<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS
         RECENTE ONTWIKKELINGEN
            nummer 3, april 1998
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter          Prof. drs. R.F.M. Lubbers
Leden               Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
                    Dhr. A.L. ter Beek
                    Mw. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                    Prof. dr. Jhr. G. van Benthem van den Bergh
                    Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                    Prof. dr. C. Flinterman
                    Prof. dr. E.J. de Kadt
                    Dr. B. Knapen
Ambtelijk adviseurs Mr. drs. M. Krop (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                    Drs. E. Kwast (Ministerie van Defensie)
                    Postbus 20061
                    2500 EB Den Haag
                    telefoon 070 - 348 5108 / 6060
                    fax 070 - 348 6256
                    E-mail AIV@SBO.MINBUZA.NL
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Voor woord
Op 14 januari 1998 hebben de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van
Defensie en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de Adviesraad Internationa-
le Vraagstukken (AIV) gevraagd advies uit te brengen over de doodstraf. Het advies
hierover is voorbereid in de Commissie Mensenrechten (CMR) van de Adviesraad. Deze
Commissie bestaat uit de volgende personen: prof. dr. P.R. Baehr, mw. dr. C.E. von
Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn (vice-voorzitter), prof. dr. Th.C. van Boven,
mw. dr. M.C. Castermans-Holleman, drs. T. Etty, prof. mr. R. Fernhout, prof. dr.
C. Flinterman (voorzitter), prof. dr. W.J.M. van Genugten, mw. mr. L.Y. Gonçalves-
Ho Kang You, mej. mr. C. Hak, mw. mr. M. Koers-van der Linden, mr. F. Kuitenbrouwer,
dr. G.A. van der List, drs. G. Ringnalda en prof. drs. E. van Thijn. De werkzaamheden
ten behoeve van het opstellen van het advies zijn ondersteund door de (ambtelijk)
adviseurs van de CMR, mw. drs. A.H. Gosses, mw. mr. K.S. Adhin en mr. A.P. Wegerif
(ministerie van Buitenlandse Zaken), alsmede door drs. T.D.J. Oostenbrink (secretaris
CMR) en de stagiaire mej. drs. F.A.W.J. van Esch.
Ter voorbereiding van het advies heeft de Commissie zich laten informeren omtrent de
opvattingen over de doodstraf die leven bij deskundigen. Hiervoor is onder meer
gesproken met mw. M. Rooker, dhr. C. Roorda, mw. H. van Putten en dhr. R. van der
Wal van de Themagroep Doodstraf van Amnesty International en met mr. R. Herrmann,
lid van de voormalige Adviescommissie Mensenrechten Buitenlands Beleid. De AIV is
de geraadpleegde personen erkentelijk voor hun bijdragen.
Het voorliggende advies heeft de AIV vastgesteld op 26 maart 1998. De vraag die cen-
traal staat in de adviesaanvrage, namelijk ‘of de doodstraf zou moeten worden aange-
merkt als een schending van de rechten van de mens en, zo ja, welke gevolgen dit zou
kunnen hebben voor de Nederlandse opstelling tegenover landen die de doodstraf in
hun rechtsstelsel handhaven’ is, zoals uit dit beknopte advies zal blijken, niet eendui-
dig te beantwoorden. De Adviesraad heeft bij zijn beschouwingen de regeringsnotitie
van 1990 als uitgangspunt genomen en geeft in paragraaf 2 een aantal ontwikkelingen
sindsdien aan. Uit deze ontwikkelingen zal blijken dat niet kan worden gesproken van
algemeen internationaal verbod op de tenuitvoerlegging van de doodstraf. Vervolgens
wordt in paragraaf 3 ingegaan op die gevallen waarin volgens het internationale recht
sprake is van een schending van de rechten van de mens. In paragraaf 4 wordt aan-
dacht geschonken aan een aantal andere ontwikkelingen op dit terrein en vervolgens
wordt in paragraaf 5 een aantal beleidsaanbevelingen geformuleerd. De adviesaanvraag
is opgenomen in een bijlage.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>1        Inleiding
In de adviesaanvrage staat de vraag ‘of de doodstraf zou moeten worden aangemerkt als
een schending van de rechten van de mens en, zo ja, welke gevolgen dit zou kunnen heb-
ben voor de Nederlandse opstelling tegenover landen die de doodstraf in hun rechtsstel-
sel handhaven’ centraal.
Het onderhavige advies is tot bovenstaande vraag beperkt. Vragen naar de aanvaardbaar-
heid en effectiviteit van de doodstraf als instrument van strafrechtspleging zijn in de
adviesaanvrage en in dit advies niet aan de orde. De Nederlandse positie, zoals neerge-
legd in een notitie van 22 maart 1990 1 en waarbij de regering zich een uitgesproken
tegenstander verklaart van de tenuitvoerlegging van de doodstraf waar ook ter wereld, is
onveranderd. Aan dit standpunt liggen vooral overwegingen aangaande de aantasting van
de menselijke waardigheid en de onherroepelijkheid van de doodstraf ten grondslag.
2        Ontwikkelingen sinds 1990
Ten tijde van de Nederlandse positiebepaling van maart 1990 was -afgezien van een
regionaal Europees verbod- van een universeel werkend verbod in enige verdragsbepaling
nog geen sprake. Sindsdien hebben zich echter belangrijke ontwikkelingen voorgedaan:
• de inwerkingtreding in juli 1991 van het Tweede Facultatieve Protocol bij het Interna-
    tionale Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (BuPo-verdrag) gericht op de
    afschaffing van de doodstraf. Dit Protocol is nu door 31 staten, waaronder Nederland,
    geratificeerd en door vier staten ondertekend;2
• het facultatief Protocol bij het Amerikaanse Verdrag inzake de Rechten van de Mens
    over de afschaffing van de doodstraf van 8 juni 1990 is inmiddels door vier staten
    geratificeerd en door drie staten ondertekend; dit Protocol is van kracht tussen de
    staten die partij zijn bij het Protocol;3
• het op 1 maart 1985 in werking getreden Zesde Protocol bij het Europese Verdrag tot
    Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)
    inzake de afschaffing van de doodstraf is thans door 27 staten, waaronder Neder-
    land, geratificeerd en door vijf staten ondertekend ;4
• alle huidige lidstaten van de Europese Unie (EU), met uitzondering van het Verenigd
    Koninkrijk, zijn Partij bij zowel het Tweede Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag
    als bij het Zesde Protocol bij het EVRM ;5
• de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa nam op 4 oktober 1994 aan-
    beveling 1246 aan waarin wordt verklaard dat ‘de doodstraf geen te rechtvaardigen
1 Beleid inzake de doodstraf, TK 1998-1990, 21 518, nr. 1.
2 Stand van zaken per 1 januari 1998; bron: UN Doc. ST/HR/4/Rev. 16.
3 Stand van zaken per 1 januari 1998; bron: Amnesty International Nederland.
4 Idem.
5 In België zijn ten gevolge van de recente algehele afschaffing van de doodstraf in de nationale
wetgeving (1996) de ratificatieprocedures nog aanhangig.
                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>     plaats heeft in het strafrecht van de moderne beschaafde landen en ... het opleggen
     ervan vergeleken kan worden met foltering en beschouwd kan worden als een onmen-
     selijke en vernederende straf zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM’. Op 28 juni
     1996 werd in hetzelfde forum resolutie 1097 aangenomen. Deze resolutie verwoordt
     opnieuw het verzet van de Parlementaire Vergadering tegen de doodstraf ;6
•    staten die lid worden van de Raad van Europa zijn gehouden binnen één jaar na toe-
     treding het Zesde Protocol te ondertekenen en binnen drie jaar te ratificeren. Vanaf
     het moment van toetreding dienen zij een moratorium in acht te nemen;7
•    afgezien van de Verenigde Staten is daarmee de doodstraf in Westerse geïndustriali-
     seerde landen feitelijk afgeschaft;
•    de statuten van de Ad Hoc Tribunalen voor Voormalig-Joegoslavië en Rwanda sluiten
     uit dat de doodstraf kan worden opgelegd en ook de discussies over het (nog op te
     richten) Internationale Strafhof tenderen in dezelfde richting ;8
•    het aantal landen dat de doodstraf afschaft neemt gestaag toe. In 102 landen is de
     doodstraf de jure dan wel de facto afgeschaft. In 90 landen bestaat de doodstraf nog
     steeds, zij het dat het aantal landen dat in een bepaald jaar daadwerkelijk gevange-
     nen executeert, aanzienlijk lager is.9
Verder zijn onder meer van belang:
• de overwegingen en aanbevelingen met betrekking tot de doodstraf door de Speciale
     Rapporteur van de VN inzake Buitengerechtelijke, standrechtelijke of willekeurige exe-
     cuties in zijn rapport van 24 december 1996 voor de 35e zitting van het VN-Commis-
     sie voor de Rechten van de Mens ,10 en
• resolutie 1997/12 inzake de doodstraf van de VN-Commissie voor de Rechten van
     de Mens van 3 april 1997.11
6 Zie: Verslag 25e zitting Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, document EREC1246.WP,
1403-4/10/94-5-E van 4 oktober 1994 en verslag 24e zitting 1996, document EREC1097.WP 1403-28/6/
96-7-E van 28 juni 1996.
7 Een wankel –immers sterk afhankelijk van de persoon van de president– en nog slechts de facto mora-
torium lijkt stand te houden in de Russische Federatie. Daarentegen wordt een de facto moratorium in de
Oekraïne niet gerespecteerd. Het Committee on Legal Affairs and Human Rights van de Raad van Europa
dringt bij beide staten aan op een de jure moratorium; zie het rapport van het Committee on the Honouring of
Obligations and Committments by Member States of the Council of Europe van 19 december 1997,
AS/Mon(1997)33, blz. 9.
8 Resoluties 808 (1993) van 22 februari 1993 en 955 (1994) van 8 november 1994 van de
VN-Veiligheidsraad.
9 Bronnen: UN Doc. E/CN.4/1998/82 van 16 januari 1998 en Facts and Figures on the Death Penalty,
AI Index ACT/50/13/97, oktober 1997.
10 E/CN.4/1997/60, par. 73-91 en 116-118. Op verzoek van de VN-Commissie voor de Rechten van de
Mens is de Speciale Rapporteur ook belast met ‘monitoring the implementation of existing standards or safe-
guards and restrictions relating to the imposition of capital punishment, bearing in mind the comments made
by the Human Rights Committee in its interpretation of article 6 ICCPR, as well as the Second Optional
Protocol thereto’.
11 E/CN.4/1997/L.11/Add. 1, blz. 18 e.v. Deze resolutie is aanvaard met 27 stemmen voor, 11 tegen
en 14 onthoudingen.
                                                        6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>In zijn rapport roept de Speciale Rapporteur staten die het BuPo-verdrag en in het bijzon-
der het Tweede Facultatieve Protocol nog niet hebben geratificeerd op dit alsnog te doen.
Ook roept hij staten op de nationale wetgeving aan te passen aan de internationale stan-
daarden ter zake en beveelt hij specifieke procedurele waarborgen aan. Tenslotte doet hij
een klemmende oproep aan die staten waarin de doodstraf nog steeds van kracht is, ‘to
deploy every effort that could lead to its abolition, the desirability of which has repeatedly
been affirmed by the General Assembly’.
In haar recente resolutie voegt de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens hieraan
onder meer de oproep toe dat de staten die de doodstraf nog niet hebben afgeschaft, het
aantal delicten waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd verminderen. Ook roept de
Commissie voor de Rechten van de Mens deze staten op om een moratorium te overwe-
gen ‘with a view to completely abolishing the death penalty’.
Naast deze positieve ontwikkelingen met betrekking tot de afschaffing of beperking van
de doodstraf zijn evenwel ook meer negatieve ontwikkelingen aan te geven. In 1996 is
de doodstraf in 39 landen ten uitvoer gebracht, terwijl in 76 landen doodstraffen zijn
opgelegd. Het aantal ten uitvoer gebrachte executies is toegenomen van 2029 in 1990
tot 5139 in 1996. Een beperkt aantal landen is verantwoordelijk voor het merendeel van
de uitgevoerde executies. In 1996 werd 94% van alle executies uitgevoerd door vier
landen: China (4367), Oekraïne (167), de Russische Federatie (140) en Iran (110).12
Verder werd in een aantal landen overgegaan tot uitbreiding van het aantal delicten waar-
voor de doodstraf kan worden opgelegd of werd de doodstraf heringevoerd. Dit gebeurde
onder meer in de Bahrein, Burundi, Comoren, El Salvador, de Filippijnen, Guatemala, Libië
en de Verenigde Staten. Een andere negatieve ontwikkeling was de terugtrekking van
Jamaica als partij bij het Eerste Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag. Deze terug-
trekking had tot doel het opnieuw mogelijk te maken uitgesproken doodvonnissen ten
uitvoer te brengen. Inmiddels heeft ook Trinidad en Tobago eenzelfde voornemen kenbaar
gemaakt. Verder zijn er, als vermeld, ook landen die de doodstraf opleggen, maar niet
daadwerkelijk overgaan tot het uitvoeren daarvan. In 1996 was dit bijvoorbeeld het geval
in Japan, Turkije en Zambia. Tot slot zijn er landen waarvan bekend is dat doodstraffen
worden uitgevoerd maar waarover geen ‘harde’ gegevens beschikbaar zijn. Dat geldt op
dit moment voor onder meer Irak, Nigeria en Saoedi Arabië.
          Aantal landen  Aantal landen die       Aantal landen die   Aantal landen     Aantal
          die de         de doodstraf voor       de jure doodstraf   die daadwerkelijk geregistreerde
          doodstraf      bijzondere              kennen, maar de     executies         executies
          hebben         misdrijven kennen       facto sinds 10      voltrekken
          afgeschaft     (bv. in oorlogstijd)    jaar of meer niet
 1990          44                 17                    25               26             2029
 1997          61                 14                    27               39 (1996)      5139(1996)
12 Bron: Facts and Figures on the Death Penalty, AI Index ACT 50/05/97 en 50/13/97.
                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>3           Doodstraf als schending
Uit het voorafgaande overzicht blijkt dat er nog geen sprake is van een algemeen interna-
tionaal verbod van de doodstraf. Toch zijn er bepaalde situaties waarin de doodstraf als
schending van algemeen aanvaarde internationale normen moet worden aangemerkt.
Naar internationaal recht mag de doodstraf niet worden opgelegd aan minderjarigen. Arti-
kel 6 lid 5 BuPo-verdrag stelt dat de doodstraf niet mag worden opgelegd voor misdrijven
die zijn begaan door personen beneden de leeftijd van achttien jaar. Dit beginsel is ook
neergelegd in artikel 37 sub a Verdrag inzake de rechten van het kind: ‘(…) Doodstraf
noch levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vrijlating wordt opgelegd
voor strafbare feiten gepleegd door personen jonger dan achttien jaar’. Verder sluiten ook
de Safeguards Guaranteeing Protection of the Rights of those Facing the Death Penalty 13
(hierna Safeguards) uit dat personen beneden de leeftijd van achttien jaar ten tijde van
het begaan het misdrijf tot de doodstraf worden veroordeeld. Evenmin mag de doodstraf
worden opgelegd aan zwangere vrouwen (artikel 6 lid 5 BuPo-verdrag) en aan geestelijk
gestoorden (Safeguards).14 Gegeven de aanvaarding zonder stemming van de resolutie
waarin de Safeguards zijn neergelegd, kan daaraan, ook juridisch gezien, een grote bete-
kenis worden gehecht.
In situaties waarin de doodstraf in strijd met deze internationaal aanvaarde normen toch
wordt opgelegd aan minderjarigen, zwangere vrouwen en geestelijk gestoorden is derhalve
sprake van schending van rechten van de mens.15
Verder zijn in artikel 6 BuPo-verdrag beperkingen en voorwaarden vastgelegd waaraan de
uitvoering van de doodstraf minimaal dient te voldoen, terwijl in artikel 14 BuPo-verdrag
beginselen voor een zorgvuldige rechtsgang zijn neergelegd. Daarnaast leggen de
Safeguards onder andere vast dat de doodstraf alleen mag worden voltrokken:
• op basis van een proces waarin een duidelijk en overtuigend bewijs is geleverd voor
      de schuld van de verdachte;
• op basis van een adequate procesgang conform artikel 14 BuPo-verdrag, inclusief
      adequate rechtsbijstand;
• op basis van een rechtsgang waarin te allen tijde een recht op beroep mogelijk is
      geweest;
• op een moment dat alle rechtsmiddelen zijn uitgeput.
13 Zie par. 3 van Resolutie 1984/50 van 25 mei 1984 van de Economische en Sociale Raad van de VN,
zonder stemming bevestigd door de Algemene Vergadering in resolutie 39/118 van 14 december 1984.
14 Tenminste zes landen hebben sinds 1990 gevangenen geëxecuteerd die ten tijde van het plegen van het
delict jonger waren dan 18 jaar. Het betreft onder meer: Iran, Nigeria, Pakistan, Saoedi Arabië, de Verenigde
Staten en Yemen. Bron: Juveniles and the Death Penalty: Executions worldwide since 1985,
AI Index: Act 50/05/95.
15 Incidentele voorbehouden bij artikel 6 BuPo-verdrag, als gemaakt door Thailand en de Verenigde Staten,
zijn in strijd met het voorwerp en doel van de verdragsnorm en ontnemen derhalve niet het universele karakter
aan de norm.
                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Ook in situaties waarin de toepassing van de doodstraf niet voldoet aan deze internatio-
naal aanvaarde procedurele normen, is derhalve sprake van schending van rechten van
de mens.
Bovendien benadrukt het VN-Mensenrechtencomité in zijn commentaar op artikel 6 dat
de uitdrukking ‘most serious crimes’ restrictief moet worden geïnterpreteerd ‘(.....) death
penalty should be a quite exceptional measure’.16 Paragraaf 1 Safeguards voegt hier aan
toe dat ‘capital punishment may be imposed only for the most serious crimes, it being
understood that their scope should not go beyond intentional crimes with lethal or other
extremely grave consequences’.
In situaties waarin de doodstraf voor minder ernstige delicten wordt opgelegd –bijvoor-
beeld voor economische delicten of drugsdelicten 17 – is er derhalve sprake van een
schending van artikel 6 BuPo-verdrag.
Uit het verbod van foltering of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of
bestraffing van artikel 5 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 7
BuPo-verdrag en artikel 3 EVRM kan naar de huidige stand van het internationale recht
nog geen algemeen verbod op de doodstraf worden afgeleid. Dit betekent evenwel niet
dat bijkomende omstandigheden geen schending van artikel 7 BuPo-verdrag, c.q. artikel
3 EVRM kunnen opleveren. In de woorden van het Europese Hof voor de Rechten van de
Mens: ‘The manner in which (a death sentence) is imposed or executed, the personal cir-
cumstances of the condemned person and a disproportionality to the gravity of the crime
committed, as well as the conditions of detention awaiting execution, are examples of
factors capable of bringing the treatment or punishment received by the condemned per-
son within the proscription under Article 3.’18
Niet alleen op grond van persoonlijke omstandigheden of vanwege de disproportionaliteit
van de straf, maar ook op grond van bijkomende omstandigheden, zoals de wijze van ten-
uitvoerlegging, de detentie-omstandigheden en de duur van de wachttijd, kan de doodstraf
een schending van rechten van de mens inhouden.
16 HRI/GEN/1/Rev. 2 van 29 maart 1996.
17 Aldus de Speciale Rapporteur in zijn rapport van 24 december 1996, paragraaf 91.
18 EHRM, 7 juli 1989 (Soering), RV 1998, 94 (par. 104). De Speciale Rapporteur vermeldt in zijn in noot 9
genoemd rapport, blz. 23/24, dat the Privy Council van het Verenigd Koninkrijk als hoogste gerechtelijke
instantie voor de lidstaten van het Gemenebest als uitgangspunt neemt dat een wachttijd van vijf jaar een
wrede en onmenselijke bestraffing constitueert. Onder omstandigheden kan ook een kortere periode een
wrede en onmenselijke bestraffing inhouden (ten aanzien van de Bahamas werd drieëneenhalf jaar reeds
als zodanig aangemerkt).
                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>4         Afschaf fing doodstraf als programma
Ook al kan niet van een algemeen internationaalrechtelijk verbod op de doodstraf onder
alle omstandigheden worden gesproken, wel is er een duidelijk streven naar universele
erkenning van een verbod op de uitvoering van de doodstraf zichtbaar.19 In de zich
uitbreidende Raad van Europa kan thans reeds gesproken worden van een verbod op
de doodstraf, terwijl ook universeel een tendens in de richting van afschaffing onmisken-
baar is.
Rechten van de mens zijn geen statisch gegeven. Telkens ontwikkelen zich –veelal uit
bestaande rechten– nieuwe, afzonderlijk te onderscheiden rechten. Een voorbeeld uit het
verleden is de afschaffing van de slavernij; thans een fundamenteel, internationaal aan-
vaard, recht dat zich eerst geleidelijk uit andere rechten zoals het recht op vrijheid en
gelijkheid voor de wet heeft ontwikkeld. De afschaffing van de doodstraf lijkt een dergelij-
ke ontwikkeling door te maken. Niet voor niets plaatst de aanhef van het Tweede Faculta-
tieve Protocol bij het BuPo-verdrag de afschaffing van de doodstraf in het kader van ‘de
voortschrijdende ontwikkeling van de rechten van de mens’. Veelal vormt het recht op
leven,20 soms ook het verbod van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling
of bestraffing21 het vertrekpunt voor het algehele verbod op de tenuitvoerlegging van de
doodstraf.
Ook het beperkte verbod van de doodstraf in artikel 6 BuPo-verdrag wordt gebruikelijk pro-
grammatisch geïnterpreteerd, in die zin dat algehele afschaffing van de doodstraf het uit-
eindelijke doel dient te zijn. Het Mensenrechtencomité stelt in zijn commentaar op ar tikel 6
BuPo-verdrag dat ‘while it follows from article 6 (2) to (6) that States parties are not
obliged to abolish the death penalty totally they are obliged to limit its use and, in parti-
cular, to abolish it for other than the ‘most serious crimes’. (…) The article also refers
generally to abolition in terms which strongly suggest (para. 2 and 6) that abolition is
desirable’. Vervolgens concludeert het Comité ‘that all measures of abolition should be
considered as a progress in the enjoyment of the right to life’.22 Ook de Algemene Verga-
19 Vergelijk de aanhef van het Zesde Protocol bij het EVRM.
20 Bijvoorbeeld in de aanhef van het Tweede Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag: ‘Ervan overtuigd dat
alle maatregelen tot afschaffing van de doodstraf moeten worden beschouwd als een vooruitgang wat betreft
het recht op leven.’ In het rapport van de Secretaris-Generaal over de doodstraf voor de Economische en
Sociale Raad van 26 september 1995 wordt vermeld dat onder andere Nederland een verklaring heeft afge-
legd ‘that capital punishment could not be reconciled with observance of the fundamental right to life and that
it was a duty of government to ascertain the full protection of life by not taking it even in the name of the
law’, UN Doc. E/1985/43, blz. 22.
21 Zie bijvoorbeeld artikel 37 sub a Verdrag inzake de rechten van het kind, waarin het verbod op de dood-
straf onmiddellijk volgt op het verbod van foltering of een andere wrede, onmenselijke of onterende behande-
ling of bestraffing. Ook EHRM 7 juli 1989 (Soering), RV 1998, 94 erkent in paragraaf 103 de mogelijkheid van
een ‘evolutive interpretation’ van het verbod van foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of
bestraffing. In de context van de Raad van Europa is evenwel met het Zesde Protocol gekozen voor een ‘nor-
mal method of amendment of the text in order to introduce a new obligation to abolish capital punishment’.
22 HRI/GEN/1/Rev. 2 van 29 maart 1996.
                                                         10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>dering heeft in resolutie 2857 (XXVI) nadrukkelijk uitgesproken dat ‘the main objective to
be pursued is that of progressively restricting the number of offences for which capital
punishment may be imposed, with a view to the desirability of abolishing this punishment
in all countries’.23
Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat staten die het aantal delicten waarvoor de
doodstraf kan worden opgelegd uitbreiden, dan wel die de facto of de jure de doodstraf
opnieuw invoeren, handelen in strijd met de internationale rechtsontwikkeling terzake.
5           Beleidsaanbevelingen
Nederland heeft door ratificatie van het Zesde Protocol bij het EVRM en het Tweede Proto-
col bij het BuPo-verdrag aanvaard dat de doodstraf onder alle omstandigheden als een
schending van de rechten van de mens is te beschouwen. Deze opvatting wordt nog niet
door alle staten gedeeld. Wel brengt het huidige volkenrecht met zich mee dat de dood-
straf in bepaalde situaties moet worden beschouwd als een schending van de rechten
van de mens (zie hiervoor paragraaf 3). Het Nederlandse beleid dient erop gericht te zijn
een algemeen verbod op de doodstraf aanvaard te krijgen. Dit brengt de Adviesraad tot
de volgende beleidsaanbevelingen, gericht aan de Nederlandse regering:
Internationaal
• Het voeren van een actief beleid in het bevorderen van toetreding tot het Tweede
     Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag. Voor zover in bilaterale relaties de toetre-
     ding tot de mensenrechtenverdragen een rol speelt zou in dat kader ook expliciet de
     toetreding tot het Tweede Facultatieve Protocol bij het BuPo-verdrag aan de orde die-
     nen te komen ten aanzien van die staten die feitelijk dan wel in rechte de doodstraf
     hebben afgeschaft, maar nog geen partij zijn bij het Tweede Facultatieve Protocol;
• het geven van positieve aandacht aan en waar nodig ondersteuning voor staten die de
     doodstraf hebben afgeschaft dan wel een moratorium hebben ingesteld;
• als regel het uitvoeren van een diplomatieke demarche bij feitelijke of juridische herin-
     voering van de doodstraf, dan wel bij uitbreiding van het aantal delicten waarvoor de
     doodstraf kan worden opgelegd;24
• het actief streven naar een algehele uitsluiting van de mogelijkheid tot het opleggen
     van de doodstraf door het op te richten Internationale Strafhof.25
23 A/pv.2027 van 20 december 1971. Deze resolutie is aanvaard met 59 stemmen voor, 1 tegen
en 54 onthoudingen.
24 Demarches, zowel unilateraal als in GBVB-verband zijn in 1994, ten onrechte, achterwege gebleven bij de
herinvoering van de doodstraf in de Filippijnen en in de staat New York. In 1998 is wel gereageerd op het voor-
nemen van de Filippijnse regering om daadwerkelijk over te gaan tot uitvoering van executies.
25 Dit permanente Internationale Strafhof zou onder meer plegers van volkerenmoord, andere misdrijven
tegen de menselijkheid en ernstige schendingen van humanitair recht moeten kunnen berechten. De onderhan-
delingen over een Internationaal Strafhof bevinden zich in de afrondingsfase. Er wordt naar gestreefd de
besluitvorming nog in 1998 af te ronden; daartoe is een Diplomatieke Conferentie voorzien in Rome
(juni/juli 1998).
                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>OVSE
• Op grond van par. 17.7 van het Document of the Copenhagen Meeting of the Confe-
   rence on the Human Dimension of the CSCE uit 1990 zullen de in de OVSE deelne-
   mende staten ‘exchange information (..) on the question of the abolition of the death
   penalty and keep that question under consideration’. Deze paragraaf biedt de moge-
   lijkheid de afschaffing van de doodstraf binnen de OVSE bij voortduring aan de orde
   te (blijven) stellen; de regering dient van deze gelegenheid gebruik te (blijven) maken
   om de algehele afschaffing van de doodstraf te bepleiten in die landen van de OVSE,
   die de doodstraf nog niet hebben afgeschaft. Verder dient in het mandaat van OVSE-
   missies en van ‘Advisory and Monitoring Groups’ de kwestie van de doodstraf uitdruk-
   kelijk te worden betrokken.
Raad van Europa
• Het krachtig ondersteunen van de activiteiten van de Raad van Europa tot versterking
   van het moratorium terzake van de doodstraf in die lidstaten waarin de doodstraf nog
   niet in rechte is afgeschaft;
• het onvoorwaardelijk handhaven van de toetredingsvoorwaarden ter zake van de
   ondertekening en ratificatie van het Zesde Protocol bij het EVRM;
• het ondernemen van diplomatieke initiatieven gericht op toetreding van het Verenigd
   Koninkrijk tot het Zesde Protocol bij het EVRM (en het Tweede Facultatieve Protocol
   bij het BuPo-verdrag), mede in verband met de geloofwaardigheid van de Raad van
   Europa inzake de doodstraf voor de nieuwe lidstaten.
Europese Unie
• Het actief bevorderen dat het Zesde Protocol bij het EVRM (en het Tweede Faculta-
   tieve Protocol bij het BuPo-verdrag) in het acquis communautaire op het terrein van de
   mensenrechten wordt opgenomen; dit met het oog op de onderhandelingen met de
   kandidaat lidstaten. Net als bij de Raad van Europa geldt ook hier dat de geloofwaar-
   digheid van de Unie in dit opzicht aanzienlijk wordt versterkt indien het Verenigd
   Koninkrijk zijn bijzondere positie ter zake opgeeft;
• het opstellen van een beleidskader voor demarches in GBVB-verband. Een eerdere
   poging om meer omlijnde criteria vast te stellen voor EU-reacties op doodstrafkwes-
   ties is indertijd gestrand op tegenwerking van het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd
   Koninkrijk lijkt nu, meer dan voorheen, bereid in te stemmen met EU-stappen. Dit
   opent mogelijkheden om tot een meer gecoördineerd beleid op dit terrein te komen.
Beleidskader
• Het beleidskader dient, als gezegd, bij voorkeur in EU-verband te worden opgesteld en
   ten uitvoer te worden gelegd. Bij het ontbreken van EU-overeenstemming dienen
   demarches door een kleinere groep, gelijkgezinde, lidstaten mogelijk te zijn, dan wel
   op bilaterale basis worden uitgevoerd. In het op te stellen beleidskader dienen alge-
   mene en individuele reacties te worden onderscheiden;
• het lijkt aangewezen dat de EU of haar lidstaten in relevante internationale fora, zoals
   de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, zich consequent kritisch uitspreken
   over staten die de doodstraf in hun rechtssysteem handhaven en die in strijd met het
   internationale streven naar algehele afschaffing van de doodstraf nalaten het gebruik
   van de doodstraf te verminderen. Criteria dienen te worden opgesteld om te bepalen
   wanneer en onder welke omstandigheden een dergelijke algemene reactie opportuun
   is;
• een algemene demarche is als regel aangewezen bij herinvoering van de doodstraf
   dan wel bij uitbreiding van de delicten, waarvoor de doodstraf kan worden opgelegd;
                                              12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>•   individuele demarches dienen in ieder geval plaats te vinden, indien de oplegging en
    de tenuitvoerlegging van de doodstraf naar de huidige stand van het internationale
    recht (zoals beschreven in paragraaf 3) zijn aan te merken als mensenrechtenschen-
    dingen. Dit geldt ten aanzien van op grond van internationale normen van de dood-
    straf uitgezonderde categorieën van personen, bij toepassing van de doodstraf in
    strijd met internationaal aanvaarde procedurele normen, bij de oplegging van de
    doodstraf voor minder ernstige delicten en bij overschrijding van een aanvaardbare
    ‘deathrow’-periode;26
•   bij zowel de algemene als de individuele demarches dient voorop te staan dat in de
    internationaalrechtelijke normgeving het fundamentele recht op leven voorop staat;
    de doodstraf vormt daarop nog een uitzondering, maar de toepassing daarvan moet
    naar internationale opvatting krachtig worden beperkt met als uiteindelijk doel een
    algehele, wereldwijde afschaffing.
26 Als richtsnoer zou de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Soering
kunnen worden gehanteerd. Zie hiervoor ook uitspraak EHRM 7 juli 1989.
                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Bijlage</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Ministerie van Buitenlandse Zaken

Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061

2500 EB 's- Gravenhage
Telefoon 070 - 3 48 64 86
Telex 31326

Aan:

De Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken (AIV)
Prof. drs. R.F.M. Lubbers
Postbus 20061

2500 EB DEN HAAG

Datum: Doorkiesnr. Dienstonderdeel:
14 januari 1998 070-3484864 Directie Mensenrechten, Goed
Bestuur en Democratisering

Onderwerp: Kenmerk:
Adviesaanvrage inzake de doodstraf DMD/BC - 003/98

Tijdens de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken in de Tweede Kamer in
december a.p. heeft het Kamerlid Valk er bij de Regering op aangedrongen zich internatio-
naal in te spannen teneinde de doodstraf te doen aanmerken als een schending van de rechten
van de mens. Daarbij deed hij het verzoek aan de Regering deze kwestie ter advisering aan
de AIV voor te leggen. Met dit verzoek werd ingestemd en wij zouden het dan ook op prijs
stellen indien Uw Adviesraad ons van advies zou kunnen voorzien. Daartoe moge het
volgende dienen.

Zoals bekend is de Nederlandse positie neergelegd in de notitie dd 22 maart 1990 (TK-1989-
1990,21518, nr.1), waarbij de Regering zich een uitgesproken tegenstander verklaart van de
tenuitvoerlegging van de doodstraf waar ook ter wereld. Vooral de aantasting van de
menselijke waardigheid en de onherroepelijkheid van de straf liggen aan dit standpunt ten
grondslag. Aangezien er geen algemeen internationaalrechtelijk verbod op de doodstraf
bestaat, is het streven van de Nederlandse regering gericht op beperking van de toepassing
van de doodstraf met het uiteindelijke doel van wereldwijde afschaffing. Tijdens het debat is
erop gewezen dat er wereldwijd een duidelijke tendens naar vermindering van tenuitvoerleg-
gingen is, met het oog op algehele afschaffing. Deze uit zich o.m. in de inwerkingtreding in
juli 1991 van het tweede facultatieve Protocol bij het Internationale Verdrag inzake Burger-
en Politieke Rechten gericht op afschaffing van de doodstraf en de aanvaarding van de
resolutie "Question of death penalty” in de VN-Mensenrechtencommissie van maart/april
1997. Daarnaast heeft ook de uitbreiding van de Raad van Europa tot gevolg dat meer landen
zich hebben gecommitteerd aan afschaffing van de doodstraf. Alhoewel, zoals gesteld, er
geen internationaal verbod op de doodstraf bestaat, is de Regering van oordeel dat langs
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>pragmatische weg kan worden bereikt dat de tenuitvoerlegging achterwege blijft. Het
aanmerken van een bepaald onderdeel van een rechtssysteem in een land als een schending
van mensenrechten, is een stap die niet zonder meer kan worden gezet. Over de verschillende
aspecten die daaraan vastzitten, moet goed worden nagedacht. Hoe zou Nederland
bijvoorbeeld zijn positie moeten bepalen ten opzichte van een land dat vanwege hantering van
de doodstraf structureel de mensenrechten zou schenden.

Hierbij kan nog worden vermeld dat momenteel in EU-verband wederom wordt gesproken
over de EU-opstelling t.o.v. de doodstraf. Een en ander houdt mede verband met de
gewijzigde positie van het VK dat nu, meer dan voorheen, bereid is in te stemmen met EU-
stappen. Het VK onthield zich destijds van stemming over hogergenoemde resolutie in de
VN-mensenrechtencommissie. Getracht wordt om nu meer omlijnde criteria vast te stellen
voor EU-reacties op doodstrafkwesties.

Gaarne zouden wij Uw advies vernemen of de doodstraf zou moeten worden aangemerkt als
een schending van de rechten van de mens en, zo ja, welke gevolgen dit zou kunnen hebben
voor de Nederlandse opstelling tegenover landen die de doodstraf in hun rechtsstelsel handha-
ven. Onze voorkeur gaat uit naar een beknopt advies dat richting kan geven aan de

gedachtenvorming terzake. Op deze wijze zou het wellicht haalbaar zijn op korte termijn, zo
mogelijk medio maart 1998, tot een afronding van het advies te komen.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
DE MINISTER VAN DEFENSIE

lsd rere

ee
DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Jol
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>