<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Mr. H.A.F.M.O. van Mierlo
Datum:           10 december 1997                            Kenmerk:      AIV-98/97
Onderwerp:       Advies uitbreiding Europese Unie
Op 12 juni 1997 hebben de minister van BuitenlandseZaken, de minister van Defensie,
de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de staatssecretaris van
BuitenlandseZaken de AIV verzocht te adviseren over de uitbreiding van de Europese
Unie. In oktober heeft de AIV het interim-advies Europa inclusief uitgebracht. In Europa
inclusief kondigde de AIV aan in een later stadium te komen met een vervolg-advies
waarin nader wordt ingegaan op een aantal met de uitbreiding verbonden aspecten.
Op de Europese Raad, die op 12 en 13 december in Luxemburg wordt gehouden, zal
worden besloten met welke landen uit Midden- en Oost-Europa onderhandelingen over
toetreding worden gestart. De toetreding van nieuwe landen tot de Unie heeft effecten
op andere beleidsterreinen in de EU. Nieuwe lidstaten zullen onder meer gebruik gaan
maken van de structuurfondsen en ook zal hun lidmaatschap gevolgen hebben voor het
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Over de samenhang tussen toetreding en
beleidsterreinen als GLB, structuurfondsen en financiering hebben de minister en de
staatssecretaris van Buitenlandse Zaken op 3 november 1997 een notitie inzake de
voorstellen van de Europese Commissie in het kader van Agenda 2000 aan de Tweede
Kamer gezonden. De AIV beoogt met het onderhavige advies in de vorm van een brief
commentaar te leveren op deze notitie Agenda 2000. In een later stadium - tijdig voor
het van start gaan van de onderhandelingen - zal de AIV het bovengenoemd vervolg-
advies uitbrengen. In dit brief-advies komen de volgende zaken aan de orde:
-       toetreding van nieuwe lidstaten;
        - het starten van onderhandelingen met alle of enkele landen;
        - de eis van volledige toepassing van het acquis of slechts een gedeeltelijke
          toepassing;
        - prioriteiten bij de toepassing van het acquis.
-       structuurfondsen;
        - omvang van de fondsen;
        - criteria voor de toepassing.
-       gemeenschappelijk landbouwbeleid;
        - toekomstige hervormingen;
        - financiering;
        - overgangsbepalingen.
-       financiering;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>         - overgangsbepalingen.
-        financiering;
         - de netto-betaIingsproblematiek;
         - de definitie van netto-bijdragen;
         - een nieuw systeem voor de financiering.
Toetreding
In notitie agenda 2000 ondersteunt de regering het voorstel van de Europese
Commissie om onderhandelingen over toetreding te beginnen met Estland, Hongarije,
Polen, Slovenië en Tsjechië. In het advies Europa inclusief is de AIV eerder al ingegaan
op het voorstel van de Europese Commissie aangaande de keuze van landen en heeft
hij deze keuze op hoofdlijnen onderschreven.
Terecht onderstreept de regering in notitie agenda 2000 het grote belang van een
versterkte pretoetredingsstrategie. De noodzaak hiertoe wordt in de notitie als volgt
omschreven: "in geen van de tien Midden-Europese landen bestaat een institutionele en
administratieve capaciteit die voldoende is toegerust om het acquis in de praktijk te
handhaven". Tevens wordt in de notitie als voorwaarde voor toetreding gesteld: "iedere
kandidaat dient op het moment van toetreden het acquis te hebben overgenomen en
daadwerkelijk toe te passen". De AIV wil wijzen op het spanningsveld dat tussen de
beperkte capaciteit en volledige toepassing van het acquis bestaat. Indien wordt
vastgehouden aan het uitgangspunt dat het acquis volledig moet worden toegepast,
betekent dit, gegeven de tekortschietende economische en bestuurlijke capaciteit, dat
toetreding van de landen in Midden- en Oost-Europa pas op zeer lange termijn kan
plaatsvinden. Die lange termijn staat op gespannen voet met de verwachting die bij deze
landen is gewekt, namelijk: toetreding op een termijn van 5 à 7 jaar. Andersom geldt, dat
indien snelle toetreding wordt nagestreefd de eis van volledige toepassing van het
acquis moet worden genuanceerd.
Gezien de huidige situatie in de Midden- en Oost-Europese landen is de AIV van
oordeel dat het irreëel is te veronderstellen dat bij de toetreding, ook al zou deze op
langere termijn plaatsvinden, het acquis volledig kan worden toegepast. Het is
begrijpelijk dat de regering, op grond van onderhandelings-tactische redenen, kiest voor
het uitgangspunt dat het volledige acquis moet worden toegepast. Bij de uitbreidingen in
het verleden is dit uitgangspunt ook steeds gehanteerd. De geschiedenis leert echter dat
dit uitgangspunt in veel gevallen niet toepasbaar is gebleken. Om deze reden is in het
verleden gewerkt met overgangsbepalingen. Deze overgangsbepalingen lossen echter
maar zeer ten dele het probleem van het acquis op, immers het gaat niet alleen om een
juiste ovemame, maar ook om een juiste toepassing.
Er moet vanuit worden gegaan dat toepassing van het gehele acquis door de nieuwe
lidstaten op het moment van toetreding een iIIusie zal blijken te zijn. Dat er begrip
bestaat voor het feit dat de beperkte economische en bestuurlijke beperkingen volledige
toepassing van het acquis in de weg staan, betekent overigens niet dat de inspanning
van de nieuwe lidstaten om het acquis over te nemen en toe te passen moet worden
verminderd. De noodzaak blijft bestaan voor de landen in Midden- en Oost-Europa een
maximale inspanning te leveren om het acquis toe te passen. Deze landen dienen
inspanningen te leveren om hun economische en bestuurlijke capaciteit te versterken.
Een dergelijke versterking dient ook aandacht te krijgen in de pre-toetredingsstrategie. In
de voorstellen van de Europese Commissie is van de 45 miljard voor de toetredende
lidstaten zeven miIjard bestemd voor de pre-toetredingsfase en 38 miljard voor de tijd
(tot 2006) na de toetreding. De Europese Commissie is er bij dit voorstel van uit gegaan
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>dat toetreding van de vijf voorgestelde landen in 2002 zal plaatsvinden. De AIV vraagt
zich af of deze verdeling juist genoemd kan worden, zeker gezien het feit dat er
recentelijk van uit wordt gegaan dat toetreding pas later zal plaatsvinden. Het bedrag dat
voor pre-toetreding wordt bestemd, is dan erg laag vergeleken met het bedrag dat in de
korte tijd na toetreding beschikbaar is. Gezien de moeilijkheden die de nieuwe lidstaten
zullen hebben met het toepassen van het acquis vaIt er veel voor te zeggen juist in de
fase van pre-toetreding meer geld aan deze landen ter beschikking te stellen. Middelen
uit de structuurfondsen kunnen dan bijdragen aan het ontwikkelen van capaciteit om het
acquis zo veel mogelijk toe te passen. Het aI dan niet kunnen toepassen van onderdelen
van het acquis zal een belangrijk onderdeel zijn van de onderhandelingen met de landen
in Midden- en Oost-Europa. De AIV beveelt daarom aan de komende tijd te
inventariseren welk deel van het acquis in ieder gevaI onmiddellijk na toetreding dient te
worden toegepast en welk deel in aanmerking komt voor overgangstermijnen of andere
instrumenten.Tot dat deel van het acquis dat onmiddellijk dient te worden toegepast
behoort in ieder gevaI hetgeen is neergelegd in de conclusies van Kopenhagen, zoaIs
het handhaven van de democratische rechtsstaat.
Structuurfondsen
De Europese Commissie stelt voor de omvang van de structuurfondsen voor de periode
2000- 2006 vast te stellen op 0,46 procent van het BNP.In notitie agenda 2000 wordt
door de regering de voorkeur uitgesproken voor een verlaging van de fondsen en voor
een nominaaI plafond in plaats van een plafond dat meegroeit met het BNP. Tevens
wordt opgemerkt dat een plafond niet aIs een bestedingsdoelstelling moet worden
geïnterpreteerd. De AIV is van oordeel dat dit standpunt er op neerkomt dat de
financiële perspectieven ter discussie worden gesteld. De Europese Commissie heeft bij
haar voorstellen gekozen voor het extrapoleren van de in het verleden gemaakte
afspraken juist om een discussie over de financiering te voorkomen.
De AIV is voorts van oordeel dat er veel vaIt te zeggen voor een fundamentele
herziening van de structuurfondsen, die overigens naar hun aard, zoaIs soms wordt
vergeten, tijdelijk van karakter zijn. De bewijslast in deze ligt bij de voorstanders van
handhaving van de huidige opzet, niet bij degenen die deze willen veranderen.
Uitgangspunt bij herziening dient te zijn dat fondsen kunnen worden toegekend aan
lidstaten met een economische achterstand. Alleen deze lidstaten dienen,
overeenkomstig het beginsel van de subsidiariteit, voor gelden uit de structuurfondsen in
aanmerking te komen. Op basis van een dergelijke inventarisatie dient de omvang van
de fondsen te worden bepaaId.
Een dergelijke aanpak zou tot een lager bedrag leiden van de gelden noodzakelijk voor
de structuurfondsen. Het zou wel tot een verschuiving van middelen kunnen leiden ten
gunste van de toekomstige nieuwe lidstaten en ten koste van de huidige lidstaten.
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)
De regering ondersteunt in grote lijnen het streven van de Europese Commissie tot het
verder doorvoeren van hervormingen van het GLB. Sinds 1993 vindt er een hervorming
van het GLB plaats op een zodanige wijze dat prijsondersteuning plaats moet gaan
maken voor inkomenssteun. De AlV acht een verdere verdieping (binnen sectoren) en
verbreding (naar andere sectoren) van de hervormingen om de volgende redenen
noodzakelijk:
-        ter voorkoming van mogelijk dreigende overschotten van met name granen en
         rundvlees;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>-       het streven reeds nu rekening te houden met handelsliberalisatie die voortkomt
        uit de komende besprekingen in het kader van de wereldhandelsorganisatie
        (WTO);
-       het vergemakkelijken van de integratie van nieuwe lidstaten;
-       het behouden van toegang tot de wereldmarkt.
De Europese Commissie is van mening dat het huidige beleid aanvulling behoeft,
namelijk door ook de nodige aandacht te geven aan de ontwikkeling van het platteland.
De AlV is ecbter van oordeel dat bij een correcte toepassing van het subsidiariteits-
beginsel het bevorderen van plattelandsontwikkeling niet een zaak is die tot de taak van
de Europese Unie moet worden gerekend maar tot de taak van de lidstaten.
De vermindering van de prijsondersteuning zal gepaard gaan met inkomens-
compensatie. De AIV is van mening dat met betrekking tot de verdeling van de
compensatie het uitgangspunt dient te zijn dat de relatieve concurrentiepositie tussen de
lidstaten niet wordt verstoord. De compensaties dienen daarom te worden gerelateerd
aan de productie-omvang.
Wat betreft de regelgeving in het kader van het GLB is de AlV van mening dat nagegaan
zou kunnen worden in hoeverre de landbouwregelingen op communautair niveau
kunnen worden vereenvoudigd. Te denken valt aan de mogelijkheid dat lidstaten
- binnen communautair vastgestelde kaders - de mogelijkheid krijgen om op basis van
nationaal vastgestelde regels beter in te kunnen spelen op de regionale
omstandigheden.
AIs algemeen uitgangspunt bij de hervormingen van het GLB dient te gelden dat verdere
hervorming geleidelijk plaatsvindt om de sector de mogelijkheid te geven zich aan te
passen aan de nieuwe omstandigheden.
Wanneer landen in Midden- en Oost-Europa toetreden tot de Unie zal dit snelle
prijsverhogingen van agrarische producten en levensmiddelen tot gevolg hebben in de
betreffende landen. Dit zou vraaguitval en sociale onrust in deze landen tot gevolg
kunnen hebben. Reden hiervoor is dat de uitgaven voor voedingsmiddeien 40 à 60
procent van het gezinsinkomen bedragen (voor de Unie is dit 19 procent). Om deze
redenen zal het, naar de mening van de AIV, noodzakelijk zijn lange overgangstermijnen
te hanteren die het mogelijk maken de landbouwsector in de toetredende landen aan te
passen aan het EU-beleid.
Financiering van de Unie
Terecht krijgt naar het oordeel van de AIV de financiëIe problematiek uitvoerig aandacht
in de regeringsnotitie. De Nederlandse netto-betalingspositie gaat in opgaande lijn en
- hoewel ten principale losstaand van de uitbreiding - wordt in de voorstellen van de
EuropeseCommissie verder verslechterd. Uit de discussie dienaangaande blijkt dat deze
problematiek niet moet worden onderschat. Toch dient niet uit het oog te worden
verloren, dat Nederland met een relatief gemiddelde welvaartspositie gedurende vele
jaren een netto-ontvangerspositie heeft ingenomen en zulks ondanks een relatief groot
aandeel in bv. douaneheffingen. De financiele problematiek is te fundamenteel en te
omvangrijk dan dat zij in het kader van deze reactie op de regeringsnotitie uitputtend kan
worden behandeld. Anderzijds weegt zij zo zwaar in de standpuntbepaling van de
regering, dat de AIV meent ook in dit kader de problematiek niet onbesproken te mogen
laten.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>De AIV meent dat de door de Europese Commissie gepresenteerde becijferingen van de
kosten van de uitbreiding en de financiering daarvan binnen de bestaande maximale
begrenzingen (1.27 % BNP) geen aanleiding geven tot beredeneerde twijfel, uitgaande
van de veronderstellingen waarop zij zijn gebaseerd. De AIV gaat er dan ook vanuit, dat
macro de uitbreiding financieel geen externe problemen met zich mee zal brengen. De
bestaande macrokaders lijken voldoende ruimte te bieden om de financiële
consequenties op te vangen.
Dat kan echter niet worden gezegd over de micro-posities van de onderscheiden
lidstaten, resp. groepen van lidstaten. Hier dient de controverse tussen netto-betalers en
netto-ontvangers zich aan een controverse die naar het zich laat aanzien, ingewikkelde
en moeilijk oplosbare problemen met zich mee zal brengen. Voor de AIV geldt dat de
problematiek van meer moeten afdragen of minder netto ontvangen voor alle 15 huidige
lidstaten geen belemmering mag worden voor een evenwichtige voortzetting van het
onderhandelingsproces en de uiteindelijke toetreding. Deze positiebepaling ligt in het
verlengde van het standpunt; dat de AIV in zijn eerste jnterimadvies heeft ingenomen
ten aanzien van het oplossen van de institutionele problematiek en die rond het kunnen
accepteren van het acquis. Niettemin moet men zich rekenschap geven van een fors
impliciet politiek probleem, dat zich ook reeds heeft aangekondigd in verklaringen van
netto-ontvangers (bv. Spanje) en netto-betalers (bv. Nederland).
Analyse van de positie van de Europese Commissie brengt de AIV tot de conclusie, dat
de Commissie een grotere wissel trekt op de toegeeflijkheid van de netto-betalers dan
die van de netto-ontvangers. Objectief gesproken is dit op het eerste gezicht vreemd,
tenzij de algemeen economische en welvaartspositie van de netto-ontvangers inderdaad
zo significant slechter is dan die van de netto-betalers, dat deze laatste deze benadering
zonder al te grote moeite aan hun publieke opinie zouden kunnen slijten. De
Nederlandse regering meent kennelijk dat dit niet het geval is en kiest dan ook voor een
weg die de Europese Commissie volstrekt niet wil gaan, nI. wijziging in de relatieve
afdracht aan het Uniebudget, hetgeen openbreken van het eigen middelen besluit
impliceert. De Europese Commissie wil de weg van een meer fundamentele benadering
van de financiering niet volgen. Dit is inderdaad het openen van de doos van Pandora,
maar dat zou niet de eerste keer zijn. Ook in 1988 is dit geschied, weliswaar met grote
inspanning, maar niet zonder succes. De AIV is dan ook niet van mening dat de
Europese Commissie deze weg terecht heeft gekozen. Men moet vrezen dat de
problematiek van de financiering van de Unie met een groeiend aantal financieeI minder
draagkrachtige leden van de Unie in de toekomst niet gemakkelijker maar eerder
moeilijker oplosbaar wordt. Het zou beter zijn als de Commissie, evenals in 1988, leiding
zou geven aan dit proces. Zonder die leiding van de Commissie vallen nauwelijks
bevredigende resultaten te verwachten. Het is duidelijk, dat de opening van het debat
over de toekomstige financiering van de Europese Unie niet simpelweg een discussie
over percentages en netto-bijdragen kan zijn. De vraag omtrent de toekomstige
financiering van de Unie in het perspectief van een Unie met de voorziene dimensie van
25 landen is dan aan de orde.
Belangrijke discussiepunten zijn daarbij:
-       de BTW als heffingsgrondslag tegen de achtergrond van de toekomstige functie
        van de BTW;
-       de definitie van eigen Unie-middelen zoals invoerrechten en landbouwheffingen
        in relatie tot hun effect op de nationale economie en de burgers;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>-        de behoefte om het BNP als heffingsgrondslag te versterken;
-        en de vraag of niet een eigen belastingmiddel voor de Unie zou moeten worden
         geïntroduceerd.
In dit stadium wil de AIV volstaan met het signaleren van deze vragen. Hij doet dit als
een indicatie dat deze discussiepunten in een meer fundamentele benadering aan de
orde moeten komen. In een zodanig meer principiële discussie kan ook op een meer
aanvaardbare wijze de problematiek van de netto-betalingspositie worden besproken.
Ten aanzien van dit punt constateert de AIV overigens met instemming, dat voor de
Nederlandse regering niet de nettopositie als zodanig, maar het naar het oordeel van de
regering onevenredige aandeel, aanleiding is voor de regering tot kritiek op het
bestaande systeem.
Hoogachtend,
drs. R.F.M. Lubbers
Voorzitter Adviesraad Internationale Vraagstukken (i.o.)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>