, waarin blootstellingsgegevens geregistreerd moeten wor-
    den, die bij terugkomst worden opgenomen in het NDRIS.
         Verder staan in het Nederlandse Arbobesluit speciale voorschriften over
    registratie van kankerverwekkende, mutagene en reproductietoxische stoffen. De
    gegevens blijven in principe in het bezit en beheer van het bedrijf of de instelling
    waar de werknemers werken. Er is geen centrale registratie. Ook is er geen sys-
    teem dat de blootstellingsgeschiedenis bijhoudt wanneer een werknemer van
    werkgever en baan wisselt. Voor asbest zijn aanvullende voorschriften opgeno-
    men over de meetmethode en de referentieperiode van de meting. Ook moet de
    monstername representatief zijn voor de individuele blootstelling aan asbeststof.
    In een register dient van iedere werknemer die beroepsmatig wordt blootgesteld
    aan asbeststof een aantekening te worden gemaakt over de aard en de duur van
    de arbeid, alsmede de mate van de blootstelling. De gegevens dienen voor niet-
    deskundigen (werkgever, personeelsvertegenwoordiging) geanonimiseerd te
    worden.
         Ook al zijn er in Nederland geen specifieke registraties voor nanodeeltjes,
    bedrijven moeten voor alle mogelijke arbeidsgerelateerde gezondheidsrisico’s
    een RI&E opstellen, waarin een inventarisatie is gemaakt van de blootstellings-
    omstandigheden. Dit geldt dus ook voor bedrijven die nanodeeltjes produceren
    of verwerken.
3.4 Welke gegevens zijn minimaal nodig om de gezondheidsrisico’s in
    kaart te kunnen brengen?
    Om een goed beeld te kunnen krijgen van de aard en het niveau van de blootstel-
    ling en de daaraan verbonden risico’s zijn gegevens nodig over fysische en che-
    mische eigenschappen van nanodeeltjes, determinanten van emissie en
    blootstelling, en de hoogte en duur van de blootstellingen. Deze drie soorten
    gegevens zijn nauw met elkaar verbonden. De fysische en chemische eigen-
    schappen van nanodeeltjes bepalen bijvoorbeeld de potentie om schade aan te
    richten. Is die potentie laag dan zal in de regel de schade pas bij hogere blootstel-
    ling optreden. Gegevens over de determinanten van emissie en blootstelling zijn
    dus nodig om een beeld te krijgen van de emissie- en blootstellingsscenario’s die
    weer inzicht geven in de kans op blootstelling. Als er een kans op blootstelling is,
    bepaalt de hoogte en duur van de blootstelling of iemand uiteindelijk gezond-
    Blootstellingsregistratie                                                             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>      heidschade oploopt. De commissie vindt het daarom belangrijk dat in een bloot-
      stellingsregistratie deze drie soorten gegevens worden verzameld.
3.4.1 Gegevens over de fysische en chemische eigenschappen
      Welke eigenschappen bepalend zijn voor de potentiële toxiciteit van nanodeeltjes
      is niet bekend, maar het is aannemelijk dat verschillende eigenschappen in wisse-
      lende mate een rol spelen.10,26 Aangezien de fysische en chemische eigenschap-
      pen per type nanodeeltje kunnen verschillen, is het ook aannemelijk dat de
      potentiële toxiciteit per type nanodeeltje verschilt. Onderzoekers hebben daarom
      voorgesteld bij de toxicologische evaluatie verschillende fysisch-chemische
      eigenschappen te beschrijven.10,158-164 In navolging hiervan heeft het ISO een
      richtlijn voorgesteld voor de karakterisering van gesynthetiseerde nanodeel-
      tjes.165 In deze richtlijn worden acht eigenschappen genoemd, te weten:
      • Deeltjesgrootte en grootteverdeling. Door hun geringe grootte kunnen nano-
          deeltjes barrières in het lichaam passeren, waardoor zij organen, cellen en
          celonderdelen kunnen binnendringen.166 Een ander aspect is dat in de prak-
          tijk veel nanomaterialen nanodeeltjes bevatten van verschillende grootte. Als
          bijvoorbeeld verschillende aerosolen of suspensies van een zelfde nanomate-
          riaal een verschillende verdeling van de deeltjesgrootte hebben, kan dat de
          mate van toxiciteit beïnvloeden.
      • Klitvorming. Nanodeeltjes die vlak na emissie in vrije vorm in de lucht
          terecht komen, vormen meestal – naarmate ze verder verwijderd zijn van de
          emissiebron – condensatiekernen of agglomeraten en aggregaten, waardoor
          de deeltjes uiteindelijk groter kunnen worden dan 100 nm.26,167-169 Nanodeel-
          tjes kunnen in de lucht ook binden aan grotere stofdeeltjes van andere bron-
          nen.169 Dit betekent dat nanodeeltjes in het algemeen bij inademing niet
          dezelfde vorm hebben als bij de emissiebron. Het betekent ook dat deze
          agglomeraten of aggregaten andere fysische-chemische eigenschappen kun-
          nen hebben dat het vrije deeltje, waardoor de toxiciteit kan worden beïn-
          vloed.
      • Vorm. Nanodeeltjes worden gesynthetiseerd in allerlei vormen, van simpele
          bolvormige (sferische) deeltjes, vezelachtige structuren tot complexe niet-
          sferische structuren. Uit de kennis die is opgedaan met asbestvezels en mine-
          rale kunstvezels blijkt dat biologische systemen meer moeite hebben om
          vezelachtige structuren te verwijderen dan niet-vezelachtige structuren, zoals
          sferische deeltjes.
      • (Specifieke) deeltjesoppervlak. De totale oppervlakte van nanodeeltjes is per
          massa-eenheid groter dan voor dezelfde stof met grotere afmetingen (zie
 8    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>     tabel 5). Een groter oppervlak betekent dat er meer reactieve chemische ver-
     bindingen met het biologische systeem in contact staan. Dit betekent dat bij
     eenzelfde massa-eenheid de mate van toxiciteit van nanodeeltjes groter is dan
     van deeltjes of stoffen die niet onder de EU-nanodefinitie vallen.4,11,12
•    Samenstelling. Het gaat om informatie over onder meer de chemische samen-
     stelling, of het nanomateriaal een kristallijne structuur heeft en wat de even-
     tuele verontreinigingen zijn.
•    Oppervlaktechemie. Sommige chemische verbindingen zijn reactiever dan
     andere verbindingen, waardoor de ene verbinding makkelijker schade ver-
     oorzaakt dan de andere. Het gaat specifiek om chemische verbindingen die
     aan het oppervlakte van het nanodeeltjes liggen.
•    Oppervlaktelading. Uit diverse onderzoeken met gekweekte cellen en bacte-
     riën blijkt dat sterk negatieve of positieve ladingen (uitgedrukt als de zetapo-
     tentiaal van deeltjes in een colloïdale suspensie) aan het oppervlak van
     nanodeeltjes tot slechtere of juist tot betere celopname leiden dan dezelfde
     nanodeeltjes met een neutrale lading. Dit beïnvloedt de mate van toxiciteit.
     Tests zijn uitgevoerd met diverse nanomaterialen, zoals cerium-, silicon-,
     goud- en zilvernanodeeltjes en quantum dots.64,170-176
•    Oplosbaarheid en dispergatie. Oplosbaarheid verwijst naar de mate en snel-
     heid waarin nanodeeltjes oplossen in water (doordat het een binding aangaat
     met watermoleculen of omdat het deeltje in ionen uiteenvalt). Dispergatie
     verwijst naar colloïden, emulsies en suspensies.
Andere fysische eigenschappen die in de literatuur in verband gebracht worden
met de potentiële toxiciteit van een nanodeeltje zijn polariteit, dichtheid, hard-
heid, optische en magnetische eigenschappen.10,158-164
De commissie vindt de bovenstaande acht eigenschappen relevant om in de
blootstellingsregistratie op te nemen.
 Tabel 5 Diameter, aantal en oppervlak van deeltjes bij eenzelfde massaconcentratie van 10 µg/m3.4
Aantal deeltjes per cm3          Diameter (nm)                     Oppervlak deeltje (µm2/cm3)
153.000.000                          5                             12.000
   2.400.000                        20                              3.016
       1.200                       250                                240
           0,15                  5.000                                 12
µg/m3, microgram per kubieke meter; µm2/cm3, vierkante micrometer per kubieke meter
Blootstellingsregistratie                                                                          49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>3.4.2 Determinanten van emissie en blootstelling
      Determinanten van emissie en van blootstelling kunnen vanuit twee invalshoe-
      ken worden geanalyseerd.
          Eén invalshoek is die vanuit het procesontwerp.177-179 Productieprocessen
      worden daarbij in drie dimensies beschreven: de productiefunctie die de ‘wat-
      vraag’ beantwoordt, en het verschil tussen beginfase – voordat een processtap is
      uitgevoerd – en de eindfase benoemt; het productieprincipe die de ‘hoe-vraag’
      beantwoordt, dus hoe de productiefunctie wordt uitgevoerd; de uitvoeringsvorm
      die de ’waarmee-vraag’ beantwoordt en een beschrijving geeft waarmee de pro-
      ductieprincipes feitelijk wordt uitgevoerd. Een gedetailleerde uitleg over deze
      drie dimensies is in bijlage K te vinden. Een aantal voorbeelden uit de weten-
      schappelijke literatuur van ontwerptechnische analyses voor nanodeeltjes staan
      in bijlage I.
          Een andere invalshoek is een stapsgewijze analyse vanuit de emissiebron tot
      de blootstelling in de ademzone van een werknemer (bron-receptorbenadering),
      zoals die recent ook is uitgewerkt voor nanodeeltjes.180,181
          De ontwerptechnische analyse en de bron-receptorbenadering leveren verge-
      lijkbare lijsten van determinanten van emissie en blootstelling op, hoewel de
      invalshoeken anders zijn. Ze sluiten ook goed op elkaar aan, omdat de kans op
      blootstelling voor een werknemer afhangt van de sterkte van de emissie-
      bron(nen) en van de mate van transport tussen bron en werknemer. Determinan-
      ten van emissie en blootstelling zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. De
      hieronder puntsgewijs genoemde determinanten beschrijven het proces van
      emissie tot blootstelling in de ademzone en volgen hiermee ook de arbeidshygië-
      nische strategie.
      Determinanten van emissie:
      • de uitgangsmaterialen (hoeveelheid, stoffigheid van het product, al dan niet
          gevangen in een matrix (bijvoorbeeld deeltjes in suspensie))
      • de uitvoering van het proces (mengen, scheiden, oppervlaktebehandeling)
      • hoe het proces wordt uitgevoerd (handmatig, mechanisch of automatisch;
          continu versus batchgewijs)
      • en in welke setting waarin het proces wordt uitgevoerd (open of gesloten sys-
          temen).
 0    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>      Determinanten van blootstelling:
      • afscherming van de bron(nen) (bijvoorbeeld aparte werkruimte, lokale
          afscheiding en geïsoleerde cabines)
      • lokale beheersmaatregelen (bijvoorbeeld ventilatie en verneveling van water
          tijdens verspanende werkzaamheden)
      • gegevens over algemene ventilatie (mechanische en natuurlijke ventilatie)
      • oppervlaktebesmetting door besmette werkkleding, apparatuur, tafels of
          gereedschap (wordt verminderd door bijvoorbeeld good housekeeping en nat
          schoonmaken)
      • de positie van de werker ten opzichte van de emissiebron(nen) (bronnen dicht
          bij de werker hebben grotere invloed op blootstelling in de ademzone van de
          werker dan vergelijkbare bronnen op afstand)
      • de werkomgeving (binnen versus buiten; grootte ruimte).
      De mate waarin nanodeeltjes daadwerkelijk de huid- of ademzone van de werk-
      nemer bereiken, wordt bepaald door gebruik van persoonlijke beschermingsmid-
      delen.
3.4.3 Blootstellingsmetingen
      Door het meten van de blootstelling wordt duidelijk of iemand werkelijk is bloot-
      gesteld en in welke mate. Op de werkplek ligt de focus op blootstelling via de
      lucht, omdat dit daar als de belangrijkste blootstellingsroute wordt beschouwd.
      De commissie realiseert zich dat er ook schadelijke effecten op de gezondheid
      kunnen optreden na blootstelling via de huid (door direct contact met suspensies
      of poeders) of via de mond (door bijvoorbeeld besmet voedsel door vuile handen,
      en het inslikken van nanodeeltjes die zijn weggevangen door het slijm van de
      luchtwegen). De commissie gaat hier echter niet verder op in en wijdt deze para-
      graaf in zijn geheel aan blootstelling via de lucht.
      Blootstellingsparameters
      Het is de vraag of de gangbare blootstellingsmaat voor chemische stoffen –
      namelijk de massaconcentratie – wel de meest geschikte maat is voor nanodeel-
      tjes. Bij vezels bleken de specifieke vezelafmetingen in combinatie met het
      vezelaantal een goede voorspeller te zijn voor bepaalde gezondheidseffecten.182
      Ook de deeltjesoppervlakte zou een goede maat kunnen zijn: hoe groter de
      oppervlakte van de deeltjes is, hoe groter de kans op interactie en dus op eventu-
      ele toxische effecten.183 Verschillende dierexperimentele en laboratoriumonder-
      Blootstellingsregistratie                                                          51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>  zoeken met onder meer titaniumdioxide-deeltjes, carbon black en amorfe
  silicadeeltjes toonden aan dat het deeltjesoppervlak een betere relatie tussen
  blootstelling en respons opleverde wat ontstekingen in long- en luchtwegweefsel
  betreft, dan de massaconcentratie.61,75,184
       In de literatuur over nanodeeltjes wordt over blootstelling gerapporteerd in
  verschillende maten. Dit maakt het vergelijken van gegevens lastig. Om dit te
  verhelpen zijn verschillende strategieën uitgedacht waarbij standaardisatie en
  internationale aansluiting worden nagestreefd.26,185 De Amerikaanse NIOSH bij-
  voorbeeld heeft de Nanoparticle Emission Assessment Technique geïntrodu-
  ceerd.186,187 Hiermee worden de massaconcentratie en het aantal deeltjes in de
  lucht bepaald en daarnaast luchtmonsters verzameld op een filter voor verdere
  karakterisering met een elektronenmicroscoop. Een vergelijkbare meetstrategie
  is voorgesteld door een internationale werkgroep van het Europese NANOSH-
  project.188,189 In Duitsland hebben verschillende instituten gezamenlijk een
  ‘tiered-approach’ benadering voorgesteld. Die houdt in dat in stappen bepaald
  wordt of het meten van de blootstelling nodig is en zo ja welke metingen dan het
  beste kunnen worden uitgevoerd.190 Ook in Nederland zijn er activiteiten op dit
  gebied. Zo loopt er binnen het NanoNextNL* een project dat specifiek gericht is
  op het karakteriseren en meten van blootstelling aan nanodeeltjes op de werk-
  plek. Eind 2011 organiseerde TNO een internationale workshop om te zien of
  harmonisatie van meetstrategieën bij blootstelling aan nanodeeltjes te stimuleren
  is.
  Meetinstrumenten
  De meest genoemde instrumenten die gebruikt worden om de blootstelling te
  bepalen in één van bovengenoemde maten, zijn te vinden in bijlage J. In de bij-
  lage worden ook enkele instrumenten genoemd voor de karakterisering van deel-
  tjes, met name van de deeltjesgrootte en de grootteverdeling.
       De vraag is echter in hoeverre de genoemde instrumenten geschikt zijn om
  routinematig de blootstelling in de atmosfeer van de werkplek te meten. De voor-
  keur gaat uit naar eenvoudig te bedienen instrumenten, die werknemers bij zich
  kunnen dragen. Zo kunnen tijdens het werk persoonlijke blootstellingsmetingen
  verricht worden in de ademzone. De meetuitslag is direct afleesbaar en specifiek
  voor het nanodeeltje waarmee gewerkt wordt.26 In de ideale situatie meet zo’n
  instrument tegelijkertijd alle genoemde grootheden.
  NanoNextNL is een samenwerkingsverband tussen het Nederlandse bedrijfsleven en kennisinstellin-
  gen. Voor meer informatie zie www.stw.nl.
2 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>     Geen van de in de bijlage genoemde instrumenten voldoen volledig aan dit
ideale beeld. Sommige zijn bijvoorbeeld zwaar, waardoor alleen stationaire
metingen kunnen worden verricht. Voor andere instrumenten is specialistische
kennis vereist. Vrijwel alle instrumenten maken geen onderscheid tussen deeltjes
met een verschillende samenstelling en tussen vrije nanodeeltjes en agglomera-
ten/aggregaten. Daarnaast zijn veel instrumenten gericht op sferische deeltjes en
is nog onduidelijk wat hun reactie is op ‘high-aspect-ratio’ nanomaterialen. Ver-
der zijn de huidige instrumenten minder nauwkeurig in het meten van het aantal
deeltjes naarmate deze kleiner zijn. Veel instrumenten detecteren geen deeltjes
onder de 10 tot 20 nm.168,182 Van de instrumenten die de deeltjesoppervlakte
meten, zijn de meeste vaak gebaseerd op de BET (Brunauer Emmett Teller)
methode.191 De BET-methode berekent de totale interne oppervlakte en niet
alleen de actieve (buiten)oppervlakte.192 De BET-oppervlakte is in feite de wer-
kelijke oppervlakte, omdat de oppervlakte van poriën in deeltjes wordt meege-
teld. Ook kan de BET de som van alle oppervlakten van deeltjes in een
agglomeraat berekenen. De deeltjesoppervlakte kan echter minder geschikt zijn
als aggregatie- en/of agglomeraatvorming de interactie met biologische systemen
beïnvloeden.164 Hoewel de interne oppervlakte meestal goed correleert met de
toxische effecten, bestaan er nog geen draagbare meetinstrumenten die routine-
matig de interne oppervlakte van nanodeeltjes kunnen meten.75,184,193,194
     Daar staat tegenover dat een aantal instrumenten in ontwikkeling zijn en zelfs
al in de testfase verkeren om aan de meeste van bovengenoemde bezwaren, zoals
het kunnen meten in de ademzone en het kunnen meedragen, tegemoet te komen
(Nanodevice project van de EU, Cena e.a.195; Asbach e.a.196). Voorbeelden uit
bijlage J zijn de NanoCheck en de NanoTracer, maar ook met de NSAM, de Mat-
ter Diffusion Size Classifier of een Condensation Nucleus Counter (CNC/CPC)
zou een redelijke goede inschatting van de blootstelling kunnen worden gemaakt.
De vorm van nanodeeltjes kan met behulp van een scanning- of transmissie-elek-
tronenmicroscoop worden bepaald. Dit gebeurt door stofmonsters te verzamelen
op de werkplek, die daarna in een gespecialiseerd laboratorium worden geanaly-
seerd.
     Los van de meetinstrumentaria zijn voor een interne kwaliteitscontrole van
de analyseresultaten (gecertificeerde) referentiematerialen nodig. De Joint
Research Centre van de Europese Unie heeft recent vijfentwintig verschillende
nanomaterialen ontwikkeld die dienst kunnen doen als referentiemateriaal.*
Bron: http://ihcp.jrc.ec.europa.eu/our_activities/nanotechnology/european-repository-reference-
nanomaterials.
Blootstellingsregistratie                                                                       53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>       Voorgaande maakt duidelijk dat er met de huidige instrumenten redelijke
  schattingen van de blootstelling kunnen worden gemaakt, ondanks dat er nog
  veel punten opgelost moeten worden om de ideale metingen te kunnen verrich-
  ten.
  Voorbeelden van blootstellingsmetingen
  Er zijn een paar werkplekonderzoeken gepubliceerd waarin de blootstelling aan
  nanodeeltjes kwantitatief is gemeten. In de meeste gevallen ging het om piek- en
  taakgebonden metingen en niet om achtuursmetingen.
       Ontwikkeling en vervaardiging. NIOSH voerde stationaire blootstellingsme-
  tingen uit in een onderzoekslaboratorium waar materialen werden geproduceerd
  met koolstofnanovezels.197 Tijdens het natslijpen van het materiaal werden ver-
  hoogde koolstofgehaltes in de lucht gemeten (1.094 µg/m3); in nabij gelegen
  kantoren werd gemiddeld niet meer dan 17 µg/m3 gemeten. Ook het afwegen en
  het mengen van de nanovezelpoeders met oplosmiddelen veroorzaakten ver-
  hoogde gehaltes in de lucht. Verhoogde gehaltes werden ook gevonden op opper-
  vlak van werkplekken en op werktafels bij slijpmachines. Daarnaast waren er
  aanwijzingen dat de nanovezels zich via de binnenlucht en via de vloer (neerge-
  daald stof) verspreidden naar de kantoren. De meeste vezels in de lucht en op
  oppervlakken waren aanwezig als agglomeraten en niet als vrije vezeldeeltjes.
       Recent heeft NIOSH een ander blootstellingsonderzoek uitgevoerd in zes
  bedrijven waar gewerkt werd met koolstofnanobuisjes en -vezels. De monsters
  (persoonlijk en taakgericht) werden geanalyseerd op inhaleerbaar en respirabel
  massaconcentratie van elementair koolstof en op structuren van koolstofnano-
  buisjes met behulp van transmissie-electronenmicroscopie. In twee bedrijven
  werd een massaconcentratie van boven de 7 µg/m3 gemeten. Deze niveaus wer-
  den gemeten tijdens handelingen waarbij poeders werden gebruikt, zoals bij
  mengen en wegen. In de andere bedrijven werden niveaus onder de 7 µg/m3
  gemeten.198
       Eindgebruikers. Arbouw* publiceerde recent de resultaten van een klein
  blootstellingsonderzoek onder werknemers in de bouw.199 Ze gebruikten nano-
  materialen zoals titaniumdioxide, siliciumdioxide en zinkoxide in cement en
  beton, verven en lakken en glas, en nanoklei in verven en lakken. De kans op
  blootstelling bleek het grootst tijdens het snijden, stralen, boren en machinaal
  bewerken, of bij inademing van aerosolen bij het spuiten van (muur)verf. In alle
  Arbouw is een door Nederlandse werkgevers- en werknemersorganisaties opgerichte stichting om de
  arbeidsomstandigheden in de bouwnijverheid te verbeteren.
4 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>      gevallen ging het om kortdurende hoge piekblootstellingen. De naar achtuurs-
      waarden omgerekende concentraties waren 258 deeltjes/cm3 (verspuiten van
      zelfreinigende coating) en 1.014 deeltjes/cm3 (mixen van NanoCrete mortel).
      Het ging in beide situaties om persoonlijke metingen. Op een andere locatie waar
      geboord werd in uitgehard beton werden de metingen stationair verricht. De
      waarden varieerden van 46 tot 132 deeltjes/cm3 (Nanocrete beton) en 35 tot 64
      deeltjes/cm3 (normaal beton). Ter vergelijk: de door SER geadviseerde nano-
      referentiewaarde is 20.000 deeltjes/cm3. In hoeverre dit onderzoek representatief
      is voor de hele bouwsector is onduidelijk.
          In een TNO-rapport wordt melding gemaakt van indicatieve blootstellings-
      metingen in zes bedrijven.15 Vooral de toepassingstechniek maar ook de omstan-
      digheden (ventilatie, buitenlucht) beïnvloedden hoeveel deeltjes in de lucht
      terechtkwamen. Sprayen en spuiten leverden bijvoorbeeld de hoogste deeltjes-
      concentraties op (8.000-39.000 deeltjes/cm3), die bovendien boven de achter-
      grondconcentratie uitkwamen. Rol-, kwast- of gietactiviteiten leverden geen
      noemenswaardige verhoging op van het aantal deeltjes in de lucht ten opzichte
      van de achtergrondwaarden.
          Meer voorbeelden van met name in het buitenland verrichtte metingen zijn te
      vinden in de literatuur.25,186,187,200-204
3.4.4 Registratieformulier
      In bijlage K geeft de commissie de contouren weer van wat zij belangrijke gege-
      vens acht om een goed beeld te krijgen van de aard en het niveau van de bloot-
      stelling, en waarmee in de toekomst verbanden kunnen worden (weer)legd met
      eventueel optredende gezondheidseffecten. Naast de drie soorten gegevens die in
      de paragrafen 3.4.1 t/m 3.4.3 zijn beschreven gaat het ook om algemene gege-
      vens over het bedrijf of instelling, de identiteit van de nanomaterialen (indien van
      toepassing) en nanodeeltjes en de werktaken van werknemers. De registratie
      maakt onderscheid tussen producten waarin nanodeeltjes zijn verwerkt, en enkel-
      voudige nanodeeltjes die als zodanig worden geproduceerd of gebruikt. Het gaat
      de commissie uiteindelijk om de nanodeeltjes; daarvan worden gegevens over de
      fysische en chemische eigenschappen gevraagd.
          De commissie ziet bijlage K als uitgangspunt voor een zo volledig mogelijk
      gegevensbestand. De gegevens in de bijlage vertonen overlap met de gegevens
      die gevraagd worden in verschillende buitenlandse registratieprojecten (zie bijla-
      gen E t/m G) en een registratieformulier dat is opgesteld in het kader van het
      NANEX-WP2 programma van de Europese Unie (bijlage H).
      Blootstellingsregistratie                                                            55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>3.5 Randvoorwaarden voor implementatie
    Het succes van een registratie hangt niet alleen af van de inrichting ervan, maar
    ook van een goede implementatie. Hiervoor moet aan een aantal randvoorwaar-
    den zijn voldaan.
    • Registratie op bedrijfsniveau. Op dit moment vindt de commissie het vol-
       doende als gegevens op bedrijfsniveau worden aangeleverd, mits deze vol-
       doende gedetailleerd zijn. Mocht in de toekomst door nieuwe kennis de
       urgentie ontstaan om individuele werknemers te traceren die redelijkerwijs
       blootgesteld kunnen zijn geweest, dan kunnen deze mensen op eenvoudige
       wijze getraceerd worden via personeelsdossiers. Daarbij veronderstelt de
       commissie dat in de personeelsdossiers ook de taken of functies van iedere
       werknemer worden opgenomen.
    • Actualisatie. De registratie is niet bedoeld om slechts eenmalig gegevens op
       te slaan. Emissie- en blootstellingsscenario’s kunnen in de loop van de tijd
       veranderen, daarom is het belangrijk deze veranderingen te registreren.
    • Niet vrijblijvend registreren. Praktijkvoorbeelden uit het buitenland laten
       zien dat bij vrijwillige deelname de participatiegraad relatief laag is en dat
       baart de commissie zorgen (zie paragraaf 3.3.1). De lage participatie werd
       veroorzaakt door problemen met het recht van eigendom (productgegevens)
       en intellectuele eigendomsrechten. Ook bleken werkgevers moeite te hebben
       met het aanleveren van de in hun ogen grote hoeveelheid gegevens. Het ver-
       zamelen van die gegevens kostte volgens hen zoveel tijd dat dit niet meer in
       verhouding stond met het productie- en gebruiksvolume. De commissie vindt
       dat er alles aan gedaan dient te worden om een hoge participatiegraad te
       bereiken. Aangezien er nog maar weinig gegevens zijn, is momenteel elke
       bijdrage daaraan belangrijk.
    • Centrale registratie. Voor een zinvolle registratie is een systematische,
       gestructureerde en uniforme opzet nodig. Dit zorgt ervoor dat gegevens tot
       één geheel kunnen worden samengevoegd en het duidelijker wordt of er een
       verband bestaat tussen blootstelling en nadelige gezondheidseffecten. Cen-
       traal beheer (door een overheidsinstelling of een onafhankelijke organisatie)
       zou daarbij volgens de commissie de beste optie zijn. Daarnaast leert de erva-
       ring dat registraties niet goed functioneren als er geen centrale regie is.
    • Wie heeft toegang tot de registratie? Dit is voor de commissie een lastig te
       beantwoorden vraag omdat daar allerlei aspecten aanzitten die buiten het
       werkterrein van de Gezondheidsraad vallen, zoals privacyregelgeving en
 6  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>         eigendomsrechten. Voor onderzoeksdoeleinden zou het mogelijk moeten zijn
         dat geanonimiseerde gegevens beschikbaar komen.
    •    Bewustwording. Fabrikanten en importeurs hoeven volgens de huidige regel-
         geving bij hun producten niet te melden dat er nanodeeltjes in verwerkt zijn
         en om welke nanodeeltjes het gaat. Dit betekent dat niet iedereen zich er van
         bewust is dat op het bedrijf gewerkt wordt met nanomaterialen. Dit kan een
         goede blootstellingsregistratie in de weg staan. Het is dus essentieel dat
         bedrijven goed worden geïnformeerd.
3.6 Aansluiting op of implementatie met bestaande registratiesystemen
    De commissie heeft onderzocht of een blootstellingsregistratie voor nanodeeltjes
    kan aansluiten bij bestaande systemen voor het inventariseren van de blootstel-
    ling, of eventueel daarin geïmplementeerd kan worden. In Nederland gaat het om
    de RI&E en de REACH-registratie. Verschillende gegevens die verzameld moe-
    ten worden voor de RI&E en de REACH-registratie zijn ook nodig voor de
    blootstellingsregistratie, dus die gegevens kunnen worden overgenomen. Maar
    de overlap met de meeste gegevens is erg klein. De RI&E en de REACH-regis-
    tratie zijn met andere doelen opgezet en worden op een andere manier uitgevoerd
    dan de blootstellingsregistratie die de commissie voor ogen heeft. De RI&E is
    bijvoorbeeld bedoeld om een oordeel te geven over de te verwachten arbeidsri-
    sico’s binnen een bedrijf. De opzet ervan verschilt per bedrijf of bedrijfstak,
    waardoor het samenvoegen van gegevens onmogelijk is. Voor de REACH-regis-
    tratie dienen producenten en importeurs gegevens aan te leveren over de stoffen
    die zij verkopen. Producenten hoeven op dit moment niet te vermelden of hun
    producten nanodeeltjes bevatten. Daarnaast is registratie alleen nodig als de pro-
    ductie (of import) meer dan een ton per jaar betreft. Het gaat verder om produ-
    centen, en die vormen maar een deel van de gebruiksketen. De commissie ziet
    geen goede aansluiting of implementatiemogelijkheden met de RI&E en de
    REACH-registratie, hoewel een klein deel van de gegevens die daarin zijn verza-
    meld ook bruikbaar zijn voor de blootstellingsregistratie.
         Buitenlandse registratieprojecten (zie paragraaf 3.3.1) vertonen ook overlap
    met de gegevens die de commissie zou willen verzamelen. Dit geldt echter niet
    voor de uitvoering ervan en de mate waarin om details wordt gevraagd. Daar-
    naast gaat het in veel gevallen om proefprojecten, waarbij het onduidelijk is of
    deze een vervolg krijgen. Daarom zou de commissie terughoudend willen zijn
    om bij deze projecten aan te sluiten. Wel kunnen deze projecten als basis dienen
    voor de op te zetten blootstellingsregistratie.
    Blootstellingsregistratie                                                          57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>3.7 Dient voor de registratie onderscheid gemaakt te worden tussen
    categorieën nanodeeltjes?
    De SER heeft voorgesteld om nanodeeltjes in te delen in vier categorieën, en
    daarop de te nemen beheersmaatregelen af te stemmen:2
    a vezelvormige onoplosbare nanodeeltjes (lengte > 15 µm)
    b nanodeeltjes waarvan bekend is dat ze in moleculaire of in ’grofstoffelijke
         deeltjesvorm’ kankerverwekkend, mutageen, reprotoxisch en/of sensibilise-
         rend zijn
    c onoplosbare of slecht oplosbare nanodeeltjes (en niet in één van de voor-
         gaande categorieën in te delen)
    d oplosbaar (en niet in één van de voorgaande categorieën in te delen).
    De indeling is gebaseerd op de fysische eigenschappen van nanodeeltjes en op de
    te verwachten gezondheidseffecten en toxicologische werkingsmechanismen.
    Voor de nano-referentiewaarden volgt de SER de indeling zoals ook voorgesteld
    is door het RIVM (zie paragraaf 2.6.3). Deze indeling is anders dan de hierboven
    genoemde en niet vergelijkbaar. De categorieën voor nano-referentiewaarden
    zijn gebaseerd op biopersistentie, deeltjesgrootte en eventuele asbestachtige
    gezondheidseffecten.
         Het primaire doel van een blootstellingsregistratie is om verbanden te kunnen
    (weer)leggen met eventuele nadelige gezondheidseffecten. Aangezien er nog
    veel onduidelijk is over de nanospecifieke toxiciteit, zijn er geen wetenschappe-
    lijke gronden om bepaalde nanodeeltjes buiten de registratie te houden, uitgezon-
    derd de nanodeeltjes die bij contact met water of waterig milieu direct
    uiteenvallen of oplossen waardoor ze niet meer voldoen aan de EU-definitie van
    nanomaterialen (zoals aan het begin van dit hoofdstuk duidelijk is gemaakt).
         Informatie over alle typen nanodeeltjes zijn dus hard nodig. De gevraagde
    gegevens voor de registratie zijn verder universeel: of het nu om een sferisch bol-
    letje gaat of biopersistente nanovezels, dezelfde soorten gegevens zijn nodig om
    een goed beeld van de aard en het niveau van blootstelling te kunnen krijgen.
    Kortom de commissie wijst een indeling in categorieën nanodeeltjes voor een
    blootstellingsregistratie af.
3.8 Risicogroepen
    Alle mensen die regelmatig werken met nanodeeltjes en kans hebben op bloot-
    stelling hieraan kunnen als risicogroep beschouwd worden. Het gaat om een
    groep werknemers die als eerste in aanraking met nanomaterialen komt, en waar-
 8  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>    schijnlijk ook te maken krijgen met hogere en langdurige blootstellingen dan de
    beroepsbevolking die niet met nanomaterialen werkt en de algemene bevolking.
        Op het werk kunnen verder beroepsgebonden omgevingsfactoren (hoogte,
    duur en patroon van de blootstelling, en blootstelling aan mengsels) maken dat
    de ene nanowerker een groter risico loopt dan de ander. Uit de blootstellingsre-
    gistratie zal blijken bij welke omstandigheden dat het geval is.
3.9 Evaluatie en conclusie
    De commissie vindt het zinvol om uit voorzorg een blootstellingsregistratie op te
    zetten, omdat naar verwachting blootstelling aan nanodeeltjes risico’s voor de
    gezondheid met zich mee kan brengen. Het gaat om registratie van de blootstel-
    ling in alle grote en kleine bedrijven waar herhaaldelijk en op gezette tijden
    gewerkt wordt met nanodeeltjes, in welke fysische vorm of samenstelling dan
    ook, uitgezonderd de nanodeeltjes die bij contact met water of waterig milieu
    direct uiteenvallen of oplossen.
        Er zijn drie soorten gegevens nodig om een beeld van de aard en het niveau
    van de blootstelling te krijgen en om zodoende eventuele verbanden eventuele
    verbanden te kunnen gaan leggen of weerleggen tussen blootstelling en gezond-
    heidseffecten: a) gegevens over de fysische en chemische eigenschappen van de
    betreffende nanodeeltje, zodat de toxische eigenschappen van nanodeeltjes in
    kaart kunnen worden gebracht, b) gegevens over de determinanten van emissie
    en blootstelling om inzicht te krijgen in de blootstellingsomstandigheden, en c)
    gegevens over de blootstellingsconcentraties. Hoewel er ten aanzien van dat laat-
    ste nog vele vragen zijn over de mogelijkheden en betrouwbaarheid van meetin-
    strumenten voor nanodeeltjes, kunnen in de meeste arbeidssituaties met de
    huidige beschikbare instrumenten redelijke inschattingen van de blootstelling-
    concentraties worden gemaakt.
        De gegevens moeten op bedrijfsniveau worden aangeleverd. Bij verandering
    van de situatie dient de registratie te worden geactualiseerd. En zoveel mogelijk
    bedrijven en of instellingen zouden er aan mee moeten doen. Verder is een syste-
    matische en uniforme aanpak van belang en kan zo’n registratie het beste cen-
    traal worden beheerd. Bijkomende voordelen van centrale registratie zijn dat de
    gegevens gemakkelijker op volledigheid kunnen worden gecontroleerd en dat
    gegevens samengevoegd kunnen worden. Het is verder belangrijk dat bedrijven
    zich bewust zijn van het gebruik van nanomaterialen.
        De commissie heeft beoordeeld of er aansluitings- of implementatiemoge-
    lijkheden zijn met de RI&E en de REACH-registratie. In beide gevallen worden
    gegevens verzameld die ook gevraagd worden voor de blootstellingsregistratie,
    Blootstellingsregistratie                                                         59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>  maar de overlap aan gegevens is klein. Dit komt omdat de RI&E en REACH met
  andere doelen zijn opgezet. De commissie vindt daarom dat er weinig aanslui-
  tings- of implementatie-mogelijkheden zijn, maar een deel van de gegevens uit
  de systemen kan zonder meer gebruikt worden voor de blootstellingregistratie.
      De looptijd van de registratie kan op dit moment niet worden bepaald. De
  noodzaak tot continuering wordt vooral bepaald door te verkrijgen wetenschap-
  pelijke inzichten.
0 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre> oofdstuk 4
          Systemen van gezondheidsbewaking
          en early warning
          Op basis van de beperkte wetenschappelijke kennis over (gesynthetiseerde en
          onbedoeld geproduceerde) nanodeeltjes zijn er gegronde redenen voor waak-
          zaamheid bij het werken met nanodeeltjes. Een systeem van gezondheidsbewa-
          king en/of early warning kan een zinvol middel zijn om die waakzaamheid in
          acht te nemen.
               Gezondheidsbewaking is een werkwijze waarmee veranderingen in de
          gezondheidsstatus van een individu of van het aantal ziektegevallen in een popu-
          latie kunnen worden gesignaleerd. Het kan worden beschouwd als een early war-
          ningsysteem als daarmee snel vroeg-optredende effecten systematisch kunnen
          worden gesignaleerd. Systemen die als gezondheidsbewaking worden gebruikt
          zijn screening, gezondheidsmonitoring en medische surveillance. De keuze voor
          één van deze systemen hangt af van de beschikbare kennis over de gezondheids-
          effecten en de vraag of gezondheidsbewaking ingezet moet worden op individu-
          eel of populatieniveau. Het is daarbij goed mogelijk dat voor de verschillende
          systemen dezelfde protocollen of medische tests worden gebruikt. De vraag is
          welk systeem zich het beste leent voor gezondheidsbewaking voor nanodeeltjes,
          hoe die het beste kan worden ingericht en onder welke voorwaarden.
4.1       Screening
          Bij screening gaat het primair om de ontwikkeling van een bepaalde ziekte te
          beperken, bij voorkeur in een stadium waarin een persoon nog geen klachten
          Systemen van gezondheidsbewaking en early warning                                61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>  heeft (early warning, doelgericht). Het gaat daarbij om het opsporen van behan-
  delbare veranderingen in de gezondheidstatus van een individu. Kenmerkend
  voor screening is het gebruik van goede voorspellende tests die snel en eenvou-
  dig uit te voeren zijn. Een voorbeeld van screening is het bevolkingsonderzoek
  onder vrouwen waarbij borstkanker met behulp van mammografie wordt opge-
  spoord. Een ander voorbeeld is het specifieke gehooronderzoek onder werkne-
  mers die gehoorsschade zouden kunnen oplopen door geluidsoverlast.
       Nog nergens in de wereld wordt screening gebruikt voor mensen die werken
  met nanodeeltjes. In Nederland zou het periodiek arbeidsgeneeskundig onder-
  zoek (PAGO) of preventief medisch onderzoek (PMO) als vorm van screening
  kunnen worden gezien. Werkgevers zijn verplicht dergelijk onderzoek aan werk-
  nemers aan te bieden als er na alle genomen beheersmaatregelen, nog steeds
  sprake is van een gezondheidsrisico. Het PMO bestaat uit vragenlijsten, medisch
  onderzoek en eventueel vervolgonderzoek, afhankelijk van de functie van de
  werknemer en de daarmee samenhangende blootstelling en te verwachten
  risico’s. De resultaten van het PMO vallen onder de privacyregelgeving en kun-
  nen daarom niet zomaar worden gebruikt door derden, ook niet door de werkge-
  ver. Werknemers kunnen niet worden verplicht om deel te nemen aan een PMO,
  op een enkele uitzondering na.
  Screening is pas zinvol als aan een aantal basiscriteria wordt voldaan, zoals dat
  er:
  a sprake is van blootstelling of dat blootstelling waarschijnlijk is
  b sterke aanwijzingen zijn dat blootstelling tot bepaalde schadelijke gezond-
       heidseffecten kan leiden
  c medische tests beschikbaar zijn om de aan blootstelling gerelateerde gezond-
       heidseffecten te kunnen traceren, bij voorkeur in een asymptomatische en
       reversibele fase.
  Naast de basiscriteria zijn er nog een aantal bijkomende overwegingen, zoals:
  informatie over de ziektelast in de beroepsbevolking; effectiviteit van vroege
  opsporing; mogelijke schade door het screenen; mogelijkheden van interventie
  waardoor risicofactoren verdwijnen; of de te behalen voordelen opwegen tegen
  de nadelen; creëren van draagkracht; kosten die ermee gemoeid zijn; risicoper-
  ceptie en goede communicatie.106,205
  Ad a) Is er sprake van beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes?
  Beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes komt voor, maar in welke mate,
  onder welke werkomstandigheden, en om hoeveel mensen het gaat is nog niet
2 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>goed geïnventariseerd. Een blootstellingsregistratie zou in de toekomst een beter
inzicht hierover kunnen geven.
Ad b) Is beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes schadelijk voor de
gezondheid?
De eerste toxicologische onderzoeken met dierexperimenten en parallellen met
(ultra)fijn stofdeeltjes die van nature of onbedoeld door menselijke activiteiten
zijn ontstaan baren de commissie zorgen (zie paragraaf 2.5). Uit die onderzoeken
komt namelijk naar voren dat inademing van nanodeeltjes naar verwachting de
gezondheid kan aantasten door schade toe te brengen in onder meer de luchtwe-
gen, longen, hart en bloedvaten. Er is echter nog veel onduidelijk. Het onderzoek
met dieren beperkte zich tot nu toe tot een klein aantal typen nanodeeltjes. Er is
verder nog geen systematisch observationeel onderzoek uitgevoerd. Er is ook
nog geen onderzoek verricht naar bijvoorbeeld langetermijneffecten.
Ad c) Zijn er medische tests beschikbaar die relevante nanogerelateerde
gezondheidseffecten kunnen traceren?
Het gaat om tests die iets kunnen vertellen over de biologische effecten (biologi-
sche effectmonitoring), functieveranderingen (gezondheidskundig onderzoek) en
uiteindelijk ziekte (diagnostiek). Voorbeelden van tests die zoal gebruikt worden
in het PMO zijn bloed- en urineonderzoek (zoals sensibilisatietests voor allerge-
nen en cytogenetische tests bij stralingsblootstelling) en gehooronderzoek.106
    Sommige onderzoekers verwachten dat blootstelling aan nanodeeltjes kan
leiden tot respiratoire en cardiovasculaire effecten. Zij willen zich dan ook rich-
ten op tests die in een zo vroeg mogelijk stadium ongewenste veranderingen tra-
ceren in de betrokken orgaansystemen (luchtwegen, longen, hart en bloedvaten).
Te denken valt aan het meten van hartslagschommelingen, bloedanalyse op
vroege indicatoren van ontstekingen en cardiovasculaire parameters.152 Een
moeilijkheid hier is dat het gaat om effecten die veel voorkomen in de algemene
bevolking waarvoor diverse niet-beroepsgerelateerde oorzaken bekend zijn.
Daardoor is het op dit moment onmogelijk om op een individueel niveau bij een
positieve uitslag te zeggen of deze veroorzaakt is door blootstelling aan nano-
deeltjes op het werk.
De commissie concludeert dat aan de belangrijkste voorwaarden voor het succes-
vol inzetten van een screeningsprogramma voor het beperken van de ziekte-ont-
wikkeling bij een individuele werknemer niet voldaan wordt: de blootstelling-
kant is nog niet goed in kaart gebracht en er is nog geen compleet beeld van de
mogelijke schadelijke gezondheidseffecten die kunnen optreden. De screening
Systemen van gezondheidsbewaking en early warning                                   63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>    beperken tot respiratoire en cardiovasculaire effecten heeft volgens de commissie
    weinig zin, omdat die algemeen voorkomen en een positieve uitslag niet op indi-
    vidueel niveau gecorreleerd kan worden aan blootstelling aan nanodeeltjes. De
    commissie vindt kortom dat op dit moment screening – al of niet als onderdeel
    van het PMO – van individuele werknemers niet zinvol is wat blootstelling aan
    nanodeeltjes aangaat.
        De conclusie van de commissie wordt internationaal gedeeld door arbodes-
    kundigen die zich actief bezighouden met gezond en veilig werken met chemi-
    sche stoffen en nanodeeltjes.90,100,205-207 Zij benadrukken dat screening pas
    zinvol is als de gevaren van bepaalde nanodeeltjes zijn geïdentificeerd en geka-
    rakteriseerd; alleen dan is het mogelijk om gericht preklinische veranderingen op
    te sporen met behulp van medisch onderzoek. Periodieke screening voor de indi-
    viduele nanowerker wordt daarom nergens in het buitenland toegepast. Wel ziet
    de Amerikaanse NIOSH in de nabije toekomst mogelijkheden voor screening
    van mensen die werken met koolstofnanodeeltjes en titaniumdioxide, omdat van
    deze deeltjes het meest over de gezondheidseffecten bekend is.152
4.2 Gezondheidsmonitoring
    Gezondheidsmonitoring is het periodiek meten van de gezondheid of onderlig-
    gende determinanten om veranderingen in de gezondheidsstatus van populaties
    te kunnen vaststellen. Dit gebeurt bijvoorbeeld om de invloed van interventies op
    de gezondheid te bepalen of om langetermijneffecten van rampen vast te stellen.
    Gezondheidsmonitoring kan ook worden ingezet als signaleringssysteem om te
    zien of er sprake is van een (verhoogd) risico op een bepaald gezondheidspro-
    bleem. Ook gezondheidsmonitoring wordt nog nergens in de wereld ingezet voor
    mensen die werken met nanodeeltjes. In Nederland zijn wel voorbeelden van
    monitoring van bepaalde milieufactoren. Zo is er bijvoorbeeld het onderzoeks-
    programma Gezondheidskundige Evaluatie Schiphol dat uitgevoerd wordt door
    het RIVM. Daarin wordt een verkennend onderzoek gedaan naar mogelijke
    gezondheids- en belevingseffecten van milieubelasting door vliegverkeer en
    luchthavenactiviteiten.
        Gezondheidsmonitoring is alleen zinvol als het gezondheidsprobleem speci-
    fiek genoeg is om het deels te kunnen toeschrijven aan de blootstelling aan nano-
    deeltjes, en de desbetreffende aandoening frequent genoeg voorkomt in relatie
    tot het verwachte risico om het met voldoende statistische zekerheid te kunnen
    duiden. Hier gaat hetzelfde verhaal op als bij de screening: er is nog geen com-
    pleet beeld van gezondheidseffecten die kunnen gaan optreden, en de te ver-
    wachten respiratoire en cardiovasculaire effecten zijn multifactorieel en zo
 4  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>      algemeen voorkomend, dat het op populatieniveau lastig zou kunnen zijn om
      kleine veranderingen in incidentie of prevalentie met voldoende zekerheid te
      kunnen toewijzen aan blootstelling aan nanodeeltjes. Om deze redenen vindt de
      commissie dat ook gezondheidsmonitoring momenteel niet geschikt is als instru-
      ment voor gezondheidsbewaking bij het werken met nanodeeltjes.
4.3   Medische surveillance
      Net als voor monitoring wordt medische surveillance ingezet als signaleringssys-
      teem om te zien of mogelijk sprake is van trends in ziekten en risicofactoren. Het
      grote verschil tussen de twee systemen is echter de frequentie van het meten
      (periodiek bij monitoring, continu bij surveillance) en de gerichtheid op bepaalde
      gezondheidseffecten (meer specifiek bij monitoring, minder specifiek bij surveil-
      lance). Medische surveillance levert in feite gegevens op die nodig zijn om in de
      toekomst te kunnen beoordelen of gezondheidsbewaking in de vorm van
      screening of gezondheidsmonitoring van (individuele) werknemers alsnog zinvol
      is. De signalen die opgevangen worden met surveillance kunnen verder aanlei-
      ding zijn om specifieke onderzoeksvragen te formuleren zodat bijvoorbeeld
      gericht toxicologisch en epidemiologisch onderzoek kan worden ingezet.
           Voor medische surveillance is het dus minder noodzakelijk om te weten
      welke gezondheidseffecten precies te verwachten zijn – in tegenstelling tot
      screening en gezondheidsmonitoring –, omdat je in principe op alle mogelijke
      gezondheidseffecten richt waarvoor er gezondheidsregistraties bestaan. Natuur-
      lijk is het zo dat als er enig idee bestaat over welke richting men moet zoeken,
      men de surveillance specifiek op die effecten kan richten. In dat geval gaat de
      surveillance al richting gezondheidsmonitoring. Voor nanodeeltjes ziet de com-
      missie het liefst dat naar het hele spectrum van mogelijke gezondheidseffecten
      wordt gekeken, zowel effecten die op de korte als de lange termijn kunnen optre-
      den. Dit om er zeker van te zijn dat niets gemist wordt door nu al het vizier te
      richten op een beperkt aantal effecten, zoals respiratoire en cardiovasculaire
      effecten. Mochten inderdaad vooral deze typen effecten optreden, dan zal dit uit
      een algemene medische surveillance duidelijk worden.
           Op basis van voorgaande heeft de commissie de mogelijkheden nader beke-
      ken van een medische surveillance bij het werken met nanodeeltjes.
4.3.1 Implementatie en voorwaarden
      Voor een goede medische surveillance is het belangrijk dat de gegevens continu
      en systematisch worden verzameld; dat de gegevens compleet en betrouwbaar
      Systemen van gezondheidsbewaking en early warning                                  65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>  zijn; dat er sprake is van een hoge participatiegraad; en dat de surveillance een zo
  groot mogelijke populatie betreft, dus bij voorkeur een landelijke dekking heeft.
  Gezien de huidige onzekerheid over de mogelijke gezondheidsrisico’s, dienen bij
  voorkeur zo snel mogelijk vroege signalen van ziekteontwikkeling te worden
  opgevangen (early warning), hoewel ook zeker de mogelijke langetermijneffec-
  ten niet uit het oog mogen worden verloren. De vraag is vervolgens hoe een sur-
  veillance onder deze voorwaarden het beste kan worden uitgevoerd. Daarvoor
  heeft de commissie in de eerste plaats gekeken in hoeverre gebruik kan worden
  gemaakt van gegevens van bestaande gezondheidsregistraties voor de beroepsbe-
  volking en de algemene bevolking (passieve surveillance).
  Beroepsbevolking
  Voor de beroepsbevolking zijn er de nationale registratie van beroepsziekten en
  de peilstations van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB), waar
  bedrijfsartsen en een aantal medisch specialisten melding maken van nieuwe
  gevallen van beroepsziekten. In de nationale registratie worden gevallen pas
  gemeld als de werknemer klachten heeft en gezien wordt door de bedrijfsarts in
  het kader van ziekteverzuim, maar signalering via het preventief medische
  onderzoek is ook mogelijk. De bedrijfsarts stelt vervolgens vast of eventueel
  sprake is van een beroepsgerelateerde aandoening en meldt dit dan bij het NCvB.
  In de peilstations van beroepslongaandoeningen en arbeidsdermatosen melden
  een groep longartsen en/of dermatologen maandelijks nieuwe gevallen van
  beroepsziekten aan het NCvB. Aan zo’n systeem zitten nadelen. Beroepsgerela-
  teerde ziektegevallen kunnen bijvoorbeeld gemist worden omdat er in de regu-
  liere gezondheidszorg (huisartsen, medisch specialisten) vaak geen relatie wordt
  gelegd met het werk dat de patiënt uitvoert, bijvoorbeeld omdat het om algemeen
  voorkomende klachten gaat. In die gevallen wordt dus geen melding gedaan bij
  de peilstations. Dit heeft tot gevolg dat de kans op onderrapportage hoog is. Uit
  verslagen van het Nederlands Centrum van Beroepsziekten blijkt verder dat lang
  niet alle bedrijfsartsen gevallen van beroepsziekten melden, wat de kans onder-
  rapportage nog groter maakt.208
  Algemene bevolking
  •   De Landelijke Medische Registratie (LMR) van ziekenhuisopname en ont-
      slaggegevens.209 Nagenoeg alle ziekenhuizen in Nederland zijn hierbij aan-
      gesloten. In de LMR worden alle diagnoses geregistreerd dus ook
      luchtwegaandoeningen en hart- en vaatziekten, volgens een standaard classi-
6 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>    ficatiesysteem. De registratie was tot voor kort vrijwel compleet, bevatte
    gegevens over ziekten die op de korte en op de lange termijn kunnen ontstaan
    en was landelijk gedekt. Een beperking was echter dat in de LMR alleen pati-
    enten worden geregistreerd die minimaal één dag in het ziekenhuis zijn opge-
    nomen. Daardoor kunnen poliklinische gevallen zijn gemist. Hoe de LMR er
    in de toekomst uit zal zien is nog niet duidelijk. Het is namelijk de bedoeling
    dat in 2014 de LMR en de Landelijke Ambulante Zorg Registratie worden
    omgevormd en gemoderniseerd tot één geïntegreerd gegevensbestand: de
    Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg.
•   De verplichte aangifte van doodsoorzaken aan het Centraal Bureau voor de
    Statistiek door artsen.209 Deze registratie is vrijwel compleet en bevat gege-
    vens over ziekten die op de korte- en langetermijn kunnen optreden.
•   De Nederlandse Kankerregistratie (NKR).209 Hierin worden alle kankerpati-
    enten geregistreerd. De registratie is compleet. Kanker kent echter vaak een
    lange latentietijd, soms van tientallen jaren, zodat de NKR vooral iets zegt
    over de blootstelling van decennia tevoren, en niet van het recente verleden.
    Op de korte termijn (early warning) levert dit systeem dus weinig op.
•   EUROCAT (European Registry of Congenital Anomalies and Twins) en
    Nederlandse registratiesystemen voor aangeboren afwijkingen.209 EURO-
    CAT richt zich op registratie van aangeboren afwijkingen bij levend- en
    doodgeborenen, volgens een standaard classificatiesysteem. Het gaat om
    relatief kortetermijneffecten. Het aanleveren van gegevens gebeurt op vrij-
    willige basis door artsen en verloskundigen, nadat ouders daar toestemming
    voor hebben gegeven. Helaas is alleen Noord-Nederland bij de EUROCAT
    aangesloten, wat neerkomt op ongeveer 10 procent van het totaal aantal
    levend of doodgeborenen in Nederland. Wel landelijke dekking hebben de
    Landelijke Verloskundige Registratie (LVR) en de Landelijke Neonatologie
    Registratie (LNR).
•   De Continue Morbiditeits Registratie Peilstations (CMR-peilstations) en het
    Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH).209 Zij dekken onge-
    veer één procent van de in Nederland ingeschreven patiënten. Een nadeel van
    de CMR is dat een begeleidingscommissie elk jaar vaststelt welke ziekten
    geregistreerd dienen te worden. Zolang de CMR bestaat zijn hart- en vaat-
    ziekten slechts incidenteel geregistreerd en luchtwegaandoeningen helemaal
    niet.210
Ondanks de beperkingen die sommige systemen hebben, kunnen ze gezamenlijk
waardevolle informatie opleveren over zowel kortetermijn- en langetermijneffec-
ten. De inspanningen die verricht zouden moeten worden om een eigen medische
Systemen van gezondheidsbewaking en early warning                                   67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>      surveillancesysteem op te zetten en in te richten (actieve surveillance) kunnen
      daar in verhouding niet tegen op. De commissie pleit er daarom voor gebruik te
      maken van de gegevens uit deze bestaande gezondheidsregistraties (passieve sur-
      veillance). De commissie is zich er daarbij van bewust dat gegeven de beperkte
      blootgestelde populatie en de zeldzaamheid van sommige aandoeningen een pas-
      sief surveillance systeem in Nederland slechts beperkte inzichten kan geven. Het
      is daarom belangrijk er naar te streven in de toekomst internationaal de informa-
      tie te combineren.
4.3.2 Koppeling met een blootstellingsregistratie
      Gegevens uit de passieve surveillance moeten op een of andere manier gekop-
      peld kunnen worden aan de blootstellingsregistratie, anders kunnen geen uitspra-
      ken worden gedaan over een eventueel verband tussen blootstelling aan
      nanodeeltjes en gezondheidseffecten.
           Voor een goede koppeling geldt een aantal voorwaarden.211 Het dient bij-
      voorbeeld wettelijk mogelijk te zijn dat registratiehouders hun gegevens (geano-
      nimiseerd) ter beschikking stellen aan instellingen. Ook moeten er betrouwbare
      gezondheidsgegevens, evenals valide blootstellingsgegevens en algemene per-
      soonsgegevens (leeftijd, geslacht) beschikbaar zijn. Verder zijn nodig: goede har-
      monisatie, uitwisselingsmogelijkheden van gegevens en
      samenwerkingsbereidheid tussen verschillende registratiehouders. Internationaal
      wordt namelijk steeds meer waarde gehecht aan het bundelen van expertise,
      gegevens en analyses, zodat steeds sneller gereageerd kan worden op vroege sig-
      nalen over gezondheidseffecten.
           Naast de mogelijkheden en de voorwaarden ziet de commissie ook beperkin-
      gen die een goede koppeling in de weg kunnen staan. Zo zijn er wettelijke (zie
      volgende paragraaf), maatschappelijke, politieke, financiële en methodologische
      beperkingen en beperkingen bij de interpretatie van gegevens.
           De commissie benadrukt dat koppeling van gezondheidsgegevens uit een
      medische surveillance met de blootstellingsregistratie een absolute voorwaarde
      is om veranderingen in de gezondheidsstatus van mensen die werken met nano-
      deeltjes te kunnen waarnemen.
4.3.3 Regelgeving voor gezondheidsregistraties
      Eén van de aspecten die een beperking kan vormen voor de passieve medische
      surveillance, is de privacy van persoonsgebonden (gezondheids)gegevens. Deze
      worden beschermd door een aantal wetten, zodat het gebruik van tot individuen
 8    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>    herleidbare gegevens wordt beperkt.211 De belangrijkste wet is de Wet bescher-
    ming persoonsgegevens (Wbp) om de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen
    te beschermen. De wet stelt onder meer dat gegevens niet langer bewaard mogen
    worden dan noodzakelijk is voor de verwerking van de doelen waarvoor ze zijn
    verzameld. Als aanvulling op de Wbp geldt de Wet geneeskundige behandelings-
    overeenkomst, waarin de omgang met persoonsgegevens worden beschermd met
    geheimhoudingsplicht, dossierplicht, bewaarplicht, inzagerecht, vernietigings-
    recht en regels voor gegevensuitwisseling. Met het oog op wetenschappelijk
    onderzoek is in deze wet tevens het overhevelen van persoonsgebonden gege-
    vens naar afzonderlijke registraties geregeld. In principe staat de wet deze over-
    heveling toe, mits de gegevens geanonimiseerd zijn, niet meer herleidbaar tot een
    individu en de betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt.
        De Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen is bedoeld om
    bescherming te bieden aan proefpersonen. Er is verder een wet-in-wording die
    gaat bepalen dat zeggenschap over lichaamsmateriaal bij de donor ligt en moet
    blijven liggen.
        Voorgaande wetten beperken het gebruik van gezondheidsregistraties en de
    opslag van lichaamsmateriaal door derden of voor andere doeleinden dan waar-
    voor oorspronkelijk informed consent aan de deelnemer is gevraagd.
4.4 Epidemiologisch onderzoek als onderdeel van early warning
    Dit advies gaat expliciet over systemen van early warning bij de mens. Als aan-
    vulling hierop ziet de commissie ook een belangrijke rol voor epidemiologisch
    onderzoek. Epidemiologisch onderzoek kan namelijk waardevolle informatie
    opleveren, omdat het met passieve surveillance wellicht niet lukt om tot betrouw-
    bare uitspraken te komen of er een verband bestaat tussen gezondheidseffecten
    en blootstelling. In feite is het epidemiologisch onderzoek complementair aan de
    medische surveillance en kan het in de toekomst focus in de surveillance aan-
    brengen. De commissie beschouwt dus het uitvoeren van epidemiologisch onder-
    zoek als een noodzakelijk onderdeel van early warning.
        Het onderzoek zou zich dan in de eerste plaats kunnen richten op een beperkt
    aantal typen nanodeeltjes (koolstofnanobuisjes, titaniumdioxide, carbon black,
    amorf silica) en op het monitoren van vroeg optredende respiratoire en cardio-
    vasculaire effecten inclusief biomarkers onder bepaalde groepen werknemers die
    met nanomaterialen werken. Informatie uit een blootstellingsregistratie kan daar-
    voor waardevolle input geven. Juist de respiratoire en cardiovasculaire effecten
    zijn interessant om te bestuderen omdat dit de effecten zijn waarvan de verwach-
    ting is dat ze op relatief korte termijn al kunnen optreden. De commissie gaf al
    Systemen van gezondheidsbewaking en early warning                                  69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>    eerder aan dat deze effecten verschillende oorzaken kunnen hebben en algemeen
    in de bevolking voorkomen, waardoor het lastig is om op populatieniveau cau-
    sale verbanden te leggen met blootstelling aan nanomaterialen. Maar door deze
    effecten in een onderzoekssetting onder een specifiek blootgestelde populatie te
    bestuderen kan dit grotendeels ondervangen worden. Sommige onderzoeksgroe-
    pen in het buitenland zijn bezig met het opstarten van dergelijk onder-
    zoek.92,97,212-215
4.5 Risicogroepen
    Vermoedelijk zijn bepaalde groepen vanwege hun persoonlijke kenmerken
    (genetische factoren, leeftijd en geslacht, cobormiditeit) en gedrag (zoals roken)
    extra gevoelig. Zij zullen eerder ziekteverschijnselen ontwikkelen of latent aan-
    wezige ziekteverschijnselen gaan bij hen eerder over in klinisch waarneembare
    klachten. Het is op dit moment onduidelijk of en in welke mate deze risicofacto-
    ren van invloed zijn op het ontstaan van ziekteverschijnselen door beroepsmatige
    blootstelling aan nanodeeltjes. Daarvoor zal eerst meer wetenschappelijk onder-
    zoek moeten worden uitgevoerd. Daarom vindt de commissie het nog te vroeg
    om bij medische surveillance al rekening te houden met bepaalde risicogroepen.
4.6 Evaluatie en conclusie
    Afhankelijk van het doel kunnen voor gezondheidsbewaking screening, gezond-
    heids-monitoring of medische surveillance worden ingezet. De systemen ver-
    schillen in het niveau van gegevens verzamelen (persoons- of populatieniveau),
    de frequentie van uitvoering (periodiek of continu) en hoe specifiek gekeken
    wordt naar bepaalde gezondheidseffecten (doelgerichtheid). Als het om gezond-
    heidsgegevens gaat die vroeg of snel optreden, dan kan gezondheidsbewaking als
    een systeem voor early warning worden beschouwd.
        De keuze voor een systeem wordt grotendeels bepaald door de vraag welke
    gezondheidseffecten bij blootstelling aan nanodeeltjes te verwachten zijn. Hoe-
    wel onderzoekers opperen dat dit vooral respiratoire en cardiovasculaire effecten
    kunnen zijn, zeker op de korte termijn, is dit nog geen uitgemaakte zaak. Daarbij
    zijn dit veel voorkomende aandoeningen met diverse oorzaken, zodat het lastig
    zal zijn om afwijkingen bij een individu en kleine veranderingen op populatieni-
    veau toe te wijzen aan de blootstelling aan nanodeeltjes. Door zich te richten op
    deze effecten kunnen minder vanzelfsprekende effecten in andere organen wor-
    den gemist. De commissie vindt daarom dat het beste gekeken kan worden naar
    een zo’n breed mogelijk spectrum van gezondheidseffecten. Screening en
 0  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>gezondheidsmonitoring zijn dan geen zinvolle systemen, omdat beide worden
ingezet voor specifieke gezondheidseffecten met duidelijke verbanden tussen een
risicofactor en het optreden van ziekte.
     De commissie heeft wel de mogelijkheden voor een medische surveillance
nader bekeken, want daarvoor is het minder noodzakelijk om te weten welke
gezondheidseffecten te verwachten zijn. Zo’n surveillance moet voldoen aan een
aantal voorwaarden: de gegevens moeten continu en systematisch worden verza-
meld, volledig en betrouwbaar zijn, en er is een hoge participatiegraad nodig
opdat de surveillance een zo groot mogelijke populatie omvat. Onder deze voor-
waarden kunnen relatief kleine veranderingen in de gezondheidsstatus worden
opgevangen.
     In Nederland bestaan registraties waarin continu ziektegegevens worden
ingevoerd. De commissie heeft daarom in de eerste plaats beoordeeld of die
gezondheidsregistraties al voldoende informatie kunnen opleveren. Ondanks de
beperkingen van sommige systemen, dekken zij een groot scala aan mogelijke
gezondheidseffecten en kunnen ze daardoor samen waardevolle informatie geven
op de korte en lange termijn. De commissie vindt het daarom niet zinnig om nog
een apart medisch surveillancesysteem op te zetten voor nanowerkers (actieve
medische surveillance). De aard en omvang van de gezondheidsrisico’s zijn nog
onzeker en het vraagt een grote investering om zo’n systeem op te zetten. Ook
voor kleine deelpopulaties binnen de beroepspopulatie die met nanodeeltjes
werkt: die deelpopulaties zijn erg divers en ook wordt er gewerkt met een grote
diversiteit aan nanodeeltjes. Wat medische surveillance betreft ziet de commissie
dus het inzetten van een passief systeem als beste optie. Samen met andere acti-
viteiten, zoals wetenschappelijk onderzoek en het volgen van internationale acti-
viteiten, kan het volgens de commissie een waardevolle bijdrage leveren aan
inzicht in de gezondheidsrisico’s van het werken met nanodeeltjes.
     Een voorwaarde om verbanden te kunnen leggen tussen blootstelling en
ziekte is dat de gezondheidsgegevens uit de medische surveillance gekoppeld
moeten kunnen worden met de gegevens uit de blootstellingsregistratie. Hoewel
geanonimiseerde gegevens voldoende zijn om verbanden te kunnen leggen, zijn
die bestanden alleen te koppelen via tot individuen te herleiden gegevens. De
commissie realiseert zich dat persoonsgegevens niet zonder meer geleverd kun-
nen worden in verband met de privacywetgeving. Daarvoor zal eerst toestem-
ming moeten worden gegeven. Dit geldt overigens ook voor de andere systemen
van gezondheidsbewaking.
Systemen van gezondheidsbewaking en early warning                                 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>2 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre> oofdstuk 5
          Overwegingen en antwoorden aan de
          minister
          In dit afsluitende hoofdstuk bespreekt de commissie een paar onderwerpen die
          zowel de blootstellingregistratie als gezondheidsbewaking aangaan. Het hoofd-
          stuk sluit af met het concreet beantwoorden van de twee hoofdvragen van de
          minister, waarbij de commissie tevens aangeeft wat in haar ogen de belangrijkste
          aandachtspunten zijn voor een goede implementatie van beide systemen.
5.1       Overwegingen
5.1.1     Internationale context
          De problematiek rondom het omgaan met nanodeeltjes op de werkplek speelt
          niet alleen in Nederland, maar ook in het buitenland. In verschillende landen,
          waaronder Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten
          wordt gediscussieerd over de mogelijkheden van inzetten van blootstellingsre-
          gistraties, gezondheidsbewakingssystemen en epidemiologisch en toxicologisch
          onderzoek. De bevindingen van de commissie komen vrijwel overeen met de
          meningen van internationaal betrokkenen uit de onderzoekswereld en het
          bedrijfsleven.100,106,207,216,217 Zij komen tot de conclusie dat op dit moment het
          beste het voorzorgprincipe kan worden gehanteerd en dat maximaal ingezet moet
          worden op beheersmaatregelen. Ook een blootstellingsregistratie zou ingezet
          kunnen worden. Gezondheidsbewaking op specifieke gezondheidseffecten bij
          nanowerkers komt pas aan de orde wanneer er voldoende gegevens beschikbaar
          Overwegingen en antwoorden aan de minister                                         73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>      zijn uit toxicologisch onderzoek en er een beter beeld is verkregen van de moge-
      lijke schadelijke gezondheidseffecten.106,152,218
          Het is goed om voorgaande ontwikkelingen op de voet te blijven volgen en
      eventueel er aansluiting bij te zoeken, omdat het om een wereldwijd fenomeen
      gaat en gezamenlijk en gedeelde opgedane kennis eerder tot helderheid zal lei-
      den.
5.1.2 Voorzorg en beheersen van de blootstelling
      Door de onzekerheid over de aard en omvang van de gezondheidsrisico’s door
      blootstelling aan nanodeeltjes is het goed dat door de werkgevers en werknemers
      het voorzorgprincipe wordt gehanteerd. Het is beter om achteraf te kunnen zeg-
      gen dat het wel meevalt dan te moeten constateren dat eerder ingrijpen veel leed
      had kunnen voorkomen. Daaraan voegt de commissie toe dat het inzetten van een
      blootstellingsregistratie en een medische surveillance geen reden mag zijn om
      ingezette beheersmaatregelen, waaronder het toetsen van de blootstelling aan de
      voorlopige nano-referentiewaarden, te stoppen. Beschikbare middelen dienen te
      worden ingezet om de blootstelling te voorkomen of zo laag mogelijk te houden
      en zo de mogelijke gezondheidsrisico’s van de individuele nanowerker in te per-
      ken. Zo’n onzekere situatie vereist daarnaast goede communicatie over risico’s
      om onrust bij werkgevers en werknemers te voorkomen.219
5.1.3 Wetenschappelijk onderzoek
      In paragraaf 4.4 wijdde de commissie uit over het belang van epidemiologisch
      onderzoek. Maar dit is niet voldoende. Er is een gebrek aan kennis over emissie-
      en blootstellingsomstandigheden en hoe het beste deeltjes in de lucht kunnen
      worden gemeten, de kinetiek en dynamiek van nanodeeltjes in het lichaam, de
      specifieke deeltjestoxiciteit van nanodeeltjes en de toxicologische werkingsme-
      chanismen ervan. Dit noodzaakt tot het doen van gericht technisch (ontwikkeling
      van bijvoorbeeld op nanodeeltjes gerichte meetinstrumenten), toxicologisch en
      mechanistisch onderzoek (onder meer opstellen van blootstellingsmodellen, dier-
      experimenten en in vitro-onderzoek). Als de hieruit verkregen kennis – samen
      met de kennis verkregen uit epidemiologisch onderzoek – daar aanleiding toe
      geeft kunnen gezondheidsbewakingssystemen worden opgezet die specifiek zijn
      toegespitst op het probleem en wellicht beperkt kunnen worden tot bepaalde
      doelgroepen.
 4    Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>5.1.4 Nanodeeltjes in het milieu
      Dit advies gaat over de arbeidssituatie en de beroepsbevolking in de gehele
      gebruiksketen. Nanomaterialen worden echter al verwerkt in consumentenpro-
      ducten die commercieel verkrijgbaar zijn. Dit betekent dat ook de algemene
      bevolking (gebruikers) en het milieu (via afval, verspilling en slijtage) in contact
      kunnen komen met nanodeeltjes. Hoewel in de regel de beroepsbevolking als
      eerste in aanraking zal komen met nanodeeltjes en met hogere blootstelling te
      maken zal hebben, is daar ook aandacht voor nodig.
5.2   Beantwoording van de vragen van de minister
      In dit advies heeft u kunnen lezen dat er nog veel onbekend is over toxiciteit van
      nanodeeltjes en de mogelijke nadelige gezondheidseffecten. Vanuit gezondheids-
      oogpunt betekent dit dat met alle mogelijkheden rekening dient te worden gehou-
      den. Daarom is de commissie van mening dat dit advies geldt voor alle
      nanodeeltjes in welke samenstelling, vorm of fysische staat dan ook, uitgezon-
      derd de nanodeeltjes die bij contact met water of waterig milieu direct uiteenval-
      len of oplossen en daardoor niet meer voldoen aan de EU-definitie van
      nanomaterialen. Deze laatste kunnen in de risicoanalyse op dezelfde manier
      benaderd worden als de stoffen in ‘niet-nanovorm’.
5.2.1 Hoe moet een registratie van beroepsmatige blootstelling aan nanodeel-
      tjes (minimaal) worden ingericht, zodat een verband kan worden gelegd
      met (evt. later) optredende gezondheidseffecten (dan wel een dergelijk
      verband kan worden uitgesloten)?
      Er zijn drie soorten gegevens nodig om een goed beeld van de aard en het niveau
      van de blootstelling te krijgen: a) gegevens over de chemische en fysische eigen-
      schappen van een nanodeeltje, b) gegevens over de determinanten van emissie en
      blootstelling, en c) gegevens over de blootstellingsconcentratie (zie bijlage K).
      De blootstellingsconcentratie dient bij voorkeur uitgedrukt te worden in drie ver-
      schillende maten (massaconcentratie, het aantal deeltjes en het deeltjesopper-
      vlak).
          Een blootstellingsregistratie levert zodoende een solide set gegevens op die
      later gebruikt kan worden om eventuele verbanden te kunnen (weer)leggen tus-
      sen blootstelling en gezondheidseffecten. Gegevens moeten op bedrijfsniveau
      worden aangeleverd, bij verandering van de werksituatie dient de registratie te
      Overwegingen en antwoorden aan de minister                                           75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>  worden geactualiseerd en er moeten zoveel mogelijk bedrijven en instellingen
  meedoen. Daarbij moeten de gegevens zodanig geregistreerd worden, bijvoor-
  beeld per afdeling of productiestap, dat op een later tijdstip koppeling mogelijk is
  met individuele werknemers waarvan bekend is waar en hoe zij hebben gewerkt
  in het bedrijf. Verder is van groot belang dat een systematische en uniforme aan-
  pak is gewaarborgd. Daarom kan zo’n registratie het beste centraal worden
  beheerd. De gegevens kunnen dan ook gemakkelijker op volledigheid worden
  gecontroleerd en samengevoegd.
      De commissie ziet weinig aansluitingsmogelijkheden met de bestaande
  RI&E en de REACH-registratie. In beide gevallen worden gegevens verzameld
  die ook gevraagd worden voor de blootstellingsregistratie, maar de overlap aan
  gegevens is klein. Wel kan een deel van de gegevens uit deze systemen zonder
  meer gebruikt worden voor de blootstellingsregistratie.
  Blootstellingsregistratie zou wat de commissie betreft ingevoerd moeten worden
  in alle bedrijven, groot en klein, waar herhaaldelijk en op gezette tijden gewerkt
  wordt met nanomaterialen. De commissie beseft dat het lastig kan zijn voor
  kleine bedrijven om de gevraagde gegevens goed te gaan bijhouden. Dit heeft
  onder meer te maken met het feit dat nog niet van alle nanodeeltjes de fysische
  en chemische eigenschappen bekend zijn, en het feit dat een aantal nanospeci-
  fieke meetinstrumenten nog in de testfase verkeren. Er zijn echter geen weten-
  schappelijke gronden om bepaalde bedrijven of groepen werknemers uit te
  sluiten en met de huidige beschikbare meetinstrumenten kunnen toch redelijke
  schattingen van de blootstellingsniveaus worden gemaakt.
      Er zijn verder een aantal zaken die buiten het werkterrein van de Gezond-
  heidsraad vallen die een goede registratie in de weg kunnen staan. Op dit
  moment hoeven producenten en importeurs bijvoorbeeld niet op hun producten
  te melden dat er nanodeeltjes in zijn verwerkt en om welke nanodeeltjes het gaat.
  Daardoor is onduidelijk hoeveel werknemers aan nanodeeltjes kunnen worden
  blootgesteld. Een ander gevolg is dat lang niet alle werkgevers en werknemers
  zich er van bewust zijn dat zij nanomaterialen gebruiken. Het aantal bedrijven
  dat met nanomaterialen te maken krijgt zal naar verwachting de komende jaren
  toenemen, dus goede informatie wordt steeds belangrijker.
6 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>5.2.2 In hoeverre is het mogelijk en zinvol om bij het werken met nanodeeltjes
      gezondheidsbewaking en/of early warning in te zetten? Aan welke voor-
      waarden zou een dergelijk systeem moeten voldoen om goed te kunnen
      functioneren?
      Afhankelijk van het doel kan voor gezondheidsbewaking screening, gezond-
      heidsmonitoring of medische surveillance worden ingezet. Als het om gezond-
      heidsgegevens gaat die vroeg of snel optreden, functioneert
      gezondheidsbewaking als early warning. De keuze voor een systeem wordt
      bepaald door de vraag welke gezondheidseffecten bij blootstelling te verwachten
      zijn. Hoewel onderzoekers opperen dat dit respiratoire en cardiovasculaire effec-
      ten kunnen zijn, zeker op de korte termijn, is dit nog geen uitgemaakte zaak. De
      commissie vindt dat het beste ingezet kan worden op een zo’n breed mogelijk
      spectrum van gezondheidseffecten. Screening en gezondheidsmonitoring zijn
      dan geen zinvolle systemen. De commissie ziet wel mogelijkheden voor medi-
      sche surveillance, want daarvoor is het minder noodzakelijk om te weten welke
      gezondheidseffecten te verwachten zijn.
          Zo’n medische surveillance moet voldoen aan een aantal voorwaarden: de
      gegevens moeten continu en systematisch worden verzameld, ze dienen volledig
      en betrouwbaar te zijn, de participatiegraad moet hoog zijn met een zo groot
      mogelijke populatie. Onder deze voorwaarden kunnen relatief kleine veranderin-
      gen in de gezondheidsstatus van de beroepsbevolking worden opgevangen.
          In Nederland bestaan surveillancesystemen waarin continu ziektegegevens
      worden ingevoerd. De commissie heeft daarom beoordeeld of die al voldoende
      informatie opleveren. Ondanks de beperkingen die sommige systemen hebben,
      dekken zij een groot scala aan mogelijke gezondheidseffecten en kunnen ze daar-
      door samen waardevolle informatie geven op de korte en lange termijn. De com-
      missie vindt het daarom niet zinnig om nog een apart medisch
      surveillancesysteem op te zetten voor nanowerkers (actieve surveillance). De
      commissie ziet een passief medisch surveillancesysteem uiteindelijk als beste
      mogelijkheid om veranderingen in de gezondheidsstatus van een populatie op te
      sporen.
          Een voorwaarde voor een succesvol gebruik van passieve surveillance is dat
      de gezondheidsgegevens gekoppeld moeten kunnen worden met de gegevens uit
      de blootstellingsregistratie. Daarvoor zijn persoonsgegevens nodig. Voor het
      gebruik van zulke gegevens is wel toestemming nodig. Dit geldt overigens ook
      voor de andere systemen van gezondheidsbewaking.
      Overwegingen en antwoorden aan de minister                                        77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>       Dit advies gaat expliciet over systemen van early warning bij de mens. Als
  aanvulling hierop ziet de commissie ook een belangrijke rol voor epidemiolo-
  gisch onderzoek. Epidemiologisch onderzoek kan namelijk waardevolle infor-
  matie opleveren, omdat het met passieve surveillance wellicht niet lukt om tot
  betrouwbare uitspraken te komen of er een verband bestaat tussen gezondheids-
  effecten en blootstelling. In feite is het epidemiologisch onderzoek complemen-
  tair aan de medische surveillance en kan het in de toekomst focus in de
  surveillance aanbrengen. De commissie beschouwt dus het uitvoeren van epide-
  miologisch onderzoek als een noodzakelijk onderdeel van early warning.
8 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>  Literatuur
  Gezondheidsraad. Betekenis van nanotechnologieën voor de gezondheid. Den Haag:
  Gezondheidsraad, 2006; publicatienr. 2006/06.
  Sociaal-Economische Raad. Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkplek. Sociaal-Economische
  Raad, Den Haag, publicatie 09/01; 2009.
  Gezondheidsraad. Nanomaterialen in afval. Signalement. Den Haag: Gezondheidsraad, 2011;
  publicatienr. 2011/14.
  Oberdorster G, Oberdorster E, Oberdorster J. Nanotoxicology: an emerging discipline evolving from
  studies of ultrafine particles. Environ Health Perspect 2005; 113(7): 823-839.
  Borm PJ, Robbins D, Haubold S, Kuhlbusch T, Fissan H, Donaldson K e.a. The potential risks of
  nanomaterials: a review carried out for ECETOC. Part Fibre Toxicol 2006; 3: 11.
  Oberdorster E, Stone V, Donaldson K. Toxicology of nanoparticles: A historical perspective.
  Nanotoxicology 2007; 1(1): 2-25.
  Singh S, Nalwa HS. Nanotechnology and health safety--toxicity and risk assessments of
  nanostructured materials on human health. J Nanosci Nanotechnol 2007; 7(9): 3048-3070.
  Scientific Committee on Emerging and Newly Identified Haelth Risks (SCENIHR). Scientific basis
  for the definition of the term “nanomaterial”. SCENIHR, European Union, 6 July 2010, http://
  ec.europa.eu/health/ph_risk/; 2010.
  Powell MC, Kanarek MS. Nanomaterial health effects--part 1: background and current knowledge.
  WMJ 2006; 105(2): 16-20.
0 Maynard AD, Aitken RJ. Assessing exposure to airborne nanomaterials: Current abilities and future
  requirements. Nanotoxicology 2007; 1(1): 26-41.
  Literatuur                                                                                        79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>1 Nel A, Xia T, Madler L, Li N. Toxic potential of materials at the nanolevel. Science 2006; 311(5761):
  622-627.
2 The Royal Society & the Royal Academy of Engineering. Nanoscience and nanotechnologies:
  opportunities and uncertainties. The Royal Society, Science Policy Section, London, the UK; 2004.
3 Zijverden M van, Sips A. Nanotechnologie in perspectief. Risico's voor mens en milieu. RIVM,
  Bilthoven, Rapport 601785002/2008; 2008.
4 Cornelissen R, Van der Laan G, Hoeneveld D, Tweehuysen H. Dossier nanotechnologie.
  Kennisdossier Arbokennisnet; 2011.
5 Pronk A, Brouwer D, Op de Weegh-Nieboer M, Bekker C, Dekkers S, Tielemans E. Vervaardiging en
  gebruik van nano-eindproducten in Nederland. TNO, Zeist, rapport nr. V9300; 2011.
6 Borm P, Houba R, Linker F. Omgaan met nanodeeltjes op de werkvloer. Survey naar goede praktijken
  in omgaan met nanomaterialen in de Nederlandse industrie en kennisinstellingen. Hogeschool Zuyd,
  Centre of Expertise in Life Sciences, Heerlen; Arbo-Unie, Expertise Centrum Toxische Stoffen,
  Roermond; DSM Arbodienst, Geleen; 2008.
7 Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin. Exposure to nanomaterials in Germany. Results
  of the corporate survey of the Federal Institute for Occupational Health and Safety (BAuA) and the
  Association of the Chemical Industry (VCI) using questionnaires. BAuA, Dortmund, Germany,
  www.baua.de; 2008.
8 Helland A, Scheringer M, Siegrist M, Kastenholz HG, Wiek A, Scholz RW. Risk assessment of
  engineered nanomaterials: a survey of industrial approaches. Environ Sci Technol 2008; 42(2): 640-
  646.
9 Schmid K, Danuser B, Riediker M. Swiss Nano-Inventory. An assessment of the usage of
  nanoparticles in Swiss industry. Swiss Institute for Work and Health (IST), Lausanne, Switzerland;
  2008.
0 HSE. Nanoparticles: An occupational hygiene review. 2004: RR274. Internet: http://
  www.hse.gov.uk/research/rrhtm/rr274.htm.
1 Nordic Council of Ministers. Evaluation and control of occupational health risks from nanoparticles.
  Nordic Council of Ministers, Thomas Schneider e.a., Copenhagen, Denmark, ThemaNord 2007:581;
  2007.
2 Agence Francaise de Sécurité Sanitaire de l'Environnement et du Travail. Nanomaterials and
  occupational safety. Case No. 2006/006, Report of the Afsset Working Group on “physical agents,
  new technologies and development areas”. Afsset, France; 2008.
3 Schubauer-Berigan MK, Dahm MM, Yencken MS. Engineered carbonaceous nanomaterials
  manufacturers in the United States: workforce size, characteristics, and feasibility of epidemiologic
  studies. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S62-S67.
4 Aschberger K, Johnston HJ, Stone V, Aitken RJ, Hankin SM, Peters SA e.a. Review of carbon
  nanotubes toxicity and exposure--appraisal of human health risk assessment based on open literature.
  Crit Rev Toxicol 2010; 40(9): 759-790.
0 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>5 ENHRES. Engineered Nanoparticles - Review of Health & Environmental Safety. 2009. Internet:
  http://nmi.jrc.ec.europa.eu/project/ENRHES.htm.
6 Savolainen K, Alenius H, Norppa H, Pylkkanen L, Tuomi T, Kasper G. Risk assessment of
  engineered nanomaterials and nanotechnologies--a review. Toxicology 2010; 269(2-3): 92-104.
7 Hu YL, Gao JQ. Potential neurotoxicity of nanoparticles. Int J Pharm 2010; 394(1-2): 115-121.
8 Oberdorster G, Sharp Z, Atudorei V, Elder A, Gelein R, Kreyling W e.a. Translocation of inhaled
  ultrafine particles to the brain. Inhal Toxicol 2004; 16(6-7): 437-445.
9 Win-Shwe TT, Fujimaki H. Nanoparticles and neurotoxicity. Int J Mol Sci 2011; 12(9): 6267-6280.
0 Madl AK, Pinkerton KE. Health effects of inhaled engineered and incidental nanoparticles. Crit Rev
  Toxicol 2009; 39(8): 629-658.
1 Oberdorster G, Elder A, Rinderknecht A. Nanoparticles and the brain: cause for concern? J Nanosci
  Nanotechnol 2009; 9(8): 4996-5007.
2 Crosera M, Bovenzi M, Maina G, Adami G, Zanette C, Florio C e.a. Nanoparticle dermal absorption
  and toxicity: a review of the literature. Int Arch Occup Environ Health 2009; 82(9): 1043-1055.
3 Nohynek GJ, Dufour EK, Roberts MS. Nanotechnology, cosmetics and the skin: is there a health
  risk? Skin Pharmacol Physiol 2008; 21(3): 136-149.
4 Schneider M, Stracke F, Hansen S, Schaefer UF. Nanoparticles and their interactions with the dermal
  barrier. Dermatoendocrinol 2009; 1(4): 197-206.
5 Choksi AN, Poonawalla T, Wilkerson MG. Nanoparticles: a closer look at their dermal effects. J
  Drugs Dermatol 2010; 9(5): 475-481.
6 Rossi EM, Pylkkanen L, Koivisto AJ, Vippola M, Jensen KA, Miettinen M e.a. Airway exposure to
  silica-coated TiO2 nanoparticles induces pulmonary neutrophilia in mice. Toxicol Sci 2010; 113(2):
  422-433.
7 Johnston HJ, Hutchison G, Christensen FM, Peters S, Hankin S, Stone V. A review of the in vivo and
  in vitro toxicity of silver and gold particulates: particle attributes and biological mechanisms
  responsible for the observed toxicity. Crit Rev Toxicol 2010; 40(4): 328-346.
8 Papp T, Schiffmann D, Weiss D, Castranova V, Vallyathan V, Rahman Q. Human health implications
  of nanomaterial exposure. Nanotoxicology 2008; 2(1): 9-27.
9 Smijs TG, Bouwstra JA. Focus on skin as a possible port of entry for solid nanoparticles and the
  toxicological impact. J Biomed Nanotechnol 2010; 6(5): 469-484.
0 Prow TW, Monteiro-Riviere NA, Inman AO, Grice JE, Chen X, Zhao X e.a. Quantum dot penetration
  into viable human skin. Nanotoxicology 2012; 6(2): 173-185.
1 Nabeshi H, Yoshikawa T, Matsuyama K, Nakazato Y, Matsuo K, Arimori A e.a. Systemic
  distribution, nuclear entry and cytotoxicity of amorphous nanosilica following topical application.
  Biomaterials 2011; 32(11): 2713-2724.
2 IRSST, Ostiguy C, Roberge B, Ménard L, Endo C. Best Practices Guide to Synthetic Nanoparticle
  Risk Management. IRSST; 2009: R-599.
3 Yamashita K, Yoshioka Y, Higashisaka K, Mimura K, Morishita Y, Nozaki M e.a. Silica and titanium
  dioxide nanoparticles cause pregnancy complications in mice. Nat Nanotechnol 2011; 6(5): 321-328.
  Literatuur                                                                                          81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>4 Sharma HS, Ali SF, Hussain SM, Schlager JJ, Sharma A. Influence of engineered nanoparticles from
  metals on the blood-brain barrier permeability, cerebral blood flow, brain edema and neurotoxicity.
  An experimental study in the rat and mice using biochemical and morphological approaches. J
  Nanosci Nanotechnol 2009; 9(8): 5055-5072.
5 Sharma HS, Ali SF, Tian ZR, Hussain SM, Schlager JJ, Sjoquist PO e.a. Chronic treatment with
  nanoparticles exacerbate hyperthermia induced blood-brain barrier breakdown, cognitive dysfunction
  and brain pathology in the rat. Neuroprotective effects of nanowired-antioxidant compound H-290/
  51. J Nanosci Nanotechnol 2009; 9(8): 5073-5090.
6 Genaidy A, Tolaymat T, Sequeira R, Rinder M, Dionysiou D. Health effects of exposure to carbon
  nanofibers: systematic review, critical appraisal, meta analysis and research to practice perspectives.
  Sci Total Environ 2009; 407(12): 3686-3701.
7 Helland A, Wick P, Koehler A, Schmid K, Som C. Reviewing the environmental and human health
  knowledge base of carbon nanotubes. Environ Health Perspect 2007; 115(8): 1125-1131.
8 Johnston H, Hutchison GR, Christensen FM, Peters S, Hankin S, Aschberger K e.a. A critical review
  of the biological mechanisms underlying the in vivo and in vitro toxicity of carbon nanotubes. The
  contribution of physico-chemical characteristics. Nanotoxicology 2010; 4(2): 207-246.
9 Ma-Hock L, Treumann S, Strauss V, Brill S, Luizi F, Mertler M e.a. Inhalation toxicity of multiwall
  carbon nanotubes in rats exposed for 3 months. Toxicol Sci 2009; 112(2): 468-481.
0 Muller J, Huaux F, Moreau N, Misson P, Heilier JF, Delos M e.a. Respiratory toxicity of multi-wall
  carbon nanotubes. Toxicol Appl Pharmacol 2005; 207(3): 221-231.
1 Safe Work Australia. Engineered nanomaterials: a review of the toxicology and health hazards. Safe
  Work Australia, produced by Toxikos Pty Ltd (Drew, R), Australia; 2000.
2 Ryman-Rasmussen JP, Cesta MF, Brody AR, Shipley-Phillips JK, Everitt JI, Tewksbury EW e.a.
  Inhaled carbon nanotubes reach the subpleural tissue in mice. Nat Nanotechnol 2009; 4(11): 747-751.
3 Murphy FA, Poland CA, Duffin R, Al-Jamal KT, li-Boucetta H, Nunes A e.a. Length-dependent
  retention of carbon nanotubes in the pleural space of mice initiates sustained inflammation and
  progressive fibrosis on the parietal pleura. Am J Pathol 2011; 178(6): 2587-2600.
4 Shvedova AA, Kisin E, Murray AR, Johnson VJ, Gorelik O, Arepalli S e.a. Inhalation vs. aspiration
  of single-walled carbon nanotubes in C57BL/6 mice: inflammation, fibrosis, oxidative stress, and
  mutagenesis. Am J Physiol Lung Cell Mol Physiol 2008; 295(4): L552-L565.
5 Pauluhn J. Subchronic 13-week inhalation exposure of rats to multiwalled carbon nanotubes: toxic
  effects are determined by density of agglomerate structures, not fibrillar structures. Toxicol Sci 2010;
  113(1): 226-242.
6 Nielsen GD, Roursgaard M, Jensen KA, Poulsen SS, Larsen ST. In vivo biology and toxicology of
  fullerenes and their derivatives. Basic Clin Pharmacol Toxicol 2008; 103(3): 197-208.
7 Card JW, Zeldin DC, Bonner JC, Nestmann ER. Pulmonary applications and toxicity of engineered
  nanoparticles. Am J Physiol Lung Cell Mol Physiol 2008; 295(3): L400-L411.
8 Jang J, Lim DH, Choi IH. The impact of nanomaterials in immune system. Immune Netw 2010;
  10(3): 85-91.
2 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>9 Santhanam P, Wagner JG, Elder A, Gelein R, Carter JM, Driscoll KE e.a. Effects of subchronic
  inhalation exposure to carbon black nanoparticles in the nasa; airways of laboratory rats. Int J
  Nanotechnol 2008; 5(1): 30-54.
0 Heinrich U, Fuhst R, Rittinghausen S, Creutzenberg O, Bellman B, Koch W e.a. Chronic inhalation
  exposure of Wistar rats and two different strains of mice to diesel engine exhaust, carbon black, and
  titanium dioxide. Inhal Toxicol 1995; 7: 533-556.
1 Sager TM, Kommineni C, Castranova V. Pulmonary response to intratracheal instillation of ultrafine
  versus fine titanium dioxide: role of particle surface area. Part Fibre Toxicol 2008; 5: 17.
2 Li Z, Hulderman T, Salmen R, Chapman R, Leonard SS, Young SH e.a. Cardiovascular effects of
  pulmonary exposure to single-wall carbon nanotubes. Environ Health Perspect 2007; 115(3): 377-
  382.
3 Duffin R, Mills NL, Donaldson K. Nanoparticles-a thoracic toxicology perspective. Yonsei Med J
  2007; 48(4): 561-572.
4 Geys J, Nemmar A, Verbeken E, Smolders E, Ratoi M, Hoylaerts MF e.a. Acute toxicity and
  prothrombotic effects of quantum dots: impact of surface charge. Environ Health Perspect 2008;
  116(12): 1607-1613.
5 Oszlanczi G, Vezer T, Sarkozi L, Horvath E, Konya Z, Papp A. Functional neurotoxicity of Mn-
  containing nanoparticles in rats. Ecotoxicol Environ Saf 2010; 73(8): 2004-2009.
6 Oszlanczi G, Papp A, Szabo A, Nagymajtenyi L, Sapi A, Konya Z e.a. Nervous system effects in rats
  on subacute exposure by lead-containing nanoparticles via the airways. Inhal Toxicol 2011; 23(4):
  173-181.
7 Zhang QL, Li MQ, Ji JW, Gao FP, Bai R, Chen CY e.a. In vivo toxicity of nano-alumina on mice
  neurobehavioral profiles and the potential mechanisms. Int J Immunopathol Pharmacol 2011; 24(1
  Suppl): 23S-29S.
8 Wu J, Wang C, Sun J, Xue Y. Neurotoxicity of silica nanoparticles: brain localization and
  dopaminergic neurons damage pathways. ACS Nano 2011; 5(6): 4476-4489.
9 Aoshima H, Saitoh Y, Ito S, Yamana S, Miwa N. Safety evaluation of highly purified fullerenes
  (HPFs): based on screening of eye and skin damage. J Toxicol Sci 2009; 34(5): 555-562.
0 Trop M, Novak M, Rodl S, Hellbom B, Kroell W, Goessler W. Silver-coated dressing acticoat caused
  raised liver enzymes and argyria-like symptoms in burn patient. J Trauma 2006; 60(3): 648-652.
1 Muller J, Delos M, Panin N, Rabolli V, Huaux F, Lison D. Absence of carcinogenic response to
  multiwall carbon nanotubes in a 2-year bioassay in the peritoneal cavity of the rat. Toxicol Sci 2009;
  110(2): 442-448.
2 Poland CA, Duffin R, Kinloch I, Maynard A, Wallace WA, Seaton A e.a. Carbon nanotubes
  introduced into the abdominal cavity of mice show asbestos-like pathogenicity in a pilot study. Nat
  Nanotechnol 2008; 3(7): 423-428.
3 Bonner JC. Nanoparticles as a potential cause of pleural and interstitial lung disease. Proc Am Thorac
  Soc 2010; 7(2): 138-141.
  Literatuur                                                                                             83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>4 Elder A. Nanotoxicology: How do nanotubes suppress T cells? Nat Nanotechnol 2009; 4(7): 409-
  410.
5 Monteiller C, Tran L, Macnee W, Faux S, Jones A, Miller B e.a. The pro-inflammatory effects of
  low-toxicity low-solubility particles, nanoparticles and fine particles, on epithelial cells in vitro: the
  role of surface area. Occup Environ Med 2007; 64(9): 609-615.
6 Cassee FR, van Balen EC, Singh C, Green D, Muijser H, Weinstein J e.a. Exposure, Health and
  Ecological Effects Review of Engineered Nanoscale Cerium and Cerium Oxide Associated with its
  Use as a Fuel Additive. Crit Rev Toxicol 2011; 41(13): 213-229.
7 Hardman R. A toxicologic review of quantum dots: toxicity depends on physicochemical and
  environmental factors. Environ Health Perspect 2006; 114(2): 165-172.
8 Aitken R, Hankin S, Ross B, Tran CL, Stone V, Fernandes TF e.a. EMERGNANO: A review of
  completed and near completed environment, health and safety research on nanomaterials and
  nanotechnology. Intitute of Occupational Medicine, Edingburgh, United Kingdom, report TM/09/01;
  2009.
9 Gonzalez L, Lison D, Kirsch-Volders M. Genotoxicity of engineered nanomaterials: A critical
  review. Nanotoxicology 2008; 2(4): 252-273.
0 Kreyling WG, Semmler-Behnke M, Möller W. Health implications of nanoparticles. J Nanopart Res
  2006; 8: 543-562.
1 Li N, Xia T, Nel AE. The role of oxidative stress in ambient particulate matter-induced lung diseases
  and its implications in the toxicity of engineered nanoparticles. Free Radic Biol Med 2008; 44(9):
  1689-1699.
2 Knaapen AM, Borm PJ, Albrecht C, Schins RP. Inhaled particles and lung cancer. Part A:
  Mechanisms. Int J Cancer 2004; 109(6): 799-809.
3 Mossman BT, Borm PJ, Castranova V, Costa DL, Donaldson K, Kleeberger SR. Mechanisms of
  action of inhaled fibers, particles and nanoparticles in lung and cardiovascular diseases. Part Fibre
  Toxicol 2007; 4: 4.
4 Stone V, Donaldson K. Nanotoxicology: signs of stress. Nat Nanotechnol 2006; 1(1): 23-24.
5 Marano F, Hussain S, Rodrigues-Lima F, Baeza-Squiban A, Boland S. Nanoparticles: molecular
  targets and cell signalling. Arch Toxicol 2011; 85(7): 733-741.
6 Landsiedel R, Kapp MD, Schulz M, Wiench K, Oesch F. Genotoxicity investigations on
  nanomaterials: methods, preparation and characterization of test material, potential artifacts and
  limitations--many questions, some answers. Mutat Res 2009; 681(2-3): 241-258.
7 Lindberg HK, Falck GC, Suhonen S, Vippola M, Vanhala E, Catalan J e.a. Genotoxicity of
  nanomaterials: DNA damage and micronuclei induced by carbon nanotubes and graphite nanofibres
  in human bronchial epithelial cells in vitro. Toxicol Lett 2009; 186(3): 166-173.
8 Donaldson K, Aitken R, Tran L, Stone V, Duffin R, Forrest G e.a. Carbon nanotubes: a review of
  their properties in relation to pulmonary toxicology and workplace safety. Toxicol Sci 2006; 92(1): 5-
  22.
4 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>9  Aillon KL, Xie Y, El-Gendy N, Berkland CJ, Forrest ML. Effects of nanomaterial physicochemical
   properties on in vivo toxicity. Adv Drug Deliv Rev 2009; 61(6): 457-466.
0  Schulte PA, Trout D, Zumwalde RD, Kuempel E, Geraci CL, Castranova V e.a. Options for
   occupational health surveillance of workers potentially exposed to engineered nanoparticles: state of
   the science. J Occup Environ Med 2008; 50(5): 517-526.
1  Schulte PA, Trout DB. Nanomaterials and worker health: medical surveillance, exposure registries,
   and epidemiologic research. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S3-S7.
2  Laney AS, McCauley LA, Schubauer-Berigan MK. Workshop summary: epidemiologic design
   strategies for studies of nanomaterial workers. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S87-S90.
3  Liou S-H, Tsou T-C, Wang S-L, Li L-A, Chiang H-C, Li W-F e.a. Epidemiological study of haelth
   hazards among workers handling engineered nanomaterials. J Nanopart Res 2012; 14: 878-893.
4  Boutou-Kempf O, Marchand JL, Radauceanu A, Witschger O, Imbernon E. Development of a French
   epidemiological surveillance system of workers producing or handling engineered nanomaterials in
   the workplace. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S103-S107.
5  Boutou-Kempf O. Eléments de faisabilité pour un dispositif de surveillance épidémiologique des
   travailleurs exposés aux nanomatériaux intentionnellement produits. Sant-Maurice: Institut de veille
   sanitaire, www.invs.sante.fr; 2011.
6  NIOSH. Approaches to safe nanotechnology. Managing the health and safety concerns associated
   with engineered nanomaterials. Department of Health and Human Services, National Institute for
   Occupational Safety and Health, Centers for Disease Control and Prevention, Cincinnati, OH, USA;
   2009.
7  Eisen EA, Costello S, Chevrier J, Picciotto S. Epidemiologic challenges for studies of occupational
   exposure to engineered nanoparticles; a commentary. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S57-
   S61.
8  Elder A, Oberdorster G. Translocation and effects of ultrafine particles outside of the lung. Clin
   Occup Environ Med 2006; 5(4): 785-796.
9  Agence Francaise de Sécurité Sanitaire de l’Environnement et du Travail. Les nanomatériaux. Effets
   sur la santé de l’homme et sur l’environnement. AFSSET, Maisons-Alfort Cedex, France; 2006.
00 NIOSH. Current Intelligence Bulletin 60. Interim Guidance for Medical Screening and Hazard
   Surveillance for Workers Potentially Exposed to Engineered Nanoparticles. DHHS (NIOSH); 2009:
   2009-116. Internet: http://www.cdc.gov/niosh/docs/2009-116/.
01 Beelen R, Hoek G, van den Brandt PA, Goldbohm RA, Fischer P, Schouten LJ e.a. Long-term
   exposure to traffic-related air pollution and lung cancer risk. Epidemiology 2008; 19(5): 702-710.
02 Beelen R, Hoek G, Houthuijs D, van den Brandt PA, Goldbohm RA, Fischer P e.a. The joint
   association of air pollution and noise from road traffic with cardiovascular mortality in a cohort
   study. Occup Environ Med 2009; 66(4): 243-250.
03 Mustafic H, Jabre P, Caussin C, Murad MH, Escolano S, Tafflet M e.a. Main air pollutants and
   myocardial infarction: a systematic review and meta-analysis. JAMA 2012; 307(7): 713-721.
   Literatuur                                                                                            85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>04 Wellenius GA, Burger MR, Coull BA, Schwartz J, Suh HH, Koutrakis P e.a. Ambient air pollution
   and the risk of acute ischemic stroke. Arch Intern Med 2012; 172(3): 229-234.
05 Weuve J, Puett RC, Schwartz J, Yanosky JD, Laden F, Grodstein F. Exposure to particulate air
   pollution and cognitive decline in older women. Arch Intern Med 2012; 172(3): 219-227.
06 Nasterlack M, Zober A, Oberlinner C. Considerations on occupational medical surveillance in
   employees handling nanoparticles. Int Arch Occup Environ Health 2008; 81(6): 721-726.
07 Berlinger B, Benker N, Weinbruch S, L’Vov B, Ebert M, Koch W e.a. Physicochemical
   characterisation of different welding aerosols. Anal Bioanal Chem 2011; 399(5): 1773-1780.
08 Buonanno G, Morawska L, Stabile L. Exposure to welding fumes in automotive plants. J Aerosol Sci
   2011; 42(5): 295-304.
09 Elihn K, Berg P, Liden G. Correlation between airborne particle concentrations in seven industrial
   plants and estimated respiratory tract deposition by number, mass and elemental composition. J
   Aerosol Sci 2011; 42(2): 127-141.
10 Pelzer J, Lehnert A, Lotz C, Mohlmann R, Gelder van A, Goebel A e.a. Measurements of the number
   concentrations of fine and ultrafine particles in welding fumes - Comparison with the gravimetrically
   obtained mass concentrations in connection with the WELDOX project. Gefahrstoffe Reinhalt Luft
   2011; 71(9): 389-392.
11 Stephenson D, Seshadri G, Veranth JM. Workplace exposure to submicron particle mass and number
   concentrations from manual arc welding of carbon steel. AIHA J (Fairfax, Va ) 2003; 64(4): 516-521.
12 Dutch Expert Committee on Occupational Standards. Health-based recommended occupationl
   exposure limit for ARC welding fume particles not containing chromium and nickel. Directorate-
   General of Labour, The Hague, report no. RA 1/93; 1993.
13 International Organization for Standardization (ISO). Chromium, nickel and welding. IARC, Lyon,
   France, Monograph Volume 49; 1990.
14 Fang SC, Cassidy A, Christiani DC. A systematic review of occupational exposure to particulate
   matter and cardiovascular disease. Int J Environ Res Public Health 2010; 7(4): 1773-1806.
15 Ibfelt E, Bonde JP, Hansen J. Exposure to metal welding fume particles and risk for cardiovascular
   disease in Denmark: a prospective cohort study. Occup Environ Med 2010; 67(11): 772-777.
16 Donaldson K, Tran CL. An introduction to the short-term toxicology of respirable industrial fibres.
   Mutat Res 2004; 553(1-2): 5-9.
17 Kane AB, Hurt RH. Nanotoxicology: the asbestos analogy revisited. Nat Nanotechnol 2008; 3(7):
   378-379.
18 Gezondheidsraad. Asbestos. Risks of environmental and occupational exposure. Den Haag:
   Gezondheidsraad, 2010: publicatienr. 2010/10E.
19 Gezondheidsraad. Man made mineral fibers, health-based recommended occupational exposure
   limits. Gezondheidsraad, Dutch Expert Committee on Occupational Standards, Den Haag:
   Gezondheidsraad, 1995: publicatienr. 1995/02WGD.
6  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>20 Ayala P, Kauppinen E, Nov E, Chiriac H, Lupu N, Malanowski N e.a. Recommendations for
   Legislation Policy Makers. IMPART, Contract number NMP4-CT-2005-013968; 2008. Internet:
   http://www.impart-nanotox.org/.
21 Hansen SF. A global view of regulations affecting nanomaterials. Wiley Interdiscip Rev Nanomed
   Nanobiotechnol 2010; 2(5): 441-449.
22 Tweede Kamer der Staten Generaal. Arbeidsomstandigheden. Brief van de minister van Sociale
   Zaken en Werkgelegenheid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 25 883, nr.161; 2009.
23 Tweede Kamer der Staten Generaal. Actieplan nanotechnologie. Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-
   2008, 29 338, nr. 75; 2008.
24 Gezondheidsraad. Voorzorg met rede. Den Haag: Gezondheidsraad, 2008: publicatienummer 2008/
   18.
25 Tyshenko MG, Farhat N, Lewis R, Shilnikova N, Krewski D. Applying a precautionary risk
   management strategy for regulation of nanotechnology. Int J Nanotechnol 2010; 7(2-3): 243-264.
26 Woskie S. Workplace practices for engineered nanomaterial manufacturers. Wiley Interdiscip Rev
   Nanomed Nanobiotechnol 2010; 2(6): 685-692.
27 Brouwer DH. Control banding approaches for nanomaterials. Ann Occup Hyg 2012; 56(5): 506-514.
28 French Agency for Food EaOHaS. Development of a specific control banding tool for nanomaterials.
   ANSES, France, www.anses.fr; 2010.
29 Groso A, Petri-Fink A, Magrez A, Riediker M, Meyer T. Management of nanomaterials safety in
   research environment. Part Fibre Toxicol 2010; 7: 40.
30 Paik SY, Zalk DM, Swuste P. Application of a pilot control banding tool for risk level assessment and
   control of nanoparticle exposures. Ann Occup Hyg 2008; 52(6): 419-428.
31 Schulte P, Geraci C, Hodson L, Zumwalde R, Castranova V, Kuempel E e.a. Nanotechnologies and
   nanomaterials in the occupational setting. Italian J Occupa Environ Hyg 2010; 1(2): 63-68.
32 Schulte PA, Murashov V, Zumwalde R, Kuempel E, Geraci C. Occupational exposure limits for
   nanomaterials: state of the art. J Nanopart Res 2010; 12: 1971-1987.
33 Zalk DM, Paik S, Swuste P. Evaluating the control banding nanotool: a qualitative risk assessment
   method for controlling nanoparticle exposures. J Nanopart Res 2009; 11: 1685-1704.
34 Zalk DM. Control banding. A simplified qualitative strategy for the assessment of occupational risks
   and selection of solutions. Thesis, Technical University Delft, The Netherlands; 2010.
35 Cornelissen R, Jongeneelen F, Van Broekhuizen P. Handleiding veilig werken met nanomaterialen en
   - producten. IVAM-Uva, Amsterdam, in opdracht vanFNV, VNO-NCW en CNV. Documentnr. 1041
   O ; 2010.
36 Nordberg GF, Fowler BA, Nordberg M, Friberg LT. Handbook on the toxicology of metals. Third
   Edition, Aitio A., Anderssson I., e.a. (eds), Elsevier, the UK; 2008.
37 American Conference of Governmental Industrial Hygienists. Particulates (insoluble) not otherwise
   specified (PNOS), containing no asbestos and < 1% crystalline silica. The American Conference of
   Governmental Industrial Hygienists, Cincinnati, Ohio, the USA, Documentation of the TLVs and
   Beis, Vol: 7th edition, www.acgih.org; 2001.
   Literatuur                                                                                            87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>38 American Conference of Governmental Industrial Hygienists. TLVs® and BEIs®. ACGIH,
   Cincinnati, Ohio, the USA, www.acgih.org; 2009.
39 Deusche Forschungsgemeinschaft. General threshold limit value for dust. In: Occupational toxicants,
   critical data evaluation for MAK values and classification of carcinogens, Volume 12. Deutsche
   Forschungsgemeinschaft, Wiley-VCH Verlag GmbH, Weinheim, Germany, pp 239-270; 1999.
40 Deusche Forschungsgemeinschaft (DFG). List of MAK and BAT values. DFG, Wiley-VCH Verlag
   GmbH, Weinheim, Germany, Report No. 46; 2010.
41 Kuempel ED. Carbon nanotube risk assessment: implications for exposure and medical monitoring.
   J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S91-S97.
42 NIOSH. Current intellegence bulletin: Evaluation of Health Hazard and Recommendations for
   Occupational Exposure to Titanium Dioxide (draft). 2005.
43 Pauluhn J. Multi-walled carbon nanotubes (Baytubes(R)): Approach for derivation of occupational
   exposure limit. Regul Toxicol Pharmacol 2010; 57(1): 78-89.
44 Organisation for Economic Co-operation and Development. List of manufactured nanomaterials and
   list of endpoints for phase one of the OECD testing programme. OECD, series on the safety of
   manufactured nanomaterials: number 6, Report ENV/JM/MONO(2008)13/REV, Paris, France; 2007.
45 Organisation for Economic Co-operation and Development. Report on an OECD workshop on
   exposure assessment and exposure mitigation: manufactured nanomaterials. OECD, series on the
   safety of manufactured nanomaterials: number 13, Report ENV/JM/MONO(2009)18, Paris, France;
   2009.
46 British Standards Institution. Nanotechnologies - Part 2: Guide to safe handling and disposal of
   manufactured nanomaterials. BSi Group, London, the UK, Report PD 6699-2; 2007.
47 Institut für Arbeitsschutz der Deutschen Gesetzlichen Unfallversicherung (IFA). Maßstäbe zur
   Beurteilung der Wirksamkeit von Schutzmaßnahmen. Grenzwerte in Deutschland. IFA,
   www.dguv.de/ifa/; 2010.
48 Dekkers S, Heer dC. Tijdelijke nano-referentiewaarden. Bruikbaarheid van het concept en van de
   gepubliceerde methoden. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven,
   Rapport 601044001; 2010.
49 Sociaal-Economische Raad. Voorlopige nanoreferentiewaarden voor synthetische nanomaterialen.
   Sociaal-Economische Raad, Den Haag, advies 12/01; 2012.
50 Broekhuizen P van, Van Broekhuizen F, Cornelissen R, Reijnders L. Workplace exposure to
   nanoparticles and the application of provisional nanoreference values in times of uncertain risks.
   J Nanopart Res 2012; 14: 770-794.
51 Schulte P, Geraci C, Zumwalde R, Hoover M, Castranova V, Kuempel E e.a. Sharpening the focus on
   occupational safety and health in nanotechnology. Scand J Work Environ Health 2008; 34(6):
   471-478.
52 Trout DB, Schulte PA. Medical surveillance, exposure registries, and epidemiologic research for
   workers exposed to nanomaterials. Toxicology 2010; 269(2-3): 128-135.
8  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>53 DEFRA. Characterising the Potential Risks posed by Engineered Nanoparticles. A Second UK
   Government Research Report. 2007. Internet: http://www.nanowerk.com/nanotechnology/reports/
   Characterising_the_Potential_Risks_posed_by_Engineered_Nanoparticles_2nd_report.html.
54 DEFRA. Nanomaterials: Hazards and risks to health and the environment. A supplementary guide for
   the UK Voluntary reporting scheme. Department for Environment Food and Rural Affairs (DEFRA),
   London, the UK; 2008.
55 U.S.Environmental Protection Agency. Meeting summary report: Material characterization of
   nanoscale materials. U.S. EPA, Office of Prevention, Pesticides and Toxic Substances, Washington
   D.C., www.epa.gov; 2007.
56 U.S.Environmental Protection Agency. Nanoscale materials stewardship program interim report.
   U.S. EPA, Office of Pollution Prevention and Toxics, Washington D.C., www.epa.gov; 2009.
57 Kreider T, Halperin W. Engineered nanomaterials: learning from the past, planning for the future.
   J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S108-S112.
58 Card JW, Magnuson BA. A method to assess the quality of studies that examine the toxicity of
   engineered nanomaterials. Int J Toxicol 2010; 29(4): 402-410.
59 Hamilton RF, Wu N, Porter D, Buford M, Wolfarth M, Holian A. Particle length-dependent titanium
   dioxide nanomaterials toxicity and bioactivity. Part Fibre Toxicol 2009; 6: 35.
60 Powers KW, Palazuelos M, Moudgil BM, Roberts SM. Characterization of the size, shape, and state
   of dispersion of nanoparticles for toxicological studies. Nanotoxicology 2007; 1(1): 42-51.
61 Scientific Committee on Emerging and Newly Identified Health Risks (SCENIHR). The
   appropriateness of existing methodologies to assess the potential risks associated with engineered and
   adventitious products of nanotechnologies. SCENIHR; 2006: SCENIHR 002/05. Internet: http://
   ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/scenihr_cons_01_en.htm.
62 Warheit DB, Borm PJ, Hennes C, Lademann J. Testing strategies to establish the safety of
   nanomaterials: conclusions of an ECETOC workshop. Inhal Toxicol 2007; 19(8): 631-643.
63 Warheit DB, Sayes CM, Reed KL, Swain KA. Health effects related to nanoparticle exposures:
   environmental, health and safety considerations for assessing hazards and risks. Pharmacol Ther
   2008; 120(1): 35-42.
64 Warheit DB. How meaningful are the results of nanotoxicity studies in the absence of adequate
   material characterization? Toxicol Sci 2008; 101(2): 183-185.
65 International Organization for Standardization (ISO). Nanotechnologies - Guidance on
   physicochemical caracterization for manufactured nano-objects submitted for toxicological testing.
   Report No. ISO TC 229/SC N, date 2011-01-28; 2011.
66 Elder A, Vidyasagar S, DeLouise L. Physicochemical factors that affect metal and metal oxide
   nanoparticle passage across epithelial barriers. Wiley Interdiscip Rev Nanomed Nanobiotechnol
   2009; 1(4): 434-450.
67 Hameri K, Lahde T, Hussein T, Koivisto J, Savolainen K. Facing the key workplace challenge:
   assessing and preventing exposure to nanoparticles at source. Inhal Toxicol 2009; 21 Suppl 1: 17-24.
   Literatuur                                                                                             89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>68 International Organization for Standardization (ISO). Workplace atmospheres - ultrafine,
   nanoparticle and nano-structured aerosols - inhalation exposure characterization and assessment.
   Technical committee ISO/TC 146 (Air quality), Subcommittee SC2 (workplace atmospheres), ISO,
   Technical report ISO/TR 27628: 2007.
69 Seipenbusch M, Binder A, Kasper G. Temporal evolution of nanoparticle aerosols in workplace
   exposure. Ann Occup Hyg 2008; 52(8): 707-716.
70 Asati A, Santra S, Kaittanis C, Perez JM. Surface-charge-dependent cell localization and cytotoxicity
   of cerium oxide nanoparticles. ACS Nano 2010; 4(9): 5321-5331.
71 Bhattacharjee S, de Haan LH, Evers NM, Jiang X, Marcelis AT, Zuilhof H e.a. Role of surface charge
   and oxidative stress in cytotoxicity of organic monolayer-coated silicon nanoparticles towards
   macrophage NR8383 cells. Part Fibre Toxicol 2010; 7: 25.
72 El Badawy AM, Silva RG, Morris B, Scheckel KG, Suidan MT, Tolaymat TM. Surface charge-
   dependent toxicity of silver nanoparticles. Environ Sci Technol 2011; 45(1): 283-287.
73 Kroll A, Pillukat MH, Hahn D, Schnekenburger J. Current in vitro methods in nanoparticle risk
   assessment: limitations and challenges. Eur J Pharm Biopharm 2009; 72(2): 370-377.
74 Schaeublin NM, Braydich-Stolle LK, Schrand AM, Miller JM, Hutchison J, Schlager JJ e.a. Surface
   charge of gold nanoparticles mediates mechanism of toxicity. Nanoscale 2011; 3(2): 410-420.
75 Veronesi B, de HC, Lee L, Oortgiesen M. The surface charge of visible particulate matter predicts
   biological activation in human bronchial epithelial cells. Toxicol Appl Pharmacol 2002; 178(3):
   144-154.
76 Zhang LW, Monteiro-Riviere NA. Mechanisms of quantum dot nanoparticle cellular uptake. Toxicol
   Sci 2009; 110(1): 138-155.
77 Swuste, Drimmelen D, Burdorf. Pneumatic chippers design analysis and solution generation. Safety
   Science 1997; 27: 85-98.
78 Kroonenberg Hvd. Keuzetechnieken bij methodisch ontwerpen. De Constructeur 1986; 3: 24-32.
79 Kroonenberg Hvd. De dreigende teloorgang van het werktuigbouwkundig ontwerp. De Ingenieur
   1990; 11: 25-28.
80 Schneider T, Brouwer DH, Koponen IK, Jensen KA, Fransman W, Van Duuren-Stuurman B e.a.
   Conceptual model for assessment of inhalation exposure to manufactured nanoparticles. J Expo Sci
   Environ Epidemiol 2011; 21(5): 450-463.
81 Tielemans E, Schneider T, Goede H, Tischer M, Warren N, Kromhout H e.a. Conceptual model for
   assessment of inhalation exposure: defining modifying factors. Ann Occup Hyg 2008; 52(7):
   577-586.
82 Fissan H, Neumann S, Trampe A, Pui DYH, Shin WG. Rationale and principle of an instrument
   measuring lung deposited nanoparticle surface area. J Nanopart Res 2007; 9: 53-59.
83 Oberdorster G, Finkelstein J, Ferin J, Godleski J, Chang LY, Gelein R e.a. Ultrafine particles as a
   potential environmental health hazard. Studies with model particles. Chest 1996; 109(3 Suppl): 68S-
   69S.
0  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>84 Tran CL, Buchanan D, Cullen RT, Searl A, Jones AD, Donaldson K. Inhalation of poorly soluble
   particles. II. Influence Of particle surface area on inflammation and clearance. Inhal Toxicol 2000;
   12(12): 1113-1126.
85 Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD). Preliminary analysis of
   exposure measurement and exposure mitigation in occupational settings: manufactured
   nanomaterials. OECD, series on the safety of manufactured nanomaterials: number 8, Report ENV/
   JM/MONO(2009)6, Paris, France; 2009.
86 Methner M, Hodson L, Dames A, Geraci C. Nanoparticle Emission Assessment Technique (NEAT)
   for the identification and measurement of potential inhalation exposure to engineered nanomaterials-
   -Part B: Results from 12 field studies. J Occup Environ Hyg 2010; 7(3): 163-176.
87 Methner M, Hodson L, Geraci C. Nanoparticle emission assessment technique (NEAT) for the
   identification and measurement of potential inhalation exposure to engineered nanomaterials--part A.
   J Occup Environ Hyg 2010; 7(3): 127-132.
88 Brouwer D, Duuren-Stuurman vB, Berges M, Jankowska E, Bard D, Mark D. From workplace air
   measurement results toward estimates of exposure? Development of a strategy to assess exposure to
   manufactured nano-objects. J Nanopart Res 2009; 11: 1867-1881.
89 Brouwer DH, Gijsbers JH, Lurvink MW. Personal exposure to ultrafine particles in the workplace:
   exploring sampling techniques and strategies. Ann Occup Hyg 2004; 48(5): 439-453.
90 Tiered approach to an exposure measurement and assessment of nanoscale aerosols released from
   engineered nanomaterials in workplace operations. Presented by (in alpabatical order): Air Quality
   and Sustainable Nanotechnology of Energy and Environmental Technology e.V. (UTA), Federal
   Institute for Occupational Safety and Health (BAuA), German Social Accident Insurance Institution
   for the Raw materials and Chemical Industry (BG RCI), German Chemical Insustry (VCI), Institute
   for Occupational Safety and Health of the DGUV (IFA), Research Group Mechanical Process
   Engineering, Institute of Process Engineering and Environmental Technology, Technical University
   Dresed (TUD). Germany; 2011.
91 Brunauer S, Emmett PH, Teller E. Adsorption of gases in multimolecular layers. J Am Chem Soc
   1938; 60(2): 309-319.
92 Schmidt-Ott A, Baltensperger U, Gäggeler HW, Jost DT. Scaling behaviour of physical parameters
   describing agglomerates. J Aerosol Sci 1990; 21(6): 711-717.
93 Oberdorster G. Significance of particle parameters in the evaluation of exposure-dose-response
   relationships of inhaled particles. Inhal Toxicol 1996; 8 Suppl: 73-89.
94 Sager TM, Castranova V. Surface area of particle administered versus mass in determining the
   pulmonary toxicity of ultrafine and fine carbon black: comparison to ultrafine titanium dioxide. Part
   Fibre Toxicol 2009; 6: 15.
95 Cena LG, Anthony TR, Peters TM. A Personal Nanoparticle Respiratory Deposition (NRD) Sampler.
   Environ Sci Technol 2011; 45(15): 6483-6490.
96 Asbach C, Kaminski H, von BD, Kuhlbusch TA, Monz C, Dziurowitz N e.a. Comparability of
   portable nanoparticle exposure monitors. Ann Occup Hyg 2012; 56(5): 606-621.
   Literatuur                                                                                            91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>97 Methner MM, Birch ME, Evans DE, Ku BK, Crouch K, Hoover MD. Identification and
   characterization of potential sources of worker exposure to carbon nanofibers during polymer
   composite laboratory operations. J Occup Environ Hyg 2007; 4(12): D125-D130.
98 Dahm MM, Evans DE, Schubauer-Berigan MK, Birch ME, Fernback JE. Occupational exposure
   assessment in carbon nanotube and nanofiber primary and secondary manufacturers. Ann Occup Hyg
   2012; 56(5): 542-556.
99 Broekhuizen F van, Van Broekhuizen JC, Cornelissen RTM, Terwoert J. Gebruik van nanoproducten
   in de Nederlandse bouwnijverheid. Stichting Arbouw, Harderwijk, rapport nr. 11-154; 2011.
00 Brouwer D. Exposure to manufactured nanoparticles in different workplaces. Toxicology 2010;
   269(2-3): 120-127.
01 European Agency for Safety and Health at Work. Workplace exposure to nanoparticles. 2009.
02 Kuhlbusch TA, Asbach C, Fissan H, Gohler D, Stintz M. Nanoparticle exposure at nanotechnology
   workplaces: A review. Part Fibre Toxicol 2011; 8(1): 22.
03 Nazarenko Y, Han TW, Lioy PJ, Mainelis G. Potential for exposure to engineered nanoparticles from
   nanotechnology-based consumer spray products. J Expo Sci Environ Epidemiol 2011; 21(5):
   515-528.
04 Schneider T. Evaluation and control of occupational health risks from nanoparticles. 2007: 581.
   Internet: http://www.norden.org/en/publications/publications/2007-581?set_language=en.
05 Trout DB. General principles of medical surveillance: implications for workers potentially exposed to
   nanomaterials. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S22-S24.
06 Fischman M, Storey E, McCunney RJ, Kosnett M. National Institute for Occupational Safety and
   Health nanomaterials and worker health conference--medical surveillance session summary report.
   J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S35-S37.
07 Nasterlack M. Role of medical surveillance in risk management. J Occup Environ Med 2011;
   53(6 Suppl): S18-S21.
08 Lenderink.A. Het melden van beroepsziekten: weten, willen, kunnen en mogen. Nederlands Centrum
   voor Beroepsziekten, Amsterdam; 2012.
09 Gezondheidsraad. Monitoring van milieu- en gezondheidsindicatoren. Een inventarisatie en evaluatie
   van milieufactoren, indicatoren en registratiesystemen. Den Haag: Gezondheidsraad, 2003:
   publicatienr. A03/07.
10 Donker GA. Continue Morbiditeits Registratie Peilstations Nederland 2010. Nederlands instituut
   voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL), Utrecht; 2011.
11 Gezondheidsraad. Gezondheid en milieu: mogelijkheden van monitoring. Den Haag:
   Gezondheidsraad, 2003: publicatienr. 2003/13. Internet: www.gr.nl.
12 Boutou-Kempf O, Marchand JL, Imbernon E. Feasibility of an epidemiological surveillance system
   for workers occupationally exposed to engineered nanomaterials. French Institute for Public Health
   Surveillance, France; 2012.
2  Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>13 Erdely A, Liston A, Salmen-Muniz R, Hulderman T, Young SH, Zeidler-Erdely PC e.a. Identification
   of systemic markers from a pulmonary carbon nanotube exposure. J Occup Environ Med 2011; 53(6
   Suppl): S80-S86.
14 Li N, Nel AE. Feasibility of biomarker studies for engineered nanoparticles: what can be learned
   from air pollution research. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S74-S79.
15 Simeonova PP, Erdely A. Engineered nanoparticle respiratory exposure and potential risks for
   cardiovascular toxicity: predictive tests and biomarkers. Inhal Toxicol 2009; 21 Suppl 1: 68-73.
16 Bayer. Bayer code of good practice on the production and on-site-use of nanomaterials. 2007: Bayer
   AG, Lerverkussen, Duitsland.
17 David RM, Nasterlack M, Engel S, Conner PR. Developing a registry of workers involved in
   nanotechnology: BASF experiences. J Occup Environ Med 2011; 53(6 Suppl): S32-S34.
18 Schulte PA, Schubauer-Berigan MK, Mayweather C, Geraci CL, Zumwalde R, McKernan JL. Issues
   in the development of epidemiologic studies of workers exposed to engineered nanoparticles.
   J Occup Environ Med 2009; 51(3): 323-335.
19 European Agency for Safety and Health at Work. Risk perception and risk communication with
   regard to nanomaterials in the workplace. European Risk Observatory. EASHW, Luxembourg; 2012.
20 DuPont. Nano Risk Framework (draft). Environmental Defense - DuPont Nano Partnership. February
   26; 2007.
21 Tongeren M van, Aitken R, Brouwer D, Christensen F, Clark K, Friedrichs S e.a. Development of
   generic exposure scenario descriptions. Development of exposure scenarios for manufactures
   nanomaterials.Work Package 2, Nanex, European Union; 2010.
22 Brouwer D, Gerritsen-Ebben R, Duuren-Stuurman vB, Puijk I, Uzu G, Golimowski J e.a.
   Occupational exposure scenarios. Development of exposure scenarios for manufactures
   nanomaterials.Work Package 3, Nanex, European Union; 2010.
23 Duuren-Stuurman B, Vink Sv, Brouwer D, Kroese D, Heussen H, Verbist K e.a. Stoffenmanager
   Nano: description of the conceptual control banding model. TNO report V9216 TNO, ArboUnie;
   2011.
24 HSE. The assessment of different metrics of the concentration of nano (ultrafine) particles in existing
   and new industries. 2006: RR513. Internet: http://www.hse.gov.uk/research/rrhtm/rr513.htm.
25 Majestic BJ, Erdakos GB, Lewandowski M, Oliver KD, Willis RD, Kleindienst TE e.a. A review of
   selected engineered nanoparticles in the atmosphere. Sources, transformations, and techniques for
   sampling and analysis. Int J Occup Environ Health 2010; 16: 488-507.
26 Tardif F, Sicard Y, Shakesheff A, Moehlmann C, Backman U. Is it possible to easily measure the
   engineered nanoparticles at workplaces? Nanosafe; 2008: D115/D121. Internet: http://
   www.nanosafe.org/scripts/home/publigen/content/templates/show.asp?P=63&L=EN.
   Literatuur                                                                                              93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>4 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Werkconferentie
D Ontvangen commentaar op het openbare conceptadvies
E Voluntary Reporting Scheme (Defra, UK)
F Voluntary Nanoscale Materials Stewardship Program (US EPA)
G Nanospecifiek individueel blootstellingsformulier (CEA, Frankrijk)
H Formulier blootstellingscenario’s (NANEX-WP2, EU)
  Procesgegevens voor nanomaterialen en -producten in de literatuur
  Monitoring- en meettechnieken
K Overzicht van te registreren gegevens
  Bijlagen
                                                                     95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>6 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>ijlage A
       De adviesaanvraag
       Brief van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; briefkenmerk
       G&VW/GW/2009/18420.
       Geachte heer Knottnerus,
       Hierbij verzoek ik de Gezondheidsraad advies uit te brengen over blootstellingsregistratie en gezond-
       heidsbewaking bij het werken met nanodeeltjes.
       Achtergrond van mijn vraag
       Nanotechnologie en nanodeeltjes staan volop in de belangstelling. Dat komt door de economische en
       maatschappelijke kansen die nanotechnologie biedt. Maar het komt ook door de onzekere risico’s die
       eraan verbonden zijn. De aandacht richt zich daarbij vooral op de risico’s die verbonden zouden kun-
       nen zijn aan vrije, synthetische, onoplosbare nanodeeltjes. Er is een grote behoefte aan meer kennis
       over de risico’s van deze deeltjes, zowel over blootstelling als over eventuele toxicologische effecten.
       Hoewel wereldwijd hiernaar veel onderzoek plaatsvindt, zullen waarschijnlijk nog geruime tijd ken-
       nislacunes blijven bestaan.
       Het Kabinet kiest daarom in zijn benadering van nanotechnologie, en de onzekere risico’s van nano-
       deeltjes in het bijzonder, voor een aanpak van verantwoord omgaan met nanodeeltjes volgens een
       voorzorgbenadering.
       De adviesaanvraag                                                                                        97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>  De SER Commissie Arbeidsomstandigheden adviseerde eind maart van dit jaar over hoe voorzorg
  zou kunnen worden ingevuld bij het werken met nanodeeltjes*. Als onderdeel van de voorzorgbena-
  dering stelt de SER dat er behoefte is aan een “early warning systeem in het kader van de gezond-
  heidsbewaking, omdat niet uitgesloten is dat gezondheidschade zich bij werknemers pas na vele jaren
  na blootstelling openbaren”. De commissie adviseert hierover een gerichte adviesaanvraag voor te
  leggen aan de Gezondheidsraad., “met het oog op de vele onzekerheden die er nog bestaan over te
  verwachten gezondheidseffecten en daarmee ook over de mogelijkheden en toepassing van een early
  warning systeem”.
  Een ander, hieraan rakend, onderdeel van het advies van de SER, is het opzetten van een blootstel-
  lingsregistratie in bedrijven die werken met (bepaalde categorieën) nanodeeltjes. Door zo’n uitge-
  breidere blootstellingsregistratie kan bijvoorbeeld in de toekomst sneller het verband worden
  vastgelegd tussen blootstelling en evt. optredende gezondheidseffecten, hetgeen weer bij kan dragen
  aan “early warning”.
  Ik heb besloten hierover uw advies te vragen. Ik leg u daartoe de volgende vragen voor.
  De adviesvraag
  Hoe moet een registratie van beroepsmatige blootstelling aan nanodeeltjes (minimaal) worden inge-
  richt, zodat een verband kan worden gelegd met (evt. later) optredende gezondheidseffecten (dan wel
  een dergelijk verband kan worden uitgesloten)?
  Verzoeke daarbij in ieder geval aandacht te besteden aan:
  •    De te registreren eigenschappen van de nanodeeltjes
  •    De beste parameters om de mate van blootstelling uit te drukken
  •    De mogelijkheid om voor dit doel een onderscheid in categorieën nanodeeltjes te hanteren zoals
       de SER dat adviseert (pagina 41 en paragraaf 4.3.1. van het SER advies)
  •    De mogelijkheid van eenduidige definitie/afbakening van hetgeen geregistreerd zou moeten
       worden
  •    Registratie op het niveau van de individuele werknemer dan wel op groepsniveau
  •    Risicogroepen onder werknemers
  •    Bruikbaarheid van, dan wel extra eisen aan bestaande databases en instrumenten voor blootstel-
       lingsregistratie
  •    Randvoorwaarden voor implementatie.
  Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkplek, SER 2009, ISBN 90-6587-984-6.
8 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>In hoeverre is het mogelijk en zinvol om bij het werken met nanodeeltjes gezondheidsbewaking en/of
een early warning systeem in te zetten? Aan welke voorwaarden zou een dergelijk systeem moeten
voldoen om goed te kunnen functioneren?
Verzoeke daarbij in ieder geval aandacht te besteden aan:
•    De te verwachten gezondheidseffecten van blootstelling aan nanodeeltjes
•    De parameters die gemonitord kunnen worden om evt. effecten van nanodeeltjes te kunnen vast-
     stellen
•    Risicogroepen
•    De relatie met de registratie van de blootstelling aan nanodeeltjes
•    De bruikbaarheid van, dan wel extra eisen aan, bestaande databases, signaleringssystemen, en
     instrumenten voor periodiek onderzoek
•    Organisatie van gezondheidsbewaking / early warning op bedrijfsniveau, en/of op landelijk
     niveau.
Met het oog op het internationale karakter van de problematiek van het omgaan met nanodeeltjes op
de werkvloer verzoek ik u in uw advisering ruimte in te bouwen voor het houden van internationale
beraadslagingen. Ook wil ik u verzoeken in nader overleg een werkwijze vast te stellen voor raadple-
ging van deskundigen uit het bedrijfsleven en de vakbeweging.
Voor uw advisering is de nu beschikbare kennis over (risico’s van) nanodeeltjes het uitgangspunt.
Indien dat mogelijk is verzoek ik u in uw advisering ook rekening te houden met de ontwikkelingen
in onderzoek naar nanodeeltjes, en de wijze waarop daar in de toekomst gebruik van zou kunnen wor-
den gemaakt.
Ik verzoek u uw advies uit te brengen begin 2011, of zoveel eerder als mogelijk.
Hoogachtend,
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De adviesaanvraag                                                                                    99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>00 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>ijlage B
       De commissie
       •  prof. dr. ir. W.E. Bijker, voorzitter
          hoogleraar maatschappijwetenschap en techniek, Universiteit Maastricht
       •  prof. dr. ir. A. Burdorf
          hoogleraar determinanten van volksgezondheid, Erasmus Medisch Centrum,
          Rotterdam
       •  dr. ir. R. Houba
          arbeidshygiënist, Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen,
          Utrecht
       •  dr. T.M. Pal
          bedrijfsarts, Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Amsterdam
       •  prof. dr. A. Schmidt-Ott
          hoogleraar deeltjestechnologie, Technische Universiteit Delft
       •  dr. P.H.J.J. Swuste
          veiligheidskundige/arbeidshygiënist, Technische Universiteit Delft
       •  dr. E. Tielemans
          business line manager ‘Veilig omgaan met innovatieve stoffen en
          technologieën’, TNO, Zeist
       •  dr. ir. R.C.H. Vermeulen
          arbeidsepidemioloog, Institute for Risk Assessment Sciences, Utrecht
       •  prof. dr. F.R. Cassee, adviseur
          Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; hoogleraar
       De commissie                                                              101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>       inhalatie toxicologie, Institute for Risk Assessment Sciences, Universiteit
       Utrecht
   •   drs. E.C. van de Aker, waarnemer
       ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag
   •   dr. J.M. Rijnkels, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
   De Gezondheidsraad en belangen
   Leden van Gezondheidsraadcommissies worden benoemd op persoonlijke titel,
   wegens hun bijzondere expertise inzake de te behandelen adviesvraag. Zij kun-
   nen echter, dikwijls juist vanwege die expertise, ook belangen hebben. Dat
   behoeft op zich geen bezwaar te zijn voor het lidmaatschap van een Gezond-
   heidsraadcommissie. Openheid over mogelijke belangenconflicten is echter
   belangrijk, zowel naar de voorzitter en de overige leden van de commissie, als
   naar de voorzitter van de Gezondheidsraad. Bij de uitnodiging om tot de com-
   missie toe te treden wordt daarom aan commissieleden gevraagd door middel
   van het invullen van een formulier inzicht te geven in de functies die zij bekle-
   den, en andere materiële en niet-materiële belangen die relevant kunnen zijn voor
   het werk van de commissie. Het is aan de voorzitter van de raad te oordelen of
   gemelde belangen reden zijn iemand niet te benoemen. Soms zal een adviseur-
   schap het dan mogelijk maken van de expertise van de betrokken deskundige
   gebruik te maken. Tijdens de installatievergadering vindt een bespreking plaats
   van de verklaringen die zijn verstrekt, opdat alle commissieleden van elkaars
   eventuele belangen op de hoogte zijn.
02 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>ijlage C
       Werkconferentie
       Op 25 januari 2012 heeft de Gezondheidsraad, in aanwezigheid van de leden van
       de commissie die dit advies heeft opgesteld, een werkconferentie gehouden voor
       raadpleging van (ervarings)deskundigen uit het Nederlandse bedrijfsleven, de
       onderzoekswereld en arbogerelateerde organisaties. De conferentie werd voorge-
       zeten door de commissievoorzitter, prof. dr. ir. W.E. Bijker. Doel was om meer
       informatie te krijgen en ervaringen te horen over het inzetten en uitvoeren van
       een blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking en/of early warning op de
       werkplek. De deelnemers aan de werkconferentie zijn niet verantwoordelijk voor
       de tekst en inhoud van dit advies.
           De informatie, ideeën en ook zorgen die de commissie tijdens de werkconfe-
       rentie verkreeg, verschaften vooral inzicht over het toepassen van een blootstel-
       lingsregistratie en gezondheids-bewaking/early warning door arbodeskundigen
       (arbeidshygiënisten, bedrijfsartsen) en de implementatiemogelijkheden in het
       bedrijfsleven. Nieuwe wetenschappelijke informatie was er nauwelijks. De com-
       missie heeft de opmerkingen uit de werkconferentie als aanvulling en op hoofd-
       lijnen bij haar beschouwingen betrokken.
       Deelnemers
       • dhr. R. Van Beek, Vereniging FME-CMW, Zoetermeer
       • mevr. K.G. Beaumont, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
           Den Haag
       • dhr. J. Boonstra, Expertisecentrum Arbeidsinspectie, Den Haag
       Werkconferentie                                                                   103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>   •  dhr. P. Van Broekhuizen, IVAM - Universiteit van Amsterdam
   •  dhr. D. Bruinvels, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en
      Bedrijfsgeneeskunde, Utrecht
   •  dhr. ir. R.T.M. Cornelissen, Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der
      Materie, Utrecht
   •  mevr. drs. S. Dekkers, Centrum voor Stoffen en Integrale Risicoschatting,
      RIVM, Bilthoven
   •  dhr. G. Dijkstra, Vereniging van Verf- en Drukinktfabrikanten, Leidschendam
   •  dhr. drs. ing. D. Hoeneveld, Arbozaken, Technische Universiteit Delft
   •  dhr. H. Holtman, Koninklijke Vereniging FOSAG, Waddinxveen
   •  dhr. F.J. Jongeneelen, Industox Consult, Nijmegen
   •  mevr. F. Linker, DSM Expert Center, Product Safety Toxicology & Industrial
      Hygiene, Heerlen
   •  mevr. dr. ir. A. Pronk, TNO Research Group Quality and Safety, Zeist
   •  mevr. dr. ir. H.E. Schram, Centrum voor Milieu Gezondheidsonderzoek,
      RIVM, Bilthoven
   •  dhr. K. Verbist, Expertise Centrum Toxische Stoffen, Arbo Unie BV, Utrecht
   •  mevr. prof. dr. S.P. Verloove-Vanhorick, Leids Universitair Medisch Centrum
      en TNO Child Health Preventie en Gezondheid, Leiden
   •  dhr. dr. G. Visser, Innovation Center Corporate Technologies DSM, Heerlen
   •  mevr. dr. A.P. van Wezel, KWR Watercycle Research Institute, Nieuwegein
   •  dhr. P.B. Wulp, Expertisecentrum Arbeidsinspectie, Den Haag
04 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>ijlage D
       Ontvangen commentaren op het
       openbare conceptadvies
       In mei 2012 heeft de Gezondheidsraad een concept van het advies openbaar
       gemaakt om derden de gelegenheid te geven erop te reageren. Van de volgende
       personen en instanties zijn commentaren ontvangen:
       • dhr. G. Andrievsky, Insitute of Physiological Active Compounds, LLC,
           Kharkov, Oekraïne
       • dhr.R. van Beek, FME-CWM, Zoetermeer
       • dhr. prof. dr. P.J.A. Borm, Nano4imaging BV, Geleen
       • dhr. P. van Broekhuijzen, IVAM Universiteit van Amsterdam, Amsterdam
       • dhr. ir. R.T.M. Cornelissen, FOM, Utrecht
       • dhr. dr. ing. P.J. Fraanje, NVTB, Nieuwegein
       • mevr. Gálvez-Pérez, CNNT-INSHT, Ministerio de Empleo y Seguridad
           Social, Madrid, Spanje
       • dhr. dr. ing. D. Hoeneveld, VSNU, Den Haag
       • dhr. ing. F.L.M. Kok, WVOI, Den Haag
       • dhr. dr. T.J. Lentz en mevrouw dr. M. Schubauer-Rerigan, National Institute
           for Occupational Health and Safety, Cincinnati, Verenigde Staten
       • dhr. dr. M. Nasterlack, BASF SE, Ludwigshaven, Duitsland
       • dhr. G. de Rooij, FNLI, Rijswijk
       • mevr. prof. dr. S.P. Verloove-Vanhorick, Oegstgeest
       • dhr. dr. G. Visser en mevrouw F. Linker, DSM Innovation Centre, Geleen
       • mevr. dr. A.P. van Wezel, KWR Watercycle Research Institute, Nieuwegein
       Ontvangen commentaren op het openbare conceptadvies                           105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>   •   dhr. P.B. Wulp, Inspectie SZW, Utrecht
   •   mevr. E. van Zuilekom, RIVM, TWO Compliants, Bilthoven
   De ontvangen commentaren en de reacties daarop van de commissie zijn in te
   zien via de website van de Gezondheidsraad: www.gezondheidsraad.nl.
06 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>ijlage E
       Voluntary Reporting Scheme
       (Defra, UK)
       Bron: Nanomaterials: Hazards and risks to health and the environment. A supple-
       mentary guide for the UK Voluntary Reporting Scheme. Www.defra.gov.uk
       2  Identity of the engineered nanoscale material
          •  CAS number and name (if available) and any other names, including trade names or syno-
             nyms
          •  Composition and structural formula
          •  Degree of purity (%)
          •  Nature of impurities, including isomers and by-products
          •  Percentage of main impurities
          •  Presence of a stabilising agent, inhibitor or other additive
          •  Spectral data (e.g. IR, UV, NMR, mass spectrum)
          •  Chromatographic data (e.g. HPLC, GC)
          •  Analytical methods of detection and determination
          •  Additional information (e.g. anticipated changes in properties that would impact on the iden-
             tity of the material; analytical quality assurance procedures)
       3  Information on the engineered nanoscale material
          •  Physical dimensions and shape, including the measurement technique employed
          •  Manufacturing process
          •  Source of the material (to be completed by those not manufacturing the reported nanoscale
             material)
       Voluntary Reporting Scheme (Defra, UK)                                                              107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>      •  Intended use
      •  Potential human and environmental exposure pathways and likelihood of exposure
      •  Benefits of the uses of the material
      •  Agglomeration and aggregation properties
   4  Physico-chemical properties of the engineered nanoscale material
      •  Physical form at 20ºC and 101.3kPa
      •  Melting point
      •  Boiling point
      •  Relative density
      •  Vapour pressure
      •  Surface tension
      •  Water solubility
      •  Partition coefficient (octanol-water)
      •  Flash point
      •  Flammability
      •  Explosive properties
      •  Self-ignition temperature
      •  Oxidising properties
      •  Particle size distribution
   5  Toxicological Data
      •  Acute toxicity (following oral administration)
      •  Acute toxicity (following inhalation)
      •  Acute toxicity (following skin application)
      •  Skin irritation
      •  Eye irritation
      •  Skin sensitisation
      •  Repeated dose toxicity (28 days)
      •  Mutagenicity
      •  Reproductive toxicity
      •  Toxicokinetic behaviour
      •  Non-animal toxicity test results
   6  Ecotoxicological Data
      •  Acute toxicity for fish
      •  Acute toxicity for daphnia
      •  Growth inhibition of algae
      •  Bacteriological inhibition
08 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>   •  Biotic degradation
   •  Abiotic degradation
   •  Absorption/desorption
   •  Bioaccumulation
   •  Distribution among environmental media
7  Risk management practices
   •  Recycling
   •  Neutralisation of unfavourable effects
   •  Destruction
   •  Other means of managing risk
Voluntary Reporting Scheme (Defra, UK)       109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>10 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>ijlage F
       Voluntary Nanoscale Materials
       Stewardship Program (US EPA)
       Bron: NSMP Information Collection Request. Www.epa.gov/oppt/nano/ste-
       wardship.htm.
       1  Company name and other identifying information, address of company and site, technical con-
          tact and related information.
       2  Common or trade name of chemical.
          •   Chemical identity and molecular structure of substance.
       3  The following physical and environmental fate properties and information would be helpful to
          characterize the nanoscale material where relevant and reasonably ascertainable:
          •   Physical state                                   • Vapor pressure
          •   Density                                          • Solubility in water or other solvents
          •   Melting temperature                              • Boiling/sublimation temperature
          •   Spectra                                          • Dissociation constant
          •   Particle size distribution                       • Octanol/water partition coefficient
          •   Henry’s Law constant                             • Volatilization from water
          •   pH                                               • Volatilization from soil
          •   Flammability                                     • Explodability
          •   Adsorption coefficient                           • Shape
          •   Agglomeration state/dispersion state             • Crystal structure
          •   Chemical composition – including spatially averaged (bulk) and spatially resolved
       Voluntary Nanoscale Materials Stewardship Program (US EPA)                                      111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>      •   heterogeneous composition
      •   Surface area                                        • Surface chemistry
      •   Surface charge                                      • Porosity
   4  Description of all uses including expected consumer uses.
   5  Estimate of the total amount of substance to be manufactured/imported including the amounts
      for each use category.
   6  Description of byproduct resulting from manufacture, process, use or disposal of chemical.
   7  For each type of workplace in the lifecycle, the same information requested on pp. 8-10 of the
      EPA PMN form (7710-25) would be helpful for releases and exposures, with the following addi-
      tions.
   8  In addition to the above properties and information the following physical properties would be
      helpful for understanding and assessing exposures and releases:
      •   surface reactivity                                  • average particle weight
      •   average particle surface area                       • rate of sorption
      •   aggregation                                         • rate of diffusion
      •   wet and dry transport                               • rate of gravitational settling
      •   bioaccumulation/biomagnifications                   • biodegradation
      •   particle count                                      • rate of deposition
      •   surface/volume ratio                                • average aerodynamic diameter
      •   mobility through soil                               • influence of Redox and photo-
                                                                chemical reaction
   9  A brief overview of the lifecycle including all workplaces that manufacture, process, or use the
      nanoscale chemical and all expected consumer uses.
   10 For each release point for which control technology is used, rationale for selecting the control,
      and, if available, data and measurement methods of waste treatment or purification efficiency
      studies for the nanoscale material.
   11 Regarding worker exposure information, personal or area monitoring data (in mass concentrati-
      ons, surface area per mass, number of particles, etc.) for the nanoscale material, including the
      measurement method(s) used to generate the data.
12 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>12 For each protective equipment or engineering control listed as worker protection, rationale for
   selecting the protective equipment or engineering controls, and data (and methods used to gene-
   rate the data) that were used in making the selection or that may help to indicate the effectiveness
   of the protective equipment or engineering controls.
13 Information on cleaning/ reuse/ disposal of used protective equipment (gloves, respirator cartrid-
   ges, etc.).
14 Additional procedures or other equipment intended to mitigate exposures to the nanoscale mate-
   rial.
15 Description of worker training and hazard communication (MSDS, other) specific to the nanos-
   cale material.
16 Estimate of the total number of individuals other than workers exposed to the chemical and dura-
   tion of exposure.
17 Manner or method of disposal for consumer use of products containing the nanoscale material.
18 Any test data in the submitter’s possession regarding information on health/ environmental
   effects, environmental fate, worker safety, and material characterization, including any data rela-
   ted to characterization of the nanoscale material in the subject organism and test medium.
Voluntary Nanoscale Materials Stewardship Program (US EPA)                                              113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>14 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>ijlage G
       Nanospecifiek individueel bloot-
       stellingsformulier (CEA, Frankrijk)
       Bron: Commissariat à l’ènergie atomique (CEA), Frankrijk, Daniël Bloch, pre-
       sentatie NIOSH workshop over blootstellingsregistratie van nanodeeltjes op de
       werkplek (Keystone, Juni 2010).
       FICHE PROCEDE NANOMATERIAUX No                         Date rédaction:
       Centre:                        UO: …       Dep.: …     Service: … Labo: …
       Bâtiment: …                    Pièce: …                Responsable de l’équipement: …
       Nom de l’équipement: …                                 Nom de procédé: …
       CLS No: …                                              Mode opératoire: □ oui    □ non
       Personnes travaillant dur la manip: …
       PROCEDE
       Intitulé: …                                       Description: …
       MATIERES PREMIERES
       Nature chimique: …                                 Quantités consommées / manip: …
       Si NANOMATERIAUX
       Nature physique:                                   Dimensions (nm) ø: … Longueur:   …
       □ nanofils                  □ nanotubes
       □ nanopoudres               □ nanocristaux         % de la charge totale: …
       Nature chimique: …                                 Quantités consommées par manip: …
       Nanospecifiek individueel bloot-stellingsformulier (CEA, Frankrijk)                    115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>   MATERIAU FINAL
   Nature chimique: …                        Nature physique:
                                             □ nanofils                 □ nanotubes
                                             □ nanopoudres              □ nanocristaux
                                             □ couches minces
   Dimensions (nm) ø: … Longueur: …          Conditionnement final:
                                             □ sec                      □ liquide       □ aérosols
   Epaisseur: …                              Si déposé sur substrat, lequel: …
   Quantités fabriquées/manip: …             Impuretés, catalyseurs, produits associés:
   Fréquence des manips: …                   Nature: …% en masse: …
   PHASES CRITIQUES
                                                               Moyens de prévention
                     Durée         Fréquence     Dustiness     Collectifs     Masques     Gants et
                                                 (1 á 10)                                 tenues
   Chargements:      ……            ……            ……            ……             ……          ……
   Collecte du
   matériau:         ……            ……            ……            ……             ……          ……
   Ouvertures:       ……            ……            ……            ……             ……          ……
   Nettoyage:        ……            ……            ……            ……             ……          ……
   Maintenance:      ……            ……            ……            ……             ……          ……
   Autre:            ……            ……            ……            ……             ……          ……
   Codification des moyens de prévention
   Collectifs:             Masques:               Gants et tenues:
   1. BAG                  1. Papier              1. Latex
   2. Sorbonne             2. P2                  2. Nitrile
   3. Aspirations          3. P3                  3. Vinyl
   4. Aspirateurs T.H.E.   4. Adduction d’air     4. Tenue TYVEK
   5. Filtres HEPA                                5. Autre
   Vertaling
   Epaisseur               dikte, dichtheid
   Manip                   proef
   Moyen                   middel
   Ouverture               opening, ingang
16 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>ijlage H
       Formulier blootstellingscenario’s
       (NANEX-WP2, EU)
       Bron: www.nanex-project.eu
       Format for description of exposure scenarios: standard exposure scenario format
       for uses of substances by workers:
       Title of Exposure Scenario
       List of all use descriptors related to the life cycle stage and all the uses under it; include market sector
       (by PC) if relevant
       Name of contributing environmental scenario (1) and corresponding ERC
       List of names of contributing worker scenarios (2-n) and corresponding PROCs
       Further explanations (if needed)
       1 Exposure Scenario
       2.1 Contributing exposure scenario (1) controlling environmental exposure for ...
       Name of contributing exposure scenario
       Further specification
       Product characteristics
       Product related conditions, e.g. the concentration of the substance in a mixture; viscosity of product;
       package design affecting exposure
       Amounts used
       Daily and annual amount per site (for uses in industrial setting) or daily and annual amount for wide
       disperse uses
       Frequency and duration of use
       Intermittent ( used < 12 times per year for not more than 24 h) or continuous use/release
       Formulier blootstellingscenario’s (NANEX-WP2, EU)                                                            117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>   Environment factors not influenced by risk management
   Flow rate of receiving surface water (m³/d) (usually 18,000 m³/d by default for the standard town);
   please note: the default flow rate will be rarely changeable for downstream uses;
   Other given operational conditions affecting environmental exposure
   Other given operational conditions: e.g. technology or process techniques determining the initial
   release of substance from process (via air and waste water); dry or water based processes; conditions
   related to temperature and pressure; indoor or outdoor use of products; work in confined area or open
   air
   Technical conditions and measures at process level (source) to prevent release
   Process design aiming to prevent releases and hence exposure to the environment; this includes in
   particular conditions ensuring rigorous containment; performance of the containment to be specified
   (e.g. by quantification of a release factor )
   Technical onsite conditions and measures to reduce or limit discharges, air emissions and releases to
   soil
   Technical measures, e.g. on-site waste water and waste treatment techniques, scrubbers, filters and
   other technical measures aiming at reducing releases to air, sewage system, surface water or soil; this
   includes strictly controlled conditions(procedural and control technology) to minimise emissions;
   specify effectiveness of measures; specify the size of industrial sewage treatment plant (m³/d), degra-
   dation effectiveness and sludge treatment (if applicable);
   Organisational measures to prevent/limit release from site
   Specific organisational measures or measures needed to support the functioning of particular techni-
   cal measures. Those measures need to be reported in particular for demonstrating strictly controlled
   conditions
   Conditions and measures related to municipal sewage treatment plant
   Size of municipal sewage system/treatment plant (m³/d); specify degradation effectiveness; sludge
   treatment technique (disposal or recovery); measures to limit air emissions from sewage treatment (if
   applicable); please note: the default size of the municipal STP (2,000 m³/d) will be rarely changeable
   for downstream uses.
   Conditions and measures related to external treatment of waste for disposal
   Fraction of used amount transferred to external waste treatment for disposal; Type of suitable treat-
   ment for waste generated by workers uses, e.g. hazardous waste incineration, chemical-physical treat-
   ment for emulsions, chemical oxidation of aqueous waste,: specify effectiveness of treatment;
   Conditions and measures related to external recovery of waste
   Fraction of used amount transferred to external waste treatment for recovery: specify type of suitable
   recovery operations for waste generated by workers uses, e.g. re-distillation of solvents, refinery pro-
   cess for lubricant waste, recovery of slag: heat recovery outside waste incinerators; specify effective-
   ness of measure;
   Additional good practice advice (for environment) beyond the REACH CSA Note: The measures
   reported in this section have not been taken into account in the exposure estimates related to the expo-
   sure scenario above. They are not subject to obligation laid down in Article 37 (4) of REACH, Thus,
   the downstream user is not obliged to i) carry out an own CSA and ii) to notify the use to the Agency,
   if he does not implement these measures.
   Use specific measures expected to reduce the predicted exposure beyond the level estimated based on
   the exposure scenario.
18 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>2.2 Contributing exposure scenario (2-n) controlling worker exposure for ...
Name of contributing exposure scenario 2
Further specification:
Product characteristics
Product related conditions, e.g. the concentration of the substance in a mixture, the physical state of
that mixture (solid, liquid; if solid: level of dustiness), package design affecting exposure)
Amounts used
Amounts used at a workplace (per task or per shift); note: sometimes this information is not needed
for assessment of worker’s exposure
Frequency and duration of use/exposure
Duration per task/activity (e.g. hours per shift) and frequency (e.g. single events or repeated) of expo-
sure
Human factors not influenced by risk management
Particular conditions of use, e.g. body parts potentially exposed as a result of the nature of the activity
Other given operational conditions affecting workers exposure
Other given operational conditions: e.g. technology or process techniques determining the initial
release of substance from process into workers environment; room volume, whether the work is car-
ried out outdoors/indoors, process conditions related to temperature and pressure
Technical conditions and measures at process level (source) to prevent release
Process design aiming to prevent releases and hence exposure of workers; this in particular includes
conditions ensuring rigorous containment; effectiveness of containment to be specified (e.g. by quan-
tification of residual losses or exposure)
Technical conditions and measures to control dispersion from source towards the worker
Engineering controls, e.g. exhaust ventilation, general ventilation; specify effectiveness of measure
Organisational measures to prevent /limit releases, dispersion and exposure
Specific organisational measures or measures needed to support the functioning of particular techni-
cal measures. Those measures need to be reported in particular for demonstrating strictly controlled
conditions (to justify exposure based waiving)
Conditions and measures related to personal protection, hygiene and health evaluation
Personal protection, e.g. wearing of gloves, face protection, full body dermal protection, goggles, res-
pirator; specify effectiveness of measure; specify the suitable material for the PPE (where relevant)
and advise how long the protective equipment can be used before replacement (if relevant)
Additional good practice advice beyond the REACH CSA Note: The measures reported in this section
have not been taken into account in the exposure estimates related to the exposure scenario above.
They are not subject to obligation laid down in Article 37 (4) of REACH, Thus, the downstream user
is not obliged to i) carry out an own CSA and ii) to notify the use to the Agency, if he does not imple-
ment these measures.
Use specific measures expected to reduce the predicted exposure beyond the level estimated based on
the exposure scenario.
3 Exposure estimation and reference to its source
Estimation of exposure and risk characterisation ratios (for all route of exposure for consumer and all
compartment for the environment) resulting from the conditions described above (entries 2.1 and 2.2)
and the substance properties; make reference to the exposure assessment method applied (specify for
the routes if relevant);
Alternatively: Include a link to a website from where the information described above can be
retrieved:
Formulier blootstellingscenario’s (NANEX-WP2, EU)                                                           119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>   4 Guidance to DU to evaluate whether he works inside the boundaries set by the ES
   Guidance how the DUs can evaluate whether they operate within the conditions set in the exposure
   scenario. This may be based on a set of determinants (and a suitable algorithm) which together ensure
   control of risk, but which have some flexibility in the respective values for each determinant. This
   section may also include a link to a suitable calculation tool. Where relevant: Other methods for DU
   to check whether they work within the boundaries set by the ES may be included here.
   Voorbeeld: Titaniumdioxide
   Please note this exposure sheet was not developed as part of a full risk assess-
   ment process, and may not necessarily describe exposure conditions for which
   there are no risks to human health and the environment.
   Standard Exposure Scenario Format 1: For Uses of Substances by Workers
   Title                        Production of titanium Date                          08/07/2010
                                dioxide by laser abla-
                                tion
   Substance type               TiO2                       Entered by                TNO
   Internal reference ID        ES 9
   List of all use descriptions related to the life cycle stage and all the uses under it; include market sec-
   tor (by PC) if relevant:
   SU 3; PC 7; PROC 15, 26
   List of names of contributing exposure scenarios and corresponding PROCs/PCs
   CES 1: Laser ablation (PROC 15, 26)
   CES 1: Name of contributing exposure
   Laser ablation (PROC 16, 26)
   Further specification
   Laboratory is part of the Laser Engineering Department and is situated next to a busy main road. In
   this workshop-like laboratory high energy cutting lasers (1kW) are used for research into the ablation
   of metals and the welding and cutting of metals. In the laser ablation process, plates of pure titanium
   dioxide are placed in a dish under deionised water. Spherical nanoparticles of titanium dioxide in the
   size range 20 – 80 nm are produced when the titanium plate is irradiated with a laser set at about 250
   Watts. This scenario involves tests.
   Production characteristics
   Particles in liquid, viscosity unknown.
   Amounts used
   Production 3 g/hour
   Frequency and duration of use/exposure
   Duration task 8 minutes
   Human factors not influenced by risk management
   Not reported
   Other given operational conditions affecting workers exposure
   Laboratory volume 150 m3 (temperature and RH not reported)
   Technical conditions and measures at process level (source) to prevent release
   Task performed in screened off area made from a 2x2 m timber framework covered with plastificised
   fabric and accessed via an open wire mesh door. Laser normally was operated remotely, and nobody is
   allowed inside the enclosed area during laser operation.
20 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>Technical conditions and measures to control dispersion from source towards the worker
LEV (movable capture hood, natural ventilation)
Organisational measures to prevent/limit releases, dispersion and exposure
Not reported
Conditions and measures related to personal protection, hygiene and health evaluation
Disposable nitrite gloves
Additional good practice advice (for environment) beyond the REACH CSA
Not reported
Exposure estimation
SMPS:         particles < 100 nm during activity: 11699 #/cm3 (AM)
              particles < 100 nm during non-activity: 11974 #/cm3 (AM)
              particles > 100 nm during activity: 1575 #/cm3 (AM)
              particles > 100 nm during non-activity: 1675 #/cm3 (AM)
References
Ref Title: D2.2 Report of results and implications of main study to measure nanoparticles concentrati-
ons in workplaces – Part 1: Main summary; Author: NANOSH; Journal: -; Ref Year: 2010
Formulier blootstellingscenario’s (NANEX-WP2, EU)                                                      121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>22 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre> ijlage      I
             Procesgegevens voor nanomaterialen
             in de literatuur
 abel I.1 Gegevens van de industrie.
 roductiefunctie                     Productieprincipe                     Productievorm                      Referentie
Material sourcing                                                                                             Dupont,
                                                                                                              2007221
Manufacturing                                                              Carbon electrodes, laser beam, gas
                                                                           over heated surface,
 roduct manufacturing                Matrix incorporation, grinding,
                                     smoothing
 illing/Packaging
Use/reuse/maintenance
 ecycle/waste management
                                     Refining, smelting, galvanizing, wel- Hot processes                      ISO, 2007168
                                     ding, gouging, cutting, coating, coo-
                                     king, hot wax application
Mechanical processes                 Grinding, drilling                    High speed, energy
Material handling                                                          Powders, dry colloidal deposits
Manufacturing                                                                                                 Schulte e.a.,
                                                                                                              2008/
                                                                                                              201090,131
Maintenance
 rocess equipment breakdown
                                     Pouring, mixing                                                          NIOSH,
                                                                                                              200996
                                                                           Open system
Handling powders                     Weighing, blending, spraying
Maintenance                                                                Cleaning equipment
             Procesgegevens voor nanomaterialen in de literatuur                                                         123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre> leaning                                                                   Dust collecting systems
                                    Machining, drilling, sanding
 ynthesis                                                                  Tube furnace, lev                  Zalk e.a.,
                                                                                                              2009133
Maintenance                                                                Tube furnace, containment
 rocessing                          Depositioning                          Electric fields, ventilation
                                    Sample preparation, cutting, slicing,  Ventilation
                                    grinding, lapping, etching, polishing
                                    Pouring                                Container, wet process, lev
                                    Mixing, etching                        Ventilation
                                    Turning, milling                       Lev
                                    Sampling                               Lev
 tart-up/scale up, transport, ware-                                                                           Trout e.a.,
 ousing, maintenance                                                                                          2010152
Manufacturing/production, trans-
 ort, warehousing, maintenance,
waste handling
ncorporation in products, mainte-
 ance, manipulation, application
Manufacturing                       Sampling, bagging                      Reactor, closed system, tube       Tongeren e.a.,
                                                                                                              2010222
                                    Opening, drying, grinding              Closed reactor, hatch, lev, closed
                                                                           dryer, lev, closed grinder, lev
                                    Ablation                               Laser, wet process, enclosure, lev
Handling nanomaterials              Weighting, pouring, mixing             Bench, lev
Maintenance reactor                 Scratching                             Reactor, scalpel, vacuum
 roduction inks                     emptying                               Bags, filling station, lev
                                                                           Closed process                     Brouwer e.a.,
                                                                                                              2010223
Maintenance, process disturbances   Continuous process, sampling,          Closed process
                                    Batch process, charging, sampling      Closed/open process
 rocessing                          Mixing, blending                       Solid/liquid, closed/open systems  .
                                    Calendering,
                                    Spraying                               Air dispersion
                                    Rolling application, brushing
                                    Dipping, pouring, immersing, soa-
                                    king, washing
                                    Tableting, compressing, extruding,
                                    pelletizing
                                    Lubricating, greasing                  Open process
                                    Atomisation, dispersion, electrolysis  Hot process, wet process
 ransport of materials              (dis)charging, sampling, loading, fil- Vessel, container,
                                    ling, dumping, bagging, cleaning
Manipulation of materials           Manual cutting, cold rolling, assem-
                                    bling
 ynthesis                                                                  Valves, pipe connections, seals    Duuren e.a.,
                                                                                                              2011224
 24           Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>                                    Injecting                            Flame, filter plate                    Schneider e.a.,
                                                                                                                2011181
Handling products                   Bagging, dumping, cleaning, scoo-    Big/small bags
                                    ping, weighing
                                    Transporting                         Containers, barrels, bottles, bags
 rocessing                          Spraying, fogging
                                    Fracturing, abrasing, grinding
                                    Turning, milling
                                    Ablation                             Laser
                                    Mixing, adding, stirring, pouring    Wet process, container
                                    Cutting, slicing, grinding, lapping,
                                    polishing, etching,
                                    Sintering                            Quartz tube
 abel I.2 Gegevens van laboratoria.
 roductiefunctie                    Productieprincipe                    Productievorm                           Referentie
 ynthesis                           Weighing, mixing, transporting       Vial, furnace, glove box, contain-      Paik e.a.
                                                                         ment, container                         (2008)130
                                    Injection                            Flame, filter plate, lev
                                                                         Tube furnace, carrier gas, contain-
                                                                         ment.
Handling products                   Consolidating, weighing,             Powder, solvent, tube furnace, con-
                                                                         tainer, lev
                                    Drying                               Powder, canister, containment.
Machining composites                Cutting                              Dry/wet process, band-saw, cutting Tongeren e.a.
                                                                         wheel, lev.                             (2010)222
Manufacturing                       Dissolving, depositioning            Syringe, tube furnace, glass tube, car-
                                                                         rier gas, vial, fume cupboard, cutter,
                                                                         ventilation.
Activity with nanomaterials                                              Dry/wet, open/closed process.           Groso e.a.
                                                                                                                 (2010)129
             Procesgegevens voor nanomaterialen in de literatuur                                                            125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>26 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre> ijlage       J
              Monitoring en meettechnieken
  eschikbare monitor- en meettechnieken voor aerosolen van nanodeeltjes.10,96,168,187-190,225-227
Methode                        Opmerkingen
 ize selective personal        Persoonlijke bemonstering op filter via aanzuigpomp of via impactor monsters. Daarna gravime-
 ampler.                       trische en chemische analyse van de filtermonsters nodig. Er bestaan geen filters die specifiek
                               deeltjes onder de 100 nm opvangen.
 ize selective static sampler. Stationaire bemonstering op filter via aanzuigpomp of impact monsters. Daarna gravimetrische
                               en chemische analyse van de filtermonsters nodig. Sommige impactors kunnen deeltjes met een
                               diameter onder de 100 nm opvangen (o.a. Berner Low Pressure Impactor (LPI) en Micro Orifice
                               Impactor (MOI).
 apered Element Oscillating Real-time monitoring van massaconcentratie. Met speciale inlaten kan geselecteerd worden op
Microbalance (TEOM®).          grootte van de deeltjes.
 lectric Low Pressure          Real-time monitoring. Deeltjes worden opgezogen m.b.v. een vacuümpomp en daarna een elek-
mpactor (ELPI™).               trische lading gegeven. Meet het actieve deeltjesoppervlak, opgesplitst in grootteverdeling. Mas-
                               saconcentratie kan berekend worden als de deeltjeslading en de dichtheid bekend zijn. ELPI is af
                               te stellen op aerodynamische diameter van de aerosolen. Ook kunnen aerosolen worden opge-
                               vangen voor verdere analyse.
Micro-Orifice Uniform          Real-time monitoring. Is af te stellen op aerodynamische diameter van de deeltjes.
Deposit Impactor (MOUDI).
 erosol particle Mass          Monstert aerosolen met deeltjesdichtheid van ongeveer 1 g/cm3. Gevoeligheid: 30 – 580 nm;
 nalyser (APM)                 geeft allen massaconcentratie en hangt niet af van deeltjesgrootte of vorm.
  ondensation Nuclei or        Real-time monitoring (stationaire en draagbare modellen). De CNC/CPC stuurt aangezogen
 article Counter (CNC or       lucht in een verzadigde alcoholdamp. De alcohol condenseert op de nanodeeltjes, waardoor die
  PC).                         een grotere diameter krijgen. Deze grotere deeltjes kunnen met een optische detector worden
                               geteld. Het instrument telt alle deeltjes ter grootte van < 10 nm tot 1.000 nm. Het maakt geen
                               onderscheid tussen grotere en kleinere deeltjes en laat dus geen verdeling in deeltjesgrootte zien.
Optical Particle Counter       Real-time monitoring (stationaire en draagbare modellen). De OPC gebruikt een laserscatte-
OPC).                          ringstechniek en meet het aantal deeltjes per liter lucht met een diameter vanaf 300 nm en groter.
                               In combinatie met een CPC kunnen ook deeltjes gemeten worden met een kleinere diameter.
              Monitoring en meettechnieken                                                                                   127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>Differential Mobility Analyser Near real-time aerosol monitoring van de verdeling van de deeltjesgrootte op basis van mobility
DMA)                           diameter (≈5 – 800 nm). Massaconcentratie kan berekend worden als de deeltjeslading en de
                               dichtheid bekend zijn. Kan worden gecombineerd met andere technieken zoals DMPS.
  canning Mobility Particle    Meet in aerosolen. Gevoeligheid: 3 – 1.000 nm; gebruikt een elektrostatische ordening en een
  izer (SMPS)                  CPC. Kan gekoppeld worden aan DMA.
  ast Mobility Particle Sizer  Real-time stationaire monitoring. Zie DMAS en SMPS.
 FMPS)
  lektronenmicroscopie         Off-line. Stofmonsters worden verzameld op een filter en na bewerking in de elektronenmicro-
                               scoop geplaatst.
 Aerosol) Diffusion Charger Real-time monitoring van actief oppervlak aerosolen. Niet alle chargers kunnen deeltjes meten
 (A)DC).                       met een ‘actieve oppervlak’ onder de 100 nm. Voorbeelden zijn:
                               De draagbare Aerotrak™ 9000 Nanoparticle Aerosol Monitor (onderscheid geen deeltjes > 100
                               nm).
                               De draagbare Grimm Nano-Check™ 1.320 (meet deeltjesconcentratie en gemiddelde mobility
                               diameter, waardoor schatting van geometrisch deeltjesoppervlakte mogelijk is; detectielimiet
                               ondergrens is 25 nm).
                               De draagbare Aerasense Nanotracer en Nanomonitor (meet deeltjesconcentratie en gemiddelde
                               diameter van deeltjes, waardoor schatting van geometrisch deeltjesoppervlakte mogelijk is;
                               detectie 10 en 300 nm).
                               Matter Diffusion Size Classifier.
                               LO1-DC.
Nanoparticle Surface Area      Real-time stationaire monitoring. Is gevoelig voor deeltjes groter dan 10 nm in aerosolen. Verge-
Monitor (NSAM)                 lijkbare werking als de Electrical Aerosol Detector (EAD).
DMAS gekoppeld aan ELPI™ Verschil in gemeten aerodynamische en mobility diameter kan worden gebruikt voor de bereke-
                               ning van deeltjesoppervlak.
 ransmissie                    Off-line analyse; gevoeligheid tot 1 nm; voor analyse is meer dan 1 microgram monster nodig. Is
 lektronenmicroscopie          ook geschikt voor overige karakterisering (aggregaten, vorm).
 canning                       Off-line analyse; gevoeligheid tot 1 nm. Is ook geschikt voor overige karakterisering (aggrega-
 lektronenmicroscopie          ten, vorm).
  tomic Force Microscopie      Off-line analyse; gevoeligheid: 1 nm – 8 micrometer; is een vorm van scanning Probe Microsco-
AFM)                           pie. Lucht- en vloeistofmonstername mogelijk. Is ook geschikt voor overige karakterisering
                               (aggregaten, vorm).
  hoton Correlation            Off-line analyse; gevoeligheid 1 nm – 10 micrometer; gebaseerd op Dynamic Light Scattering
 pectroscopie (PCS)            (DLS).
   anoparticle Tracking        Meet in suspensies. Gevoeligheid: 10 – 1.000 nm; wordt gebruikt in combinatie met DLS en
  nalysis (NTA)                PCS.
  -Ray Diffraction (XRD)       Off-line analyse; Kan individuele kristallen identificeren; gevoeligheid tot 1 nm; tenminste 1 mg
                               monster nodig.
  erosol Time of Flight Mass Meet in aerosolen; gevoeligheid 100 – 3.000 nm; hoe kleiner de deeltjes hoe minder efficiënt de
 pectrometrie                  analyse.
  28          Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>Monitoring en meettechnieken gerangschikt naar parameter.
 arameter                      Methode(n)
Massaconcentratie              Aerosol particle Mass Analyser (APM)
                               Electric Low Pressure Impactor (ELPI™)
                               Micro-Orifice Uniform Deposit Impactor (MOUDI)
                               Size selective personal sampler
                               Size selective static sampler
                               Tapered Element Oscillating Microbalance (TEOM®)
Deeltjesconcentratie           Condensation Nuclei or Particle Counter (CNC or CPC)
                               Differential Mobility Analyser (DMA)
                               Elektronenmicroscopie
                               Fast Mobility Particle Sizer (FMPS)
                               Optical Particle Counter (OPC)
                               Scanning Mobility Particle Sizer (SMPS)
Oppervlakteconcentratie        (Aerosol) Diffusion Charger ((A)DC)
                               DMAS gekoppeld aan ELPI™
                               Electric Low Pressure Impactor (ELPI™)
                               Elektronenmicroscopie
                               Nanoparticle Surface Area Monitor (NSAM)
Deeltjeskarakteristiek: deel-  Aerosol Time of Flight Mass Spectrometrie
jesgrootte                     Atomic Force Microscopie (AFM)
                               Nanoparticle Tracking Analysis (NTA)
                               Photon Correlation Spectroscopie (PCS)
                               Scanning elektronenmicroscopie
                               Transmissie elektronenmicroscopie
                               X-Ray Diffraction (XRD)
                               Casacade impactor
Deeltjeskarakteristiek: verde- Nanoparticle Tracking Analysis (NTA)
ing van de deeltjesgrootte     Photon Correlation Spectroscopie (PCS)
                               Scanning Mobility Particle Sizer (SMPS)
             Monitoring en meettechnieken                                           129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>30 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>ijlage K
       Overzicht van te registreren gegevens
       In deze bijlage geeft de commissie de contouren weer van wat zij belangrijke
       gegevens acht voor een goede registratie. De gegevens vertonen overlap met de
       gegevens die gevraagd worden in verschillende buitenlandse registratieprojecten
       (zie bijlage E t/m H). Zie paragrafen 3.1, 3.3 en 3.5 voor een toelichting van de
       keuzes die de commissie heeft gemaakt.
           In het overzicht is een onderscheid gemaakt tussen de gegevens die voor elke
       stof of product met nanodeeltjes eenmalig kunnen worden ingevuld (A) en gege-
       vens die mogelijk meerdere keren dienen te worden ingevuld, omdat voor elk
       product met nanodeeltjes meerdere emissie- en blootstellingsscenario’s denkbaar
       zijn binnen een bedrijf die elk zouden moeten worden geregistreerd (B). Zodra
       een scenario verandert dienen de gegevens in de registratie geactualiseerd te
       worden.
           Een deel van de fysisch en chemische gegevens die genoemd worden in
       tabel A zullen soms lastig verkrijgbaar zijn, maar deze zijn wetenschappelijk
       gezien nodig om een goed beeld van de toxische eigenschappen van nanodeeltjes
       te krijgen.
       Overzicht van te registreren gegevens                                             131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>              A - Algemene gegevens
                                                                    Toelichting/voorbeelden
Algemeen
   Type bedrijf of instelling                                       Ontwikkeling, vervaardiging, productie, gebruik, afval of
                                                                    recycling
   Aantal werknemers die potentieel bloot kunnen staan aan
   nanodeeltjes
   Productie of gebruiksvolume                                      Geschat jaargebruik of jaarproductie
dentiteit van nanomaterial (indien van toepassing)
   CAS nummer                                                       Indien beschikbaar
   Productnaam
   Synoniemen, inclusief handelsnamen
   Identificatie en percentage nanodeeltjes
dentiteit van nanodeeltjes
   CAS nummer                                                       Indien beschikbaar
   Naam
   Synoniemen, inclusief handelsnamen
 hemische en fysische eigenschappen van nanodeeltjes
 ie de voorgestelde richtlijn van het ISO.165 Zie ook de drie REACH Implementatie Projecten voor Nanomaterialen (RIP-oNs).
n deze projecten zijn richtsnoeren opgesteld over het identificeren van nanomaterialen (RIP-oN1), informatievereisten (RIP-
 N2) en over blootstellingsbeoordeling en gevaars- en risicokarakterisering (RIP-oN3). Ze zijn ontwikkeld voor bedrijven en
worden ook wel gebruikt als hulpmiddel bij bijvoorbeeld het opstellen van een RI&E en voor de REACH-registratie. Andere
mogelijke informatiebronnen zijn de veiligheidsinformatiebladen (EU-REACH), International Chemical Safety Card (WHO) en
 e Material Safety Data Sheet (USA).
   Deeltjesgrootte en grootteverdeling, lengte en diameter van      Beschrijving van de fysische dimensies (diameter, lengte)
   vezels                                                           en grootte verdeling van deeltjes.
   Agglomeratie-/aggregatie-eigenschappen (klitvorming)             Aantal aggregaatdeeltjes vergeleken met totaal aantal pri-
                                                                    maire deeltjes in het agglomeraat of aggregaat; verdeling
                                                                    van deze deeltjes.
   Vorm                                                             Bijvoorbeeld: homogene of heterogene bolletjes, fullere-
                                                                    nen, buisjes, sheets
   Deeltjesoppervlak                                                Meten van (massaspecifiek, volumespecifiek), deeltjesop-
                                                                    pervlakte gedeeld door zijn massa of volume.
   Chemische samenstelling                                          Hieronder valt ook een beschrijving van de kristallijne en
                                                                    moleculaire structuur en gegevens over identificatie en per-
                                                                    centage van aanwezige verontreinigingen of bijproducten.
   Oppervlaktechemie                                                Beschrijving van de chemische samenstelling van de mole-
                                                                    culen aan het oppervlak van het deeltje.
   Oppervlaktelading                                                Meten van elektrische lading aan het oppervlak van het
                                                                    deeltje (zeta potentiaal)
   Oplosbaarheid en dispergatie                                     Beschrijving van de oplosbaarheid van een deeltje in een
                                                                    oplosmiddel of een beschrijving in hoeverre een deeltje zich
                                                                    verdeeld in een medium (als bijvoorbeeld een colloïdale
                                                                    oplossing, emulsie of suspensie).
 32           Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>              B – Emissie en blootstellingsscenario’s (meerdere scenario’s zijn denkbaar)
                                                                     Toelichting/voorbeelden
Algemene gegevens
   Datum/periode                                                     Datum van blootstellingsscenario en totale periode dat het
                                                                     onderstaande scenario van toepassing is
   Afdeling/werkplek                                                 Afdeling of werkplek waarvoor het onderstaande scenario
                                                                     van toepassing is
   Functie werknemers                                                Functie van de werknemers waarvoor onderstaand scenario
                                                                     van toepassing is
Determinanten van emissie (zie uitgebreide toelichting onder deze tabel)
   Productiefunctie                                                  Aanvoer, opslag, transport, vervaardiging, toepassing,
                                                                     afvalverwerking, schoonmaak en onderhoud
   Productieprincipe                                                 Mengen, scheiden, oppervlaktebehandeling (schuren,
                                                                     boren, etc.)
                                                                     Handmatig, mechanisch, automatisch
   Productievorm                                                     Open of gesloten systemen, zoals cabines
   Fysische staat                                                    Vast, vloeistof, suspensie, gas
Determinanten van blootstelling
   Positie van de werker t.o.v. de emissiebron                       Bronnen dicht bij de werknemer hebben een grotere invloed
                                                                     op de blootstelling in de ademzone van de werknemer dan
                                                                     vergelijkbare bronnen op afstand.
   Verdunning door luchtverspreiding                                 Van emissiebron naar directe werkomgeving, en van werk-
                                                                     omgeving naar verder afgelegen werkruimten naar buiten-
                                                                     lucht
   Gebruikte beheersmaatregelen                                      Arbeidshygiënische strategie: isolatie/afscherming, alge-
                                                                     mene ventilatie, lokale ventilatie, werkmethoden en per-
                                                                     soonlijke beschermmaatregelen
   Inventarisatie van oppervlaktebesmetting                          Besmette werkkleding, apparatuur, tafels of gereedschap
   Duur van blootstellingsscenario
 lootstellingmetingen
 ie ook de Nederlandse normen NEN-EN 689 en NEN-EN 482 als leidraden voor de bepaling van de blootstelling aan stoffen
 p de werkplek. Zie verder voorbeelden uit het buitenland, zoals: Precuationary matrix for synthetic nanomaterials (Zwitserland,
www.bag.admin.ch/nanotechnologie), de ISO-standaarden (www.iso.org) en de Assessment strategy van ORC Worldwide (VS,
www.orc-dc.com). Bijlage J geeft een overzicht van beschikbare instrumenten.
   Soort meting                                                      Achtuursmetingen, piek- of taakgebonden metingen; real-
                                                                     time; stationaire of persoonlijke metingen in ademzone van
                                                                     werknemer?
   Blootstellingsmaat                                                Massaconcentratie, aantal deeltjes en deeltjesoppervlakte.
                                                                     Bij voorkeur meerdere maten gebruiken.
   Methodiek                                                         Zie voorbeelden in bijlage J.
   Achtergrondblootstelling
              Toelichting determinanten van emissie: De productiefunctie is een abstracte
              omschrijving van het doel van het (productie)proces en omschrijft de basis pro-
              cesstappen. Voorbeelden van productiefuncties zijn: aanvoer van grondstoffen,
              opslag van grondstoffen, transport van grondstoffen en (tussen/eind)producten,
              Overzicht van te registreren gegevens                                                                         133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>   bewerken van grondstoffen en vormgeven van eindproduct, afwerken van eind-
   product, verwerken van afval, onderhouden van inrichtingen en verhelpen van
   storingen. Deze zeven productiefuncties beschrijven het overgrote deel van alle
   (productie)processen. Deze productiefuncties kunnen via verschillende principes
   worden uitgevoerd.
       Het productieprincipe specificeert het algemene proces (continu versus
   batchgewijs), waaronder het werktuigbouwkundige principe en het bedienings-
   principe. Voorbeelden van werktuigbouwkundige principes van de productie-
   functie ‘bewerken van grondstoffen’ zijn: vormen, mengen, scheiden,
   combineren, oppervlakte behandelen etc. Het tweede principe, het bedienings-
   principe, is een indicatie van de afstand van een werker tot een inrichting. Deze
   is kort bij handmatig en mechanisch bediende functies en groot bij afstand
   bestuurde en geautomatiseerde functies. De productieprincipes geven de varia-
   ties aan die per productiefunctie mogelijk zijn. Met de productiefunctie en
   het -principe ligt het uiteindelijke ontwerp nog niet vast. Ook daar zijn nog keu-
   zes mogelijk op het niveau van de productievorm.
       De productievorm is het uiteindelijke ontwerp van de inrichting. Het betreft
   hier het gedetailleerde ontwerp waarmee het principe wordt vormgegeven. Dit
   gedetailleerde ontwerp bepaalt mede of een inrichting volgens een open of een
   gesloten systeem wordt uitgevoerd en welke technische maatregelen worden toe-
   gepast om blootstelling te reduceren.
       De productie van nanomaterialen en nanomaterialen is met tien of minder
   dan tien productiefuncties te beschrijven. Per productiefunctie zullen naar schat-
   ting vijf tot tien verschillende principes mogelijk zijn en per principe zijn meer-
   dere productievormen mogelijk. De emissie en blootstelling aan nanodeeltjes
   vindt plaats op het niveau van de productievorm. Logischerwijs is de aandacht
   voor de beheersing van blootstelling via zogenaamde add-on technische maatre-
   gelen vooral gericht op de productievorm. Maar de bron van emissie en blootstel-
   ling wordt grotendeels bepaald door het productieprincipe. Een batchgewijs,
   handmatig uitgevoerd, open proces van mengen van grondstoffen zal in potentie
   een hogere blootstelling geven dan wanneer dit proces continu wordt uitgevoerd,
   en afstandsbestuurd en gesloten is. In dit laatste geval vindt emissie en blootstel-
   ling vooral plaats tijdens onderhoudswerkzaamheden en tijdens het verhelpen
   van processtoringen.
34 Werken met nanodeeltjes: blootstellingsregistratie en gezondheidsbewaking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>