<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Gezond opgroeien:
weten wat werkt
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Onderwerp              : Aanbieding jongGR signalement Gezond opgroeien: weten wat werkt
Ons kenmerk            : U-8399/LC/GS/pm/017-A2
Bijlagen               :1
Datum                  : 11 mei 2015
Geachte staatssecretaris,
Hoe kunnen we kennis inzetten om jongeren in Nederland gezonder te laten opgroeien? Met
dit vraagstuk ging een speciaal daartoe ingestelde commissie van leden van jongGR – het
netwerk van jonge wetenschappers van de Gezondheidsraad – aan de slag. Het resultaat ligt
voor u: een signalement over gezond opgroeien, geschreven voor beleidsmakers en profes-
sionals uit het jeugdveld.
De vraag in hoeverre wetenschappelijke kennis de weg vindt naar beleid rond gezond
opgroeien loopt als een rode draad door het signalement. In vier casussen worden onder-
werpen zo divers als evidence-based werken in de jeugdzorg en het stimuleren van bewe-
ging via ruimtelijke ordening behandeld. De casussen maken duidelijk hoe winst valt te
behalen als wetenschappelijke kennis beter wordt benut.
Weten wat werkt is een belangrijk uitgangspunt voor beleid en praktijk. JongGR hoopt met
dit signalement een steentje bij te dragen aan het verspreiden van kennis over gezond
opgroeien. Om dit streven kracht bij te zetten organiseert jongGR 21 mei a.s. een sympo-
sium over de thematiek van het signalement, meer informatie vindt u op www.jonggr.nl.
Met vriendelijke groet,
prof. dr. W.A. van Gool,
voorzitter
Bezoekadres                                                                     Postadres
Rijnstraat 50                                                                   Postbus 16052
2515 XP          Den Haag                                                       2500 BB         Den Haag
E - m a i l : l m . c o r n i p s @ g r. n l / g . a . j . s o e t e @ g r. n l w w w. g r. n l
Te l e f o o n : 0 6 4 6 2 7 8 9 7 3 / 0 6 5 2 7 7 6 5 4 6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>weten wat werkt
ongGR
 e jonge Gezondheidsraad (jongGR) is een netwerk dat is opgericht om jonge wetenschappers, die
icht bij de praktijk staan en oog hebben voor vernieuwende ontwikkelingen, te betrekken bij het werk
an de Gezondheidsraad. JongGR signaleert beleidsrelevante ontwikkelingen en fungeert als vraagbaak
oor de Gezondheidsraad en beleidsmakers. Voor dit signalement is een commissie ingesteld van jonge
 etenschappers met uiteenlopende expertise rond gezond opgroeien.
 en Haag, 11 mei 2015
ublicatienr. 2015/11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>   prof. dr. W.A. van Gool, voorzitter Gezondheidsraad, Den Haag, voorzitter
   prof. dr. M. Bartels, hoogleraar genetics and wellbeing, Vrije Universiteit, Amsterdam
   dr. R.M.M Crutzen, universitair docent gezondheidsbevordering, Universiteit Maastricht
   dr. ir. M.B.A Dijkema, senior adviseur milieu en gezondheid, GGD Amsterdam
   dr. ir. M. van Eijsden, senior onderzoeker jeugd, GGD Amsterdam
   prof. dr. V.W.V Jaddoe, bijzonder hoogleraar kindergeneeskunde in het bijzonder pediatrische
   epidemiologie, Erasmus MC, Rotterdam
   dr. L. Keijsers, universitair docent jeugd en gezin, Universiteit Utrecht
   dr. M. Klein Velderman, senior onderzoeker jeugd, TNO, Leiden
   dr. P.C.M. Luijk, universitair docent gezinspedagogiek, Erasmus Universiteit, Rotterdam
   dr. S.E.M.J. Stoltz, universitair docent ontwikkelingspsychologie, Radboud Universiteit, Nijmegen
   mr. drs. H.D.K. Fleddérus, ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
   Den Haag, waarnemer
   L.M. Cornips, MPhil, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
   dr. S.J.W. Kunst (arts), Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris (tot 1-12-2014)
   dr. G.A.J. Soete, Gezondheidsraad, Den Haag, secretaris
  kunt het advies downloaden van www.gr.nl
 eze publicatie kan als volgt worden aangehaald:
 ezondheidsraad. Gezond opgroeien: weten wat werkt. Den Haag: jonge Gezondheidsraad, 2015;
ublicatienr. 2015/11.
 uteursrecht voorbehouden
SBN: 978-94-6281-027-3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>       Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6
asus 1 Evidence-based werken in de jeugdhulp. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7
asus 2 Preventie van roken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11
asus 3 Voedingsinformatie voor jonge ouders. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
asus 4 In beweging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20
       Slotbeschouwing . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
       Literatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25
       Inhoud                                                                                                          5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>                    De basis voor een goede mentale en fysieke gezondheid wordt in het begin van het
                    leven gelegd. De overheid investeert dan ook in het gezond opgroeien van kinde-
                    ren. Dit gebeurt door middel van wetgeving, campagnes, en specifieke voorzie-
                    ningen zoals de jeugdgezondheidszorg en de jeugdhulp. Ook op een indirecte
                    manier draagt de overheid bij aan de gezondheid van kinderen, bijvoorbeeld door
                    bij de inrichting van de publieke ruimte rekening te houden met verkeersveilig-
                    heid en speelruimte.
                    De multidisciplinaire commissie van de jonge Gezondheidsraad heeft verkend
                    waar winst valt te behalen in het beleid rondom ‘gezond opgroeien’. Zij heeft de
                    indruk dat er over veel aspecten van ‘gezond opgroeien’ een behoorlijke hoeveel-
                    heid wetenschappelijke kennis bestaat. De kennis komt echter niet altijd terecht
ennis voor beleid   bij de beleidsmakers die deze kunnen gebruiken. Deze haperende ‘kennisstromen’
                    zijn lastig in algemene termen te omschrijven. De commissie heeft daarom vier
                    casussen rond gezond opgroeien beschreven die de problematiek illustreren:
                    1   Evidence-based werken in de jeugdhulp
                    2   Preventie van roken
                    3   Voedingsinformatie voor jonge ouders
                    4   In beweging
                    De casussen zijn door de commissie gekozen vanuit haar wetenschappelijke ach-
                    tergrond en ervaring; dit signalement behandelt dus niet alle belangrijke aspecten
                    van gezond opgroeien.
                    De vier thema’s komen ook aan de orde in de landelijke nota gezondheidsbeleid
                    van het kabinet. Daarin worden beleidsdoelen geformuleerd, zoals het stimuleren
                    van beweging onder jongeren.1 De commissie gaat bij de behandeling van de vier
                    casussen uit van beleidsdoelen, en beschrijft welke knelpunten optreden bij de
nelpunten en        realisatie ervan. Daarbij wordt de rol van de overheid en andere betrokken acto-
plossingsrichtingen ren, zoals wetenschappers en (zorg)professionals, besproken. Tot slot schetst de
                    commissie oplossingsrichtingen waarbij de rol van wetenschappelijke kennis en
                    kennisinfrastructuur aan bod komt.
                    Inleiding                                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>werken in de jeugdhulp
Evidence-based werken in de jeugdhulp 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>                      psychosociale problemen veel voor.3,4 Zonder passend zorgaanbod kunnen deze
                      problemen leiden tot meer ernstige of chronische psychische problematiek in de
                      volwassenheid.5 Maar liefst een op de vijf jeugdigen maakt dan ook gebruik van
                      de jeugdzorg.6* Om aan die hulpvraag tegemoet te komen beschikken de instellin-
                      gen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor jeugdigen met psychosociale pro-
                      blemen over een steeds breder scala aan interventies die in de praktijk worden
                      toegepast.
                      Beleidsdoel: evidence-based werken in de jeugdhulp bevorderen
                      In de jeugdsector is, net zoals op andere terreinen, steeds meer aandacht voor evi-
                      dence-based werken.7,8 Van slechts een deel van de interventies die bij jeugdigen
                      met psychosociale problemen worden toegepast is de effectiviteit echter vastge-
                      steld door middel van wetenschappelijk onderzoek. Dit is niet alleen een probleem
                      omdat publieke middelen mogelijk niet effectief worden besteed, maar ook omdat
                      niet-effectieve interventies schade kunnen veroorzaken. Een van de middelen die
atabanken hulpmid-    is ingezet om evidence-based practice te bevorderen is een structuur van databan-
el bij evidence-based ken waarin een overzicht wordt gegeven van interventies met informatie over the-
erken                 oretische onderbouwing en effectiviteit. De eerste daarvan is in 2002 in opdracht
                      van het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (waaruit later onder andere het
                      Nederlands Jeugdinstituut (NJi) is voortgekomen) ontwikkeld door prof. dr. Tom
                      van Yperen.9 Later ontwikkelden ook andere jeugdzorginstellingen databanken
                      met interventies in hun vakgebied. Deze bevatten niet alleen interventies voor de
                      jeugdhulp, maar ook leefstijlinterventies voor de publieke gezondheidssector.10
                      Het doel van deze databanken is ten eerste om te informeren over effectieve inter-
                      venties, maar ook om het gebruik van interventies die niet bewezen effectief zijn
                      te ontmoedigen. Daarnaast beogen de databanken onderzoek en wetenschappe-
                      lijke onderbouwing van interventies te stimuleren en te belonen. De databanken
                      moeten de kwaliteit van het werk in de jeugdhulp ten goede komen.
                      Knelpunten
                      Een belangrijk knelpunt is dat de databanken onvolledig zijn. Dit komt enerzijds
lleen in Nederland    doordat er voor veel interventies geen Nederlands effectiviteitsonderzoek uitge-
nderzochte            voerd is. Voor veel interventies is weliswaar buitenlands effectiviteitsonderzoek
terventies            beschikbaar, maar landen verschillen in sociaal-culturele achtergrond en in de
                      gebruikelijke behandeling (care as usual). Dat betekent dat de conditie waarmee
                      Sinds 1 januari 2015 is de nieuwe Jeugdwet van kracht en wordt gesproken van jeugdhulp in plaats van
                      jeugdzorg. Omdat hier echter gerefereerd wordt aan literatuur verschenen voor 1 januari 2015 wordt de
                      term jeugdzorg gebruikt.
                      Evidence-based werken in de jeugdhulp                                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>                     zich niet laat vertalen. Interventies die alleen in het buitenland onderzocht zijn,
                     worden dan ook niet in Nederlandse databanken opgenomen. Toch wordt er in de
                     praktijk vaak wel gekozen voor interventies die alleen in het buitenland onder-
                     zocht zijn. Ook is er weinig inzicht in de effectiviteit van lokaal ontwikkelde inter-
                     venties.11 Hierdoor is het moeilijk om best practices te identificeren.
anmelden interven-   Anderzijds is de verantwoordelijkheid voor de opname van interventies in data-
es loopt niet goed   banken niet goed belegd. De interventie-eigenaar (die een interventie heeft ont-
                     wikkeld) heeft in het huidige systeem de taak om deze bij de databank aan te
                     melden. Dit is een complex en tijdrovend proces, te meer daar ontwikkelaars van
                     een programma vaak niet alle kennis in huis hebben om de aanvragen te schrijven.
                     De onderzoekers die het effectiviteitsonderzoek hebben uitgevoerd naar de betref-
                     fende interventie hebben vaak wel de benodigde aanvullende kennis, maar het
                     levert hen weinig op om interventie-eigenaren te helpen met het aanmeldingspro-
                     ces.7,12
                     Het opzetten van databanken met effectieve interventies is op zichzelf niet genoeg
e weinig aandacht    voor verspreiding ervan in de praktijk.13 De implementatie van evidence-based
oor implementatie    interventies kost tijd, inspanning en geld. Daarnaast wordt implementatie bemoei-
                     lijkt omdat onder professionals de angst bestaat dat het verplicht wordt alleen
                     bewezen effectieve interventies te gebruiken.7 De commissie vindt het zorgelijk
                     dat het in de huidige praktijk gebruikelijk is om interventies bij kinderen toe te
                     passen die niet bewezen effectief zijn. Het omarmen van evidence-based werken
                     is van groot belang om kinderen te beschermen tegen goedbedoelde, maar nega-
                     tief uitpakkende interventies. Voor innovatie kan een uitzondering gemaakt wor-
                     den, maar care as usual zou evidence-based moeten zijn.
                     Oplossingsrichtingen
                     De commissie ziet een aantal oplossingsrichtingen voor de hierboven beschreven
                     knelpunten.
 erken aan volledig- Maak de databanken vollediger. De overheid kan hier op twee manieren aan bij-
eid databanken       dragen. Enerzijds door te investeren in het sociaal-cultureel vertalen en toetsen
                     van veelbelovende buitenlandse interventies op effectiviteit in de Nederlandse
                     context, zodat deze in databanken kunnen worden opgenomen. Ook in de lokale
                     praktijk ontwikkelde hulpvormen die succesvol lijken zouden empirisch onder-
                     zocht kunnen worden.11 Anderzijds kan het proces van indienen van interventies
                     bij databanken vergemakkelijkt worden. Dit kan bijvoorbeeld door onderzoekers
                     te belonen als zij interventie-eigenaren assisteren bij het aanmelden. De bedoeling
                     is niet dat onderzoekers geheel zelfstandig aanvragen gaan indienen, omdat zij
                     daarna – in tegenstelling tot eigenaren – geen verantwoordelijkheid meer dragen
                     Evidence-based werken in de jeugdhulp                                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>                      stellen zodat praktijkinstellingen hun interventies kunnen registreren bij databan-
                      ken.7 Bij het Centrum voor Gezond Leven (CGL) bestaan al dergelijke subsidies.
                      Het systeem zou ook kunnen worden gewijzigd zodat gesubsidieerd onderzoek
                      naar interventies automatisch gekoppeld wordt aan de aanmelding ervan bij de
                      databanken.
ctualiteit informatie De actualiteit van de databanken kan verbeterd worden. ZonMw maakt hier al een
erbeteren             begin mee in het kader van het programma Effectief werken in de jeugdsector.14
                      Een databank kan onmogelijk volledig dekkend zijn, maar het zou voor gebruikers
                      informatief zijn als een overzicht bijgehouden werd van beschikbare interventies,
                      zodat opgezocht kan worden of iets wel of niet beoordeeld is. In dit overzicht zou-
                      den ook interventies die uit het buitenland worden geïmporteerd en veel in de
                      praktijk worden toegepast kunnen worden opgenomen.
                      Gebruikers kunnen – bijvoorbeeld door hun beroepsgroep – gestimuleerd worden
 vesteren in gebruik  om effectiviteit mee te wegen bij het kiezen voor een interventie. Dat professio-
ennis                 nals niet standaard op zoek gaan naar de bewezen effectieve interventies in de
                      databanken laat zien dat het bestaan van databanken niet voldoende is om een ver-
                      binding tussen kennis en praktijk te maken.
                      Evidence-based werken in de jeugdhulp                                            10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Casus 2 Preventie van roken 11</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>               verhoogde kans om die middelen ook op latere leeftijd te gebruiken, met alle
               negatieve fysieke, mentale en sociale effecten van dien. Als we kijken naar de
               schadelijkheid voor de (latere) gezondheid van jongeren dan springt roken er het
               meest in negatieve zin uit.15 Roken is in Nederland met voorsprong de belangrijk-
               ste oorzaak van sterfte en ziekte. Per jaar sterven 20.000 Nederlanders aan de
               gevolgen van roken.16 Jongeren die de puberteit doormaken zijn om allerlei soci-
               ale en neurobiologische redenen extra gevoelig voor risicovol en grensoverschrij-
               dend gedrag.17 De meeste rokers zijn voor hun achttiende begonnen met roken.18
               Voor de commissie is dat reden om in deze casus in te zoomen op de wetenschap-
               pelijke kennis en het beleid rond de preventie van roken onder jongeren. De
               onderliggende vraag daarbij is in hoeverre kennis van effectieve maatregelen
               tegen roken haar weg vindt naar beleid.
               Beleidsdoel: preventie en eigen verantwoordelijkheid
               De Nederlandse overheid wil voorkomen dat jongeren risicovol gedrag vertonen.
               Het huidige kabinet richt zich vooral op zelfcontrole van jongeren. Twee veelge-
               bruikte preventie-instrumenten die de zelfcontrole moeten vergroten zijn
               publiekscampagnes en (school)interventies. Deze zijn bedoeld om kinderen vaar-
ee tegen roken diger te maken om ‘nee’ te zeggen tegen roken – en andere vormen van risicovol
               gedrag waaronder ook het gebruik van alcohol. VWS zet de komende periode met
               name in op de meerjarige publiekscampagne NIX18, gericht op het niet roken en
               niet drinken onder de achttien jaar, en het streven naar meer rookvrije scholen via
               de Gezonde School Methode.19 De minister benadrukt dat het cruciaal is dat
               ouders duidelijke normen stellen en doet daarmee een beroep op de eigen verant-
               woordelijkheid van burgers.
               In hoeverre wordt het beleidsdoel op het gebied van rookpreventie gerealiseerd?
               Duidelijk is dat het aantal jonge rokers afneemt; in 2000 rookte nog 27 procent
               van de tien- tot negentienjarigen, in 2012 was dat gedaald tot 18 procent.* Een
en op de vijf  gunstige trend dus, maar nog steeds geldt dat bijna een op de vijf jongeren rookt.
ngeren rookt   Bovendien is het percentage rokers in bepaalde risicogroepen, met name laagop-
               geleiden, nog altijd een stuk hoger dan gemiddeld, en dat verschil neemt toe.20,21
               Tussen het twaalfde en het zestiende levensjaar neemt het aantal jongeren dat ooit
               heeft gerookt snel toe van 5 tot bijna 45 procent; 14 procent van de zestienjarigen
               rookt dagelijks.20 Deze gegevens roepen de vraag op wat bekend is over rookpre-
               ventie en of deze kennis beter benut kan worden om het roken onder jongeren
               sterker dan nu terug te dringen.
                Het gaat hier om jongeren die in de afgelopen vier weken minstens eenmaal rookten.
               Casus 2 Preventie van roken                                                         12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                    Preventie kan in vele vormen en gedaanten worden toegepast. De minst ingrij-
                    pende vorm bestaat uit voorlichting over de schadelijke gezondheidseffecten van
                    bepaald gedrag en het aanleren van vaardigheden, zoals ‘nee’ zeggen. Een derge-
                    lijk preventiebeleid, waar de campagne NIX18 een voorbeeld van is, legt de ver-
                    antwoordelijkheid primair bij jongeren en hun ouders (en in zekere mate ook bij
                    horecapersoneel). Jongeren worden door NIX18 ertoe bewogen een gezonde
                    keuze te maken. Het programmahoofd ‘jongeren en riskant gedrag’ van het Trim-
                    bos-instituut stelde onlangs dat interventies die alleen gericht zijn op kennis (in de
                    zin van informeren over risico’s) gedoemd zijn te mislukken. Interventies tegen
 terventies houden  risicogedrag moeten rekening houden met de invloed van de sociale omgeving
nvoldoende          van jongeren. Het gaat daarbij niet zozeer om groepsdruk, zoals ouders vaak den-
 kening met invloed ken, maar om een subtielere vorm van groepsinvloed en kopieergedrag.22 Ook
ociale omgeving     blijkt dat campagnes effectiever zijn naarmate ze beter zijn afgestemd op het type
                    risicogedrag en de verschillende doelgroepen.23
                    Preventie kan ook bestaan uit het verminderen of verkleinen van opportunities om
rempels opwerpen    aan middelen te komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het opwerpen van drempels
elpt                om tabak te kopen of te gebruiken. In de meest extreme variant gaat het om een
                    algeheel verbod op tabak. Voor een deel streeft de overheid het beleidsdoel van
                    rookpreventie na door opportunities te verkleinen. In Nederland is inmiddels de
                    verkoop van tabak aan jongeren tot achttien jaar verboden. Negen op de tien
                    ouders in Nederland zijn voorstander van het beleid dat nu uitgaat van achttien
                    jaar als minimumleeftijd waarop tabak mag worden gekocht.20 Het opwerpen van
                    drempels kan ook op een andere manier: door de zichtbaarheid van tabak tegen te
                    gaan. Het uit zicht plaatsen van tabakswaren blijkt een goede manier om roken
                    onder jongeren terug te dringen.24 Zo is uit Engels onderzoek gebleken dat jonge-
                    ren ontvankelijker worden voor roken doordat ze (regelmatig) tabakswaren uitge-
                    stald zien achter de toonbank van winkels.25 Een derde methode om drempels op
                    te werpen die het roken onaantrekkelijker moeten maken, is het heffen van accijns
                    op tabak. Uit onderzoek onder volwassenen in de westerse wereld blijkt dat een
                    prijsverhoging van tabak met 10 procent gemiddeld leidt tot een daling van
                    tabaksgebruik van 4 procent.26 Uit onderzoek onder jongeren komt naar voren dat
                    de invloed van prijsverhogingen op het beginnen met roken onduidelijk zijn, maar
                    uit de meeste studies blijkt wel duidelijk dat het volume van de tabaksconsumptie
                    afneemt onder invloed van prijsverhogingen.26 Al op jonge leeftijd blijken kinde-
                    ren bekend met tabaksmerken en de blootstelling aan tabakspromotie is gerela-
                    teerd aan het beginnen met roken.27 In de publieke gezondheid wordt vaak voor
                    een ‘integraal preventiebeleid’ gepleit, wat neerkomt op een combinatie van ver-
                    schillende vormen van preventie. De wetenschappelijke literatuur levert bewijs
                    voor de effectiviteit hiervan. Zo bleek uit Spaans onderzoek dat een rookverbod
                    op school pas effect sorteerde als er ook voorlichting werd gegeven.28
                    Casus 2 Preventie van roken                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                     verre maakt het Nederlandse beleid gebruik van die kennis? Voorlichting en het
                     aanleren van vaardigheden krijgen veel aandacht in het Nederlandse antirookbe-
                     leid. In de campagnes en andere interventies, zoals lespakketten voor scholen,
ennis onvoldoende    wordt echter nog niet optimaal gebruikgemaakt van kennis over de aansluiting op
enut                 risicogroepen en de invloed van de sociale omgeving op het gedrag van jongeren.
                     Maatregelen om de zichtbaarheid van tabak te verminderen zijn er in Nederland
                     nauwelijks: tabak ligt openlijk uitgestald in kiosks, benzinestations en supermark-
                     ten. Nederland heeft meer dan 60.000 verkooppunten voor tabak. Mede daardoor
                     blijken kinderen van negen jaar al drie sigarettenmerken te kennen, en ook blijken
                     zij positieve associaties te hebben bij de kleurrijke verpakkingen.29 Nederland heft
                     accijns op tabak om zo de drempel om te roken te verhogen. De accijns is minder
                     hoog dan in sommige andere landen; zo kost een pakje sigaretten in Australië
                     bijna 10 euro.
                     Sinds 1 januari 2014 is het verboden om tabak te verkopen aan jongeren onder de
                     18 jaar. In de praktijk wil dit niet zeggen dat jongeren geen toegang hebben tot
                     tabak. Een algeheel verbod op tabaksverkoop wordt door de politiek niet overwo-
                     gen omdat dit de vrije keus van mensen te veel zou inperken. Deze keuzevrijheid
                     wordt vanuit wetenschappelijke kring wel geproblematiseerd: recente inzichten
euzevrijheid is      uit de gedragseconomie laten zien dat ‘vrij’ keuzegedrag in feite sterk beïnvloed
 latief              wordt door de omgeving, bijvoorbeeld door de wijze waarop keuzes aan mensen
                     gepresenteerd worden.30 Ook wordt wel betoogd dat het gedrag van rokers niet
                     geheel vrij is, omdat zij door hun verslaving geketend zijn aan het risicogedrag.31
                     Oplossingsrichtingen
                     Welke kennis zou de Nederlandse overheid nog kunnen – en willen – inzetten om
                     het roken onder jongeren verder tegen te gaan? Duidelijk is dat een echt verbod
                     voorlopig politiek-maatschappelijk onhaalbaar zal blijven. Waar valt dan wel
erschillende preven- winst te boeken? Met name een combinatie van de verschillende vormen van pre-
evormen combineren   ventie is kansrijk. Winst is te halen door bij publiekscampagnes en interventies
                     meer aandacht te hebben voor het evidence-based karakter ervan. Ze kunnen beter
                     aansluiten op specifieke risicofactoren en meer rekening houden met de sociale
                     invloed op risicogedrag. Gezien het hoge percentage rokers in risicogroepen als
eleid afstemmen op   laagopgeleiden ligt het voor de hand om beleid te ontwikkelen dat specifiek op die
oelgroepen           groepen is gericht. Een andere kansrijke strategie kan zijn om de opportunities
                     voor jongeren om in aanraking te komen met tabak te verminderen. Reduceren
erminderen           van verkoopplaatsen van tabak, het verhogen van accijns en maatregelen om tabak
pportunities         uit het zicht te leggen blijken effectief – al is effectonderzoek in de Nederlandse
                     context nog wenselijk. Het gebruiken van ook dit soort op gedragswetenschappe-
                     lijke principes gestoelde kennis zou tot effectievere rookpreventie onder jongeren
                     kunnen leiden.
                     Casus 2 Preventie van roken                                                        14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>voor jonge ouders
  Casus 3 Voedingsinformatie voor jonge ouders 15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>                      blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Die kinderen worden
                      tot hun negentiende jaar gevolgd door de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Deze
                      publieke voorziening richt zich op een optimale ontwikkeling van de jeugd op
                      fysiek, sociaal, psychisch en cognitief gebied. De JGZ volgt op systematische
                      wijze de ontwikkeling en gezondheidstoestand van kinderen om zo tijdig bedrei-
                      gingen en/of problemen te signaleren. Een andere taak van de JGZ is het informe-
                      ren en begeleiden van ouders, bijvoorbeeld als zij vragen hebben over gezonde
                      voeding.
                      Beleidsdoel: ouders informeren over gezonde voeding
                      Alle kinderen in Nederland ontvangen het basispakket jeugdgezondheidszorg, dat
                      voorlichting, begeleiding en toeleiding naar zorg omvat. Een pasgeboren kind is
                      binnen een paar dagen in beeld bij de JGZ; het eerste contact vindt plaats bij de
                      hielprik en gehoorscreening, zo’n vier tot zeven dagen na de geboorte. Tijdens die
 formatie over groei, contactmomenten ontvangen ouders informatie over de groei, ontwikkeling, voe-
ntwikkeling, opvoe-   ding en opvoeding van hun kind. Gedurende het eerste levensjaar zijn er gemid-
ng en voeding         deld acht contactmomenten en tot aan het vierde levensjaar volgen er gemiddeld
                      nog vijf momenten waarop kind en ouders de JGZ bezoeken, al is de opkomst in
                      de latere fase laag. Onder de nieuwe Jeugdwet krijgt de JGZ een steviger preven-
                      tiefunctie. Dat doel wordt onder meer nagestreefd door ouders goed te informeren
                      over bijvoorbeeld voeding en eetgewoontes zodat zij in staat worden gesteld de
                      juiste keuzes te maken.
                      Knelpunten
                      De praktijk van het informeren van jonge ouders over gezonde groei en voeding is
                      echter weerbarstig. De gemiddelde ouder ontvangt tegenstrijdige voedingsinfor-
ezonde keus lastig    matie die het maken van gezonde keuzes bepaald niet vergemakkelijkt. Dat hangt
                      in belangrijke mate samen met verschillende bronnen van gezondheidsinformatie
                      waar ouders mee worden geconfronteerd. Ook is de praktijk van voorlichting en
                      begeleiding op het gebied van voeding voor verbetering vatbaar.
                      Binnen de JGZ voor nul- tot vierjarigen speelt het Centrum voor Jeugd en gezin
                      (CJG) of het ouderkindcentrum (OKC), waar het consultatiebureau is gevestigd,
                      een centrale rol. Medewerkers op het consultatiebureau richten zich in sterke mate
                      op de groei en preventie van overgewicht. Voeding wordt in dat verband veelal
                      besproken als een risicofactor voor ongezonde groei en overgewicht.32 Deze focus
ocus ligt nu te veel  op groei en overgewicht heeft zijn beperkingen. Een peuter die nu een gezond
p gewicht             gewicht heeft maar een ongezonde voeding krijgt, loopt het risico ongezonde eet-
                      patronen aan te leren en later alsnog overgewicht te ontwikkelen. Van de kinderen
                      met een gezond gewicht op tweejarige leeftijd ontwikkelt 6 procent alsnog over-
                      Casus 3 Voedingsinformatie voor jonge ouders                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                       procent.33 Ook bij afwezigheid van overgewicht is aandacht voor eetpatronen dus
                       relevant. Maar in de huidige werkwijze komt voeding meestal pas in detail aan
                       bod als er al sprake is van een probleem (advies op indicatie).34
                       Ook neemt in de huidige opzet van het consultatiebureau de intensiteit van het
                       contact met ouders af juist in de periode dat kinderen voedingsgewoontes aanle-
                       ren. In de eerste zes maanden zijn er bijna maandelijks contactmomenten. Een
                       kind krijgt dan nog voornamelijk melkvoeding. Vanaf ongeveer één jaar gaat het
                       met de pot mee-eten maar vanaf dat moment komen de meeste kinderen – met de
                       huidige flexibilisering van de contactmomenten – nog maar eenmaal per jaar op
                       het consultatiebureau. Ouders krijgen op deze wijze dus weinig begeleiding juist
 einig begeleiding bij als de eetpatronen van het kind worden aangeleerd. Onderzoek wijst uit dat het
anleren gezond eet-    aanleren van een goed eetpatroon in het tweede levensjaar cruciaal is voor een
atroon                 gezond gewicht later.35,36 Deze kennis impliceert dat niet alleen begeleiding
                       belangrijk is op het moment dat ouders (specifieke) vragen hebben over voeding,
                       maar dat ook aandacht moet worden besteed aan anticiperende voorlichting.
                       Een tweede knelpunt rond het informeren van de jonge ouder heeft te maken met
                       een andere bron van informatie: de voedingsindustrie. Dit hangt samen met de
                       ontwikkeling dat ouders voor hun informatie minder afhankelijk geworden zijn
                       van de jeugdgezondheidszorg.37 De voorlichting van de overheid (met name de
                       gemeente, als verantwoordelijke voor de JGZ) valt in het niet bij de veel dominan-
                       tere informatiestroom van de voedingsindustrie. Veel ouders worden via nieuws-
terke invloed          brieven en bladen voor jonge ouders beïnvloed met tips voor de fase waarin hun
oedingsindustrie       kind zich bevindt (zie bijvoorbeeld www.nutriciavoorjou.nl). Ouders krijgen
                       adviezen van diëtisten in dienst bij babyvoedingproducenten die dag en nacht
                       beschikbaar zijn voor vragen over voeding. De voedingskundige informatie die
                       diëtisten in dienst van babyvoedingfabrikanten aan ouders sturen is specifiek
                       geënt op bepaalde producten (van een bedrijf). De fabrikanten proberen zo pro-
                       ducten als de gezonde optie voor een kind voor te stellen. Zij maken daarbij han-
                       dig gebruik van het geloof in het bijzondere nut van bepaalde voedingsstoffen of
                       toevoegingen.38 Uit onderzoek blijkt dat het labellen van een specifiek nutriënt
                       ouders beweegt tot de aankoop van producten waar dat nutriënt in zit.39 Welke
                       ouder wil nu niet dat zijn kind voldoende calcium of vitamine D binnenkrijgt voor
                       een gezonde groei?
 einig regulering van  In het verlengde hiervan kan een gebrekkige regulering van reclame voor voe-
 clame                 dingsproducten voor kinderen van zes maanden tot vier jaar voor verwarring bij
                       ouders zorgen. Voor melkvoeding voor pasgeborenen gelden strenge regels; de
                       industrie mag geen reclame voor deze producten maken of gezondheidslabels
                       gebruiken. Producten voor kinderen vanaf zes maanden zijn echter aan veel min-
                       der regelgeving gebonden. In Nederland en Europa is in plaats daarvan gekozen
                       Casus 3 Voedingsinformatie voor jonge ouders                                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>                     reclame richt zich bovendien met name op de ouders van jonge kinderen.40,41 De
                     commissie vindt deze situatie vooral problematisch omdat ouders door de indus-
                     trie worden beïnvloed in een fase waarin de kinderen vast voedsel gaan eten en
                     eetpatronen aanleren.
                     Een derde knelpunt heeft te maken met labeling van producten. Dit kan voordelen
                     hebben, als het in principe gezonde producten zijn en er niet meer van wordt gege-
                     ten dan nodig. Maar onderzoek laat zien dat het ook averechts kan werken. Zo is
                     uit experimenteel onderzoek gebleken dat mensen meer M&M’s eten als deze als
                     ‘low-fat’ gelabeld worden.42 Het Nederlandse beleid om voedingsproducten van
                     ‘vinkjes’ te voorzien die aangeven dat een product een gezondere keuze is maakt
erwarrende labels    het niet gemakkelijk voor ouders. Het vinkje heeft slechts betrekking op een
                     ‘bewuste’ of ‘gezondere’ keuze binnen een bepaalde productgroep, daarom kan
                     het voor ouders verwarrend zijn als blijkt dat een bepaalde vruchtendrank of snack
                     die is voorzien van een ‘vinkje' toch niet gezond blijkt te zijn.
                     Oplossingsrichtingen
                     Ouders staan voor de lastige taak om kinderen gezonde voedingsgewoontes aan te
                     leren te midden van informatiestromen die hen soms op het verkeerde been zetten.
                     Verbetering kan gezocht worden in aanpassingen van de begeleiding door consul-
                     tatiebureaus. Zo zou het consultatiebureau een prominentere rol kunnen spelen in
                     de cruciale periode waarin eetpatronen worden aangeleerd. Om meer nadruk te
                     leggen op de begeleiding op het gebied van voeding en eetgedrag valt te denken
 nafhankelijke voor- aan een apart ‘voedingsbureau’ of spreekuur voor voeding waar ouders laagdrem-
chting voor ouders   pelig toegang krijgen tot voedingsdeskundigheid. Zo kan een wetenschappelijk
                     onderbouwde kennisstroom voor jonge ouders gecreëerd worden – al moeten der-
                     gelijke initiatieven nog navolging krijgen in onderzoek. Een experiment met der-
                     gelijke voorlichting in de regio Eemland werd door ouders positief geëvalueerd.43
                     De constatering dat ouders hun voedingsinformatie tegenwoordig (vooral) ook
                     van internet en via de industrie ontvangen kan een inspiratie zijn voor GGD’s en
                     consultatiebureaus om lering te trekken uit de successen van de industrie. De
                     GGD Amsterdam experimenteert bijvoorbeeld met een GroeiApp die ouders op
                     leeftijdspecifieke momenten van (digitale) informatie over voeding voorziet. Der-
                     gelijke experimenten zijn interessant omdat ze in potentie – goed effectonderzoek
                     zal nog nodig zijn – aansluiten bij behoeften van ouders en hen praktisch onder-
                     steunen bij het maken van goed geïnformeerde voedingskeuzes.
                     Voor een optimale inzet van labeling op producten moet goed worden nagegaan of
                     de beloftes van labels in de praktijk uitkomen, of dat ze juist voor meer onduide-
                     lijkheid zorgen bij de consument. Alternatieve systemen voor labeling werken
 uidelijker labels   wellicht beter dan het huidige systeem met vinkjes. Zo blijkt bijvoorbeeld uit
                     Casus 3 Voedingsinformatie voor jonge ouders                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                   een product, zoals suiker, slechte vetten,* of zout, wordt aangegeven of het gehalte
                   gezond of ongezond is, duidelijker is voor de consument dan andere wijzen van
egels voor reclame labelling.44 Daarnaast is de regulering van de wijze waarop de industrie voedings-
                   producten presenteert en aan de man brengt een discussiepunt – zoals ook naar
                   voren gebracht wordt door een brede maatschappelijke ‘alliantie stop kindermar-
                   keting’ (zie www.stopkindermarketing.nl). Gezien de grote invloed van marketing
                   op het eetgedrag van jonge kinderen,40 verdient het volgens de commissie aanbe-
                   veling om reclame over voedingsproducten voor kinderen van zes maanden tot
                   vier jaar te reguleren.
                    Verzadigde vetten en transvetten.
                   Casus 3 Voedingsinformatie voor jonge ouders                                      19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Casus 4 In beweging 20</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>                      bijzonder van belang omdat het de ontwikkeling op meerdere vlakken ten goede
                      komt: niet alleen motorisch, maar ook sociaal en cognitief.45,46 Sport is bovendien
                      een voorbeeld van een leefstijlfactor waarbij het veel baat heeft om er vroeg mee
                      te beginnen. Kinderen die veel sporten zijn vaak ook op latere leeftijd actief.
                      Beleidsdoel: faciliteren van beweging
                      De Nederlandse overheid wil de jeugd faciliteren om zoveel mogelijk te sporten
                      en te bewegen zodat zij minder kans hebben op gezondheidsproblemen. Dit
                      beleidsdoel krijgt ruime aandacht in de landelijke nota gezondheidsbeleid van het
                      kabinet.1 De Nederlandse Norm Gezond Bewegen, opgesteld door verschillende
eweegnorm voor        Nederlandse universiteiten en kennisinstellingen, is vooral gericht op het onder-
nderen                houden van de gezondheid op lange termijn.47,48 Om aan deze beweegnorm voor
                      kinderen te voldoen moet een kind dagelijks een uur matig intensief bewegen,
                      waarvan minimaal twee keer in de week sportief. Minder dan de helft van de kin-
                      deren in Nederland voldoet aan die norm.49
                      De beweegnorm gaat uit van twee typen beweging: sport en alledaagse beweging
                      via bijvoorbeeld spel, lopen of fietsen. Er zijn verschillende stimuleringspro-
                      gramma’s die kinderen moeten aanzetten tot regelmatig sporten, en die beogen de
                      grote verschillen in het beweeggedrag van kinderen te verminderen. Meisjes spor-
                      ten over het algemeen minder dan jongens en 15 procent van de jongeren tussen
eweegnorm is meer     de zeven en twaalf sport helemaal niet.50 Uit onderzoek is echter ook gebleken dat
an sport              het stimuleren van sport nog niet betekent dat eveneens de algehele fysieke activi-
                      teit (zoals spel of het lopen of fietsen naar school) toeneemt.51
                      Knelpunten
                      De commissie constateert dat er op het punt van de alledaagse beweging via spel,
                      lopen en fietsen nog een wereld te winnen valt. Hoewel bijna alle kinderen op
 et de auto naar      loop- (minder dan 1 km, 90 procent) of fietsafstand (minder dan 2 km, 97 procent)
chool                 van school wonen, wordt momenteel een derde van de kinderen met de auto of
                      openbaar vervoer naar school gebracht. Minder dan een zesde van de kinderen
                      komt zelfstandig naar school. Dit hangt in belangrijke mate samen met de inrich-
                      ting en kwaliteit van de fysieke omgeving. Kinderen moeten vaak drukke wegen
                      volgen, met als gevolg dat ze worden blootgesteld aan verkeersonveilige situaties
                      en aan milieuverontreiniging.52
uimte onvoldoende     Er is inmiddels behoorlijk wat kennis over hoe de openbare ruimte verkeersveili-
 gericht voor fietsen ger kan worden gemaakt en kinderen kan aanzetten tot (zelfstandig) lopen of fiet-
n lopen               sen naar school.53,54 Zo is bekend dat een niet te grote afstand tot de school en de
                      aanwezigheid van fiets- en wandelpaden en recreatiemogelijkheden de activiteit
                      Casus 4 In beweging                                                                21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                        ken en goed onderhoud van de omgeving positief geassocieerd met fietsen of
                        lopen naar school.56 Bovendien blijken kinderen die naar school fietsen of lopen
                        ook in het algemeen meer fysiek actief te zijn.57 Alhoewel de domeinen jeugd en
                        volksgezondheid deze kennis steeds vaker weten te vinden, bereikt deze maar
                        moeizaam de beleidsmakers die over ruimtelijke ordening gaan. Ook kennis die
                        de laatste jaren is opgedaan over het belang van uitdagende, en door kinderen
                        gewaardeerde schoolpleinen en speeltuinen en de inrichting van een buurt met
                        daarin voldoende (informele) speelplekken58-60 komt zelden terecht op het bureau
                        van de planoloog die een buurt inricht.
                        Het verbinden van doelstellingen voor volksgezondheid aan het beleidsdomein
                        ruimtelijke ordening is nog niet vanzelfsprekend. Gemeenten zijn weliswaar ver-
                        plicht aan goede ruimtelijke ordening te doen maar wat dat precies inhoudt is niet
                        op alle (gezondheids)aspecten wettelijk vastgelegd. Planologen houden rekening
                        met een veelheid aan factoren, zoals de vierkante meters en functies van een
 ezondheid speelt       bouwopdracht, bouw- en milieunormen, een esthetisch resultaat, bereikbaarheid
een rol in ruimtelijke  en natuurlijk de kosten. Gezondheid speelt nauwelijks een rol bij de afwegingen
rdening                 en keuzes in ruimtelijke ordening.
                        Oplossingsrichtingen
                        Meer, leukere en uitdagender speelplekken, aankleding van de openbare ruimte
                        (zodat deze een dubbelrol als informele speelplek kan vervullen), langzamer ver-
                        keer en verkeersluwe oversteekplekken zijn kansrijke maatregelen die door kinde-
                        ren en hun ouders goed gewaardeerd én gebruikt worden. Beleidsmakers bij
                        gemeenten zouden bijvoorbeeld kunnen investeren in zogenoemde kindlinten,
                        waarbij met gekleurde looproutes, veilige oversteekplaatsen en (mini)speelplaatsen
                        een aantrekkelijke en veilige route tussen wonen, school en bijvoorbeeld clubfaci-
 ezondheid integre-     liteiten in de wijk worden gecreëerd. Meer in het algemeen zou beweegvriendelijk-
 n in ruimtelijke orde- heid en gezondheid in de (weliswaar lange) lijst van relevante factoren in de
ing                     ruimtelijke ordening kunnen worden opgenomen. Op Europees niveau biedt het
                        opstellen van een urban agenda momenteel kansen om dit onder de aandacht van
 vesteren in onder-     beleidsmakers te brengen. Het onderzoeksveld dat zich bezighoudt met beweging
oek                     in de openbare ruimte is nog relatief jong maar kansrijk; verdere investeringen in
                        dit veld kunnen ons meer leren over hoe dagelijkse beweging gestimuleerd kan. In
                        een advies van de Gezondheidsraad uit 2011 over beweeggedrag worden nog altijd
                        relevante suggesties voor verder onderzoek gedaan.61 Door de beleidsdomeinen
                        jeugd (inclusief ‘sport’ en ‘spelen’) en volksgezondheid een expliciete en formele
                        rol te geven in het proces van ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld bij het opstellen
                        van structuurvisies of bestemmingsplannen, kan de beschikbare kennis beter wor-
                        den benut. Richtlijnen voor gemeenten waarin duidelijker wordt vastgelegd wat
                        een ‘goede’ ruimtelijke ordening inhoudt zouden daarbij kunnen helpen.
                        Casus 4 In beweging                                                               22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>                        In dit signalement zijn vier casussen rondom ‘Gezond opgroeien’ onder de loep
                        genomen die illustreren dat wetenschappelijke kennis beleidsmakers niet altijd
                        bereikt. De rollen van betrokken actoren in elke casus zijn beschreven in tabel 1.
abel 1. Actoren en rollen per casus.
asus                                                                  Actoren
                                                                       Rollen
                                                             Haperende kennisstroom
vidence-based werken       Rijk                            Onderzoekers &                Professionals
  de jeugdhulp                                             interventie-eigenaren
                           Faciliteert databanken          Leveren data aan              Kiezen interventies
                                        Kennis over effectiviteit wordt onvoldoende toegepast in de praktijk
reventie van roken         Rijk                            Gemeenten en scholen          Jongeren
                           Regelgeving, overkoe-           Kiezen preventiecampagnes Keuze om (niet) te roken
                           pelende preventiemethoden
                                  Gedragswetenschappelijke kennis wordt onvoldoende toegepast bij preventie
oedingsinformatie voor     Rijk                            Consultatiebureaus            Ouders
 nge ouders                Reguleert voedingsindustrie     Geven gezondheidsadvies       Maken voedingskeuzes
                                             Voedingsindustrie geeft gekleurde informatie aan ouders
  beweging                 Rijk                            Onderzoekers jeugd en         Planologen
                                                           volksgezondheid
                           Stimuleert beweging             Ontwikkelen kennis            Richten de omgeving in
                                            Kennis over alledaagse beweging bereikt planologen niet
                        De commissie constateert dat er een behoorlijke hoeveelheid wetenschappelijke
                        kennis over gezond opgroeien is, maar dat de doorstroming van deze kennis naar
ennis onvoldoende       de praktijk soms hapert. De overheid heeft geïnvesteerd in het bevorderen van
enut                    evidence-based praktijken in het kader van gezond opgroeien. Om hiervan opti-
                        maal gebruik te maken is het nodig dat de overheid de kennisoverdracht blijft faci-
                        literen. Anders blijft wetenschappelijke kennis die met veel tijd, geld en moeite is
                        verkregen voor een groot deel onbenut.
                        Uit de casussen die in dit signalement behandeld zijn, kunnen naast deze alge-
                        mene boodschap ook specifiekere lessen getrokken worden.
                        Slotbeschouwing                                                                         23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>                             kinderen en jongeren werken. Het ter beschikking stellen van een structuur om
                             kennis te delen, zoals de databanken uit de casus over evidence-based werken
 rikkels om kennis           in de jeugdhulp, is echter niet voldoende om duurzame implementatie van
an te leveren en te          kennis in de praktijk te realiseren. Er moeten voldoende prikkels zijn voor
ebruiken                     actoren om kennis aan te leveren of in de praktijk te gebruiken.
                         2   Een evenwichtige informatievoorziening is essentieel om geïnformeerde keu-
                             zes over gezondheid te kunnen maken. Uit de casus over voedingsinformatie
                             voor jonge ouders blijkt dat de informatievoorziening over gezonde voeding
 venwichtiger infor-         vertroebeld wordt als bedrijven daarin een dominante rol spelen. De overheid
  atie aan ouders over       kan een evenwichtige informatievoorziening stimuleren door (digitaal) weten-
ezonde voeding               schappelijk onderbouwde informatie aan te bieden die aansluit op behoeftes
                             van ouders, en door de invloed van commerciële partijen in te perken met
                             regelgeving.
                         3   Het afstemmen van het overheidsbeleid op verschillende niveaus en beleids-
 ezondheid meene-            terreinen is nodig om te voorkomen dat gezondheidsaspecten, die op gespan-
  en in andere beleid-       nen voet staan met andere beleidsprioriteiten, vergeten worden. Dit blijkt
terreinen                    vooral uit de casus over beweging. Dit uitgangspunt sluit goed aan op het stre-
                             ven naar minder verkokering in het (gezondheids)beleid.
                         4   Bij ‘Gezond opgroeien’ gelden andere ideologische en normatieve overwegin-
                             gen dan bij andere beleidsterreinen, omdat het over minderjarigen gaat. Pater-
                             nalistisch beleid wordt bijvoorbeeld eerder als gerechtvaardigd beschouwd,
 iscussie nodig over         denk aan het verbod op het kopen van alcohol of tabak onder de achttien jaar.
turing door overheid         Over de vraag hoe ver de overheid mag gaan om de gezondheid van jongeren
                             te beschermen is maatschappelijke en politieke discussie nodig.
                         5   Een beroep op het belang van ‘vrije keuzes’ op het gebied van leefstijl gaat
                             voorbij aan (recente) wetenschappelijke inzichten die laten zien dat onze
rije wil is niet zo vrij     ‘vrije’ wil feitelijk sterk wordt beïnvloed door de omgeving. Gedragsweten-
                             schappelijke kennis over bijvoorbeeld rookpreventie, voeding en beweging
                             kan een bijdrage leveren aan nieuwe beleidsopties.
                         Slotbeschouwing                                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>  VWS. Landelijke nota gezondheidsbeleid: ‘Gezondheid dichtbij’. 2011.
  Adamson P. Child well-being in rich countries: A comparative overview, Innocenti Report Card 11. Florence:
  UNICEF Office of Research; 2013.
  Tick NT. Time trends in Dutch Children's mental health [Proefschrift]. Erasmus Universiteit Rotterdam; 2007.
  Verhulst FC, Van der Ende J, Koot HM. Handleiding voor de CBCL/4-18. Rotterdam: Afdeling Kinder- en
  Jeugdpsychiatrie, Sophia Kinderziekenhuis/Academisch Ziekenhuis Rotterdam/Erasmus Universiteit Rotterdam;
  1996.
  Hofstra MB, Van der Ende J, Verhulst FC. Child and adolescent problems predict DSM-IV disorders in adulthood: a
  14-year follow-up of a Dutch epidemiological sample. J Am Acad Child Adolesc Psychiatry 2002; 41(2): 182-189.
  Bot S, de Roos S, Sadiraj K, Keuzenkamp S, Verhulst FC, Kleijnen E. Terecht in de jeugdzorg. Voorspellers van
  kind- en opvoedproblematiek en jeugdzorggebruik. Den Haag: Sociaal Cultureel Planbureau; 2013.
  de Graaf I, van der Linden D, Onrust S. Evidence based werken in de jeugd-ggz. Kind en adolescent: praktijk. 2011;
  10(1): 22-29.
  ZonMw. En... werkt het? 10 jaar onderzoek naar zorg voor jeugd. ZonMw i.s.m.Marc van Bijsterveldt, redacteur;
  2015.
  Yperen TA van. Ontstaansgeschiedenis. Nederlands Jeugdinstituut; 2015. http://www.nji.nl/nl/Databanken/
  Databank-Effectieve-Jeugdinterventies/Ontstaansgeschiedenis, geraadpleegd 23-04-2015.
0 Nederlands Instituut voor Sport en Beweging (NISB) en RIVM Centrum Gezond Leven (CGL) in samenwerking
  met Trimbos-instituut. Interventiedatabase Gezond en Actief Leven. 30-12-2014. Bilthoven RIVM. http://
  www.loketgezondleven.nl/interventies/i-database/, geraadpleegd 23-04-2015.
1 Yperen TA van. Met kennis oogsten. Monitoring en doorontwikkeling van integrale zorg voor jeugd. Nederlands
  Jeugdinstituut; 4-6-2013.
2 Linden D van der, de Graaf I. State of the Art. Bekendheid met en gebruik van evidence based interventies in de
  jeugd-ggz. Utrecht: Trimbos Instituut; 2010.
3 van Yperen TA, Dronkers F. Programma Richtlijnontwikkeling Jeugdzorg. Utrecht/Amsterdam: NJi, NVMW,
  Phorza, NIP en NVO; 2010. http://www.nji.nl/nl/ProgrammaRLOjeugdzorg.pdf, geraadpleegd 23-04-2015.
4 ZonMw. Effectief werken in de jeugdsector. 2012. http://www.zonmw.nl/uploads/tx_vipublicaties/
  Programma_effectief_werken_in_de_jeugdsector_Goedgekeurd_wijziging_oktober_2012_compleet_def.pdf,
  geraadpleegd 23-04-2015.
5 Hilderink HR. Ziektelast in DALY's: Wat is de bijdrage van risicofactoren? Bilthoven: Volksgezondheid Toekomst
  Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid: RIVM; 2014. http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-
  ziekte/sterfte-levensverwachting-en-daly-s/ziektelast-in-daly-s/wat-is-de-bijdrage-van-risicofactoren/, geraadpleegd
  23-04-2015.
6 Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV). Een gezonder Nederland. RIVM; 2014.
7 Steinberg L. Risk Taking in Adolescence: New Perspectives From Brain and Behavioral Science. Current Directions
  in Psychological Science 2007; 16(2): 55-59.
8 Johnston V, Liberato S, Thomas D. Incentives for preventing smoking in children and adolescents. Cochrane
  Database Syst Rev 2012; 10: CD008645.
9 VWS. VWS Rijksbegroting 2015. 2015.
                 Literatuur                                                                                         25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>  opvoeding van jongeren in Nederland. HBSC onderzoek Universiteit Utrecht, Trimbos Instituut, Sociaal en
  Cultureel Planbureau; 2013.
1 Savelkoul M, Zeegers T, Blokstra A, Verweij A. Zijn er verschillen in rookgedrag naar sociaaleconomische status en
  etniciteit? Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid 2014.
2 Eimers D. Ninette van Hasselt: Uitgaansopvoeding voor pubers. MGV 2014; 69(4).
3 Hiemstra M, Ringlever L, Otten R, van Schayck OC, Jackson C, Engels RC. Long-term effects of a home-based
  smoking prevention program on smoking initiation: a cluster randomized controlled trial. Prev Med 2014; 60: 65-70.
4 MacKintosh AM, Moodie C, Hastings G. The association between point-of-sale displays and youth smoking
  susceptibility. Nicotine Tob Res 2012; 14(5): 616-620.
5 Spanopoulos D, Britton J, McNeill A, Ratschen E, Szatkowski L. Tobacco display and brand communication at the
  point of sale: implications for adolescent smoking behaviour. Tob Control 2014; 23(1): 64-69.
6 Bader P, Boisclair D, Ferrence R. Effects of tobacco taxation and pricing on smoking behavior in high risk
  populations: a knowledge synthesis. Int J Environ Res Public Health 2011; 8(11): 4118-4139.
7 DiFranza JR, Wellman RJ, Sargent JD, Weitzman M, Hipple BJ, Winickoff JP. Tobacco promotion and the initiation
  of tobacco use: assessing the evidence for causality. Pediatrics 2006; 117(6): e1237-e1248.
8 Galan I, ez-Ganan L, Gandarillas A, Mata N, Cantero JL, Durban M. Effect of a smoking ban and school-based
  prevention and control policies on adolescent smoking in Spain: a multilevel analysis. Prev Sci 2012; 13(6): 574-
  583.
9 Jong C de, de Kanter W. Commercie en psychoactieve stoffen. Als de vos de passie preekt. Nederlands tijdschrift
  voor geneeskunde 2014; 158.
0 Prast H. A behavioral economics approach to public health: theory and policy implications. European journal of
  consumer law 2011; 4.
1 Proctor RN. Why ban the sale of cigarettes? The case for abolition. Tob Control 2013; 22 Suppl 1: i27-i30.
2 Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. JGZ-richtlijn Overgewicht. Preventie, signalering, interventie en verwijzing
  van kinderen van 0-19 jaar. Utrecht: Nederlands Centrum Jeugdgezondheid; 2012.
3 Hoog M de. Ethnic inequalities in early overweight: determinants and consequences. [Proefschrift]. Amsterdam:
  University of Amsterdam; 2012.
4 Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. JGZ-richtlijn Voeding en eetgedrag. Utrecht: Nederlands Centrum
  Jeugdgezondheid; 2013.
5 Pearce J, Langley-Evans SC. The types of food introduced during complementary feeding and risk of childhood
  obesity: a systematic review. Int J Obes (Lond) 2013; 37(4): 477-485.
6 Birch LDA. Learning to eat: birth to age 2 y. Am J Clin Nitr 2014; 99(3): 723S-728S.
7 Ouders Online. Code Oranje (Wees alert). Het kwetsbare vertrouwen van ouders in de jeugdgezondheidszorg. 2011.
8 Allen RE, Myers AL. Nutrition in toddlers. Am Fam Physician 2006; 74(9): 1527-1532.
9 Cohen DA, Babey SH. Contextual influences on eating behaviours: heuristic processing and dietary choices. Obes
  Rev 2012; 13(9): 766-779.
0 Galbraith-Emami S, Lobstein T. The impact of initiatives to limit the advertising of food and beverage products to
  children: a systematic review. Obes Rev 2013; 14(12): 960-974.
1 Hawkes C, Lobstein T. Regulating the commercial promotion of food to children: a survey of actions worldwide. Int
  J Pediatr Obes 2011; 6(2): 83-94.
2 Chandon P, Wansink B. Is Food Marketing Making Us Fat? A Multi-Disciplinary Review. Foundations and Trends
  in Marketing 2011; 5(3): 113-196.
                 Literatuur                                                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>  tussen 6 en 11 maanden. Zeist: GGD Midden Nederland; 2013.
4 Roberto C, Bragg M, Seamans M, Mechulan R, Novak N, Brownell K. Evaluation of consumer understanding of
  different front-of-package nutrition labels, 2010-2011. Prev Chronic Dis 2012; 9.
5 Strong WB, Malina RM, Blimkie CJ, Daniels SR, Dishman RK, Gutin B e.a. Evidence based physical activity for
  school-age youth. J Pediatr 2005; 146(6): 732-737.
6 Arbogast KL, Kane BCP, Kirwan JL, Hertel BR. Vegetation and outdoor recess time at elementary schools: What are
  the connections? Journal of Environmental Psychology 2009; 29(4): 450-456.
7 Kemper HCG, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M. Consensus over de Nederlandse norm voor gezond bewegen. TSG:
  Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen 2000; 78(3): 180-183.
8 Wendel-Vos GCW. Normen van lichamelijke (in)activiteit. Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal
  Kompas Volksgezondheid 2014.
9 Hildebrandt V, Ooijendijk W, Hopman-Rock. Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005. Hoofddorp/Leiden:
  TNO; 2007.
0 Huppertz C, Bartels M, Van Beijsterveldt CE, Boomsma DI, Hudziak JJ, De Geus EJ. Effect of shared
  environmental factors on exercise behavior from age 7 to 12 years. Med Sci Sports Exerc 2012; 44(10): 2025-2032.
1 Meij JS de, Chinapaw MJ, van Stralen MM, van der Wal MF, van DL, van MW. Effectiveness of JUMP-in, a Dutch
  primary school-based community intervention aimed at the promotion of physical activity. Br J Sports Med 2011;
  45(13): 1052-1057.
2 Haan J de, Metz F. Dashboard duurzame en slimme mobiliteit: Klimaat, Trends en ontwikkelingen op het gebied van
  duurzame en slimme mobiliteit. KpVV. 11-12-2014. CROW-KpVV.
3 SOAB Adviseurs voor Woning en Omgeving. Bewegen, verplaatsen en spelen. Inspiratie voor kindvriendelijke
  wijken. Kennisplatform Verkeer en Vervoer (KpVV); 2008.
4 Wassenberg F, Milder J. Evaluatie van het project Kindlint in Amsterdam. Onderzoeksinstituut OTB, TU Delft;
  2008.
5 Pont K, Ziviani J, Wadley D, Bennett S, Abbott R. Environmental correlates of children's active transportation: a
  systematic literature review. Health & Place 2009; 15: 849-862.
6 Kann D de, Kremers S, Gubbels J, Bartelink N, de Vries S, de Vries N e.a. The association between the physical
  environment of primary schools and active school transport. Environment and Behavior 2014;(1).
7 Faulkner GE, Buliung RN, Flora PK, Fusco C. Active school transport, physical activity levels and body weight of
  children and youth: a systematic review. Prev Med 2009; 48(1): 3-8.
8 McCormack G, Rock M, Toohey A, Hignell D. Characteristics of urban parks associated with park use and physical
  activity: A review of qualitative research. Health & Place 2010; 16: 712-726.
9 Nordström M. Children's views on child-friendly environments in different geographical, cultural and social
  neighbourhoods. Urban Studies 2010; 47: 514-528.
0 Rehrer N, Freeman C, Cassidy T, Waters D, Barclay G, Wilson N. Through the eyes of young people: Favourite
  places for physical activity. Scandinavian Journal of Public Health 2011; 39: 492-500.
1 Gezondheidsraad. Beweegredenen. De invloed van de gebouwde omgeving op ons beweeggedrag. Den Haag:
  Gezondheidsraad, 2010; publicatienr. 2010/04.
                Literatuur                                                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>