<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING:
DRINGENDE NOODZAAK, BEPERKTE MOGELIJKHEDEN
           nummer 2, april 1998
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter          Prof. drs. R.F.M. Lubbers
Leden               Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
                    Dhr. A.L. ter Beek
                    Mw. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                    Prof. dr. Jhr. G. van Benthem van den Bergh
                    Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                    Prof. dr. C. Flinterman
                    Prof. dr. E.J. de Kadt
                    Dr. B. Knapen
Ambtelijk adviseurs Mr. drs. M. Krop (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                    Drs. E. Kwast (Ministerie van Defensie)
                    Postbus 20061
                    2500 EB Den Haag
                    telefoon 070 - 348 5108 / 6060
                    fax 070 - 348 6256
                    E-mail AIV@SBO.MINBUZA.NL
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Voor woord
Op 29 mei 1997 hebben de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Defensie
en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de Adviesraad Internationale Vraag-
stukken (AIV) gevraagd advies uit te brengen over de toekomst van de conventionele
wapenbeheersing. Het advies hierover is voorbereid in de Commissie Vrede en Veilig-
heid (CVV) van de Adviesraad. Deze Commissie bestaat uit de volgende personen:
A.L. ter Beek* (voorzitter), prof.dr. Jhr. G. van Benthem van den Bergh* (vice-voorzitter),
dr. A. Bloed, dr. Ph.P. Everts*, prof.mr. F.J.M. Feldbrugge, lt.gen. G.J. Folmer, mr. J.G.N.
de Hoop Scheffer*, dr. K. Koch*, mw. dr. M. van Leeuwen*, drs. D.A. Leurdijk*, sbn. b.d.
R.M. Lutje Schipholt, mw. drs. L. Sprangers, prof. drs. B.A.G.M. Tromp, gen. b.d. A.K.
van der Vlis*, drs. E.P. Wellenstein en prof. dr. F. Wielinga. De leden van wie de namen
met een* zijn gemarkeerd, hebben deelgenomen aan de werkgroep die het advies heeft
opgesteld. Aan de voorbereidingen van het advies is bovendien bijgedragen door drs.
G. Ringnalda van de Commissie Mensenrechten van de AIV. De werkzaamheden ten
behoeve van het opstellen van het advies zijn ondersteund door de ambtelijk advi-
seurs van de CVV, brigade-generaal L. Boonstra, drs. E. Kwast (ministerie van Defensie),
mw. drs. S.Th. Blankhart, drs. M.R. Jochems (ministerie van Buitenlandse Zaken), als-
mede door drs. F. van Beuningen (secretaris CVV) en de stagiair(e)s M. Versteden en
mevr. I. Elgershuizen.
Ter voorbereiding van het advies hebben leden van de bovengenoemde werkgroep zich
laten informeren omtrent de opvattingen over conventionele wapenbeheersing en
-export die leven bij beleidsmakers en deskundigen. Voor dit doel is tevens in de perio-
de 27 september - twee oktober 1997 een oriëntatiereis naar Washington en New York
gemaakt. (Een overzicht van de geraadpleegde personen en instanties is als bijlage
opgenomen.) De AIV is de geraadpleegde personen en instanties erkentelijk voor hun
bijdragen en spreekt zijn grote waardering uit voor de ontvangen steun van de Neder-
landse ambassade in Washington en van de Nederlandse permanente vertegenwoordi-
ging bij de Verenigde Naties bij de verwezenlijking van deze oriëntatiereis.
Het voorliggende advies heeft de AIV vastgesteld in zijn vergadering van 2 maart 1998.
Conventionele wapenbeheersing is in de afgelopen jaren geëvolueerd tot een begrip
waaraan zeer verschillende betekenis kan worden gehecht. Dit veelzijdige karakter van
het onderwerp, zoals aan de orde gesteld in de adviesaanvraag, heeft het advies
omvangrijk gemaakt. Voor de beschrijving en de analyse van de materie is veel plaats
ingeruimd. In hoofdstuk I wordt een plaatsbepaling gegeven van conventionele wapen-
beheersing. Hoofdstuk II behandelt conventionele wapenbeheersing in Europa. Hoofd-
stuk III gaat in op de verspreiding van en handel in lichte wapens en hoofdstuk IV op
wapenexport en exportcontroles. Hoofdstuk V heeft regionale en mondiale wapenbe-
heersing tot onderwerp. De beleidsaanbevelingen in deze hoofdstukken zijn cursief
afgedrukt. In hoofdstuk VI, tenslotte, zijn de conclusies en aanbevelingen apart ver-
meld. De adviesaanvraag, een overzicht van geraadpleegde personen en instanties, als-
mede een lijst met afkortingen, zijn opgenomen in de bijlagen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>        Inhoudsopgave
        Voorwoord
I       CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: EEN PLAATSBEPALING                   7
I.1     WAPENBEHEERSING: EEN BEGRIPSOMSCHRIJVING              7
I.2     POLITIEKE VERHOUDINGEN EN WAPENBEHEERSING               9
I.2.1   Wapenbeheersing na de Koude Oorlog             9
I.2.2   De politieke context van conventionele wapenbeheersing       11
I.2.2.1 De context van de inter-statelijke betrekkingen    11
I.2.2.2 De context van het veiligheidsacquis in Europa     12
I.2.2.3 De context van spanningen en conflicten binnen staten     14
II      OP WEG NAAR NIEUWE VERHOUDINGEN IN EUROPA INZAKE                   16
        CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING
II.1    HET CSE-VERDRAG       16
II.1.1  Het CSE-verdrag tot 1997      16
II.1.2  De aanpassing van het CSE-verdrag         17
II.1.3  De Russische Federatie       21
II.2    CSBMs     22
III     DE VERSPREIDING VAN EN HANDEL IN LICHTE WAPENS:                 24
        EEN WERELDWIJD PROBLEEM
III.1   INLEIDING    24
III.2   LICHTE WAPENS EN CONFLICTEN           24
III.3   LICHTE WAPENS      26
III.4   MAATREGELEN OM DE BESCHIKBAARHEID EN HET GEBRUIK VAN            27
        LICHTE WAPENS TERUG TE DRINGEN
III.4.1 Algemene maatregelen        27
III.4.2 Het terugdringen van lichte wapens         29
III.4.3 Het verbod op anti-personeel mijnen         31
IV      WAPENEXPORT EN EXPORTCONTROLES                     32
IV.1    WAPENEXPORT ALGEMEEN            32
IV.2    HET NEDERLANDS WAPENEXPORTBELEID                33
IV.3    EUROPESE UNIE     36
IV.3.1  GBVB    37
IV.3.2  Europese Commissie         39
IV.4    HET WASSENAAR-ARRANGEMENT              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>V       REGIONALE EN MONDIALE CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING         41
V.1     BEGRIPSBEPALING    41
V.2     DE BRUIKBAARHEID VAN DE EUROPESE ERVARING OP HET GEBIED VAN 42
        WAPENBEHEERSING
V.3     REGIONALE WAPENBEHEERSING IN DE PRAKTIJK     44
V.4     HET WAPENREGISTER VAN DE VERENIGDE NATIES        46
VI      CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN         49
Bijlage 1      Adviesaanvraag
Bijlage 2      Lijst van geraadpleegde personen en instanties
Bijlage 3      Lijst van afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I          CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: EEN PLAATSBEPALING
Vooraf kan worden vastgesteld dat de inhoud van het begrip conventionele wapenbeheer-
sing de afgelopen jaren een evolutie heeft doorgemaakt van een politiek instrument in het
kader van de Oost-West verhoudingen tot een begrip waaraan zeer verschillende betekenis
kan worden gehecht. Het gaat niet alleen om wapenbeheersing in de traditionele zin van
het woord, maar ook om de bijdrage die wapenbeheersing kan leveren aan het in goede
banen leiden van de verspreiding van technologie, aan regelingen voor wapenexport en -
import, aan het beëindigen van binnenlandse conflicten en stabiliseren van de verhouding-
en, alsmede aan het terugdringen van de rol van lichte wapens. Van conventionele wapen-
beheersing mag geen grote bijdrage aan vreedzame verhoudingen in de wereld worden
verwacht. (De mogelijkheden voor het terugdringen van) niveau's van bewapening weer-
spiegelen politieke verhoudingen. Binnen de gegeven politieke randvoorwaarden, die zeer
uiteen kunnen lopen, gaat het om het terugdringen van het gebruik en de beschikbaarheid
van conventionele wapens; wereldwijd een bescheiden streven, voor de betrokken staten
echter van eminent belang.
Dit hoofdstuk heeft tot doel de plaats van conventionele wapenbeheersing nader te bepa-
len in het licht van recente internationale ontwikkelingen. Daarbij worden de volgende
onderwerpen aan de orde gesteld: een begripsomschrijving van wapenbeheersing (I.1), poli-
tieke verhoudingen en wapenbeheersing (I.2), waaronder conventionele wapenbeheersing
na de Koude Oorlog (I.2.1) en de politieke context van maatregelen op het gebied van
wapenbeheersing (I.2.2).
I.1        WAPENBEHEERSING: EEN BEGRIPSOMSCHRIJVING
Het begrip wapenbeheersing kan worden onderscheiden in ontwapening, wapenbeheersing
in de strikte betekenis van het woord en opgelegde wapenbeperking. (Onderstaande
begripsomschrijving is niet uitputtend, doch beoogt de harde kern van de genoemde begrip-
pen te omschrijven.) Ontwapening kan worden omschreven als het verminderen van niveaus
van bewapening, waarbij het, behalve om (internationale) afspraken en overeenkomsten,
ook kan gaan om unilaterale maatregelen.
Wapenbeheersing is een beleidsconcept dat vooral opgang heeft gemaakt gedurende de
Koude Oorlog. Doel is het bereiken van veiligheid en stabiliteit door het vrijwillig sluiten van
formele overeenkomsten tussen staten over niveaus van bewapening, over (beperkingen
op) de opstelling, produktie, levering en aanwending van bewapening, alsmede over con-
trole op de naleving van gemaakte afspraken (verificatie). De gerichtheid op de niveaus van
nucleaire bewapening van vooral de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie heeft het misver-
stand in de hand gewerkt dat wapenbeheersing louter kan worden gebaseerd op het tellen
van wapens.1 De kwantitatieve benadering kan deel uitmaken van wapenbeheersing. Daar-
naast wordt ook wel kwalitatieve wapenbeheersing onderscheiden: hierin staat het streven
naar een dusdanige opstelling van de bewapening centraal dat de kans op verrassingen zo
1 De klassieken over wapenbeheersing hebben al gewezen op het gevaar van het gelijkstellen van 'the num-
bers game' met wapenbeheersing. Het (pogen te) bereiken van stabiliteit dient het doel van wapenbeheersing
te zijn. Zie Hedley Bull - 'The Control of the Arms Race': Disarmament and Arms Control in the Missile Age'
(London, Weidenfeld and Nicolson for the IISS, 1961) en Thomas C. Schelling en Morton Halperin - 'Strategy
and Arms Control' (New York, the 20th Century Fund, 1961). Ook: J.G. Siccama - Wapenbeheersing (Den
Haag, Clingendael, 1987).
                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>klein mogelijk wordt. De centrale doelstelling is in beide gevallen het bereiken van veilig-
heid en stabiliteit.
Afgedwongen wapenbeperking, tenslotte, heeft als vorm van wapenbeheersing een belast
verleden vanwege het Verdrag van Versailles. Niettemin zijn er twee recente toepassingen,
namelijk in Irak en het voormalige Joegoslavië. In het eerste geval heeft de Veiligheidsraad
van de Verenigde Naties een reeks van resoluties opgesteld, beginnend met resolutie 678,
die erop zijn gericht Irak te ontdoen van zijn massavernietigingswapens en het vermogen
deze in de toekomst voort te brengen. Het tweede geval is het akkoord van Dayton, dat de
wapenstilstand in Bosnië-Herzegovina regelt. Dit akkoord bevat in Annex 1B maatregelen
om de militaire verhoudingen rond Bosnië-Herzegovina te stabiliseren. Deze bestrijken aan
de ene kant het gebied van conventionele wapenbeheersing - van toepassing op alle strij-
dende partijen - en aan de andere kant het gebied van defensie - slechts geldend voor één
strijdende partij, Bosnië-Herzegovina.
Traditioneel wordt bij wapenbeheersing onderscheid gemaakt naar de soort van bewape-
ning. Het belangrijkste is het onderscheid tussen massavernietigingswapens (nucleair, bio-
logisch, chemisch) en de daarbij behorende overbrengingsmiddelen enerzijds, en conven-
tionele wapens anderzijds. De adviesaanvraag is op deze indeling gestoeld en heeft
conventionele wapenbeheersing als onderwerp. Ook indelingen met een historisch karakter
zijn mogelijk.2 Om het veelzijdige karakter van wapenbeheersing te illustreren, is hieronder
een onderverdeling gemaakt naar doelstellingen, naar wat met de getroffen maatregelen
wordt beoogd:
1) het beheer en de aanpassing van de erfenis van de Koude Oorlog: voorstellen voor ver-
     dere verfijning, zoals START III en de modernisering van het CSE-verdrag, hebben tot
     doel deze erfenis onder (internationale) controle te houden;
2) wereldwijd verbod en onthouding: een recent voorbeeld hiervan is de Chemische
     Wapens Conventie die de produktie, het bezit en het gebruik van chemische wapens ver-
     biedt. Voor een groot deel van de aangesloten landen geldt overigens dat zij toch niet
     in staat of van plan zijn de wapens te produceren of de daarvoor benodigde technolo-
     gie te verwerven;
3) versterking van het oorlogsrecht: het gaat hier om overeenkomsten die het gebruik ver-
     bieden of beperken van bepaalde categorieën van wapens of van de doelen waartegen
     deze kunnen worden ingezet. Er wordt daarbij mede voortgebouwd op de 'ius in bello'
     traditie waarin onderscheid wordt gemaakt tussen combattanten en non-combattanten.
     Het Conventionele Wapenverdrag uit 1980, dat het gebruik van bepaalde typen con-
     ventionele wapens aan banden legt of verbiedt, kan hier als voorbeeld dienen. Het in
     1997 overeengekomen verbod van anti-personeel mijnen, neergelegd in het verdrag van
     Ottawa, - tot stand gebracht op grond van humanitaire motieven - voegt zich in deze
     traditie;
4) controle op de verspreiding van wapens en technologie: bekende voorbeelden zijn
     COCOM en diens opvolger, het Wassenaar Arrangement, dat beoogt de controle buiten
     de Oost-West context te plaatsen. Ook unilateraal afgekondigde wapenexportregelingen
     kunnen hiertoe worden gerekend;
5) regionale maatregelen op het gebied van wapenbeheersing: hier gaat het om geografi-
     sche beperkingen op of een volledig verbod van de stationering van (typen) wapens. Ook
     kernwapenvrije zones en gedemilitariseerde zones (Zuid-Pool) kunnen hiertoe worden
     gerekend;
2 Jozef Goldblatt - 'Arms Control - A Guide to Negotiations and Agreements' (London, Sage Publications,
paperback edition 1996).
                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>6) fysieke beperkingen op het gebied van wapenbeheersing: dit zijn beperkingen op of een
      volledig verbod van de stationering van (typen) wapens naar ‘milieu’. Hierbij kan onder
      meer worden gedacht aan het Ruimte-verdrag, het Zeebodem-verdrag en de ENMOD-
      conventie3 ;
7) militaire en politieke transparantie: beginnend met de ‘Hot Line’-overeenkomst tussen
      de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie uit 1963 tot en met de vertrouwenwekkende
      maatregelen overeengekomen in het kader van de OVSE. De achterliggende gedachte
      is dat kennis van elkaars capaciteiten en intenties misverstanden helpt voorkomen, wat
      kan bijdragen aan de veiligheid en stabiliteit.
I.2        POLITIEKE VERHOUDINGEN EN WAPENBEHEERSING
I.2.1 Wapenbeheersing na de Koude Oorlog
Een behandeling van (aspecten van) de internationale veiligheid ontkomt er niet aan aan-
dacht te besteden aan het einde van de Koude Oorlog. Dit is zeker het geval bij wapenbe-
heersing, want de ineenstorting van het Sovjet-imperium en de Sovjet-Unie heeft dit thema
onmiskenbaar in een nieuw daglicht geplaatst. Om de huidige en toekomstige mogelijkhe-
den voor wapenbeheersing - in ruime zin - te bezien zal de omslag in de politieke ver-
houdingen in de periode 1989 - 1991 het uitgangspunt dienen te zijn. Daarbij dient wel te
worden aangetekend dat het einde van de Koude Oorlog niet over de gehele wereld dezelf-
de gevolgen heeft gehad voor de veiligheid en daarmee voor de vooruitzichten op (verdere)
wapenbeheersing.
Tijdens de Koude Oorlog was wapenbeheersing een gemeenschappelijk belang van de twee
rivalen, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Het gemeenschappelijk belang berustte op
de stabiliserende en crisisvoorkomende werking die wapenbeheersing - of beter veilig-
heidssamenwerking - voor beide had. Wapenbeheersing was een middel, geen doel. Het
diende tot vermindering van het escalatierisico en, meer in het bijzonder, van het gedeelde
gevaar van een kernoorlog. In de slotfase van hun rivaliteit boden wapenbeheersings-
arrangementen en -initiatieven bovendien de grondslag voor het groeiend vertrouwen,
mogelijk gemaakt door politieke toenadering. Er dient dan ook onderscheid te worden aan-
gebracht tussen wapenbeheersingafspraken uit een vroege fase van de Koude Oorlog en
afspraken die later in de Koude Oorlog zijn gemaakt. De eerste worden gekenmerkt door de
boven omschreven politieke prudentie. Deze hebben weinig tot niets veranderd aan de
opstelling en de niveau’s van bewapening van de betrokken staten - niet alleen van de
Verenigde Staten en van de Sovjet-Unie, maar ook van hun bondgenoten. De afspraken op
het gebied van wapenbeheersing gemaakt op een later tijdstip gedurende de Koude Oorlog,
hebben de militaire opstelling wel degelijk veranderd. Deze afspraken maken deel uit van
het veiligheidsacquis, waarop de verwachtingen zijn gegrond van vreedzaam gedrag en
duurzame samenwerking van de staten betrokken bij de veiligheid van Europa.4
Gewapende conflicten na 1989 betroffen vooral de beheersing van bestaande geweldsmo-
nopolies (burgeroorlogen) of het oprichten van nieuwe staten (afscheiding). Het is een mis-
verstand dat dit patroon van conflicten zich pas na het einde van de Koude Oorlog heeft
3 Enmod staat voor ‘Convention on the Prohibition of Military or any other Hostile Use of Environmental Modi-
fication Techniques’. Deze is gesloten in 1977 en verbiedt de aangesloten landen ecologische systemen of het
milieu te manipuleren ten behoeve van oorlogvoering.
4 Michael Mandelbaum (1997), The Post-Cold War Settlement in Europe: A Triumph of Arms Control. Arms
Control Today, March, pp. 3-8.
                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>ontwikkeld. Kwantitatieve gegevens wijzen erop dat de na het einde van de Koude Oorlog
uitgebroken conflicten inderdaad voornamelijk binnenlands van aard zijn, maar hierin onder-
scheidt deze periode zich niet van de tijd van de Koude Oorlog. Van een recente verschui-
ving van tussen- naar binnen-statelijke conflicten is geen sprake.5 Wel is recent de aan-
dacht (pers, media, politiek) toegenomen voor binnen-statelijke conflicten.
Wel lijkt met het einde van de Koude Oorlog de houding van de grote mogendheden tegen-
over binnenlandse conflicten veranderd. Gedurende de Koude Oorlog ging de aandacht er
vooral naar uit of binnenlandse conflicten konden uitgroeien tot een bedreiging voor de
toenmalige afbakening van invloedssferen. Een voorbeeld: hoewel in Angola nog steeds
dezelfde partijen tegenover elkaar staan als gedurende de Koude Oorlog - de MPLA en de
UNITA - zijn deze niet langer cliënten van één van de supermogendheden. Het conflict is van
zijn Oost-West lading ontdaan, waardoor de onderliggende conflictoorzaken (onder andere
de strijd om de beheersing van natuurlijke hulpbronnen en tribale tegenstellingen) bloot zijn
komen te liggen. Overigens werken de Verenigde Staten en de Russische Federatie sinds
enkele jaren samen bij het zoeken van oplossingen voor het conflict in Angola.
In enkele gevallen hebben grote mogendheden niet alleen helpen zoeken naar diplomatie-
ke oplossingen, maar zelfs geprobeerd, al dan niet in het kader van de Verenigde Naties,
een aantal van deze conflicten door militair ingrijpen te beëindigen. Dat bleek vaak veel
moeilijker dan verwacht. De aarzelingen om in te grijpen namen nog toe uit vrees te wor-
den betrokken bij escalerend geweld. De Amerikaanse terugtocht uit Somalië staat in dit
verband nog helder voor ogen. Het dilemma is dat niet alleen inmenging, maar ook afzij-
digheid kan leiden tot escalatie.
Op wereldniveau is geen sprake van gezag dat beschikt over een monopolie op geweld, dat
staten en aspirant-staten kan dwingen hun conflicten vreedzaam te beslechten. Daarom zijn
partijen in de internationale politiek die in conflict zijn met elkaar, tot eigenrichting ge-
dwongen: deze zien zich genoodzaakt zich te bewapenen, bescherming te zoeken bij een
grote mogendheid en/of bondgenootschappen te sluiten. De kans lijkt dan ook niet groot
dat het einde van de Koude Oorlog - het verdwijnen van de hegemoniale rivaliteit tussen de
Verenigde Staten en de Sovjet Unie in de periode 1989 - 1991 - zal leiden tot een blijvend
vreedzame wereld van staten. Eerder is de 'anarchische' situatie van voor 1945 terugge-
keerd, waarin rivaliteit en samenwerking naast elkaar bestaan zonder dat sprake is van een
wereldomspannende politieke tegenstelling. Het zou dan ook niet juist zijn de huidige luw-
te in de betrekkingen tussen de grote mogendheden als permanent te beschouwen.
Opnieuw kan rivaliteit ontstaan, ook op bewapeningsgebied. Daarbij moet niet in de eerste
plaats aan Europa worden gedacht, maar veeleer aan andere delen van de wereld waar zich
potentiële rivaliteit aftekent op een wijze die aan Europa in de 19e eeuw doet denken. De
eerste tekenen hiervan lijken zichtbaar in de betrekkingen tussen China en de Verenigde
Staten. Conventionele wapenbeheersing zal vermoedelijk gestalte moeten worden gegeven
in omstandigheden waarin vreedzaam gedrag en samenwerking niet prevaleren boven con-
flicten en het gebruik van geweld. Daarom lijkt het juist geboden zoveel mogelijk gebruik te
maken van de mogelijkheden die de huidige politieke omstandigheden bieden.
Daarnaast is het kernwapenbezit van de vijf erkende kernwapenstaten - de Verenigde Sta-
ten, de Russische Federatie, China, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk - in dit verband van
belang. Hoewel uitspraken over de betekenis van nucleaire afschrikking in de huidige tijd
met veel onzekerheden zijn omgeven, acht de AIV de verwachting redelijk dat, net als in de
5 Zie J.G. Siccama en A. Oostindiër (1995), Veranderingen in het conflictpatroon van na de Koude Oorlog:
misverstanden en feiten. Den Haag, Clingendael-notitie, p. 7, 8.
                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Koude Oorlog, het bezit van nucleaire wapens de erkende kernwapenstaten zal (blijven) sti-
muleren tot crisisvoorkomend gedrag, zeker bij onderlinge spanningen en conflicten die het
risico van escalatie in zich dragen. Het is per slot van rekening nog steeds zo dat een kern-
oorlog zal leiden tot dusdanige vernietiging van de betrokken partijen, dat het escalatie-
risico riskante initiatieven uitsluit. Dit betekent, dat een bewust ontketende ‘grote oorlog’
- zoals de Napoleontische oorlogen of de Tweede Wereldoorlog - hoogst onwaarschijnlijk is.
Het beheersen van het escalatierisico houdt dan ook in, dat geweldgebruik tussen de
erkende kernwapenstaten zeer onwaarschijnlijk lijkt te zijn geworden. Voor de vijf erkende
kernwapenstaten betekent dit dat conventionele bewapening voor de onderlinge betrek-
kingen thans van minder belang is: een conventionele wapenwedloop tussen deze staten
lijkt momenteel niet in het verschiet te liggen. Dit laat het belang van het tegengaan van
verdere verspreiding van kernwapens en overbrengingsmiddelen onverlet. Er zijn redenen
om aan te nemen dat het gedrag van nieuwe, niet-erkende kernwapenstaten minder
beheersbaar is.
Tegen deze achtergrond van de veranderde betrekkingen op het gebied van internationale
veiligheid krijgt conventionele wapenbeheersing gestalte. Hieronder zal nader worden inge-
gaan op de politieke context van conventionele wapenbeheersing.
I.2.2 De politieke context van conventionele wapenbeheersing
In het verlengde van de boven omschreven internationale politieke ontwikkelingen staat op
het gebied van wapenbeheersing de strategische relatie tussen de grootmachten niet langer
centraal, maar hebben andere aspecten van wapenbeheersing aan belang gewonnen. Het
feit dat de AIV advies is gevraagd over conventionele wapenbeheersing getuigt hiervan. De
betekenis van wapenbeheersing is aan verandering onderhevig.6
Dit geldt ook voor conventionele wapenbeheersing. De betekenis van conventionele wapen-
beheersing verschilt afhankelijk van de politieke context waarin ze wordt nagestreefd. Daar-
om zal hier onderscheid worden gemaakt tussen de context van de klassieke interstatelij-
ke betrekkingen (I.2.2.1), de context van het veiligheidsacquis in Europa (I.2.2.2) en de
politieke context van spanningen en conflicten binnen staten (I.2.2.3).7
I.2.2.1 De context van de klassieke inter-statelijke betrekkingen
In de eerste plaats is er de politieke context van gebieden en regio’s waar de soevereini-
teit van staten in de onderlinge betrekkingen centraal staat. Niet-inmenging in binnenland-
se aangelegenheden is de regel. Het gaat hier om gebieden en regio’s als Latijns-Amerika,
Zuid- en Oost-Azië en China, en het Midden-Oosten. Staten hebben voor het merendeel
geweldsmonopolies gevestigd, al worden deze niet in alle gevallen als legitiem beschouwd.
Regeringen van staten behartigen hun nationale belangen; in tijden van spanningen of con-
flicten kunnen ze dat doen door (te dreigen met) het gebruik van geweld. Voor dit doel slui-
ten ze bondgenootschappen en andere vormen van (tijdelijke) samenwerking. Machtsver-
houdingen en diplomatie in de traditionele zin van het woord vormen de hoofdmoot van de
onderlinge betrekkingen.
6 Zie hiervoor de overzichtsartikelen: James Fergusson (1991), The Changing Arms Control Agenda. Arms
Control, vol. 12, No. 2, pp. 191 - 210 en Brad Roberts (1997), Arms Control in the Emerging Strategic Environ-
ment. Contemporary Security Policy, vol. 18, no. 1 (pp. 57 - 82), p. 61. Ook: Stuart Croft (1996), Strategies of
Arms Control - A History and Typology. Manchester/New York, Manchester University Press.
7 Zie voor een vergelijkbare driedeling van politieke verhoudingen Koen Koch (1997), State, Security and
Armed Forces at the Turn of the Millenium. In: Gert de Nooy (ed.) (1997), The Clausewitzian Dictum and the
Future of Western Military Strategy. The Hague, Kluwer Law International, pp. 75 - 91.
                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>In deze politieke context prijzen velen conventionele wapenbeheersing aan naar het model
van Europa (zie ook IV.3). Dit model zou kunnen helpen spanningen te verminderen en con-
flicten te bedwingen. De verspreiding van de technologie en wapenexporten zijn in dit ver-
band ook van belang: in de eerste plaats omdat de beschikbaarstelling van geavanceerde
technologie en wapenleveranties de spanningen in de betreffende regio’s kunnen vergro-
ten; in de tweede plaats omdat de staten een dusdanige economische en industriële ont-
wikkeling hebben dat zich in deze regio’s belangrijke wapenproducenten en -exporteurs
bevinden.
In de krachtsverhoudingen tussen staten spelen kwalitatieve verschillen tussen krijgs-
machten, met inbegrip van het niveau van de technologie, een steeds belangrijker rol. Som-
migen gaan zelfs zo ver te spreken over een militair-technologische revolutie.8 Afspraken
over beperkingen op wapenexporten zijn erop gericht te voorkomen dat technologisch
geavanceerde wapensystemen in ‘verkeerde’ handen komen. Aangezien de technologie zich
mede langs de weg van civiele toepassingen verspreidt, kan verspreiding echter niet
worden voorkomen, doch slechts worden vertraagd. Wapenbeheersing en wapenexport-
regelingen dienen vooral om de voorsprong van de technologisch gevorderde staten te
bestendigen om op deze wijze, in de eerste plaats, hun eigen veiligheid te waarborgen. In
de tweede plaats spelen overwegingen omtrent de internationale of regionale stabiliteit en
veiligheid.
Niettemin raken technologisch geavanceerde wapens verspreid. Voorbeelden zijn de Stinger-
en Scud-raketten, die in verschillende conflicten (Afghanistan, het voormalige Joegoslavië,
de tweede Golfoorlog) een rol van betekenis hebben gespeeld. Waar staten tegenover door
henzelf geëxporteerde, technologisch geavanceerde wapens zijn komen te staan, kan wor-
den gesproken van het boemerang-effect van wapenexporten. Het is vanwege de spanning
tussen wapentechnologische vernieuwing en de verspreiding van conventionele wapens en
geavanceerde technologie dat de staten waarin geavanceerde (wapen)technologie wordt
ontwikkeld, ook de grootste voorvechters zijn van wapenbeheersing en regelingen die
beogen de verspreiding van technologie tegen te gaan. Overigens is in dit verband ook de
afstoting van militair materieel van belang. Deze vindt plaats vanwege de aanschaf van
nieuwe, technologisch meer geavanceerde bewapening en vanwege het uit dienst nemen
van bewapening op grond van de uitvoering van wapenbeheersingsovereenkomsten. Het
gevolg is dat voorraden van overtollige, deels verouderde wapens worden gevormd, die op
hun beurt op de markt kunnen worden gebracht, wat het streven naar wapenbeheersing en
wapenexportregelingen extra bemoeilijkt.
I.2.2.2 De context van het veiligheidsacquis in Europa
In de tweede plaats is er de politieke context die kan worden aangeduid als het veilig-
heidsacquis in Europa. Het gaat hier om de staten in Noord-Amerika en Europa die betrok-
ken zijn bij de vormgeving van de veiligheid in Europa. Het statelijk geweldsmonopolie is in
het algemeen in een ver verleden gevestigd en de legitimiteit ervan is in de meeste geval-
len niet omstreden. De betrokkenheid van deze staten bij de veiligheid in Europa wordt
gekenmerkt door tal van afspraken, regelingen en verdragen. De staten achten zich hieraan
gebonden en beschouwen deze als maatgevend voor de wijze waarop ze zich ten opzichte
van elkaar gedragen (de omgangsvormen). Internationale organisaties zoals de OVSE, de
NAVO, de Europese Unie (tweede pijler) en de WEU spelen in dit netwerk van afspraken,
regelingen en verdragen een belangrijke rol; voor een groep staten omdat ze er deel van
uitmaken; voor een andere omdat ze er volledig deel van willen uitmaken. In het buitenlands
beleid van beide groepen staten spelen deze afspraken, regelingen, verdragen en organi-
8 Eén voorbeeld uit vele is Robert J. Bunker (1997), Technology in a Neo-Clausewitzian Setting.
In: Gert de Nooy (ed.), pp. 137 - 165.
                                                     12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>saties een centrale rol, waarbij de aard en mate van betrokkenheid per staat kan verschil-
len. Deze situatie wordt hier aangeduid als het veiligheidsacquis, gekenmerkt door politie-
ke normen en beginselen, regels, geïnstitutionaliseerd overleg en (besluitvormings) proce-
dures om het acquis te veranderen.9 De resultaten op het gebied wapenbeheersing, con-
ventioneel en anderszins, maken deel uit van het Europese veiligheidsacquis. Op het
gebied van conventionele wapenbeheersing gaat het om het CSE-verdrag, om de afspraken
over personeelsplafonds en om de afspraken over vertrouwenwekkende en veiligheidsbe-
vorderende maatregelen.
Het veiligheidsacquis in Europa, met inbegrip van de resultaten op het gebied van conven-
tionele wapenbeheersing, heeft onder meer gediend als stootkussen om de internationale
politieke veranderingen uit de periode 1989 - 1991 op te vangen. De belangrijkste zijn
geweest het uiteenvallen van het Sovjet-imperium en de Sovjet-Unie en de vereniging van
Duitsland. Door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en het voormalige Joegoslavië zijn er
staten ontstaan die (ook) trekken vertonen van de politieke context van spanningen en con-
flicten (zie onder I.2.2.3). Te onderscheiden zijn duidelijke gevallen van ’failed states’ (bij-
voorbeeld Tadzjikistan), grensgevallen (bijvoorbeeld Wit-Rusland) en pas gevormde staten
die zich nauwelijks lijken te onderscheiden van de overige staten van de politieke context
van het veiligheidsacquis (bijvoorbeeld Slovenië). Ook de betrekkingen met en tussen deze
nieuw gevormde staten worden voor een belangrijk deel gereguleerd door de afspraken,
regelingen en verdragen van het veiligheidsacquis, al is het maar omdat deze zich daarnaar
richten vanwege hun wens er deel van uit te maken.
Om politieke veranderingen te kunnen blijven inbedden, wordt het veiligheidsacquis gere-
geld aangepast. Op militair gebied bieden het Partnerschap voor de Vrede en diens politie-
ke kader, de Europees-Atlantische Partnerschapsraad, alsmede de overeenkomsten tussen
de NAVO en de Russische Federatie en Oekraïne,10 de politieke inbedding van de betrek-
kingen tussen het Westen en het voormalige Oosten. De uitbreiding van de samenstelling
en verdere interne aanpassing van het overgebleven bondgenootschap, de NAVO, is de vol-
gende, voorgenomen stap op deze weg.
Voor het gebied van conventionele wapenbeheersing is het voorts van betekenis dat er, in
verband met nieuwe veiligheidsproblemen, een omslag heeft plaatsgevonden in de defen-
siecapaciteit van staten van grote, staande strijdkrachten naar kleinere, snel verplaatsba-
re eenheden, die op zeer korte termijn kunnen worden ingezet. De voorgenomen moderni-
sering van het CSE-verdrag past in het streven deze nieuwe verhoudingen tussen de
verdragspartijen en de militaire opstelling die deze met zich brengen, ook op het gebied van
conventionele wapenbeheersing zichtbaar en beheersbaar te maken. De onderhandelingen
hierover kunnen niet meer van blok tot blok worden gevoerd, aangezien het ‘Oostelijk blok’
als zodanig niet meer bestaat. Deze multilateralisering van de onderhandelingen maakt de
modernisering van het CSE-verdrag een complexe aangelegenheid. Deze is overigens voor-
afgegaan door unilaterale ontwapening door tal van verdragspartijen.
9 Een netwerk van afspraken, regelingen en verdragen, zoals hier omschreven, wordt ook wel aangeduid als
internationaal politiek regime, gedefinieerd als ‘a set of implicit or explicit principles, norms, rules and deci-
sionmaking procedures around which actors’ expectations converge’. Zie Krasner, S.D. (red.) (1983) Interna-
tional Regimes. Ithaca, Cornell University Press, p. 2. Ook worden wel andere aanduidingen gebruikt als multi-
lateraal veiligheidsstelsel, zie Bertram, C. (1995) Europe in the Balance - Securing the Peace Won in the Cold
War. Washington, Carnergie Endowment for International Peace, p. 2 e.v.
10 Het gaat om de 'Stichtingsakte betreffende wederzijdse betrekkingen, samenwerking en veiligheid tussen
de NAVO en de Russische Federatie' en het 'Handvest inzake een Bijzonder Partnerschap tussen de NAVO en
Oekraïne'.
                                                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Gebleken is de afgelopen periode dat bij het oplopen van de politieke spanningen en het
uitbreken van conflicten, de afspraken op het gebied van conventionele wapenbeheersing
tekort zijn geschoten. Zoals bekend, hebben zich gewapende conflicten voorgedaan in het
voormalige Joegoslavië, in Georgië, in Azerbaidzjan (om Nagorno-Karabach) en in Tsjetsjenië.
(Ook in Moldavië zijn de spanningen hoog opgelopen.) Waar het hier om gaat, is dat, ondanks
de verplichting tot het verschaffen van informatie in het kader van afspraken over wapen-
beheersing, andere staten over het oplopen van spanningen niet of mondjesmaat zijn geïn-
formeerd.
I.2.2.3 De context van spanningen en conflicten binnen staten
In de derde plaats is er de politieke context van gebieden en regio’s waar processen van
staats- en natievorming nauwelijks op gang zijn gekomen en waar, in een aantal gevallen,
staten uiteen zijn gevallen. De binnenlandse cohesie en stabiliteit kan per staat sterk ver-
schillen, maar vertoont in het algemeen gebreken vanwege gemankeerde staats- en natie-
vorming. Hierbij kan worden gedacht aan gebieden en regio’s in Azië en Afrika, maar ook,
zoals vermeld in I.2.2.2, aan regio’s in en aan de rand van Europa, te weten (delen van)
het voormalige Joegoslavië, alsmede (delen van) de voormalige Sovjet-Unie. Een gewelds-
monopolie is in het algemeen gebrekkig of niet gevestigd. Het geweld dat wordt uitgeoefend
- in sommige gevallen terreur van dictatoriale regimes - wordt zeker niet altijd als legitiem
ervaren. Dit geldt in de eerste plaats voor de burgers die het (moeten) ondergaan, maar
ook voor de internationale gemeenschap. Omdat het niveau van integratie laag is, kunnen
conflicten in deze regio’s leiden tot chaos, niet alleen politiek, maar ook maatschappelijk,
economisch en anderszins. Prille staatsstructuren en het beginnende besef van een natie
vergruizen onder het wapengeweld dat een conflict kan oproepen. In dit verband wordt over
‘failed states’ gesproken: staten gekenmerkt door gewelddadige desintegratie, die soms
gepaard gaat met terreur. Ingrijpen van buitenaf dient in het algemeen om de chaos terug
te dringen en om te voorkomen dat deze overslaat naar elders - door de export van het con-
flict naar buurlanden, door vluchtelingenstromen e.d. Militair ingrijpen komt in deze geval-
len neer op (pogingen tot) het vestigen van een plaatsvervangend geweldsmonopolie. Der-
gelijk ingrijpen is echter niet vaak succesvol en gaat met vele moeilijkheden gepaard.
In deze politieke context richt de aandacht zich op conventionele wapenbeheersing, niet
meer alleen in Europa, maar ook elders in de wereld. Immers, zo wordt veelal geconsta-
teerd, het zijn deze wapens die op grote schaal slachtoffers maken. Om dezelfde reden
heeft de problematiek van lichte wapens zich in de loop van de jaren negentig een plaats
op de politieke agenda verworven. Al in 1991 heeft de Algemene Vergadering hiervoor aan-
dacht gevraagd. In zijn ‘Supplement to the Agenda for Peace’ van 1995 heeft de toenmali-
ge secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Boutros-Ghali, lichte wapens in
niet mis te verstane bewoordingen omschreven als ‘the weapons that are actually killing
people in the hundreds of thousands’.11 In dit verband wees hij onder andere op de ver-
spreiding van automatische handvuurwapens en anti-personeel mijnen. Maatregelen op het
gebied van conventionele wapenbeheersing kunnen deel uitmaken van een vredesverdrag
of wapenstilstandsovereenkomst, in de verwachting dat deze zullen bijdragen aan het
oplossen of beheersen van het betreffende conflict. Wegens de humanitaire noden als
gevolg van strijd en wapengeweld en omdat leveranties van conventionele wapens in menig
geval een Noord-Zuid aangelegenheid zijn, heeft dit aan conventionele wapenbeheersing
een Noord-Zuid dimensie verleend en maken ook wapenexporten en -importen deel uit van
de discussie hoe het gebruik en de beschikbaarheid van conventionele wapens kan worden
teruggedrongen.
11 Supplement to an Agenda for Peace (1995) Boutros Boutros-Ghali (New York, A/50/60-S/1995/1)
punt 60.
                                                 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Dit thema - het terugdringen van het gebruik en de beschikbaarheid van conventionele
wapens - vormt de leidraad in de volgende hoofdstukken. Hierin zullen de verschillende
aspecten van conventionele wapenbeheersing worden behandeld die in de adviesaanvraag
aan de orde zijn gesteld.
                                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>II        OP WEG NAAR NIEUWE VERHOUDINGEN IN EUROPA
          INZAKE CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING
I         I.1 HET CSE-VERDRAG
II.1.1    Het CSE-verdrag tot 1997
Het Verdrag over de Conventionele Strijdkrachten in Europa, het CSE-verdrag, legt beper-
kingen op aan de numerieke sterkte en opstelling van de strijdkrachten in Europa van 30
verdragspartijen. Het verdrag is tot stand is gekomen gedurende een periode waarin de
internationale politiek heftig in beweging was. In december 1988 toonde de Sovjet-Unie
zich, bij monde van de secretaris-generaal van de communistische partij, Gorbachov, voor
de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, bereid af te zien van haar conventione-
le militaire superioriteit in Europa. Toen het verdrag in 1990 is gesloten, werd net de deur
geopend naar andere internationale politieke verhoudingen dan die van de Koude Oorlog.
Het CSE-verdrag is in november 1990 getekend door de lidstaten van de NAVO en het voor-
malige Warschaupact. Omdat het Warschaupact net in die tijd uiteen viel, heeft het verdrag
weliswaar een structuur op basis van twee groepen, maar worden de militaire allianties
waar deze structuur op is gestoeld, niet in het verdrag genoemd. Door het uiteenvallen van
de Sovjet-Unie, in 1991, moesten bovendien voorzieningen worden getroffen om de opvol-
gerstaten van de Sovjet-Unie gelegen in Europa, zelfstandig partij te maken bij het verdrag
(met uitzondering van de Baltische staten die zich niet aan het verdrag wensten te binden).
Dit is geregeld in de overeenkomst van Tashkent van mei 1992 (waardoor het aantal ver-
dragspartijen is gestegen van 22 naar 30).12 Het CSE-verdrag is in juli 1992 uiteindelijk in
werking getreden. Zijn complexiteit is, behalve uit de technische vereisten van het beper-
ken van aantallen zware conventionele wapens (tanks, gepantserde gevechtsvoertuigen,
artillerie, gevechtsvliegtuigen en -helikopters) en de verificatie daarvan, te verklaren uit de
bovenomschreven veranderingen in de internationale politieke omgeving, die een stempel
hebben gedrukt op het verdrag.
Het CSE-verdrag heeft de militaire verhoudingen in Europa doorzichtig gemaakt en eraan bij-
gedragen dat strategische verrassingsaanvallen en grootscheepse offensieven onder hui-
dige omstandigheden niet hoeven te worden gevreesd. Het CSE-verdrag heeft de unilate-
rale verminderingen van het militaire vermogen van het overgrote deel van de Europese lan-
den gecodificeerd en deze controleerbaar gemaakt door middel van afspraken over verifi-
catie. De plafonds die zijn gesteld aan de categorieën zware wapens hebben een vertrou-
wenwekkende werking. Op grote schaal is militair materieel vernietigd. Hiermee is niet
gezegd dat de uitvoering van het CSE-verdrag geen problemen kent. Hieronder wordt inge-
gaan op twee problemen die van belang zijn voor de aanpassing van het CSE-verdrag:
1) de Russische militaire opstelling in het flankgebied; 2) het militaire materieel ten oosten
van de Oeral.
12 De volgende staten zijn anno 1998 partij bij het CSE-verdrag: Armenië, Azerbaidzjan, België, Bulgarije,
Canada, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Georgië, Griekenland, Hongarije, IJsland, Italië, Kazachstan,
Luxemburg, Moldavië, Nederland, Noorwegen, Oekraïne, Polen, Portugal, Roemenië, de Russische Federatie,
Slowakije, Spanje, Tsjechië, Turkije, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Wit-Rusland.
                                                       16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Ad 1) Toen op 17 november 1995 de periode eindigde voor de reductie van het door het
     verdrag beperkte militair materieel, bleek de Russische Federatie meer zware wapens
     op de flanken te hebben opgesteld dan het verdrag toestond.13 Naar het oordeel van
     de Russische regering wettigden veiligheidsproblemen in de Kaukasus deze opstelling.
     De Russische Federatie nam de overige plafonds overigens wel in acht. De Russische
     opstelling was geen verrassing aangezien Moskou sinds 1993 had aangedrongen op
     wijziging van de plafonds voor de flanken. De oplossing is bemoeilijkt door Russisch -
     Turkse tegenstellingen over de Kaukasus. Niettemin is voor dit probleem midden 1996
     een drieledige oplossing gevonden. In de eerste plaats is de kaart van het CSE-ver-
     dragsgebied herzien door het flankgebied te verkleinen. Regio's zijn overgebracht van
     de flankenzone naar de centrale zone, wat de Russische Federatie met name in de Kau-
     kasus een grotere militaire speelruimte heeft gegeven. In de tweede plaats gelden voor
     de Russische Federatie voor drie jaar, tot 31 mei 1999, minder beperkingen: de Russi-
     sche plafonds zijn tijdelijk verhoogd met het materieel dat al in de betreffende regio's
     is opgesteld. Daar staat tegenover, in de derde plaats, dat de Russische Federatie rui-
     mere toegang heeft verschaft ter controle en verificatie van de gemaakte afspraken.
     Afgesproken is dat tien extra inspecties kunnen worden gehouden. Het flankenakkoord
     kan worden omschreven als modernisering van het CSE-verdrag ‘avant la lettre’. Het is
     van belang dat de inhoud hiervan bij de verdere aanpassing van het CSE-verdrag wordt
     gehandhaafd.
Ad 2) Voorafgaand aan de sluiting van het CSE-verdrag (in november 1990) heeft de Rus-
     sische Federatie grote hoeveelheden van de zware categorieën conventionele wapens
     die onder het verdrag moeten worden beperkt, buiten het verdragsgebied geplaatst, te
     weten ten oosten van de Oeral. Over (grote delen van) dit materieel is afgesproken dat
     het onbruikbaar moet worden gemaakt op zo’n wijze dat dit voor Amerikaanse satellie-
     ten is waar te nemen. De Russische Federatie heeft niet aan deze verplichting voldaan,
     naar eigen zeggen wegens geldgebrek, maar zij heeft respijt gekregen tot het jaar 2000.
     Afgesproken is wel dat dit materieel kan worden geïnspecteerd om de naleving van de
     gemaakte afspraken te controleren. Overigens is het overgrote deel van de wapens
     onbruikbaar geworden door de opslag in de open lucht en de invloed van de weersom-
     standigheden en omdat geen onderhoud meer wordt gepleegd.
Het CSE-verdrag beperkt zich tot zware conventionele wapens. Daarnaast hebben de ver-
dragspartijen ook afspraken gemaakt over de personeelssterkte. Dit is gebeurd in de CSE-
personeelsovereenkomst van juli 1992, waarin de verdragspartijen voor het CSE-verdrags-
gebied niveau’s van personeel hebben opgegeven. Vanaf maart 1996 gelden deze als
plafonds die niet mogen worden overschreden.
II.1.2 De aanpassing van het CSE-verdrag
De gewijzigde veiligheidspolitieke omgeving maakt het noodzakelijk het CSE-verdrag aan te
passen. Deze aanpassing moet worden gezien in de bredere politieke context van verdere
ontwikkeling van het veiligheidsacquis in Europa. De uitbreiding en aanpassing van de NAVO
13 De flanken vormen een speciale geografische zone van het CSE-verdragsgebied. Het zijn de zones in het
noorden en zuiden van het CSE-verdragsgebied waar het voormalige Warschaupact en de NAVO aan elkaar grens-
den. Voor deze zones zijn in het CSE-verdrag speciale voorzieningen getroffen, onder meer aparte plafonds.
Turkije, Griekenland en Noorwegen zijn de NAVO-lidstaten die in de flankzone liggen. In de Oostelijke groep gaat
het om Roemenië, Bulgarije, Moldavië, Armenië, Georgië, Azerbaidzjan en delen van de Russische Federatie (de
militaire districten Leningrad en Noord-Kaukasus) en van Oekraïne (een deel van het militaire district Odessa).
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>en de daarmee sterk samenhangende verdere ontwikkeling van de betrekkingen op veilig-
heidsgebied met de Russische Federatie en Oekraïne, maken hiervan deel uit. De centrale
plaats van het CSE-verdrag in de Europese veiligheid verleent de aanpassing van het ver-
drag, ondanks de technische complexiteit, een zeer politiek karakter. In de onderhande-
lingsgroep in Wenen - de ‘Joint Consultative Group’ - is in 1997 met moeite overeenstem-
ming bereikt over de wijze waarop de verdere aanpassing van het CSE-verdrag zal worden
benaderd. Het aanvankelijke doel, een alomvattend kaderakkoord, was niet haalbaar. Van-
daar dat het is gebleven bij overeenstemming over de aanpak van onderhandelingen.14 De
categorieën zware wapens waar het verdrag betrekking op heeft, zullen naar alle waar-
schijnlijkheid ongewijzigd blijven. De volgende doelstellingen van de aanpassing van het
CSE-verdrag kunnen worden onderscheiden:
1) Het CSE-verdrag kent een structuur met een Westelijke en Oostelijke groep van ver-
     dragspartijen. Deze structuur - het tegenover elkaar stellen van groepen van staten -
     weerspiegelt niet langer de verhoudingen in Europa op veiligheidsgebied, aangezien de
     Oostelijke groep van verdragspartijen niet meer als zodanig functioneert. Daarom wordt
     gestreefd naar een opzet van het CSE-verdrag zonder groepen. Dit zal ook voor het sys-
     teem van verificatie niet zonder gevolgen blijven;
2) Met het verdwijnen van de groepsstructuur dienen ook de beperkingen van de catego-
     rieën wapens op een andere wijze te worden ingekleed. Dit zal gebeuren door het onder-
     scheid tussen nationale en territoriale plafonds. Nationale plafonds beperken de hoe-
     veelheid materieel van landen op hun eigen grondgebied. Territoriale plafonds beperken
     de hoeveelheid tanks, gepantserde gevechtsvoertuigen en stuks artillerie van ver-
     dragspartijen die zijn toegestaan op (delen van) het grondgebied van andere landen.
     Hierbij is materieel van gestationeerde eenheden inbegrepen. Er is afgesproken de
     bewapening numeriek verder te verminderen, in vergelijking met de hoeveelheid die was
     toegestaan toen het CSE-verdrag in 1990 werd gesloten.15 De AIV juicht dit streven
     naar verdere reducties toe.
     Een centraal onderhandelingsthema is de wijze van vaststelling en herziening van terri-
     toriale plafonds. (Nationale plafonds worden bij consensus vastgesteld en kunnen bila-
     teraal worden verhoogd; dat wil zeggen dat het plafond van een land kan worden ver-
     hoogd als dat van een ander land evenveel wordt verlaagd.) Daarnaast wordt gesproken
     over maatregelen om een als dreigend ervaren stationering van strijdkrachten, met
     inbegrip van buitenlandse strijdkrachten, te voorkomen. Dit is een Russische wens in
     verband met de uitbreiding van de NAVO16 ;
14 Dit is de 'Decision of the Joint Consultative Group Concerning Certain Basic Elements for Treaty Adaption'
van 23 juli 1997. Dit document zal hierna worden aangeduid als het besluit van de JCG van juli 1997.
15 Hierover hebben de verdragspartijen overeenstemming bereikt in het besluit van de JCG van juli 1997:
"[T]hey [de verdragspartijen] will reach conclusions regarding reductions they might be prepared to take, with the
aim of achieving a significant lowering in the total amount of TLE permitted in the area of application [-]", p. 2,
punt 5. De Stichtingsakte tussen de NAVO en de Russische Federatie stelt: “NATO and Russia believe that an
important goal of CFE adaption should be a significant lowering in the total amount of Treaty-limited equipment
permitted in the Treaty´s area of application (-)”, p. 13. In antwoord op kamervragen van de fractie van Groen
Links, in het kader van de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken voor het jaar 1998, heeft de
minister van Buitenlandse Zaken aangekondigd dat het Nederlandse plafond in elk geval met 10% naar beneden
kan gaan en dat verdere reducties niet zijn uitgesloten.
16 Zie hiervoor het JCG-besluit van juli 1997, p. 3, punt 13.
                                                        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>3) Nu de groepenstructuur uit het CSE-verdrag verdwijnt, ligt het in de rede het verdrag
     open te stellen voor staten die thans geen partij zijn bij het verdrag. De bijdrage die het
     CSE-verdrag levert aan de stabiliteit en veiligheid in Europa, strekt zich ook uit over die
     staten. Het gaat, naast de eerder genoemde Baltische staten, om voormalige neutrale
     of niet-gebonden staten als Ierland, Oostenrijk, Zwitserland, Zweden en Finland, als-
     mede om de opvolgerstaten van het voormalige Joegoslavië. Zoals gezegd, binnen de
     OVSE wordt geregeld aan niet-verdragspartijen gerapporteerd over de voortgang bij de
     uitvoering en de aanpassing van het CSE-verdrag. Een sterkere betrokkenheid van de
     bovengenoemde landen past in het streven, afgesproken in de OVSE, van harmonisatie
     van verplichtingen op het gebied van conventionele wapenbeheersing.
Om deze harmonisatie te bereiken doet de AIV de volgende aanbevelingen:
a) Aan landen die geen partij zijn bij het CSE-verdrag wordt gevraagd deel te nemen aan de
     uitwisseling van militaire gegevens en de controle daarop (verificatie). Een eerste stap
     kan zijn deelname op vrijwillige grondslag, bijvoorbeeld door de landen die deelnemen
     aan de Europees-Atlantische Partnerschapsraad;
b) Landen die willen toetreden tot de NAVO, dienen eerst partij te worden bij het CSE-ver-
     drag. Voor de eerste uitbreiding van de NAVO met Hongarije, Polen en de Tsjechische
     Republiek, heeft deze voorwaarde geen gevolgen omdat de genoemde landen al partij
     zijn bij het CSE-verdrag. Op de langere termijn kan deze voorwaarde bijdragen aan de
     harmonisatie van de verplichtingen op het gebied van wapenbeheersing en bovendien
     het proces van uitbreiding van de NAVO transparant maken en een vertrouwenwekken-
     de werking geven.
De AIV beveelt de Nederlandse regering aan a) en b) in het daarvoor geëigende internatio-
nale overleg te bevorderen.
Bij de modernisering van het CSE-verdrag kan het beginsel van evenwichtige militaire
krachtsverhoudingen niet langer betrekking hebben op de twee groepen van staten. Deze
worden nu geïndividualiseerd (nationale plafonds) en toegeschreven op (delen van) het
grondgebied van verdragspartijen (territoriale plafonds). Als de verdragspartijen erin slagen
hierover overeenstemming te bereiken, dan zijn de conventionele militaire krachtsverhou-
dingen in Europa gebonden aan, op de nieuwe veiligheidssituatie afgestemde afspraken.
Overigens bestaat de verwachting dat veel landen hogere plafonds zullen claimen dan hun
werkelijke bestanden aan militair materieel; niet alleen de behoefte aan flexibiliteit speelt
hier een rol, maar ook de verwerving van internationale status. In de bandbreedte tussen
de overeen te komen plafonds en werkelijke bestanden dient evenwicht te bestaan tussen
het streven naar stabiliteit (de vertrouwenwekkende werking van de plafonds) en het stre-
ven naar flexibiliteit (de mogelijkheid gedurende crises militair te kunnen optreden). Een
beperkte bandbreedte kan helpen een militaire opbouw op het spoor te komen. Hoe dit ook
zij, te maken afspraken over nationale en territoriale plafonds kunnen worden opgevat als
de erkenning door de verdragspartijen van elkaars defensiebehoeften, waarbij het erom
gaat dat geen van de verdragspartijen conventionele militaire superioriteit kan ontwikkelen
of een bedreiging kan (gaan) vormen voor andere verdragspartijen.17
17 Het besluit van de JCG van juli 1997 stelt hierover: "The States Parties are determined to sustain and
strengthen the Treaty's effectiveness in preventing destabilizing accumulations of indigenous and stationed
forces. They will seek stability by further developing measures to prevent any potentially threatening build-up of
conventional forces in particular regions", p. 2, punt 10.
                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Bij de aanpassing van het CSE-verdrag gaat het in eerste aanleg om de (veiligheids)belan-
gen van de grote en middelgrote verdragspartijen, te weten de Verenigde Staten, de Rus-
sische Federatie, het Verenigd Koninkrijk, Polen, Frankrijk en Duitsland. Het gevaar van de
opheffing van de groepenstructuur is dat in het overleg over het CSE-verdrag de rol van de
NAVO vermindert ten gunste van bilateraal overleg, waarbij het risico bestaat dat kleine lan-
den als Nederland onvoldoende uit de verf zullen komen. Met name de positie van Duits-
land is, vanwege zijn ligging en vanwege de grote aantallen op zijn grondgebied gestatio-
neerde eenheden, van doorslaggevend belang. Daarnaast is Duitsland voor Nederland van
bijzonder belang wegens de intensieve samenwerking, onder meer op veiligheidsgebied tot
uiting komend in het gemeenschappelijk Duits-Nederlandse legerkorps. Tegen deze achter-
grond lijkt het aangewezen de samenwerking met Duitsland te intensiveren, zeker op het
gebied van verificatie. Bovendien kan deze samenwerking worden ingebed in de militaire
samenwerking tussen Duitsland en Nederland. De AIV beveelt aan dat de Nederlandse rege-
ring hiervoor de nodige stappen zet.
In het kader van de aanpassing van het CSE-verdrag acht de AIV het wenselijk dat het cri-
sisbestendig wordt gemaakt. Het feit dat het nog te veel is toegesneden op de voorkoming
van grootschalige conflicten heeft tot de merkwaardige situatie geleid dat CSE-verdrags-
partijen de afgelopen jaren betrokken zijn geweest bij gewapende conflicten, overwegend
binnenlandse conflicten, zonder dat andere verdragspartijen hierover zijn geïnformeerd in
het kader van de uitwisseling van militaire gegevens. Deze hebben alleen kunnen consta-
teren dat er sprake is van materieel dat niet kan worden geïnspecteerd omdat het zich
bevindt in conflictgebieden waar de veiligheid van de inspecteurs niet kan worden gewaar-
borgd. Om te beginnen zou in het kader van de informatie-uitwisseling een voorziening kun-
nen worden opgenomen voor dit soort materieel. Bovendien kunnen de verdragspartijen
afspreken onmiddellijk te melden dat de veiligheid van inspecteurs in een gebied niet kan
worden gewaarborgd (en het er niet op aan laten komen of voor het betreffende gebied een
inspectie wordt aangekondigd zoals momenteel de praktijk is). Daarnaast worden de vol-
gende maatregelen in overweging gegeven:
1) In het kader van het ontwikkelen van stabiliserende maatregelen die tot doel hebben
     een potentieel dreigende opbouw van strijdkrachten te voorkomen, kan worden gedacht
     aan een maatregel die de verdragspartijen verplicht tot het aanmelden van de werkelij-
     ke inzet gedurende gewapende strijd van de vijf categorieën zwaar materieel die onder
     het CSE-verdrag vallen. De aanmelding zou betrekking dienen te hebben op de (veran-
     dering van) lokatie van het materieel, op de omstandigheid of het geïnspecteerd kan
     worden etc.;
2) Als volgende stap kan worden gesuggereerd dat de verdragspartijen in de JCG de moge-
     lijkheid krijgen met elkaar te overleggen over de hierboven omschreven inzet van mate-
     rieel;
3) Daarnaast zou de JCG in deze gevallen de mogelijkheid moeten krijgen inspectieteams
     uit te sturen, wat betekent dat deze inspecties geen nationale verantwoordelijk zijn,
     maar een verantwoordelijkheid van alle verdragspartijen gezamenlijk. Het gegevensbe-
     stand met voor de verdragspartijen aanvaardbare inspecteurs kan voor dit doel worden
     aangewend.
De AIV beveelt bij Nederlandse regering aan het CSE-verdrag meer crisisbestendig te
maken. De hiervoor genoemde maatregelen dienen met dat doel in internationaal overleg
te worden ingebracht.
                                               20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>II.1.3 De Russische Federatie
Met betrekking tot de aanpassing van het CSE-verdrag neemt de Russische Federatie een
bijzondere positie in. In de eerste plaats door de combinatie van het uiteenvallen van het
Sovjet-imperium, de Sovjet-Unie zelf en de uitbreiding van de NAVO. Moskou betoogt dat
deze ontwikkelingen de veiligheidssituatie van de Russische Federatie aanzienlijk hebben
verslechterd. Compensatie zou moeten worden geboden door een vergaande modernisering
van het CSE-verdrag, die andere verdragspartijen dusdanige beperkingen zou moeten opleg-
gen dat deze niet langer in een voordelige positie verkeren als gevolg van het verslechte-
ren van de Russische veiligheidssituatie.
Daar komt bij, in de tweede plaats, dat de Russische strijdkrachten ernstig te lijden heb-
ben onder de economische problemen in de Russische Federatie. Alleen al omdat het Rus-
sische defensiebudget ten enen male ontoereikend is om de huidige, omvangrijke krijgs-
macht inzetgereed te houden, zijn reducties niet te vermijden. In december 1997 heeft
president Jeltsin aangekondigd dat de Russische land- en zeestrijdkrachten met 40% zullen
worden ingekrompen. Het gaat met name om de strijdkrachten in het noordwesten van het
land, wat erop wijst dat de Russische Federatie zijn strijdkrachten vooral elders in het land
wenst in te kunnen zetten. De veronderstelling ligt voor de hand dat de aanwezigheid van
energievoorraden in het gebied rond de Kaspische zee en de Kaukasus in deze afweging
meespeelt. Hoe dit ook zij, de unilaterale reducties die de krijgsmacht van de Russische
Federatie noodgedwongen in de nabije toekomst zal ondergaan, geven Moskou extra argu-
menten vergaande beperkingen te bepleiten in het kader van de modernisering van het CSE-
verdrag. Overigens winnen andere strijdkrachten aan betekenis, met name die onder het
ministerie van Binnenlandse Zaken vallen. Deze zijn in het algemeen ook beter uitgerust
dan de militaire strijdkrachten. Deze vallen momenteel niet onder de CSE-personeelspla-
fonds. Met het oog op het toenemende belang van deze strijdkrachten, niet alleen in de
Russische Federatie maar ook elders, bijvoorbeeld in Oekraïne, acht de AIV het van belang
dat de categorieën personeel die onder de plafonds zijn gebracht, worden herzien. Hij is van
oordeel dat het personeel van deze en andere paramilitaire eenheden onder de CSE-per-
soneelsplafonds dienen te worden gebracht.
In de derde plaats geldt voor een deel van de verdragspartijen, namelijk de voormalige lid-
staten van het Warschaupact en sommige opvolgerstaten van de Sovjet-Unie, dat deze het
CSE-verdrag beschouwen als extra garantie tegen mogelijk hernieuwd opkomende Russi-
sche heerszucht. Dit niet alleen vanwege het recente verleden, maar ook doordat in de
betreffende landen beduchtheid bestaat voor de eventuele opkomst van revanchistische
politieke krachten in de binnenlandse, Russische politiek.
In de vierde plaats, zoals uiteengezet in II.1.1, heeft de Russische Federatie jarenlang meer
zware wapens op de flanken van het verdragsgebied opgesteld dan het verdrag toestond.
De Russische Federatie meende hier goede argumenten voor te hebben op grond van de
veranderde veiligheidssituatie; argumenten die door een deel van de overige verdragspar-
tijen overigens niet werden aanvaard. Mede op instigatie van de Verenigde Staten is de Rus-
sische Federatie in deze kwestie coulant behandeld, met name om haar betrokkenheid bij
het veiligheidsacquis in Europa niet in de waagschaal te stellen.
De aanpassing van het CSE-verdrag maakt deel uit van de aanpassing van het veiligheids-
acquis in Europa aan de veranderde politieke omstandigheden. Hetzelfde geldt voor de uit-
breiding van de NAVO. De AIV beveelt bij de Nederlandse regering aan te bevorderen dat
beide kwesties met elkaar worden verbonden door te streven naar voltooiing van de aan-
passing van het CSE-verdrag vóórdat de NAVO uitbreidt. Aangezien de toetreding van nieu-
we lidstaten is voorzien voor april 1999, het vijftigjarig bestaan van de NAVO, betekent dit
dat de aanpassing van het CSE-verdrag daarvoor zou moeten worden afgerond.
                                               21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>II.2        CSBMs
Het concept van vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende maatregelen (CSBMs of
‘Confidence and Security Building Measures’ werd in Europa ingevoerd in de Slotacte van
Helsinki van 1975. In dit kader zijn de afspraken over CSBMs vastgelegd. Het voornaam-
ste doel was, analoog aan vergelijkbare maatregelen op nucleair gebied, het voorkomen
van het uitbreken van onbedoelde vijandelijkheden. Het aanmelden van grote militaire oefe-
ningen, indertijd een politieke doorbraak, leek hiervoor het aangewezen instrument. De poli-
tieke afspraken en niet in verdragen vastgelegde regelingen hebben sinds die tijd een
verrassende vlucht genomen, zeker na het Stockholm-document van 1986. Ging het
aanvankelijk nog slechts om het aanmelden van grote oefeningen en de mogelijkheid deze
waar te nemen, tegenwoordig kunnen waarnemers tal van militaire manoeuvres bijwonen
en tal van militaire installaties en opstellingen bezoeken. Ook over defensiedoctrines en -
inspanningen wordt informatie uitgewisseld en vindt overleg plaats.
CSBMs onderscheiden zich van andere vormen van wapenbeheersing. De maatregelen rich-
ten zich vooral op de output; niet zozeer het militaire vermogen wordt met behulp van
CSBMs in beschouwing genomen, maar wat met dat vermogen kan worden aangericht.18
In de beginfase is de uitvoering van CSBMs niet altijd vlekkeloos verlopen. Vroeg in de jaren
tachtig - toen de vakbond Solidariteit zich roerde in Polen - verschaften de landen van het
Warschaupact minder gegevens omtrent grote militaire oefeningen aan de grenzen met dat
land dan zij volgens de Slotacte van Helsinki hadden moeten doen. Dit heeft, indertijd, de
politieke spanningen verhoogd. CSBMs zijn toen gebruikt op een wijze die tegengesteld is
aan wat met deze maatregelen is beoogd, namelijk om achterdocht te zaaien en verwarring
te scheppen door het verstrekken van onvolledige informatie.19
Tegenwoordig worden de CSBMs uit het Weens Document van 1994 door de OVSE-staten
grosso modo volledig uitgevoerd. Dat geldt ook voor de maatregelen die enkele jaren zijn
ingevoerd, te weten de informatie-uitwisseling over defensieplanning, een van oorsprong
Nederlands initiatief, en de militaire samenwerking. De jaarlijkse informatie-uitwisseling
over de strijdkrachten en die over defensieplanning, zeker in combinatie, hebben de mili-
taire transparantie vergroot. In het algemeen leveren de landen van de OVSE de gegevens
op het afgesproken tijdstip. De uitvoering van het Weens Document wordt jaarlijks geëva-
lueerd. Dit biedt de deelnemende landen de mogelijkheid hun opvattingen over de uitvoe-
ring van CSBMs kenbaar te maken.
De tendens dat steeds minder omvangrijke militaire oefeningen worden aangemeld zet zich
voort. Dit is een gevolg van twee ontwikkelingen: in de eerste plaats wordt, in vergelijking
met de periode van de Koude Oorlog, op kleinere schaal en met kleinere eenheden geoe-
fend; in de tweede plaats wordt steeds meer met computersimulaties gewerkt. Dit heeft
ertoe geleid dat staten waarnemers voor oefeningen hebben uitgenodigd, waarvan de groot-
te lag beneden de vereiste drempel van het aantal manschappen. Niettemin is de AIV van
oordeel dat de mogelijkheid moet worden geschapen mobiele, snel verplaatsbare (en dus
offensief te gebruiken) eenheden intensiever aan CSBMs te onderwerpen. Daarom beveelt
18 ‘Because it [CSBMs] concentrates explicitly on what the other side can do rather than on what military quan-
tities it has at its disposal, this approach represents a fundamental change, a change from a focus on the mili-
tary input - men, tanks, missiles - to a focus on the military output - surprise attack, pre-emptive nuclear strike,
etc’. Zie C. Bertram - “The Future of Arms Control: Part II. Arms Control and Technological Change: Elements of
a New Approach”; Adelphi Paper 146 (London, IISS, 1978), p. 19.
19 Zie V.Y. Ghebali - ‘La diplomatie de la détente: la CSCE, d´Helsinki à Vienne (1973 - 1989)’ (Brussel,
Établissements Émile Bruylant, 1989), p. 159.
                                                         22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>hij de Nederlandse regering aan in de OVSE te bepleiten dat meer gedetailleerde informa-
tie wordt uitgewisseld en dat CSBMs worden voorgesteld, die het mogelijk maken oefenin-
gen van eenheden in de orde van grootte van 1000 a 1500 manschappen waar te nemen
(momenteel, onder voorwaarden, 3500).
Na de OVSE-top in Boedapest in 1994 heeft er niet veel schot gezeten in het overleg over
wapenbeheersing in de OVSE in Wenen. Op de top in Lissabon in december 1996 is daar-
om het belang van het onderwerp onderstreept door een agenda en kader voor wapenbe-
heersing te ontwerpen. Weliswaar worden hierin tal van onderwerpen aangeroerd, bijvoor-
beeld gebieden waarop nieuwe maatregelen kunnen worden ontwikkeld, uitdagingen en
risico’s, doelen en methoden e.d. Wat echter aan beide documenten ontbreekt is politieke
richting. Mogelijkerwijs zal de aanpassing van het CSE-verdrag hierin verbetering brengen.
Het lijkt geen toeval dat, nu de discussie over CSE aan intensiteit wint, ook meer voorstel-
len voor CSBMs worden gedaan, onder meer voor een maatregel voor militaire infrastruc-
tuur, alsmede één voor vliegtuigen. Het eerste voorstel beoogt nieuwe militaire infrastruc-
tuur en verbeteringen aan bestaande infrastructuur onder de informatievoorziening te
brengen en deze te onderwerpen aan een vorm van verificatie. Het tweede voorstel heeft
tot doel informatie uit te wisselen over transport-, tanker- en waarnemingsvliegtuigen (voor-
al AWACS). De AIV steunt deze beide voorstellen, niet alleen omdat ze bijdragen aan de
openheid en transparantie, maar ook omdat ze de aanpassing van het CSE-verdrag aan-
vullen.
Het Open Skies-verdrag, ondertekend in maart 1992, is een CSBM op zich. Het biedt de
verdragspartijen de gelegenheid boven elkaars grondgebied waarnemingsvluchten uit te
voeren. Over de waargenomen militaire opstellingen wordt aan de overige verdragspartijen
gerapporteerd. Tot nog toe zijn alleen proefvluchten uitgevoerd, aangezien de Russische
Federatie, Oekraïne en Wit-Rusland het verdrag nog niet hebben geratificeerd. Om de uit-
voering van waarnemingsvluchten dichterbij te brengen, zijn in de onderhandelingen in
Wenen twee gedachten naar voren gebracht, namelijk om het Open Skies-(ontwerp)verdrag
te wijzigen in een CSBM of om het op te nemen in het verificatieprotocol van het CSE-
verdrag. De AIV heeft een voorkeur voor de eerste gedachte, al was het maar omdat dan
een ruimere kring van landen aan de uitvoering van Open Skies-vluchten kan deelnemen.
Aan de tweede gedachte kleeft enig risico, aangezien de drie genoemde staten ook partij
zijn bij het CSE-verdrag. Opname in het verificatieprotocol zou de aanpassing van het CSE-
verdrag kunnen bemoeilijken.
                                              23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>III      DE VERSPREIDING VAN EN HANDEL IN LICHTE WAPENS:
         EEN WERELDWIJD PROBLEEM
III.1    INLEIDING
De internationale gemeenschap lijkt in toenemende mate te worden geconfronteerd met
gruweldaden. Bruutheid van optreden, onbeheerst geweldgebruik en regelrechte terreur zijn
aan de orde van de dag. De namen van landen als Somalië, Sri Lanka, Bosnië-Herzegovi-
na, Rwanda, de Democratische Republiek Congo (voorheen Zaïre), Algerije e.a. zijn hiermee
de laatste jaren onverbrekelijk verbonden. Het optreden kan geschieden uit naam van de
overheid (leger, politie, speciaal gevormde veiligheidsdiensten, huurlingen) of uit naam van
groeperingen die het gezag van de overheid betwisten. Vaak is echter onduidelijk wie of wel-
ke groepering verantwoordelijk is voor de gepleegde gruwelen. Tegen deze achtergrond is
het streven de beschikbaarheid en het gebruik van lichte wapens terug te dringen, urgent
geworden. Maatregelen op dit gebied kunnen deel uitmaken van vredesregelingen of wapen-
stilstandovereenkomsten.
Vanzelfsprekend dient ook hier onderscheid te worden gemaakt tussen de oorzaken die aan
conflicten ten grondslag liggen en de middelen die partijen ter beschikking staan om con-
flicten uit te vechten. Het laatste is een vraagstuk van wapenbeheersing; het eerste ver-
onderstelt een bredere benadering dan vraagstukken van wapenbeheersing alleen. Wapen-
beheersing kan weliswaar enigszins helpen de stroom lichte wapens in te dammen, maar is
niet bestand, zomin als vredesregelingen of wapenstilstandovereenkomsten dat zijn, tegen
de centrifugale krachten of gewelddadige anarchie voortkomend uit botsende belangen en
vijandschap. Gezien de urgentie van de problematiek en het onmiskenbare verband tussen
de beschikbare middelen en de wijze waarop conflicten worden beslecht, wordt hieronder,
voortbouwend op I.2.2.3, kort ingegaan op de omstandigheden waarin de verspreiding en
het gebruik van lichte wapens veelal plaatsvinden.
III.2    LICHTE WAPENS EN CONFLICTEN
Aan het gebruik van lichte wapens, met name in landen van de Derde Wereld maar daar
niet alleen, liggen veelal conflicten ten grondslag om de staatsmacht. Staten waarin zich
deze conflicten voordoen, worden wel aangeduid als “failed states”. Ook wordt wel gespro-
ken van ‘complex emergencies’ of van situaties van ‘half peace/half war’. Waar het hier om
gaat, is de gewelddadige desintegratie van staten, die gepaard kan gaan met terreur. Deze
staten worden met uiteenvallen bedreigd onder invloed van binnenlandse conflicten, waar-
van de gevolgen over de bestaande staatsgrenzen heen kunnen reiken. Nationaal besef is
geen vaststaand gegeven, dat bij proclamatie in nieuwe staten opbloeit. Het moet zich in
de loop van de tijd ontwikkelen. Als de vorming van naties als ontwikkelingsprocessen kun-
nen worden gezien, geldt dat ook voor de vorming van staten. Van naties kan worden
gesproken als regeerders en geregeerden, verschillende sociale strata en uiteenlopende
regio’s binnen een staat, zó naar elkaar zijn toegegroeid dat ze wel gedwongen zijn rekening
met elkaar te houden en zich een politieke gemeenschap vormt. Van staten kan worden
gesproken als hieraan de organisatievorm wordt verbonden van een centraal gezag met een
effectief gemaakte aanspraak op het legitiem gebruik van geweld. Het niveau van staats-
en natievorming kan verschillen, en daarmee de mate van cohesie en stabiliteit.
De vorming van staten en naties is zowel een ongepland sociaal proces als bewuste poli-
tiek. Zolang de machtsverhoudingen zeer ongelijk zijn en de centrale staatsmonopolies in
handen zijn van een bepaald(e) regime-elite, clan of bevolkingsgroep, is de stabiliteit van
                                              24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>de staat die van de kerker. Zodra ontsnapping daaruit mogelijk is, moet dit haast wel tot
geweld leiden. Waar de overheid onvoldoende gezag heeft kunnen opbouwen en niet over
de middelen beschikt om zich op het gehele grondgebied te laten gelden, heerst een insta-
biele politieke situatie waar invoer en aanwezigheid van (lichte) wapens al snel over kunnen
gaan in werkelijk gebruik. Juist waar de overheid ‘zwak’ is, is de kans des te groter dat de
grenzen poreus zijn, waardoor de illegale wapenhandel kan bloeien, niet zelden mede bevor-
derd door corruptie in het overheidsapparaat. De oppositionele groepen die zich kunnen
bewapenen, schuwen de confrontatie niet (langer) en proberen steeds grotere groepen bur-
gers hun wil op te leggen, waarbij in de regel het direct economisch gewin net zo’n grote
rol speelt als het vestigen van gezag. Bij gebrek aan bescherming van de overheid pogen
gemeenschappen van burgers en individuele burgers op hun beurt zich te beschermen door
de aanschaf van wapens. De cirkel is rond als de overheid vervolgens strijdkrachten en/of
huurlingen inzet om haar gezag te herstellen, c.q. te vestigen. Van economische ontwik-
keling kan in deze gevallen geen sprake zijn, wat de strijd om de schaarse middelen van
bestaan alleen maar verhevigt.
Maar dat is het slechtste geval. De meeste nieuwe staten zijn verder ontwikkeld. Drie
aspecten zijn daarbij van belang: a) er kan continuïteit bestaan tussen postkoloniale staten
en voor het koloniale tijdperk al bestaande dynastische staten (voorbeelden zijn Vietnam,
Egypte, Turkije en China); b) de ontwikkeling van koloniale staten kan een redelijk hechte
grondslag bieden aan postkoloniale staten (voorbeelden zijn India en Indonesië); c) een alle
bevolkingsgroepen omvattende nationale bevrijdingsbeweging kan zijn sporen hebben ach-
tergelaten. Waar deze kenmerken zich niet voordoen of slechts zwak aanwezig zijn, is de
staat fragiel en kan er nog nauwelijks van het begin van een natie worden gesproken. Dit
maakt het begrijpelijk waarom de vatbaarheid voor de bovenomschreven desintegratie in
Afrika ten Zuiden van de Sahara zo groot is. Anders dan in Azië is aspect a) er afwezig,
aspect b) heeft er te kort geduurd, terwijl de Afrikaanse koloniën hun onafhankelijkheid
relatief makkelijk hebben gekregen (aspect c).
De gewelddadige desintegratie van staten is van buitenaf moeilijk te voorkomen. De gru-
welen kunnen evenwel een dusdanige omvang aannemen dat berusting niet is te recht-
vaardigen. De effecten van staats- en natievorming kunnen conflictvoorkomend werken,
maar deze doen zich vanzelfsprekend pas op de zeer lange termijn voor. Staats- en natie-
vorming vergen in elk geval politiek-maatschappelijke coalities die de staat boven groeps-
belangen uittillen en deze proberen te maken tot een instrument van veiligheid en recht-
vaardige verdeling voor alle inwoners van het land in kwestie. De "good governance"
benadering, als deel van het beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, speelt
hierop in. Het gevaar bestaat wel dat steun aan staatsvorming - bijvoorbeeld door het ver-
sterken van politie of hulp aan het justitiële apparaat of aan het gevangeniswezen - bete-
kent dat steun wordt verleend aan een onderdrukkend regime. Dit zijn voor ontwikkelings-
samenwerking bekende dilemma’s, die wapenbeheersing ruim te boven gaan.20 Beleid van
buitenaf in ‘failed states’ zou zich in de eerste plaats moeten richten op het scheppen van
de voorwaarden voor het overbruggen van tegenstellingen op andere dan gewelddadige wij-
ze. Wapenbeheersing op het gebied van lichte wapens mag niet voorbij gaan aan deze rui-
mere politieke, sociale en economische context waarin ze gestalte krijgt en dient van een
beleidsmatige inbedding te worden voorzien. Zo’n aanpak wordt in het huidige beleid aan-
geduid als een geïntegreerde benadering, waarin zowel de vraag naar lichte wapens (ingrij-
pen in de politieke omstandigheden) als het aanbod (wapenbeheersing) moet worden terug-
gedrongen.
20 Zie de nota's 'Een wereld in geschil' en 'Humanitaire hulp tussen conflict en ontwikkeling' (beide 1993),
Ministerie van Buitenlandse Zaken, Voorlichtingsdienst Ontwikkelingssamenwerking, Den Haag, Sdu.
                                                     25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Voor het oog lijkt het gebruik van lichte wapens zich te beperken tot landen en regio’s van
de Derde Wereld. De geïndustrialiseerde landen zien zich als gevolg hiervan geconfronteerd
met knellende humanitaire vraagstukken. Daarnaast is in een aantal landen in Europa, door
de revolutionaire omwentelingen in de periode 1989 - 1991, het beheer van de bewape-
ning, en zeker van de lichte wapens, ernstige gebreken gaan vertonen. Dit heeft de illega-
le handel in lichte wapens zeer gestimuleerd, waarbij zich bovendien raakvlakken hebben
ontwikkeld tussen de illegale handel in lichte wapens en wereldwijde criminaliteit en ter-
rorisme. Dezelfde omwentelingen zijn er de oorzaak van dat in Europa binnenlandse con-
flicten zijn opgelaaid, waarin lichte wapens zijn (worden) gebruikt. De problematiek van lich-
te wapens doet zich derhalve wereldwijd gelden. Voor een doeltreffende aanpak is
internationale samenwerking geboden.
III.3       LICHTE WAPENS
Zoals aangegeven in I.2.2.3 is vooral in kringen van de Verenigde Naties aandacht gevraagd
voor het vraagstuk van de lichte wapens. De Verenigde Naties hebben in dit kader een werk-
groep van deskundigen ingesteld, die in augustus 1997 een rapport heeft uitgebracht.21
Dit rapport bevat tal van aanbevelingen die zijn gericht tot de (regeringen van) lidstaten van
de Verenigde Naties. Enige tijd geleden is bij de Verenigde Naties het voornemen opgeko-
men een groep van geïnteresseerde staten op te richten, die zich, onder leiding van de
secretaris-generaal, zal buigen over maatregelen om de beschikbaarheid en het gebruik van
lichte wapens terug te dringen. Inmiddels is ook de belangstelling van niet-gouvernemen-
tele organisaties gewekt. Deze zullen de politieke dynamiek die de geslaagde anti-perso-
neel mijnen campagne door hun toedoen heeft gekregen, als inspirerend voorbeeld
beschouwen.
Lichte wapens vormen een speciale categorie conventionele wapens. Het zijn wapens die
kunnen worden gedragen en gebruikt door individuen of worden gemonteerd op lichte, niet-
militaire voertuigen. Ze zijn in het algemeen weinig geavanceerd, eenvoudig te bedienen,
vergen weinig onderhoud en ze zijn relatief makkelijk te vervoeren en te verkrijgen. Onder
de categorie lichte wapens vallen onder meer bazooka’s, draagbare mortieren, draagbare
anti-vliegtuig raketten, mijnen, handgranaten, machinegeweren, (automatische) geweren,
karabijnen en munitie.22 Sinds de volkerenmoord in Rwanda heeft laten zien wat met
ermee kan worden aangericht, worden kapmessen, speren en knuppels ook wel tot de lich-
te wapens gerekend. Lichte wapens zijn nauwelijks onderworpen aan internationale ver-
dragen of afspraken. Voor bepaalde soorten munitie, (dumdumkogels) opgenomen in het
Conventionele Wapenverdrag van 1980 en de anti-personeel mijnen in het verdrag van
Ottawa van december 1997, ligt dat anders.
De beschikbaarheid van lichte wapens is onder meer terug te voeren op de handel in nieuw
geproduceerde wapens. Dit is het bekende patroon van produktie en leveranties aan afne-
mers (export), waarbij kan worden opgemerkt dat lichte wapens in steeds meer landen wor-
den geproduceerd. Belangrijker echter is de circulatie van lichte wapens, die zich vaak van
het ene conflict naar het andere kunnen begeven door de handel in gebruikte wapens. Zul-
ke transacties kunnen voor de aanbieders zeer winstgevend zijn. Juist omdat het aantal
21 ˝Report of the Panel of Governmental Experts on Small Arms”, document A/52/298, 27 augustus 1997.
22 Zie voor deze opsomming Henny J. Van der Graaf (1995).’Proliferatie van lichte wapens: een verloren
strijd?’ - (Transaktie, jrg. 24, nr. 3), p. 326. In het Engels worden "small arms" bovendien nog onderscheiden van
"light weapons"; de eerste zijn de machinegeweren, (automatische) geweren e.d., de tweede de mortieren, anti-
vliegtuigraketten e.d. In dit advies wordt voor al deze soorten wapens de term lichte wapens gebruikt.
                                                            26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>aanbieders groot is en (een deel van) de transacties zich in het illegale circuit (afspeelt)
afspelen, is deze handel moeilijk tegen te gaan. Binnenlandse produktie en opknapbeurten,
legale importen, illegale handel en voorraden gebruikte lichte wapens zijn bronnen waaruit
in de vraag naar lichte wapens kan worden voorzien. Daarbij komt dat diefstal van rege-
ringsvoorraden voor niet-statelijke actoren een profijtelijke voorziening van lichte wapens
betekent.23
Beheersing van lichte wapens heeft de volgende kenmerken, die haar onderscheidt van
wapenbeheersing op ander gebied:
1) De categorie lichte wapens kan niet in haar geheel worden geëlimineerd, zoals bijvoor-
     beeld met categorieën massavernietigingswapens is gebeurd. Daarvoor is deze cate-
     gorie wapens ook te verscheiden. Ook plafonds of vertrouwenwekkende maatregelen
     worden zelden toegepast, aangezien het bezit van kleine wapens daarvoor te wijd ver-
     breid is. Wel kan worden geprobeerd de typen wapens te beperken die onaanvaardbaar
     leed veroorzaken of die het meest destabiliserend zijn. Het Ottawa-verdrag over anti-
     personeel mijnen is een voorbeeld van het uitbannen van een type van bewapening op
     grond van het leed dat deze veroorzaakt;
2) Het treffen van maatregelen die de verspreiding van deze categorie wapens beogen te
     controleren, is aanzienlijk ingewikkelder dan andere maatregelen op het gebied van
     wapenbeheersing. Dat komt niet alleen omdat er aanzienlijke voorraden lichte wapens
     bestaan, maar ook omdat er veel (legale) handel is in nieuwe wapens, die bovendien in
     steeds meer landen worden vervaardigd. Daarnaast is er de clandestiene handel. Het
     tegengaan daarvan komt neer op criminaliteitsbestrijding;
3) Het treffen van maatregelen betekent dat ook niet-statelijke actoren in het wapenbe-
     heersingsproces moeten worden betrokken. Dit kan worden opgevat als het verschaffen
     van politieke legitimiteit aan de betreffende niet-statelijke actor en de doelstellingen die
     deze nastreeft. Dit kan een extra politieke complicatie vormen om wapenbeheersing op
     gang te brengen, in het bijzonder in ‘failed states’;
4) Lichte wapens zijn naar in verhouding klein. Dit bemoeilijkt de verificatie van afspraken
     en overeenkomsten. Immers, het volgen van wapens (monitoring, detectie) die relatief
     makkelijk zijn te verbergen, is een proces dat veel tijd, energie en mankracht, en dus
     geld, kost, zeker als sprake is van groot wantrouwen bij de partijen die bij de afspraken
     en overeenkomsten zijn betrokken. En, zoals hiervoor is beschreven, geld is er in het
     algemeen niet, wantrouwen echter in overvloed.
III.4    MAATREGELEN OM DE BESCHIKBAARHEID EN HET GEBRUIK VAN LICHTE
         WAPENS TERUG TE DRINGEN
III.4.1 Algemene maatregelen
Aan wapenbeheersing op het gebied van lichte wapens worden bijzondere vereisten
gesteld. In de eerste plaats wegens de aard van de wapens waardoor maatregelen moe-
ten worden getroffen, die verschillen van die van andere vormen van conventionele wapen-
beheersing. In de tweede plaats dient de wapenbeheersing te worden ingebed in en afge-
stemd op 'bredere' politieke maatregelen. Deze aanpak komt overeen met bestaand beleid
23 Bonn International Center for Conversion (1996). The New Field of Micro Disarmament, pp. 14, 15.
                                                    27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>bekend als de geïntegreerde benadering.24 In het kader van wapenbeheersing kunnen de
volgende doelstellingen worden onderscheiden: a) het terugdringen van de beschikbaar-
heid, de verspreiding en het gebruik van lichte wapens; b) het bijdragen aan de (binnen-
landse of regionale) veiligheid en orde door de ontwapening en demobilisatie van strijders
en door het bevorderen van hun reïntegratie in de maatschappij; c) het helpen scheppen
van (politieke, maatschappelijke) voorwaarden voor het overbruggen van tegenstellingen op
andere dan gewelddadige wijze (onder meer door de vorming van instituties).25
In dit advies over conventionele wapenbeheersing ligt de nadruk op a), het terugdringen van
de beschikbaarheid, de verspreiding en het gebruik van lichte wapens. Dit kan onder meer
worden bereikt door middel van wapeninzameling en -opslag, opkoopprogramma's en ver-
nietiging. Voor het opkopen van wapens hebben de Verenigde Naties overigens niet vol-
doende geld beschikbaar. Binnen de Verenigde Naties wordt ervan uitgegaan dat door het
opkopen en inzamelen zo’n 60% van het arsenaal aan kleine wapens uit de markt kan wor-
den genomen. In sommige gevallen hebben de betrokken landen nationale commissies
opgericht die moeten toezien op de inzameling en het beheer van de wapens. Doel is te
komen tot een betere coördinatie, waarbij politie, douane en leger zich gezamenlijk inspan-
nen om het probleem van de illegale wapens aan te pakken. Hulp gegeven in dit verband
richt zich vaak op het versterken van de genoemde overheidsorganen met taken op het
gebied van interne en externe veiligheid.
De AIV bepleit dat deze vorm van hulpverlening (verder) wordt versterkt, waarbij er zoveel
mogelijk naar moet worden gestreefd dat ze in samenwerking tussen de ministeries voor
Ontwikkelingssamenwerking, Binnenlandse Zaken en Defensie wordt verstrekt. In het ver-
band van wapenbeheersing zou, in die gevallen waar versterking van de staatsstructuren is
geboden, de nadruk moeten liggen op steun bij het opleiden van het kader voor leger, poli-
tie en douane, waarbij een professionele uitvoering van de taken voorop staat. In de oplei-
ding dient, naast de professionele vereisten, aandacht te worden geschonken aan de rech-
ten van de mens en de beginselen van de rechtsstaat. Voorwaarde voor deze hulpverlening
is dat leger, politie en douane onder burgerlijk politiek gezag zijn gebracht en daar ook wer-
kelijk verantwoording aan afleggen. Met behulp van de opbouw van deze instituties kan de
illegale produktie en de smokkel van lichte wapens worden teruggedrongen. Een volgende
stap zou kunnen zijn de ondersteuning van regionale, grensoverschrijdende samenwerking
tussen leger, politie en douane, teneinde voor dit doel de krachten te bundelen.
In het kader van reïntegratieprogramma’s dient aan (voormalige) deelnemers aan de gewa-
pende strijd een alternatief te worden geboden voor hun bestaan als gewapende strijder.
Hulp in de vorm van economische en educatieve ondersteuning is wezenlijk omdat anders
24 Minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking is in zijn speech voor de Tweede Commissie van de Alge-
mene Vergadering van de Verenigde Naties in oktober 1996 uitgebreid ingegaan op de hulp die kan worden gebo-
den aan door oorlog en crises ontwrichte maatschappijen. Hij heeft bepleit dat preventieve diplomatie, politieke
bemiddeling en humanitaire hulpverlening, alsmede sociale actie, economische alternatieven en culturele com-
municatie in één benadering dienen te worden geïntegreerd. Alhoewel deze geïntegreerde benadering in de
Verenigde Naties en Nederland breed wordt gesteund, kent deze benadering ook belemmeringen. Deze doen zich
voor in het geval van wapenbeheersing, als ook in het geval van humanitaire hulp. In een later dit jaar te ver-
schijnen advies over humanitaire hulpverlening zal de AIV ingaan op de problemen van deze benadering en de
wijze waarop deze gestalte zou kunnen krijgen.
25 Zie voor een vergelijkbare benadering, waarin ook demobilisatie en reïntegratie centraal worden gesteld:
Development Assistance Committee (1997): DAC Guidelines on Conflict, Peace and Development Cooperation
(Paris, OECD/OCDE).
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>alleen alternatieven als werkeloosheid en armoede overblijven. Op individueel niveau biedt
het deel uitmaken van een strijdgroep en de daarbij behorende bewapening een bron van
inkomsten (ongereguleerde tolheffing, roof, plundering) die niet snel uit eigen beweging
wordt opgegeven. Zeker niet als, zoals in Angola, de financiën van de Verenigde Naties niet
toereikend zijn om de demobilisatie en reïntegratie volledig uit te voeren. Het afbreken van
dergelijke programma’s kan voor de betrokkenen desastreuze gevolgen hebben.26
Ook in die gevallen waarin een politieke oplossing binnen handbereik lijkt, kunnen proble-
men rond de wapenbeheersing en ontwapening onoverkomelijke complicaties scheppen.
Omdat de overheid zwak is, blijft voor oppositionele groeperingen bewapening een aan-
trekkelijk machtsmiddel, waarvan niet snel afstand zal worden gedaan. De geïntegreerde
benadering kan helpen de voorwaarden te scheppen die dergelijke groeperingen ertoe kun-
nen brengen de bewapening (bij een bemiddelende instantie) in beheer te geven.
III.4.2 Het terugdringen van lichte wapens
In het algemeen steunt de Nederlandse regering de inspanningen van de Verenigde Naties
gericht op het beheersen van het probleem van lichte wapens. De hieruit voortvloeiende
activiteiten worden onder meer gefinancierd uit de begroting voor Ontwikkelingssamenwer-
king, terwijl het ministerie van Defensie deskundigen (vooral voor het opleiden van mijnen-
ruimers) ter beschikking stelt. Bovendien heeft Nederland in de Europese Unie het initiatief
genomen tot het, inmiddels in de Europese Unie aanvaarde programma ter voorkoming en
bestrijding van de illegale handel in conventionele wapens. Het is zaak dit programma ver-
der te (blijven) ontwikkelen, bij voorkeur in de richting van juridisch bindende afspraken, waar-
bij, behalve de tweede pijler van de Europese Unie betreffende het GBVB, ook de pijler voor
Binnenlandse Zaken en Justitie moet worden betrokken. Tegen deze achtergrond beveelt de
AIV bovendien aan dat de Nederlandse regering een nationale commissie instelt om zeker te
stellen dat vanuit Nederland geen illegale handel en door Nederland geen doorvoer van con-
ventionele wapens geschiedt. Hiervan dienen in elk geval de BVD (het ministerie van
Binnenlandse Zaken), MID (het ministerie van Defensie) CRI (het ministerie van Justitie),
douane (het ministerie van Financieën), ECD, het ministerie van Economische Zaken en het
ministerie van Buitenlandse Zaken deel uit te maken. Doel is het uitwisselen van algemene
en op den duur operationele informatie en de coördinatie van de Nederlandse inbreng in
internationaal overleg, onder meer, zoals boven aangegeven, in de Europese Unie.
De steun van de Nederlandse regering aan de activiteiten van de Verenigde Naties (inza-
meling, opslag en, indien de partijen dit toestaan, vernietiging van de lichte wapens, demo-
bilisatie en reïntegratie in de maatschappij van voormalige strijders) dient te worden voort-
gezet. De Nederlandse regering kan er bovendien aan bijdragen dat deze activiteiten
voldoende politieke aandacht (blijven) krijgen, zodat wordt voorkomen dat de Verenigde
Naties deze programma’s niet in hun geheel kunnen uitvoeren wegens onvoldoende finan-
ciering, zoals in het recente verleden enkele malen is gebeurd.
De AIV is van oordeel dat onderzocht zou moeten worden op welke wijze de produktie en
handel in lichte wapens op de lange termijn kunnen worden opgenomen in bestaande
afspraken en mechanismen op het gebied van conventionele wapenbeheersing en export-
controle. Daarvoor dient het nodige voorbereidende werk te worden verricht en politieke
26 Iets dergelijks is ook in Somalië gebeurd, waardoor ‘the entire program had the effect of punishing those
compliant segments of the population, some of whom fell victim to gangs because they had been dispossessed
of their weapons’. Clement Adibe (1995), Managing Arms in Peace Processes: Somalia. Geneva, United Nations
Institute for Disarmament Research, pp. 104-105.
                                                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>tegenstand te worden overwonnen. Daarom beveelt de AIV aan de problematiek van de
beheersing van lichte wapens te bespreken in de ’Conference on Disarmament’ in Genève
(CD). Zeker nu het voornemen bestaat de anti-personeel mijnen in de CD aan de orde te
stellen (zie onder), ligt een verbreding van de discussie naar de gehele categorie van lich-
te wapens in de rede.27 Bij de besprekingen in de CD dient te worden nagegaan bij welke
van de bestaande mechanismen en afspraken lichte wapens kunnen worden onderge-
bracht. Het wapenregister van de Verenigde Naties en het Wassenaar-arrangement, die bei-
de in volgende hoofdstukken zullen worden behandeld, lijken op termijn hiervoor het meest
in aanmerking te komen. Deze functioneren momenteel naar verwachting en beschikken
over de potentie zich verder te ontwikkelen. Het streven nu al lichte wapens op te nemen
zou daarentegen het functioneren van het wapenregister van de Verenigde Naties of van het
Wassenaar-arrangement in gevaar kunnen brengen. Om die reden bepleit dat de AIV dat
eerst het benodigde (politieke en diplomatieke) voorwerk in de CD wordt verricht.
Het terugdringen van de verspreiding en handel in lichte wapens is niet een zaak van de
korte adem. Daarvoor zijn de hoeveelheden wapens in omloop gewoonweg te groot. Hun
herkomst is nu in het algemeen in nevelen gehuld, zeker doordat de handel in gebruikte
lichte wapens zo wijd verbreid is. De AIV beveelt aan in Nederland te onderzoeken op wel-
ke wijze het technisch uitvoerbaar is een merkteken op nieuw geproduceerde lichte wapens
aan te brengen, op zo'n wijze dat de herkomst is te achterhalen. Dit is een noodzakelijke
stap die moet worden gezet om registratie van export en verificatie van andere afspraken,
in de toekomst haalbaar en betrouwbaar te maken. Deel van de studie moet zijn op welke
wijze een gegevensbestand tot stand kan worden gebracht. Deze aanpak biedt evenwel
geen oplossing voor de grote hoeveelheden gebruikte lichte wapens die thans in omloop
zijn. Niettemin zou kunnen worden nagegaan of het aanbrengen van een merkteken ook
technisch uitvoerbaar is voor gebruikte wapens, namelijk in die gevallen waarin de
Verenigde Naties of andere instanties lichte wapens inzamelen. Een betrouwbare vorm van
registratie kan de drempel verlagen voor de strijdende partijen om hun wapens aan een
bemiddelende instantie toe te vertrouwen.
Een mogelijkheid om het gebruik van lichte wapens terug te dringen, wordt misschien
gevormd door het beperken van het aanbod van munitie voor deze wapens. Munitie kan, in
tegenstelling tot de wapens, slechts één keer worden gebruikt. In die zin vormt munitie de
brandstof van de gevechtshandelingen. Bovendien is voor het vervaardigen van betrouwba-
re munitie een zekere industriële capaciteit vereist, meer althans, zo lijkt het, dan voor het
vervaardigen van lichte wapens. Het aantal producenten is volgens Jane’s Ammunition
Handbook 170, waarvan er zich 25 in ontwikkelingslanden bevinden.28 (Landen als China,
India en Indonesië zijn bij deze telling tot de ontwikkelingslanden gerekend.) Deze 170
producenten vervaardigen overigens een zeer grote variëteit aan soorten munitie voor lich-
te wapens. Om te kunnen beoordelen of het beperken van het aanbod van munitie voor
lichte wapens mogelijk is, is het bovendien nodig over kwantitatieve gegevens over de voor-
27 De AIV is zich ervan bewust dat de besprekingen in de CD momenteel moeizaam verlopen. Niettemin lijkt
het het aangewezen forum om te onderzoeken welke politieke mogelijkheden er bestaan voor maatregelen op
het gebied van lichte wapens. De koppeling van besprekingen aan resultaten op het gebied van nucleaire ont-
wapening, door enkele landen gebruikt om de overige leden van de CD onder druk te zetten, hoeft hiervoor geen
beletsel te vormen.
28 Hiervoor is geraadpleegd de ‘Manufacturers index’ van Jane's Ammunition Handbook 1997-1998 (London,
1997), pp. 587 - 594; zie ook Terry J. Gander (1997). Jane's Infantry Weapons 1997-1998 (Coulsdon,
UK/Alexandria, UK), pp. 437 e.v. Het Sipri jaarboek bevat nauwelijks informatie over munitie, zie bijvoorbeeld
wel het Sipri jaarboek van 1982, pp. 447 - 453.
                                                     30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>raden munitie te beschikken. Openbare bronnen bieden hierover geen uitsluitsel, zoals het
meer in het algemeen moeilijk is om gegevens over de produktie en het gebruik van muni-
tie te verkrijgen. Om die reden onthoudt de AIV zich van een concrete beleidsaanbeveling
op dit vlak, maar vraagt de regering wel te onderzoeken of door het beperken van het aan-
bod van munitie het gebruik van lichte wapens kan worden teruggedrongen.
III.4.3 Het verbod op anti-personeel mijnen
Het verdrag van Ottawa, gesloten in december 1997, vormt een bijzonder geval van wapen-
beheersing op het gebied van de lichte wapens. Dit verdrag bevat een verbod op de pro-
duktie, het bezit, het gebruik, doorverkoop en export van anti-personeelmijnen. Voort-
bouwend op de in de wereld van de niet-gouvernementele organisaties begonnen anti-per-
soneel mijnen campagne, heeft de regering van Canada in oktober 1996 opgeroepen tot
een wereldwijd verbod. In slechts anderhalf jaar is het verdrag van Ottawa tot stand
gebracht. Het leed dat deze wapens toebrengen aan burgers en de omvang die dit huma-
nitaire probleem de afgelopen jaren heeft aangenomen, waren voldoende om regeringen en
niet-gouvernementele organisaties tot snel handelen te bewegen. Ondanks de gecombi-
neerde inspanningen van de Verenigde Naties, van individuele staten waaronder Nederland,
en de hulp van niet-gouvernementele organisaties, geschiedt het leggen van anti-personeel
mijnen nog steeds in een hoger tempo dan het ruimen. Dit heeft aan de onderhandelingen
een urgentie verleend die heeft bijgedragen aan de deelname van meer dan 100 landen en
het groeien van een brede consensus over het verbod op anti-personeel mijnen. Een aan-
tal belangrijke producenten van anti-personeel mijnen heeft evenwel het verdrag van Otta-
wa niet ondertekend. Daaronder bevinden zich onder andere de Russische Federatie en
China, maar ook de Verenigde Staten die echter wel sinds 1992 een exportmoratorium in
acht nemen. Ook kent het verdrag geen voorzieningen voor deelname van niet-statelijke
actoren, terwijl bekend is dat ook deze zich van het wapen van de anti-personeel mijnen
bedienen.
Australië heeft voorgesteld het exportverbod op anti-personeel mijnen in de CD aan de orde
te stellen. Deze gedachte heeft in Nederland tot nog toe op weinig steun kunnen rekenen
wegens de vrees dat het resultaat van de besprekingen in de CD de norm van het verdrag
van Ottawa zal verzwakken. Dit gevaar bestaat inderdaad, tenzij in de CD de norm van Otta-
wa, een wereldwijd verbod op anti-personeel mijnen, als einddoel wordt aanvaard.
Zeker voor die landen die er wel aan hebben bijgedragen dat de rol van anti-personeel mij-
nen is teruggedrongen, acht de AIV het wenselijk dat zij zich op één of andere wijze kunnen
verbinden met het Ottawa-proces zonder de norm van een algeheel verbod van anti-perso-
neel mijnen te verzwakken. Hierbij zou kunnen worden gedacht aan het scheppen van de
mogelijkheid van het hechten van unilaterale verklaringen van de betreffende landen, waar-
onder de Verenigde Staten, aan het verdrag van Ottawa. Op deze wijze wordt de norm ver-
breid en worden politieke verschillen overbrugd. De AIV beveelt bij de Nederlandse regering
aan in internationaal overleg te bepleiten dat deze mogelijkheid wordt geschapen. Boven-
dien gaat de AIV een stap verder en beveelt aan, zoals hiervoor beargumenteerd, dat de
Nederlandse regering bevordert dat niet alleen de anti-personeel mijnen, maar de gehele
problematiek van lichte wapens in de CD aan de orde wordt gesteld.
                                             31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>IV        WAPENEXPORT EN EXPORTCONTROLES
IV.1      WAPENEXPORT ALGEMEEN
Op de internationale markt voor conventionele wapens is in 1996 meer dan 20 miljard dol-
lar omgezet. Op het gebied van conventionele wapens is de Verenigde Staten de grootste
exporteur, gevolgd door de Russische Federatie en Frankrijk.29 In de eerste helft van de
jaren negentig is de handel in conventionele wapens met ongeveer de helft verminderd in
vergelijking met het midden van de jaren tachtig. Sinds het einde van de Koude Oorlog is
er veel ongebruikte productiecapaciteit en worden er veel overtollige voorraden, meren-
deels verouderde wapens aangeboden. Dit heeft de verhoudingen op de markt zeer com-
petitief gemaakt. Dit bemoeilijkt het stellen van voorwaarden aan wapenexporten en -leve-
ranties. Immers, aan de vraagzijde bestaan veel opties voor het betrekken van wapens.
Deze concurrentie tussen de exporteurs van wapens geeft de importeurs sterke troeven in
handen bij de bepaling bij welke bedrijven uit welke landen orders te plaatsen. Een duide-
lijk voorbeeld is Turkije dat lijsten heeft opgesteld van landen waaruit het wel, liever niet,
of helemaal niet zijn wapens wenst te betrekken. Azië en het Midden-Oosten zijn momen-
teel belangrijke regio’s voor de invoer van wapens, waarbij China, Zuid-Korea, Koeweit,
Taiwan en Saoedi-Arabië de landen zijn die bijna de helft van de wapenimport, bestemd voor
deze regio’s, voor hun rekening nemen. Overigens wordt verwacht dat door de economische
crisis in Oost-Azië de vraag naar wapens in deze regio zal afnemen, wat voor de defensie-
industrie, met name die in de Verenigde Staten, gevolgen zal hebben.
Hoewel het aandeel van de wapenexporten in de vorming van het BNP voor de betrokken
landen in het algemeen niet groot is, spreekt het voor zich dat deze export voor de bedrij-
ven in kwestie wel van groot commercieel belang is en, in vergelijking met de afzet op de
binnenlandse markt, bovendien een toenemende betekenis heeft. De defensie-industrie
maakt de laatste jaren een proces van herstructurering en rationalisatie door, dat in de Ver-
enigde Staten sneller verloopt dan in Europa. Zeer zichtbaar is daarbij de tendens tot con-
centratie, waardoor onder meer door fusies en het opkopen (van defensie-activiteiten) van
bedrijven, een beperkt aantal zeer grote defensiebedrijven overblijft. Door deze concentra-
tie van activiteiten, die overigens financieel wordt ondersteund door de Amerikaanse over-
heid, zijn er in de Verenigde Staten vier conglomeraten als marktleiders overgebleven
(Boeing, Lockheed Martin, Raytheon en Northrop Grumman), die ieder op zich vele malen
groter zijn dan de andere bedrijven in de sector. Deze grote bedrijven en conglomeraten
brengen geïntegreerde wapensystemen voort. In een ander deel van de defensiesector,
namelijk die van de toelevering van geavanceerde technologie en de electronica, doet deze
concentratietendens zich opvallend genoeg niet voor. Dit is een beweeglijke markt waarop
vooral kleine bedrijven activiteiten ontplooien. Deze leveren vooral componenten en onder-
delen van wapensystemen.
In Europa verloopt de herstructurering van de defensie-industrie aanmerkelijk langzamer.
Tot nog toe leek de strategie van bedrijven er vooral op gericht een zo groot mogelijk aan-
deel van de krimpende markt te veroveren. De recente plannen van drie, later zes Europe-
se landen, voor de vorming van een luchtvaartconcern lijkt een voorbode te vormen van wat
de Europese defensie-industrie te wachten staat. Er leven namelijk gedachten om hierin op
termijn ook defensieproduktie op te nemen.30 Bij de herstructurering van de defensie-
29 De hier vermelde gegevens zijn afkomstig uit het Sipri jaarboek 1997, p. 239, p. 240, tabel 8.1 (p. 241),
p. 244, tabel 8.4 (p. 247), p. 251, p. 267 en p. 274.
30 Op 9 december 1997, kondigden de leiders van de drie grote Europese mogendheden aan de vorming te →
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>industrie hebben regeringen alle belang. Het is immers moeilijk strategisch belangrijke ken-
nis en deskundigheid te behouden als de vraag naar de produkten van de defensie-indus-
trie krimpt. Deze afnemende vraag kan niet worden opgevangen door export alleen. Het
teruglopen van de uitgaven voor defensie binnen Europa heeft ertoe geleid dat de concur-
rentie om export-orders tussen de bedrijven uit landen van de Europese Unie is verhevigd.
Naast commerciële ontwikkelingen doen zich op de markt voor conventionele wapens ook
politieke ontwikkelingen voor die van belang zijn voor het voeren van een wapenexportbe-
leid. In verscheidene regio's wordt gestreefd naar regulering van de wapenimport. Thailand
en de Filippijnen hebben bijvoorbeeld opgeroepen tot grotere transparantie binnen de regio.
ASEAN heeft een regionaal wapenregister ingesteld, dat echter niet goed lijkt te functione-
ren. De Algemene Assemblee van de Organisatie van Afrikaanse Staten heeft, in juni 1997,
opgeroepen tot een systeem van aanmelding vooraf van te leveren wapensystemen die
moeten worden gemeld voor het wapenregister van de Verenigde Naties. Op de Bamako-
conferentie, in november 1996, heeft een groep staten in West Afrika (Mali, Tsjaad, Burki-
na Fasso, Ivoorkust, Mauretanië, Niger en Senegal) zich voorgenomen op het gebied van
veiligheid samen te werken, onder meer ten aanzien van de invoer of de onderlinge verkoop
van wapens, met inbegrip van lichte wapens. Harmonisatie van wetgeving en een onderling,
sub-regionaal wapenregister zijn de middelen die in de toekomst zouden moeten worden
gebruikt om de regulering van wapentransacties te bewerkstelligen. De Centraal-Ameri-
kaanse staten hebben in 1995 een ‘Verdrag voor Democratische Veiligheid’ getekend, dat
onder meer voorziet in de beperking en beheersing van wapens. Een deel van deze afspra-
ken is in 1997 uitgewerkt in de ‘Conventie tegen Illegale Wapens’ van Organisatie van Ame-
rikaanse Staten.
Een bijzonder geval vormen de unilaterale beperkingen voor leveranties van wapensyste-
men die de Verenigde Staten in acht hebben genomen tegenover Latijns-Amerika. De rege-
ring-Carter stelde in de jaren zeventig een verbod in op leveranties van onder andere
supersonische gevechtsvliegtuigen aan deze regio. Hierbij speelde de toendertijd zorgelijke
mensenrechten-situatie een belangrijke rol. De Verenigde Staten wilden niet de eersten zijn
die geavanceerde technologie in deze regio zou introduceren. Deze unilaterale Amerikaan-
se beperkingen zijn beëindigd door de regering Clinton in 1997 om de verkoop van geavan-
ceerde gevechtsvliegtuigen mogelijk te maken.
IV.2      HET NEDERLANDS WAPENEXPORTBELEID
Nederland voert een behoedzaam wapenexportbeleid. De lidstaten van de Europese Unie,
waaronder Nederland, hebben in het begin van de jaren negentig acht criteria vastgesteld
voor de toetsing van hun wapenleveranties.31 Deze criteria gelden zowel voor leveranties
zullen bevorderen van een Europees luchtvaartconcern, waarin British Aerospace, Farnborough, Daimler-Benz
Aerospace en Aerospatiale zullen opgaan. Het nieuwe concern zal de produktie van Airbus verzorgen, waarna het
in een tweede ronde de Italiaanse, Spaanse en Zweedse luchtvaartindustrie zou opnemen. Er leven ook gedach-
ten om hierin militaire produktie op te nemen. Blijkens uitspraken van de Franse minister van Defensie, Alain
Richard, zal dit op termijn moeten leiden tot verdere afstemming van wapenexporten tussen de deelnemende lan-
den. Defense News 15-21 Dec. 1997, 20.
31 De acht criteria van het wapenexportbeleid zijn: 1) Naleving van de internationale verplichtingen van de lid-
staten van de Gemeenschap, met name door de VN-Veiligheidsraad en/of de Gemeenschap uitgevaardigde sanc-
ties, de non-proliferatieverdragen en andere verdragen, alsook andere internationale verplichtingen; 2) Eerbiediging
van de rechten van de mens door het land van eindbestemming; 3) De situatie in het land van eindbestemming,
met name in het licht van eventuele spanningen of interne gewapende conflicten; 4) Handhaving van vrede, veilig-
heid en stabiliteit in de regio; 5) De nationale veiligheid van de lidstaten, resp. van de gebieden waarvan de→
                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>van het bedrijfsleven als voor de afstoting van overtollig defensiematerieel. De Nederland-
se wapenexport is beperkt van omvang in vergelijking met die van andere landen, maar toch
nog omvangrijk genoeg om in de jaren negentig door het Sipri bij de eerste tien van de
wapenexporterende landen te worden gerekend.32 In de tweede helft van de jaren negen-
tig heeft de wapenexport tot nu toe minder dan één miljard gulden per jaar bedragen. De
belangrijkste wapens en componenten die Nederland exporteert, zijn marineschepen,
radar- en vuurleidingsapparatuur, munitie en nachtzichtapparatuur.33 (De voor defensie-
doeleinden aangepaste Fokkervliegtuigen horen daar niet meer bij.) De Nederlandse indus-
trie heeft in de loop van de jaren negentig haar afzetmarkt wel weten te verbreden, want ze
levert aan steeds meer landen.
Centraal in de Nederlandse besluitvorming omtrent wapenleveranties door bedrijven staat
de afgifte van uitvoervergunningen door de minister van Economische Zaken. In de mees-
te gevallen toetst de minister van Buitenlandse Zaken aanvragen van bedrijven aan de
bovengenoemde, in Europees verband overeengekomen criteria. Deze raadpleegt in voor-
komende gevallen de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, met name als het gaat om
landen waarmee Nederland een intensieve ontwikkelingsrelatie heeft of om de minst ont-
wikkelde landen (landen van de zogenoemde DAC-lijst). De minister van Defensie kan wor-
den gevraagd de veiligheidsaspecten te beoordelen, waarbij deze met name in ogenschouw
neemt of Nederlandse defensiebelangen worden geschaad. De minister van Economische
Zaken, tenslotte, weegt de economische belangen. In de praktijk is het politieke oordeel
van de minister van Buitenlandse Zaken doorslaggevend voor het al of niet verlenen van
vergunningen. De eindgebruikersverklaringen dienen te voorkomen dat ongewenste door-
voer plaatsvindt van door Nederlandse bedrijven of door de Nederlandse overheid gelever-
de wapens of onderdelen.
Op grond van de motie van den Doel c.s. - aangenomen op 19 december 1996 - informeert
de regering de Tweede Kamer eens per half jaar over de waarde van de afgegeven vergun-
ningen, uitgesplitst naar NAVO-lidstaten en overige landen. De regering heeft zich bovendien
bereid verklaard, op vertrouwelijke basis, mondeling nadere informatie te verschaffen over
individuele transacties.
De laatste jaren treedt ook de Nederlandse overheid op als leverancier van wapens, waar-
bij niet alleen aan regeringen wordt geleverd, maar ook aan bedrijven.34 De inkomsten uit
deze afstoting van militair materieel zijn verdisconteerd in de defensiebegroting. Uit de over-
tollige voorraden worden onder meer fregatten, tanks, pantserwagens en houwitsers gele-
buitenlandse betrekkingen de verantwoordelijkheid van één van de lidstaten vormen, alsook de nationale veilig-
heid van bondgenoten en andere bevriende landen; 6) Het gedrag van het land van eindbestemming ten opzich-
te van de internationale gemeenschap, met name de houding ten aanzien van terrorisme, de aard van zijn inter-
nationale samenwerkingsverbanden en de eerbiediging van het internationale recht; 7) Het gevaar dat goederen
een andere dan de opgegeven eindbestemming krijgen, hetzij in het aanschaffende land zelf ofwel via onge-
wenste heruitvoer; 8) De verenigbaarheid van de wapenexporten met het technische en economische vermogen
van het ontvangende land, rekening houdend met de wenselijkheid dat staten met een zo gering mogelijk beslag
op mensen en economische middelen voor bewapening, in hun legitieme veiligheidsbehoefte voorzien.
32 Sipri jaarboek, 1997, p. 268. tabel 9.1.
33 Zie Ko Colijn (1997) Vechtend op de Wereldmarkt: In- en uitvoer van wapens door Nederland in de jaren
negentig. In: Wil Hout en Monika Sie Dhian Ho Aanpassing onder druk. Assen, Van Gorcum, pp. 148 -164.
34 Zie Prioriteitennota, (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 975, nr. 2) hfst. VI, pp. 63, 64.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>verd. Over het voornemen militair materieel uit de voorraad te halen om het te verkopen,
wordt de Tweede Kamer in algemene zin van te voren vertrouwelijk geïnformeerd. Als is
gebleken dat in het parlement geen bezwaren leven, kan het materieel ter verkoop worden
aangeboden. Eind 1997 is de afspraak gemaakt dat de staatssecretaris van Defensie, die
hiervoor verantwoordelijk is, de minister voor Ontwikkelingssamenwerking zal raadplegen in
de gevallen waarin de catalogi met overtollig defensiematerieel worden aangeboden aan
ontwikkelingslanden. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking beoogt te voorkomen
dat overtollige wapens worden aangeboden aan ontwikkelingslanden met te hoge uitgaven
voor militaire doeleinden. De minister voor Ontwikkelingssamenwerking acht zich hierin
gesteund door een motie van Groen Links, waarin staat dat geen catalogi met overtollig
defensiematerieel mogen worden aangeboden aan ontwikkelingslanden waarin de uitgaven
voor militaire doeleinden hoger zijn dan 4,5% van het BNP.35
De discussie over dit onderwerp - in de Tweede Kamer en tussen Kamer en regering - brengt
de AIV tot de volgende opmerkingen:
– Mocht een percentage een rol gaan spelen bij de beoordeling of de defensie-uitgaven in
     ontwikkelingslanden te hoog zijn, dan dient ervoor te worden gewaakt dat deze niet zal
     werken als een automatisme. Naast het beslag op de middelen van het betreffende
     land blijven de andere criteria hun waarde behouden. Bovendien is een veiligheidspoli-
     tieke beoordeling van belang, waarbij de internationale politieke omstandigheden én het
     veiligheids- en defensiebeleid van het land in kwestie een plaats dienen te krijgen;
– Als is vastgesteld, los van het hanteren van een percentage, dat de defensie-uitgaven
     van een land onaanvaardbaar hoog zijn, dan dient dat niet alleen gevolgen te hebben
     voor de uitvoer van wapens (en onderdelen) vanuit Nederland. Nadrukkelijker dan tot
     nog toe dienen daaraan praktische gevolgen te worden verbonden voor de ontwikke-
     lingsrelatie. Eén van de elementen van de herijking van het buitenlands beleid is
     geweest een ontschotting van beleid zodanig dat aspecten op elkaar kunnen worden
     afgestemd. De AIV beveelt de Nederlandse regering aan de betrekkingen in dergelijke
     gevallen in samenhang in beschouwing te nemen.
De financiële streefcijfers ten aanzien van de verkoop van overtollig militair materieel, weer-
gegeven in de defensiebegroting, worden de laatste jaren gehaald. Vanwege het budget-
recht heeft de Tweede Kamer meer zeggenschap over de afstoting van materieel dan over
andere wapenexporten. Ook lichte wapens worden aangeboden. Als hiervoor, meestal van-
wege de wapenexportcriteria die uit de aard der zaak ook op de afstoting van defensie-
materieel van toepassing zijn, geen aanvaardbare afnemers kunnen worden gevonden, wor-
den deze na enige tijd vernietigd. Naar aanleiding van de voorgenomen, doch door de
Nederlandse overheid verhinderde, levering van vrachtwagens en Landrovers aan het toen-
malige regime in Zaïre, in de zomer van 1997, beziet de Nederlandse regering momenteel
de mogelijkheden om ook het aanbod van deze goederen aan de Tweede Kamer te melden.
De Nederlandse wapenuitvoer is van beperkte economische betekenis. Als gevolg hiervan
worden wel stemmen gehoord die bepleiten de Nederlandse defensie-industrie op te doe-
35 Opmerkelijk is dat in discussies over wapenexporten, zoals in de gedachtenwisseling tussen het Tweede
Kamer-lid van Groen Links Sipkes en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, veelal wordt verondersteld
dat er een internationale norm zou zijn voor de hoogte van militaire uitgaven. Bij navraag is een formeel vastge-
legde norm niet aangetroffen. IMF directeur Camdessus heeft in 1991 in een speech weliswaar het percentage
van 4,5% van het BNP genoemd, maar als fictief getal, als voorbeeld van een onder gunstige internationaal-poli-
tieke omstandigheden te incasseren vredesdividend. Zie voor de motie en de uitspraken van de minister voor
Ontwikkelingssamenwerking, de behandeling van de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking (Handelingen
Tweede Kamer, 11 december 1997, 36-2879 en 36-2888).
                                                      35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>ken omdat de geleverde wapens zouden kunnen worden aangewend op een wijze die zich
niet verdraagt met de Nederlandse normen en opvattingen.36 Een Nederland zonder defen-
sie-industrie verschaft misschien wel de politieke ruimte in internationaal verband een zeer
restrictief wapenexportbeleid te bepleiten, maar het gewicht van de Nederlandse opvatting-
en zal tegelijkertijd verminderen. (Van eigen beleid zal in die omstandigheden sowieso geen
sprake meer zijn.) Nederland kent bovendien een hoogwaardige defensie-industrie en hoog-
waardige onderzoeksinstellingen, waarin geavanceerde technologie wordt toegepast en ont-
wikkeld. Uit strategisch oogpunt en vanwege de eigen defensiebehoefte is het van belang
deze niet op te geven en bij internationale ontwikkelingen op dit vlak betrokken te blijven.
Daar komt bij dat er steeds een grijze zone zal blijven bestaan wegens leveranties van ‘dual
use’-goederen en -technologie.
Vooralsnog kent Nederland een defensie-industrie en een daarbij passend exportbeleid. De
criteria voor het beleid zijn op Europees niveau bepaald en deze vormen voor Nederland de
marges bij de toepassing en de uitvoering.37 De AIV is van oordeel dat deze criteria van de
Europese Unie toereikend zijn voor een verantwoord en behoedzaam exportbeleid. Een een-
duidige interpretatie van de criteria van de Europese Unie is een middel dat kan helpen het
wapenexportbeleid aan te scherpen (maar niet het enige middel, zoals de adviesaanvraag
lijkt te suggereren). Daarnaast stelt de AIV voor de speelruimte binnen de marges te gebrui-
ken om het Nederlands wapenexportbeleid een eigen stempel te (blijven) geven en beveelt
daarom de Nederlandse regering aan, alleen nog vergunningen te verlenen voor de uitvoer
van wapens en van onderdelen voor wapens indien deze zijn bestemd voor landen die deel-
nemen aan het wapenregister van de Verenigde Naties. (Dit wapenregister wordt in hoofd-
stuk V behandeld. Doel van het register is de in- en uitvoer van bewapening meer door-
zichtig te maken. In hoofdstuk V worden ook enkele verbeteringen van het register
voorgesteld die voor een deel met deze aanbeveling samenhangen.) Het treffen van een
dergelijke maatregel vergroot de transparantie van het Nederlands beleid, verhoogt de
geloofwaardigheid van het Nederlandse pleidooi voor transparantie op de gebieden van
wapenbeheersing en exportcontroles en kan er bovendien aan bijdragen dat landen worden
gestimuleerd deel te nemen aan het wapenregister van de Verenigde Naties. Op termijn zou
een dergelijke maatregel in internationaal verband kunnen worden ingebracht, waarbij een
negende criterium voor de Europese Unie het meest voor de hand lijkt te liggen.
IV.3      EUROPESE UNIE
De bevoegdheden van de Europese Unie op het gebied van wapenexporten zijn beperkt. De
produktie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal vallen op grond van artikel
223 niet onder het EG-verdrag. Daarmee zijn deze produktie en handel in eerste instantie
een zaak van de lidstaten, en niet van de Europese Unie. In het begin van de jaren '90 is
tevergeefs geprobeerd, onder meer door Nederland, dit artikel ter discussie te stellen.
 36 VVD-fractieleider Bolkestein zegt, desgevraagd in een interview, met zoveel woorden: "Het beste zou zijn als
 wij onze oorlogsindustrie, voorzover wij die hebben, afbouwen. Het is een industrie die erg onderhevig is aan ups
 en downs. Ik ben daar erg kritisch over". De argumentatie voor dit standpunt wordt eerder in het interview als
 volgt geformuleerd: "Het exporterende land moet bewijzen dat wapens niet voor immorele doeleinden worden
 gebruikt. Onze Wereld, november 1997, p. 37. Zie ook de uitspraken van de minister voor Ontwikkelingssamen-
 werking, Pronk, in de Internationale Samenwerking, nr. 3, maart 1998: ‘Mijn opvatting is: Nederland zou geen
 wapens moeten produceren en we zouden ze ook niet moeten exporteren’.”
 37 Zie hierover ook 'De rechten van de mens en de internationale betrekkingen', advies nr. 12 van de Advies-
 commissie Mensenrechten Buitenlands Beleid (Den Haag, 1991), paragraaf 4, punt 6.
                                                        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Aangezien daar toendertijd onvoldoende steun voor bestond, is de verwachting gerecht-
vaardigd dat artikel 223 vooralsnog zal worden gehandhaafd.
Het Verenigd Koninkrijk heeft in het begin van 1998, in zijn hoedanigheid van voorzitter van
de Europese Unie, een gedragscode omtrent wapenexporten in de Europese Unie geïntro-
duceerd.38 De bedoeling is de marge voor de interpretatie van de criteria te verkleinen. In
dit kader zouden Europese landen elkaar moeten inlichten over niet verleende vergunning-
en. Doel is te voorkomen dat, na een weigering door de ene lidstaat, een andere lidstaat
dezelfde aanvraag alsnog honoreert (‘undercuts’). Op deze wijze, zo is de achterliggende
gedachte, kan een eenduidiger interpretatie van de acht wapenexportcriteria worden bevor-
derd. Frankrijk, dat eerder altijd heeft behoord tot de tegenstanders van een wapenexport-
beleid in het kader van de Europese Unie, heeft zich bij monde van premier Jospin niet
negatief over het Britse voornemen uitgelaten. De reden voor deze gewijzigde Franse opstel-
ling is hoogstwaarschijnlijk gelegen in de groeiende noodzaak van samenwerking in de
defensie-industrie van de lidstaten van de Europese Unie: de Britse gedragscode omtrent
wapenexporten is een vorm van beleidsharmonisatie die tevens de weg bereidt voor pro-
duktiesamenwerking. De AIV beveelt de regering aan het initiatief van het Britse voorzitter-
schap te (blijven) steunen en er in het overleg aan bij te dragen dat in de Europese Unie
substantiële afspraken over wapenexporten worden gemaakt.
Versterking van het beleid van de Europese Unie op het gebied van de export van conven-
tionele wapens kan van twee kanten worden benaderd, namelijk van de buitenlands-poli-
tieke kant en van de kant van handelspolitiek en concurrentiebeleid. Bij de eerste ligt het
voor de hand het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) centraal te
stellen, bij de tweede de bemoeienis van de Europese Commissie, hoewel de AIV zich ervan
bewust is dat dit bij veel lidstaten op grote bezwaren kan stuiten, juist met een beroep op
het hiervoor genoemde artikel 223.
IV.3.1 GBVB
Nu het overleg over een gedragscode omtrent wapenexporten in de Europese Unie op gang
is gekomen, stelt de AIV hieronder enkele concrete maatregelen voor, die beogen het Brit-
se initiatief aan te vullen en te versterken. Uitgangspunt daarbij is dat de Europese Raad
van Edinburgh, in december 1992, wapenexporten heeft aangemerkt als een terrein van
gemeenschappelijke actie.39 Bij deze maatregelen wordt voortgebouwd op activiteiten
waarover in de Europese Unie al overeenstemming bestaat:
38 Het navolgende is gebaseerd op een speech, gehouden door ‘Foreign and Common Wealth minister of
State’, mr. Tony Lloyd, op 9 juni 1997 en op enkele berichten in de pers, zoals "Un doigt de morale dans les
ventes d'armes', Liberation, 19 januari 1998; ‘EU/Arms: Draft Code of Conduct on Arms Exports is Diffused as
British Presidency Initiative’. Agence Europe, Wednesday, 4 February 98; ‘Aid Agencies say Cook arms code is
sham’. Times, 16 februari, 1998; "EU arms trade proposal 'will not block exports to repressive regimes'".
Guardian, 18 februari 1998.
39 Terzijde kan nog worden opgemerkt dat in het verdrag van Amsterdam een bepaling is opgenomen die de
samenwerking op bewapeningsgebied onder het GBVB brengt. Tot nog toe lijkt de bepaling zo te worden geïn-
terpreteerd dat deze alleen betrekking heeft op de invoer van wapens, en niet op de uitvoer. Niettemin biedt de
formulering ruimte voor een meer extensieve interpretatie. De bepaling luidt: ‘De geleidelijke bepaling van een
gemeenschappelijk defensiebeleid wordt, wanneer de lidstaten dat passend achten, ondersteund door hun
samenwerking op bewapeningsgebied’. Verdrag van Amsterdam, titel V, artikel J.7, lid 1. (vierde bepaling).
                                                      37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>–   In het kader van de Euromediterrane conferentie in Barcelona in 1995 is het gehele
    Middellandse Zee-gebied uitgeroepen tot een ‘joint action area’ onder het GBVB. In dit
    verband is gesproken over het uitbannen van massavernietigingswapens en het hoge
    niveau van bewapening in de regio. Met name dit laatste punt biedt een aanknopings-
    punt om het wapenexportbeleid vanuit de lidstaten van de Europese Unie naar deze
    regio aan de orde te stellen met als uiteindelijk doel een specifiek, op de regio toege-
    sneden beleid tot stand te brengen;
–   In 1996 is de Maghreb aangewezen als ‘common interest area’ onder het GBVB. Het
    streven is dat de lidstaten van de Europese Unie hun nationale beleid in overeenstem-
    ming brengen met het gemeenschappelijk beleid. Gezien de status van regio als "com-
    mon interest area" kan de opvatting worden verdedigd dat, in het kader van het GBVB,
    consultaties over wapenleveranties geboden zijn;
–   De Algemene Raad van de Europese Unie heeft in juni 1997 een gemeenschappelijk
    standpunt bepaald ten aanzien van "conflict prevention and resolution in Africa". Onder
    meer is een oproep gedaan tot waakzaamheid ten aanzien van de export van wapens
    naar Afrika. De AIV bepleit dat gemeenschappelijke actie wordt ondernomen waarin sub-
    regio's worden onderscheiden (Grote Meren-gebied, West-Afrika, Zuidelijk Afrika etc.)
    ten aanzien waarvan een gemeenschappelijk, op de regio toegesneden wapenexport-
    beleid wordt ontwikkeld.
Het pogen een gemeenschappelijk beleid te ontwikkelen ten aanzien van (sub-)regio's
vormt een toetsing van de criteria aan de praktijk van wapenexporten. Deze kleine, doch
praktische stappen bieden de lidstaten de gelegenheid een gemeenschappelijke interpre-
tatie van de criteria te ontwikkelen. Een dergelijke gemeenschappelijke interpretatie, zo die
er komt, draagt bij aan de harmonisatie van het wapenexportbeleid van de lidstaten van de
Europese Unie. Om die reden beveelt de AIV aan met behulp van dit soort stappen een
gemeenschappelijke interpretatie van de criteria te ontwikkelen. Dit op specifieke regio's
toegesneden beleid kan er bovendien aan bijdragen dat er een politieke dialoog tussen
exporterende en importerende landen wordt bewerkstelligd.
Met de Verenigde Staten vindt alleen overleg plaats over wapenexporten in het kader van
de multilaterale regimes. Dat is te weinig. Concurrentie tussen bedrijven heeft thans de
overhand. Voor het voeren van een effectief wapenexportbeleid lijkt afstemming van beleid
over de gehele linie noodzakelijk. De AIV bepleit daarom wapenexporten op te nemen in de
trans-atlantische agenda, waarvoor twee van de in december 1995 vastgestelde hoofd-
doelstellingen - bevordering van vrede en stabiliteit, democratie en ontwikkeling en bijdra-
gen aan nauwere economische betrekkingen - het kader kunnen bieden. Dit is des te meer
van belang aangezien het in I.2.2.1 gesignaleerde boemerang-effect veiligheidsrisico's met
zich brengt die van betekenis zijn voor de samenwerking met de Verenigde Staten. Het is
namelijk nog maar de vraag of de huidige technologische voorsprong van de Verenigde Sta-
ten en de Europese landen op termijn kan worden behouden. Om deze reden bepleit de AIV
in samenspraak met de Verenigde Staten te streven naar een versterking van de export-
controles op conventionele bewapening. De nadruk in de betrekkingen zou veel meer moe-
ten komen te liggen op hoe verdere verspreiding van technologisch geavanceerde, conven-
tionele wapens kan worden tegengegaan, in plaats van op concurrentie om afzetmarkten.
De algemene criteria van PDD 34, het meest recente Amerikaanse beleidsdocument op het
gebied van conventionele wapenexport, bevatten hiervoor voldoende aanknopingspunten.
Allereerst zal hiervoor een politieke dialoog over handel en export van conventionele
wapens tussen de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Staten moeten worden
begonnen, zeker met het oog op het gegeven dat het opgetelde aandeel op de wereldmarkt
boven de 80% ligt.
                                              38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>IV.3.2 Europese Commissie
Binnen de Europese Commissie leeft al geruime tijd de opvatting dat wapenproduktie en -
handel een communautaire aangelegenheid zijn. Voor deze opvatting beroept zij zich op
haar verantwoordelijkheid voor de concurrentieverhoudingen (met name de verhouding tot
de Verenigde Staten) en op haar statutaire verantwoordelijkheid voor de Europese industrie
als geheel. De bestaande verschillen in het beleid van de Europese landen worden in deze
argumentatie opgevat als marktdeficiënties en deze zijn volgens de Europese Commissie
dus feitelijk van dezelfde orde als beleidsconcurrentie via vennootschapsrecht, fiscaliteit of
overheidsaanschaffingen-beleid. De groeiende betekenis van ‘dual use’-goederen, waar-
over de zeggenschap van de Europese Commissie door de lidstaten is aanvaard, zal de rol
van de Europese Commissie alleen maar groter maken. Ze tracht haar opvatting tot gelding
te brengen door erop te wijzen dat de defensieproduktie en -handel aanspraak kunnen
maken op steunverlening, bijvoorbeeld aan onderzoeksprogramma’s en aan samenwer-
kingsverbanden tussen industrieën van de lidstaten.
Tegen deze achtergrond toont de Europese Commissie zich actief op het gebied van de
wapenexporten.40 In de eerste plaats heeft ze aangekondigd te komen met een Witboek
over de ontwikkeling van een Code of Practice 41 met betrekking tot conventionele wapen-
exporten. Hiermee speelt de Europese Commissie kennelijk in de Britse gedragscode. Al
eerder heeft de Europese Commissie het standpunt ingenomen dat een geharmoniseerd
exportbeleid aan de buitengrens noodzakelijk is. In de tweede plaats heeft de Europese
Commissie financiële ondersteuning aangekondigd van grensoverschrijdende fusies van
bedrijven in de defensiesector, waarvoor de regeringen van de lidstaten dan wel de voor-
waarden moeten helpen scheppen, onder meer door te streven naar de gemeenschappelij-
ke aankoop van produkten, naar een interne defensiemarkt en naar een gemeenschappe-
lijk wapenexportbeleid.
De Europese Commissie probeert meer en meer het wapenexportbeleid onder het com-
munautaire acquis te brengen. Of deze opstelling van de Europese Commissie veel kans
maakt moet worden afgewacht. De AIV beveelt de regering aan de Europese Commissie in
haar streven te steunen omdat dit de mogelijkheden voor regulering en internationale
afstemming, niet alleen van het wapenexportbeleid, maar ook van de activiteiten van de
defensie-industrie, vergroot.
IV.4     HET WASSENAAR-ARRANGEMENT
In juli 1996 is het Wassenaar-arrangement in werking getreden. Dit is de opvolger van de
CoördinatieCommissie voor multilaterale strategische exportcontroles, bekend onder de
naam CoCom, die tijdens de Koude Oorlog de export van wapens en technologie van een
groep van Westerse landen reguleerde. Het Wassenaar-arrangement is een politieke over-
eenkomst die tot doel heeft het exportbeleid van de deelnemende staten ten opzichte van
40 De Europese Commissie heeft onder meer haar visie op de defensie-industrie gegeven in: Commissie van
de Europese Gemeenschappen (1996), Uitdagingen voor de Europese defensie-industrie: een bijdrage voor actie
op Europees niveau. COM (96) 10, 24 januari. In het Voorstel betreffende de defensie-industrie van november
1997 zijn de aanbevelingen van januari 1996 omgezet in definitieve voorstellen.
41 Mededeling van de Europese Commissie, 12 november 1997, cit. in European Report 15 november 1997,
nr. 2268, III, pp. 11-13.
                                                    39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>  niet-deelnemende staten op elkaar af te stemmen.42 De uitvoer betreft ‘dual use’-goede-
  ren en -technologie en conventionele wapens. Het streven is een terughoudend beleid te
  bevorderen. De beslissingen omtrent uitvoer worden genomen op nationaal niveau. Van een
  veto op elkaars leveranties, zoals de CoCom kende, is in het Wassenaar-arrangement geen
  sprake. In de kern komt het Wassenaar-arrangement neer op:
  a) bij ‘dual use’-goederen en -technologie (die zowel een militaire als civiele toepassing
       kennen) wordt tussen de deelnemende staten informatie uitgewisseld en wordt toege-
       stane en niet-toegestane uitvoer gemeld. Het is de verantwoordelijkheid van de deel-
       nemende landen de uitvoer te beperken op grond van overeengekomen lijsten van
       gevoelige goederen en technologie;
  b) over de export van conventionele wapens wordt ieder half jaar informatie uitgewisseld,
       waarbij niet alleen het wapensysteem, maar ook het model en het type dienen te wor-
       den vermeld. Het gaat daarbij om de leveranties die vallen onder de categorieën van het
       wapenregister van de Verenigde Naties.
  Kort gezegd: het Wassenaar-arrangement is een forum voor informatie-uitwisseling. In het
  kader van het Wassenaar-arrangement is van consultaties vooraf over voorgenomen leve-
  ranties van wapens, ‘dual use’-goederen of -technologie geen sprake. Met name de Russi-
  sche Federatie en Frankrijk hebben zich hiertegen gedurende de voorbereidende bespre-
  kingen verzet. Frankrijk was bevreesd dat consultaties vooraf de Verenigde Staten in staat
  zouden stellen druk uit te oefenen. Rusland hield in april 1996 zelfs de instelling van het
  Wassenaar-arrangement op, in een geslaagde poging om ook de aanmelding-vooraf van
  wapenleveranties aan 'countries of concern' te torpederen. Wel vinden in het kader van het
  Wassenaar-arrangement achteraf discussies plaats over wapenexporten, maar deze zijn in
  de minderheid tegenover de discussies over ‘dual-use’ goederen.43
  In toenemende mate raken civiele en militaire technologie met elkaar verweven, zeker in de
  fase van ontwikkeling. Civiele technologie kent steeds meer militaire toepassingen. Het
  gaat dus lang niet meer alleen om ‘dual use’-produkten en -technologie. CIA-directeur John
  Deutch schatte in 1994 dat de speciaal voor militaire goederen ontworpen technologieën
  in de toekomst nog maar dertig procent van de totale technologiebehoefte van het Penta-
  gon zullen uitmaken. De technologie die een land zal willen verwerven om zich economisch
  te ontwikkelen, biedt dikwijls ook de mogelijkheid geavanceerde militaire technologie te
  verkrijgen. De verspreiding van wapens, onderdelen en technologie wordt hierdoor steeds
  moeilijker te beheersen. De landen die deelnemen aan het Wassenaar-arrangement dienen
  zich te buigen over dit nieuwe aspect van het beheersingsvraagstuk. Richtingen voor oplos-
  singen kunnen wellicht worden gevonden in uitbreiding van de lijsten met gevoelige tech-
  nologie (wat verder gaat dan ‘dual use’-technologie) of in het maken van onderscheid in de
  groep van niet-deelnemende landen. Daarnaast doen de belangrijkste technologische ont-
  wikkelingen zich steeds meer voor op het niveau van de onderdelen van wapensystemen,
  en steeds minder op het niveau van de systemen zelf. Ook hieraan zou in het kader van
  Wassenaar-arrangement aandacht dienen te worden besteed. Indien gepast kunnen, naast
  de lijsten van wapens en technologie, lijsten met componenten worden aangelegd.
42 Aan het Wassenaar-arrangement nemen 33 landen deel. De onderhandelingen zijn begonnen met de CoCom-
landen (de NAVO-landen, Australië en Japan) en de landen die zich aan de uitvoering van CoCom hadden gebonden
(Oostenrijk, Zweden, Finland, Ierland, Zwitserland, Nieuw Zeeland). Gedurende de onderhandelingen over het
Wassenaar-arrangement zijn gaan deelnemen: de Russische Federatie, Oekraïne, Tsjechië, Slowakije, Hongarije,
Polen, Bulgarije, Roemenië, Argentinië en Zuid-Korea.
43 Eind 1996 is overigens wel gesproken over stabiliteitseffecten op bepaalde regio's, zoals Noord- en Centraal-Afri-
ka. Verder hebben alle landen zich bereid verklaard om in elk geval aan geen van de strijdende partijen in het Afghaan-
se conflict te leveren. (Lynn Davis, Amerikaans onderminister van Buitenlandse Zaken, 13 december 1996 te Wenen)
                                                          40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>V          REGIONALE EN MONDIALE CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING
V.1        BEGRIPSBEPALING
De term 'regionale wapenbeheersing' kan tot misverstanden leiden. Wapenbeheersing in
de OVSE, een regionaal (veiligheids)arrangement volgens hoofdstuk VIII van het Handvest
van de Verenigde Naties, kan als regionaal worden aangeduid, hoewel het werkingsgebied
van de in de OVSE overeengekomen vertrouwenwekkende en veiligheidsbevorderende
maatregelen zich kan uitstrekken tot buiten Europa. Ook het CSE-verdrag vormt een voor-
beeld van regionale, conventionele wapenbeheersing; het toepassingsgebied strekt zich uit,
met uitzondering van enkele gebieden, over geheel Europa. Tegelijk worden ook de wapen-
beheersingsbepalingen van het akkoord van Dayton bestempeld als regionale regelingen.
Kortom, onder regionale wapenbeheersing wordt ook vaak sub-regionale (of lokale) wapen-
beheersing verstaan.44 In dit advies wordt met de term regionale wapenbeheersing
gedoeld op regelingen voor geografisch of politiek begrensde gebieden, die een geheel con-
tinent kunnen omvatten als regio van de wereld, of delen van continenten, zoals de Balti-
sche Zee-regio in Europa of het Grote Meren-gebied in Afrika. Mondiale wapenbeheersing
daarentegen strekt zich in beginsel over de gehele wereld uit.
Recent is de aandacht voor vraagstukken van regionale veiligheid gegroeid; daarmee is ook
de aandacht vergroot voor de wijze waarop regionale conflicten kunnen worden voorkomen,
beheerst of beëindigd. Tegen deze achtergrond zijn maatregelen op het gebied van regio-
nale wapenbeheersing in de belangstelling komen te staan, die zijn afgestemd op de
betreffende regio, zodanig dat bijzondere, voor de regio kenmerkende veiligheidsrisico's
worden teruggedrongen.
Ondanks de grote verschillen tussen regio's kunnen toch algemene kenmerken van regionale
maatregelen op het gebied van conventionele wapenbeheersing worden onderscheiden:
1) Vraagstukken op het gebied van regionale veiligheid kunnen niet los worden gezien van
     hun bovenregionale politieke context. Naast de in de regio gelegen, direct betrokken
     staten kunnen ook andere staten belangen hebben in de betreffende regio. Deze inter-
     nationale en interregionale context vormt één van de belangrijkste beletselen om tot
     maatregelen op het gebied van regionale wapenbeheersing te komen. De afperking van
     de regio of de selectie van de landen is altijd discutabel. Zeker als het gaat om het
     afspreken van (extra) beperkingen voor niveaus van conventionele bewapening zijn sta-
     ten niet snel geneigd deze te aanvaarden. Aan de rand van de regio waarvoor de getrof-
     fen maatregelen gelden, zullen bovendien altijd staten liggen, die grenzen aan staten
     waarvoor de regionale maatregelen niet gelden. Dit vormt voor deze staten een extra
     beletsel in te stemmen met regionale wapenbeheersingsmaatregelen.45 De betrokken
44 Zdzislaw Lachowski - Tailoring arms control to regional applications, een paper uitgedeeld op het OVSE-semi-
nar "Regional Security and Cooperation" (Wenen, 2-4 juni 1997), p. 1.
45 Een illustratie hiervan vormen de uitspraken van de Zweedse onder-staatssecretaris voor Buitenlandse
Zaken Anders Bjurner, die op het OVSE-seminar over "Regional security and cooperation" (Wenen, 2-4 juni 1997)
aandacht heeft gevraagd voor de bredere veiligheidscontext van Zweden:
     ‘When it comes to matters of military security and arms control there are limits to what can be achieved on
     sub-regional levels. The fact that our sub-region includes one of the major nuclear weapons States preclu-
     des the possibility of constraining arms control or disarmament agreements, if defined in geographic terms.
     This is underscored by the fact that the strategic balance in our region is dependent on active links to extra-
     regional powers and structures’.
                                                         41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>     staten zullen het zelf eens dienen te worden over de afperking van de regio en zij zul-
     len de te treffen maatregelen op het gebied van wapenbeheersing moeten zien als een
     gemeenschappelijk belang. De voor Europa kenmerkende omstandigheden die tot het
     CSE-verdrag hebben geleid - twee tegenover elkaar staande militaire allianties waarvan
     er één gedurende de onderhandelingen over het verdrag uiteenviel - hebben ervoor
     gezorgd dat het toepassingsgebied vanaf de aanvang van de onderhandelingen in gro-
     te lijnen heeft vastgestaan waardoor het probleem van de afperking zich in dit geval niet
     voordeed;
2) Regio's kennen staten van verschillende omvang, met vaak een grote verscheidenheid
     aan politieke stelsels, economieën, culturen, inrichting van de krijgsmacht e.d. De vei-
     ligheidssituatie in regio's kan ook worden gekenmerkt door machtsverschillen. De
     asymmetrie in de verhoudingen zal een belangrijk stempel drukken op de onderhande-
     lingen over conventionele wapenbeheersing - zo deze al geen hinderpaal vormt om
     onderhandelingen op gang te brengen. De asymmetrie zal, bij een deel van de staten in
     de betreffende regio, de wens doen opkomen, ter compensatie, staten van buiten de
     regio bij de onderhandelingen te betrekken. Bij maatregelen ter versterking van de
     regionale veiligheid die niet op het vlak van de wapenbeheersing liggen, kijken omring-
     ende landen veelal met argusogen toe om zich ervan te vergewissen dat hun veiligheid
     niet achteruit gaat als gevolg van de regionale samenwerking, zeker als deze tendeert
     in de richting van militaire samenwerking;
3) Bij de beoordeling van de regionale veiligheidssituatie dient in veel gevallen de positie
     van niet-statelijke actoren te worden betrokken. Zoals in I.2.2.3 is beschreven kunnen
     de activiteiten van deze groeperingen van grote betekenis zijn voor de veiligheid. Deze
     bewapening kan om die reden niet buiten beschouwing blijven.
Het probleem van de selectie van landen, of de afperking van de regio, maakt regionale
beperkingen op conventionele bewapening tot een theoretisch aantrekkelijk, doch in de prak-
tijk moeilijk uitvoerbaar concept.
V.2        DE BRUIKBAARHEID VAN DE EUROPESE ERVARING OP HET GEBIED VAN
           WAPENBEHEERSING
In I.2.2.2 is hetgeen in Europa is bereikt op het gebied van veiligheid omschreven als het
veiligheidsacquis. Deze gegroeide 'ordening' komt voort uit de blokkenstructuur van de
Koude Oorlog die, deels onbedoeld, voor de huidige tijd een omgeving heeft helpen schep-
pen met tal van instituties, organisaties en afspraken. Wat in Europa is bereikt op het
gebied van wapenbeheersing maakt deel uit van dit acquis. Een dergelijk veiligheidsacquis,
dat een politieke inbedding (heeft) verschaft aan de inspanningen op het gebied van wapen-
beheersing, bestaat elders gewoonweg niet, zeker niet in zo'n uitgewerkte vorm. Er funge-
ren vaak wel organisaties en er zijn afspraken gemaakt op veiligheidsgebied, maar deze zijn
meer verbrokkeld en minder uitgewerkt. Dit maakt dat de verwachtingen niet te hoog moe-
ten worden gespannen over het bereiken van met Europa vergelijkbare resultaten op het
gebied van conventionele wapenbeheersing elders in de wereld omdat de institutionele
inbedding hiervoor ontbreekt.
De volgende vier elementen uit de ervaringen in Europa acht de AIV van belang voor con-
ventionele wapenbeheersing elders in de wereld: 1) de normering die conventionele wapen-
beheersing biedt op het vlak van de militaire verhoudingen; 2) het belang van het bestaan
van een forum voor overleg en onderhandelingen; 3) (delen van) het CSE-verdrag; 4) en de
CSBMs.
Ad 1) In II.1 zijn de volgende beginselen en normen van het CSE-verdrag en de CSBMs
     genoemd: stabiliteit en veiligheid, evenwichtige krachtsverhoudingen, controleerbaar-
     heid van gemaakte afspraken, transparantie en voorspelbaarheid. In veel landen en
                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>    regio’s zijn militaire gegevens daarentegen niet openbaar en militaire krachtsverhou-
    dingen omgeven door geheimzinnigheid, zeker als het erom gaat militair overwicht te
    verkrijgen of te behouden. In dergelijke gevallen is het al een hele stap te erkennen dat
    veiligheid en stabiliteit ook in samenwerking met andere staten is te bereiken, dat het
    niet gaat om overwicht maar evenwicht, dat een zekere mate van openheid over mili-
    taire verhoudingen niet per definitie tot gevaarlijke situaties hoeft te leiden e.d.
Ad 2) Van belang is voorts dat een forum wordt geschapen voor overleg en onderhande-
    lingen. Zoals hiervoor is aangegeven, vormt het ontbreken van een institutionele inbed-
    ding een belangrijk knelpunt voor het treffen van maatregelen op het gebied van regio-
    nale wapenbeheersing elders in de wereld. Het scheppen van een forum is hiervoor een
    voorwaarde. In Europa is gedurende de Koude Oorlog de Conferentie voor Veiligheid en
    Samenwerking in Europa opgericht, die een forum heeft verschaft voor onderhandeling-
    en op het gebied van conventionele wapenbeheersing. Bovendien is de ervaring op het
    gebied van wapenbeheersing in Europa stapje voor stapje opgebouwd, onder meer in de
    Europese Ontwapeningsconferentie waarin over CSBMs werd gesproken en de ‘Mutual
    Balanced Force Reductions’-besprekingen waarin over beperkingen op personeel en
    materieel is onderhandeld. Het forum is in Europa na de Koude Oorlog blijven voortbe-
    staan als de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Willen initiatieven
    voor conventionele wapenbeheersing elders in de wereld kans maken op succesvolle
    afronding, dan kan het belang van een forum voor overleg en onderhandelingen niet
    genoeg worden onderstreept. In sommige gevallen zal kunnen worden voortgebouwd op
    de organisaties en afspraken die in de betreffende regio al bestaan.
Ad 3) Uit de ervaringen opgedaan met het CSE-verdrag is al geput ten behoeve van het
    opstellen van categorieën bewapening voor het wapenregister van de Verenigde Naties
    (waaraan vervolgens wel twee categorieën zijn toegevoegd, namelijk die van de oor-
    logsschepen en raketten en lanceerinrichtingen, zie onder). Vervolgens hebben de cate-
    gorieën van het wapenregister van de Verenigde Naties de grondslag geboden voor de
    opstelling van het Wassenaar-arrangement. Ook voor de categorieën van de wapenbe-
    heersingsparagrafen van Dayton is zwaar op het CSE-verdrag geleund. In die zin heeft
    het CSE-verdrag zijn doorwerking in andere wapenbeheersingsafspraken al gehad.
Het CSE-verdrag wordt momenteel aangepast aan de nieuwe verhoudingen in Europa. Dupli-
catie elders in de wereld lijkt uitgesloten. Wel kunnen delen van het aangepaste CSE-
verdrag misschien elders worden toegepast, waarbij in eerste instantie kan worden gedacht
aan:
    a) de beperking van categorieën zware wapensystemen van het CSE-verdrag is gericht
    op het voorkomen van spanningen en conflicten tussen staten. Deze notie blijft van
    belang. Niettemin is het de vraag of buiten Europa beperkingen op zware wapensyste-
    men thans politiek haalbaar zijn;
    b) een aan belang winnend deel van het CSE-verdrag vormt het verificatie-systeem. Dit
    bestaat, naast de inspecties, uit de militaire gegevens afkomstig van de informatie-uit-
    wisseling, die voor alle verdragspartijen toegankelijk zijn. Het op gang brengen van een
    dergelijke informatie-uitwisseling kan ook buiten het CSE-toepassingsgebied waardevol
    zijn, omdat er op deze wijze een gemeenschappelijk gegevensbestand ontstaat waar de
    betrokken staten vertrouwen in kunnen hebben. Met behulp van inspecties kunnen de
    verstrekte gegevens worden gecontroleerd. De politieke relevantie is dat betrouwbare
    militaire gegevens vervolgens de kans op misverstanden verkleint e.d.
                                              43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Ad 4) CSBMs, mits toegesneden op de regio, lijken goed toe te passen. Staten met
    weinig ervaring op het gebied van wapenbeheersing kunnen het aantrekkelijk vinden
    zich niet meteen verdragsrechtelijk, doch vooralsnog politiek te binden. Afspraken over
    CSBMs lenen zich daar goed voor, waarbij het voor de hand ligt in eerste instantie te
    denken aan bilaterale afspraken. Bovendien kunnen niet-statelijke partijen zich wellicht
    aan dergelijke politieke afspraken binden, zonder dat dit verstrekkende politiek-juridi-
    sche gevolgen heeft. In die zin zijn CSBMs geschikt om deel uit te maken van vredes-
    regelingen of wapenstilstanden waaraan ook niet-statelijke partijen zich binden. De
    indringendheid van afspraken over CSBMs kan verschillen, afhankelijk van de politieke
    context en wensen van de deelnemers.
Ongeacht de regio kan voor het ontwikkelen van CSBMs de ervaring in Europa als leidraad
dienen. In Europa zijn CSBMs ontwikkeld van weinig indringende tot steeds meer indring-
ende maatregelen. Voor zover van toepassing, zou kunnen worden begonnen met waarne-
mingen van militaire oefeningen, aanvankelijk op vrijwillige basis, waaraan, als nieuw ele-
ment, het bezoeken van belangrijke militaire installaties zou kunnen worden toegevoegd.
Een volgende maatregel zou kunnen zijn dat aan bewegingen van militaire eenheden beper-
kingen worden opgelegd, in die zin dat wordt afgesproken dat deze zich niet zullen begeven
in gebieden waar de kans op het onbedoeld uitbreken van gevechten groot is, in sommige
gevallen grensstreken tussen staten, in andere de afscheiding tussen invoedssferen tus-
sen de partijen in een binnenlands conflict. Een volgende stap zou kunnen zijn de uitwis-
seling van informatie over de militaire opstelling en categorieën van wapens. Volgens het
patroon van weinig naar meer indringend kunnen CSBMs worden ontwikkeld, die, het is al
gezegd, vanzelfsprekend moeten worden afgestemd op de politieke en militaire verhouding-
en in de regio waar ze voor zullen gelden.
De AIV spreekt de verwachting uit dat multilaterale (sub-)regionale conventionele wapen-
beheersing zich slechts in bijzondere omstandigheden - zoals bijvoorbeeld aan het CSE-ver-
drag ten grondslag hebben gelegen - tot beperkingen van de bewapening zal kunnen ont-
wikkelen. Vooral de maatregelen op het gebied van regionale wapenbeheersing lijken
kansrijk, die zich richten op afspraken over CSBMs.
V.3      REGIONALE WAPENBEHEERSING IN DE PRAKTIJK
In Europa toont onder meer Bulgarije zich actief in het treffen van sub-regionale maatrege-
len op het gebied van conventionele wapenbeheersing. Het heeft overeenkomsten over
CSBMs gesloten met Roemenië, Turkije en Griekenland. Turkije heeft vergelijkbare over-
eenkomsten gesloten met Albanië en Macedonië. (Daarbij dient overigens wel te worden
aangetekend dat grote delen van het Turks grondgebied gevrijwaard zijn van de werking van
CSBMs zoals overeengkomen in het kader van de OVSE, een afspraak die stamt uit de Kou-
de Oorlog.) Hongarije en Roemenië voeren de Open Skies-overeenkomst uit op bilaterale
basis. In het algemeen komen deze bilaterale overeenkomsten neer op afspraken die ver-
der gaan dan enkele van de CSBMs uit het Weens Document 1994. Hiertoe roept het
Weens Document overigens ook op.46
Conventionele wapenbeheersing staat buiten Europa nog in de kinderschoenen. In tegen-
stelling tot in Europa is hieraan niet eerder aandacht geschonken dan na het einde van de
Koude Oorlog. ‘With few exceptions [de resultaten] are not yet able to go beyond political
declarations and gestures’.47 Als uitvloeisel van Russisch - Chinese onderhandelingen over
 46 Zie Lachowski, Z. - Appendix 14A "Confidence and Security Building Measures in Europe" (Sipri jaarboek
 1997), pp. 509, 510.
 47 Sipri jaarboek, p. 494.
                                                   44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>de onderlinge grens hebben China, Rusland, Kazachstan, Kirgizië en Tadjikistan CSBMs
afgesproken voor de onderlinge grenzen, die tot demilitarisering en ontspanning in de
betreffende grensgebieden hebben geleid. China en India hebben vergelijkbare afspraken
gemaakt. In Zuid-Oost Azië bestaan, bij wijze van CSBM, tussen enkele staten gemeen-
schappelijke grenscommissies. Ook India en Pakistan hebben over CSBMs gesproken.
Pogingen de Europese ervaringen met wapenbeheersing naar het Midden-Oosten over te
brengen in de ACRS (‘Arms Control and Regional Security working group’) - begonnen met
een communicatienetwerk waar Nederland als één van de drie mentoren een speciale ver-
antwoordelijkheid voor heeft - zijn gestrand op de algehele politieke malaise in de verhou-
dingen in het Midden-Oosten.
Tot slot zijn er nog de gevallen van regionale wapenbeheersing waar de internationale poli-
tieke context een grote rol speelt, bijvoorbeeld bij maatregelen die deel uitmaken van een
vredesregelingen of wapenstilstanden die onder internationale druk of supervisie tot stand
zijn gekomen. Hierbij kan worden gedacht aan regelingen die onder auspiciën van de Ver-
enigde Naties tot stand zijn gebracht (Angola, Mozambique en Cambodja zijn bekende voor-
beelden) of onder supervisie van een grote mogendheid. Ter illustratie wordt hieronder kort
ingegaan op de maatregelen op het gebied van wapenbeheersing opgenomen in het
akkoord van Dayton (met betrekking tot het voormalige Joegoslavië) en die in de vredes-
overeenkomst over Cambodja.48
Het akkoord van Dayton, dat de wapenstilstand in Bosnië-Herzegovina regelt, is onder gro-
te druk van de Verenigde Staten tot stand gekomen. Dit akkoord bevat in Annex 1B maat-
regelen om de militaire verhoudingen rond Bosnië-Herzegovina te stabiliseren. Deze bestrij-
ken aan de ene kant het gebied van conventionele wapenbeheersing - van toepassing op
alle strijdende partijen - en aan de andere kant het gebied van defensie - slechts geldend
voor één strijdende partij, Bosnië-Herzegovina. Bij de wapenbeheersing gaat het om mili-
taire vertrouwenwekkende maatregelen en plafonds voor wapensystemen; bij de defensie
onder meer om wapenoverdrachten en opleidingen voor het Bosnische leger (het Ameri-
kaanse "train and equip"-programma). Hoewel de strijdende partijen hun handtekening uit-
eindelijk vrijwillig hebben gezet, lijkt het niet overdreven te spreken over afgedwongen
wapenbeheersing. Dit is te meer het geval daar de partijen (klein-Joegoslavië, Kroatië en
Bosnië-Herzegovina) hebben onderhandeld over limieten voor de Bosnisch-Kroatische Fede-
ratie en de Republiek Srpska, de beide niet-statelijke entiteiten.
De wapenbeheersingsparagrafen van het akkoord van Dayton richten zich op de conventio-
nele bewapening, waarbij het doel is het scheppen van vastgelegde militaire krachtsver-
houdingen volgens de formule 5:2:2.49 De hoogte van de plafonds zijn vastgelegd in een
aparte overeenkomst, het akkoord van Florence gesloten in juni 1996. Inmiddels zijn de
48 Onderstaande is vooral gebaseerd op de Nooy, G.C., Greven, H.A. (1996), De vergeten paragraaf: wapenbe-
perking in het akkoord van Dayton. Den Haag, Clingendael en McClausland, Jeffrey D. (1997), ‘Arms control or
disarmament? The case of the former Yugoslavia’. Helsinki Monitor, jrg. 8, nr. 3, pp. 58 - 68; alsmede Stedman,
Stephen J. (1995), ‘UN Intervention in Civil Wars: Imperatives of Choice and Strategy’. In: Daniel, Donald F.
Hayes, Bradd C. (ed.) Beyond Traditional Peacekeeping. London, MacMillan en Ratner, Steven R. (1995), The New
UN Peacekeeping. New York, St Martin's Press.
49 McClausland verklaart deze verhoudingen als volgt: ‘This ratio is based on the approximate population of the
respective states and uses the holdings of the Federal Republic of Yugoslavia as a baseline. The Federal Repu-
blic of Yugoslavia is allowed 75% of the baseline, Republic of Croatia 30%, and Bosnia and Herzegowina 30%. The
allocation for Bosnia and Herzegovina will be divided between the component entities on the basis of a ratio of two
for the Federation of Bosnia and Herzegovina and one for the Republika Srpska’. (McClausland (1997), p. 61.)
                                                        45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>plafonds bereikt en de reducties van de bewapening uitgevoerd. Inspecties hiervan vinden
plaats met behulp van CSE-inspecteurs. De CSBMs worden uitgevoerd met steun van de
OVSE. Nu dit deel van het akkoord van Dayton op streek is, is een Balkantafel voor con-
ventionele wapenbeheersing in het leven geroepen. Het is de bedoeling dat hieraan onder
meer zullen deelnemen, naast de partijen van het Dayton-akkoord, Slovenië, Hongarije,
Oostenrijk, Bulgarije en Macedonië. De OVSE heeft de Fransman Jacolin benoemd tot spe-
ciale vertegenwoordiger om deze onderhandelingen op gang te brengen.
In Cambodja trad niet een grote mogendheid van buiten de regio op als drijvende kracht
achter het tot stand brengen van een vredesregeling voor dit binnenlands conflict, maar de
internationale gemeenschap - belichaamd in de Verenigde Naties. Hiervoor is in 1991 het
akkoord van Parijs gesloten, dat tot doel had het beëindigen van het conflict en het schep-
pen van een vreedzame omgeving, waarna een nieuwe regering zou kunnen worden ge-
kozen. Om dit te bereiken hebben de Verenigde Naties het initiatief genomen tot een
vredesoperatie, UNTAC. Op het hoogtepunt van deze operatie bevonden zich 20.000
UNTAC-militairen in Cambodja die de lidstaten van de Verenigde Naties ongeveer twee mil-
jard dollar hebben gekost. UNTAC zou niet alleen toezien op de wapenstilstand, maar ook
activiteiten ontplooien om het conflict te beëindigen, waaronder het nagaan of de troepen-
terugtrekkingen werden uitgevoerd, of Vietnamese troepen werkelijk het land zouden verla-
ten en toezien op de hergroepering en demobilisatie van de strijdkrachten van de strijden-
de partijen. Om deze taken te kunnen uitvoeren dienden de strijdende partijen UNTAC onder
meer gegevens te verstrekken over troepenaantallen, de opstelling van de strijdkrachten en
hoeveelheden en soorten wapens. Gezien hun betrokkenheid werd ook van de buurlanden
van Cambodja opgave van militaire gegevens verwacht, met name van de gegevens die de
bevoorradingsroutes van de strijdende partijen betroffen. Toen gedurende de uitvoering van
deze wapenbeheersingsmaatregelen duidelijk werd dat de Rode Khmer zich hieraan onttrok,
nam de medewerking van de andere partijen in de eerste helft van 1992 zienderogen af.
De verkiezingen, die uiteindelijk wel hebben plaatsgevonden, speelden zich af in een omge-
ving waar de strijdende partijen gedeeltelijk ontwapend en gedemobiliseerd waren en één
van de partijen, de Rode Khmer, nauwelijks.
Ondanks intensieve bemoeienis van de internationale gemeenschap, bleek de binnenland-
se stabiliteit nog zeer fragiel. Het feit dat UNTAC niet meer dan gedeeltelijk is geslaagd in
zijn opzet van ontwapening en demobilisatie betekent dat de verwachtingen omtrent maat-
regelen op het gebied van wapenbeheersing in het kader van vredesregelingen of wapen-
stilstanden niet te hoog gespannen moeten zijn, al is het maar omdat de internationale
gemeenschap een dergelijke grote inspanning niet vaak zal kunnen opbrengen.
Het voorafgaande brengt de AIV tot de slotsom dat regionale wapenbeheersing op tal van
beletselen kan stuiten. De ervaring met multilaterale conventionele wapenbeheersing in
Europa is niet in zijn geheel over te plaatsen naar elders in de wereld, hoewel elementen
eruit wellicht waardevol kunnen zijn. Bilaterale afspraken of afspraken tussen kleine groe-
pen van landen komen geregeld voor. Voor bredere, multilaterale afspraken lijken de insti-
tuties of organisaties veelal te ontbreken. Dit beletsel kan worden overwonnen als er poli-
tieke druk is vanuit de internationale of interregionale context om tot maatregelen te
komen. Het geval Cambodja laat zien hoe moeilijk het is in deze gevallen stabiliteit te
scheppen.
V.4      HET WAPENREGISTER VAN DE VERENIGDE NATIES
Om de in- en uitvoer van bewapening meer doorzichtig te maken, heeft de Algemene Ver-
gadering van de Verenigde Naties in 1991 tot de oprichting van het wapenregister beslo-
ten.50 De achterliggende gedachte is dat hierdoor het vertrouwen tussen de deelnemende
                                               46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>lidstaten kan worden vergroot, eventuele spanningen kunnen worden verminderd en, door
de zichtbaarheid, staten zichzelf beperkingen zullen opleggen zodat de kans op destabili-
serende opeenhoping van conventionele wapens afneemt. Lidstaten van de Verenigde
Naties dienen ieder jaar voor 30 april te rapporteren over de in- en uitvoer van tanks,
gepantserde gevechtsvoertuigen, artillerie (van het kaliber 100 mm. en groter), gevechts-
vliegtuigen, gevechtshelikopters, oorlogsschepen (vanaf 750 ton en groter) en raketten en
lanceersystemen. Daarnaast kunnen de lidstaten extra informatie verschaffen over onder
meer nationale bestanden en aanschaf uit nationale produktie van de bovengenoemde
categorieën wapens. Over de jaren hebben steeds tussen de 90 en 100 lidstaten van de
Verenigde Naties gegevens verschaft. Vooral staten uit het Midden-Oosten en Afrika laten
het echter afweten. Niettemin is met de huidige deelname ongeveer 90 procent gedekt van
de in- en uitvoer van bovengenoemde categorieën bewapening. Van de OVSE-staten ver-
schaft het overgrote deel gegevens ten behoeve van het wapenregister. De OVSE-landen
hebben in 1993 afgesproken zich er politiek aan gebonden te achten ieder jaar deze gege-
vens te verstrekken.51
Geregeld buigt een groep deskundigen zich over mogelijke verbeteringen van het wapenre-
gister. Besproken worden dan versterkingen van het register als de verplichte aanduiding
van typen en modellen (momenteel zijn de gegevens niet verder gespecificeerd dan de cate-
gorieën wapens), verlaging van het kaliber voor de artillerie, verlaging van de tonnage van
oorlogsschepen, opname van een categorie van luchtdoelraketten, de oprichting van een
consultatief mechanisme om verschillen in opgaven tussen im- en export te kunnen bespre-
ken en opname van nationale produktie. Vanwege verschillen van opvattingen tussen de lid-
staten is hierover nog geen overeenstemming bereikt. De AIV steunt dit streven te komen
tot versterking van het wapenregister van de Verenigde Naties en voegt daar de volgende
punten aan toe:
1) Een veel gehoorde opvatting is dat lichte wapens deel dienen uit te maken van het
    wapenregister. In hoofdstuk III, echter, is een ander voorstel gedaan, dat opname in het
    wapenregister op termijn overigens niet uitsluit. Daar is betoogd dat de onderhandeling-
    en over normstelling op het gebied van lichte wapens, met inbegrip van de illegale pro-
    duktie en handel, in de Conference on Disarmament in Genève dient te geschieden. De
    reden op dit moment nog geen lichte wapens in het register op te nemen is dat er tal
    van waardevolle suggesties zijn gedaan het nu bestaande register te versterken, die
    door een toevoeging van een andersoortige categorie zouden worden gecompliceerd.
    Lichte wapens zijn immers van een geheel andere aard dan de zeven categorieën van
    het register, die zijn geselecteerd om het te kunnen laten functioneren als vertrouwen-
    wekkende maatregel om opeenhoping van grote conventionele wapens te voorkomen
    cq. zichtbaar te maken. Het register heeft vooral betrekking op wapentransacties tus-
    sen staten. Belangrijke problemen bij lichte wapens zijn de illegale produktie en handel.
    Opname van lichte wapens in het register laat deze onverlet;
2) De verstrekking van gegevens door lidstaten van de Verenigde Naties beperkt zich tot
    die wapens van de zeven categorieën die militair worden aangewend, dat wil zeggen wor-
    den gebruikt voor de nationale strijdkrachten van de betreffende staat. Dit is de inter-
    pretatie die tot nog toe aan het register wordt gegeven. Douane, grenswachten en para-
    militaire strijdkrachten vallen hier buiten.52 De AIV is van oordeel dat deze interpretatie
50 Resolutie 46/36 L van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1991.
51 Voor deze gegevens, zie Sipri jaarboek 1997, p. 281 e.v.
52 Sipri jaarboek 1997, p. 288.
                                                    47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   dient te worden verruimd. De bestemming van de wapens mag geen rol mag spelen bij
   de vraag of deze, in geval van im- of export, ten behoeve van het register moeten wor-
   den aangemeld;
3) De in- en uitvoer van componenten van wapensystemen zijn nu naar hun aard niet in het
   register aan te treffen. De AIV vraagt hier met nadruk aandacht voor en stelt voor deze
   ook in het register op te nemen. Het ligt voor de hand af te spreken dat, naast de lan-
   den die onderdelen uitvoeren, het land waar de assemblage plaats vindt, gegevens hier-
   over ten behoeve van het register verstrekt. De geloofwaardigheid van het Nederlandse
   pleidooi voor transparantie is ermee gediend dit voor te stellen, aangezien Nederland
   vooral onderdelen van wapens uitvoert;
4) Om discrepanties tussen de gegevens van het uitvoerende en van het invoerende land
   op te lossen, is wel voorgesteld een consultatief mechanisme op te zetten van aan het
   register deelnemende staten. Hierover is geen overeenstemming bereikt, met name
   omdat landen er niet voor voelen commercieel-vertrouwelijke gegevens te bespreken
   voor het front van de (overige) lidstaten van de Verenigde Naties. Dit probleem kan wor-
   den ondervangen door een systeem van 'points of contact', dat op bilaterale grondslag
   functioneert. Op die wijze kunnen importeur en exporteur verschillen in hun opgaven
   herstellen, zodat de betrouwbaarheid van het register toeneemt.
                                              48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>VI       CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
Plaatsbepaling
De inhoud van het begrip conventionele wapenbeheersing heeft de afgelopen jaren een evo-
lutie doorgemaakt van een politiek instrument in het kader van de Oost-West verhoudingen
tot een begrip waaraan zeer verschillende betekenis kan worden gehecht. Het gaat om het
terugdringen van de beschikbaarheid en het gebruik van conventionele wapens in zeer ver-
schillende politieke omstandigheden, hier aangeduid als de context van de klassieke inter-sta-
telijke betrekkingen, de context van het veiligheidsacquis in Europa en de context van span-
ningen en conflicten binnen staten. De AIV heeft de verschillende aspecten van conventionele
wapenbeheersing die in de adviesaanvraag aan de orde zijn gesteld bekeken in het besef dat
conventionele wapenbeheersing in veel gevallen weliswaar noodzakelijk is, maar de mogelijk-
heden er gestalte aan te geven beperkt zijn.
Conventionele wapenbeheersing in Europa
Het CSE-verdrag heeft de militaire verhoudingen in Europa doorzichtig gemaakt en eraan bij-
gedragen dat strategische verrassingsaanvallen en grootscheepse offensieven onder de hui-
dige omstandigheden niet hoeven te worden gevreesd. Bij de aanpassing van het CSE-verdrag
dient zijn waarde voor de Europese veiligheid behouden te blijven. Dat betekent dat de pla-
fonds, de openheid in militaire verhoudingen (informatie-uitwisseling) en het intensieve sys-
teem van verificatie moeten worden gehandhaafd. De verdere voorgenomen reducties ver-
sterken naar het oordeel van de AIV de Europese veiligheid. De AIV is van oordeel dat ook het
personeel van paramilitaire eenheden onder de CSE-personeelsplafonds dienen te worden
gebracht.
Om harmonisatie van verplichtingen op het gebied van wapenbeheersing in Europa te berei-
ken doet de AIV aan de Nederlandse regering de volgende aanbevelingen:
a) Aan landen die geen partij zijn bij het CSE-verdrag wordt gevraagd deel te nemen aan de
     uitwisseling van militaire gegevens en de controle daarop (verificatie). Een eerste stap kan
     deelname zijn op vrijwillige grondslag, bijvoorbeeld door de landen die deelnemen aan de
     Europees-Atlantische Partnerschapsraad;
b) Landen die willen toetreden tot de NAVO dienen eerst partij te worden bij het CSE-verdrag.
     Voor de eerste uitbreiding van de NAVO met Hongarije, Polen en de Tsjechische Republiek,
     heeft deze voorwaarde geen gevolgen omdat de genoemde landen al partij zijn bij het CSE-
     verdrag. Op de langere termijn kan deze voorwaarde bijdragen aan de harmonisatie van
     de verplichtingen op het gebied van wapenbeheersing en bovendien het proces van uit-
     breiding van de NAVO transparant maken en een vertrouwenwekkende werking geven.
De AIV beveelt bij de Nederlandse regering aan te bevorderen dat de aanpassing van het CSE-
verdrag wordt voltooid vóórdat de NAVO uitbreidt. Aangezien de toetreding van nieuwe lidsta-
ten is voorzien voor april 1999, het vijftigjarig bestaan van de NAVO, betekent dit dat de aan-
passing van het CSE-verdrag daarvoor zou moeten worden afgerond.
De AIV dringt er bij de Nederlandse regering op aan ervoor te zorgen dat in de bandbreedte
tussen werkelijke bestanden aan bewapening en de opgegeven plafonds evenwicht wordt
geschapen tussen het streven naar stabiliteit (de vertrouwenwekkende werking van de pla-
fonds) en het streven naar flexibiliteit (de mogelijkheid gedurende crises militair te kunnen
optreden). Een beperkte bandbreedte kan helpen een militaire opbouw tijdig op het spoor te
komen. Meer in het algemeen acht de AIV het wenselijk dat het CSE-verdrag meer
crisisbestendig wordt gemaakt en brengt de volgende maatregelen onder de aandacht van de
Nederlandse regering:
                                                49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>1) Bij het ontwikkelen van stabiliserende maatregelen in het kader van de aanpassing van
     het CSE-verdrag die tot doel hebben een potentieel dreigende opbouw van strijdkracht-
     en te voorkomen, kan worden gedacht aan een maatregel die de verdragspartijen ver-
     plicht tot het aanmelden van de werkelijke inzet gedurende gewapende strijd van de vijf
     categorieën zwaar materieel die onder het CSE-verdrag vallen. De aanmelding zou
     betrekking dienen te hebben op de (verandering van) lokatie van het materieel, op de
     omstandigheid of het geïnspecteerd kan worden etc.;
2) Als volgende stap kan worden gesuggereerd dat de verdragspartijen in de JCG de moge-
     lijkheid krijgen met elkaar te overleggen over de hierboven omschreven inzet van
     materieel;
3) Daarnaast zou de JCG in deze gevallen de mogelijkheid moeten krijgen inspectieteams
     uit te sturen, wat betekent dat deze inspecties geen nationale verantwoordelijkheid zijn,
     maar een verantwoordelijkheid van alle verdragspartijen gezamenlijk. Het gegevensbe-
     stand met voor alle verdragspartijen aanvaardbare inspecteurs kan voor dit doel worden
     aangewend.
Bij het verwijderen van de groepenstructuur uit het CSE-verdrag bestaat het gevaar dat de
rol van de NAVO in het overleg over en bij de uitvoering van het verdrag afneemt, ten gun-
ste van bilateraal overleg waar kleine landen als Nederland onvoldoende bij zijn betrokken.
Tegen deze achtergrond beveelt de AIV de samenwerking met Duitsland op verificatiegebied
verder te intensiveren en deze in te bedden in de militaire samenwerking tussen Duitsland
en Nederland.
De AIV is voorts van oordeel dat de mogelijkheid moet worden geschapen mobiele, snel ver-
plaatsbare (en dus offensief te gebruiken) militaire eenheden intensiever aan CSBMs te
onderwerpen. Hierbij kan worden gedacht aan meer gedetailleerde informatie-uitwisseling
en aan CSBMs die het mogelijk maken oefeningen van eenheden in de orde van grootte van
1000 a 1500 manschappen waar te nemen.
Lichte wapens
De problematiek van lichte wapens doet zich wereldwijd gelden. Voor een doeltreffende aan-
pak is internationale samenwerking geboden.
In dit advies ligt de nadruk op het terugdringen van de beschikbaarheid, de verspreiding en
het gebruik van lichte wapens. Dit doet niets af aan het feit dat, voor het welslagen van
maatregelen op dit gebied, deze moeten zijn ingebed in de ruimere politieke, sociale en
economische context. Zo'n aanpak is in dit advies aangeduid als de geïntegreerde bena-
dering, die beoogt voort te bouwen op het (hulp)beleid dat al is ontwikkeld, met name op
het gebied van ontwikkelingssamenwerking. In dit verband beveelt de AIV aan dat de Neder-
landse regering de steun voor de opleiding van kader voor leger, politie en douane vergroot
in die gevallen waar versterking van de staatsstructuur geboden is. In de opleiding dient,
naast de professionele vereisten, aandacht te worden geschonken aan de rechten van de
mens en de beginselen van de rechtsstaat. Voorwaarde voor deze hulpverlening is wel dat
de leger, politie en douane onder burgerlijk politiek gezag zijn gebracht en daar ook werke-
lijk verantwoording aan afleggen.
Andere maatregelen op het gebied van lichte wapens die kunnen worden getroffen zijn:
– De AIV beveelt aan het programma ter voorkoming en bestrijding van de illegale handel
     in conventionele wapens van de Europese Unie - een van oorsprong Nederlands voor-
     stel - verder te (blijven) ontwikkelen, bij voorkeur in de richting van juridisch bindende
     afspraken, waarbij, behalve de tweede pijler betreffende het GBVB van de Europese
     Unie, ook de pijler voor Binnenlandse Zaken en Justitie moet worden betrokken. Tegen
     deze achtergrond beveelt de AIV bovendien aan dat de Nederlandse regering een natio-
                                                 50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>    nale commissie instelt om zeker te stellen dat vanuit Nederland geen illegale handel en
    door Nederland geen doorvoer van conventionele wapens geschiedt. Hiervan dienen in
    elk geval de BVD (het ministerie van Binnenlandse Zaken), MID (het ministerie van
    Defensie) CRI (het ministerie van Justitie), douane (het ministerie van Financieën), ECD,
    het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Buitenlandse Zaken deel
    uit te maken. Doel is het uitwisselen van algemene en op den duur operationele infor-
    matie en de coördinatie van de Nederlandse inbreng in internationaal overleg, onder
    meer, zoals boven aangegeven, in de Europese Unie;
–   De AIV beveelt aan wapenbeheersing voor lichte wapens te bespreken in de CD in Genè-
    ve. Zeker nu het voornemen bestaat de anti-personeel mijnen in de CD aan de orde te
    stellen (zie onder), ligt een verbreding van de discussie naar de gehele categorie van
    lichte wapens in de rede. Op deze wijze kan de voorbereiding ter hand worden genomen
    van een mogelijke latere opname van lichte wapens in het wapenregister van de
    Verenigde Naties of het Wassenaar-arrangement;
–   De AIV beveelt aan in Nederland te onderzoeken op welke wijze het technisch uitvoer-
    baar is een merkteken op nieuw geproduceerde lichte wapens aan te brengen, op zo'n
    wijze dat de herkomst te achterhalen is. Aanvankelijk biedt deze aanpak geen oplossing
    voor de grote hoeveelheden gebruikte lichte wapens die in omloop zijn. Niettemin zou
    kunnen worden nagegaan of het aanbrengen van een merkteken ook technisch uitvoer-
    baar is in die gevallen waarin lichte wapens worden ingezameld, bijvoorbeeld door de Ver-
    enigde Naties. Een betrouwbare vorm van registratie kan de drempel verlagen voor de
    strijdende partijen om hun wapens aan een bemiddelende instantie toe te vertrouwen;
–   Een aantal belangrijke producenten van anti-personeel mijnen hebben het verdrag van
    Ottawa niet ondertekend. Daaronder bevinden zich onder andere de Russische Federa-
    tie en China, maar ook de Verenigde Staten die echter wel sinds 1992 een exportmo-
    ratorium in acht nemen. Zeker voor die landen die er wel aan hebben bijgedragen dat
    de rol van anti- personeel mijnen is teruggedrongen, acht de AIV het wenselijk dat zij
    zich op één of andere wijze kunnen verbinden met het Ottawa-proces zonder de norm
    van het algeheel verbod van anti-personeel mijnen te verzwakken. Hierbij zou kunnen
    worden gedacht aan het scheppen van de mogelijkheid van het aanhechten van unila-
    terale verklaringen van de betreffende landen, waaronder de Verenigde Staten, aan het
    verdrag van Ottawa. Op deze wijze wordt de norm verbreid en worden politieke ver-
    schillen overbrugd. De AIV beveelt bij de Nederlandse regering aan in internationaal
    overleg te bepleiten dat deze mogelijkheid wordt geschapen.
Wapenexport
De AIV beveelt aan vanuit Nederland alleen nog wapens te exporteren naar landen die deel-
nemen aan het wapenregister van de Verenigde Naties. Dit draagt bij aan de transparantie
van deze export en maakt het Nederlandse pleidooi voor meer transparantie internationaal
geloofwaardig. (In de nabije toekomst dient het wapenregister bovendien op zo'n wijze te
worden aangepast dat ook de uitvoer van componenten van wapensystemen erin kan wor-
den opgenomen; zie ook onder.) Op termijn zou een dergelijke maatregel in internationaal
verband kunnen worden ingebracht, waarbij een negende criterium voor de Europese Unie
het meest voor de hand lijkt te liggen.
De discussie over leveranties van overtollig defensiematerieel aan ontwikkelingslanden met
te hoge uitgaven voor militaire doeleinden, brengt de AIV tot de volgende opmerkingen:
– Mocht een percentage van het BNP een rol gaan spelen bij de beoordeling of de defen-
    sie-uitgaven in ontwikkelingslanden te hoog zijn, dan dient ervoor te worden gewaakt dat
    deze niet zal werken als een automatisme. Naast het beslag op de middelen van het
    betreffende land blijven de andere criteria voor wapenexporten hun waarde behouden.
    Bovendien is een veiligheidspolitieke beoordeling van belang, waarbij de internationale
                                              51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>     politieke omstandigheden én het veiligheids- en defensiebeleid van het land in kwestie
     een plaats dienen te krijgen;
–    Als is vastgesteld, los van het hanteren van een percentage, dat de defensie-uitgaven
     van een land onaanvaardbaar hoog zijn, dan dient dat niet alleen gevolgen te hebben
     voor de uitvoer van wapens (en onderdelen) vanuit Nederland. Nadrukkelijker dan tot
     nog toe dienen daaraan ook praktische gevolgen te worden verbonden voor de ontwik-
     kelingsrelatie. Eén van de elementen van de herijking van het buitenlands beleid is
     geweest een ontschotting van beleid zodanig dat aspecten op elkaar kunnen worden
     afgestemd. De AIV beveelt de Nederlandse regering aan de betrekkingen in dergelijke
     gevallen in samenhang in beschouwing te nemen.
Nu het Britse voorzitterschap een gedragscode omtrent wapenexport in de Europese Unie
heeft geïntroduceerd, dienen alle inspanningen erop te zijn gericht een versterking van het
wapenexportbeleid in de Europese Unie te bewerkstelligen. De AIV beveelt de Nederlandse
regering aan het Britse initiatief te (blijven) steunen en eraan bij te dragen dat substantiële
afspraken worden gemaakt. Voortbouwend op activiteiten waarover in de Europese Unie al
overeenstemming bestaat, heeft de AIV een aantal praktische stappen gesuggereerd om,
in het kader van het GBVB, afstemming van het wapenexportbeleid van de lidstaten te
bereiken ten opzichte van regio's in en rond Afrika. Dit op specifieke regio's toegesneden
beleid kan eraan bijdragen dat een politieke dialoog tussen wapenexporterende en -impor-
terende landen wordt bewerkstelligd.
De Europese Commissie probeert meer en meer het wapenexportbeleid onder het com-
munautaire acquis te brengen. Of deze opstelling van de Europese Commissie veel kans
maakt moet worden afgewacht. Niettemin beveelt de AIV de regering aan de Europese Com-
missie in haar streven te steunen omdat dit de mogelijkheden vergroot voor regulering en
internationale afstemming van, niet alleen het wapenexportbeleid, maar ook de activiteiten
van de defensie-industrie.
De AIV heeft vastgesteld dat met de Verenigde Staten alleen over wapenexport wordt
overlegd in het kader van multilaterale exportregelingen (vooral in het kader van het Was-
senaar-arrangement). Aangezien de Verenigde Staten de grootste exporteur is van conven-
tionele wapens is het voor een doeltreffend beleid onontbeerlijk dat de Europese Unie met
de Verenigde Staten overleg op gang tracht te brengen over wapenexport. Daarom acht de
AIV het van belang dat wapenexportbeleid deel gaat uitmaken van de transatlantische agen-
da. Dit kan er bovendien aan bijdragen dat de positie van de Europese Commissie op dit
vlak verder wordt versterkt.
Het Wassenaar-arrangement moet op zo'n wijze worden versterkt dat het belang van de
civiele technologie voor militaire toepassingen, alsmede het belang van de technologische
ontwikkeling van onderdelen van wapensystemen, er een plaats in kunnen krijgen. Dit is
noodzakelijk omdat de verspreiding van wapens, onderdelen en technologie hierdoor steeds
moeilijker is te beheersen.
Regionale wapenbeheersing
Het probleem van de selectie van landen, of de afperking van de regio, maakt regionale
beperkingen op conventionele bewapening tot een theoretisch aantrekkelijk, doch in de
praktijk moeilijk uitvoerbaar concept. Regionale wapenbeheersing kan op tal van beletselen
stuiten. De ervaring met multilaterale conventionele wapenbeheersing in Europa is niet in
zijn geheel over te plaatsen naar elders in de wereld, hoewel elementen eruit wellicht waar-
devol kunnen zijn (zie onder). Bilaterale afspraken of afspraken tussen kleine groepen van
landen komen geregeld voor. Voor bredere, multilaterale afspraken lijken de instituties of
organisaties veelal te ontbreken. Dit beletsel kan worden overwonnen als er politieke druk
                                                 52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>is vanuit de internationale of interregionale context om tot maatregelen te komen.
De volgende elementen van de Europese ervaringen kunnen ten behoeve van conventione-
le wapenbeheersing elders in de wereld dienstig zijn:
–   de beginselen en normen kunnen een voorbeeldwerking hebben;
–   een forum om te onderhandelen is van onschatbare waarde;
–   informatie-uitwisseling, inspecties en een betrouwbaar gegevensbestand kunnen
    bijdragen aan het verbeteren van militaire verhoudingen;
–   CSBMs dienen op zo'n wijze in een regio te worden geïntroduceerd dat de inhoud van
    de maatregelen oplopende intensiteit vertoont.
CSBMs lijken nog het meest kansrijk om werkelijk in regio's te kunnen worden ingevoerd.
Het wapenregister van de Verenigde Naties
De AIV steunt het streven te komen tot versterking van het wapenregister van de Verenig-
de Naties, doch voegt daar de volgende punten aan toe:
1) Een veel gehoorde opvatting is dat lichte wapens deel dienen uit te maken van het
    wapenregister. De AIV beveelt evenwel aan dat de onderhandelingen over normstelling
    op het gebied van lichte wapens, met inbegrip van de illegale produktie en handel, in
    de Conference on Disarmament in Genève dient te geschieden. De reden op dit moment
    nog geen lichte wapens op te nemen is dat er waardevolle suggesties zijn gedaan het
    nu bestaande register te versterken, die door een toevoeging van een andersoortige
    categorie zouden worden gecompliceerd;
2) De verstrekking van gegevens door lidstaten van de Verenigde Naties beperkt zich tot
    die wapens van de zeven categorieën die militair worden aangewend, dat wil zeggen wor-
    den gebruikt voor de nationale strijdkrachten van de betreffende staat. Dit is de inter-
    pretatie die tot nog toe aan het register wordt gegeven. Douane, grenswachten en para-
    militaire strijdkrachten vallen hier buiten. De AIV is van oordeel dat deze interpretatie
    dient te worden verruimd;
3)   De in- en uitvoer van componenten van wapensystemen zijn naar hun aard niet in het
    register aan te treffen. De AIV brengt het belang van de in- en uitvoer van componenten
    in het verband van het wapenregister van de Verenigde Naties met nadruk onder de aan-
    dacht van de Nederlandse regering en stelt voor deze in het register op te nemen. Het
    ligt voor de hand af te spreken dat, naast de landen die onderdelen uitvoeren, het land
    waar de assemblage plaats vindt, gegevens hierover ten behoeve van het register ver-
    strekt. De geloofwaardigheid van het Nederlandse pleidooi voor transparantie is ermee
    gediend dit voor te stellen, aangezien Nederland vooral onderdelen van wapens uit-
    voert;
4) Om discrepanties tussen de gegevens van het uitvoerende en van het invoerende land
    op te lossen, kan worden gedacht aan systeem van 'points of contact', dat op bilate-
    rale grondslag functioneert. Op die wijze kunnen importeur en exporteur verschillen in
    hun opgaven herstellen, zodat de betrouwbaarheid van het register toeneemt.
                                               53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Bijlage 1</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>De huidige wapenbeheersingspraktijk in Europa

Europa heeft zichzelf na een lang en moeizaam onderhandelingsproces vèrgaande
beperkingen opgelegd op het gebied van conventionele wapens. Het Verdrag inzake
Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE-verdrag), dat weliswaar dateert van 1990,
doch geworteld is in de Koude-Oorlogsituatie, biedt hiervoor het voornaamste juridische
kader. In dit verdrag hebben de NAVO-landen en de landen van het voormalige
Warschaupact zich verplicht tot kwantitatieve beperking van bepaalde categorieën zware
conventionele wapens en tot vernietiging van wapens boven die limieten. Deze
verplichtingen gaan vergezeld van een ingrijpend verificatieregime van wederzijdse
inspecties. Thans wordt het CSE-verdrag gemoderniseerd. De bipolaire structuur (de
groepsplafonds voor NAVO- en Warschaupact-landen en de ‘zonale’ limieten) zal
verdwijnen en waarschijnlijk worden vervangen door territoriale en nationale
bewapeningsplafonds. Daardoor wordt het ook voor nog niet deelnemende Europese landen
mogelijk zich aan te sluiten. De regering acht dit een wenselijke ontwikkeling.

Naast deze harde’ wapenbeheersing hebben zich, oorspronkelijk eveneens vanuit de Koude-
Oorlogcontext, ’zachte’ wapenbeheersingsafspraken ontwikkeld in Europa, vooral in het
kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Achtergrond
van de totstandkoming van het OVSE-stelsel van militaire vertrouwenwekkende maatregelen
(zoals goeddeels neergelegd in het zgn. Weens Document 1994) was het streven naar
voorzichtige doorbreking van de Oost-West-tegenstelling. De gedachte was dat transparantie
- het verschaffen van inzicht in elkaars militaire activiteiten en capaciteiten - en onderlinge
militaire contacten het wederzijdse vertrouwen zouden bevorderen en daarmee de kans op
het uitbreken van gewelddadige conflicten konden doen verminderen.

Het Europese wapenbeheersingsacquis blijkt ook bruikbaar buiten zijn direkte
toepassingsgebied. Het CSE-verdrag en het Weens Document 1994 hebben model gestaan
voor de wapenbeheersingsafspraken die ingevolge het zgn. Dayton-akkoord voor voormalig
Joegoslavië konden worden geformuleerd. Tot een regionaal wapenbeheersingsakkoord voor
voormalig Joegoslavië en omliggende landen (waartoe het Dayton-akkoord eveneens
oproept) is het evenwel nog niet gekomen. Evenmin is het tot op heden mogelijk gebleken
veel voortgang te boeken met regionale wapenbeheersing in gebieden grenzend aan de
Zwarte Zee respectievelijk de Baltische Zee. Ten slotte zijn bij lange na niet alle Europese
landen partij bij het CSE-verdrag en zijn er nog geen direkte indicaties dat niet-NAVO- en
niet-voormalig-Warschaupact-landen willen toetreden tot dit verdrag. Al met al kan toch
gesteld worden dat conventionele wapenbeheersing in Europa goed van de grond is
gekomen. Onduidelijk is evenwel in welke richting de wapenbeheersing zich in de komende
jaren verder zou kunnen ontwikkelen.

1. Waar dient, naar het inzicht van de AIV, met de ophanden zijnde modernisering van
het CSE-verdrag en met de in OVSE-kader ontwikkelde vertrouwenwekkende
maatregelen, de aandacht van de Regering zich voor wat betreft conventionele
wapenbeheersing in Europa vooral op te richten?

Regionale wapenbeheersing buiten Europa en mondiale wapenbeheersing

Regionale 'harde’ wapenbeheersing is buiten Europa vooralsnog niet van de grond gekomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Met het wegvallen van de Oost-West-tegenstelling is er meer oog gekomen voor
intrastatelijke conflicten, veelal veroorzaakt door maatschappelijke transformatieprocessen.
In deze categorie van gewapende conflicten is men, uitzonderingen daargelaten, doorgaans
aangewezen op eenvoudige conventionele wapens. Daarbij spelen in dergelijke conflicten per
definitie ook niet-statelijke actoren, zoals afscheidingsbewegingen en guerrilla-groepen, een
belangrijke rol. Op de relatie tussen staten toegesneden klassieke wapenbeheersing is minder
goed van toepassing op dergelijke situaties.

Hier komt nog bij dat, in tegenstelling tot de sitiuatie in de meeste landen van Europa, de
defensie-uitgaven in sommige regio’s van de wereld toenemen, bijvoorbeeld in het Midden-
Oosten en Zuid-Oost-Azië. Ongebreidelde internationale wapenstromen (zowel legaal als
illegaal) en excessieve accumulaties van conventionele wapens kunnen destabiliserende
effecten hebben en de internationale vrede en veiligheid bedreigen. Grote voorraden wapens
kunnen daarnaast een ernstige bedreiging vormen voor de interne stabiliteit van een land,
vooral ook in de periode na de beëindiging van een conflict. Daarbij kunnen bijvoorbeeld
landmijnen nog lang na een conflict oorzaak zijn van een schrijnende humanitaire
problematiek. Conventionele wapenbeheersing geldt daarom meer dan ooit als een belangrijk
onderdeel van crisispreventie en -beheersing)!.

Conventionele wapenbeheersing is echter verre van eenvoudig. Artikel 51 van het VN-
Handvest erkent immers het recht van zelfverdediging van staten, en het recht zich hiertoe
(conventioneel) te bewapenen wordt algemeen aanvaard. Het hanteren van alomvattende
verbodsbepalingen, zoals haalbaar bleek t.a.v. massavernietigingswapens, is dan ook
nauwelijks mogelijk t.a.v. conventionele wapens (m.u.v. bepaalde categorieën ’dubieuze’
wapens; zie hierna). In beginsel is tedere staat soeverein bij de keuze van het soort en het
aantal conventionele wapens dat hij meent nodig te hebben voor zijn legitieme
defensiebehoeften. In de praktijk zijn politieke ambities, dreigingspercepties en
economische mogelijkheden de belangrijkste factoren die het bewapeningsniveau van een
staat bepalen.

Zonder af te doen aan het internationaal erkende recht op bewapening ten behoeve van
zelfverdediging, is de Regering van mening dat conventionele wapenbeheersing dient te
worden nagestreefd. Zulks kan de internationale vrede en veiligheid bevorderen en is ook uit
humanitair oogpunt van belang. De vraag dient zich dan ook aan of er nader beleid te
ontwikkelen is dat aanzetten kan geven tot conventionele wapenbeheersing op regionaal
en/of mondiaal niveau, in aanvulling op hetgeen tot nu toe is bereikt op dat terrein. Hierbij
zij aangetekend dat door de jaren heen Nederland een voortrekkersrol heeft gespeeld op het
gebied van wapenbeheersing. Om deze rol blijvend te kunnen vervullen, is bezinning op de
toekomst gewenst.

</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>De huidige wapenbeheersingspraktijk in Europa

Europa heeft zichzelf na een lang en moeizaam onderhandelingsproces vèrgaande
beperkingen opgelegd op het gebied van conventionele wapens. Het Verdrag inzake
Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE-verdrag), dat weliswaar dateert van 1990,
doch geworteld is in de Koude-Oorlogsituatie, biedt hiervoor het voornaamste juridische
kader. In dit verdrag hebben de NAVO-landen en de landen van het voormalige
Warschaupact zich verplicht tot kwantitatieve beperking van bepaalde categorieën zware
conventionele wapens en tot vernietiging van wapens boven die limieten. Deze
verplichtingen gaan vergezeld van een ingrijpend verificatieregime van wederzijdse
inspecties. Thans wordt het CSE-verdrag gemoderniseerd. De bipolaire structuur (de
groepsplafonds voor NAVO- en Warschaupact-landen en de ‘zonale’ limieten) zal
verdwijnen en waarschijnlijk worden vervangen door territoriale en nationale
bewapeningsplafonds. Daardoor wordt het ook voor nog niet deelnemende Europese landen
mogelijk zich aan te sluiten. De regering acht dit een wenselijke ontwikkeling.

Naast deze harde’ wapenbeheersing hebben zich, oorspronkelijk eveneens vanuit de Koude-
Oorlogcontext, ’zachte’ wapenbeheersingsafspraken ontwikkeld in Europa, vooral in het
kader van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Achtergrond
van de totstandkoming van het OVSE-stelsel van militaire vertrouwenwekkende maatregelen
(zoals goeddeels neergelegd in het zgn. Weens Document 1994) was het streven naar
voorzichtige doorbreking van de Oost-West-tegenstelling. De gedachte was dat transparantie
- het verschaffen van inzicht in elkaars militaire activiteiten en capaciteiten - en onderlinge
militaire contacten het wederzijdse vertrouwen zouden bevorderen en daarmee de kans op
het uitbreken van gewelddadige conflicten konden doen verminderen.

Het Europese wapenbeheersingsacquis blijkt ook bruikbaar buiten zijn direkte
toepassingsgebied. Het CSE-verdrag en het Weens Document 1994 hebben model gestaan
voor de wapenbeheersingsafspraken die ingevolge het zgn. Dayton-akkoord voor voormalig
Joegoslavië konden worden geformuleerd. Tot een regionaal wapenbeheersingsakkoord voor
voormalig Joegoslavië en omliggende landen (waartoe het Dayton-akkoord eveneens
oproept) is het evenwel nog niet gekomen. Evenmin is het tot op heden mogelijk gebleken
veel voortgang te boeken met regionale wapenbeheersing in gebieden grenzend aan de
Zwarte Zee respectievelijk de Baltische Zee. Ten slotte zijn bij lange na niet alle Europese
landen partij bij het CSE-verdrag en zijn er nog geen direkte indicaties dat niet-NAVO- en
niet-voormalig-Warschaupact-landen willen toetreden tot dit verdrag. Al met al kan toch
gesteld worden dat conventionele wapenbeheersing in Europa goed van de grond is
gekomen. Onduidelijk is evenwel in welke richting de wapenbeheersing zich in de komende
jaren verder zou kunnen ontwikkelen.

1. Waar dient, naar het inzicht van de AIV, met de ophanden zijnde modernisering van
het CSE-verdrag en met de in OVSE-kader ontwikkelde vertrouwenwekkende
maatregelen, de aandacht van de Regering zich voor wat betreft conventionele
wapenbeheersing in Europa vooral op te richten?

Regionale wapenbeheersing buiten Europa en mondiale wapenbeheersing

Regionale 'harde’ wapenbeheersing is buiten Europa vooralsnog niet van de grond gekomen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Op mondiaal niveau bestaat het in VN-kader in 1980 tot stand gekomen Dubieuze-
Wapensverdrag. Dit verdrag legt beperkingen op aan inzet en overdracht van bepaalde
categorieën conventionele wapens, die geacht worden een non-discriminatoire werking te
hebben of buitensporig leed te veroorzaken (bepaalde landmijnen, fragmentatie-, brand- en
laserwapens). Het aantal partijen bij dit verdrag is echter vooralsnog beperkt. Mede in het
kader van dit verdrag zijn inmiddels steeds meer stemmen opgegaan om spoedig te komen
tot een wereldwijd algeheel verbod op anti-personeellandmijnen. Een en ander heeft
internationaal politiek momentum gekregen, vooral als gevolg van de grote aantallen
burgerslachtoffers die deze categorie conventionele wapens veroorzaakt. Het is nog onzeker
of het overleg terzake spoedig tot tastbare resultaten zal leiden.

In navolging van Europa worden ook in andere regio’s, o.a. in Azië en in Latijns-Amerika,
voorzichtige pogingen gedaan ’zachte’ wapenbeheersing te introduceren. Vermoedelijk zijn
veel staten slechts bereid mee te werken aan wapenbeheersingsafspraken als
verificatiebepalingen ontbreken. Daarnaast is een begin gemaakt met wereldwijde
transparantie in conventionele wapenoverdrachten dankzij het VN-wapenregister. Het VN-
wapenregister beperkt zich tot zeven categorieën zware conventionele wapens, die door hun
aard de stabiliteit kunnen ondermijnen in geval van overmatige opeenhoping.

2. Welke wegen ziet de AIV om te komen tot (verdergaande) conventionele
wapenbeheersing op mondiaal niveau, of op regionaal niveau buiten Europa? In
concreto ware daarbij te denken aan specifieke wapenbeheersings-maatregelen,
categorieën wapens waarop deze maatregelen betrekking kunnen hebben, noodzaak
en haalbaarheid van verificatie, wijzen waarop en fora waarin één en ander gestalte
zou kunnen krijgen.

3. Is het naar de mening van de AIV mogelijk en wenselijk de Europese resultaten ten
aanzien van wapenbeheersing toe te passen in regio's buiten Europa? Zo ja, op
welke wijze zou dit kunnen geschieden en welke regio’s zouden hiervoor het meest in
aanmerking kunnen komen?

Internationale maatregelen ten aanzien van kleine wapens - wapens die door een infanterist
kunnen worden meegevoerd - ontbreken tot op heden nagenoeg geheel. De belangstelling
hiervoor neemt echter geleidelijk aan toe. In dit verband zij vermeld dat de Regering het
initiatief heeft genomen in EU-kader te komen tot een *Programma ter Voorkoming en
Bestrijding van Illegale Wapenhandel’ (als bijlage toegevoegd). Dit EU-programma richt
zich vooral op kleine wapens. Ook in andere regio’s is een toenemende belangstelling voor
deze problematiek waarneembaar. Als voorbeeld diene West-Afrika, waar voorstellen zijn
gelanceerd voor een regionaal moratorium op de in- en uitvoer van kleine wapens. Het is
wenselijk dat wordt onderzocht welke andere maatregelen kunnen worden genomen om
excessieve en destabiliserende accumulaties van kleine wapens tegen te gaan. In dit verband
verdienen zowel de aanbod- als de vraagzijde van de problematiek aandacht.

4. Welke mogelijkheden ziet de AIV om, in aanvulling op reeds ontwikkelde
initiatieven, de problematiek van de ongebreidelde accumulaties van kleine wapens
in de wereld internationaal meer voor het voetlicht te krijgen, rekening houdend met
de omstandigheid dat niet-statelijke actoren juist ten aanzien van deze categorie
wapens een belangrijke rol spelen?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>wapenexporten en exportcontroles

Verscheidene wapenexporterende landen hebben normstellende instrumenten aan de
aanbodzijde ontwikkeld, mede omdat die ten aanzien van conventionele wapens aan de
vraagzijde goeddeels afwezig zijn. In dit verband zijn voor Nederland vooral van belang de
acht criteria van het wapenexportbeleid. Deze criteria zijn overeengekomen door de landen
van de EU en vormen de basis voor hun nationale wapenexportbeleid. In de praktijk blijken
de EU-lidstaten de criteria nogal eens verschillend te interpreteren. Er bestaat derhalve
behoefte aan harmonisatie van de toepassing van de criteria.

5. Op welke wijze zou de Regering de totstandkoming van een eenduidige interpretatie
van de acht criteria van het wapenexportbeleid, zoals overeengekomen door de
landen van de EU, kunnen bevorderen?

Het ontbreken van normen aan de vraagzijde doet zich ook gevoelen binnen een tweetal
*exportcontroleregimes’; regimes die ten doel hebben ongewenste proliferatie van bepaalde
wapens en technologieën tegen te gaan. Binnen het ’Missile Technology Control Regime’
(MTCR) hebben industrieel geavanceerde landen afspraken gemaakt die moeten voorkomen
dat bepaalde raketsystemen worden ontwikkeld in landen die daarover momenteel niet
beschikken, zonder dat er een verdrag is dat zulks verbiedt. Het "Wassenaar Arrangement’,
dat de export van conventionele wapens en relevante ’dual-use’-goederen onder controle
brengt, is ook een voorbeeld van eenzijdige normering aan de aanbodzijde.

Momenteel heeft MTCR een transparantie-programma in ontwikkeling, waarbij een dialoog
wordt gezocht met landen die niet bij de desbetreffende exportcontroleregimes zijn
aangesloten. Een dergelijke dialoog zou ten aanzien van conventionele wapens ook kunnen
worden nagestreefd. Mogelijk biedt het Wassenaar Arrangement hiertoe een opening.

6. Ziet de AIV mogelijkheden, al dan niet in EU-verband, een dialoog aan te gaan met
landen die wapens en wapentechnologie aankopen, teneinde tot internationale
normstelling ten aanzien van conventionele bewapening te komen? Een dergelijke
dialoog zou niet alleen de exporterende landen kunnen aanzetten tot verdere
harmonisatie en verfijning van hun exportcontrole-beleid, maar tevens meer begrip
kunnen genereren bij de ontvangende landen voor de doelstellingen ervan. Mogelijk
kan de verdere ontwikkeling van het Wassenaar Arrangement een dergelijke
interactie tussen exporterende en importerende landen bewerkstelligen.

Algemeen

7. Welke beleidsinstrumenten komen, in het licht van het bovenstaande, naar het
oordeel van de AIV in aanmerking ingezet te worden ter bevordering van regionale
en mondiale conventionele wapenbeheersing? Het gaat daarbij niet slechts om het
identificeren van de mogelijkheden die de verschillende sectoren van ontschot
buitenlands beleid bieden, zoals handelspolitiek en ontwikkelingssamenwerking,
doch tevens om het aangeven van de wijze waarop toepassing internationaal kan
worden ingekaderd teneinde effectiviteit te verzekeren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Wij zouden het op prijssstellen indien de AIV ons over deze vragen en eventueel andere
aspecten die samenhangen met de toekomst van conventionele wapenbeheersing van advies
kan dienen, indien mogelijk voor medio december a.s.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

tor Tk

DE MINISTER VAN DEFENSIE

<
li

TT
DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

jal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>The Council of the European Union,

convinced that peace and security are inextricably
interlinked with economic development and reconstruction,

recognizing that the availability and accumulation
of massive quantities of conventional arms and especially
their illicit trafficking, often associated with destabilizing
activities, are disturbing and dangerous phenomena,
particularly for the internal situation of affected states and
for the respect of human rights,

stressing the need for effective national control
measures on the transfer of conventional arms,

recognizing also the curbing of illicit
trafficking of conventional arms as an important contribution
to the relaxation of tension and to reconciliation processes,

desirous to take concrete measures to curb the
illicit traffic and use of conventional arms, as called for in
UNGA resolution 51/45 F, to take practical disarmament
measures, as called for in UNGA resolution 51/45 N, and to
provide assistance to states for curbing the illicit traffic
in small arms and collecting them, as called for in UNGA
resolution 51/45 L, all of 10 December 1996,

recalling the EU Member States’ common reply to UNGA
resolution 50/70 B of 12 December 1995,

has adopted the following

EU PROGRAMME FOR PREVENTING AND COMBATING
ILLICIT TRAFFICKING IN CONVENTIONAL ARMS

(1) EU Member States will strengthen their collective efforts
to prevent and combat illicit trafficking of arms (footnote
1), particularly of small arms, on and through their
territories. In particular, they will vigilantly discharge
their national responsibility to ensure the effective
implementation of obligations resulting from Treaties and
Joint Actions adopted in this field (footnote 2). Furthermore,
consideration could be given to, inter alia:

~ fostering enhanced cooperation and coordination among
intelligence, customs and law enforcement agencies, both at
the national and international level, in order to ensure
adequate (customs) checks, as well as prompt investigation and
effective prosecution in cases of illicit trafficking of arms;

- improving the exchange of information and data on illicit
trafficking of arms, e.g. through the use of international
data bases and risk analyses.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>(2) The EC and its Member States, within the limits of their
respective competences, will take concerted action to assist
other countries in preventing and combating illicit
trafficking of arms, particularly of small arms. Specifically,
this assistance could aim to:

- set up or strengthen, as appropriate, an adequate body of
laws and administrative measures for regulating and monitoring
effectively transfers of arms;

-— adopt strict measures, and provide an adeguate number of
appropriately trained police and customs officials, for the
enforcement of national arms export control legislation;

- set up (sub)regional points of contact to report illicit
trafficking of arms;

- set up national commissions against illicit trafficking of
arms;

- prevent corruption and bribery in connection with illicit
trafficking of arms;

- promote (sub)regional and national cooperation between
police, customs authorities and intelligence services in this
field;

- promote the use of relevant existing international data
bases.

(3) The EC and its Member States, within the limits of their
respective competences, will take concerted action to assist
affected countries, especially in post-conflict situations and
in situations where a minimal degree of security and stability
exists, in suppressing the illicit circulation and trafficking
of arms, particularly of small arms. Specifically, they could
aim to:

- ensure the incorporation of appropriate measures for
suppressing the illicit circulation and trafficking of arms in
peace keeping operations and cease-fire or peace agreements
preceeding Such operations. To this end, they will cooperate
closely, where appropriate, with the United Nations;

- set up weapons collection, buy back and destruction
programmes ;

- set up educational programmes to promote awareness among
the local population of the negative consequences of illicit
trafficking of arms;

- promote the integration of former combatants in civilian
life.

(4) EU Member States will ensure adequate cooperation between
the competent branches of their national authorities in giving
concrete form to the objectives of this Programme. The
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Presidency of the Council will ensure the necessary
coordination in this field.

(5) The EC, according to its own procedures, and its Member
States are prepared, where appropriate, to make funds
available in pursuit of the objectives of this Programme.

(6) The Council will annually review the actions taken in the
framework of this Programme.

FOOTNOTES:

1: For the purpose of this Programme and in conformity with
the definition in para. 7 of the Guidelines for International
Arms Transfers (UN Disarmament Commission, 7 May 1996),
"illicit trafficking in arms" is understood to cover that
international trade in conventional arms which is contrary to
the laws of states and/or international law.

2: Inter alia the EEC Convention on Mutual Assistance between
the Respective Customs Administrations ("Naples Customs
Treaty") of 7.9.1967, the EU Convention of 26.07.1995 on the
use of information technology in the field of customs, and the
Joint Action of 20.12.1996, providing a common programme for
the exchange and training of, and cooperation between, law
enforcement authorities.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>                                                     Bijlage 2
Geraadpleegde personen en instanties
Dr. K. Colijn
Journalist.
Drs. F.A. Engering
Ministerie van Economische Zaken, Directeur Generaal Buitenlandse
Economische Betrekkingen.
Brigade-generaal b.d. H.J. van der Graaf
Directeur wapenbeheersing en verificatie van de Technische Universiteit Eindhoven en lid van de
’Advisory Board on Disarmament Matters’ van de Verenigde Naties.
Dr. P. Rusman*
Journalist
Geraadpleegde personen bij de studiereis van de werkgroep conventionele wapenbeheersing van de
Commissie Vrede en Veiligheid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken naar Washington en
New York in de periode 29 september –2 oktober 1997.
Washington
Nederlandse Ambassade:
Drs. R.J. van Houtum
Tijdelijk zaakgelastigde
Denktanks:
Dr. Hans Binnendijk
Director from the Institute for National Strategic Studies at the National Defense University
Dr. Stephen Cambone
Senior Fellow in the Political-Military Studies Program Center for Strategic and International Studies
Dr. Ivo Daalder
Associate Professor at the School of Public Affairs & Director of Research at the Center for
International and Security Studies
Mr. Frank Gaffney Jr.
Director from the Center for Security Policy
Mr. Micheal O'Hanlon
Fellow from the Brookings Institution
Mrs. Lora Lumpe
Director of the Federation of American Scientists' Arms Sales Monitoring Project
Mr. Michael Krepon
President from the Stimson Center
Dr. Janne E. Nolan
Senior Fellow from the Brookings Institution
Mr. Brad Roberts
Institute for Defense Analyses Strategy
* Speciale dank gaat uit naar dr. P Rusman voor zijn bijdrage aan hoofdstuk 4 van het advies.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Departement of State:
Mr. Graig Dunkerley
Director of the Office of European Security and Political Affairs
Mr. Johan Holum
Acting Under Secretary for Arms Control & International Security Affairs & Director ACDA
Mr. Eric Newsom
Acting Assistant Secretary for Political-Military Affairs
National Security Council:
Mr. Gary Samore
Special Assistant to the President & Senior Director for Nonproliferation & Export Controls
Pentagon:
Dr. Susan Koch
Deputy Assistant Secretary of Defense for Threat Reduction Policy
Capitol Hill:
Mr. Marshall Billingslea
Arms Control Expert, Republican, Senate of Foreign Relations Committee
Mr. Edward Levine
Arms Control Expert, Democrat, Senate of Foreign Relations Committee
Mr. Ken Myers
Senator Lugar's Office (Republican-Indiana)
Mr. Ken Myers jr.
Senator Lugar's Office (Republican-Indiana)
Mr. Stanley Sloan
Senior Specialist in International Security Policy in the Congressional Research Service of
the Library of Congress & Advisor to the Senate NATO Observer Group
New York
Permanente Vertegenwoordiging bij de Verenigde Naties:
Mr. Cord Meier-Klodt
Counsellor German Mission
Mr. Steffen Rudolph
Minister Plenipotentiary German Mission
Drs R.W. Zaagman
PCZ Nederlandse Ambassade
Secretariaat Verenigde Naties:
Mr. Yasushi Akashi
Under-Secretary-General Departement of Humanitarian Affairs (DHA)
Mr. Runo Bergström
Departement of Peace-Keeping Operations/lessons learned (DPKO/lessons learned)
Lt. gen. Manfred Eisele
Assistent Secretary-General, Office of Planning and Support,
Departement of Peace-Keeping Operations (DPKO)
Mr. Y. Golkorsky
Deputy Director Centre for Disarmament Affairs
Gen. maj. marns F.E . Van Kappen
Militair adviseur Departement of Peace-Keeping Operations (DPKO)
Mr. Bernard Miyet
Under-Secretary-General Departement of Peace-Keeping Operations (DPKO)
Mr. Kieran Prendergast
Under-Secretary-General of Political Affairs (DPA)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                   Bijlage 3
      AFKORTINGEN
ACRS  Arms Control and Regional Security Working Group (voor het Midden Oosten)
AIV   Adviesraad Internationale Vraagstukken
ASEAN Association of South-East Asian Nations
AWACS Airborne Warning and Control System
BVD   Binnenlandse Veiligheidsdienst
BNP   Bruto Nationaal Produkt
CIA   Central Intelligence Agency
CD    Conference on Disarmament
COCOM Coordinating Committee on Multilateral Export Controls
CSBM  Confidence and Security Building Measures
CSE   Verdrag over de Conventionele Strijdkrachten in Europa
DAC   Development Assistance Committee
ECD   Economische Controle Dienst
EG    Europese Gemeenschappen
EU    Europese Unie
ENMOD Convention on the Prohibition of Military or any Hostile Use of
      Environmental Modification Techniques
GBVB  Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
IMF   Internationaal Monetair Fonds
JCG   Joint Consultative Group
MID   Militaire Inlichtingendienst
MPLA  Movimento Popular de Libertaçao de Angola
NAVO  Noord Atlantische Verdragsorganisatie
OECD  Organisation for Economic Co-operation and Development
OVSE  Organisatie van Veiligheid en Samenwerking in Europa
PDD   Presidential Decision Directory
SIPRI Stockholm International Peace Research Institute
START Strategic Arms Reduction Talks/Treaty
TLE   Treaty Limited Equipment
UNITA Uniao National para a Independencia Total de Angola
UNTAC United Nations Transitional Authority for Cambodia
VN    Verenigde Naties
VVD   Volkspartij voor Vrijheid en Democratie
WEU   West Europese Unie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>