<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>             Gezondheidsraad
          Vaststellen van de dood bij
          postmortale orgaandonatie
             Protocollen en criteria, inclusief een
             geactualiseerd Hersendoodprotocol
2015/13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Vaststellen van de dood bij
postmortale orgaandonatie
    Protocollen en criteria, inclusief een geactualiseerd Hersendoodprotocol
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderwerp             : aanbieding advies Vaststelling van de dood bij postmortale orgaandonatie
Uw kenmerk            : IBE/E-2447635
Ons kenmerk           : I-297/04/PE/db/021-A
Bijlagen              :1
Datum                 : 10 juni 2015
Geachte minister,
In het advies dat ik u hierbij aanbied, worden de te volgen procedures bij het vaststellen van
de dood bij drie verschillende vormen van postmortale orgaandonatie ondergebracht in een
overkoepelende richtlijn. Ook wordt in dit advies het Hersendoodprotocol bijgesteld.
De Wet op de orgaandonatie (WOD) uit 1998 voorziet in wettelijke garanties voor een zorg-
vuldige aanpak van orgaandonatie en de waarborging van de rechten van de donor. De wet
schrijft onder meer voor dat de vaststelling dat een potentiële donor hersendood is dient te
gebeuren volgens het Hersendoodprotocol, dat volgens diezelfde wet wordt opgesteld door
de Gezondheidsraad op grond van de stand van de wetenschap over methoden en criteria
voor het vaststellen van de hersendood.
      De WOD is tot stand gekomen in een situatie waarin het bij postmortale donatie over-
wegend ging om donoren met een onherstelbaar verlies van de functie van de hersenen, en
die mechanisch beademd werden (hersendode donoren). Sindsdien is echter het aantal her-
sendode donoren afgenomen, terwijl er een sterke toename was van het aantal donoren bij
wie de dood is vastgesteld op grond van circulatoire criteria, zogenaamde non-heartbeating
donoren. Specifieke wettelijke regels voor het vaststellen van de dood op grond van circula-
toire criteria zijn er nu niet.
      In reactie op een eerder advies van de Gezondheidsraad (Nieuwe wegen naar orgaando-
natie, uit 2003), liet de toenmalige minister van VWS weten van mening te zijn dat er in
Nederland een algemene standaard zou moeten komen voor het vaststellen van de dood –
in het kader van orgaandonatie – op grond van circulatoire criteria, en verzocht de Gezond-
heidsraad daarvoor een protocol tot stand te brengen. Om een dergelijk protocol te realise-
ren, heeft de Gezondheidsraad een commissie van deskundigen geformeerd. In de loop van
het advieswerk van deze commissie, bleek er in het veld behoefte te bestaan aan een over-
koepelend protocol dat richting geeft aan zowel het vaststellen van de dood op grond van
Bezoekadres                                                              Postadres
Parnassusplein 5                                                         Postbus 16052
2 5 11 V X      Den Haag                                                 2500 BB         Den Haag
E - m a il : p m . e n g e l fr ie t @ g r. n l                          w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 5 9 1 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Onderwerp             : aanbieding advies Vaststelling van de dood bij
                        postmortale orgaandonatie
Ons kenmerk : I-297/04/PE/db/021-A
Pagina                :2
Datum                 : 10 juni 2015
circulatoire criteria als op grond van hersendood. Eenzelfde wens kwam naar voren bij een
tussentijdse toetsing van het protocol dat inmiddels was opgesteld voor non-heartbeating
donatie, door de Beraadsgroepen Geneeskunde en van Gezondheidsethiek en -recht. De
commissie heeft vervolgens deze bredere vraagstelling om te komen tot een overkoepelend
protocol aanvaard. Daarbij deed zich tevens de vraag voor of het Hersendoodprotocol nog
voldeed na de laatste aanpassing uit 2006. Sindsdien zijn herhaaldelijk problemen gerap-
porteerd met de uitvoering ervan, in het bijzonder met betrekking tot de zogenaamde aan-
vullende onderzoeken. In dit advies is daarom tegelijkertijd de gelegenheid benut om de
noodzakelijke aanpassingen in te voeren en het Hersendoodprotocol te actualiseren.
      Bij het formuleren van de juiste wijze van handelen bij het vaststellen van de dood op
grond van circulatoire criteria, heeft de commissie die dit advies heeft voorbereid, de proto-
collen die in de praktijk worden gebruikt bij elkaar gebracht en getoetst aan de stand van de
wetenschap. Bij de aanpassing van het Hersendoodprotocol is een oplossing gezocht voor
de onduidelijkheden die in de praktijk bleken te bestaan. De zo opgestelde drie afzonder-
lijke protocollen (twee voor verschillende situaties bij non-heartbeating donatie), zijn ver-
volgens ondergebracht in een overkoepelende richtlijn die bedoeld is als een bindend
richtsnoer voor het vaststellen van de dood bij de drie in de praktijk voorkomende vormen
van postmortale orgaandonatie.
      In samenhang met de gedetailleerde voor de praktijk bedoelde praktische protocollen
van de Nederlandse Transplantatie Stichting, wordt met dit advies voorzien in een standaard
van handelen bij het vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie. Voorts stelt de
commissie voor om dit gemeenschappelijke kader ook een vertaling te geven in de WOD.
Het ontbreken van een expliciete vermelding in de wet van donatie na vaststelling van de
dood op circulatoire criteria wringt, en daarom doet de commissie een voorstel hoe de wet
aangepast zou kunnen worden. Ook worden enkele onduidelijkheden in die wet besproken
en wordt een voorstel voor aanpassing gedaan.
Ik neem de aanbevelingen van de commissie over.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. W.A. van Gool,
voorzitter
Bezoekadres                                                            Postadres
Parnassusplein 5                                                       Postbus 16052
2 5 11 V X      Den Haag                                               2500 BB         Den Haag
E - m a il : p m . e n g e l fr ie t @ g r. n l                        w w w. g r. n l
Te l e f o o n ( 0 7 0 ) 3 4 0 5 9 1 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Vaststellen van de dood bij
postmortale orgaandonatie
Protocollen en criteria, inclusief een geactualiseerd Hersendoodprotocol
aan:
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Nr. 2015/13R, Den Haag, 10 juni 2015 (aangepast op 10 oktober 2016)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De Gezondheidsraad, ingesteld in 1902, is een adviesorgaan met als taak de rege-
ring en het parlement ‘voor te lichten over de stand der wetenschap ten aanzien
van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid en het gezondheids-
(zorg)onderzoek’ (art. 22 Gezondheidswet).
     De Gezondheidsraad ontvangt de meeste adviesvragen van de bewindslieden
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; Infrastructuur en Milieu; Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en Economische Zaken. De raad kan ook op eigen initiatief
adviezen uitbrengen, en ontwikkelingen of trends signaleren die van belang zijn
voor het overheidsbeleid.
     De adviezen van de Gezondheidsraad zijn openbaar en worden als regel
opgesteld door multidisciplinaire commissies van – op persoonlijke titel
benoemde – Nederlandse en soms buitenlandse deskundigen.
                 De Gezondheidsraad is lid van het European Science Advisory Network
                 for Health (EuSANH), een Europees netwerk van wetenschappelijke
                 adviesorganen.
U kunt het advies downloaden van www.gr.nl.
Deze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
Gezondheidsraad. Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie -
Protocollen en criteria, inclusief een geactualiseerd Hersendoodprotocol.
Den Haag: Gezondheidsraad, 2015; publicatienr. 2015/13R.
Preferred citation:
Health Council of the Netherlands. Determining death in postmortal organ
donation - Protocols and criteria, including an updated Brain Death Protocol.
The Hague: Health Council of the Netherlands, 2015; publication no. 2015/13R.
Infographics: Schwandt Infographics, Houten.
auteursrecht voorbehouden
all rights reserved
ISBN: 978-94-6281-040-2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>   Inhoud
   Samenvatting 13
   Executive summary 21
   Inleiding 29
.1 Voorgeschiedenis 30
.2 Onderwerp van dit advies 31
.3 Werkwijze 31
.4 Opzet van het advies 32
   Postmortale donatie 35
.1 Terminologie 35
.2 Een korte geschiedenis van postmortale donatie 36
.3 Drie leidende ethische principes 39
.4 Het vaststellen van de dood 39
.5 Postmortale orgaandonatie in Nederland 49
.6 Postmortale orgaandonatie in andere landen 51
   Postmortale orgaandonatie in de praktijk 53
.1 Elementen van het donatieproces wanneer de dood wordt verwacht 54
.2 Elementen van het donatieproces wanneer de dood niet wordt verwacht (uDCD) 60
   Inhoud                                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>   Orgaandonatie na vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria
   (Hersendood; DBD) 63
.1 Voorgeschiedenis Hersendoodprotocol 63
.2 Het begrip hersendood 66
.3 Vaststelling hersendood 66
.4 Kritiek op het Hersendoodprotocl 68
.5 Wijzigingen in het Hersendoodprotocol 69
   Vaststelling van de verwachte dood op grond van circulatoire criteria ten behoeve
   van orgaandonatie (eDCD) 73
.1 Het staken van de behandeling 74
.2 Tijdsverloop na de switch-off 75
.3 Het vaststellen van de dood 76
   Orgaandonatie na vaststelling van de onverwachte dood op grond van circulatoire
   criteria (uDCD) 81
.1 Starten en staken van de reanimatiepogingen 82
.2 Vaststellen van de dood 83
.3 Maatregelen om de schade door warme ischemie te beperken: ethische dilemma’s 84
   Juridische aspecten in relatie tot de WOD 87
.1 De aanbevelingen uit het Gezondheidsraadadvies Nieuwe wegen naar
   orgaandonatie (2003) en de reactie daarop van de minister 88
.2 De wetswijzigingen van 2006 en 2013 90
.3 Resterende onduidelijkheden en knelpunten in de huidige wet 93
.4 Conclusie ten aanzien van de juridische context 98
   Conclusies en aanbevelingen 99
.1 Conclusie 99
.2 Aanbevelingen 101
   Literatuur 103
0  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>  Bijlagen 109
A De adviesaanvraag 111
B Samenstelling commissie 113
C Overzicht van de verschillende protocollen 115
D Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt:
  DBD-procedure 117
E Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt:
  eDCD-procedure 123
F Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood onverwacht komt:
  uDCD-procedure 129
G Hersendoodprotocol 133
  Inhoud                                                                  11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>2 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Samenvatting
Dit advies biedt een als bindend bedoelde landelijke richtlijn voor het vaststellen
van de dood bij postmortale orgaandonatie. Deze richtlijn beschrijft hoe de dood
dient te worden vastgesteld in drie onderscheiden situaties waarin postmortale
orgaandonatie kan plaatsvinden. Een onderdeel van de richtlijn is een aangepaste
versie van het Hersendoodprotocol. Dit advies heeft geen betrekking op donatie
door een levende donor.
Achtergrond en doel van dit advies
Om wettelijke garanties te bieden voor een zorgvuldige aanpak van orgaandona-
tie en de rechten van de donor te waarborgen is in 1998 de Wet op de orgaando-
natie (WOD) ingevoerd. De wet schrijft onder meer voor hoe moet worden
vastgesteld of een potentiële donor hersendood is. Die vaststelling dient te
gebeuren volgens het Hersendoodprotocol, dat door de Gezondheidsraad wordt
opgesteld op grond van de stand van de wetenschap over methoden en criteria
voor het vaststellen van de hersendood. Periodieke bijstelling van het protocol is
daarbij voorzien.
     Toen de WOD tot stand kwam, ging het bij postmortale donatie hoofdzake-
lijk om donoren die mechanisch beademd worden met onherstelbaar verlies van
de functie van de hersenen. Bij zulke ‘hersendode’ donoren wordt de dood vast-
gesteld aan de hand van het Hersendoodprotocol. Sindsdien is er echter een
sterke toename geweest van het aandeel donoren bij wie de dood wordt vastge-
Samenvatting                                                                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>  steld op grond van circulatoire criteria: onomkeerbare stilstand van het hart en de
  bloedcirculatie. Terwijl zulke donoren inmiddels ruim de helft van het aantal
  postmortale donoren uitmaken, zijn er geen specifieke wettelijke regels voor het
  vaststellen van de dood op grond van circulatoire criteria.
      In reactie op een eerder advies van de Gezondheidsraad, liet de minister van
  VWS weten van mening te zijn dat er in Nederland een algemene standaard zou
  moeten komen voor het vaststellen van de dood – in het kader van orgaandonatie
  – op grond van circulatoire criteria, en verzocht de Gezondheidsraad daarvoor
  een protocol tot stand te brengen.
  In de loop van het adviestraject heeft de vraagstelling zich verbreed, doordat
  bleek dat verschillende partijen in het veld behoefte hadden aan een overkoepe-
  lend protocol dat alle vormen van postmortale donatie bestrijkt. Een dergelijk
  geïntegreerd protocol zou dus richtlijnen voor zowel het vaststellen van de dood
  op grond van circulatoire criteria als op grond van hersendood moeten geven.
  Een andere vraag die zich daarbij voordeed was of het Hersendoodprotocol, na
  de laatste aanpassing uit 2006, nog voldeed.
      De commissie die dit advies heeft voorbereid, heeft bij de regels voor het
  vaststellen van de dood op grond van circulatoire criteria de protocollen die in de
  praktijk worden gebruikt bij elkaar gebracht en getoetst aan de stand van de
  wetenschap. Bij de aanpassing van het Hersendoodprotocol is een oplossing
  gezocht voor onduidelijkheden die in de praktijk bleken te bestaan.
  Twee wegen naar postmortale donatie: de dood komt verwacht of
  onverwacht
  Er zijn twee wezenlijk verschillende wegen die kunnen leiden naar postmortale
  orgaandonatie. In het ene geval gaat het om een al opgenomen patiënt bij wie de
  dood wordt verwacht, in het andere geval om een persoon die plotseling en
  onverwacht komt te overlijden.
      De eerste weg die kan leiden tot postmortale donatie (de dood wordt ver-
  wacht) begint wanneer van een patiënt ondanks intensieve behandeling op een
  intensivecareafdeling (IC) de prognose dramatisch verslechtert, of wanneer een
  catastrofale klinische toestand geen enkele verbetering toont, en er geen enkel
  uitzicht op herstel is. Meestal gaat het om patiënten die ernstig hersenletsel heb-
  ben opgelopen, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval of een hersenbloeding,
  die intensieve zorg nodig hebben en mechanisch worden beademd. Als beoor-
  deeld wordt dat verdere behandeling geen uitzicht biedt op herstel, en het voor-
  nemen tot donatie bestaat, kunnen zich twee verschillende situaties voordoen. In
4 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>het geval dat op klinische gronden vermoed wordt dat de patiënt hersendood is,
wordt dat beoordeeld conform het Hersendoodprotocol. In deze situatie is sprake
van donation after brain death (DBD). Bij een deel van de patiënten bij wie de
dood wordt verwacht op grond van de ernst van het letsel en een ongunstige
prognose, zal de hersendood echter niet (spoedig) intreden, of kan deze niet wor-
den vastgesteld. Bij hen kan besloten worden van verdere op herstel gerichte
behandeling af te zien, en vervolgens ondersteuning van vitale functies (waaron-
der beademing) te staken, waarna de volledige circulatiestilstand wordt afge-
wacht en de dood (op circulatoire criteria) kan worden vastgesteld. In dit geval is
sprake van donation after circulatory death (DCD), en omdat de dood verwacht
(engels: expected) wordt, betreft het hier het ‘expected’ DCD-scenario (eDCD).
    Ook de verwachte dood bij euthanasie die in het ziekenhuis plaatsvindt biedt
een mogelijke weg naar orgaandonatie, en kan als een apart te onderscheiden
vorm van eDCD worden beschouwd. Deze situatie vormt geen apart onderdeel
van de protocollen in dit advies.
    De tweede weg die naar donatie kan leiden (de dood komt onverwacht)
begint wanneer iemand een circulatiestilstand krijgt, vaak buiten het ziekenhuis,
waarna reanimatie wordt ingezet. Als de pogingen tot reanimatie niet slagen, zal
worden besloten verdere behandeling te staken. In geval donatie een optie is,
wordt ook in deze situatie de dood, die in dit geval onverwacht (unexpected)
komt, vastgesteld op circulatoire gronden. Donatie verloopt nu volgens het
‘unexpected’ DCD-scenario (uDCD).
Beslismomenten in het donatieproces
Op de twee beschreven wegen die naar donatie kunnen leiden is een aantal
beslismomenten te onderscheiden die de basis vormen voor de richtlijn die met
dit advies wordt gegeven. De sterke achteruitgang in de prognose bij een inten-
sief behandelde patiënt waarmee de weg van de verwachte dood begint, is reden
voor een evaluatie door de behandelaars in multidisciplinair overleg. Als beslo-
ten wordt dat op herstel gerichte behandeling geen baat meer heeft, en dus niet
meer in het belang van de patiënt is, vindt een voorlopige beoordeling van diens
(medische) donorgeschiktheid plaats. Bij geschiktheid, volgt raadpleging van het
Donorregister. Dit kan als uitkomst hebben dat de patiënt zelf toestemming of
bezwaar heeft laten registreren, de beslissing aan nabestaanden of een specifieke
persoon heeft overgelaten, of dat de patiënt geen enkele wilsbeschikking heeft
laten vastleggen of de wilsbeschikking tijdelijk geblokkeerd is. Als de patiënt
een toestemming heeft laten registreren, dan is er voor een donatieprocedure
geen beletsel. Ingeval de donatiebeslissing toevalt aan de naasten, of de wilsbe-
Samenvatting                                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>  schikking tijdelijk geblokkeerd is, of van de patient geen enkele wilsbeschikking
  is opgenomen, volgen overleg met naasten en het bespreken van donatiemoge-
  lijkheden. Vanaf dit moment kunnen in het belang van de implantatie van orga-
  nen bij de toekomstige ontvanger ook voorbereidende maatregelen worden
  genomen om de kans van slagen van de donatie en de daaropvolgende transplan-
  tatie te vergroten. Dit kunnen verrichtingen zijn die tot doel hebben de medische
  geschiktheid voor orgaandonatie te bepalen, die dienen om de fysieke conditie en
  stabiliteit van de donor te verbeteren, of maatregelen die tot doel hebben de
  levensvatbaarheid van de organen te behouden. Welke maatregelen dat zijn is
  gedeeltelijk wettelijk vastgelegd en wordt nader gespecificeerd in dit advies. De
  bovengenoemde maatregelen kunnen ook worden genomen in afwachting van
  contact met de naasten als deze niet direct bereikbaar zijn, en achteruitgang van
  de kwaliteit van de organen moet worden gevreesd , teneinde de mogelijkheid
  van donatie open te houden.
       Indien in dit stadium het vermoeden bestaat dat de patiënt hersendood is,
  wordt nu volgens het Hersendoodprotocol beoordeeld of dat het geval is. Dit is
  de DBD-procedure. Echter, indien er geen vermoeden van hersendood bestaat, of
  hersendood niet kan worden vastgesteld, dan komt het eDCD-protocol in beeld.
       Indien bij een van de bovenstaande beslismomenten blijkt dat de optie van
  orgaandonatie afvalt, dan wordt reguliere einde-leven-zorg voortgezet volgens
  de richtlijnen die daarvoor gelden. Weefseldonatie (bijvoorbeeld huid, hoorn-
  vlies, hartkleppen of bot/peesweefsel) is dan nog wel een goede mogelijkheid.
       Bij de weg die naar donatie leidt volgens het uDCD-scenario is tijdsdruk een
  essentiele factor. De route begint bij de beoordeling dat de na een circulatiestil-
  stand ingezette reanimatiepoging niet succesvol is, en besloten wordt deze te sta-
  ken. Daarop volgt eveneens een voorlopige beoordeling van medische
  donorgeschiktheid en raadpleging van het Donorregister. Als in het Donorregis-
  ter geen bezwaar is vastgelegd zal zo snel mogelijk begonnen worden met
  orgaanpreserverende maatregelen. Vanaf dit moment geldt het uDCD-protocol.
  Het vaststellen van de dood op grond van neurologische criteria (DBD):
  het Hersendoodprotocol en aanpassing daarvan
  De WOD schrijft voor dat het vaststellen van de dood in het DBD-scenario
  gebeurt volgens het Hersendoodprotocol (HDP), dat door de Gezondheidsraad
  wordt opgesteld en geactualiseerd. Sinds de laatste aanpassing van het HDP in
  2006 zijn echter enkele problemen gerapporteerd met de uitvoering ervan. Deze
  hebben vooral te maken met de uitvoering en de volgorde van de (aanvullende)
  onderzoeken. Op grond daarvan is aanpassing noodzakelijk gebleken. Uitgangs-
6 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>punt bij het HDP is het whole brain death concept, zoals dat ook in de wet is
opgenomen: de dood als het volledig en onherstelbaar verlies van de functies
van de hersenen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg. Het vaststellen
van de hersendood gebeurt in drie stappen: 1) vaststellen of aan de zogenoemde
prealabele voorwaarden is voldaan; 2) het klinisch-neurologisch onderzoek;
3) aanvullend onderzoek, waartoe een deelverzameling van de volgende vormen
van onderzoek wordt gerekend: elektro-encefalografie (EEG), transcranieel
Doppler onderzoek (TCD), CT-angiografie van de hersenvaten (CTA) en de
apneutest. Een van de wijzigingen die de commissie nu voorstelt, is dat bij
patiënten die medicijnen krijgen om de hersenfuncties te dempen (medicamen-
teuze neurodepressie) de procedure van vaststelling van hersendood geen door-
gang kan vinden, indien aanwezige neurodepressie een nauwkeurige uitslag van
het onderzoek in de weg staat. De procedure kan dan worden ingezet wanneer
kan worden aangenomen dat de medicamenten voldoende zijn uitgewerkt. Ver-
der stelt de commissie dat uitval van de grote hersenen bevestigd dient te worden
met één van de aanvullende onderzoeken EEG, TCD of CTA. Deze tests kunnen
voor dit doel als gelijkwaardig beschouwd worden. Echter, in de uitzonderingssi-
tuatie wanneer een circulatiestilstand dreigt bij nog aanwezige neurodepressie
dient een onderzoek van de hersendoorbloeding met TCD of CTA te worden ver-
richt. Als de gebruikte aanvullende test de afwezigheid van hersenfunctie of her-
sendoorbloeding uitwijst, zal de daaropvolgende apneutest de hersendood
moeten bevestigen.
Het vaststellen van de dood op grond van circulatoire criteria wanneer de
dood verwacht wordt (eDCD)
Het eDCD-protocol start met de beslissing tot staken van de levensondersteu-
nende behandeling (withdrawal of life support), en het bepalen van het moment
waarop de patiënt wordt losgekoppeld van de beademingsapparatuur (de zoge-
naamde switch-off procedure). Dit tijdstip dient zorgvuldig gepland te worden,
evenals de plaats. Als de circulatie tot stilstand is gekomen, dan worden de orga-
nen niet langer doorbloed en hoe langer dit duurt, hoe meer schade de organen
oplopen. Na een te lange ischemietijd zijn de organen niet meer bruikbaar voor
transplantatie.
    Vaststelling van de dood bij eDCD kent twee cruciale componenten: 1) de
vaststelling dat er sprake is van circulatiestilstand (‘mechanische asystolie’); 2)
het in acht nemen van een observatieperiode na vaststelling van de circulatiestil-
stand zonder te interveniëren: de no-touch tijd. Het vaststellen van circulatiestil-
stand gebeurt door het registreren van de afwezigheid van een intra-arteriële
Samenvatting                                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>  polsgolf of door een andere gebruikelijke techniek om circulatie te monitoren.
  Daarna wordt een no-touch tijd van vijf minuten in acht genomen. Dit tijdsver-
  loop is nodig om spontaan herstel van de circulatie en ademhaling uit te sluiten.
  Na deze tijd is er sprake van onomkeerbare afwezigheid van circulatie en adem-
  haling en mag de dood worden vastgesteld.
  Het vaststellen van de dood op grond van circulatoire criteria wanneer de
  dood onverwacht komt (uDCD)
  Het niet slagen van een correct verrichte poging tot reanimatie is op zichzelf al
  een bewijs dat de circulatie niet hersteld kan worden en het functieverlies dus
  permanent en onomkeerbaar is. Omdat er gevallen zijn beschreven waarbij des-
  ondanks ‘autoresuscitatie’ (een spontaan maar tijdelijk herstel van de hartactie en
  circulatie) optrad, meestal juist na het staken van een reanimatiepoging, wordt
  ook bij uDCD na het staken van de reanimatie een no-touch tijd in acht genomen,
  voordat de dood mag worden vastgesteld. Een tijdsverloop van vijf minuten is in
  de ogen van de commissie, op grond van beschikbare literatuurgegevens,
  betrouwbaar en voldoende.
      In het geval van uDCD kan, naast de maatregelen ter preservatie van organen
  die ook bij de andere vormen van donatie ter beschikking staan, zo snel mogelijk
  regionale perfusie (RP) met een hypo- of normotherme vloeistof uitgevoerd wor-
  den door middel van canules die in de grote vaten zijn ingebracht via de lies.
  Deze methode dient ter bescherming van de organen, waardoor minder snel
  schade ontstaat. RP kan ook met lichaamseigen bloed en normotherm worden
  uitgevoerd. Het bloed wordt dan met behulp van een pomp door een extracorpo-
  reel circuit geleid en met een kunstlong van zuurstof voorzien. De commissie
  stelt vast dat dit een nog experimentele techniek is, die uitsluitend in onderzoeks-
  verband mag worden uitgevoerd.
  Juridische aspecten
  Tot slot stelt de commissie een aantal wijzigingen voor in de WOD. Het gaat in
  het bijzonder om artikel 14 van de wet waarin de hersendood en het Hersendood-
  protocol worden genoemd. In de ogen van de commissie verdient het aanbeve-
  ling om ook de procedurele vereisten voor het vaststellen van de dood bij DCD
  op te nemen in de wet, en de asymmetrie ten opzichte van het vaststellen van de
  hersendood te beëindigen. Verder constateert de commissie een onduidelijkheid
  in artikel 22 van de wet, waarbij lid 3 zo gelezen zou kunnen worden dat na de
  no-touch tijd van vijf minuten en de vaststelling van de dood nog eens vijf minu-
8 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>ten gewacht zou moeten worden, wat duidelijk niet de bedoeling van de wetgever
was.
Conclusies en aanbevelingen
Met dit advies worden de drie onderscheiden vormen van postmortale donatie
ondergebracht in een overkoepelende richtlijn. In samenhang met de gedetail-
leerde voor de praktijk bedoelde protocollen van de Nederlandse Transplantatie
Stichting, die het gehele proces van transplantatie en omgang met verkregen
organen betreffen, en waarnaar op veel plaatsen in dit advies wordt verwezen,
wordt zo voorzien in een standaard van handelen bij het vaststellen van de dood
bij postmortale orgaandonatie. De in dit advies voorgestelde principes en proce-
dures zouden dan ook moeten dienen als een bindende richtlijn daarvoor.
Ten slotte zou deze standaard van handelen ook zijn vertaling moeten krijgen in
de WOD. Het ontbreken van een expliciete vermelding in de wet van donatie na
vaststelling van de dood op circulatoire criteria wringt. Ook bevat de wet nog
andere onduidelijkheden die oplossing verdienen.
De commissie beveelt aan:
• Het vaststellen van de dood bij alle vormen van postmortale donatie zoals die
    nu in de praktijk plaatsvinden te reguleren door middel van een overkoepe-
    lende richtlijn zoals beschreven in dit advies. Deze richtlijn omvat zowel het
    Hersendoodprotocol als de procedures voor het vaststellen van de dood bij
    DCD en zou eenzelfde status dienen te krijgen als als vaststellen van de dood
    bij DBD, volgens het huidige Hersendoodprotocol. Dit doet recht aan het
    snel toegenomen praktische belang van donatie na vaststelling van de dood
    op grond van circulatoire criteria en maakt een einde aan de asymmetrische
    wijze waarop de protocollen voor het vaststellen van de dood die behoren bij
    de verschillende vormen van postmortale donatie wettelijk verankerd zijn.
• De Wet op de orgaandonatie aan te passen zodat vaststelling van de dood op
    neurologische criteria en circulatoire criteria daarin gelijkelijk vermeld en
    behandeld worden.
• De hier voorgestelde richtlijn periodiek in overeenstemming te brengen met
    de vigerende wetenschappelijke inzichten, zoals dit thans is voorzien voor
    het Hersendoodprotocol.
• Het geactualiseerde Hersendoodprotocol vast te stellen en algemeen bekend
    te maken.
Samenvatting                                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>0 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Executive summary
Health Council of the Netherlands. Determining death in postmortal organ
donation. Protocols and criteria, including an updated Brain Death
Protocol. The Hague: Health Council of the Netherlands, 2015;
publication no. 2015/13.
This advisory report aims to provide a binding national guideline for determining
death in postmortal organ donation. This guideline describes how death must be
determined in three distinct situations in which organ donation after death may
occur. One part of the guideline is an updated version of the Brain Death
Protocol. This advisory report does not pertain to donation by a living donor.
Background and goal of this advisory report
In 1998 the Organ Donation Act (WOD) was introduced to provide legal
safeguards for a careful approach to organ donation and to safeguard the rights of
the donor. Among other things, the act dictates that it must be determined
whether a potential donor is brain dead. This determination must occur according
to the Brain Death Protocol, drafted by the Health Council based on the current
state of the art regarding methods and criteria for determining brain death.
Periodic adjustment of the protocol is part of this process.
    When the WOD was drafted, organ donation after death primarily involved
donors who were on mechanical ventilation with irreversible damage to brain
function. In such ‘brain dead’ donors, death is determined according to the Brain
Death Protocol. Since that time, however, there has been a significant rise in the
proportion of donors in whom death is ascertained based on circulatory criteria:
irreversible cardiac and circulatory arrest. Although such donors currently
Executive summary                                                                  21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>  encompass half of all donors after death, there are no specific legal rules for
  determining death based on circulatory criteria.
      In response to a previous Health Council advisory report, the minister of
  Health, Welfare and Sport stated that he was of the opinion that a general
  standard should exist in the Netherlands for determining death – within the
  context of organ donation – based on circulatory criteria, and asked the Health
  Council to draft a protocol to this end.
      During the course of the advisory process, the definition of the problem was
  broadened, as various parties in the field expressed a need for an all-
  encompassing protocol covering all forms of donation after death. Such an
  integrated protocol would provide guidance both for determining death based on
  circulatory criteria and based on brain death. Another question that arose was
  whether the Brain Death Protocol was still current after the last update from
  2006.
      The Committee that prepared this advisory report examined the rules for
  determining death based on circulatory criteria by collecting the protocols used
  in daily practice and testing them against the current state of scientific
  knowledge. In updating the Brain Death protocol, the Committee sought to find a
  solution for the grey areas that existed in daily practice.
  Two roads to donation after death: expected or unexpected death
  There are two essentially different paths that may lead to donation after death.
  The first situation involves a patient admitted to hospital in whom death is
  expected; the second a person who dies suddenly and unexpectedly.
      The first path that can lead to donation after death (death is expected) begins
  when a patient’s prognosis worsens dramatically despite intensive treatment on
  an intensive care unit (ICU), or if a catastrophic clinical situation fails to show
  any improvement and there is no hope of recovery. Usually this involves patients
  who have suffered severe brain injury, for example due to an accident or cerebral
  haemorrhage, who require intensive care and mechanical ventilation. If it is
  determined that further treatment does not provide any hope of recovery, and
  there is an intention to donate, two situations may arise. If there are clinical
  indications that the patient is brain dead, this is assessed based on the Brain
  Death Protocol. This situation leads to donation after brain death (DBD). In a
  proportion of patients in whom death is expected due to the severity of the injury
  and poor prognosis, however, brain death will not occur (swiftly), or cannot be
  determined. In such patients, it may be decided to withhold further treatment
  focused on recovery, and subsequently suspend vital function support (including
2 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>ventilation), at which point full circulatory arrest is awaited and death may be
determined (based on circulatory criteria). This situation leads to donation after
circulatory death (DCD), and because death is expected, this is termed the
‘expected’ DCD scenario (eDCD).
    Expected death due to euthanasia that occurs in the hospital also offers a path
towards organ donation, and may be considered a distinct form of eDCD. This
situation is not part of the protocols presented in this advisory report.
    The second path that may lead to donation (unexpected death) begins when a
person experiences circulatory arrest, often outside of the hospital, after which
resuscitation is initiated. If attempts to resuscitate fail, the decision will be made
to suspend further treatment. If donation is an option, death – unexpected in this
situation – is determined on circulatory grounds. Donation now follows the
unexpected DCD scenario (uDCD).
Decision moments during the donation process
There are a number of distinct decision moments that may be identified along the
paths that lead to donation, which form the basis for the guideline that is
provided in this advisory report. The significant deterioration in prognosis in a
patient receiving intensive treatment, marking the beginning of the path towards
expected death, is reason for multidisciplinary consultation between members of
the medical team. If the decision is made that treatment focused on recovery is
no longer of benefit, and thus no longer in the patient’s best interests, a
preliminary assessment of (medical) donor suitability is performed. If the patient
is suitable, the Donor Registry is consulted. This may reveal that the patient
consents to donation, or objects, leaves the decision to family or another specific
person, or that the patient has not recorded any wishes in this regard. If the
patient has registered consent, there is nothing standing in the way of a donation
procedure. If the decision on donation is left to family, if no objection is
registered or if the patient has not recorded any wishes, the family is consulted
and options for donation are discussed. From this moment forward, preparatory
measures may be taken in the interest of implantation of organs in the future
recipient, which are intended to improve the chances of successful donation in
the subsequent organ transplantation. This can include procedures intended to
determine medical suitability for organ donation, or measures taken in order to
improve the physical condition and stability of the donor, or measures intended
to maintain the viability of the organs. Which measures are acceptable is in part
codified in law, and further specified in this advisory report. The measures
described above may also be taken while contact is sought with family members
Executive summary                                                                      23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>  who are not immediately available in situations where there are concerns about
  preserving the quality of the organs, in order to keep donation a viable option.
      If there is a suspicion that the patient is brain dead at this stage, the Brain
  Death Protocol is followed to determine whether this is the case. This is the usual
  DBD procedure. However, if there is no suspicion of brain death, or brain death
  cannot be determined, the eDCD protocol comes into play.
      If one of the above decision moments reveals that organ donation is no longer
  an option, regular end-of-life care is continued in accordance with the relevant
  guidelines. Tissue donation (e.g. skin, cornea, heart valves and bone/tendon
  tissue) remains a good possibility in such cases.
      In the uDCD path to donation, time is of the essence. This path begins with
  the determination that the resuscitation attempts following circulatory arrest have
  been unsuccessful, and the subsequent decision to suspend them. This is
  followed by assessment of medical suitability as a donor and consultation of the
  Donor Registry. If the Donor Registry does not contain an objection to donation,
  organ preserving measures will be taken as swiftly as possible. The uDCD
  protocol applies from this moment forward.
  Determining death: the Brain Death Protocol and revision of the protocol
  The WOD states that determination of death in the DBD scenario follows the
  Brain Death Protocol (BDP), drafted and revised by the Health Council. Since
  the previous revision of the BDP in 2006, however, a number of problems have
  been reported regarding its implementation. They pertain primarily to the
  performance and order of (supplemental) tests. These issues made revision
  necessary. The underlying principle in the BDP is the whole brain death concept,
  as codified in the law: death as the complete and irreversible loss of brain
  function, including brain stem and spinal cord function. Brain death is
  determined in three steps: 1) determining whether the so-called preconditions
  have been met; 2) clinical neurological examination; 3) supplemental testing,
  encompassing the following tests: electro encephalography (EEG), transcranial
  Doppler study (TCD), or CT angiography of the brain vessels (CTA), and the
  apnoea test. One of the changes currently proposed by the Committee is that
  patients who receive medication to suppress brain function (pharmacological
  neurodepression) may not be assessed for brain death, in caseas the
  neurodepression interferes with an accurate evaluation of test results. The
  procedure may only be initiated once it can be assumed that the effects of the
  medication have worn off sufficiently. Furthermore, the Committee states that
  loss of higher brain function must be determined using one of the following
4 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>investigations: EEG, TCD or CTA. For this purpose, these tests may be
considered to be equivalent. However, an exemption is a situation in which
circulatory arrest is imminent while pharmacological neurodepression is still
present. In such a circumstance, a test of brain perfusion, with either TCD or
CTA, must be performed. If the supplemental test used indicates a lack of brain
function or perfusion, the subsequent apnoea test must confirm brain death.
Determination of expected circulatory death (eDCD)
The eDCD protocol begins with the decision to withdraw life support and
determination of the moment when the patient will be disconnected from the
ventilation equipment (the so-called switch-off procedure). Timing and location
must be scheduled with care. When circulatory arrest occurs, the organs are no
longer perfused, and the longer this situation persists, the greater the damage to
the organs. After an overly long ischemic time, organs are no longer viable for
transplantation.
    Determining death in eDCD has two crucial components: 1) determination of
circulatory arrest (‘mechanical asystole’); 2) respecting an observation period
after circulatory arrest without intervention: the no-touch time. Circulatory death
is ascertained by recording the absence of an intra-arterial pressure wave or
based on another current method of monitoring circulation. A no-touch period of
five minutes is then observed. This time is required to rule out spontaneous
recovery of circulation and breathing. After this time has elapsed, irreversible
circulatory and respiratory arrest exists and death may be declared.
Determination of unexpected circulatory death (uDCD)
Failure of a correctly performed resuscitation attempt is in itself proof that
circulation cannot be restored, and that loss of function is permanent and
irreversible. Because there have been case reports of ‘autoresuscitation’
(spontaneous but temporary recovery of heart activity and circulation), in
particular immediately after ceasing resuscitation attempts, a no-touch period is
also observed in uDCD after stopping resuscitation before death may be
declared. In the opinion of the Committee, a five minute waiting period is
reliable and sufficient based on available data from the literature.
In the event of uDCD, in addition to organ preservation measures available for
other forms of donation, Regional Perfusion (RP) with hypothermic or
normothermic fluid may also be performed via cannulas inserted into the large
Executive summary                                                                   25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  blood vessels in the groin. This method is intended to protect the organs,
  reducing the amount of damage. RP may also be performed with the body's own
  blood and at normal temperature. In this case, the blood is routed via an
  extracorporeal circuit by a pump and supplied with oxygen by an artificial lung.
  The Committee notes this is still an experimental technique that may only be
  performed within the context of research.
  A guideline for determining death in donation after death
  The Committee’s considerations have resulted in a guideline for donation after
  death and determination of death in three distinct situations that is intended to be
  binding.
  Legal aspects
  Finally, the Committee proposes a number of changes be made to the WOD. This
  pertains in particular to section 14 of the law, where brain death and the Brain
  Death Protocol are mentioned. In the opinion of the Committee, procedural
  requirements for determining death in DCD should be included in the law, and
  the asymmetry with respect to determination of brain death should be ended.
  Furthermore, the Committee notes section 22 is unclear; paragraph 3 could be
  interpreted as stating an additional five minutes must be waited after the no-
  touch period of five minutes and determination of death, which was clearly not
  the legislator’s intent.
  Conclusions and recommendations
  This advisory report provides a comprehensive guideline for the three distinct
  forms of donation after death. Used together with the detailed protocols for daily
  practice by the Netherlands Transplantation Foundation, that cover all aspects of
  transplantation and handling of donated organs, and that are referred to
  repeatedly throughout this advisory report, it provides a standard for
  determination of death in postmortal donation. The principles and procedures
  proposed in this advisory report should therefore serve as a binding guideline.
  Finally, this treatment standard should be mentioned in the WOD. The lack of an
  explicit reference to donation after circulatory death in the law is deemed to be a
  gap. The law also contains other points that deserve clarification.
6 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>The Committee recommends:
• Determination of death in all forms of donation after death as currently
   occurs in practice be regulated by an overarching guideline as described in
   this advisory report. This guideline encompasses both the Brain Death
   Protocol and procedures for determining death in DCD, and should be given
   the same status as the current Brain Death Protocol. This accurately reflects
   the growing practical importance of donation after determination of death
   based on circulatory criteria, and ends the asymmetry in the protocols for
   determining death as enshrined in law for various different forms of donation
   after death.
• To update the Organ Donation Act so that determination of death based on
   neurological and circulatory criteria is mentioned and treated equally under
   the law.
• To periodically revise the proposed guideline to reflect the state of the art, as
   is currently the case for the Brain Death Protocol.
• To adopt and publicise the updated Brain Death Protocol.
Executive summary                                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>8 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>oofdstuk 1
         Inleiding
         Jaarlijks worden er in Nederland van zo’n 250 overledenen een of meer organen
         gedoneerd en gebruikt voor transplantatie. Orgaantransplantatie is een effectieve
         en doelmatige behandeling die patiënten met terminaal orgaanfalen meer kwali-
         teit van leven biedt en levensreddend kan zijn. Donatie van een nier of een deel
         van de lever door een levende donor is eveneens mogelijk en wordt in toene-
         mende mate toegepast. Donatie bij leven is echter niet altijd mogelijk of wense-
         lijk. In zo’n geval is postmortale donatie aangewezen. Daarbij gaat het om
         mensen die zich hebben geregistreerd in het Donorregister of van wie de nabe-
         staanden toestemming geven voor donatie.
              Bij postmortale orgaandonatie verandert iemand van patiënt in donor: de
         behandeling van de patiënt stopt (door zijn overlijden) en gaat over in de zorg
         voor de organen. Daarbij is het van groot belang op een verantwoorde en ondub-
         belzinnige wijze de dood van de potentiële donor vast te stellen, zeker ook omdat
         er sprake kan zijn van tegenstrijdige belangen. Tevens mag de tijd tussen het
         overlijden en het uitnemen van organen niet te lang zijn, omdat onderbreken van
         de bloedcirculatie leidt tot schade aan de organen (nier, lever, hart, longen,
         alvleesklier). Voor weefseldonatie (bijvoorbeeld huid, bot, hoornvlies) is deze
         tijdsdruk minder uitgesproken. Dit maakt postmortale orgaandonatie tot een pro-
         ces dat om grote zorgvuldigheid vraagt. Bewaking van deze zorgvuldigheid stelt
         specifieke eisen aan de ethische, juridische en medische kaders. Voor het
         publieke vertrouwen in orgaandonatie is essentieel dat deze kaders duidelijk zijn,
         net als de manier waarop ze worden nageleefd. Over het vaststellen van de voor-
         Inleiding                                                                          29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>    waarden waaronder dit vertrouwen gewaarborgd wordt, gaat dit advies. Het
    bevat een voorstel voor een richtlijn voor de te volgen procedures bij postmortale
    orgaandonaties.
1.1 Voorgeschiedenis
    De Wet op de orgaandonatie (WOD) stelt regels voor een zorgvuldige uitvoering
    van orgaandonatie. Een belangrijke motivatie achter deze in 1998 ingevoerde
    wet was om de schaarste aan donororganen te verminderen. De wet schrijft onder
    meer voor hoe moet worden vastgesteld of een potentiële donor hersendood is,
    namelijk aan de hand van het door de Gezondheidsraad opgestelde Hersendood-
    protocol. De Gezondheidsraad adviseert periodiek over de stand van de weten-
    schap over methoden en criteria voor het vaststellen van de hersendood, op basis
    waarvan het Hersendoodprotocol steeds wordt aangepast. De laatste aanpassing
    dateert uit 2006.
         De WOD is tot stand gekomen in een situatie waarin het bij postmortale
    donatie overwegend ging om donoren met een onherstelbaar verlies van de func-
    tie van de hersenen, meestal ten gevolge van ernstig hersenletsel, en die mecha-
    nisch beademd werden (hersendode donoren). Het aantal donoren bij wie de
    dood wordt vastgesteld aan de hand van het Hersendoodprotocol loopt de afgelo-
    pen jaren echter gestaag terug. Tegelijkertijd is er een toename te constateren van
    het aantal donoren bij wie de dood is vastgesteld op grond van circulatoire crite-
    ria (stilstand van de bloedsomloop (circulatie) en ademhaling), en die op het
    moment van overlijden niet (meer) mechanisch worden beademd. Specifieke
    wettelijke regels voor het vaststellen van de dood op grond van circulatoire crite-
    ria zijn er nu niet.
         De Gezondheidsraad is in zijn advies Nieuwe wegen naar orgaandonatie uit
    2003 uitvoerig ingegaan op de mogelijkheden van deze vorm van donatie, die
    toen al gezien werd als een veelbelovende weg om het tekortschietend aantal
    orgaandonoren in ons land te doen toenemen. De raad merkte in dat advies op dat
    de WOD niet goed leek toegesneden op de mogelijkheid om organen te verwij-
    deren uit een overledene bij wie de dood is vastgesteld op grond van circulatoire
    criteria, en die ten tijde van het overlijden niet werd beademd. De raad beval aan
    de wet te wijzigen om het vaststellen van de dood op grond van circulatoire crite-
    ria in het geval van een mogelijke postmortale orgaandonatie een zelfde wette-
    lijke status te geven als het vaststellen van de hersendood. Waar in artikel 14 van
    de WOD sprake is van een voornemen tot verwijdering van een orgaan uit een
    ‘beademd stoffelijk overschot’, zou een herformulering van de wetstekst duide-
    lijk moeten maken dat het ook kan gaan om een niet-beademd stoffelijk over-
 0  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    schot. Tevens werd aanbevolen om ook voor het vaststellen van de dood op
    grond van circulatoire criteria in het kader van orgaandonatie een bindend proto-
    col op te stellen met een met het Hersendoodprotocol vergelijkbare wettelijke
    status.
         In reactie op het bovengenoemde advies van de Gezondheidsraad is de facto
    een aantal wijzigingen in de WOD opgenomen. De toenmalige minister van
    VWS was echter van mening dat het niet nodig was artikel 14 aan te passen,
    omdat de letter van de wet een bredere interpretatie niet uitsluit. Wel is onder
    meer vastgelegd dat om de dood van een donor vast te stellen op grond van circu-
    latoire criteria, na het intreden van de circulatiestilstand een no-touch tijd van vijf
    minuten in acht genomen dient te worden, om voldoende zekerheid te hebben dat
    de circulatiestilstand onomkeerbaar is en de dood is ingetreden. Ook was de
    minister van mening dat er in Nederland een algemene standaard zou moeten zijn
    in de vorm van een door de Gezondheidsraad opgesteld protocol voor het vast-
    stellen van de dood op grond van circulatoire criteria, en verzocht hij de Gezond-
    heidsraad dit op zich te nemen.
1.2 Onderwerp van dit advies
    Met het verschijnen van dit advies voldoet de Gezondheidsraad aan het verzoek
    van de minister (zie de adviesvraag, opgenomen als bijlage A). Het advies beant-
    woordt echter tevens aan een bredere vraagstelling die zich ontwikkeld heeft in
    de afgelopen jaren. Verschillende partijen in het veld hebben de wens naar voren
    gebracht om een einde te maken aan de blijvende onduidelijkheid over de (onge-
    lijke) juridische status van de verschillende vormen van postmortale donatie en
    te komen tot overkoepelend protocol dat al deze vormen van postmortale donatie
    bestrijkt. Een dergelijk geïntegreerd protocol geeft dus zowel richtlijnen voor het
    vaststellen van de dood op grond van circulatoire criteria als op grond van her-
    sendood. De andere vraag die zich daarbij voordeed was of het Hersendoodpro-
    tocol, na de laatste aanpassing uit 2006, nog voldeed.
         Dit advies beantwoordt zo een drietal onderling nauw verweven vragen:
    onderbouwing van criteria voor het vaststellen van de dood op circulatoire gron-
    den, een visie op de samenhang tussen de verschillende vormen van postmortale
    donatie, en een gewenste bijstelling van het Hersendoodprotocol.
1.3 Werkwijze
    Ter beantwoording van de oorspronkelijke adviesaanvraag is een commissie (zie
    bijlage B) ‘non-heart beating donatie’ geformeerd, die op 24 november 2011
    Inleiding                                                                               31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>    werd geïnstalleerd, met als opdracht te adviseren over een protocol ter vaststel-
    ling van de dood na circulatoire stilstand. Nadat in de loop van het adviestraject
    duidelijk werd dat een geïntegreerd protocol dat alle vormen van postmortale
    donatie bestrijkt een breed gedragen wens is, ook na toetsing in de Beraadsgroe-
    pen Geneeskunde en Gezondheidsethiek en -recht van de Gezondheidsraad, heeft
    de commissie in juli 2013 een uitbreiding van de adviesvraag aanvaard. Deze
    commissie heeft tevens de wettelijke taak van de Gezondheidsraad op zich geno-
    men om het Hersendoodprotocol periodiek in overeenstemming te brengen met
    de stand van de wetenschap. Al spoedig na het bekendmaken van de laatste bij-
    stelling daarvan in 2006, was de noodzaak voor een nieuwe actualisatie ervan
    gebleken.
        Het deel van dit advies dat gaat over vaststelling van de dood en donatie na
    circulatiestilstand is nieuw; hierover heeft de raad nog niet eerder uitgebreid
    geadviseerd. De commissie heeft zich hierbij gebaseerd op de protocollen die
    thans in de medische praktijk worden gebruikt en deze getoetst aan de stand van
    wetenschap. Verder doet de commissie, zoals gezegd, voorstellen om het
    bestaande Hersendoodprotocol beter in overeenstemming te brengen met de hui-
    dige stand van wetenschap. Voor de juridische aspecten is steun gezocht bij de
    juridische expertise aanwezig in de Gezondheidsraad.
        Het conceptadvies van de commissie is ter consultatie voorgelegd aan organi-
    saties die nauw bij orgaandonatie betrokken zijn, waaronder de Nederlandse Ver-
    eniging voor Neurologie (NVN), de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
    Geneeskunde (NVIC), de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS), de Neder-
    landse Transplantatie Vereniging (NTV), de Nederlandse Vereniging voor Radio-
    logie, en de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVVH). Deze organisaties
    hebben vervolgens op basis van consultatie van enkele specialisten onder hun
    leden, hun commentaar op de voorstellen gegeven. Op grond van deze consultatie-
    ronde hebben nog enkele aanpassingen plaatsgevonden. Onder andere zijn de
    techniche specificaties voor de uitvoering van Transcranial Doppler onderzoek
    aangepast door prof. dr. W.H. Mess, hoogleraar klinische neurofysiologie, Univer-
    siteit van Maastricht, en die voor CT Angiografie door prof. dr. A. van der Lugt,
    hoogleraar neuroradiologie, Erasmus Universiteit, en dr. A.A. Jacobi-Postma,
    radioloog, Maastricht UMC.
1.4 Opzet van het advies
    Hoofdstuk 2 heeft betrekking op postmortale donatie in het algemeen en gaat in
    op gemeenschappelijke elementen in de procedures bij donatie na hersendood en
    dood vastgesteld op grond van circulatoire criteria. Het omvat begripsbepalin-
 2  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>gen, de ontwikkelingen in de postmortale donatie en ethische en juridische
grondslagen. In hoofdstuk 3 wordt beschreven hoe postmortale orgaandonatie in
de praktijk verloopt. Hierin ontleedt de commissie het proces dat leidt naar post-
mortale orgaandonatie, zowel in de situatie dat de dood verwacht wordt (de toe-
stand van een patiënt op de intensive care verslechtert sterk met fatale afloop) als
in de situatie van een onverwachte dood (acute circulatiestilstand). Vervolgens
vertakt het protocol zich, afhankelijk van de wijze waarop de dood van de poten-
tiële donor wordt vastgesteld: hersendood (verwachte dood), dood vastgesteld op
circulatoire criteria na gepland staken van de behandeling (verwachte dood) of
dood vastgesteld op circulatoire criteria na een niet-succesvolle reanimatie
(onverwachte dood). In de hoofdstukken 4, 5 en 6 werkt de commissie het proto-
col verder uit voor de onderscheiden situaties. In hoofdstuk 7 wordt in detail
ingegaan op de juridische aspecten verbonden met dit advies. Hoofdstuk 8 tot
slot bevat de aanbevelingen van de commissie. Als bijlagen zijn opgenomen de
integrale tekst van het volledige, herziene, Hersendoodprotocol, en de overige
twee (deel) protocollen voor het vaststellen van de dood in de twee overige
onderscheiden situaties. De technische procedures die gelden voor het uitnemen
van de verschillende organen zijn in detail beschreven in het Modelprotocol
postmortale orgaan- en weefseldonatie van de Nederlandse Transplantatie Stich-
ting (NTS), hierna te noemen ‘Modelprotocol NTS’. Dat protocol is te vinden op
de website van de NTS (www.transplantatiestichting.nl).
Inleiding                                                                            33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>4 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre> oofdstuk 2
          Postmortale donatie
          Postmortale donatie kan overwogen worden wanneer een patiënt hersendood is
          verklaard of nadat de dood is ingetreden door een onomkeerbare circulatiestil-
          stand. De benadering is in beide situaties verschillend. Tegelijk kennen beide
          vormen ook gemeenschappelijke elementen. Daarop gaat de commissie in dit
          hoofdstuk in.
2.1       Terminologie
          Voor de twee categorieën donoren die in dit advies worden onderscheiden, wor-
          den diverse termen gebruikt. Zo is het in Europa lange tijd gebruikelijk geweest
          om te spreken van non-heart beating donatie als het gaat om donoren bij wie de
          dood is vastgesteld op grond van een afwezige bloedsomloop (circulatie). Dona-
          tie vindt dan plaats terwijl de donor niet (meer) beademd wordt en er dus geen
          hartslag is. Deze term is geïntroduceerd ter onderscheiding van de donor bij wie
          de dood is vastgesteld op grond van neurologische criteria (hersendood), terwijl
          de vitale functies worden ondersteund en het hart blijft kloppen met intacte
          bloedsomloop, de zogenoemde heart-beating donor. Echter, vanaf circa 2000
          vinden in de Amerikaanse wetenschappelijke literatuur de termen donation after
          brain death (DBD) en donation after circulatory death (DCD) – recent aange-
          duid als donation after circulatory determination of death (DCDD) – ingang.
          Inmiddels is deze wijze van benaming in de internationale wetenschappelijke
          literatuur algemeen overgenomen. De commissie sluit zich aan bij deze internati-
          Postmortale donatie                                                              35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>    onale terminologie en hanteert in dit advies de afkortingen DBD en DCD. In de
    Nederlandse omschrijving ervan gebruikt zij de volgende termen:
    • DCD: donatie na vaststelling van de dood op circulatoire criteria
    • DBD: donatie na vaststelling van de dood op neurologische criteria (hersen-
        dood).
    De term ‘hersendood’ verwijst naar de oorzaak van het overlijden van de betrok-
    kene en ook naar de wijze waarop de dood is vastgesteld. Ten tijde van het vast-
    stellen van de hersendood wordt de patiënt beademd en is de lichaamscirculatie
    nog intact.
        De verschillende procedures en criteria voor het vaststellen van de dood zijn
    gerelateerd aan de context waarin de dood van de patiënt intreedt: al of niet ver-
    wacht. In het geval van DBD is de dood altijd verwacht. In het geval van DCD
    kan de dood ook verwacht zijn, na het staken van de behandeling. Bij DCD kan
    de dood echter ook onverwacht zijn, zoals bij een circulatiestilstand in of buiten
    het ziekenhuis. Dit leidt tot een nader onderscheid tussen verwachte (expected)
    DCD en onverwachte (unexpected) DCD. Tot voor kort werden hiervoor vaak de
    termen ‘gecontroleerd’ (controlled) en ‘ongecontroleerd’ (uncontrolled)
    gebruikt. Tijdens de 6th International Conference on Organ Donation after
    Circulatory Death dat in 2013 in Parijs werd gehouden, is echter overeengeko-
    men om voortaan uitsluitend de termen ‘expected’ en ‘unexpected’ te gebruiken.
    Deze begrippen worden nader toegelicht in hoofdstuk 3.
2.2 Een korte geschiedenis van postmortale donatie
    Tijdens de pioniersjaren van de orgaantransplantatie, in de jaren ’50 van de
    vorige eeuw, konden organen uitsluitend worden verkregen van ofwel levende
    donoren, ofwel overledenen bij wie de dood was vastgesteld na een onomkeer-
    bare circulatiestilstand. Tegenover het succes van transplantatie met nieren van
    een levende (verwante) donor, stond de observatie dat organen die na het overlij-
    den waren verwijderd aanzienlijke schade opliepen. Die schade als gevolg van
    zuurstofgebrek in de organen (veroorzaakt door afwezige doorbloeding) had een
    nadelig effect op de uitkomst van de transplantatie.1 Toch werden aanvankelijk
    wereldwijd transplantaties verricht met de organen van donoren bij wie de dood
    was vastgesteld na onomkeerbare stilstand van de circulatie (in de huidige termi-
    nologie: DCD-donoren). Zo vonden in de jaren ’60 de eerste klinische long- en
    harttransplantaties feitelijk plaats met een DCD-donor. Ook in Nederland vonden
    al vroeg niertransplantaties plaats met organen afkomstig van DCD-donoren: tus-
    sen 1970 en 1979 werden in het Academisch Ziekenhuis Groningen 38 nieren
 6  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>geëxplanteerd, die vervolgens (met wisselend succes) werden getransplanteerd
bij patiënten in en buiten het Eurotransplant gebied.2
     In 1967 vond in België de eerste nierdonatie en -transplantatie plaats afkom-
stig van een patiënt bij wie de dood was vastgesteld op grond van neurologische
criteria. Hieraan lag het concept ‘coma dépassé’ (‘voorbij het coma’) van de
Franse neurologen Mollaret en Goulon (uit 1959) als definitie voor de dood van
de persoon ten grondslag.3 Inmiddels waren technieken van mechanische beade-
ming gemeengoed geworden op de intensive care (IC) afdeling. Bij mechanisch
beademde patiënten met ernstige neurologische schade kon zo het stoppen van
ademhaling en bloedcirculatie niet meer als signaal dienen voor het moment van
overlijden. De beademingsapparatuur had immers de ademhaling overgenomen,
en ook de circulatiestilstand die onherroepelijk op het stoppen van de ademha-
ling volgt trad niet meer op. In antwoord op de moeilijkheden die dit opriep bij
het vaststellen van de dood, definieerde een Ad Hoc Committee van de Ameri-
kaanse Harvard Medical School in 1968 het concept ‘hersendood’ (aanvankelijk
nog omschreven als ‘irreversible coma’ en later gewijzigd in ‘brain death’). Dit
hield in dat de dood van het menselijk individu in essentie werd bepaald door het
onherstelbare verlies van de functies van zijn hersenen. Op basis van deze defini-
tie konden, naast de gangbare circulatoire, nu ook specifieke neurologische crite-
ria vastgesteld worden die het mogelijk maakten om eenduidig vast te stellen dat
een patiënt was overleden. Daarna was het beëindigen van de beademingsonder-
steuning ook in juridische zin geoorloofd, want er was immers vastgesteld dat de
patiënt door het verlies van zijn hersenfuncties was overleden, waarmee het stop-
pen van de beademing dus niet de oorzaak kon zijn van het overlijden. In vervolg
op deze Harvard-richtlijnen, kregen de onderscheiden criteria voor het vaststel-
len van de dood (op circulatoire criteria of op neurologische criteria) een wette-
lijke basis, om te beginnen in de VS maar ook in veel andere landen. Benadrukt
moet overigens worden dat de ontwikkeling van deze neurologische criteria voor
het diagnosticeren van de hersendood niet primair bedoeld waren voor het moge-
lijk maken van orgaandonatie, maar vooral voor het kunnen vaststellen van de
dood bij een beademde patiënt. Maar vanzelfsprekend heeft dit de ontwikkeling
van postmortale orgaandonatie wel sterk bevorderd.
     De introductie van het hersendoodconcept als unieke definitie van de dood
van het individu maakte het mogelijk organen voor transplantatie te verwijderen
bij beademde donoren met een intacte bloedcirculatie. Na officiële vaststelling
van de dood kon de mechanische beademing immers worden voortgezet om de
circulatie van zuurstofrijk bloed in de organen in stand te houden, en zo de
levensvatbaarheid van deze organen voor transplantatie te bewaren. Ook werd op
deze wijze voldaan aan de Dead Donor Rule, het onvoorwaardelijke ethische
Postmortale donatie                                                                37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>  beginsel dat donatie pas mag plaatsvinden nadat de donor is overleden, en tevens
  dat de donor niet mag overlijden als gevolg van de uitname van de organen.
       Door de brede acceptatie van het ‘hersendoodconcept’ in de Westerse
  geneeskunde en omdat transplantatie met organen afkomstig van deze donoren
  betere resultaten liet zien, raakte donatie na overlijden door een circulatiestil-
  stand vanaf 1970 vrijwel overal in de Westerse wereld in onbruik. Alleen in Azië
  (met name Japan) en het Midden-Oosten bleef men vanwege juridische, culturele
  en/of religieuze redenen overwegend aangewezen op DCD-donatie bij transplan-
  tatie.
       Vanaf het begin van de jaren ’90 is in Europa en Noord-Amerika de belang-
  stelling voor DCD weer toegenomen. Dit had twee redenen: ten eerste was, door
  het wereldwijde succes van orgaantransplantatie, de vraag naar donororganen
  sterk toegenomen met schaarste tot gevolg. Als antwoord daarop werd gezocht
  naar een uitbreiding van de mogelijkheden voor donatie. Ten tweede zijn er situ-
  aties waarin een patiënt niet voldoet aan de diagnostische criteria voor hersen-
  dood. Vervolgens wordt de beslissing genomen verdere levensondersteunende
  behandeling te staken omdat door zeer ernstige neurologische schade een op her-
  stel gerichte behandeling niet meer mogelijk is en verdere behandeling niet meer
  in het belang is van de patiënt.1 De DCD-procedure maakt het dan mogelijk dat
  de patiënt toch orgaandonor wordt. Inmiddels heeft transplantatie met organen
  van DCD-donoren in enkele landen routinematig ingang gevonden, zij het op
  basis van nogal uiteenlopende protocollen en praktijkrichtlijnen.4 Uit de praktijk
  blijkt dat DCD in die landen heeft geresulteerd in een belangrijke uitbreiding van
  het aanbod van postmortale organen voor transplantatie.
       In 1995 vond in Maastricht een consensusbijeenkomst plaats, met als doel
  meer eenheid te brengen in de bij DCD gehanteerde criteria en praktijk.5 In 1997,
  en opnieuw in 2000, kwam het Amerikaanse Institute of Medicine met aanbeve-
  lingen voor een meer uniform beleid inzake DCD.6 De belangrijkste aanbeveling
  was dat alle donatieziekenhuizen de mogelijkheid voor DCD-orgaan- en weefsel-
  donatie zouden moeten aanbieden en faciliteren op basis van een breed overeen-
  gekomen protocol. In de afgelopen jaren hebben soortgelijke consensus-
  bijeenkomsten plaats gehad in de VS (2005),7 Canada (2006),8 het Verenigd
  Koninkrijk (2010),9,10 en Australië (2007)11. Ook de verwachte dood na euthana-
  sie die in het ziekenhuis plaatsvindt biedt een mogelijke weg naar orgaandonatie,
  en kan als een apart te onderscheiden vorm van eDCD worden beschouwd. Deze
  situatie vormt geen apart onderdeel van de protocollen in dit advies.
8 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>2.3 Drie leidende ethische principes
    De commissie gaat ten aanzien van postmortale orgaandonatie uit van drie lei-
    dende ethische principes:
    1 Bij iedere patiënt met een ernstige bedreiging van vitale functies, voor wie
        het einde van het leven aanstaande lijkt, moet in principe de mogelijkheid
        van orgaandonatie overwogen worden, tenzij er absolute medische contra-
        indicaties aanwezig zijn. Het kan dan gaan om patiënten bij wie het spoedig
        intreden van hersendood wordt verwacht, of bij wie wordt besloten af te zien
        van verdere op herstel gerichte behandeling, dan wel bij wie pogingen tot
        resuscitatie ongewenst (niet-reanimerenverklaring) of niet succesvol zijn. Als
        eenmaal is vastgesteld dat de patiënt of de naasten kiezen voor donatie dan
        bestaat voor de ziekenhuisstaf een inspanningsverplichting om donatie te rea-
        liseren ongeacht waar het overlijden in het ziekenhuis plaats heeft.
    2 Als verwacht wordt dat de patiënt spoedig komt te overlijden (intreden
        hersendood), of als besloten wordt af te zien van verdere ondersteuning van
        vitale functies, dan wel resuscitatiepogingen van de patiënt, en als toestem-
        ming aanwezig is voor orgaandonatie, dan mag naast de gebruikelijke medi-
        sche en verpleegkundige zorg aan de stervende patiënt (einde-leven-zorg), ook
        uitdrukkelijk rekening worden gehouden met zorg voor de kwaliteit van de
        organen (donormanagement – optimalisering van de kwaliteit van de organen).
    3 De zorg voor de kwaliteit van de organen in de stervende patiënt is cruciaal,
        maar mag niet interfereren met de primaire zorg die te allen tijde aan de
        patiënt moet worden geboden om het stervensproces dragelijker te maken.
    De consequentie van deze ethische uitgangspunten is dat zorg voor de donor, niet
    alleen in de stervensfase, maar ook daarna, gezien moet worden als gebruikelijke
    en passende professionele zorg (donorzorg is patiëntenzorg).
2.4 Het vaststellen van de dood
    Een essentieel ethisch beginsel bij postmortale donatie is de hierboven beschre-
    ven Dead Donor Rule.12 De kern van dit beginsel is dat bij een donor de organen
    pas worden verwijderd als de dood met zekerheid is vastgesteld. Het vaststellen
    van de dood van de potentiële donor is dan ook een cruciaal aspect van postmor-
    tale orgaandonatie.
    Postmortale donatie                                                                39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>  Algemene uitgangspunten
  Het vaststellen van de dood bij een persoon is vrijwel overal de exclusieve ver-
  antwoordelijkheid van de medische beroepsbeoefenaar. Het markeert een transi-
  tiemoment in de medische zorg voor het individu, maar ook ten aanzien van zijn
  sociale en juridische status. In medisch opzicht ontvalt de noodzaak en zin om
  vitale medische ondersteuning voort te zetten, en doet de mogelijkheid zich voor
  van orgaan- en weefseldonatie of obductie. In juridische zin is er sprake van het
  verlies van de status van persoon en van individuele rechten, en staan de uitvoe-
  ring van de laatste wilsbeschikking van de overledene en de afhandeling van zijn
  nalatenschap centraal. In maatschappelijke zin moet gezorgd worden voor een
  passende lijkbezorging met bijbehorende sociale en/of religieuze plichten. In
  biologische zin is het sterven van de mens niet een vastomlijnd moment maar
  eerder een (geleidelijk) proces, waarbij de vitale lichaamsfuncties en organen in
  het lichaam in verschillend tempo in verval raken. Het is in onze maatschappij
  aan de arts om het precieze moment te bepalen waarop sprake is van een onom-
  keerbaar en permanent verlies van vitale functies en de dood van de persoon kan
  worden vastgesteld.
      Een eenduidige, universele definitie van ‘dood’ blijkt echter ongrijpbaar.
  Naast het medisch-biologische gezichtspunt, waarbij de dood betekent dat alle
  biologische leven is geëindigd, zijn er juridische, culturele/religieuze en morele/
  filosofische uitgangspunten die hier niet vanzelfsprekend mee samenvallen. Het
  door de wetgever voorgeschreven vaststellen van de dood door een arts gebeurt
  uitsluitend vanuit het medisch-biologische gezichtspunt. Vanuit dat perspectief
  bestaat er brede consensus dat het onderscheid tussen menselijk leven en dood
  anatomisch gelokaliseerd is in de hersenen.13-15 Anders geformuleerd: de dood
  van de mens uit zich in een onomkeerbaar verlies van het vermogen tot bewust-
  zijn, gelijktijdig met een permanent verlies van het vermogen zelfstandig en
  spontaan te ademen.8 Dit zijn essentiële en onvervangbare functies van de herse-
  nen en de hersenstam, en ze zijn bepalend voor de meest basale wijze waarop het
  menselijk organisme ademt en interacteert met zijn omgeving. De dood is het
  directe gevolg van een onomkeerbaar verlies van deze functies in de hersenen,
  door ofwel intracraniële oorzaken als trauma of bloeding, ofwel een extracraniële
  oorzaak zoals een circulatiestilstand, waarbij het verlies aan cerebrale doorbloe-
  ding uiteindelijk ook zal resulteren in onherstelbare schade aan de hersenen en de
  hersenstam. Vanuit deze visie gezien is de dood van elk mens terug te voeren op
  het permanent en onomkeerbaar verlies van de hersenfuncties (dood is per defi-
  nitie hersendood). Dit impliceert echter niet dat neurologische criteria de enige of
  beste methode zijn om de dood vast te stellen, maar betekent dat deze diagnose
0 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>gesteld moet worden aan de hand van de voor de situatie van de patiënt meest
geschikte criteria.
Drie sets criteria om de dood vast te stellen
In een overzichtsartikel in de British Journal of Anaesthesia (2012) beschrijven
Gardiner e.a. een drietal sets van criteria die gebruikt kunnen worden om de dood
van de mens, in medische zin, vast te stellen en waarvan de toepasbaarheid wordt
bepaald door de omstandigheden die de medische beroepsbeoefenaar aantreft.16
Elk van deze sets criteria gaat uit van een onomkeerbaar verlies van het vermo-
gen tot bewustzijn samen met een onomkeerbaar verlies van het vermogen tot
ademen.
Het gaat om de volgende criteria:
a   Neurologische criteria: hierbij worden klinische criteria gebruikt om de dood
    vast te stellen in een situatie van een diep coma, waarbij de ademhaling in
    stand wordt gehouden door mechanische beademing. Het gaat hierbij om het
    onderkennen van een drietal voorwaarden om de dood met zekerheid te kun-
    nen vaststellen:
    1) de oorzaak (etiologie) van de structurele schade aan de hersenen staat vast;
    2) omkeerbare oorzaken die de diagnose kunnen vertroebelen zijn uitgeslo-
    ten;
    3) een klinisch onderzoek van de patiënt heeft plaatsgevonden, waarbij een
    diep coma, apneu (stoppen van de spontane ademhaling) en afwezigheid van
    hersenstamreflexen zijn aangetoond.
    Sinds eind jaren ’60 zijn deze neurologische criteria internationaal geaccep-
    teerd en juridisch verankerd. Ook het Nederlandse Hersendoodprotocol
    gebruikt deze criteria, maar vereist daarnaast aanvullend onderzoek om her-
    sendood definitief te mogen vaststellen.
b   Circulatoire criteria: hierbij gaat het om een hart- en circulatiestilstand. Als
    de bloedcirculatie tot stilstand gekomen is, treedt binnen een tiental seconden
    bewusteloosheid op. Op een termijn van minuten doet zich vervolgens een
    ademhalingsstop voor en ontstaat onherstelbare hersenschade door afwezige
    doorbloeding van de hersenen.17-19 Deze circulatoire criteria voorspellen met
    grote zekerheid het optreden van een permanent verlies van het vermogen tot
    bewustzijn en het vermogen tot spontaan ademen. Ze zijn gebaseerd op de
    wetenschap dat de hersenen massale structurele schade ondervinden wanneer
    de cerebrale circulatie wegvalt. Wanneer de dood wordt vastgesteld op grond
Postmortale donatie                                                                  41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>      van circulatoire criteria in het kader van DCD, is het noodzakelijk om de
      dood vast te stellen op het vroegst mogelijke moment na het optreden van de
      circulatiestilstand waarop dat wetenschappelijk, ethisch en juridisch gerecht-
      vaardigd is. Dit om de periode van warme ischemie (de tijdsduur waarin de
      organen niet worden doorbloed maar wel op lichaamstemperatuur zijn) en
      daaruit voortvloeiende schade te beperken, terwijl het tijdsverloop wel lang
      genoeg is om met voldoende zekerheid de dood te kunnen vaststellen.
  c   Overige somatische criteria: dit zijn criteria waarvan kan worden vastgesteld
      of er aan voldaan is door simpele uitwendige inspectie van het lichaam (stof-
      felijk overschot) zonder dat daarvoor nodig is de levenstekenen of de moge-
      lijke functie van interne organen te onderzoeken. De traditionele criteria zijn
      de aanwezigheid van lijkstijfheid (rigor mortis), scheiding van hoofd en
      lichaam, totale verbranding en ontbinding. In deze gevallen is de dood zo
      zichtbaar ingetreden dat elke poging tot reanimatie achterwege kan blijven.
      In deze situaties is de dood meestal al geruime tijd voor de uiteindelijke vast-
      stelling ingetreden.
  Anders dan voor het toepassen van neurologische criteria, was er lange tijd geen
  sprake van een uniforme en algemeen geaccepteerde richtlijn hoe precies de
  dood na een circulatiestilstand moest worden vastgesteld. Aan een dergelijke
  richtlijn bestond nauwelijks behoefte. Hierbij speelt een rol dat orgaandonatie in
  een patiënt met circulatiestilstand tot enkele jaren geleden op de achtergrond was
  geraakt, zoals hierboven uitgelegd. Pas in 2008 heeft de Engelse Academy of
  Medical Royal Colleges een Code of Practice voor de vaststelling van de dood
  gepubliceerd.20 Deze laat zien dat de wijze van vaststellen van de dood op zowel
  neurologische als circulatoire criteria grote overeenkomsten vertoont, wat een
  weerspiegeling is van het uitgangspunt dat alle criteria voor het diagnosticeren
  van de dood in essentie uitgaan van het onomkeerbare verlies van het vermogen
  tot bewustzijn gecombineerd met het onomkeerbare verlies van het vermogen tot
  ademen.
  Verschillende medische situaties waarin postmortale donatie plaats kan
  vinden
  Er zijn drie duidelijk verschillende situaties waarin postmortale orgaandonatie
  overwogen kan worden. De verschillen vloeien voort uit de wijze waarop de
  donor overlijdt, en zijn afhankelijk van de vraag of dit overlijden wordt verwacht
  (zie ook de paragraaf over terminologie). De eerste situatie is die waarin de dood
  verwacht wordt en het intreden van hersendood wordt vermoed. In dit geval zal
2 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>steeds het Hersendoodprotocol worden uitgevoerd (DBD-procedure). De tweede
situatie betreft een patiënt bij wie van (verdere) behandeling wordt afgezien en
bij wie de circulatiestilstand wordt afgewacht: een ‘verwachte’ (expected) DCD-
procedure (eDCD). In de derde situatie is sprake van een patiënt die onverwacht
komt te overlijden aan een plotselinge hart- en circulatiestilstand in of buiten het
ziekenhuis: een ‘onverwachte’ (unexpected) DCD-procedure (uDCD).
DBD-procedure
Het gaat hierbij om patiënten die met levensbedreigend hersenletsel (bijvoor-
beeld door een ongeval), of met uitgebreide hersenschade na een reanimatie,
CVA of subarachnoïdale bloeding in het ziekenhuis op de IC zijn opgenomen, en
die ten dele of volledig afhankelijk zijn van de beademingsapparatuur. Als op
medische gronden wordt geoordeeld dat de hersenen zodanig beschadigd zijn dat
verdere op herstel gerichte behandeling niet langer zinvol is, kan het moment
intreden waarop wordt vermoed dat de patiënt hersendood is. Indien donatie
wordt overwogen (op grond van medische geschiktheid en aanwezigheid van
toestemming), dient vervolgens in overeenstemming met het Hersendoodproto-
col te worden vastgesteld of de patiënt hersendood is. Blijkt dit het geval dan
wordt de beademing bij de overleden patiënt gecontinueerd (zodat de weefsels
voldoende zuurstof blijven krijgen en afvalstoffen worden verwijderd) tot het
geplande tijdstip waarop de organen worden uitgenomen. Dan wordt de overle-
dene naar de operatiekamer gebracht (terwijl de beademing doorgaat), waar de
uitname-operatie plaatsvindt en de beademing wordt gestopt vlak voordat de
organen worden uitgenomen.
Als een patiënt in bovenstaande situatie niet in aanmerking komt voor donatie
vanwege medische contra-indicaties, of het ontbreken van toestemming voor
donatie, dan wordt het HDP niet gevolgd. De behandelend specialist zal dan na
de klinische diagnose en prognosestelling de kunstmatige beademing staken, en
de patiënt na het intreden van de circulatiestilstand dood verklaren. Vergelijkbare
handelswijzen gelden voor de twee overige situaties hieronder beschreven.
DCD-procedure: de dood wordt verwacht (eDCD)
Bij deze categorie patiënten gaat het eveneens meestal om mensen die ernstig
hersenletsel hebben opgelopen, vaak als gevolg van een ongeval, of om mensen
bij wie een beroerte of hartinfarct is opgetreden. Ook zij zijn gewoonlijk opgeno-
men op een IC en worden mechanisch beademd. Het behandelend team onder-
Postmortale donatie                                                                  43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>  zoekt de patiënt en volgt het beloop van de aandoening. Bij evaluatie van de
  prognose en de behandelopties kan door een multidisciplinair team worden vast-
  gesteld dat verdere op herstel gerichte behandeling niet meer mogelijk is en niet
  in het belang van de patiënt. Echter, de verwachting bestaat dat hersendood niet
  (of niet binnen afzienbare termijn) zal optreden. In die situatie zal het behande-
  lend team overwegen de beademing en andere levensondersteunende behande-
  ling te staken, waardoor de patiënt naar verwachting spoedig zal overlijden. De
  beslissing hierover wordt besproken met de naasten, waarna in overleg een tijd-
  stip wordt bepaald om de beademing en verdere levensondersteunende behande-
  ling te staken. De mogelijkheid van orgaandonatie zal in die situatie ook ter
  sprake gebracht worden. Is er toestemming (van patiënt zelf via het Donorregis-
  ter, van naasten, of van een aangewezen persoon), dan wordt het moment van
  staken van de ondersteunende behandeling zo gepland, dat de naasten in alle rust
  afscheid kunnen nemen. Tot het moment van staken van de beademing en verder
  levensondersteunende behandeling is de patiënt nog in leven. Op het geplande
  tijdstip wordt de beademing gestopt, zal de bloedcirculatie tot stilstand komen,
  en overlijdt de patiënt doordat zijn ademhaling en hartfunctie stoppen. Na het
  optreden van de circulatiestilstand wordt nog vijf minuten gewacht, zonder dat er
  medische ingrepen worden verricht, en daarna wordt de patiënt officieel dood
  verklaard door de behandelend arts. Dan kan begonnen worden met de uitname-
  procedure. Een wezenlijk verschil met de hersendoodsituatie (DBD) is dus dat op
  het moment van de uitname van de organen het hart niet meer klopt, en er geen
  doorbloeding van de organen meer is. Die doorbloeding is cruciaal, want hoe
  langer de organen zonder adequate doorbloeding – en dus zuurstof – zijn, hoe
  meer schade ze oplopen. Na een te lange ischemietijd zijn de organen niet meer
  bruikbaar voor transplantatie. Voor een maximum acceptabele lengte van de
  ischemietijd zijn grenzen overeengekomen die genoemd worden in het Model-
  protocol van de NTS.
  DCD-procedure: de dood komt onverwacht (uDCD)
  Hier gaat het om een wezenlijk andere categorie patiënten dan in de hierboven
  beschreven situaties, namelijk niet om patiënten die al geruime tijd intensief
  behandeld worden op een IC, maar om mensen die acuut een circulatiestilstand
  krijgen, vaak buiten het ziekenhuis, waarna reanimatie wordt ingezet en de
  patiënt naar een afdeling voor spoedeisende hulp (SEH) wordt vervoerd. Als de
  pogingen tot reanimatie niet slagen, zal worden besloten verdere behandeling te
  staken: na een aantal minuten wordt dan de dood officieel vastgesteld. Vervol-
  gens moet met grote spoed worden nagegaan of de overledene (medisch en juri-
4 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>disch) een mogelijke donor is. Indien er geen medische contra-indicaties bekend
zijn en er geen bezwaar is aangetroffen in het Donorregister, zal zo snel mogelijk
een zogenoemde regionale perfusie (zie par. 3.2.3) van de organen op gang wor-
den gebracht. Dit houdt in dat een canule wordt ingebracht in de grote vaten
waardoor de organen nog in het lichaam worden doorstroomd en (meestal)
gekoeld met een speciale vloeistof om ze voor beschadiging te behoeden. Zodra
de perfusie loopt, is er tijd om de verdere procedure te plannen: aanwezigheid
van de naasten, overleg over toestemming voor donatie, afhankelijk van de uit-
komst van raadpleging van het Donorregister, en afscheid nemen door de naas-
ten. Na korte tijd zal, als de toestemming voor donatie is verkregen, de uitname-
operatie worden uitgevoerd.
     Ook in deze situatie geldt dat als de patiënt niet in aanmerking komt voor
donatie vanwege medische contra-indicaties, of het ontbeken van toestemming
voor donatie, de eDCD-procedure niet wordt uitgevoerd. De behandelend specia-
list zal dan na de klinische diagnose en prognosestelling de kunstmatige beade-
ming staken, en de patiënt na het intreden van de circulatiestilstand dood
verklaren.
Verschil in procedure om de dood vast te stellen bij DBD en DCD
Het vaststellen van de dood verloopt wezenlijk anders bij een hersendode
(beademde) patiënt dan bij een patiënt die overlijdt na een circulatiestilstand in
het kader van DCD. Bij een hersendode patiënt vermoedt de neuroloog of neuro-
chirurg reeds op grond van klinisch onderzoek de uitval van de hersenfuncties;
door middel van aanvullend onderzoek wordt dat vermoeden bevestigd. Bij de
DCD-donor verloopt dit diagnostisch proces anders: na het staken van de levens-
ondersteunende behandeling (eDCD) of de reanimatie (uDCD) beoordeelt de arts
het verloop van het stervensproces van de patiënt prospectief. De WOD schrijft
inmiddels voor dat na het intreden van de adem- en circulatiestilstand een tijdsin-
terval in acht wordt genomen, waarin geen (invasieve) handelingen bij de patiënt
worden verricht, en deze uitsluitend wordt geobserveerd: de no-touch tijd. Deze
observatieperiode begint op het moment van intreden van de circulatiestilstand
(in combinatie met reeds bestaande bewusteloosheid en ademstilstand) en eindigt
op het moment dat voldoende zekerheid is verkregen over het permanente en
onomkeerbare karakter van de circulatiestilstand zodat de dood kan worden vast-
gesteld. Het moment waarop de circulatiestilstand optreedt wordt gelijkgesteld
met het begin van de asystolie (weggevallen polsdruk). Het gaat in dit geval om
mechanische asystolie (afwezigheid van waarneembare circulatie). Bij een aan-
getoonde mechanische asystolie kan er nog sprake zijn van resterende (polsloze)
Postmortale donatie                                                                 45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>  elektrische activiteit van het hart gedurende een aantal minuten.21 Niet alleen de
  methoden om de dood na circulatiestilstand vast te stellen, maar ook het aanbe-
  volen tijdsinterval dat in acht genomen moet worden om een onomkeerbaar ver-
  lies van cardiocirculatoire functie (en uiteindelijk ook cerebrale functies) te
  verzekeren, zijn onderwerp van nog steeds durende discussie. In verschillende
  landen worden verschillende richtlijnen voor deze no-touch tijd gehanteerd.22
  Een cruciaal element bij het bepalen van de lengte van het tijdsinterval tussen
  circulatiestilstand en vaststelling van de dood is de in de literatuur beschreven
  kans op het optreden van spontaan herstel van de circulatie: ook wel autoresusci-
  tatie genoemd. De no-touch tijd moet dus voldoende lang zijn om te kunnen uit-
  sluiten dat de circulatie uit zichzelf weer op gang komt. Hierop wordt nader
  ingegaan in hoofdstuk 5.
  Betekenis van ‘onomkeerbaarheid’
  Het vereiste dat er sprake moet zijn van een onomkeerbaar verlies van de hersen-
  functies (bij DBD), waartoe ook geconcludeerd kan worden bij het onherstelbaar
  wegvallen van de circulatoire en respiratoire functies (bij DCD), zorgt vooral in
  het laatste geval voor een probleem van interpretatie. Helaas helpt daarbij niet dat
  geen enkele nationale wetgeving op het gebied van donatie en transplantatie een
  poging doet om de term ‘onomkeerbaarheid’ nader te definiëren. Ook de Neder-
  landse WOD definieert ‘onherstelbaar functieverlies’ niet en het Modelprotocol
  NTS gaat niet nader in op de eis van onomkeerbaarheid van de circulatiestilstand
  bij een DCD-donor.23 Een poging tot nadere definitie is dat de begrippen ‘onom-
  keerbaar’ en ‘onherstelbaar’ (klaarblijkelijk) verwijzen naar een functieverlies dat
  absoluut en permanent is.24-26 Daaraan wordt zeer zeker voldaan in het geval van
  de hersendood die is vastgesteld op neurologische criteria: de geneeskunde
  beschikt niet over mogelijkheden om het volledig functieverlies van de hersenen
  te herstellen. Anders ligt het echter bij de DCD-donor bij wie besloten wordt van
  verdere behandeling af te zien en na staken daarvan de circulatiestilstand af te
  wachten. In die situatie is het technisch mogelijk om de hartactie en daarmee de
  circulatie (tijdelijk) weer op gang te brengen. Het Ethics Committee van het Ame-
  rican College of Critical Care Medicine maakt daarom een onderscheid tussen een
  strikte en een ruime interpretatie van het begrip ‘onomkeerbaar’.6 In de strikte
  interpretatie houdt onomkeerbaar in dat de circulatie en ademhaling niet kunnen
  worden hersteld, ongeacht welke interventie wordt gedaan. Volgens de ruime
  interpretatie kan onomkeerbaar echter ook worden opgevat in die zin dat circulatie
  en ademhaling de facto niet zullen herstellen, juist omdat opzettelijk wordt afge-
  zien van interventies. ‘Onomkeerbaar’ betekent in het geval van eDCD dus dat de
6 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>hartactie niet spontaan herstelt, en ook niet als resultaat van een medische inter-
ventie, omdat die bewust achterwege wordt gelaten (men zou kunnen spreken van
‘intentioneel’ onomkeerbaar). Bernat wijst erop dat in de context van eDCD een
hart- en circulatiestilstand waarbij geen spontaan herstel (autoresuscitatie)
optreedt noch wordt geïntervenieerd (reanimatie), een permanent functieverlies
tot gevolg heeft en dat de hersenen te gronde gaan door zuurstofgebrek en ische-
mische schade. Vanuit een klinische optiek stelt hij daarom dat voor het vaststel-
len van de dood – in de eDCD situatie – ‘een permanente circulatiestilstand’ een
meer geschikte surrogaatmarker is dan een ‘onomkeerbare circulatiestilstand’.27
Met het verstrijken van de minuten leidt deze permanente circulatiestilstand er
ook toe dat het functieverlies (hartslag en ademhaling, alsmede cerebrale circula-
tie) permanent wordt en daarmee ook feitelijk onherstelbaar.28 Het is daarom cru-
ciaal dat bij een eDCD-procedure een periode van observatie (zonder enige
interventie) in acht wordt genomen, die lang genoeg is om zeker te stellen dat de
spontane circulatiestilstand permanent is.
Weer anders ligt het bij uDCD-donoren: wanneer in die situatie een poging tot
reanimatie wordt gestart maar niet slaagt, is dat het daadwerkelijk bewijs dat de
spontane hartactie en circulatie niet hersteld kunnen worden (feitelijk onomkeer-
baar) en het functieverlies dus permanent is. Er bestaan echter bepaalde experi-
mentele vormen van reanimatie, zoals toepassing van extracorporele
membraanoxygenatie (ECMO) waarbij tijdelijk de gehele bloedsomloop als-
mede hart- en longfunctie kunnen worden overgenomen door een machine. De
problemen van interpretatie die dit in het kader van donatie oplevert worden
nader besproken in hoofdstuk 6.
Classificatie DCD
Naast de basale indeling van DCD in eDCD en uDCD die in dit advies wordt
gehanteerd, zijn er ook verschillende onderverdelingen voorgesteld. Deze alterna-
tieve classificaties maken een meer gedetailleerd onderscheid dan de gebruike-
lijke tweedeling in eDCD en uDCD al naar gelang de uiteenlopende situaties
waarin een patiënt na een circulatiestilstand kan overlijden. In het bijzonder geldt
dit voor verschillende situaties waarin uDCD kan plaatsvinden. De plotselinge
hart- en ademstilstand (bijvoorbeeld ten gevolge van een hartinfarct of beroerte)
die tot de reanimatiepogingen leidt, treedt meestal buiten het ziekenhuis op,
waarna de patiënt op de spoedeisende hulp belandt. In andere gevallen kan het een
patiënt betreffen die reeds in het ziekenhuis op de IC wordt behandeld, en bij wie
zich onverwacht een circulatiestilstand voordoet. Dit kan soms ook een patiënt
Postmortale donatie                                                                  47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>  Tabel 1 Maastrichtse classificatie DCD-donoren.a
  categorie       omschrijving                                                       procedure
  1               Overleden bij aankomst (dead on arrival)                           unexpected
  2               Acuut overleden, al dan niet na poging tot reanimatie              unexpected
                  (unsuccesful resuscitation)
  3               Bij spoedig te verwachten overlijden (awaiting cardiac arrest)     expected
  4               Hart/circulatie stilstand bij een heart-beating (HB) donor         unexpected
                  (cardiac arrest while brain dead)
  a    De termen weergegeven in de tabel zijn aangepast aan de thans gangbare terminologie. In de oor-
       spronkelijke classificatie werden ‘expected’ en ‘unexpected’ nog ‘controlled’ respectievelijk
       ‘uncontrolled’ genoemd.
  zijn bij wie reeds de hersendood is vastgesteld, en die – ter voorbereiding op dona-
  tie – verder wordt beademd. Vooral omdat gebleken is dat de kansen op een goede
  uitkomst van de transplantatie mede worden beïnvloed door de omstandigheden
  voorafgaand aan de donatie, zijn voorstellen gedaan voor een alternatieve DCD-
  classificatie die met die omstandigheden rekening houdt. Tijdens een consensus-
  bijeenkomst in Maastricht in 1995 werd door Kootstra een destijds nieuw voorstel
  gedaan voor een indeling van (potentiële) DCD donoren in vier categorieën.5
       Deze Maastrichtse classificatie wordt in wetenschappelijke artikelen nog
  veel gebruikt. In de afgelopen jaren is echter het aantal mogelijkheden en situa-
  ties waarin DCD kan worden overwogen en uitgevoerd verder toegenomen, wat
  aanleiding gaf tot het maken van nader onderscheid. Zo is op grond van de
  Spaanse en Franse ervaring met uDCD een nadere definiëring van Maastricht
  categorie 1 en 2 donoren voorgesteld. Deze houdt rekening met de plaats waar de
  circulatiestilstand is opgetreden, de snelheid waarmee de reanimatiepoging is
  gestart en de procedures die worden toegepast om de circulatie te herstellen/op
  gang te houden (mechanische reanimatie en ECMO).29 Italiaanse artsen stellen
  ook voor om de donoren bij wie ECMO is toegepast als een aparte categorie aan
  te duiden.30 Als mogelijk verdere uitbreiding heeft de Belgische Transplantatie
  Raad voorgesteld een aparte categorie te maken voor ‘donatie na euthanasie’.31
       Recent is door Detry en collega’s voorgesteld om de aanpassing en uitbrei-
  ding van de DCD-classificatie in te passen in de oorspronkelijke Maastricht-clas-
  sificatie van Kootstra, met het doel een overzichtelijk en consistent systeem te
  bereiken.32 Daarbij is het streven geen geheel nieuwe categorieën toe te voegen
  maar de nieuwe mogelijkheden en situaties bij de bestaande categorieën onder te
  brengen (als subcategorie), met uitzondering van een nieuwe categorie 5 (DCD
  na euthanasie: medically-assisted circulatory arrest). Een belangrijk uitgangs-
8 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>    punt bij deze indeling is de mate van ischemische schade waaraan de organen
    blootstaan en de klinische gevolgen daarvan.
    DCD en de Dead Donor Rule
    Sommige critici betogen dat vooral verwachte DCD (eDCD) strijdig zou zijn met
    de ethische/morele beginselen die samengevat zijn in de DDR (zie hierboven).12
    Deze critici vragen zich af of het besluit om tot donatie over te gaan na het opzet-
    telijk staken van de ondersteunende therapie, gevolgd door vaststellen van de
    dood op circulatoire criteria, nog wel strookt met de uitganspunten van de DDR.
    Weliswaar gaat het bij eDCD om patiënten met zeer ernstige en onherstelbare neu-
    rologische schade, die – tevergeefs – behandeld worden met levensondersteu-
    nende therapie (beademing), maar strikt genomen is niet voldaan aan de
    procedurele eisen voor hersendood. Op dit vraagstuk wordt nader ingegaan in
    hoofdstuk 5.
    Overigens zijn er ook critici die de ethische houdbaarheid van de DDR zelf ter
    discussie stellen. Hun stelling is dat het moreel verdedigbaar is dat organen wor-
    den uitgenomen bij een patiënt bij wie de dood (nog) niet met zekerheid is vast-
    gesteld, maar die wel in de laatste fase van het stervensproces verkeert, mits deze
    patiënt daarvoor een geldige toestemming heeft gegeven. Het belang van orgaan-
    behoevende patiënten en de inherente schaarste aan bruikbare organen zou dat in
    hun ogen moreel en maatschappelijk rechtvaardigen.26,33-35 Ook staat de DDR
    volgens sommigen aan het verlenen van optimale einde-leven-zorg in de weg.36
2.5 Postmortale orgaandonatie in Nederland
    In de periode waarin orgaandonatie bij een hersendode patiënt algemene accepta-
    tie kreeg, werd dat als de meest geschikte vorm van donatie gezien, omdat het dan
    vaak mogelijk was meerdere goed doorbloede en daardoor levensvatbare organen
    te verkrijgen. In de praktijk blijkt echter dat hersendood als uitkomst van de
    behandeling een zeldzaam fenomeen is: onderzoek laat zien dat in 2000, over heel
    Europa, gemiddeld bij slechts 7,8 procent van alle patiënten die op de IC overlij-
    den, de hersendood werd gediagnosticeerd (met een geografische variatie van 3,2
    procent in Noord-Europa tot 12,4 procent in het Zuiden).37 Gebleken is verder dat
    sindsdien, door een betere preventie van onder meer beroerte door behandeling
    van hypertensie en vaatziekten, en ook door effectievere behandeling van neurolo-
    gische aandoeningen, het feitelijke aantal patiënten dat hersendood raakt in de
    meeste westerse landen, waaronder Nederland, significant is afgenomen.38
    Postmortale donatie                                                                  49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>  Inmiddels evenaart het aantal DCD-procedures het aantal DBD-procedures.
  Figuur 1 hieronder laat zien hoe in Nederland tussen 1996 en 2013 het aantal her-
  Figuur 1 Aantallen DBD- en DCD-donoren in Nederland 1996-2013. Bron: Jaarverslag NTS 2013.
  sendode donoren (DBD) bij wie daadwerkelijk een orgaan is uitgenomen, bijna
  is gehalveerd. In de jaren daarna is er een lichte toename te zien, als gevolg van
  grote inspanningen in de ziekenhuizen om de donorherkenning en het toestem-
  mingspercentage te verbeteren.
  Daarentegen is in de afgelopen vijftien jaar het aantal DCD-donoren sterk toege-
  nomen, met een afvlakking na 2005. In 2013 waren er 105 geëffectueerde DBD-
  donoren, waarbij minimaal één orgaan is uitgenomen en gebruikt voor transplan-
  tatie en 150 geëffectueerde DCD-donoren (NTS jaarverslag 2013). De introduc-
  tie van DCD-donatie heeft er zo mede voor gezorgd dat een sterke achteruitgang
  in het aantal transplantaties is voorkomen. Dit geldt met name voor niertrans-
  plantaties maar in veel mindere mate voor levertransplantaties. In 2013 was van
  de 150 geëffectueerde DCD-donoren iets meer dan de helft (76) alleen nierdonor,
  maar van de 105 geëffectueerde DBD-donoren waren dat er slechts 7 (en de ove-
  rigen multi-orgaandonor). Verder is er de afgelopen jaren een sterke toename
  geweest van het aantal levende donoren, vooral nierdonoren. In 2013 was meer
  dan de helft (58 procent) van de getransplanteerde nieren afkomstig van een
  levende donor (NTS jaarverslag 2013).
0 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>         Dankzij toenemende expertise en verbeterde technieken kan tegenwoordig
    bij een DCD-donor ook een multi-orgaandonatie plaatsvinden. Behalve nier-
    transplantaties, worden daardoor in ons land ook steeds meer transplantaties van
    andere organen met een DCD-donor verricht. Zo heeft met name het longtrans-
    plantatie-programma geprofiteerd van DCD-donatie. Tabel 2 geeft deze ontwik-
    keling weer.
2.6 Postmortale orgaandonatie in andere landen
    Afgezien van de verschillen in populatieopbouw en sterfte, verschilt de praktijk
    van donatie tussen landen door andere regelgeving, specifieke culturele en ethi-
    sche opvattingen over de dood, en door verschillen in medische zorg aan het
    levenseinde. In sommige landen, zoals Duitsland, vindt DCD vanwege juridische
    beletsels helemaal niet plaats. In andere landen wordt alleen eDCD (Verenigd
    Koninkrijk, Letland, België) of juist alleen uDCD (Frankrijk, Spanje, Italië) toe-
    gepast. In Europa voeren nu tien landen een DCD-programma. In vijf van deze
    landen geeft DCD inmiddels een relatief belangrijke uitbreiding van het donatie-
    en transplantatiepotentieel. Uit een onderzoek onder 27 Europese landen in 2011
    kwam naar voren dat naast de tien landen die toen al DCD verrichten, er nog tien
    overwogen een DCD-programma te starten; zeven hadden geen plannen in die
    richting.39,40
         De bijdrage van DCD aan de totale donorpool laat een uiteenlopend beeld
    zien. In de landen met de hoogste DCD-activiteit, zoals Nederland en het Ver-
    enigd Koninkrijk, die echter een relatief lage DBD-donoropbrengst per miljoen
    inwoners hebben, zorgen deze donoren voor een aandeel van 30-50 procent van
    Tabel 2 Aantal transplantaties met DBD- en DCD-organen in Nederland 2010-2013.a
    Transplantatie         donortype     2010         2011           2012           2013
    Nier                   DBD           244          196            229            165
                           DCD           129          202            220            247
    Nier + lever           DBD              5            1             1              4
                           DCD              0            1             0              0
    Lever                  DBD           100           86             99             80
                           DCD            16           36             36             48
    Long                   DBD            53           41             51             50
                           DCD            13           27             29             38
    Pancreas               DBD            11           13             10             11
                           DCD              0            3             2              2
    Nier + pancreas        DBD            14           16             24             16
                           DCD              0            4             1              2
    a    Bron: Jaarverslag NTS 2013.
    Postmortale donatie                                                                  51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>  de totale postmortale donorpool. In Spanje en Frankrijk, met een relatief klein
  DCD-programma (uitsluitend uDCD), maar een hoog aantal DBD-donoren per
  miljoen inwoners, is het DCD-aandeel in de totale donorpool 3-6 procent.
      Buiten Europa hebben alleen Japan, Australië en de Verenigde Staten een
  langlopend DCD-programma; ook in Canada, Nieuw Zeeland en China is recent
  DCD geïntroduceerd. In Japan vormen DCD-donoren zelfs vrijwel de enige bron
  van postmortale organen voor transplantatie, omdat hersendood als criterium
  voor vaststellen van de dood voor orgaandonatie daar om culturele redenen nau-
  welijks geaccepteerd wordt.
      In de landen met de langstlopende en omvangrijkste DCD-programma’s
  neemt het aantal en soort organen dat op die manier wordt verkregen gaandeweg
  toe. In landen die vooral eDCD toepassen, worden naast de nieren ook andere
  organen (lever, long, pancreas) uitgenomen en getransplanteerd. Een bijzondere
  positie neemt Spanje in dat ook andere organen dan nieren (lever, long) trans-
  planteert van uDCD-donoren. Van een DCD-donor worden gemiddeld twee
  organen verkregen, tegenover 3,5 organen van een DBD-donor. De benutting van
  DCD-donoren (het percentage donoren van wie tenminste één orgaan is getrans-
  planteerd) ligt aanzienlijk hoger in landen waar voornamelijk eDCD wordt
  gebruikt. Uit onderzoek komen de volgende cijfers naar voren over de benutting
  van DCD-donoren in 2008: 68 procent in Frankrijk, 77 procent in Spanje, 90 pro-
  cent in België en Nederland, en 93 procent in het Verenigd Koninkrijk.39
2 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>oofdstuk 3
         Postmortale orgaandonatie in
         de praktijk
         In dit hoofdstuk worden de wegen beschreven die naar postmortale donatie lei-
         den. In het bijzonder wordt ingegaan op het tijdsverloop van het proces. Start-
         punt is de patiënt met een slechte prognose op basis van ernstige hersenschade
         van wie verwacht wordt dat hij spoedig zal overlijden, of de patiënt bij wie reani-
         matie na een circulatiestilstand geen positief resultaat heeft. Ook patiënten met
         een hoog cervicale dwarslesie die afhankelijk zijn van mechanische beademing,
         of met ernstig (niet cerebraal) orgaanfalen kunnen na overlijden orgaandonor
         worden; in het algemeen betreft het dus patiënten op een intensivecareafdeling
         bij wie verdere medische behandeling als niet meer zinvol wordt beoordeeld en
         om die reden gestopt wordt. In dit proces zijn verschillende fasen te onderschei-
         den, zoals evaluatie van de situatie, het vragen van toestemming en communica-
         tie met de naasten*, en de zogenoemde einde-leven-zorg. Ook euthanasie biedt
         een mogelijke weg naar orgaandonatie.
              De nadruk in dit hoofdstuk ligt op het donatieproces. In de volgende hoofd-
         stukken gaat de commissie nader in op de medische details en de feitelijke vast-
         stelling van de dood bij de diverse vormen van donatie.
         In de WOD worden de volgende categorieën naasten en nabestaanden genoemd: echtgenoot, geregis-
         treerde partner of andere levensgezel, meerderjarige bloedverwanten tot en met de tweede graad, en,
         indien de voorgenoemde niet bereikbaar zijn, meerderjarige aanverwanten tot en met de tweede graad
         (WOD, artikel 11). Om verwarring te voorkomen wordt in dit document steeds de term ‘naasten’
         gebruikt (of nabestaanden wanneer de patiënt overleden is), ook wanneer het om een gebruik in bre-
         dere zin gaat dan de strikt juridische. De context maakt dan duidelijk wat bedoeld wordt.
         Postmortale orgaandonatie in de praktijk                                                            53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>      De verschillende wegen die naar donatie kunnen leiden, en de wijze waarop die
      zich tot elkaar verhouden, zijn schematisch weergegeven in figuur 2. Dit schema
      laat in een geïntegreerde vorm zien hoe een protocol voor postmortale donatie is
      opgebouwd en wat de plaats is van elk van de deelprotocollen voor de drie
      onderscheiden vormen van postmortale donatie.
3.1   Elementen van het donatieproces wanneer de dood wordt verwacht
      De elementen van het donatieproces worden hier een voor een besproken, waar-
      bij figuur 2 als leidraad dient.
3.1.1 Achteruitgang ondanks intensieve behandeling
      Vrijwel altijd vindt de behandeling plaats op een intensivecareafdeling. Het gaat
      meestal om patiënten met ernstig hersenletsel ten gevolge van een bloeding, een
      infarct of trauma of als gevolg van zuurstoftekort na een reanimatie. Het hersen-
      letsel is zo ernstig dat de vitale functies ondersteuning of vervanging behoeven;
      de patiënt wordt beademd en vaak is ook ondersteuning van de circulatie nodig.
      Ondanks de inzet van optimale behandeling toont de patiënt in een dramatische
      klinische toestand geen enkele verbetering, of is er een snelle en sterke achteruit-
      gang met geen enkel uitzicht op herstel. Omdat contact met de patiënt in dit sta-
      dium niet (meer) mogelijk is, vindt nu overleg met de naasten plaats over het
      behandelplan.
3.1.2 Multidisciplinair overleg en beslissing voor einde-leven-zorg
      De prognose en de mogelijkheden en onmogelijkheden van verdere behandel-
      stappen worden geëvalueerd. Dit gebeurt vrijwel altijd in multidisciplinair over-
      leg waaraan alle betrokken behandelaars (intensivisten, neurologen,
      neurochirurgen, internisten, chirurgen, verpleegkundigen en anderen) deelne-
      men. De evaluatie is gebaseerd op diagnostiek die in de voorafgaande uren of
      dagen is verricht in het kader van de patiëntenzorg, met als doel de meest
      geschikte behandeling vast te stellen in het belang van de patiënt.
           In dit overleg staat de vraag centraal of verdere behandeling nog in het
      belang van de patiënt is. Ook de inzichten van de naasten spelen een belangrijke
      rol bij de beantwoording van deze vraag. De mening van de patiënt wordt meege-
      wogen, indien bekend op basis van een schriftelijke verklaring of volgens infor-
      matie van de naasten.
 4    Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>iguur 2 Overzicht van deel protocolen.
          Postmortale orgaandonatie in de praktijk 55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>  Bij deze evaluatie (multidisciplinair overleg) zijn er drie mogelijke uitkomsten.
  Ten eerste kan besloten worden dat verdere curatieve behandeling in het belang
  is van de patiënt. In dat geval wordt de curatieve behandeling voortgezet. Indien
  gewenst, kan in een later stadium opnieuw een evaluatie plaatsvinden. Ten
  tweede kan de situatie zich voordoen dat een betrouwbare beoordeling niet goed
  mogelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer er sprake is van neurodepressie ver-
  oorzaakt door geneesmiddelen die zijn toegediend om hersenschade te beperken.
  Die situatie bemoeilijkt de beoordeling of verdere behandeling nog in het belang
  van de patiënt is. Immers, tot de toediening van geneesmiddelen die als doel heb-
  ben neurodepressie te bewerkstelligen werd besloten in het belang van de patiënt.
  Wanneer de toestand van de patiënt na de toediening van de medicatie verder
  achteruit gaat, kan de beslissing worden genomen om de medicamenteuze neuro-
  depressie te staken. Om tot een definitief besluit over voortzetten van de IC-
  behandeling (zonder neurodepressie) te komen moet er rekening mee worden
  gehouden dat na toediening van neurodepressie-inducerende medicatie de beoor-
  deling moeilijk kan zijn.
      Ten derde kan in het multidisciplinair overleg worden vastgesteld dat verdere
  behandeling medisch gezien niet meer zinvol is, en dus niet meer in het belang
  van de patiënt. De patiënt komt dan in een fase terecht waarin einde-leven-zorg
  (end-of-life care) wordt verleend, en waarbij een specifieke zorgbenadering
  gevolgd wordt. Bij deze einde-leven-zorg worden de volgende maatregelen
  genomen (NVIC End-of-Life Richtlijn, 2009 (www.nvic.nl)):
  a afzien of nalaten van bepaalde of totale intensieve behandeling
  b staken van bepaalde of totale reeds ingestelde intensieve behandeling
  c het anticiperen op, en behandelen van voor de patiënt, diens naasten of de
      hulpverleners belastende symptomen die optreden na het afzien of staken van
      de behandeling.
  De beoordeling en de beslissingen die daaraan voorafgaan (multidisciplinair
  overleg), zijn het cruciale moment in het zorgpad van een ernstig zieke intensive-
  carepatiënt zonder uitzicht op herstel die mogelijk in aanmerking komt voor een
  donatieprocedure. Essentieel is dat het besluit om over te gaan tot einde-leven-
  zorg geheel los staat van de vraag of de patiënt orgaandonor kan en wil zijn. De
  verantwoordelijkheid voor deze beslissing ligt geheel bij het behandelteam, en
  bij dit multidisciplinair overleg dient daarom geen enkel lid van het donatie- of
  transplantatieteam betrokken te zijn.
      Wanneer in multidisciplinair overleg is besloten dat doorbehandelen niet
  meer in het belang van de patiënt is, worden de naasten daarvan op de hoogte
6 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>      gebracht. Daarbij wordt het besluit toegelicht en voorgesteld de op herstel
      gerichte therapie te staken (te abstineren).
3.1.3 Voorlopige beoordeling donorgeschiktheid, raadplegen van register, toe-
      stemming vragen, en gesprek met naasten
      Nadat door het behandelteam het besluit tot staken/afzien van verdere op herstel
      gerichte behandeling bij een patiënt is genomen en met de naasten is besproken,
      zal eerst op grond van de voorgeschiedenis en actuele medische situatie een
      (voorlopige ) beoordeling plaatsvinden op geschiktheid als mogelijke donor.
      Indien het oordeel is dat er geen medische redenen zijn die donatie in de weg
      staan, wordt de mogelijkheid van donatie met de naasten besproken, nadat eerst
      het Donorregister is geraadpleegd.
           Voorop staat dat voor een patiënt is komen vast te staan dat er rechtsgeldige
      toestemming voor donatie is, respectievelijk er geen bezwaar is tegen donatie. In
      overeenstemming met de Nederlandse wetgeving inzake orgaandonatie (WOD)
      dient daarbij het Donorregister geraadpleegd te worden op de aanwezigheid van
      een wilsbeschikking. Deze raadpleging mag, krachtens de WOD, plaatsvinden
      als duidelijk is dat het overlijden onafwendbaar en nabij is. Wordt in het Donor-
      register een expliciete toestemming aangetroffen dan geldt dit als een rechtsgel-
      dige basis voor de beslissing tot donatie en kunnen de naasten geïnformeerd
      worden over de verder te volgen procedure, zonder dat hun toestemming vereist
      is. Een expliciet bezwaar in het Donorregister leidt uiteraard tot het afzien van
      stappen in de richting van donatie, en kan ook niet door naasten en nabestaanden
      verworpen worden. Heeft de potentiële donor aangegeven dat hij de beslissing
      over donatie overlaat aan de nabestaanden, dan wel aan een specifiek aangewe-
      zen persoon, dan zal hen de vraag voorgelegd moeten worden of zij in donatie
      toestemmen. Dezelfde procedure wordt ook gevolgd wanneer in het Donorregis-
      ter geen enkele wilsbeschikking aanwezig is of de wilsbeschikking tijdelijk
      geblokkeerd is (in geval van mutaties): de beslissing komt dan toe aan de nabe-
      staanden.
           Tot 2013 was een belangrijke juridische consequentie van een beslissing door
      de nabestaanden, dat deze pas formeel toestemming mochten geven nadat de
      patiënt was overleden. Een wetswijziging ingevoerd in 2013 maakt het mogelijk
      om donatie bespreekbaar te maken al voordat de dood is vastgesteld (Stb. 2013,
      200). Volgens de gewijzigde WOD mag donatie met de naasten worden bespro-
      ken ‘wanneer redelijkerwijs vaststaat dat de persoon binnen afzienbare tijd zal
      overlijden’.41 Formeel kan toestemming voor donatie echter pas worden gegeven
      ‘na het vaststellen van de dood’ (WOD, artikel 20, lid 3).
      Postmortale orgaandonatie in de praktijk                                           57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>           In het belang van de implantatie van organen bij de toekomstige ontvanger
      kunnen bij een orgaandonor zowel vóór als na zijn overlijden maatregelen
      getroffen worden om de kwaliteit en levensvatbaarheid van de organen te behou-
      den en te verbeteren (zie toelichting hier onder). Dit betreft onder meer invasieve
      interventies, zoals het het koelen van de organen in het lichaam direct na overlij-
      den. Omdat het van belang is dat de naasten van de donor op de hoogte zijn van
      het doel daarvan (niet zijnde de geneeskundige behandeling van de donor), heeft
      de wetgever het nodig geoordeeld om in de WOD de juridische basis en recht-
      vaardiging voor dit type interventies nader vast te leggen. Dit om te voorkomen
      dat over de vraag of deze maatregelen toegestaan zijn onduidelijkheid bestaat.
           Bij een negatieve beslissing over donatie (bezwaarmaking in Donorregister)
      wordt de einde-leven-zorg voortgezet en zal de patiënt overlijden zonder dat
      donatie plaatsvindt.
           Indien er toestemming van de patiënt in het Donorregister aanwezig is, of er
      bij de naasten een positieve intentie bestaat, dient aan de naasten zorgvuldig het
      vervolgtraject te worden uitgelegd. Afhankelijk van de situatie zal dat ofwel vol-
      gens het Hersendoodprotocol (DBD) verlopen (zie hoofdstuk 4), ofwel via het
      eDCD-protocol (zie hoofdstuk 5). Ook moet goed uitgelegd worden dat het vol-
      gen van de protocollen niet vanzelfsprekend altijd tot een donatieprocedure leidt.
3.1.4 Voorbereidende handelingen ter beoordeling geschiktheid organen
      De volgende stap die nu gezet wordt, is een nadere beoordeling of iemand poten-
      tieel geschikt is als donor. Daartoe wordt nu een onderzoek gedaan naar de staat
      waarin de verschillende organen verkeren. Om dit laatste te kunnen beoordelen is
      het nodig bepaalde medische verrichtingen uit te voeren, die vallen onder het
      begrip ‘voorbereidende handelingen’. Het gaat daarbij om handelingen zoals bij-
      voorbeeld het afnemen van bloed voor bloedonderzoek, beeldvormend onder-
      zoek (röntgenfoto van de longen, het maken van een echo van de lever en het
      hart), of eventueel andere onderzoeken.
           Deze handelingen zijn toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende
      voorwaarden: ‘de voorbereidingen zijn niet strijdig met de behandeling, uitstel
      tot na het vaststellen van de dood is niet mogelijk en naasten hebben geen
      bezwaar gemaakt tegen de voorbereidingen’ (WOD, artikel 22, lid 2). Ook geldt
      dit in afwachting van contact met de naasten wanneer hun toestemming vereist
      is, en wanneer zij nog niet zijn bereikt.
           Op basis van de actuele medische gegevens, de resultaten van het onderzoek,
      en de medische voorgeschiedenis wordt nu beoordeeld of er minimaal één
      orgaan geschikt is voor transplantatie. Dit gebeurt aan de hand van de door de
 8    Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>      professie opgestelde medische geschiktheidscriteria en contra-indicaties (zoals
      beschreven in het Modelprotocol NTS). Deze criteria bepalen of de patiënt als
      donor geschikt is en welke organen voor transplantatie in aanmerking komen. Dit
      is mede van invloed op vervolgbeslissingen over de wijze waarop de organen
      zullen worden verwijderd (keuze uitnametechniek).
          In dit traject kan ook vooroverleg plaatsvinden met de transplantatiecoördi-
      nator, met het oog op de toewijzing van organen.
3.1.5 Overige voorbereidende medische handelingen
      Naast verrichtingen die tot doel hebben de geschiktheid voor orgaandonatie te
      bepalen, zijn er verrichtingen (zowel voor als na overlijden) die tot doel hebben
      de conditie van de potentiële donor te stabiliseren en te verbeteren, en zo moge-
      lijke schade aan de organen als gevolg van ischemie te beperken. Tot deze cate-
      gorie verrichtingen behoren het in stand houden van de mechanische beademing
      en ondersteuning van de circulatie. Deze verrichtingen kunnen essentieel zijn
      voor het behoud van de kwaliteit en levensvatbaarheid van de organen, en wor-
      den dus verricht in het belang van de toekomstige ontvanger(s) van de organen.
      De volgende maatregelen kunnen aan de orde zijn: aanpassing van de beademing
      (zuurstofconcentratie) en van de bestaande toediening van infuusvloeistoffen,
      bloedproducten en medicamenten; het instellen van nieuwe therapie (bijvoor-
      beeld infectiebehandeling met antibiotica of ondersteuning met inotropica of het
      toedienen van vasopressine bij diabetes insipidus); toediening van vaatverwij-
      ders (fentolamine) of systemische heparinisatie is soms aangewezen maar
      gebeurt niet routinematig, met het oog op mogelijke schade bij de patiënt.42 Ook
      het alvast inbrengen van femorale intravasculaire canules (onder lokale anesthe-
      sie) met het oog op snelle orgaanpreservatie ter voorkoming van ischemische
      schade aan de organen vlak na overlijden behoort tot de voorbereidende medi-
      sche handelingen.
          Bij de vraag welke handelingen in aanmerking komen, geldt als richtlijn dat
      er enerzijds geen risico bestaat op pijn bij de patiënt, en anderzijds dat met de
      handelingen niet gewacht kan worden tot de dood is vastgesteld.
          In het verleden spitste de vraag of er ruimte was voor pre-mortem interventies
      zich vooral toe op de beoordeling welke medische handelingen het meest geschikt
      waren voor de organen, en dus voor de toekomstige ontvanger van de organen.
      Meer recent is de aandacht verschoven naar de vraag of deze interventies ook pas-
      sen in de einde-leven-zorg voor de donor, waarbij ook emotionele, culturele en
      religieuze aspecten van de patiënt en zijn naasten worden meegewogen.43
      Postmortale orgaandonatie in de praktijk                                           59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>3.2   Elementen van het donatieproces wanneer de dood niet wordt ver-
      wacht (uDCD)
      Bij dit donatietraject is sprake van een wezenlijk andere uitgangspositie bij de
      donor. Hier gaat het om een patiënt die vanwege een adem- en circulatiestilstand
      wordt gereanimeerd.
3.2.1 Niet-succesvolle reanimatie na een circulatiestilstand
      Indien deze ingezette reanimatiepoging niet het gewenste resultaat heeft, zal
      besloten worden verdere pogingen te staken. Tevens kan dan overwogen worden
      of deze patiënt een orgaandonor kan zijn. Consultatie van het Donorregister geeft
      uitsluitsel of deze persoon een wilsbeschikking ten aanzien van donatie heeft
      laten registreren. In een aantal gevallen zal dan blijken dat de patiënt de donatie-
      beslissing overlaat aan zijn nabestaanden, of geen wilsbeschikking heeft getrof-
      fen, waardoor de beslissing eveneens bij de nabestaanden komt te liggen. In die
      gevallen mogen organen dus niet zonder hun expliciete toestemming worden
      uitgenomen. In de praktijk is het echter vaak zo, dat op het moment waarop de
      patiënt in het ziekenhuis belandt en de reanimatie wordt gestart of voortgezet, er
      nog geen naasten aanwezig zijn. Als in zo’n situatie besloten moet worden de
      reanimatiepogingen te staken op grond van de richtlijnen die daarvoor bestaan
      (zie Hoofdstuk 6), en de optie van donatie in beeld komt en er geen bezwaar is
      geregistreerd in het Donorregister, zullen allereerst met spoed maatregelen wor-
      den getroffen om de organen tegen verval door ischemische schade te bescher-
      men. Dit kan door de organen na overlijden in het lichaam te preserveren door
      toepassing van regionale perfusie (RP) met een koude of normotherme perfusie-
      vloeistof.
3.2.2 Handelingen ter preservatie van de organen
      Regionale perfusie (RP, in-situ perfusietechniek) is een van de methoden die ter
      beschikking staan om de organen zo goed mogelijk te preserveren. Met RP kan
      worden gestart zodra de dood van de donor is vastgesteld (vijf minuten na con-
      stateren circulatiestilstand) en geen bezwaar is aangetroffen in het Donorregister,
      of wanneer in de gevallen hierboven beschreven, de nabestaanden inmiddels zijn
      bereikt en tot donatie hebben besloten. Zodra deze RP functioneert, neemt de
      acute tijdsdruk (voorlopig) af en ontstaat de ruimte die nodig is om met de inmid-
      dels aanwezige (of getraceerde) nabestaanden de mogelijkheid van donatie te
 0    Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>      bespreken. Leidt dat tot de noodzakelijke toestemming dan zal tot uitname van
      de organen kunnen worden overgegaan. Indien de nabestaanden tegen donatie
      besluiten, dan zal de RP worden gestaakt en wordt de verdere donatieprocedure
      niet in gang gezet.
      De huidige wet zegt hierover:
      Art. 22 lid 3: Indien van een persoon geen wilsbeschikking als bedoeld in art. 9 of art. 10 aanwezig is,
      of gebruik gemaakt is van de in de tweede volzin van art. 9, 2e lid, bedoelde mogelijkheid, en de
      betrokkene niet wordt beademd, kunnen vanaf vijf minuten na de onomkeerbare hartstilstand, zolang
      de procedure ter verkrijging van de voor het verwijderen van organen ingevolge deze wet noodzake-
      lijke toestemmingen nog niet heeft geleid tot weigering daarvan, maatregelen worden getroffen om
      organen geschikt te houden voor implantatie.
      Het belang van deze wettelijke regeling is dat deze artsen toestaat bij een patiënt
      die na een niet-geslaagde reanimatie komt te overlijden en een geschikte donor
      is, maar voor wie de nabestaanden nog toestemming voor donatie moeten geven,
      de optie van donatie open te houden totdat de naasten zijn bereikt en een beslis-
      sing hebben genomen. Feitelijk gezien wordt de interventie om de organen
      geschikt te houden voor donatie (RP) losgekoppeld van de eigenlijke donatiepro-
      cedure waarvoor krachtens de wet toestemming van de nabestaanden vereist is.
      Artsen mogen dus te allen tijde besluiten organen te preserveren in afwachting
      van rechtsgeldige toestemming voor donatie, behalve wanneer de patiënt met
      bezwaar staat geregistreerd in het Donorregister.
           Naast RP zijn er nog andere preservatietechnieken, die nader besproken zul-
      len worden in hoofdstuk 6.
3.2.3 Overleg met nabestaanden en verkrijgen van toestemming
      In de periode na het starten van de RP en het treffen van overige maatregelen ter
      voorbereiding van de donatie bij de potentiële donor, zal zo snel mogelijk aan de
      wettelijke toestemmingsvereisten voor uitname van de organen moeten worden
      voldaan. Het is mogelijk, zoals hierboven al geschetst, dat de nabestaanden pas
      geruime tijd ná het overlijden in het ziekenhuis aanwezig zijn.* Zij worden dan
      geconfronteerd met a) het overlijden zelf; b) de vraag naar mogelijke donatie; en
      In principe bestaat ook de mogelijkheid dat de naasten wel getraceerd kunnen worden en gecontac-
      teerd, maar niet aanwezig kunnen zijn in het ziekenhuis (verblijf in buitenland). Telefonische/internet
      communicatie is dan ook toegestaan om toestemming te verkrijgen.
      Postmortale orgaandonatie in de praktijk                                                                 61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>  c) de inmiddels gestarte perfusieprocedure. Deze voor de nabestaanden dramati-
  sche situatie vraagt om een zeer zorgvuldige benadering die erop gericht is aan
  hen uit te leggen dat de optie van donatie nog aanwezig is, een spoedige beslis-
  sing van belang is, en dat het starten van de preservatie-interventie noodzakelijk
  en geoorloofd is. Maar ook dat de nabestaanden nog altijd de mogelijkheid heb-
  ben van donatie af te zien. (Zie ook de aanbevelingen van de UK Donation
  Ethics Committee inzake de bejegening van de nabestaanden).44
  Indien er op grond van een wilsbeschikking in het Donorregister toestemming
  voor donatie is, dient aan de nabestaanden het vervolgtraject te worden toege-
  licht. Hiervoor geldt het uDCD-protocol (zie hoofdstuk 6). Ook moet uitgelegd
  worden dat het volgen van dat protocol niet vanzelfsprekend altijd tot een suc-
  cesvolle donatieprocedure leidt.
2 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre> oofdstuk 4
          Orgaandonatie na vaststelling van
          de dood op grond van neurologische
          criteria (Hersendood; DBD)
          In dit hoofdstuk gaat de commissie in op het protocol dat geldt voor donatie na
          vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria (hersendood). Deze
          situatie doet zich voor, zoals in hoofdstuk 3 is beschreven, wanneer behandeling
          geen enkel uitzicht op herstel biedt en er sterke klinische aanwijzingen zijn dat
          de patiënt hersendood is. De definitieve vaststelling van de dood zal dan verlo-
          pen conform het Hersendoodprotocol.
          Eerst wordt hier een kort overzicht gegeven van de ontstaansgeschiedenis van
          het Hersendoodprotocol (HDP) en de algemene principes waarop het protocol
          gebaseerd is. Vervolgens beschrijft de commissie de redenen waarom nu aanpas-
          sing nodig is, gevolgd door de specifieke wijzigingen die de commissie voorstelt.
4.1       Voorgeschiedenis Hersendoodprotocol
          Het eerste advies van de Gezondheidsraad over hersendoodcriteria uit 1973
          kwam vijf jaar na de publicatie van het rapport van de Harvard-commissie,
          waarin voor het eerst het begrip hersendood gedefinieerd werd en criteria voor
          het vaststellen daarvan werden geformuleerd.45 In die tijd was er, afgezien van
          lichamelijk onderzoek, observatie en anamnese, uitsluitend het EEG dat als hulp-
          middel ter beschikking stond bij de hersendooddiagnostiek.
          Orgaandonatie na vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria (Hersendood; DBD) 63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>  In 1983 volgde een tweede advies van de Gezondheidsraad over hersendoodcri-
  teria.46 Dit advies was veel uitgebreider dan het eerste advies, onderscheidde
  voor het eerst ‘bijzondere omstandigheden’, en ging in op ethische overwegingen
  bij staken van de behandeling. De kern ervan betrof de moeilijkheid van het vast-
  stellen van de dood in bijzondere omstandigheden, waarmee gedoeld werd op
  patiënten die in een irreversibele comateuze toestand verkeren, beademd worden
  en bij wie mogelijk ook de circulatie wordt ondersteund. Vervolgens werden spe-
  cifieke situaties onderscheiden, zoals onderkoeling of ernstige intoxicaties,
  waarin de hersendood niet betrouwbaar vastgesteld kon worden. Het begrip ‘bij-
  zondere omstandigheden’ werd dus in een andere zin gebruikt dan in het nu gel-
  dende Hersendoodprotocol uit 2006. In het protocol uit 2006 is het bestaan van
  een toestand van irreversibel coma en de noodzaak tot beademing juist het uit-
  gangspunt, terwijl bijzondere omstandigheden het volgen van een apart traject
  van aanvullend onderzoek noodzakelijk maken.
       Als aanvullend onderzoek werd in 1983 ook cerebrale angiografie genoemd,
  waarbij werd aangetekend dat deze test wegens mogelijke schade bij de patiënt
  alleen mocht worden ingezet na klinisch onderzoek en het vaststellen van een
  iso-elektrisch EEG. De meerderheid van de commissie (er was geen volledige
  consensus; het advies werd vergezeld van een ‘minderheidsnota’) erkende dat er
  twee alternatieve methoden zijn voor het vaststellen van de dood bij een iso-elek-
  trisch EEG: ofwel herhaling van het EEG na zes uur, ofwel cerebrale angiografie.
  Verder werd een scherp onderscheid gemaakt tussen enerzijds het vaststellen van
  een algeheel functieverlies van de hersenen, en anderzijds het vaststellen dat aan
  een der voorwaarden voor het kunnen bestaan van de hersenfunctie niet (meer) is
  voldaan. Dat laatste had betrekking op het vaststellen dat er geen bloedcirculatie
  meer is in de hersenen.
       In 1996 werden de hersendoodcriteria juridisch ingebed in de WOD (van
  kracht geworden in 1998), in het bijzonder artikel 15 van die wet waarin toepas-
  sing van het Hersendoodprotocol wordt voorgeschreven. Het Gezondheidsraad-
  advies uit 1996 vormt de feitelijke invulling van dat protocol, en presenteert de
  volgens geldend medisch inzicht te hanteren richtlijnen voor het aantonen van de
  hersendood.47 Dit advies was tevens een grondige herziening van het advies uit
  1983. De tussenliggende adviezen van de raad die op orgaandonatie betrekking
  hadden, uit 1987, 1991 en 1995 waren voor het Hersendoodprotocol niet of
  slechts marginaal relevant.
       Het in de wet verankerde Hersendoodprotocol uit 1996 werd ingeleid door
  een gedetailleerde beschrijving van de juridische en maatschappelijke context.
  De rechten en belangen worden besproken aan de hand van de posities van de
  donor, de nabestaanden, de ontvanger en de arts. Daarbij werd benadrukt dat de
4 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>rechten en belangen van de potentiële donor als uitgangspunt zijn genomen. Ook
werd een overzicht gegeven van de stand van de wetenschap met betrekking tot
twee vragen: 1) Wat wordt onder hersendood verstaan? 2) Hoe is die toestand
met zekerheid aan te tonen? Wat betreft de eerste vraag werd de keuze voor het
whole brain death concept nog eens herhaald: er moet een onherroepelijk func-
tieverlies zijn van de gehele hersenen, dus de hersenstam, het verlengde merg en
de grote hersenen. Het gaat erom dat de ‘voor het mens-zijn kenmerkende,
hogere functies van de hersenen zijn geëindigd alsmede de essentiële intermedi-
aire en ondersteunende functies’.
    Een wijziging uit 1996 ten opzichte van het advies uit 1983 is dat herhalen
van een iso-elektrisch EEG na een observatieperiode niet meer nodig geacht
werd, althans bij volwassenen. Verder werd nadrukkelijk het belang geformu-
leerd van het aanhouden van een bepaalde volgorde voor het aanvullend onder-
zoek: “De commissie vindt dat het de voorkeur geniet, medisch risicoloos
onderzoek (EEG) vooraf te laten gaan aan medisch risicodragend onderzoek
(apneutest, cerebrale angiografie).”
    In 1997 namen de minister van VWS en de minister van Justitie het Gezond-
heidsraadadvies over en werd het Hersendoodprotocol wettelijk vastgesteld. Het
protocol trad in werking op 1 maart 1998.
    Werd in de aanbiedingsbrief bij het advies van 1996 nog de verwachting uit-
gesproken dat na een periode van circa vijf jaar herziening van de in het advies
beschreven procedures nodig zou zijn, het zou uiteindelijk tien jaar duren voor-
dat er inderdaad een actualisatie van het protocol werd geadviseerd.
    De herziening van het advies uit 2006 werd vooral ingegeven door proble-
men die zich in de praktijk voordeden bij de hersendooddiagnostiek in bijzon-
dere omstandigheden, zoals behandeling met hersenfunctiedempende
geneesmiddelen, of als bepaalde testen (zoals EEG of apneutest) niet goed uit-
voerbaar zijn. Die eerste situatie doet zich regelmatig voor doordat therapeuti-
sche medicamenteuze neurodepressie meer gangbaar is geworden. Hoewel het
protocol uit 1996 niet goed was toegesneden op dergelijke situaties, biedt de
introductie van nieuwe diagnostische technieken nu meer mogelijkheden. In het
bijzonder zijn er inmiddels veilige en betrouwbare methoden ontwikkeld voor
onderzoek van de hersencirculatie. Transcranieel Doppleronderzoek (TCD) en
CT-angiografie (CTA) werden in het herziene protocol voorgesteld ter vervan-
ging van oudere methoden voor cerebrale angiografie (conventionele angiografie
en digitale subtractie-angiografie). In het advies uit 2006 werd een combinatie
van TCD en CTA voorgesteld ter vaststelling van de hersendood in bijzondere
omstandigheden. Ook kunnen deze methoden ingezet worden voor de hersen-
Orgaandonatie na vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria (Hersendood; DBD) 65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>    dooddiagnostiek bij kinderen, en daarmee de herhaling van onderzoek die tot dan
    toe de standaard was bij jonge kinderen overbodig maken.
4.2 Het begrip hersendood
    Volgens het whole brain death concept wordt de hersendood bepaald door de
    ‘dood’ van de gehele hersenen. Er kan pas sprake zijn van hersendood bij volle-
    dig verlies van de functies van de hersenen, waarin inbegrepen de volledige her-
    senstam. De wet definieert het als volgt:
    Onder hersendood wordt verstaan het volledig en onherstelbaar verlies van de functies van de herse-
    nen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg. (WOD, artikel 14, lid 2)
    Om hersendood vast te stellen moet dan ook aangetoond worden dat zowel de
    functies van de grote hersenen als van de hersenstam permanent zijn uitgevallen.
    Tot nog toe bepaalt dit concept de praktijk in de meeste westerse landen. Een
    belangrijke uitzondering is het Verenigd Koninkrijk, waar hersenstamdood als
    uitgangspunt is genomen. Volgens deze opvatting staat het volledig functiever-
    lies van de hersenstam gelijk aan dood van de hersenen als geheel.48 Met ver-
    schillen in opvatting van wat hersendood is, hangen ook verschillen samen in
    opvatting over hoe hersendood moet worden vastgesteld. In het algemeen dient
    men zich te realiseren dat er tussen landen aanzienlijke verschillen bestaan in de
    vereisten en criteria die gehanteerd worden bij het vaststellen van de hersen-
    dood.49
4.3 Vaststelling hersendood
    Om de problemen die zich voordoen bij het vaststellen van de hersendood te
    illustreren gebruikte de President’s Commission (de Amerikaanse commissie die
    in opdracht van de president adviseert over medisch-ethische vraagstukken) in
    haar rapport uit 2008 de metafoor van het raam waardoor wordt gekeken naar
    tekenen van leven.50 De kunstmatige beademing belemmert het goede zicht
    daarop en in die omstandigheden is een tweede raam nodig. Dat tweede raam
    wordt geboden door de methoden zoals hieronder beschreven.
    In de procedure voor het vaststellen van de hersendood worden in het thans nog
    geldende Hersendoodprotocol (HDP) uit 2006 drie diagnostische pijlers onder-
    scheiden:
 6  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>1    Bepalen of voldaan is aan de prealabele voorwaarden:
     a de oorzaak van het hersenletsel is bekend; het is dodelijk en onbehandel-
          baar
     b er zijn geen mogelijk reversibele oorzaken aan te wijzen voor de functie-
          stoornis, zoals hypothermie, intoxicatie, hypotensie, blokkade van de
          neuromusculaire overgang, ernstige biochemische of metabole stoornis.
2    Klinisch-neurologisch onderzoek (zie tabel 3):
     a vaststellen dat bewustzijn ontbreekt
     b vaststellen dat de hersenstamreflexen ontbreken
     c vaststellen dat er beademingsafhankelijkheid is.
3    Aanvullend onderzoek.
In het protocol uit 2006 worden de volgende vormen van aanvullend onderzoek
genoemd: elektro-encefalografie (EEG), Transcranieel Doppleronderzoek
(TCD), CT-angiografie van de hersenvaten (CTA) en de apneutest. Het protocol
uit 2006 stelt dat in principe altijd een EEG en een apneutest uitgevoerd dienen te
worden. In het geval er sprake is van medicamenteuze neurodepressie, dienen
bovendien TCD en CTA uitgevoerd te worden.
     Van medicamenteuze neurodepressie kan sprake zijn wanneer er geneesmid-
delen zijn toegediend om patiënten te sederen, om verhoogde intracraniële druk
(hersenoedeem) tegen te gaan of om epilepsie (status epilepticus) te bestrijden.
De middelen – sedativa, hypnotica, anesthetica, anti-epileptica – die bij patiënten
met ernstige hersenschade vooral worden gebruikt zijn barbituraten (thiopental,
pentobarbital), propofol (een sedativum-hypnoticum) en benzodiazepines (bij-
voorbeeld midazolam). Deze middelen dempen in feite alle hersenfuncties zoals
het bewustzijn, de reflexen, de elektrische activiteit van de hersenen en de adem-
haling. Vaak wordt om therapeutische redenen bewust gestreefd naar neurode-
pressie. De medicamenten worden dan in hoge doses toegediend om een
kunstmatig coma te induceren of een bestaand coma in stand te houden, met als
doel hersenoedeem en stijging van de intracraniële druk tegen te gaan.51
Tabel 3 Klinisch-neurologisch onderzoek.
Vaststellen van afwezigheid bewustzijn:
   Ontbreken van reacties op (pijn) prikkels, volgens Glasgow Coma Scale (kinderen jonger dan 6
   jaar de pediatrische versie)
Vaststellen van afwezigheid van hersenstamreflexen:
   Geen reacties van de pupillen op licht
   Geen cornea-reflexen
   Geen reacties op vestibulaire prikkels
   Geen hoestreflex
Aanwijzing(en) voor de afwezigheid van spontane ademhaling.
Orgaandonatie na vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria (Hersendood; DBD) 67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>           Wanneer bij een patiënt medicamenteuze neurodepressie is toegepast, wordt
      de beoordeling van de verschillende tests bemoeilijkt, vanwege het (therapeu-
      tisch gewenste) effect van de medicatie op zijn neurologische functies. De dem-
      pende geneesmiddelen kunnen de betrouwbaarheid van het klinisch-
      neurologisch onderzoek en onderdelen van het aanvullende onderzoek (EEG en
      apneutest) negatief beïnvloeden. Geven deze testen een respons, dan kan er geen
      sprake zijn van hersendood, maar omgekeerd garandeert het ontbreken van een
      respons onder neurodepressie niet dat hersendood inderdaad is ingetreden.
           Ook andere omstandigheden kunnen oorzaak zijn waarom een of meerdere
      van deze tests technisch niet goed uitvoerbaar zijn. Er doet zich dan een ingewik-
      kelde beslissituatie voor waarin het thans geldende Hersendoodprotocol geen
      eenduidige raadgever is. Onduidelijk blijft daardoor welke aanvullende onder-
      zoeken vereist zijn, en in welke volgorde deze uitgevoerd moeten worden, om te
      besluiten of iemand met zekerheid hersendood is.
4.4   Kritiek op het Hersendoodprotocl
      Na het verschijnen van het Gezondheidsraadadvies in 2006 kwam er inhoudelijke
      kritiek op het hersendoodprotocol en werden praktische problemen gerapporteerd
      met de uitvoering ervan. De bezwaren tegen het protocol en de praktische proble-
      men waarmee men zich geconfronteerd zag, werden verwoord in corresponden-
      tie, met name tussen vertegenwoordigers van de betrokken beroepsvereniging
      (de NVN) en de Gezondheidsraad en in diverse artikelen.52-54
4.4.1 Inhoudelijke kritiek
      De inhoudelijke kritiek had onder meer betrekking op de noodzaak van het aan-
      vullend onderzoek en op de grote verschillen in de uitvoering van het onderzoek
      wanneer donatie aan de orde is, en wanneer dat niet het geval is. Klinisch onder-
      zoek ter vaststelling van een infauste prognose (situatie zonder uitzicht op her-
      stel), eventueel aangevuld met een apneutest, zou moeten volstaan.
           Door sommige specialisten werd zo gepleit voor een ingrijpende herziening
      van het Hersendoodprotocol. In het bijzonder stellen zij voor om het concept van
      de whole brain death te verlaten en in plaats daarvan de definitie van de hersen-
      stamdood te hanteren, zoals dat in het Verenigd Koninkrijk het geval is. Een
      directe consequentie daarvan zou volgens hun redenering zijn dat aanvullend
      onderzoek niet langer nodig is om de functie van de grote hersenen te onderzoe-
      ken. De commissie neemt dit pleidooi hier niet over. Naar haar mening is deze
 8    Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>      opvatting in Nederland vooralsnog te controversieel om op voldoende draagvlak
      bij de beroepsgroepen te kunnen rekenen.
4.4.2 Praktische bezwaren
      Daarnaast was er kritiek van meer praktische aard. Die komt erop neer dat het
      aanvullend onderzoek in het Hersendoodprotocol te uitgebreid is en de uitvoe-
      ring ervan te complex. In de volgende paragraaf zet de commissie uiteen welke
      problemen zich in de praktijk blijken voor te doen en hoe die kunnen worden
      ondervangen. Over de aanbevolen wijzigingen in het protocol is overleg gevoerd
      met de NVN, waarbij een aantal experts is geraadpleegd. Het nieuwe Hersen-
      doodprotocol is integraal als bijlage bij dit advies toegevoegd (bijlage G).
4.5   Wijzigingen in het Hersendoodprotocol
4.5.1 Aanvullend onderzoek grote hersenen bij patiënten
      Voor patiënten bij wie geen sprake (meer) is van neurodepressie wordt een aan-
      vullend onderzoek van de grote hersenen gedaan, gevolgd door de apneutest.
      Uitgaande van de definitie van hersendood als whole brain death, is het vereist
      eerst een test te verrichten die inzicht geeft in de functie van de grote hersenen.
      De commissie ziet EEG, TCD, en CTA als betrouwbare testen waarmee uitval
      van de grote hersenen bevestigd kan worden. Het uitvoeren van één van deze tes-
      ten volstaat hierbij. Daarin wijkt het nieuwe protocol af van het protocol uit
      2006, dat stelt dat soms meerdere van deze testen na elkaar dienen te worden uit-
      gevoerd in een voorgeschreven volgorde.
          De keuze welke van de drie testen EEG, TCD, en CTA toegepast zal worden,
      hangt in de praktijk af van de beschikbaarheid van expertise op een bepaald
      moment en een bepaalde plaats, en van overwegingen van logistieke aard. Vaak
      zal het EEG de aangewezen test zijn, omdat de expertise ruim aanwezig is. Er
      zijn echter ook gevallen waarin een EEG niet mogelijk is (bijvoorbeeld bij ern-
      stig letsel aan de schedel). Een TCD kan waarschijnlijk op minder plaatsen en tij-
      den worden ingezet, maar heeft als voordeel dat de test eenvoudig aan het
      ziekbed uitgevoerd kan worden. Bij een CTA moet de patiënt vervoerd worden
      van de IC naar de afdeling radiologie. Ook kan het gebruik van contrastvloeistof
      mogelijk schadelijk zijn voor de te transplanteren organen.
          Dat een van de drie testen volstaat, betekent niet dat als het resultaat van de
      gekozen test niet compatibel is met hersendood, aansluitend een andere test inge-
      zet kan worden, net zolang totdat er een compatibel resultaat is verkregen. Dit
      Orgaandonatie na vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria (Hersendood; DBD) 69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>      laat onverlet dat het toelaatbaar is om de hersendoodprocedure na verloop van
      een zekere tijd te herhalen, in de regel na meerdere uren.
4.5.2 Patiënten met neurodepressie
      Een tweede wijziging ten opzichte van het Hersendoodprotocol uit 2006 betreft
      de wijze van handelen als er sprake is van een patiënt met medicamenteuze neu-
      rodepressie. Neurodepressie maakt het beoordelen van twee van de drie funda-
      mentele pijlers van hersendood minder betrouwbaar, namelijk het neurologisch
      onderzoek en de apneutest. Het protocol uit 2006 voorzag in een ingewikkelde
      procedure om dan alsnog met zekerheid vast te stellen dat de hersendood is inge-
      treden door onderzoek te doen naar de hersendoorbloeding met een combinatie
      van TCD en CTA. Met name deze regels van het protocol werden als ingewik-
      keld en moeilijk uitvoerbaar ervaren. Hierdoor is in de praktijk ook variatie ont-
      staan in de uitvoering van het Hersendoodprotocol.
           Om de procedure eenvoudiger te maken en de uitvoering eenduidiger, heeft
      het volgens de commissie de voorkeur om bij patiënten met medicamenteuze
      neurodepressie te wachten totdat de medicamenten voldoende zijn uitgewerkt en
      deze de uitslag van het neurologisch onderzoek niet meer kunnen vertekenen. Dit
      vraagt om een zorgvuldige klinische afweging door de betrokken medische pro-
      fessionals. In sommige landen zijn hiervoor nadere criteria opgesteld. Zo zijn in
      de VS voor elk medicament dat wordt ingezet om neurodepressie te induceren,
      minimumlimieten gesteld aan de tijd die na laatste toedieningen verlopen moet
      zijn, en die gebaseerd zijn op de bekende halfwaardetijden van de geneesmidde-
      len.48 Echter, hoe lang het duurt voordat een geneesmiddel voldoende is uitge-
      werkt, hangt van vele factoren af, waaronder de leeftijd van de patiënt, nier- en
      leverfuncties en eventuele interacties met andere medicatie. Volgens de commis-
      sie is er vooralsnog dan ook onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing voor
      een dergelijk algoritme en moet de beoordeling van de mate van medicamen-
      teuze neurodepressie overgelaten worden aan de expertise van het betrokken
      team van medische professionals, onder wie een intensivist en een neuroloog of
      neurochirurg. Daarbij is het doel om het tijdstip te bepalen waarop met vol-
      doende zekerheid de uitval van de hersenfuncties kan worden vastgesteld.
           Het verdient in de ogen van de commissie aanbeveling om kortwerkende
      sedatie toe te passen. Het toegenomen gebruik van kortwerkende sedatie, die niet
      via lever of nier wordt afgebroken (propofol), en het sterk afgenomen gebruik
      van langwerkende sedatie (barbituraten), maken het overbruggen van de tijd tus-
      sen het staken van neurodepressie en het betrouwbaar vaststellen van de hersen-
      dood tot een overkomelijk probleem.
 0    Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>4.5.3 Vaststelling van de hersendood bij dreigende circulatiestilstand
      Er kan zich ook een situatie voordoen waarin een circulatiestilstand dreigt, ter-
      wijl de neurodepressieve medicatie nog niet is uitgewerkt. In die situatie moet
      naar het oordeel van de commissie een andere procedure worden gevolgd voor
      het vaststellen van de hersendood. Eerst is dan een onderzoek nodig naar de her-
      sendoorbloeding. Voor dit doel kunnen TCD en CTA als gelijkwaardige testen
      worden beschouwd. Als dit onderzoek de afwezigheid van hersendoorbloeding
      laat zien, moet daarna eveneens een apneutest uitgevoerd worden als vast onder-
      deel van het onderzoek naar de hersenstamfuncties. De bevestiging dat de her-
      sendood is ingetreden is in dit geval het aantonen van afwezigheid van
      hersendoorbloeding met de zekerheid dat een algehele circulatiestilstand aan-
      staande is.
4.5.4 Apneutest niet uitvoerbaar
      Als de apneutest (technisch of praktisch) niet uitvoerbaar is, kan hersendood dus
      niet worden vastgesteld. Ook hiermee is sprake van een verschil met het protocol
      uit 2006, waarin een combinatie van TCD en CTA uitgevoerd kon worden in
      situaties waarin de apneutest niet mogelijk is.
4.5.5 Schematische weergave
      De te volgen stappen volgens het geactualiseerde Hersendoodprotocol zijn sche-
      matisch weergegeven in figuur 4 in bijlage G.
4.5.6 Overige wijzigingen
      Naast deze substantiële wijzigingen omvat de huidige bijstelling van het Hersen-
      doodprotocol ook nog enkele kleinere aanpassingen. Dit betreft het volgende:
      • In de beschrijving van de uitvoering van de apneutest wordt in het protocol
          uit 2006 gesteld dat de apparatuur ingesteld dient te staan op druktriggering.
          Echter, op veel IC’s is apparatuur in gebruik die alleen op flowtriggering
          ingesteld kan worden. Vanwege het risico op auto-triggering wordt nu voor-
          gesteld om in dat geval een alternatieve procedure te volgen waarbij de
          beademingsapparatuur wordt losgekoppeld en zuurstof via de tube wordt toe-
          gediend.
      Orgaandonatie na vaststelling van de dood op grond van neurologische criteria (Hersendood; DBD) 71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>      •   De technische beschrijvingen van het EEG, de TCD-test en de CTA zijn in
          overeenstemming gebracht met de huidige ‘state-of-the-art’.
4.5.7 Samenvatting
      Samenvattend begint de voorgeschreven hersendoodprocedure met het vaststel-
      len dat voldaan is aan de prealabele voorwaarden. Vervolgens wordt nagegaan of
      medicamenteuze neurodepressie kan worden uitgesloten. Daarna volgt het kli-
      nisch-neurologisch onderzoek. Dit wordt aangevuld met een test van de status
      van de grote hersenen, waarbij de keuze is tussen EEG, TCD of CTA. De proce-
      dure wordt afgerond met de apneutest.
          De gewijzigde tekst van het Hersendoodprotocol is bijgevoegd als bijlage G
      bij dit document.
          Voor de technische procedures en voorwaarden voor de uitname van indivi-
      duele organen na vaststelling van de hersendood (DBD-procedure) wordt verwe-
      zen naar het Modelprotocol NTS.
 2    Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>oofdstuk 5
         Vaststelling van de verwachte dood op
         grond van circulatoire criteria ten
         behoeve van orgaandonatie (eDCD)
         In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op orgaandonatie na vaststelling van de
         (verwachte) dood op grond van circulatoire criteria (eDCD). Deze situatie doet
         zich voor, zoals beschreven in hoofdstuk 3, wanneer bij een patiënt in zijn belang
         besloten wordt de op herstel gerichte behandeling te staken. Er is tevens toestem-
         ming voor orgaandonatie verleend. Na het beëindigen van de levensondersteu-
         nende behandeling (beademing) wordt de circulatiestilstand afgewacht, waarna
         de dood kan worden vastgesteld. Een hersendoodonderzoek is dan niet aan de
         orde. Een andere situatie waarbij een DCD-procedure kan volgen, is die van een
         patiënt bij wie aanvankelijk wel een sterk vermoeden van hersendood aanwezig
         was en bij wie onderzoek is gedaan of er sprake was van dood op grond van neu-
         rologische criteria conform het hiervoor beschreven Hersendoodprotocol. Indien
         de hersendood aldus niet kan worden vastgesteld, terwijl de prognose infaust is
         en verdere behandeling niet in het belang van de patiënt, kan besloten worden de
         beademing te stoppen. Indien er toestemming is voor orgaandonatie, wordt de
         dood vervolgens vastgesteld op circulatoire gronden.
         Het gaat bij eDCD om een situatie waarin – op grond van een zorgvuldige prog-
         nose – de dood verwacht wordt en het moment van overlijden binnen bepaalde
         tijdsgrenzen kan worden voorzien. Daardoor is er ook gelegenheid om het ster-
         vensproces zo te laten verlopen dat al het mogelijke wordt gedaan om het lijden
         van de patiënt te beperken en de naasten zo goed mogelijk de gelegenheid te
         geven hun wensen kenbaar te maken en afscheid te nemen. De commissie
         Vaststelling van de verwachte dood op grond van circulatoire criteria ten behoeve van orgaandonatie (eDCD) 73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>    beschrijft hierna de verschillende stappen in de procedure, uitmondend in een
    voorstel voor een protocol dat als bijlage E is gegeven. De technische handelin-
    gen bij het uitnemen van de organen en de criteria die gelden voor geschiktheid
    van de organen worden in detail beschreven in het Modelprotocol NTS.
    Ook de verwachte dood bij euthanasie die in het ziekenhuis plaatsvindt biedt een
    mogelijke weg naar orgaandonatie, en kan als een apart te onderscheiden vorm
    van eDCD worden beschouwd. Deze situatie vormt geen apart onderdeel van de
    protocollen in dit advies.
5.1 Het staken van de behandeling
    Een essentieel aspect van het staken van de levensondersteunende behandeling is
    het bepalen van het tijdstip en de plaats van het stopzetten van die behandeling
    door het loskoppelen van de beademingsapparatuur (de switch-off procedure).
    Om te voorkomen dat de organen onnodig lang worden blootgesteld aan ische-
    mie (schade door een tekort aan via het bloed afgeleverde zuurstof) moet de fase
    vanaf het moment van switch-off tot aan de circulatiestilstand en de daaropvol-
    gende uitnameprocedure, zorgvuldig gepland worden. Zo is het voor een moge-
    lijke transplantatie van de lever, longen en pancreas nodig dat het moment van de
    switch-off afgestemd wordt op het tijdstip dat de potentiële ontvangers van deze
    organen al zijn aangewezen en opgenomen in hun respectievelijke transplantatie-
    centra. Daarbij is de keuze van het tijdstip van switch-off ook afhankelijk van de
    wensen van de naasten om afscheid te kunnen nemen, en van de aanwezigheid
    van de behandelend arts (met het oog op de formele vaststelling van de dood).
         De plaats van de switch-off procedure kan de IC-afdeling zijn of een operatie-
    kamer (OK). In ons land is tot nu toe de IC-afdeling als locatie veelal gebruike-
    lijk. Voor de OK wordt alleen gekozen als problemen worden voorzien met het
    vervoer naar de OK direct na het overlijden, die een snelle en efficiënte uitname-
    procedure in de weg staan. Een zwaarwegend medisch argument om te kiezen
    voor de OK is dat daarmee de duur van de periode van warme ischemie wordt
    bekort, wat gunstig is voor de kwaliteit van de organen. In een aantal toonaange-
    vende buitenlandse centra wordt daarom tegenwoordig de voorkeur gegeven aan
    een switch-off op de OK. Er moet echter ook rekening gehouden worden met
    andere factoren, in het bijzonder het belang van de patiënt bij comfort, waardig-
    heid, respect en privacy tijdens de stervensfase; voldoende toegang tot de patiënt
    voor naasten en vrienden; de noodzaak van continuïteit van zorg door het IC-
    behandelteam en een stervensproces dat uit professioneel oogpunt aanvaardbaar
 4  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>    is voor zowel het behandelteam als het OK-team. In Nederland wordt daarom
    niet standaard voor de OK gekozen.
5.2 Tijdsverloop na de switch-off
    Het proces van sterven na het staken van de ondersteunende therapie (de beade-
    ming) wordt gemarkeerd door een aantal cruciale momenten op grond waarvan
    het tijdsverloop verdeeld kan worden in een aantal onderscheiden periodes.
    • de switch-off periode (withdrawal phase of switch-off time): de tijd die ver-
        strijkt vanaf het moment van stoppen van de ondersteuning van de vitale
        functies tot het optreden van de hart- en circulatiestilstand (asystolie)
    • de periode van functionele warme ischemie (true warm ischaemia period):
        de tijdsduur vanaf het moment dat de systolische bloeddruk of de zuurstof-
        saturatie gedurende een langere periode (minimaal twee minuten) beneden
        afgesproken waarden zakt (Modelprotocol NTS: gemiddelde arteriële druk
        (MAP) < 50mmHg), en die duurt tot de start van de perfusie van de organen
        met (koude) preservatievloeistof
    • de asystolische warme ischemische periode (ook bekend als primary warm
        ischaemia time): de tijdsduur vanaf de circulatiestilstand tot aan de start van
        de perfusie van de organen. In Nederland wordt deze periode de ‘1ste warme
        ischemie’ genoemd.
    Een korte duur van de periode van functionele warme ischemie is in hoge mate
    bepalend voor een goede uitkomst van de transplantatie. In de praktijk is er echter
    een aanzienlijke variatie in de duur van deze periode, vooral doordat het optreden
    van een circulatiestilstand na switch off in de tijd sterk kan variëren, van enkele
    minuten tot meerdere uren.55,56 De precieze relatie tussen duur van deze periode
    van warme ischemie en de kans op een gunstige uitkomst van de transplantatie is
    echter nog onvoldoende bekend. Daardoor is het moeilijk om een toelaatbare
    maximumduur van de functionele warme ischemie te bepalen, waarbinnen schade
    aan de organen beperkt blijft. De leeftijd van de donor speelt mede een rol: orga-
    nen van jongere donoren zijn beter bestand tegen een lage bloeddruk dan die van
    oudere donoren. Ook is bekend dat organen van donoren met een voorgeschiede-
    nis van hoge bloeddruk (hypertensie) al bij een bloeddruk ruim boven 50 mmHg
    grotere kans lopen op ernstige ischemische schade. En verder zijn specifieke orga-
    nen in verschillende mate kwetsbaar voor zuurstofgebrek.
        Rekening houdend met deze onzekerheden, zijn richtlijnen opgesteld die
    voor elk type orgaan de maximaal aanvaardbare duur vaststellen van de fases
    waarin ischemie kan optreden. Het Modelprotocol NTS geeft maximale waardes
    Vaststelling van de verwachte dood op grond van circulatoire criteria ten behoeve van orgaandonatie (eDCD) 75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>    voor de tijd die verloopt tussen switch-off en vaststellen van de circulatiestil-
    stand, met daarbij als voorwaarde dat een periode met een MAP < 50mmHg niet
    langer geduurd heeft dan 15 minuten. Bij overschrijding van deze grenswaardes
    moet in principe worden afgezien van het uitnemen van de organen. Er zijn zeer
    ervaren centra waar men met behoud van een goed resultaat deze grens lijkt te
    kunnen oprekken. Uitgangspunt is echter dat als een patiënt niet binnen de aan-
    gegeven tijd overlijdt, van de donatie wordt afgezien en de reeds geplande trans-
    plantaties moeten worden geannuleerd. Dit levert vaak aanzienlijke teleurstelling
    op bij de nabestaanden, maar heeft ook logistieke en financiële gevolgen (zoals
    het afzeggen van een al gereserveerde OK met staf). Om deze redenen bestaat er
    grote belangstelling voor de ontwikkeling van methoden om de vermoedelijke
    tijdsduur tussen switch-off en het optreden van de circulatiestilstand te kunnen
    voorspellen. Methoden die de afgelopen jaren zijn geïntroduceerd om dit tijdsin-
    terval te voorspellen,57-60 zijn echter nog onvoldoende gevalideerd. In een recent
    onderzoek uitgevoerd in zes ziekenhuizen in de VS en Nederland werden in
    totaal 178 patiënten geobserveerd na switch-off in het kader van een eDCD-
    procedure, in alle gevallen na ernstig hersenletsel, met het doel op grond van
    enkele criteria te kunnen voorspellen wie binnen een uur zou overlijden. Bijna de
    helft van de patiënten (82, ofwel 46 procent) overleed binnen een uur. Een com-
    binatie van vier criteria (afwezige corneareflex, afwezige hoestreflex, afwezige
    of abnormale (extensor) motorreflex, oxygenatie-index groter dan 3) bleek een
    goede voorspeller te zijn, met een positief voorspellende waarde van 74 procent
    en een negatieve voorspellende waarde van 77 procent.61 Vooralsnog blijft het
    echter aangewezen om bij iedere potentiële donor een donatieprocedure in gang
    te zetten, met de kans dat deze alsnog moet worden afgebroken.60,62
5.3 Het vaststellen van de dood
    Bij het vaststellen van de dood in het geval van een DCD-procedure doen zich
    andere problemen voor dan bij een DBD-procedure. Over het standpunt dat een
    (niet herstelde) circulatiestilstand vrij spoedig tot de dood van het individu leidt,
    bestaat algehele consensus. Echter over de mogelijkheid om het exacte moment
    te bepalen wanneer de dood intreedt bestaan verschillen van inzicht. Zo is niet
    goed bekend hoe lang het precies duurt voordat de hersenfuncties na de circula-
    tiestilstand volledig zijn uitgevallen. Bovendien moet rekening gehouden worden
    met het verschijnsel van autoresuscitatie.
        Vaststelling van de dood bij eDCD kent twee cruciale componenten: 1) de
    vaststelling dat er sprake is van circulatiestilstand (vergelijk 2.4) en 2) het in acht
    nemen van een bepaalde observatieperiode na vaststelling van de circulatiestil-
 6  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>stand zonder op enige wijze medisch te interveniëren: de no-touch tijd. Het
belang hiervan wordt hieronder toegelicht.
1 Gewoonlijk wordt de dood vastgesteld door de afwezigheid van arteriële pul-
    saties te registreren door de pols te voelen (polsloosheid) of naar de hartslag
    te luisteren. Bij een eDCD-donor is echter een meer diepgaand onderzoek
    vereist, omdat er sprake kan zijn van een nauwelijks hoorbare hartslag of een
    stagnerende circulatie die geen voelbare polsslag geeft vanwege een zeer
    laag hartminuutvolume. De behandelend arts stelt de afwezigheid van waar-
    neembare circulatie en respiratie vast. Om twijfel bij de vaststelling van de
    dood bij eDCD te voorkomen, wordt aanbevolen gebruik te maken van een
    ingebrachte arteriële catheter (vaste arteriële lijn) die veranderingen in de
    arteriële pulsaties en druk met voldoende sensitiviteit en specificiteit meet.
    Daarnaast kan zonodig niet-invasief onderzoek worden toegepast, zoals het
    niet-invasief meten van de bloeddruk, het ausculteren van het hart, een ECG,
    of echocardiografie. Met echocardiografie kan op directe wijze de afwezig-
    heid van een bloedstroom in het hart (aortaklep) worden aangetoond. In aan-
    vulling daarop kan ook met elektrocardiografie het hartritme worden
    gemonitord. Afwezigheid van bloedstroom is hierbij een doorslaggevend cri-
    terium. Er kan immers ook sprake zijn van elektrische activiteit bij afwezige
    mechanische activiteit (geen effectieve ‘output’). Een deskundig beoordeeld
    vlak ECG betekent afwezigheid van circulatie maar dit wordt bij eDCD in de
    praktijk weinig gezien.6,22,63
2 Richtlijnen voor het bepalen van de no-touch tijd worden in sterke mate beïn-
    vloed door de bestaande wetgeving in verschillende landen, die DCD al of
    niet ondersteunt. Het gaat hierbij vaak om een interpretatie van de letter van
    de wet. In 2.4 is al nader ingegaan op de opvattingen en interpretaties inzake
    het vereiste van de onomkeerbaarheid van het uitvallen van de circulatoire en
    respiratoire functies (bij eDCD en uDCD). Hier wordt nader ingegaan op de
    bestaande richtlijnen voor wat betreft de no-touch tijd, die in feite een obser-
    vatieperiode is waarin bij de donor geen actieve invasieve handelingen
    mogen worden verricht. Deze observatieperiode begint op het moment van
    vaststellen dat een circulatiestilstand is ingetreden, en eindigt op het moment
    dat voldoende zekerheid is verkregen over het permanente en onomkeerbare
    karakter van de circulatiestilstand. Op dat moment kan de dood definitief
    (ook in juridische zin) worden vastgesteld. De cruciale vraag is nu wat de
    minimum aanvaardbare duur van deze observatieperiode is.
Een essentiele voorwaarde is dat de no-touch tijd minstens zo lang is dat uitge-
sloten kan worden dat daarna nog autoresuscitatie (spontaan herstel van hartslag
Vaststelling van de verwachte dood op grond van circulatoire criteria ten behoeve van orgaandonatie (eDCD) 77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>  en ademhaling) zal optreden. Daarnaast is de tijd waarna onomkeerbare schade
  aan de hersenen ten gevolge van langdurig zuurstofgebrek bepalend.
       Betrouwbare wetenschappelijke gegevens over het optreden van autoresusci-
  tatie zijn schaars. Het betreft merendeels onderzoeken waarbij patiënten tijdens
  hun sterven met behulp van een ECG of anderszins werden gemonitord. DeVita
  inventariseerde en analyseerde de (veelal anekdotische) bevindingen bij in totaal
  109 patiënten.64 Hoewel deze patiënten na het constateren van polsloosheid,
  ademstilstand en reactieloosheid nog minutenlang enige elektrische activiteit van
  het hart vertoonden, werd bij geen van hen na twee minuten circulatiestilstand
  nog een spontaan herstel van de hartfunctie gezien. De langste periode van circu-
  latiestilstand waarna nog spontaan herstel optrad was 65 seconden.65 Op basis
  van deze observaties deed DeVita de aanbeveling om uit te gaan van minimaal
  twee minuten als veilige duur van de no-touch tijd, mits goed gemonitord, en
  deze aanbeveling is ook door vele centra in de USA en Australië opgevolgd. Het
  Amerikaanse Institute of Medicine (IOM) adviseerde in 1997 een observatieperi-
  ode van ten minste twee en niet meer dan vijf minuten. Een DCD-procedure die
  enige jaren geleden in Denver werd uitgevoerd, en waarbij het hart van een pas-
  geborene werd uitgenomen en getransplanteerd na een no-touch tijd van 75
  seconden, is door vele critici als onacceptabel beoordeeld.66
       In 2010 verscheen een systematische review waarin alle gepubliceerde ver-
  slagen in wetenschappelijke tijdschriften over autoresuscitatie (tot 2008) werden
  beoordeeld volgens strikte uniforme criteria.67 Uit het totaal van 1.265 verza-
  melde verslagen en observaties konden uiteindelijk 27 artikelen worden geselec-
  teerd (betreffende in totaal 32 patiënten) waarin het fenomeen van
  autoresuscitatie op redelijk nauwkeurige en systematische wijze was beschreven
  (hoewel vrijwel al deze studies werden gekwalificeerd als low-level evidence).
  Het ging in alle gevallen om autoresuscitatie die optrad na een niet-geslaagde
  reanimatie, waarbij het optreden van de verschijnselen in duur varieerde van
  enkele seconden tot 33 minuten. In veel van deze gevallen waren echter de duur
  van de observatie en de methode van monitoring weinig consistent en betrouw-
  baar. In acht onderzoeken waarbij wel sprake was van een exacte vastlegging van
  het tijdsverloop en continue ECG-monitoring, werd echter gezien dat autoresus-
  citatie niet meer optrad na zeven minuten na beëindiging van de reanimatie. De
  onderzoekers trokken uit hun review twee conclusies. Ten eerste dat er in een
  situatie van eDCD (waarbij geen reanimatie wordt toegepast) geen betrouwbaar
  (observatiegebaseerd) bewijs voorhanden is van het optreden van autoresuscita-
  tie. Ten tweede, dat de toepassing van cardiopulmonaire resuscitatie (CPR zoals
  bij uDCD) mogelijk van invloed is op het optreden van autoresuscitatie (hierop
  wordt nader ingegaan in hoofdstuk 6). Wat betreft eDCD konden de auteurs zich
8 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>vinden in het in de praktijk hanteren van een no-touch tijd van maximaal vijf
minuten.
    Recent is ook een onderzoek gepubliceerd waarin bij 30 mensen prospectief
tot 30 minuten na het vaststellen van de dood (met behulp van auscultatie van hart
of longen, of het voelen van de pols) intra-arteriëel de bloeddruk werd geregis-
treerd en tevens het ECG. In enkele gevallen werd na het aanvankelijk volledig
wegvallen van de bloeddruk weer enige bloeddruk gezien, maar de langste peri-
ode waarna dat gebeurde, nadat de bloeddruk volledig was weggevallen, was 89
seconden. De hernieuwd optredende geringe bloeddrukfluctuaties hielden nooit
langer dan 172 seconden aan. Bij geen van de patiënten werd werkelijke autore-
suscitatie gezien.63 In een recente retrospectieve studie bij 73 eDCD patiënten
werd, gedurende de vijf minuten durende observatieperiode, geen autoresuscitatie
meer gezien na één minuut.68
    In Europa werd in de Maastrichtse consensusmeeting (1995) aanvankelijk
een no-touch tijd van tien minuten als richtlijn overeengekomen.69 Daarbij werd
het optreden van onomkeerbare ischemische schade aan de hersenen na circula-
tiestilstand en de afwezigheid van cerebrale doorbloeding als criterium genomen.
Meer recent hanteren Nederland, Canada en het VK echter een observatieperiode
van vijf minuten als veilige marge, gebaseerd op zowel het uitblijven van autore-
suscitatie als op het optreden van voortschrijdende schade aan de hersenen als
gevolg van langdurige afwezigheid van cerebrale circulatie. In Italië is thans nog
een no-touch tijd van twintig minuten wettelijk vereist.
    Ten slotte mogen in verband met hetgeen in hoofdstuk 2 gezegd is, na de
switch-off periode geen interventies meer plaatsvinden die mogelijk onbedoeld
leiden tot herstel van de hersencirculatie. Onbedoeld herstel van de cerebrale cir-
culatie, bijvoorbeeld door perfusie met extracorporeel geoxygeneerd eigen
bloed, zou de vaststelling van de dood op circulatoire criteria feitelijk ongeldig
maken in het licht van de criteria die daarvoor zijn vastgesteld.
Vaststelling van de verwachte dood op grond van circulatoire criteria ten behoeve van orgaandonatie (eDCD) 79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>0 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>oofdstuk 6
         Orgaandonatie na vaststelling van
         de onverwachte dood op grond van
         circulatoire criteria (uDCD)
         Ook bij uDCD donatie wordt de dood van de potentiële donor vastgesteld op
         grond van circulatoire criteria, maar de uitgangspositie is een totaal andere dan
         bij eDCD. Een cruciaal verschil is dat bij uDCD sprake is van een patiënt met
         een acute circulatiestilstand, waardoor elk handelen onder grote tijdsdruk komt te
         staan. De reanimatiepogingen om het leven van de patiënt te redden, het vaststel-
         len van de dood en verkrijgen van toestemming voor donatie, alsmede de hande-
         lingen die gericht zijn op het levensvatbaar houden en uitnemen van de organen
         moeten alle binnen korte tijd worden uitgevoerd, en zijn dus niet in de tijd plan-
         baar. Deze tijdsdruk heeft belangrijke verschillen in procedure tot gevolg ten
         opzichte van de eDCD-procedure. Zo is het vaak nodig om maatregelen te nemen
         met het oog op het preserveren van organen nog voordat de definitieve toestem-
         ming van nabestaanden is verkregen, al is wel intussen het Donorregister geraad-
         pleegd en een bezwaar van de zijde van de patiënt uitgesloten. Op het moment
         dat over het in gang zetten van de orgaanpreservatie moet worden besloten, zijn
         er veelal nog geen naasten aanwezig; deze preservatie maakt het mogelijk de
         optie van donatie open te houden totdat de nabestaanden aanwezig zijn en gele-
         genheid hebben gehad om tot een definitief besluit te komen.
         In dit hoofdstuk beschrijft de commissie de verschillende elementen van de
         procedure die in deze situatie gevolgd zou moeten worden. Het daaruitvolgende
         protocol is opgenomen als bijlage F. Voor de technische beschrijving van de pro-
         cedures bij het verwijderen van de organen en de criteria die gelden voor de
         Orgaandonatie na vaststelling van de onverwachte dood op grond van circulatoire criteria (uDCD) 81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>    geschiktheid van de donor/de organen geldt ook hier het vigerende Modelproto-
    col NTS.
6.1 Starten en staken van de reanimatiepogingen
    In het geval van een persoon met een plotselinge circulatiestilstand, zal in de
    meeste gevallen ter plekke onmiddellijk met reanimatie worden begonnen. In
    veel gevallen zal de reanimatie (buiten het ziekenhuis) door een leken-hulpverle-
    ner/omstander (basic life support) zijn gestart en daarna overgenomen door een
    professionele hulpverlener (advanced life support). Wettelijk gezien (Wetboek
    van Strafrecht artikel 450) bestaat er zowel voor omstanders als professionals
    een verplichting om hulp te verlenen of te verschaffen aan een ander die in
    levensgevaar verkeert, tenzij er een geldige reden is daarvan af te zien. Professi-
    onele hulpverleners hebben, op grond van de Wet op de geneeskundige behande-
    lovereenkomst, zowel buiten als in het ziekenhuis de taak een reanimatiepoging
    uit te voeren, zonder dat daarvoor expliciete toestemming van de patiënt nodig is
    (artikel 466 WGBO). In die situatie kan ook besloten worden zo’n reanimatiepo-
    ging te staken of na te laten, onder bepaalde voorwaarden.
         Een cruciale moeilijkheid bij een reanimatie die niet leidt tot (blijvend) her-
    stel van de circulatie, is te bepalen na verloop van hoeveel tijd men mag conclu-
    deren dat de hart- en circulatiestilstand definitief niet reageert op behandeling
    (therapie-ongevoelig is). Wat deze beoordeling complex maakt, is niet alleen ont-
    brekend inzicht in de onderliggende oorzaak van de circulatiestilstand, maar ook
    de onzekerheid omtrent de initiële omstandigheden van de reanimatie (waren er
    getuigen op het moment van de circulatiestilstand, hoe lang en op welke wijze is
    er door omstanders hulp verleend?). Deze vragen blijven bestaan, ondanks de
    aanwijzingen die worden gegeven in de richtlijn van de Nederlandse Reanimatie
    Raad 2008 (Starten, niet starten en stoppen van reanimatie). Daar komt bij dat er
    recent verschillende nieuwe reanimatietechnieken ontwikkeld zijn, deels nog
    experimenteel, zoals extracorporele membraanoxygenatie (ECMO), waarvan de
    effectiviteit nog onvoldoende bekend is. Vooral wanneer een ziekenhuis beschikt
    over voorzieningen voor coronaire revascularisatie, kan een circulatiestilstand
    mogelijk hersteld worden, terwijl die toestand in andere omstandigheden als een
    therapie-ongevoelige situatie kan worden beoordeeld. In de literatuur vindt men
    aanzienlijke verschillen in de criteria om te bepalen of een circulatiestilstand
    therapie-ongevoelig is. Zo wordt in Frankrijk na een circulatiestilstand van 30
    minuten een ECMO-behandeling (gericht op de overleving van de patiënt) nog
    zinvol geacht, terwijl een dergelijke situatie elders als definitief therapie-onge-
 2  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>    voelig wordt beschouwd en aanleiding kan zijn om tot het starten van een
    orgaandonatieprocedure over te gaan.70
6.2 Vaststellen van de dood
    Wanneer na een circulatiestilstand een poging tot reanimatie wordt gestart maar
    niet slaagt – na minstens 30 minuten ‘advanced’ cardiopulmonale resuscitatie bij
    afwezige electrische activiteit op het ECG en afwezigheid van spontane pulsaties
    – mag dat als het daadwerkelijk bewijs gezien worden dat de circulatie niet her-
    steld kan worden en het functieverlies dus permanent is (zie ook 2.4): de patiënt
    kan dood verklaard worden. Toch wordt ook bij uDCD na het staken van de
    reanimatie in Nederland een no-touch tijd in acht genomen, voordat de dood
    wordt vastgesteld. Evenals bij een eDCD-procedure is deze periode bedoeld om
    de mogelijkheid van autoresuscitatie uit te sluiten en om zeker te stellen dat, door
    de afwezigheid van cerebrale doorbloeding, afsterven van de hersenen optreedt.
    Zoals eerder bij de bespreking van eDCD al is beschreven, kan na een langdurige
    (maar vergeefse) reanimatie bij sommige van deze patiënten autoresuscitatie
    optreden, wat zich kan uiten als spontane circulatie gedurende enkele seconden
    tot meerdere minuten.67 Een mogelijke verklaring voor dit zogenoemde Laza-
    rusfenomeen is dat de cardiopulmonale resuscitatie leidt tot dynamische longhy-
    perinflatie, waarbij de veneuze bloedstroom afneemt, maar dat na het staken van
    de reanimatie deze zich weer herstelt. Zoals eveneens eerder is vermeld, zijn in
    een uitgebreide meta-analyse geen observaties gerapporteerd waarin meer dan
    zeven minuten na beëindiging van de reanimatie nog verschijnselen van autore-
    suscitatie zijn gezien.67 Door het geringe aantal observaties en de matige kwali-
    teit van de meeste onderzoeken in deze meta-analyse konden hier echter geen
    conclusies voor een exacte vaststelling van de duur van de no-touch tijd bij
    uDCD aan worden verbonden. In een recente consensus verklaring afkomstig
    van een panel van Amerikaanse deskundigen wordt geconcludeerd dat een peri-
    ode van zeven minuten de vereiste zekerheid geeft, mits er in die periode geen
    enkele poging wordt ondernomen om de circulatie weer op gang te brengen, ook
    niet met het oog op orgaanpreservatie.71 Deze recente consensusverklaring heeft
    de commissie niet overtuigd. In plaats daarvan, neemt de commissie hier het
    standpunt in dat in overeenstemming met de vigerende praktijk in landen die veel
    ervaring hebben met uDCD, een periode van vijf minuten ruim voldoende zeker-
    heid geeft en voor Nederland als richtlijn kan worden aangehouden. Wanneer in
    deze periode geen hervatting van de circulatie is waargenomen, mag de dood
    worden vastgesteld.
    Orgaandonatie na vaststelling van de onverwachte dood op grond van circulatoire criteria (uDCD) 83
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>    Bij uDCD-donoren is er vrijwel altijd sprake van een zekere periode van – niet te
    vermijden – circulatiestilstand en daarbij optredende warme ischemie, voordat
    maatregelen kunnen worden genomen om deze te beperken. Het feit dat er thans
    zeer effectieve maatregelen en interventies beschikbaar zijn, gericht op kunstma-
    tig in gang houden van de circulatie om schade door warme ischemie te beper-
    ken, zorgt tevens voor een dilemma met betrekking tot het vaststellen van de
    dood. Zoals hierna beschreven kleven aan dergelijke procedures ook zekere
    risico’s.71
6.3 Maatregelen om de schade door warme ischemie te beperken: ethi-
    sche dilemma’s
    In de huidige praktijk wordt een aantal experimentele hulpmiddelen toegepast
    om de schade ten gevolge van warme ischemie te beperken. De toepassing hier-
    van is niet onomstreden.
    Mechanische reanimator
    Automated chest compression devices, hulpmiddelen die mechanisch aangedre-
    ven de circulatie bij de patiënt op gang houden, worden in een aantal landen
    ingezet bij reanimatieprocedures, ook buiten het ziekenhuis.70 Ondanks eerdere
    berichten over voordelen van deze methode,72,73 is inmiddels gebleken dat auto-
    matische mechanische compressie na een circulatiestilstand niet tot significant
    betere uitkomsten leidt dan manuele thoraxcompressies.73-76 In twee recente
    internationale richtlijnen wordt het gebruik van deze hulpmiddelen niet routine-
    matig aanbevolen,77,78 maar alleen onder specifieke omstandigheden, zoals bij-
    voorbeeld bij langdurige reanimaties waarbij fysieke uitputting van de
    hulpverleners dreigt (bij hypothermie, vergiftiging, tijdens transport, trombolyse-
    behandeling bij longembolie).74,77 De Nederlandse Reanimatie Raad kwam in
    een recent advies uit november 2014 tot vergelijkbare conclusies (www.reanima-
    tieraad.nl).
         Het gebruik van automatische reanimatie apparatuur bij DCD is recent
    samengevat en geanalyseerd door Hoogland en Wind.59,79
    Regionale perfusie
    Regionale perfusie (RP) is een techniek om organen te preserveren, waarbij deze
    organen worden doorstroomd met hypothermische of normothermische perfusie-
    vloeistof of met geoxygeneerd eigen bloed.
 4  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>Normotherme/hypotherme regionale perfusie (nRP/hRP)
RP van organen met behulp van een double balloon triple lumen-catheter wordt,
net zoals bij eDCD, toegepast om (koude) preservatie van de organen (met name
nieren) nog in het lichaam (in situ) tot stand te brengen. Van deze techniek
bestaan verschillende vormen.80,81 Het inbrengen van een femorale catheter is
een invasieve methode die de commissie aanvaardbaar acht als toegangsweg
voor regionale perfusie met normotherme of hypotherme vloeistoffen.
Regionale perfusie met lichaamseigen bloed
Een andere mogelijkheid is regionale perfusie met lichaamseigen bloed in situ,
waarbij het bloed met behulp van een pomp door een extracorporeel circuit
wordt geleid en met een kunstlong van zuurstof wordt voorzien (RP met eigen
bloed).
     RP met eigen bloed wordt uitsluitend door centra toegepast die zich richten
op orgaandonatie bij uDCD.82,83 Nadat de dood van de patiënt is vastgesteld,
wordt heparine toegediend, worden canules ingebracht in de grote vaten en kan
RP met eigen bloed worden gestart en gecontinueerd totdat de nabestaanden aan-
wezig en geconsulteerd zijn, en er uitsluitsel over donatie is gegeven. Deze RP
met eigen bloed mag langer dan een uur duren, maar voorwaarde voor het slagen
van deze procedure is wel dat bij de patiënt binnen 15-30 minuten na zijn circula-
tiestilstand de reanimatie moet zijn gestart met thoraxcompressies en beade-
ming.82,84 Voordat begonnen wordt met de RP wordt een intra-aortaal geplaatste
ballon opgeblazen als voorzorg om de bloedtoevoer naar hart en hersenen te
blokkeren en de regionale perfusie te optimaliseren.85 Met deze vorm van in situ
preservatie kan doorstroming van de organen met geoxygeneerd bloed in stand
worden gehouden tot aan het moment van uitname, waarmee de warme ische-
mie-tijd aanzienlijk wordt gereduceerd. Magliocca beschrijft hoe op deze manier,
in één centrum, de potentiële donorpool met ruim 30 procent kon worden ver-
groot.86
     Toepassing van de RP-techniek met eigen bloed is echter niet zonder proble-
men. Ten eerste is de procedure invasief. Ten tweede heeft RP potentieel als
risico dat met zuurstof verrijkt bloed naar de hersenen stroomt en daar de circula-
tie weer op gang brengt. Dit kan geïnterpreteerd worden als mogelijk strijdig met
het vereiste van irreversibiliteit en met de DDR. Om tegemoet te komen aan deze
bezwaren zijn methoden ontwikkeld waarbij een herstel van de bloedtoevoer
naar de hersenen wordt voorkomen, zoals met behulp van de eerder genoemde
intra-aortale ballon.86 Bij het toepassen van RP met eigen bloed wordt een extra-
Orgaandonatie na vaststelling van de onverwachte dood op grond van circulatoire criteria (uDCD) 85
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>  corporeel circuit ingezet voorzien van een pomp en een kunstlong waarmee het
  in feite ook mogelijk zou zijn om bij de donor de gehele bloedsomloop, alsmede
  de hart- en longfunctie, volledig of gedeeltelijk over te nemen, zoals dit bij thera-
  peutische ECMO gebeurt.
      Deze vorm van extracorporele orgaanpreservatie moet daarom niet verward
  worden met de extracorporele membraanoxygenatie (ECMO) die als reguliere
  therapeutische interventie bij IC patiënten wordt toegepast, en recent ook (expe-
  rimenteel) als rescue methode bij refractaire reanimaties wordt ingezet, een toe-
  passing die niet wordt aanbevolen voor algemeen routinematig gebruik.77
      Een andere methode voor extracorporele orgaanpreservatie is de ex situ toe-
  passing. Hierbij worden de organen na de uitnameoperatie, dus buiten het
  lichaam, in een perfusiecircuit van geoxygeneerd bloed voorzien, wat vooral bij
  een multi-orgaan donatieprocedure voordelen biedt. Het is nog niet aangetoond
  dat op deze wijze de schade als gevolg van warme ischemie in gelijke mate
  wordt voorkomen of hersteld als bij in situ RP.
6 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>oofdstuk 7
         Juridische aspecten in relatie
         tot de WOD
         In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de juridische aspecten en vragen die de
         procedures van vaststelling van de dood bij orgaandonatie oproepen. In het bij-
         zonder wordt ingegaan op de bepalingen in de huidige Wet op de orgaandonatie
         (WOD) en de knelpunten daarin met betrekking tot de vaststelling van de dood in
         de verschillende situaties die kunnen leiden tot orgaandonatie. Zoals in hoofd-
         stuk 1 reeds vermeld, werd in het advies van de Gezondheidsraad uit 2003 al
         ingegaan op de wenselijkheid de WOD uit 1998 op sommige punten aan te pas-
         sen. In het Modelprotocol NTS, een gedetailleerde handleiding voor alle proce-
         dures die bij transplantatie een rol spelen en dat sinds februari 2015 onderdeel
         uitmaakt van het Protocol Kwaliteit en Veiligheid van de NTS, is aan sommige
         van de knelpunten gedeeltelijk tegemoetgekomen. Dat protocol kan beschouwd
         worden als de weerslag van de huidige donatiepraktijk. Het is daarom eens te
         meer van belang dat wetgeving, praktijk en protocollen optimaal op elkaar zijn
         afgestemd en er geen ruimte is voor verschillen in interpretatie.
              In het volgende zal eerst worden ingegaan op het advies van de Gezondheids-
         raad uit 2003 en de reactie daarop van de toenmalige minister. Daarna worden
         kort de voor dit advies relevante wetswijzigingen samengevat die sindsdien van
         kracht zijn geworden. Vervolgens analyseert de commissie de door haar geïdenti-
         ficeerde problemen in de wetstekst.
         Juridische aspecten in relatie tot de WOD                                        87
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>7.1 De aanbevelingen uit het Gezondheidsraadadvies Nieuwe wegen
    naar orgaandonatie (2003) en de reactie daarop van de minister
    Een hoofdthema van het Gezondheidsraadadvies Nieuwe wegen naar orgaando-
    natie uit 2003 was het signaleren van het toenemende belang van donatie na vast-
    stelling van de dood op circulatoire criteria (destijds nog non-heart beating
    donatie (NHBD) genoemd) en verdere bevordering daarvan om het tekortschie-
    tend aantal orgaandonoren in ons land te doen toenemen. In het advies werd vast-
    gesteld dat de WOD niet goed leek toegesneden op die vormen van
    orgaandonatie: ‘Gezien de zorgvuldigheid waarmee de hersendood medisch en
    wettelijk is gedefinieerd en vastgelegd, zou men mogen aannemen dat eenzelfde
    duidelijkheid bestaat bij de vaststelling van de dood op basis van de ‘klassieke’
    cardiopulmonale criteria. Dit is echter geenszins het geval.’ (p. 210) Met name
    was het de commissie opgevallen dat de WOD weinig rekening hield met de spe-
    cifieke omstandigheden van NHBD. Zo werd er niets gezegd over het precieze
    tijdstip van de dood: ‘Bij lezing van de paragraaf over het intreden van de dood
    (§2, de artikelen 14-17) zou men de indruk kunnen krijgen dat de wetgever er
    van uitgaat dat een orgaandonor steeds een hersendode patiënt is.’ In het advies
    werd daarom aanbevolen de wet te wijzigen om het vaststellen van de dood op
    grond van circulatoire criteria in het geval van een mogelijke postmortale
    orgaandonatie expliciet te benoemen en een zelfde wettelijke status te geven als
    het vaststellen van de hersendood. Dat zou moeten gebeuren in artikel 14, waarin
    de hersendood voor het eerst genoemd wordt (blz. 315-316; voor de tekst van dit
    artikel zie verder). Het advies stelde:
    Uit de formulering van lid 1 en 2 van dit artikel zou duidelijk moeten worden dat eveneens een voor-
    nemen kan bestaan tot verwijdering van een orgaan uit een niet-beademd stoffelijk overschot (non-
    heart-beating donor), in welk geval de dood dient te worden vastgesteld op grond van de gangbare
    cardiopulmonale criteria en methoden voor de vaststelling van een onomkeerbare adem- en circula-
    tiestilstand.
    Overigens was opvallend dat, hoewel de mogelijkheid van (toen nog) NHBD
    nergens expliciet in de wet werd genoemd, daar al wel rekening mee was gehou-
    den in artikel 22, 2e lid van de toenmalige wetstekst. Dit artikel zegt namelijk dat
    Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of artikel 10 aanwezig is, of
    gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin van artikel 9, 2e lid bedoelde mogelijkheid (overlaten
    aan nabestaanden), kunnen na het intreden van de dood die maatregelen worden getroffen die nood-
 8  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>zakelijk zijn om het orgaan voor implantatie geschikt te houden zolang de procedure ter verkrijging
van de voor het verwijderen ingevolge deze wet noodzakelijke toestemmingen nog niet is beëindigd.
Deze bepaling slaat in het bijzonder op de situatie dat bij een patiënt die reeds is
overleden, maar voor wie geen enkele wilsbeschikking inzake donatie is geregis-
treerd, orgaanpreserverende maatregelen kunnen worden gestart en voortgezet
totdat de nabestaanden daarover een besluit hebben kunnen nemen. Dit is het
geval bij uDCD (zie hoofdstuk 3). De mogelijkheid van eDCD was destijds bij
de wetgever nog nauwelijks in beeld.
     De reactie van de toenmalige minister op het voorstel van de Gezondheids-
raad was dat deze een wetsaanpassing (het expliciet noemen van de NHBD) als
zodanig niet nodig vond (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 140, nr.
13, blz. 20). Het hier volledig geciteerde antwoord van de minister was:
Als NHB-donatie tot de mogelijkheden behoort, is het van belang op het vroegst mogelijke tijdstip
vast te stellen dat met zekerheid sprake is van de dood van het menselijk organisme als geheel. Er is
immers haast geboden, omdat de organen bij het ontbreken van doorbloeding snel onbruikbaar wor-
den. Het gaat dus om de vraag op welk moment in het stervensproces van de NHB-donor men mag
aannemen dat een punt van onomkeerbare en totale uitval van vitale functies is bereikt en op grond
van welke tekenen men tot dit oordeel komt. In de geneeskunde is de alom gebruikelijke definitie van
«dood» volgens cardiopulmonale criteria de onomkeerbare stilstand van de bloedcirculatie en de
ademhaling, gevolgd door een definitief verlies van de functies van het centraal zenuwstelsel. Uitein-
delijk gaat het dus ook bij dood volgens cardiopulmonale criteria om de dood van de hersenen. Er is
blijkens onderdeel 14.3.5 van het advies uitvoerig onderzoek gedaan naar het proces van afsterven
van vitale organen als gevolg van het plotseling stoppen van de toevoer van energie, zoals wanneer de
doorbloeding stokt of de zuurstoftoevoer eindigt. Cruciaal daarbij is de bevinding dat tussen twee en
vijf minuten na het intreden van de circulatiestilstand een definitief verlies van de geïntegreerde func-
tie van het menselijk organisme optreedt als gevolg van massale beschadiging van de hersenen. In de
praktijk van een NHB-procedure betekent dit dat niet eerder met preserverende maatregelen mag
worden begonnen dan vijf minuten na het moment dat is vastgesteld dat de dood is ingetreden. In het
komende wetsvoorstel ter wijziging van de WOD zal dan ook een bepaling zijn opgenomen met als
strekking dat indien een donor niet wordt beademd er vanaf vijf minuten na het intreden van de dood
(preserverende) maatregelen kunnen worden getroffen om organen geschikt te houden voor implanta-
tie. Met een dergelijke wetswijziging denken de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en
de Minister van Justitie de potentiële donor een betere rechtsbescherming te bieden dan met de door
de Gezondheidsraad voorgestelde wijziging van artikel 14.
De door de minister voorgenomen wetswijziging is er inderdaad gekomen. In de
volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de toelichting en motivering van de
Juridische aspecten in relatie tot de WOD                                                                 89
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>    minister. Op dit punt zij erop gewezen dat de minister hier dus kennelijk als cru-
    ciaal onderscheid tussen de verschillende vormen van donatie (HB versus NHB)
    hanteert dat het in het ene geval gaat om een beademde patiënt en in het andere
    geval om een niet-beademde patiënt. Een belangrijke toevoeging is ook dat tus-
    sen het moment van intreden van de dood en het starten van orgaanpreservatie
    een periode van vijf minuten gewacht moet worden.
    Verder stelde de Gezondheidsraad in zijn advies uit 2003 voor:
    Het is te overwegen om – ter wille van de duidelijkheid en uniformiteit bij het vaststellen van de dood
    bij non-heart-beating donoren – de Gezondheidsraad te verzoeken een protocol op te stellen voor
    methoden om met zekerheid op cardiopulmonale criteria de dood vast te stellen.
    Waarop de minister antwoordde:
    Wanneer zoals hiervoor aangekondigd, in de WOD zal zijn vastgelegd dat, voordat met preserve-
    rende maatregelen wordt begonnen, vijf minuten wachttijd in acht moet worden genomen, is regeling
    bij of krachtens de wet van de wijze waarop de dood met behulp van cardiopulmonale criteria wordt
    vastgesteld, niet nodig. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal echter wel de
    Gezondheidsraad verzoeken een protocol terzake op te stellen, zodat er voor Nederland een algemeen
    aanvaarde standaard dienaangaande zal zijn.
7.2 De wetswijzigingen van 2006 en 2013
    Zoals blijkt uit de hierboven geciteerde reactie van de minister werd in de voor-
    gestelde wetswijziging, die in 2006 van kracht werd (Stb. 2006, 311), non-heart-
    beating donatie impliciet erkend (met het invoeren van de vijfminutenregel).
    Achterliggende motivatie voor deze wetswijziging was om op grond van prak-
    tijkervaringen verder vorm te geven aan een plan van aanpak om het aanbod van
    donororganen te bevorderen. Het voorstel omvatte dan ook een aantal wetswijzi-
    gingen (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2003/04, 29 494, nr. 3). Van
    belang voor dit advies zijn vooral de wijzigingen die betrekking hebben op de
    voorbereidende en preserverende handelingen die voorafgaan aan donatie, en
    die, volgens de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging, ‘in het veld soms
    tot een defensieve interpretatie’ hadden geleid. Deze wijzigingen, evenals de
    reactie op het advies van de Gezondheidsraad, hebben een uitwerking gekregen
    in aanpassing van artikel 22 van de WOD. In de oorspronkelijke wetstekst kende
    dit artikel twee leden. Het 1ste lid beschreef welke handelingen verricht mochten
    worden ‘vóór het intreden van de dood’, als uit het Donorregister is gebleken dat
 0  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>er toestemming is gegeven. Deze handelingen mochten verricht worden onder
twee voorwaarden: 1) uitstel tot na het intreden van de dood in verband met de
voorgenomen implantatie is niet mogelijk; 2) de handelingen zijn niet strijdig
met de geneeskundige behandeling. Het 2de lid, hierboven geciteerd, gaf aan ‘wat
wel en niet mag als er ten aanzien van een niet-beademde patiënt geen wil[sbe-
schikking] in het register is aangetroffen en bij hem de dood is ingetreden’ (MvT,
p. 14). In het nieuwe voorstel werd nog een 3de lid toegevoegd dat regelde ‘wat er
wel en niet mag als er ten aanzien van een beademde patiënt geen wil in het
register is aangetroffen en de dood is ingetreden’ (MvT, p. 15).
     In het voorstel tot wijziging van de wet werd zo ‘meer expliciet aangegeven
welke handelingen op welk moment mogen worden verricht’, zoals het in stand
houden van de mechanische beademing en de ‘in-situpreservatie ten behoeve van
een zogenaamde non-heartbeating procedure’ (MvT, p. 12). Verder werd dus
‘een onderscheid gemaakt tussen beademde en niet-beademde patiënten’. Vooral
van belang is de aanpassing van het 2de lid van artikel 22 waartoe deze wijzi-
gingsvoorstellen hebben geleid. In dit aangepaste 2de lid van artikel 22 vinden we
de vijfminutenregel:
Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of artikel 10 aanwezig is of
gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin van artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid en de
betrokkene niet wordt beademd, kunnen vanaf vijf minuten na het intreden van de dood, zolang de
procedure ter verkrijging van de voor het verwijderen van organen ingevolge deze wet noodzakelijke
toestemmingen nog niet heeft geleid tot weigering daarvan, maatregelen worden getroffen om orga-
nen geschikt te houden voor implantatie.
Hiermee werd dus, zij het impliciet, aangegeven dat voor het vaststellen van de
dood bij een DCD-donor, een andere procedure aan de orde was dan bij de vast-
stelling van de hersendood.
     Een essentieel probleem dat ook in deze gewijzigde wet bleef bestaan, en in
de praktijk voor interpretatieproblemen heeft geleid (tot het in de hierna te
bespreken wetswijziging van 2013 is weggenomen), is de formulering ‘na het
intreden van de dood’. Volgens de Memorie van Toelichting bij de wetswijziging
van 2006 moest het ‘intreden van de dood’ bij beademde patiënten geïnterpre-
teerd worden als ‘de constatering hersendood op grond van klinisch-neurolo-
gisch onderzoek dat is verricht’ (dus als de uitkomst van de 2de fase van het
Hersendoodprotocol, nog voordat het aanvullende onderzoek, zoals de apneutest,
is gedaan), en bij niet-beademde patiënten als ‘de constatering van afwezigheid
van hartslag en ademstilstand’. Daarna moet dan in het laatste geval een no-touch
tijd van vijf minuten worden aangehouden, waarna begonnen mag worden met
Juridische aspecten in relatie tot de WOD                                                            91
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>  preserverende maatregelen die mogen worden voortgezet ‘voor de duur van de
  tijd die nodig is om de procedures voor het verkrijgen van de benodigde toestem-
  mingen af te ronden’. Hieruit volgt dus dat orgaanpreserverende maatregelen
  steeds mogen worden toegepast, ook in afwezigheid van toestemming voor dona-
  tie, voor de duur die benodigd is om die toestemming te verkrijgen. Wat echter
  niet was toegestaan in afwezigheid van toestemming, was het verrichten van
  voorbereidende onderzoeken om te beoordelen of donatie doorgang kon vinden,
  zoals het afnemen van bloed voor het beoordelen van contra-indicaties of weef-
  seltypering, of het maken van een echo. Dat was alleen geoorloofd indien er toe-
  stemming van de donor zelf was verkregen.
  Wetswijziging uit 2013
  In de praktijk bleek de omschrijving van ‘het intreden van de dood’ en daardoor
  het onderscheid tussen enerzijds het intreden en anderzijds het vaststellen van de
  dood echter zeer verwarrend. Het onderscheid dat de wetgever hier maakte was
  van essentieel belang bij het toestaan van de voorbereidende maatregelen, zoals
  het afnemen van bloed: dat werd vóór de vaststelling van de dood niet toegestaan
  tenzij inmiddels de dood was ingetreden. In de donatiepraktijk werd echter door
  artsen en transplantatiecoördinatoren de formulering ‘het intreden van de dood’
  begrepen als, en gelijkgesteld aan ‘het vaststellen van de dood’. De verwarring
  die daardoor ontstond speelde een belangrijke rol bij het voorstel de wet op dit
  punt opnieuw te wijzigen, wat uiteindelijk in 2013 zijn beslag heeft gekregen
  (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2010/11, 32 711, nr. 3). Deze
  recente wetswijziging was ingegeven door ‘nieuwe medisch-technische ontwik-
  kelingen’ waarmee bij de totstandkoming van de WOD en ook bij de wijziging in
  2006 ‘nog onvoldoende rekening kon worden gehouden’. Centraal stond daarbij,
  zoals gezegd, het al dan niet geoorloofd zijn van voorbereidende onderzoeken,
  zoals het afnemen van bloed, om donorgeschiktheid en aanwezigheid van contra-
  indicaties te kunnen beoordelen. Directe aanleiding was ook een kritisch artikel
  in Medisch Contact, dat in de dagbladpers had geleid tot de alarmerende kranten-
  kop ‘Artsen overtreden meestal de wet bij orgaandonatie’ (MvT, p. 2). Het
  nieuwe voorstel tot wetswijziging moest daarom ook voldoen aan de wens meer
  rechtszekerheid te bieden aan de betrokken beroepsbeoefenaren. Zij dreigden
  namelijk af te zien van donatieprocedures waarbij zulke onderzoeken noodzake-
  lijk zijn. In het bijzonder was de wetswijziging nodig ‘om voorbereidende hande-
  lingen ook mogelijk te maken bij potentiële NHB-donoren die niet zelf hun
  toestemming voor orgaandonatie hebben vastgelegd’ (MvT, p. 4). Daartoe was
  een verdere aanpassing van artikel 22 nodig, waarin een nieuw 2de lid is tussen-
2 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>      gevoegd, dat bepaalt onder welke voorwaarden voorbereidingen kunnen worden
      getroffen als de betrokkene zelf geen toestemming heeft vastgelegd. Daarbij is
      ook het formele onderscheid tussen ‘voorbereidende handelingen’ en ‘preserve-
      rende behandelingen’, zoals tot dan toe in de vigerende wet werd gemaakt, verla-
      ten.
           Een verdere wijziging, die in hoofdstuk 3 van dit advies al is besproken,
      betreft een aanpassing van artikel 20 WOD die het mogelijk maakt om al in een
      vroeg stadium donatie met de naasten te bespreken. Ten slotte is de wetswijzi-
      ging van 2013 ook benut om een einde te maken aan de verwarring over het
      onderscheid tussen intreden en vaststellen van de dood, door het begrip ‘intreden
      van de dood’ in alle wetsartikelen te vervangen door ‘vaststellen van de dood’.
7.3   Resterende onduidelijkheden en knelpunten in de huidige wet
      Zoals uit het voorgaande blijkt, is sinds het verschijnen van het Gezondheids-
      raadadvies uit 2003 de WOD op enkele punten herhaaldelijk gewijzigd, waarbij
      echter de aanbeveling om vaststelling van de dood op circulatoire criteria (bij een
      DCD procedure) expliciet te benoemen niet werd overgenomen. Ondanks deze
      wijzigingen resteren er nog andere belangrijke punten van onduidelijkheid in de
      wetstekst. In deze paragraaf gaat de commissie nader in op wat zij ziet als onvol-
      komenheden in de huidige wetgeving, die om een oplossing vragen. In het bij-
      zonder wordt ingegaan op de gebruikte terminologie, de procedures voor het
      vaststellen van de dood, en toegestane medische interventies.
7.3.1 Benoemen van de verschillende vormen van donatie en het vaststellen
      van de dood in die gevallen
      De commissie vindt het een belangrijke lacune in de huidige WOD dat de ver-
      schillende wegen die naar donatie leiden (DBD en DCD, zoals in dit advies
      besproken), niet expliciet genoemd worden. Een gevolg hiervan is dat zo onbe-
      sproken blijft dat er belangrijke verschillen zijn in de wijze waarop in die situa-
      ties de dood wordt vastgesteld. Postmortale donatie na vaststelling van de dood
      op circulatoire criteria (DCD) is inmiddels een vorm van donatie die in de prak-
      tijk vaker wordt toegepast dan donatie na vaststelling van de hersendood (DBD).
      Maar er zijn tot nu toe geen expliciete wettelijke criteria geformuleerd en vastge-
      legd voor het vaststellen van de dood in die omstandigheden.
      Juridische aspecten in relatie tot de WOD                                           93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>  Waar in de WOD sprake is van het vaststellen van de dood bij donatie wordt
  alleen het vaststellen van de hersendood genoemd. Artikel 14, eerste lid, luidt als
  volgt.:
  Voordat een orgaan wordt verwijderd, wordt de dood vastgesteld door een arts die niet bij de verwij-
  dering of implantatie van het orgaan betrokken mag zijn. Indien het voornemen bestaat tot het verwij-
  deren van een orgaan uit een beademd stoffelijk overschot, wordt de dood vastgesteld aan de hand
  van de volgens de laatste stand van de wetenschap geldende methoden en criteria voor het vaststellen
  van de hersendood door een ter zake kundige arts. De wijze waarop de hersendood is vastgesteld,
  wordt vastgelegd in een verklaring waarvan het model is opgenomen in het in artikel 15, eerste lid,
  bedoelde protocol.
  Weliswaar wordt in de eerste zin gesproken over het vaststellen van de dood in
  algemene zin, maar de daaropvolgende zin versterkt de indruk dat het hier in het
  bijzonder (of zelfs uitsluitend) gaat om het vaststellen van de dood op grond van
  neurologische criteria. Volgens de Memorie van Toelichting heeft de tweede zin
  betrekking op een specifieke situatie, namelijk die waarin het gaat om een
  ‘beademd stoffelijk overschot’ (Kamerstukken II, 1991/92, 22 358, nr. 3). Het is
  inderdaad cruciaal dat de patiënt die mogelijk donor wordt, ook na vaststelling
  van de hersendood tot aan de uitname van de organen beademd blijft. Echter,
  patiënten die donor worden na eDCD worden slechts beademd tot aan het
  moment van de switch-off, terwijl bij uDCD pas na de vaststelling van de dood
  tal van maatregelen worden genomen om de circulatie op gang te houden. Het
  gaat in die situaties dus, om in termen van de WOD te blijven, om donatie uit een
  ‘niet-beademd stoffelijk overschot’. Maar essentieel voor het onderscheid tussen
  de verschillende categorieën donoren (DBD, eDCD en uDCD) is niet alleen de
  beademing, maar met name de wijze waarop de dood wordt vastgesteld. Artikel
  14 WOD specificeert niet hoe de dood vastgesteld moet worden bij eDCD en
  uDCD. Strikt genomen wordt in die situaties op het moment van het vaststellen
  van de dood en het uitnemen van de organen het stoffelijk overschot inderdaad
  niet beademd. Echter, daarbij geldt ook dat het vaststellen van de dood op andere
  wijze gebeurt dan wanneer geen sprake is van donatie. In het bijzonder is daarbij
  een grote mate van zorgvuldigheid geboden om te voorkomen dat gehandeld
  wordt in strijd met de DDR.
       Zoals hierboven toegelicht, vond de minister het na het verschijnen van het
  Gezondheidsraadadvies uit 2003 niet opportuun om andere vormen van postmor-
  tale donatie expliciet in de wet te benoemen. Uit het antwoord van de bewinds-
  persoon zou men kunnen opmaken dat deze er (destijds) van uitging, dat
  vaststelling van de dood bij een DCD-donor op dezelfde wijze verloopt als bij
4 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>      ieder overlijden, wanneer de patiënt niet wordt beademd. Met andere woorden,
      op grond van klassieke cardiopulmonale criteria. Deze redenering gaat dan ech-
      ter voorbij aan het feit dat de zorgvuldigheidsvereisten voor het vaststellen van
      de dood juist wanneer donatie aan de orde is, wezenlijk verschillen van de vereis-
      ten en procedures wanneer donatie niet wordt beoogd. Die zorgvuldigheid is in
      de ogen van de commissie meer dan ooit gebaat bij een nauwkeurige beschrij-
      ving van, en onderscheid tussen, de verschillende wegen die naar donatie leiden.
           De commissie stelt daarom voor artikel 14 als volgt te wijzigen: ‘als het
      voornemen bestaat bij een persoon na zijn overlijden tot orgaandonatie over te
      gaan, dan dient de voor de onderscheiden typen donoren relevante procedure,
      zoals vastgelegd in het Protocol vaststelling van de dood bij postmortale orgaan-
      donatie, te worden gevolgd (dat wil zeggen het Hersendoodprotocol, respectieve-
      lijk het eDCD of uDCD protocol)’. Daarmee krijgen de verschillende vormen
      van donatie en de daarbij te volgen procedures ook voor de wet een gelijkwaar-
      dige status.
7.3.2 De vijfminutenregel in artikel 22
      Door de achtereenvolgende wetswijzigingen is, zoals hiervoor toegelicht, met
      name artikel 22 gewijzigd en uitgebreid (zie tekstkader voor de huidige tekst van
      artikel 22). Dit artikel kent echter in zijn huidige formulering nog steeds enkele
      onduidelijkheden en onevenwichtigheden.
           De onevenwichtigheid in artikel 22 heeft betrekking op de inhoud van lid 1
      en 2 enerzijds, tegenover die van lid 3 en 4 anderzijds. Lid 1 en 2 formuleren de
      vereisten voor het treffen van voorbereidende maatregelen vóór het vaststellen
      van de dood (pre-mortem), met als onderscheid dat lid 1 betrekking heeft op een
      persoon die een positieve wilsbeschikking heeft laten registreren, terwijl lid 2
      betrekking heeft op de situatie dat zo’n wilsbeschikking ontbreekt, en de toe-
      stemming afhankelijk is van de naasten. Lid 3 en 4 daarentegen hebben beide
      betrekking op de toelaatbaarheid van maatregelen na het vaststellen van de dood,
      in de situatie dat geen (positieve) wilsbeschikking aanwezig is en de nabestaan-
      den de donatiebeslissing zullen moeten nemen. Het verschil tussen lid 3 en 4
      heeft vooral betrekking op het al of niet beademd zijn van de patiënt. Twee vra-
      gen dringen zich daarbij op. Wat wordt concreet bedoeld met ‘onomkeerbare
      hartstilstand’ in lid 3? En waarom moet daarna vijf minuten worden gewacht?
      Aanwezigheid van een onomkeerbare hart- en circulatiestilstand bij DCD bete-
      kent dat bij deze patiënt de dood kan worden vastgesteld. Vanaf dat moment zijn
      onmiddellijk orgaanpreserverende maatregelen nodig. De vaststelling van de
      dood bij een DCD-donor omvat, zoals in dit advies omstandig is bepleit en toe-
      Juridische aspecten in relatie tot de WOD                                          95
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>    Artikel 22 WOD
    1   Indien een persoon toestemming heeft verleend voor het na zijn overlij-
        den verwijderen van een orgaan, mogen wanneer redelijkerwijs vast-
        staat dat betrokkene binnen afzienbare tijd zal overlijden in verband met
        de implantatie reeds voor het vaststellen van de dood voorbereidingen
        worden getroffen voor zover deze niet strijdig zijn met de geneeskun-
        dige behandeling van die persoon en uitstel tot na het vaststellen van de
        dood niet mogelijk is. Die voorbereidingen kunnen bestaan uit:
        -      onderzoek noodzakelijk voor de voorbereiding van de implanta-
               tie;
        -      het in werking stellen of in stand houden van de kunstmatige
               beademing;
        -      het kunstmatig in stand houden van de bloedsomloop, en andere
               maatregelen noodzakelijk om organen geschikt te houden voor
               implantatie.
    2   Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of
        10 aanwezig is of gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin van
        artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid, mogen reeds voor het vast-
        stellen van de dood, de in het eerste lid genoemde voorbereidingen wor-
        den getroffen voor zover:
        a      het redelijkerwijs vaststaat dat betrokkene binnen afzienbare tijd
               zal overlijden;
        b      de voorbereidingen niet strijdig zijn met de geneeskundige behan-
               deling van betrokkene;
        c      uitstel van de voorbereidingen tot na het vaststellen van de dood
               niet mogelijk is; en
        d      de procedure ter verstrekking van informatie, bedoeld in artikel
               20, tweede lid, nog niet heeft geleid tot bezwaar van de persoon of
               personen die op grond van artikel 11 bevoegd zijn tot het geven
               van toestemming voor het verwijderen van organen tegen het tref-
               fen van de voorbereidingen.
    3   Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of
        artikel 10 aanwezig is of gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin
        van artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid en de betrokkene niet
        wordt beademd, kunnen vanaf vijf minuten na de onomkeerbare hartstil
6 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>        stand, zolang de procedure ter verkrijging van de voor het verwijderen-
        van organen ingevolge deze wet noodzakelijke toestemmingen nog niet
        heeft geleid tot weigering daarvan, onderzoek worden verricht dat nood-
        zakelijk is voor de voorbereiding van implantatie en maatregelen wor-
        den getroffen om organen geschikt te houden voor implantatie.
   4    Indien van een persoon geen wilsverklaring als bedoeld in artikel 9 of
        artikel 10 aanwezig is of gebruik is gemaakt van de in de tweede volzin
        van artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid en de betrokkene wordt
        beademd, kunnen na het vaststellen van de dood, zolang de procedure
        ter verkrijging van de voor het verwijderen van organen ingevolge deze
        wet noodzakelijke toestemmingen nog niet heeft geleid tot weigering
        daarvan, de volgende maatregelen worden getroffen:
        -      onderzoek noodzakelijk voor de voorbereiding van implantatie;
        -      het in stand houden van de kunstmatige beademing;
        -      het kunstmatig in stand houden van de bloedsomloop, en
        -      andere maatregelen noodzakelijk om organen geschikt te houden
               voor implantatie.
gelicht, een no-touch tijd van vijf minuten als zekerheid dat de patiënt is overle-
den. De conclusie moet derhalve zijn, dat met ‘onomkeerbare hartstilstand’ het
vaststellen van de dood zelf wordt bedoeld, zoals dat ook in lid 4 is geformu-
leerd. Een (extra) wachttijd van vijf minuten na de vaststelling van de dood is
derhalve overbodig en ook schadelijk voor de organen. Dit kan, in de ogen van
de commissie, niet de bedoeling van de wetgever zijn.
     Als de voorgaande interpretatie en conclusie van de commissie correct is,
betekent dit dat er in feite geen verschil bestaat in de strekking van artikel 3 en 4.
In beide situaties (DBD en DCD) is het treffen van preserverende maatregelen
toegestaan, in afwezigheid van een positieve wilsbeschikking van de patiënt en
in afwachting van een donatiebeslissing van de nabestaanden, mits de dood is
vastgesteld (post-mortem). Het verdient daarom aanbeveling om lid 3 en 4 samen
te voegen, in die zin dat: ‘Indien van een persoon geen wilsbeschikking als
bedoeld in artikel 9 of artikel 10 aanwezig is of gebruik gemaakt is van de in de
tweede volzin van artikel 9, tweede lid, bedoelde mogelijkheid, kunnen er na het
vaststellen van de dood (op neurologische dan wel circulatoire criteria), zolang
de procedure ter verkrijging van de voor het verwijderen van organen ingevolge
de wet noodzakelijke toestemmingen nog niet heeft geleid tot weigering daarvan,
de volgende maatregelen worden getroffen…. (volgt de opsomming als in huidig
Juridische aspecten in relatie tot de WOD                                              97
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>    lid 4).’ Het expliciteren of de overledene al of niet beademd wordt is dan verder
    irrelevant.
7.4 Conclusie ten aanzien van de juridische context
    De commissie concludeert dat donatie na het optreden van een onomkeerbare
    circulatiestilstand (eDCD en uDCD) impliciet wel in de huidige wetstekst aange-
    duid wordt. Echter, het niet expliciet benoemen van DCD en de daarbij beho-
    rende procedures heeft onduidelijkheden voor de praktijk tot gevolg. In het
    bijzonder laat de wet na om te specificeren hoe de dood dient te worden vastge-
    steld bij DCD, in tegenstelling tot de situatie waarin er een vermoeden is van her-
    sendood. Voorts verdient het aanbeveling de passage over de betekenis van de
    vijf minuten no-touch tijd aan te passen en te verduidelijken.
 8  Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre> oofdstuk 8
          Conclusies en aanbevelingen
8.1       Conclusie
          Er zijn thans in de praktijk drie vormen van postmortale orgaandonatie met daar-
          bij verschillende procedures voor de donatie en het vaststellen van de dood. De
          procedure begint wanneer donatie wordt overwogen bij een patiënt die met ern-
          stig hersenletsel is opgenomen op de IC, voor wie er geen enkel uitzicht meer is
          op medisch herstel, of bij een persoon die na een plotselinge circulatiestilstand is
          gereanimeerd, zonder dat herstel van circulatie kon worden bereikt. Het meest
          kenmerkende onderscheid in de verschillende wegen naar donatie is dat tussen
          situaties waarin de dood verwacht wordt en situaties waarin de dood plotseling
          (onverwacht) komt. Bij patiënten bij wie de dood wordt verwacht kan deze op
          twee verschillende wijzen worden vastgesteld. Bij een patiënt bij wie het overlij-
          den (na reanimatie) niet werd voorzien, geldt weer een andere procedure. Dit
          alles leidt tot de beschrijving van drie verschillende scenario’s, met bijbehorende
          procedures voor het vaststellen van de dood, die kunnen uitmonden in orgaando-
          natie.
          1 Bij de patiënt op de IC wordt, op grond van een catastrofaal hersenletsel, de
              dood verwacht en wordt na klinisch-neurologisch onderzoek de hersendood
              vermoed. De dood zal dan vastgesteld worden op grond van neurologische
              criteria en aanvullend onderzoek, volgens het Hersendoodprotocol (in dit
              advies aangeduid als het DBD-protocol (Donation after Brain Death)). Daar-
              bij moet worden voldaan aan duidelijk gedefinieerde prealabele voorwaar-
          Conclusies en aanbevelingen                                                          99
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>       den, en kan door neurologisch onderzoek en aanvullend onderzoek de
       hersendood worden vastgesteld en gedocumenteerd. Eerst wanneer de dood
       aldus is vastgesteld mag tot orgaandonatie worden overgegaan. Hierbij kan
       de beademing worden gecontinueerd en de bloedcirculatie ondersteund tot
       aan het uitnemen van de organen.
   2   Bij de patiënt op de IC bij wie er geen enkel uitzicht is op medisch herstel,
       wordt de dood spoedig verwacht maar wordt het optreden van hersendood
       niet waarschijnlijk geacht. In dit geval kan besloten worden de behandelin-
       gen die het leven ondersteunen, zoals mechanische beademing, te staken
       (abstineren). In die situatie wordt het eDCD-protocol gevolgd. Na de switch-
       off procedure kan het optreden van de circulatiestilstand worden afgewacht,
       waarbij na de circulatiestilstand een observatietijd van vijf minuten (no-
       touch) in acht wordt genomen. De dood wordt vastgesteld op grond van cir-
       culatoire criteria (eDCD = expected Donation after Circulatory Death). De
       no-touch tijd is bedoeld om autoresuscitatie uit te sluiten.
   3   De derde mogelijkheid is dat de dood onverwacht komt, doordat iemand bui-
       ten (of in het ziekenhuis op een verpleegafdeling) getroffen wordt door een
       circulatiestilstand. Indien een door een behandelteam correct uitgevoerde
       reanimatiepoging niet resulteert in herstel van de circulatie, kan postmortale
       donatie nog een optie zijn. In deze situatie is het uDCD-protocol van toepas-
       sing. De dood wordt dan vastgesteld op grond van een geconstateerde niet te
       herstellen circulatiestilstand, op basis van circulatoire criteria (uDCD= unex-
       pected Donation after Circulatory Death). Ook bij deze procedure wordt een
       no-touch tijd van vijf minuten in acht genomen om autoresuscitatie uit te
       sluiten.
   In dit advies wordt een voorstel gedaan voor richtlijnen voor de manier waarop
   de dood in deze drie onderscheiden situaties dient te worden vastgesteld. Tevens
   worden richtlijnen geformuleerd voor het treffen van voorbereidende maatrege-
   len met het oog op mogelijke donatie, en wordt onderbouwd welke maatregelen
   geoorloofd zijn in de fase voorafgaand aan het vaststellen van de dood, vanaf het
   moment dat donatie als een mogelijke uitkomst wordt gezien. Tezamen met het
   Modelprotocol NTS (onderdeel van het Protocol Kwaliteit en Veiligheid bij
   orgaandonatie en -transplantatie), dat meer in detail de praktische gang van
   zaken bij orgaandonatie beschrijft, worden deze richtlijnen in een duidelijke juri-
   dische context geplaatst die het proces van omgang met de donor op een uni-
   forme wijze regelt. Daarbij spelen overleg met de naasten en nabestaanden met
   het oog op de wettelijk vereiste toestemming en het bepalen van de juiste proce-
   dures en stappen in het protocol een cruciale rol. Mede door de recent in de wet
00 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>    vastgelegde mogelijkheid om de aanwezigheid van een donatiewens al in een
    eerder stadium te exploreren, lopen de procedures bij het vaststellen van hersen-
    dood en het vaststellen van circulatiestilstand in een situatie waarin de dood ver-
    wacht wordt, meer gelijk. Wanneer de dood onverwacht komt, zijn het tijdstip
    waarop met reanimatie werd aangevangen en de patiënt in het ziekenhuis aan-
    komt, en de algehele tijdsdruk waaronder het handelen staat, factoren waardoor
    deze procedure verschilt van de situatie waarin de dood verwacht wordt. In het
    bijzonder moet overwogen worden of gebruik gemaakt kan worden van een aan-
    tal (deels nog experimentele) technieken die bij een resuscitatiepoging ingezet
    kunnen worden, met mogelijk gunstige gevolgen voor de preservatie van orga-
    nen. Maar deze roepen ook ethische vragen op. Verder wetenschappelijk onder-
    zoek zal moeten uitwijzen wat de meerwaarde van deze methoden is en welke
    consequenties dit heeft voor de donatieprocedure. In dit advies wordt aangege-
    ven welke methoden de commissie toelaatbaar acht gezien de huidige stand van
    wetenschap.
         Met dit advies wordt voorgesteld de drie onderscheiden vormen van post-
    mortale donatie en de daarbij te volgen procedures bij het vaststellen van de dood
    onder te brengen in een overkoepelende bindende richtlijn. Hiermee wordt tege-
    moetgekomen aan de wens om een gemeenschappelijk kader te scheppen, en
    wordt de samenhang tussen de verschillende donatieprocedures en duidelijkheid
    daarover vergroot. Het resultaat zal een bindende richtlijn voor de postmortale
    orgaandonatie zijn, die de dagelijkse praktijk van donatie ondersteunt.
         Ten slotte zou dit gemeenschappelijke kader ook verankerd moeten worden
    in de WOD. Wat met name wringt is het ontbreken van een expliciete omschrij-
    ving in de wet van donatie na vaststelling van de dood op circulatoire criteria en
    de daarbij behorende procedures. Ook bevat de wet nog overige onduidelijkhe-
    den die verhelderhering verdienen.
8.2 Aanbevelingen
    De commissie beveelt aan:
    • om alle vormen van postmortale donatie zoals die nu in de praktijk plaatsvin-
         den te reguleren door middel van een overkoepelende bindende richtlijn
         zoals beschreven in dit advies. Deze bindende richtlijn dient eenzelfde wette-
         lijke status te krijgen als het huidige Hersendoodprotocol en omvat als deel-
         protocollen: het Hersendoodprotocol, het eDCD-protocol en het uDCD-
         protocol. Dit doet recht aan het snel toegenomen praktische belang van DCD-
         donatie en beëindigt de asymmetrie in de wettelijke verankering van de ver-
         schillende wegen en procedures die naar postmortale donatie leiden.
    Conclusies en aanbevelingen                                                         101
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>   •  De Wet op de orgaandonatie dient te worden aangepast zodat vaststelling van
      de dood op neurologische criteria en circulatoire criteria daarin gelijkwaardig
      beschreven en behandeld worden. Zoals nu reeds voor het Hersendoodproto-
      col een periodieke bijstelling is voorzien, dient ook de hier voorgestelde
      richtlijn periodiek in overeenstemming te worden gebracht met de vigerende
      wetenschappelijke inzichten.
   •  Het gewijzigde Hersendoodprotocol zal aan de betrokken beroepsverenigin-
      gen en beroepsbeoefenaren bekendgemaakt moeten worden. De belangrijkste
      wijzigingen zijn de volgende:
      • Vaststelling van de dood volgens neurologische criteria (volgens het geac-
          tualiseerde Hersendoodprotocol) dient pas plaats te vinden wanneer medi-
          camenteuze neurodepressie een betrouwbare beoordeling van afwezigheid
          van de hersenfuncties niet in de weg staat.
      • Als methode van onderzoek van de functie of doorbloeding van de grote
          hersenen in het kader van het vaststellen van hersendood kunnen EEG,
          TCD en CTA als gelijkwaardig worden beschouwd.
      • Slechts wanneer circulatiestilstand dreigt kan de hersendood worden vast-
          gesteld ook in een toestand waarin de medicamenteuze medicatie welis-
          waar gestaakt, maar nog niet uitgewerkt is. In dat geval dient de
          hersendoorbloeding onderzocht te worden met TCD of CTA.
      • Een apneutest is steeds een verplicht onderdeel van de procedure bij het
          vaststellen van de hersendood en wordt als laatste uitgevoerd. Als de
          apneutest, om welke reden dan ook, niet uitvoerbaar is, kan hersendood
          niet definitief worden vastgesteld.
02 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>  Literatuur
  Devita MA, Snyder JV, Grenvik A. History of organ donation by patients with cardiac death.
  Kennedy Inst Ethics J 1993; 3(2): 113-129.
  Vliet JA van der, Slooff MJ, Kootstra G, Krom RA, Rijkmans BG. Non-heartbeating donors, is it
  worthwhile? Proc Eur Dial Transplant Assoc 1980; 17: 445-449.
  Mollaret P, Goulon M. Le coma depasse. Rev Neurol 1959; 101: 3-15.
  Wind J, Faut M, van Smaalen TC, van Heurn EL. Variability in protocols on donation after
  circulatory death in Europe. Crit Care 2013; 17(5): R217.
  Kootstra G, Daemen JH, Oomen AP. Categories of non-heart-beating donors. Transplant Proc 1995;
  27(5): 2893-2894.
  Recommendations for nonheartbeating organ donation. A position paper by the Ethics Committee,
  American College of Critical Care Medicine, Society of Critical Care Medicine. Crit Care Med 2001;
  29(9): 1826-1831.
  Bernat JL, D’Alessandro AM, Port FK, Bleck TP, Heard SO, Medina J e.a. Report of a National
  Conference on Donation after cardiac death. Am J Transplant 2006; 6(2): 281-291.
  Shemie SD, Baker AJ, Knoll G, Wall W, Rocker G, Howes D e.a. National recommendations for
  donation after cardiocirculatory death in Canada: Donation after cardiocirculatory death in Canada.
  CMAJ 2006; 175(8): S1.
  Transplantation from Donors After Deceased Circulatory Death. 2013 Internet: www.bts.org.uk.
  geraadpleegd 23-11-2013.
0 Organ Donation after Circulatory Death. Report of a consensus meeting. Intensive Care Society, NHS
  Blood and Transplant, and Britsih Transplantation Society, 2010. Internet https://www.bts.org.uk/
  Literatuur                                                                                          103
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>   Documents/Guidelines/Active/DCD%20for%20BTS%20and%20ICS%20FINAL.pdf geraadpleegd
   23-11-2013.
1  Australian National Health and Medical Research Council. Organ and Tissue Donation after Death,
   for Transplantation. Guidelines for Ethical Practice for Health Professionals. 2007.
2  Robertson JA. The dead donor rule. Hastings Cent Rep 1999; 29(6): 6-14.
3  Pallis C, MacGillivary B. Brain death. Lancet 1981; 1(8213): 223.
4  Bernat JL, Culver CM, Gert B. On the definition and criterion of death. Ann Intern Med 1981; 94(3):
   389-394.
5  Bernat JL. Point: are donors after circulatory death really dead, and does it matter? Yes and yes. Chest
   2010; 138(1): 13-16.
6  Gardiner D, Shemie S, Manara A, Opdam H. International perspective on the diagnosis of death. Br J
   Anaesth 2012; 108 Suppl 1: i14-i28.
7  Moss J, Rockoff M. EEG monitoring during cardiac arrest and resuscitation. JAMA 1980; 244(24):
   2750-2751.
8  Clute HL, Levy WJ. Electroencephalographic changes during brief cardiac arrest in humans.
   Anesthesiology 1990; 73(5): 821-825.
9  Losasso TJ, Muzzi DA, Meyer FB, Sharbrough FW. Electroencephalographic monitoring of cerebral
   function during asystole and successful cardiopulmonary resuscitation. Anesth Analg 1992; 75(6):
   1021-1024.
0  Academy of Medical Royal Colleges. A Code of Practice for the Diagnosis and Confirmation of
   Death. 2008.
1  Wijdicks EF, Diringer MN. Electrocardiographic activity after terminal cardiac arrest in
   neurocatastrophes. Neurology 2004; 62(4): 673-674.
2  Dhanani S, Hornby L, Ward R, Shemie S. Variability in the determination of death after cardiac
   arrest: a review of guidelines and statements. J Intensive Care Med 2012; 27(4): 238-252.
3  Nederlandse Transplantatie Stichting. Modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie. 2013.
   Internet: www.transplantatiestichting.nl geraadpleegd 23-11-2013
4  Menikoff J. Doubts about death: the silence of the Institute of Medicine. J Law Med Ethics 1998;
   26(2): 157-165.
5  Truog RD, Miller FG. The dead donor rule and organ transplantation. N Engl J Med 2008; 359(7):
   674-675.
6  Veatch RM. Donating hearts after cardiac death--reversing the irreversible. N Engl J Med 2008;
   359(7): 672-673.
7  Bernat JL, Capron AM, Bleck TP, Blosser S, Bratton SL, Childress JF e.a. The circulatory-respiratory
   determination of death in organ donation. Crit Care Med 2010; 38(3): 963-970.
8  Devita MA, Snyder JV, Arnold RM, Siminoff LA. Observations of withdrawal of life-sustaining
   treatment from patients who became non-heart-beating organ donors. Crit Care Med 2000; 28(6):
   1709-1712.
04 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>9 Sanchez-Fructuoso AI, Marques M, Prats D, Conesa J, Calvo N, Perez-Contin MJ e.a. Victims of
  cardiac arrest occurring outside the hospital: a source of transplantable kidneys. Ann Intern Med
  2006; 145(3): 157-164.
0 Geraci PM, Sepe V. Non-heart-beating organ donation in Italy. Minerva Anestesiol 2011; 77(6): 613-
  623.
1 Ysebaert D, Van BG, De GK, Squifflet JP, Detry O, De RA e.a. Organ procurement after euthanasia:
  Belgian experience. Transplant Proc 2009; 41(2): 585-586.
2 Detry O, Le DH, Noterdaeme T, De RA, Honore P, Squifflet JP e.a. Categories of donation after
  cardiocirculatory death. Transplant Proc 2012; 44(5): 1189-1195.
3 Truog RD. Is it time to abandon brain death? Hastings Cent Rep 1997; 27(1): 29-37.
4 Miller FG, Truog RD, Brock DW. Moral fictions and medical ethics. Bioethics 2010; 24(9): 453-460.
5 Miller FG, Truog RD. Death, Dying, and Organ Transplantation. Reconstructing Medical Ethics at
  the End of Life. Oxford University Press; 2012.
6 Chaten FC. The dead donor rule: effect on the virtuous practice of medicine. J Med Ethics 2014
  Jul;40(7):496-500.
7 Sprung CL, Cohen SL, Sjokvist P, Baras M, Bulow HH, Hovilehto S e.a. End-of-life practices in
  European intensive care units: the Ethicus Study. JAMA 2003; 290(6): 790-797.
8 Kompanje EJ, de Groot YJ, Bakker J. Is organ donation from brain dead donors reaching an
  inescapable and desirable nadir? Transplantation 2011; 91(11): 1177-1180.
9 Dominguez-Gil B, Haase-Kromwijk B, Van LH, Neuberger J, Coene L, Morel P e.a. Current
  situation of donation after circulatory death in European countries. Transpl Int 2011; 24(7): 676-686.
0 Morrissey PE, Monaco AP. Donation after circulatory death: current practices, ongoing challenges,
  and potential improvements. Transplantation 2014; 97(3): 258-264.
1 Kuiper MA, Jansen NE. Wetswijziging legitimeert de huidige donatiepraktijk. Ned Tijdschr
  Geneeskd 2013; 157(A6456).
2 Rady MY, Verheijde JL, McGregor J. Organ procurement after cardiocirculatory death: a critical
  analysis. J Intensive Care Med 2008; 23(5): 303-312.
3 Manara AR, Murphy PG, O’Callaghan G. Donation after circulatory death. Br J Anaesth 2012; 108
  Suppl 1: i108-i121.
4 UK Donation Ethics Committee (UKDEK). An ethical framework for controlled donation after
  circulatory death. 2011.
5 Gezondheidsraad. Advies inzake hersendoodcriteria. Leidschendam: 1973: 1723.
6 Gezondheidsraad. Advies inzake hersendoodcriteria. ’s-Gravenhage: 1983: publicatienr. 1983/3.
7 Gezondheidsraad. Hersendoodcriteria. Rijswijk: 1996: publicatienr. 1996/19.
8 Wijdicks EFM. Brain Death. Oxford University Press; 2011.
9 Wijdicks EF. Brain death worldwide: accepted fact but no global consensus in diagnostic criteria.
  Neurology 2002; 58(1): 20-25.
0 President’s Council on Bioethics. Controversies in the Determination of Death. Washington, DC:
  2008.
  Literatuur                                                                                             105
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>1  Wijayatilake DS, Shepherd SJ, Sherren PB. Updates in the management of intracranial pressure in
   traumatic brain injury. Curr Opin Anaesthesiol 2012; 25(5): 540-547.
2  Dijk JG van, Lammers GJ, Engberts DP. De dood van het brein. Medisch Contact 2009; 64: 1246-
   1250.
3  Wokke J. Hersendood en orgaandonatie. De Neuroloog 2009; 2; 13.
4  Kompanje EJO, Epker JL, de Groot YJ, Wijdicks EFM, van der Jagt M. Vaststellen van hersendood
   bij orgaandonatie. Ned Tijdschr Geneeskd 2013; 157: A6444.
5  Cook D, Rocker G, Marshall J, Sjokvist P, Dodek P, Griffith L e.a. Withdrawal of mechanical
   ventilation in anticipation of death in the intensive care unit. N Engl J Med 2003; 349(12): 1123-
   1132.
6  Revelly JP, Imperatori L, Maravic P, Schaller MD, Chiolero R. Are terminally ill patients dying in the
   ICU suitable for non-heart beating organ donation? Intensive Care Med 2006; 32(5): 708-712.
7  Lewis J, Peltier J, Nelson H, Snyder W, Schneider K, Steinberger D e.a. Development of the
   University of Wisconsin donation After Cardiac Death Evaluation Tool. Prog Transplant 2003; 13(4):
   265-273.
8  Devita MA, Brooks MM, Zawistowski C, Rudich S, Daly B, Chaitin E. Donors after cardiac death:
   validation of identification criteria (DVIC) study for predictors of rapid death. Am J Transplant 2008;
   8(2): 432-441.
9  Wind J, Hoogland ER, van Heurn LW. Preservation techniques for donors after cardiac death
   kidneys. Curr Opin Organ Transplant 2011; 16(2): 157-161.
0  Wind J, Snoeijs MG, Brugman CA, Vervelde J, Zwaveling J, van Mook WN e.a. Prediction of time of
   death after withdrawal of life-sustaining treatment in potential donors after cardiac death*. Crit Care
   Med 2012; 40(3): 766-769.
1  Rabinstein AA, Yee AH, Mandrekar J, Fugate JE, de Groot YJ, Kompanje EJ e.a. Prediction of
   potential for organ donation after cardiac death in patients in neurocritical state: a prospective
   observational study. Lancet Neurol 2012; 11(5): 414-419.
2  Groot YJ de, Lingsma HF, Bakker J, Gommers DA, Steyerberg E, Kompanje EJ. External validation
   of a prognostic model predicting time of death after withdrawal of life support in neurocritical
   patients. Crit Care Med 2012; 40(1): 233-238.
3  Dhanani S, Hornby L, Ward R, Baker A, Dodek P, Chamber-Evans J e.a. Vital Signs After Cardiac
   Arrest Following Withdrawal of Life-Sustaining Therapy: A Multicenter Prospective Observational
   Study. Crit Care Med 2014;42(11):2358-69.
4  Devita MA. The death watch: certifying death using cardiac criteria. Prog Transplant 2001; 1
   1(1): 58-66.
5  Enselberg CD. The dying human heart; electrocardiographic study of forty-three cases, with notes
   upon resuscitative attempts. AMA Arch Intern Med 1952; 90(1): 15-29.
6  Boucek MM, Mashburn C, Dunn SM, Frizell R, Edwards L, Pietra B e.a. Pediatric heart
   transplantation after declaration of cardiocirculatory death. N Engl J Med 2008; 359(7): 709-714.
06 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>7 Hornby K, Hornby L, Shemie SD. A systematic review of autoresuscitation after cardiac arrest. Crit
  Care Med 2010; 38(5): 1246-1253.
8 Sheth KN, Nutter T, Stein DM, Scalea TM, Bernat JL. Autoresuscitation after asystole in patients
  being considered for organ donation. Crit Care Med 2012; 40(1): 158-161.
9 Kootstra G. The asystolic, or non-heartbeating, donor. Transplantation 1997; 63(7): 917-921.
0 Fieux F, Losser MR, Bourgeois E, Bonnet F, Marie O, Gaudez F e.a. Kidney retrieval after sudden
  out of hospital refractory cardiac arrest: a cohort of uncontrolled non heart beating donors. Crit Care
  2009; 13(4): R141.
1 Bernat JL, Bleck TP, Blosser SA, Bratton SL, Capron AM, Cornell D e.a. Circulatory Death
  Determination in Uncontrolled Organ Donors: A Panel Viewpoint. Ann Emerg Med 2014
  Apr;63(4):384-90.
2 Wigginton JG, Miller AH, Benitez FL, Pepe PE. Mechanical devices for cardiopulmonary
  resuscitation. Curr Opin Crit Care 2005; 11(3): 219-223.
3 Cave DM, Gazmuri RJ, Otto CW, Nadkarni VM, Cheng A, Brooks SC e.a. Part 7: CPR techniques
  and devices: 2010 American Heart Association Guidelines for Cardiopulmonary Resuscitation and
  Emergency Cardiovascular Care. Circulation 2010; 122(18 Suppl 3): S720-S728.
4 Brooks SC, Bigham BL, Morrison LJ. Mechanical versus manual chest compressions for cardiac
  arrest. Cochrane Database Syst Rev 2011;(1): CD007260.
5 Rubertsson S, Lindgren E, Smekal D, Ostlund O, Silfverstolpe J, Lichtveld RA e.a. Mechanical chest
  compressions and simultaneous defibrillation vs conventional cardiopulmonary resuscitation in out-
  of-hospital cardiac arrest: the LINC randomized trial. JAMA 2014; 311(1): 53-61.
6 Wik L, Olsen JA, Persse D, Sterz F, Lozano M, Jr., Brouwer MA e.a. Manual vs. integrated automatic
  load-distributing band CPR with equal survival after out of hospital cardiac arrest. The randomized
  CIRC trial. Resuscitation 2014; 85(6): 741-748.
7 Nolan JP, Soar J, Zideman DA, Biarent D, Bossaert LL, Deakin C e.a. European Resuscitation
  Council Guidelines for Resuscitation 2010 Section 1. Executive summary. Resuscitation 2010;
  81(10): 1219-1276.
8 Cave DM, Gazmuri RJ, Otto CW, Nadkarni VM, Cheng A, Brooks SC, Daya M, Sutton RM, Branson
  R, Hazinski MF. Part 7: CPR techniques and devices: 2010 American Heart Association Guidelines
  for Cardiopulmonary Resuscitation and Emergency Cardiovascular Care. Circulation 2010;122(suppl
  3): S720 –S728.
9 Hoogland ER, Snoeijs MG, van Heurn LW. DCD kidney transplantation: results and measures to
  improve outcome. Curr Opin Organ Transplant 2010; 15(2): 177-182.
0 Wind J, Snoeijs MG, van d, V, Winkens B, Christiaans MH, Hoitsma AJ e.a. Preservation of kidneys
  from controlled donors after cardiac death. Br J Surg 2011; 98(9): 1260-1266.
1 Snoeijs MG, Dekkers AJ, Buurman WA, van den AL, Welten RJ, Schurink GW e.a. In situ
  preservation of kidneys from donors after cardiac death: results and complications. Ann Surg 2007;
  246(5): 844-852.
  Literatuur                                                                                              107
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>2  Valero R, Cabrer C, Oppenheimer F, Trias E, Sanchez-Ibanez J, De Cabo FM e.a. Normothermic
   recirculation reduces primary graft dysfunction of kidneys obtained from non-heart-beating donors.
   Transpl Int 2000; 13(4): 303-310.
3  Lautrette A, Darmon M, Megarbane B, Joly LM, Chevret S, Adrie C e.a. A communication strategy
   and brochure for relatives of patients dying in the ICU. N Engl J Med 2007; 356(5): 469-478.
4  Sanchez-Fructuoso AI, Prats D, Perez-Contin MJ, Marques M, Torrente J, Conesa J e.a. Increasing
   the donor pool using en bloc pediatric kidneys for transplant. Transplantation 2003; 76(8): 1180-
   1184.
5  Rudich SM, Kaplan B, Magee JC, Arenas JD, Punch JD, Kayler LK e.a. Renal transplantations
   performed using non-heart-beating organ donors: going back to the future? Transplantation 2002;
   74(12): 1715-1720.
6  Magliocca JF, Magee JC, Rowe SA, Gravel MT, Chenault RH, Merion RM e.a. Extracorporeal
   support for organ donation after cardiac death effectively expands the donor pool. J Trauma 2005;
   58(6): 1095-1101.
08 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>A De adviesaanvraag
B De commissie
C Overzicht van de verschillende protocollen
D Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt:
  DBD-procedure
E Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt:
  eDCD-procedure
F Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood onverwacht
  komt: uDCD-procedure
G Hersendoodprotocol
  Bijlagen
                                                                         109
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>10 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>ijlage A
       De adviesaanvraag
       In een brief gedateerd 5 februari 2004, kenmerk IBE/E-2447635, schreef de
       minister van ministerie van het Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Voor-
       zitter van de Gezondheidsraad:
       In het advies “Nieuwe wegen naar orgaandonatie” doet de Gezondheidsraad in verband met de toege-
       nomen mogelijkheden van non-heart-beatingprocedures de aanbeveling om artikel 14 en 15 van de
       Wet op de orgaandonatie (WOD) te wijzigen. De wijziging van artikel 14 zou zodanig moeten zijn
       dat uit de formulering duidelijk wordt dat, behalve de mogelijkheid van een voornemen tot verwijde-
       ring van een orgaan uit een beademd stoffelijk overschot, het ook mogelijk is dat er een voornemen is
       tot verwijdering van een orgaan uit een niet-beademd stoffelijk overschot. In het laatste geval dient,
       aldus de Gezondheidsraad, de dood dan te worden vastgesteld op grond van de gangbare cardiopul-
       monale criteria en methoden voor de vaststelling van een onomkeerbare adem- en circulatiestilstand.
       De wijziging van artikel 15 zou vervolgens moeten behelzen dat de Gezondheidsraad een protocol
       opstelt voor deze methoden om met zekerheid op grond van cardiopulmonale criteria de dood vast te
       stellen. Dit protocol zou dan, evenals het protocol voor het vaststellen van de hersendood, bij alge-
       mene maatregel van bestuur moeten worden vastgesteld.
       Wijziging van artikel 14 om de door de Gezondheidsraad gewenste duidelijkheid te verschaffen is,
       naar mijn mening, niet nodig. De tekst van artikel 14, eerste lid, betreft reeds beide situaties. De eer-
       ste volzin van het eerste lid gaat immers over het vaststellen van de dood in het algemeen, op welke
       wijze dan ook.
       De adviesaanvraag                                                                                         111
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>   De aanbeveling om artikel 15 te wijzigen zal ik niet overnemen. Ik wil een nieuwe bepaling opnemen
   in een ander artikel en ik denk daarmee dezelfde rechtsbescherming te kunnen bereiken.
   Uit het advies blijkt namelijk dat er voor één van de onderdelen van het protocol voor het vaststellen
   van de dood op basis van cardiopulmonale criteria voldoende wetenschappelijk onderbouwing is om
   dat rechtstreeks in de wet op te nemen. Dit betreft de zekerheid dat tussen twee en vijf minuten na het
   intreden van de circulatiestilstand een definitief verlies van de geïntegreerde functie van het mense-
   lijk organisme optreedt als gevolg van massale beschadiging van de hersenen. Vóór het verstrijken
   van die tijd is die zekerheid er dus nog niet. Voor de praktijk van een non-heart-beating-procedure
   betekent dit dat het niet aangewezen is om eerder met (preserverende) maatregelen te beginnen dan
   vijf minuten na het moment dat is vastgesteld dat de dood is ingetreden. In het wetsvoorstel ter wijzi-
   ging van de WOD dat binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden ingediend, zal een bepaling wor-
   den opgenomen met als strekking dat, indien een donor niet wordt beademd, er vanaf vijf minuten na
   het intreden van de dood (perserverende) maatregelen kunnen worden getroffen. Ik heb het voorne-
   men daartoe ook al vermeld in het kabinetsstandpunt op uw advies, dat ik in oktober 2003 aan de
   Tweede Kamer heb gezonden (Kamerstukken II, 2003-2004, 28140, nr. 13).
   Wanneer deze bepaling inderdaad in de WOD zal zijn opgenomen, is het naar mijn mening niet meer
   nodig om bij wet, door middel wijziging van artikel 15, te bepalen dat de Gezondheidsraad een proto-
   col opstelt voor methoden om met zekerheid op cardiopulmonale criteria de dood vast te stellen. Het
   belangrijkste is dan immers al bij wet geregeld.
   Niettemin vind ik het belangrijk dat er voor het vaststellen van de dood op grond van cardiopulmo-
   nale criteria in Nederland wél een algemeen aanvaarde standaard is in de vorm van een door de
   Gezondheidsraad opgesteld protocol.
   Ik verzoek u daarom dan ook een protocol op te stellen voor de methoden om met behulp
   van cardiopulmonale criteria de dood met zekerheid vast te stellen.
   Ik hoop zo’n protocol in de loop van 2004 tegemoet te kunnen zien.
   Hoogachtend,
   de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
   (w.g.)
   H. Hoogervorst
12 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>ijlage B
       Samenstelling commissie
       •  prof. dr. H. Obertop, voorzitter
          emeritus hoogleraar heelkunde, voormalig vicevoorzitter Gezondheidsraad
       •  dr. M.H.L Christiaans
          nefroloog/internist, afdeling Interne Geneeskunde, Maastricht UMC
       •  prof. dr. J.G. van Dijk
          hoogleraar neurologie, LUMC, Leiden
       •  dr. D. Donker
          cardioloog/intensivist, Divisie Vitale Functies, UMC Utrecht
       •  dr. G. Drost
          neuroloog, afdeling Neurologie en Afdeling Neurochirurgie,
          UMC Groningen
       •  dr. J. Dubbeld
          transplantatiechirurg, afdeling Heelkunde/Transplantatiechirurgie, LUMC,
          Leiden
       •  dr. M. Erasmus
          transplantatiechirurg, Thoraxcentrum, UMC Groningen
       •  dr. E.J.O. Kompanje
          senior onderzoeker ethiek/IC geneeskunde, afdeling Intensive Care
          Volwassenen, Erasmus MC, Rotterdam
       •  dr. M. A. Kuiper
          Intensivist/neuroloog, afdeling Intensive Care, Medische Centrum
          Leeuwarden
       Samenstelling commissie                                                     113
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>   •   drs. T. Wind
       transplantatiecoördinator, Bureau Donatie- en Transplantatiecoördinatie,
       Maastricht UMC
   •   prof. dr. D. Ysebaert
       chirurg/transplantatiechirurg, hoofd Transplantatie Centrum Antwerpen, UZ
       Antwerpen
   •   mr. W.H. Smit, waarnemer
       directie GMT, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
   •   drs. M.A. Bos, secretaris (tot 1-8-2013); adviseur (vanaf 1-8-2013)
       Gezondheidsraad, Den Haag
   •   dr. P.M. Engelfriet, secretaris (vanaf juni 2013)
       Gezondheidsraad, Den Haag
   De Gezondheidsraad en belangen
   Leden van Gezondheidsraadcommissies worden benoemd op persoonlijke titel,
   wegens hun bijzondere expertise inzake de te behandelen adviesvraag. Zij kun-
   nen echter, dikwijls juist vanwege die expertise, ook belangen hebben. Dat
   behoeft op zich geen bezwaar te zijn voor het lidmaatschap van een Gezond-
   heidsraadcommissie. Openheid over mogelijke belangenconflicten is echter
   belangrijk, zowel naar de voorzitter en de overige leden van de commissie, als
   naar de voorzitter van de Gezondheidsraad. Bij de uitnodiging om tot de com-
   missie toe te treden wordt daarom aan commissieleden gevraagd door middel
   van het invullen van een formulier inzicht te geven in de functies die zij bekle-
   den, en andere materiële en niet-materiële belangen die relevant kunnen zijn voor
   het werk van de commissie. Het is aan de voorzitter van de raad te oordelen of
   gemelde belangen reden zijn iemand niet te benoemen. Soms zal een adviseur-
   schap het dan mogelijk maken van de expertise van de betrokken deskundige
   gebruik te maken. Tijdens de installatievergadering vindt een bespreking plaats
   van de verklaringen die zijn verstrekt, opdat alle commissieleden van elkaars
   eventuele belangen op de hoogte zijn.
14 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>ijlage C
       Overzicht van de verschillende
       protocollen
       Figuur 2 hieronder biedt een overzicht van het donatieproces, de verschillende
       wegen die naar donatie kunnen leiden, en de daarbij behorende protocollen. Het
       schema geeft weer hoe de verschillende protocollen samenhangen.
       Overzicht van de verschillende protocollen                                     115
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 117 ======================================================================

<pre>iguur 2 Overzicht van deel protocolen.
16        Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 117 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 118 ======================================================================

<pre>ijlage D
       Protocol voor vaststelling van de dood
       wanneer de dood verwacht wordt:
       DBD-procedure
       De weg die leidt naar de DBD procedure is aangegeven in figuur 2a.
       Het te volgen protocol bij verwachte dood wanneer hersendood vermoed wordt,
       bestaat in chronologische volgorde van klinische handelingen en besluiten uit de
       volgende elementen.
       1 Het stellen van een infauste prognose leidt tot het besluit de op herstel
           gerichte behandeling te staken. Toepassen van het Hersendoodprotocol bij
           vermoeden van hersendood.
           Keuze voor eDCD (zie protocl eDCD procedure) kan worden overwogen
           wanneer besloten wordt om verdere behandeling te staken op grond van een
           beoordeling dat die behandeling niet meer in het belang van de patiënt is en
           het optreden van hersendood niet wordt verwacht.
           • Bij de beslissing de behandeling te staken is het raadzaam, in navolging
              van de benadering en terminologie zoals gebruikt in de Engelse richtlijnen
              (2009 GMC Guidance on End-of-life Care) om als richtsnoer de vraag te
              stellen: is (verdere) ingrijpende behandeling in het uiteindelijk belang
              (best interest, overall benefit) van de patiënt?
           • Deze beslissing dient op geen enkele wijze beïnvloed te worden door de
              vraag of de patiënt orgaandonor kan en wil zijn.
           • De beslissing om verdere behandeling te staken valt toe aan de behande-
              lend arts/team (vrijwel altijd zal er sprake zijn van een multidisciplinair
       Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt: DBD-procedure 117
</pre>

====================================================================== Einde pagina 118 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 119 ======================================================================

<pre>iguur 2a DBD-procedure.
18        Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 119 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 120 ======================================================================

<pre>       team). Hierbij dient geen enkel lid van het donatie- of transplantatieteam
       betrokken te zijn.
2   Overleg met de naasten.
    Er vindt overleg plaats met de naasten waarin de beslissing over staken van
    de behandeling wordt meegedeeld en uitvoerig toegelicht. In dit gesprek
    wordt, om iedere schijn van een belangenconflict te vermijden, duidelijk aan-
    gegeven dat het besluit de op herstel gerichte behandeling te staken niet is
    beïnvloed door de mogelijkheid van donatie.
3   Voorlopige beoordeling van de donorgeschiktheid.
    Na het besluit om de behandeling te staken volgt een voorlopige beoordeling
    of er geen sprake is van contra-indicaties voor donatie, op grond van de
    beschikbare informatie over de conditie van de patiënt. Dit gebeurt op grond
    van een lijst met criteria zoals de leeftijd van de patiënt, onderliggend lijden,
    aanwezigheid van infecties en labuitslagen.
4   Overleg volgt met de transplantatiecoördinator (TC), die de donatieproce-
    dure start en coördineert (en later de donoraanmelding doet bij de NTS).
5   Raadpleging Donorregister.
    Bij een oordeel van voorlopige medische geschiktheid wordt ook de juridi-
    sche status aan de hand van het Donorregister bepaald. De mogelijke uitkom-
    sten na raadpleging van het Donorregister zijn: a) geregistreerde
    toestemming; b) geregistreerd bezwaar; c) beslissing overgelaten aan nabe-
    staanden; d) beslissing overgelaten aan een speciek aangewezen persoon; e)
    wilsbeschikking tijdelijk geblokeerd; f) geen registratie. In geval b) wordt de
    donatieprocedure niet verder doorgezet. In overleg met de naasten wordt
    gestart met (conventionele) einde-leven-zorg. Daarvoor gelden de richtlijnen
    die zijn opgesteld door de NVIC.
6   Overleg met de naasten over donatie.
    Indien donatie medisch en juridisch gezien een optie is wordt dat nu ter
    sprake gebracht.
    • Heeft de patiënt in het Donorregister een positieve wilsbeschikking laten
       opnemen, dan wordt de donatie met de naasten besproken en wordt uitge-
       legd welke procedure zal volgen.
    • In geval de patiënt de beslissing over donatie aan de naasten of een aange-
       wezen persoon heeft overgelaten, wordt hun (voorlopige) beslissing
       gevraagd.
    • Indien de patiënt geen enkele beslissing in het Donorregister heeft laten
       vastleggen, of de wilsbeschikking tijdelijk geblokkeerd is, wordt aan de
       naasten voorgelegd hoe zij ten aanzien van donatie willen besluiten.
Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt: DBD-procedure  119
</pre>

====================================================================== Einde pagina 120 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 121 ======================================================================

<pre>   7  Melding van de mogelijke donatie aan de TC en het orgaancentrum van de
      NTS.
   8 Voorbereidende medische verrichtingen.
      Als donatie nog steeds een reële optie is wordt begonnen met voorbereidende
      medische verrichtingen.
      • Als leidraad bij deze voorbereidende verrichtingen geldt dat beperkte
          fysieke schade aan de patiënt acceptabel is, mits tegelijkertijd getracht
          wordt de mogelijke gevolgen van die schade te beperken (comfort care).
      • Acceptabele verrichtingen in het kader van onderzoek noodzakelijk voor
          de voorbereiding van de implantatie zijn:
          • het afnemen van bloed voor weefseltyperingen
          • het maken van een echo van de buikorganen
          • een röntgenfoto van de longen (X-thorax) indien geïndiceerd.
      • Acceptabele maatregelen ter bescherming van de organen zijn:
          • het inwerking stellen of in stand houden van de mechanische beade-
             ming.
          • aanpassing van de mechanische beademing (zuurstofconcentratie).
          • aanpassing van de bestaande toediening van infuusvloeistoffen, bloed,
             bloedproducten en medicamenten, het instellen van nieuwe therapie
             (bijvoorbeeld infectiebehandeling met antibiotica of ondersteuning met
             inotropica of het geven van vasopressine bij diabetes insipidus) of het
             inbrengen van een femoraleperfusiecanule (onder lokale anesthesie)
             met het oog op orgaanpreservatie ter voorkoming van ischemische
             schade na overlijden. Toediening van vaatverwijders (fentolamine) of
             systemische heparinisatie mits mogelijke schade bij de patiënt is uitge-
             sloten.
   9 Procedures voor het vaststellen van de dood.
      Wanneer op grond van klinisch onderzoek vermoed wordt dat de patiënt her-
      sendood is, wordt de dood nu vastgesteld op grond van het Hersendoodproto-
      col. Deze procedure wordt nader beschreven in het Hersendoodprotocol dat
      als bijlage G is toegevoegd.
   10 Indien de hersendood niet kan worden vastgesteld, kan nu de eDCD-proce-
      dure overwogen worden (zie protocol eDCD; bijlage E).
   11 Indien de hersendood wordt bevestigd, dienen zo spoedig mogelijk na het
      vaststellen van de dood preserverende maatregelen te worden getroffen om
      de uit te nemen organen in een goede conditie te houden. Dit kan een vorm
      van RP (hypotherm of normotherm) zijn.
20 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 121 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 122 ======================================================================

<pre>12 Donoroperatie en uitname van de organen.
    Voor de procedures bij de donoroperatie en uitname van de organen, zie
    Modelprotocol NTS.
13 Procedure bij niet doorgaan donatie.
     Bij niet doorgaan van de donatie dient een aantal ethische en praktische uit-
    gangspunten te worden gevolgd:
    • de nabestaanden moeten kunnen terugvallen op een vast staflid in het
       behandelteam dat hen informeert en begeleidt, zoals dat ook geldt wan-
       neer de donatie wel doorgaat.
    • de verantwoordelijkheid voor de patiënt blijft berusten bij het behandel-
       team dat tot dan toe de behandeling verzorgde (IC of SEH).
    • als de patiënt niet overlijdt in omstandigheden die een orgaandonatie
       mogelijk en verantwoord maken, kan weefseldonatie (bijvoorbeeld huid
       en hoornvlies) vaak alsnog doorgang vinden.
Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt: DBD-procedure 121
</pre>

====================================================================== Einde pagina 122 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 123 ======================================================================

<pre>22 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 123 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 124 ======================================================================

<pre>ijlage E
       Protocol voor vaststelling van de dood
       wanneer de dood verwacht wordt:
       eDCD-procedure
       De weg die leidt naar de eDCD-procedure is aangegeven in figuur 2b.
           Het te volgen protocol bij verwachte dood wanneer hersendood niet vermoed
       wordt, bestaat in chronologische volgorde van klinische handelingen en besluiten
       uit de volgende elementen.
       1 Het stellen van een infauste prognose leidt tot het besluit de op herstel
           gerichte behandeling te staken. Hersendood wordt niet vermoed.
           • Bij de beslissing de behandeling te staken is het raadzaam, in navolging
              van de benadering en terminologie zoals gebruikt in de Engelse richtlijnen
              (2009 GMC Guidance on End-of-life Care) om als richtsnoer de vraag te
              stellen: is (verdere) ingrijpende behandeling in het uiteindelijk belang
              (best interest, overall benefit) van de patiënt?
           • Deze beslissing dient op geen enkele wijze beïnvloed te worden door de
              vraag of de patiënt orgaandonor kan en wil zijn.
           • De beslissing om verdere behandeling te staken valt toe aan de behande-
              lend arts/team (vrijwel altijd zal er sprake zijn van een multidisciplinair
              team). Hierbij dient geen enkel lid van het donatie- of transplantatieteam
              betrokken te zijn.
       2 Overleg met de naasten.
           Er vindt overleg plaats met de naasten waarin de beslissing over staken van
           de behandeling wordt meegedeeld en uitvoerig toegelicht. In dit gesprek
           wordt, om iedere schijn van een belangenconflict te vermijden, duidelijk aan-
       Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt: eDCD-procedure 123
</pre>

====================================================================== Einde pagina 124 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 125 ======================================================================

<pre>iguur 2b eDCD-procedure.
24        Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 125 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 126 ======================================================================

<pre>    gegeven dat het besluit de op herstel gerichte behandeling te staken niet is
    beïnvloed door de mogelijkheid van donatie.
3   Voorlopige beoordeling van de donorgeschiktheid.
    Na het besluit om de behandeling te staken en mogelijk eDCD te overwegen
    volgt een voorlopige beoordeling van de medische donorgeschiktheid op
    grond van de beschikbare informatie over de conditie van de patiënt. Dit
    gebeurt op grond van een lijst met criteria zoals de leeftijd van de patiënt,
    onderliggend lijden, aanwezigheid van infecties en labuitslagen.
4   Overleg volgt met de transplantatiecoördinator (TC), die de donatieproce-
    dure start en coördineert (en later de donoraanmelding doet bij de NTS).
5   Raadpleging Donorregister.
    Bij een oordeel van voorlopige medische geschiktheid wordt ook de juridi-
    sche status aan de hand van het Donorregister bepaald. De vier mogelijke uit-
    komsten na raadpleging van het Donorregister zijn: a) geregistreerde
    toestemming; b) geregistreerd bezwaar; c) beslissing overgelaten aan nabe-
    staanden; d) beslissing overgelaten aan een speciek aangewezen persoon; e)
    wilsbeschikking tijdelijk geblokkeerd; f) geen registratie. In geval b) wordt
    de donatieprocedure niet verder doorgezet. In overleg met de naasten wordt
    gestart met (conventionele) einde-leven-zorg. Daarvoor gelden de richtlijnen
    die zijn opgesteld door de NVIC.
6   Overleg met de naasten over donatie.
    Indien donatie medisch en juridisch gezien een optie is wordt dat nu ter
    sprake gebracht.
    • Heeft de patiënt in het Donorregister een positieve wilsbeschikking laten
       opnemen, dan wordt de donatie met de naasten besproken en wordt uitge-
       legd welke procedure zal volgen.
    • In geval de patiënt de beslissing over donatie aan de naasten of een aange-
       wezen persoon heeft overgelaten, wordt hun (voorlopige) beslissing
       gevraagd.
    • Indien de patiënt geen enkele beslissing in het Donorregister heeft laten
       vastleggen, of de wilsbeschikking is tijdelijk geblokkeerd wordt aan de
       naasten voorgelegd hoe zij ten aanzien van donatie willen besluiten.
7   Melding van de mogelijke donatie aan de TC en het orgaancentrum van de
    NTS.
8   Voorbereidende medische verrichtingen.
    Als donatie nog steeds een reële optie is wordt begonnen met voorbereidende
    medische verrichtingen.
Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt: eDCD-procedure 125
</pre>

====================================================================== Einde pagina 126 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 127 ======================================================================

<pre>      • Als leidraad bij deze voorbereidende verrichtingen geldt dat beperkte
          fysieke schade aan de patiënt acceptabel is, mits tegelijkertijd getracht
          wordt de mogelijke gevolgen van die schade te beperken (comfort care).
      • Acceptabele verrichtingen in het kader van onderzoek noodzakelijk voor
          de voorbereiding van de implantatie zijn:
          • het afnemen van bloed voor weefseltyperingen
          • het maken van een echo van de buikorganen
          • een röntgenfoto van de longen (X-thorax) indien geïndiceerd.
          • Acceptabele maatregelen ter bescherming van de organen zijn:
             • het inwerking stellen of in stand houden van de mechanische beade-
               ming.
             • aanpassing van de mechanische beademing (zuurstofconcentratie).
             • aanpassing van de bestaande toediening van infuusvloeistoffen,
               bloed, bloedproducten en medicamenten, het instellen van nieuwe
               therapie (bijvoorbeeld infectiebehandeling met antibiotica of onder-
               steuning met inotropica of het geven van vasopressine bij diabetes
               insipidus) of het inbrengen van een femoraleperfusiecanule (onder
               lokale anesthesie) met het oog op orgaanpreservatie ter voorkoming
               van ischemische schade na overlijden. Toediening van vaatverwij-
               ders (fentolamine) of systemische heparinisatie mits mogelijke
               schade bij de patiënt is uitgesloten.
   9  Procedures voor het vaststellen van de dood.
      Wanneer onderzoek bij de patiënt uitwijst dat het optreden van hersendood
      niet te verwachten is, en besloten wordt verdere op herstel gerichte behande-
      ling te staken, volgt nu de switch-off procedure.
      I Vaststellen van plaats en tijdstip van de switch-off procedure.
          Bij het bepalen van de plaats en tijd van de switch-off procedure zijn de
          wensen van de naasten leidend.
          Voorafgaand aan de switch-off, dient aan de volgende ethische en prakti-
          sche uitgangspunten te worden voldaan:
          • de nabestaanden moeten kunnen terugvallen op een vast staflid in het
             behandelteam dat hen informeert en begeleidt.
          • de naasten moeten vooraf goed geïnformeerd worden over de procedure
             van het staken van de behandeling, en hoe het stervensproces kan verlo-
             pen (tijdslimieten en mogelijke implicaties bij overschrijden).
          • als de donatieprocedure moet worden afgebroken, blijft de verantwoor-
             delijkheid voor de patiënt berusten bij het behandelteam dat tot dan toe
             de behandeling verzorgde (IC of SEH).
26 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 127 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 128 ======================================================================

<pre>       • voordat tot de switch-off wordt overgegaan, moet al duidelijk zijn waar-
          heen de patiënt zal worden overgebracht, in het geval het overlijden
          plaats heeft op een tijdstip waarop donatie niet langer mogelijk is.
       • De plaats van de switch-off kan de IC zijn of de OK. Voor de OK kan,
          met instemming van de naasten, worden gekozen als problemen met het
          vervoer naar de OK direct na het overlijden worden voorzien. Ook in
          omstandigheden waarin een snelle uitnameprocedure (bij multi-orgaan-
          donatie) zwaar weegt kan voor de OK gekozen worden.
       • Een uitnameteam dient beschikbaar te zijn en de behandelend arts aan-
          wezig te zijn voor het vaststellen van de dood. Indien transplantatie van
          nier, lever, longen en/of pancreas wordt overwogen zal er vroegtijdig
          afstemming moeten plaatsvinden over de aanwijzing van potentiële
          ontvangers en hun opname in een transplantatiecentrum.
       • Het uitvoeren van de switch-off procedure gebeurt met de uitdrukke-
          lijke intentie om af te zien van elke poging tot cardiopulmonale resusci-
          tatie met het oogmerk de circulatie, en daarmee ook de cerebrale
          circulatie, te herstellen.
       • Zowel voor als na de switch-off kunnen (pre-mortem) maatregelen wor-
          den genomen om de conditie van de organen tijdens de stervensfase te
          beschermen.
    II     Het vaststellen van de dood.
           Vaststellen van de dood gebeurt op de volgende wijze.
       • Vaststellen dat er een circulatiestilstand is. Bij voorkeur wordt dit vast-
          gesteld (door (een) ter zake kundige waarnemer(s)) aan de hand van de
          afwezigheid van pulsaties in een correct functionerende arteriële lijn, of
          anders met behulp van gebruikelijke niet-invasieve.
       • Na circulatiestilstand wordt een (no-touch) observatietijd van vijf
          minuten in acht genomen. Tijdens deze periode en ook daarna mogen
          geen interventies worden gedaan die tot herstel van de cerebrale door-
          bloeding zouden kunnen leiden.
       • Aan het einde van deze observatietijd stelt de behandelend arts de dood
          vast.
10 Na het vaststellen van de dood dienen preserverende maatregelen worden
    getroffen om de uit te nemen organen in een goede conditie te houden. Dit
    kan een vorm van RP (hypotherm of normotherm) zijn.
11 Uitname van de organen.
    Voordat overgegaan wordt tot uitname van de organen, wordt vastgesteld hoe
    lang de totale functionele warme ischemie heeft geduurd. In Nederland wordt
    als schatting daarvoor gebuikt de tijd van switch-off tot circulatiestilstand, en
Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood verwacht wordt: eDCD-procedure 127
</pre>

====================================================================== Einde pagina 128 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 129 ======================================================================

<pre>       vervolgens de ‘eerste warme ischemie (circulatiestilstand tot begin koude
       perfusie)’. Bij overschrijding van de maximumduur van die tijden wordt de
       donatieprocedure gestaakt.
       Voor de toegestane duur die mag verlopen tussen switch-off en vaststellen
       circulatiestilstand, en vervolgens de toegestane duur van de eerste warme
       ischemie voor de verschillende organen wordt verwezen naar het Modelpro-
       tocol de NTS.
   12 Procedure bij niet doorgaan donatie.
       In het geval dat een potentiële donor niet binnen de gegeven maximale tijds-
       limiet overlijdt, of de donatie om een andere reden niet kan doorgaan, dient
       een aantal ethische en praktische uitgangspunten te worden gevolgd:
       • de nabestaanden moeten kunnen terugvallen op een vast staflid in het
          behandelteam dat hen informeert en begeleidt, zoals dat ook geldt wan-
          neer de donatie wel doorgaat.
       • de verantwoordelijkheid voor de patiënt blijft berusten bij het behandel-
          team dat tot dan toe de behandeling verzorgde (IC of SEH).
       • als de patiënt niet overlijdt in omstandigheden die een orgaandonatie
          mogelijk en verantwoord maken, kan weefseldonatie (bijvoorbeeld huid
          en hoornvlies) vaak alsnog doorgang vinden.
   Figuur 3 eDCD-protocol.
28 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 129 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 130 ======================================================================

<pre>ijlage F
       Protocol voor vaststelling van de dood
       wanneer de dood onverwacht komt:
       uDCD-procedure
       De weg die leidt naar de uDCD procedure is aangegeven in figuur 2c.
       Een algemene voorwaarde waaraan voldaan dient te zijn dat het ziekenhuis waar
       de mogelijke donatieprocedure zal plaatsvinden voorbereid en geoutilleerd is
       voor uDCD, in verband met de tijdsdruk waaronder gehandeld moet worden. Dat
       houdt in dat alle benodigde materialen beschikbaar zijn en een donatieteam
       direct oproepbaar.
           De procedure zelf kent de volgende elementen, chronologisch beschreven.
       1 Starten van de reanimatie. Meestal gaat het om een circulatiestilstand buiten
           het ziekenhuis, maar het kan ook gaan om een patiënt die in het ziekenhuis
           op de IC ligt, of zelfs om een patiënt bij wie hersendood is vastgesteld, en die
           acuut hemodynamisch instabiel wordt. In dat laatste geval vindt geen reani-
           matie plaats maar uitsluitend maatregelen om de circulatie op gang te houden
           in het belang van de organen.
       • Het is bij wet verplicht om bij een patiënt met een circulatiestilstand, wan-
           neer mogelijk, altijd hulp te verlenen en dus een reanimatie te starten.* Expli-
       Wtb van Strafrecht artikel 450: Hij die, getuige van het ogenblikkelijk levensgevaar waarin een ander
       verkeert, nalaat deze die hulp te verlenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zichzelf of
       anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verlenen of verschaffen kan, wordt, indien de dood van de
       hulpbehoevende volgt, gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
       tweede categorie.
       Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood onverwacht komt: uDCD-procedure                   129
</pre>

====================================================================== Einde pagina 130 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 131 ======================================================================

<pre>iguur 2c uDCD-procedure.
30        Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 131 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 132 ======================================================================

<pre>    ciete toestemming van de patiënt is daarvoor niet nodig (artikel 466 WGBO).
    De verplichting vervalt bij een geldige reden om van reanimatie af te zien
    zoals een aanwezige niet-reanimerenverklaring of een beoordeling van
    medisch zinloos handelen.
2   Staken van de reanimatie.
    • Een ingezette reanimatiepoging kan gestaakt worden onder bepaalde
        voorwaarden die nader beschreven zijn in de richtlijnen van de Neder-
        landse Reanimatieraad 2008. Staken kan pas overwogen worden als
        mogelijke behandelbare oorzaken van de circulatiestilstand in redelijkheid
        zijn uitgesloten, of adequaat zijn behandeld zonder dat herstel optrad.
    • De beslissing de reanimatie te staken is voorbehouden aan de behandelend
        arts. Ambulanceverpleegkundigen en reanimatieteams (zonder arts)
        mogen slechts stoppen met reanimatie als de medisch-technische haal-
        baarheid (middelen) daarvoor ontbreekt.
    • Het besluit tot staken van de reanimatie is een op zichzelf staande beslis-
        sing, die niet mag worden beïnvloed door de wens of mogelijkheid dat
        organen voor transplantatie kunnen worden gebruikt.
    • In de communicatie met de naasten van de patiënt zal de mogelijke
        geschiktheid voor donatie en/of de aanwezigheid van een donorverklaring
        dus niet als motief voor staken aan de orde mogen komen.
        • Aan de andere kant is het realistisch om te veronderstellen dat een
           behandelend arts/team, in het besef dat een reanimatie niet zal slagen,
           de mogelijkheid van donatie onder ogen ziet en passende maatregelen
           neemt.
3   Na het besluit tot staken van de reanimatie kan de medische donorgeschikt-
    heid beoordeeld worden (uitsluiten contra-indicaties).
4   Ook wordt nu het Donorregister geraadpleegd en wordt geprobeerd contact te
    krijgen met de nabestaanden. Bij vermoeden van een niet-natuurlijke dood,
    en in ieder geval wanneer er sprake is van een ongeval, moet er toestemming
    verkregen worden van de forensische geneeskundige om de procedure te
    kunnen starten. In geval van niet-natuurlijke dood moet door de officier van
    justitie toestemming worden gegeven voor de uitname van de organen.
5   Indien er geen contra-indicaties zijn, er in het Donorregister geen bezwaar is
    vastgelegd, er (indien van toepassing) toestemming is van de officier van jus-
    titie, en de nabestaanden geen bezwaar hebben gemaakt wordt de potentiële
    donor gemeld bij de NTS.
6   Het vaststellen van de dood.
    Bij het vaststellen van de dood gelden dezelfde criteria als bij eDCD.
Protocol voor vaststelling van de dood wanneer de dood onverwacht komt: uDCD-procedure 131
</pre>

====================================================================== Einde pagina 132 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 133 ======================================================================

<pre>       • Er wordt een no-touch tijd in acht genomen van vijf minuten, behalve
           wanneer het een patiënt betreft die reeds hersendood was verklaard.
       • Aan het criterium van onomkeerbaarheid wordt bij uDCD voldaan op
           grond van het falen van de reanimatiepogingen (onomkeerbaar en perma-
           nent functieverlies).
   7   Maatregelen voor de preservatie van organen.
       In verband met een mogelijk conflict met de DDR zijn maatregelen die geno-
       men worden ter preservatie van organen slechts onder voorwaarden accepta-
       bel.
       • Femorale catheterisatie indien nodig voor RP (regionale perfusie).
       • Uitsluitend wanneer dit gebeurt in onderzoeksverband:
           • RP met eigen geoxygeneerd bloed.
           • Het gebruik van mechanische reanimatie-apparatuur.
   8   Indien de nabestaanden in het ziekenhuis aanwezig zijn, of er met hen contact
       is gelegd, vindt overleg over de donatieprocedure plaats. Als de beslissing
       over donatie is overgelaten aan de nabestaanden of een aangewezen persoon,
       of als er geen registratie wordt aangetroffen in het Donorregister wordt nu
       toestemming aan die personen gevraagd.
   9   Organen worden beoordeeld op levensvatbaarheid en de uitnameprocedure
       wordt voorbereid.
   Het protocol is schematisch weergegeven in figuur 4 hieronder.
   Figuur 4 uDCD-protocol.
32 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 133 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 134 ======================================================================

<pre> ijlage G
        Hersendoodprotocol
G.1     Inleiding
G.1.1   Definitie hersendood
        Onder hersendood wordt verstaan het volledig en onherstelbaar verlies van de
        functies van de hersenen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg.
G.1.2   Procedurele voorwaarden
        Bij het voornemen tot verwijdering van een orgaan bij een beademde potentiële
        donor dient de hersendood te worden aangetoond door een ter zake kundige arts
        volgens de hierna beschreven methoden en criteria.
        Het aantonen van hersendood berust op een combinatie van verschillende typen
        onderzoek. Hieronder wordt aangegeven welke onderzoeken, al naar gelang de
        omstandigheden, noodzakelijk zijn en aan welke artsen de uitvoering ervan is
        voorbehouden. Deze artsen mogen niet bij de verwijdering of implantatie van de
        gedoneerde organen betrokken zijn.
        Hersendoodprotocol                                                             133
</pre>

====================================================================== Einde pagina 134 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 135 ======================================================================

<pre>      Verantwoordelijkheid, verslaglegging
      De verantwoordelijkheid bij het vaststellen van de hersendood heeft de neuro-
      loog of neurochirurg die het klinisch-neurologisch onderzoek uitvoert. Deze
      draagt er zorg voor dat de in dit protocol beschreven procedures worden gevolgd
      en dat van de uitgevoerde onderzoeken de relevante gegevens worden vastgelegd
      in de daarvoor bestemde verklaring (zie hierna: par. G.4).
G.1.3 Prealabele voorwaarden
      Vaststellen van de toestand ‘hersendood’ kan slechts plaatsvinden in geval van
      een fataal hersenletsel waarvan de oorzaak bekend is en dat niet behandelbaar is.
      Deze vaststelling kan pas met zekerheid worden gedaan nadat aannemelijk is
      geworden dat er geen andere oorzaken van bewusteloosheid en reactieloosheid
      zijn, met uitzondering van de in dit protocol aangegeven oorzaken.
G.2   Diagnostiek hersendood
      Het vaststellen van de toestand van hersendood berust op de volgende pijlers:
      • de prealabele voorwaarden
      • beoordeling of er sprake is van medicamenteuze neurodepressie
      • het klinisch-neurologisch onderzoek
      • het aanvullend onderzoek.
      De vier hierna genoemde, in de gegeven volgorde te doorlopen diagnostische
      fasen hebben daarop betrekking.
G.2.1 Fase 1: (hetero-)anamnese en algemeen onderzoek
      In deze eerste diagnostische fase moet worden nagegaan of voldaan wordt aan de
      prealabele voorwaarden.
      In de eerste plaats gaat het om kennisneming van de voorgeschiedenis – ook via
      derden (hetero-anamnese) – en om het verkrijgen van een aantal elementaire
      diagnostische gegevens ter uitsluiting van andere oorzaken van bewusteloosheid
      en reactieloosheid. Wanneer de onderzoekende arts (doorgaans de behandelend
      arts) twijfelt, of wanneer er onduidelijkheden bestaan over de anamnestische en
 34   Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 135 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 136 ======================================================================

<pre>diagnostische bevindingen, kan het algemene onderzoek – of delen ervan – na
enige tijd worden herhaald en/of een andere (wederom niet bij de transplantatie
betrokken) ter zake kundige arts geconsulteerd worden.
Mede aan de hand van het algemene onderzoek dient voorts zekerheid te worden
verkregen over de dodelijke aard van het hersenletsel, de oorzaak ervan, alsmede
over het ontbreken van enige behandelingsmogelijkheid. Deze beoordeling dient
steeds in handen te zijn van een (kinder)neuroloog of een neurochirurg. Deze
dient ten slotte, op grond van de beschikbare anamnestische en algemeen diag-
nostische gegevens (lichamelijk onderzoek, biochemisch onderzoek) zich ervan
te vergewissen dat er geen oorzaken van bewusteloosheid of reactieloosheid in
het geding zijn die hersendooddiagnostiek onbetrouwbaar maken. Dit betreft met
name de volgende oorzaken:
• hypothermie (centrale lichaamstemperatuur gelijk aan, of lager dan 32°C)
• intoxicatie, te onderscheiden van therapeutische medicamenteuze neurode-
     pressie (zoals barbituraatcoma)
• hypotensie (systolische bloeddruk gelijk aan, of lager dan 80 mm Hg of 10,7
     kPa)
• blokkade van de neuromusculaire overgang
• ernstige biochemische of metabole stoornis, voor zover deze geen onderdeel
     is van het falen van de hersenstam of het verlengde merg.
• een reanimatie in de voorafgaande uren.
Hieronder volgt een toelichting:
Hypothermie
Onderkoeling (hypothermie) is meestal het gevolg van ongevallen bij lage tem-
peratuur (winter, verdrinking, koelcellen), maar kan ook onderdeel zijn van falen
van het verlengde merg. Meting van de centrale lichaamstemperatuur en de reac-
tie op behandeling geven uitsluitsel. Voor een betrouwbare hersendooddiagnos-
tiek moet de (centrale) lichaamstemperatuur boven de 32°C zijn gebracht.
Intoxicatie
Kennisneming van de voorgeschiedenis, ook via derden (hetero-anamnese), en
van de omstandigheden waarin de betrokkene is aangetroffen, kunnen gegevens
opleveren over het al dan niet bestaan van een relevante intoxicatie, bijvoorbeeld
Hersendoodprotocol                                                                 135
</pre>

====================================================================== Einde pagina 136 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 137 ======================================================================

<pre>   door alcohol, drugs, of bepaalde geneesmiddelen. Deze intoxicaties kunnen ener-
   zijds het stellen van de diagnose hersendood bemoeilijken en anderzijds de orga-
   nen ongeschikt maken voor transplantatie. Ook bij ongevalspatiënten kan dit de
   diagnose ‘hersendood’ belemmeren, hetzij omdat de betrokkene bepaalde medi-
   cijnen of andere stoffen zelf innam, hetzij omdat medicijnen werden toegediend.
   Bij aanwijzingen voor een intoxicatie - te onderscheiden van therapeutische
   medicamenteuze neurodepressie: zie hiervoor - moet men de betrokken (gif)stof-
   fen opsporen in bloed of urine. Wanneer de intoxicatie niet op deze wijze kan
   worden gedetermineerd en de nadelige klinische effecten op de functie van her-
   senen of andere organen derhalve niet kunnen worden opgeheven, is vaststelling
   van de hersendood ten behoeve van orgaandonatie niet mogelijk.
   Hypotensie
   Blijkt bij meting de systolische bloeddruk te laag dan spreekt men van hypoten-
   sie. Bij volwassenen geldt dit bij een druk die lager is dan 80 mm Hg of 10,7 kPa.
   Bij kinderen zijn in de literatuur geen getalsmatige criteria voor hypotensie voor-
   handen, mede gezien de sterke leeftijdsafhankelijkheid. Een systolische druk die
   meer dan twee standaarddeviaties ligt onder de gemiddelde waarde (overeenko-
   mend met de P-2,5 waarde ofwel de 2,5 procent-ondergrenswaarde) voor de des-
   betreffende kinderleeftijd, betekent zeker hypotensie (zie tabel G1).
   Of de hypotensie onderdeel is van de betrokken aandoening (hypovolemische
   shock), dan wel van het falen van het verlengde merg, is te beoordelen aan de
   hand van de reactie op behandeling. Reageert de bloeddruk moeizaam op bloed-
   drukverhogende therapie, dan wijst dit op uitval van de desbetreffende hersen-
   functie (verlengde merg). Aangepaste behandeling, namelijk het voorkomen van
   een te grote bloeddrukdaling is dan nodig. Bij te lage bloeddruk is de in dit proto-
   col bedoelde aanvullende hersendooddiagnostiek (zoals apneutest, TCD of CTA)
   niet betrouwbaar uit te voeren.
   Blokkade van de neuromusculaire overgang
   Ook deze situatie maakt hersendooddiagnostiek in beginsel onbetrouwbaar. Vaak
   betreft het blokkering door toediening van specifieke geneesmiddelen bij anes-
   thesie of mechanische beademing. Wanneer, door het beschikbaar komen van
   nieuwe middelen, de blokkade zonder beïnvloeding van andere orgaansystemen
   kan worden opgeheven, dan kan de hersendooddiagnostiek betrouwbaar worden
   uitgevoerd.
36 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 137 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 138 ======================================================================

<pre>      Ernstige biochemische of metabole stoornis
      Het gaat hier om uitsluiting van stoornissen die geen onderdeel zijn van het falen
      van hersenstam of het verlengde merg, zoals coma veroorzaakt door metabole of
      endocriene stoornissen (uremisch coma, hypoglycemisch coma, coma hepati-
      cum, en dergelijke).
      Reanimatie
      De eerste uren na een reanimatie kan het EEG iso-elektrisch zijn en kunnen de
      stamreflexen ook afwezig zijn. Dit is tot 12-24 uur na een reanimatie in potentie
      reversibel.
G.2.2 Fase 2: Beoordeling of er sprake is van medicamenteuze neurode-
      pressie
      Voorafgaand aan het neurologisch onderzoek wordt vastgesteld of er wel of geen
      sprake is van medicamenteuze neurodepressie.
      Dit betreft een gerichte behandeling met geneesmiddelen – zoals sedativa, hyp-
      notica, anesthetica, of anti-epileptica – ter voorkoming van verdere hersen-
      schade. Ter bestrijding van hersenoedeem en verhoogde intracraniële druk
      worden vooral barbituraten toegepast (barbituraatcoma), met name bij ongevals-
      patiënten. Deze middelen kunnen de betrouwbaarheid van de gebruikelijke tes-
      ten om de hersenfuncties te beoordelen negatief beïnvloeden (demping van
      hersenactiviteit kan een fout-positieve testuitslag geven).
      Bij patiënten met medicamenteuze neurodepressie dient gewacht te worden tot-
      dat de medicamenten voldoende zijn uitgewerkt en deze de uitslag van het neuro-
      logisch onderzoek niet meer kunnen vertekenen. Dit vraagt om een zorgvuldige
      klinische afweging van de betrokken medische professionals, onder wie een
      intensivist en een neuroloog of neurochirurg. Daarbij is het doel om het tijdstip te
      bepalen waarop met voldoende zekerheid de uitval van de hersenfuncties kan
      worden vastgesteld.
      Slechts in de situatie waarin een circulatiestilstand dreigt kan het onderzoek voor
      het vaststellen van de hersendood worden voortgezet, maar dit heeft consequen-
      ties voor de keuze wat betreft het aanvullend onderzoek.
      Hersendoodprotocol                                                                   137
</pre>

====================================================================== Einde pagina 138 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 139 ======================================================================

<pre>G.2.3 Fase 3: klinisch-neurologisch onderzoek
      In deze fase kan door middel van klinisch-neurologisch onderzoek een aantal
      voor de hersenen, hersenstam of verlengde merg kenmerkende functies worden
      beoordeeld. Blijkt bij een van de hierna volgende testen dat de onderzochte func-
      tie geheel of gedeeltelijk intact is, dan is er geen sprake van hersendood.
      Het klinisch-neurologisch onderzoek dient steeds door een niet bij de eventuele
      transplantatie betrokken (kinder)neuroloog of neurochirurg te geschieden. Bij
      twijfel over de bevindingen kan het onderzoek na enige tijd worden herhaald en/
      of een andere, wederom niet bij de eventuele transplantatie betrokken, (kin-
      der)neuroloog danwel neurochirurg geconsulteerd worden.
      Blijkens het klinisch-neurologisch onderzoek moet er sprake zijn van:
      1 afwezigheid van bewustzijn, blijkend uit het ontbreken van reacties op
           (pijn)prikkels, zoals vastgelegd in de Glasgow Coma Scale (GCS) voor
           volwassenen (zie tabel G2) en in de Pediatric Glasgow Coma Scale (PGCS)
           voor kinderen jonger dan 6 jaar (zie tabel G3).
      2 afwezigheid van hersenstamreflexen, namelijk:
           • geen reacties van de pupillen op licht
           • geen cornea-reflexen
           • geen reacties op vestibulaire prikkels (afwezige oculocefale en oculo-
              vestibulaire reacties)
           • geen hoestreflex
      3 aanwijzing(en) voor de afwezigheid van spontane ademhaling.
G.2.4 Fase 4: aanvullend onderzoek
      De laatste fase in het vaststellen van de toestand van hersendood komt tot stand
      met behulp van de zogenoemde aanvullende diagnostiek.
      I Als eerste wordt de functie of de doorbloeding van de grote hersenen onder-
           zocht met behulp van een van de volgende drie tests:
           1 Een elektro-encefalogram (EEG) om te bepalen of er elektrische hersen-
              activiteit is.
           2 Transcranieel Doppleronderzoek (TCD) ter beoordeling van de aanwezig-
              heid van hersendoorbloeding.
           3 CT-angiografie (CTA) ter beoordeling van de aanwezigheid van hersen-
              doorbloeding.
 38   Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 139 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 140 ======================================================================

<pre>Bij de keuze voor één van deze tests kunnen bij afwezigheid van neurodepressie
deze tests als gelijkwaardig beschouwd worden. In de praktijk hangt de keus af
van de beschikbaarheid van expertise op een bepaald moment en een bepaalde
plaats, en van overwegingen van logistieke aard. In de meeste gevallen zal het
EEG de aangewezen test zijn, omdat deze expertise ruim aanwezig is. Een TCD
kan waarschijnlijk op minder plaatsen en tijden worden ingezet, maar heeft als
voordeel dat de test eenvoudig aan het ziekbed uitgevoerd kan worden. Een CTA
heeft als nadeel dat het vervoer van de patiënt vergt vanaf de IC naar de afdeling
radiologie. Ook het gebruik van contrastvloeistof kan nadelig zijn voor de te
transplanteren organen.
In de uitzonderingssituatie waarin de neurodepressie weliswaar gestaakt is, maar
er een circulatiestilstand dreigt op te treden ondanks ondersteuning van de circu-
latie, dient gekozen te worden voor een onderzoek van de hersendoorbloeding
door middel van CTA of TCD.
Als de uitslag van de gedane test niet overeenkomt met hersendood dient de pro-
cedure gestaakt te worden. In een later stadium kan het aanvullend onderzoek
dan opnieuw worden uitgevoerd.
Ook indien geen van deze tests uitvoerbaar is, of de mogelijkheden voor het uit-
voeren van de tests ontbreken, dient de procedure van het vaststellen van de her-
sendood te worden gestaakt.
II Als met EEG, TCD, of CTA is uitgesloten dat er behouden hersenfuncties
     zijn of is uitgesloten dat er doorbloeding van de grote hersenen is, dient het
     ontbreken van spontane ademhaling te worden aangetoond. Dit gebeurt door
     middel van de apneu-test.
Apneutest niet uitvoerbaar
Indien blijkt dat de apneutest niet goed uitvoerbaar is (optreden van ernstige hart-
ritmestoornissen; sterke bloeddrukdaling als gevolg van de test; spontane adem-
haling onmogelijk door hoge cervicale ruggemerglesie, of een dubbelzijdige
lesie van de nervus phrenicus), dan kan de hersendood niet worden vastgesteld.
Hersendoodprotocol                                                                   139
</pre>

====================================================================== Einde pagina 140 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 141 ======================================================================

<pre>   Diagnostiek bij kinderen jonger dan één jaar
   Voor het vaststellen van de hersendood bij kinderen is het nodig de testen na een
   observatieperiode te herhalen, waarbij de lengte van de observatieperiode wordt
   bepaald door de leeftijd van het kind.
   Eerst wordt het gebruikelijke protocol gevolgd: vaststelling of er sprake is van
   medicamenteuze neurodepressie, vaststelling van de prealabele voorwaarden,
   klinisch-neurologisch onderzoek, aanvullend onderzoek van de grote hersenen,
   en apneutest. De herhaling van deze testen, na een bepaalde observatietijd, is
   nodig om zekerheid te verkrijgen over de interpretatie van de klinische verschijn-
   selen en voor vaststelling van de irreversibiliteit van het volledige functieverlies.
   Soms wordt de interpretatie van de klinische verschijnselen bemoeilijkt. Zo kun-
   nen bij aanzienlijk te vroeg geboren zuigelingen de hersenstamreflexen nog
   onvolledig ontwikkeld zijn. Voorts is bij jonge zuigelingen de calorische vestibu-
   laire stimulatie zeer moeilijk beoordeelbaar. Daarnaast kunnen bij zuigelingen en
   jonge kinderen spinale ontremmingsreflexen de bepaling van de motorische res-
   pons van de comascore moeilijk interpreteerbaar maken.
   Gedurende de observatieperiode mogen zich geen tekenen van een zich herstel-
   lende hersenfunctie voordoen. De vereiste observatieperiode bedraagt bij kinde-
   ren:
   • in de neonatale periode (eerste levensweek): 48 uur
   • daarna tot de leeftijd van twee maanden: 24 uur
   • in de leeftijd van twee tot twaalf maanden: 12 uur.
   Sinds de opstelling van richtlijnen door de Amerikaanse Task Force for the
   Determination of Brain Death in Children in 1987 zijn geen publicaties versche-
   nen die voor kinderen na het eerste levensjaar een aparte procedure, zoals hante-
   ring van lange observatietijden, rechtvaardigen.
   Opmerkingen
   TCD is bruikbaar bij een voldoende starre schedel: een fout-negatieve, maar
   geen fout-positieve, TCD-uitslag is mogelijk bij een flexibele schedel of open
   schedelnaden (zuigelingen). De methode dient niet te worden toegepast bij een
   ernstige aortaklepinsufficiëntie. Het bloed kan dan extra- en intracranieel heen en
   weer stromen, waarbij een TCD-patroon kan ontstaan dat (ten onrechte) aange-
40 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 141 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 142 ======================================================================

<pre>      zien kan worden voor een signaal dat karateristiek is voor cerebrale circulatiestil-
      stand (reverberating pattern): dit is echter een fout-positieve TCD-uitslag.
G.3   Uitvoeringscriteria testmethoden
G.3.1 Klinisch-neurologisch onderzoek
      Dit onderzoek dient door een niet bij de eventuele transplantatie betrokken (kin-
      der)neuroloog of neurochirurg te geschieden. Bij twijfel over de bevindingen kan
      het onderzoek na enige tijd worden herhaald en/of een andere, wederom niet bij
      de eventuele transplantatie betrokken, (kinder)neuroloog of neurochirurg gecon-
      sulteerd worden.
      Comaschalen
      De te gebruiken schalen zijn de Glasgow Coma Scale (GCS) voor volwassenen
      en kinderen van 6 jaar en ouder, en de Pediatric Glasgow Coma Scale (PGCS)
      voor kinderen jonger dan 6 jaar. De GSC-score of bij jonge kinderen de PGCS-
      score: E (ogen openen) = 1, M (motorische reactie) = 1, V (verbale reactie) = 1,
      of ‘t’ (tube, of tracheacanule) wordt gegeven indien op geen enkele prikkel die
      via de hersenen of hersenstam verloopt, de ogen worden geopend of een motori-
      sche of verbale reactie optreedt (zie comaschalen: tabel 2 en 3). Als standaard
      worden pijnprikkels op het nagelbed van de vingers, het sternum, de huidplooi
      van de borst of – behalve bij kinderen jonger dan 6 jaar – de bovenste orbitarand
      toegediend. Via het ruggemerg verlopende reflexen mogen aanwezig zijn.
      Hersenstamreflexen
      •   De pupilreactie moet met een sterke lamp worden onderzocht. Men dient zich
          ervan te vergewissen dat er geen farmacologische verklaring voor een afwe-
          zige pupilreflex is (bijvoorbeeld: atropine in het oog; hoge dosis dopamine).
      •   De oculocefale reflex is afwezig, indien na een snelle rotatie van het hoofd
          over 45 graden, geen oogbewegingen optreden.
      •   De oculovestibulaire reflex is afwezig, indien na inspuiten van ten minste 20
          ml (milliliter) ijswater in de uitwendige gehoorgang waarbij het hoofd 30
          graden is geflecteerd, na twee minuten geen oogbewegingen zijn opgetreden.
          Na een minuut rust test men het contralaterale oor. Bij beschadigde trommel-
          vliezen kan ijswater in een vingercondoom in de gehoorgang worden gespo-
      Hersendoodprotocol                                                                   141
</pre>

====================================================================== Einde pagina 142 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 143 ======================================================================

<pre>        ten. Bij kinderen (tot de leeftijd van 12 jaar) kan met 10 ml ijswater worden
        volstaan.
   •    De hoestreflex is afwezig, indien bij uitzuigen en bij bewegen van de trache-
        atube geen reacties optreden.
   Beademingsafhankelijkheid
   Toepassing van mechanische beademing hoeft niet te betekenen dat spontane
   ademhaling volledig ontbreekt. Het is daarom noodzakelijk de beademingsafhan-
   kelijkheid na te gaan. Men dient na te gaan of de oorzaak waardoor de spontane
   ademhaling verloren ging, nog steeds aanwezig is, dan wel of de spontane adem-
   haling inmiddels afwezig is, indien de beademing is begonnen wegens insuffici-
   ente respiratie. Dit oriënterend onderzoek dient te worden onderscheiden van de
   apneutest (zie G.3.5) die uiteindelijk zekerheid verschaft omtrent het ontbreken
   van spontane ademhaling.
   Opmerkingen
   De comaschalen houden geen rekening met grimasseren. Dit kan echter de enige
   motorische reactie op pijn zijn, bijvoorbeeld bij een hoge dwarslesie. Treedt gri-
   masseren als reactie op een pijnprikkel op, dan sluit dat hersendood altijd uit.
   Bij hersendood kunnen via het ruggenmerg verlopende reflexen aanwezig zijn.
   Dit kunnen spierrekkingsreflexen of een triple response aan de benen zijn, maar
   ook ongebruikelijke motorische reacties, zoals beweging van schouder (unilate-
   rale benedenwaarts en naar binnen gerichte rotatie) en arm (strekken en pronatie)
   bij ipsilaterale stimulatie, of schijnbare spontane bewegingen. Onder deze laatste
   vallen diafragma-myoclonieën en het zogeheten Lazarus-teken. Daarbij abduce-
   ren de schouders, buigen de onderarmen en worden de handen voor het sternum
   of zelfs tot de kin gebracht; ook flexie van de romp kan optreden. Genoemde
   bewegingen berusten op ontremming van spinale motorneuronen.
   Een gestoorde temperatuurregulatie, een gestoorde bloeddrukregulatie of het
   bestaan van diabetes insipidus zijn voor de in dit protocol bedoelde diagnose
   ‘hersendood’ niet vereist.
42 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 143 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 144 ======================================================================

<pre>G.3.2 Elektro-encefalogram (EEG)
      Het vervaardigen van een EEG dient te geschieden door een daartoe opgeleide
      laborant, en beoordeeld te worden door een (kinder)neuroloog/klinisch neurofy-
      sioloog met kennis van en ervaring met EEG.
      Technische criteria
      a   Te gebruiken: alle oppervlakte-elektroden van het 10-20 systeem. Deze beho-
          ren een overgangsweerstand > 100 Ohm en < 10 kOhm te hebben.
      b   Vereiste gevoeligheid: 20 microvolt/cm.
      c   Vereiste bandbreedte: 0,27-30 Hz (-3dB).
      d   Afleidingscombinaties: van belang is toepassing van een combinatie met
          grote interelektrode-afstand. Zo mogelijk dienen alle elektroden van het 10-
          20 systeem in de gebruikte afleidingscombinatie continu voor te komen. Dit
          impliceert registratie met een EEG-toestel van ten minste 16 kanalen.
      e   De (effectieve) registratieduur dient ten minste 30 minuten te bedragen.
      f   Reacties op prikkels dienen te worden nagegaan:
          • lichtflitsprikkels: zowel hoge (bijvoorbeeld 18 Hz) als lage (1-3 Hz) fre-
             quenties toepassen.
          • Pijnprikkels: aan beide armen en supraorbitaal.
      Het verdient aanbeveling elektrocardiogram (ECG), ademhaling en bewegings-
      artefacten mee te registreren. Een eventueel aanwezig retinogram is niet in strijd
      met de diagnose iso-elektrisch EEG.
      g Tijdens de registratie mogen kortwerkende, spierverslappende middelen
          gebruikt worden om de eventueel aanwezige, elektrisch waarneembare spier-
          activiteit (‘motor-unit’ activiteit) te onderdrukken.
      h Brom- en ruisniveaus dienen kleiner dan 5 microvolt te zijn. Eventueel nog
          aanwezige artefacten dienen tijdens de registratie als zodanig geduid te wor-
          den.
      i Het EEG heet ‘iso-elektrisch’ wanneer geen elektrische activiteit van cere-
          brale oorsprong aanwezig is.
      j Beoordeling van het EEG via datatransmissie (telefoon, kabel, internet) is
          niet toegestaan vanwege de noodzaak van controle van de kwaliteit van de
          registratie en van de medische omstandigheden.
      Hersendoodprotocol                                                                 143
</pre>

====================================================================== Einde pagina 144 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 145 ======================================================================

<pre>G.3.3 Transcranieel Doppleronderzoek (TCD)
      Het vervaardigen van een TCD dient te geschieden door, of onder toezicht van
      een (kinder)neuroloog/klinisch neurofysioloog met kennis van en ervaring met
      TCD. Speciaal opgeleide laboranten mogen de test uitvoeren, maar bedoelde arts
      dient ter plekke aanwezig te zijn voor de eindbeoordeling van het onderzoek.
      Het onderzoek kan worden uitgevoerd door middel van een transcranieel Dop-
      plertoestel of een duplextoestel met de mogelijkheid tot transcranieel onderzoek.
      Een duplextoestel heeft als voordeel dat onmiddellijk duidelijk is of er wel of
      niet een zogenaamd transtemporaal schedelvenster aanwezig is.
      a   In beginsel worden de intracraniële vaten onderzocht:
          • de arteria cerebri media (via het temporale venster)
          • de arteria basilaris (via het suboccipitale venster, waarbij het hoofd
             gedraaid wordt of de patiënt op de zij ligt)
      b   Elke Dopplermeting geschiedt gedurende minimaal 10 hartslagen per bloed-
          vat.
      c   De tweede serie metingen dient niet eerder dan twintig minuten na het begin
          van de eerste serie te worden gestart. Het gehele onderzoek zal dan circa een
          half uur in beslag nemen.
      d   In beide series metingen dient men een zogenaamd hoge-weerstandsprofiel te
          registreren. Dit uit zich in de aanwezigheid van een reverberating pattern, of
          van systolic spikes, en wijst op afwezigheid van hersendoorbloeding.
      Technische criteria
      e   Te gebruiken apparatuur en afstelling daarvan.
 44   Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 145 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 146 ======================================================================

<pre>    I) TCD.
        Gepulst Dopplersysteem met een insonatiefrequentie van 2MHz. Gezien
        er ook nog signalen van zeer geringe intensiteit gemeten moeten kunnen
        worden is het belangrijk het toestel daarop af te stellen. Daarom dient de
        output (‘power’) op een maximale waarde te staan. De gain staat even-
        eens op een hoge waarde. Een houvast voor de praktijk is dat er achter-
        grondruis in het Dopplerspectrum zichtbaar is. Het sample volume dient
        groot te zijn, bij voorkeur 5-10 mm. Ook de afstelling van de schaal is in
        deze context van belang. Een maximum van 50-100cm/s is aan te bevelen.
    II) TC duplex.
        Gepulst Dopplersysteem met een insonatiefrequentie van circa 2MHz
        ingebouwd in een duplexsteem met breedband (bijvoorbeeld 1-4MHz of
        2-5MHz) phased array transducer. De gain voor de B-mode dient op een
        lage waarde afgesteld te zijn, dusdanig dat de intracraniële structuren net
        zichtbaar zijn. De gain voor de kleurenmode dient daarentegen op een
        hoge waarde afgesteld te zijn, terwijl de schaal juist gevoelig moet zijn
        voor lage snelheden. Ook hier geldt dat een geringe achtergrondruis in het
        duplexbeeld een houvast is voor de praktijk. Voor de afstelling van het
        Dopplergedeelte geldt hetzelfde als onder I).
        Met een TCduplex kan worden nagegaan of er een temporaal en subocci-
        pitaal schedelvenster aanwezig is. Indien geen intracraniele structuren
        zichtbaar zijn is er sprake van een afwezig schedelvenster en heeft het ont-
        breken van Dopplersignalen geen diagnostische betekenis. Dit zal bij 10-
        15% van de patiënten het geval zijn. Een TCD of TCduplex onderzoek is
        dan ongeschikt om de afwezigheid van hersendoorbloeding vast te stellen.
f   In het geval van een (verdenking op een) ontbrekend schedelvenster kan
    onderzoek van de extracraniële bloedvaten uitkomst bieden. In dat geval
    diene de a.carotis interna en externa, alsmede de a.vertebralis, in het nektra-
    ject onderzocht te worden. Mits de a.carotis interna en de a.vertebralis bei-
    derzijds óf een reverberating pattern óf systolic spikes laten zien is de
    diagnostische betekenis dezelfde als die van het onderzoek van de intracrani-
    ele vaten. De a.carotis externa laat in het geval van ontbrekende hersendoor-
    bloeding juist een normaal Dopplersignaal zien. Daarmee kan ook worden
    uitgesloten dat een forse aortaklepinsufficientie ten grondslag ligt aan een
    signaal dat op een reverberating pattern lijkt.
    Voor de praktische uitvoering geldt hetzelfde als voor de TCD/TC duplex:
    elke Dopplermeting geschiedt gedurende minimaal 10 hartslagen per bloed-
Hersendoodprotocol                                                                   145
</pre>

====================================================================== Einde pagina 146 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 147 ======================================================================

<pre>       vat. De tweede serie metingen dient niet eerder dan twintig minuten na het
       begin van de eerste serie te worden gestart. Het gehele onderzoek zal dan
       circa een half uur in beslag nemen. In beide series metingen dient men een
       zogenaamd hoge-weerstandsprofiel te registreren. Dit uit zich in de aanwe-
       zigheid van een reverberating pattern of van systolic spikes en wijst op afwe-
       zigheid van hersendoorbloeding.
   Technische criteria bij onderzoek extracraniële vaten
   g   Te gebruiken apparatuur en afstelling daarvan.
       Extracraniële duplex. Er wordt gebruik gemaakt van een kleuren duplexsys-
       teem met een lineaire breedband transducer (bv. 3-9MHz). De gain voor de
       B-mode dient op een lage waarde afgesteld te zijn, dusdanig dat de bloedva-
       ten net zichtbaar zijn. De gain voor de kleurenmode dient daarentegen op een
       hoge waarde afgesteld te zijn, terwijl de schaal juist gevoelig moet zijn voor
       lage snelheden. Ook hier geldt dat een geringe achtergrondruis in het duplex-
       beeld een houvast is voor de praktijk.
       Voor het Dopplergedeelte geldt dat de gain op een hoge waarde staat. Een
       houvast voor de praktijk is dat er achtergrondruis in het Dopplerspectrum
       zichtbaar is. Het sample volume dient groot te zijn, bij voorkeur 5-10 mm.
       Ook de afstelling van de schaal is in deze context van belang. Een maximum
       van 50-100cm/s is aan te bevelen.
   Opmerkingen
   Bij het vanwege een veranderde structuur van het schedelbot ontbreken van een
   voor ultrageluid goed toegankelijk temporaal of suboccipitaal venster is transcra-
   nieel onderzoek niet mogelijk. Extracranieel duplexonderzoek biedt dan uit-
   komst.
   Bepaalde ongecorrigeerde cor vitia, bijvoorbeeld een ernstige aortaklepinsuffici-
   entie, kunnen een flowpatroon veroorzaken dat oppervlakkig lijkt op een rever-
   berating pattern. Bij onderzoek van alleen de intracraniële vaten kan dan een
   fout-positieve uitslag het gevolg zijn: ten onrechte wordt de testrespons als 'ont-
   brekende hersendoorbloeding' geïnterpreteerd. Dit probleem kan worden voorko-
   men door onderzoek van de extracraniële bloedvaten.
46 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 147 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 148 ======================================================================

<pre>      Een voorwaarde voor het ontbreken van hersendoorbloeding als bevestiging van
      de diagnose hersendood is een intacte schedel. Als de schedel niet intact is (bij-
      voorbeeld bij schedelfracturen, ventrikeldrains of neonaten met open fontanel-
      len) kan de bloedstroom in de grote hersenvaten nog normaal zijn, ook al is er
      geen hersenactiviteit meer. Daardoor kan een TCD of TC duplex onderzoek in zo
      een situatie een foutnegatieve bevinding opleveren; een foutpositieve bevinding
      daarentegen is niet mogelijk.
G.3.4 CT-angiografie (CTA)
      Dit onderzoek dient te worden beoordeeld door een (neuro)radioloog met exper-
      tise op het gebied van CTA-diagnostiek van afwijkingen in de bloedvaten van de
      hals en de hersenen.
      Technische criteria
      a    De toe te passen methode is cerebrale CT-angiografie (CTA) uitgevoerd met
           een multi-detector row CT-scanner (MDCT).
      b    De vereiste minimale systolische bloeddruk is 80 mm Hg (10,7 kPa), c.q. bij
           kinderen niet lager dan twee standaarddeviaties onder de gemiddelde waarde
           voor de desbetreffende kinderleeftijd (zie tabel G1).
      c    Als contraststof dient een niet-ionisch middel (bevattend ≥ 300 mg jodium
           per ml) te worden gebruikt.
      d    100 ml contrastmiddel wordt via mechanische injectie intraveneus (bijvoor-
           beeld in een armvene of in een centrale veneuze ‘lijn’) toegediend met een
           flow-snelheid van ≥ 3 ml per seconde. Bij kinderen tot een gewicht van 50 kg
           dient het injectie protocol als volgt te worden aangepast: hoeveelheid con-
           trastmiddel ≥ 2.0 ml/kg met een flow-snelheid ≥ 0.06 ml/kg/sec.
      e    Er worden drie CT-scans vervaardigd. De eerste CT-scan is een ‘blanco’ scan
           zonder toediening van contrast. De start van de tweede CT-scan (CTA) is 20
           seconden na de start van de injectie van het contrastmiddel. De derde CT-
           scan (CTA) wordt gestart 60 seconden na de start van injectie.
      f    Scanparameters: detectorcollimatie ≤ 1mm, pitch van ≤ 1. De kVp en mAs
           worden gebaseerd op, en komen overeen met, de instellingen van de lokale
           CTA-protocollen voor de diagnostiek van afwijkingen in de bloedvaten van
           de hersenen.
      g    Scanrange: ongeanguleerde scan van C3 tot de vertex. Scanrichting: caudo-
           craniaal.
      Hersendoodprotocol                                                                 147
</pre>

====================================================================== Einde pagina 148 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 149 ======================================================================

<pre>      h   Reconstructie met een slice-dikte van ≤ 1mm, met 50% overlap en een FOV
          waarbij de gehele schedel wordt afgebeeld.
      i   Er kan alleen een uitspraak worden gedaan over cerebrale circulatiestilstand,
          en daarmee hersendood, als er bewijs is dat het contrast daadwerkelijk in de
          bloedbaan is ingespoten. Dit is het geval indien er sprake is van contrastvul-
          ling in de extracraniële vaten (de arteria carotis externa en de zijtakken van
          de arteria carotis externa, zoals de arteria temporalis superficialis) op de CTA
          na 20 seconden en/of de CTA na 60 seconden.
      j   Het onderzoek wordt bij voorkeur beoordeeld op een werkstation met de
          mogelijkheid om reconstructies in meerdere richtingen te vervaardigen in 2D
          en/of 3D.
      k   Er is sprake van cerebrale circulatiestilstand, en daarmee hersendood, indien
          er geen aankleuring optreedt in beide CTA’s van 1) de corticale arteriën van
          de arteria cerebri media (M4 segment) aan de linker- en rechterzijde; en 2) de
          vena cerebri interna aan de linker- en rechterzijde.
G.3.5 Apneutest
      Dit onderzoek dient te worden verricht door een anesthesioloog, een intensivist,
      of een longarts, dan wel een internist of neuroloog met expertise op het gebied
      van ademhalingsstoornissen.
      Alvorens de test uit te voeren gelden de volgende voorwaarden:
      a   aanwijzingen voor beademingsafhankelijkheid (zie G.3.1)
      b   uitsluiting van niet in de hersenen gelegen oorzaken van het ontbreken van
          spontane ademhaling; naast de in de prealabele voorwaarden genoemde oor-
          zaken (G.2.1) dienen uitgesloten te zijn: een hoge cervicale ruggemerglesie
          en een dubbelzijdige lesie van de nervus phrenicus
      c   een vooraf vervaardigd onderzoek van de grote hersenen (EEG, TCD, CTA,
          passend bij hersendood; zie G.2.4)
      Technische criteria
      a   Voorbereiding: na 10 minuten mechanische beademing met 100 procent
          zuurstof wordt door aanpassing van de mechanische beademing een paCO2
          van 40 mm Hg (5,3 kPa) bereikt (uitgangswaarde), gemeten via bloedgasana-
 48   Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 149 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 150 ======================================================================

<pre>    lyse, danwel een paCO2 van ten minste 45 mm Hg (6 kPa) bij personen met
    een chronische luchtwegaandoening.
b   Tijdens de test dient:
    • via een puls-oximeter continue registratie te geschieden van de perifere
       zuurstofsaturatie, die steeds 90 procent of hoger moet zijn
    • via een capnograaf, aangesloten op de endotracheale tube, continue regis-
       tratie plaats te vinden van het CO2-gehalte in de ademlucht
    • een elektrocardiogram te worden vervaardigd ter registratie van hartfre-
       quentie en eventuele hartritmestoornissen
    • de bloeddruk – indien geen continue bewaking via een intra-arteriële ‘lijn’
       plaatsvindt – met intervallen van maximaal 3 minuten te worden gemeten;
       de systolische bloeddruk moet steeds ten minste 80 mmHg (10,7 kPa)
       bedragen.
c   De apneutest begint – bij de vereiste paCO2-uitgangswaarde – met het stop-
    zetten van de beademingsmachine, waarna direct voorzien moet worden in
    zuurstoftoediening van 6 liter per minuut via een catheter, ingebracht (bij
    volwassenen: 20 centimeter) in de endotracheale tube. Bij personen die
    wegens een verminderde gaswisseling in de longen vooraf beademing met
    PEEP (positive end expiratory pressure) ondergingen, behoort de 100 pro-
    cent zuurstof niet met een catheter maar via CPAP (continuous positive air-
    way pressure) te worden toegediend (waarbij de apparatuur is ingesteld op
    druktriggering, in de gevoeligste stand: gewoonlijk -2 cm H2O; wanneer de
    apparatuur niet ingesteld kan worden op druktriggering, kan de patiënt los
    van de beademing worden gelegd met zuurstof in de tube).
d   De apneutest kan worden beëindigd wanneer bij het bereiken van een, via een
    tweede bloedgasanalyse gemeten, paCO2 van 50 mm Hg (6,65 kPa) of hoger
    (danwel 60 mm Hg, ofwel 8 kPa, bij personen met chronische longaandoe-
    ningen) geen ademhalingsbewegingen zijn opgetreden.
Aan de hand van de in het begin gemeten uitgangswaarde kan worden geschat –
uitgaande van een gemiddelde stijging van de paCO2 van 2 mm Hg (0,27 kPa)
per minuut – na hoeveel tijd de vereiste minimale eindwaarde waarschijnlijk zal
zijn bereikt (globaal 5 tot 10 minuten).
Ademhalingsbewegingen zijn soms moeilijk te onderscheiden van spierschokken
van de borstkas. Wanneer de capnograaf een tijdelijke stijging van het CO2-
gehalte in de ademlucht laat zien, is er sprake van een echte adembeweging.
Hersendoodprotocol                                                                149
</pre>

====================================================================== Einde pagina 150 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 151 ======================================================================

<pre>    e   Bij het optreden van complicaties moet de apneutest worden afgebroken en
        de beademing meteen worden hervat; tevens dient de paCO2 te worden
        bepaald (bloedgasanalyse). De test is dan niet (verder) uitvoerbaar. Dit geldt
        onder meer bij:
        • daling van de systolische bloeddruk onder 80 mm Hg (10,7 kPa), c.q. bij
            kinderen meer dan twee standaarddeviaties onder de gemiddelde waarde
            voor de desbetreffende kinderleeftijd (zie tabel G1)
        • daling van de via de puls-oxymeter gemeten zuurstofsaturatie onder 90
            procent (bij personen met chronische longaandoeningen is een daling tot
            85 procent aanvaardbaar)
        • het optreden van ernstige hartritmestoornissen.
    f   Het afbreken van de apneutest impliceert dat de hersendood niet met deze
        vorm van aanvullend onderzoek kan worden aangetoond. Er wordt dan vast-
        gesteld dat de hersendood niet kan worden gediagnosticeerd.
G.4 Verslaglegging
    De wijze waarop de hersendood is vastgesteld, dient te worden gedocumenteerd
    in een verklaring (zie tabel G4: ‘formulier vaststelling hersendood’), waarin
    gegevens worden vastgelegd over de verschillende diagnostische fasen (preala-
    bale voorwaarden, klinisch-neurologisch en aanvullend onderzoek) en het offi-
    ciele tijdstip van overlijden, te weten het moment waarop de definitieve diagnose
    ‘hersendood’ is gesteld. Deze verklaring dient bij voorkeur ondertekend te wor-
    den door de (kinder)neuroloog of neurochirurg die het klinisch-neurologisch
    onderzoek heeft uitgevoerd, tenzij deze niet meer aanwezig is; in dat geval kan
    een andere (kinder) neuroloog of neurochirurg de verklaring ondertekenen, na
    zich van de resultaten van alle stappen van het protocol vergewist te hebben.
 50 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 151 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 152 ======================================================================

<pre> abel G1 De 2,5%-ondergrenswaarden (P-2,5 waarden, overeenkomend met twee standaarddeviaties onder de gemiddelde waarde) voor systoli-
che bloeddruk bij jongens en meisjes naar leeftijd, voor verschillende lengtes (height percentiles).
 ongens
 ystolische bloeddruk      Leeftijd
  ormalized Height         1       2      3      4       5      6       7       8      9      10     11    12      13     14     15    16
 eight        percentiles
1,28          0,10         60,8    64,3   66,9   68,9    70,4   71,7    73,0    74,3   75,8   77,5   79,5  81,7    84,1   86,7   89,3  91,8
0,84          0,20         62,1    65,6   68,2   70,2    71,7   73,0    74,3    75,6   77,1   78,8   80,7  83,0    85,4   87,9   90,6  93,1
0,52          0,30         63,0    66,5   69,1   71,1    72,6   74,0    75,2    76,5   78,0   79,7   81,7  83,9    86,3   88,9   91,5  94,1
0,25          0,40         63,8    67,3   69,9   71,9    73,4   74,7    76,0    77,3   78,8   80,5   82,4  84,7    87,1   89,7   92,3  94,8
0,00          0,50         64,5    68,0   70,6   72,6    74,1   75,4    76,7    78,0   79,5   81,2   83,2  85,4    87,8   90,4   93,0  95,5
 ,25          0,60         65,1    68,7   71,3   73,2    74,8   76,1    77,4    78,7   80,2   81,9   83,8  86,0    88,5   91,0   93,7  96,2
 ,52          0,70         65,8    69,4   72,0   73,9    75,5   76,8    78,1    79,4   80,9   82,6   84,5  86,7    89,2   91,7   94,4  96,9
 ,84          0,80         66,6    70,1   72,7   74,7    76,3   77,6    78,8    80,2   81,6   83,3   85,3  87,5    89,9   92,5   95,1  97,7
 ,28          0,90         67,6    71,1   73,7   75,7    77,2   78,5    79,8    81,1   82,6   84,3   86,3  88,5    90,9   93,5   96,1  98,6
Meisjes
 ystolische bloeddruk      Leeftijd
  ormalized Height         1       2      3      4       5      6       7       8      9      10     11    12      13     14     15    16
 eight        percentiles
1,28          0,10         63,8 65,4 66,9 68,4 70,0 71,6 73,3 75,1 77,0 78,9 80,9 82,8 84,6 86,2 87,4 88,3
0,84          0,20         64,6 66,2 67,8 69,3 70,8 72,4 74,2 76,0 77,8 79,8 81,7 83,6 85,4 87,0 88,3 89,2
0,52          0,30         65,3 66,9 68,4 69,9 71,4 73,1 74,8 76,6 78,5 80,4 82,3 84,2 86,0 87,6 88,9 89,8
0,25          0,40         65,8 67,4 68,9 70,4 72,0 73,6 75,3 77,1 79,0 80,9 82,9 84,8 86,6 88,2 89,5 90,4
 ,00          0,50         66,3 67,9 69,4 70,9 72,5 74,1 75,8 77,6 79,5 81,5 83,4 85,3 87,1 88,7 90,0 90,9
 ,25          0,60         66,8 68,4 70,0 71,5 73,0 74,6 76,4 78,2 80,0 82,0 83,9 85,8 87,6 89,2 90,5 91,4
 ,52          0,70         67,4 69,0 70,5 72,0 73,6 75,2 76,9 78,7 80,6 82,5 84,5 86,4 88,2 89,7 91,0 91,9
 ,84          0,80         68,0 69,6 71,2 72,7 74,2 75,9 77,6 79,4 81,2 83,2 85,1 87,0 88,8 90,4 91,7 92,6
 ,28          0,90         68,9 70,5 72,0 73,6 75,1 76,7 78,5 80,3 82,1 84,1 86,0 87,9 89,7 91,3 92,6 93,5
  ron: deze waarden zijn afgeleid van bloeddrukgegevens uit The Fourth Report on the Diagnosis, Evaluation, and Treatment of High Blood Pres-
ure in Children and Adolescents. National High Blood Pressure Education Program Working Group on High Blood Pressure in Children and Ado-
escents. Pediatrics 2004; 114:555-76 (gegevens bewerkt door drs. C.W. Bollen, kinderarts-intensivist, Universitair Medisch Centrum Utrecht).
      observatie: 1) observeer spontane reactie; indien geen reactie: 2) observeer reactie op luid aanspreken; indien geen reactie:
      3) observeer reactie op pijnprikkel.
      registratie: noteer afzonderlijk + in volgorde de scores E, M, V. Noteer de beste reacties + bijzonderheden.
      Niet verricht = nv; tube/tracheacanule = t.
      rapportage: meld elke reactievermindering (double-check bij twijfel).
      oogleden niet kunnen sluiten is niet gelijk aan ogen openen.
      pijnprikkel: op nagelbed, sternum, huidplooi borst of supra-orbitaal.
      lokaliseren: hand over midline buik/borst brengen of boven kin.
                Hersendoodprotocol                                                                                                        151
</pre>

====================================================================== Einde pagina 152 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 153 ======================================================================

<pre>   Tabel G2 De Glasgow Coma Scale (GCS) voor volwassenen + kinderen vanaf 6 jaara.
   Actief openen van de ogen:                           niet                                       1
   E-score (E = Eye)
                                                        op pijnprikkels                            2
                                                        op aanspreken                              3
                                                        spontaan                                   4
   Motorische reactie van de armen op prikkels:         geen reactie                               1
   M-score (M = Motor)
                                                        strekken                                   2
                                                        abnormaal buigen                           3
                                                        terugtrekken                               4
                                                        lokaliseren                                5
                                                        opdrachten uitvoeren                       6
   Verbale reactie: V-score (V = Verbal)                tube/tracheacanule                         t
                                                        geen reactie                               1
                                                        onverstaanbaar (alleen klanken)            2
                                                        inadequaat (alleen woorden)                3
                                                        verward (verwarde zinnen)                  4
                                                        georiënteerd, helder                       5
   a   Toelichting:
       Criteria en aandachtspunten GCS:
       •    observatie: 1) observeer spontane reactie; indien geen reactie: 2) observeer reactie op luid aanspreken;
            indien geen reactie: 3) observeer reactie op pijnprikkel
       •    registratie: noteer afzonderlijk + in volgorde de scores E, M, V. Noteer de beste reacties + bijzonderhe-
            den. Niet verricht = nv; tube/tracheacanule = t.
       •    rapportage: meld elke reactievermindering (double-check bij twijfel)
       •    oogleden niet kunnen sluiten is niet gelijk aan ogen openen
       •    pijnprikkel: op nagelbed, sternum, huidplooi borst of supra-orbitaal
       •    lokaliseren: hand over midline buik/borst brengen of boven kin.
52 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 153 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 154 ======================================================================

<pre>Tabel G3 De Pediatric Glasgow Coma Scale (PGCS) voor kinderen < 6 jaara.
Actief openen van de ogen:                          niet                                       1
E-score (E = Eye)
                                                    op pijnprikkels                            2
                                                    op aanspreken                              3
                                                    spontaan                                   4
Motorische reactie van de armen op prikkels:        geen reactie (0 - 6 mnd: flexie)           1
M-score (M = Motor)
                                                    strekt op pijn (6 mnd - 2 jr: lokaliseren) 2
                                                    flexie op pijn                             3
                                                    lokaliseert pijn                           4
                                                    voert opdrachten uit (2 tot 6 jaar)        5
Verbale reactie: V-score (V = Verbal)               tube (beademing)                           t
                                                    geen reactie                               1
                                                    huilt/schreeuwt                            2
                                                    stemgeluiden                               3
                                                    woorden                                    4
                                                    georiënteerd                               5
a   Toelichting:
    Normale totaalscore PGCS:
    •    5 jaar en ouder: E4, M5, V5
    •    2 – 5 jaar: E4, M5, V4
    •    1 – 2 jaar: E4, M4, V4
    •    6 mnd – 1 jaar: E4, M4, V3
    •    0 – 6 maanden: E4, M3, V2
    Criteria en aandachtspunten PGCS:
    •    observatie + registratie + rapportage: conform GCS
    •    oogleden niet kunnen sluiten is niet gelijk aan ogen openen
    •    pijnprikkel: op nagelbed (geen pen/potlood) of huidplooi borst, geen supra-orbitale pijnprikkel toedienen
    •    M3: geen onderscheid tussen abnormaal buigen en terugtrekken
    •    lokaliseren: iedere beweging in de richting van een pijnprikkel
    •    georiënteerd: kind noemt eigen naam of weet waar hij/zij is.
Hersendoodprotocol                                                                                             153
</pre>

====================================================================== Einde pagina 154 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 155 ======================================================================

<pre>Tabel G4 Formulier vaststelling hersendood. [aangepaste versie dd 22-11-2016]
Algemene gegevens patiënt
Naam, voorletters:
Geboortedatum:
Geslacht:
Adres:
1. Diagnose
Primair hersenletsel:                                                ........................................
Tijdstip ongeval/begin ziekte:                                       datum                                    tijd
Tijdstip onderzoek:                                                  datum                                    tijd
2. Uitsluitingscriteriaa
Is er sprake van:
Hypothermie:                                                              ja                                      nee
Hypotensie:                                                               ja                                      nee
Intoxicatie, medicatie, anders dan medicamenteuze neurodepressie          ja                                      nee
Blokkade neuromusculaire overgang:                                        ja                                      nee
Metabole/biochemische stoornis:                                           ja                                      nee
Reanimatie in de 12 uur voorafgaande aan start van                        ja                                      nee
de hersendoodprocedure:
3. Medicamenteuze neurodepressie
Is er sprake van medicamenteuze neurodepressie                            ja                                      nee
die de beoordeling onbetrouwbaar maakt
4. Klinisch-neurologisch onderzoek
Tijdstip:                                                            datum                                    tijd
Bewustzijn:
(P)GCS-score:                                                        E=                       /M=                  /V=
Hersenstamfunctie:
Pupilreactie op licht:                                                    ja                                      nee
Corneareflex:                                                             ja                                      nee
Oculocefale reflex:                                                       ja                                      nee
Oculovestibulaire reflex:                                                 ja                                      nee
Hoestreflex:                                                              ja                                      nee
Spontane ademhaling:                                                      ja                                      nee
Tijdsinterval tussen testen bij kinderen < 1 jaar:a                  .......... uur
Onderzoek verricht door:                                             Naam                                     handtekening
((kinder)neuroloog/neurochirurg)
154           Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 155 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 156 ======================================================================

<pre>Tabel G4 Vervolg.
5. Aanvullend onderzoek; slechts één van de drie testen (EEG, TCD of CTA) dient ingevuld te zijn
- EEG verricht:                                                         ja                                   nee
   Tijdstip:                                                       Datum                                tijd
   Iso-elektrisch (ook bij reacties op prikkels):                       ja                                   nee
   Tijdsinterval tussen testen bij kinderen < 1 jaar:a             .......... uur
   Beoordeeld door:                                                naam                                 handtekening
   [(kinder)neuroloog/klinisch neurofysioloog]
- Transcranieel Doppleronderzoek (TCD) verricht:a                       ja                                   nee
   Tijdstip:                                                       datum                                tijd
   Cerebrale circulatiestilstand aangetoond:                            ja                                   nee
   Beoordeeld door:                                                naam                                 handtekening
   (klinisch neurofysioloog/neuroloog met ervaring op
   gebied van Doppler-vaatdiagnostiek)
- Cerebrale CT-angiografie (CTA) verricht:a                             ja                                   nee
   Tijdstip:                                                       datum                                tijd
   Cerebrale circulatiestilstand aangetoond:                            ja                                   nee
   Beoordeeld door:                                                naam                                 handtekening
   ((neuro)radioloog met ervaring op gebied van vaatdiagnostiek)
6. Apneutest a
Bezwaren tegen uitvoering                                               ja                                   nee
Tijdstip:                                                          datum                                tijd
Zuurstofsaturatie (pulse-oximeter) bij aanvang test:               %
Zuurstofsaturatie (pulse-oximeter) bij einde test:                 %
PaCO2-uitgangswaarde:                                              ... mm Hg, ofwel ...kPa
PaCO2-eindwaarde:                                                  ... mm Hg, ofwel ...kPa
Reden voortijdig afbreken test (indien van toepassing):            ....................................
Apneu aangetoond:                                                       ja                                   nee
Apneu vastgesteld door:                                            naam                                 handtekening
(anesthesioloog/intensivist/longarts of internist/neuroloog
met expertise op dit gebied)
7. Verklaring
Ondergetekende:                                                    naam                                 .................................
(kinder)neuroloog, neurochirurg te:                                plaats                               .................................
verklaart dat van bovengenoemde
patiënt de hersendood is vastgesteld op:                           datum ........................       tijdstip .....................
                                                                   handtekening                         .................................
a     Toelichting: zie volgende pagina.
               Hersendoodprotocol                                                                                                         155
</pre>

====================================================================== Einde pagina 156 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 157 ======================================================================

<pre>    Toelichting
    Hypothermie
    - een centrale lichaamstemperatuur < 32°C
    Hypotensie
    - systolische bloeddruk < 80 mm Hg (10,7 kPa) en bij kinderen niet lager dan twee standaarddeviaties
      onder de gemiddelde waarde voor de desbetreffende kinderleeftijd.
    Medicatie
    - medicijnen die daling van het bewustzijn mede kunnen verklaren.
    Metabole/biochemische stoornis
    - die daling van het bewustzijn mede kan verklaren.
    Transcranieel Doppleronderzoek (TCD)
    - Tijdens het onderzoek dient de systolische bloeddruk minimaal 80 mm Hg (10,7 kPa) te zijn en bij
      kinderen niet lager dan twee standaarddeviaties onder de gemiddelde waarde voor de desbetreffende
      kinderleeftijd.
    Cerebrale CT-angiografie (CTA)
    - Tijdens het onderzoek dient de systolische bloeddruk minimaal 80 mm Hg (10,7 kPa) te zijn en bij
      kinderen niet lager dan twee standaarddeviaties onder de gemiddelde waarde voor de desbetreffende
      kinderleeftijd.
    Apneutest
    - 10 minuten beademen met 100% O2
    - Bloedgasanalyse: PaCO2 moet minimaal 40 mm Hg (5, 3 kPa) zijn, danwel 45 mm Hg (6 kPa) bij
      personen met een chronische luchtwegaandoening
    - Beademing stoppen, 100% O2 met 6 liter/min door tube/canule blijven toedienen
    - Apneutest beëindigen bij het bereiken, gemeten via een tweede bloedgasanalyse, van een PaCO2
      van 50 mm Hg (6,65 kPa) danwel 60 mm Hg (8 kPa) bij personen met een chronische luchtweg-
      aandoening
    -Tijdens het onderzoek dient de systolische bloeddruk minimaal 80 mm Hg (10,7 kPa) te zijn en bij
      kinderen niet lager dan twee standaarddeviaties onder de gemiddelde waarde voor de desbetreffende
      kinderleeftijd
    - De apneutest mag worden uitgevoerd aan beademing met CPAP en druktriggering.
    Diagnostiek bij kinderen
    - Herhaling van het protocol na vereiste observatieperiode:
      • in de eerste levensweek:                                48 uur
      • daarna tot de leeftijd van twee maanden:                24 uur
      • in de leeftijd van twee tot twaalf maanden:             12 uur.
156 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 157 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 158 ======================================================================

<pre>G.5        Schematische weergave van het Hersendoodprotocol
 iguur 5 Hersendoodprotocol.
           Hersendoodprotocol                               157
</pre>

====================================================================== Einde pagina 158 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 159 ======================================================================

<pre>58 Vaststellen van de dood bij postmortale orgaandonatie</pre>

====================================================================== Einde pagina 159 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 160 ======================================================================

<pre>Gezondheidsraad
Adviezen
De taak van de Ge­z ond­h eids­r aad lieden. Met enige regelmaat
is mi­n is­t ers en parlement te     brengt de Gezondheidsraad ook
advise­r en over vraag­s tukken op   ongevraag­d e adviezen uit, die
het gebied van de volksgezond­       een signale­r ende functie hebben.
heid. De meeste ad­v ie­z en die de  In sommige gevallen leidt een
Gezondheidsraad jaar­l ijks uit­     signalerend advies tot het verzoek
brengt worden ge­s chre­v en op      van een minister om over dit
verzoek van een van de bewinds­      onderwerp verder te adviseren.
Aandachtsgebieden
Optimale                             Preventie                          Gezonde voeding
gezondheidszorg                      Met welke vormen van               Welke voedingsmiddelen
Wat is het optimale                  preventie valt er een              bevorderen een goede
resultaat van zorg                   aanzienlijke gezond-               gezondheid en welke
(cure en care) gezien                heidswinst te behalen?             brengen bepaalde gezond­
de risico’s en kansen?                                                  heidsri­s ico’s met zich mee?
Gezonde                              Gezonde arbeids­                   Innovatie en
leefomgeving                         omstandigheden                     kennisinfrastructuur
Welke invloeden uit                  Hoe kunnen werk-­                  Om kennis te kunnen
het milieu kunnen een                nemers beschermd                   oogsten op het gebied
positief of negatief                 worden tegen arbeids­              van de gezondheids­
effect hebben op de                  omstandigheden                     zorg moet er eerst
gezondheid?                          die hun gezondheid                 gezaaid worden.
                                     mogelijk schaden?
www.gezondheidsraad.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 160 =================================================================

<br><br>