<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Aan de staatssecretarissen van Infrastructuur en Milieu
en van Economische Zaken
Onderwerp             : aanbieding advies Gewasbescherming en omwonenden
Uw kenmerk            : DP/2011043142
Ons kenmerk           : I-828-11/HvD/pm/887-K1
Bijlagen              :1
Datum                 : 29 januari 2014
Geachte staatssecretarissen,
Op 18 april 2011 vroegen uw voorgangers de Gezondheidsraad om advies over de moge-
lijke gezondheidsrisico’s voor omwonenden van landbouwpercelen door het gebruik van
chemische gewasbeschermingsmiddelen. Zoals verzocht heeft de raad in september 2011
een eerste briefadvies uitgebracht. Nut en noodzaak van onderzoek onder omwonenden
stonden daarin centraal. In het briefadvies kondigde de raad aan dat een ad-hoccommissie
een uitvoeriger advies zou opstellen over de mogelijkheden van diverse typen onderzoek.
Daarin zouden ook de andere gestelde vragen worden beantwoord. Dat advies is opgesteld
door de Commissie Gewasbescherming en omwonenden en voltooid na toetsing door de
Beraadsgroep Gezondheid en omgeving. Het is mij een genoegen het u hierbij aan te bie-
den. De hoofdboodschap is dat blootstelling aan chemische gewasbeschermingsmiddelen
vanuit de agrarische omgeving serieuze aandacht verdient en dat nader onderzoek en maat-
regelen ter beperking van de blootstelling op hun plaats zijn. Ik onderschrijf de analyse,
conclusies en aanbevelingen van de commissie.
In hun adviesaanvraag verzochten uw voorgangers de raad nadrukkelijk om omwonenden
bij de opstelling van het advies te betrekken. De commissie heeft dat ruim opgevat en ook
vertegenwoordigers van de agrarische sectoren, de handel en de agrochemische industrie
om hun inbreng gevraagd. Daarvoor zijn twee hoorzittingen georganiseerd, één aan het
begin en één aan het eind van het adviestraject. Tevens is een openbaar conceptadvies uitge-
bracht waarop eenieder die dat wenste commentaar kon insturen. De hoorzittingen werden
goed bezocht, verliepen bijzonder prettig en waren zeer informatief voor de commissie. Van
de mogelijkheid om commentaar te leveren op de concepttekst van het advies is ruim
Bezoekadres                                                        Postadres
Rijnstraat 50                                                      Postbus 16052
2515 XP Den Haag                                                   2500 BB Den Haag
E - m a il : h f g . va n . d i j k@ g r. n l                      w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 4 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Onderwerp             : aanbieding advies Gewasbescherming en omwonenden
Ons kenmerk           : I-828-11/HvD/pm/887-K1
Pagina                :2
Datum                 : 29 januari 2014
gebruik gemaakt. Dit alles heeft bijgedragen aan de kwaliteit van het advies. Ik ben alle
betrokkenen dan ook erkentelijk voor hun goede inbreng. Ik verwacht dat de gevolgde
procedure de bruikbaarheid van het advies voor uw beleid zeer ten goede is gekomen.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. W.A. van Gool,
voorzitter
Bezoekadres                                                        Postadres
Rijnstraat 50                                                      Postbus 16052
2515 XP Den Haag                                                   2500 BB Den Haag
E - m a il : h f g . va n . d i j k@ g r. n l                      w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 7 4 5 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Gewasbescherming en omwonenden
aan:
de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
de staatssecretaris van Economische Zaken
Nr. 2014/02, Den Haag, 29 januari 2014
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-
(zorg)onderzoek’ (art. 22 Gezondheidswet).
     De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn & Sport; Infrastructuur & Milieu; Sociale Zaken
& Werkgelegenheid; Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur & Wetenschap.
De raad kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen, en ontwikkelingen of
trends signaleren die van belang zijn voor het overheidsbeleid.
     De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel
opgesteld door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel
benoemde – Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                 for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                 adviesorganen.
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Gewasbescherming en omwonenden. Den Haag:
Gezondheidsraad, 2014; publicatienr. 2014/02.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands. Crop protection and local residents. The
Hague: Health Council of the Netherlands, 2014; publication no. 2014/02.
Infographics: Schwandt Infographics, Houten
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 978-90-5549-992-2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>   Inhoud
   Samenvatting 11
   Executive summary 21
   Inleiding 31
.1 Achtergrond 31
.2 De adviesaanvraag 32
.3 Briefadvies 33
.4 Commissie en werkwijze 33
.5 Opzet van het advies 39
   Zorgen om en van omwonenden 41
.1 Historisch overzicht 41
.2 Hoorzitting 47
.3 Conclusies 53
   Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid 55
.1 Inleiding 55
.2 Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure 59
.3 Beleid gericht op een veilig en duurzaam gebruik 69
.4 Conclusies 73
   Inhoud                                                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    Blootstelling en gezondheid van agrariërs 75
 .1 Blootstelling van agrariërs 75
 .2 Gezondheidseffecten bij agrariërs 76
 .3 Conclusies 79
    Blootstelling en gezondheid van omwonenden 81
 .1 Blootstelling van omwonenden 81
 .2 Gezondheidseffecten bij omwonenden 89
 .3 Conclusies 95
    Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden 97
 .1 Het nut van onderzoek onder omwonenden 97
 .2 Mogelijke opzet van het blootstellingsonderzoek 102
 .3 Conclusies en aanbevelingen 111
    Voorgestelde maatregelen 113
 .1 Handelen in situaties van onzekerheid 113
 .2 Aanpassingen in de toelatingsprocedure 114
 .3 Maatregelen in de landbouwkundige praktijk 117
 .4 Conclusies en aanbevelingen 123
    Antwoorden aan de bewindspersonen 125
    Literatuur 131
    Bijlagen 149
A   De adviesaanvraag 151
B   De commissie 153
C   Het briefadvies 155
D   Deelnemers aan de eerste hoorzitting 161
E   Commentaren op openbaar conceptrapport 163
F   Geraadpleegde deskundigen 169
G   Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en emissie naar de lucht 171
H   Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure 173
    Verklarende woordenlijst 183
 0  Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Lopen omwonenden van landbouwpercelen kans op gezondheidsschade door het
gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen? Over die vraag buigt een
commissie van de Gezondheidsraad zich in dit advies. Op dit vlak is weinig
onderzoek verricht. Vooral uit buitenlands onderzoek komen enige aanwijzingen
dat omwonenden gezondheidsrisico’s kunnen lopen door het gebruik van deze
middelen. De commissie ziet dan ook voldoende reden voor blootstellingsonder-
zoek in eigen land onder deze bevolkingsgroep en voor aanpassing van de toela-
tingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen. Verder wijst ze op
maatregelen die de blootstelling van omwonenden kunnen verminderen.
Het vraagstuk
Mensen kunnen op verschillende manieren met chemische gewasbeschermings-
middelen in aanraking komen (zie figuur pagina’s 82 en 83). Dat kan door de
consumptie van groenten en fruit die met behulp van deze middelen zijn geteeld.
Het kan ook door particulier gebruik van dergelijke middelen in en rond de
woning. Voor wie in de agrarische sector werkzaam is, komt daar beroepsmatige
blootstelling bovenop. Bij omwonenden van agrarische percelen vormt aanvoer
vanuit de omgeving een extra bron van blootstelling. Tijdens en kort na het
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, kunnen de concentraties in de omge-
ving van de toepassingsplaatsen tijdelijk oplopen. Daarna en met toenemende
Samenvatting                                                                    11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>  afstand tot de bron dalen de concentraties echter weer snel door verdunning en
  afbraak.
      Gewasbeschermingsmiddelen kunnen schadelijk zijn voor andere dan de
  plaagorganismen, de mens inbegrepen. Mede om die reden is er een uitvoerige,
  wettelijke toelatingsprocedure. Die moet ervoor zorgen dat de risico’s voor mens
  en milieu binnen aanvaarde grenzen blijven. Wat de mens betreft gaat het daarbij
  om toepassers van de middelen, werkers in behandelde gewassen, omstanders en
  passanten tijdens de toediening en consumenten van behandelde voedselgewas-
  sen. Aan eventuele gevolgen voor de gezondheid van omwonenden is in de pro-
  cedure tot voor kort weinig aandacht besteed. Sommige omwonenden van
  bespoten landbouwpercelen maken zich zorgen. Dat geldt in het bijzonder bij
  teelten die een intensief gebruik van deze middelen vergen, zoals de bloembol-
  lenteelt en de fruitteelt.
      In april 2011 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu mede
  namens zijn collega van het toenmalige ministerie van Economische Zaken,
  Landbouw en Innovatie de Gezondheidsraad om advies gevraagd over deze
  kwestie. In een eerste briefadvies van september 2011 heeft de Gezondheidsraad
  geantwoord blootstellingsonderzoek onder omwonenden in Nederland nuttig te
  achten. In het voorliggende, uitgebreidere advies gaat een speciaal daartoe inge-
  stelde commissie van deskundigen nader in op de risico’s voor omwonenden, een
  geschikte opzet van het blootstellingsonderzoek en mogelijke maatregelen ter
  vermindering van de blootstelling.
  Hoorzitting met belanghebbenden
  Mede op verzoek van de bewindspersonen heeft de commissie belanghebbenden
  bij de opstelling van dit advies betrokken: omwonenden, milieufederaties, de
  landbouwsector en de industrie. De bedoeling daarvan was om het advies zo
  goed mogelijk te laten aansluiten op de behoefte van het veld. In januari 2012
  was er een hoorzitting waar alle partijen hun zorgen en hun informatiebehoefte
  kenbaar konden maken en in hun ogen relevante informatie konden inbrengen.
      Op deze hoorzitting bleek dat omwonenden vooral bezorgd zijn om de
  gezondheid van hun kinderen en bang zijn voor ernstige ziekten zoals kanker.
  Sommigen menen dat in de huidige toelatingsprocedure te sterk de nadruk ligt op
  de risico’s voor mensen die beroepshalve met chemische gewasbeschermings-
  middelen werken. De risico’s voor onvrijwillig en langdurig blootgestelde
  omwonenden, die anders dan de beroepstoepassers geen persoonlijke bescher-
  mingsmiddelen dragen, blijft volgens hen onderbelicht. Bovendien blijft de
  blootstelling aan combinaties van middelen volgens hen buiten beschouwing.
2 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Omwonenden voelen zich niet altijd gehoord wanneer ze gezondheidsklachten of
verkeerd gebruik van middelen rapporteren. Ze hebben het gevoel dat organis-
men in kavelsloten en watergangen meer bescherming genieten dan zijzelf.
    Agrariërs zien zichzelf ook als omwonenden. Samen met fabrikanten en dis-
tributeurs wijzen zij erop dat er veel is gedaan om het gebruik van gewasbescher-
mingsmiddelen veilig te maken. Ze werken voortdurend aan een verdere reductie
van de uitstoot van middelen naar de omgeving. Ze achten de risico’s voor
omwonenden gering. Zorgen van telers betreffen meer de oprukkende bebou-
wing en daaruit voortvloeiende beperkingen in hun bedrijfsvoering. Ze willen
echter graag de dialoog met omwonenden aangaan. Beoordelingsmethodieken
voor risico’s van omwonenden zien zij graag in Europees verband vastgesteld en
ingevoerd.
    Alle partijen tonen zich voorstander van onafhankelijk onderzoek onder
omwonenden, met als doel duidelijkheid te verschaffen over de risico’s.
Het huidige gewasbeschermingsbeleid
De commissie stelt vast dat de afgelopen decennia veel is gedaan om het gebruik
van gewasbeschermingsmiddelen veiliger en duurzamer te maken. Door interna-
tionale samenwerking is een uitvoerige en zorgvuldige toelatingsprocedure tot
stand gebracht. Deze moet garanderen dat uitsluitend werkzame middelen op de
markt komen die bovendien zo zijn toe te passen dat risico’s voor mens en milieu
binnen aanvaarde grenzen blijven. Moderne chemische gewasbeschermingsmid-
delen zijn selectiever en beter afbreekbaar en hopen zich veel minder in het
lichaam van mens en dier op dan middelen die vroeger werden gebruikt.
    Een toelatingsprocedure is echter nooit helemaal af. Voortdurend wordt
gewerkt aan verdere verbeteringen op basis van nieuwe wetenschappelijke
inzichten en ervaringen uit de praktijk. Bij die verbeteringen gaat het steeds
vaker om risico’s die lastig zijn in te schatten, zoals effecten op het ongeboren
kind, blootstelling aan combinaties van middelen en de gecombineerde blootstel-
ling vanuit meerdere bronnen (werk, voeding, omgeving).
    De toelatingsprocedure is deels Europees, deels nationaal bepaald. Zo beslist
Europa welke werkzame bestanddelen gebruikt mogen worden in gewasbescher-
mingsmiddelen. Of een bepaald middel in een land mag worden gebruikt, beslis-
sen lidstaten zelf. De beoordelingsmethodes die landen daarbij hanteren, worden
steeds verder geharmoniseerd.
    De Nederlandse toelatingsprocedure kent nu nog geen aparte beoordeling
van de risico’s voor omwonenden, met uitzondering van de risico’s voor omwo-
nenden van kassen. De beoordeling van de risico’s voor omstanders en passanten
Samenvatting                                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>  beperkt zich in Nederland tot mensen die zich beroepshalve tijdens de toepassing
  in de buurt ophouden. Bestaande modellen voor de schatting van de blootstelling
  van omwonenden, omstanders en passanten kennen nog de nodige tekortkomin-
  gen. De European Food Safety Authority (EFSA) werkt momenteel aan goede,
  geharmoniseerde methoden voor de beoordeling van de risico’s voor alle omwo-
  nenden, omstanders en passanten.
      Dit betekent volgens de commissie echter niet dat omwonenden en niet-
  beroepsmatige omstanders en passanten in Nederland nu geheel onbeschermd
  zijn. Ze liften ten dele mee op de bescherming van de andere groepen. Maar de
  commissie acht gezondheidseffecten bij omwonenden en niet-beroepsmatige
  omstanders en passanten desondanks mogelijk, vooral in situaties waar een hoge
  gevoeligheid en een hoge blootstelling samenkomen. Dit is het eerste argument
  waarom de commissie pleit voor blootstellingsonderzoek onder deze groep.
      Toelating van een chemisch gewasbeschermingsmiddel houdt in dat met het
  betreffende middel ziekten en plagen in het gewas effectief én veilig te bestrijden
  zijn, mits het gebruiksvoorschrift nauwlettend wordt gevolgd. Om ervoor te zor-
  gen dat dit in de praktijk ook gebeurt, zijn tal van maatregelen van kracht. Dat
  betreft wet- en regelgeving, een verplicht bewijs van vakbekwaamheid voor
  beroepsmatige toepassers, verplichte keuring van spuitapparatuur, voorlichting,
  educatie en toezicht. Tijdens een recente evaluatie van het gewasbeschermings-
  beleid is echter gebleken dat agrariërs veiligheid nog onvoldoende prioriteit toe-
  kennen bij hun bedrijfsvoering en de wet- en regelgeving niet altijd goed
  naleven. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gebruik van middelen die niet zijn toege-
  laten. Dat kan niet alleen nadelige consequenties hebben voor hun eigen veilig-
  heid en die van hun werknemers en hun gezinsleden, het verhoogt ook de risico’s
  voor omwonenden.
  Blootstelling en gezondheid van agrariërs
  Of het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de praktijk tot
  blootstelling en gezondheidseffecten leidt, is goed te onderzoeken in de beroeps-
  matige sfeer. Toepassers van deze middelen en werkers in behandeld gewas zijn
  doorgaans het hoogst blootgesteld, zeker als ze onvoldoende maatregelen treffen
  ter beperking van hun eigen blootstelling. De afgelopen decennia is in binnen- en
  buitenland veel epidemiologisch onderzoek verricht onder agrariërs. Daarbij zijn
  geregeld associaties gevonden tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmid-
  delen en het optreden van uiteenlopende gezondheidseffecten, zoals een vermin-
  derde vruchtbaarheid, diverse vormen van kanker (ook bij het nageslacht) en
  aandoeningen van het zenuwstelsel. Vooral voor de ziekte van Parkinson en voor
4 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>leukemie bij kinderen van agrariërs zijn die bevindingen consistent. Buitenlandse
bevindingen zijn echter niet zo maar naar de Nederlandse situatie door te trekken
en de onderzoeksresultaten uit eigen land dateren van enige tijd geleden. Sinds-
dien hebben verschuivingen plaatsgevonden in het pakket van toegelaten midde-
len, is spuitapparatuur verder ontwikkeld en zijn educatie en voorlichting
toegenomen.
     Hoe kan het dat gezondheidseffecten optreden bij agrariërs, terwijl een toela-
tingsprocedure en tal van voorschriften voor het gebruik van gewasbescher-
mingsmiddelen die zouden moeten voorkomen? Het is mogelijk dat bepaalde
gevaarlijke eigenschappen van middelen in de toelatingsprocedure onopgemerkt
blijven of dat de blootstelling verkeerd wordt ingeschat. Maar omdat agrariërs
veiligheid onvoldoende prioriteit geven, acht de commissie het waarschijnlijk dat
een gebrekkige naleving van voorschriften een belangrijke oorzaak is van
gezondheidseffecten onder agrariërs. Deze vormen een tweede argument om de
blootstelling en gezondheid van omwonenden nader te beschouwen.
Blootstelling en gezondheid van omwonenden
In eigen land is nauwelijks onderzoek verricht naar de blootstelling en gezond-
heidstoestand van omwonenden van agrarische percelen. In en rond woningen
zijn op beperkte schaal metingen verricht in lucht, bodem, water en huisstof.
Meting van de inwendige blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, bij-
voorbeeld door analyse van bloed- of urinemonsters van omwonenden, heeft in
Nederland voor zover de commissie weet nooit plaatsgevonden.
     In het buitenland, vooral in de Verenigde Staten, is meer onderzoek verricht
naar de blootstelling van omwonenden. Dat toont aan dat blootstelling vanuit de
agrarische omgeving kan plaatsvinden. Het belang van diverse aanvoerroutes
lijkt af te hangen van het type gewasbeschermingsmiddel en de aard van de toe-
passing. Bij weinig vluchtige middelen lijkt de aanvoer via vervuilde kleding en
schoenen een kwantitatief belangrijke route. Huisgenoten van agrariërs blijken
namelijk vaak hoger te zijn blootgesteld dan huisgenoten van niet-agrariërs in
hetzelfde gebied. Ook in eigen land is hiervoor enige aanwijzing gevonden.
     Omwonenden in Nederland maken geregeld melding van misselijkheid of
irritaties van huid, ogen of bovenste luchtwegen. Een relatie met de blootstelling
aan gewasbeschermingsmiddelen is zelden onderzocht. Van een aantal middelen
is wel bekend dat ze bij voldoende hoge blootstelling dergelijke klachten kunnen
oproepen.
     Epidemiologisch onderzoek naar mogelijke chronische gezondheidseffecten
bij omwonenden, dat eveneens vooral in het buitenland is verricht, levert enige
Samenvatting                                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>  aanwijzingen op dat bepaalde aandoeningen wellicht vaker bij deze groep voor-
  komen. Het betreft onder meer effecten op het ongeboren kind, leukemie bij kin-
  deren en de ziekte van Parkinson. Het aantal onderzoeken is echter gering en veel
  onderzoek kent aanzienlijke beperkingen. Vooral de mate, bronnen en routes van
  blootstelling zijn doorgaans zeer onnauwkeurig in beeld gebracht. Daardoor is
  een oordeel over een oorzakelijk verband met blootstelling vanuit de omgeving
  niet mogelijk. Wel sluiten de schaarse bevindingen aan bij wat bij beroepsmatig
  blootgestelden aan effecten wordt gezien.
      Verder zegt het buitenlandse onderzoek betrekkelijk weinig over mogelijke
  blootstellingsniveaus en gezondheidseffecten in eigen land. De blootstellingsrou-
  tes zijn in principe dezelfde, maar het absolute en relatieve belang van de diverse
  routes kan in het buitenland heel anders zijn dan in Nederland. Dat hangt samen
  met verschillen in klimaat, landschapsinrichting en agrarische praktijk. Veel bui-
  tenlands onderzoek is bovendien gedaan met middelen die in Nederland nooit,
  niet meer of niet in dezelfde toepassingen zijn toegelaten.
      De commissie acht het mogelijk dat de aandoeningen waarvoor in het epide-
  miologisch onderzoek enige aanwijzingen zijn gevonden, ook in Nederland
  optreden. Ze vermoedt echter dat het risico voor omwonenden laag zal zijn ten
  opzichte van het risico voor beroepsmatig blootgestelden. Wel vormen deze aan-
  wijzingen een derde argument om de blootstelling van omwonenden in Neder-
  land onder de loep te nemen.
  Het nut van blootstellingsonderzoek onder omwonenden
  Gezien de waargenomen gezondheidseffecten bij agrariërs zelf, enige aanwijzin-
  gen voor effecten bij omwonenden in het buitenland en het gebrek aan gegevens
  van eigen bodem, ziet de commissie voldoende reden voor nader onderzoek
  onder omwonenden in Nederland. Het ligt voor de hand om te beginnen met
  blootstellingsonderzoek. Op geleide van de uitkomsten is vervolgens te bezien of
  onderzoek naar gezondheidseffecten nuttig is en hoe dat er dan uit moet zien. Het
  blootstellingsonderzoek kan het beste plaatsvinden door verschillende onder-
  zoeksmethoden te combineren. Biomonitoring – in dit geval het meten van
  gewasbeschermingsmiddelen en hun afbraakproducten in lichaamsmaterialen of
  uitscheidingsproducten van omwonenden – kan informatie opleveren over de
  totale blootstelling vanuit alle bronnen en via alle routes. Metingen in contactme-
  dia, zoals lucht, bodem, water, huisstof et cetera, in combinatie met aanvullende
  gegevens over blootstellingsbepalende factoren (onder meer tijd en plaats van
  gebruik van middelen, doseringen en toedieningstechnieken, gewoonten en acti-
  viteiten van omwonenden, voedingspatronen, weersomstandigheden) verschaf-
6 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>fen inzicht in het relatieve belang van bronnen en aanvoerroutes. Alleen dergelijk
veelomvattend onderzoek kan duidelijk maken welke bijdrage agrarisch gebruik
van gewasbeschermingsmiddelen in de onmiddellijke omgeving levert aan de
totale blootstelling van mensen. Deze informatie is tevens nodig ter toetsing en
waar nodig verbetering van in de toelatingsprocedure gebruikte blootstellings-
modellen en ter beoordeling van de noodzaak en effectiviteit van blootstellingbe-
perkende maatregelen door landelijke en lokale overheden, agrariërs en
omwonenden zelf.
    De commissie beveelt aan het blootstellingsonderzoek te richten op agrariërs,
hun gezinsleden en niet-agrariërs en daarbij vooral in te zoomen op vrouwen in
de vruchtbare leeftijd (met het oog op het ongeboren kind) en heel jonge kinde-
ren. Vooral jonge kinderen hebben namelijk een bijzondere gevoeligheid en kun-
nen door hun gedrag en bouw hoger zijn blootgesteld dan volwassenen. De snelle
afbreekbaarheid van moderne gewasbeschermingsmiddelen en de grote tempo-
rele variatie in blootstelling maken een intensieve bemonstering en onderzoek
over meerdere jaren nodig. Kennis van geschikte biomarkers (meetbare moeder-
stoffen of afbraakproducten in lichaamsmaterialen en uitscheidingsproducten) en
beschikbare analysemethoden zijn noodzakelijke voorwaarden en moeten des-
noods worden ontwikkeld. De commissie verwacht dat de kosten van het
beschreven onderzoek enkele miljoenen euro’s zullen bedragen.
    Vervolgonderzoek naar gezondheidseffecten kan zinvol zijn als de blootstel-
lingsniveaus van één of meerdere gewasbeschermingsmiddelen in de buurt van
of boven gezondheidskundige grenswaarden blijken te liggen. In dat geval is het
goed om aanvullende maatregelen (bovenop die welke de commissie nu al
bepleit) ter beperking van de blootstelling te treffen en daarmee niet te wachten
op de uitkomsten van langdurig epidemiologisch onderzoek naar gezondheidsef-
fecten.
    Goede communicatie voor, tijdens en na het onderzoek met belanghebbende
partijen over doel, opzet en (mogelijke) uitkomsten van het onderzoek acht de
commissie cruciaal. Het is zaak om deelnemers van te voren duidelijk te maken
dat niet de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op zich, maar de
niveaus en de duur van de blootstelling bepalen in hoeverre er risico’s zijn voor
de gezondheid. Overleg over de opzet van het onderzoek met een erkende
medisch ethische toetsingscommissie acht de commissie te zijner tijd gewenst.
    Gezien de voortdurende veranderingen in de gewasbeschermingspraktijk
beveelt de commissie daarnaast aan na te denken over een meer structurele moni-
toring van de uitwendige en inwendige blootstelling van mensen aan gewasbe-
schermingsmiddelen. Dat levert waardevolle informatie over de effectiviteit van
het gevoerde gewasbeschermingsbeleid. Het voorgestelde onderzoek onder
Samenvatting                                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>  omwonenden kan leerpunten aandragen voor zo’n permanente monitoring en een
  eerste aanzet vormen.
  Maatregelen die de blootstelling van omwonenden verlagen
  Het zal nog enige jaren duren voor het door de commissie voorgestelde blootstel-
  lingsonderzoek meer duidelijkheid zal verschaffen over de blootstelling van
  omwonenden (inclusief agrariërs en hun gezinnen) van landbouwpercelen aan
  chemische gewasbeschermingsmiddelen en de risico’s die daaruit kunnen voort-
  vloeien. Dat neemt niet weg dat nu al maatregelen genomen kunnen worden om
  de blootstelling van omwonenden te verlagen. De commissie vindt het van
  belang dat de zorgen van omwonenden serieus worden genomen; ook ongerust-
  heid vermindert de kwaliteit van leven. De maatregelen liggen op het vlak van de
  toelatingsprocedure en de agrarische praktijk.
  Toelatingsprocedure
  De overheid kan in EFSA-verband werken aan een verdere verbetering van de
  toelatingsprocedure in het algemeen en aan het toevoegen van een aparte risico-
  beoordeling voor omwonenden in het bijzonder. Het eigenstandige karakter van
  omwonenden als risicogroep maakt dat volgens de commissie noodzakelijk, in
  elk geval voor de risico’s van langdurige blootstelling aan lagere concentraties.
  De risico’s voor omwonenden die ontstaan door kortdurende piekblootstelling
  worden al via de gangbare risicobeoordeling voor beroepsmatige omstanders en
  passanten in beschouwing genomen. Wel moet deze daartoe worden uitgebreid
  tot alle omstanders en passanten, kinderen inbegrepen. Zo lang de methode van
  de EFSA nog niet klaar is voor gebruik, kan Nederland bestaande Duitse en
  Britse methoden hanteren. De commissie beveelt aan om via een steekproef te
  bepalen of het zinvol is om alle reeds toegelaten middelen alsnog op hun risico’s
  voor omwonenden en niet-beroepsmatige omstanders en passanten te beoorde-
  len. Nederland beoordeelt wel al de risico’s voor omwonenden van kassen met
  een nationale methode. De commissie acht het raadzaam om deze methode dus-
  danig te documenteren dat ze in de methode van de EFSA kan worden inge-
  bouwd of op andere wijze te streven naar Europese harmonisatie van deze
  beoordeling.
      Daarnaast beveelt de commissie aan dat Nederland in EU-verband verdere
  discussie entameert over de vraag of informatie over de kinetiek (de lotgevallen
  van een stof) in het menselijk lichaam voldoende geborgd is in het toelatingsdos-
  sier. Deze informatie is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een biomonito-
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>ring equivalent (gezondheidskundige grenswaarde in bijvoorbeeld urine) voor
het betreffende gewasbeschermingsmiddel. Verder zouden methoden voor ana-
lyse van menselijk bloed en urine standaard deel uit moeten maken van het dos-
sier dat de fabrikanten aanleveren ten behoeve van de toelating. Nu is dat nog
niet altijd het geval.
    Tot slot acht de commissie betere publieksvoorlichting nuttig door het Col-
lege voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) over
de toelatingsprocedure.
Agrarische praktijk
In de agrarische praktijk gaat het vooral om maatregelen die het gebruik van che-
mische middelen en de uitstoot naar de omgeving terugdringen en zo direct of
meer indirect bijdragen aan een verminderde blootstelling van omwonenden.
Juist vanwege de bredere baten worden ze deels al door partijen ten uitvoer
gebracht of maken ze deel uit van het geplande gewasbeschermingsbeleid voor
de komende jaren (zie Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming). De belan-
gen van omwonenden vormen een extra argument om deze maatregelen voortva-
rend door te voeren.
Voor de landelijke of de lokale overheid gaat het om:
• de bevordering van geïntegreerde gewasbescherming
• verbetering van de bestaande klachtenstructuur voor burgers met vragen of
    meldingen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in hun directe
    omgeving
• versterkte handhaving door inspecties
• het instellen van spuitvrije zones.
De agrarische sectoren kunnen:
• meer werk maken van veiligheid voor de eigen leden en voor omwonenden;
    in de opleiding voor het behalen van een bewijs van vakbekwaamheid (spuit-
    licentie) verdienen veiligheidsaspecten, inclusief de veiligheid van omwo-
    nenden, meer aandacht
• meer blootstellingsonderzoek doen in het periodiek medisch onderzoek
    (PMO)
• actiever en beter communiceren met omwonenden over het gebruik van
    gewasbeschermingsmiddelen
• verder werken aan technische oplossingen om het gebruik van middelen en
    drift van spuitnevel te verminderen.
Samenvatting                                                                      19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>  Fabrikanten en distributeurs kunnen:
  • hun voorlichting en hun productinnovatie mede richten op beperking van de
     risico’s voor omwonenden.
  Omwonenden zelf kunnen:
  • in overleg treden met de agrariër over hun zorgen en wensen
  • gebruik maken van klachtenstructuren bij lokale en landelijke overheden
     voor het melden van zorgen of incidenten
  • maatregelen treffen om de eigen blootstelling te verminderen. Zo kunnen ze
     de ramen sluiten en niet in de tuin gaan zitten tijdens en kort na de bespuiting
     van een aangrenzend perceel en producten uit eigen tuin standaard wassen
     voor consumptie.
0 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Executive summary
Health Council of the Netherlands. Crop protection and local residents.
The Hague: Health Council of the Netherlands, 2014; publication no.
2014/02
Does the use of chemical plant protection products on agricultural land expose
local residents to a risk of health impairment? This question has been examined
by a committee of the Health Council of the Netherlands. Its findings are set out
in this advisory report. Little research has been carried out in this area. There is
some evidence, mainly from studies carried out abroad, that the use of such
products can pose a health risk to local residents. Accordingly, the Committee
feels that there is sufficient reason to initiate an exposure study among this
section of the population here in the Netherlands, and to adapt the approval
procedure for plant protection products. It also identifies measures that can
reduce local residents’ exposure.
The issue
There are various ways in which people can come into contact with chemical
plant protection products (see figures on pages 82 and 83). One is by consuming
fruit and vegetables grown using these products. Another involves the domestic
use of such products in and around the home. Furthermore, those working in the
agricultural sector are at risk of occupational exposure. Quantities of plant
protection products carried in from nearby agricultural land constitute an
additional source of exposure for local residents. During and shortly after the use
of plant protection products, their concentrations in the vicinity of the application
sites may temporarily increase. With the passage of time and at greater distances
Executive summary                                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>  from the source, however, these concentrations decrease rapidly as a result of
  dilution and breakdown.
      Aside from the pests being targeted, plant protection products can be harmful
  to other species, including people. Partly for this reason, a comprehensive,
  statutory approval procedure was established. This is intended to ensure that
  risks to people and to the environment remain within accepted limits. The people
  in question are those who actually apply these products, those working with
  treated crops, bystanders and anyone passing by while application is taking
  place, as well as the consumers of treated food crops. Until recently, the
  procedure had placed little emphasis on any potential effects on the health of
  local residents. Some of those living in the vicinity of sprayed agricultural land
  are concerned. This applies in particular to crop cultivation sectors that make
  intensive use of these products, such as the flower bulb cultivation sector and the
  fruit growing sector.
      In April 2011, both on his own behalf and on behalf of his counterpart at the
  then Ministry of Economic Affairs, Agriculture and Innovation, the State
  Secretary for Infrastructure and the Environment asked the Health Council to
  prepare an advisory report on this issue. In an initial advisory memorandum,
  issued in September 2011, the Health Council replied that it would be useful to
  carry out an exposure study among such local residents in the Netherlands. In the
  present, more comprehensive advisory report, a committee of experts specially
  appointed for the purpose has conducted a closer examination of the risks to local
  residents. The issues of a suitable design for the exposure study and of possible
  measures to reduce exposure were also explored in greater detail.
  Stakeholder hearing
  Partly in response to a request from the above government officials, the
  Committee has involved stakeholders (local residents, environmental
  associations, the agricultural sector and industry) in the preparation of this
  advisory report. This approach was intended to ensure that the advisory report
  was as fully in keeping as possible with the needs of those affected by this issue.
  In January 2012, a hearing was held at which all of the stakeholders could air
  their concerns and make their information needs known. They also had the
  opportunity to contribute information which, in their view, was pertinent to the
  matter in question.
      It emerged at this hearing that local residents are mainly concerned about the
  health of their children, and that they are worried about serious diseases such as
  cancer. Some believe that the current approval procedure is too heavily skewed
2 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>towards the risks to those whose occupations involve working with chemical
plant protection products. They take the view that the risks to local residents
have not been properly considered. Unlike those working with such products in a
professional capacity, local residents are exposed involuntarily and for prolonged
periods of time, nor do they wear any form of personal protective equipment.
Another criticism is that no consideration has been given to exposure to
combinations of plant protection products. Local residents feel that the
authorities are not always receptive to their reports about health problems or
about the incorrect use of such products. They feel that organisms in the
surrounding ditches and watercourses enjoy greater protection than they
themselves do.
    Farmers and growers also consider themselves to be local residents. Together
with manufacturers and distributors, they point out that much has been done to
enable plant protection products to be used safely. They are constantly working
to achieve further reductions in the emission of these products into the
environment. In their view, the risks to local residents are minimal. Growers are
more concerned about encroaching housing developments and the resultant
restrictions on their business operations. Nevertheless, they are keen to engage in
dialogue with local residents. They would prefer any methods for assessing the
risk to local residents to be adopted and implemented at European level.
    All of the stakeholders were in favour of conducting an independent study
among local residents, with the aim of clarifying the risks involved.
Current plant protection policy
The Committee has determined that, for many years now, great efforts have been
made to enable plant protection products to be used more safely and more
sustainably. International cooperation has resulted in the establishment of a
comprehensive and meticulous approval procedure. This is intended to guarantee
that only effective products are admitted to the market, and that these products
can be used in such a way that any risks to people and to the environment remain
within accepted limits. Modern chemical plant protection products are more
selective and more readily degradable than those used in the past. They are also
much less likely to accumulate in the bodies of humans and animals.
    However, any approval procedure is always a work in progress. The
regulatory authorities are constantly seeking to make further improvements,
based on new scientific knowledge and on the lessons learned from real-life
experiences. Such improvements increasingly involve risks that are difficult to
Executive summary                                                                   23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>  assess, such as effects on the unborn child, exposure to combinations of products,
  and combined exposure from several different sources (work, food, environment).
      The approval procedure is determined partly at European level and partly at
  national level. For instance, Europe determines which active ingredients may be
  used in plant protection products. The question of whether or not a given product
  may be used on their territory is a matter for the individual Member States to
  decide. The assessment methods used by countries in this connection are being
  increasingly harmonised.
      As yet, the Dutch approval procedure does not include a separate assessment
  of the risks to local residents, with the exception of the risks to those living in the
  vicinity of greenhouses. In the Netherlands, the assessment of risks to bystanders
  and passers-by is limited to those whose occupation requires them to remain in
  the area while the product is being used. Existing models for assessing the
  exposure suffered by local residents, bystanders and passers-by still have a
  number of shortcomings. The European Food Safety Authority (EFSA) is
  currently working on effective, harmonised methods for assessing the risks to all
  local residents, bystanders and passers-by.
      According to the Committee, however, this does not mean that all local
  residents, and casual non-occupational bystanders and passers-by in the
  Netherlands are currently completely unprotected. They benefit, to some extent,
  from the protection afforded to the other groups. Nevertheless, the Committee
  considers it possible that local residents, casual non-occupational bystanders and
  passers-by could suffer health effects, especially in situations in which a high
  degree of sensitivity and a high level of exposure are combined. This is the first
  of the Committee’s arguments for advocating the use of an exposure study in this
  group.
      The approval of a chemical plant protection product means that the product
  in question can be used to control crop diseases and pests both effectively and
  safely, provided that its instructions for use are carefully followed. A wide range
  of measures are in effect to ensure that this is actually carried out in practice.
  These involve legislation, regulations, mandatory proof of professional
  competence for those who make occupational use of such products, the
  mandatory inspection of spraying equipment, proper instruction, training and
  supervision. During a recent evaluation of plant protection policy, however, it
  was found that farmers and growers still do not assign sufficient priority to safety
  in the context of their business operations. Nor do they always comply fully with
  the relevant legislation and regulations. This is evident, for example, from the
  fact that various non-approved products are being used. This could have an
4 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>adverse impact on their own safety and on that of their employees and their
families. In addition, it also increases the risks to local residents.
Exposure and health of farmers and growers
The question of whether, in practice, the use of chemical plant protection
products results in exposure and health effects can be readily investigated in an
occupational context. People who use these products and those working with
treated crops generally experience the highest levels of exposure, especially if
they fail to take adequate measures to limit their own exposure. In recent years,
numerous epidemiological studies have been conducted among farmers and
growers, both in the Netherlands and elsewhere. These regularly revealed
associations between exposure to plant protection products and the occurrence of
various health effects, such as reduced fertility, several forms of cancer (in their
offspring as well) and disorders of the nervous system. The findings were
particularly consistent for Parkinson's disease and for leukaemia in the children
of farmers and growers. However, it is no simple matter to extrapolate the
findings of studies carried out abroad to the Dutch situation. In addition, the
results of studies performed here in the Netherlands are all rather dated. Since
then, the range of approved products has shifted, more advanced spraying
equipment has been developed, and more extensive instruction and training are
available.
    Why do farmers and growers still experience health effects when there is an
approval procedure in place, together with numerous regulations governing the
use of plant protection products that are intended to prevent this? Certain
hazardous properties of these products may have been missed during the
approval procedure, or the level of exposure involved have been misjudged.
However, as farmers and growers tend not to give sufficient priority to safety, the
Committee considers it likely that poor compliance with the regulations is a
major cause of the health effects seen in this group. This is a second argument for
exploring the exposure and health of local residents in greater detail.
Exposure and health of local residents
In the Netherlands, there have been very few studies into the exposure and health
status of those living in the vicinity of agricultural land. On a very limited scale,
measurements of air, soil, water and house dust have been made in and around
homes. To the best of the Committee’s knowledge, no studies carried out in the
Executive summary                                                                     25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>  Netherlands have measured people’s internal exposure to plant protection
  products, by analysing blood or urine samples from local residents, for example.
      In other countries, especially the United States, more research has been
  carried out into the exposure suffered by local residents. These studies have
  demonstrated that local people can indeed be exposed to products emanating
  from their agricultural surroundings. The importance of any given exposure
  pathway seems to depend on the exact type of plant protection product involved
  and on how it is applied. With regard to less-volatile products, contaminated
  clothes and shoes appear to be a major pathway, in quantitative terms. This is
  supported by the fact that the members of farmers’ and growers’ households tend
  to suffer greater exposure than those in the households of people in other
  professions, living in the same area. There is some evidence for this in the
  Netherlands as well.
      In agricultural areas of the Netherlands, local residents occasionally
  complain of nausea or of irritation affecting the skin, eyes or upper respiratory
  tract. Only very rarely is the possibility of a link to exposure to plant protection
  products investigated. A number of products are known to induce complaints like
  this, at sufficiently high levels of exposure.
      Epidemiological studies of potential chronic health effects in local residents
  (again, most of these studies were performed abroad) provide some evidence that
  certain disorders may occur more frequently in this group. These include effects
  on the unborn child, childhood leukaemia and Parkinson's disease. However,
  these studies are few in number and much of the research involved has
  significant limitations. In particular, details concerning the level, sources and
  pathways of exposure are often very inaccurate. As a result, it is not possible to
  draw any conclusions about a causal relationship with environmental exposure.
  Nevertheless, the limited findings are in keeping with the effects seen in those
  who are exposed while making occupational use of such products.
      Furthermore, studies carried out abroad have relatively little bearing on
  potential exposure levels and health effects here in the Netherlands. The
  exposure pathways are basically the same, but other countries can differ
  substantially from the Netherlands in terms of the absolute and relative
  importance of the individual pathways. This is related to differences in climate,
  landscaping and agricultural practice. In addition, many of the studies carried out
  abroad involved products that have never been approved in the Netherlands, or
  that are no longer approved here, or that were not approved in this country for the
  same pest in the same crop.
      The Committee considers it possible that those disorders for which the
  epidemiological studies found some evidence also occur in the Netherlands.
6 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>However, it suspects that the risk to local residents will be low compared to the
risk to those who are exposed while making occupational use of such products.
Nevertheless, this evidence does constitute a third argument for closely
examining the exposure of those living in the vicinity of agricultural areas of the
Netherlands.
The usefulness of an exposure study in local residents
Given the observed health effects in farmers and growers themselves, coupled
with some evidence of effects in local residents from studies performed abroad,
and a lack of data from this country, the Committee feels that there is sufficient
reason to conduct further research among local residents in agricultural areas of
the Netherlands. The obvious starting point would be an exposure study. Based
on the results obtained, an assessment could then be made of the potential
usefulness of a study into health effects, and consideration could be given to the
practical details involved. The best way to conduct an exposure study is to
combine a range of different research methods. Biomonitoring (in this case, the
measurement of plant protection products and their metabolites in the tissues or
excretory products of local residents) can provide information about the total
exposure from all sources and via all pathways. Measurements in contact media,
such as air, soil, water, house dust, etc., in combination with additional data on
exposure-determining factors (including the time and place at which products
were used, dosages and application techniques, the habits and activities of local
residents, dietary patterns, weather conditions) can provide some insight into the
relative importance of sources and exposure pathways. Only such a fully
comprehensive study can clarify the extent to which the agricultural use of plant
protection products in the immediate vicinity contributes to total human
exposure. This information is also needed to assess and, where necessary,
improve the exposure models used in the approval procedure. It is also needed to
evaluate the requirement for, and effectiveness of, exposure reduction measures
by national and local governments, farmers, growers, and local residents
themselves.
    The Committee recommends that the exposure study should focus on farmers
and growers, their families, and those working in other professions. There should
be a special focus on women of childbearing age (with a view to the unborn
child) and very young children. Young children in particular are especially
sensitive. Due to their behaviour and build, they may suffer higher levels of
exposure than adults. Modern plant protection products degrade very rapidly and
there is a substantial temporal variation in exposure. This means that intensive
Executive summary                                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>  sampling and research over a period of several years is required. Both a
  knowledge of suitable biomarkers (measurable parent compounds or metabolites
  in human tissues and excretory products) and the availability of analytical
  methods are indispensable in this regard and will have to be developed where
  necessary. The Committee expects that the above-mentioned research will
  involve a budget of several million euros.
      Follow-up research into health effects can be useful if the exposure levels of
  one or more plant protection products are found to be close to, or above, health-
  based limit values. In such cases, it makes good sense to take additional
  measures (further to those being advocated here by the Committee) to reduce
  exposure, rather than waiting for the results of long-term epidemiological studies
  into health effects.
      The Committee takes the view that effective communication with
  stakeholders before, during and after the study – concerning its purpose, design
  and outcome (or potential outcome) – is crucial. It should be clearly explained to
  participants, in advance, that it is not the presence of plant protection products, as
  such, that determines whether there are risks to health. The really important
  factors in this regard are the levels and duration of exposure. The Committee
  takes the view that, in due course, a medical ethics committee should be
  consulted about the study’s design.
      Given the on-going changes in plant protection practice, the Committee also
  recommends that consideration be given to more routine monitoring of external
  and internal human exposure to plant protection products. This would provide
  valuable information on the effectiveness of current plant protection policy. The
  proposed study of local residents could provide valuable lessons for continuous
  monitoring of this kind, while at the same time constituting a first step in this
  direction.
  Measures to reduce local residents’ exposure
  It will be several years before the exposure study proposed by the Committee can
  provide greater clarity about the extent to which those living in the vicinity of
  agricultural land (including farmers and growers, and their families) are exposed
  to chemical plant protection products, and about any risks that this might entail.
  This does not mean that measures cannot already be taken to reduce the exposure
  suffered by local residents. The Committee considers it important that the
  concerns of local residents be taken seriously, as anxiety also diminishes people’s
  quality of life. The measures in question relate to the approval procedure and to
  agricultural practice.
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Approval procedure
Within the framework of the EFSA, the government can work to further improve
the approval procedure in general, and to add a separate risk assessment for local
residents in particular. This is necessary, according to the Committee, because
local residents constitute a clearly distinct high-risk group, at least as far as the
risks of prolonged exposure to lower concentrations are concerned. Any risks to
local residents arising from short-term peak exposure are already taken into
account by the current risk assessment for non-casual occupational bystanders
and passers-by. However, this will have to be expanded to cover all bystanders
and passers-by (including children). Until such time as the EFSA method is
ready for use, the Netherlands can use the current German and British methods.
The Committee recommends that random sampling be used to establish whether
there is a genuine need to submit every product that has already been approved to
an additional assessment, to determine whether they pose any risk to local
residents and to casual non-occupational bystanders and passers-by. Meanwhile,
the Netherlands is already using a national methodology to assess the risks to
those living in the vicinity of greenhouses. The Committee considers it advisable
that this method be documented in such a way that it can be readily incorporated
into the EFSA method. Failing that, it recommends that an alternative approach
be adopted to achieve the harmonisation of this assessment at European level.
    The Committee also recommends that the Netherlands should launch a
further debate, within the EU, about whether the approval dossier provides
adequate guarantees concerning the details of a product’s kinetics (the fate of a
substance) in the human body. This information is essential to the development
of a biomonitoring equivalent (health-based limit value in urine, for example) for
the plant protection product in question. In addition, details of the methods used
to analyse human blood and urine should be a standard feature of the approval
dossier submitted by manufacturers. To date, however, this has not always been
the case.
    Finally, the Committee feels that it would be useful if the Board for the
Authorisation of Plant Protection Products and Biocides (Ctgb) were to launch
better public information campaigns about the approval procedure.
Agricultural practice
In agricultural practice, this mainly involves measures to reduce the use of
chemical products and to cut any associated emissions to the environment. Either
directly or indirectly these measures will help to reduce the exposure suffered by
Executive summary                                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>  local residents. It is precisely because of these wider benefits that they have
  already been partly implemented by stakeholders or have been incorporated into
  the planned plant protection policy for the coming years (see Second Policy
  Document on Sustainable Plant Protection). The interests of local residents are
  an additional argument in favour of the prompt implementation of these
  measures.
  The main measures that the national government or local government need to
  implement are:
  • promoting integrated plant protection
  • improving the current complaints structure for members of the public who
      have complaints or questions about the use of plant protection products in
      their immediate area
  • enhancing compliance by means of inspections
  • establishing no-spray zones.
  The agricultural sectors can:
  • put more effort into ensuring the safety of their own members and that of
      local residents; in the training programme leading to a certificate of
      professional competence (spraying licence), more consideration could be
      given to safety aspects (including the safety of local residents)
  • perform more exposure tests during periodic medical examinations (PMO)
  • communicate more effectively and more actively with local residents
      concerning the use of plant protection products
  • continue to develop technical solutions to cut product use and to reduce spray
      drift.
  Manufacturers and distributors can:
  • also target their information provision and product innovation on reducing
      the risks to local residents.
  Local residents themselves can:
  • discuss their concerns and wishes with the farmer or grower in question
  • use the complaints structures provided by local and national governments to
      report concerns or incidents
  • take steps to reduce their own exposure. For instance, they could close the
      windows and avoid sitting in the garden while an adjacent plot of land is
      being sprayed (and shortly thereafter). They could also wash any food grown
      in their own garden prior to consumption.
0 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre> oofdstuk 1
          Inleiding
1.1       Achtergrond
          In 2000 bracht de Gezondheidsraad een advies uit over de atmosferische ver-
          spreiding van chemische gewasbeschermingsmiddelen.1 Het advies stoelde
          onder meer op de resultaten van een door de raad georganiseerde internationale
          workshop.2 Het was gericht op de ecologische betekenis van de verspreiding van
          deze stoffen via de lucht van landbouwgronden naar natuurgebieden. Het advies
          en het bijbehorende workshoprapport maakten duidelijk dat gewasbeschermings-
          middelen tijdens en na de toediening het behandelde perceel via de atmosfeer
          kunnen verlaten. De mate waarin dat gebeurt, hangt af van een groot aantal facto-
          ren, zoals de wijze van toediening, de stofeigenschappen en de weersomstandig-
          heden. De fractie die uiteindelijk de lucht in gaat, kan daarom sterk variëren,
          maar bedraagt in ons land gemiddeld een kleine tien procent van de toegediende
          hoeveelheid.3 Eenmaal in de atmosfeer kunnen gewasbeschermingsmiddelen
          zich over aanzienlijke afstanden (kilometers) verplaatsen. Tijdens en kort na het
          gebruik kunnen de concentraties in de omgeving van de toepassingsplaatsen tij-
          delijk oplopen. Door verdunning, afbraak en neerslag nemen de concentraties in
          de tijd en met de afstand tot de bron snel weer af.
              Mensen in het algemeen, en omwonenden van behandelde landbouwpercelen
          in het bijzonder, kunnen met chemische gewasbeschermingsmiddelen in aanra-
          king komen. Omdat Nederland een dichtbevolkt land is met veel intensieve land-
          en tuinbouw, gaat het, afhankelijk van de regio, om relatief veel mensen. De mid-
          Inleiding                                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    delen zijn ontworpen om ziekteverwekkers en plaagorganismen te doden en kun-
    nen ook schadelijk zijn voor andere organismen, de mens inbegrepen. Mede om
    die reden mogen gewasbeschermingsmiddelen alleen op de markt komen na het
    doorlopen van een wettelijke toelatingsprocedure.4 Daarin wordt onder meer
    gecontroleerd of het door de fabrikant voorgestelde gebruik ‘veilig’ kan plaats-
    vinden. Zowel de eventuele risico’s voor het milieu als die voor de mens worden
    getoetst. De gezondheidsrisico’s voor iedereen die via het werk, de voeding of
    het milieu met deze middelen in aanraking kan komen, moeten binnen aanvaarde
    grenzen blijven. Aan eventuele gevolgen voor de gezondheid van omwonenden
    is van overheidswege echter lange tijd geen aparte aandacht besteed. Vermoede-
    lijk heerste de opvatting dat er voor omwonenden van behandelde percelen geen
    noemenswaardige risico’s bestaan als de toelatingsprocedure gezondheidsrisico’s
    voor de hoger blootgestelde toepasser binnen aanvaardbare grenzen houdt. Toch
    zijn omwonenden van bespoten landbouwpercelen in binnen- en buitenland
    bezorgd om hun eigen gezondheid en die van hun kinderen.5,6 Dat geldt in het
    bijzonder bij teelten die een intensief gebruik van deze middelen vergen, zoals de
    bloembollenteelt en de fruitteelt.
1.2 De adviesaanvraag
    Op 18 april 2011 heeft de toenmalige staatssecretaris van Milieu mede namens
    zijn collega van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de Gezondheids-
    raad om advies gevraagd over eventuele gezondheidsrisico’s voor omwonenden
    van landbouwpercelen die voortvloeien uit de toepassing van gewasbescher-
    mingsmiddelen. In zijn brief (zie bijlage A) stelde de bewindsman een aantal vra-
    gen. Allereerst wilde hij weten of omwonenden in zulke mate kunnen zijn
    blootgesteld, dat er risico’s voor de gezondheid bestaan. Speciale aandacht vroeg
    hij voor kwetsbare groepen, situaties van hoge blootstelling, blootstelling aan
    combinaties van stoffen, omwonenden van kassen en blootstelling via geconta-
    mineerde moestuinen. Daarnaast wilde hij weten in hoeverre een geplande Euro-
    pese aanpassing in de risicobeoordelingsmethodiek bij de toelating van
    gewasbeschermingsmiddelen risico’s voor omwonenden kan afdekken. Tot slot
    vroeg hij het oordeel van de raad over nut en opzet van een ‘bevolkingsonder-
    zoek’ ter vaststelling van de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Met het oog
    op de recente maatschappelijke onrust over het onderwerp vroeg de bewindsman
    omwonenden bij de opstelling van het advies te betrekken. De vraag over bevol-
    kingsonderzoek wilde hij graag vooruitlopend op de rest van het advies beant-
    woord zien.
 2  Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>1.3   Briefadvies
      Overeenkomstig het verzoek van de staatssecretaris heeft de vicevoorzitter van
      de Gezondheidsraad, prof. dr. H. Obertop, in een briefadvies van 2 september
      2011 de vraag over nut en opzet van bevolkingsonderzoek beantwoord, nadat hij
      eerst de leden van de nog in te stellen ad-hoccommissie en de Beraadsgroep
      Gezondheid en Omgeving had geraadpleegd.7 In het briefadvies stelde de vice-
      voorzitter dat hij onderzoek onder omwonenden zeker nuttig acht. Het zou dan
      om te beginnen moeten gaan om onderzoek naar de blootstelling van omwonen-
      den aan gewasbeschermings-middelen. Hierover zijn namelijk nauwelijks meet-
      gegevens beschikbaar. Beschikbare gegevens uit het buitenland zijn niet zonder
      meer te vertalen naar de Nederlandse situatie. Kennis over blootstelling is een
      voorwaarde om in een later stadium iets te kunnen zeggen over eventuele
      gezondheidseffecten. De vicevoorzitter kondigde aan dat de raad in het nog op te
      stellen advies nader zal ingaan op een geschikte opzet van het blootstellingson-
      derzoek en dan ook de andere adviesvragen zal beantwoorden. De volledige tekst
      van het briefadvies staat in bijlage C.
1.4   Commissie en werkwijze
      Op maandag 31 oktober 2011 heeft de vicevoorzitter van de raad de commissie
      ‘Gewasbescherming en omwonenden’ geïnstalleerd. Daarbij heeft hij, zoals
      gebruikelijk, toegezien op een multidisciplinaire en evenwichtige samenstelling.
      Het eerste betekent dat deskundigen uit meerdere, relevante vakgebieden in de
      commissie als lid zitting hebben. Met het laatste is bedoeld dat de vicevoorzitter
      bewust deskundigen met uiteenlopende opvattingen over het te bestuderen
      vraagstuk als lid van de commissie heeft benoemd. Alle leden en adviseurs heb-
      ben een (openbare) belangenverklaring ingevuld. De samenstelling van de com-
      missie is te vinden in bijlage B. Tenzij nadrukkelijk anders vermeld, wordt in het
      advies met ‘de commissie’ de commissie ‘Gewasbescherming en omwonenden’
      bedoeld.
1.4.1 Doelstelling, taakopvatting en afbakening
      Het primaire doel van de commissie is beantwoording van de vragen van de
      bewindspersonen. Deze komen erop neer dat moet worden uitgezocht in welke
      mate omwonenden van landbouwpercelen waarop gewasbescherming plaats-
      vindt, worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen, hoe de bijdrage
      Inleiding                                                                          33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>      vanuit de onmiddellijke agrarische omgeving zich verhoudt tot die vanuit andere
      bronnen (zoals de voeding) en of die bijdrage het risico op gezondheidsschade
      substantieel verhoogt of in verband te brengen is met gezondheidsklachten.
           De commissie beperkt zich in dit advies tot blootstelling aan chemische
      gewasbeschermingsmiddelen die voor agrarische doeleinden worden ingezet.
      Toepassingen van chemische middelen buiten de landbouw, zoals het onkruidvrij
      maken van bestratingen door gemeenten, blijven buiten beschouwing. Dat geldt
      ook voor biologische gewasbeschermingsmiddelen. Wat de chemische middelen
      betreft, gaat het advies niet alleen over producten die worden verspoten, maar
      ook over middelen die op andere manieren worden toegediend, zoals injectie in
      de bodem, strooien als granulaat of verneveling. Gemakshalve spreekt de com-
      missie soms van ‘bespoten’ percelen of ‘bespoten’ groenten en fruit, zonder
      daarbij andere toedieningswijzen te willen buitensluiten.
           Een soortgelijk ‘omwonendenvraagstuk’ speelt ook bij de toepassing van
      sommige biociden, in het bijzonder bij gasvormige of gasvormende desinfectan-
      tia (formaline, chloor) die worden gebruikt voor de ontsmetting van stallen en
      champignonbedden. De commissie signaleert dit slechts, maar gaat er in haar
      advies niet nader op in. Ze ontkomt er overigens niet aan om zo nu en dan toch
      iets over biociden, (dier)geneesmiddelen en cosmetica te zeggen, omdat deze
      producten deels dezelfde of overeenkomstige werkzame stoffen bevatten. De
      focus ligt op blootstelling van, en eventuele gevolgen voor, omwonenden van
      behandelde percelen. Ook hier geldt dat het af en toe nodig is om ook blootstel-
      ling van beroepsmatige of particuliere toepassers en consumenten van bespoten
      groente en fruit ter sprake te brengen. Het kan immers om dezelfde individuen
      gaan. De commissie richt zich op alle teelten binnen de agrarische sector.
           De commissie beperkt haar beschouwingen voorts tot de gezondheidskun-
      dige kant van het vraagstuk. Zij realiseert zich dat er ook ecologische, landbouw-
      kundige en economische aspecten aan kleven die voor de besluitvorming van
      belang zijn. Het eerste daarvan is al in een eerder advies van de raad belicht. 1
      Voor informatie over de andere aspecten moeten beleidsmakers en belangheb-
      benden bij andere deskundige instanties te rade gaan.
1.4.2 Terminologie
      In bijlage I presenteert de commissie een uitvoerige verklarende woordenlijst.
      Daarin legt ze vaktermen uit en bespreekt ze wat ze onder veel gebruikte begrip-
      pen als ‘risico’, ‘gevaar’, ‘schade’ en ‘veiligheid’ verstaat. De voor het advies
      belangrijkste termen licht de commissie hieronder toe.
 4    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Gewasbeschermingsmiddelen – bestrijdingsmiddelen – pesticiden –
landbouwgif
Bij de bestudering van de wetenschappelijke literatuur en de berichtgeving in de
pers is de commissie gebleken dat verschillende belanghebbende partijen ver-
schillende termen hanteren voor dezelfde chemische producten. Die verschil-
lende termen weerspiegelen de uiteenlopende perspectieven van deze partijen.
Voor de boer en de fabrikant zijn het nuttige middelen ter bescherming van het
kostbare gewas, waarin geld en moeite zijn geïnvesteerd. Voor hen zijn ze volle-
dig vergelijkbaar met diergeneesmiddelen en geneesmiddelen tegen vlooien, lui-
zen, wormen of schimmels bij huisdieren en de mens. Ze bevatten deels ook
dezelfde of vergelijkbare stoffen. De omwonende daarentegen kan het zien als
gif, ontworpen om te doden, dat vanuit de landbouw komt aanwaaien en dat de
gezondheid van hemzelf en zijn gezin bedreigt.
     De commissie heeft geen duidelijke voorkeur voor één van de termen of de
bijbehorende perspectieven. Ze acht het begrijpelijk en legitiem dat mensen die
op verschillende wijze met dergelijke chemische producten van doen hebben,
verschillende perspectieven hebben en verschillende termen gebruiken. Louter
omwille van de duidelijkheid en de consistentie wil de commissie niettemin tel-
kens dezelfde term hanteren. Ze heeft gekozen voor de term die ook in de wet
wordt gehanteerd4 en derhalve ook in de adviesaanvraag staat: ‘gewasbescher-
mingsmiddelen’. De commissie tekent daarbij nadrukkelijk aan dat ze met haar
keuze geen afbreuk wil doen aan de geldigheid van de andere termen en perspec-
tieven.
     De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden4 omschrijft een gewasbe-
schermingsmiddel als:
een werkzame stof of een preparaat met één of meer werkzame stoffen, te gebruiken om: 1) planten
of plantaardige producten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te
voorkomen; 2) levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om nutritieve
stoffen; 3) plantaardige producten te bewaren; 4) ongewenste planten te doden of 5) delen van plan-
ten te vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voorkomen.
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen verschillende vormen hebben: oplossin-
gen, poeders, granulaten of gassen. Dat hangt samen met de wijze van toedie-
ning. Behalve één of meer werkzame stoffen bevat een gewasbeschermings-
middel vaak een of meerdere hulpstoffen, zoals oplosmiddelen, hechtmiddelen,
uitvloeiers, et cetera.
Inleiding                                                                                           35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>      Omwonenden
      In een recent document van de European Food Safety Authority (EFSA) worden
      omwonenden (in het Engels residents) omschreven als (vertaling uit het Engels
      door de commissie):8
      Personen die wonen, werken of een school of enige andere instelling bezoeken grenzend aan een per-
      ceel dat behandeld is of wordt met een gewasbeschermingsmiddel; hun aanwezigheid bij het werk
      met het middel is geheel onbedoeld en houdt geen verband met dat werk, maar hun positie kan ertoe
      leiden dat ze worden blootgesteld; ze ondernemen geen actie ter voorkoming of beperking van de
      blootstelling; ze kunnen 24 uur per dag ter plaatse aanwezig zijn.
      De commissie onderschrijft deze omschrijving met de kanttekening dat ze
      nadrukkelijk ook rekent tot ‘omwonenden’ de agrariërs zelf met hun gezinnen,
      althans voor zover zij nabij behandelde percelen wonen. Voor deze agrariërs
      komt de blootstelling in de woonomgeving bovenop de beroepsmatige blootstel-
      ling.
           In het betreffende document van de EFSA staat niet nader omschreven wat
      onder ‘grenzend aan’ (‘adjacent to’) wordt verstaan. In een lopende onderzoek in
      het Verenigd Koninkrijk hanteren de onderzoekers een afstand van maximaal
      100 meter.9 De commissie vindt dat een goede, pragmatische voorlopige keuze.
      Die grens kan later eventueel worden bijgesteld, als de uitkomsten van onder-
      zoek daartoe aanleiding geven.
1.4.3 Werkwijze van de commissie
      Literatuuronderzoek
      De commissie is tot antwoorden op de vragen gekomen via onderlinge beraadsla-
      ging over de stand van wetenschap. Daarvan heeft zij zich een beeld gevormd
      door bestudering van de relevante literatuur. Dat betreft in de eerste plaats de
      internationale wetenschappelijke literatuur. Op het gebied van mogelijke gezond-
      heidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen is deze bijzonder uitgebreid. Een
      groot deel beschrijft de resultaten van toxicologisch onderzoek met proefdieren
      of zogeheten in-vitro-onderzoek met (humane) cellen. Daarnaast is ook veel epi-
      demiologisch onderzoek verricht. Het betreft vooral onderzoek naar gezond-
      heidseffecten bij (relatief hoge) beroepsmatige blootstelling. Een ander deel is
      gericht op gezondheidseffecten bij particulieren door plaagbestrijding in of rond
 6    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>hun woning. Al deze literatuur is hooguit indirect relevant voor de boordeling
van gezondheidsrisico’s voor omwonenden van agrarische percelen.
    Epidemiologisch onderzoek naar de mogelijke gezondheidseffecten bij
omwonenden van land- en tuinbouwpercelen of kassen door agrarische gewasbe-
scherming is relatief schaars. De commissie heeft publicaties hierover gezocht
met het zoekprofiel “pesticides AND (residential proximity)” in de literatuurda-
tabase Pubmed. De opbrengst heeft ze aangevuld met in gevonden artikelen aan-
gehaalde publicaties en met door derden aangereikte literatuur. De commissie
heeft niet gestreefd naar volledigheid. De vraag in hoeverre omwonenden in
Nederland zijn blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen en daardoor een
verhoogd risico op gezondheidsschade lopen, is op basis van buitenlands
onderzoek immers niet te beantwoorden. Het ging de commissie er vooral om
aanwijzingen te vinden voor blootstelling van omwonenden van agrarische
percelen aan gewasbeschermingsmiddelen en voor eventuele gezondheidseffec-
ten en om inzicht te krijgen in de omstandigheden die dat bevorderen. Daaruit is
immers af te leiden of onderzoek in eigen land zinvol of gewenst is.
    Voor informatie over blootstelling en gezondheid van agrariërs heeft de com-
missie vooral overzichtsartikelen gebruikt. Voor informatie over blootstelling en
gezondheid van omwonenden heeft ze zich ook gebaseerd op oorspronkelijke
artikelen. De commissie heeft zich vooral beperkt tot onderzoek dat in westerse
landen is uitgevoerd. De landbouw- en gewasbeschermingspraktijk daar sluit
beter aan bij de Nederlandse.
    Naast wetenschappelijke artikelen zijn relevante rapporten van gerenom-
meerde onderzoeksinstituten in binnen- en buitenland en van internationale
instanties geraadpleegd. De commissie heeft zich nadrukkelijk tot taak gesteld
om niet alleen in beeld te brengen wat wetenschappelijk bezien bekend is, maar
ook waar kennishiaten en onzekerheden liggen. Ze heeft zelf geen laboratorium-
of veldonderzoek gedaan en geen metingen verricht.
Bezoek aan onderzoekers in het Verenigd Koninkrijk
In het Verenigd Koninkrijk loopt momenteel een onderzoek naar de blootstelling
van omwonenden van landbouwpercelen aan gewasbeschermingsmiddelen.9 Op
5 oktober 2012 hebben de secretaris en een lid van de commissie een bezoek
gebracht aan het Institute of Occupational Medicine in Edinburgh dat het onder-
zoek coördineert, met als doel lering te trekken uit de Britse ervaringen.
Inleiding                                                                         37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>  Blootstellingsberekeningen
  De EFSA heeft in 2010 een ‘wetenschappelijke opinie’ uitgebracht over de
  methoden ter beoordeling van de risico’s van het gebruik van gewasbescher-
  mingsmiddelen voor toepassers van deze middelen, werkers in behandeld gewas
  en omstanders of toevallige passanten.8 Het stuk bevat een allereerste aanzet
  voor een methode om ook de blootstelling van omwonenden van landbouwper-
  celen te schatten. De commissie heeft hiermee voor vier in de lelieteelt gebruikte
  gewasbeschermingsmiddelen geprobeerd de blootstelling van omwonenden en
  de daaruit voortvloeiende risico’s te becijferen.
  Contact met belanghebbenden
  Bewindspersonen bepalen hun koers steeds vaker in (of na) nauw overleg met
  betrokken partijen, die zij nadrukkelijk op hun eigen verantwoordelijkheid aan-
  spreken. Dat geldt zeer zeker voor het beleid ten aanzien van gewasbescher-
  mingsmiddelen. De commissie wil met haar advies dat besluitvormingsproces zo
  goed mogelijk informeren en faciliteren. Daarom heeft ze geprobeerd om com-
  plexe zaken op een voor alle partijen begrijpelijke manier te bespreken. Ze wil
  voorzien in de informatiebehoefte van alle betrokken partijen, kennis nemen van
  hun uiteenlopende perspectieven en hun praktijkervaring nuttig gebruiken.
  Daarom heeft de commissie niet alleen, zoals de bewindspersonen vroegen,
  omwonenden bij de opstelling van het advies willen betrekken, maar ook andere
  belanghebbende partijen, te weten vertegenwoordigers van de landbouwsector en
  de agrochemische industrie. Voorafgaand aan de opstelling van het advies heeft
  de commissie daartoe een hoorzitting voor genodigden gehouden op de avond
  van 30 januari 2012 in de jaarbeurs in Utrecht. De namen van alle deelnemende
  partijen en een verwijzing naar hun bijdragen zijn opgenomen in bijlage D.
      Op 30 juli 2013 heeft de commissie de concepttekst van haar advies openbaar
  gemaakt en belangstellenden uitgenodigd commentaar te leveren. Tevens heeft
  ze op 7 oktober 2013 opnieuw een hoorzitting voor genodigden gehouden. Het
  doel daarvan was om te controleren of de commissie haar advies begrijpelijk
  heeft verwoord, of in de informatiebehoefte van belanghebbenden is voorzien en
  of de beschikbare praktijkkennis voldoende is benut. De verkregen informatie
  heeft de commissie naar eigen inzicht in het definitieve advies verwerkt. De
  inzenders van commentaar op het conceptadvies, de deelnemers aan de tweede
  hoorzitting en de reactie van de commissie op de commentaren staan vermeld in
  bijlage E.
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    Toetsing
    De aangepaste conceptadviestekst is ter toetsing voorgelegd aan de Beraadsgroep
    Gezondheid & Omgeving van de Gezondheidsraad. Tevens hebben enkele
    externe deskundigen het verzoek gekregen de concepttekst te becommentariëren.
    Daarnaast heeft de commissie over deelonderwerpen experts geraadpleegd. Hun
    namen staan in bijlage F. Ook deze informatie heeft de commissie naar eigen
    goeddunken verwerkt in de definitieve tekst.
1.5 Opzet van het advies
    In het volgende hoofdstuk gaat de commissie nader in op de zorgen van omwo-
    nenden. Ze schetst een kort historisch overzicht en bespreekt de inbreng van
    omwonenden tijdens de hoorzitting die vooraf ging aan de opstelling van het
    advies. Ook de perspectieven van andere belanghebbende partijen komen aan
    bod.
        De chemische gewasbescherming in Nederland vormt het onderwerp van
    hoofdstuk 3. Het accent ligt daarbij op beleidsmaatregelen die genomen zijn of
    worden om er voor te zorgen dat de inzet van chemische gewasbeschermings-
    middelen niet alleen effectief, maar ook veilig is. Dat betreft allereerst de toela-
    tingsprocedure voor deze middelen. Daarnaast gaat het om maatregelen om hun
    gebruik in de praktijk in goede banen te leiden en om het beleid dat gericht is op
    een duurzame gewasbescherming.
        Of dit beleid voldoende doeltreffend is, kan in de eerste plaats blijken uit
    onderzoek naar de blootstelling en gezondheid van degenen die beroepsmatig
    met chemische gewasbeschermingsmiddelen in aanraking komen, de toepassers
    van deze middelen en de werkers in behandeld gewas. Dit komt ter sprake in
    hoofdstuk 4.
        De effectiviteit van het beleid is daarnaast ook af te leiden uit onderzoek naar
    de blootstelling en gezondheid van omwonenden. De bevindingen daarvan staan
    centraal in hoofdstuk 5.
        In de hoofdstukken 6 en 7 bespreekt de commissie mogelijke beleidsmaatre-
    gelen die gericht zijn op het verkrijgen van meer duidelijkheid over de risico’s
    voor omwonenden of op vermindering van hun blootstelling. Hoofdstuk 6 is
    geheel gewijd aan wat onderzoek onder omwonenden in Nederland kan opleve-
    ren en wat niet. Daarbij komen verschillende doelen en opzetten van het onder-
    zoek aan de orde. In hoofdstuk 7 gaat de commissie in op mogelijke
    aanpassingen in de toelatingsprocedure en maatregelen in de landbouwkundige
    praktijk ter beperking van de blootstelling van omwonenden.
    Inleiding                                                                            39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>     In hoofdstuk 8 beantwoordt de commissie alle vragen van de bewindsperso-
  nen.
0 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre> oofdstuk 2
          Zorgen om en van omwonenden
          In dit hoofdstuk schetst de commissie hoe de samenleving de laatste decennia
          heeft geworsteld met de vraag in hoeverre omwonenden van agrarische bedrijven
          gezondheidsschade ondervinden door het gebruik van chemische gewasbescher-
          mingsmiddelen. Verder bespreekt de commissie de uitkomsten van de hoorzitting
          die ze voorafgaand aan de opstelling van het advies georganiseerd heeft voor
          omwonenden, milieugroeperingen, de agrarische sector en distributeurs en fabri-
          kanten van gewasbeschermingsmiddelen.
2.1       Historisch overzicht
          Aandacht voor de mogelijke nadelige gevolgen van het gebruik van gewasbe-
          schermingsmiddelen voor de menselijke gezondheid en de kwaliteit van het
          milieu in het algemeen is er al zeker vijftig jaar.10,11 Maar specifieke zorgen over
          de gezondheid van mensen die leven rond de akkers, boomgaarden en kassen
          waar deze middelen worden gebruikt, dateren van de jaren ’80, althans in ons
          land.
2.1.1     Glastuinbouw
          Bezorgdheid om de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmid-
          delen ontstond rond 1980 in het Westland. De ontsmetting van tuinbouwkassen
          met het vluchtige methylbromide resulteerde in verontreiniging van leidingwater
          Zorgen om en van omwonenden                                                          41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>  en in hogere concentraties in de buitenlucht dan gezondheidkundig verantwoord
  werd geacht.12,13 Rond dezelfde tijd rees een vermoeden van een verhoogd aantal
  miskramen, doodgeboorten en aangeboren afwijkingen in het gebied. Een ver-
  band met het gebruik van methylbromide werd gesuggereerd. Oriënterend onder-
  zoek kon een verhoogd voorkomen van de genoemde verschijnselen echter niet
  bevestigen.14 Een ingesteld voorlopig verbod op het gebruik van het ontsmet-
  tingsmiddel werd niettemin voor onbepaalde tijd verlengd. Ontheffingen werden
  alleen verleend voor kassen op tenminste 80 meter van een woning en 250 meter
  van een gevoelige bestemming (bijvoorbeeld een school, een bejaardenhuis).
  Ook mocht niet ontsmet worden bij stabiele weersomstandigheden. Een volledig
  verbod op het gebruik van methylbromide als grondontsmettingsmiddel in
  Nederland volgde in 1992.15
       Wellicht ingegeven door de ervaringen met methylbromide waren er rond die
  tijd ook zorgen over de blootstelling van omwonenden van kassen aan andere
  gewasbeschermingsmiddelen. In de tuinbouwgemeente Aalsmeer signaleerden
  de ouders van een aan leukemie overleden jongen in 1985 binnen een straal van
  een kilometer 12 personen met een ‘soortgelijke’ ziekte16. Zij vroegen zich af of
  dit te maken kon hebben met het veelvuldig zwemmen in een natuurzwembad,
  waarvan zij – naar later bleek terecht – vermoedden dat het met gewasbescher-
  mingsmiddelen verontreinigd was. Uit onderzoek van de GGD bleek dat in Aals-
  meer in de periode 1980-1985 leukemie en lymfeklierkanker vier keer vaker bij
  jongeren voorkwamen dan mocht worden verwacht.
       In 1996 werden wettelijke eisen van kracht voor de afstand tussen kassen en
  woningen.17,18 Voor nieuwe bedrijven golden de volgende afstanden: 50 meter tot
  een rij woningen of een gevoelig object (een heldere omschrijving ontbrak, maar
  de commissie vermoedt dat een school er onder viel) en 25 meter tot een losse
  woning van derden (dus uitgezonderd die van de agrariër zelf). Voor al bestaande
  kassen bedroegen die afstanden 25 meter respectievelijk 10 meter. De basis voor
  de maatregel vormden modelberekeningen van TNO en RIVM.17 Indien niet aan
  deze afstandseisen werd voldaan, moest in een vergunningprocedure worden
  nagegaan of nadelige gevolgen die door het bedrijf konden worden veroorzaakt
  door andere maatregelen te voorkomen waren. In 1999 won de Zuid-Hollandse
  Milieufederatie een proefproces tegen een gemeente die in de ogen van de federa-
  tie onvoldoende onderbouwd van de afstandseisen afweek (Afdeling Bestuurs-
  rechtspraak Raad van State (ABRvS) 23 juli 1999, nr. E03.95.1762). Sinds 2013
  zijn alle milieuregels voor de glastuinbouw opgenomen in het Activiteitenbesluit
  Milieubeheer. Daarin staan echter geen eisen meer ten aanzien van de afstand tus-
  sen kassen en woningen. De gedachte daarachter is dat ruimtelijke beleid
  (gemeentelijke bestemmingsplannen) een betere manier is om dit te regelen.
2 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>      Welke afstanden in het kader van de ruimtelijke afweging geschikt zijn, wordt
      voortaan aan de praktijk (en daarmee mede aan de jurisprudentie) overgelaten
      (http://www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw-tuinbouw/activiteitenbesluit/sec-
      toren/glastuinbouw-0, geraadpleegd 27-2-2013).
2.1.2 Fruitboomgaarden / boomkwekerijen
      In het verleden hebben ook omwonenden van fruitboomgaarden en boomkweke-
      rijen geregeld hun bezorgdheid geuit over hun blootstelling aan gewasbescher-
      mingsmiddelen (bijboorbeeld in de gemeenten Buren, zie ABRvS 18 april 2012,
      zaak 201006290/1/R2). Deze bezorgdheid hangt samen met het relatief hoge
      gebruik van deze middelen in de fruitteelt en vooral ook met het zij- of opwaarts
      spuiten. Anders dan bij bedekte teelten, zijn voor open teelten nooit wettelijke
      afstandseisen tot woningen geformuleerd (wel voor afstanden tot watergangen).
      De situering van boomgaarden en woningen ten opzichte van elkaar wordt sinds
      het midden van de jaren ’90 binnen het domein van de ruimtelijke ordening gere-
      geld in gemeentelijke bestemmingsplannen. Uit rechterlijke uitspraken valt af te
      leiden dat afstanden van 50 meter en 100 meter tussen (traditionele) fruitboom-
      gaarden en individuele woningen respectievelijk gevoelige bestemmingen (of de
      bijbehorende tuinen) wenselijk zijn (ABRvS 25 april 2012, 201012191/1/R3;
      ABRvS 2 juni 2004, 200305192/1). Modelberekeningen van TNO vormden hier-
      voor de basis.19 De genoemde afstanden zijn indicatief. Betrokken bestuursorga-
      nen moeten nagaan of bijzondere omstandigheden een afwijking van genoemde
      afstand rechtvaardigen. De consequentie van deze aanpak is dat fruittelers zich
      zorgen maken om oprukkende bebouwing, bijvoorbeeld door nieuwbouwwijken
      aan de randen van steden. Zij vrezen in de toekomst te maken te krijgen met
      bezorgde omwonenden en spuit- of teeltvrije zones die hen in hun bedrijfsvoe-
      ring kunnen belemmeren (Eersel: ABRvS 25 april 2012, 201012191/1/R3; Vleu-
      terweide: ABRvS 2 juni 2004, 200305192/1).
2.1.3 De aardappelteelt
      In het noorden van het land waren er zorgen om de toepassing van gewasbe-
      schermingsmiddelen in de aardappelteelt. Dat betrof het gebruik van vluchtige
      grondontsmettingsmiddelen, met name dichloorpropeen en metam-natrium. Al
      in 1976 berekende het Milieukundig Studiecentrum Groningen concentraties van
      dichloorpropeen in de buitenlucht die in de buurt lagen van gezondheidskundige
      normen.20 In Drenthe werd verontreiniging geconstateerd van drinkwater met
      dichloorpropaan, een onzuiverheid in dichloorpropeen.21 Eind jaren ’80 bogen de
      Zorgen om en van omwonenden                                                       43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>      Chemiewinkel en de Wetenschapswinkel voor Volksgezondheid van de Rijksuni-
      versiteit Groningen zich op verzoek van de Milieuraad Drenthe over de vraag of
      het hoge gebruik van grondontsmettingsmiddelen in de aardappelteelt in Gronin-
      gen en Drenthe risico’s voor gezondheid van omwonenden kon inhouden. In het
      rapport22,23 dat resulteerde, concludeerden de onderzoekers op grond van model-
      berekeningen dat het risico van blootstelling via de lucht groter was dan het
      risico van blootstelling via drinkwater. De opstellers vonden dat de uitkomsten
      aanleiding gaven tot het verrichten van metingen, waarbij de nadruk zou moeten
      liggen op piekbelastingen. In het rapport wordt geen melding gemaakt van con-
      crete zorgen of klachten bij omwonenden zelf. Zorgen bij de overheid en toela-
      tingshouders over concentraties in de lucht nabij ontsmette percelen vormden
      wel de aanleiding voor een uitgebreide meetcampagne in het noordoosten van
      Nederland in de periode 1985-1988. Een van de adviseurs van de commissie, dr.
      F. van den Berg, was hierbij als onderzoeker betrokken. De meetwaarden lagen
      binnen veilige grenzen. Wel was de marge bij kortdurende blootstellingen tijdens
      ongunstige weersomstandigheden beperkt.24 Inmiddels is het middel dichloor-
      propeen verboden en mag een perceel nog slechts een maal in de vijf jaar met
      metam-natrium worden ontsmet.
2.1.4 De bloembollenteelt
      In 1982 startte de Wetenschapswinkel van de Rijksuniversiteit Leiden op verzoek
      van werknemers een onderzoek naar de risico’s van het werken met gewasbe-
      schermingsmiddelen in de bloembollenteelt in Zuid-Holland.25 In de bollenteelt is
      het gebruik van deze middelen namelijk erg hoog. Overleg binnen de universiteit
      leidde ertoe dat de onderzoeksvraag gesplitst werd in twee hoofdvragen: een
      vraag over de risico’s voor boeren en werknemers in de arbeidssituatie en een
      vraag over de risico’s voor de bevolking in het algemeen door blootstelling via
      het milieu. Dat laatste onderzoek werd ter hand genomen door het Centrum voor
      Milieukunde in Leiden. Korte tijd later werd ook een (bureau)onderzoek uitge-
      voerd naar de risico’s van de uitstoot van gewasbeschermingsmiddelen door loof-
      verbranding in de bloembollenteelt.26 In beide rapporten vindt de commissie geen
      aanwijzingen dat zorgen bij omwonenden zelf de aanleiding vormden voor het
      onderzoek. Mogelijk waren het vooral de wetenschappers die meenden dat ook
      onderzoek nodig was naar de risico’s voor de algemene bevolking.
           Korte tijd later werd een vervolgonderzoek gestart naar de gezondheidsri-
      sico’s voor jonge kinderen in de Bloembollenstreek. Het rapport dat daaruit
      voortvloeide maakt wel melding van verontrusting bij bewoners van de Bloem-
      bollenstreek.27 Er is dan ook al sprake van een ‘Milieugroep Bollenstreek’.
 4    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>     Vanwege bezorgdheid over effecten op de lange termijn door blootstelling
aan gewasbeschermingsmiddelen verrichtten enkele GGD-en in Noord- en Zuid-
Holland in de jaren ’90 literatuuronderzoek en oriënterende modelberekeningen
naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van bloembollenvelden.28 De
conclusie luidde dat gezondheidseffecten door blootstelling aan individuele mid-
delen niet waarschijnlijk lijken, maar dat effecten door blootstelling aan combi-
naties van stoffen niet uit te sluiten zijn.
     In een onderzoek van de GGD in de Kop van Noord-Holland in 1998 gaf 52
procent van de bevolking aan te wonen in een landbouw- of bollenteeltgebied.29
Het bleek dat ruim 3 procent zich daarover (ernstig) zorgen maakte. In gemeen-
ten die door 75 procent of meer van de inwoners werden getypeerd als land-
bouw- of bollenteeltgebied, was het percentage bezorgden 6 tot 12 procent. Dat
laatste percentage betrof overigens niet de gemeente met de meeste bollenteelt,
maar die met een actieve bewonersgroep tegen milieuverontreiniging door de
bollenteelt (Zijpe).
     In 1998 werd in het Noord-Hollandse Zijpe de vereniging ‘Houd Zijpe
Leefbaar’ opgericht (zie www.hzl.nl). Deze vereniging maakte zich zorgen om de
invloed van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de gezondheid van
de inwoners van de gemeente. Een literatuurstudie naar de relatie tussen dit mid-
delengebruik en luchtwegklachten wees uit dat er te weinig informatie beschik-
baar was over de blootstelling van omwonenden om mogelijke gezondheids-
risico’s goed te kunnen inschatten.30 Daarom verzocht de vereniging de Weten-
schapswinkel Biologie van de Universiteit Utrecht nader onderzoek te doen naar
die blootstelling. In het onderzoek dat volgde, bleek dat gewasbeschermingsmid-
delen aanwezig waren in huisstof. Dat gold vooral voor woningen van mensen die
zelf in de agrarische sector werkzaam waren, maar in mindere mate ook voor
andere huizen.31,32 De ongerustheid in Zijpe leidde tot oriënterende modelbereke-
ningen door TNO.33 Op grond van de uitkomsten berichtte de toenmalige staatse-
cretaris van Milieu aan de Tweede kamer dat er geen negatieve gevolgen voor de
gezondheid te verwachten zijn en dat aanvullend onderzoek waarschijnlijk niet
tot een andere conclusie zou leiden.34 De vereniging verlegde daarop de aandacht
naar andere aspecten van het leefmilieu.
     In de jaren ’80 nam de bloembollenteelt in het noordoosten van ons land
geleidelijk in omvang toe. In opdracht van de Friese Milieuraad onderzocht de
Chemiewinkel van de Rijksuniversiteit Groningen de consequenties voor het
milieu.35 De aandacht ging destijds vooral uit naar de invloed op het landschap
en de natuur. In 2002 bracht de Natuur- en Milieufederatie Drenthe de notitie
Land van de reizende bol uit over de lelieteelt in die provincie.36 Rond diezelfde
tijd verdiepte een werkgroep van bezorgde burgers zich in de milieuaspecten van
Zorgen om en van omwonenden                                                        45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>      de lelieteelt. Ze groeide uit tot de Stichting Bolleboos. Deze vraagt sindsdien
      aandacht voor de gevolgen van de bollenteelt, in het bijzonder de leliebollenteelt,
      in Drenthe voor het landschap, het milieu en de gezondheid van omwonenden
      (zie www.bollenboos.nl).
           Een poging van de gemeente Heerenveen om de wisselteelt van bollen te ver-
      bieden binnen een zone van 30 meter van gronden met een woonbestemming
      strandde bij de Raad van State (ABRvS 13 mei 2009, zaak 200801516/1).
      Belangrijke overwegingen van het rechtscollege waren het neerwaarts spuiten in
      de bollenteelt en een rapportage van een van de huidige commissieleden, prof.
      Heederik, waarin deze op basis van een analyse van de wetenschappelijke litera-
      tuur de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor omwo-
      nenden klein achtte.37 In 2011 uitte de stichting Bollenboos haar zorgen in het
      televisieprogramma Zembla. Daarin stelden twee andere deskundigen die nu deel
      uitmaken van de commissie, prof. M. van den Berg en prof. P. Sauer, dat de
      risico’s voor omwonenden niet goed in te schatten zijn door een gebrek aan
      meetgegevens over de blootstelling.
           Uit een inventarisatie van hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in
      Nederland door het RIVM is gebleken dat het aandeel mensen dat bezorgd of
      ernstig bezorgd is over de eigen veiligheid in een ‘landbouw- of bollenteeltge-
      bied’ tussen 1998 en 2008 is gestegen van 11 naar 18 procent.38
2.1.5 Buitenland
      Bezorgdheid is er eveneens bij burgers in het Verenigd Koninkrijk (http://
      www.pesticidescampaign.co.uk/). In 2005 bracht de Royal Commission on Envi-
      ronmental Pollution een kritisch rapport uit over de blootstelling van omwonen-
      den van agrarische percelen aan gewasbeschermingsmiddelen.39 Het rapport
      kwam onder vuur te liggen van andere Britse overheidsinstanties.40,41, zie ook42.
      Niettemin vormde het een stimulans voor de Britse voortrekkersrol binnen
      Europa op dit terrein en was het de aanleiding voor de Gezondheidsraad om het
      thema op zijn werkprogramma te zetten.
           Ook in Duitsland maken burgers zich soms zorgen om het gebruik van
      gewasbeschermingsmiddelen in hun omgeving, bijvoorbeeld door boomkweke-
      rijen in Schleswig-Holstein43 en in het Sauerland (Bürgerinitiative giftfreies Sau-
      erland, http://www.giftfreies-sauerland.de).
           De afgelopen tien jaar hebben milieugroeperingen in de VS diverse rapporten
      uitgebracht over concentraties van gewasbeschermingsmiddelen in de buiten-
      lucht nabij woningen en scholen.44-46 Zij betogen dat de vervluchtiging van
      gewasbeschermingsmiddelen tijdens en na toepassing tot onvrijwillige blootstel-
 6    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>      ling van mensen in de omgeving leidt. Daarbij worden volgens hen vanuit
      gezondheidkundig oogpunt veilig geachte referentiewaarden geregeld overschre-
      den.
2.2   Hoorzitting
      Op 30 januari 2012 heeft de commissie een hoorzitting gehouden met alle
      betrokken partijen. In voordrachten van telkens tien minuten kregen zes groepen
      van omwonenden, vier koepelorganisaties uit de land- en tuinbouw en de bran-
      cheorganisaties van de handelaren in gewasbeschermingsmiddelen en van de
      agrochemische industrie de gelegenheid te vertellen welke informatie(bronnen)
      zij van belang achten voor de startende commissie, welke zorgen zij hebben over
      het onderwerp, welke oplossingen zij zien en welke zaken huns inziens in het
      advies aan de orde moeten komen. Omwille van de openheid mochten alle geno-
      digden de lezingen van de andere partijen als toehoorder bijwonen. Gelegenheid
      voor discussie werd niet geboden. Alleen commissieleden konden ter verhelde-
      ring vragen stellen en zij deden dat ruimschoots. In deze paragraaf geeft de com-
      missie een samenvatting van de uitkomsten van de hoorzitting. De namen van
      alle deelnemende partijen en een verwijzing naar hun volledige bijdragen op de
      website van de raad staan in bijlage D.
           Ook in de maanden na de hoorzitting hebben diverse deelnemers nog infor-
      matie aangereikt. De commissie had daar tijdens de hoorzitting ook nadrukkelijk
      om gevraagd en in de zomer van 2012 nog eens per brief kenbaar gemaakt dat
      aanvullende informatie welkom bleef. Ook deze is hieronder verwerkt.
2.2.1 Het perspectief van omwonenden en milieuorganisaties
      De aanwezige omwonenden van bloembollenpercelen maken zich zorgen om
      hun gezondheid en het milieu vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmid-
      delen. Ze wijzen op het hoge gebruik in kg werkzame stof per hectare per jaar in
      deze teelt en het grote aantal percelen in sommige regio’s. Maar ook mensen die
      nabij percelen van fruitteelt en griendteelt (teelt van wilgentenen) wonen, zeggen
      bezorgd te zijn. Hun zorgen zijn ingegeven door het besef dat een deel van de
      toegediende hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen tijdens en na de toedie-
      ning in de lucht terechtkomt. Zij wijzen daarbij op Nederlandse metingen waaruit
      blijkt dat gewasbeschermingsmiddelen in lucht en regenwater aanwezig zijn. Het
      ontbreken van normen voor gewasbeschermingsmiddelen in lucht en regenwater
      zien sommige omwonenden als een gemis. Gewasbeschermingsmiddelen zijn
      ook aangetroffen in huisstof in woningen nabij bloembollenvelden. In oppervlak-
      Zorgen om en van omwonenden                                                        47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>  tewateren overschrijden sommige middelen bestaande ecologische normen.
  Omwonenden vragen zich af of groenten en kruiden uit de eigen tuin wel veilig
  zijn en of de tuin wel besproeid kan worden met slootwater of grondwater uit
  eigen put. Ze wijzen op het onderzoek van commissielid prof. P. Sauer in
  opdracht van Greenpeace, waaruit blijkt dat vrijwel elke nieuw in de samenle-
  ving geïntroduceerde stof na enige tijd in het menselijk lichaam is aan te tref-
  fen.47,48
       Omwonenden geven aan doorgaans weinig gehoor te vinden bij lokale en
  regionale overheden, omdat het toegelaten middelen betreft. Ze vermoeden ech-
  ter dat de toelaatbaarheid van middelen vooral beoordeeld wordt in de context
  van bedrijfsvoering en werk. Ook vinden ze dat er onvoldoende oog is voor de
  asymmetrie tussen agrariërs en omwonenden, waarvan volgens hen sprake is.
  Telers en loonwerkers kunnen immers beschermende kleding en handschoenen
  dragen en zitten in gesloten tractorcabines. Zij beschikken bovendien over vol-
  doende kennis over de gebruikte middelen en weten hoe zij zich moeten gedra-
  gen. Omwonenden hebben deze voordelen niet. Bovendien verlaat de toepasser
  na toediening van de gewasbeschermingsmiddelen het perceel, terwijl omwonen-
  den bij het behandelde perceel achter blijven. Zelfs als het om kleine hoeveelhe-
  den gaat, dan nog geldt dat omwonenden jarenlang gedurende 24 uur per dag en
  7 dagen in de week onbeschermd worden blootgesteld, zo menen zij. Zij vinden
  het dan ook onbegrijpelijk dat producten op de markt kunnen komen die niet
  getest zijn op de risico’s van onbeschermde, chronische blootstelling, die onge-
  vraagd is. Bovendien worden verschillende gewasbeschermingsmiddelen gelijk-
  tijdig of kort na elkaar gebruikt gedurende een groeiseizoen. Wat het effect is van
  deze cocktail aan middelen is volgens hen onbekend.
       De grootste zorg van omwonenden betreft de gezondheid van hun kinderen,
  in het bijzonder het ongeboren kind en heel jonge kinderen. Volgens omwonen-
  den liggen sommige bloembollenvelden pal naast scholen en kinderdagverblij-
  ven. Daar komen kinderen vanaf drie maanden, ook in de schoolvakanties.
  Omwonenden veronderstellen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
  dan juist het hoogst is. Deze kinderen wijken sterk af van de standaardmens die
  volgens hen centraal staat in de toelatingsprocedure. Omwonenden zijn bezorgd
  dat de verstandelijke vermogens van kinderen aangetast kunnen worden door
  neurotoxische stoffen als organofosfaten, carbamaten en ook de nieuwere, sterk
  in opkomst zijnde neonicotinoïden. Zorgelijk vinden omwonenden dat behan-
  delde percelen vaak vrij toegankelijk zijn voor spelende kinderen. Een enkele
  omwonende wil weten of kinderen met astma extra risico lopen. Andere omwo-
  nenden worstelen met de vraag in hoeverre een plotselinge achteruitgang in de
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>gezondheid van ouderen samenhangt met het frequente gebruik van gewasbe-
schermingsmiddelen in de onmiddellijke omgeving.
    De omwonenden uiten ook hun zorgen over kanker. Ze vragen zich af of er
een verband bestaat tussen gevallen van kanker binnen het eigen gezin of een
verhoogde incidentie van kanker in de regio en het gebruik van gewasbescher-
mingsmiddelen in hun onmiddellijke omgeving. Deze zorg wordt gevoed door
het besef dat sommige gewasbeschermingsmiddelen, zoals captan, te boek staan
als (mogelijk of waarschijnlijk) carcinogeen.
    Daarnaast melden omwonenden geurhinder en vage, moeilijk te herleiden
klachten, zoals ontstekingen, vermoeidheid, irritatie van de luchtwegen, neusver-
stoppingen en angstgevoelens. Die laatste treden versterkt op tijdens bespuitin-
gen. Ook wijzen ze op incidenten waarbij omwonenden onwel werden, zoals
omwonenden van kassen in ’s Gravenzande door het insecticide deltamethrin in
oktober 2011. Gezondheidsklachten worden geregeld in verband gebracht met de
toepassing van vluchtige grondontsmettingsmiddelen, zoals metam-natrium. Dat
geldt vooral in extreme woonsituaties, waarbij woningen aan drie kanten door
akkerbouwpercelen omgeven zijn, en onder specifieke weersomstandigheden,
zoals windstil en nevelig weer. Omwonenden vinden dat het niet hun taak is om
gezondheidsklachten te inventariseren. Zij menen dat de overheid ervoor moet
zorgen dat mensen niet of zo min mogelijk aan ‘onvrijwillige’ risico’s worden
blootgesteld.
    Omwonenden signaleren geregeld onzorgvuldig en soms zelfs illegaal
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door agrariërs. Zij noemen onder meer
het verkeerd gebruik van spuitapparatuur, spuiten zonder scherm en bij te harde
wind, het in het veld achterlaten van lege verpakkingen en het gebruik van mid-
delen die niet toegelaten zijn. Hoewel omwonenden er niet aan twijfelen dat dit
bijdraagt aan de uiteindelijke schade, menen zij toch dat het geen pas geeft om de
zwarte piet eenzijdig bij landbouwers te leggen. Dat gaat immers voorbij aan de
intrinsieke schadelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien kunnen
agrariërs er weinig aan doen dat nog geruime tijd na de behandeling dampen
vanaf het perceel vrijkomen. Wel geven omwonenden aan dat contacten met
agrariërs nogal eens moeizaam verlopen en dat verzoeken om informatie over
bespuitingen niet worden ingewilligd. Ze zeggen behoefte te hebben aan direct
contact met de agrariër over diens gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en
de eventuele risico’s voor henzelf. Verder menen omwonenden dat de handha-
ving door de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA) en de water-
schappen tekort schiet.
    Omwonenden en milieuorganisaties geven aan in het verleden meerdere
malen te hebben aangedrongen op onderzoek naar blootstelling van en gezond-
Zorgen om en van omwonenden                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>      heidseffecten bij mensen die nabij percelen wonen waarop gewasbeschermings-
      middelen worden toegepast. Meten is immers weten, zo vinden zij. Zij vinden dat
      ze tot nu toe amper gehoor hebben gevonden. Omdat de kwaliteit van het opper-
      vlaktewater wel continu wordt gemonitord, hebben omwonenden het gevoel dat
      de gezondheid van watervlooien beter in de gaten wordt gehouden dan die van
      henzelf. Zij verwijzen naar het grootschalige onderzoek onder omwonenden dat
      momenteel in het Verenigd Koninkrijk wordt uitgevoerd. Zij achten dat leerzaam,
      maar niet representatief voor Nederland met zijn hoge bevolkingsdichtheid en
      zijn unieke bloembollenteelt met intensief gebruik van gewasbeschermingsmid-
      delen.
          Omwonenden en milieuorganisaties hebben een aantal wensen geuit. Ze wil-
      len objectieve informatie over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, de
      gevolgen van blootstelling voor de mens, in het bijzonder voor het (ongeboren)
      kind, en over de risico’s van stapeling van middelen. Ze willen een transparante
      afweging tussen economische en gezondheidsbelangen. Ze hebben behoefte aan
      informatie over hoe te handelen bij confrontatie met gewasbeschermingsmidde-
      len in de leefomgeving. Ze willen onderzoek onder omwonenden dat toegespitst
      is op de Nederlandse praktijk, onderzoek in eigen land dus. Ze eisen emissiebe-
      perkende maatregelen. Verder zouden ze graag zien dat de griendteelt voortaan
      onder de fruitteelt valt in plaats van onder de boomteelt, zodat ook daar spuitvrije
      zones gaan gelden. Ze wensen betere handhaving door NVWA en waterschappen
      en willen dat behandelde percelen afgesloten worden voor kinderen. Ook moeten
      er waarschuwingsicoontjes worden geplaatst bij behandelde percelen. Tot slot
      willen ze graag dat de Wet ruimtelijke ordening wordt gebruikt ter bescherming
      van de gezondheid.zie49
2.2.2 Perspectieven van de agrarische sector, fabrikanten en distributeurs
      In een gezamenlijke presentatie wijzen de landbouworganisaties (LTO, KAVB,
      NFO en CUMELA) erop dat hun leden met hun gezinnen en werknemers zelf
      veelal deel uitmaken van de groep van omwonenden. Een veilige werk- en leef-
      omgeving vinden zij dan ook zeer belangrijk. De landbouworganisaties willen
      graag onderscheid maken tussen emoties en feiten als het om de risico’s voor
      omwonenden gaat. Daarom hebben ze behoefte aan een ongekleurd en onafhan-
      kelijk advies. De incidentele gezondheidsklachten (vooral allergische reacties)
      van leden waarmee zij worden geconfronteerd, zijn altijd toepassergerelateerd en
      doorgaans het gevolg van huidcontact met onverdunde middelen. Zij hebben
      geen aanwijzingen voor gezondheidsklachten door blootstelling in de woon- of
      leefsituatie. Werknemers in de glastuinbouw en de loonwerksector ondergaan
 0    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>periodiek medisch onderzoek door de arbodienst Stigas. Urine- en bloedwaarden
blijven volgens de landbouworganisaties steeds binnen de norm.
    De landbouworganisaties wijzen op de reeds bestaande regelgeving. Het Col-
lege voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) toetst
de risico’s voor toepassers, werknemers en voorbijgangers. Verder zijn er onder
meer eisen voor driftreducerende technieken, teeltvrije zones langs watergangen,
specifieke middelvoorschriften en criteria in gemeentelijke bestemmingsplannen
voor afstanden tussen bebouwing en tuinbouwkassen of boomgaarden.
    Als nieuwe ontwikkelingen noemen de organisaties het Europese toetsings-
kader dat in de maak is en dat de risico’s voor omwonenden expliciet in beschou-
wing neemt bij de toelatingsbeoordeling. Verder vermelden zij het Nederlandse
actieplan duurzame gewasbescherming uit 2012. In het kader daarvan hebben de
landbouworganisaties zich bereid verklaard om driftreducerende technieken niet
alleen nabij watergangen toe te passen, zoals verplicht, maar perceelsbreed.
    De landbouworganisaties geven aan belang te hechten aan blootstellingson-
derzoek bij omwonenden. Zij hopen dat eenduidige, onafhankelijke en breed
geaccepteerde gegevens duidelijkheid zullen scheppen over de risico’s voor
omwonenden, de basis zullen vormen voor heldere communicatie en zullen bij-
dragen aan het vaststellen van een Europees toetsingskader. Als aandachtspunten
voor het blootstellingsonderzoek noemen zij een up-to-date gewasbeschermings-
praktijk als uitgangspunt, oog voor de variëteit aan land- en tuinbouwsituaties (in
verband met de representativiteit) en de herleidbaarheid van de bronnen van
blootstelling.
    Volgens de gezamenlijke landbouworganisaties is er behoefte aan onafhanke-
lijke informatie voor boeren en tuinders over mogelijkheden om risico’s voor de
omgeving te beperken en voor omwonenden over nut, noodzaak en risico’s van
gewasbescherming. Zij willen graag een goede communicatie tussen agrarische
ondernemers en omwonenden bevorderen en betreuren op de hoorzitting te moe-
ten vernemen hoe fout het soms nog kan gaan. Het Good Neighbour Initiative in
het Verenigd Koninkrijk zien zij als een lichtend voorbeeld. Sommige organisa-
ties hebben zelf al voorlichtingsmateriaal voor hun leden ontwikkeld dat een
goed contact met omwonenden moet bevorderen. De landbouworganisaties
geven aan graag de handschoen op te willen pakken.
De brancheorganisatie van fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen
(Nefyto) merkt op dat gewasbeschermingsmiddelen tot de best onderzochte en
strengst beoordeelde chemische producten behoren. De industrie is voortdurend
bezig met productinnovatie die ook gericht is op een toenemende veiligheid. De
fabrikanten menen dat de gezondheid van omwonenden niet expliciet, maar toch
Zorgen om en van omwonenden                                                         51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>  wel impliciet door de huidige toelatingsprocedure is gewaarborgd. De risicobe-
  oordeling richt zich immers op degenen die het langst en het hoogst zijn blootge-
  steld. Dat zijn degenen die de spuitvloeistof aanmaken en toedienen.
       Nefyto benadrukt dat de EFSA enkele jaren geleden heeft geoordeeld dat de
  huidige aanpak voor de beoordeling van de risico’s voor mensen die gewasbe-
  schermingsmiddelen toepassen, voor mensen die in behandelde gewassen wer-
  ken en voor omstanders tijdens de toepassing geen grote tekortkomingen
  vertoont. Wel acht de EFSA de methoden op een aantal punten nog niet helemaal
  bevredigend en komt daarom met voorstellen voor verbetering.
       In het Verenigd Koninkrijk en in Duitsland wordt sinds kort expliciet naar het
  risico voor omwonenden gekeken. Nefyto heeft van Duitse onderzoekers verno-
  men dat dit in de overgrote meerderheid van de evaluaties geen aanleiding gaf tot
  zorgen voor de gezondheid van omwonenden, omstanders en passanten. Alleen
  bij sommige toepassingen bleek verfijning of risicoreductie nodig, vooral bij
  meervoudige toepassingen. Nefyto concludeert dat de huidige risicobeoordeling
  risico’s voor omwonenden afdekt, maar ziet tevens in dat verfijningen in de risi-
  cobeoordeling voor omwonenden nadere aandacht verdienen. Via hun Europese
  koepelorganisatie ECPA pleiten de fabrikanten daarom voor een snelle totstand-
  koming van een Europese methodiek. De discussie moet volgens hen niet uit-
  monden in een eigen Nederlandse methode.
       In het Verenigd Koninkrijk heeft een uitvoerige discussie tussen diverse
  overheidsorganen geresulteerd in een zorgvuldige behandeling van het vraag-
  stuk. Daaruit is onder meer het Good Neighbour Initiative voortgekomen. Nefyto
  streeft samen met landbouworganisaties naar een versteviging van de communi-
  catie met omwonenden naar dat Britse model.
       Tot slot benadrukken de fabrikanten dat er tal van wettelijke bepalingen zijn
  die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in goede banen leiden en direct
  of indirect bijdragen aan de veiligheid voor omwonenden. Meewerken aan
  onderzoek naar geïntegreerde gewasbescherming en projecten voor emissie- en
  driftbeperking zien zij als vanzelfsprekend onderdeel van hun product ste-
  wardship.
  De brancheorganisatie Agrodis van de distributeurs van gewasbeschermingsmid-
  delen in Nederland wijst op diverse initiatieven vanuit de branche. Zo moeten
  handelaren in professionele gewasbeschermingsmiddelen gecertificeerd zijn.
  Afnemers moeten beschikken over een bewijs van vakbekwaamheid. De distri-
  buteur is een belangrijke bron van informatie voor de teler en Agrodis wil de
  adviseursfunctie verder versterken. Daarom heeft de organisatie een website over
  gewasbescherming gemaakt (www.gewasbescherming.nl). Samen met andere
2 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>    belanghebbenden heeft Agrodis het Convenant Duurzame Gewasbescherming
    ondertekend. In dat kader participeert de organisatie in diverse projecten (Ver-
    sterking Monitoringgegevens, Schone Bronnen, Telen met Toekomst en Schoon
    Water Brabant). Volgens Agrodis is op het gebied van gewasbescherming al heel
    veel goed geregeld in Nederland. De organisatie wijst op de toelatingsprocedure
    en de vele regels om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de praktijk
    in goede banen te leiden. Ook is er EU-regelgeving, zoals de richtlijn voor duur-
    zaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (richtlijn 2009/128/EG).
        Ten aanzien van de eventuele risico’s voor omwonenden ziet Agrodis graag
    een advies dat toegespitst is op de gezondheid van deze groep. Daartoe moet
    eerst informatie worden verzameld. Ze wil dat helder wordt wat beleving is en
    wat wetenschap. Ook wil ze inzicht krijgen in de omvang van de problematiek:
    gaat het om incidenten of betreft het een meer structureel probleem. Agrodis
    meent dat het aanbeveling verdient om in de nieuwe Nota Duurzame Gewasbe-
    scherming een aparte paragraaf te wijden aan omwonenden. De organisatie wijst
    erop dat de goede relaties tussen de diverse belanghebbenden op het gebied van
    gewasbescherming een uitstekende basis vormen voor de aanpak van het vraag-
    stuk. Mocht er nieuwe, objectieve informatie beschikbaar komen, dan is Agrodis
    in staat om die snel onder belanghebbenden te verspreiden, bijvoorbeeld via de
    genoemde website.
2.3 Conclusies
    Ongerustheid over gezondheidseffecten bij omwonenden van agrarische percelen
    door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is er al dertig jaar, in de eerste
    plaats bij omwonenden zelf. Zorgen spelen in diverse teelten en hangen samen
    met een hoog gebruik van middelen, met toedieningstechnieken die verspreiding
    naar de omgeving in de hand werken en met geringe afstanden tussen behandelde
    percelen en woningen. Bij sommige teelten worden wel minimumafstanden
    gehanteerd die zijn opgenomen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Onder-
    zoek naar de risico’s is in ons land vrijwel beperkt gebleven tot oriënterende
    modelberekeningen en wat analyses van monsters van lucht, bodem, water, huis-
    stof en moestuinen.
        Op een door de commissie georganiseerde hoorzitting blijkt dat omwonenden
    zich vooral zorgen maken om de gezondheid van hun kinderen en om kanker.
    Volgens hen worden in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen
    vooral de risico’s voor de toepassers beoordeeld. Bovendien blijft blootstelling
    aan combinaties van middelen buiten beschouwing. Omwonenden voelen zich
    niet altijd gehoord wanneer ze gezondheidsklachten of verkeerd gebruik van mid-
    Zorgen om en van omwonenden                                                       53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>  delen rapporteren. Ze hebben het gevoel dat leven in kavelsloten en watergangen
  meer bescherming geniet dan zijzelf.
      Agrariërs zien zichzelf als grote groep omwonenden. Met fabrikanten en dis-
  tributeurs wijzen zij erop dat er veel is gedaan om het gebruik van gewasbescher-
  mingsmiddelen veilig te maken. Ze werken voortdurend aan een verdere reductie
  van de uitstoot. Ze achten de risico’s voor omwonenden gering. Zorgen van
  telers betreffen meer de oprukkende bebouwing en daaruit voortvloeiende beper-
  kingen in de bedrijfsvoering. Ze willen echter graag de dialoog met omwonenden
  aangaan. Beoordelingsmethodieken voor risico’s van omwonenden zien zij graag
  op Europees niveau vastgesteld.
      Alle partijen hopen dat onafhankelijk onderzoek onder omwonenden duide-
  lijkheid zal verschaffen.
4 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre> oofdstuk 3
          Chemische gewasbescherming met
          oog voor de menselijke gezondheid
          Chemische gewasbeschermingsmiddelen zijn bedoeld ter bestrijding van plaag-
          organismen. Ze kunnen echter ook andere organismen schaden. Daarom zijn tal
          van maatregelen getroffen om een veilige inzet van deze middelen te bevorderen.
          Zo mogen alleen middelen op de markt worden gebracht die een uitvoerige toela-
          tingsprocedure hebben doorlopen. Hierin is veel aandacht voor risico’s voor de
          menselijke gezondheid die uit het voorgestelde gebruik van een middel kunnen
          voortvloeien. De commissie schetst kort de historische aanloop naar die proce-
          dure. Daarna gaat ze nader in op wat deze inhoudt. Vervolgens behandelt ze lacu-
          nes in de procedure en de internationale pogingen om ze te dichten. Aansluitend
          komen andere facetten van het gewasbeschermingsbeleid aan de orde, die erop
          gericht zijn het gebruik van de middelen in de praktijk in goede banen te leiden.
          Bijzondere aandacht gaat uit naar de betekenis van dit alles voor omwonenden.
3.1       Inleiding
          Zolang de mens landbouw bedrijft, probeert hij zijn gewassen te beschermen. Hij
          biedt ze beschutting tegen weer en wind. Wilde dieren weert of verjaagt hij om
          vraat en vertrapping te voorkomen. Onkruid dat zijn gewas dreigt te overwoeke-
          ren, wiedt hij. Kleinere plaagorganismen en ziekteverwekkers, zoals luizen,
          kevers, schimmels en aaltjes, gaat hij van oudsher te lijf met eenvoudige chemi-
          sche middelen als houtas, kalk, zwavel, arseen, metalen (koper, lood) en uit plan-
          ten gewonnen stoffen (nicotine, rotenon en pyrethrum). Met het grootschaliger
          Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                   55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>      en intensiever worden van de landbouw nam de behoefte aan chemische gewas-
      bescherming echter toe. De ontwikkelingen binnen de chemische wetenschap
      maakten de vervaardiging van krachtigere, synthetische preparaten mogelijk.
      Vooral na de Tweede Wereldoorlog heeft deze trend een hoge vlucht genomen.
      Tegenwoordig staat de agrariër een grote verscheidenheid aan chemische midde-
      len ter beschikking voor de bestrijding van schadelijke insecten, schimmels, aal-
      tjes en onkruid.
3.1.1 De eerste wet- en regelgeving
      Met het toenemend gebruik komt aan het licht dat deze chemische middelen ook
      schaduwzijden hebben. Plaagorganismen blijken resistentie te ontwikkelen en
      andere planten en dieren blijken onbedoeld schade te ondervinden. Zelfs de men-
      selijke gezondheid loopt gevaar. Vooral de verschijning in 1962 van het boek
      Silent spring van de Amerikaanse schrijfster en biologe Rachel Carson heeft
      sterk bijgedragen aan een groeiende bewustwording ten aanzien van de risico’s.10
      In Nederland verschijnt enkele jaren later een soortgelijk boek getiteld Zilveren
      sluiers en verborgen gevaren van Cornelis Jan Briejèr.11
           De behoefte ontstaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen via
      wetgeving in goede banen te leiden. In ons land wordt in 1962 de Bestrijdings-
      middelenwet van kracht. Aanvankelijk is deze alleen gericht op de werkzaam-
      heid van middelen, dat wil zeggen op de vraag of de middelen doen wat de
      fabrikant belooft. Spoedig echter wordt de wet uitgebreid met bepalingen die
      grenzen stellen ten aanzien van de risico’s voor mens en milieu. Vanaf dat
      moment mogen alleen nog middelen op de markt komen waarvan van te voren is
      vastgesteld dat ze aan alle werkzaamheids- en veiligheidseisen voldoen. Om
      daarvoor zorg te dragen roept de overheid de Commissie Toelating Bestrijdings-
      middelen in het leven. Deze gaat in 1993 over in het College voor de Toelating
      van Bestrijdingsmiddelen (CTB), dat in 2000 een zelfstandig uitvoeringsorgaan
      wordt. Fabrikanten die een middel op de markt willen brengen, moeten daartoe
      bij het CTB een aanvraag indienen. Zij dienen in een ‘wettelijk gebruiksvoor-
      schrift’ nauwkeurig aan te geven voor welke gewassen het middel is bedoeld en
      tegen welke ziekten of plagen en hoe het middel effectief en veilig is toe te pas-
      sen. De aanvraag moet vergezeld gaan van een lijvig en precies omschreven dos-
      sier van gegevens waarop de toelatende instantie haar oordeel kan baseren. In
      andere westerse landen zijn vergelijkbare ontwikkelingen te zien. Mede door de
      steeds strenger wordende eisen heeft het bedrijfsleven veel aan productinnovatie
      gedaan en doet dat nog steeds.50(zie ook http://www.nefyto.nl/Thema-s/Innova-
      tie , geraadpleegd op 27-11-2013) Er is de afgelopen 50 jaar dan ook veel bereikt
 6    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>      op het gebied van veiligheid. Moderne gewasbeschermingsmiddelen zijn selec-
      tiever en beter afbreekbaar en hopen zich niet meer op in het lichaam van mens
      en dier.
3.1.2 Europese harmonisatie
      Met de vorming van de Europese Unie ontstaat er een toenemende behoefte aan
      onderlinge harmonisatie, zowel bij de overheden van de lidstaten als bij belang-
      hebbende partijen. Ze willen handelsbelemmeringen voorkómen, zaken efficiënt
      aanpakken en onnodige verschillen tussen lidstaten wegnemen. Uit overwegin-
      gen van fairness moeten voor iedereen dezelfde regels gelden (level playing
      field). Inmiddels is de hele wetgeving en het toelatingsbeleid vergaand geharmo-
      niseerd. Maatgevend is nu de Europese Verordening (EG) 1107/2009.51 Deze is
      in 2011 in de plaats gekomen van de Europese Gewasbeschermingsrichtlijn 91/
      414/EEG uit 1991.52 Ter implementatie van de Europese regels in de Neder-
      landse wetgeving is de Bestrijdingsmiddelenwet uit 1962 in 2007 vervangen
      door de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) en het CTB heet
      sindsdien het Ctgb.4 In december 2011 is de Nederlandse wet aangepast aan Ver-
      ordening 1107/2009.
          Gewasbeschermingsmiddelen zijn tegenwoordig doorgaans mengsels van
      stoffen (zogeheten formuleringen). Naast een werkzaam bestanddeel (dat veelal
      het plaagorganisme doodt) bevatten ze meestal meerdere hulpstoffen. Lidstaten
      mogen tegenwoordig alleen nog gewasbeschermingsmiddelen toelaten waarvan
      het werkzame bestanddeel op een positieve lijst van de EU staat. Plaatsing van
      werkzame bestanddelen op die positieve lijst is een EU-aangelegenheid waarbij
      nationale toelatingsinstanties uitvoerig worden betrokken. Deze plaatsing
      gebeurt op basis van een uitgebreid dossier dat de fabrikant moet aanleveren. De
      toelating van geformuleerde, commerciële producten, de gewasbeschermings-
      middelen, blijft een taak van nationale toelatingsinstanties. Daarbij geldt dat de
      Europese Unie tegenwoordig in drie zones is verdeeld: noord, midden en zuid.
      Nederland zit met zijn buurlanden in de middelste. Bij kasteelten hanteert men
      één zone. Als een gewasbeschermingsmiddel door een land wordt toegelaten,
      moet het in beginsel ook door de andere landen in dezelfde zone worden toegela-
      ten. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk als bijzondere, nationale omstan-
      digheden dat rechtvaardigen. De werkzame stoffen op de positieve lijst, en
      daarmee ook de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, worden periodiek – ten
      minste elke tien jaar – opnieuw beoordeeld, omdat in de toelatingsprocedure
      gebruikte testprotocollen regelmatig aan de nieuwste inzichten worden aange-
      Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                   57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>      past. Als de praktijk onvermoede schadelijke effecten van middelen aan het licht
      brengt, wordt de toelating zo spoedig mogelijk herzien.
3.1.3 Globaal overzicht van de omvang van gebruik in diverse teelten in Neder-
      land
      Het jaarlijkse gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de Nederlandse land-
      en tuinbouw bedraagt tegenwoordig ruim 8 miljoen kg werkzame stof (zie bij-
      lage G).3 De trend is licht dalend. Omdat het landbouwareaal min of meer gelijk
      is gebleven, is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per hectare land-
      bouwgrond de laatste jaren dus iets afgenomen. Gemiddeld bedraagt dat nu een
      kleine 5 kg/ha/j, maar het verschil tussen de diverse teelten is groot. Op grasland
      voor de veehouderij wordt jaarlijks nog geen kilogram per hectare per jaar toege-
      diend. In de bloembollenteelt is dat ongeveer 75 kg. Daar vindt op een relatief
      klein landbouwareaal (ruim 1 procent van het totale areaal) bijna 20 procent van
      het gebruik plaats. Andere teelten die een relatief intensief gebruik van gewasbe-
      schermingsmiddelen vragen zijn de sierteelt onder glas (bijna 50 kg/ha/j) en de
      fruitteelt (40 kg/ha/j).
           Door allerlei emissiebeperkende maatregelen is de uitstoot naar het milieu de
      afgelopen tien jaren met 30 tot 50 procent teruggebracht. Toch verlaat gemiddeld
      – het varieert per gewasbeschermingsmiddel en toedieningswijze – nog circa 10
      procent van de toegediende hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen het per-
      ceel en komt in de lucht, het oppervlaktewater of het grondwater terecht.3 De
      emissie naar de lucht is veel groter dan die naar het grond- en het oppervlaktewa-
      ter. Deze hoeveelheid is de som van een aantal verschillende routes, zoals ver-
      vluchtiging tijdens het spuiten in de open teelt, vervluchtiging vanaf de plant en
      vanaf de bodem na de toediening (open teelt) en emissie vanuit de kas. Bepa-
      lende factoren zijn vooral de vluchtigheid van de stof, de toepassingswijze en het
      weer tijdens en na de toediening. De concentraties in de lucht worden doorgaans
      echter snel lager met een toenemende afstand van de bron, vanwege de optre-
      dende grote verdunning. Bovendien geldt voor de meeste stoffen dat ze in de
      lucht vrij snel worden afgebroken. De halfwaardetijd bedraagt doorgaans minder
      dan twee dagen. Dit alles betekent niet dat verdunning en afbraak in de buurt van
      een behandeld perceel altijd tot lage concentraties in de lucht leiden. Verdunning
      heeft op korte afstand van de bron nauwelijks effect en afbraak heeft tijd nodig.
      Vooral onder stabiele weersomstandigheden is de verdunning beperkt en kunnen
      de concentraties rond een behandeld perceel tijdelijk sterk oplopen.
 8    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>3.2   Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure
3.2.1 Een zorgvuldige en veelomvattende beoordeling
      De beoordeling van de risico’s voor de menselijke gezondheid vormt een belang-
      rijk onderdeel van de toelatingsprocedure. Tijdens de hoorzitting is de commissie
      gebleken dat de kennis daarover bij omwonenden, en mogelijk ook bij andere
      partijen, beperkt is. Daarom bespreekt de commissie in bijlage H uitvoeriger hoe
      die beoordeling plaatsvindt. Hieronder volstaat ze met een grafische voorstelling
      (figuur 1) en een beknopte beschrijving van de essentie.
           De beoordeling van risico’s is gericht op alle personen die tijdens of na het
      gebruik met een middel in aanraking kunnen komen. Het gaat in nagenoeg alle
      gevallen om ‘onvrijwillige’ blootstelling. Dat geldt evenzeer voor de toepasser
      zelf, die blootstelling behoort te vermijden. Behalve op de beroepsmatige of par-
      ticuliere toepasser is de beoordeling ook gericht op mensen die tijdens de toepas-
      sing in de buurt (agrarische) werkzaamheden verrichten, de beroepsmatige
      omstanders en passanten (tussen deze twee wordt geen onderscheid gemaakt).
      Ook de risico’s voor mensen die enige tijd na de toepassing in het behandelde
      gewas handelingen moeten verrichten krijgen aandacht. Als het om gewassen
      gaat die voor menselijke consumptie zijn bestemd, worden bovendien de risico’s
      voor consumenten beoordeeld. In het gewas kunnen namelijk kleine sporen
      gewasbeschermingsmiddel (de residuen) achterblijven. Waar nodig wordt reke-
      ning gehouden met verschillen tussen mannen en vrouwen.
           Onder de toepassers, werkers in behandeld gewas, beroepsmatige omstanders
      en passanten en consumenten kunnen zich zwangere vrouwen bevinden. Daarom
      worden ook de risico’s voor het ongeboren kind beoordeeld. Bij de beoordeling
      van de risico’s voor consumenten wordt bovendien apart gekeken naar de risico’s
      voor (jonge) kinderen. Anders dan bij volwassenen zijn organen en orgaansyste-
      men bij ongeboren en jonge kinderen nog volop in ontwikkeling. Vooral de aan-
      leg en rijping van het centrale zenuwstelsel, het immuunsysteem en hormonale
      systemen zijn complexe processen die zich deels uitstrekken tot voorbij de
      pubertijd. Chemische stoffen kunnen deze ontwikkelingsprocessen verstoren,
      wat mogelijk blijvende gezondheidsschade tot gevolg heeft. Daarnaast hebben
      vooral jonge kinderen andere consumptiepatronen, waardoor ook hun blootstel-
      ling kan afwijken.
           De binnen de Europese Unie grotendeels geharmoniseerde procedure voor-
      ziet in de afleiding van gezondheidskundige grenswaarden (A(O)EL, ADI,
      ARfD, zie figuur 1). Bij blootstellingen beneden die niveaus zijn op basis van
      Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                   59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>  alle beschikbare kennis bij mannen, vrouwen en kinderen geen gezondheidsef-
  fecten te verwachten. De waarden zijn afgeleid uit de resultaten van onderzoek
  met proefdieren, omdat proeven met mensen om ethische redenen niet mogelijk
  zijn. De vele dierproeven zijn erop gericht alle denkbare gezondheidseffecten te
  bestrijken die op korte of lange termijn door eenmalige of herhaalde blootstelling
  kunnen optreden. Om tot grenswaarden voor de mens te komen wordt een extra
  veiligheids- of onzekerheidsmarge (factor 10) ingebouwd. Daar bovenop wordt
  een extra marge (nog een factor 10) ingebouwd, zodat de grenswaarden ook gel-
  den voor mensen die om welke reden dan ook bijzonder gevoelig zijn.
       De aldus verkregen gezondheidskundige grenswaarden worden gelegd naast
  de geschatte blootstelling van toepassers, werkers in behandeld gewas, omstan-
  ders, passanten en consumenten. Er wordt zowel naar kortdurende piekblootstel-
  lingen gekeken als naar langdurige, doorgaans lagere blootstellingen. De
  schattingen worden gemaakt met behulp van rekenmodellen. Als de becijferde
  blootstelling voor alle groepen onder de gezondheidskundige grenswaarden
  blijft, wordt het betreffende middel toegelaten. Bij twijfel kunnen eventueel aan-
  vullende onderzoeken of meer verfijnde blootstellingsberekeningen volgen. Als
  die de twijfel niet wegnemen, wordt het middel niet toegelaten.
       Een aparte beoordeling van de risico’s voor omwonenden maakt in ons land
  nog geen deel uit van de toelatingsprocedure. Een uitzondering vormen de
  risico’s voor omwonenden van kassen die Nederland met een nationale methode
  beoordeelt. De risico’s van niet-beroepsmatige omstanders en passanten, waar-
  onder zich kinderen kunnen bevinden, neemt ons land evenmin in beschouwing
  bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Het accent van de beoordeling
  ligt dus, zoals omwonenden en milieuorganisaties tijdens de hoorzitting ver-
  moedden, op de risico’s voor agrarische beroepsbeoefenaren. Toch betekent dit
  volgens de commissie niet dat omwonenden en niet-beroepsmatige omstanders
  en passanten (inclusief kinderen) in Nederland geheel onbeschermd zijn. De
  begrenzing van de risico’s voor toepassers, werkers, beroepsmatige omstanders,
  consumenten en voor het milieu biedt impliciet ook aan omwonenden en niet-
  beroepsmatige omstanders en passanten enige mate van bescherming. Dat neemt
  niet weg dat de commissie het mogelijk acht dat mensen uit deze groepen risico
  lopen, vooral in bijzondere situaties waar een hoge gevoeligheid en hoge bloot-
  stelling samenkomen.
0 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Figuur 1a Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen;
e beschermen groepen en gezondheidskundige grenswaarden.
           Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                                  61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Figuur 1b Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen;
 fleiding van gezondheidskundige grenswaarden.
 2           Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Figuur 1c Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen;
 chatting van de blootstelling en vergelijking met gezondheidskundige grenswaarden.
             Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                                63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>           Altijd geldt dat het door de fabrikant voorgestelde gebruik het uitgangspunt
      vormt van de beoordeling. Een toelating betekent dat het om een geschikt middel
      gaat, dat wil zeggen dat naar beste vermogen is vastgesteld dat er op een effec-
      tieve én veilige manier plagen mee kunnen worden bestreden. Om ervoor te zor-
      gen dat dit in de praktijk ook gebeurt, zijn aanvullende maatregelen van kracht.
      In de paragrafen 3.3 gaat de commissie hier nader op in.
3.2.2  Verbetering van de beoordelingsmethoden
      In internationaal verband werkt men voortdurend aan verdere verbeteringen van
      de beoordelingsmethodieken. Nieuwe wetenschappelijke inzichten en ervaringen
      uit de praktijk vormen daarvoor de basis. De toelatingsprocedure is een bouw-
      werk dat nooit af is. Als de samenleving de ontwikkeling van gewasbescher-
      mingsmiddelen economisch rendabel wil houden, kan ze de veiligheidseisen
      echter ook niet onbeperkt aanscherpen. Er dient een balans te worden gevonden
      tussen de menselijke gezondheid, het milieu en andere maatschappelijke belan-
      gen, zoals de productie van voedsel. Waar de juiste balans ligt en hoe veilig vei-
      lig genoeg is, is een politieke kwestie. De commissie bespreekt hierna een aantal
      recente ontwikkelingen.
      Betere opsporing van effecten op het ongeboren kind
      Enkele jaren geleden constateerde de Gezondheidsraad dat, alle inspanningen ten
      spijt, sommige effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de ontwikkeling
      van het jonge proefdier – en daarmee van het (ongeboren) kind – in de toelatings-
      procedure onopgemerkt kunnen blijven.53 Dat betreft vooral effecten op het
      zenuwstelsel, het immuunsysteem en het hormonale systeem.54-56 De schade die
      dan ontstaat, is vaak blijvend en kan zich soms zelfs over toekomstige generaties
      uitstrekken. Binnen het internationale beleid voor chemische stoffen wordt
      daarom nu overwogen om de gangbare dierproef die dergelijke effecten zou
      moeten opsporen57, te vervangen door een nieuw ontwikkelde test met een ver-
      beterd opsporingsvermogen58. In deze nieuwe test worden minder proefdieren
      gebruikt, maar wel meer parameters gemeten die informatie kunnen opleveren
      over eventuele effecten op de ontwikkeling van de genoemde orgaansystemen.59
      Eind 2012 heeft de Gezondheidsraad in een briefadvies geoordeeld dat de
      nieuwe test de voorkeur geniet boven de oude en aanbevolen om hem in de
      (internationale) toelatingsprocedure voor chemische stoffen (REACH) in te voe-
      ren.60 Bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in de EU mag de nieuwe
      test inmiddels worden gebruikt, maar geldt (nog) geen voorkeur ten opzichte van
 4    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>de oude test. Zeer recent heeft ook de EFSA gepleit voor een verbetering van de
strategie voor de opsporing van effecten van gewasbeschermingsmiddelen op het
zich ontwikkelend zenuwstelsel.61
Aanpassing van de risicobeoordeling voor toepassers, werkers, omstanders en
omwonenden
Onlangs heeft het EFSA Panel on Plant Protection Products and their Residues
(EFSA-PPR panel) de risicobeoordelingsprocedure voor toepasser, werkers,
omstanders en omwonenden binnen de Europese Unie tegen het licht gehouden.8
Volgens het EFSA-PPR panel zijn er geen tekenen dat de huidige methoden voor
risicobeoordeling voor deze groepen van personen grote tekortkomingen verto-
nen. Toch vindt het panel de huidige methoden niet helemaal bevredigend: voor
sommige blootstellingssituaties zijn weinig meetgegevens beschikbaar voor de
onderbouwing van modelberekeningen, voor andere situaties zijn meerdere
modellen beschikbaar die tot verschillende uitkomsten leiden en de piekbloot-
stelling van genoemde groepen kan met de gangbare aanpak worden onderschat.
Daarom komt het panel met een aantal voorstellen voor aanpassing.
     De meest in het oog springende aanpassing die het EFSA-PPR panel bepleit
is dat er naast een gezondheidskundige grenswaarde voor chronische blootstel-
ling ook een waarde wordt vastgesteld voor piekblootstellingen van toepassers,
werkers en omstanders, vergelijkbaar met de ARfD voor consumenten. Deze
acute A(O)EL (AA(O)EL) zou dan moeten worden vastgesteld voor alle gewas-
beschermingsmiddelen met een hoge acute toxiciteit, dat wil zeggen met het ver-
mogen om met één korte, hoge blootstellingspiek schade aan de gezondheid te
berokkenen. Voor omwonenden hoeft zo’n beoordeling volgens het panel niet
apart plaats te vinden, omdat de acute risico’s voor hen worden afgedekt door de
beoordeling van de acute risico’s voor omstanders. Omgekeerd hoeven de
risico’s van langdurige blootstelling niet apart voor omstanders beoordeeld te
worden, omdat die (indien überhaupt nodig) worden afgedekt door de beoorde-
ling van de risico’s van chronische blootstelling van omwonenden.
     Verder constateert het panel dat er weinig meetgegevens zijn over de bloot-
stelling van omstanders en omwonenden en dat er ook geen gestandaardiseerde
en gevalideerde methoden zijn voor het modelmatig schatten van de blootstelling
van beide groepen. Verschillende landen hanteren verschillende benaderingen.
Het panel doet voorstellen voor een uniforme aanpak. Voor de schatting van de
blootstelling van omstanders en omwonenden raadt het EFSA-panel aan vier
belangrijk geachte blootstellingsroutes in beschouwing te nemen (directe bloot-
stelling aan spuitnevel, directe blootstelling aan dampen, blootstelling door
Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>  betreding van behandelde percelen en indirecte blootstelling via contact met
  gecontamineerde oppervlakken) en de blootstelling via deze routes op te tellen.
  In de voorstellen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het feit dat onder
  omstanders en omwonenden kinderen kunnen zijn. Het verschil tussen de risico-
  schatting voor omstanders en omwonenden zit hem voornamelijk in het feit dat
  voor omstanders gekeken wordt naar de risico’s van korte, relatief hoge bloot-
  stellingspieken en voor omwonenden vooral naar de meer chronische blootstel-
  ling.
      Vanwege het gebrek aan gestandaardiseerde en gevalideerde methoden voor
  het schatten van de blootstelling van omstanders en omwonenden zijn in Europa
  enkele projecten gestart. In het Verenigd Koninkrijk is het Bystander and Resi-
  dent Exposure Assessment Model (BREAM) project inmiddels afgesloten.62,63
  Een opvallende bevinding was dat de blootstelling van omstanders en omwonen-
  den via verwaaiende spuitnevel in sommige situaties wel tien maal hoger kan
  zijn dan tot nu toe werd verondersteld. Het door de EU gefinancierde Bystanders
  Residents Operators and WorkerS Exposure (BROWSE) project is begin 2011
  gestart en loopt door tot medio 2014 (https://secure.fera.defra.gov.uk/browse/
  index.cfm). Nederland participeert daarin. Er zijn nog geen resultaten gepubli-
  ceerd. Tot slot loopt in het Verenigd Koninkrijk een onderzoek naar de aanwezig-
  heid van (afbraakproducten van) gewasbeschermingsmiddelen in de urine van
  omwonenden.9 Doel is om de huidige schatting van de blootstelling van omwo-
  nenden in de Britse toelatingsprocedure te verifiëren. De resultaten van het
  onderzoek worden in 2014 verwacht.
      In hoofdstuk 7 gaat de commissie nader in op de vraag in hoeverre met de
  voorstellen van het EFSA-panel de gesignaleerde lacune in de nationale toela-
  tingsprocedure te dichten is.
  Lokale effecten en sensibilisatie
  In de risicobeoordeling voor de menselijke gezondheid ligt sterk de nadruk op
  het opsporen en voorkómen van ‘systemische’ effecten. Dat zijn gezondheidsef-
  fecten die optreden nadat een stof door het lichaam is opgenomen en zich door
  het lichaam heeft verspreid. Voor lokale effecten op de plaatsen waar het lichaam
  direct met een stof in aanraking komt, zoals huid-, oog- en luchtwegirritaties, en
  sensibilisatie die daar eventueel uit kan voortvloeien64, is maar beperkt aandacht
  in de procedure. De A(O)EL is een systemische waarde. De resultaten van het
  onderzoek naar irritatie en sensibilisatie dat in de toelatingsprocedure plaats-
  vindt, worden dan ook vooral gebruikt ter bepaling van de risico- en veiligheids-
  zinnen die op de verpakkingen moeten worden vermeld. Toepassers en werkers
6 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>dienen zich te beschermen tegen lokale effecten door het gebruik van persoon-
lijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen. Van niet-beroepsmatige
omstanders en passanten en van omwonenden kan dat niet worden verwacht. Zij
kunnen dus worden blootgesteld aan sensibiliserende stoffen. Daarbij moet wel
worden aangetekend dat de sensibiliserende werking afneemt naarmate een mid-
del sterker is verdund. Een in de landbouw gebruikt gewasbeschermingsmiddel
wordt vóór het verspuiten doorgaans meer dan honderd maal verdund. Dat ver-
kleint de kans dat blootstelling van omwonenden of omstanders aan de spuitne-
vel leidt tot overschrijding van de drempelwaarde voor sensibilisatie.
Blootstelling aan meerdere stoffen tegelijk
De beoordeling van de risico’s voor de mens in het kader van de toelating
gebeurt, uitzonderingen daargelaten, per middel. Mensen kunnen echter min of
meer gelijktijdig aan meerdere stoffen worden blootgesteld. Dat kan bijvoor-
beeld het geval zijn als verschillende middelen kort na elkaar worden toegepast.
Voedselgewassen bevatten geregeld residuen van meerdere middelen, een uit-
vloeisel van maatregelen om resistentieontwikkeling bij plaagorganismen tegen
te gaan.
    De gezondheidskundige betekenis van zo’n gecombineerde blootstelling
hangt af van hoe de stoffen zich onderling verhouden. 65-67 Meerdere stoffen kun-
nen via hetzelfde werkingsmechanisme, bijvoorbeeld de remming van één
bepaald enzym in het lichaam, een effect uitoefenen. De betekenis voor de
gezondheid is in dat geval te schatten door de afzonderlijke blootstellingsni-
veaus, gewogen naar de mate waarmee ze de betreffende werking uitoefenen, te
sommeren (dosisadditie). Stoffen kunnen ook via verschillende werkingsmecha-
nismen uiteindelijk toch eenzelfde effect uitoefenen. Dan is het gezamenlijke
effect af te leiden uit de som van de afzonderlijke effecten (effectadditie). In
beide genoemde gevallen werken de diverse stoffen in wezen onafhankelijk van
elkaar. Stoffen kunnen elkaars werking echter ook beïnvloeden. Een mogelijk-
heid is dat de ene stof de concentratie van een andere stof in het lichaam ver-
hoogt door de opname van die stof in het lichaam te bevorderen of door de
afbraak en uitscheiding van die stof te remmen. Tot slot kan een stof de eigen-
lijke werking van een andere stof versterken. In beide laatste gevallen spreekt
men van synergie. Bij antagonisme is het omgekeerde het geval. In geval van
synergie en antagonisme zijn er geen eenvoudige rekenregels om de gecombi-
neerde invloed van stoffen te schatten; die kan alleen proefondervindelijk wor-
den bepaald. Synergie is vermoedelijk een zeldzaam verschijnsel.66-68
Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                  67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>       Voor de risicobeoordeling bij gewasbeschermingsmiddelen lijkt vooral de
  eerste vorm van combinatietoxiciteit (stoffen met eenzelfde werkingsmecha-
  nisme) relevant. Er zijn immers veel middelen op de markt met eenzelfde wer-
  kingsmechanisme. Een voorbeeld vormt de groep van de organofosfaten,
  neurotoxische insecticiden die allemaal het enzym acetylcholinesterase remmen.
  Ook al blijft de blootstelling aan elk afzonderlijk gewasbeschermingsmiddel
  beneden de gezondheidskundige grenswaarde, dan nog kan de gezamenlijke wer-
  king van alle middelen zo sterk zijn dat schadelijke effecten optreden. Voor
  andere groepen van middelen geldt iets soortgelijks. Een toelatingsprocedure die
  gebaseerd is op de beoordeling van individuele gewasbeschermingsmiddelen,
  kan dan ook tot een onderschatting van risico’s leiden.
       In de EU schrijft de verordening voor het op de markt brengen van gewasbe-
  schermingsmiddelen voor dat rekening wordt gehouden met de blootstelling aan
  meer dan één middel.51 De beoordeling van de risico’s door blootstelling aan
  meer dan één gewasbeschermingsmiddel duidt men wel aan als ‘cumulatieve
  risicobeoordeling’.69 Men is druk bezig om hiervoor de benodigde, complexe
  methodologie te ontwikkelen70, onder meer in het ACROPOLIS-project71. De
  inspanningen zijn in eerste instantie vooral gericht op blootstelling via de voe-
  ding, dus van consumenten.72-74 De ontwikkeling van de methodologie voor de
  cumulatieve risicobeoordeling ten behoeve van toepassers, werkers, omstanders
  en omwonenden is amper begonnen.75
  Blootstelling vanuit meerdere bronnen en langs verschillende routes
  Mensen kunnen vanuit meerdere bronnen en langs verschillende wegen met
  dezelfde gewasbeschermingsmiddelen in contact komen: als consument via de
  voeding, als beroepsmatige toepasser of werker, als omstander of omwonende of
  als particulier toepasser in huis en tuin. Voor elk van deze situaties worden de
  risico’s afzonderlijk beoordeeld. Dat het in alle gevallen om dezelfde persoon
  kan gaan, blijft deels buiten beschouwing. Daar komt nog bij dat stoffen die als
  werkzaam bestanddeel in gewasbeschermingsmiddelen zitten tevens in andere
  producten kunnen zitten, zoals biociden, diergeneesmiddelen, geneesmiddelen
  en cosmetica. Deze producten vallen onder andere wettelijke regimes en hun vei-
  ligheid wordt apart beoordeeld. Al deze toepassingen kunnen echter bijdragen
  aan de blootstelling aan dezelfde stof. Beoordeling van de risico’s door blootstel-
  ling aan één stof vanuit alle bronnen en via alle routes wordt ‘geaggregeerde risi-
  cobeoordeling’ genoemd.69 Ook hier geldt dat de benodigde methodologie nog in
  ontwikkeling is.71,75
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>3.3   Beleid gericht op een veilig en duurzaam gebruik
3.3.1 Wet- en regelgeving die het gebruik regelt
      In aanvulling op de toelatingsprocedure regelt de Wet gewasbeschermingsmidde-
      len en biociden (Wgb) een aantal andere zaken die een effectieve en veilige inzet
      van deze middelen in de praktijk moet bevorderen. Zo moeten degenen die
      beroepsmatig gewasbeschermingsmiddelen toepassen in het bezit zijn van een
      bewijs van vakbekwaamheid, vroeger spuitlicentie geheten. Deze is vijf jaar gel-
      dig. Voor verlenging is regelmatige bijscholing vereist. Op verpakkingen van
      gewasbeschermingsmiddelen staat het wettelijk gebruiksvoorschrift. Dat ver-
      meldt voor welke toepassingen en hoe het middel mag worden gebruikt. Ook
      staan er risico- en veiligheidszinnen op die de gebruiker informatie verschaffen
      over gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu en over de te nemen
      maatregel om zich daartegen te wapenen. Daartoe behoort onder meer het gebruik
      van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen of adembescher-
      ming. Voor werkers in behandeld gewas kunnen termijnen voor herbetreding gel-
      den. Deze zijn voor jongeren extra lang vanwege een mogelijk hogere
      gevoeligheid. Daarnaast schrijft de wet voor dat spuitapparatuur periodiek wordt
      gecontroleerd en zijn emissiereducerende spuitdoppen voorgeschreven. Voorts
      moet de teler een gewasbeschermingsplan opstellen en een logboek bijhouden,
      waarin precies staat vermeld welke middelen, wanneer, in welke hoeveelheden en
      op welke percelen zijn gebruikt. Tot slot worden er veiligheidseisen gesteld aan
      de opslag van gewasbeschermingsmiddelen en de afvoer van restanten en lege
      verpakkingen.
           Behalve de Wgb is ook de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing op
      agrarische bedrijven. Deze verplicht bedrijven met personeel tot een risico-
      inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Dat is een overzicht van arbeidsveiligheids-
      risico’s in een bedrijf en een plan van aanpak voor het minimaliseren van die
      risico’s. Het spreekt vanzelf dat in een agrarisch bedrijf de omgang met gewasbe-
      schermingsmiddelen een onderdeel vormt van een RI&E. Tot slot hebben bedrij-
      ven ook nog te maken met diverse wetten op milieugebied. De Inspectie SZW, de
      NVWA en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) zien toe op de naleving
      van de diverse wetten.
      Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                  69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>3.3.2 Duurzame gewasbescherming
      Hoe goed de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ook gere-
      geld zijn, het blijven gevaarlijke stoffen. Om die reden streeft de Nederlandse
      overheid de laatste jaren naar verduurzaming van de gewasbescherming. Onder
      een duurzame gewasbescherming verstaat ze een gewasbescherming die de
      voedselproductie veilig stelt door een effectieve beheersing van ziekten en pla-
      gen, waarbij tegelijkertijd de risico’s voor de menselijke gezondheid, de natuur
      en het milieu worden geminimaliseerd.
           Om deze verduurzaming te bewerkstelligen is het in aanvulling op de reeds
      geschetste veiligheidsmaatregelen nodig om de chemische gewasbescherming in
      te bedden in de zogenoemde ‘geïntegreerde’ gewasbescherming. Dat is een veel
      bredere aanpak ter beheersing van ziekten en plagen. Die begint met preventieve
      maatregelen ter voorkoming van ziekten en plagen. Daarbij valt onder meer te
      denken aan standplaatsoptimalisatie, teeltwisseling en rassen met een verhoogde
      resistentie. Steken ziekten en plagen toch de kop op, dan krijgen mechanische
      (bijvoorbeeld wieden), fysische (bijvoorbeeld stomen of branden) en biologische
      bestrijdingsmethoden (bijvoorbeeld natuurlijke vijanden van plaagorganismen)
      prioriteit. De inzet van chemische gewasbescherming wordt dan zo veel mogelijk
      beperkt. Moeten deze middelen worden toegepast, dan kan de agrariër kiezen
      voor middelen die het minst belastend zijn voor het milieu. De ‘milieumeetlat’
      biedt hem daarbij (enig) houvast (zie www.milieumeetlat.nl).76 Wel is dit instru-
      ment nog amper toegesneden op de menselijke gezondheid.
           In 2003 heeft de overheid met een groot aantal betrokken partijen het Conve-
      nant Duurzame Gewasbescherming afgesloten ter bevordering van de geïnte-
      greerde gewasbescherming. Een jaar later publiceerde het toenmalige ministerie
      van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de Nota Duurzame Gewasbescherming
      met kwantitatieve beleidsdoelen tot 2010 op het gebied van de ecologische kwa-
      liteit van het oppervlaktewater, voor de drinkwaterwinning, voor de overschrij-
      ding van residunormen in voedsel en voor de arbeidsveiligheid.77 Dit alles sluit
      naadloos aan bij de ontwikkelingen in Europa. De recente EU-richtlijn Duur-
      zaam Gebruik Pesticiden78 verplicht de lidstaten om vanaf 2012 een Nationaal
      Actieplan Duurzame Gewasbescherming op te stellen en aan de Europese Com-
      missie voor te leggen. Nederland heeft daaraan voldaan.79
 0    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>3.3.3 Evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid
      Begin 2012 is de Evaluatie van de Nota Duurzame Gewasbescherming versche-
      nen.80 Daarin is nagegaan in hoeverre de geformuleerde beleidsdoelen zijn
      gehaald. De doelstellingen op milieugebied, vooral op het gebied van de water-
      kwaliteit, blijken maar zeer ten dele te zijn gehaald3, maar die op het gebied van
      voedselveiligheid ruimschoots.81 Toetsing aan gezondheidskundige grenswaar-
      den laat zien dat het voedsel veiliger is geworden.
           Op het gebied van de arbeidsveiligheid zijn de beleidsdoelen niet gehaald.82
      Zo heeft niet elk bedrijf met één of meerdere werknemers de verplichte RI&E
      uitgevoerd, wat wel het streven was. Op de meeste bedrijven is de RI&E wel uit-
      gevoerd, maar wordt ze in de praktijk nauwelijks actief gebruikt. Bovendien is ze
      meestal onvolledig. Vrijwel geen enkel bedrijf voert de verplichte beoordeling
      uit van de blootstelling (aard, mate en duur) van werknemers aan gewasbescher-
      mingsmiddelen. Agrariërs dienen daartoe ook geen verzoek in bij een arbodienst,
      ook niet bij Stigas, de arbodienst die specifiek gericht is op de agrarische sector.
      De telers geven aan voor een dergelijke beoordeling de kennis te missen. Overi-
      gens achten zij zo’n beoordeling overbodig, omdat bij de toelating is vastgesteld
      dat de middelen bij gebruik volgens de voorschriften geen onaanvaardbare
      risico’s opleveren voor toepasser, werker en omstander. Volgens de opstellers
      van het evaluatierapport gaan telers echter voorbij aan het feit dat een toelating
      een generieke beoordeling behelst. In de RI&E kunnen en moeten bedrijfsspeci-
      fieke omstandigheden worden meegenomen, zoals de blootstelling aan meerdere
      middelen. Ook kan een volledige RI&E stimuleren tot een vergelijking van mid-
      delen vanuit veiligheidsoogpunt en tot maatregelen bij de bron.
           De voorlichting over de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmid-
      delen behoeft verbetering, constateren de opstellers van het evaluatierapport.82
      Niet alle telers geven naar eigen zeggen voorlichting aan hun personeel en veel
      medewerkers zeggen nooit voorlichting te krijgen. Een knelpunt is dat werkne-
      mers en werkgevers zich onvoldoende houden aan herbetredingstermijnen, de
      voorgeschreven tijd tussen de behandeling van het gewas met gewasbescher-
      mingsmiddelen en het weer mogen werken in dat gewas. Dit geldt in het bijzon-
      der bij jonge werknemers onder de 16 jaar, waarvoor een langere termijn van
      twee weken verplicht is in verband met een mogelijk grotere gevoeligheid. Deze
      termijn wordt als onwerkbaar gezien. Herbetreders gebruiken bovendien nauwe-
      lijks beschermende kleding, zelfs als dat volgens het gebruiksvoorschrift wel
      moet. De hoofdconclusie op het gebied van arbeidsomstandigheden van de eva-
      luatie luidt dan ook dat veilig werken met gewasbeschermingsmiddelen bij telers
      Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                     71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>  een lage prioriteit heeft. Ook de overheid is lange tijd weinig actief geweest: van
  2007 tot 2012 heeft de Arbeidsinspectie (nu Inspectie SZW) geen specifiek
  onderzoek uitgevoerd naar het veilig werken met gewasbeschermingsmiddelen.
  In 2012 heeft de Inspectie SZW onderzoek verricht onder ruim vierhonderd glas-
  tuinbouwbedrijven. Bij 51 procent van de bedrijven werden in het totaal 376
  overtredingen geconstateerd. Ruim een kwart daarvan had betrekking op het
  onvoldoende treffen van maatregelen om het risico van blootstelling aan gewas-
  beschermingsmiddelen te beteugelen.83
      De naleving van de regelgeving op het gebied van gewasbescherming is
  matig, zo blijkt uit de evaluatie.82,84 Wat spuitlicentie, opslag van middelen en
  afvoer van restanten betreft, volgen telers over het algemeen goed de regels.
  Maar de verplichting om uitsluitend toegelaten middelen te gebruiken wordt
  slechts beperkt nageleefd. Veel telers, variërend van ruim 20 procent in de bol-
  lenteelt tot meer dan 80 procent in de sierteelt, gebruiken niet-toegelaten midde-
  len of hebben deze op voorraad. Recent onderzoek van de NVWA in de fruitteelt
  bevestigt het gebruik van niet (in de betreffende teelt) toegelaten middelen.85
  Ook het verplichte gebruik van emissiereducerende spuitdoppen blijft achter.
  Complexiteit van regelgeving en vrees voor economische schade zijn mogelijke
  redenen voor deze matige naleving.
      Geheel anders dan de evaluaties van het beleid op de gebieden van
  milieukwaliteit3 en voedselveiligheid81, stoelt de evaluatie op het gebied van
  arbeidsveiligheid82 niet op metingen maar op geretourneerde vragenlijsten en
  inspecties, zo constateert de commissie. Metingen die licht zouden kunnen wer-
  pen op de werkelijke blootstelling van toepassers en werkers worden niet gepre-
  senteerd. In de Evaluatie van de Nota duurzame gewasbescherming is geen
  aandacht voor de risico’s van omstanders en omwonenden.80 Voor deze groepen
  waren ook geen doelstellingen geformuleerd.
  Inmiddels is een nieuwe nota duurzame gewasbescherming verschenen die het
  beleid voor de periode van 2013 tot 2023 richting geeft.86 Daarin wordt speciale
  aandacht besteed aan de geconstateerde knelpunten. Er is in deze tweede nota
  expliciet aandacht voor de risico’s voor omwonenden van percelen waarop
  gewasbescherming met chemische middelen plaatsvindt. Aangekondigd is dat
  het voorliggende advies van de Gezondheidsraad de basis zal vormen voor ver-
  volgactiviteiten ten aanzien van de risico’s voor omwonenden.
2 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>3.4 Conclusies
    De commissie stelt vast dat er de afgelopen decennia veel gedaan is om het
    gebruik van gewasbeschermingsmiddelen veiliger en duurzamer te maken. Door
    internationale samenwerking is een uitvoerige en zorgvuldige toelatingsproce-
    dure tot stand gebracht. Voortdurend wordt gewerkt aan verdere verbetering en
    verfijning op basis van nieuwe wetenschappelijke bevindingen en ervaringen uit
    de praktijk. Bij die verbeteringen gaat het steeds vaker om risico’s die zich alleen
    met complexe methoden laten schatten. Daartoe behoren bijvoorbeeld de risico’s
    die voortvloeien uit blootstelling aan meerdere stoffen tegelijk en aan één stof
    vanuit meerdere bronnen en langs verschillende routes. Ook de beoordeling van
    de risico’s voor omstanders (inclusief passanten) en omwonenden van agrarische
    percelen vormt nog een hiaat. De risico’s voor de eerste groep worden in de
    Nederlandse toelatingsprocedure momenteel maar zeer ten dele (alleen beroeps-
    matige omstanders/passanten) in beschouwing genomen, die van de laatste groep
    (met uitzondering van omwonenden van kassen) geheel niet. Beschikbare model-
    len voor de schatting van de blootstelling van omwonenden, omstanders en pas-
    santen zijn internationaal nog niet geharmoniseerd en maar beperkt gecontroleerd
    op hun betrouwbaarheid. Er liggen wel voorstellen voor verbetering, maar die
    zijn nog niet geïmplementeerd. Een en ander betekent niet dat omwonenden en
    niet-beroepsmatige omstanders en passanten in Nederland nu geheel onbe-
    schermd zijn. De begrenzing van de risico’s voor toepassers, werkers, beroepsma-
    tige omstanders en passanten, consumenten en voor het milieu biedt ook enige
    mate van bescherming aan omwonenden en niet-beroepsmatige omstanders en
    passanten. Dat neemt niet weg dat de commissie het mogelijk acht dat mensen uit
    deze groepen risico lopen op gezondheidsschade, vooral in situaties waar een bij-
    zondere gevoeligheid en hoge blootstelling samenkomen. Dat geldt vooral voor
    lokale, niet-systemische effecten, waarvoor in de toelatingsprocedure maar
    beperkt aandacht is. Irritaties van huid, ogen en bovenste luchtwegen zijn door
    toepassers en werkers te voorkomen door het gebruik van persoonlijke bescher-
    mingsmiddelen. Van niet-beroepsmatige omstanders, passanten en omwonenden
    kan dat niet worden verwacht. Bij herhaalde blootstelling zou sensibilisatie kun-
    nen optreden.
         Een toelating houdt in dat met het betreffende middel ziekten en plagen in het
    gewas effectief én veilig te bestrijden zijn, mits het gebruiksvoorschrift nauwlet-
    tend wordt gevolgd. Om ervoor te zorgen dat dit in de praktijk ook gebeurt, zijn
    tal van maatregelen van kracht. Dat betreft wet- en regelgeving, voorlichting,
    educatie en toezicht. Omdat het uiteindelijk toch om gevaarlijke stoffen gaat, zet
    Chemische gewasbescherming met oog voor de menselijke gezondheid                     73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>  de Nederlandse overheid samen met de Europese Unie en in overleg met belang-
  hebbende partijen in op duurzame gewasbescherming. De hoeksteen van dat
  beleid vormt de geïntegreerde gewasbescherming, waarbij het streven is om de
  inzet van chemische middelen zo veel mogelijk te beperken. Tijdens de recente
  evaluatie van dat beleid is echter gebleken dat agrariërs veiligheid onvoldoende
  prioriteit toekennen bij hun bedrijfsvoering en op een aantal punten de wet- en
  regelgeving niet goed naleven, zoals het gebruik van middelen die niet zijn toe-
  gelaten. Dat heeft niet alleen consequenties voor hun eigen veiligheid en die van
  hun werknemers en hun gezinsleden. Het verhoogt ook de risico’s voor omwo-
  nenden.
  In de volgende hoofdstukken gaat de commissie nader in op wat er bekend is
  over de blootstelling en gezondheid van agrariërs en omwonenden.
4 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre> oofdstuk 4
          Blootstelling en gezondheid
          van agrariërs
          Een zorgvuldige toelatingsprocedure en tal van maatregelen om het gebruik van
          chemische gewasbeschermingsmiddelen in de praktijk in goede banen te leiden,
          moeten samen een veilige inzet van deze middelen garanderen. Maar hoe effec-
          tief is het beleid? Worden ondanks deze voorzieningen in de praktijk toch rele-
          vante blootstellingsniveaus en gezondheidseffecten bij mensen waargenomen?
          Om die vraag te kunnen beantwoorden, is het zinvol om de aandacht eerst te
          richten op de beroepsmatige omgeving. Mensen die uit hoofde van hun werk
          deze stoffen toepassen of ermee in aanraking komen, zijn immers vaak hoger
          blootgesteld dan de algemene bevolking87. Dat geldt zeker als ze onvoldoende
          maatregelen treffen om de eigen blootstelling te beperken. De effectiviteit van
          het beleid is uiteindelijk ook relevant voor omwonenden. Daarom bespreekt de
          commissie in dit hoofdstuk kort wat er in de wetenschappelijke literatuur te vin-
          den is over de blootstelling van en gezondheidseffecten bij toepassers van
          gewasbeschermingsmiddelen en werkers in behandeld gewas.
4.1       Blootstelling van agrariërs
          In ons eigen land is in het verleden in verschillende agrarische sectoren onder-
          zoek verricht naar de blootstelling van toepassers van gewasbeschermingsmidde-
          len en werkers in behandeld gewas. Dat geldt onder meer voor de bollenteelt88,89,
          de bloementeelt90-92 en de fruitteelt93-95. Het betreft zowel blootstelling via de
          huid als via de luchtwegen. Blootstelling vindt plaats tijdens de toepassing van
          Blootstelling en gezondheid van agrariërs                                          75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>      gewasbeschermingsmiddelen, maar meer nog bij het aanmaken van de spuit-
      vloeistof, het schoonmaken van apparatuur en het werken in behandeld gewas.
      De mate van blootstelling is sterk afhankelijk van de aard van het middel, de toe-
      dieningswijze, de frequentie van toediening en het gebruik van persoonlijke
      beschermingsmiddelen en gesloten spuitcabines. Geregeld zijn blootstellingsni-
      veaus vastgesteld die boven veilig geachte gezondheidskundige grenswaarden
      liggen.89,90 De laatste tien jaar is er in ons land weinig blootstellingsonderzoek
      meer verricht onder agrariërs.
          Ook in het buitenland is onderzoek gedaan naar beroepsmatige blootstelling
      aan gewasbeschermingsmiddelen dat duidt op gezondheidsrisico’s.96,97
4.2   Gezondheidseffecten bij agrariërs
4.2.1 Meldingen en incidentenonderzoek
      De commissie heeft weinig zicht op het aantal acute vergiftigingen bij agrariërs.
      Een onderzoek van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum in de jaren
      ’90 bracht rond de 40 gevallen in één jaar aan het licht.98 In twee derde van de
      gevallen vond het incident plaats tijdens voorbereidende werkzaamheden, onder-
      houd of betreding van behandeld gewas. In 2011 is het Nationaal Vergiftigingen
      Informatie Centrum ruim 1.000 maal geconsulteerd in verband met blootstelling
      aan gewasbeschermingsmiddelen en biociden.99 Onduidelijk is echter welk deel
      hiervan beroepsmatige blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen betrof.
      Een groot deel van de meldingen heeft betrekking op particulier gebruik van bio-
      ciden. In het buitenland komen acute vergiftigingen bij agrariërs geregeld
      voor.100,101
          Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten krijgt nauwelijks meldingen
      van het optreden van beroepsziekten als gevolg van het gebruik van gewasbe-
      schermingsmiddelen.102 Bij beroepsziekten in het algemeen bestaat echter een
      aanzienlijke onderrapportage. In het verleden zijn huidaandoeningen bij werkne-
      mers in de bloembollensector wel in verband gebracht met het gebruik van
      gewasbeschermingsmiddelen.103 Huidaandoeningen bij agrariërs worden echter
      vooral veroorzaakt door contact met plantensappen. Ook luchtwegallergieën zijn
      voornamelijk toe te schrijven aan natuurlijke agentia als stuifmeel van gewassen,
      sporen van champignons of roofmijten.82
 6    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>4.2.2 Epidemiologisch onderzoek
      Relaties tussen gewasbeschermingsmiddelen en gezondheidseffecten die meer
      geleidelijk optreden of die zich pas na langere tijd openbaren, zijn doorgaans
      alleen vast te stellen via grondig epidemiologisch onderzoek.
      Onderzoek in Nederland
      In ons land is in het verleden relatief veel epidemiologisch onderzoek verricht
      onder agrariërs. Dat betreft diverse agrarische sectoren, een veelheid aan gewas-
      beschermingsmiddelen en een grote verscheidenheid aan gezondheidseffecten.
          Een onderzoek onder bollentelers in 1988 naar neurotoxische effecten van
      gewasbeschermingsmiddelen bracht aan het licht dat beroepsmatig blootgestel-
      den informatie significant trager verwerkten en een lagere prikkelgeleidingssnel-
      heid van de zenuwen vertoonden dan een vergelijkbare controlegroep.88 De
      waargenomen verschillen waren echter niet groot en vertoonden geen samenhang
      met gezondheidsklachten. Zeer recent is ook gekeken naar een mogelijke relatie
      tussen de beroepsmatige blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de
      ziekte van Parkinson en ALS (amyotrofe laterale sclerose, een dodelijke neurolo-
      gische aandoening die verlammingen veroorzaakt). De uitkomsten van dat
      onderzoek moeten nog worden gepubliceerd. Voorlopige resultaten van het Par-
      kinsononderzoek zijn gepresenteerd op een symposium en duiden op een ver-
      band tussen het beroepsmatig gebruik van herbiciden en insecticiden en een licht
      verhoogd risico op de ziekte van Parkinson.104
          Aanwijzingen voor effecten op de voortplanting zijn bij fruittelers gevonden.
      Bij hen werd een verband gevonden tussen een verlaagde kans op bevruchting
      per maand, dat wil zeggen een langere tijd-tot-zwangerschap, en een verhoogde
      blootstelling van de fruitteler aan gewasbeschermingsmiddelen, tenminste als de
      zwangerschap werd nagestreefd in het spuitseizoen (maart-november).105,106
      Daarbuiten werd dit effect niet waargenomen. Ook in de bloementeelt onder glas
      zijn er aanwijzingen voor een verlengde tijd-tot-zwangerschap107,108 en een toe-
      name van het aantal spontane abortussen.109 Verder zijn er aanwijzingen gevon-
      den dat een in-vitrofertilisatiebehandeling bij aan gewasbeschermingsmiddelen
      blootgestelde mannen minder effectief verloopt.110 Tot slot bleek uit recent
      onderzoek in de regio Rotterdam dat beroepsmatige blootstelling van de moeder
      tijdens de zwangerschap aan gewasbeschermingsmiddelen geassocieerd is met
      een lager gewicht van de placenta en een verminderde groei van de foetus.111,112
      Blootstelling en gezondheid van agrariërs                                         77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>  Buitenlands onderzoek
  Ook in het buitenland is epidemiologisch onderzoek verricht naar gezondheids-
  effecten bij agrariërs die verband kunnen houden met de blootstelling aan gewas-
  beschermingsmiddelen. In het onderzoek zijn associaties gevonden met een
  verlengde tijd-tot-zwangerschap113, aantasting van cognitieve vermogens114, de
  ziekte van Parkinson115-117, ALS118,119 en diverse vormen van kanker bij volwas-
  senen.120,121 Prenatale blootstelling, en in sommige gevallen al blootstelling van
  de ouders vóór de conceptie, lijkt geassocieerd te zijn met ongunstige verande-
  ringen of ziekte bij kinderen. Dat betreft onder meer een lager geboortegewicht
  en meer lichaamsvet bij schoolkinderen122, een verhoogd risico op hart- en
  vaatziekten123, verminderde of gestoorde ontwikkeling van geslachtsorganen bij
  jongens124,125, een vervroegde borstontwikkeling bij meisjes126 en kanker bij kin-
  deren.127-131
       De uitkomsten van het buitenlandse onderzoek zijn niet altijd eenvoudig te
  vertalen naar de Nederlandse situatie. Niettemin komen de Nederlandse en bui-
  tenlandse bevindingen in grote lijnen met elkaar overeen. De genoemde bevin-
  dingen over de consequenties voor het nageslacht van beroepsmatige
  blootstelling van ouders vóór of tijdens de zwangerschap zijn deels afkomstig
  van recent onderzoek uit Denemarken.122-126 Dat land komt qua agrarische prak-
  tijk en klimatologische omstandigheden redelijk goed met Nederland overeen.
  De commissie acht de uitkomsten van het Deense onderzoek dan ook zeker rele-
  vant voor ons eigen land.
  Onlangs is in opdracht van de EFSA een systematisch en uitgebreid literatuur-
  overzicht opgesteld over epidemiologisch onderzoek (gepubliceerd in de periode
  2006-2012) naar het verband tussen blootstelling aan bestrijdingsmiddelen
  (gewasbeschermingsmiddelen en biociden) en diverse aandoeningen.132 De
  opstellers constateren dat ondanks het grote aantal onderzoeken naar de gevolgen
  van beroepsmatige blootsteling voor de meeste aandoeningen geen harde conclu-
  sies te trekken zijn. Dat komt door de vele beperkingen (vooral ten aanzien van
  de karakterisering van de blootstelling) en de heterogeniteit van de uitkomsten.
  Alleen voor leukemie bij kinderen van agrariërs en de ziekte van Parkinson zijn
  volgens de auteurs significante en consistente associaties met de blootstelling
  aan bestrijdingsmiddelen gevonden.
       Met epidemiologisch onderzoek is het in de meeste gevallen niet mogelijk
  om de rol van afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen (plus biociden) te
  onderscheiden. De reden is dat agrariërs een grote verscheidenheid aan middelen
  gebruiken, niet zelden in één tankvulling. Het gebruik van de verschillende mid-
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>    delen hangt daardoor vaak nauw samen. Bijgevolg laat de invloed van afzonder-
    lijke middelen zich lastig onderzoeken. Bovendien weet men op voorhand vaak
    niet op welk middel men dan de aandacht het eerst zou moeten richten. Het
    onderzoek is daarom doorgaans gericht op de blootstelling aan gewasbescher-
    mingsmiddelen in het algemeen of aan bepaalde groepen van middelen. Hierdoor
    kan de indruk ontstaan dat elk gewasbeschermingsmiddel elk effect kan veroor-
    zaken. Dat is uiteraard niet het geval. Als de gevonden associaties op een oorza-
    kelijk verband berusten, dan is het waarschijnlijk dat slechts een beperkt aantal
    middelen verantwoordelijk is voor het bestudeerde effect. Vaak is alleen niet dui-
    delijk welke. Omgekeerd kunnen schijnbaar conflicterende onderzoeksresultaten
    het gevolg zijn van het feit dat effecten van verschillende cocktails van gewasbe-
    schermingsmiddelen zijn bestudeerd, zonder dat onderzoekers zich daarvan in
    detail bewust zijn.
4.3 Conclusies
    Op grond van talrijke epidemiologische onderzoeken in binnen- en buitenland
    denkt de commissie dat zich bij toepassers van gewasbeschermingsmiddelen en
    werkers in behandeld gewas in het verleden geregeld gezondheidseffecten heb-
    ben voorgedaan. De schaal waarop is moeilijk te zeggen. De commissie acht het
    onwaarschijnlijk dat alle waargenomen gezondheidseffecten toe te schrijven zijn
    aan methodologische beperkingen die eigen kunnen zijn aan epidemiologisch
    onderzoek.
        Veel van het Nederlands onderzoek dateert al van enige jaren terug. De bloot-
    stelling is sindsdien veranderd door de vele technologische ontwikkelingen in
    onder meer formuleringen, verpakkingen en apparatuur en toegenomen educatie
    en voorlichting. Ook hebben er verschuivingen plaatsgevonden in het pakket van
    toegelaten middelen. De situatie zou daarom de laatste jaren kunnen zijn verbe-
    terd. De recente Deense onderzoeksresultaten duiden er echter op dat effecten
    nog steeds kunnen optreden. De commissie acht het dan ook heel goed mogelijk
    dat zich ook nu gezondheidseffecten bij agrariërs in ons land voordoen.
        Dergelijke gezondheidseffecten bij agrariërs kunnen het gevolg zijn van lacu-
    nes in de toelatingsprocedure. Wellicht dekt het toxicologisch proefdieronder-
    zoek dat ten behoeve van de toelating wordt uitgevoerd toch niet alle mogelijke
    effecten bij de mens af. Daarnaast lijkt het waarschijnlijk dat de blootstelling
    soms hoger is dan voorzien en dat dit een deel van de effecten bij de mens ver-
    klaart. Mogelijk wordt de beroepsmatige blootstelling bij gebruik volgens de
    voorschriften onderschat. De recente evaluatie van de Nota Duurzame Gewasbe-
    scherming heeft echter duidelijk gemaakt dat veiligheid in beroepsmatige situa-
    Blootstelling en gezondheid van agrariërs                                          79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>  ties ook nu nog weinig prioriteit heeft bij agrariërs en dat de naleving van
  voorschriften matig is.82,84 Dat zal ongetwijfeld ertoe bijdragen dat de beroeps-
  matige blootstelling in de praktijk geregeld hoger is dan voorzien.
  In hoofdstuk 3 werd opgemerkt dat de risico’s voor omwonenden van agrarische
  percelen in de toelatingsprocedure niet apart in beschouwing worden genomen.
  De commissie stelde in dat hoofdstuk vast dat deze groep voor haar bescherming
  deels meelift met de bescherming van beroepsmatige toepassers van middelen,
  werkers in behandelde gewassen en beroepsmatige omstanders en passanten. Nu
  blijkt dat in weerwil van een toelatingsprocedure en tal van voorzieningen in de
  praktijk toch gezondheidseffecten bij deze groepen en hun nageslacht zijn waar-
  genomen, vormt dat een tweede argument om de blootstelling en gezondheid van
  omwonenden van landbouwpercelen aan een nadere inspectie te onderwerpen.
0 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre> oofdstuk 5
          Blootstelling en gezondheid van
          omwonenden
          In dit hoofdstuk bespreekt de commissie de manieren waarop omwonenden van
          landbouwpercelen in aanraking kunnen komen met gewasbeschermingsmidde-
          len. Opzet en uitkomsten van verschillende soorten onderzoek naar de omvang
          van die blootstelling komen aan de orde. Wat er aan onderzoek is verricht naar de
          gezondheid van omwonenden in relatie tot het gebruik van gewasbeschermings-
          middelen in de omgeving wordt eveneens belicht. Op basis van al deze gegevens
          geeft de commissie aan hoe waarschijnlijk ze het acht dat omwonenden van land-
          bouwpercelen gezondheidsschade ondervinden van de toepassing van gewasbe-
          schermingsmiddelen in hun onmiddellijke omgeving. Daarmee geeft ze
          antwoord op de vraag van de bewindspersonen naar de mogelijke gezondheidsri-
          sico’s van gewasbescherming voor omwonenden.
5.1       Blootstelling van omwonenden
5.1.1     Bronnen en routes van blootstelling
          In figuur 2 geeft de commissie schematisch weer vanuit welke bronnen en langs
          welke routes omwonenden van agrarische percelen kunnen worden blootgesteld
          aan gewasbeschermingsmiddelen. De figuur maakt duidelijk dat het om een com-
          plex samenspel van bronnen en routes gaat. Uiteraard worden de toepassers en
          werkers in de landbouw en hun huisgenoten eveneens via deze niet-beroepsmatige
          routes blootgesteld voor zover zij nabij de percelen wonen.
          Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                        81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>iguur 2 De blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen is een complex proces, waarin meerdere
2          Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>lootstellingsbronnen en blootstellingsroutes een rol kunnen spelen.
             Blootstelling en gezondheid van omwonenden             83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>  Sommige routes zijn voor vrijwel iedereen van belang. Dat betreft allereerst de
  consumptie van groenten en fruit die met behulp van gewasbeschermingsmidde-
  len zijn geteeld en in de winkel of direct van de teler verkrijgbaar zijn. Verder
  kunnen particulieren zelf in en rond hun woning gewasbeschermingsmiddelen
  (of biociden of diergeneesmiddelen met dezelfde of vergelijkbare werkzame
  stoffen) toepassen ter bestrijding van ziekten, plagen en ongedierte.
  Directe blootstelling
  Bij mensen in agrarisch gebied, vooral degenen die vlak bij behandelde percelen
  wonen, kunnen daarnaast enkele andere routes een rol spelen. Verwaaiing van de
  spuitnevel tijdens de toediening is wellicht de meest directe en zichtbare, en
  daardoor meest bekende manier waarop omstanders, passanten en omwonenden
  met gewasbeschermingsmiddelen in contact kunnen komen. Druppels spuitnevel
  kunnen op de huid terechtkomen, waarna de daarin aanwezige stoffen (voor een
  deel) door het lichaam kunnen worden opgenomen. Als de druppels klein genoeg
  zijn, kunnen ze ook worden ingeademd.
  Tijdens het spuiten kunnen werkzame stoffen als minuscule druppeltjes of deel-
  tjes (aerosolen) de lucht in gaan of vanuit de spuitnevel vervluchtigen. Vervluch-
  tiging vindt echter vooral na de bespuiting plaats vanaf de bodem en het gewas.
  Na injectie van grondontsmettingsmiddelen in de bodem kunnen dampen vrijko-
  men. Dampen en aerosolen komen ook vrij uit kassen door ventilatie. Ze kunnen
  rond de plaats van toepassing blijven hangen of verwaaien. Omwonenden kun-
  nen ze inademen. De dampen en aerosolen kunnen zich echter ook hechten aan
  huid en slijmvliezen. Poeder- en granulaatvormige gewasbeschermingsmiddelen
  kunnen bij de toepassing of bij het aanmaken van de spuitvloeistof verstuiven.
  Tot slot waaien bodem- en stofdeeltjes met gewasbeschermingsmiddelen eraan
  op van de akker. Al deze deeltjes kunnen op de huid komen of, als ze fijn genoeg
  zijn, worden ingeademd.
  Indirecte blootstelling
  Behalve het directe contact met spuitnevel, dampen en aerosolen is ook secun-
  daire blootstelling mogelijk door huidcontact met oppervlakken die door dam-
  pen, spuitnevel of stofdeeltjes zijn verontreinigd. Dergelijk contact vindt plaats
  als omwonenden, bijvoorbeeld spelende kinderen, kort na een bespuiting het
  behandelde perceel betreden of een gazon waarop verwaaide spuitnevel is neer-
  gekomen. Zwemmen in met gewasbeschermingsmiddelen verontreinigd opper-
4 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>      vlaktewater is een ander voorbeeld. Bij beregening van landbouwpercelen met
      verontreinigd oppervlaktewater kunnen gewasbeschermingsmiddelen bovendien
      opnieuw in de lucht terecht komen door verneveling of verdamping en zich ver-
      spreiden.
          Ook binnenshuis is blootstelling mogelijk. Luchtstromen kunnen dampen,
      stofdeeltjes en spuitnevel naar binnen voeren. Daarnaast kunnen de bewoners
      zelf gewasbeschermingsmiddelen naar binnen dragen doordat verontreinigde
      stof- en bodemdeeltjes aan hun kleding of schoeisel blijven hangen. Als een van
      de bewoners zelf in de landbouw werkzaam is als toepasser of als werker in
      behandeld gewas, vormen naar huis genomen, verontreinigde werkkleding en –
      schoenen eveneens een aanvoerroute. In Engelstalige literatuur wordt deze route
      aangeduid als ‘para-occupational’ of ‘take-home’ route. Ook met huisdieren en
      met was- en beddengoed dat buiten te drogen hangt, kunnen deze stoffen naar
      binnen komen. In de woning hechten de gewasbeschermingsmiddelen zich aan
      oppervlakken of hopen zich op in het huisstof. Via de huid van de handen kunnen
      gewasbeschermingsmiddelen vervolgens in de mond en het spijsverteringskanaal
      terecht komen. Vooral kleine kinderen lopen dat risico, omdat ze veel vaker dan
      volwassenen hun (vuile) vingers in de mond steken. Daarnaast stoppen kleine
      kinderen vaker voorwerpen in hun mond. Ook die kunnen met gewasbescher-
      mingsmiddelen verontreinigd zijn.
          Blootstelling via het darmkanaal kan ten slotte ook voortvloeien uit afzetting
      van spuitnevel op groenten en fruit in eigen moestuin of door beregening van de
      moestuin met verontreinigd slootwater.
          Blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen hoeft niet
      alleen het gevolg te zijn van de eigenlijke toepassing van deze middelen. Ook
      opslag, het mengen van de spuitvloeistof, reiniging en onderhoud van apparatuur
      en de verwerking van resten en afval kunnen bij onzorgvuldig handelen langs
      directe of indirecte weg tot blootstelling van omwonenden leiden. Dit geldt in het
      bijzonder voor kinderen van agrariërs.133
5.1.2 Blootstellingsonderzoek bij omwonenden
      Onderzoek naar de blootstelling van omwonenden vindt op verschillende wijze
      plaats: door schatting met behulp van modellen, door metingen in media waar-
      mee omwonenden in contact kunnen komen, zoals lucht, water, bodem en huis-
      stof, en door biomonitoring, dat wil zeggen door analyse van lichaamsmaterialen
      of uitscheidingsproducten, zoals bloed en urine. Elke methode heeft zijn eigen
      sterke en zwakke kanten (zie de verklarende woordenlijst in bijlage I). In onder-
      zoek worden daarom soms meerdere methodes gecombineerd. Hieronder geeft
      Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                         85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>  de commissie een overzicht van de bevindingen, die worden gemeld in de weten-
  schappelijke literatuur en rapporten van onderzoeksinstituten.
      In Nederland heeft onderzoek naar de blootstelling van omwonenden in
  beperkte mate plaatsgevonden vanaf het begin van de jaren ’80 van de vorige
  eeuw. De meeste modelmatige schattingen van de concentraties waaraan omwo-
  nenden kunnen zijn blootgesteld en metingen in contactmedia lijken erop te dui-
  den dat de blootstelling aan afzonderlijke stoffen ruim beneden
  gezondheidskundige grenswaarden blijft en dat effecten op de gezondheid van
  afzonderlijke stoffen dus niet te verwachten zijn.31-33,134 In enkele gevallen slui-
  ten onderzoekers risico’s door bepaalde stoffen en voor sommige bevolkings-
  groepen echter niet helemaal uit.27,135,136 Voor zover de commissie bekend, heeft
  er in Nederland nooit (systematisch) biomonitoringonderzoek bij omwonenden
  plaatsgevonden, wel bij beroepsmatige toepassers93,137,138 en de algemene bevol-
  king.139 De in Nederland uitgevoerde onderzoeken bij omwonenden zijn van
  beperkte omvang, oriënterend van aard en inmiddels relatief oud. De commissie
  acht deze gegevens uit eigen land te summier voor eenduidige conclusies.
      Buitenlands onderzoek, vooral dat in de VS, is omvangrijker. Hierbij is wel
  te bedenken dat de Amerikaanse situatie aanzienlijk van de Nederlandse kan ver-
  schillen. Dat betreft onder meer de bedrijfs- en perceelgrootte, de intensiviteit
  van de landbouw, de ruimtelijke ordening (afstand tot bebouwing) en het kli-
  maat. Hoewel de uitkomsten lang niet altijd consistent zijn, komen er toch enkele
  algemene patronen naar voren. De hoogste gehaltes aan gewasbeschermingsmid-
  delen in huisstof en op oppervlakken worden aangetroffen in woningen van agra-
  riërs zelf.140-144 Dat geldt het sterkst als de agrariër zelf toepasser is en in iets
  mindere mate als hij een werker in behandeld gewas is.145 Onderzoek in eigen
  land bevestigt het beeld van verhoogde aanwezigheid van gewasbeschermings-
  middelen in woningen van landbouwers.31,32 Hierbij tekent de commissie wel
  aan dat een aanzienlijk deel van de monsters uit woningen, ook die van agrariërs,
  geen detecteerbare sporen van gewasbeschermingsmiddelen bevatten, ondanks
  het gebruik van gevoelige analysetechnieken.
      Uit talrijke urineanalyses blijkt dat beroepsmatige blootstelling aan gewasbe-
  schermingsmiddelen doorgaans één tot meerdere orden van grootte hoger ligt
  dan niet-beroepsmatige blootstelling.87 In lijn daarmee laten Amerikaanse metin-
  gen ook verhoogde gehaltes van afbraakproducten (metabolieten) van gewasbe-
  schermingsmiddelen in urine zien bij agrariërs.143,146,147 Bij agrariërs die de
  middelen niet zelf toepassen, maar daarvoor een loonwerker inhuren, zijn die
  gehaltes niet verhoogd.146 De gehaltes van afbraakproducten in de urine van part-
  ners en kinderen van agrariërs hangen nauw samen met die van de agrariër
  zelf.147-149 Vaak zijn ook zij verhoogd143,147,150,151, maar niet altijd145,147,152,153.
6 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>De analyses van huisstof en veegmonsters van oppervlakken, de verdeling over
de diverse kamers in huis, analyses van stofmonsters van schoeisel en voertuigen
en veegmonsters van de handen van kinderen duiden erop dat agrariërs via de
‘take-home’ route zelf bijdragen aan een verhoogde blootstelling van hun gezins-
leden en huisgenoten.144,147-149 Dit verschijnsel is ook bekend van andere
bedrijfstakken waar met chemicaliën wordt gewerkt.154-156
    De analyses duiden erop dat blootstelling van bewoners van agrarische
gebieden die zelf niet in de agrarische sector werkzaam zijn lager is dan die van
agrariërs en hun gezinsleden. Vergelijkingen met bewoners van niet-agrarische
gebieden zijn echter amper gemaakt. Volwassenen en kinderen in stedelijk
gebied in Seattle hadden vergelijkbare gehaltes aan afbraakproducten van orga-
nofosfaatinsecticiden in hun urine als bewoners van agrarische gebieden in de
staat Washington.157,158 Hierbij moet men wel bedenken dat Amerikanen relatief
veel gewasbeschermingsmiddelen en biociden in en rond het huis gebruiken ter
bestrijding van plagen. Echter, een middel als azinphos-methyl, een organofos-
faatinsecticide dat in het onderzoeksgebied, Washington State, uitsluitend in de
landbouw wordt gebruikt, is in het huisstof van alle woningen in agrarisch gebied
aangetroffen, dus ook in die van niet-landbouwers.140 Dat strookt met bevindin-
gen in eigen land, waar gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen in wonin-
gen van niet-agrariërs die zelf geen middelen hebben toegepast.31,32 Dit duidt
erop dat ten minste enige blootstelling van omwonenden vanaf behandelde per-
celen optreedt. In hoeverre de aanvoer via de lucht plaatsvindt en in hoeverre
bewoners en huisdieren de stoffen mee naar binnen dragen is onbekend. Dat ver-
schilt waarschijnlijk per middel.
    In de onderzoeken in agrarische gebieden wordt niet altijd een duidelijke
samenhang gevonden tussen gehaltes van metabolieten in urine en van de moe-
derstoffen in huisstof.147,151 Een verklaring is dat moderne gewasbeschermings-
middelen snel door het lichaam worden omgezet en uitgescheiden. De relatieve
afwezigheid van UV-straling en de droge omstandigheden in woningen kunnen
daarentegen de afbraak in huisstof belemmeren.159,160 Gehaltes in huisstof blij-
ken dan ook meer samenhang te vertonen met het gebruik in de omgeving over
een wat langere periode.142 Een tweede reden is dat concentraties in urine mede
worden bepaald door andere bronnen en blootstellingsroutes.
    Ook de relatie tussen gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in huisstof
of urinemonsters en de afstand tot de behandelde percelen laat een sterk wisse-
lend beeld zien. Soms wordt een duidelijk verband gevonden (significant hogere
concentraties naarmate de afstand kleiner is).150,151 In andere onderzoeken lijkt
de afstand van weinig invloed te zijn.143,148,149,152,153,161,162 Het enige onderzoek
in eigen land naar gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in huisstof was ver-
Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                            87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>  kennend van aard en te beperkt van opzet om uitsluitsel te kunnen geven over
  een relatie met de afstand tot de akker.31,32 De inconsistenties in de aanwezigheid
  van agrarische gewasbeschermingsmiddelen in woningen is niet vreemd als men
  bedenkt dat die afstand niets zegt over andere relevante factoren, zoals de hoe-
  veelheid gewasbeschermingsmiddel die is toegepast, de toedieningswijze, het
  behandelde oppervlak en de weersomstandigheden (zoals de windrichting) tij-
  dens en na de toepassing. Gehaltes in urine kunnen bovendien worden beïnvloed
  door andere bronnen, zoals de voeding.
       In veel van het aangehaalde biomonitoringsonderzoek zijn slechts op één of
  twee tijdstippen urinemonsters genomen en geanalyseerd. Informatie over de
  timing van de monstername ten opzichte van het moment van spuiten ontbreekt
  vaak. Een verkeerd getimede monstername kan tot onderschatting van de bloot-
  stelling leiden.
       Onderzoek waarbij de monstername precies is afgestemd op het tijdstip van
  een bespuiting levert beter te interpreteren resultaten op. Monstername voor en
  na een vliegtuigbespuiting van een aardappelveld in de VS liet verhoogde gehal-
  tes van het betreffende gewasbeschermingsmiddel zien in veegmonsters van
  speeltoestellen in de buitenlucht, in veegmonsters van de handen van kinderen en
  in de urine van kinderen in de nabije omgeving onmiddellijk na de bespuiting.163
  Na een dag waren alle gehaltes weer aanzienlijk gedaald. Er bleek een nauwe
  samenhang te bestaan tussen de concentratie gewasbeschermingsmiddel in veeg-
  monsters van kinderhanden, in de urinemonsters van de kinderen en de tijd die
  zij na de bespuiting buiten hadden doorgebracht. Dat illustreert hoe belangrijk
  het is om ook informatie over activiteitenpatronen van betrokken personen te
  verzamelen.
       Longitudinaal onderzoek, waarbij van een kleinere groep personen gedu-
  rende een langere periode herhaaldelijk urinemonsters worden geanalyseerd,
  brengt seizoentrends aan het licht. In agrarisch gebied blijken veel gebruikte
  middelen vaker en in hogere concentraties in de urine van bewoners aanwezig te
  zijn in het spuitseizoen dan daarbuiten.152
       Over het absolute en relatieve belang van de diverse blootstellingsbronnen en
  -routes is weinig informatie in de wetenschappelijke literatuur te vinden en
  bestaat grote onzekerheid.87 Zeer waarschijnlijk zijn beide stof- en omgevings-
  specifiek. Dat wordt geïllustreerd door onderzoek dat is uitgevoerd in Californië.
  In dit onderzoek naar de blootstelling van jonge kinderen van agrariërs is gebruik
  gemaakt van een door veel metingen gevalideerd en gevoed model.164 De onder-
  zoekers becijferden dat bij het ene insecticide de blootstelling via de voeding iets
  groter was dan die via binnengekregen huisstof en sabbelen op de vingers. Bij
  een ander insecticide leek het omgekeerde het geval te zijn. Bovendien leken er
8 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>    verschillen te bestaan tussen leeftijdsgroepen. Bij baby’s was de blootstelling
    door sabbelen op vingers hoger dan bij peuters. Bij laatstgenoemden was bloot-
    stelling via de voeding hoger.
         Sommige onderzoekers hebben de geschatte of gemeten blootstelling verge-
    leken met gezondheidskundige grenswaarden en komen tot de conclusie dat de
    blootstelling aan een onderzocht insecticide via alle routes samen zo hoog is dat
    kinderen in het onderzochte agrarische gebied een verhoogd risico op gezond-
    heidsschade lopen.164,165 Anderen melden dat de blootstelling van de algemene
    bevolking aan de door hen onderzochte herbiciden waarschijnlijk geen risico
    voor de gezondheid vormt, ook niet voor die van agrarische gezinnen of van
    mensen die nabij de plaatsen van toepassing wonen.165,166 Dergelijke vergelijkin-
    gen vergen echter de nodige omrekeningen en zijn meestal met een aanzienlijke
    onzekerheid behept, vooral als ze berusten op een gering aantal metingen in de
    tijd. Ze zijn vooral nuttig bij de prioritering van verder onderzoek.
         Tot slot wijst de commissie erop dat het buitenlandse onderzoek betrekkelijk
    weinig zegt over mogelijke blootstellingsniveaus en gezondheidsrisico’s in eigen
    land. De blootstellingsroutes zijn waarschijnlijk dezelfde en in die zin is het bui-
    tenlandse onderzoek indicatief voor wat in ons land zou kunnen spelen. Maar het
    absolute en relatieve belang van de diverse routes is in de VS ongetwijfeld
    anders dan in Nederland. Het Amerikaanse landschap is veel grootschaliger, de
    afstanden zijn groter en de klimatologische omstandigheden verschillen. Ook de
    landbouwkundige praktijk is er anders. In Nederland zijn bijvoorbeeld bespuitin-
    gen met vliegtuigen, uitzonderingen daargelaten, niet toegestaan. Daar staat
    tegenover dat het middelengebruik in sommige Nederlandse teelten bijzonder
    hoog is. Veel buitenlands onderzoek is bovendien gedaan met middelen die hier
    nooit, niet meer of niet in dezelfde toepassingen zijn toegelaten. Of omwonenden
    in Nederland door blootstelling vanuit de omgeving daadwerkelijk risico op
    gezondheidschade lopen, valt door gebrek aan relevante informatie over de
    blootstelling dus niet met zekerheid te zeggen. Wel biedt het buitenlandse onder-
    zoek waardevolle informatie voor het opzetten van blootstellingsonderzoek in
    eigen land.
5.2 Gezondheidseffecten bij omwonenden
    Onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten bij omwonenden betreft in alle
    gevallen observationeel onderzoek. De onderzoekers hebben geen handelingen
    of experimenten verricht om de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te
    beïnvloeden. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de bestudering van mel-
    dingen en incidenten waarbij de gezondheid van omwonenden in het geding is en
    Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                           89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>      systematisch epidemiologisch onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten als
      gevolg van doorgaans chronische blootstelling. In het laatste geval vergelijken
      onderzoekers de gezondheidstoestand en blootstelling van omwonenden met die
      van controlepopulaties.
5.2.1 Meldingen en incidentenonderzoek
      Het Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC) kan worden geconsul-
      teerd door medische beroepsbeoefenaren in geval van acute vergiftigingen bij
      mens en dier. Jaarlijks rapporteert het instituut over deze raadplegingen. In 2011
      waren er ruim 51.000 meldingen over blootstelling aan potentieel toxische stof-
      fen. Circa 2 procent daarvan, ruim 1.000, betrof de categorie ’bestrijdingsmidde-
      len en desinfectantia’.99 Uit het jaaroverzicht valt niet af te leiden welk deel van
      de meldingen omwonenden van landbouwpercelen betreft die werden blootge-
      steld aan ter plaatse gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. De aard van de
      gemelde stoffen (schimmelverwijderaars, onkruidverdelgers, algendodende mid-
      delen, insecticiden in lokdoosjes en sprays) doet vermoeden dat het toch vooral
      om incidenten gaat als gevolg van onzorgvuldig gebruik door particulieren zelf.
           Het RIVM rapporteert om de paar jaren over milieugerelateerde vragen en
      klachten bij GGD-en. De derde inventarisatie over 2009 en 2010 laat zien dat de
      GGD-en in die jaren 5.800 milieugerelateerde vragen en klachten hebben geregis-
      treerd.167 Ongeveer een kwart van de klachten betrof het buitenmilieu. Circa der-
      tig (2 procent) van die klachten brachten melders in verband met de agrarische
      sector: één met de bollenteelt, vier met kassen, elf met de landbouw en zestien
      met intensieve veehouderij. Zestien klachten betroffen ‘bestrijdingsmiddelen’.
      Aantallen en aard van de klachten verschilden niet wezenlijk van die in inventari-
      saties in de periodes 2004-2006 en 2008-2009.
           Voorts weet de commissie van twee incidenten in Zeeuws-Vlaanderen (2008)
      en het Westland (2011) waarbij zeker tien omwonenden onwel werden of irrita-
      ties van ogen of luchtwegen kregen. In het eerste had grondontsmetting in de
      lelieteelt plaatsgevonden168, in het tweede was mogelijk een insecticide uit een
      kas vrijgekomen169. In beide gevallen werd aan de weersomstandigheden een
      belangrijke rol toegedicht.
           Op de door de commissie georganiseerde hoorzitting, en ook daarna, hebben
      meerdere omwonenden van land- en tuinbouwpercelen melding gemaakt van
      gezondheidsklachten die zij in verband brengen met het gebruik van gewasbe-
      schermingsmiddelen op belendende percelen. Het ging vooral om misselijkheid
      en irritaties van ogen, lippen en bovenste luchtwegen. Een van de meldingen ver-
      toonde overeenkomst met het genoemde voorval in Zeeuws-Vlaanderen.
 0    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>          De commissie heeft er geen zicht op hoe frequent omwonenden gezondheids-
      klachten ervaren en in verband brengen met het gebruik van chemische gewasbe-
      schermingsmiddelen. Uit de eerder genoemde registraties blijkt dat het aantal
      vragen en klachten over deze middelen gering is. Mogelijk is er echter sprake
      van onderrapportage. Hulpverleners zullen het lang niet altijd nodig achten om
      het NVIC te consulteren. Evenmin zullen omwonenden altijd contact opnemen
      met de GGD. Vooral bij milde klachten ligt onderrapportage voor de hand. Van
      diverse gewasbeschermingsmiddelen is bekend dat ze bij te hoge blootstelling
      misselijkheid of irritaties kunnen veroorzaken. Agrariërs worden daarvoor
      gewaarschuwd en kunnen zich ertegen beschermen door het gebruik van per-
      soonlijke beschermingsmiddelen. In geval van klachten bij omwonenden wordt
      echter zelden of nooit nader onderzoek ingesteld naar de aard en het niveau van
      de blootstelling. Een oorzakelijk verband met het gebruik van gewasbescher-
      mingsmiddelen is dan (extra) moeilijk vast te stellen. Het feit dat nader onder-
      zoek vrijwel altijd achterwege blijft, doet wel vermoeden dat het bijna altijd om
      minder ernstige en reversibele gezondheidseffecten gaat. Ook in het buitenland
      treden incidenten op door drift van gewasbeschermingsmiddelen.170
5.2.2 Epidemiologisch onderzoek
      Epidemiologisch onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten door chemische
      gewasbescherming bij omwonenden van land- en tuinbouwpercelen of kassen is
      schaars. Het meeste onderzoek is nog verricht bij gezinsleden van agrariërs. In
      het algemeen worden vier soorten observationeel epidemiologisch onderzoek
      onderscheiden: ecologische onderzoeken en dwarsdoorsnede-, patiënt-controle-
      en cohortonderzoeken (zie ook bijlage I).
          Ecologische onderzoeken vergelijken op het niveau van een hele populatie de
      gezondheid van mensen in gebieden waar bepaalde teelten plaatsvinden – een
      grove maat voor de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen – met de
      gezondheid van mensen in controlegebieden zonder die teelten. Dergelijke
      onderzoeken hebben een beperkte zeggingskracht, omdat vergelijkingen op
      groepsniveau tot allerlei vormen van vertekening van de resultaten kunnen lei-
      den. Zo kan bijvoorbeeld geen onderscheid worden gemaakt tussen beroepsma-
      tige of omgevingsblootstelling. Behalve de betreffende teelten kunnen ook
      andere verschillen tussen regio’s eventuele associaties verklaren. Dit soort onder-
      zoeken is op zijn best hypothesegenererend.
          Dwarsdoorsnede-onderzoek is een vorm van epidemiologisch onderzoek
      waarbij de blootstelling en de gezondheidstoestand van de deelnemers op het-
      zelfde moment in de tijd worden vastgesteld. In patiënt-controle-onderzoek wor-
      Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                          91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>  den patiënten met een bepaalde aandoening vergeleken met controlepersonen
  voor wat betreft hun blootstelling. Verschillen in blootstelling duiden op een
  mogelijk verband tussen deze blootstelling en de ziekte. In cohortonderzoeken
  worden blootgestelde personen en laag of niet blootgestelde controlepersonen
  vergeleken voor wat betreft hun ziektegeschiedenis. Dit laatste type onderzoek
  heeft de hoogste bewijskracht. Voor deze drie soorten van epidemiologisch
  onderzoek is informatie over de aandoeningen, over mogelijke risicofactoren en
  in meerdere of mindere mate ook over de blootstelling (in dit geval aan gewasbe-
  schermingsmiddelen) op individueel niveau voorhanden. Dergelijke onderzoe-
  ken zijn veel minder gevoelig voor eerder genoemde verstoringen dan ecologisch
  onderzoek. Van belang bij epidemiologisch onderzoek is dat in de meeste geval-
  len niet naar het effect van een enkel middel wordt gekeken. Per definitie zijn
  mensen bij de meeste teelten aan meerdere middelen blootgesteld. Het is vaak
  niet mogelijk een eventuele associatie tot een individueel middel te herleiden.
       Hieronder vat de commissie de belangrijkste bevindingen samen van het epi-
  demiologisch onderzoek onder omwonenden per ziekte of aandoening. Waar
  nodig plaatst ze daarbij enkele methodologische kanttekeningen.
  Effecten op het ongeboren kind
  De laatste jaren is in verschillende dwarsdoorsnede- en cohortonderzoeken een
  associatie gevonden tussen prenatale blootstelling aan bepaalde insecticiden
  (bepaald door analyse van navelstrengbloed of urine van zwangere vrouwen) en
  structurele afwijkingen aan de hersenen171 of verminderde cognitieve ver-
  mogens172-174 van kinderen op de leeftijd van zes tot elf jaar. Slechts één van
  deze onderzoeken vond plaats in agrarisch gebied173 en geen verschaft informa-
  tie over de herkomst van de insecticiden en de bijdrage vanuit de omgeving. De
  middelen kunnen ook afkomstig zijn van beroepsmatige blootstelling van de
  ouders, van de voeding of van plaagbestrijding in de woning. Genoemde onder-
  zoeken geven wellicht een indicatie van de toxische potentie van deze verbindin-
  gen, ze zeggen echter weinig over de risico’s van het wonen nabij landbouw-
  percelen.
       Een aantal epidemiologische onderzoeken is specifieker gericht op deze
  vraag en suggereert een verband tussen het gebruik van gewasbeschermings-
  middelen in de land- en tuinbouw in de nabije omgeving en effecten op de
  gezondheid van het ongeboren kind. In een systematisch literatuuroverzicht van
  25 oorspronkelijke onderzoeken (gepubliceerd in de periode 1950-2007) over
  mogelijke nadelige effecten op de voortplanting en het nageslacht door het
  wonen nabij plaatsen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, con-
2 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>cluderen de auteurs dat er zwakke aanwijzingen zijn voor een verband tussen
blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en aangeboren afwijkingen.175
Door methodologische beperkingen, zoals problemen met het accuraat karakteri-
seren van de blootstelling en mogelijk onvoldoende correctie voor verstorende
factoren, blijven harde conclusies echter buiten bereik. Voor andere nadelige
gevolgen (doodgeboorte, groeiachterstand in de baarmoeder, laag geboortege-
wicht, vroeggeboorte en miskraam) zijn de aanwijzingen voor een verband vol-
gens de schrijvers op zijn minst twijfelachtig. Niettemin achten de auteurs nader
onderzoek aangewezen, met vooral een betere karakterisering van de blootstel-
ling.
     Enkele publicaties zijn van latere datum en staan niet in het overzichtsartikel.
176-179 Ze kennen soortgelijke methodologische beperkingen en de conclusies uit
het eerder genoemde literatuuroverzicht veranderen er niet door naar het oordeel
van de commissie.
Kanker
In de Verenigde Staten en Europa zijn enkele ecologische onderzoeken verricht
naar de relatie tussen verschillende vormen van kanker bij kinderen of volwasse-
nen en het landbouwkundig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of de aan-
wezigheid van bepaalde teelten in de nabije woonomgeving. De onderzoekers
vinden soms wel en soms geen associatie tussen het optreden van bepaalde vor-
men van kanker en het wonen in een streek met intensieve agrarische activiteit of
met intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten tijde van de diag-
nose.28,180-185 De beperkingen van een ecologische onderzoeksopzet zijn al eer-
der genoemd. Het inwonerschap van een gemeente of andere bestuurlijke
eenheid is een heel grove indicatie voor de mate van feitelijke blootstelling.
Voorts kan geen rekening worden gehouden met verstorende invloeden, zoals
verschillen in leefstijl op individueel niveau. Ook is geen onderscheid te maken
tussen beroepsmatige blootstelling en blootstelling vanuit de omgeving. Gegeven
het grote aantal statistische vergelijkingen met meerdere vormen van kanker en
diverse teelten of middelen, kunnen gevonden associaties bovendien deels op
toeval berusten. Waar onderzoekers met dit type onderzoek associaties waarne-
men, verklaren ze dan ook steevast dat nader onderzoek nodig is voor duiding
van de uitkomsten.
     Aan weerszijden van de Atlantische oceaan zijn ook enkele patiënt-controle
onderzoeken uitgevoerd onder omwonenden. De meeste waren gericht op leuke-
mieën en lymfomen bij kinderen en jongvolwassenen.16,186-189 In deze onderzoe-
ken werd een meer of minder duidelijk verband gevonden met het gebruik van
Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                            93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>  sommige (groepen) gewasbeschermingsmiddelen of de aanwezigheid van
  bepaalde teelten nabij het woonadres van het kind of van de moeder tijdens de
  zwangerschap. Er waren echter geen duidelijke dosis-responsrelaties zichtbaar.
  Door de vrij grove karakterisering van de blootstelling kunnen ook aan deze
  onderzoeken geen conclusies worden verbonden. Zo is het bijvoorbeeld niet uit-
  gesloten dat het kinderen betrof van ouders die beroepsmatig zijn blootgesteld
  aan gewasbeschermingsmiddelen of dat plaagbestrijding in of rond de woning
  heeft plaatsgevonden. Ook was niet in alle onderzoeken correctie mogelijk voor
  andere risicofactoren, waaronder blootstelling aan andere chemicaliën.
       Enkele andere patiënt-controle- en cohortonderzoeken waren gericht op de
  relatie tussen diverse vormen van kanker bij volwassenen en blootstelling aan
  chemische gewasbeschermingsmiddelen vanuit de agrarische omgeving. Het
  gaat onder meer om blaaskanker190, prostaatkanker191 en borstkanker192,193.
  Alleen het prostaatkankeronderzoek liet een associatie zien tussen het gebruik in
  de nabije omgeving van bepaalde middelen, namelijk die met een plausibele
  biologische rol in de carcinogenese van de prostaat.191 In de beide borstkanker-
  onderzoeken werd geen duidelijk verband gevonden met de toepassing van
  gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving door de vrouwen zelf of door hun
  partners. In een van de onderzoeken193 werden voor enkele afzonderlijke midde-
  len wel aanwijzingen gevonden voor een verhoogd risico, maar voor harde con-
  clusies zijn meer gegevens nodig, aldus de onderzoekers zelf. Voorts bleek in dat
  onderzoek het risico op borstkanker licht verhoogd voor vrouwen waarvan de
  woning het dichtst bij (op minder dan 90 meter) de plaatsen van toepassing lag.
  In alle genoemde onderzoeken stoelde de schatting van de blootstelling op gege-
  vens over aanwezige teelten in de nabijheid van de woningen en het gebruik van
  chemische gewasbeschermingsmiddelen in die teelten of op door deelnemers
  zelf ingevulde vragenlijsten over het middelengebruik.
  Ziekte van Parkinson
  In een onlangs verschenen overzichtsartikel en meta-analyse van 46 oorspronke-
  lijke onderzoeken komen de auteurs tot de conclusie dat er een duidelijke associ-
  atie te zien is tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen (vooral
  herbiciden en insecticiden) en de ziekte van Parkinson bij toepassers.116 De rela-
  tie is vooral duidelijk bij beroepsmatige blootstelling, maar in mindere mate ook
  te zien bij blootstelling door particulier gebruik. De onderzoekers sluiten dan ook
  niet uit dat particuliere toepassers een verhoogd risico op de ziekte lopen. Een
  recent patiënt-controle-onderzoek in agrarisch gebied in Californië suggereert
  echter dat mensen die zelf geen middelen toepassen eveneens een verhoogd
4 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>    risico lopen door mogelijke blootstelling vanuit de agrarische woon- of werkom-
    geving.194,195 De blootstelling werd geschat op basis van verbruikscijfers van
    gewasbeschermingsmiddelen en gegevens over landgebruik in een straal van 500
    meter rond woon- en werkadressen. Vooral langdurige blootstelling vanaf jon-
    gere leeftijd en blootstelling aan een combinatie van enkele specifieke herbiciden
    en fungiciden zouden tot een verhoogd risico leiden. Overigens is daarbij niet
    gecorrigeerd voor blootstelling aan andere middelen. In Nederland doet het
    IRAS (Institute for Risk Assessment Sciences, Universiteit van Utrecht) momen-
    teel onderzoek naar de relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmidde-
    len vanuit de omgeving en het risico op de ziekte van Parkinson. De resultaten
    laten vermoedelijk nog een jaar op zich wachten.
5.3 Conclusies
    De commissie constateert dat er in ons eigen land weinig onderzoek is verricht
    naar de blootstelling en de gezondheidstoestand van omwonenden van land- en
    tuinbouwgronden in relatie tot het gebruik van chemische gewasbeschermings-
    middelen. Noodgedwongen moet de commissie haar oordeel over de gezond-
    heidsrisico’s voor omwonenden dus vooral baseren op buitenlands onderzoek,
    voornamelijk uit de Verenigde Staten.
         De blootstelling van de algemene bevolking aan gewasbeschermingsmidde-
    len is doorgaans aanzienlijk lager dan die van mensen die uit hoofde van hun
    beroep met deze middelen te maken hebben. Vermoedelijk geldt dat in de meeste
    gevallen ook voor omwonenden. Onderzoek toont wel aan dat omwonenden van-
    uit hun agrarische omgeving kunnen worden blootgesteld aan gewasbescher-
    mingsmiddelen. Het belang van deze bron ten opzichte van andere blootstellings-
    bronnen (voeding, particulier gebruik in en rond de woning) laat zich op grond
    van de beschikbare gegevens niet goed inschatten, zeker niet voor de Neder-
    landse situatie. De bijdrage varieert ongetwijfeld per middel. Hetzelfde geldt
    voor het belang van de verschillende aanvoerroutes vanuit de agrarische omge-
    ving. Bij weinig vluchtige middelen lijkt de aanvoer via vervuilde kleding en
    schoenen een kwantitatief belangrijke route. Het blijkt namelijk dat gezinsleden
    van agrariërs vaak hoger zijn blootgesteld dan huisgenoten van niet-agrariërs uit
    hetzelfde gebied. Vergelijking van de gemeten of geschatte blootstelling van
    omwonenden met gezondheidskundige grenswaarden suggereert dat deze in
    sommige gevallen, vooral bij kleine kinderen, worden overschreden en dat
    mogelijk effecten op de gezondheid optreden. Dergelijke vergelijkingen zijn ech-
    ter met veel onzekerheid behept.
    Blootstelling en gezondheid van omwonenden                                         95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>       Buitenlands epidemiologisch onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten
  bij omwonenden laat geregeld associaties zien tussen de blootstelling aan gewas-
  beschermingsmiddelen vanuit de agrarische omgeving en het optreden van
  bepaalde aandoeningen. Het betreft onder meer effecten op het ongeboren kind,
  leukemie bij kinderen en de ziekte van Parkinson. Dit soort onderzoek onder
  omwonenden kent echter allerlei methodologische beperkingen. Vooral de aard,
  mate en herkomst van de blootstelling worden veelal onnauwkeurig gekarakteri-
  seerd. De onderzoekers constateren zelf meestal dat harde conclusies niet moge-
  lijk zijn en dat nader onderzoek is aangewezen. Daarnaast zijn de buitenlandse
  epidemiologische onderzoeken onder omwonenden te beperkt in aantal en te zeer
  versnipperd over vele teeltsituaties en aandoeningen om iets met enige mate van
  zekerheid te kunnen zeggen over eventuele, consistente, oorzakelijke relaties tus-
  sen bepaalde ziekten en de nabijheid van bepaalde teelten. Wel sluiten de
  schaarse bevindingen bij omwonenden aan bij wat bij beroepsmatig blootgestel-
  den aan effecten wordt gezien.
       Vertaling naar blootstellingsniveaus en gezondheidseffecten in eigen land is
  lastig. De blootstellingsbronnen en -routes zijn waarschijnlijk dezelfde, maar hun
  absolute en relatieve belang zullen in het buitenland anders zijn dan in Neder-
  land, omdat de omstandigheden verschillen. Niettemin gaat volgens de commis-
  sie van de buitenlandse bevindingen het signaal uit dat ook in Nederland
  chronische gezondheidseffecten door chemische gewasbescherming mogelijk
  zijn bij omwonenden van agrarische percelen. Wel vermoedt de commissie dat
  het risico laag is vergeleken met het risico voor beroepsmatig blootgestelde per-
  sonen. Daarnaast maken omwonenden soms melding van kortdurende klachten,
  zoals misselijkheid of irritaties van huid, ogen of bovenste luchtwegen. Van een
  aantal middelen is bekend dat ze bij voldoende hoge blootstelling dergelijke
  klachten kunnen oproepen. Een relatie met de blootstelling is echter zelden
  onderzocht. Gelet op dit alles acht de commissie blootstellingsonderzoek onder
  omwonenden van agrarische percelen in eigen land zeker nuttig. Het buiten-
  landse onderzoek levert bruikbare informatie op voor de opzet van dergelijk
  onderzoek.
6 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre> oofdstuk 6
          Nut en opzet van onderzoek onder
          omwonenden
          In het voorliggende hoofdstuk gaat de commissie op verzoek van de bewindsper-
          sonen nader in op het nut en de mogelijke opzet van onderzoek onder omwonen-
          den van land- en tuinbouwpercelen waarop chemische gewasbeschermings-
          middelen worden toegepast. Dergelijk onderzoek kan inzicht geven in de gezond-
          heidsrisico’s voor omwonenden en nadere informatie verschaffen over de nood-
          zaak en effectiviteit van maatregelen ter beperking van de blootstelling.
6.1       Het nut van onderzoek onder omwonenden
          Gezien de waargenomen gezondheidseffecten bij agrariërs zelf, enige aanwijzin-
          gen voor effecten bij omwonenden in het buitenland en het gebrek aan gegevens
          van eigen bodem, ziet de commissie voldoende reden voor nader onderzoek
          onder omwonenden in Nederland.
6.1.1     Eerst blootstellingsonderzoek
          In hun adviesaanvraag vroegen de staatssecretarissen van Milieu en van Land-
          bouw om het oordeel van de Gezondheidsraad over het nut en de opzet van
          onderzoek onder omwonenden van landbouwpercelen waarop gewasbescher-
          mingsmiddelen worden toegepast. In het briefadvies van 2 september 2011 heeft
          de raad geantwoord dat onderscheid gemaakt moet worden tussen blootstellings-
          onderzoek en gezondheidsonderzoek en dat het noodzakelijk is om eerst bloot-
          Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                    97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>      stellingsonderzoek te doen (zie bijlage C).7 Om eventuele gezondheidseffecten
      bij omwonenden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de omge-
      ving te kunnen relateren, is nadere kennis van de blootstelling immers onontbeer-
      lijk. Op basis van de uitkomsten van het blootstellingsonderzoek is dan te
      bepalen of gezondheidsonderzoek zinvol is en hoe dat er dan uit zou moeten
      zien. De commissie denkt er nu nog precies zo over.
6.1.2 Combinatie van onderzoeksmethoden
      Er zijn verschillende onderzoeksmethoden die inzicht kunnen verschaffen in de
      blootstelling van mensen aan chemische stoffen: modelberekeningen, meten in
      ‘contactmedia’ (zoals lucht, water, bodem, huisstof) en inwendig meten in
      lichaamsmaterialen of uitscheidingsproducten (zoals bloed of urine) (zie ook
      bijlage I). Ze hebben elk hun sterke en hun zwakke kanten. In ons land is slechts
      een beperkt aantal metingen verricht aan de uitwendige blootstelling van omwo-
      nenden van land- en tuinbouwpercelen aan chemische gewasbeschermingsmid-
      delen. Hun inwendige blootstelling is, voor zover de commissie weet, nooit
      onderzocht. In het buitenland, wellicht met uitzondering van de Verenigde Sta-
      ten, zijn dergelijke gegevens eveneens schaars. Deze laten zich door verschillen
      in landschap, klimaat en agrarische praktijk bovendien niet zonder meer vertalen
      naar de Nederlandse situatie.
           De commissie meent dat onderzoek in eigen land de kennislacune kan opvul-
      len en dat een aanpak waarbij de verschillende onderzoeksmethoden worden
      gecombineerd de beste garantie biedt op betrouwbare en interpreteerbare resulta-
      ten. Het meten van de inwendige blootstelling (biomonitoring) verdient in prin-
      cipe de voorkeur in situaties waarin de bronnen, het verspreidingsgedrag of de
      blootstellingsroutes van een agens divers of onvoldoende bekend zijn.196,197 Dat
      is het geval bij de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmid-
      delen (zie paragraaf 5.1 en figuur 2). Alleen de uitwendige blootstelling meten
      door de analyse van contactmedia volstaat dan niet, omdat het gevaar bestaat dat
      relevante blootstellingsroutes over het hoofd worden gezien en de blootstelling
      onderschat wordt. De inwendige blootstelling geeft (beter) de integrale belasting
      weer via alle blootstellingsroutes. De inwendige blootstelling aan schadelijke
      agentia staat bovendien in directer verband met eventuele gezondheidseffecten
      dan de uitwendige blootstelling.196 In het Verenigd Koninkrijk hebben diverse
      overheidsinstanties enkele jaren geleden eveneens biomonitoring onder omwo-
      nenden aanbevolen.39-41 In 2011 en 2012 heeft daar dan ook biomonitoringson-
      derzoek onder omwonenden plaatsgevonden.9 De uitkomsten worden in de loop
 8    Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>      van 2014 verwacht. Hoewel deze ongetwijfeld interessant zijn voor ons land, zijn
      de omstandigheden hier toch zo anders, dat onderzoek in eigen land nodig is.
          In het Britse onderzoek is alleen de inwendige blootstelling gemeten, niet de
      uitwendige. Het grote nadeel van deze ‘sobere’ aanpak is volgens de commissie
      dat nauwelijks informatie wordt verkregen over de bronnen en de aanvoerroutes
      van de in de urine aangetroffen (metabolieten van) gewasbeschermingsmiddelen.
      En daar is nu juist grote behoefte aan (zie ook hoofdstuk 2). Deze informatie is
      nodig voor de verfijning van in de toelatingsprocedure gebruikte blootstellings-
      modellen en voor de beoordeling van de noodzaak en effectiviteit van maatrege-
      len ter beperking van de blootstelling. Mocht het Nederlandse onderzoek
      eveneens beperkt blijven tot biomonitoring en onverhoopt hoge concentraties
      aan gewasbeschermingsmiddelen in urine aan het licht brengen, dan blijft ondui-
      delijk waar die vandaan komen en moet het onderzoek opnieuw en uitgebreider
      worden uitgevoerd. Helemaal denkbeeldig is zo’n scenario niet. In de urine van
      zwangere vrouwen uit Rotterdam werden hogere gehaltes aan afbraakproducten
      van organofosfaatinsecticiden in urine aangetroffen dan in andere landen en men
      kan slechts gissen naar de herkomst.139,198 Daarom acht de commissie het waar-
      devol om biomonitoring te combineren met metingen in contactmedia en het ver-
      zamelen van aanvullende informatie over factoren die de blootstelling kunnen
      beïnvloeden, zoals de aard van toediening, de afstand tussen woningen en perce-
      len, het gedrag van omwonenden en de weersomstandigheden.Vergelijk40
6.1.3 Voorwaarden voor onderzoek van de inwendige blootstelling
      Uit reacties op het briefadvies van september 2011 en tijdens de hoorzitting met
      belanghebbende partijen heeft de commissie gemerkt dat de behoefte aan biomo-
      nitoringsonderzoek in ons land breed wordt gevoeld. Sommige groepen van
      omwonenden vragen al jaren om dergelijk onderzoek. Maar ook de landbouw-
      sector, en distributeurs en fabrikanten hopen dat het onderzoek eindelijk duide-
      lijkheid kan verschaffen. ‘Meten is weten’, werd tijdens de hoorzitting
      opgemerkt. De commissie wijst erop dat onderzoek van de inwendige blootstel-
      ling alleen zinvol is als het aan bepaalde criteria voldoet (zie box 1). De commis-
      sie meent dat het mogelijk is om het onderzoek zo in te richten, dat aan deze
      criteria wordt voldaan.
      Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                         99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>         Box 1 Voorwaarden voor zinvol onderzoek van de inwendige
         blootstelling196,197,199
         Voorwaarden:
         • de inwendige ‘blootstellingsindicator’ is voldoende specifiek voor de
             uitwendige bron(nen)
         • er is voldoende kennis over de halfwaardetijd van uitscheiding, zodat
             het optimale moment van monstername kan worden bepaald
         • de blootstellingsindicator dient aanwezig te zijn in goed toegankelijk
             lichaamsmateriaal
         • er treedt geen contaminatie of verlies op bij afname, transport en opslag
         • er is een analysemethode beschikbaar met voldoende specificiteit en
             sensitiviteit
         • er zijn goede referentiegegevens of een goede controlegroep beschik-
             baar.
         Andere aspecten waarmee rekening gehouden moet worden:
         • de technische en organisatorische haalbaarheid
         • het draagvlak voor deelname bij betrokkenen
         • een positieve balans van voor- en nadelen voor individu of groep
         • inbedding in onderzoek naar uitwendige blootstelling
6.1.4 Ongerustheid door het meten van de inwendige blootstelling
      De commissie acht de kans groot dat in bloed of de urine van omwonenden spo-
      ren zullen worden gevonden van in de omgeving gebruikte gewasbeschermings-
      middelen, mits de gebruikte analysemethoden gevoelig genoeg zijn. Veel
      chemische stoffen die in de samenleving worden gebruikt, zijn vroeg of laat in
      het menselijk lichaam terug te vinden. Gewasbeschermingsmiddelen zijn daarin
      allerminst uniek. Weekmakers uit plastics, vlamvertragers in elektronica, teflon-
      resten uit antiaanbaklagen van pannen, zware metalen uit leidingen of verfresten
      om maar enkele voorbeelden te noemen, ze zijn allemaal in ons lichaam terug te
      vinden.47,48,200-202 De wetenschap dat een bepaald (afbraakproduct van een)
      gewasbeschermingsmiddel in bloed of urine is aangetroffen, kan bij de betref-
      fende personen tot bezorgdheid leiden. Die willen voorkomen door niet te meten,
      is volgens de commissie geen optie. Omwonenden zouden immers kunnen den-
 00   Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>      ken dat er wat te verbergen valt.203 Die gedachte kan evenzeer ongerustheid
      oproepen.
          Het is volgens de commissie wel zaak om omwonenden al van te voren dui-
      delijk te maken dat niet de aanwezigheid op zich, maar de niveaus bepalen in
      hoeverre iets schadelijk voor de gezondheid is. Het lichaam is immers tot op
      zekere hoogte in staat om schadelijke stoffen om te zetten en uit te scheiden. Een
      interpretatie van de gemeten niveaus in termen van gezondheidsrisico’s vraagt
      om een vergelijking met gezondheidskundige grenswaarden (ARfD, ADI en
      A(O)EL). Voor zo’n vergelijking zijn de laatste jaren rekenmethoden ontwik-
      keld, bijvoorbeeld in de vorm van zogenoemde biomonitoring equivalen-
      ten.166,204-206 Dat zijn gezondheidskundige grenswaarden voor stoffen in
      biologische monsters (zoals urine of bloed) die met behulp van kennis over de
      kinetiek van de betreffende stof zijn afgeleid van bekende gezondheidskundige
      grenswaarden als de ADI of de A(O)EL. De uitkomsten zijn met de nodige onze-
      kerheid behept, maar in elk geval bruikbaar om te bepalen welke middelen een
      nadere beschouwing het meeste waard zijn.
6.1.5 Wat kan blootstellingsonderzoek opleveren?
      Afhankelijk van hoe breed het blootstellingsonderzoek wordt opgezet en mits
      zorgvuldig uitgevoerd, kan het de volgende informatie opleveren:
      • Informatie over de inwendige en uitwendige blootstelling van omwonenden
          aan gewasbeschermingsmiddelen onder praktijkomstandigheden; hiermee is
          te controleren in hoeverre de schatting van de blootstelling tijdens de toela-
          tingsprocedure een realistische benadering is van een worst case blootstel-
          lingsscenario in de praktijk en of bijstelling op onderdelen nodig is.
      • Informatie over eventuele gezondheidsrisico’s door vergelijking van gemeten
          blootstellingsniveaus met gezondheidskundige grenswaarden als de ADI, de
          ARfD en de A(O)EL; op grond van deze informatie kan worden bepaald of
          vervolgonderzoek naar gezondheidseffecten bij omwonenden nuttig is en
          naar welke effecten het best gekeken kan worden.
      • Informatie over het relatieve belang van de diverse bronnen en blootstellings-
          routes (zie figuur 2 in hoofdstuk 5); hiermee is te bepalen of de extra bronnen
          en routes via welke omwonenden zijn blootgesteld aan gewasbeschermings-
          middelen van betekenis zijn ten opzichte van andere bronnen en routes, zoals
          die via de voeding; deze informatie is nodig om te kunnen oordelen over de
          effectiviteit van maatregelen in de toelating, de landbouwkundige praktijk en
          de handhaving; dat kan gaan om aanpassing van modellen die de blootstel-
      Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                         101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>           ling schatten in de toelatingsprocedure, spuitvrije zones bij diverse teelten en
           persoonlijke handelingsopties van omwonenden (zie hoofdstuk 7).
      Een bijkomend voordeel van blootstellingsonderzoek is dat hiermee tegemoet
      wordt gekomen aan de bezorgdheid van omwonenden en aan de behoefte aan
      meer duidelijkheid bij agrariërs en distributeurs en fabrikanten van gewasbe-
      schermingsmiddelen. Daarnaast kan de kennis over gehalten van (afbraakpro-
      ducten van) gewasbeschermingsmiddelen in ons lichaam bijdragen aan het
      algemene besef dat veel stoffen die we gebruiken uiteindelijk in het lichaam
      terechtkomen. Dat besef kan een extra stimulans vormen voor terughoudendheid,
      zorgvuldigheid en zuinigheid en een stimulans vormen voor het vigerende beleid
      dat inzet op geïntegreerde gewasbescherming (zie paragraaf 3.3).
6.1.6 Wanneer is vervolgonderzoek zinvol?
      Vervolgonderzoek naar gezondheidseffecten kan zinvol zijn als een beleidsmatig
      gekozen percentiel van de blootstellingsniveaus van een of meerdere gewasbe-
      schermingsmiddelen in de buurt van of boven gezondheidskundige grenswaar-
      den blijkt te liggen. Daarbij merkt de commissie wel nadrukkelijk op dat
      effectenonderzoek zo mogelijk nog lastiger is dan blootstellingsonderzoek. Ook
      dergelijk onderzoek zal jaren duren, zeker in geval van prospectief onderzoek.
      Verder is het niet zeker dat het effecten aan het licht brengt, zelfs als die werke-
      lijk optreden. Er moet rekening mee worden gehouden dat de uitkomsten geen
      einde aan de discussie over gezondheidseffecten hoeven te betekenen. De com-
      missie acht het daarom verstandig om bij normoverschrijding aanvullende bloot-
      stellingbeperkende maatregelen (bovenop de in hoofdstuk 7 genoemde
      maatregelen die hoe dan ook goed zijn) te treffen en niet te wachten op de uit-
      komsten van epidemiologisch onderzoek naar gezondheidseffecten. Uit de toela-
      tingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen volgt immers dat
      blootstellingen boven gezondheidskundige grenswaarden beleidsmatig onge-
      wenst is. Als de blootstelling daarentegen (ruim) onder de grenswaarden blijkt te
      liggen, dan ligt het risico naar alle waarschijnlijkheid binnen aanvaarde grenzen.
      Aanvullende maatregelen zijn dan vanuit het oogpunt van de gezondheid van
      omwonenden niet nodig.
6.2   Mogelijke opzet van het blootstellingsonderzoek
      Blootstellingsonderzoek is veelomvattend onderzoek en dat geldt in het bijzon-
      der als het mede gericht is op bepaling van de inwendige blootstelling. In het ver-
 02   Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>      leden heeft dergelijk onderzoek geregeld moeilijk te interpreteren of
      tegenstrijdige resultaten opgeleverd (zie hoofdstuk 5). Alleen zeer zorgvuldig
      opgezet onderzoek kan bruikbare informatie opleveren en dat vergt een goede
      voorbereiding. Dat kwam ook duidelijk naar voren in het gesprek met de Britse
      onderzoekers die dergelijk onderzoek uitvoeren in het Verenigd Koninkrijk.9
      Teelten en te meten stoffen moeten worden gekozen, analysemethoden moeten
      worden uitgezocht of ontwikkeld, meetlocaties, onderzoeks- en controlepopula-
      ties moeten worden gekozen, deelnemers worden geworven, personeel moet
      worden geworven en opgeleid, systemen voor een betrouwbare registratie en
      omgang met grote aantallen monsters dienen te worden ontwikkeld, opslagcapa-
      citeit moet worden geregeld, et cetera. Dat alles kost de nodige tijd.
          De commissie ziet het niet als haar taak om een gedetailleerd onderzoekspro-
      tocol op te stellen. Als beleidsmakers en politici besluiten dat blootstellingson-
      derzoek daadwerkelijk moet plaatsvinden en als ze hun doelen hebben
      geformuleerd, dan is het aan het onderzoeksinstituut of een consortium van insti-
      tuten om een passend protocol op te stellen. De commissie raadt de onderzoekers
      aan om kennis te nemen van het Britse onderzoeksprotocol9. Hier volstaat de
      commissie met een aantal algemene opmerkingen over de opzet.
6.2.1 Welke gewasbeschermingsmiddelen?
      De commissie noemt zelf geen middelen die in het onderzoek betrokken zouden
      moeten worden. De ervaringen in het Verenigd Koninkrijk hebben uitgewezen
      dat niet altijd op grond van voorgaande seizoenen te voorspellen is welke midde-
      len komend groeiseizoen veel gebruikt zullen gaan worden. Voorkomen moet
      worden dat het onderzoek gericht wordt op middelen waarvan tijdens het meet-
      seizoen blijkt dat ze nauwelijks worden gebruikt. Overeenkomstig het advies van
      de Britse onderzoekers raadt de commissie daarom aan de gewasbeschermings-
      middelen uit te kiezen in nauw overleg met landbouwkundigen die het beste
      weten welke middelen komende seizoenen in de betreffende teelten ingezet gaan
      worden. De commissie volstaat met het noemen van enkele criteria waarop de
      keuze volgens haar gebaseerd zou moeten worden:207
      • Het gebruiksvolume (in kg/ha/j of kg/j): dat bepaalt de hoogte en de duur van
          de blootstelling.
      • De toxiciteit (uitgedrukt in gezondheidskundige grenswaarden als A(O)EL,
          ARfD en ADI); speciale aandacht verdienen middelen waarvan bekend is dat
          ze het vermogen hebben om de ontwikkeling van het ongeboren of jonge
          kind te schaden.
      Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                        103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>   •    De vluchtigheid: zij bepaalt mede het vermogen van de stof om de plaats van
        toepassing te verlaten en daarmee de hoogte en de duur van de blootstelling.
   •    De toedieningswijze: ook die bepaalt het vermogen van de stof om de plaats
        van toepassing te verlaten en dus de hoogte van de blootstelling.
   •    De afbraaksnelheden in de diverse relevante media (bodem, huisstof, lucht,
        water): samen bepalen die mede hoogte en duur van de blootstelling.
   •    De hydrofobiciteit: zij bepaalt o.a. de hechting van een stof aan bodemdeel-
        tjes en de opneembaarheid via de huid en daarmee de hoogte en de duur van
        de blootsteling.
   In het Britse onderzoek werd de keuze van de te onderzoeken gewasbescher-
   mingsmiddelen sterk beperkt door de beschikbaarheid van informatie over de
   kinetiek van middelen in het menselijk lichaam (welke omzettingsproducten ont-
   staan in het lichaam en langs welke weg worden ze uitgescheiden?) en de
   beschikbaarheid van analysemethoden voor moederstoffen en belangrijke meta-
   bolieten, waarmee zich grote hoeveelheden monsters laten doormeten.9 De com-
   missie vindt echter dat de beschikbaarheid van analysemethodes geen
   doorslaggevend argument mag zijn bij de keuze van te onderzoeken gewasbe-
   schermingsmiddelen. Die keuze moet in de eerste plaats ingegeven zijn door de
   op grond van voorgaande criteria geschatte blootstellings- en gezondheidsri-
   sico’s. Mocht de keuze op middelen vallen waarvoor de benodigde kennis over
   de vorming van metabolieten of geschikte analysemethoden ontbreken, dan moet
   de ontwikkeling daarvan met spoed ter hand worden genomen. Eventueel kunnen
   monsters worden bewaard voor latere analyse, wanneer de benodigde kennis en
   methoden beschikbaar zijn. De commissie beveelt aan dat Nederland in EU-ver-
   band verdere discussie entameert over de vraag of informatie over de kinetiek in
   het menselijk lichaam voldoende geborgd is in het toelatingsdossier. Deze infor-
   matie is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een biomonitoring equivalent
   voor het betreffende middel. Verder zouden methoden voor analyse van mense-
   lijk bloed en urine standaard deel uit moeten maken van het dossier dat fabrikan-
   ten aanleveren ten behoeve van de toelating. Nu is dat nog niet altijd het geval.
        De commissie acht het raadzaam om het onderzoek op een voldoende aantal
   gewasbeschermingsmiddelen te richten. Ze denkt aan een tiental. Als men te
   weinig middelen bij het onderzoek betrekt, kan men er nauwelijks zeker van zijn
   dat ze voldoende representatief zijn voor alle middelen die een gezondheidsrisico
   voor omwonenden zouden kunnen vormen. Onderzoek aan meerdere middelen
   kan bovendien duidelijker in beeld brengen welke van de hiervoor genoemde cri-
   teria doorslaggevend zijn voor het risico van omwonenden. Die kennis is nuttig
   bij de toelatingsbeoordeling van middelen. Bovendien moet het onderzoek gege-
04 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>      vens opleveren ter verfijning van blootstellingsmodellen en ter beoordeling van
      de effectiviteit van tal van maatregelen om de blootstelling te verminderen. Het
      is twijfelachtig of een handvol stoffen daartoe voldoende representatief is. Een
      bijkomend voordeel is dat meer zicht ontstaat op combinatieblootstelling. Meer
      dan een tiental, goed gekozen middelen in het onderzoek betrekken acht de com-
      missie in dit stadium niet zinvol. De kosten van het onderzoek zouden dan snel
      verder kunnen oplopen of het gaat ten koste van de diepgang. De commissie
      meent dat het beter is om enkele middelen grondig te onderzoeken, dan vele
      oppervlakkig. Aan de hand van de resultaten kan later worden bezien of uitbrei-
      ding naar andere middelen nuttig is.
6.2.2 Welke teelten?
      Tijdens de hoorzitting hebben deelnemers de wens geuit dat er in verschillende
      teelten wordt gemeten om te voorkomen dat de discussie over de blootstelling
      van omwonenden straks voor elke teelt opnieuw begint. De commissie onder-
      schrijft dat. Ze denkt dat het goed is om teelten te kiezen die karakteristiek zijn
      voor Nederland en die tevens voor de blootstelling van omwonenden vermoede-
      lijk worst case situaties vormen. De commissie acht het raadzaam om het onder-
      zoek te richten op:
      • de bollenteelt; deze heeft van alle open teelten het hoogste gebruik van
           gewasbeschermingsmiddelen in kg/ha/j
      • fruitboomgaarden: die zijn bijzonder vanwege het zij- of opwaarts spuiten en
           een hoog gebruik van middelen in kg/ha/j.
      In aanvulling daarop kan eventueel nog gekeken worden naar:
      • de kasteelt; ook hier geldt althans voor sommige teelten dat het verbruik van
           (ook illegale) middelen hoog is; er zijn bovendien aanwijzingen dat de uit-
           stoot vanuit kassen naar de buitenlucht van dezelfde grootteorde is als die
           vanuit onbedekte teelten.208
6.2.3 Welke doelgroepen?
      De commissie beveelt aan om het blootstellingsonderzoek te richten op drie
      groepen van omwonenden: agrariërs (die zelf gewasbeschermingsmiddelen toe-
      passen of in behandeld gewas werken), gezinsleden van deze agrariërs en tot slot
      niet-agrariërs. Omwonenden die zelf geen agrariër zijn, denken geregeld dat ze
      hoger blootgesteld zijn dan de agrariërs die zelf middelen toepassen. Laatstge-
      noemden gebruiken immers persoonlijke beschermingsmiddelen en gesloten
      Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                         105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>   tractorcabines. Wetenschappers en risicobeoordelaars verwachten dat deson-
   danks de toepassers en werkers aanzienlijk hoger zijn blootgesteld, de eerste
   groep omdat ze ook de spuitvloeistof aanmaken en de apparatuur onderhouden,
   de tweede groep omdat ze vaak geen beschermende kleding dragen. Biomonito-
   ringgegevens lijken dat te bevestigen.87 Niettemin blijkt uit onderzoek dat de
   hoogst blootgestelde individuen in de algemene bevolking soms beroepsmatige
   blootstellingsniveaus bereiken87 en dat omstanders van bespuitingen soms hoger
   zijn blootgesteld dan op grond van berekeningen verwacht werd.209 Door zowel
   agrariërs als niet-agrariërs in het onderzoek mee te nemen kan hierover meer dui-
   delijkheid worden verkregen. Door gezinsleden van agrariërs te vergelijken met
   niet-agrariërs kan worden onderzocht in hoeverre agrariërs een bron van besmet-
   ting vormen voor hun huisgenoten.
       Om te kunnen achterhalen welk deel van de blootstelling aan gewasbescher-
   mingsmiddelen is toe te schrijven aan wonen nabij behandelde percelen en welk
   aan voeding of particulier huis- en tuingebruik, acht de commissie het zinvol om
   geschikte controlepopulaties bij het onderzoek te betrekken. Dat zouden mensen
   kunnen zijn uit gebieden met andere teelten, waar de onderzochte middelen niet
   worden gebruikt, of mensen uit weidegebieden. Een alternatief is om bewoners
   van agrarische gebieden hun eigen controlegroep te laten zijn door tevens metin-
   gen te verrichten buiten het spuitseizoen.
       De commissie vindt het cruciaal om bijzondere aandacht te besteden aan
   vrouwen in de vruchtbare leeftijd (met het oog op blootstelling van het ongebo-
   ren kind) en kinderen jonger dan vier jaar. Vanwege hun afwijkende gedrag (han-
   den en voorwerpen in de mond, kruipen) en hun kleinere gestalte zijn de laatsten
   vaak hoger blootgesteld (per kilogram lichaamsgewicht) dan volwassenen. Bij
   het ongeboren kind en bij jonge kinderen vinden bovendien tal van ontwikke-
   lingsprocessen plaats die vatbaar zijn voor verstoring door toxische stoffen, met
   blijvende gevolgen voor de gezondheid. Als omwonenden al enig risico lopen
   door agrarisch gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de omge-
   ving, dan is volgens de commissie de kans daarop het grootst bij jonge kinderen.
   In het Britse biomonitoringsonderzoek blijven jonge kinderen buiten beschou-
   wing. Aparte aandacht voor andere groepen met mogelijk een verhoogd risico,
   zoals ouderen, verdient overweging.210
       In het Britse onderzoek werden deelnemers geworven door eerst agrariërs te
   benaderen en vervolgens omwonenden (binnen een straal van 100 meter) van
   deelnemende bedrijven.9 Een probleem bij deze aanpak is volgens de commissie
   dat de deelnemende agrarische bedrijven mogelijk geen representatieve steek-
   proef vormen. De agrariërs die meedoen, kunnen voorlopers zijn met een meer
   dan gemiddeld milieubesef of extra zorgvuldig te werk gaan in het besef dat ze
06 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>      onder het vergrootglas van de onderzoekers liggen. Daardoor zou het onderzoek
      een te rooskleurig beeld van de werkelijkheid kunnen opleveren. Echt op te los-
      sen is dit probleem naar de mening van de commissie niet. Wellicht is het moge-
      lijk om een indruk te krijgen van de mate van deze vertekening door op beperkte
      schaal ook metingen te verrichten nabij bedrijven die niet in het onderzoek mee-
      doen.
           Ook het gedrag van deelnemende omwonenden zal mogelijk niet helemaal
      representatief zijn. Naarmate zij zich meer bewust zijn van de risico’s en meer
      invulling geven aan de handelingsopties die de commissie hen in hoofdstuk 7
      aanreikt, zal hun blootstelling lager uitpakken. Dit probleem is wellicht deels te
      ondervangen door onderzoek te doen in gebieden waar de bezorgdheid niet al te
      hoog is en door lang te meten. Al met al raadt de commissie aan om bij de inter-
      pretatie van de resultaten er rekening mee te houden dat de uitkomsten mogelijk
      te rooskleurig zijn.
6.2.4 Welk type metingen?
      Zoals de commissie al aangaf, verwacht ze dat een combinatie van onderzoeks-
      methoden de beste garantie biedt op betrouwbare en interpreteerbare resultaten.
      Daarbij gaat het om het meten van de inwendige blootstelling door middel van
      biomonitoring, het meten van de uitwendige blootstelling door de analyse van
      contactmedia en het verzamelen van aanvullende informatie over factoren die de
      blootstelling kunnen beïnvloeden, zoals actuele gebruiksgegevens, afstand tus-
      sen woningen en percelen, activiteitenpatronen van omwonenden, voedingspa-
      tronen, particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, biociden en
      (dier)geneesmiddelen en de weersomstandigheden.Vergelijk40
           Het verdient aanbeveling om in het onderzoek extra aandacht te besteden aan
      blootstellingsroutes (zoals moestuinen en take-home) die door kennisgebrek nu
      nog niet worden meegenomen in de methode die EFSA aan het ontwikkelen is
      voor de schatting van de blootstelling van omwonenden.8
           Het is nuttig om in voedsel- en milieumonsters niet alleen de moederstoffen
      te meten, maar ook omzettingsproducten. Op die manier is te achterhalen welk
      deel van de in lichaamsmaterialen of uitscheidingsproducten (urine) van de mens
      aangetroffen omzettingsproducten als omzettingsproducten vanuit de voeding en
      het milieu zijn ingenomen en welk deel als moederstof.211-213
      Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                        107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>6.2.5 Timing van de monstername
      Veel moderne gewasbeschermingsmiddelen zijn weinig persistent in het mense-
      lijk lichaam en worden snel door het lichaam afgebroken en uitgescheiden.
      Daarom is de timing van het nemen van urinemonsters cruciaal voor het verkrij-
      gen van een juist beeld van de blootstelling van omwonenden. Als te veel tijd
      verstrijkt tussen het moment van blootstelling en de monstername, worden geen
      (metabolieten van) gewasbeschermingsmiddelen meer aangetroffen en wordt de
      blootstelling onderschat. Om te onderzoeken in hoeverre omwonenden worden
      blootgesteld door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op landbouw-
      percelen in de onmiddellijke omgeving moet daarom bekend zijn wanneer agra-
      riërs spuiten, zodat de monstername daarop kan worden afgestemd.
           De commissie beveelt aan om bij (een deel van) de deelnemende personen op
      meerdere dagen voor en na een bespuiting urinemonsters te nemen. De ervaring
      heeft geleerd dat de interpretatie van meetgegevens gemakkelijker wordt als tijd-
      reeksen van monsters van dezelfde persoon beschikbaar zijn (zie hoofdstuk 5).
      Op deze manier kan een goed beeld worden verkregen van de piekblootstelling
      van omwonenden. Door (wellicht wat minder frequent) ook buiten het sproeisei-
      zoen monsters te nemen, wordt het patroon van inwendige blootstelling over het
      jaar heen zichtbaar. Zo kan helder worden hoe het belang van verschillende
      blootstellingsbronnen en -routes over de seizoenen varieert.
           Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan over de jaren heen nogal
      variëren door wisselende weersomstandigheden en plaagdrukken. Daarom ver-
      dient het aanbeveling om, net zoals in het Britse onderzoek, meerdere jaren te
      meten. Uit de som van de meetresultaten valt de chronische blootstelling van
      omwonenden af te leiden.
           Het is zaak dat deelnemers zorgvuldig, precies volgens de afgesproken pro-
      cedures hun urinemonsters aanleveren. Over zo’n lange onderzoeksperiode is het
      echter moeilijk voor deelnemers om gemotiveerd te blijven en het hoge niveau
      van zorgvuldigheid vast te houden. De Britse onderzoekers hebben naar de
      mening van de commissie hiervoor een elegante oplossing gevonden in de vorm
      van ‘community researchers’.9 Dat zijn lokaal geworven krachten die na een
      gedegen opleiding deelnemers werven, hen instrueren en monsters ophalen. Zij
      onderhouden alle contacten en zorgen voor de communicatie met de deelnemers.
      Zij vormen het lokale gezicht van het onderzoeksteam en bouwen een band met
      de deelnemers op. De commissie meent dat het verstandig is om ook in het
      Nederlandse onderzoek dergelijke community researchers aan te stellen. Wellicht
      kunnen zij geworven worden onder medisch personeel, zoals wijkverpleegkundi-
 08   Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>      gen, sociaal-verpleegkundigen van GGD-en of nurse practitioners in huisartsen-
      praktijken.
6.2.6 Overige aspecten
      Ethische en juridische aspecten
      Afhankelijk van de precieze opzet van het onderzoek kunnen verschillende
      Nederlandse wetten van toepassing zijn. Dat betreft de Wet medisch-weten-
      schappelijk onderzoek met mensen (WMO)214 en de Wet op het bevolkingson-
      derzoek (WBO)215. Deze wetten leggen de onderzoekers tal van verplichtingen
      op om de deelnemers in het onderzoek bescherming te bieden. Pas als gedetail-
      leerde onderzoeksprotocollen zijn opgesteld, is te beoordelen of het onderzoek
      binnen de reikwijdte van deze wetten valt. Maar ook als dat niet het geval mocht
      zijn, acht de commissie het raadzaam om het onderzoeksprotocol te zijner tijd ter
      advisering voor te leggen aan een erkende medisch-ethische toetsingscommissie
      (METC). Bij het Britse onderzoek is dat ook gebeurd.9 Deelname van heel jonge,
      wilsonbekwame kinderen vormt een extra argument voor raadpleging van een
      METC. Bijzondere aandacht verdient de terugkoppeling van de resultaten van
      het onderzoek naar de deelnemende omwonenden en agrariërs (zie bijvoorbeeld
      een Vlaamse protocol voor terugkoppeling van biomonitoringsresultaten216). De
      procedure daarvoor dient vóór de aanvang van het onderzoek te worden vastge-
      steld. De commissie beveelt aan dat voorafgaand aan de besluitvorming verte-
      genwoordigers van de betreffende belanghebbende partijen naar hun mening
      wordt gevraagd over de diverse opties.
      Communicatie
      In een eerder advies liet de Gezondheidsraad weten dat hij risicocommunicatie,
      vooral in de vorm van bewonersparticipatie, als een noodzakelijk onderdeel
      beschouwt van de benadering van lokale milieuproblemen.199 Het betrekken van
      mensen heeft echter weinig zin en kan zelfs tegengesteld werken als er niets met
      hun opmerkingen en meningen gebeurt, aldus de raad toen. In het verlengde hier-
      van meent de commissie dat overleg tussen de onderzoekers en alle betrokken
      partijen nodig is, niet alleen na afloop over de resultaten, maar al tijdens de voor-
      bereiding van het onderzoek en terwijl het aan de gang is. De commissie beveelt
      aan hiervoor een klankbordgroep van belanghebbenden in het leven te roepen.
      Zo is te bereiken dat het onderzoek voldoende is afgestemd op de informatiebe-
      hoefte van alle partijen en kan bij iedereen het vertrouwen groeien dat het onder-
      Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                           109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>      zoek met verstand van zaken en onafhankelijk wordt uitgevoerd. Het taalgebruik
      van de onderzoekers moet daarbij aansluiten bij de kennisniveaus van de doel-
      groepen.
      Kosten
      De kosten van het Britse onderzoek bedragen volgens de gesproken onderzoe-
      kers ruim 0,5 miljoen Britse ponden. Dat onderzoek heeft echter een smalle
      vraagstelling en is derhalve beperkt van opzet (3 onderzoeksgebieden, 4-5 stof-
      fen, geen jonge kinderen onder de deelnemers en alleen biomonitoring, beperkte
      tijdreeksen van monsters). De commissie verwacht dat de kosten van het onder-
      zoek zoals zij hierboven heeft geschetst, enkele miljoenen euro’s zullen bedra-
      gen.
6.2.7 Langjarige monitoring van de blootstelling
      In aanvulling op het voorgestelde blootstellingsonderzoek, beveelt de commissie
      aan de menselijke blootstelling min of meer permanent te gaan monitoren, zoals
      nu al gebeurt bij de waterkwaliteit en de residugehaltes van voedingsproducten.
      Biomonitoring is daarvoor heel geschikt. De agrarische sector is voortdurend in
      beweging. Teelten, middelen, toedieningstechnieken en landbouwkundige prak-
      tijken zijn allemaal voortdurend aan verandering onderhevig. Monitoring kan
      duidelijk maken of toelatingsprocedure en praktijkmaatregelen ook in de toe-
      komst nog voldoen en informatie aandragen voor noodzakelijke aanpassingen.
      Het is voorlopig ook de enige manier om te achterhalen of (en te bewaken dat)
      onze toelatingssystemen voor afzonderlijke producten, die bovendien doorgaans
      slechts blootstelling vanuit één bron en langs één blootstellingsroute in beschou-
      wing nemen, voldoende bescherming bieden. Het door de commissie voorge-
      stelde tijdelijke biomonitoringsonderzoek onder omwonenden kan leerpunten
      aandragen voor zo’n meer permanente monitoringsstructuur en wellicht een eer-
      ste aanzet vormen. Op Europees niveau lopen nu al enkele projecten (COPHES
      en DEMOCOPHES, zie http://www.eu-hbm.info/cophes) om de aanpak van bio-
      monitoring tussen de diverse landen te harmoniseren. Het verdient volgens de
      commissie aanbeveling om daarbij aan te sluiten en deze of nieuwe projecten
      ook te richten op moderne gewasbeschermingsmiddelen.
 10   Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>6.3 Conclusies en aanbevelingen
    De commissie acht onderzoek onder omwonenden zinvol, te beginnen met bloot-
    stellingsonderzoek. Op geleide van de uitkomsten is vervolgens te bezien in hoe-
    verre onderzoek naar gezondheidseffecten nuttig is en hoe dat eruit moet zien.
    Het blootstellingsonderzoek kan het beste plaatsvinden door verschillende
    onderzoeksmethoden te combineren. Biomonitoring – in dit geval het meten van
    gewasbeschermingsmiddelen en hun afbraakproducten in lichaamsmaterialen of
    uitscheidingsproducten van omwonenden – levert informatie over hun totale
    blootstelling vanuit alle bronnen en via alle routes. Metingen in contactmedia,
    zoals lucht, bodem, water, huisstof et cetera, in combinatie met aanvullende
    gegevens over blootstellingbepalende factoren (agrarisch gebruik van gewasbe-
    schermingsmiddelen, gedrag van omwonenden, voedingspatronen, particulier
    gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, afstand tot agrarische per-
    celen, weersomstandigheden) verschaffen inzicht in het relatieve belang van
    bronnen en routes. Alleen dergelijk veelomvattend onderzoek kan duidelijk
    maken welke bijdrage agrarisch gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de
    onmiddellijke omgeving levert aan de totale blootstelling van mensen. Deze
    informatie is tevens nodig ter verfijning van in de toelatingsprocedure gebruikte
    blootstellingsmodellen en ter beoordeling van de noodzaak en effectiviteit van
    blootstellingbeperkende maatregelen door landelijke en lokale overheden, agra-
    riers en omwonenden zelf.
        De commissie beveelt aan het blootstellingsonderzoek te richten op agrariërs,
    hun gezinsleden en niet-agrariërs en daarbij vooral in te zoomen op vrouwen in
    de vruchtbare leeftijd (met het oog op het ongeboren kind) en heel jonge kinde-
    ren. De snelle afbreekbaarheid van moderne gewasbeschermingsmiddelen en de
    grote temporele variatie in blootstelling maken een intensieve bemonstering en
    onderzoek over meerdere jaren nodig. Kennis van geschikte biomarkers in
    lichaamsmaterialen en uitscheidingsproducten, inclusief de bijbehorende biomo-
    nitoring equivalenten, is een voorwaarde en moet voor zover niet beschikbaar
    worden ontwikkeld. De commissie verwacht dat de kosten van het beschreven
    onderzoek enkele miljoenen euro’s zullen bedragen.
        Vervolgonderzoek naar gezondheidseffecten kan zinvol zijn als de blootstel-
    lingsniveaus van één of meerdere gewasbeschermingsmiddelen in de buurt van
    of boven gezondheidskundige grenswaarden blijken te liggen. In dat geval is het
    goed om aanvullende blootstellingbeperkende maatregelen te treffen (bovenop
    de maatregelen die de commissie nu al in hoofdstuk 7 bepleit) en daarmee niet te
    Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden                                       111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>   wachten op de uitkomsten van langdurig epidemiologisch onderzoek naar
   gezondheidseffecten.
       Goede communicatie voor, tijdens en na het onderzoek met alle belangheb-
   bende partijen over doel, opzet en (mogelijke) uitkomsten van het onderzoek
   acht de commissie cruciaal. Het is zaak om deelnemers van te voren duidelijk te
   maken dat niet de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op zich, maar
   de niveaus bepalen in hoeverre er risico’s voor de gezondheid zijn. Het verdient
   aanbeveling om het onderzoeksprotocol te zijner tijd ter advisering voor te leg-
   gen aan een medisch-ethische toetsingscommissie.
       Gezien de voortdurende veranderingen in de gewasbeschermingspraktijk
   beveelt de commissie aan na te denken over permanente monitoring van de uit-
   wendige en inwendige blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmidde-
   len. Dat levert waardevolle informatie over de effectiviteit van het gevoerde
   beleid rond deze middelen. Het nu door de commissie voorgestelde onderzoek
   onder omwonenden kan leerpunten aandragen voor zo’n permanente monito-
   ringsstructuur en wellicht een eerste aanzet vormen.
12 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre> oofdstuk 7
          Voorgestelde maatregelen
          In dit hoofdstuk schetst de commissie enkele handelingsopties die de landelijke
          en lokale overheden of andere belanghebbende partijen ter beschikking staan.
          Daarmee kunnen zij tegemoet komen aan de bezorgdheid van omwonenden, die
          mede voortvloeit uit de wetenschappelijke onzekerheid.
7.1       Handelen in situaties van onzekerheid
          Zoals uit de voorgaande hoofdstukken blijkt, is er in ons land weinig informatie
          beschikbaar over de blootstelling van de mens aan gewasbeschermingsmiddelen.
          Door de vele residu-analyses en metingen in drinkwater is redelijk goed bekend
          wat mensen via de voeding binnen (kunnen) krijgen, maar er bestaat amper zicht
          op de blootstelling door het werk dat mensen verrichten, door particulier gebruik
          van middelen of vanuit de omgeving. Recente metingen in contactmedia, opper-
          vlaktewater uitgezonderd, zijn schaars en recente gegevens over de inwendige
          blootstelling door analyse van urine, feces, ademlucht of bloed ontbreken vrijwel
          geheel. Daarmee is onduidelijk of het gevoerde gewasbeschermingsbeleid vol-
          doende effectief is waar het gaat om de blootstelling van mensen via het werk,
          particulier gebruik of vanuit het milieu. Het in het vorige hoofdstuk geschetste
          onderzoek beoogt deze lacune op te vullen en meer duidelijkheid te scheppen
          over de blootstelling van de mens, vooral in agrarische gebieden. Politieke
          besluitvorming en uitvoering van het onderzoek vergen echter veel tijd. Het zal
          nog enige jaren duren voordat de uitkomsten beschikbaar zijn en de kans bestaat
          Voorgestelde maatregelen                                                          113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>      dat daarmee niet op alle vragen een afdoende antwoord te geven is. De onzeker-
      heid zal voorlopig dus nog voortbestaan.
          Enkele jaren geleden heeft de Gezondheidsraad het voorzorgsbeginsel
      omschreven als een strategie voor een zorgvuldige omgang met onzekerheden.217
      De Nederlandse overheid heeft deze zienswijze destijds omarmd.218 Volgens de
      commissie kan passend invulling worden gegeven aan deze strategie door maat-
      regelen te treffen die weinig of niets kosten of die vanwege andere voordelen hoe
      dan ook de moeite waard zijn. Daarnaast zijn ook duurdere maatregelen het over-
      wegen waard. In de volgende paragrafen schetst de commissie enkele mogelijke
      maatregelen. Ze zijn onder te verdelen in aanpassingen in de toelatingsprocedure
      en maatregelen in de landbouwkundige praktijk.
          De opsomming van maatregelen betekent niet dat de commissie ervan over-
      tuigd is dat de gezondheid van mensen in agrarische gebieden ernstig wordt
      geschaad. Zij is veeleer op te vatten als een reactie op de heersende wetenschap-
      pelijke onzekerheid en de ongerustheid die daaruit bij een deel van de omwonen-
      den voortvloeit. Deze ongerustheid vermindert de kwaliteit van leven van deze
      mensen en is daarom op zichzelf een goede reden om maatregelen te treffen.
7.2   Aanpassingen in de toelatingsprocedure
7.2.1 Opvulling van gesignaleerde hiaten
      De commissie acht het van belang dat in internationaal verband verder wordt
      gewerkt aan de opvulling van de in hoofdstuk 3 genoemde hiaten in de toela-
      tingsprocedure en dat Nederland daaraan bijdraagt. Niet alleen heeft ons land
      veel expertise, maar het vergroot ook de kans dat ontwikkelde methoden geschikt
      zijn voor de beoordeling van risico’s onder specifiek Nederlandse omstandighe-
      den. Dit alles is niet alleen goed voor omwonenden, maar voor alle personen die
      met gewasbeschermingsmiddelen in aanraking kunnen komen, dus ook toepas-
      sers, werkers, omstanders, passanten en consumenten.
          Daarnaast beveelt de commissie aan dat Nederland in EU-verband verdere
      discussie entameert over de vraag of informatie over de kinetiek (de lotgevallen
      van een stof) in het menselijk lichaam voldoende geborgd is in het toelatingsdos-
      sier. Deze informatie is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een biomonito-
      ring equivalent voor het betreffende middel. Verder zouden methoden voor
      analyse van menselijk bloed en urine standaard deel uit moeten maken van het
      dossier dat de fabrikanten aanleveren ten behoeve van de toelating. Nu is dat nog
      niet altijd het geval.
 14   Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>7.2.2 De methode van de EFSA voor beoordeling van de risico’s voor
      omwonenden
      De commissie zal nu wat uitvoeriger stil staan bij een van de genoemde hiaten,
      namelijk de risicobeoordeling voor omwonenden. De raad is immers expliciet
      gevraagd zijn oordeel uit te spreken over de nieuwe methoden die daarvoor in
      internationaal verband in ontwikkeling zijn.8 De commissie is van mening dat
      omwonenden een eigenstandige groep vormen die apart bij de risicobeoordeling
      in beschouwing moet worden genomen. Anders dan onder toepassers en werkers
      bevinden zich onder omwonenden jonge kinderen, ouderen en chronisch zieken.
      Van omstanders en passanten onderscheiden omwonenden zich in hun patroon
      van blootstelling. Dat kenmerkt zich behalve door korte piekblootstellingen ook
      door meer chronische blootstelling aan lagere niveaus en combinaties van stof-
      fen. De commissie acht het dus een goede zaak dat een geharmoniseerde
      methode voor de beoordeling van de risico’s voor omwonenden nu in ontwikke-
      ling is.
          De commissie heeft met de methode van de EFSA voor enkele gewasbe-
      schermingsmiddelen uit de lelieteelt doorgerekend hoe de blootstelling van
      omwonenden zich verhoudt tot de A(O)EL. Voor een enkel middel kon ze op
      grond van de berekeningen niet uitsluiten dat jonge kinderen boven de gezond-
      heidskundige grenswaarde worden blootgesteld. Daarbij tekent de commissie
      wel aan dat er bij deze berekening veel worst case aannames zijn gedaan en dat
      de methode van de EFSA momenteel niet veel meer is dan een allereerste, oriën-
      terende aanzet. Er wordt nog volop aan gewerkt. Een tweede, nog steeds onrijpe
      versie ligt sinds kort voor becommentariëring bij de toelatingsinstanties van de
      EU-lidstaten en is niet openbaar. Aan de uitkomsten van de berekeningen van de
      commissie kan daarom nu nog niet al te veel waarde worden gehecht. Wel illus-
      treren ze de noodzaak van verdere ontwikkeling van de methode. De commissie
      verwacht dat de bevindingen van de projecten BREAM en BROWSE (zie hoofd-
      stuk 3) daaraan zullen bijdragen. Of met de inbouw van de EFSA-methode in de
      toelatingsprocedure de risico’s voor omwonenden goed zijn afgedekt, zal te zij-
      ner tijd moeten blijken door toetsing aan meetgegevens uit de praktijk.
          De EFSA heeft zelf al een aantal hiaten in de eigen aanpak geconstateerd die
      nog opvulling behoeven. Dat betreft de blootstelling via de eigen, gecontami-
      neerde moestuin en de insleep van gewasbeschermingsmiddelen in de woning
      via kleding en schoeisel van toepassers en werkers of via huisdieren. Voor opvul-
      ling daarvan is blootstellingsonderzoek nodig, zoals voorgesteld in het vorige
      hoofdstuk.
      Voorgestelde maatregelen                                                          115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>           De EFSA-methode is ook nog niet toegesneden op beoordeling van de
      risico’s voor omwonenden van kassen. Nederland beoordeelt die risico’s momen-
      teel met een eigen methode. De commissie acht het raadzaam om deze methode
      dusdanig te documenteren dat deze in de EFSA-methode kan worden ingebouwd
      of op andere wijze te streven naar harmonisatie van deze beoordeling. Gezien het
      grote oppervlak aan glastuinbouw in Nederland bepleit de commissie dat ons
      land hierbij een voortrekkersrol vervult.
           Het zal waarschijnlijk nog geruime tijd duren voor de geharmoniseerde aan-
      pak van de EFSA klaar is voor implementatie in de toelatingsprocedures van de
      EU-lidstaten. De commissie beveelt aan dat ons land tot die tijd gebruik maakt
      van minder veelomvattende, maar wel operationele Britse219 en Duitse220 metho-
      den. Aan de hand van een steekproef is te bepalen of het zinvol is om alle reeds
      toegelaten gewasbeschermingsmiddelen alsnog te beoordelen op hun risico voor
      omwonenden. De keuze van middelen kan berusten op de in paragraaf 6.2
      genoemde criteria.
           De EFSA stelt terecht dat de risico’s voor omwonenden door piekblootstel-
      lingen in beginsel afgedekt zijn door de beoordeling van die risico’s voor
      omstanders en passanten. De methode daarvoor is eveneens nog niet Europees
      geharmoniseerd. De methode die ons land nu hanteert, is uitsluitend gericht op
      de beroepsmatige, volwassen omstander en passant (zonder beschermende kle-
      ding) en daarmee niet op kinderen. De commissie beveelt aan om in afwachting
      van een geharmoniseerde Europese aanpak de nationale beoordeling uit te brei-
      den tot niet-beroepsmatige omstanders en passanten en daarmee tot kinderen. De
      al genoemde Duitse methode omvat tevens een berekening voor niet-beroepsma-
      tige omstanders, inclusief kinderen, en in de Britse methode worden niet-
      beroepsmatige volwassen omstanders beoordeeld.
7.2.3 Publieksvoorlichting over de toelatingsprocedure
      Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden is
      verantwoordelijk voor een adequate beoordeling van de toelaatbaarheid van
      gewasbeschermingsmiddelen en biociden die fabrikanten in Nederland op de
      markt willen brengen. Burgers hebben echter weinig of geen zicht op hoe de toe-
      latingsprocedure in elkaar steekt. Dat leidt tot misvattingen en gebrek aan ver-
      trouwen. De commissie beveelt daarom aan dat het college zich meer richt tot het
      publiek met goede voorlichting over de toelatingsprocedure in bewoordingen die
      voor leken begrijpelijk zijn. De figuren in dit advies kunnen wellicht als uit-
      gangsmateriaal dienen.
 16   Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>7.3   Maatregelen in de landbouwkundige praktijk
      Verbeteringen aanbrengen in de toelatingsprocedure, hoe nodig ook, is een moei-
      zame weg, omdat het daarbij om steeds ingewikkeldere kwesties gaat en omdat
      internationale afstemming is vereist. De blootstelling terugbrengen heeft ons
      land daarentegen veel meer zelf in de hand en kan daardoor sneller resultaat
      opleveren. De volgende maatregelen kunnen direct of indirect bijdragen aan een
      vermindering van de blootstelling van omwonenden. Ze staan gegroepeerd per
      partij die de maatregel kan nemen. Diverse van deze maatregelen zijn door de
      genoemde partijen al getroffen vanwege andere baten en maken deel uit van het
      gewasbeschermingsbeleid voor de komende jaren, zoals dat is vastgelegd in de
      Tweede Nota Duurzame Gewasbescherming.86
7.3.1 Door landelijke of lokale overheden
      •   Geïntegreerde gewasbescherming: De overheid zet met haar op duurzaam-
          heid gerichte gewasbeschermingsbeleid al krachtig in op de bevordering van
          geïntegreerde gewasbescherming (zie hoofdstuk 3).86 Daarbij is het streven
          om de inzet van chemische gewasbescherming zo veel mogelijk te beperken
          door voorrang te geven aan andere methoden om ziekten en plagen te voor-
          komen of te bestrijden. Het spreekt voor zich dat een vermindering van de
          inzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen direct leidt tot een lagere
          blootstelling, niet alleen van agrariërs en werkers in gewas, maar ook van
          consumenten, passanten en omwonenden.
      •   Versterkte handhaving: gelet op het feit dat agrariërs veiligheid onvoldoende
          prioriteit geven in hun bedrijfsvoering en niet alle voorschriften even strikt
          naleven, acht de commissie een versterkt toezicht door de verschillende
          inspecties (NVWA, Inspectie SZW, ILT) nodig. Dit sluit aan bij de recente
          aanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving om in een herijkt
          milieubeleid stevig in te zetten op handhaving en toezicht.221
      •   Goede klachtenstructuur: omwonenden van landbouwpercelen geven gere-
          geld aan niet te weten waar ze met hun meldingen over onzorgvuldig gebruik
          van gewasbeschermingsmiddelen, hun gezondheidsklachten of hun zorgen
          terecht kunnen. Soms vinden zij dat ze niet adequaat door instanties worden
          geholpen of hebben ze het gevoel dat ze van het kastje naar de muur worden
          gestuurd. Onlangs is daarom door particulieren een digitaal meldpunt opge-
          zet (www.gifklikker.nl). De commissie beschouwt de registratie van klachten
          echter een taak van de overheid, zoals omwonenden en milieuorganisaties
      Voorgestelde maatregelen                                                           117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>     ook zelf tijdens de hoorzitting hebben opgemerkt. Het is een wettelijke taak
     van GGD’en om vragen vanuit de bevolking te beantwoorden over de moge-
     lijke invloed van de leefomgeving op de gezondheid. Vragen of meldingen
     op het gebied van de handhaving horen thuis bij de NVWA. De commissie
     beveelt aan dat beide organisaties hun procedures voor dienstverlening aan
     de burger optimaliseren en hun onderlinge samenwerking op het gebied van
     gewasbeschermingsmiddelen verbeteren en intensiveren. Bijzondere aan-
     dacht moet uitgaan naar de terugkoppeling van deze organisaties naar de
     melder of vraagsteller. Registratie – met jaarlijkse rapportages – van alle mel-
     dingen, vragen en klachten kan in beeld brengen hoe vaak zich incidenten
     voordoen en hoe breed de bezorgdheid onder bewoners in agrarische gebie-
     den leeft en kan trends in de tijd zichtbaar maken. Dat is van grote waarde
     voor de periodieke evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid. Dit sluit ook
     aan bij de eis in de EU-richtlijn voor duurzaam gebruik van gewasbescher-
     mingsmiddelen dat lidstaten systemen invoeren voor het verzamelen van
     informatie over incidenten met acute en chronische vergiftigingen in groepen
     die regelmatig aan gewasbeschermingsmiddelen kunnen zijn blootgesteld,
     waaronder personen die in de nabijheid wonen van gebieden waar deze mid-
     delen worden toegepast.78
   • Spuitvrije zones en afstandseisen: dit zijn maatregelen die aanzienlijke finan-
     ciële consequenties kunnen hebben. Een probleem is dat wetenschappelijk
     niet goed is aan te geven hoe de relatie tussen afstand tot een behandeld per-
     ceel en blootstelling (en dus risico) precies is. Die varieert met de aard van
     het middel, de formulering, de toedieningswijze, de inrichting van het land-
     schap en de weersomstandigheden. Wel kan men stellen dat met toenemende
     afstand de blootstelling daalt. Als de toelating goed is geregeld en alle regels
     en voorschriften in de praktijk goed worden nageleefd, zouden de risico’s
     voor omwonenden in principe afgedekt moeten zijn en afstandscriteria niet
     nodig zijn. Spuitvrije zones en afstandscriteria zijn volgens de commissie
     daarom meer op te vatten als maatregelen die een (extra) veiligheidsmarge
     bieden, omdat bepaalde zaken in de toelatingsprocedure (nog) niet goed gere-
     geld zijn en omdat in de praktijk de voorschriften niet altijd worden nage-
     leefd. Op dit moment is onbekend wat de blootstellingsniveaus van
     omwonenden zijn en dus of vermindering van de blootstelling wel nodig is.
     Op grond van de huidige onzekerheid kan men het instellen van spuitvrije
     zones zowel bepleiten als afwijzen. Uiteindelijk gaat het om een politieke
     keuze. Omdat langs watergangen een (smalle) spuitvrije zone geldt, vindt de
     commissie dat invoering van een spuitvrije zone langs scholen, woonhuizen
     en dergelijke wel voor de hand ligt. De gekozen breedte zal dan een weer-
18 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>         spiegeling zijn van wat de politiek een juiste balans acht tussen gezondheids-
         kundige en economische waarden. Differentiatie naar type object (losse
         woning, aaneengesloten bebouwing, school, et cetera) verdient daarbij over-
         weging. Of hierbij een landelijke dan wel een lokale aanpak (via bestem-
         mingsplannen) wordt gevolgd of een combinatie van beide, is eveneens aan
         de politiek. De huidige trend is steeds meer om dit soort zaken lokaal te rege-
         len teneinde een lokale belangenafweging mogelijk te maken.222 De
         komende Omgevingswet is hierop mede gericht. Het gewasbeschermings-
         middelenbeleid is echter op (inter)nationale leest geschoeid. De afstandseis
         ten opzichte van watergangen geldt dan ook voor het hele land. In die zin ligt
         het voor de hand om ook spuitvrije zones tussen landbouwpercelen en
         woningen, scholen en dergelijke landelijk vast te stellen.
7.3.2 Door de agrarische sectoren
      •  Veiligheidsbesef: het is belangrijk dat agrariers bij hun bedrijfsvoering meer
         prioriteit geven aan veiligheid. Dat geldt in de eerste plaats hun eigen veilig-
         heid en die van hun medewerkers. Hoe kunnen omwonenden erop vertrou-
         wen dat hun gezondheid in goede handen is bij agrariërs, als die zich
         onvoldoende om hun eigen veiligheid bekommeren? De vakbonden en de
         agrarische sectoren hebben onlangs de krachten gebundeld om dit knelpunt
         aan te pakken. Om het veiligheidsbesef bij agrariërs te bevorderen en nuttige
         informatie aan te reiken, hebben zij een digitale toolbox in het leven geroe-
         pen (www.beschermbewust.nl). Daarnaast zullen agrariërs meer oog moeten
         hebben voor de veiligheid van niet-beroepsmatige omstanders en omwonen-
         den en daar ook blijk van moeten geven. Dat kan onder meer door rekening
         te houden met de weersomstandigheden en bijvoorbeeld niet te spuiten als
         windsnelheid en -richting kunnen leiden tot verwaaiing van de spuitnevel
         naar omwonenden. De commissie beveelt aan om in opleidingen voor het
         behalen van een bewijs van vakbekwaamheid (spuitlicentie gewasbescher-
         ming) meer aandacht te besteden aan veiligheidsaspecten, inclusief de veilig-
         heid van omwonenden.
      •  Good Neighbour Initiative: in het Verenigd Koninkrijk hebben belangheb-
         bende partijen het Good Neighbour Initiative gestart.223,224 Met behulp van
         voorlichtingsmateriaal moedigen zij agrariërs aan om met omwonenden te
         communiceren over onder meer de noodzaak van toepassingen, de aard van
         de middelen en de plaatsen en tijdstippen van toediening. Verder worden
         agrariërs opgeroepen kennis te nemen van de zorgen van omwonenden en
         met hen te zoeken naar haalbare oplossingen die de zorgen kunnen verminde-
      Voorgestelde maatregelen                                                            119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>     ren of wegnemen. Tijdens de door de commissie georganiseerde hoorzittin-
     gen hebben vertegenwoordigers van de landbouworganisaties laten weten
     mee te willen werken aan een soortgelijk initiatief in ons land. Inmiddels
     hebben ze voorlichtingsmateriaal voor agrariërs ontwikkeld, waarin staat hoe
     zij op een zorgvuldige manier met de zorgen en belangen van omwonenden
     kunnen omgaan (http://www.lto.nl/actueel/Nieuws/10834831/Campagne-
     gewasbescherming-en-omwonenden-van-start). Bij de communicatie met
     omwonenden over de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen kunnen
     agrariërs volgens de commissie ook goed gebruik maken van de zojuist
     genoemde toolbox ten behoeve van hun eigen veiligheid. Door deze informa-
     tie met omwonenden te delen kan bij laatstgenoemden het vertrouwen
     groeien dat de agrariër zich bewust is van de gevaren en adequate maatrege-
     len neemt, niet alleen voor zijn eigen veiligheid, maar ook voor die van de
     omwonenden. Een goede communicatie tussen beide partijen vergroot
     bovendien de mogelijkheden voor omwonenden die dat wensen om zelf nog
     aanvullende maatregelen te treffen (zie paragraaf 7.3.4).
   • Monitoring van blootstelling: de commissie beveelt aan dat werkgevers en
     werknemers binnen de agrarische sectoren meer gebruik maken van het peri-
     odiek medisch onderzoek (PMO) en daarbij ook vaker bloed- en urinemon-
     sters afstaan om de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen te
     controleren. Wellicht is een koppeling te maken met het permanente monito-
     ringsonderzoek dat de commissie in paragraaf 6.2 aanbeveelt.
   • Technische oplossingen: de agrarische sectoren worden geacht geïntegreerde
     gewasbescherming in de praktijk te brengen. Als de inzet van chemische
     middelen nodig is, kunnen technische voorzieningen verder bijdragen aan
     een vermindering van de uitstoot. Op de hoorzitting heeft de agrarische sec-
     tor al aangegeven meer gebruik te willen gaan maken van driftarme sproei-
     doppen. Men wil bevorderen dat ze niet alleen langs waterkanten worden
     ingezet, wat nu soms verplicht is, maar ook langs andere gevoelige objecten,
     zoals woningen en scholen. Dat kan verwaaiing van de spuitnevel beperken.
     Ontwikkelingen op het gebied van spuitsystemen kunnen voor een verdere
     reductie van de verwaaiing zorgen.225 Sommige typen spuiten kunnen boven-
     dien een betere verdeling van het gewasbeschermingsmiddel in het gewas
     bewerkstelligen of een deel van de spuitvloeistof die het gewas mist opvan-
     gen voor hergebruik. Het gebruik van GPS-systemen kan overlap van spuit-
     banen voorkomen. Sensorgestuurde bespuiting kan de hoeveelheid middel
     die elke sproeidop afgeeft, afstemmen op de hoeveelheid te behandelen
     gewas of te verdelgen onkruid. Door deze ontwikkelingen kan op de
     gebruikte hoeveelheid middel worden bespaard (zie http://www.riwa-
20 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>          maas.nl/nl/innovatieve+technieken/). Dat heeft een gunstig effect op de
          emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar de lucht en andere milieu-
          compartimenten na de toepassing. ‘Precision pest control’ kan in de toe-
          komst tot een steeds efficiënter gebruik van chemische
          gewasbeschermingsmiddelen leiden.226 Gezien de hoge kosten die daarmee
          gemoeid kunnen zijn, is wel de vraag in hoeverre deze technologie voor alle
          agrariërs of sectoren bereikbaar zal zijn.
      •   Vanggewassen: door vanggewassen te plaatsen aan de randen van percelen is
          vaak een aanzienlijk deel van de wegdrijvende spuitnevel tegen te hou-
          den.227,228 Dat kan bijvoorbeeld met een aanplant van bomen rondom fruit-
          boomgaarden. Vooral groenblijvende soorten zijn effectief. Dampen worden
          daarentegen minder goed uitgefilterd.
7.3.3 Door fabrikanten en distributeurs van gewasbeschermingsmiddelen
      •   Productinnovatie: fabrikanten werken voortdurend aan gewasbeschermings-
          middelen die effectiever zijn en minder belastend voor het milieu. Behalve de
          werkzame bestanddelen zijn daarbij ook de toegevoegde hulpstoffen van
          belang. Toegevoegde stoffen kunnen de viscositeit van middelen vergroten
          en daarmee de druppelgrootte tijdens het spuiten. Op die manier kan de drift
          van de spuitnevel worden beperkt.228 De formulering kan er tevens toe bij-
          dragen dat het middel zich beter aan de plant hecht, er minder vanaf druppelt
          of afregent, zich beter verdeelt over het oppervlak en beter wordt opgeno-
          men. De aldus verhoogde effectiviteit maakt besparingen op de doseringen
          mogelijk, waardoor de emissie naar de lucht en andere milieucompartimen-
          ten afneemt.
      •   Voorlichting en scholing: distributeurs en fabrikanten van gewasbescher-
          mingsmiddelen doen al veel aan voorlichting aan, en scholing van hun afne-
          mers. De commissie beveelt aan dat daarbij nog meer het accent wordt
          gelegd op veiligheid, niet alleen van de agrariër zelf, maar ook die van
          omwonenden.
7.3.4 Door omwonenden zelf
      Eigenlijk moet het niet nodig zijn dat omwonenden zelf nog aanvullende maatre-
      gelen treffen. In de ideale situatie zijn de toelating en de uitvoering van praktijk-
      voorschriften zodanig geregeld dat er geen noemenswaardig risico voor de
      omwonenden overblijft. Helaas voldoet de huidige praktijk niet aan dit ideaal,
      vandaar ook de bovenstaande aanbevelingen gericht aan overheden, agrarische
      Voorgestelde maatregelen                                                              121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>   sectoren, handel en fabrikanten. In hoeverre het niet ideaal zijn van de situatie
   werkelijk in een verhoogd risico op gezondheidsschade bij omwonenden resul-
   teert, is onduidelijk. Onderzoek zoals de commissie voorstelt, kan daar (enig)
   licht op werpen, maar dat vergt nog enkele jaren. Om omwonenden in deze onze-
   kerheid toch enige grip op hun persoonlijke situatie te bieden, noemt de commis-
   sie de onderstaande maatregelen. Hoe lang en hoe vaak ze moeten worden
   uitgevoerd, hoe effectief ze zijn of hoe erg het is als het een keer niet lukt, weet
   de commissie niet. Het is niet eens duidelijk of ze überhaupt nodig zijn. Wel zul-
   len de maatregelen in het algemeen een gunstig effect hebben op de blootstelling.
   Als dergelijke maatregelen slechts een of twee maal per jaar genomen behoeven
   te worden, is de inspanning beperkt. Maar als het om tientallen keren binnen één
   groeiseizoen gaat, betekent het een forse inperking van de persoonlijke vrijheid
   van omwonenden. Voor verlichting van hun last zijn zij dan aangewezen op
   maatregelen die andere partijen, in het bijzonder agrariërs en overheden, bereid
   zijn te treffen teneinde de lasten te delen. Bij de maatregelen die omwonenden
   zelf kunnen treffen om hun blootstelling te verminderen, gaat het om de vol-
   gende:
   • Groenten, kruiden en fruit uit eigen (moes)tuin wassen voor consumptie als
       die tuin grenst aan percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden
       toegepast.229 Eigenlijk is dit altijd verstandig, ongeacht de herkomst van
       groenten, kruiden en fruit.
   • Ramen sluiten tijdens en kort na de bespuiting van een aangrenzend per-
       ceel.229
   • Niet in de tuin zitten of spelen tijdens en kort na de bespuiting van een aan-
       grenzend perceel. Huisdieren kan men tijdelijk binnen houden.229
   • De was niet buiten laten drogen tijdens de bespuiting van een aangrenzend
       perceel.
   • De schoenen uitdoen voor men het huis binnengaat bij een vermoeden dat op
       de weg of het perceel waarover men gelopen heeft, onlangs spuitnevel is
       terechtgekomen of spuitvloeistof is gemorst.229
   Daarnaast acht de commissie het belangrijk dat omwonenden:
   • zelf het gesprek aangaan met de agrariër over hun zorgen en wensen en met
       hem zoeken naar oplossingen. Een goed contact met de agrariër bevordert
       ook de mogelijkheden van omwonenden om persoonlijk maatregelen te tref-
       fen.
   • gebruik maken van bestaande klachtenstructuren bij lokale en landelijke
       overheden voor het melden van zorgen of gezondheidsklachten die zij in ver-
       band brengen met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (GGD) of
22 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>         als zij vermoeden dat een gewasbeschermingsmiddel niet volgens de voor-
         schriften is gebruikt (NVWA).
7.4 Conclusies en aanbevelingen
    Het zal nog enige tijd duren voor het door de commissie voorgestelde blootstel-
    lingsonderzoek meer duidelijkheid zal verschaffen over de blootstelling van
    omwonenden van land- en tuinbouwpercelen (inclusief agrariërs en hun gezin-
    nen) aan chemische gewasbeschermingsmiddelen. Ondertussen kan de overheid
    werken aan een verdere verbetering van de toelatingsprocedure in het algemeen
    en aan het toevoegen van een aparte risicobeoordeling voor omwonenden in het
    bijzonder. Het eigenstandige karakter van omwonenden als risicogroep maakt dat
    volgens de commissie noodzakelijk. De methode die de EFSA daarvoor ontwik-
    kelt, is echter nog niet klaar voor gebruik. De commissie beveelt aan dat Neder-
    land zolang de Britse en Duitse methoden hanteert. Een steekproef kan uitwijzen
    of de al toegelaten gewasbeschermingsmiddelen alsnog beoordeeld moeten wor-
    den op eventuele risico’s voor omwonenden. Voorts raadt de commissie aan de
    nationale methode waarmee Nederland de risico’s voor omwonenden van kassen
    beoordeelt, dusdanig te documenteren dat deze is in te bouwen in de methode
    van de EFSA of in elk geval te streven naar harmonisatie van die methode. De
    risico’s voor omwonenden door piekblootstellingen worden in beginsel afgedekt
    door de beoordeling van die risico’s voor omstanders en passanten. Die beoorde-
    ling is echter evenmin Europees geharmoniseerd. De Nederlandse beoordeling is
    bovendien alleen gericht op beroepsmatige omstanders en passanten. De com-
    missie beveelt aan deze beoordeling te richten op álle omstanders en passanten
    en daarmee ook op kinderen. Dat kan eveneens met de genoemde Duitse en
    Britse methoden.
         Gezien de onzekerheden over de risico’s en de bezorgdheid bij sommige
    omwonenden, kunnen in de agrarische praktijk nu het beste maatregelen worden
    genomen die weinig kosten of die vanwege andere voordelen hoe dan ook de
    moeite waard zijn. Het gaat dan om maatregelen die direct of indirect de bloot-
    stelling van omwonenden verminderen. Juist vanwege de bredere baten worden
    ze deels al door partijen ten uitvoer gebracht en maken ze deel uit van het
    geplande gewasbeschermingsbeleid voor de komende jaren. De belangen van
    omwonenden vormen een extra argument om ze voortvarend door te voeren.
    Daarnaast verdienen duurdere maatregelen overweging.
         Voor de landelijke of lokale overheid gaat het om de bevordering van geïnte-
    greerde gewasbescherming, versterkte handhaving, het instellen van spuitvrije
    zones, verbetering van de klachtenstructuur voor burgers met vragen of meldin-
    Voorgestelde maatregelen                                                          123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>   gen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in hun directe omgeving
   en om betere publieksvoorlichting door het Ctgb over de toelatingsprocedure. De
   agrarische sectoren kunnen meer werk maken van veiligheid voor de eigen leden
   en voor omwonenden, meer blootstellingsonderzoek doen in het PMO, actiever
   en beter communiceren met omwonenden over het gebruik van gewasbescher-
   mingsmiddelen en verder werken aan technische oplossingen om drift van spuit-
   nevel en het gebruik van middelen te verminderen. Fabrikanten en distributeurs
   kunnen hun voorlichting en hun productinnovatie mede richten op beperking van
   de risico’s voor omwonenden. Deze kunnen zelf, tot slot, maatregelen treffen om
   hun blootstelling te verminderen.
24 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>oofdstuk 8
         Antwoorden aan de bewindspersonen
         In het laatste hoofdstuk beantwoordt de commissie de vragen van de bewindsper-
         sonen in de volgorde waarin ze zijn gesteld.
         •   Kunnen omwonenden door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in
             zo’n mate worden blootgesteld dat er risico’s voor hun gezondheid uit voort
             kunnen vloeien? Speciale aandacht is daarbij wenselijk voor kwetsbare of
             gevoelige groepen, situaties met hoge blootstelling en de blootstelling aan
             een mix van stoffen.
         Het is onduidelijk of omwonenden in Nederland in zo’n mate aan gewasbescher-
         mingsmiddelen worden blootgesteld dat daar risico’s voor hun gezondheid uit
         voort kunnen vloeien. De commissie constateert dat er in ons eigen land nauwe-
         lijks onderzoek is verricht naar de blootstelling en gezondheidstoestand van
         omwonenden van land- en tuinbouwgronden in relatie tot het gebruik van chemi-
         sche gewasbeschermingsmiddelen. Noodgedwongen moet de commissie haar
         oordeel dus vooral baseren op buitenlands onderzoek, voornamelijk uit de Ver-
         enigde Staten.
             De blootstelling van de algemene bevolking aan gewasbeschermingsmidde-
         len is doorgaans aanzienlijk lager dan die van mensen die beroepshalve met deze
         middelen te maken hebben. Omwonenden van land- en tuinbouwpercelen wor-
         den vanuit hun omgeving blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn
         aanwijzingen dat gezinsleden van agrariërs hoger zijn blootgesteld dan huisgeno-
         Antwoorden aan de bewindspersonen                                                125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>   ten van niet-agrariërs uit hetzelfde gebied. Vergelijking van de gemeten of
   geschatte blootstelling met gezondheidskundige grenswaarden suggereert dat in
   sommige gevallen vooral kleine kinderen een verhoogde kans op gezondheids-
   schade kunnen lopen. Dergelijke vergelijkingen zijn echter met veel onzekerheid
   behept.
       Blootstelling aan meerdere gewasbeschermingsmiddelen tegelijk of kort na
   elkaar treedt (ook) bij omwonenden op. Op theoretische gronden is aannemelijk
   dat blootstelling aan meerdere middelen met hetzelfde werkingsmechanisme risi-
   coverhogend werkt. Maar door gebrek aan meetgegevens over de blootstelling
   van omwonenden is het onbekend of dit in de praktijk bijdraagt aan het risico dat
   omwonenden lopen.
       Omwonenden maken geregeld melding van misselijkheid of irritaties van
   huid, ogen of bovenste luchtwegen. Van een aantal middelen is bekend dat ze bij
   hoge blootstelling dergelijke klachten kunnen oproepen. Een relatie met de
   blootstelling is in Nederland echter zelden onderzocht.
       In de epidemiologische literatuur, die vrijwel geheel op onderzoek uit het
   buitenland stoelt, zijn wel enige aanwijzingen te vinden dat bepaalde chronische
   aandoeningen bij omwonenden, zoals effecten op het ongeboren kind, leukemie
   bij kinderen en de ziekte van Parkinson, geassocieerd zijn met de blootstelling
   aan chemische gewasbeschermingsmiddelen vanuit de omgeving. Harde conclu-
   sies kunnen echter niet worden getrokken. Veel onderzoek heeft aanzienlijke
   beperkingen en het aantal onderzoeken dat specifiek op omwonenden is gericht,
   is gering. Verder zeggen buitenlandse bevindingen betrekkelijk weinig over
   mogelijke blootstellingsniveaus en gezondheidseffecten in eigen land. Dat hangt
   samen met de grote verschillen in klimaat, landschapsinrichting en agrarische
   praktijk. Als omwonenden in Nederland werkelijk een verhoogde kans op
   gezondheidsschade hebben ten opzichte van de algemene bevolking, dan ver-
   wacht de commissie wel dat het risico voor hen lager zal zijn dan het risico voor
   beroepsmatig blootgestelde personen, die doorgaans (aanzienlijk) hoger zijn
   blootgesteld. Het risico is het hoogst in bijzondere situaties waar een hoge bloot-
   stelling en een hoge gevoeligheid samenkomen. Ongeboren en jonge kinderen
   lopen waarschijnlijk het meeste risico.
   •   Ligt het in de rede dat door het hanteren van een nieuw Europees richtsnoer
       bij de toelatingsbeoordelingen een vermindering van de risico’s voor omwo-
       nenden kan worden verwacht, en zo ja in welke mate? Is er dan helemaal
       geen reden tot zorg meer, of blijven er ook dan aspecten die aandacht vragen?
       Als dat het geval is kunnen deze aspecten door gebruiksvoorschriften vol-
       doende afgedekt worden, of blijven er dan nog steeds aandachtspunten over?
26 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>    De ervaring in Duitsland met de toepassing van een voorloper van de Euro-
    pese beoordelingsmethode kan daarbij waardevolle informatie geven.
De commissie verwacht dat een afzonderlijke beoordeling van de risico’s voor
omwonenden in de toelatingsprocedure eraan zal bijdragen dat eventuele risico’s
voor deze groep binnen aanvaarde grenzen blijven. De methode hiervoor van de
EFSA is echter nog in ontwikkeling en het zal nog geruime tijd duren voordat zij
deel kan gaan uitmaken van de nationale toelatingsprocedures. Te zijner tijd zal
uit een vergelijking met meetgegevens over de blootstelling van omwonenden
moeten blijken in hoeverre deze methode beschermend genoeg is. De methode
van de EFSA neemt enkele voor de hand liggende blootstellingsroutes in
beschouwing, maar het is onduidelijk of daarmee alle belangrijke routes zijn
meegenomen. Blootstellingsonderzoek onder omwonenden, zoals de commissie
in haar advies bepleit, kan daar licht op werpen.
    Zolang de methode van de EFSA nog niet operationeel is, verdient het aanbe-
veling om de risico’s voor omwonenden van herhaalde en langdurige blootstel-
ling te beoordelen met nationale methoden uit Duitsland en het Verenigd
Koninkrijk. De risico’s voor omwonenden van kortdurende piekblootstellingen
kunnen worden beperkt met de reeds gangbare methode voor de beoordeling van
de risico’s van omstanders en passanten. Die moet daartoe wel worden gericht op
alle omstanders en passanten en niet alleen op mensen zie zich beroepsmatig
ophouden in de buurt van bespuitingen, zoals momenteel in Nederland het geval
is. Ook hiervoor zijn de genoemde Duitse en Britse methoden bruikbaar. Op die
manier worden ook de risico’s door piekblootstellingen van kleine kinderen mee
in beschouwing genomen. Dat is van belang in verband met hun bijzondere
gevoeligheid. De commissie beveelt aan om door middel van steekproeven te
bepalen of het zinvol is om alle reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddelen
alsnog te beoordelen op hun risico’s voor omwonenden en niet-beroepsmatige
omstanders en passanten.
•   Speciale aandacht wil ik vragen voor risico’s die alleen in Nederland een rol
    spelen en daarom niet in het Europese richtsnoer aan bod komen, zoals die
    van omwonenden van kassen. Daarnaast zijn er blootstellingsroutes die niet
    in de voorgestelde beoordeling worden meegenomen, zoals de risico’s door
    consumptie uit moestuinen naast bespoten landbouwpercelen. Is er reden de
    toelatingsbeoordeling daarop aan te vullen, of zijn er hiervoor mogelijkheden
    buiten de toelating om? Graag verneem ik van u of en zo ja welke lacunes in
    kennis u geconstateerd heeft, en suggesties voor het opvullen hiervan.
Antwoorden aan de bewindspersonen                                                 127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>   De grootste kennislacune is dat onduidelijk is wat de blootstelling van omwonen-
   den vanuit de omgeving kwantitatief bijdraagt ten opzichte van de blootstelling
   vanuit andere bronnen, zoals de voeding. Tevens is onzeker wat de dominante
   routes zijn waarlangs blootstelling vanuit de omgeving plaatsvindt.
       Blootstelling via moestuinen die door spuitnevel verontreinigd zijn of via de
   ‘take-home’ route (verontreinigde kleding, schoeisel, vacht van huisdieren) zit-
   ten nog niet in de methode van de EFSA. Blootstellingsonderzoek, zoals de com-
   missie bepleit, kan erop worden toegesneden licht te werpen op het belang van
   deze en andere routes.
       Nederland beoordeelt al met een nationale methode de risico’s voor omwo-
   nenden van kassen. De commissie beveelt aan om deze methode dusdanig te
   documenteren dat deze geïncorporeerd kan worden in de methode van de EFSA
   of in elk geval te streven naar Europese harmonisatie van de methoden. Een
   voortrekkersrol van Nederland ligt hierbij voor de hand gezien het grote opper-
   vlak aan glastuinbouw in ons land.
       Verbetering van de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen is
   heel belangrijk, maar het is een complex proces. Het zijn lastige kwesties die nog
   niet in de procedure zijn ingebouwd en Europese harmonisatie vergt tijd. Het
   gebruik van, en de blootstelling aan deze middelen terugdringen heeft ons land
   meer zelf in de hand en kan sneller resultaat opleveren. De commissie noemt een
   aantal maatregelen op dit vlak, die diverse partijen al treffen of recent hebben
   getroffen vanwege andere baten en die deel uitmaken van het gewasbescher-
   mingsbeleid van de overheid voor de komende jaren. Hierop versterkt inzetten
   draagt ook bij aan een vermindering van de blootstelling van omwonenden.
   •   Graag zou ik uw beoordeling vernemen van het nut en de mogelijke opzet
       van een onderzoek onder de bevolking.
   De gesignaleerde lacunes in de toelatingsprocedure, consistente aanwijzingen
   voor het optreden van gezondheidseffecten bij agrariërs en enige aanwijzingen
   (voornamelijk uit buitenlands onderzoek) voor effecten bij omwonenden, in
   combinatie met een gebrek aan gegevens uit eigen land vormen voor de commis-
   sie samen voldoende redenen om onderzoek onder omwonenden in eigen land
   aan te bevelen. Het ligt voor de hand om te beginnen met blootstellingsonder-
   zoek. Om eventuele gezondheidseffecten bij omwonenden aan het gebruik van
   gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving te kunnen relateren, is nadere ken-
   nis van de blootstelling onontbeerlijk. De commissie raadt aan in het blootstel-
   lingsonderzoek bijzondere aandacht te besteden aan risicogroepen, vooral jonge
   kinderen. Een combinatie van onderzoeksmethoden verdient de voorkeur: bio-
28 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>monitoring (bijvoorbeeld urineanalyses), metingen in contactmedia (bijvoor-
beeld in lucht en huisstof) en vragenlijsten over blootstellingbepalende factoren
(bijvoorbeeld gebruikte middelen, doseringen en toedieningstechnieken, weers-
omstandigheden, de afstand van de woning tot het behandelde perceel, gewoon-
ten en activiteiten van omwonenden). Vervolgonderzoek naar
gezondheidseffecten kan zinvol zijn als de blootstellingsniveaus van één of
meerdere gewasbeschermingsmiddelen in de buurt van of boven gezondheids-
kundige grenswaarden blijken te liggen.
    Blootstellingsonderzoek verschaft niet alleen inzicht in de blootstelling en de
eventuele gezondheidsrisico’s voor omwonenden in Nederland. Het levert ook
informatie op over het relatieve en absolute belang van diverse blootstellings-
bronnen en -routes. Deze gegevens zijn nodig om in de toelatingsprocedure
gebruikte methoden voor het schatten van de blootstelling (zoals die van de
EFSA) te kunnen toetsen en verbeteren en om te kunnen oordelen over de nood-
zaak en effectiviteit van maatregelen ter beperking van de blootstelling van
omwonenden.
Antwoorden aan de bewindspersonen                                                   129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>30 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>Literatuur
Gezondheidsraad. Atmosferische verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen. Een ecologische
risico-evaluatie. Den Haag: Gezondheidsraad; 2000: publicatienr. 2000/03.
Dijk HFG van, van Pul WAJ, de Voogt P, editors. Fate of pesticides in the atmosphere. Implications
for environmental risk assessment. Dordrecht/Boston/London: Kluwer Academic Publishers; 1999.
Linden AMA van der, Kruijne R, Tiktak A, Vijver MG. Evaluatie van de nota Duurzame
gewasbescherming. Deelrapport Milieu. Bilthoven: RIVM; 2012: rapport nr. 607059001.
Wet van 17 februari 2007, houdende regeling voor de toelating, het op de markt brengen en het
gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wet gewasbeschermingsmiddelen en
biociden). 2007. Internet: http://wetten.overheid.nl/BWBR0021670/Opschrift/geldigheidsdatum_23-
03-2012 consulted 23-3-2012.
Georgina Downs - UK Pesticides Campaign - Home Page; Pesticide exposures for people in
agricultural areas. 2012. Internet: http://www.pesticidescampaign.co.uk/ consulted 23-3-2012.
Zembla: Gif in de bollenstreek - transcript. 8-1-2011. VARA. Internet: htpp://zembla.vara.nl/Gif-in-
de-bollenstreek.8566.0.html.
Gezondheidsraad. Briefadvies Gezondheidsrisico's door gewasbeschermingsmiddelen in de
landbouw: het nut van onderzoek onder omwonenden. Den Haag: Gezondheidsraad; 2011:
publicatienr. 2011/18.
EFSA Panel on Plant Protection Products and their Residues (PPR). Scientific opinion on preparation
of a guidance document on pesticide exposure assessment for workers, operators, bystanders and
residents. EFSA Journal 2010; 8(2): 1501.
Galea KS, MacCalman L, Jones K, Cocker J, Teedon P, Sleeuwenhoek AJ e.a. Biological monitoring
of pesticide exposures in residents living near agricultural land. BMC Public Health 2011; 11: 856.
Literatuur                                                                                           131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>0  Carson RL. Silent spring. Boston: Houghton Mifflin; 1962.
1  Briejèr CJ. Zilveren sluiers en verborgen gevaren. Chemische preparaten die het leven bedreigen.
   Leiden: Sijthoff; 1967.
2  Methylbromide. Beleidsnotitie inzake het beëindigen van het gebruik. Bijlage bij de rijksbegroting
   van het jaar 1981, 13 mei 1981. Tweede Kamer, zitting 1980-1981 1981; 16400 Hoofdstuk
   XIV nr. 50.
3  Methylbromide. Brief van de Staatsecretaris van Landbouw en Visserij aan de Voorzitter van de
   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 28 april 1983. Tweede Kamer, zitting 1982-1983 1983;
   17912, nr. 1.
4  Broekmans JF, Pieters JJL. Oriënterend onderzoek naar de incidentie van miskramen, aangeboren
   afwijkingen en doodgeboorten in het Westland. Tijdschrift voor Sociale Gezondheidszorg 1983;
   61(17): 573-576.
5  Nationaal milieubeleidsplan. Brief van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
   Milieubeheer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, 15 juli 1996. Tweede
   Kamer, vergaderjaar 1995-1996 1996; 21137, nr. 116.
6  Mulder YM, Drijver M, Kreis IA. [Case control study of the relationship between local
   environmental factors and hematopoietic malignancies in young subjects in Aalsmeer]. Ned Tijdschr
   Geneeskd 1993; 137(13): 663-667.
7  Besluit van 12 maart 1996, houdende regels voor tuinbouwbedrijven met bedekte teelt (Besluit
   tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer). Staatsblad 1996; 168.
8  Besluit van 21 februari 2002, houdende regels voor glastuinbouwbedrijven en voor bepaalde
   akkerbouwbedrijven (Besluit glastuinbouw). Staatsblad 2002; 109.
9  Baas J. Emissie van gewasbeschermingsmiddelen uit boomgaarden naar de lucht. Delft: TNO; 1994:
   rapportnr. MW-R 94/040a.
0  Molag M. Grondontsmetting in Oost-Groningen en Drente. Noorderbreedte 1981; 5(2): 37-39.
1  Hoekstra R. Gif op het land. Noorderbreedte 1986; 10: 254-255.
2  Ree K, Roorda J. Geen vuiltje aan de lucht? Luchtverontreiniging door grondontsmetting.
   Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, Chemiewinkel en Wetenschapswinkel voor
   Volksgezondheid; 1988.
3  Hoekstra R, Ree K. Het vergeten luchtje van de grondontsmetting. Noorderbreedte 1989; 13(2):
   60-62.
4  Vragen gesteld door leden van de Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden.
   Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, Aanhangsel 1989; 408: 819-820.
5  Liem KO, de Groot WT. Bestrijdingsmiddelen in de bloembollenteelt: een verkenning van risico’s
   van bestrijdingsmiddelen voor bewoners van de bloembollenstreek. Heruitgave juni 1989. Leiden:
   Wetenschapswinkel Rijksuniversiteit Leiden; 1989: Rapportenserie Bestrijdingsmiddelen in de
   bloembollenteelt deel 5.
32 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>6 Vroom EM. Rook van plantenverbranding in de bloembollenstreek; gevaar voor de
  volksgezondheid? Heruitgave juni 1989. Leiden: Wetenschapswinkel Rijksuniversiteit Leiden; 1989:
  Rapportenserie Bestrijdingsmiddelen in de bloembollenteelt deel 6.
7 Berg MMHE van den, van der Voet E, van der Naald WGH, Dikstaal N. Risico’s van
  bestrijdingsmiddelen voor jonge kinderen in de Bloembollenstreek: cholinesteraseremmers en
  dithiocarbamaten. Leiden: Centrum voor Milieukunde; 1989: CML mededelingen 50.
8 Dröge S, Drijver M. Gezondheidsrisico's voor omwonenden door bestrijdingsmiddelengebruik in de
  bloembollenteelt. Resultaten literatuurstudie. Haarlem: GGD-en Zuid-Kennemerland, Midden-
  Kennemerland, Noord-Kennemerland, Westfriesland, Kop van Noord-Holland, Duin- en
  Bollenstreek; 1996.
9 Kamp I van. Milieu en gezondheid in de kop van Noord-Holland; eindrapport van het onderzoek
  woonomgeving, milieu en gezondheid. Den Helder: GGD Kop van Noord-Holland; 1999.
0 Wieten L. Luchtwegklachten en bestrijdingsmiddelen in Zijpe. Utrecht: Wetenschapswinkel
  Biologie, Universiteit Utrecht; 2000.
1 Hogenkamp A. Bloembollen, bestrijdingsmiddelen en bewoners. Utrecht: Wetenschapswinkel
  Biologie, Universiteit Utrecht; 2002: rapportnr. P-UB-2002-07.
2 Hogenkamp A, Vaal M, Heederik D. Pesticide exposure in dwellings near bulb growing fields in the
  Netherlands: an explorative study. Ann Agric Environ Med 2004; 11: 149-153.
3 Duyzer JH, Boersen GAC, Bleeker A, Schurz F, Spooren AAMG. Oriënterende studie naar het
  gezondheidskundige risico voor aanwonenden van bollenvelden waarop bestrijdingsmiddelen
  worden toegepast. Apeldoorn: TNO; 2004: rapportnr. R2004/008.
4 Handhaving Milieuwetgeving. Brief van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
  Ordening en Milieubeheer aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-generaal van 24 maart
  2004. Tweede Kamer vergaderjaar 2003-2004 2004; 22343 nr. 90.
5 Nijhof J, Maters M, de Heer M, Ree K. Bloembollenteelt nadelig voor het milieu. Noorderbreedte
  1989; 13: 198-200.
6 Land van de reizende bol. Assen: Natuur en Milieufederatie Drenthe; 2002.
7 Heederik D. Blootstellingsrisico's aan gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden van
  bollenteeltbedrijven. Utrecht: IRAS; 2009. Internet: http://www.kavb.nl/uploads/Zembla%20-
  %20bijlage%201.pdf consulted 5-7-2011.
8 Poll HFPM van, Breugelmans ORP, Devilee JLA. Hinder, bezorgdheid en woontevredenheid in
  Nederland. Inventarisatie verstoringen 2008. Bilthoven: RIVM; 2011: rapportnr. 630741001.
9 Royal Commission on Environmental Pollution. Crop spraying and the health of residents and
  bystanders. Londen: Royal Commission on Environmental Pollution; 2005. Internet: http://
  webarchive.nationalarchives.gov.uk/20060214071948/http://www.rcep.org.uk/cropspraying.htm
  consulted 5-7-2011.
0 Advisory Committee on Pesticides. Crop spraying and the health of residents and bystanders. A
  commentary on the report published by the Royal Commission on Environmental Pollution in
  September 2005. York: Advisory Committee on Pesticides; 2005.
  Literatuur                                                                                       133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre>1  Committee on Toxicology, Committee on Carcinogenicity of Chemicals in Food Consumer Products
   and the Environment. Statement on Royal Commission on Environmental Pollution: crop spraying
   and the health of residents and bystanders. London: COT/COC; 2006: COT/06/5 COC/06/S1.
2  Hemmen JJ van. Pesticides and the residential bystander. Ann Occup Hyg 2006; 50(7): 651-655.
3  Heinzow B. Gifte aus der Nachbarschaft? “Baumschulstudie” im Kreis Pinneberg. Landesamt für
   Natur und Umwelt Schleswig-Holstein Jahresbericht 1997;.
4  Kegley S, Katten A, Moses M. Secondhand pesticides. Airborne pesticide drift in California.
   Oakland: Pesticide Action Network North America; 2003.
5  Dansereau C, Perez M, Kegley SE, Tupper KA, Wang A. Poisons on the wind. Community air
   monitoring for chlorpyrifos in the Yakima Valley. Oakland: Pesticde Action Network North America;
   2006.
6  Tupper K, Kegley S, Jacobs N, Marquez E, Jim S, Bjorkqvist S e.a. Pesticide drift monitoring in
   Minnesota. June 13, 2006 - August 13, 2009. Oakland: Pesticide Action Network North America;
   2012.
7  Peters RJB. Man-made chemicals in human blood. Apeldoorn: TNO; 2004: rapportnr. R2004/493.
8  Schuiling J. Gifsporen in bloed. De feiten. Amsterdam: Stichting Greenpeace Nederland; 2004.
9  Harberink HH. Intensief gewasbeschermingsmiddelengebruik bij open teelten. Zet de Wro in ter
   bescherming van de gezondheid van omwonenden. Artikel nr. 168. Milieu en Recht 2011;(9): 586-
   589.
0  Assen MLC van. Gewasbeschermingsmiddelen: blijvend in ontwikkeling. Milieu 1997; 12(2):
   101-106.
1  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009
   betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de
   Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad. Publicatieblad van de Europese Unie 2009;
   L309: 1-50.
2  Richtlijn van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van
   gewasbeschermingsmiddelen (91/414/EEG). Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen
   1991; L230: 1-32.
3  Gezondheidsraad. Bestrijdingsmiddelen in voedsel: beoordeling van het risico voor kinderen.
   Den Haag: Gezondheidsraad; 2004: publicatienr. 2004/11.
4  Levin ED, Timofeeva OA, Yang L, Petro A, Ryde IT, Wrench N e.a. Early postnatal parathion
   exposure in rats causes sex-selective cognitive impairment and neurotransmitter defects which
   emerge in aging. Behav Brain Res 2010; 208(2): 319-327.
5  Meng XH, Liu P, Wang H, Zhao XF, Xu ZM, Chen GH e.a. Gender-specific impairments on
   cognitive and behavioral development in mice exposed to fenvalerate during puberty. Toxicol Lett
   2011; 203(3): 245-251.
6  Crews D, Gillette R, Scarpino SV, Manikkam M, Savenkova MI, Skinner MK. Epigenetic
   transgenerational inheritance of altered stress responses. Proc Natl Acad Sci U S A 2012; 109(23):
   9143-9148.
34 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>7 OECD. OECD Guidelines for Testing of Chemicals. Two-generation Reproductive Toxicity Study.
  OECD Test Guideline 416. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and Development; 2001.
8 OECD. OECD Guidelines for Testing of Chemicals. Extended One-generation Reproductive Toxicity
  Study. OECD Test Guideline 443. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and Development;
  2012.
9 Fegert I, Billington R, Botham P, Carney E, FitzGerald RE, Hanley T e.a. Feasibility of the extended
  one-generation reproductive toxicity study (OECD 443). Reprod Toxicol 2012; 34(3): 331-339.
0 Gezondheidsraad. Briefadvies Test chemische stoffen. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012:
  publicatienr. 2012/34.
1 EFSA Panel on Plant Protection Products and their Residues (PPR). Scientific opinion on the
  developmental neurotoxicity potential of acetamiprid and imidacloprid. EFSA Journal 2013;
  11((12)): 3471.
2 Butler Ellis MC, Underwood B, Peirce MJ, Walker CT, Miller PCH. Modelling the dispersion of
  volatilised pesticides in air after after application for the assessment of resident and bystander
  exposure. Biosystems Engineering 2010; 107: 149-154.
3 Butler-Ellis M. Bystander and residents exposures to pesticides used in agriculture: recent work to
  update the model used to assess exposure of the public in the UK. Outlooks on pest management
  2012; 23(1): 7-12.
4 ICCVAM. ICCVAM Test Method Evaluation Report on Using the Murine Local Lymph Node Assay
  for Testing Pesticide Formulations, Metals, Substances in Aqueous Solutions, and Other Products.
  Research Triangle Park, N.C.: Interagency Coordinating Committee on the Validation of Alternative
  Methods, National Toxicology Program; 2010: NIH Publication Number 10-7512.
5 Gezondheidsraad. Blootstelling aan combinaties van stoffen: systematiek voor het beoordelen van
  gezondheidsrisico's. Den Haag: Gezondheidsraad; 2002: publicatienr. 2002/5.
6 Meek ME, Boobis AR, Crofton KM, Heinemeyer G, van Raaij M, Vickers C. Risk assessment of
  combined exposure to multiple chemicals: A WHO/IPCS framework. Regul Toxicol Pharmacol
  2011; 60: S1-S14.
7 ECETOC. Effects of chemical co-exposures at doses relevant for human safety assessments. Brussel:
  European Centre for Ecotoxicology and Toxicology of Chemicals; 2012: Technical report no. 115.
8 Hennes EC, Galay BM, Hamer M, Pemberton M, Travis K, Rodriguez C. Workshop: combined
  exposure to chemicals. Regul Toxicol Pharmacol 2012; 63(1): 53-54.
9 EFSA Panel on Plant Protection Products and their Residues (PPR). Opinion of the Scientific Panel
  on Plant Protection Products and their Residues to evaluate the suitability of existing methodologies
  and, if appropriate, the identification of new approaches to assess cumulative and synergistic risks
  from pesticides to human health with a view to set MRLs for those pesticides in the frame of
  Regulation (EC) 396/2005. The EFSA Journal 2008; 704: 1-84.
0 Boobis AR, Ossendorp BC, Banasiak U, Hamey PY, Sebestyen I, Moretto A. Cumulative risk
  assessment of pesticide residues in food. Toxicol Lett 2008; 180(2): 137-150.
1 Klaveren J van. Pesticide assessment. International Innovation 2010; November: 48-50.
  Literatuur                                                                                            135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>2  Boon PE, van der Voet H, Van Raaij MT, van Klaveren JD. Cumulative risk assessment of the
   exposure to organophosphorus and carbamate insecticides in the Dutch diet. Food Chem Toxicol
   2008; 46(9): 3090-3098.
3  Bosgra S, van der Voet H, Boon PE, Slob W. An integrated probabilistic framework for cumulative
   risk assessment of common mechanism chemicals in food: an example with organophosphorus
   pesticides. Regul Toxicol Pharmacol 2009; 54(2): 124-133.
4  Müller AK, Bosgra S, Boon PE, van der Voet H, Nielsen E, Ladefoged O. Probabilistic cumulative
   risk assessment of anti-androgenic pesticides in food. Food Chem Toxicol 2009; 47(12): 2951-2962.
5  European Food Safety Authority. Cumulative and aggregate risk assessment; activities of the PPR
   panel and PPR unit. Stakeholder conference ACROPOLIS 1-2-2012. Brussels: 2012.
6  Reus JAWA, Leendertse PC. The environmental yardstick for pesticides: a practical indicator used in
   the Netherlands. Crop Protection 2000; 19: 637-641.
7  De minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit. Nota duurzame gewasbescherming. Beleid
   voor gewasbescherming tot 2010. Tweede Kamer vergaderjaar 2003-2004 2004; 27858 nr. 47.
8  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling
   van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van
   pesticiden. Publicatieblad van de Europese Unie 2009; L309: 71-86.
9  Atsma JJ. Gewasbeschermingsbeleid. Brief van de staatssecretaris van infrastructuur en milieu van 4
   oktober 2012. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013 2012; 27858 nr. 119
0  Eerdt M van, van Dam J, Tiktak A, Vonk M, Wortelboer R, van Zeijts H. Evaluatie van de nota
   Duurzame gewasbescherming. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving; 2012: rapportnr.
   500158001.
1  Boon PE, van Donkersgoed G, Noordam M, te Biesebeek JD, van de Ven-van den Hoogen BM, van
   Klaveren JD. Evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming - Deelrapport Voedselveiligheid.
   Bilthoven: RIVM; 2012: rapportnr. 320038001.
2  Visser R, Terwoert J. Evaluatie Nota Duurzame gewasbescherming. Deelrapport Arbeid. Hoofddorp:
   TNO; 2012: rapportnr. R/03120193/VIS.ima.
3  Inspectie SZW. Factsheet Veilig en gezond werken in de glastuinbouw. Resultaten van inspecties bij
   glastuinbouwtelers. Den Haag: Inspectie SZW; 2013.
4  Janssens SRM, Stokreef JW, Smit AB, Prins H. Evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming
   - Deelrapport Naleving. Den Haag: Landbouw Economisch Instituut; 2012: rapportnr. 2011-91.
5  Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Rapport controleresultaten nalevingsmeting fruit 2012
   WGB. Utrecht: NVWA, Divisie L&N; 2013.
6  Gezonde groei, duurzame oogst. Tweede nota duurzame gewasbescherming periode 2013 tot 2023.
   Den Haag: Ministerie van Economische Zaken; 2013.
7  Bouvier G, Seta N, Vigouroux-Villard A, Blanchard O, Momas I. Insecticide urinary metabolites in
   nonoccupationally exposed populations. J Toxicol Environ Health B Crit Rev 2005; 8(6): 485-512.
8  Verberk MM, Brouwer DH, Brouwer EJ, Bruyzeel DP, Emmen HH, Van Hemmen JJ e.a. Health
   effects of pesticides in the flower-bulb culture in Holland. Med Lav 1990; 81(6): 530-541.
36 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>9  Brouwer DH, Brouwer EJ, Van Hemmen JJ. Assessment of dermal and inhalation exposure to zineb/
   maneb in the cultivation of flower bulbs. Ann Occup Hyg 1992; 36(4): 373-384.
0  Brouwer DH, Brouwer R, de MG, Maas CL, Van Hemmen JJ. Pesticides in the cultivation of
   carnations in greenhouses: Part I--Exposure and concomitant health risk. Am Ind Hyg Assoc J 1992;
   53(9): 575-581.
1  Brouwer R, Brouwer DH, Tijssen SC, Van Hemmen JJ. Pesticides in the cultivation of carnations in
   greenhouses: Part II--Relationship between foliar residues and exposures. Am Ind Hyg Assoc J 1992;
   53(9): 582-587.
2  Vreede JAF de, Brouwer DH, Stevenson H, Van Hemmen JJ. Exposure and risk estimation for
   pesticides in high-volume spraying. Ann Occup Hyg 1998; 42(3): 151-157.
3  Cock J de, Heederik D, Hoek F, Boleij J, Kromhout H. Urinary excretion of tetrahydrophtalimide in
   fruit growers with dermal exposure to captan. Am J Ind Med 1995; 28(2): 245-256.
4  Cock J de, Heederik D, Kromhout H, Boleij JS, Hoek F, Wegh H e.a. Determinants of exposure to
   captan in fruit growing. Am Ind Hyg Assoc J 1998; 59(3): 166-172.
5  Cock J de , Heederik D, Kromhout H, Boleij JS, Hoek F, Wegh H e.a. Exposure to captan in fruit
   growing. Am Ind Hyg Assoc J 1998; 59(3): 158-165.
6  Hofmann JN, Keifer MC, De Roos AJ, Fenske RA, Furlong CE, van BG e.a. Occupational
   determinants of serum cholinesterase inhibition among organophosphate-exposed agricultural
   pesticide handlers in Washington State. Occup Environ Med 2010; 67(6): 375-386.
7  Rubino FM, Mandic-Rajcevic S, Ariano E, Alegakis A, Bogni M, Brambilla G e.a. Farmers' exposure
   to herbicides in North Italy: assessment under real-life conditions in small-size rice and corn farms.
   Toxicol Lett 2012; 210(2): 189-197.
8  Meulenbelt J, de V, I. Acute work-related poisoning by pesticides in The Netherlands; a one year
   follow-up study. Przegl Lek 1997; 54(10): 665-670.
9  Velzen AG van, Mulder-Spijkerboer HN, van Riel AJHP, Meulenbelt J, de Vries I. Acute
   vergiftigingen bij mens en dier. Jaaroverzicht 2011. Utrecht: Nationaal Vergiftigingen Informatie
   Centrum, Universitair Medisch Centrum; 2012: rapportnr. 002/2012.
00 Calvert GM, Karnik J, Mehler L, Beckman J, Morrissey B, Sievert J e.a. Acute pesticide poisoning
   among agricultural workers in the United States, 1998-2005. Am J Ind Med 2008; 51(12): 883-898.
01 Langley RL, Mort SA. Human exposures to pesticides in the United States. J Agromedicine 2012;
   17(3): 300-315.
02 Spreeuwers D, Kuijer P, Nieuwenhuijsen K, Bakker J, Pal T, Sorgdrager B e.a. Signaleringsrapport
   beroepsziekten ‘07. Amsterdam: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Universiteit van
   Amsterdam; 2007.
03 Bruynzeel DP, Tafelkruijer J, Wilks MF. Contact dermatitis due to a new fungicide used in the tulip
   bulb industry. Contact Dermatitis 1995; 33(1): 8-11.
04 Mark M van der, Vermeulen R, Huss A, Nijssen P, Kromhout H. Occupational exposure to pesticides
   and Parkinson Disease. In: The selected abstracts. 23rd Conference on epidemiology in occupational
   health; EPICOH 2.0.13; Improving the impact; 18-21 June 2013 Utrecht. 2013: 92.
   Literatuur                                                                                             137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>05 Westveer K, de Cock J, Heederik D, van der Zijpp M, te Velde E, van Kooy R. Fecundabiliteit en
   beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen in de fruitteelt. Tijdschrift voor Sociale
   Gezondheidszorg 1992; 70: 577-584.
06 Cock J de, Westveer K, Heederik D, te VE, van KR. Time to pregnancy and occupational exposure to
   pesticides in fruit growers in The Netherlands. Occup Environ Med 1994; 51(10): 693-699.
07 Bretveld R, Zielhuis GA, Roeleveld N. Time to pregnancy among female greenhouse workers. Scand
   J Work Environ Health 2006; 32(5): 359-367.
08 Bretveld R, Kik S, Hooiveld M, van Rooij I, Zielhuis G, Roeleveld N. Time-to-pregnancy among
   male greenhouse workers. Occup Environ Med 2008; 65(3): 185-190.
09 Bretveld RW, Hooiveld M, Zielhuis GA, Pellegrino A, van Rooij I, Roeleveld N. Reproductive
   disorders among male and female greenhouse workers. Reprod Toxicol 2008; 25(1): 107-114.
10 Tielemans E, van KR, te Velde ER, Burdorf A, Heederik D. Pesticide exposure and decreased
   fertilisation rates in vitro. Lancet 1999; 354(9177): 484-485.
11 Burdorf A, Brand T, Jaddoe VW, Hofman A, Mackenbach JP, Steegers EA. The effects of work-
   related maternal risk factors on time to pregnancy, preterm birth and birth weight: the Generation R
   Study. Occup Environ Med 2011; 68(3): 197-204.
12 Snijder CA, Roeleveld N, te Velde E, Steegers EA, Raat H, Hofman A e.a. Occupational exposure to
   chemicals and fetal growth: the Generation R Study. Hum Reprod 2012; 27(3): 910-920.
13 Snijder CA, Brouwers MM, Jaddoe VW, Hofman A, Roeleveld N, Burdorf A. Occupational exposure
   to endocrine disruptors and time to pregnancy among couples in a large birth cohort study: the
   Generation R Study. Fertil Steril 2011; 95(6): 2067-2072.
14 Ross SM, McManus IC, Harrison V, Mason O. Neurobehavioral problems following low-level
   exposure to organophosphate pesticides: a systematic and meta-analytic review. Crit Rev Toxicol
   2013; 43(1): 21-44.
15 Priyadarshi A, Khuder SA, Schaub EA, Shrivastava S. A meta-analysis of Parkinson’s disease and
   exposure to pesticides. Neurotoxicology 2000; 21(4): 435-440.
16 Mark M van der, Brouwer M, Kromhout H, Nijssen P, Huss A, Vermeulen R. Is pesticide use related
   to Parkinson disease? Some clues to heterogeneity in study results. Environ Health Perspect 2012;
   120(3): 340-347.
17 Maele-Fabry G van, Hoet P, Vilain F, Lison D. Occupational exposure to pesticides and Parkinson's
   disease: a systematic review and meta-analysis of cohort studies. Environ Int 2012; 46: 30-43.
18 Kamel F, Umbach DM, Bedlack RS, Richards M, Watson M, Alavanja MC e.a. Pesticide exposure
   and amyotrophic lateral sclerosis. Neurotoxicology 2012; 33(3): 457-462.
19 Malek AM, Barchowsky A, Bowser R, Youk A, Talbott EO. Pesticide exposure as a risk factor for
   amyotrophic lateral sclerosis: a meta-analysis of epidemiological studies: pesticide exposure as a risk
   factor for ALS. Environ Res 2012; 117: 112-119.
20 Alavanja MC, Bonner MR. Occupational pesticide exposures and cancer risk: a review. J Toxicol
   Environ Health B Crit Rev 2012; 15(4): 238-263.
38 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>21 Weichenthal S, Moase C, Chan P. A review of pesticide exposure and cancer incidence in the
   agricultural health study cohort. Cien Saude Colet 2012; 17(1): 255-270.
22 Wohlfahrt-Veje C, Main KM, Schmidt IM, Boas M, Jensen TK, Grandjean P e.a. Lower birth weight
   and increased body fat at school age in children prenatally exposed to modern pesticides: a
   prospective study. Environ Health 2011; 10: 79.
23 Andersen HR, Wohlfahrt-Veje C, Dalgard C, Christiansen L, Main KM, Nellemann C e.a.
   Paraoxonase 1 polymorphism and prenatal pesticide exposure associated with adverse cardiovascular
   risk profiles at school age. PLoS One 2012; 7(5): e36830.
24 Andersen HR, Schmidt IM, Grandjean P, Jensen TK, Budtz-Jorgensen E, Kjaerstad MB e.a. Impaired
   reproductive development in sons of women occupationally exposed to pesticides during pregnancy.
   Environ Health Perspect 2008; 116(4): 566-572.
25 Wohlfahrt-Veje C, Andersen HR, Jensen TK, Grandjean P, Skakkebaek NE, Main KM. Smaller
   genitals at school age in boys whose mothers were exposed to non-persistent pesticides in early
   pregnancy. Int J Androl 2012; 35(3): 265-272.
26 Wohlfahrt-Veje C, Andersen HR, Schmidt IM, Aksglaede L, Sorensen K, Juul A e.a. Early breast
   development in girls after prenatal exposure to non-persistent pesticides. Int J Androl 2012; 35(3):
   273-282.
27 Vinson F, Merhi M, Baldi I, Raynal H, Gamet-Payrastre L. Exposure to pesticides and risk of
   childhood cancer: a meta-analysis of recent epidemiological studies. Occup Environ Med 2011;
   68(9): 694-702.
28 Maele-Fabry G van, Hoet P, Lison D. Parental occupational exposure to pesticides as risk factor for
   brain tumors in children and young adults: a systematic review and meta-analysis. Environ Int 2013;
   56: 19-31.
29 Wigle DT, Turner MC, Krewski D. A systematic review and meta-analysis of childhood leukemia
   and parental occupational pesticide exposure. Environ Health Perspect 2009; 117(10): 1505-1513.
30 Maele-Fabry G van, Lantin AC, Hoet P, Lison D. Childhood leukaemia and parental occupational
   exposure to pesticides: a systematic review and meta-analysis. Cancer Causes Control 2010; 21(6):
   787-809.
31 Health Council of the Netherlands. Childhood leukaemia and environmental factors. The Hague:
   Health Council of the Netherlands; 2012: publication no. 2012/33.
32 Ntzani EE, Chondrogiorgi M, Ntritsos G, Evangelou E, Tzoulaki I. Literature review on
   epidemiological studies linking exposure to pesticides and health effects. EFSA supporting
   publication; 2013: report no. EN-497.
33 Gladen BC, Sandler DP, Zahm SH, Kamel F, Rowland AS, Alavanja MC. Exposure opportunities of
   families of farmer pesticide applicators. Am J Ind Med 1998; 34(6): 581-587.
34 Staal L. Consumptiegewassen na(ast) bloembollen. Gezondheidsrisico's ten gevolge van het gebruik
   van bestrijdingsmiddelen in de bloembollenteelt via de voeding? Een onderzoek van de GGD-en in
   Noord-Holland Noord en de Keuringdienst van waren, regio Noord-West. 2000.
   Literatuur                                                                                           139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>35 Mensink BJWG, Linders JBHJ. Airborne pesticide concentrations near greenhouses [acute exposure
   and potential effects to humans]. Bilthoven: RIVM; 1998: report no. 679102040.
36 Leistra M, van der Staaij M, Mensink BJWG, Deneer JW, Meijer RJM, Janssen PJCM e.a.
   Bestrijdingsmiddelen in de lucht rond tuinbouwkassen: schatting blootstelling omwonenden en
   mogelijke effecten. Wageningen: Alterra; 2001: rapport nr. 296.
37 Welie RT van, van Marrewijk CM, de Wolff FA, Vermeulen NP. Thioether excretion in urine of
   applicators exposed to 1,3-dichloropropene: a comparison with urinary mercapturic acid excretion.
   Br J Ind Med 1991; 48(7): 492-498.
38 Brouwer R, van Maarleveld K, Ravensberg L, Meuling W, de Kort W, Van Hemmen JJ. Skin
   contamination, airborne concentrations, and urinary metabolite excretion of propoxur during
   harvesting of flowers in greenhouses. Am J Ind Med 1993; 24(5): 593-603.
39 Ye X, Pierik FH, Hauser R, Duty S, Angerer J, Park MM e.a. Urinary metabolite concentrations of
   organophosphorous pesticides, bisphenol A, and phthalates among pregnant women in Rotterdam,
   the Netherlands: the Generation R study. Environ Res 2008; 108(2): 260-267.
40 Simcox NJ, Fenske RA, Wolz SA, Lee IC, Kalman DA. Pesticides in household dust and soil:
   exposure pathways for children of agricultural families. Environ Health Perspect 1995; 103(12):
   1126-1134.
41 Ward MH, Lubin J, Giglierano J, Colt JS, Wolter C, Bekiroglu N e.a. Proximity to crops and
   residential exposure to agricultural herbicides in iowa. Environ Health Perspect 2006; 114(6):
   893-897.
42 Gunier RB, Ward MH, Airola M, Bell EM, Colt J, Nishioka M e.a. Determinants of agricultural
   pesticide concentrations in carpet dust. Environ Health Perspect 2011; 119(7): 970-976.
43 Coronado GD, Holte S, Vigoren E, Griffith WC, Barr DB, Faustman E e.a. Organophosphate
   pesticide exposure and residential proximity to nearby fields: evidence for the drift pathway. J Occup
   Environ Med 2011; 53(8): 884-891.
44 Curwin BD, Hein MJ, Sanderson WT, Nishioka MG, Reynolds SJ, Ward EM e.a. Pesticide
   contamination inside farm and nonfarm homes. J Occup Environ Hyg 2005; 2(7): 357-367.
45 Fenske RA, Lu C, Barr D, Needham L. Children’s exposure to chlorpyrifos and parathion in an
   agricultural community in central Washington State. Environ Health Perspect 2002; 110(5): 549-553.
46 Curwin BD, Hein MJ, Sanderson WT, Barr DB, Heederik D, Reynolds SJ e.a. Urinary and hand wipe
   pesticide levels among farmers and nonfarmers in Iowa. J Expo Anal Environ Epidemiol 2005; 15(6):
   500-508.
47 Curwin BD, Hein MJ, Sanderson WT, Striley C, Heederik D, Kromhout H e.a. Urinary pesticide
   concentrations among children, mothers and fathers living in farm and non-farm households in iowa.
   Ann Occup Hyg 2007; 51(1): 53-65.
48 Thompson B, Coronado GD, Grossman JE, Puschel K, Solomon CC, Islas I e.a. Pesticide take-home
   pathway among children of agricultural workers: study design, methods, and baseline findings. J
   Occup Environ Med 2003; 45(1): 42-53.
40 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>49 Curl CL, Fenske RA, Kissel JC, Shirai JH, Moate TF, Griffith W e.a. Evaluation of take-home
   organophosphorus pesticide exposure among agricultural workers and their children. Environ Health
   Perspect 2002; 110(12): A787-A792.
50 Loewenherz C, Fenske RA, Simcox NJ, Bellamy G, Kalman D. Biological monitoring of
   organophosphorus pesticide exposure among children of agricultural workers in central Washington
   State. Environ Health Perspect 1997; 105(12): 1344-1353.
51 Lu C, Fenske RA, Simcox NJ, Kalman D. Pesticide exposure of children in an agricultural
   community: evidence of household proximity to farmland and take home exposure pathways.
   Environ Res 2000; 84(3): 290-302.
52 Koch D, Lu C, Fisker-Andersen J, Jolley L, Fenske RA. Temporal association of children's pesticide
   exposure and agricultural spraying: report of a longitudinal biological monitoring study. Environ
   Health Perspect 2002; 110(8): 829-833.
53 Bradman A, Castorina R, Barr DB, Chevrier J, Harnly ME, Eisen EA e.a. Determinants of
   organophosphorus pesticide urinary metabolite levels in young children living in an agricultural
   community. Int J Environ Res Public Health 2011; 8(4): 1061-1083.
54 Piacitelli GM, Whelan EA, Sieber WK, Gerwel B. Elevated lead contamination in homes of
   construction workers. Am Ind Hyg Assoc J 1997; 58(6): 447-454.
55 Whelan EA, Piacitelli GM, Gerwel B, Schnorr TM, Mueller CA, Gittleman J e.a. Elevated blood lead
   levels in children of construction workers. Am J Public Health 1997; 87(8): 1352-1355.
56 Donovan EP, Donovan BL, McKinley MA, Cowan DM, Paustenbach DJ. Evaluation of take home
   (para-occupational) exposure to asbestos and disease: a review of the literature. Crit Rev Toxicol
   2012; 42(9): 703-731.
57 Lu C, Knutson DE, Fisker-Andersen J, Fenske RA. Biological monitoring survey of
   organophosphorus pesticide exposure among pre-school children in the Seattle metropolitan area.
   Environ Health Perspect 2001; 109(3): 299-303.
58 Fenske RA, Lu C, Curl CL, Shirai JH, Kissel JC. Biologic monitoring to characterize
   organophosphorus pesticide exposure among children and workers: an analysis of recent studies in
   Washington State. Environ Health Perspect 2005; 113(11): 1651-1657.
59 Lioy PJ, Freeman NC, Millette JR. Dust: a metric for use in residential and building exposure
   assessment and source characterization. Environ Health Perspect 2002; 110(10): 969-983.
60 Roberts JW, Wallace LA, Camann DE, Dickey P, Gilbert SG, Lewis RG e.a. Monitoring and reducing
   exposure of infants to pollutants in house dust. Rev Environ Contam Toxicol 2009; 201: 1-39.
61 Arcury TA, Grzywacz JG, Barr DB, Tapia J, Chen H, Quandt SA. Pesticide urinary metabolite levels
   of children in eastern North Carolina farmworker households. Environ Health Perspect 2007; 115(8):
   1254-1260.
62 Royster MO, Hilborn ED, Barr D, Carty CL, Rhoney S, Walsh D. A pilot study of global positioning
   system/geographical information system measurement of residential proximity to agricultural fields
   and urinary organophosphate metabolite concentrations in toddlers. J Expo Anal Environ Epidemiol
   2002; 12(6): 433-440.
   Literatuur                                                                                         141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>63 Weppner S, Elgethun K, Lu C, Hebert V, Yost MG, Fenske RA. The Washington aerial spray drift
   study: children's exposure to methamidophos in an agricultural community following fixed-wing
   aircraft applications. J Expo Sci Environ Epidemiol 2006; 16(5): 387-396.
64 Beamer PI, Canales RA, Ferguson AC, Leckie JO, Bradman A. Relative pesticide and exposure route
   contribution to aggregate and cumulative dose in young farmworker children. Int J Environ Res
   Public Health 2012; 9(1): 73-96.
65 Curwin BD, Hein MJ, Sanderson WT, Striley C, Heederik D, Kromhout H e.a. Pesticide dose
   estimates for children of Iowa farmers and non-farmers. Environ Res 2007; 105(3): 307-315.
66 Aylward LL, Morgan MK, Arbuckle TE, Barr DB, Burns CJ, Alexander BH e.a. Biomonitoring data
   for 2,4-dichlorophenoxyacetic acid in the United States and Canada: interpretation in a public health
   risk assessment context using Biomonitoring Equivalents. Environ Health Perspect 2010; 118(2):
   177-181.
67 Dusseldorp A, Hall EF, van Poll HPFM. Meldingen van milieugerelateerde gezondheidsklachten bij
   GGD'en. Derde inventarisatie (2009-2010). Bilthoven: RIVM; 2011: rapport nr. 609300024.
68 Jaarverslag 2008. Bunnik: Meldpunt Gezondheid en Milieu; 2009.
69 Persbericht 1 oktober 2011. Omwonenden onwel na vrijkomen bestrijdingsmiddel uit kas. 2011. 's-
   Gravenzande Veiligheidsregio Haaglanden. Internet: http://www.vrh.nl/direct_naar/besloten_delen/
   formulier/persbericht/?PrsBerIdt=3900 consulted 25-11-2012.
70 Lee SJ, Mehler L, Beckman J, ebolt-Brown B, Prado J, Lackovic M e.a. Acute pesticide illnesses
   associated with off-target pesticide drift from agricultural applications: 11 States, 1998-2006.
   Environ Health Perspect 2011; 119(8): 1162-1169.
71 Rauh VA, Perera FP, Horton MK, Whyatt RM, Bansal R, Hao X e.a. Brain anomalies in children
   exposed prenatally to a common organophosphate pesticide. Proc Natl Acad Sci U S A 2012;
   109(20): 7871-7876.
72 Rauh V, Arunajadai S, Horton M, Perera F, Hoepner L, Barr DB e.a. Seven-year neurodevelopmental
   scores and prenatal exposure to chlorpyrifos, a common agricultural pesticide. Environ Health
   Perspect 2011; 119(8): 1196-1201.
73 Bouchard MF, Chevrier J, Harley KG, Kogut K, Vedar M, Calderon N e.a. Prenatal exposure to
   organophosphate pesticides and IQ in 7-year-old children. Environ Health Perspect 2011; 119(8):
   1189-1195.
74 Engel SM, Wetmur J, Chen J, Zhu C, Barr DB, Canfield RL e.a. Prenatal exposure to
   organophosphates, paraoxonase 1, and cognitive development in childhood. Environ Health Perspect
   2011; 119(8): 1182-1188.
75 Shirangi A, Nieuwenhuijsen M, Vienneau D, Holman CD. Living near agricultural pesticide
   applications and the risk of adverse reproductive outcomes: a review of the literature. Paediatr Perinat
   Epidemiol 2011; 25(2): 172-191.
76 Ochoa-Acuna H, Carbajo C. Risk of limb birth defects and mother's home proximity to cornfields.
   Sci Total Environ 2009; 407(15): 4447-4451.
42 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>77 Petit C, Chevrier C, Durand G, Monfort C, Rouget F, Garlantezec R e.a. Impact on fetal growth of
   prenatal exposure to pesticides due to agricultural activities: a prospective cohort study in Brittany,
   France. Environ Health 2010; 9: 71.
78 Petit C, Blangiardo M, Richardson S, Coquet F, Chevrier C, Cordier S. Association of environmental
   insecticide exposure and fetal growth with a Bayesian model including multiple exposure sources:
   the PELAGIE mother-child cohort. Am J Epidemiol 2012; 175(11): 1182-1190.
79 Gemmill A, Gunier RB, Bradman A, Eskenazi B, Harley KG. Residential proximity to methyl
   bromide use and birth outcomes in an agricultural population in California. Environ Health Perspect
   2013; 121(6): 737-743.
80 Thompson JA, Carozza SE, Zhu L. Geographic risk modeling of childhood cancer relative to county-
   level crops, hazardous air pollutants and population density characteristics in Texas. Environ Health
   2008; 7: 45.
81 Carozza SE, Li B, Elgethun K, Whitworth R. Risk of childhood cancers associated with residence in
   agriculturally intense areas in the United States. Environ Health Perspect 2008; 116(4): 559-565.
82 Reynolds P, Von BJ, Gunier RB, Goldberg DE, Hertz A, Harnly ME. Childhood cancer and
   agricultural pesticide use: an ecologic study in California. Environ Health Perspect 2002; 110(3):
   319-324.
83 Janssens JPh, Van Hecke E, Bruckers L. Gewasbeschermingsmiddelen, geboorteafwijkingen &
   (kinder)kanker. Diepenbeek-Leuven: The European Cancer Prevention Organisation; 2000.
84 Janssens JP, Van Hecke E, Geys H, Bruckers L, Renard D, Molenberghs G. Pesticides and mortality
   from hormone-dependent cancers. Eur J Cancer Prev 2001; 10(5): 459-467.
85 Muir K, Rattanamongkolgul S, Smallman-Raynor M, Thomas M, Downer S, Jenkinson C. Breast
   cancer incidence and its possible spatial association with pesticide application in two counties of
   England. Public Health 2004; 118(7): 513-520.
86 Rull RP, Gunier R, Von BJ, Hertz A, Crouse V, Buffler PA e.a. Residential proximity to agricultural
   pesticide applications and childhood acute lymphoblastic leukemia. Environ Res 2009; 109(7): 891-
   899.
87 Carozza SE, Li B, Wang Q, Horel S, Cooper S. Agricultural pesticides and risk of childhood cancers.
   Int J Hyg Environ Health 2009; 212(2): 186-195.
88 Reynolds P, Von BJ, Gunier RB, Goldberg DE, Harnly M, Hertz A. Agricultural pesticide use and
   childhood cancer in California. Epidemiology 2005; 16(1): 93-100.
89 Mulder YM, Drijver M, Kreis IA. Case-control study on the association between a cluster of
   childhood haematopoietic malignancies and local environmental factors in Aalsmeer, The
   Netherlands. J Epidemiol Community Health 1994; 48(2): 161-165.
90 Cornelis C, Schoeters G, Kellen E, Buntinx F, Zeegers M. Development of a GIS-based indicator for
   environmental pesticide exposure and its application to a Belgian case-control study on bladder
   cancer. Int J Hyg Environ Health 2009; 212(2): 172-185.
91 Cockburn M, Mills P, Zhang X, Zadnick J, Goldberg D, Ritz B. Prostate cancer and ambient pesticide
   exposure in agriculturally intensive areas in California. Am J Epidemiol 2011; 173(11): 1280-1288.
   Literatuur                                                                                              143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>92 Reynolds P, Hurley SE, Goldberg DE, Yerabati S, Gunier RB, Hertz A e.a. Residential proximity to
   agricultural pesticide use and incidence of breast cancer in the California Teachers Study cohort.
   Environ Res 2004; 96(2): 206-218.
93 Engel LS, Hill DA, Hoppin JA, Lubin JH, Lynch CF, Pierce J e.a. Pesticide use and breast cancer risk
   among farmers' wives in the agricultural health study. Am J Epidemiol 2005; 161(2): 121-135.
94 Costello S, Cockburn M, Bronstein J, Zhang X, Ritz B. Parkinson's disease and residential exposure
   to maneb and paraquat from agricultural applications in the central valley of California. Am J
   Epidemiol 2009; 169(8): 919-926.
95 Wang A, Costello S, Cockburn M, Zhang X, Bronstein J, Ritz B. Parkinson's disease risk from
   ambient exposure to pesticides. Eur J Epidemiol 2011; 26(7): 547-555.
96 Gezondheidsraad. Gezondheid en milieu; mogelijkheden van monitoring. Den Haag:
   Gezondheidsraad; 2003: publicatienr. 2003/13.
97 Eggens ML. Biomonitoring bij kleinschalige (chemische) incidenten. GGD-richtlijn medische
   milieukunde. Bilthoven: RIVM; 2012: rapport nr. 609300023.
98 Ye X, Pierik FH, Angerer J, Meltzer HM, Jaddoe VW, Tiemeier H e.a. Levels of metabolites of
   organophosphate pesticides, phthalates, and bisphenol A in pooled urine specimens from pregnant
   women participating in the Norwegian Mother and Child Cohort Study (MoBa). Int J Hyg Environ
   Health 2009; 212(5): 481-491.
99 Gezondheidsraad. Ongerustheid over lokale milieufactoren: risicocommunicatie,
   blootstellingsbeoordeling en clusteronderzoek. Den Haag: Gezondheidsraad; 2001: publicatienr.
   2001/10.
00 Schuiling J. Gif bloedlink. Het verhaal dat niemand wil horen. Amsterdam: Stichting Greenpeace
   Nederland; 2004.
01 Vlaams humaan biomonitoringsprogramma 2007-2011. Resultatenrapport: deel
   referentiebiomonitoring. Versie 2. Brussel: Steunpunt Gezondheid en Milieu; 2011.
02 Fourth national report on human exposure to environmental chemicals. Updated tables, March 2013.
   Atlanta: Centers for Disease Control and Prevention, National Center for Environmental Health,
   Division of Laboratory Sciences; 2013.
03 Sarewitz D. Public openness. Science 1999; 284(5412): 261.
04 Boogaard PJ, Hays SM, Aylward LL. Human biomonitoring as a pragmatic tool to support health risk
   management of chemicals--examples under the EU REACH programme. Regul Toxicol Pharmacol
   2011; 59(1): 125-132.
05 Boogaard PJ, Aylward LL, Hays SM. Application of human biomonitoring (HBM) of chemical
   exposure in the characterisation of health risks under REACH. Int J Hyg Environ Health 2012;
   215(2): 238-241.
06 Hays SM, Aylward LL. Interpreting human biomonitoring data in a public health risk context using
   Biomonitoring Equivalents. Int J Hyg Environ Health 2012; 215(2): 145-148.
44 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>07 Arp R, van Dijk L, Hoogstraten B, de Ruijter C, Vinamont I, van der Welle R. Mogelijke biomarkers
   voor onderzoek naar blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. Utrecht: Universiteit Utrecht, Faculteit
   Bètawetenschappen; 2011.
08 EFSA Panel on Plant Protection Products and their Residues (PPR). Scientific opinion on clustering
   and ranking of emissions of plant protection products from protected crops (greenhouses and crops
   grown under cover) to relevant environmental compartments. EFSA Journal 2012; 10(3): 2611.
09 Sleeuwenhoek A, Cocker J, Jones K, Cherrie JW. Biological monitoring of pesticide exposures.
   Edinburgh: Institute of Occupational Medicine; 2007: Research report TM/07/02.
10 Gezondheidsraad. Leidraad voor identificatie en bescherming van hoogrisicogroepen. Den Haag:
   Gezondheidsraad; 2011: publicatienr. 2011/39.
11 Chen L, Zhao T, Pan C, Ross JH, Krieger RI. Preformed biomarkers including dialkylphosphates
   (DAPs) in produce may confound biomonitoring in pesticide exposure and risk assessment. J Agric
   Food Chem 2012; 60(36): 9342-9351.
12 Krieger RI, Chen L, Ginevan M, Watkins D, Cochran RC, Driver JH e.a. Implications of estimates of
   residential organophosphate exposure from dialkylphosphates (DAPs) and their relevance to risk.
   Regul Toxicol Pharmacol 2012; 64(2): 263-266.
13 Quiros-Alcala L, Bradman A, Smith K, Weerasekera G, Odetokun M, Barr DB e.a.
   Organophosphorous pesticide breakdown products in house dust and children’s urine. J Expo Sci
   Environ Epidemiol 2012; 22: 559-568.
14 Wet van 26 februari 1998 houdende regelen inzake medisch-wetenschappelijk onderzoek met
   mensen ( Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen)(tekst geldend op 2-7-2012).
   Staatsblad 1998; 161.
15 Wet van 29 okotober 1992, houdende regels betreffende bevolkingsonderzoek (geldend op 26-07-
   2013). In werking getreden door Besluit van 5 juni 1996. Staatsblad 1996; 335.
16 Nota: communicatie van biomerkerresultaten naar individuele deelnemers. Brussel: Steunpunt
   Beleidsrelevant Onderzoek Milieu en Gezondheid; 2013.
17 Gezondheidsraad. Voorzorg met rede. Den Haag: Gezondheidsraad; 2008: publicatienr. 2008/18.
18 Cramer JM. Gezondheid en milieu. Brief van de minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke
   Ordening en Milieu aan de voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal van 2 april 2009.
   Tweede Kamer vergaderjaar 2008-2009 2009; 28.089 nr. 23: 1-14.
19 CRD. Guidance document on bystander and residential exposure to pesticides. York: Chemicals
   Regulation Directorate, Health and Safety Executive; 2013. Internet: http://www.pesticides.gov.uk/
   guidance/industries/pesticides/topics/pesticide-approvals/pesticides-registration/applicant-guide/
   updates/guidance-on-bystander-and-residential-exposure-to-pesticides consulted 26-7-2013.
20 Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F e.a. Guidance
   for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products
   during and after application. J Verbr Lebensm 2008; 3: 272-281.
   Literatuur                                                                                           145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>21 Hoogervorst N, Hajer M, Dietz F, Timmerhuis J, Kruitwagen S. Wissels omzetten. Bouwstenen voor
   een robuust milieubeleid voor de 21e eeuw. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving (PBL);
   2013: publicatienr. 427.
22 Gezondheidsraad. Gezondheidsrisico's rond veehouderijen. Den Haag: Gezondheidsraad; 2012:
   publicatienr. 2012/27.
23 Good Neighbour Initiative - Spraying resposibly - Best practice when spraying near to residential
   areas. Stoneleigh: National Farmers’ Union; 2007. Internet: http://www.cropprotection.org.uk/
   library.aspx consulted 3-1-2014.
24 Good Neighbour Initiative - Spray Operator Guide. Stoneleigh: National Farmers' Union; 2007.
   Internet: http://www.cropprotection.org.uk/library.aspx consulted 3-1-2014.
25 Buurma J, Smit B, Leendertse P, Vlaar L, van der Linden T. Gewasbescherming en de balans van
   milieu en economie. Berekeningen bij de 2de Nota Duurzame gewasbescherming. Wageningen:
   Landbouw Economisch Instituut; 2012: rapport nr. 2012-026.
26 Oerke E-C, Gerhards R, Menz G, Sikora RA, eds. Precision Crop Protection - The challenge and use
   of heterogeneity. Dordrecht: Springer; 2010.
27 Wenneker M, van de Zande JC. Spray drift reducing effects of natural windbreaks in orchard
   84: 25-32.
28 Felsot AS, Unsworth JB, Linders JB, Roberts G, Rautman D, Harris C e.a. Agrochemical spray drift;
   assessment and mitigation--a review. J Environ Sci Health B 2011; 46(1): 1-23.
29 Alavanja MC, Ross MK, Bonner MR. Increased cancer burden among pesticide applicators and
   others due to pesticide exposure. CA Cancer J Clin 2013; 63(2): 120-142.
30 Health and Consumer Protection Directorate-General DESotfcECCP. Draft Guidance for the setting
   and application of Acceptable Operator Exposure Levels (AOELs). Brussel: Europese Commissie;
   2006: SANCO 7531 - rev.10.
31 Becks I, Busschers M. Evaluation manual for the authorisation of plant protection products and
   biocides. EU part. Plant Protection Products. Chapter 4. Human toxicology; mammalian toxicity
   dossier. Version 1.0. Wageningen: College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en
   Biociden; 2010.
32 Becks I, Busschers M. Evaluation manual for the authorisation of plant protection products and
   biocides. NL part. Plant Protection Products. Chapter 4. Human toxicology; mammalian toxicity
   dossier. Version 1.0. Wageningen: College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en
   Biociden; 2010.
33 Busschers M. Evaluation manual for the authorisation of plant protection products and biocides. EU
   part. Plant Protection Products. Chapter 4. Human toxicology; risk operator, worker and bystander.
   Version 1.0. Wageningen: College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en Biociden;
   2010.
34 Busschers M. Evaluation manual for the authorisation of plant protection products and biocides. NL
   part. Plant Protection Products. Chapter 4. Human toxicology; risk operator, worker and bystander.
46 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>   Version 1.1. Wageningen: College voor de Toelating van gewasbeschermingsmiddelen en Biociden;
   2011.
35 Advisory Committee on Pesticides, Committee on Toxicity of chemicals in food cpate. Report of the
   joint working group on bystander risk assessment. York en Londen: ACP en COT; 2012.
36 OECD. OECD series on principles of good laboratory practice and compliance monitoring. Number
   1. OECD Principles on Good Laboratory Practice (as revised in 1997). Parijs: Organisation for
   Economic Co-operation and Development; 1998: ENV/MC/CHEM(98)17.
   Literatuur                                                                                        147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>48 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Het briefadvies
D Deelnemers de eerste hoorzitting
E Inzenders van commentaren op het conceptadvies, deelnemers aan de
  tweede hoorzitting en reactie van de commissie
F Geraadpleegde externe deskundigen
G Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en emissie naar het milieu
H Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure
  Verklarende woordenlijst
  Bijlagen
                                                                     149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>50 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>ijlage A
       De adviesaanvraag
       Op 18 april 2011 ontving de voorzitter van de Gezondheidsraad het verzoek
       van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu om advies over de risico’s
       voor omwonenden door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. De
       staatssecretaris schreef (brief DP/2011043142):
       Het onderwerp risico’s van omwonenden door de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen staat
       op uw werkprogramma voor 2011 naar aanleiding van een verzoek van mijn ambtsvoorganger, de
       minister van VROM. Met deze brief wil ik de vraag aan u over dit onderwerp nader specificeren. De
       recente ontwikkelingen over dit onderwerp zal ik daarbij betrekken. Ik doe dat mede namens mijn
       collega van EL&I.
       De risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden en omstanders wor-
       den in de toelatingsbeoordeling niet meegenomen. Verondersteld werd dat door de beoordeling van
       de risico’s van de toepasser de risico’s voor de omwonenden en omstanders voldoende zijn afgedekt.
       Bij die veronderstelling zijn nationaal en internationaal steeds meer vraagtekens gezet. Daarom is er
       op Europees niveau voor gekozen de genoemde risico’s wel te gaan beoordelen. Dat is in de nieuwe
       Verordening voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen. Aan een technisch
       richtsnoer om die beoordeling uit te voeren, wordt nog gewerkt.
       Centraal onderwerp voor het advies is de vraag of omwonenden door het gebruik van gewasbescher-
       mingsmiddelen in zo’n mate kunnen worden blootgesteld dat er risico’s voor hun gezondheid uit
       voort kunnen vloeien. Speciale aandacht is daarbij wenselijk voor kwetsbare of gevoelige groepen,
       De adviesaanvraag                                                                                     151
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre>   situaties met hoge blootstelling en de blootstelling aan een mix van stoffen. Er bestaan hierover nu
   zorgen bij een aantal bewonersgroepen. Het is wenselijk om gezien deze maatschappelijke onrust op
   enigerlei wijze omwonenden bij het opstellen van uw advies te betrekken.
   Zodra een Europees richtsnoer voor de toelatingsbeoordeling is vastgesteld, zal deze ook in Neder-
   land gehanteerd gaan worden. In uw advies kan met deze ontwikkeling rekening worden gehouden.
   Ligt het in de rede dat door het hanteren van deze richtsnoer bij de toelatingsbeoordelingen een ver-
   mindering van de risico’s voor omwonenden kan worden verwacht, en zo ja in welke mate? Is er dan
   helemaal geen reden tot zorg meer, of blijven er ook dan aspecten die aandacht vragen? Als dat het
   geval is kunnen deze aspecten door gebruiksvoorschriften voldoende afgedekt worden, of blijven er
   dan nog steeds aandachtspunten over? De ervaring in Duitsland met de toepassing van een voorloper
   van de Europese beoordelingsmethode kan daarbij waardevolle informatie geven.
   Speciale aandacht wil ik vragen voor risico’s die alleen in Nederland een rol spelen en daarom niet in
   de Europese richtsnoer aan bod komen, zoals die van omwonenden van kassen. Daarnaast zijn er
   blootstellingsroutes die niet in de voorgestelde beoordeling worden meegenomen, zoals de risico’s
   door consumptie uit moestuinen naast bespoten landbouwpercelen. Is er reden de toelatingsbeoorde-
   ling daarop aan te vullen, of zijn er hiervoor mogelijkheden buiten de toelating om? Graag verneem
   ik van u of en zo ja welke lacunes in kennis u geconstateerd heeft, en suggesties voor het opvullen
   hiervan.
   Tenslotte vraag ik uw aandacht nog voor een meer specifieke vraag in deze problematiek. In een
   recente TV uitzending en aansluitende politieke discussie is dit onderwerp besproken. Gesuggereerd
   is daarbij om de mogelijke risico’s van omwonenden met een bevolkingsonderzoek vast te stellen.
   Graag zou ik uw beoordeling vernemen van het nut en de mogelijke opzet van een dergelijk onder-
   zoek. Gezien de maatschappelijke en politieke aandacht voor deze suggestie zou ik het op prijs stel-
   len als u deze vraag vooruitlopend op het volledige advies zou kunnen beantwoorden. Dat zou
   kunnen in de vorm van een briefadvies. Ik zou het op prijs stellen als u er in zou slagen dit briefadvies
   nog voor deze zomer af te ronden.
   Ik verneem graag van u hoeveel tijd u nodig denkt te hebben voor het opstellen van het advies. U kunt
   een beroep doen op betrokkenheid als waarnemer of adviseur vanuit mijn ministerie en/of vanuit het
   RIVM.
   Hoogachtend,
   De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
   (w.g.)
   Joop Atsma
52 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>ijlage B
       De commissie
       •  dr. F. Woudenberg, voorzitter
          psycholoog, GGD Amsterdam
       •  prof. dr. M. van den Berg
          hoogleraar toxicologie, Institute for Risk Assessment Sciences, Universiteit
          Utrecht
       •  dr. P.J. Boogaard
          toxicoloog, Shell International BV, Den Haag
       •  prof. dr. ir. D.J.J. Heederik
          hoogleraar gezondheidsrisicoanalyse, Institute for Risk Assessment
          Sciences, Universiteit Utrecht
       •  dr. R.M. Meertens
          psycholoog, Maastricht University
       •  prof. dr. P.J.J. Sauer
          emeritus hoogleraar kindergeneeskunde, Universitair Medisch Centrum
          Groningen
       •  dr. Ir. P.T.J. Scheepers
          toxicoloog, Radboudumc, Nijmegen
       •  dr. ir. F. van den Berg, adviseur
          milieuchemicus, Team Environmental Risk Assessment, Alterra,
          Wageningen University & Research Centre
       De commissie                                                                    153
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>   •   ir. M. Busschers, adviseur
       toxicoloog, College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen
       en Biociden, Wageningen
   •   drs. M. Drijver, arts, adviseur
       Gezondheidsraad, Den Haag
   •   dr. ir. C.M.J. Jacobs, adviseur
       meteoroloog, Team Climate Change and Adaptive Land and Water
       Management, Alterra, Wageningen University & Research Centre
   •   dr. B.C. Ossendorp, adviseur
       risicobeoordelaar, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven
   •   dr. M.N.E. Nelemans, waarnemer
       Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Den Haag
   •   dr. H.F.G. van Dijk, secretaris
       Gezondheidsraad, Den Haag
   De Gezondheidsraad en belangen
   Leden van Gezondheidsraadcommissies worden benoemd op persoonlijke titel,
   wegens hun bijzondere expertise inzake de te behandelen adviesvraag. Zij kun-
   nen echter, dikwijls juist vanwege die expertise, ook belangen hebben. Dat
   behoeft op zich geen bezwaar te zijn voor het lidmaatschap van een Gezond-
   heidsraadcommissie. Openheid over mogelijke belangenconflicten is echter
   belangrijk, zowel naar de voorzitter en de overige leden van de commissie, als
   naar de voorzitter van de Gezondheidsraad. Bij de uitnodiging om tot de com-
   missie toe te treden wordt daarom aan commissieleden gevraagd door middel
   van het invullen van een formulier inzicht te geven in de functies die zij bekle-
   den, en andere materiële en niet-materiële belangen die relevant kunnen zijn voor
   het werk van de commissie. Het is aan de voorzitter van de raad te oordelen of
   gemelde belangen reden zijn iemand niet te benoemen. Soms zal een adviseur-
   schap het dan mogelijk maken van de expertise van de betrokken deskundige
   gebruik te maken. Tijdens de installatievergadering vindt een bespreking plaats
   van de verklaringen die zijn verstrekt, opdat alle commissieleden van elkaars
   eventuele belangen op de hoogte zijn.
54 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>ijlage C
       Het briefadvies
       Gezondheidsrisico’s door gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw:
       het nut van onderzoek onder omwonenden. Den Haag: Gezondheidsraad,
       2011; publicatienr. 2011/18.
       De bijlagen A en B van dit briefadvies zijn hier niet opgenomen, omdat ze (nage-
       noeg) overeenkomen met bijlagen A en B van het voorliggende advies. Het com-
       plete briefadvies is te vinden op www.gr.nl.
       Het briefadvies                                                                  155
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu
Onderwerp          : Briefadvies Gezondheidsrisico’s door gewasbeschermingsmiddelen in de
                      landbouw: het nut van onderzoek onder omwonenden
Uw kenmerk          : DP/2011043142
Ons kenmerk         : I-821/11/HvD/bp/887-C1                Publicatienr. 2011/18
Bijlagen           :2
Datum               : 2 september 2011
Geachte staatssecretaris,
Op 18 april heeft u mede namens uw collega van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie de
Gezondheidsraad om advies gevraagd over eventuele gezondheidsrisico’s voor omwonenden van
landbouwpercelen die voortvloeien uit de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. In uw
brief (zie bijlage A) stelt u een aantal vragen. Allereerst wilt u weten of omwonenden in zulke
mate kunnen zijn blootgesteld, dat hun gezondheid gevaar loopt. Speciale aandacht vraagt u voor
kwetsbare groepen, situaties van hoge blootstelling, blootstelling aan combinaties van stoffen,
omwonenden van kassen en blootstelling via gecontamineerde moestuinen. Daarnaast wilt u weten
in hoeverre een geplande Europese aanpassing in de toelatingsprocedure van gewasbeschermings-
middelen soelaas kan bieden. Tot slot vraagt u het oordeel van de raad over nut en opzet van een
bevolkingsonderzoek ter vaststelling van de gezondheidsrisico’s voor omwonenden.
      Voor de beantwoording van uw vragen zal ik op korte termijn een multidisciplinaire
commissie instellen. Overeenkomstig uw verzoek ga ik in deze brief kort in op uw laatste vraag. Ik
doe dat op basis van relevante eerdere adviezen van de raad en na consultatie van de leden en
adviseurs van de in te stellen commissie (zie bijlage B) en van de Beraadsgroep Gezondheid en
Omgeving.
Nut en opzet van onderzoek onder omwonenden
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen het behandelde perceel verlaten door verwaaiing van de
spuitnevel tijdens de toediening of daarna door vervluchtiging vanaf het gewas of de bodem.1,2
Ook kunnen ze zich gehecht aan bodem- of stofdeeltjes verspreiden door de wind of via schoeisel
en kleding.3 Vooral bij teelten die een intensief gebruik van deze middelen vergen, zoals de
Bezoekadres                                                                Postadres
Parnassusplein 5                                                           Postbus 16052
2511 VX     Den Haag                                                       2500 BB   Den Haag
Telefoon (070) 340 74 51                                                   Telefax (070) 340 75 23
E-mail: hfg.van.dijk@gr.nl                                                 www.gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp          : Briefadvies Gezondheidsrisico’s door
                     gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw: het nut van
                     onderzoek onder omwonenden
Ons kenmerk        : I-821/11/HvD/bp/887-C1                Publicatienr. 2011/18
Pagina             :2
Datum              : 2 september 2011
bloembollenteelt, maken omwonenden zich zorgen over de mogelijke gevolgen voor hun
gezondheid en die van hun kinderen.4 U vraagt of bevolkingsonderzoek licht kan werpen op de
gezondheidsrisico’s voor omwonenden. De term ‘bevolkingsonderzoek’ kan meerdere
betekenissen hebben. Soms wordt hiermee de screening van individuen op een bepaalde ziekte,
zoals borstkanker, aangeduid. Uw vraag betreft onderzoek dat gezondheidsrisico’s voor
omwonenden door het lokale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beoogt aan te tonen of uit
te sluiten. Duidelijkheidshalve spreek ik hier liever van ‘onderzoek onder omwonenden’.
      Onderzoek onder omwonenden van landbouwpercelen is in twee stappen op te splitsen:
blootstellingsonderzoek en gezondheidsonderzoek. De geraadpleegde commissie- en
beraadsgroepsleden zijn unaniem van mening dat het noodzakelijk is om te beginnen met
blootstellingsonderzoek. Om eventuele gezondheidseffecten bij omwonenden aan het gebruik van
gewasbeschermingsmiddelen te kunnen relateren, is nadere kennis van de blootstelling
onontbeerlijk. De huidige inzichten in de blootstellingsniveaus van omwonenden berusten
grotendeels op modelberekeningen, die wellicht niet alle relevante blootstellingssituaties in
beschouwing nemen. Meetgegevens over de blootstelling van omwonenden aan gewas-
beschermingsmiddelen zijn schaars. In Nederland zijn slechts enkele, oriënterende studies verricht
naar gehaltes van gewasbeschermingsmiddelen in lucht5, bodem6, huisstof3,6, groente uit
moestuinen6,7 en drinkwater van eigen pomp6. Dat betreft uitwendige blootstelling. De inwendige
blootstelling (gehaltes in lichaamsmaterialen zoals bloed of urine) van omwonenden is in ons land,
voor zover mij bekend, nauwelijks onderzocht. Beschikbare gegevens uit het buitenland zijn niet
zonder meer te vertalen naar de Nederlandse situatie. Blootstellingsonderzoek onder omwonenden
acht ik daarom zeker nuttig. Het verdient aanbeveling om het onderzoek te richten op plaatsen
waar op grond van het intensief gebruik en de toedieningswijze van gewasbeschermingsmiddelen
een relatief hoge blootstelling verwacht mag worden.
      Meetgegevens kunnen duidelijk maken aan welke stoffen omwonenden zijn blootgesteld, wat
hun gemiddelde blootstelling is over langere duur en hoe hoog piekbelastingen zijn. Ze kunnen
ook inzicht verschaffen in wat de afstand van een woning tot een behandeld perceel betekent voor
de blootstelling van de bewoners, hoe de blootstelling in de tijd varieert en hoe modelmatige
blootstellingsschattingen zich verhouden tot de gemeten blootstelling. Een vergelijking met de
blootstelling van mensen die niet in agrarisch gebied wonen kan duidelijk maken in hoeverre
omwonenden hoger zijn blootgesteld dan de rest van de bevolking, die eveneens kan zijn
blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen, bijvoorbeeld door consumptie van bespoten
groente en fruit. Toetsing van de gemeten blootstelling aan veilig geachte referentiewaarden, zoals
Bezoekadres                                                               Postadres
Parnassusplein 5                                                          Postbus 16052
2511 VX     Den Haag                                                      2500 BB   Den Haag
Telefoon (070) 340 74 51                                                  Telefax (070) 340 75 23
E-mail: hfg.van.dijk@gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp           : Briefadvies Gezondheidsrisico’s door
                      gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw: het nut van
                      onderzoek onder omwonenden
Ons kenmerk         : I-821/11/HvD/bp/887-C1                Publicatienr. 2011/18
Pagina              :3
Datum               : 2 september 2011
die voor de blootstelling van personen die de middelen toepassen (de zogenoemde AOELa) en van
consumenten (de ADIb en de ARfDc), geeft aan in hoeverre er sprake is van een risicovolle
situatie. Op geleide van de uitkomsten van het blootstellingsonderzoek is dan te bepalen of
gezondheidsonderzoek zinvol is en hoe dat er dan uit zou moeten zien.
      Om bruikbare resultaten op te kunnen leveren, moet blootstellingsonderzoek aan bepaalde
voorwaarden voldoen.8 Die betreffen onder meer de keuze van geschikte onderzoekspopulaties,
goed vergelijkbare controlegroepen, te meten stoffen, te onderzoeken monsters (bijvoorbeeld
lucht, huisstof, urine) en tijdstip, frequentie en duur van de metingen. Wat de beste opzet is, hangt
mede af van de vragen die men wil beantwoorden. De commissie gaat zich daarom buigen over de
vraag welk type blootstellingsonderzoek welke informatie kan verschaffen.
Het betrekken van belanghebbende partijen
In uw adviesaanvraag verzoekt u mij nadrukkelijk om omwonenden op enigerlei wijze bij de
opstelling van het advies te betrekken. De raad heeft eerder het belang van burgerparticipatie
onderstreept bij de omgang met milieuvraagstukken, zeker als die lokaal ongerustheid oproepen9
en als die zich kenmerken door substantiële onzekerheid10. Beide lijken hier aan de orde te zijn.
Om uiteindelijk te komen tot blootstellingsonderzoek dat de vragen van verontruste omwonenden
kan beantwoorden, is het raadzaam om hen niet alleen te betrekken bij de opzet van bloot-
stellingsonderzoek, maar hen nu al te betrekken bij de opstelling van het advies over de
mogelijkheden en beperkingen van dergelijk onderzoek. De commissie zal zich zorgvuldig
beraden over de wijze waarop ze die betrokkenheid gestalte zal geven. Overigens zal ik de
commissie vragen om naast omwonenden tevens andere belanghebbenden te horen, zoals de
landbouwsector en de agrochemische industrie.
Uiteraard zal de commissie ook ingaan op de overige vragen die u heeft gesteld. Ik streef ernaar
om u het advies van de commissie in de loop van 2012 aan te kunnen bieden.
a
  Acceptable Operator Exposure Level
b
  Acceptable Daily Intake
c
  Acute Reference Dose
Bezoekadres                                                                Postadres
Parnassusplein 5                                                           Postbus 16052
2511 VX    Den Haag                                                        2500 BB   Den Haag
Telefoon (070) 340 74 51                                                   Telefax (070) 340 75 23
E-mail: hfg.van.dijk@gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp         : Briefadvies Gezondheidsrisico’s door
                    gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw: het nut van
                    onderzoek onder omwonenden
Ons kenmerk       : I-821/11/HvD/bp/887-C1              Publicatienr. 2011/18
Pagina            :4
Datum             : 2 september 2011
Een afschrift van dit briefadvies is verzonden aan uw collega van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. H. Obertop
vicevoorzitter
Bezoekadres                                                            Postadres
Parnassusplein 5                                                       Postbus 16052
2511 VX    Den Haag                                                    2500 BB   Den Haag
Telefoon (070) 340 74 51                                               Telefax (070) 340 75 23
E-mail: hfg.van.dijk@gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp          : Briefadvies Gezondheidsrisico’s door
                     gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw: het nut van
                     onderzoek onder omwonenden
Ons kenmerk        : I-821/11/HvD/bp/887-C1               Publicatienr. 2011/18
Pagina             :5
Datum              : 2 september 2011
Literatuur
1       Gezondheidsraad. Atmosferische verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen. Een
        ecologische risico-evaluatie. Den Haag: Gezondheidsraad; 2000: publicatienr. 2000/03.
2       van Dijk HFG, van Pul WAJ, de Voogt P, editors. Fate of pesticides in the atmosphere.
        Implications for environmental risk assessment. Dordrecht/Boston/London: Kluwer
        Academic Publishers; 1999.
3       Hogenkamp A, Vaal M, Heederik D. Pesticide exposure in dwellings near bulb growing
        fields in the Netherlands: an explorative study. Ann Agric Environ Med 2004; 11: 149-
        153.
4       Zembla: Gif in de bollenstreek - transcript. 8-1-2011. VARA. Internet:
        http://zembla.vara.nl/Gif-in-de-bollenstreek.8566.0.html.
5       Duyzer JH, Vonk AW. Atmospheric deposition of pesticides, PAHs and PCBs in the
        Netherlands. Apeldoorn: TNO Environment, Energy and Process Innovation; 2003:
        R2003/255.
6       van den Berg MMHE, van der Voet E, van der Naald WGH, Dikstaal N. Risico's van
        bestrijdingsmiddelen voor jonge kinderen in de Bloembollenstreek: cholinesteraseremmers
        en dithiocarbamaten. Leiden: Centrum voor Milieukunde; 1989: CML mededelingen 50.
7       Staal L. Consumptiegewassen na(ast) bloembollen. Gezondheidsrisico's ten gevolge van
        het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de bloembollenteelt via de voeding? Een
        onderzoek van de GGD-en in Noord-Holland Noord en de Keuringdienst van waren, regio
        Noord-West. 2000.
8       Gezondheidsraad. Gezondheid en milieu; mogelijkheden van monitoring. Den Haag:
        Gezondheidsraad; 2003: publicatienr. 2003/13.
9       Gezondheidsraad. Ongerustheid over lokale milieufactoren: risicocommunicatie,
        blootstellingsbeoordeling en clusteronderzoek. Den Haag: Gezondheidsraad; 2001:
        publicatienr. 2001/10.
10      Gezondheidsraad. Voorzorg met rede. Den Haag: Gezondheidsraad; 2008: publicatienr.
        2008/18.
Bezoekadres                                                              Postadres
Parnassusplein 5                                                         Postbus 16052
2511 VX    Den Haag                                                      2500 BB   Den Haag
Telefoon (070) 340 74 51                                                 Telefax (070) 340 75 23
E-mail: hfg.van.dijk@gr.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 161 ======================================================================

<pre>ijlage D
       Deelnemers aan de eerste hoorzitting
       Datum: maandag 30 januari 2012
       Locatie: Jaarbeurs, congres en vergadercentrum, Beatrixgebouw,
       Jaarbeursplein te Utrecht
       •   De heer dr. J. van Aartrijk, KAVB, Hillegom
       •   De heer R. van Arendonk, Milieufederatie Noord-Holland, Zaandam
       •   Mevrouw ir. A.G.A. van Beek, ZLTO, Den Bosch
       •   Mevrouw prof. dr. M. van de Bor, Bewonersgroep Oudemirdum
       •   De heer E. Briët, Milieufederatie Noord-Holland, Zaandam
       •   De heer ing. J. van Bruchem, NFO, Zoetermeer
       •   De heer W. van Dalen, Stichting Bollenboos, Diever
       •   De heer J. Dielissen, Bewonersgroep Bloemberg, Veeningen
       •   De heer J. Eedens, NVWA
       •   Mevrouw R.V. Fournell, Stichting Bollenboos, Diever
       •   De heer ir. H. Hummelen, LTO Groeiservice, Bleiswijk
       •   De heer C. Koning, Houd Zijpe Leefbaar, Petten
       •   De heer prof. dr. J. Lankelma, Bewonersgroep Oudemirdum
       •   Mevrouw M. Mann, Ministerie van I&M
       •   Mevrouw drs. B. van Noorloos, namens Nefyto, werkzaam bij
           Bayer Cropscience
       •   De heer ir. J.J.G.W. Ottenheim, Nefyto, Den Haag
       •   De heer ing. C.M. de Ruijter, Agrodis, Den Haag
       Deelnemers aan de eerste hoorzitting                                161
</pre>

====================================================================== Einde pagina 161 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 162 ======================================================================

<pre>   •   De heer A. Schöppink, Bewonersgroep Bloemberg, Veeningen
   •   De heer ir. M.J.H.R. Steinbusch, CUMELA Nederland, Nijkerk
   •   De heer B. Verhave, Stichting Bollenboos, Diever
   •   De heer M. Visschers, Gelderse Natuur en Milieufederatie, Arnhem
   •   De heer dr. ir. J.H. van Wenum, LTO Nederland, Zwolle
   Namens de Gezondheidsraad waren aanwezig:
   • De heer prof. dr. H. Obertop, vicevoorzitter Gezondheidsraad
   • De heer dr. ir. F. van den Berg
   • De heer prof. dr. M. van den Berg
   • De heer dr. P.J. Boogaard
   • De heer dr. H.F.G. van Dijk
   • Mevrouw drs. M. Drijver
   • De heer prof. dr. ir. D.J.J. Heederik
   • De heer dr. ir. C.M.J. Jacobs
   • Mevrouw dr. R.M. Meertens
   • Mevrouw dr. M.N.E. Nelemans
   • Mevrouw dr. B.C. Ossendorp
   • De heer prof. dr. P.J.J. Sauer
   • De heer dr. ir. P.T.J. Scheepers
   • De heer dr. F. Woudenberg
   De voordrachten en presentaties van alle sprekers zijn te vinden op de website
    van de Gezondheidsraad: www.gr.nl.
62  Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 162 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 163 ======================================================================

<pre>ijlage E
       Commentaren op openbaar
       conceptrapport
       In deze bijlage staat vermeld wie commentaar hebben geleverd op het openbaar
       conceptrapport, wie hun commentaar hebben toegelicht op een tweede door de
       commissie georganiseerde hoorzitting en hoe de commissie met het commentaar
       is omgegaan.
       Van de volgende personen, organisaties en instanties heeft de commissie schrifte-
       lijk commentaar ontvangen op de tekst van het openbare conceptrapport:
       •    Vereniging Agrodis, Den Haag
       •    Bewonersgroep Bloemberg, Veeningen
       •    Stichting Bollenboos, Diever
       •    De heer B. Carpay, Huissen
       •    De heer L.J. Dorst, Rutten
       •    Gelderse Natuur- en Milieufederatie, Arnhem
       •    Gemeente Schagen
       •    GGD Nederland, Utrecht
       •    De heer C.M.J.A. Goossens, ‘t Goy
       •    Houd Zijpe Leefbaar, Petten
       •    LTO Nederland, Zwolle
       •    De heer K. Meijaard, ‘t Harde
       •    Milieufederatie Nood-Holland, Zaandam
       •    Natuur en Milieu Overijssel, Zwolle
       Commentaren op openbaar conceptrapport                                            163
</pre>

====================================================================== Einde pagina 163 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 164 ======================================================================

<pre>    •   Nefyto, Den Haag
    •   Bewonersgroep Oudemirdum
    •   PAN Europe, Lekkerkerk
    •   De heer J. Peeters, Fruitconsult, Zetten
    •   De heer prof. dr. A.M.J. Ragas, Radbouduniversiteit Nijmegen
    •   De heer en Mevrouw (naam vertrouwelijk), Noord-Brabant
    •   De heer dr. H.A. Tennekes, Zutphen
    •   De heer ing. J.J.A.H. Voet, ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
    Alle ingezonden commentaren zijn te vinden op de website van de Gezondheids-
    raad: www.gr.nl.
    Deelnemers aan de eerste hoorzitting die commentaar op het openbaar concep-
    trapport hadden ingezonden, kregen de mogelijkheid hun commentaar op een
    tweede hoorzitting mondeling toe te lichten.
    Datum: maandag 7 oktober 2013
    Locatie: Jaarbeurs, congres en vergadercentrum, Beatrixgebouw, Jaarbeursplein
    te Utrecht
    Deelnemers aan de tweede hoorzitting:
    •   De heer dr. J. van Aartrijk, KAVB, Hillegom
    •   De heer R. van Arendonk, Milieufederatie Noord-Holland, Zaandam
    •   De heer dr. ir. R. Bogers, RIVM
    •   De heer H. Bus, NFO, Zoetermeer
    •   De heer J. Dielissen, Bewonersgroep Bloemberg, Veeningen
    •   Mevrouw R.V. Fournell, Stichting Bollenboos, Diever
    •   De heer prof. dr. J. Lankelma, Bewonersgroep Oudemirdum
    •   Mevrouw drs. B. van Noorloos, namens Nefyto, werkzaam
        bij Bayer Cropscience
    •   De heer ir. J.J.G.W. Ottenheim, Nefyto, Den Haag
    •   Mevrouw J. Mat, NRC
    •   De heer A. Schöppink, Bewonersgroep Bloemberg, Veeningen
    •   De heer ir. M.J.H.R. Steinbusch, CUMELA Nederland, Nijkerk
    •   De heer B. Verhave, Stichting Bollenboos, Diever
    •   De heer M. Visschers, Gelderse Natuur en Milieufederatie, Arnhem
    •   De heer dr. ir. J.H. van Wenum, LTO Nederland, Zwolle.
164 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 164 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 165 ======================================================================

<pre>Namens de Gezondheidsraad waren op de tweede hoorzitting aanwezig:
•  De heer prof. dr. H. Obertop, vicevoorzitter Gezondheidsraad
•  De heer dr. ir. F. van den Berg
•  De heer prof. dr. M. van den Berg
•  De heer dr. P.J. Boogaard
•  Mevrouw ir. M. Busschers
•  De heer dr. H.F.G. van Dijk
•  Mevrouw drs. M. Drijver
•  De heer dr. ir. C.M.J. Jacobs
•  Mevrouw dr. R.M. Meertens
•  Mevrouw dr. M.N.E. Nelemans
•  Mevrouw dr. B.C. Ossendorp
•  De heer dr. ir. P.T.J. Scheepers
•  De heer dr. F. Woudenberg.
De commissie heeft met de volgende brief gereageerd op de binnengekomen
commentaren.
Commentaren op openbaar conceptrapport                                  165
</pre>

====================================================================== Einde pagina 165 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 166 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Aan de inzenders van commentaar op het openbare conceptrapport over
gewasbescherming en omwonenden
Onderwerp            antwoord op ingezonden commentaar
Ons kenmerk          U-8044/HvD/pm/887-L1
Bij lagen
Datum                29januari 2014
Geachte heer of mevrouw,
0 30juli 2013 heeft de Gezondheidsraad een conceptadvies over gewasbescherming en
p
omwonenden op zijn website gepubliceerd en belangstellenden uitgenodigd de tekst te
becommentariëren. Op die manier wilde de commissie die het advies heeft opgesteld tussentijds
controleren of ze haar advies begrijpelijk heeft verwoord, of in de informatiebehoefte van
belanghebbenden is voorzien en of de beschikbare praktijkkennis voldoende is benut. U heeft
samen met ruim twintig andere personen, groeperingen en organisaties de moeite genomen om een
reactie in te sturen. De lengte van de binnengekomen reacties varieert van een half A4’tje tot ruim
twintig pagina’s. De commissie heeft dankbaar gebruik gemaakt van de ingezonden reacties. Ze
hebben bijgedragen aan de kwaliteit van het uiteindelijke advies en de bruikbaarheid voor de
adviesvragende bewindspersonen.
 De reacties waren overwegend positief, maar er waren ook punten van kritiek van velerlei aard,
variërend van spelfouten, tot suggestief taalgebruik, onjuistheden en omissies. De commissie heeft
al het ingezonden commentaar kritisch beoordeeld op zijn wetenschappelijke merites en
 aansluiting bij de opdracht van de commissie. Ze heeft het commentaar dan ook naar eigen inzicht
 verwerkt.
 Gezien het aantal en de omvang van de reacties kan de commissie niet iedere inzender persoonlijk
 schriftelijk antwoorden. Evenmin is het doenlijk om in te gaan op elk van de vele kleinere en soms
 wat grotere aanpassingen in de tekst. Ik beperk mij hier tot de belangrijkste inhoudelijke
 consequenties van uw gezamenlijke inbreng voor het uiteindelijke advies.
 Bezoekad res                                                             Postadres
 Rijnstraat 50                                                            Postbus 16052
 2515 XP Den Haag                                                         2500 BB Den Haag
 E-mail: hfg.van.dijkgr.nl                                                www. g r. nI
 Telefoon (070) 340 7451
</pre>

====================================================================== Einde pagina 166 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 167 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Health Council of the Netherlands
Onderwerp            antwoord op ingezonden commentaar
Ons kenmerk          U-8044/HvD/pm1887-L1
Pagina              :2
Datum                29januari 2014
De commissie heeft geen aanleiding gezien om de (hoofd)boodschap van het advies te wijzigen.
Wel is ze op enkele zaken dieper ingegaan, omdat meerdere inzenders van commentaar die wens
kenbaar hebben gemaakt. Het betreft een drietal punten:
• Vervolgonderzoek naar gezondheidseffecten: de commissie meent dat vervolgonderzoek naar
    effecten zinvol is, als uit het bepleite blootstellingsonderzoek blijkt dat blootstellingsniveaus
    gezondheidskundige grenswaarden benaderen of overschrij den.
• Spuitvrje zones: omdat langs watergangen ook spuitvrje zones gelden, vindt de commissie
    invoering langs woonhuizen, scholen en dergelijke voor de hand liggen, maar het is
    uiteindelijk een politieke keuze. Dergelijke zones kunnen een (extra) veiligheidsmarge bieden.
    Of spuitvrije zones werkelijk nodig zijn en hoe breed ze dan moeten zijn, is wetenschappelijk
    bezien onzeker. Wel zal met toenemende afstand de blootstelling dalen. De gekozen breedte
    zal een weerspiegeling zijn van wat de politiek verantwoordelijken een juiste balans achten
    tussen gezondheidskundige en economische waarden.
• Persoonlijke maatregelen door omwonenden zelf: ook daarvoor geldt dat de noodzaak en
     effectief niet vast staan. Dergelijke maatregelen werken echter wel blootstellingverlagend en
     bieden omwonenden enig handelingsperspectief in hun onzekere situatie. De term ‘no-regret        -
     maatregelen’ heeft de commissie geschrapt, omdat de maatregelen een aanzienlijke inperking
     van de vrijheid van omwonenden kunnen inhouden als er gedurende het groeiseizoen
     wekelijks meerdere malen wordt gespoten.
Mocht u een nadere toelichting wensen op de omgang van de commissie met uw eigen inbreng,
dan kunt u telefonisch of per e-mail contact met mij opnemen. Nogmaals dank voor uw inbreng.
Met vriendelijke groet,
namens de commissie
secretaris
 Bezoekad res                                                              Postadres
 Rijnstraat 50                                                             Postbus 16052
2515 XP Den Haag                                                           2500 BB Den Haag
 E-mail: hfg.van.dijkgr.nl                                                 www. g r. fl1
Telefoon (070) 340 7451
</pre>

====================================================================== Einde pagina 167 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 168 ======================================================================

<pre>68 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 168 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 169 ======================================================================

<pre>ijlage F
       Geraadpleegde deskundigen
       •  prof. dr. J.W. Cherrie, Institute of Occupational Medicine (IOM),
          Edinburgh, Verenigd Koninkrijk
       •  prof. dr. J.J.M. van Delden, Universitair Medisch Centrum, Utrecht
       •  dr. K.S. Galea, Institute of Occupational Medicine (IOM), Edinburgh,
          Verenigd Koninkrijk
       •  prof. dr. G.A. den Hartogh, Faculteit der Geesteswetenschappen, Universiteit
          van Amsterdam
       •  prof. dr. I.A. Kreis, Gezondheidsraad, Den Haag
       •  ir. A.M.A. van der Linden, RIVM, Bilthoven
       •  dr. L.G.M. van Rossum, Gezondheidsraad, Den Haag
       •  prof. dr. G. Schoeters, Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek,
          Mol
       •  dr. M. van Tongeren, Institute of Occupational Medicine (IOM), Edinburgh,
          Verenigd Koninkrijk
       •  mr. E.M. van Veldhuizen-Polman, Centrale Commissie Mensgebonden
          Onderzoek (CCMO), Den Haag
       •  ir. J.C. van de Zande, Plant Research International, Wageningen
       Geraadpleegde deskundigen                                                       169
</pre>

====================================================================== Einde pagina 169 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 170 ======================================================================

<pre>70 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 170 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 171 ======================================================================

<pre>ijlage G
       Gebruik van gewasbeschermingsmid-
       delen en emissie naar de lucht
       Verbruik van gewasbeschermingsmiddelen per landbouwsector in kg werkzame stof per jaar
       (excl. natte grondontsmetting).3
                                        1997-1999               2004-2005             2008-2010
       open teelten
       akkerbouw                         5.724.000              4.855.000             4.660.000
       bloembollenteelt                  1.609.000              1.431.000             1.520.000
       boomteelt                            227.000               240.000               270.000
       fruitteelt                           875.000               813.000               672.000
       groenteelt vollegrond                360.000               270.000               202.000
       veehouderij                        1.060.000               970.000               912.000
       bedekte teelten
       bloemisterij glas                    234.000               213.000               186.000
       groenteteelt glas                     51.000                54.000                50.000
       eetbare paddenstoelen                   7.000                 5.000                1.000
       totaal                           10.147.000              8.851.000             8.473.000
       Areaal per landbouwsector in hectaren; ter vergelijking: het totale landoppervlak van Nederland
       bedraagt 3.388.300 ha.3
                                        1998                    2004                  2008
       open teelten
       akkerbouw                         517.000                511.000               482.000
       bloembollenteelt                    18.000                20.000                21.000
       boomteelt                           12.000                14.000                16.000
       fruitteelt                          21.000                17.000                17.000
       groenteelt vollegrond               34.000                32.000                34.000
       Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en emissie naar de lucht                                  171
</pre>

====================================================================== Einde pagina 171 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 172 ======================================================================

<pre>   veehouderij                     1.271.000          1.208.000              1.260.000
   bedekte teelten
   bloemisterij glas                     4.300              4.400                  3.800
   groenteteelt glas                     3.000              3.300                  3.700
   eetbare paddenstoelen                   100                 80                     80
   totaal                          1.881.000          1.810.000              1.838.000
   Verbruik van gewasbeschermingsmiddelen per landbouwsector in kg werkzame stof per ha per jaar.3
                                   1997-1999          2004-2005              2008-2010
   open teelten
   akkerbouw                       11,1                 9,5                    9,7
   bloembollenteelt                88,3               72,1                   73,4
   boomteelt                       18,3               17,1                   17,0
   fruitteelt                      42,5               48,7                   40,1
   groenteelt vollegrond           10,5                 8,4                    5,9
   veehouderij                       0,8                0,8                    0,7
   bedekte teelten
   bloemisterij glas               54,0               48,2                   49,3
   groenteteelt glas               17,0               16,4                   13,7
   eetbare paddenstoelen           75,5               56,9                   12,6
   gemiddeld                         5,4                4,9                    4,6
   Berekende uitstoot van gewasbeschermingsmiddelen naar de lucht, het oppervlaktewater en het
   grondwater in kg werkzame stof per jaar..3
                                   1997-1999          2004-2005              2008-2010
   lucht                           1.026.000          757.000                710.000
   oppervlaktewater                    24.300           16.300                 12.900
   grondwater                            1.980           1.050                  1.050
   Berekende uitstoot van gewasbeschermingsmiddelen naar de lucht per agrarische sector in kg werk-
   zame stof per jaar.3
                                   1997-1999          2004-2005              2008-2010
   open teelten
   akkerbouw                          644.000         456.000                444.000
   bloembollenteelt                   155.000           97.000               100.000
   boomteelt                           16.000           13.000                 11.000
   fruitteelt                          84.000           94.000                 65.000
   groenteelt vollegrond               42.000           25.000                 18.000
   veehouderij                         55.000           51.000                 56.000
   bedekte teelten
   bloemisterij glas                   17.000           15.000                 13.000
   groenteteelt glas                   13.000            6.000                  3.000
   eetbare paddenstoelen           -                  -                      -
   totaal                          1.026.000          757.000                710.000
72 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 172 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 173 ======================================================================

<pre>ijlage H
       Beoordeling van de risico’s voor de
       mens in de toelatingsprocedure
       De methoden waarmee in de toelatingsprocedure de werkzaamheid en de veilig-
       heid van gewasbeschermingsmiddelen worden beoordeeld, zijn binnen de Euro-
       pese Unie inmiddels verregaand geharmoniseerd. Deels is de harmonisatie zelfs
       wereldwijd. De methoden voor de beoordeling van de werkzaamheid en de eco-
       logische risico’s blijven in deze paragraaf buiten beschouwing, omdat ze voor het
       ‘omwonendenvraagstuk’ minder relevant zijn. Hier staat de beoordeling van de
       risico’s voor de menselijke gezondheid centraal.
            Methoden voor de beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmid-
       delen worden binnen de Europese Unie ontwikkeld door de European Food
       Safety Agency (EFSA) die in Parma zetelt. Binnen de EFSA is het Panel on Plant
       Protection Products and their Residues (PPR) hiermee belast. De werkzame stof-
       fen op de positieve lijst, en daarmee ook de toegelaten gewasbeschermingsmid-
       delen, worden periodiek – ten minste elke tien jaar – opnieuw beoordeeld,
       enerzijds omdat de testprotocollen geregeld aan de nieuwste inzichten worden
       aangepast en anderzijds omdat de praktijk onvermoede schadelijke effecten van
       het middel aan het licht kan brengen. Uiteraard is tussentijds ingrijpen altijd
       mogelijk, en zelfs verplicht, bij onverwachte negatieve ontwikkelingen.
            Belangrijk is om op te merken dat een toelating slechts impliceert dat met het
       betreffende gewasbeschermingsmiddel effectief én veilig (bepaalde) plagen in
       (bepaalde) gewassen bestreden kunnen worden bij gebruik volgens het bijbeho-
       rende gebruiksvoorschrift. De toelating op zich biedt geen garantie dat een mid-
       del in de praktijk ook altijd op een effectieve en veilige manier wordt ingezet.
       Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure                  173
</pre>

====================================================================== Einde pagina 173 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 174 ======================================================================

<pre>        De commissie beschrijft slechts op hoofdlijnen hoe de beoordeling van de
   risico’s voor de menselijke gezondheid momenteel in zijn werk gaat. Uitvoeri-
   gere, meer technische beschrijvingen zijn te vinden in een conceptrichtlijn van de
   Europese Commissie230 en het Evaluation Manual Gewasbeschermingsmiddelen
   van het Ctgb.231-234
   Te beschermen groepen
   De beoordeling van de risico’s van een gewasbeschermingsmiddel voor de men-
   selijke gezondheid is gericht op de veiligheid van toepassers van gewasbescher-
   mingsmiddelen en op de veiligheid van degenen die na de toepassing in
   aanraking kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen of omzettingspro-
   ducten daarvan. De eerste groep omvat degenen die het middel beroepsmatig toe-
   passen (agrariërs en loonwerkers) en particuliere gebruikers. Tot de tweede groep
   behoren onder meer personen die enige tijd na de bespuiting (er is een voorge-
   schreven termijn) in het gewas werkzaamheden verrichten, omstanders en pas-
   santen die al dan niet beroepsmatig tijdens de bespuiting in de buurt zijn, en
   omwonenden. De tweede groep omvat tevens consumenten van bespoten voed-
   selgewassen. In gewassen kunnen namelijk sporen van het gewasbeschermings-
   middel achterblijven, de zogeheten residuen. Uiteraard vindt de beoordeling van
   de risico’s voor consumenten alleen plaats als het een toepassing betreft van een
   middel in een gewas dat bestemd is voor menselijke (of dierlijke) consumptie.
   Tabel 1 geeft nadere omschrijvingen van deze groepen blootgestelden, zoals die
   in de EU worden gehanteerd bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.
        De beoordelingssystematiek volgt in alle gevallen eenzelfde stramien: op
   basis van door de fabrikant aan te leveren toxiciteitsgegevens over een middel
   worden gezondheidskundige grenswaarden voor de blootstelling vastgesteld.
   Tevens schat men op grond van de door de fabrikant voorgestelde gebruiks- en
   toedieningswijze van het betreffende middel met modellen de blootstelling van
   de genoemde groepen aan dat middel. Ligt de aldus berekende blootstelling
   onder de gezondheidskundige grenswaarde, dan wordt het middel toegelaten.
        Het hele concept van de gezondheidskundige grenswaarden is gebaseerd op
   de veronderstelling dat de giftigheid een drempelwaarde kent: het organisme,
   inclusief de mens, heeft een zeker vermogen om schadelijke effecten van een stof
   te voorkomen of te neutraliseren. Gezondheidseffecten treden pas op als de
   blootstelling zo hoog is dat dit vermogen niet meer toereikend is. Voor stoffen
   die kanker veroorzaken door beschadiging van het genetisch materiaal kan vol-
   gens de heersende inzichten geen veilig blootstellingsniveau worden afgeleid.
74 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 174 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 175 ======================================================================

<pre>Dergelijke verbindingen worden normaalgesproken niet toegelaten als gewasbe-
schermingsmiddel.235 Aangenomen wordt dat stoffen die op andere wijze kanker
veroorzaken, dat wel alleen doen boven een bepaalde drempelwaarde. Voor die
stoffen kan dus wel een gezondheidskundige grenswaarde worden vastgesteld.
Tabel 1 Groepen van mensen die bij de risicobeoordeling in beschouwing worden genomen.
Naam (Engels)                     Omschrijving (vertaling uit het Engels door de commissie)
 Toepasser (Operator)             Toepassers zijn personen die betrokken zijn bij werkzaamheden
                                  die verband houden met de toepassing van een gewasbescher-
                                  mingsmiddel; die werkzaamheden omvatten het mengen van het
                                  middel en het vullen van de toedieningsapparatuur, het bedienen
                                  van de toedieningsapparatuur, het onderhouden van de toedie-
                                  ningsapparatuur terwijl die het gewasbeschermingsmiddel
                                  bevat, en het leeg- of schoonmaken van de apparatuur of contai-
                                  ners na gebruik. Toepassers kunnen professionele gebruikers
                                  zijn (bv. boeren of loonwerkers die zich bezighouden met de
                                  commerciële productie van landbouwgewassen) of amateur
                                  gebruikers (bv. gebruikers in huis en tuin).8
Werker (Worker, re-entry worker) Werkers zijn personen die, als onderdeel van hun werk, een per-
                                  ceel betreden dat van te voren behandeld is met een gewasbe-
                                  schermingsmiddel of een landbouwproduct in de hand nemen
                                  dat behandeld is met een gewasbeschermingsmiddel.8
Omstander,                        Omstanders zijn personen die zich in of pal naast een perceel
passant (Bystander)               bevinden waar toediening van of behandeling met gewasbe-
                                  schermingsmiddelen aan de gang of zojuist voltooid is; hun aan-
                                  wezigheid bij het werk met het middel is geheel onbedoeld en
                                  houdt geen verband met dat werk, maar hun positie kan ertoe
                                  leiden dat ze worden blootgesteld; ze ondernemen zelf geen
                                  actie ter voorkoming of beperking van de blootstelling.8
Omwonende (Resident)              Omwonenden zijn personen die wonen, werken of een school of
                                  enige andere instelling bezoeken grenzend aan een perceel dat
                                  behandeld is of wordt met een gewasbeschermingsmiddel; hun
                                  aanwezigheid bij het werk met het middel is geheel onbedoeld
                                  en houdt geen verband met dat werk, maar hun positie kan ertoe
                                  leiden dat ze worden blootgesteld; ze ondernemen zelf geen
                                  actie ter voorkoming of beperking van de blootstelling; ze kun-
                                  nen 24 uur per dag ter plaatse aanwezig zijn.8
Consument                         Consumenten zijn personen die zich voeden met producten van
(Consumer)                        plantaardige of dierlijke oorsprong die residuen van gewasbe-
                                  schermingsmiddelen kunnen bevatten.
Gezondheidskundige grenswaarden voor inname of blootstelling
Voor consumenten van met gewasbeschermingsmiddelen behandelde voedselge-
wassen worden twee gezondheidskundige grenswaarden vastgesteld, namelijk
één voor langdurige inname en één voor piekinnames, de ADI respectievelijk de
ARfD. Voor toepassers, werkers, omstanders en omwonenden wordt doorgaans
één gezondheidskundige grenswaarde vastgesteld, de A(O)EL (zie tabel 2). Die
Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure                                175
</pre>

====================================================================== Einde pagina 175 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 176 ======================================================================

<pre>   is gericht op de veiligheid van langdurige blootstelling. Voor piekblootstellingen
   wordt op dit moment geen veilig niveau bepaald.8
   Tabel 2 Veilig geachte referentiewaarden voor inname of blootstelling aan gewasbeschermingsmid-
   delen.
   Gezondheidskundige Afkorting Omschrijving (vertaling uit het Engels door de Doelgroep
   grenswaarde                        commissie)
   Acceptable Daily       ADI         een schatting van de maximale hoeveelheid van Consumenten
   Intake                             een stof, uitgedrukt per kilogram lichaamsge-
                                      wicht, die gedurende het hele leven dagelijks
                                      met voedsel en/of drinkwater kan worden inge-
                                      nomen zonder noemenswaardig gezondheids-
                                      risico voor de consument, op basis van alle
                                      bekende feiten ten tijde van de beoordeling.
   Acute Reference        ARfD        een schatting van de maximale hoeveelheid van Consumenten
   Dose                               een stof, doorgaans uitgedrukt per kilogram
                                      lichaamsgewicht, die gedurende een periode
                                      van 24 uur of korter met voedsel en/of drink-
                                      water kan worden ingenomen zonder noemens-
                                      waardig gezondheidsrisico voor de consument,
                                      op basis van alle bekende feiten ten tijde van de
                                      beoordeling.
   Acceptable             A(O)EL      de maximale hoeveelheid van een werkzame          Toepassers
   (Operator)                         stof waaraan de toepasser, werker, omstander Werkers
   Exposure Level                     of omwonende kan worden blootgesteld zonder Omstanders
                                      enig schadelijk effect op de gezondheid. De       Omwonenden
                                      A(O)EL wordt uitgedrukt in milligram van de
                                      stof per kilogram lichaamsgewicht per dag.
                                      A(O)EL’s hebben betrekking op de inwendige
                                      (opgenomen) dosis die beschikbaar is voor
                                      verspreiding door het lichaam na opname via
                                      welke blootstellingsroute dan ook.230
   De afleiding van deze gezondheidskundige grenswaarden gebeurt in twee stap-
   pen. De eerste stap behelst de karakterisering van de mogelijke gevaren van de
   stof, zowel kwalitatief als kwantitatief. Daartoe moet de fabrikant een serie toxi-
   citeitstesten verrichten. Om ethische redenen gebeurt dat niet met mensen, maar
   met proefdieren, doorgaans ratten, muizen, konijnen en honden. Deze tests moe-
   ten worden uitgevoerd volgens nauwkeurig omschreven richtlijnen van de
   OECD en voldoen aan de kwaliteitseisen voor ‘Goede Laboratoriumpraktijken’
   die eveneens zijn vastgelegd door de OECD.236 Vaak besteden fabrikanten dit
   onderzoek uit aan gespecialiseerde laboratoria in binnen- en buitenland. Het
   onderzoek is erop gericht om het kritische effect van de stof op te sporen. Dat is
   het schadelijke effect dat zich het eerste voordoet, dat wil zeggen bij het laagste
   blootstellingsniveau. Tabel 3 geeft een overzicht van de vereiste proeven. Als de
   resultaten daartoe aanleiding geven of als men dat op grond van kennis over het
76 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 176 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 177 ======================================================================

<pre>werkingsmechanisme van de stof nodig vindt, wordt de fabrikant geacht aanvul-
lende, specifiek op een probleem gerichte onderzoeken uit te voeren. Doorgaans
worden de proefdieren oraal, dat wil zeggen via de mond, blootgesteld. Er zijn
enkele studies, waarbij blootstelling via de huid of de luchtwegen plaatsvindt.
Tabel 3 Vereiste toxiciteitsstudies.
Type studie                                      Gericht op
Toxicokinetiek                                   Lotgevallen van de stof in het lichaam: absorptie,
                                                 verspreiding, omzetting, uitscheiding
Acute toxiciteit                                 Effecten door een eenmalige blootstelling
Irritatie                                        Irritatie van huid en ogen
Sensibilisatie                                   Overgevoeligheid na huidblootstelling
Subacute en semi-chronische toxiciteit           Effecten door herhaalde blootstelling
                                                 (4 weken - 3 maanden)
Chronische toxiciteit                            Effecten door langdurige blootstelling (>1 jaar)
Carcinogeniteit                                  Kanker
Genotoxiciteit                                   Beschadiging van het erfelijke materiaal
Neurotoxiciteit (indien daar aanleiding voor is) Beschadiging van het zenuwstelsel
Reproductietoxiciteit                            Verstoring van de voortplanting en effecten op het
                                                 nageslacht (2 generaties)
Ontwikkelingstoxiciteit                          Structurele afwijkingen bij de ongeboren vrucht
De acute toxiciteit, uitgedrukt in de LD50/LC50 (de dosis/concentratie waarbij
50 procent van de proefdieren sterft), is meestal van weinig betekenis voor de
blootstelling in normale gebruikssituaties. Ze is vooral van belang bij ongevallen
of (opzettelijke) vergiftigingen. De gegevens worden gebruikt om te bepalen
welke risico- en veiligheidszinnen op het etiket moeten komen. Relevanter zijn
effecten die optreden na herhaalde blootstelling aan lagere doses. Uit de hierop
gerichte studies worden zogeheten No-Observed-Adverse-Effect-Levels
(NOAEL’s) afgeleid. Een NOAEL is de hoogste in een test gebruikte concentra-
tie of dosis waarbij geen schadelijk effect wordt waargenomen. De serie toxici-
teitsstudies levert dus een set aan NOAEL’s op. De laagste van deze NOAEL’s is
de dosering, waarbij zich het kritisch effect niet voordoet en er dus ook geen
andere effecten zijn.
      Tenzij er goede redenen zijn om anders te handelen, wordt deze laagste
NOAEL gebruikt voor het afleiden van de ADI voor de mens. Meestal is dat de
NOAEL uit de chronische toxiciteitsstudie, de reproductietoxiciteitsstudie of de
ontwikkelingstoxiciteitsstudie met proefdieren.
      De ADI is een limiet voor de chronische blootstelling van consumenten. Een
kortstondige, beperkte overschrijding hoeft daarom niet onmiddellijk een
gezondheidsrisico in te houden, mits de dagelijkse inname gemiddeld over een
langere periode maar niet boven de ADI uitkomt. De ARfD geeft aan beneden
Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure                                  177
</pre>

====================================================================== Einde pagina 177 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 178 ======================================================================

<pre>   welke grens zo’n blootstellingspiek moet blijven. De ARfD is daarom altijd
   gelijk aan of hoger dan de ADI. De ARfD wordt alleen afgeleid voor middelen
   met een hoge acute toxiciteit. Hij wordt berekend uit een NOAEL voor een acuut
   toxisch effect. Als relevante effecten worden onder meer neurotoxiciteit en effec-
   ten op het zich ontwikkelende organisme aangemerkt. Een probleem daarbij is
   dat het vereiste toxicologisch onderzoek nog onvoldoende is toegespitst op het
   afleiden van een ARfD en dat derhalve de afleiding vaak gebeurt op basis van
   effecten die wellicht niet na een eenmalige, maar na een korte herhaalde bloot-
   stelling optreden.
       De A(O)EL stoelt meestal op een NOAEL uit een subacute of semichroni-
   sche toxiciteitsstudie of een neuro-, repro- of ontwikkelingstoxiciteitsstudie. De
   gedachte daarachter is dat een bepaald middel tegen een bepaalde ziekte of plaag
   in een bepaald gewas doorgaans niet langer dan drie maanden per jaar wordt toe-
   gepast. Als daar aanleiding toe is, kan ook een NOAEL uit een chronische dier-
   studie als uitgangspunt dienen. De blootstelling van toepassers, werkers en
   omstanders vindt voornamelijk via de huid en de luchtwegen plaats, terwijl de
   A(O)EL veelal stoelt op orale (via de mond) dierstudies, omdat de meeste studies
   zijn uitgevoerd via de orale route. Als er op basis van alle gegevens in het dossier
   aanwijzingen zijn dat het type en de grootte van de effecten onafhankelijk van de
   blootstellingsroute zijn, wordt route-naar-route extrapolatie toegepast en kan dus
   een A(O)EL worden afgeleid uit orale studies.
       Om van de gekozen NOAELs tot de veilige referentiewaarden te komen,
   deelt men in een tweede stap deze waarden door een veiligheids- of onzeker-
   heidsfactor. Standaard is dat een factor 100. Deze is samengesteld uit twee deel-
   factoren 10. De eerste deelfactor moet compenseren voor het feit dat de
   toxiciteitsgegevens afkomstig zijn van proefdieren en niet van de mens. Men
   gaat er dus zekerheidshalve vanuit dat de menselijke NOAEL een factor tien
   lager ligt dan die van het proefdier en dat de mens dus tien maal gevoeliger is. De
   tweede factor 10 is ingegeven door de overweging dat mensen onderling in
   gevoeligheid kunnen verschillen. Men wil niet alleen mensen met een gemid-
   delde gevoeligheid beschermen, maar ook degenen die verhoogd gevoelig zijn
   door bijvoorbeeld hun genetische opmaak, hun voedings- of gezondheidstoe-
   stand of hun leeftijd. Daarmee liggen de vastgestelde veilige referentiewaarden
   dus een factor 100 lager dan het gevonden ‘geen-effectniveau’ in de meest rele-
   vant geachte dierproef. Indien relevant, bijvoorbeeld als het kritisch effect een
   zeer ernstig effect is, zoals tumoren, dan wordt de veiligheidsfactor navenant
   verhoogd en de gezondheidskundige grenswaarde op een extra laag niveau vast-
   gesteld.
78 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 178 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 179 ======================================================================

<pre>    De ADI, ARfD en de A(O)EL worden op EU niveau vastgesteld. Deze waar-
den zijn niet in beton gegoten. Ze worden bijgesteld als nieuwe wetenschappe-
lijke informatie daartoe aanleiding geeft.
Schatting van de blootstelling bij de mens
Algemeen principe
Op grond van de door de fabrikant voorgestelde toepassingswijze van een
gewasbeschermingsmiddel wordt met behulp van modellen een schatting
gemaakt van de te verwachten blootstelling van mensen. Gaat het om een toepas-
sing van een middel in een voedselgewas, dan wordt zowel de blootstelling van
consumenten als van toepassers, werkers en omstanders geschat. Betreft het een
toepassing in een niet-voedselgewas, dan is de berekening van de blootstelling
alleen op toepassers, werkers en omstanders gericht. Bij alle groepen begint men
met het maken van een eenvoudige, grove schatting (de zogenoemde eerste tier).
Daarbij gaat men er vanuit dat alle omstandigheden ongunstig zijn, dat wil zeg-
gen dat ze zullen leiden tot een hoge blootstelling (worst case berekening). Wel
is het uitgangspunt dat het middel volgens de voorschriften wordt toegepast. Met
onkundig, slordig of illegaal gebruik houdt men geen rekening in de toelaatbaar-
heidsbeoordeling. Ligt de aldus becijferde blootstelling beneden het veilig
geachte niveau (gezondheidskundige grenswaarde), dan is de voorgestelde toe-
passing op dit punt toelaatbaar. Is de geschatte blootstelling hoger, dan volgen
meer verfijnde berekeningen op basis van omstandigheden die nauwer bij de
praktijk aansluiten, zoals bijvoorbeeld het dragen van beschermende kleding (dit
is de zogenoemde tweede tier). Is de geschatte blootstelling dan nog steeds te
hoog, dan kan het middel, althans volgens de voorgestelde toepassingswijze,
geen toelating krijgen.
Blootstellingsberekening voor consumenten
De mate waarin consumenten via hun voedsel aan sporen van gewasbescher-
mingsmiddelen zijn blootgesteld, hangt af van wat en hoeveel mensen eten en
van de gehalten aan gewasbeschermingsmiddelen daarin. Informatie over de
consumptiepatronen van de Nederlanders komt uit de zogeheten Voedselcon-
sumptiepeilingen (zie http://www.rivm.nl/Onderwerpen/V/Voedselconsumptie-
peiling). Daarbij maakt men onderscheid tussen consumptiepatronen van
volwassenen en van kinderen. Voor gehalten van gewasbeschermingsmiddelen in
Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure               179
</pre>

====================================================================== Einde pagina 179 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 180 ======================================================================

<pre>   het voedsel bestaan internationaal vastgestelde wettelijke grenzen (Maximum
   Residues Limits, MRLs). Dit zijn geen gezondheidskundige grenzen, maar gren-
   zen die gebaseerd zijn op ‘goede landbouwkundige praktijk’: wat er bij een effi-
   ciënte plaagbestrijding maximaal achterblijft op het tijdstip van de oogst. De
   werkelijke gehalten liggen doorgaans aanzienlijk lager. Op basis van consump-
   tiepatronen en MRLs wordt een worst case schatting gemaakt van de chronische
   blootstelling. Ligt die nabij of boven de ADI, dan volgen verfijndere berekenin-
   gen op basis van gemeten residugehalten, waarbij tevens rekening wordt gehou-
   den met voedselbereidingswijzen (schillen, persen, koken, etc.) die van invloed
   kunnen zijn op de gehalten. Piekblootstellingen worden geschat aan de hand van
   portiegroottes en de variatie in residugehalten tussen individuele stuks groenten
   en fruit. Worst case schattingen verkrijgt men hier door de combinatie van hoge
   residugehalten en grote liefhebberporties. Deze blootstellingen worden getoetst
   aan de ARfD. Als de uiteindelijke blootstellingsschattingen de ADI of de ARfD
   overschrijden, wordt de voorgestelde MRL niet in de wet geimplementeerd en
   vervalt daarmee de betreffende toepassing van het gewasbeschermingsmiddel.
   Blootstellingsberekening voor toepassers en werkers
   De schatting van de blootstelling van toepassers, werkers, en omstanders gebeurt
   met behulp van modelberekeningen. Voor toepassers wordt een schatting
   gemaakt van de blootstelling tijdens onder meer het aanmaken van de spuitvloei-
   stof, het vullen van de apparatuur en het spuiten. De bijdragen vanuit deze ver-
   schillende routes worden opgeteld. Rekening wordt gehouden met een groot
   aantal variabelen die (deels) karakteristiek zijn voor Nederland: of de spuitvloei-
   stof wordt aangemaakt vanuit een poeder, granulaat of vloeistof, het aantal uren
   dat men dagelijks besteedt aan het aanmaken van spuitvloeistoffen, het aantal
   hectaren dat per dag behandeld wordt, het aantal uren dat men per dag spuit en de
   wijze van spuiten. Er wordt vanuit gegaan dat de toepasser een volwassen per-
   soon is met een lichaamsgewicht van 70 kg. In eerste instantie is de aanname dat
   de toepasser gewone (werk)kleding draagt. Komt de becijferde blootstelling
   boven de A(O)EL dan volgt een nieuwe berekening waarbij het uitgangspunt is
   dat de toepasser persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals handschoenen,
   gebruikt.
       Voor werkers neemt men in eerste instantie als worst case aan dat ze gewone
   (werk)kleding dragen en dat ze in contact komen met vers toegediende spuit-
   vloeistof. Indien nodig kan ook hier een verfijndere schatting worden gemaakt
   door rekening te houden met het gebruik van persoonlijke beschermingsmidde-
   len indien dat realistisch is en de verdwijning van een deel van het gewasbe-
80 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 180 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 181 ======================================================================

<pre>schermingsmiddel in de voorgeschreven termijn tussen de bespuiting en de
betreding van het perceel door de werker. Ook hier gaat men uit van volwassen
personen met een lichaamsgewicht van 70 kg.
Blootstellingsberekening voor omstanders en omwonenden
In Nederland gaat men er momenteel vanuit dat omstanders personen zijn die
zich beroepshalve in de buurt van de bespuiting ophouden. Niet-beroepsmatige
omstanders blijven buiten beschouwing. De aanname is dat omstanders zich aan
de rand van het behandelde perceel bevinden. Dat is een realistische worst case
aanname. Men gaat er in alle gevallen vanuit dat zij geen persoonlijke bescher-
mingsmiddelen dragen, dat eventuele kleding geen enkele bescherming biedt
(naakte omstander) en dat het hele lichaam aan voor- én achterzijde wordt bloot-
gesteld. Men gaat uit van een volwassen persoon met een gewicht van 70 kg en
een blootgesteld lichaamsoppervlak van 2m2. Dat laatste is een aanzienlijke
overschatting.
    In Nederland vindt momenteel alleen een blootstellingsschatting plaats voor
omwonenden van kassen en voor kinderen en volwassenen die zich op gazons
begeven die met een gewasbeschermingsmiddel behandeld zijn. Voor alle andere
omwonenden werd er vanuit gegaan dat de risicobeoordelingen voor in het bij-
zonder de omstanders voldoende worst case zijn om het risico voor omwonenden
af te dekken. Dat betekent dat er vooralsnog geen afzonderlijke beoordeling van
de risico’s voor omwonenden plaatsvindt. In enkele andere Europese landen
(Duitsland en het VK) gebeurt dat sinds kort wel.219,220 Volgens de net geïmple-
menteerde Europese Verordening (EG) 1107/2009 dient ook specifiek het risico
voor omwonenden te worden bepaald. EU harmonisatie hierover is aanstaande.
Beoordeling van de risico’s voor de mens in de toelatingsprocedure               181
</pre>

====================================================================== Einde pagina 181 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 182 ======================================================================

<pre>82 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 182 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 183 ======================================================================

<pre>ijlage I
       Verklarende woordenlijst
       Acceptable Daily Intake
                 een schatting van de maximale hoeveelheid van een stof die gedu-
                 rende het hele leven dagelijks met voedsel en/of drinkwater kan wor-
                 den ingenomen zonder noemenswaardig gezondheidsrisico voor de
                 consument, op basis van alle bekende feiten ten tijde van de beoorde-
                 ling. Wordt uitgedrukt in milligram per kilogram lichaamsgewicht.
       Acceptable (Operator) Exposure Level
                 de maximale hoeveelheid van een werkzame stof waaraan de toepas-
                 ser, werker, omstander of omwonende kan worden blootgesteld zon-
                 der enig schadelijk effect op de gezondheid. De A(O)EL wordt
                 uitgedrukt in milligram van de stof per kilogram lichaamsgewicht per
                 dag. A(O)EL’s hebben betrekking op de inwendige (opgenomen) dosis
                 die beschikbaar is voor verspreiding door het lichaam na opname via
                 welke blootstellingsroute dan ook.
       ADI
                 Zie ‘Acceptable Daily Intake’.
       Acute Reference Dose
                 een schatting van de maximale hoeveelheid van een stof, doorgaans
                 uitgedrukt in milligram per kilogram lichaamsgewicht, die gedurende
                 een periode van 24 uur of korter met voedsel en/of drinkwater kan
                 worden ingenomen zonder noemenswaardig gezondheidsrisico voor
       Verklarende woordenlijst                                                        183
</pre>

====================================================================== Einde pagina 183 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 184 ======================================================================

<pre>             de consument, op basis van alle bekende feiten ten tijde van de beoor-
             deling.
   Afbraakproduct
             Stof die door afbraakprocessen uit een moederstof onstaat. Die pro-
             cessen kunnen zowel biotisch als abiotisch van aard zijn. Een
             afbraakproduct kan groter zijn dan de moederstof. Zie ook ‘Metabo-
             liet’.
   A(O)EL
             Zie ‘Acceptable (Operator) Exposure Level’.
   ARfD
             Zie ‘Acute Reference Dose’.
   Bestrijdingsmiddelen
             Term voor ‘Gewasbeschermingsmiddelen’ en ‘Biociden’ samen.
   Bias
             Vertekening van de associaties tussen blootstelling en gezondheidstoe-
             stand, bijvoorbeeld door de wijze van selectie van de onderzoekspo-
             pulatie of door het onjuist vaststellen van de blootstelling of de
             gezondheidstoestand
   Biociden
             Preparaten die onder meer gebruikt worden voor de bestrijding van
             plaagorganismen in gebouwen en opstallen, voor houtverduurzaming,
             voor desinfectie en voor het weren van aangroei op scheepsrompen
             (antifouling). Ze bevatten deels dezelfde of soortgelijke chemische
             stoffen als gewasbeschermingsmiddelen.
   Biologische monitoring
             Zie ‘Biomonitoring’.
   Biomarker
             Een stof die gebruikt kan worden als een indicator of maat voor de
             blootstelling aan een chemische stof of fysisch agens.
   Biomonitoring
             Het meten van chemische stoffen of hun afbraakproducten in
             lichaamsvloeistoffen, lichaamsweefsels of uitscheidingsproducten.
   Biomonitoring equivalent
             Een biomonitoring equivalent is een gezondheidskundige grens-
             waarde voor een chemische stof in een biologisch monster (bijvoor-
             beeld bloed of urine) die in overeenstemming is met een gekozen
             gezondheidskundige grenswaarde zoals de ADI of de A(O)EL. Ze kan
             daarvan worden afgeleid met behulp van kennis over de toxicokine-
             tiek van de betreffende stof.
84 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 184 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 185 ======================================================================

<pre>BREAM
          The Bystander and Resident Exposure Assessment Model.
Bufferzone
          Een strook land tussen het beteelde oppervlak van een perceel en een
          niet-doel oppervlak (bijvoorbeeld een waterloop) bovenop de land-
          bouwkundig minimale teeltvrije zone.
Carcinogeniteit
          Het vermogen van een stof om kanker te veroorzaken.
Co-formulants
          Alle stoffen in een gewasbeschermingsmiddel anders dan de actieve
          stof(fen).
Cohort onderzoek
          Een vorm van epidemiologisch onderzoek, waarin onderzoekers een
          grote groep (cohort) aanvankelijk gezonde deelnemers gedurende een
          langere periode volgt. Mede afhankelijk van het bestudeerde gezond-
          heidseffect, kan dat variëren van enkele tot tientallen jaren. Zowel de
          blootstelling, in dit geval aan gewasbeschermingsmiddelen, als het
          optreden van ziekten worden in de tijd geregistreerd en na verloop van
          tijd kan worden vastgesteld of er verbanden zijn tussen beide. Derge-
          lijk onderzoek kan retrospectief plaatsvinden, maar meestal gebeurt
          het prospectief. In dat geval is de blootstelling in beginsel betrouw-
          baar te bepalen. Als dat gebeurt, levert prospectief cohort onderzoek
          de meeste bewijskracht op. De methode is alleen bruikbaar bij relatief
          vaak voorkomende ziekten. Bij zeldzame aandoeningen zou de in de
          tijd te volgen groep mensen heel groot moeten zijn om voldoende
          ziektegevallen te vinden.
Computerberekeningen van de blootstelling voor een scenario
          Berekening met een computermodel waarvoor de invoergegevens
          worden afgeleid en samengesteld voor een specifiek door te rekenen
          scenario.
Confounding
          Verstoring van de associatie tussen blootstelling en gezondheidstoe-
          stand is mogelijk indien onvoldoende rekening wordt gehouden met
          andere risicofactoren. Een voorbeeld is een (mogelijk) vermeende
          associatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en
          longkanker, indien niet wordt gecorrigeerd voor het rookgedrag van
          de blootgestelden.
Verklarende woordenlijst                                                          185
</pre>

====================================================================== Einde pagina 185 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 186 ======================================================================

<pre>   Consument
            Het woord ‘consument’ kan op twee manieren gebruikt worden, in een
            biologische of een economische betekenis. In het eerste geval is de
            consument een organisme dat zich voedt met andere organismen
            (planten, dieren). In het tweede geval is de consument een verbruiker
            van goederen en/of diensten. Wetgeving op het gebied van voedselvei-
            ligheid (zoals de Verordening m.b.t. residuen van gewasbescher-
            mingsmiddelen) gebruikt het woord consument in de biologische
            betekenis. Wetgeving in het ‘non-food’ stoffendomein (bijv. industri-
            ele chemicaliën, biociden) gebruikt het woord in de economische
            betekenis. Dit is soms verwarrend, zo heet een persoon die een insecti-
            cide in zijn moestuin toepast een ‘non-professional user’ (gewasbe-
            schermingsmiddelen terminologie) maar als die persoon datzelfde
            insecticide in huis gebruikt (biocide terminologie) een ‘consumer’.
   Cumulatieve blootstelling
            Blootstelling aan meerdere stoffen, bijvoorbeeld gewasbeschermings-
            middelen, tegelijk; de term wordt doorgaans gebruikt als de betref-
            fende stoffen hetzelfde werkingsmechanisme hebben, bijvoorbeeld de
            remming van hetzelfde enzym in het lichaam.
   Dampdrift
            Het verwaaien van dampen die vrijkomen door de vervluchtiging van
            gewasbeschermingsmiddelen vanaf de bodem of het gewas na de toe-
            passing.
   Droge depositie
            Verwijdering van damp en deeltjes uit de lucht door depositie op de
            bodem, de plant of wateroppervlakken bij afwezigheid van neerslag.
   Druppel drift
            Verlies van spuitnevel gedurende de toepassing, meetbaar dichtbij het
            bespoten veld (als bodemdepositie benedenwinds) na sedimentatie
            van de druppeltjes in de spuitnevel tot enkele minuten na toepassing
            (~ 15 min).
   Dwarsdoorsnede onderzoek
            Een vorm van epidemiologisch onderzoek waarbij de blootstelling en
            de gezondheidstoestand van de deelnemers op hetzelfde moment in de
            tijd worden vastgesteld.
   Early warning systeem
            Systeem waarmee beginnende plagen gedetecteerd kunnen worden.
86 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 186 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 187 ======================================================================

<pre>Ecologisch onderzoek
          Ecologisch onderzoek is de eenvoudigste vorm van epidemiologisch
          onderzoek. De aanwezigheid van ziekte en de blootstelling worden
          beide op het niveau van de gemeenschap in plaats van op individueel
          niveau in kaart gebracht. Dorpen, gemeenten of andere gemeenschap-
          pen worden onderling vergeleken op het vóórkomen van (bepaalde)
          aandoeningen of gezondheidskarakteristieken (zoals het aantal zieken-
          huisopnamen) en de blootstellingsfactor waar de belangstelling naar
          uit gaat, in dit geval het gebruik van (bepaalde) gewasbeschermings-
          middelen. Een voordeel van dit type onderzoek is dat het relatief
          gemakkelijk en snel is uit te voeren. Een groot nadeel is echter dat de
          vergeleken gemeenschappen vaak ook op tal van andere punten (leef-
          tijdsopbouw, genetische factoren, leefstijl, etc.) verschillen en correc-
          ties op ecologisch niveau zijn niet altijd effectief, waardoor verkeerde
          conclusies kunnen worden getrokken (‘ecological fallacy’). Vaak is
          niet te achterhalen aan welke (combinatie van) factoren het verschil in
          ziektelast is toe te schrijven. Dergelijk onderzoek is daarom vooral
          nuttig voor het verkrijgen van eerste aanwijzingen in situaties waarin
          men nog heel weinig weet. De bewijskracht voor een oorzakelijk ver-
          band is gering.
Emissie
          Uitstoot of overdracht van (in dit geval) gewasbeschermingsmiddelen
          uit het behandelde perceel of object. Doorgaans worden als grenzen
          aangehouden de perceelsgrenzen, de bovenkant van het gewas (bij
          maximale hoogte) en één meter beneden het maaiveld. Bij kassen is
          het feitelijke dek de bovenkant.
Epidemiologisch onderzoek
          Het zoeken naar verband tussen het optreden van bepaalde aandoenin-
          gen en bepaalde risicofactoren, waaronder omgevingsfactoren.
Epigenetica
          Het vakgebied binnen de genetica dat de invloed bestudeert van de
          omkeerbare erfelijke veranderingen in de genfunctie die optreden zon-
          der wijzigingen in de volgorde van de baseparen van het DNA in de
          celkern.
Geaggregeerde blootstelling
          Blootstelling aan één stof vanuit alle bronnen en via alle routes.
Gevaar
          ‘Iets’ wat de potentie heeft om schade aan te richten. Die potentie
          berust op een inherent bedreigende eigenschap die onder bepaalde
Verklarende woordenlijst                                                            187
</pre>

====================================================================== Einde pagina 187 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 188 ======================================================================

<pre>             omstandigheden aanleiding kan geven tot schade. Dat ‘iets’ kan van
             alles zijn, zoals een mens, dier, plant, bacterie, virus, vulkaan, geologi-
             sche breuk, het weer, een apparaat of product. Het kan dus ook een
             gewasbeschermingsmiddel zijn. Als een gevaar in contact komt of kan
             komen met iets van waarde, dan dreigt er schade.
   Gevaarlijk
             Met de potentie om schade aan te richten.
   Gewasbeschermingsmiddel
             een werkzame stof of een preparaat met één of meer werkzame stof-
             fen, te gebruiken om: 1) planten of plantaardige producten te bescher-
             men tegen alle schadelijke organismen of de werking daarvan te
             voorkomen; 2) levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor
             zover het niet gaat om nutritieve stoffen; 3) plantaardige producten te
             bewaren; 4) ongewenste planten te doden of 5) delen van planten te
             vernietigen of een ongewenste groei van planten te remmen of te voor-
             komen.
   Gezondheidskundige grenswaarde
             Niveau van blootstelling aan een gevaarlijk agens beneden welk op
             grond van de heersende wetenschappelijke inzichten geen noemens-
             waardig nadelig effect op de gezondheid te verwachten valt. Voorbeel-
             den zijn de ADI, de ARfD en de A(O)EL.
   Incidentenonderzoek (in relatie tot chemische stoffen)
             Onderzoek naar de gevolgen van een onverwachte, doorgaans kortdu-
             rende maar hoge blootstelling van personen of dieren aan chemische
             stoffen. Dit type onderzoek gebeurt uiteraard altijd achteraf. Bekeken
             wordt dan wie er slachtoffer zijn, wat hun gezondheidsklachten zijn,
             welke chemische stoffen (in dit geval gewasbeschermingsmiddelen)
             erbij betrokken zijn, om welke blootstellingsniveaus en routes het gaat
             en wat de omstandigheden zijn geweest die tot het incident aanleiding
             hebben gegeven. Instanties die bij het onderzoek betrokken kunnen
             zijn, zijn gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD-en), het Nationaal
             Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het RIVM en diverse,
             aan ministeries gelieerde inspecties, zoals de Nederlandse Voedsel en
             Warenautoriteit (NVWA), de Inspectie SZW of de Inspectie Leefom-
             geving en Transport. Informatie uit dergelijk onderzoek maakt opti-
             male hulp aan de slachtoffers mogelijk en helpt nieuwe incidenten te
             vermijden. Diverse betrokken instanties rapporteren jaarlijks over
             gemelde incidenten. Soms wordt incidentenonderzoek ingebouwd in
             patiënt-controle onderzoek om inzicht in determinanten te krijgen.
88 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 188 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 189 ======================================================================

<pre>Inwendige blootstelling
          De lichaamsbelasting met schadelijke stoffen, zoals gewasbescher-
          mingsmiddelen of hun afbraakproducten, in bijvoorbeeld bloed of
          urine. Zie ook ‘Biomonitoring’.
Kinetiek (of toxicokinetiek)
          De lotgevallen van een (toxische) stof in het lichaam: absorptie, distri-
          butie, omzetting en uitscheiding.
Landbouwgif
          Andere term voor ‘Gewasbeschermingsmiddelen’.
Metaboliet
          Stof waarin een moederstof wordt omgezet in het lichaam van een
          organisme onder invloed van stofwisselingsprocessen; een metaboliet
          kan groter zijn dan de moederstof.
Model
          In een wetenschappelijke of technische context is een model een ver-
          eenvoudigde voorstelling, beschrijving of nabootsing van een deel van
          de werkelijkheid, doorgaans in de vorm van een aantal wiskundige
          vergelijkingen. Om een model te kunnen gebruiken zijn bepaalde
          invoergegevens nodig. Met de modellen die in dit advies worden
          bedoeld, kunnen kwantitatieve berekeningen worden uitgevoerd,
          bijvoorbeeld over de blootstelling van mensen aan gewasbescher-
          mingsmiddelen. Daarvoor zijn invoergegevens nodig over onder meer
          de vluchtigheid van de betreffende stof en de oplosbaarheid in water.
Natte depositie
          Verwijdering van damp en stofdeeltjes uit de lucht door middel van
          neerslag.
Neurotoxiciteit
          Potentie van een stof om het zenuwstelsel te beschadigen.
NOAEL
          Zie ‘No-Observed-Adverse-Effect-Level’.
No-Observed-Adverse-Effect-Level
          De hoogste in een test met proefdieren gebruikte concentratie of dosis
          van een stof waarbij het effect niet statistisch verschillend is van de
          onbehandelde controles.
Omstanders
          Omstanders zijn personen die zich in of pal naast een perceel bevinden
          waar toediening van of behandeling met gewasbeschermingsmiddelen
          aan de gang of zojuist voltooid is; hun aanwezigheid bij het werk met
          het middel is geheel onbedoeld en houdt geen verband met dat werk,
Verklarende woordenlijst                                                            189
</pre>

====================================================================== Einde pagina 189 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 190 ======================================================================

<pre>             maar hun positie kan ertoe leiden dat ze worden blootgesteld; ze
             ondernemen geen actie ter voorkoming of beperking van de blootstel-
             ling.8
   Omwonenden
             Personen die wonen, werken of een school of enige andere instelling
             bezoeken grenzend aan een perceel dat behandeld is of wordt met een
             gewasbeschermingsmiddel; hun aanwezigheid bij het werk met het
             middel is geheel onbedoeld en houdt geen verband met dat werk, maar
             hun positie kan ertoe leiden dat ze worden blootgesteld; ze onderne-
             men geen actie ter voorkoming of beperking van de blootstelling; ze
             kunnen 24 uur per dag ter plaatse aanwezig zijn. De commissie rekent
             tot ‘omwonenden’ nadrukkelijk ook de agrariërs zelf met hun gezin-
             nen, althans voor zover zij nabij behandelde percelen wonen. Onder
             ‘grenzend aan’ verstaat de commissie ‘binnen een afstand van 100m’.
   Onstabiele omstandigheden
             toestand van de atmosfeer die menging en verdunning bevordert. Als
             we het hier over zulke omstandigheden hebben bedoelen we de
             opbouw van de atmosfeer vlakbij het aardoppervlak, rond leefniveau.
             Typisch voorbeeld: een wolkenloze zomerdag met een sterke opwar-
             ming van het aardoppervlak.
   Passanten
             De commissie maakt geen onderscheid tussen omstanders en passan-
             ten. Zie bij ‘Omstanders’.
   Patiënt-controle onderzoek
             Een vorm van epidemiologisch onderzoek, waarin de onderzoekers
             een groep patiënten selecteren met de ziekte waar de belangstelling
             naar uit gaat. Elke patiënt wordt vervolgens gekoppeld aan een of
             meerdere controlepersonen die gezond zijn, maar in alle overige ken-
             merken zoveel mogelijk met de betreffende patiënt overeenkomen.
             Vervolgens wordt de blootstelling van patiënten aan, in dit geval,
             (bepaalde) gewasbeschermingsmiddelen vergeleken met de controle-
             groep. Blijken de patiënten systematisch een hogere blootstelling te
             hebben gehad dan de controlepersonen, dan is dat een indicatie voor
             causaliteit. Deze aanpak leent zich vooral voor bestudering van de
             oorzaak van zeldzame aandoeningen. Een nadeel van deze aanpak kan
             zijn dat de blootstelling van patiënten en controlepersonen achteraf
             gereconstrueerd moet worden, bijvoorbeeld op basis van wat de deel-
             nemers zich herinneren. Dat is niet altijd meer betrouwbaar te doen.
90 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 190 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 191 ======================================================================

<pre>          Hoe beter men daarin slaagt, hoe groter de bewijskracht van het
          onderzoek.
Persistentie
          Weerstand tegen omzetting of afbraak.
Pesticide
          Andere term voor ‘Bestrijdingsmiddel’.
Reproductietoxiciteit
          Potentie van verstoring van de voortplanting en effecten op het
          nageslacht.
Residuen
          Resten (moederstoffen, omzettings- of afbraakproducten) van gewas-
          beschermingsmiddelen die na de toepassing achterblijven op of in
          agrarische producten zoals groente en fruit.
Risico
          De mogelijkheid, met een zekere mate van waarschijnlijkheid, van
          schade aan de gezondheid, aan het milieu en aan goederen, in combi-
          natie met aard en omvang van die schade. Er is alleen sprake van
          risico’s als er (kans op) blootstelling is aan een gevaar.
Schade
          De aantasting van ‘iets’ van waarde, waardoor afbreuk wordt gedaan
          aan die waarde. Dat ‘iets’ van waarde kan alles zijn waar mensen
          waarde aan hechten, allerlei materiële en immateriële zaken zoals
          gebouwen, kunst, landbouwgewassen, landschappelijk schoon,
          ecosystemen, biodiversiteit, vrijheid en de menselijke gezondheid.
Schadelijk
          Wat schade aanricht.
Scenario
          Een combinatie van gewas, bodem, weer en landbouwkundige para-
          meters die gebruikt worden in modelberekeningen; representatief
          betekent dat de geselecteerde scenario’s feitelijk bestaande situaties
          moeten weergeven, dat betekent dat de combinatie van gewas, bodem,
          weer en landbouwkundige omstandigheden realistisch moeten zijn.
          Bij de beoordeling van (potentiële) risico’s worden meestal zoge-
          noemde ‘representatieve scenario’s’ gebruikt. Dat houdt in dat derge-
          lijke situaties werkelijk kunnen voorkomen. Veelal wordt uitgegaan
          van het scenario dat leidt tot het (berekende) 90-percentiel van het
          onderzochte aspect.
Sensibilisatie
          Overgevoeligheid na huidblootstelling.
Verklarende woordenlijst                                                         191
</pre>

====================================================================== Einde pagina 191 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 192 ======================================================================

<pre>   Stabiele omstandigheden
             Toestand van de atmosfeer die menging en verdunning beperkt. Als
             we het hier over zulke omstandigheden hebben bedoelen we de
             opbouw van de atmosfeer vlakbij het aardoppervlak, rond leefniveau.
             Typisch voorbeeld: een heldere nacht met een sterke afkoeling van het
             aardoppervlak en weinig wind.
   Toepasser
             Toepassers zijn personen die betrokken zijn bij werkzaamheden die
             verband houden met de toepassing van een gewasbeschermingsmid-
             del; die werkzaamheden omvatten het mengen van het middel en het
             vullen van de toedieningsapparatuur, het bedienen van de toedienings-
             apparatuur, het onderhouden van de toedieningsapparatuur terwijl die
             het gewasbeschermingsmiddel bevat, en het leeg- of schoonmaken
             van de apparatuur of containers na gebruik. Toepassers kunnen profes-
             sionele gebruikers zijn (bijvoorbeeld boeren of loonwerkers die zich
             bezighouden met de commerciële productie van landbouwgewassen)
             of amateur gebruikers (bijvoorbeeld gebruikers in huis en tuin).8
   Toxicologisch onderzoek
             Bestudering van de werking van giftige stoffen op biologische syste-
             men, zoals mensen, dieren en planten.
   Uitwendige blootstelling
             Blootstelling aan een stof via huid, luchtwegen of spijsverteringska-
             naal. Doorgaans geschat op basis van metingen van concentraties of
             gehaltes van de stof in lucht, water, bodem, voedsel of andere media
             waarmee het lichaam in contact komt.
   Validatieproces
             Het vergelijken van modeluitvoer met data die op onafhankelijke
             wijze afgeleid zijn van experimenten of waarnemingen in het milieu.
             De invoergegevens voor het model moeten eveneens op onafhanke-
             lijke wijze uit experimenten of waarnemingen zijn verkregen.
   Veilig
             Het risico blijft binnen aanvaarde grenzen. ‘Veilig’ is dus géén abso-
             luut begrip in de betekenis van ‘buiten gevaar’ of ‘zonder risico’.
             Nederland wordt beschouwd als een veilig land, maar niettemin vallen
             er geregeld slachtoffers door natuurgeweld, ongevallen en criminali-
             teit. Veilig is dus veeleer op te vatten als een relatief begrip. Hierbij
             tekent de commissie onmiddellijk aan dat lang niet altijd nader is
             gespecificeerd wat die aanvaarde grenzen precies zijn. Deze zijn ook
             niet los te zien van de maatschappelijke baten die risicodragend han-
92 Gewasbescherming en omwonenden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 192 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 193 ======================================================================

<pre>          delen of risicodragende technologieën met zich meebrengen. Uiter-
          aard kunnen mensen of partijen van mening verschillen over welke
          baten welke risico’s rechtvaardigen en dus ook over wanneer iets het
          predicaat ‘veilig’ verdient. Daarbij spelen bovendien verdelingskwes-
          ties een rol: voor wie zijn de baten en voor wie de lasten? Uiteindelijk
          is het nagestreefde niveau van veiligheid een politieke zaak. Ook al
          wordt dus enig risico aanvaard, dat laat onverlet dat schade als onwen-
          selijk wordt gezien. Er wordt dan ook voortdurend gezocht naar
          mogelijkheden om op een kosteneffectieve manier risico’s terug te
          dringen en de veiligheid te vergroten.
Veiligheid
          De toestand van het veilig zijn.
Vervluchtiging
          Het transport van vaste gewasbeschermingsmiddelresiduen vanaf
          oppervlakken (bijvoorbeeld bladeren, grond) naar de atmosfeer na
          toepassing of vanuit spuitdruppeltjes gedurende de toepassing.
Werker
          Werkers zijn personen die, als onderdeel van hun werk, een perceel
          betreden dat van te voren behandeld is met een gewasbeschermings-
          middel of een landbouwproduct in de hand nemen dat behandeld is
          met een gewasbeschermingsmiddel.8
Worst case
          Een scenario waarbij men uitgaat van het ergste dat kan plaatsvinden.
Verklarende woordenlijst                                                           193
</pre>

====================================================================== Einde pagina 193 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 194 ======================================================================

<pre>94 Gewasbescherming en omwonenden</pre>

====================================================================== Einde pagina 194 =================================================================

<br><br>