<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>www.gezondheidsraad.nl Innovatie en kennisinfrastruc Om kennis te kun oogsten op het ge van de gezondhei zorg moet er eers gezaaid worden. Gezonde arbeids­ omstandigheden Hoe kunnen werk­ nemers beschermd worden tegen arbeids­ omstandigheden die hun gezondheid mogelijk schaden? Gezonde leefomgeving Welke invloeden uit het milieu kunnen een positief of negatief effect hebben op de gezondheid? Gezonde voedin Welke voedingsm bevorderen een g gezondheid en w brengen bepaald heidsri sico’s met Preventie Met welke vormen van preventie valt er een aanzienlijke gezond­ heidswinst te behalen? Optimale gezondheidszorg Wat is het optimale resultaat van zorg (cure en care) gezien de risico’s en kansen? Aandachtsgebieden Adviezen De taak van de Ge zond heids raad is mi nis ters en parlement te advise ren over vraag stukken op het gebied van de volksgezond­ heid. De meeste ad vie zen die de Gezondheidsraad jaar lijks uit­ brengt worden ge schre ven op verzoek van een van de bewinds­ lieden. Met enige regelmaat brengt de Gezondheidsraad ook ongevraag de adviezen uit, die een signale rende functie hebben. In sommige gevallen leidt een signalerend advies tot het verzoek van een minister om over dit onderwerp verder te adviseren. Gezondheidsraad Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015 Peulvruchten Gezondheidsraad</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
aan:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de staatssecretaris van Economische Zaken
Nr. A15/18, Den Haag, 4 november 2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de regering en
het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien van vraagstuk-
ken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-(zorg)onderzoek’ (art. 22
Gezondheidswet).
    De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Infrastructuur en Milieu; Sociale Zaken en Werkge-
legenheid en Economische Zaken. De raad kan ook op eigen initiatief adviezen uitbren-
gen, en ontwikkelingen of trends signaleren die van belang zijn voor het
overheidsbeleid.
    De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel opgesteld
door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel benoemde – Nederlandse
en soms buitenlandse deskundigen.
                      De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                      for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                      adviesorganen.
U kunt deze publicatie downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Peulvruchten - Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding
2015. Den Haag: Gezondheidsraad, 2015; publicatienr. A15/18.
auteursrecht voorbehouden
ISBN: 978-94-6281-051-8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD      Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Peulvruchten
Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                         Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Werkwijze in het kort
 a
   De commissie neemt effecten op drie causale risicofactoren voor ziekten in beschouwing:
 systolische bloeddruk, LDL-cholesterol en lichaamsgewicht.
 b
   De commissie evalueert de relatie met tien voedinggerelateerde chronische ziekten:
 coronaire hartziekten, beroerte, hartfalen, diabetes mellitus type 2, chronisch obstructieve
 longziekten, borstkanker, darmkanker, longkanker, dementie en cognitieve achteruitgang en
 depressie. Bij alcohol en voedingspatronen is ook het verband met het risico op sterfte
 ongeacht doodsoorzaak beschreven.
 c
   De commissie richt zich primair op gepoolde analyses, meta-analyses en systematische
 reviews.
 d
   RCT’s naar effecten op ziekten zijn schaars. Vanwege het belang van deze onderzoeken
 voor uitspraken over causaliteit, beschrijft de commissie ten aanzien van deze uitkomstmaten
 alle beschikbare RCT’s, ongeacht of meta-analyses en systematische reviews beschikbaar
 zijn.
 e
   De term cohortonderzoek wordt in dit advies gebruikt voor alle vormen van prospectief
 observationeel onderzoek.
Conclusies in de achtergronddocumenten zijn gebaseerd op de hoeveelheid
onderzoek, aanwijzingen voor heterogeniteit, de sterkte van het verband,
deelnemerskarakteristieken en specifieke afwegingen die in de toelichting zijn
beschreven. De conclusie kan luiden dat er grote of geringe bewijskracht is voor een
effect of verband, dat een effect of verband onwaarschijnlijk of niet eenduidig is, of dat
er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen over het effect of verband.
Het achtergronddocument ‘Werkwijze van de Commissie Richtlijnen goede voeding
2015’ geeft een uitgebreide beschrijving en toelichting van de gehanteerde werkwijze.
Pagina 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                                     Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Inhoud
Werkwijze in het kort ....................................................................................................... 2
1       Inleiding................................................................................................................ 4
1.1     Definities .............................................................................................................. 4
1.2     Gebruik van peulvruchten .................................................................................... 4
1.3     Literatuuronderzoek ............................................................................................. 5
2       Interventieonderzoek ........................................................................................... 6
2.1     Peulvruchten ........................................................................................................ 6
2.2     Soja ...................................................................................................................... 9
2.3     Conclusie ........................................................................................................... 11
3       Cohortonderzoek ............................................................................................... 12
3.1     Methodologische kanttekeningen bij cohortonderzoek naar peulvruchten ........ 12
3.2     Relevantie van Aziatische cohortonderzoeken voor de Nederlandse situatie ... 13
3.3     Peulvruchten ...................................................................................................... 14
3.4     Soja .................................................................................................................... 16
3.5     Conclusie ........................................................................................................... 23
4       Conclusie ........................................................................................................... 24
Literatuur ....................................................................................................................... 25
A       De commissie .................................................................................................... 30
Pagina 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>    Peulvruchten
    GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
1   Inleiding
    In dit document beschrijft de Commissie Richtlijnen goede voeding 2015 de relatie
    tussen het gebruik van peulvruchten in het algemeen en soja in het bijzonder en het
    risico op chronische ziekten*.
           Als eerste komt interventieonderzoek aan de orde naar het effect van het gebruik
    van peulvruchten en soja op bloeddruk, LDL-cholesterol en lichaamsgewicht.
    Vervolgens wordt cohortonderzoek beschreven naar het gebruik van peulvruchten en
    soja en gezondheid.
1.1 Definities
    Vlinderbloemige planten produceren hun vruchten als peulen. De gedroogde, eetbare
    zaden worden peulvruchten genoemd. Peulvruchten omvatten bonen, linzen, erwten
    en pinda’s. Deze worden vooral in de gedroogde vorm gebruikt.1 Pinda’s en sojabonen
    bevatten meer vet dan andere peulvruchten en worden op een andere manier verwerkt
    (bijvoorbeeld tot olie en in het geval van soja tot specifieke sojaproducten als tofu). Er
    is meer onderzoek uitgevoerd naar sojabonen dan naar andere peulvruchten, mede
    omdat sojabonen rijk zijn aan isoflavonen, stoffen met een fyto-oestrogene werking.2 In
    dit document komen sojabonen aan de orde. Omdat pinda’s in cohortonderzoek veelal
    in samenhang met noten zijn bestudeerd, komen pinda’s in het achtergronddocument
    over noten en zaden aan de orde.3
           Sommige peulvruchten worden ook als groene groente gebruikt, zoals doperwten,
    peultjes en sperziebonen. De bewijsvoering hiervoor staat beschreven in het document
    over groente. Bepaalden peulvruchten kunnen ook in gekiemde vorm worden gebruikt,
    zoals taugé en alfalfa. Ook die soorten vallen doorgaans onder de definitie van
    groente.1
1.2 Gebruik van peulvruchten
    Het gebruik van peulvruchten is laag in Nederland (tabel 1). Het 90-ste percentiel van
    de gebruikelijke inname ligt op 7 gram per dag bij kinderen en op 8 gram per dag bij
    volwassenen.4
           In de voedselconsumptiepeiling 2007-2010 werden peulvruchten door
    volwassenen slechts op 2% tot 3 % van de twee dagen waarop de voeding werd
    nagevraagd gebruikt en sojaproducten op 1% tot 5%. Het mediane gebruik van
    peulvruchten op gebruiksdagen varieerde van 100 tot 120 gram per dag. Bij soja was
    de spreiding in dit mediane gebruik beduidend groter: van 60 gram tot 350 gram per
    dag.
           Bij kinderen lag het percentage gebruiksdagen voor peulvruchten op 2% en
    varieerde het voor soja van 1% tot 3%. Op gebruiksdagen lag het mediane gebruik van
    *
      Zie voor een beschrijving van de gehanteerde methodologie het achtergronddocument ‘Werkwijze van de
    Commissie Richtlijnen goede voeding 2015’.
    Pagina 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    Peulvruchten
    GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    peulvruchten bij kinderen tussen de 60 en 140 gram per dag en het gebruik van soja
    tussen de 80 en 330 gram per dag.5
         Wel zijn er bevolkingsgroepen in Nederland bij wie het gebruik van peulvruchten
    beduidend hoger ligt: zo zijn peulvruchten bijvoorbeeld onderdeel van de Turkse,
    Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse keuken.6-9
    Tabel 1 De gebruikelijke innamea van peulvruchten in Nederland (gram per dag) op basis van de
                                                      b 4
    Nederlandse voedselconsumptiepeiling 2007-2010 .
                                              P50                                   P90
    Jongens 7-18 jaar                         1                                     7
    Meisjes 7-18 jaar                         1                                     7
    Mannen 19-69 jaar                         1                                     8
    Vrouwen 19-69 jaar                        1                                     8
    a
         De P10 van inname lag in de vier leeftijdsgroepen op 0 gram per dag.
    b
         Gewogen voor sociaaldemografische factoren, seizoen en dag van de week.
1.3 Literatuuronderzoek
    De commissie heeft in eerste instantie onderzoeken naar peulvruchten gezocht met de
    volgende zoekopdracht in PubMed:
    "Fabaceae"[Mesh] met als filters meta-analysis en systematic reviews. Het opnemen van beans of
    legumes als (niet-mesh) term in plaats van fabaceae levert vergelijkbare resultaten.
    Omdat het aantal relevante meta-analyses en systematische reviews relatief klein is,
    heeft de commissie ook recente niet-systematische reviewartikelen gezocht door de
    Mesh-term “fabaceae” te combineren met het filter reviews.3,10-15 Om interventie- en
    cohortonderzoeken te vinden die na het uitkomen van de meta-analyses zijn
    gepubliceerd zijn verder zoekopdrachten per uitkomstmaat uitgevoerd.
    Pagina 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>      Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
2     Interventieonderzoek
      In dit hoofdstuk wordt onderzoek beschreven naar het effect van het gebruik van
      peulvruchten en soja op bloeddruk, LDL-cholesterol en lichaamsgewicht.
2.1   Peulvruchten
2.1.1 Systolische bloeddruk
      Samenvatting bewijsvoering voor het effect van peulvruchten ten opzichte van andere koolhydraatrijke
      producten op de systolische bloeddruk.
      Aspect                             Toelichting
      Beschikbare onderzoeken            1 meta-analyse van 8 RCT’s
      Heterogeniteit                     Ja, onverklaard
      Schatter effect                    -2,25 (-4,22 tot -0,28) mmHg
      Onderzochte populatie              Personen met een normale bloeddruk of hypertensie in
                                         combinatie met normaal gewicht, overgewicht, obesitas, pre-
                                         metabool syndroom of diabetes type 2
      Conclusie: Het gebruik van peulvruchten in plaats van andere koolhydraatrijke
      producten verlaagt de systolische bloeddruk.
      Bewijskracht: gering
      Toelichting
      De commissie is op de hoogte van één meta-analyse naar het effect van peulvruchten
      met weinig vet - bonen, erwten, kikkererwten en linzen - op de systolische bloeddruk
      (tabel 2). De auteurs laten peulvruchten die veel vet bevatten, zoals soja en pinda’s,
      buiten beschouwing.16 Jayalath en collega’s vinden op basis van 8 RCT’s dat het
      gebruik van 162 gram gekookte peulvruchten per dag de bloeddruk verlaagt met ruim 2
      mmHg ten opzichte van andere koolhydraatrijke producten. In de onderzoeken liep de
      hoeveelheid peulvruchten uiteen van 81 gram per dag tot 275 gram per dag. Er was
      sprake van aanzienlijke heterogeniteit die in aanvullende analyses niet verder werd
      verklaard. Het uitsluiten van steeds één van de onderzoeken resulteerde zowel in een
      versterking van het effect als een afzwakking. Volgens Jayalath en collega’s was de
      kwaliteit van onderzoeken in de meta-analyse beperkt.16
            De commissie concludeert dat het gebruik van peulvruchten ten opzichte van
      koolhydraatrijke producten de systolische bloeddruk verlaagt. Zij beoordeelt de
      bewijskracht als gering, met het oog op de onverklaarde heterogeniteit.
      Pagina 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>              Peulvruchten
              GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Tabel 2 Interventieonderzoek naar het effect van peulvruchten op de systolische bloeddruk.
                      Aantal; N   Duur per        Interventie           Controle                           Verandering in
                                  interventie                                                              bloeddruk (mmHg)
                                  (maand);                                                                 t.o.v. controle (95%-
                                  opzet                                                                    b.i.a)
  Meta-analyse
  Jayalath           8; 554       2,5 (1-12)      162 g/d               Iso-calorische voeding met         -2,25 (-4,22 tot-0,28)b
       16
  2014                                            peulvruchten          vergelijkbare macronutriënten-
                                                  (geen soja of         samenstelling, volkorenmeel,
                                                  pinda)                vezelrijke voeding, witbrood of
                                                                        instant aardappelvlokken
a
          B.i., betrouwbaarheidsinterval.
b
          Er waren aanwijzingen voor aanzienlijke heterogeniteit.
  2.1.2       LDL-cholesterol
              Samenvatting bewijsvoering voor het effect van het gebruik van peulvruchten op LDL-cholesterol.
              Aspect                              Toelichting
              Beschikbare onderzoeken             2 meta-analyse van 9 en 25 RCT’s
              Heterogeniteit                      Ja, in de grootste meta-analyse
              Schatter effect                     -0,20 (-0,29 tot -0,12) mmol/l per 130 g/d en -0,17 (-0,25 tot
                                                  -0,09) mmol/l per 130 g/d
              Onderzochte populatie               Personen met normaal cholesterol of hypercholesterolemie
              Conclusie: Het gebruik van 130 gram peulvruchten per dag ten opzichte van
              graanproducten en groente verlaagt het LDL-cholesterol met ongeveer 0,2 mmol
              per liter.
              Bewijskracht: groot
              Toelichting
              De commissie is op de hoogte van twee meta-analyses naar het effect van het gebruik
              van peulvruchten op het LDL-cholesterol.17,18* Het gaat hierbij om peulvruchten met
              weinig vet, zoals kikkererwten, linzen, pintobonen en kidneybonen; de auteurs van
              beide meta-analyses laten pinda’s en sojabonen buiten beschouwing (tabel 3).
              Bazzano en collega’s17 vatten negen interventieonderzoeken samen, waarvan Ha en
              collega’s18 er zeven samen met 18 anderen hebben samengevat. Bazzano en
              collega’s17 stelden als voorwaarde dat de interventieonderzoeken twee isocalorische
              voedingen met een vergelijkbare samenstelling van macronutriënten vergeleken. In de
              meta-analyse van Ha en collega’s18 was de studieselectie breder: ook onderzoeken
              waarbij de interventie hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend uit peulvruchten bestond zijn
              opgenomen in de meta-analyse. In 14 van 25 interventieonderzoeken zijn peulvruchten
              vervangen door koolhydraten en in vijf door dierlijk eiwit, in drie onderzoeken is de
              aanbeveling om meer peulvruchten te gebruiken vergeleken met de gebruikelijke
              voeding en in de drie overige is de vervanging niet gespecificeerd.
              *
                De meta-analyse is deels gefinancierd door de voedingsmiddelenindustrie.
              Pagina 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                  Peulvruchten
                 GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
                       De meta-analyses komen tot de conclusie dat het gebruik van peulvruchten het
                  LDL-cholesterol verlaagt met 0,17 tot 0,20 mmol/l ten opzichte van isocalorische
                  controlevoedingen. De dosis gekookte peulvruchten lag rond de 130 gram per dag, met
                  een range van 50 tot 377 gram per dag. Er was sprake van weinig tot geen
                  heterogeniteit in de meta-analyse van Bazzano en collega’s, terwijl er sprake was van
                  aanzienlijke heterogeniteit in de meta-analyse van Ha en collega’s.17,18 De laatste
                  auteurs hebben geen verklaring kunnen vinden voor de heterogeniteit in aanvullende
                  sensitiviteitsanalyses.18 De commissie ziet als mogelijke verklaring de variëteit in
                  controlevoedingen in de meta-analyse van Ha en collega’s18, die groter was dan in de
                  meta-analyse van Bazzano en collega’s17.
                       De commissie heeft geen recente interventieonderzoeken gevonden.
                       De commissie concludeert dat het gebruik van 130 gram gekookte peulvruchten
                  per dag ten opzichte van graanproducten en groente het LDL-cholesterol verlaagt met
                  ongeveer 0,2 mmol per liter. De bewijskracht hiervoor is groot.
Tabel 3 Interventieonderzoek naar het effect van peulvruchten op LDL-cholesterol.
                        Aantal; N           Duur per    Interventie                  Controle                Verandering in LDL-
                                            interventie                                                      cholesterol (mmol/l)
                                            (maand);                                                         t.o.v. controle (95%-
                                            opzet                                                            b.i.a)
  Meta-analyse
  Bazzono 201117       9; 238               0,75-2       Circa 130 g/d               Isocalorische           -0,20 (-0,29 tot-0,12)
                                                         peulvruchten (geen soja     voeding met
                                                         of pinda)                   graanproducten of
                                                                                     groente
          18
  Ha 2014              25; 686              3-12         Circa 130 g/d               Voeding met             -0,17 (-0,25 tot-0,09)c
                       interventie en                    peulvruchten (geen soja     graanproducten,
                                     b
                       684 controle                      of pinda’s)                 vervanging dierlijk
                                                                                     eiwit of gebruikelijke
                                                                                     voeding
a
           B.i., betrouwbaarheidsinterval.
b
           Uit de publicatie valt niet op te maken in welke mate de personen in de interventie- en controlegroep overlappen.
c
           Er waren aanwijzingen voor aanzienlijke heterogeniteit.
     2.1.3        Lichaamsgewicht
                  Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het effect
                  van peulvruchten op het lichaamsgewicht.
                  Toelichting
                  De commissie is niet op de hoogte van meta-analyses naar het gebruik van
                  peulvruchten op lichaamsgewicht. In een systematisch review uit 2008 wordt
                  geconcludeerd dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen over het effect
                  van peulvruchten op het lichaamsgewicht. 19 Een review uit 2010 concludeert dat er
                  geen aanwijzingen zijn uit interventieonderzoeken dat het gebruik van peulvruchten
                  onder ad-libitum omstandigheden het gewicht verlaagt. Er zijn echter weinig
                  Pagina 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>      Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
      gerandomiseerde interventieonderzoeken uitgevoerd, en de meesten duurden
      maximaal 3 tot 8 weken.20
2.2   Soja
      De commissie richt zich hier alleen op interventieonderzoeken met producten die zijn
      gebaseerd op volledige sojabonen en niet op onderzoeken met bestanddelen van soja
      als sojaeiwit of isoflavonen. Een uitzondering hierop zijn meta-analyses waarin de
      effecten van zowel producten gebaseerd op de hele sojaboon als op sojaeiwitisolaat
      heeft samengevat, onder voorwaarde dat er geen sprake was van heterogeniteit in de
      meta-analyse.
2.2.1 Systolische bloeddruk
      Samenvatting bewijsvoering voor het effect van soja op de systolische bloeddruk.
      Aspect                            Toelichting
      Beschikbare onderzoeken           1 meta-analyse van 5 RCT’s, 2 recente RCT’s
      Heterogeniteit                    Ja, onverklaard
      Schatter effect                   -5,76 (-12,29 tot +0,77) mmHg
      Onderzochte populatie             Volwassenen; personen met verhoogd risico op hart- en
                                        vaatziekten; vrouwen met metabool syndroom
      Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het effect
      van het gebruik van soja op de systolische bloeddruk.
      Toelichting
      De commissie is op de hoogte van één meta-analyse naar het effect van soja op de
      systolische bloeddruk (tabel 4).21 Hooper en collega’s vinden op basis van vijf
      onderzoeken een niet-significante verlaging van de systolische bloeddruk. Er was
      sprake van heterogeniteit, die niet verder is verklaard. Uit de meta-analyse valt niet
      exact af te leiden op welke artikelen de auteurs zich precies baseren of met welke
      producten de soja is vergeleken.
           De commissie is op de hoogte van twee recente interventieonderzoeken naar het
      gebruik van soja op de systolische bloeddruk.22,23 Het gebruik van geroosterde en al
      dan niet gemalen sojabonen (respectievelijk sojanoten en kinako) waren in deze
      onderzoeken niet van invloed op de systolische bloeddruk ten opzichte van een
      gebruikelijke voeding. De auteurs geven geen informatie over het
      onderscheidingsvermogen van de onderzoeken. Wel is het aantal deelnemers relatief
      klein.
           De commissie concludeert dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen
      over het gebruik van soja op de systolische bloeddruk.
      Pagina 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>             Peulvruchten
             GEZONDHEIDSRAAD                                 Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Tabel 4 Interventieonderzoek naar het effect van soja op de bloeddruk.
                        Aantal; N               Duur per      Interventie      Controle               Verandering in bloeddruk
                                                interventie                                           (mmHg) t.o.v. controle
                                                                                                                 a
                                                (maand);                                              (95%-b.i. )
                                                opzet
  Meta-analyse
  Hooper 200821         5; 140 interventie      1 (0,5-4,5)   sojaproducten    n.g.c                  -5.76d (-12,29 tot +0,77)
                                          b
                        en 159 controle
  Recent interventieonderzoek
                  23
  Bakhtiary 2012        50                       3; parallel   35 g/d          Gebruikelijke          -4,2 t.o.v. -0,95 (P=0,13)
                                                               sojanoten       voeding
  Simao 201222          15 t.o.v. 15            3, parallel   29 g/d kinako    Gebruikelijke          -3,5 t.o.v. -9,5 (n.s.)
                                                                               voeding
                        16 t.o.v. 19                          29 g/d kinako    3 g/d visolie          -8 t.o.v. -2,5 (n.s.)
                                                              en 3 g/d visolie
a
           B.i., betrouwbaarheidsinterval
b
           Uit de publicatie is niet af te leiden hoeveel personen zowel de interventie als controlebehandeling zijn ondergaan.
c
           N.g. niet gerapporteerd.
d
           De schatting ging gepaard met aanwijzingen voor heterogeniteit
  2.2.2      LDL-cholesterol
             Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het effect op
             LDL-cholesterol van producten gebaseerd op de hele sojaboon.
             Toelichting
             De commissie is op de hoogte van twee recente meta-analyses naar het effect van het
             gebruik van sojaproducten op het LDL-cholesterolgehalte.21,24
                     Harland en collega’s beschrijven het effect van het gebruik van sojaproducten op
             het LDL-cholesterol ten opzichte van een passende controlebehandeling zonder soja.
             De auteurs geven niet aan waar de controlebehandeling precies uit bestond. Ook blijft
             in het midden of de behandelingen alleen verschilden in de hoeveelheid eiwit of ook
             met betrekking tot andere nutriënten.24 Alle samengevatte interventieonderzoeken zijn
             echter ook in de meta-analyse van Anderson en collega’s naar sojaeiwit beschreven.
             Een van de voorwaarden voor opname in deze meta-analyse was dat het onderzoek
             moest zijn opgezet met als doel dat de interventie- en controlevoeding alleen
             verschilden in de hoeveelheid eiwit.21 Daarom laat de commissie de meta-analyse van
             Harland en collega’s verder buiten beschouwing.
                     Hooper en collega’s beschrijven eveneens het effect van het gebruik van
             sojaproducten op het LDL-cholesterol. In hun meta-analyse zijn 12 onderzoeken
             samengevat, waarbij niet wordt gemeld welke dat zijn. In achterliggende documentatie
             worden er 13 beschreven. Van deze13 zijn er vijf samengevat in de meta-analyse van
             Anderson en collega’s. Deze zijn dus gericht op onderzoek naar sojaeiwit. Van de
             resterende acht hebben er drie geen sojaproducten onderzocht, maar bestanddelen als
             sojasaponines, isoflavonen en eiwit. De commissie concludeert dat op grond van deze
             meta-analyse geen uitspraak kan worden gedaan over het effect van sojaproducten
             Pagina 10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>      Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                       Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
      gebaseerd op de hele sojaboon op het LDL-cholesterol. Hierbij speelt mee dat naast
      het eiwit, sojabonen ook andere bestanddelen bevatten met cholesterolverlagende
      eigenschappen als vezel en cis-onverzadigde vetzuren.21,24,25
            Omdat er geen meta-analyses of systematische reviews zijn waarin het effect op
      LDL-cholesterol van sojaproducten gebaseerd op de hele sojaboon is bepaald,
      concludeert de commissie dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen.
2.2.3 Lichaamsgewicht
      Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het effect
      van soja ten opzichte van andere eiwitbronnen op het lichaamsgewicht.
      Toelichting
      De commissie is niet op de hoogte van meta-analyses naar het gebruik van soja op het
      lichaamsgewicht. In een systematisch review uit 2008 wordt geconcludeerd dat er geen
      duidelijke verschillen lijken te bestaan in effect op lichaamsgewicht tussen
      sojaproducten en andere eiwitrijke producten. Wel wijzen de auteurs erop dat de
      hoeveelheid onderzoek beperkt is, waardoor er geen harde conclusies kunnen worden
      getrokken.26
2.3   Conclusie
      Het gebruik van 130 gram gekookte peulvruchten per dag ten opzichte van tarwe en
      groente verlaagt het LDL-cholesterol met ongeveer 0,2 mmol per liter. De bewijskracht
      voor dit effect is groot. Het gebruik van peulvruchten in plaats van andere
      koolhydraatrijke producten verlaagt de systolische bloeddruk. De bewijskracht hiervoor
      is gering.
            Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het effect op LDL-
      cholesterol van producten gebaseerd op de hele sojaboon. Er is te weinig onderzoek
      om een uitspraak te doen over het effect van het gebruik van peulvruchten of soja op
      het lichaamsgewicht en over het effect van het gebruik van soja op de systolische
      bloeddruk.
      Pagina 11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>    Peulvruchten
    GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3   Cohortonderzoek
    Dit hoofdstuk begint met een korte beschrijving van methodologische kanttekeningen
    bij cohortonderzoek naar peulvruchten en een vergelijking van het westerse gebruik
    van peulvruchten met het Aziatische. Vervolgens wordt het verband beschreven tussen
    het gebruik van peulvruchten en het risico op coronaire hartziekten, beroerte en
    diabetes mellitus type 2 en van het gebruik van soja en het risico op coronaire
    hartziekten, beroerte, diabetes type 2, borstkanker, darmkanker en longkanker.
          Er is te weinig cohortonderzoek om een uitspraak te doen over het gebruik van
    peulvruchten en het risico op borstkanker27,28* en darmkanker29 en over het verband
    tussen het gebruik van soja en het risico op beroerte30. De commissie heeft verder
    geen onderzoeken gevonden naar het gebruik van peulvruchten of soja en het risico op
    hartfalen, chronisch obstructieve longziekten, depressie, en dementie en cognitieve
    achteruitgang.
3.1 Methodologische kanttekeningen bij cohortonderzoek naar peulvruchten
    Bij het schatten van het gebruik van peulvruchten in cohortonderzoek zijn enkele
    methodologische kanttekeningen te plaatsen.
          In de meeste cohortonderzoeken is het gebruik van peulvruchten nagevraagd met
    een voedselfrequentievragenlijst. Deze geven niet de volledige inname weer.
    Voedselfrequentievragenlijsten kunnen aanleiding zijn voor meetfouten in bijvoorbeeld
    de gerapporteerde frequentie, de portiegrootte en het groeperen van voedingsmiddelen
    in een vraag. Ook is er verschil tussen onderzoeken in de afkappunten voor de definitie
    van een hoog en een laag gebruik.
          De kwaliteit van een voedselfrequentievragenlijst hangt af van de
    reproduceerbaarheid en validiteit. Om een indruk te krijgen, wordt hier de
    reproduceerbaarheid in een aantal onderzoeken† beschreven. In de Nurses’ Health
    Study bedroeg de correlatiecoëfficiënt van de voedselfrequentievragenlijst na 1 jaar
    0,50 voor zowel het gebruik van erwten en limabonen als voor het gebruik van bonen
    en linzen.32 In de Health Professionals Study varieerde de correlatiecoëfficiënt tussen
    peulvrucht van 0,34 voor het gebruik van bonen en linzen tot 0,51 voor het gebruik van
    erwten en limabonen.33
          Naast reproduceerbaarheid is ook de validiteit‡ van een voedselfrequentievragenlijst
    van belang. In de Nurses’ Health Study en Health Professionals’ Study is de
    voedselfrequentievragenlijst vergeleken met een voedingsopschrijfmethode die
    gedurende respectievelijk twee en drie keer een week is uitgevoerd. In het eerste
    *
      Beide publicaties beschrijven de Nurses Health Study II.
    †
      Ocké en collega’s hebben geen informatie beschreven over de reproduceerbaarheid van de
    voedselfrequentievragenlijst voor het gebruik van peulvruchten in de Nederlandse tak van het EPIC-
               31
    onderzoek.
    ‡
      Bingham en collega’s geven geen informatie over de validiteit van de voedselfrequentievragenlijst voor
                                                                                           34
    de schatting van het gebruik van peulvruchten in de Britse tak van het EPIC-onderzoek.
    Pagina 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    Peulvruchten
    GEZONDHEIDSRAAD                       Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
    onderzoek werd het gebruik van erwten en limabonen met een voedselfrequentie-
    vragenlijst overschat ten opzichte van de voedingsopschrijfmethode, terwijl de schattingen
    van het gebruik van bonen en linzen vergelijkbaar was. Door afrondingen is het lastig om
    exact aan te geven wat de mate van over- en onderschatting is.32 Het tweede onderzoek
    leverde een deels vergelijkbaar beeld: daarin werd het gebruik van erwten en limabonen,
    en tofu en sojaproducten overschat met een voedselfrequentievragenlijst, terwijl het
    gebruik van bonen en linzen vergelijkbaar was.33
         In sommige onderzoeken is de gebruikelijke voeding nagevraagd met een 24-uurs
    recall of is een meerdaagse opschrijfmethode gebruikt. Met het opschrijven van de
    voeding is een meer valide inzicht in het absolute gebruik van peulvruchten te krijgen.
    Omdat het arbeidsintensief is, wordt dit in de praktijk echter weinig toegepast.
         Het gebruik van uiteenlopende methoden om de consumptie van peulvruchten te
    bepalen en de variatie in de schatting dragen dus bij aan heterogeniteit tussen de
    cohortonderzoeken. Hierdoor kunnen werkelijk bestaande verbanden worden
    versluierd. Het gebruik van peulvruchten kan samenhangen met een gezonder
    voedingspatroon en daardoor met een lager risico op chronische ziekte.35 Dit betekent
    dat als in de onderzoeken onvoldoende wordt geadjusteerd voor potentieel verstorende
    factoren (residuele confounding) het verband met ziekterisico in cohortonderzoek wordt
    onder- of overschat. Omdat residuele confounding nooit volledig is uit te sluiten, dienen
    de verbanden uit epidemiologisch onderzoek idealiter verder te worden onderzocht in
    interventieonderzoek bij mensen.
3.2 Relevantie van Aziatische cohortonderzoeken voor de Nederlandse situatie
    Omdat het gebruik van peulvruchten laag is in westerse landen, hebben cohortonder-
    zoeken uit deze landen weinig onderscheidingsvermogen om een verband aan te
    tonen tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op specifieke aandoeningen.
    Omdat in Aziatische landen veel soja wordt gebruikt, hebben cohorten uit deze landen
    meer onderscheidingsvermogen. De sojaproducten in Aziatische landen wijken deels
    af van de producten in westerse landen. In China, Singapore en Hong Kong worden
    vooral ongefermenteerde sojaproducten als sojadranken en tofu gebruikt. In Japan en
    Indonesië worden juist combinaties van ongefermenteerde en gefermenteerde
    sojaproducten gebruikt, als tempeh, miso en natto. In westerse landen worden
    overwegend ongefermenteerde sojaproducten gebruikt, die gebaseerd kunnen zijn op
    de hele sojaboon, geïsoleerd sojaeiwit (~90% sojaeiwit), of sojaeiwitconcentraat (~60%
    sojaeiwit) of getextureerd sojaeiwit (mengsel van sojameel en sojaconcentraten). De
    meeste sojaproducten in Europa zijn gebaseerd op de hele sojaboon, terwijl in Amerika
    ze overwegend gebaseerd zijn op sojaeiwit.
         Uit bovenstaande kan worden opgemaakt dat de representativiteit van de
    bevindingen uit Aziatische landen waarin veel combinaties van gefermenteerde en
    ongefermenteerde sojaproducten worden gebruikt als Japan en Indonesië voor de
    Nederlandse situatie beperkt is.1,26,36
    .
    Pagina 13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>      Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3.3   Peulvruchten
3.3.1 Coronaire hartziekten
      Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op
      coronaire hartziekten.
      Aspect                                Toelichting
      Beschikbare onderzoeken               1 meta-analyse van 5 cohortonderzoeken
      Heterogeniteit                        nee
      Schatter verband                      RR=0,86 (0,78-0,94)
      onderzochte populatie                 Europees, Noord-Amerikaans, Aziatisch
      Conclusie: Het gebruik van peulvruchten hangt samen met een lager risico op
      coronaire hartziekten.
      Bewijskracht: gering
      Toelichting
      De commissie heeft een meta-analyse gevonden die vijf cohortonderzoeken samenvat
      naar het verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op coronaire
      hartziekten (tabel 5).37 Het mediane gebruik van peulvruchten varieerde tussen de
      cohortonderzoeken van 0 tot 10 gram per dag in de laagste consumptiegroep tot 12 tot
      66 gram per dag in de hoogste.
            In een dosis-respons analyse hing het gebruik van vier porties van 100 gram per
      week samen met een 14% lager risico. Er was sprake van weinig tot geen
      heterogeniteit.37 In de dosis-respons analyse is echter een dosis gehanteerd die
      beduidend hoger is dan het mediane gebruik in de hoogste consumptiegroep. Hierdoor
      is de risicoschatting minder betrouwbaar.
            De commissie concludeert dat het gebruik van peulvruchten samenhangt met een
      lager risico op coronaire hartziekten. De bewijskracht hiervoor is gering.
      Tabel 5 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op coronaire
      hartziekten.
                                                                                                                a
                          Blootstelling     Aantal       Follow up     N         N cases     RR        95% b.i.
                                            cohorten     tijd (jaren)
      Meta-analyse
      Afshin 201437       Per 400 g/w       5           10-26          198.904   6.514       0,86      0,78-0,94
      a
            B.i., betrouwbaarheidsinterval.
      Pagina 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>            Peulvruchten
           GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3.3.2      Beroerte
            Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op
            beroerte.
            Aspect                            Toelichting
            Beschikbare onderzoeken           2 meta-analyses van 6 cohortonderzoeken
            Heterogeniteit                    nee
            Schatter verband                  RR=0,95 (0,84-1,08) en RR=0,98 (0,84-1,14)
            onderzochte populatie             Europees, Noord-Amerikaans, Aziatisch
            Conclusie: Een verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op
            beroerte is onwaarschijnlijk.
            Toelichting
            De commissie heeft twee meta-analyses gevonden naar het verband tussen het
            gebruik van peulvruchten en het risico op beroerte (tabel 6).37,38 Beide meta-analyses
            beschrijven zes cohortonderzoeken, waarvan er vijf overlappen. Zowel de dosis-
            respons analyse in de ene meta-analyse37 als de vergelijking van een hoog met een
            laag gebruik in de andere meta-analyse38 leveren geen aanwijzingen voor een
            verband. Bij de hoog-laag analyse was sprake van matige heterogeniteit, die door de
            auteurs deels werd verklaard door uiteenlopende aantallen gevallen van beroerte
            tussen onderzoeken.38
                   De commissie concludeert dat een verband tussen het gebruik van peulvruchten
           en het risico op beroerte onwaarschijnlijk is.
Tabel 6 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op beroerte.
                                                                                                                    a
                       Blootstelling      Aantal        Follow up tijd N             N cases     RR        95% b.i.
                                          cohorten      (jaren)
  Meta-analyse
  Afshin 201437        Per 400 g/w        6            11-26           254.628       6.690       0,98      0,84-1,14
           38
  Shi 2014             Hoog t.o.v. laag   6            6-26            293.273       6.442       0,95b     0,84-1,08
a
          B.i., betrouwbaarheidsinterval.
b
          Er was sprake van matige heterogeniteit.
3.3.3       Diabetes mellitus type 2
            Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op
            diabetes mellitus type 2.
            Aspect                            Toelichting
            Beschikbare onderzoeken           3 cohortonderzoeken
            Heterogeniteit                    n.v.t.
            Schatter verband                  varieert van RR=0,76 (0,64-0,90) tot RR=1,12 (0,95-1,33)
            Onderzochte populatie             Noord-Amerikaans, Aziatisch
            Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het verband
            tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op diabetes type 2
            Pagina 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>       Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                                Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
       Toelichting
       De commissie heeft drie cohortonderzoeken naar het verband tussen het gebruik van
       peulvruchten en het risico op diabetes mellitus type 2 gevonden (tabel 7). In de Iowa
       Women’s Health Study en Women’s Health Study waren er geen aanwijzingen voor
       een verband.39,40 Het verschil in inname tussen de groep met een hoog en de groep
       met een laag gebruik was echter in beide onderzoeken gering.39,40
             In de Shanghai Women’s Health Study hing een hoog gebruik daarentegen samen
       met een 20 tot 25 % lager risico. De risicoverlaging ten opzichte van het laagste
       kwintiel lag in dezelfde orde van grootte voor het tweede (mediane inname 11 gram per
       dag) tot en met vijfde kwintiel van inname (mediane inname 37 gram per dag).41
       Tabel 7 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op diabetes
       type 2.
                           Blootstelling                   Follow     N           N cases    RR        95% b.i.a
                                                           up tijd
                                                           (jaren)
      Cohortonderzoek
      Iowa Women’s         >4,5 t.o.v. < 1,5 portie/w      6          35.988      1.141      0,96      0,76-1,20
      Health Study
      200039
      Women’s Health       0,5 t.o.v. 0,1 portie/d         9          30.018      1.614      1,06      0,89-1,26
      Study 200440         0,9 t.o.v. 0,1 portie/d                                           1,12      0,95-1,33
      Shanghai             16 t.o.v. 6 g/d                 5          64.191      1.608      0,78      0,67-0,91
      Women’s Health       37 t.o.v. 6 g/d                                                   0,76      0,64-0,90
      Study 200841
       a
             B.i., betrouwbaarheidsinterval.
3.4    Soja
3.4.1  Coronaire hartziekten
       Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van soja en het risico op coronaire
       hartziekten.
       Aspect                                 Toelichting
       Beschikbare onderzoeken                2 cohortonderzoeken
       Heterogeniteit                         n.v.t.
       Schatter verband                       varieert van RR=0,25 (0,10-0,63) tot RR=1,23 (0,72-2,07)
       onderzochte populatie                  Aziatisch
       Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het verband
       tussen het gebruik van soja en het risico op coronaire hartziekten.
       Pagina 16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>      Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                               Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
      Toelichting
      De commissie is op de hoogte van twee cohortonderzoeken naar het verband tussen
      het gebruik van soja en het risico op coronaire hartziekten (tabel 8).30,42
            Zhang en collega’s vinden dat een hoog gebruik van sojaeiwit samenhangt met
      een 75% lager risico op coronaire hartziekten bij vrouwen uit Shanghai. De
      hoeveelheid sojaeiwit is berekend op grond van een voedselfrequentievragenlijst die
      nagenoeg alle soorten sojaproducten in Shanghai dekte. Het aantal gevallen van
      coronaire hartziekten was echter gering.42 Kokubo en collega’s vinden geen duidelijke
      aanwijzingen voor een verband.30
            Omdat er slechts twee onderzoeken zijn naar het verband tussen het gebruik van
      soja en het risico op coronaire hartziekten, het aantal vrouwelijke cases in beide
      onderzoeken gering is en slechts een onderzoek ook bij mannen is uitgevoerd,
      concludeert de commissie dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen over
      het verband tussen het gebruik van soja en het risico op coronaire hartziekten.
      Tabel 8 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van soja en het risico op coronaire
      hartziekten.
                          Blootstelling          Follow up      N               N cases     RR    95% b.i.a
                                                 tijd (jaren)
      Cohortonderzoek
      Shanghai            >11 t.o.v. <4,5          2,5          64.915          62          0,25  0,10-0,63
      Women’s Health      gram sojaeiwit/d
                   42
      Study 2003
                                                                                                b
      Japan Public        ≥ 5 t.o.v. 0-2           12,5         10.439          242         1,23  0,72-2,07
      Health Center-      keer soja/w                           mannen
                                                                                                b
      based cohort I                                            30.023          66          0,55  0,26-1,09
      200730                                                    vrouwen
      a
            B.i., betrouwbaarheidsinterval.
      b
            Myocard infarct.
3.4.2 Diabetes mellitus type 2
      Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van soja en het risico op diabetes
      mellitus type 2.
      Aspect                                Toelichting
      Beschikbare onderzoeken               4 cohortonderzoeken
      Heterogeniteit                        Ja, op basis van vergelijking risicoschattingen
      Schatter verband                      Varieert van RR=0,53 (0,45-0,62) tot RR=1,18 (1,09-1,29)
      onderzochte populatie                 Aziatisch, Noord-Amerikaans
      Conclusie: Het verband tussen het gebruik van sojaproducten en het risico op
      diabetes mellitus type 2 is niet eenduidig.
      Pagina 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>            Peulvruchten
            GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
            Toelichting
            De commissie is op de hoogte van vier cohortonderzoeken naar het verband tussen
            het gebruik van soja en het risico op diabetes mellitus type 2 (tabel 9). Twee
            cohortonderzoeken uit Shanghai41 en Singapore43 vinden een verband tussen het
            gebruik van sojaproducten en een lager risico op diabetes type 2. In deze onderzoeken
            zijn respectievelijk sojabonen, sojamelk en andere sojaproducten bestudeerd of
            ongezoete en niet-gefrituurde sojaproducten.41,43 In het Singaporese onderzoek hing
            het gebruik van gezoete sojadranken juist samen met een hoger risico op diabetes
            mellitus type 2, waarbij de risicoverhoging ten opzichte van geen gebruik bij gebruik
            van 3 tot 4 porties per week even hoog was als bij 5 of meer porties per week.43 In een
            Hawaiiaans onderzoek hing het gebruik van sojaproducten eveneens samen met een
            hoger risico op diabetes mellitus type 2. Het gebruik van sojaproducten was in dit
            onderzoek echter beduidend lager dan in de andere onderzoeken.44 Een Japans
            cohortonderzoek vindt ten slotte geen aanwijzingen voor een verband.45
                   Een mogelijke verklaring voor de verschillen in verbanden zijn de uiteenlopende
            niveaus van gebruik en soorten sojaproducten die in de verschillende landen worden
            gebruikt.
                   De commissie concludeert dat het verband tussen het gebruik van soja en het
            risico op diabetes type 2 niet eenduidig is.
Tabel 9 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van soja en het risico op diabetes mellitus type 2.
                           Blootstelling                  Follow   N                 N cases    RR          95% b.i.a
                                                          up tijd
                                                          (jaren)
  Cohortonderzoek
  Shanghai Women’s         32 t.o.v. 3 g/d sojabonen      4,6      64.191            1.608      0,53        0,45-0,62
  Health Study 200841      Hoog t.o.v. geen sojamelk/d                                          0,61        0,54-0,70
                           104 t.o.v. 17 g/d andere                                             0,76        0,75-1,04
                           sojaproducten
  Japan Public Health      63-84 t.o.v. < 43 g/d          5        25.872            634        1,00        0,76-1,30
  Center-Based                                                     mannen
  Prospective Study        ≥117 t.o.v. < 43 g/d                                                 1,02        0,75-1,38
       45
  2010                     62-83 t.o.v. < 43 g/d                   33.919            480        0,93        0,69-1,25
                                                                   vrouwen
                           ≥116 t.o.v. < 43 g/d                                                 0,98        0,70-1,39
  Multi Ethnic Cohort      ≥10 t.o.v. < 5 g/d             14       75.344            4.551      1,18        1,09-1,29
  Study-Hawaii 201144                                              mannen
                                                                   39.670            4.013      1,18        1,08-1,29
                                                                   vrouwen
  Singapore Chinese        1-2 t.o.v. 0 porties/w         6        43.176            2.252      0,76        0,63-0,91
  Health Study 201243      ongezoete en niet-
                           gefrituurde sojaproducten
                           ≥5 t.o.v. 0 porties/w                                                0,72        0,59-0,89
                           ongezoete en niet-
                           gefrituurde sojaproducten
                           ≥5 t.o.v. 0 porties/w gezoete                                        1,13        1,00-1,28
                           sojadranken
a
        B.i., betrouwbaarheidsinterval.
            Pagina 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>      Peulvruchten
      GEZONDHEIDSRAAD                          Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3.4.3 Borstkanker
      Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van soja en het risico op borstkanker.
      Aspect                            Toelichting
      Beschikbare onderzoeken           4 cohortonderzoeken premenopausaal, 5 cohortonderzoeken
                                        postmenopausaal
      Heterogeniteit                    Ja, mogelijk gerelateerd aan menopausale status
      Schatter verband                  Premenopausaal: RR=0,86 (0,65-1,13) tot RR=1,04 (0,77-1,40)
                                        Postmenopausaal: RR=0,63 (0,39-1,01) tot RR=1,08 (0,72-1,61)
      Onderzochte populatie             Aziatisch, Noord-Amerikaans
      Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het verband
      tussen het gebruik van soja en het risico op borstkanker.
      Toelichting
      De commissie is op de hoogte van zes meta-analyses* en twee systematisch reviews
      naar het verband tussen het gebruik van soja of soja-isoflavonen en het risico op
      borstkanker.47-54 Geen van de overzichtsartikelen is bruikbaar, wel gebruikt de
      commissie deze artikelen voor de identificatie van oorspronkelijke cohortonderzoeken.
             De meta-analyses van Trock en collega’s en Dong en collega’s laat de commissie
      buiten beschouwing omdat zij in hun meta-analyse uiteenlopende blootstellingsmaten –
      gebruik van tofu of urinair genestinegehalte - hebben gecombineerd.47,50 Ook de
      systematische review van Enderlin en collega’s is niet bruikbaar, omdat zij bij hun
      conclusies geen onderscheid maken tussen cohort en patiëntcontroleonderzoeken.49
      Liu en collega’s54 beschrijven in hun meta-analyse van Chinees onderzoek twee
      publicaties, waarvan er een niet te achterhalen is omdat de referentie ten tijde van het
      opstellen van dit document niet volledig is en de ander een patiënt-controleonderzoek
      blijkt te zijn. Daarom blijft deze meta-analyse eveneens verder buiten beschouwing.
             Wu en collega’s beperken hun meta-analyse tot onderzoeken waarin het gebruik
      van soja uitgebreid is nagevraagd.55 Dit was het geval in een56 van de drie Aziatische
      cohortonderzoeken. In de twee andere cohortonderzoeken57,58 was met de
      voedselfrequentievragenlijst 40 tot 60% van het totale gebruik te bepalen. Daarnaast
      beschrijven zij vier westerse onderzoeken. Een van deze onderzoeken is echter een
      patiëntcontrole-onderzoek.59 De andere drie zijn niet bruikbaar omdat zij de inname
      van isoflavonen in het algemeen beschrijven en niet specifiek van soja-isoflavonen.60-62
      Daarom wordt deze meta-analyse55 uitgesloten en beschrijft de commissie een
      Aziatisch cohortonderzoek afzonderlijk.56
             In aanvulling op deze meta-analyse hebben Fritz en collega’s een
      cohortonderzoek uit 2009 beschreven waarin het gebruik van sojaproducten uitgebreid
      is nagevraagd.52,63
             Qin en collega’s48 hebben twee Noord-Amerikaanse27,64 en een Japans
      onderzoek56 gecombineerd. Het Japanse onderzoek wordt ook door Wu en collega’s
      beschreven.55 Een van de Noord-Amerikaanse onderzoeken27 bestudeerde echter het
      *
        In de update van het WCRF-rapport over borstkanker wordt naar twee meta-analyses verwezen.46-48
      Pagina 19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>              Peulvruchten
             GEZONDHEIDSRAAD                               Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
              gebruik van bonen en linzen in plaats van soja, waardoor de meta-analyse niet
              bruikbaar is. Het andere Amerikaanse cohortonderzoek64 is wel bruikbaar en wordt
              afzonderlijk beschreven.
                     In de meta-analyse van Nagata en collega’s53 van Japans onderzoek worden twee
              aanvullende publicaties beschreven.65,66 In één66 wordt alleen het verband met
              misosoep beschreven. Omdat dit een onvolledig beeld geeft van de totale sojainname,
              blijft dit onderzoek hier verder buiten beschouwing. Het andere65 is wel bruikbaar.
                     In lijn met de meta-analyse van Wu en collega’s55 richt de commissie zich hier op
              cohortonderzoeken die het gebruik van soja uitgebreid hebben nagevraagd: vier
              Aziatische51,56,63,65 en één Amerikaans cohortonderzoek64 (tabel 10). In drie Aziatische
              en één westers cohortonderzoek hing het gebruik van soja samen met een lager risico
              op borstkanker, dat in één onderzoek ook significant was. In het westerse onderzoek
              gebruikte echter slechts 3% van de (postmenopausale) vrouwen sojaproducten,
              waardoor de commissie dit onderzoek weinig gewicht toekent.64 Het verband leek in de
              drie Aziatische onderzoeken beperkt tot postmenopausale vrouwen. De interpretatie
              van deze bevinding wordt echter beperkt door het kleine aantal gevallen van
              borstkanker in twee van de drie Aziatische cohortonderzoeken.56,65 Het vierde
              Aziatische onderzoek vindt daarentegen geen aanwijzingen voor een verband tussen
              het gebruik van sojaeiwit op middelbare leeftijd en het risico op borstkanker.63
                     De auteurs van dit laatste cohortonderzoek hebben ook verband onderzocht
              tussen het sojagebruik in de tienertijd en het risico op borstkanker. Hiervoor hebben zij
              het sojagebruik in de tienertijd nagevraagd bij vrouwen van middelbare leeftijd. Zij
              vinden aanwijzingen dat een hoog gebruik van sojaproducten in de jeugd samenhangt
              met een lager risico op premenopauasale borstkanker (RR=0,57; 0,34-0,97), maar niet
              met het risico op postmenopausale borstkanker (RR=1,20; 0,87-1,65). De commissie is
              niet op de hoogte van andere cohortonderzoeken.63
                     De commissie concludeert dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen
              over het verband tussen het gebruik van soja en het risico op borstkanker.
Tabel 10 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van soja en het risico op borstkanker.
                                                                                                                     a
                          Blootstelling              Follow up     N                         N cases RR     95% b.i.
                                                     tijd (jaren)
 Aziatisch cohortonderzoek
 Japan Public Health      Bijna dagelijks t.o.v. < 2 9             21.852 pre- en            179     0,81b  0,49-1,3
 Center-Based             porties/wk soja                          postmenopausaal
 Prospective Study
 on Cancer and
 Cardiovascular
 Diseases 200356
 Singapore Chinese         ≥ 10,6 t.o.v. <10,6 mg/d  7-12          35.303                    629     0,82   0,70-0,97
                     51
 Health Study 2008        inname sojaisoflavonen                   Premenopausaal            190     1,04   0,77-1,40
                                                                   Postmenopausaal           439     0,74   0,61-0,90
 Shanghai Women’s         >13 t.o.v. < 5 g/d         7             73.225                    594     0,86   0,65-1,13
                     63
 Health Study 2009        sojaeiwit
                          >13 t.o.v. < 5 g/d                       Premenopausaal            305     0,68   0,45-1,02
                          sojaeiwit
              Pagina 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                Peulvruchten
               GEZONDHEIDSRAAD                              Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
                           Blootstelling              Follow up       N                      N cases     RR      95% b.i.a
                                                      tijd (jaren)
                           >13 t.o.v. < 5 g/d                         Postmenopausaal        389         1,08    0,72-1,61
                           sojaeiwit
  Takayma Study            163 t.o.v 40 g/d           16              15.607                 172         0,72    0,47-1,10
  201365                   sojaproducten                              5.926 premenopausaal   38          1,10    0,45-2,68
                                                                      15.264                 134         0,63    0,39-1,01
                                                                      postmenopausaal
  Niet-Aziatisch cohortonderzoek
                     64
  Greenstein 1996          Wel t.o.v. geen            7               34.388                 1.018       0,76    0,50-1,18
                           gebruik tofu of soja                       postmenopausaal
a
         B.i., betrouwbaarheidsinterval.
b
         De auteurs beschrijven in de tekst dat het verband sterker is bij postmenopausale vrouwen, maar geven geen
         kwantitatieve informatie.
    3.4.4       Darmkanker
                Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van soja en het risico op darmkanker.
                Aspect                             Toelichting
                Beschikbare onderzoeken            1 meta-analyse van 4 cohortonderzoeken
                Heterogeniteit                     Nee
                Schatter verband                   RR=0,83 (0,66-1,05)
                onderzochte populatie              Noord-Amerikaans en Aziatisch
                Conclusie: Er is te weinig onderzoek om een uitspraak te doen over het verband
                tussen het gebruik van soja en het risico op darmkanker.
                Toelichting
                De commissie is op de hoogte van één meta-analyse van drie Aziatische
                cohortonderzoeken en één Noord-Amerikaanse naar het verband tussen het gebruik
                van soja en het risico op darmkanker (tabel 11).67 Op grond van de vier
                cohortonderzoeken vindt de meta-analyse een niet-significant 17% lager risico. Er was
                geen sprake van significante heterogeniteit. De bovengrens van het
                betrouwbaarheidsinterval lag in de buurt van 1.
                        De commissie concludeert dat er te weinig onderzoek is om een uitspraak te doen
                over het verband tussen het gebruik van soja en het risico op darmkanker.
    Tabel 11 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van soja en het risico op darmkanker.
                                                                                                                           a
                               Blootstelling         Aantal         Follow up    N            N cases     RR      95% b.i.
                                                     cohorten       tijd (jaren)
      Meta-analyse
      Yan 201067               Hoog t.o.v. laag      4             6-12          220.104      1.711       0,83    0,66-1,05
                               gebruik
    a
                B.i., betrouwbaarheidsinterval.
                Pagina 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>          Peulvruchten
          GEZONDHEIDSRAAD                           Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
          Longkanker
          Samenvatting bewijsvoering voor een verband tussen het gebruik van soja en het risico op longkanker.
          Aspect                             Toelichting
          Beschikbare onderzoeken            3 meta-analyses van 3 tot 4 cohortonderzoeken
          Heterogeniteit                     Nee
          Schatter verband                   RR=0,85 (0,74-0,97)
          onderzochte populatie              Noord-Amerikaans, Aziatisch
          Conclusie: Het gebruik van soja hangt samen met een lager risico op
          longkanker.
          Bewijskracht: gering
          Toelichting
          De commissie is op de hoogte van drie meta-analyses naar het verband tussen het
          gebruik van soja en het risico op longkanker (tabel 12).68-70 De meta-analyse van Yang
          en collega’s uit 201169 blijft buiten beschouwing, omdat de drie samengevatte
          onderzoeken ook samen met een ander onderzoek worden samengevat in de andere
          twee meta-analyses.68,70 In twee van de vier onderzoeken is de blootstelling aan soja-
          isoflavonen afgeleid uit het gebruik van sojaproducten, de andere twee onderzoeken
          rapporteren de blootstelling in termen van sojaproducten. In de meta-analyse van Yang
          en collega’s uit 2012 hing een hoog gebruik van sojaproducten samen met een 15%
          lager risico op longkanker. Er was sprake van weinig tot geen heterogeniteit.68
                 Om rekening te houden met verschillen in inname tussen onderzoeken, hebben
          Wu en collega’s in aanvullende analyses de blootstelling in grammen sojaeiwit
          uitgedrukt. Het gebruik van 1 gram sojaeiwit per dag hing samen met een 1% lager
          risico op longkanker.70 Het is waarschijnlijk dat de omrekening naar hoeveelheid eiwit
          per dag tot extra variatie in de blootstellingsmaat heeft geleid, waardoor het verband
          werd afgezwakt. De beide meta-analyses hebben geen afzonderlijke analyses van
          cohortonderzoeken uitgevoerd bij respectievelijke rokers en niet-rokers.
                 De commissie concludeert dat er een invers verband bestaat tussen het gebruik
          van soja en een lager risico op longkanker. Met het oog op het beperkte aantal
          onderzoeken is de bewijskracht hiervoor gering.
Tabel 12 Cohortonderzoek naar de relatie tussen het gebruik van soja en het risico op longkanker.
                                                                                                               a
                        Blootstelling        Aantal        Follow up     N            N        RR      95% b.i.
                                             cohorten      tijd (jaren)               cases
  Meta-analyse
  Yang 201268           Hoog t.o.v. laag     4            9-18           218.581      2.176    0.85    0.74-0.97
                        gebruik
  Wu 201370             Per gram sojaeiwit   4            9-18           218.581      2.176    0.99    0.98-1.00
a
          B.i., betrouwbaarheidsinterval.
          Pagina 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>    Peulvruchten
    GEZONDHEIDSRAAD                      Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
3.5 Conclusie
    Het gebruik van peulvruchten hangt samen met een lager risico op coronaire
    hartziekten. De bewijskracht voor dit verband is gering. Het gebruik van soja hangt
    samen met een lager risico op longkanker. De bewijsvoering voor dit verband is
    eveneens gering en voornamelijk op Aziatische onderzoeken gebaseerd.
         Een verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op beroerte is
    onwaarschijnlijk.
         Het verband tussen het gebruik van sojaproducten en het risico op diabetes
    mellitus type 2 is niet eenduidig. Ten slotte is er te weinig onderzoek om een uitspraak
    te doen over het verband tussen het gebruik van peulvruchten en het risico op diabetes
    type 2 en tussen het gebruik van soja en het risico op coronaire hartziekten,
    borstkanker en darmkanker.
    Pagina 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  Peulvruchten
  GEZONDHEIDSRAAD                      Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
4 Conclusie
  Bij de afleiding van Richtlijnen goede voeding stelt de commissie effecten en
  verbanden met een grote bewijskracht centraal.
  Effecten en verbanden met een grote bewijskracht zijn de volgende:
      het gebruik van 130 gram peulvruchten per dag verlaagt het LDL-cholesterol met
       ongeveer 0,2 mmol/l ten opzichte van tarwe en groente.
  Het is onwaarschijnlijk dat er een verband is tussen:
      het gebruik van peulvruchten en het risico op beroerte.
  Pagina 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                             Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
Literatuur
1    World Cancer Research Fund / American Institute for Cancer Research. Food, nutrition, physical
     activity, and the prevention of cancer: a global perspective. Washington D.C.: AICR; 2007.
2    The 2010 Dietary Guidelines Advisory Committee. Report of the Dietary Guidelines Advisory
     Committee on the Dietary Guidelines for Americans, 2010. Washington, DC: United States
     Department of Agriculture; 2010.
3    Ros E, Hu FB. Consumption of plant seeds and cardiovascular health: epidemiological and clinical
     trial evidence. Circulation 2013; 128(5): 553-565.
4    Geurts M, Beukers M, Buurma-Rethans E, van Rossum C. Memo: Consumptie van een aantal
     voedingsmiddelengroepen en nutriënten door de Nederlandse bevolking. Resultaten van VCP
     2007-2010. Bilthoven: RIVM; 2015.
5    Rossum CTM van, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EJM, Ocké MC. Dutch
     National Food Consumption Survey 2007-2010. Diet of children and adults aged 7 to 69 years.
     Bilthoven: RIVM; 2011: Rapportnummer: 350050006/2011.
6    Palsma AH, Nicolaou M, van Dam RM, Stronks K. De voeding van Turkse en Marokkaanse
     Nederlanders in de leeftijd van 18-30 jaar. Prioriteiten voor voedingsinterventies. TSG 2006; 84(7):
     415-422.
7    Wijk-Jansen E van, Jager L, van der Kroon-Horpestad S. Overgewicht onder allochtonen. Een
     kwestie van cultuur? Den Haag: LEI Wageningen UR; 2008.
8    Bijman C, Peters S, Meijs J. De voeding van Turken en Marokkanen in Nederland. Den Haag:
     Bureau Voorlichting Gezondheidszorg Buitenlanders; 1990.
9    Brussaard JH, van Erp-Baart MA, Brants HA, Hulshof KF, Lowik MR. Nutrition and health among
     migrants in The Netherlands. Public Health Nutr 2001; 4(2B): 659-664.
10   Carlson S, Peng N, Prasain JK, Wyss JM. Effects of botanical dietary supplements on
     cardiovascular, cognitive, and metabolic function in males and females. Gend Med 2008; 5 Suppl A:
     S76-S90.
11   Flight I, Clifton P. Cereal grains and legumes in the prevention of coronary heart disease and
     stroke: a review of the literature. Eur J Clin Nutr 2006; 60(10): 1145-1159.
12   Messina M. Insights gained from 20 years of soy research. J Nutr 2010; 140(12): 2289S-2295S.
13   Sherzai A, Heim LT, Boothby C, Sherzai AD. Stroke, food groups, and dietary patterns: a
     systematic review. Nutr Rev 2012; 70(8): 423-435.
14   Messina V. Nutritional and health benefits of dried beans. Am J Clin Nutr 2014; 100(Supplement 1):
     437S-442S.
15   Hayat I, Ahmad A, Masud T, Ahmed A, Bashir S. Nutritional and health perspectives of beans
     (Phaseolus vulgaris L.): an overview. Crit Rev Food Sci Nutr 2014; 54(5): 580-592.
Pagina 25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
16   Jayalath VH, de Souza RJ, Sievenpiper JL, Ha V, Chiavaroli L, Mirrahimi A e.a. Effect of dietary
     pulses on blood pressure: a systematic review and meta-analysis of controlled feeding trials. Am J
     Hypertens 2014; 27(1): 56-64.
17   Bazzano LA, Thompson AM, Tees MT, Nguyen CH, Winham DM. Non-soy legume consumption
     lowers cholesterol levels: a meta-analysis of randomized controlled trials. Nutr Metab Cardiovasc
     Dis 2011; 21(2): 94-103.
18   Ha V, Sievenpiper JL, de Souza RJ, Jayalath VH, Mirrahimi A, Agarwal A e.a. Effect of dietary pulse
     intake on established therapeutic lipid targets for cardiovascular risk reduction: a systematic review
     and meta-analysis of randomized controlled trials. CMAJ 2014; 186(8): E252-E262.
19   Williams PG, Grafenauer SJ, O'Shea JE. Cereal grains, legumes, and weight management: a
     comprehensive review of the scientific evidence. Nutr Rev 2008; 66(4): 171-182.
20   McCrory MA, Hamaker BR, Lovejoy JC, Eichelsdoerfer PE. Pulse consumption, satiety, and weight
     management. Adv Nutr 2010; 1(1): 17-30.
21   Hooper L, Kroon PA, Rimm EB, Cohn JS, Harvey I, Le Cornu KA e.a. Flavonoids, flavonoid-rich
     foods, and cardiovascular risk: a meta-analysis of randomized controlled trials. Am J Clin Nutr 2008;
     88(1): 38-50.
22   Simao AN, Lozovoy MA, Bahls LD, Morimoto HK, Simao TN, Matsuo T e.a. Blood pressure
     decrease with ingestion of a soya product (kinako) or fish oil in women with the metabolic
     syndrome: role of adiponectin and nitric oxide. Br J Nutr 2012; 108(8): 1435-1442.
23   Bakhtiari A, Yassin Z, Hanachi P, Rahmat A, Ahmad Z, Sajadi P e.a. Effects of Soy on Body
     Composition: A 12-Week Randomized Controlled Trial among Iranian Elderly Women with
     Metabolic Syndrome. Iran J Public Health 2012; 41(4): 9-18.
24   Harland JI, Haffner TA. Systematic review, meta-analysis and regression of randomised controlled
     trials reporting an association between an intake of circa 25 g soya protein per day and blood
     cholesterol. Atherosclerosis 2008; 200(1): 13-27.
25   Jenkins DJ, Mirrahimi A, Srichaikul K, Berryman CE, Wang L, Carleton A e.a. Soy protein reduces
     serum cholesterol by both intrinsic and food displacement mechanisms. J Nutr 2010; 140(12):
     2302S-2311S.
26   Cope MB, Erdman JW, Jr., Allison DB. The potential role of soyfoods in weight and adiposity
     reduction: an evidence-based review. Obes Rev 2008; 9(3): 219-235.
27   Adebamowo CA, Cho E, Sampson L, Katan MB, Spiegelman D, Willett WC e.a. Dietary flavonols
     and flavonol-rich foods intake and the risk of breast cancer. Int J Cancer 2005; 114(4): 628-633.
28   Farvid MS, Cho E, Chen WY, Eliassen AH, Willett WC. Dietary protein sources in early adulthood
     and breast cancer incidence: prospective cohort study. BMJ 2014; 348: g3437.
29   Michels KB, Giovannucci E, Chan AT, Singhania R, Fuchs CS, Willett WC. Fruit and vegetable
     consumption and colorectal adenomas in the Nurses' Health Study. Cancer Res 2006; 66(7): 3942-
     3953.
30   Kokubo Y, Iso H, Ishihara J, Okada K, Inoue M, Tsugane S. Association of dietary intake of soy,
     beans, and isoflavones with risk of cerebral and myocardial infarctions in Japanese populations: the
     Japan Public Health Center-based (JPHC) study cohort I. Circulation 2007; 116(22): 2553-2562.
Pagina 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
31   Ocké MC, Bueno-de-Mesquita HB, Goddijn HE, Jansen A, Pols MA, van Staveren WA e.a. The
     Dutch EPIC food frequency questionnaire. I. Description of the questionnaire, and relative validity
     and reproducibility for food groups. Int J Epidemiol 1997; 26 Suppl 1: S37-S48.
32   Salvini S, Hunter DJ, Sampson L, Stampfer MJ, Colditz GA, Rosner B e.a. Food-based validation of
     a dietary questionnaire: the effects of week-to-week variation in food consumption. Int J Epidemiol
     1989; 18(4): 858-867.
33   Feskanich D, Rimm EB, Giovannucci EL, Colditz GA, Stampfer MJ, Litin LB e.a. Reproducibility and
     validity of food intake measurements from a semiquantitative food frequency questionnaire. J Am
     Diet Assoc 1993; 93(7): 790-796.
34   Bingham SA, Gill C, Welch A, Day K, Cassidy A, Khaw KT e.a. Comparison of dietary assessment
     methods in nutritional epidemiology: weighed records v. 24 h recalls, food-frequency questionnaires
     and estimated-diet records. Br J Nutr 1994; 72(4): 619-643.
35   Zamora-Ros R, Knaze V, Lujan-Barroso L, Kuhnle GG, Mulligan AA, Touillaud M e.a. Dietary
     intakes and food sources of phytoestrogens in the European Prospective Investigation into Cancer
     and Nutrition (EPIC) 24-hour dietary recall cohort. Eur J Clin Nutr 2012; 66(8): 932-941.
36   ENSA. Sojaproducten in Oost-Azië - Wat wordt er nu echt gegeten? http://www.ensa-eu.org/wp-
     content/uploads/2014/09/ENSA-Consumer-Position-Paper-soyfood-intake-in-E-Asian-countries-
     NL.pdf geraadpleegd: 5-6-2015.
37   Afshin A, Micha R, Khatibzadeh S, Mozaffarian D. Consumption of nuts and legumes and risk of
     incident ischemic heart disease, stroke, and diabetes: a systematic review and meta-analysis. Am J
     Clin Nutr 2014; 100(1): 278-288.
38   Shi ZQ, Tang JJ, Wu H, Xie CY, He ZZ. Consumption of nuts and legumes and risk of stroke: A
     meta-analysis of prospective cohort studies. Nutr Metab Cardiovasc Dis 2014; 24(12): 1262-1271.
39   Meyer KA, Kushi LH, Jacobs DR, Jr., Slavin J, Sellers TA, Folsom AR. Carbohydrates, dietary fiber,
     and incident type 2 diabetes in older women. Am J Clin Nutr 2000; 71(4): 921-930.
40   Liu S, Serdula M, Janket SJ, Cook NR, Sesso HD, Willett WC e.a. A prospective study of fruit and
     vegetable intake and the risk of type 2 diabetes in women. Diabetes Care 2004; 27(12): 2993-2996.
41   Villegas R, Gao YT, Yang G, Li HL, Elasy TA, Zheng W e.a. Legume and soy food intake and the
     incidence of type 2 diabetes in the Shanghai Women's Health Study. Am J Clin Nutr 2008; 87(1):
     162-167.
42   Zhang X, Shu XO, Gao YT, Yang G, Li Q, Li H e.a. Soy food consumption is associated with lower
     risk of coronary heart disease in Chinese women. J Nutr 2003; 133(9): 2874-2878.
43   Mueller NT, Odegaard AO, Gross MD, Koh WP, Yu MC, Yuan JM e.a. Soy intake and risk of type 2
     diabetes in Chinese Singaporeans [corrected]. Eur J Nutr 2012; 51(8): 1033-1040.
44   Morimoto Y, Steinbrecher A, Kolonel LN, Maskarinec G. Soy consumption is not protective against
     diabetes in Hawaii: the Multiethnic Cohort. Eur J Clin Nutr 2011; 65(2): 279-282.
45   Nanri A, Mizoue T, Takahashi Y, Kirii K, Inoue M, Noda M e.a. Soy product and isoflavone intakes
     are associated with a lower risk of type 2 diabetes in overweight Japanese women. J Nutr 2010;
     140(3): 580-586.
Pagina 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
46   Norat T, Chan DS, Lau R, Vieira R, Thompson R. WCRF/AIRC Systematic literature review
     continuous update project report. The associations between food, nutrition, physical activity and risk
     of breast cancer. http://www.dietandcancerreport.org/ geraadpleegd: 30-8-2012.
47   Trock BJ, Hilakivi-Clarke L, Clarke R. Meta-analysis of soy intake and breast cancer risk. J Natl
     Cancer Inst 2006; 98(7): 459-471.
48   Qin LQ, Xu JY, Wang PY, Hoshi K. Soyfood intake in the prevention of breast cancer risk in women:
     a meta-analysis of observational epidemiological studies. J Nutr Sci Vitaminol (Tokyo ) 2006; 52(6):
     428-436.
49   Enderlin CA, Coleman EA, Stewart CB, Hakkak R. Dietary soy intake and breast cancer risk. Oncol
     Nurs Forum 2009; 36(5): 531-539.
50   Dong JY, Qin LQ. Soy isoflavones consumption and risk of breast cancer incidence or recurrence: a
     meta-analysis of prospective studies. Breast Cancer Res Treat 2011; 125(2): 315-323.
51   Wu AH, Koh WP, Wang R, Lee HP, Yu MC. Soy intake and breast cancer risk in Singapore
     Chinese Health Study. Br J Cancer 2008; 99(1): 196-200.
52   Fritz H, Seely D, Flower G, Skidmore B, Fernandes R, Vadeboncoeur S e.a. Soy, red clover, and
     isoflavones and breast cancer: a systematic review. PLoS One 2013; 8(11): e81968.
53   Nagata C, Mizoue T, Tanaka K, Tsuji I, Tamakoshi A, Matsuo K e.a. Soy intake and breast cancer
     risk: an evaluation based on a systematic review of epidemiologic evidence among the Japanese
     population. Jpn J Clin Oncol 2014; 44(3): 282-295.
54   Liu XO, Huang YB, Gao Y, Chen C, Yan Y, Dai HJ e.a. Association between dietary factors and
     breast cancer risk among Chinese females: systematic review and meta-analysis. Asian Pac J
     Cancer Prev 2014; 15(3): 1291-1298.
55   Wu AH, Yu MC, Tseng CC, Pike MC. Epidemiology of soy exposures and breast cancer risk. Br J
     Cancer 2008; 98(1): 9-14.
56   Yamamoto S, Sobue T, Kobayashi M, Sasaki S, Tsugane S. Soy, isoflavones, and breast cancer
     risk in Japan. J Natl Cancer Inst 2003; 95(12): 906-913.
57   Key TJ, Sharp GB, Appleby PN, Beral V, Goodman MT, Soda M e.a. Soya foods and breast cancer
     risk: a prospective study in Hiroshima and Nagasaki, Japan. Br J Cancer 1999; 81(7): 1248-1256.
58   Nishio K, Niwa Y, Toyoshima H, Tamakoshi K, Kondo T, Yatsuya H e.a. Consumption of soy foods
     and the risk of breast cancer: findings from the Japan Collaborative Cohort (JACC) Study. Cancer
     Causes Control 2007; 18(8): 801-808.
59   Horn-Ross PL, Hoggatt KJ, West DW, Krone MR, Stewart SL, Anton H e.a. Recent diet and breast
     cancer risk: the California Teachers Study (USA). Cancer Causes Control 2002; 13(5): 407-415.
60   Grace PB, Taylor JI, Low YL, Luben RN, Mulligan AA, Botting NP e.a. Phytoestrogen
     concentrations in serum and spot urine as biomarkers for dietary phytoestrogen intake and their
     relation to breast cancer risk in European prospective investigation of cancer and nutrition-Norfolk.
     Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2004; 13(5): 698-708.
61   Keinan-Boker L, van der Schouw YT, Grobbee DE, Peeters PH. Dietary phytoestrogens and breast
     cancer risk. Am J Clin Nutr 2004; 79(2): 282-288.
Pagina 28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Peulvruchten
GEZONDHEIDSRAAD                            Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
62   Touillaud MS, Thiebaut AC, Niravong M, Boutron-Ruault MC, Clavel-Chapelon F. No association
     between dietary phytoestrogens and risk of premenopausal breast cancer in a French cohort study.
     Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2006; 15(12): 2574-2576.
63   Lee SA, Shu XO, Li H, Yang G, Cai H, Wen W e.a. Adolescent and adult soy food intake and breast
     cancer risk: results from the Shanghai Women's Health Study. Am J Clin Nutr 2009; 89(6): 1920-
     1926.
64   Greenstein J, Kushi LH, Zheng W, Fee R, Campbell D, Sellers TA. Risk of breast cancer associated
     with intake of specific foods and food groups. Am J Epidemiol 1996; 143: S36.
65   Wada K, Nakamura K, Tamai Y, Tsuji M, Kawachi T, Hori A e.a. Soy isoflavone intake and breast
     cancer risk in Japan: from the Takayama study. Int J Cancer 2013; 133(4): 952-960.
66   Hirayama T. Life-style and mortality: a large-scale census-based cohort study in Japan. Basel:
     Karger; 1990.
67   Yan L, Spitznagel EL, Bosland MC. Soy consumption and colorectal cancer risk in humans: a meta-
     analysis. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev 2010; 19(1): 148-158.
68   Yang G, Shu XO, Chow WH, Zhang X, Li HL, Ji BT e.a. Soy food intake and risk of lung cancer:
     evidence from the Shanghai Women's Health Study and a meta-analysis. Am J Epidemiol 2012;
     176(10): 846-855.
69   Yang WS, Va P, Wong MY, Zhang HL, Xiang YB. Soy intake is associated with lower lung cancer
     risk: results from a meta-analysis of epidemiologic studies. Am J Clin Nutr 2011; 94(6): 1575-1583.
70   Wu SH, Liu Z. Soy food consumption and lung cancer risk: a meta-analysis using a common
     measure across studies. Nutr Cancer 2013; 65(5): 625-632.
Pagina 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>  Peulvruchten
  GEZONDHEIDSRAAD                       Achtergronddocument bij Richtlijnen goede voeding 2015
A De commissie
     prof. dr. ir. D. Kromhout, vicevoorzitter Gezondheidsraad (tot 1 januari 2015), Den
      Haag, voorzitter
     prof. dr. ir. J. Brug, hoogleraar epidemiologie, VU medisch centrum, Amsterdam
     prof. dr. A.W. Hoes, hoogleraar klinische epidemiologie en huisartsgeneeskunde,
      Universitair Medisch Centrum Utrecht
     dr. J.A. Iestra, voedingskundige, Universitair Medisch Centrum Utrecht
     prof. dr. H. Pijl, hoogleraar diabetologie, Leids Universitair Medisch Centrum, lid
      (tot 1 april 2015), adviseur (vanaf 1 april 2015)
     prof. dr. J.A. Romijn, hoogleraar inwendige geneeskunde, Academisch Medisch
      Centrum, Amsterdam
     prof. dr. ir. J.C. Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid, Vrije Universiteit,
      Amsterdam
     prof. dr. ir. P. van 't Veer, hoogleraar voeding, volksgezondheid en duurzaamheid,
      Wageningen Universiteit en Research Centrum, lid (tot 1 juni 2015), adviseur
      (vanaf 1 juni 2015)
     prof. dr. ir. M. Visser, hoogleraar gezond ouder worden, Vrije Universiteit en VU
      medisch centrum, Amsterdam
     prof. dr. J.M. Geleijnse, hoogleraar voeding en cardiovasculaire ziekten,
      Wageningen Universiteit en Research Centrum, adviseur
     prof. dr. J.B van Goudoever, hoogleraar kindergeneeskunde, VU medisch centrum
      en Academisch Medisch Centrum, Amsterdam, adviseur
     prof. dr. M.T.E. Hopman, hoogleraar integratieve fysiologie, Radboud universitair
      medisch centrum, Nijmegen, adviseur
     prof. dr. ir. R.P. Mensink, hoogleraar moleculaire voedingskunde, Universiteit
      Maastricht, adviseur
     prof. dr. ir. A.M.W.J. Schols, hoogleraar voeding en metabolisme bij chronische
      ziekten, Universiteit Maastricht, adviseur
     prof. dr. ir. M.H. Zwietering, hoogleraar levensmiddelenmicrobiologie, Wageningen
      Universiteit en Research Centrum, adviseur
     ir. C.A. Boot, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag,
      waarnemer
     dr. ir. J. de Goede, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
     dr. ir. C.J.K. Spaaij, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
     dr. ir. R.M. Weggemans, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
  Pagina 30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Adviezen
De taak van de Ge­z ond­h eids­r aad lieden. Met enige regelmaat
is mi­n is­t ers en parlement te     brengt de Gezondheidsraad ook
advise­r en over vraag­s tukken op   ongevraag­d e adviezen uit, die
het gebied van de volksgezond­       een signale­r ende functie hebben.
heid. De meeste ad­v ie­z en die de  In sommige gevallen leidt een
Gezondheidsraad jaar­lijks uit­      signalerend advies tot het verzoek
brengt worden ge­s chre­v en op      van een minister om over dit
verzoek van een van de bewinds­      onderwerp verder te adviseren.
Aandachtsgebieden
Optimale                             Preventie                          Gezonde voeding
gezondheidszorg                      Met welke vormen van               Welke voedingsmiddelen
Wat is het optimale                  preventie valt er een              bevorderen een goede
resultaat van zorg                   aanzienlijke gezond-               gezondheid en welke
(cure en care) gezien                heidswinst te behalen?             brengen bepaalde gezond­
de risico’s en kansen?                                                  heidsri­s ico’s met zich mee?
Gezonde                              Gezonde arbeids­                   Innovatie en
leefomgeving                         omstandigheden                     kennisinfrastructuur
Welke invloeden uit                  Hoe kunnen werk-­                  Om kennis te kunnen
het milieu kunnen een                nemers beschermd                   oogsten op het gebied
positief of negatief                 worden tegen arbeids­              van de gezondheids­
effect hebben op de                  omstandigheden                     zorg moet er eerst
gezondheid?                          die hun gezondheid                 gezaaid worden.
                                     mogelijk schaden?
www.gezondheidsraad.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>