<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>www.gezondheidsraad.nl Innovatie en kennisinfrastructuur Om kennis te kunnen oogsten op het gebied van de gezondheids­ zorg moet er eerst gezaaid worden. Gezonde arbeids­ omstandigheden Hoe kunnen werk­ nemers beschermd worden tegen arbeids­ omstandigheden die hun gezondheid mogelijk schaden? Gezonde leefomgeving Welke invloeden uit het milieu kunnen een positief of negatief effect hebben op de gezondheid? Gezonde voeding Welke voedingsmiddelen bevorderen een goede gezondheid en welke brengen bepaalde gezond­ heidsri sico’s met zich mee? Preventie Met welke vormen van preventie valt er een aanzienlijke gezond­ heidswinst te behalen? Optimale gezondheidszorg Wat is het optimale resultaat van zorg (cure en care) gezien de risico’s en kansen? Aandachtsgebieden Adviezen De taak van de Ge zond heids raad is mi nis ters en parlement te advise ren over vraag stukken op het gebied van de volksgezond­ heid. De meeste ad vie zen die de Gezondheidsraad jaar lijks uit­ brengt worden ge schre ven op verzoek van een van de bewinds­ lieden. Met enige regelmaat brengt de Gezondheidsraad ook ongevraag de adviezen uit, die een signale rende functie hebben. In sommige gevallen leidt een signalerend advies tot het verzoek van een minister om over dit onderwerp verder te adviseren. Gezondheidsraad Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015 Eieren Gezondheidsraad</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Eieren
Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
aan:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de staatssecretaris van Economische Zaken
Nr. A15/09, Den Haag, 4 november 2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de regering en
het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstuk-
ken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-(zorg)onderzoek’ (art. 22
Gezondheidswet).
    De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Infrastructuur en Milieu; Sociale Zaken en Werkge-
legenheid en Economische Zaken. De raad kan ook op eigen initiatief adviezen uitbren-
gen, en ontwikkelingen of trends signaleren die van belang zijn voor het
overheidsbeleid.
    De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel opgesteld
door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel benoemde – Nederlandse
en soms buitenlandse deskundigen.
                      De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                      for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                      adviesorganen.
U kunt deze publicatie downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Eieren - Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2015; publicatienr. A15/09.
auteursrecht voorbehouden
ISBN: 978-94-6281-041-9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD      Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Eieren
Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                         Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Werkwijze in het kort
 a
   De commissie neemt effecten op drie causale risicofactoren voor ziekten in beschouwing:
 systolische bloeddruk, LDL-cholesterol en lichaamsgewicht.
 b
   De commissie evalueert de relatie met tien voedinggerelateerde chronische ziekten:
 coronaire hartziekten, beroerte, hartfalen, diabetes mellitus type 2, chronisch obstructieve
 longziekten, borstkanker, darmkanker, longkanker, dementie en cognitieve achteruitgang en
 depressie. Bij alcohol en voedingspatronen is ook het verband met het risico op sterfte
 ongeacht doodsoorzaak beschreven.
 c
   De commissie richt zich primair op gepoolde analyses, meta-analyses en systematische
 reviews.
 d
   RCT’s naar effecten op ziekten zijn schaars. Vanwege het belang van deze onderzoeken
 voor uitspraken over causaliteit, beschrijft de commissie ten aanzien van deze uitkomstmaten
 alle beschikbare RCT’s, ongeacht of meta-analyses en systematische reviews beschikbaar
 zijn.
 e
   De term cohortonderzoek wordt in dit advies gebruikt voor alle vormen van prospectief
 observationeel onderzoek.
Conclusies in de achtergronddocumenten zijn gebaseerd op de hoeveelheid
onderzoek, aanwijzingen voor heterogeniteit, de sterkte van het verband,
deelnemerskarakteristieken en specifieke afwegingen die in de toelichting zijn
beschreven. De conclusie kan luiden dat er grote of geringe bewijskracht is voor een
effect of verband, dat een effect of verband onwaarschijnlijk of niet eenduidig is, of dat
er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen over het effect of verband.
Het achtergronddocument ‘Werkwijze van de Commissie Richtlijnen goede voeding
2015’ geeft een uitgebreide beschrijving en toelichting van de gehanteerde werkwijze.
Pagina 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                                     Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Inhoud
Werkwijze in het kort ....................................................................................................... 2
1       Inleiding................................................................................................................ 4
1.1     Definitie en gebruik .............................................................................................. 4
1.2     Literatuuronderzoek ............................................................................................. 4
2       Interventieonderzoek ........................................................................................... 5
2.1     LDL-cholesterol .................................................................................................... 5
2.2     Conclusie ............................................................................................................. 7
3       Cohortonderzoek ................................................................................................. 8
3.1     Methodologische kanttekeningen bij cohortonderzoek ........................................ 8
3.2     Coronaire hartziekten........................................................................................... 9
3.3     Beroerte ............................................................................................................. 10
3.4     Hartfalen ............................................................................................................ 11
3.5     Diabetes mellitus type 2 ..................................................................................... 12
3.6     Borstkanker ........................................................................................................ 14
3.7     Darmkanker ....................................................................................................... 16
3.8     Conclusie ........................................................................................................... 17
4       Conclusie ........................................................................................................... 18
Literatuur ....................................................................................................................... 19
A       De commissie .................................................................................................... 24
Pagina 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                               Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
1   Inleiding
    Eieren behoren tot de eiwitleverende basisvoedingsmiddelen. In dit document
    behandelt de Commisie Richtlijnen goede voeding 2014 (bijlage A) de relatie tussen
    eieren en het risico op chronische ziekten.* Hierbij vormen systematische reviews en
    meta-analyses het uitgangspunt.
1.1 Definitie en gebruik
    De consumptie van kippeneieren staat centraal in dit hoofdstuk. De commissie houdt
    een gewicht aan van 50 gram per ei.1
           Volgens de voedselconsumptiepeiling 2007-2010 ligt het mediane gebruik van ei
    op 7 gram per dag bij kinderen en op 10 gram per dag in bij volwassenen. Dit betreft
    losse eieren, eieren verwerkt in producten zijn niet nagevraagd. Het 90ste percentiel van
    gebruik ligt bij meisjes op ongeveer een derde ei per dag en bij jongens en volwassen
    vrouwen op minder dan een half ei (0,4) per dag. Bij volwassenen mannen ligt het 90ste
    percentiel van gebruik op ongeveer een half ei per dag (tabel 1).2,3
    Tabel 1 De waargenomen eiconsumptie (gram per dag) in Nederland op basis
                                                                                 a 2
    van de gegevens van de Nederlandse voedselconsumptiepeiling 2007-2010 .
                                            P10            P50            P90
    Jongens 7-18 jaar                       2              7              20
    Meisjes 7-18 jaar                       2              7              16
    Mannen 19-69 jaar                       3              10             26
    Vrouwen 19-69 jaar                      3              10             21
    a
          Gewogen voor sociaaldemografische factoren, seizoen en dag van de week.
1.2 Literatuuronderzoek
    Het literatuuronderzoek is uitgevoerd in PubMed met behulp van onderstaande
    zoekstrategie:
    ("eggs"[MeSH Terms] OR "eggs"[All Fields]) OR (("ovum"[MeSH Terms] OR "ovum"[All Fields] OR
    "egg"[All Fields]) AND ("economics"[MeSH Terms] OR "economics"[All Fields] OR "consumption"[All
    Fields])) OR (("ovum"[MeSH Terms] OR "ovum"[All Fields] OR "egg"[All Fields]) AND intake[All Fields])
    NOT ("reproduction"[MeSH Terms] OR "reproduction"[All Fields]) NOT ("parasitology"[Subheading] OR
    "parasitology"[All Fields] OR "parasites"[All Fields] OR "parasitology"[MeSH Terms] OR "parasites"[All
    Fields] OR "parasites"[MeSH Terms]) NOT ("fertility"[MeSH Terms] OR "fertility"[All Fields]) AND (Meta-
    Analysis[ptyp] OR systematic[sb]).
    *
      Zie voor een beschrijving van de gehanteerde methodologie het achtergronddocument ‘Werkwijze van de
    Commissie Richtlijnen goede voeding 2015’.
    Pagina 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
2   Interventieonderzoek
    Dit hoofdstuk behandelt de effecten van de consumptie van eieren op LDL-cholesterol.
    De commissie heeft geen systematische reviews of meta-analyses gevonden naar het
    effect op bloeddruk of gewicht.
2.1 LDL-cholesterol
    Samenvatting bewijsvoering voor het effect van het gebruik van eieren ten opzichte van op
    LDL-cholesterol.
    Aspect                            Toelichting
    Beschikbare onderzoeken           1 meta-analyse van 17 RCT’s en 3 meer recente RCT’s
    Heterogeniteit                    Nee (vergelijking effectschattingen)
    Schatter effect                   0,050 (0,042 tot 0,058) mmol/l per 100 mg cholesterol uit eieren
    Onderzochte populatie             Gezonde personen, patiënten met diabetes of
                                      hypercholesterolemie.
    Conclusie: De inname van cholesterol uit eieren verhoogt per 100 mg per dag
    (half ei per dag) het LDL-cholesterol met 0,050 mmol per liter.
    Bewijskracht: groot.
    Toelichting
    De commissie is op de hoogte van eén meta-analyse uit 2001 naar het effect van de
    inname van cholesterol uit eieren op het LDL-cholesterolgehalte (tabel 2). Volgens de
    meta-analyse verhoogt de inname van cholesterol uit eieren per 100 mg per dag het
    LDL-cholesterolgehalte met 0,050 mmol per liter. Omdat cholesterol uit eieren het HDL-
    cholesterolgehalte verhoogt, hebben de auteurs ook het effect op de ratio totaal ten
    opzichte van HDL-cholesterol bepaald: cholesterol uit eieren verhoogt per 100 mg per
    dag de ratio met 0,020 eenheden (95%-betrouwbaarheidsinterval:0,010-0,030). De
    meta-analyse vond geen verschil in effect tussen onderzoeken waarin alleen gevarieerd
    is in de hoeveelheid cholesterol uit eieren en onderzoeken waarin gevarieerd is in
    hoeveelheid eieren, waarbij dus niet is gecorrigeerd voor veranderingen in de inname
    van andere voedingsstoffen uit eieren als de vetzuren. Wel was het effect op het LDL-
    cholesterol kleiner wanneer de voeding verhoudingsgewijs minder verzadigde vetzuren
    en meer meervoudig onverzadigde vetzuren bevatte.4
          Sindsdien zijn er dertien interventieonderzoeken verschenen naar het effect van
    eieren of cholesterol uit eieren op het LDL-cholesterol. Tien van deze onderzoeken laat
    de commissie hier buiten beschouwing omdat de de gegevens alleen apart voor hypo-
    en hyperresponders worden gerapporteerd5-10, het effect van eieren of cholesterol
    onderzocht is in combinatie met een energiebeperkt dieet11-13 of een controlegroep
    ontbreekt.14
    Pagina 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>               Eieren
              GEZONDHEIDSRAAD                              Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
                      In de resterende drie interventie-onderzoeken wordt een LDL-cholesterolvehogend
               effect gevonden van het gebruik van extra cholesterol of eieren, dat in twee van de drie
               onderzoeken ook significant is (tabel 3).15-17* Bautista en collega’s hebben het effect
               van één ei per dag vergeleken met geen eieren binnen een gecontroleerd
               voedingsonderzoek waarbij de achtergrondvoeding een hoog gehalte aan palmolie
               bevatte.15 Greene en collega’s verstrekten drie eieren per dag of een vergelijkbare
               hoeveelheid van een cholesterolvrije en vetvrije eivervanger. Hierdoor was de inname
               van totaal vet, verzadigde vetzuren en enkelvoudig onverzadigde vetzuren hoger in de
               periode dat de deelnemers eieren kregen.16 Goodrow en collega’s hadden een
               vergelijkbare opzet, maar dan met een verschil van één ei per dag.17 Deze
               interventieonderzoeken vormen een bevestiging van de bevinding in de meta-analyse.
                      De commissie concludeert dat de inname van cholesterol uit eieren per 100 mg
               per dag (half ei per dag) het LDL-cholesterol verhoogt met 0,050 mmol per liter. Met
               het oog op de consistentie van de bevindingen, beoordeelt zij de bewijskracht als
               groot.
Tabel 2 Interventieonderzoek naar het effect van eieren ten opzichte van geen eieren of eivervangers op de LDL-cholesterol.
                           Aantal              Duur per     Interventie       Controle        Verandering in LDL-
                                               interventie                                    cholesterol t.o.v controle
                                               (maand)                                        (mmol/l)(95%-b.i.a)
  Meta-analyse
  Weggemans                17 onderzoeken      Minstens     eieren (verstrekt Geen eieren of  0,050 (0,042 tot 0,058)
       4
  2001                     met 556 personen    0,5          of supplement)    ei-vervanger
                           met gezonde                                        (zonder
                           personen,                                          cholesterol) of
                           diabetespatiënten,                                 gecontroleerde
                           patiënten met                                      voeding met
                           hyperlipidemie                                     vergelijkbare
                                                                              samenstelling
                                                                              macronutriënten
  Interventieonderzoek sinds 2001
  Bautista 200115          28 gezonde          1            Hoog              Laag            0,16 (0,002 tot 0,32) mmol/l
                           mannen                           cholesterol       cholesterol
                                                            (verstrekt)
  Greene 200516            42 oudere           1            3 eieren          Ei-vervanger    Mannen 0,06 mmol/l,
                           mannen en                        (supplement)                      Vrouwen 0,26 mmol/l (P<0,05
                           vrouwen                                                            voor mannen en vrouwen
                                                                                              samen)
                   17
  Goodrow 2006             33 oudere           1,25         1 ei              Ei-vervanger    3,2% (n.s.)
                           mannen en
                           vrouwen
a
        B.i., betrouwbaarheidsinterval.
               *
                 Dit interventieonderzoek is gefinancierd door de voedingsmiddelenindustrie.
               Pagina 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                    Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
2.2 Conclusie
    De inname van uit eieren verhoogt per 100 mg per dag (een half ei per dag) het LDL-
    cholesterol met 0,050 mmol per liter. De bewijskracht hiervoor is groot.
    Pagina 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                      Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3   Cohortonderzoek
    In dit hoofdstuk komt het verband tussen de consumptie van eieren en het risico op
    coronaire hartziekten, beroerte, hartfalen, diabetes type 2 en borst- en darmkanker aan
    de orde. Er zijn geen systematisch reviews of meta-analyses van cohortonderzoeken
    gevonden naar de relatie tussen eieren en het risico op chronisch obstructieve
    longziekten, longkanker, depressie, en dementie en cognitieve achteruitgang. Het
    hoofstuk begint met een beschrijving van methodologische aandachtspunten bij
    cohortonderzoek naar eieren.
3.1 Methodologische kanttekeningen bij cohortonderzoek
    Bij het schatten van het gebruik van eieren in cohortonderzoek zijn enkele methodologische
    kanttekeningen te plaatsen. In de meeste cohortonderzoeken is het gebruik van het aantal
    eieren per dag of week nagevraagd met een voedselfrequentievragenlijst. Eieren verwerkt
    in voedingsmiddelen worden veelal niet meegenomen.
          In het algemeen kunnen voedselfrequentievragenlijsten aanleiding zijn voor
    meetfouten in bijvoorbeeld de gerapporteerde frequentie, de portiegrootte en het
    groeperen van voedingsmiddelen in een vraag. Ook is er verschil tussen onderzoeken
    in de afkappunten voor de definitie van een hoog en een laag gebruik.
          De kwaliteit van een voedselfrequentievragenlijst hangt af van de reproduceer-
    baarheid en validiteit. Om een indruk te krijgen, wordt hier de reproduceerbaarheid in
    een aantal onderzoeken beschreven. In de Nederlandse tak van het EPIC-onderzoek
    is de reproduceerbaarheid van de bepaling van het gebruik van eieren met een de
    voedselfrequentievragenlijst na een half jaar en een jaar bepaald. De correlatie-
    coëfficiënt lag bij mannen na een half jaar op 0,71 en na een jaar 0,72 en bij vrouwen
    na een half jaar op 0,82 en na een jaar op 0,79.18 In de Nurses’ Health Study bedroeg
    de correlatiecoëfficiënt van de voedselfrequentievragenlijst na 1 jaar voor het gebruik
    van eieren op 0,77.19 In de Health Professionals Study lag de correlatiecoëfficiënt voor
    eieren op 0,76.20
          Naast reproduceerbaarheid is ook de validiteit van een voedselfrequentie-
    vragenlijst van belang. In de Britse tak van het EPIC-onderzoek is de geschatte
    consumptie van eieren even hoog (23 gram per dag) ongeacht de gehanteerde
    methode: een voedselfrequentievragenlijst, 16-daagse gewogen voedingsopschrijf-
    methode of 24-uurs recall.21 In de Nurses’ Health Study en Health Professionals’ Study
    is de voedselfrequentievragenlijst vergeleken met een voedingsopschrijfmethode die
    gedurende respectievelijk twee en drie keer een week is uitgevoerd. In beide
    onderzoeken werd de consumptie van eieren met een voedselfrequentievragenlijst
    (respectievelijk 0,3 en 0,25 eieren per dag) onderschat ten opzichte van de
    voedingsopschrijfmethode (respectievelijk 0,4 en 0,3 eieren per dag).19,20
          In sommige onderzoeken is de gebruikelijke voeding nagevraagd met een 24-uurs
    recall of is een meerdaagse opschrijfmethode gebruikt. Over het algemeen is met het
    Pagina 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                          Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    opschrijven van de voeding een meer valide inzicht in de absolute voedselconsumptie te
    krijgen. Omdat het arbeidsintensief is, wordt dit in de praktijk echter weinig toegepast.
          Het gebruik van uiteenlopende methoden om het gebruik van eieren te bepalen
    en de variatie bij de schatting zelf dragen dus bij aan heterogeniteit tussen de cohort-
    onderzoeken. Hierdoor kunnen werkelijk bestaande verbanden worden versluierd.
          In de Verenigde Staten hangt het gebruik van eieren samen met een ongezonde
    leeftstijl als roken en gebrek aan lichaamsbeweging. Ook hangt het gebruik van eieren
    samen met het gebruik van rood en bewerkt vlees.22 Dit betekent dat als in
    Amerikaanse onderzoeken onvoldoende wordt geadjusteerd voor potentieel
    verstorende factoren (residuele confounding) het verband met chronische ziekten in
    cohortonderzoek wordt overschat. Omdat residuele confounding nooit volledig is uit te
    sluiten, dienen de verbanden uit epidemiologisch onderzoek idealiter verder te worden
    onderzocht in interventieonderzoek bij mensen.
          Met het oog op verschillen in voedingspatroon tussen de Verenigde Staten en
    Nederland verwacht de commissie dat het verband tussen het gebruik van eieren en
    een ongezonde leefstijl en het gebruik van rood en bewerkt vlees in Nederland minder
    sterk zal zijn.
3.2 Coronaire hartziekten
    Samenvatting bewijsvoering voor het verband tussen de consumptie van eieren en het risico op coronaire
    hartziekten.
    Aspect                            Toelichting
    Beschikbare onderzoeken           2 meta-analyses van 5 en 9 cohorten
    Heterogeniteit                    Nee (I2-test)
    Sterkte verband                   RR=0,97 (0,86-1,09) en 0,99 (0,85-1,15) per ei/dag
    Onderzochte populatie             Noord-Amerikaanse en Aziatische cohorten
    Conclusie: Een verband tussen eiconsumptie en het risico op coronaire
    hartziekten is onwaarschijnlijk.
    Toelichting
    Er zijn twee meta-analyses die ingaan op de relatie tussen het eten van eieren en het
    risico op coronaire hartziekten (tabel 3). Beide meta-analyses vinden geen
    aanwijzingen voor een verband tussen eiconsumptie en het risico op coronaire
    hartziekten.22,23 Een systematische review van eerdere datum blijft hier buiten
    beschouwing, omdat de opgenomen cohorten overlappen met beide meta-analyses.24
          De vijf cohorten die zijn samengevat door Shin en collega’s23 zijn samen met vier
    andere cohorten samengevat door Rong en collega’s22. De relatieve risico’s in de
    meta-analyse van Shin en collega’s23 zijn gebaseerd op een vergelijking van de
    hoogste met de laagste categorie van inname en in die van Rong en collega’s22 op een
    dosis-respons relatie. In beide meta-analyses was sprake van weinig tot geen
    heterogeniteit. Dit ondanks het feit dat de bestudeerde cohorten niet alleen afkomstig
    waren uit westerse landen (Verenigde Staten), maar dat ook een klein aantal afkomstig
    Pagina 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    was uit Aziatische landen. Dit gold voor één cohortonderzoek uit de meta-analyse van
    Shin en collega’s en twee cohortonderzoeken (drie strata) in de meta-analyse van
    Rong en collega’s en 22,23 De ei-producten in Azië zijn namelijk niet representatief voor
    de westerse (Nederlandse) situatie. In Azië worden naast kippeneieren ook vaak
    andere eieren gegeten van bijvoorbeeld eenden en kwartels. Hierbij worden ook
    andere conserveringsmethoden toegepast als zouten of fermenteren (century eggs).
    Het onderzoek geeft hierover geen informatie.
          De commissie heeft geen recente cohortonderzoeken gevonden en concludeert
    dat een verband tussen het gebruik van eieren en het risico op coronaire hartziekten
    onwaarschijnlijk is.
    Tabel 3 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van eieren en het risico op coronaire hartziekte.
                                                                                                            a
                    Blootstelling        Aantal      Follow up    N           N           RR       95% b.i.
                                         cohorten    tijd                     cases
                                                     (jaren)
    Meta-analyse
    Rong 201322     Per ei per dag       9           8-20         136.778     5.847       0,99     0,85-1,15
              23
    Shin 2013       > 1 ei per dag       5           7-20         239,729     5.401       0,97     0,86-1,09
                    t.o.v. < 1 ei per
                    week of nooit
    a
          Betrouwbaarheidsinterval.
3.3 Beroerte
    Samenvatting bewijsvoering voor het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op beroerte.
    Aspect                            Toelichting
    Beschikbare onderzoeken           2 meta-analyses van 5 en 8 cohorten
    Heterogeniteit                    Nee (I2-test)
    Sterkte verband                   RR= 0,91 (0,81-1,02) en 0,93 (0,81-1,07) per ei/dag
    Onderzochte populatie             Noord-Amerikaanse en Aziatische cohorten
    Conclusie: Een verband tussen eiconsumptie en het risico op beroerte is
    onwaarschijnlijk.
    Toelichting
    Er zijn twee meta-analyses die ingaan op het verband tussen het eten van eieren en
    het risico op beroerte. Beide meta-analyses leveren geen significante aanwijzingen
    voor een verband tussen het eten van eieren en het risico op beroerte (tabel 4).22,23
    Vier van de vijf cohorten die door Shin en collega’s23 worden samengevat, zijn samen
    met vier andere cohorten samengevat door Rong en collega’s22.
          De relatieve risico’s in de meta-analyse van Shin en collega’s23 zijn gebaseerd op
    een vergelijking van de hoogste met de laagste categorie van inname en in die van
    Rong en collega’s23 op een dosis-respons relatie. In beide analyses was sprake van
    weinig tot geen heterogeniteit. De bestudeerde cohorten in de meta-analyse van Sin en
    collega’s23 zijn afkomstig uit de de Verenigde Staten, Rong en collega’s22 hebben ook
    Pagina 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                              Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    één cohort (2 strata) uit Japan opgenomen, waarin de bevindingen in lijn zijn met die in
    de Noord-Amerikaanse cohortonderzoeken.
          De commissie heeft geen recente cohortonderzoeken gevonden en concludeert
    dat een verband tussen het gebruik van eieren en het risico op beroerte
    onwaarschijnlijk is.
    Tabel 4 Cohortonderzoek naar het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op beroerte.
                                                                                                             a
                     Blootstelling          Aantal       Follow up    N          N         RR        95% b.i.
                                            cohorten     tijd                    cases
                                                         (jaren)
    Meta-analyse
    Rong 201322      Per ei per dag         8               8-26      135.352    7.579     0,91      0,81-1,02
               23
    Shin 2013        > 1 ei per dag         5               7-20      241,900    4.189     0,93      0,81-1,07
                     t.o.v. < 1 ei per
                     week of nooit
    a
          Betrouwbaarheidsinterval.
3.4 Hartfalen
    Samenvatting bewijsvoering voor het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op hartfalen.
    Aspect                                Toelichting
    Beschikbare onderzoeken               2 cohortonderzoeken
    Heterogeniteit                        Nee (vergelijking risicoschattingen)
    Sterkte verband                       RR=1,23 (1,08-1,41) per portie tot RR=1,28 (1,02-1,61)
                                          per 1 ei per dag
    Onderzochte populatie                 Noord-Amerikaanse cohorten
    Conclusie: Een hoog gebruik van eieren hangt samen met een hoger risico op
    hartfalen in Noord-Amerikaans onderzoek.
    Bewijskracht: gering.
    De commisie is op de hoogte van twee cohortonderzoeken naar het verband tussen de
    consumptie van eieren en het risico op hartfalen (tabel 5). Beide cohortonderzoeken
    vinden een verband tussen een hoog gebruik van eieren en een hoger risico op
    hartfalen*.25,26 In de Physicians’ Health Study bestond er alleen een verband bij het
    gebruik van ten minste één ei of ten minste twee eieren per dag ten opzichte van minder
    dan één ei per week. Bij lagere niveaus van gebruik waren er geen aanwijzingen voor
    een verband. Wel was het aantal cases in de verschillende niveaus van consumptie
    relatief klein en in het bijzonder in de groep die minstens twee eieren per dag gebruikte
    (N=21). Het kleine aantal cases is mogelijk een verklaring voor het relatief grote verschil
    in risicoschatting tussen mensen die 5-6 eieren per week gebruiken en mensen die elke
    dag een ei gebruiken. Ook vormt dit een verklaring voor het relatief brede
    *
      In het onderzoek zijn elk jaar met behulp van een vragenlijst ziektes nagevraagd, waarbij voor hartfalen
    Framingham-criteria zijn gebruikt en er een aanvullende validatie is uitgevoerd met behulp van medische
    dossiers.
    Pagina 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                                  Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    betrouwbaarheidsinterval rond de schattingen.25 In de Atherosclerosis Risk in
    Communities Study* is het verband per portie ei per dag uitgedrukt, die niet verder wordt
    gekwantificeerd. Wel wordt in het artikel aangegeven dat de risicoschatting vergelijkbaar
    is met die in de Physicians’ Health Study: mensen die minstens één ei per dag
    gebruiken hebben een ongeveer 30% hoger risico op hartfalen ten opzichte van mensen
    die geen of minder dan één ei per dag gebruiken.26
           De commissie concludeert dat er een verband bestaat tussen een hoog gebruik
    van eieren en een hoger risico op hartfalen. Zij beoordeelt de bewijsvoering als gering,
    omdat het verband slechts in twee Amerikaanse cohorten is aangetoond.
    Tabel 5 Cohortonderzoek naar het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op hartfalen.
                                                                                                                 a
                       Blootstelling                          Follow up     N        N           RR      95% b.i.
                                                              tijd (jaren)           cases
    Cohortonderzoek
    Aherosclerosis       Per portie ei/dag                    13            1.140    14.153      1,23    1,08-1,41
    Risk in
    Communities
    200826
    Physicians’          5-6 t.o.v. < 1 ei/ week              20            21.275   1.084       1,01    0,78-1,32
    Health Study         1 ei/dag t.o.v. <1 ei/week                                              1,28    1,02-1,61
          25                                                                                         b
    2008                 ≥2 ei/dag t.o.v. < 1 ei/week                                            1,64    1,08-2,49
    a
           Betrouwbaarheidsinterval.
    b
           Betreft 21 cases in de groep die minstens 2 eieren per dag gebruiken.
3.5 Diabetes mellitus type 2
    Samenvatting bewijsvoering voor het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op diabetes
    mellitus type 2.
    Aspect                                   Toelichting
    Beschikbare onderzoeken                  1 meta-analyse van 4 cohorten en 1 recent cohortonderzoek
    Heterogeniteit                           Ja (I2-test), verklaard door onderzoek met klein aantal cases
    Sterkte verband                          RR= 1,42 (1,09-1,86) bij ten minste 1 ei per dag t.o.v. minder dan
                                             1 ei per week of geen
    Onderzochte populatie                    Europese en Noord-Amerikaanse cohorten
    Conclusie: Het gebruik van minstens één ei per dag ten opzichte van minder dan
    één ei per week hangt samen met een ongeveer 40% hoger risico op diabetes
    mellitus type 2.
    Bewijskracht: groot.
    Toelichting
    *
      In dit onderzoek is incidentie van hartfalen gedefinieerd als de eerste ziekenhuisopname in relatie tot
    hartfalen of een overlijdensverklaring waarin ook hartfalen is genoemd.
    Pagina 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                       Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Er zijn drie meta-analyses23,27,28 naar het verband tussen het eten van eieren en
het risico op diabetes mellitus type 2 (tabel 6). De meta-analyse van Shin en collega’s
is gebaseerd op vier cohortonderzoeken, die van Li en collega’s27 op drie cohort-
onderzoeken die ook door Shin en collega’s23 zijn samengevat. Dit is een van de
redenen voor de commissie om de meta-analyse van Li en collega’s27 hier verder buiten
beschouwing te laten. Een andere reden is dat de overall risicoschatter in de meta-
analyse (RR=2,62)27 beduidend hoger uitkomt dan de risicoschattingen in de indiviudele
cohorten die in deze meta-analyse zijn opgenomen (RR varieert van 0,38 tot 1,81).23,27
De meta-analyse van Tran en collega’s28 is gebaseerd op drie cohorten, waarvan er
twee terugkomen in beide andere meta-analyses. Daarom beschrijft de commissie de
bevindingen uit het resterende cohortonderzoek afzonderlijk.29
     Shin en collega’s concluderen dat het eten van eieren samenhangt met een 42%
hoger risico op diabetes. Hierbij zijn de effecten van een laag gebruik (minder dan één
ei per week of nooit) vergeleken met een hoog gebruik (meer dan één ei per dag). Een
dosis-respons relatie is niet onderzocht, waardoor onduidelijk is wat het verband is bij
het gebruik van bijvoorbeeld een half ei per dag. Alle cohortonderzoeken zijn
uitgevoerd in de Verenigde Staten. De analyse gaat gepaard met aanzienlijke
heterogeniteit (I2 53,5%; P=0,07), die niet verder is onderzocht.23 De commissie is van
mening dat de heterogeniteit in de meta-analyse van Shin en collega’s te maken heeft
met een cohortonderzoek met een beperkt aantal cases waarbij de analyse ook nog
eens is opgesplitst naar mannen en vrouwen ( twee strata)30. Dit onderzoek vindt bij
vergelijking van een bijna dagelijks gebruik met geen gebruik een 81% hoger risico op
bij mannen en een 62% lager risico bij vrouwen. De bevindingen in de andere drie
samengevatte cohortonderzoeken zijn wel eenduidig. Het cohortonderzoek bij
Zevende-dag Adventisten vindt een niet significant 15% hoger risico bij een klein
contrast in het gebruik van eieren: één of meer eieren per week ten opzichte van geen
eieren.31 In de twee andere cohortonderzoeken, de Women’s Health Study en
Physicians’ Health Study, is een significant verband gevonden tussen het gebruik van
minstens één ei per dag ten opzichte van minder dan één ei per week en een
respectievelijk 77% en 58% hoger risico op diabetes type 2. Beide onderzoeken zijn
echter door dezelfde onderzoeksgroep uitgevoerd.23,32
     In het Malmö Diet and Cancer Cohort hing een hoog gebruik van eieren samen
met een 41% hoger risico op diabetes bij mannen en een 28% hoger risico bij vrouwen.
Aanvullende correctie voor BMI zwakte beide risicoschattingen af tot respectievelijk
32% bij mannen en 11% bij vrouwen, waarbij alleen de risicoschatting bij mannen
significant bleef.29 Omdat BMI onderdeel kan zijn van de causale keten tussen het
gebruik van eieren en het risico op diabetes mellitus type 2, kan correctie voor BMI
leiden tot overcorrectie van het verband.
     De commissie concludeert dat er een verband bestaat tussen het gebruik van
minstens één ei per dag ten opzichte van minder dan één ei per week en een ongeveer
40% hoger risico op diabetes mellitus type 2. Omdat de heterogeniteit wordt verklaard
door een klein cohortonderzoek en de bevindingen tussen de andere cohort-
onderzoeken consistent zijn, beoordeelt de commissie de bewijskracht als groot.
Pagina 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                               Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    Tabel 6 Cohortonderzoek naar het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op diabetes
    mellitus type 2.
                         Blootstelling          Aantal     Follow up    N            N      RR         95% b.i.a
                                                cohorten   tijd                      cases
                                                           (jaren)
    Meta-analyse
    Shin 201323          > 1 ei/d t.o.v. < 1    4          11-20        69,297       4.889  1,42b      1,09-1,86
                         ei/ w of nooit
    Cohortonderzoek
    Malmö Diet and       22 t.o.v. 5 g/d                   12           10.550       873    1,14       0,92-1,42
    Cancer Cohort        52 t.o.v. 5 g/d                                mannen              1,41       1,14-1,74
          29
    2013
                         17 t.o.v. 4 g/d                   12           16.590       836    1,05       0,83-1,32
                         42 t.o.v. 4 g/d                                vrouwen             1,28       1,03-1,59
    a
           Betrouwbaarheidsinterval.
    b
           De analyses gingen gepaard met aanzienlijke heterogeniteit tussen de onderzoeken.
3.6 Borstkanker
    Samenvatting bewijsvoering voor het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op borstkanker.
    Aspect                                 Toelichting
    Beschikbare onderzoeken                een gepoolde analyse van 8 cohorten en 3 recentere cohorten
    Heterogeniteit                         Nee (I2-toets)
    Sterkte verband                        Varieert van RR=0,86 (0,61-1,21) bij 2 eieren/week t.o.v. <1 ei/week
                                           tot RR=1,22 (1,03-1,45) per 2 eieren/dag
    Onderzochte populatie                   Europese en Noord-Amerikaanse cohorten met vrouwen
    Conclusie: Een verband tussen het gebruik van eieren en het risico op
    borstkanker is onwaarschijnlijk.
    Toelichting
    Het WRCF-rapport concludeerde over eieren en het risico op borstkanker dat het
    bewijs voor enig verband te beperkt was in hoeveelheid, consistentie en kwaliteit om
    een conclusie te kunnen trekken.33,34
           De commissie is op de hoogte van één meta-analyse waarin twee westerse
    onderzoeken en een Japans cohortonderzoek samen met een gepoolde analyse op
    basis van de individuele gegevens uit acht westerse cohortonderzoeken zijn
    samengevat (tabel 7).35 In de meta-analyse zijn de schattingen van het verband
    gebaseerd op meerdere vergelijkingen van niveaus van consumptie binnen een
    onderzoek: zo zijn er acht verschillende vergelijkingen uit het EPIC-onderzoek
    gecombineerd met vier uit de gepoolde analyse, twee uit een Japans onderzoek en
    vier uit een Noors onderzoek.35 Omdat de commissie haar bedenkingen heeft bij deze
    methodologie, kiest zij er voor de onderzoeken afzonderlijk te bespreken.
           De gepoolde analyse levert aanwijzingen voor een verband tussen het gebruik van
    100 gram eieren per dag (2 eieren per dag) en een 22% hoger risico op borstkanker.
    Pagina 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                               Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
De schatting ging gepaard met een breed betrouwbaarheidsinterval. De schatting is
echter minder betrouwbaar, omdat dit niveau van consumptie beduidend hoger is dan
het 95ste percentiel* in de individuele onderzoeken.36 Een van de onderzoeken in de
gepoolde analyse was de Nurses’ Health Study, waarin een significant verband met het
risico op borstkanker is gevonden (RR=1,67; 1,20-2,32). Een meer recente publicatie
over dezelfde studie levert daarentegen geen significante aanwijzingen voor een
verband (RR=1,03).37
      De andere drie cohortonderzoeken zijn niet in de gepoolde analyse van Missmer
en collega’s opgenomen.36,38-40 De EPIC-study levert geen aanwijzingen voor een
verband, terwijl de risicoschattingen in de Norway National Health Screening Service
met een demate breed betrouwbaarheidsinterval gepaard gaat, dat het niet mogelijk is
hierover met voldoende zekerheid een uitspraak te doen.38,39. Het vierde onderzoek is
uitgevoerd in Japan 40 bij vrouwen die de aanslag met een atoombom hebben
overleefd. Zoals in de paragraaf over coronaire hartziekten al is beschreven, zijn ei-
producten in Azië niet representatief voor de Nederlandse situatie. Daarom laat de
commissie dit onderzoek verder buiten beschouwing.40
      De commissie heeft een recent cohortonderzoek gevonden, de Nurses Health
Study II, dat eveneens geen aanwijzingen vindt voor een verband.41
      Met het oog op de minder betrouwbare risicoschatting in de gepoolde analyse en
het gebrek aan aanwijzingen voor een verband in drie grote cohortonderzoeken, acht
de commissie een verband tussen het gebruik van eieren en het risico op borstkanker
onwaarschijnlijk.
Tabel 7 Cohortonderzoek naar het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op borstkanker.
                    Blootstelling         Aantal     Follow up  N           N          RR      95% b.i.a
                                          cohorten   tijd                   cases
                                                     (jaren)
Gepoolde analyse van individuele gegevens
Missmer 200236      Per 100 g/dag         8             5-15    351.041     7.379      1,22b   1,03-1,45
Cohortonderzoek
Norway              2 eieren/week                       7-13    24.897      248        0,86    0,61-1,21
National Health     t.o.v. < 1 ei/week
Screening           ≥ 5 ei/week t.o.v. < 1 ei/week                                     1,25    0,54-2,90
               39
Service 1995
Nurses’ Health      0,23-0,31 t.o.v. ≤ 0,13 ei/d        18      88.647      4.107      1,03    0,93-1,14
             37b
Study 2003          ≥ 0,44 t.o.v. ≤ 0,13 ei/d                                          1,03    0,93-1,15
EPIC Pala           14 t.o.v. 3 g/d                     8,8     319.826     7.119      1,07    0,98-1,16
200938              37 t.o.v. 3 g/d                                                    1,07    0,98-1,16
Nurses’ Health      0,43 ei/d t.o.v. 0 ei/week          20      88.803      2.830      1,01    0,89-1,15
               41b
Study II 2014
a
      B.i., Betrouwbaarheidsinterval.
b
      Een publicatie over dit onderzoek met een kortere follow-up is onderdeel van de de gepoolde analyse.
*
  Het negentigste percentiel varieerde in de individuele onderzoeken van 28 tot 60 gram per dag.
Pagina 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                          Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3.7 Darmkanker
    Samenvatting bewijsvoering voor het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op darmkanker.
    Aspect                            Toelichting
    Beschikbare onderzoeken           2 cohorten
    Heterogeniteit                    Nee (vergelijking risicoschattingen)
    Sterkte verband                   RR= 0,75 (0,39-1,46) tot 1,5 (1,0-2,3)
    Onderzochte populatie             1 Noord-Amerikaans en 1 Europees cohort
    Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over een verband
    tussen het gebruik van eieren en het risico op darmkanker.
    Toelichting
    De commissie heeft een meta-analyse42, twee systematische reviews43,44, twee niet-
    systematische reviews45,46 en een Fins cohortonderzoek47 gevonden naar het verband
    tussen het gebruik van eieren en het risico op darmkanker.42 De meta-analyse vat
    zeven uitsluitend Aziatische cohortonderzoeken samen. Zoals bij het risico op
    coronaire hartziekten al is beschreven, zijn de de ei-producten in Azië niet
    representatief voor de Nederlandse situatie. Daarom laat de commissie deze meta-
    analyse verder buiten beschouwing. In het systematische review van Van der Meer en
    collega’s44 worden twee Japanse cohortonderzoeken48,49 beschreven, waarvan er één
    ook in de meta-analyse is opgenomen. Ook deze onderzoeken laat de commissie
    verder buiten beschouwing.48,49
          Het andere systematische review, een update van het WRCF-rapport, concludeerde
    in 2010 dat het bewijs voor enig verband tussen eieren en het risico op darmkanker
    te beperkt was in hoeveelheid, consistentie en kwaliteit om een conclusie te kunnen
    trekken.33,43 In het ene niet-systematische review45 wordt naar een ander review46
    verwezen waarin één gepubliceerde cohortstudie bij Zevende-dag Adventisten
    vermeld staat.50
          In het onderzoek bij Zevende-dag Adventisten is een verband gevonden tussen
    een hoog gebruik van eieren en een groter risico op darmkanker, waarbij de
    ondergrens van het betrouwbaarheidsinterval 1 bedraagt. Het relatieve risico is echter
    beperkt gecorrigeerd voor potentiële confounders, te weten voor leeftijd, koffiegebruik
    en overgewicht.50 Het Finse onderzoek levert geen aanwijzingen voor een verband.47
    De betrouwbaarheidsintervallen waren in beide onderzoeken breed.
          De commissie is van mening dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te
    doen over het verband tussen de eiconsumptie en het risico op darmkanker.
    Pagina 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>    Eieren
    GEZONDHEIDSRAAD                              Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    Tabel 8 Cohortonderzoek naar het verband tussen het gebruik van eieren en het risico op darmkanker.
                                                                                                        a
                      Blootstelling                     Follow up N          N           RR     95% b.i.
                                                        tijd                 cases
                                                        (jaren)
    Cohortonderzoek
    Zevende-dag       ≥ 5 t.o.v. ≤ 2 ei per week           21     25.493     182         1,5b   1,0-2,3
    Adventisten
    198550
                                                                                              c
    Finnish Mobile     >48 t.o.v. <17 g/d (mannen) en      5      9.959      109         1,22   0,70-2,13
    Clinic Health     >42 t.o.v. <13 (vrouwen)
    Examination
    Survey 200147
    a
          B.i., Betrouwbaarheidsinterval.
    b
          Sterfte aan darmkanker.
    c
          Mannen en vrouwen samen.
3.8 Conclusie
    Het gebruik van minstens één ei per dag ten opzichte van minder dan één ei per week
    hangt samen met een ongeveer 40% hoger risico op diabetes mellitus type 2. De
    bewijskracht voor dit verband is groot. Een hoog gebruik van eieren hangt samen met
    een hoger risico op hartfalen in Noord-Amerikaans onderzoek. De bewijskracht voor dit
    verband is gering.
          Een verband tussen de consumptie van eieren en het risico op coronaire
    hartziekten, beroerte of borstkanker acht de commissie onwaarschijnlijk. Ten slotte is
    er te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het verband tussen de
    eiconsumptie en het risico op darmkanker.
    Pagina 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>  Eieren
  GEZONDHEIDSRAAD                      Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
4 Conclusie
  Bij de afleiding van Richtlijnen goede voeding stelt de commissie effecten en
  verbanden met een grote bewijskracht centraal.
  Effecten en verbanden met een grote bewijskracht zijn de volgende:
       De inname van cholesterol uit eieren verhoogt per 100 mg per dag (een half ei per
        dag) het LDL-cholesterol met 0,050 mmol per liter.
       Het gebruik van minstens één ei per dag ten opzichte van minder dan één ei per
        week hangt samen met een ongeveer 40% hoger risico op diabetes mellitus type 2.
  Het is onwaarschijnlijk dat er een verband is tussen de consumptie van eieren en het
  risico op:
       coronaire hartziekten
       beroerte
       borstkanker.
  Pagina 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Literatuur
1     Donders-Engelen M, van der Heijden L. Maten, gewichten en codenummers 2003 (cd-rom). 2003.
      Wageningen / Zeist Wageningen UR, Vakgroep Humane Voeding / TNO Voeding.
2     Geurts M, Beukers M, Buurma-Rethans E, van Rossum C. Memo: Consumptie van een aantal
      voedingsmiddelengroepen en nutriënten door de Nederlandse bevolking. Resultaten van VCP
      2007-2010. Bilthoven: RIVM; 2015.
3     Rossum CTM van, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EJM, Ocké MC. Dutch
      National Food Consumption Survey 2007-2010. Diet of children and adults aged 7 to 69 years.
      Bilthoven: RIVM; 2011: Rapportnummer: 350050006/2011.
4     Weggemans RM, Zock PL, Katan MB. Dietary cholesterol from eggs increases the ratio of total
      cholesterol to high-density lipoprotein cholesterol in humans: a meta-analysis. Am J Clin Nutr 2001;
      73(5): 885-891.
5     Waters D, Clark RM, Greene CM, Contois JH, Fernandez ML. Change in plasma lutein after egg
      consumption is positively associated with plasma cholesterol and lipoprotein size but negatively
      correlated with body size in postmenopausal women. J Nutr 2007; 137(4): 959-963.
6     Chakrabarty G, Manjunatha S, Bijlani RL, Ray RB, Mahapatra SC, Mehta N e.a. The effect of
      ingestion of egg on the serum lipid profile of healthy young Indians. Indian J Physiol Pharmacol
      2004; 48(3): 286-292.
7     Ballesteros MN, Cabrera RM, Saucedo MS, Fernandez ML. Dietary cholesterol does not increase
      biomarkers for chronic disease in a pediatric population from northern Mexico. Am J Clin Nutr 2004;
      80(4): 855-861.
8     Herron KL, Vega-Lopez S, Conde K, Ramjiganesh T, Roy S, Shachter NS e.a. Pre-menopausal
      women, classified as hypo- or hyperresponders, do not alter their LDL/HDL ratio following a high
      dietary cholesterol challenge. J Am Coll Nutr 2002; 21(3): 250-258.
9     Herron KL, Lofgren IE, Sharman M, Volek JS, Fernandez ML. High intake of cholesterol results in
      less atherogenic low-density lipoprotein particles in men and women independent of response
      classification. Metabolism 2004; 53(6): 823-830.
10    Herron KL, Vega-Lopez S, Conde K, Ramjiganesh T, Shachter NS, Fernandez ML. Men classified
      as hypo- or hyperresponders to dietary cholesterol feeding exhibit differences in lipoprotein
      metabolism. J Nutr 2003; 133(4): 1036-1042.
Pagina 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
11    Pearce KL, Clifton PM, Noakes M. Egg consumption as part of an energy-restricted high-protein
      diet improves blood lipid and blood glucose profiles in individuals with type 2 diabetes. Br J Nutr
      2011; 105(4): 584-592.
12    Harman NL, Leeds AR, Griffin BA. Increased dietary cholesterol does not increase plasma low
      density lipoprotein when accompanied by an energy-restricted diet and weight loss. Eur J Nutr
      2008; 47(6): 287-293.
13    Mutungi G, Ratliff J, Puglisi M, Torres-Gonzalez M, Vaishnav U, Leite JO e.a. Dietary cholesterol
      from eggs increases plasma HDL cholesterol in overweight men consuming a carbohydrate-
      restricted diet. J Nutr 2008; 138(2): 272-276.
14    Reaven GM, Abbasi F, Bernhart S, Coulston A, Darnell B, Dashti N e.a. Insulin resistance, dietary
      cholesterol, and cholesterol concentration in postmenopausal women. Metabolism 2001; 50(5):
      594-597.
15    Bautista LE, Herran OF, Serrano C. Effects of palm oil and dietary cholesterol on plasma
      lipoproteins: results from a dietary crossover trial in free-living subjects. Eur J Clin Nutr 2001; 55(9):
      748-754.
16    Greene CM, Zern TL, Wood RJ, Shrestha S, Aggarwal D, Sharman MJ e.a. Maintenance of the
      LDL cholesterol:HDL cholesterol ratio in an elderly population given a dietary cholesterol challenge.
      J Nutr 2005; 135(12): 2793-2798.
17    Goodrow EF, Wilson TA, Houde SC, Vishwanathan R, Scollin PA, Handelman G e.a. Consumption
      of one egg per day increases serum lutein and zeaxanthin concentrations in older adults without
      altering serum lipid and lipoprotein cholesterol concentrations. J Nutr 2006; 136(10): 2519-2524.
18    Ocké MC, Bueno-de-Mesquita HB, Goddijn HE, Jansen A, Pols MA, van Staveren WA e.a. The
      Dutch EPIC food frequency questionnaire. I. Description of the questionnaire, and relative validity
      and reproducibility for food groups. Int J Epidemiol 1997; 26 Suppl 1: S37-S48.
19    Salvini S, Hunter DJ, Sampson L, Stampfer MJ, Colditz GA, Rosner B e.a. Food-based validation of
      a dietary questionnaire: the effects of week-to-week variation in food consumption. Int J Epidemiol
      1989; 18(4): 858-867.
20    Feskanich D, Rimm EB, Giovannucci EL, Colditz GA, Stampfer MJ, Litin LB e.a. Reproducibility and
      validity of food intake measurements from a semiquantitative food frequency questionnaire. J Am
      Diet Assoc 1993; 93(7): 790-796.
21    Bingham SA, Gill C, Welch A, Day K, Cassidy A, Khaw KT e.a. Comparison of dietary assessment
      methods in nutritional epidemiology: weighed records v. 24 h recalls, food-frequency questionnaires
      and estimated-diet records. Br J Nutr 1994; 72(4): 619-643.
Pagina 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
22    Rong Y, Chen L, Zhu T, Song Y, Yu M, Shan Z e.a. Egg consumption and risk of coronary heart
      disease and stroke: dose-response meta-analysis of prospective cohort studies. BMJ 2013; 346:
      e8539.
23    Shin JY, Xun P, Nakamura Y, He K. Egg consumption in relation to risk of cardiovascular disease
      and diabetes: a systematic review and meta-analysis. Am J Clin Nutr 2013; 98(1): 146-159.
24    Mente A, de KL, Shannon HS, Anand SS. A systematic review of the evidence supporting a causal
      link between dietary factors and coronary heart disease. Arch Intern Med 2009; 169(7): 659-669.
25    Djousse L, Gaziano JM. Egg consumption and risk of heart failure in the Physicians’ Health Study.
      Circulation 2008; 117(4): 512-516.
26    Nettleton JA, Steffen LM, Loehr LR, Rosamond WD, Folsom AR. Incident heart failure is associated
      with lower whole-grain intake and greater high-fat dairy and egg intake in the Atherosclerosis Risk
      in Communities (ARIC) study. J Am Diet Assoc 2008; 108(11): 1881-1887.
27    Li Y, Zhou C, Zhou X, Li L. Egg consumption and the risk of cardiovascular diseases and diabetes:
      a meta-analysis. Atherosclerosis 2013; 229: 524-530.
28    Tran NL, Barraj LM, Heilman JM, Scrafford CG. Egg consumption and cardiovascular disease
      among diabetic individuals: a systematic review of the literature. Diabetes Metab Syndr Obes 2014;
      7: 121-137.
29    Ericson U, Sonestedt E, Gullberg B, Hellstrand S, Hindy G, Wirfalt E e.a. High intakes of protein
      and processed meat associate with increased incidence of type 2 diabetes. Br J Nutr 2013; 109(6):
      1143-1153.
30    Djousse L, Kamineni A, Nelson TL, Carnethon M, Mozaffarian D, Siscovick D e.a. Egg consumption
      and risk of type 2 diabetes in older adults. Am J Clin Nutr 2010; 92(2): 422-427.
31    Vang A, Singh PN, Lee JW, Haddad EH, Brinegar CH. Meats, processed meats, obesity, weight
      gain and occurrence of diabetes among adults: findings from Adventist Health Studies. Ann Nutr
      Metab 2008; 52(2): 96-104.
32    Djousse L, Gaziano JM, Buring JE, Lee IM. Egg consumption and risk of type 2 diabetes in men
      and women. Diabetes Care 2009; 32(2): 295-300.
33    World Cancer Research Fund / American Institute for Cancer Research. Food, nutrition, physical
      activity, and the prevention of cancer: a global perspective. Washington D.C.: AICR; 2007.
34    Norat T, Chan DS, Lau R, Vieira R, Thompson R. WCRF/AIRC Systematic literature review
      continuous update project report. The associations between food, nutrition, physical activity and risk
      of breast cancer. http://www.dietandcancerreport.org/ geraadpleegd: 30-8-2012.
Pagina 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
35    Si R, Qu K, Jiang Z, Yang X, Gao P. Egg consumption and breast cancer risk: a meta-analysis.
      Breast Cancer 2014; 21(3): 251-261.
36    Missmer SA, Smith-Warner SA, Spiegelman D, Yaun SS, Adami HO, Beeson WL e.a. Meat and
      dairy food consumption and breast cancer: a pooled analysis of cohort studies. Int J Epidemiol
      2002; 31(1): 78-85.
37    Holmes MD, Colditz GA, Hunter DJ, Hankinson SE, Rosner B, Speizer FE e.a. Meat, fish and egg
      intake and risk of breast cancer. Int J Cancer 2003; 104(2): 221-227.
38    Pala V, Krogh V, Berrino F, Sieri S, Grioni S, Tjonneland A e.a. Meat, eggs, dairy products, and risk
      of breast cancer in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC) cohort.
      Am J Clin Nutr 2009; 90(3): 602-612.
39    Gaard M, Tretli S, Loken EB. Dietary fat and the risk of breast cancer: a prospective study of
      25,892 Norwegian women. Int J Cancer 1995; 63(1): 13-17.
40    Key TJ, Sharp GB, Appleby PN, Beral V, Goodman MT, Soda M e.a. Soya foods and breast cancer
      risk: a prospective study in Hiroshima and Nagasaki, Japan. Br J Cancer 1999; 81(7): 1248-1256.
41    Farvid MS, Cho E, Chen WY, Eliassen AH, Willett WC. Dietary protein sources in early adulthood
      and breast cancer incidence: prospective cohort study. BMJ 2014; 348: g3437.
42    Tse G, Eslick GD. Egg consumption and risk of GI neoplasms: dose-response meta-analysis and
      systematic review. Eur J Nutr 2014; 53(7): 1581-1590.
43    Norat T, Chan D, Lau R, Aune D, Vieira R.. WCRF/AIRC Systematic literature review continuous
      update project report. The associations between food, nutrition, physical activity and risk of
      colorectal cancer. http://www.dietandcancerreport.org/ geraadpleegd: 30-8-2012.
44     Meer S van, Leufkens AM, Bueno-de-Mesquita HB, van Duijnhoven FJ, van Oijen MG, Siersema
      PD. Role of dietary factors in survival and mortality in colorectal cancer: a systematic review. Nutr
      Rev 2013; 71(9): 631-641.
45    Yoon H, Benamouzig R, Little J, Francois-Collange M, Tome D. Systematic review of
      epidemiological studies on meat, dairy products and egg consumption and risk of colorectal
      adenomas. Eur J Cancer Prev 2000; 9(3): 151-164.
46    Steinmetz KA, Potter JD. Egg consumption and cancer of the colon and rectum. Eur J Cancer Prev
      1994; 3(3): 237-245.
47    Jarvinen R, Knekt P, Hakulinen T, Rissanen H, Heliovaara M. Dietary fat, cholesterol and colorectal
      cancer in a prospective study. Br J Cancer 2001; 85(3): 357-361.
Pagina 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Eieren
GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
48    Khan MM, Goto R, Kobayashi K, Suzumura S, Nagata Y, Sonoda T e.a. Dietary habits and cancer
      mortality among middle aged and older Japanese living in hokkaido, Japan by cancer site and sex.
      Asian Pac J Cancer Prev 2004; 5(1): 58-65.
49    Kojima M, Wakai K, Tamakoshi K, Tokudome S, Toyoshima H, Watanabe Y e.a. Diet and colorectal
      cancer mortality: results from the Japan Collaborative Cohort Study. Nutr Cancer 2004; 50(1): 23-32.
50    Philips RL, Snowdon DA. Dietary relationships with fatal colorectal cancer among Seventh-Day
      Adventists. J Natl Cancer Inst 1985; 74(2): 307-317.
Pagina 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  Eieren
  GEZONDHEIDSRAAD                        Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
A De commissie
      prof. dr. ir. D. Kromhout, vicevoorzitter Gezondheidsraad (tot 1 januari 2015), Den
       Haag, voorzitter
      prof. dr. ir. J. Brug, hoogleraar epidemiologie, VU medisch centrum, Amsterdam
      prof. dr. A.W. Hoes, hoogleraar klinische epidemiologie en huisartsgeneeskunde,
       Universitair Medisch Centrum Utrecht
      dr. J.A. Iestra, voedingskundige, Universitair Medisch Centrum Utrecht
      prof. dr. H. Pijl, hoogleraar diabetologie, Leids Universitair Medisch Centrum, lid
       (tot 1 april 2015), adviseur (vanaf 1 april 2015)
      prof. dr. J.A. Romijn, hoogleraar inwendige geneeskunde, Academisch Medisch
       Centrum, Amsterdam
      prof. dr. ir. J.C. Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid, Vrije Universiteit,
       Amsterdam
      prof. dr. ir. P. van 't Veer, hoogleraar voeding, volksgezondheid en duurzaamheid,
       Wageningen Universiteit en Research Centrum, lid (tot 1 juni 2015), adviseur
       (vanaf 1 juni 2015)
      prof. dr. ir. M. Visser, hoogleraar gezond ouder worden, Vrije Universiteit en VU
       medisch centrum, Amsterdam
      prof. dr. J.M. Geleijnse, hoogleraar voeding en cardiovasculaire ziekten,
       Wageningen Universiteit en Research Centrum, adviseur
      prof. dr. J.B van Goudoever, hoogleraar kindergeneeskunde, VU medisch centrum
       en Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, adviseur
      prof. dr. M.T.E. Hopman, hoogleraar integratieve fysiologie, Radboud universitair
       medisch centrum, Nijmegen, adviseur
      prof. dr. ir. R.P. Mensink, hoogleraar moleculaire voedingskunde, Universiteit
       Maastricht, adviseur
      prof. dr. ir. A.M.W.J. Schols, hoogleraar voeding en metabolisme bij chronische
       ziekten, Universiteit Maastricht, adviseur
      prof. dr. ir. M.H. Zwietering, hoogleraar levensmiddelenmicrobiologie, Wageningen
       Universiteit en Research Centrum, adviseur
      ir. C.A. Boot, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag,
       waarnemer
      dr. ir. J. de Goede, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
      dr. ir. C.J.K. Spaaij, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
      dr. ir. R.M. Weggemans, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
  Pagina 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Adviezen
De taak van de Ge­z ond­h eids­r aad lieden. Met enige regelmaat
is mi­n is­t ers en parlement te     brengt de Gezondheidsraad ook
advise­r en over vraag­s tukken op   ongevraag­d e adviezen uit, die
het gebied van de volksgezond­       een signale­r ende functie hebben.
heid. De meeste ad­v ie­z en die de  In sommige gevallen leidt een
Gezondheidsraad jaar­lijks uit­      signalerend advies tot het verzoek
brengt worden ge­s chre­v en op      van een minister om over dit
verzoek van een van de bewinds­      onderwerp verder te adviseren.
Aandachtsgebieden
Optimale                             Preventie                          Gezonde voeding
gezondheidszorg                      Met welke vormen van               Welke voedingsmiddelen
Wat is het optimale                  preventie valt er een              bevorderen een goede
resultaat van zorg                   aanzienlijke gezond-               gezondheid en welke
(cure en care) gezien                heidswinst te behalen?             brengen bepaalde gezond­
de risico’s en kansen?                                                  heidsri­s ico’s met zich mee?
Gezonde                              Gezonde arbeids­                   Innovatie en
leefomgeving                         omstandigheden                     kennisinfrastructuur
Welke invloeden uit                  Hoe kunnen werk-­                  Om kennis te kunnen
het milieu kunnen een                nemers beschermd                   oogsten op het gebied
positief of negatief                 worden tegen arbeids­              van de gezondheids­
effect hebben op de                  omstandigheden                     zorg moet er eerst
gezondheid?                          die hun gezondheid                 gezaaid worden.
                                     mogelijk schaden?
www.gezondheidsraad.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>