<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>      DE WORSTELING VAN AFRIKA
VEILIGHEID, STABILITEIT EN ONTWIKKELING
            No. 17, Januari 2001
                      1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter          Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen (waarnemend voorzitter)
Leden               Dhr. A.L. ter Beek
                    Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                    Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                    Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                    Prof. mr. C. Flinterman
                    Prof. dr. E.J. de Kadt
                    Dr. B. Knapen
Ambtelijk adviseurs Mr. F.A.M. Majoor (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                    Drs. B.W. Bargerbos (Ministerie van Defensie)
Secretaris          Drs. F. van Beuningen
                    Postbus 20061
                    2500 EB Den Haag
                    telefoon 070 - 348 5108/6060
                    fax 070 - 348 6256
                    E-mail AIV@minbuza.nl
                    Internet www.AIV-Advies.nl
                                           2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>3</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>            Inhoudsopgave
            Woord vooraf
            Het Nederlandse Afrika-beleid      5
            Adviesaanvraag       7
            Definities en afbakening     8
            Vooruitblik     9
            Verantwoording       10
  I         Tegenstellingen en conflicten in Afrika: algemene schets      11
  II        De staat in Afrika: achtergrond       15
            II.1     Soevereiniteit en staatsopbouw      15
            II.2     Scheidslijnen binnen staten      16
            II.3     Verkiezingen en democratisering       16
  III       Wapens, bewapening en bewapenden           19
            III.1    De rol van militairen en politie    19
            III.2    Security Sector Reform      19
            III.3    Uitgaven voor bewapening en wapenhandel         20
            III.4    Het tegengaan van het gebruik van (lichte) wapens     21
  IV        Economische factoren en de gewapende strijd          24
            IV.1     Economische bronnen van conflict       24
            IV.2     Financiering van de gewapende strijd      25
  V         Sociale context van conflicten en conflictoplossing        27
            V.1      Migratie     27
            V.2      Aids     27
            V.3      Jeugd en geweld      29
            V.4      Gender en veiligheid     30
            V.5      Verzoening      31
  VI        Mensenrechten en veiligheid        33
            VI.1     Het Afrikaans Handvest voor de rechten       33
                     van de mens en voor de rechten van volkeren
            VI.2     Rechtsstelsel en mensenrechten       34
            VI.3     Nationale commissies voor de rechten van de mens       34
  VII       Internationale politieke betrokkenheid bij veiligheid en stabiliteit in Afrika 36
            VII.1    Algemeen       36
            VII.2    Het beleid van de Europese Unie ten aanzien van Afrika     37
            VII.3    Vredehandhaving in Afrika       39
            VII.4    Een OVSE voor Afrika?      40
            VII.5    Nederlandse (bilaterale) betrokkenheid bij Afrika    41
  VIII      Samenvatting en aanbevelingen          42
  Bijlage I          Adviesaanvraag
  Bijlage II         Overzichtskaart van conflictgebieden in Afrika
4 Bijlage III        Lijst van afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>5</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Woor d vooraf
“Zuid-Afrika is onze droom, Rwanda onze nachtmerrie. De droom kan uitkomen,
maar niet morgen”, schreef Wole Soyinka in 1994.
Hiermee schetst de Nobelprijswinnaar Soyinka in kernachtige taal het existentiële
probleem van het Afrika van vandaag. Is de democratiseringsgolf van de jaren
negentig een voorbode van veranderingen ten goede? Of zijn de onbeschrijfelijke
gruwelen van de genocide in Rwanda reden tot pessimisme over de toekomst van
Afrika? De beantwoording van deze vragen hangt mede af van het gekozen tijds-
perspectief. De Japanse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken begon in 1999 een
speech over het Japanse beleid ten aanzien van Afrika als volgt: “Ik geloof beslist
dat Afrika een glanzende toekomst tegemoet gaat. Vier eeuwen lang bevond Afrika
zich in een bijzonder nadelige positie, zowel historisch als geografisch. Toch is de
slavernij afgeschaft, het kolonialisme beëindigd, de Koude Oorlog gestopt en de
apartheid ontmanteld. Nu is de tijd voor Afrikanen zelf gekomen om aan hun toe-
komst te bouwen.”1
De Wereldbank ziet in het rapport “Can Africa claim the 21st Century?” zelfs moge-
lijkheden dat Afrika zijn ontwikkelingscrisis in één generatie te boven komt.2 Voor
het uitvoeren van deze immense taak zijn veiligheid en stabiliteit een eerste ver-
eiste. Deze ontbreken echter maar al te vaak in Afrika. Bovendien worden in te veel
landen nog altijd de rechten van de mens stelselmatig geschonden. Zouden de ver-
eisten van veiligheid en stabiliteit worden vervuld - op dit moment niet meer dan
een ver toekomstperspectief voor de door oorlog en geweld getroffen regio’s op
het continent - dan zouden aanmerkelijk meer Afrikanen dan nu een ‘normaal’
leven kunnen leiden en zouden de problemen van onderontwikkeling kunnen
worden aangepakt. Bovendien is een veilig en stabiel Afrika uiteindelijk in het
belang van de gehele internationale gemeenschap. Het ontbreken van veiligheid en
stabiliteit vormt het hoofdprobleem voor landen in Afrika, dat in dit advies cen-
traal staat. Te vrezen valt dat het generaties zal duren voordat Afrikaanse landen
de gevolgen van de gewapende strijd te boven zijn. Daarom draagt dit advies de
titel ‘De worsteling van Afrika’, aangezien het continent zich ziet gesteld voor de
gelijktijdige opgaven het gebruik van geweld in te dammen en te boven te komen
én zijn politieke, economische en maatschappelijke ontwikkeling ter hand te
nemen.
Het Nederlandse Afrika-beleid
Op 17 augustus 1999 hebben de minister van Buitenlandse Zaken en de minister
voor Ontwikkelingssamenwerking een notitie over Afrika aangeboden aan de
Tweede Kamer. Hierin onderstrepen beide ministers het streven te komen tot een
geïntegreerd Afrika-beleid waarin politieke, economische en ontwikkelingsinstru-
menten in samenhang worden bezien en vormgegeven. De twee hoofddoelstellin-
gen van de regering zijn het bevorderen van veiligheid en stabiliteit en het bevor-
deren van goed bestuur en goed beleid. Dit laatste richt zich vooral op landen uit
de zogeheten ‘18 + 4-lijst’. Volgens de Afrika-notitie zijn er in Afrika negen arme
1   Toespraak van professor Keizo Takemi, de Japanse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Japan’s
    Policy towards Africa, Dar es Salaam 1999. Bron: www.mofa.go.jp/region/africa/ssv9905/policy.html.
2   The World Bank, Can Africa claim the 21st Century?, Washington 2000, p. 3.
                                                     5
                                                     6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>landen die "aantoonbaar ernst maken" met goed bestuur en goed beleid; met deze
landen is Nederland een structurele, bilaterale relatie aangegaan: Burkina Faso,
Eritrea, Ethiopië, Ghana, Mali, Mozambique, Tanzania, Oeganda en Zambia. Gezien
de oorlog die tussen Eritrea en Ethiopië woedde, heeft de Nederlandse regering de
hulp aan deze landen bevroren, maar beide landen wel op de lijst gehandhaafd.
Afhankelijk van de voortgang van het vredesproces, zo heeft de regering aangekon-
digd, kan de hulp geleidelijk aan worden hervat. Recentelijk heeft de regering
Rwanda toegevoegd aan de lijst met landen waarmee een structurele, bilaterale
relatie wordt aangegaan.3
Met Egypte is een langdurige relatie aangegaan, hoewel het minder arm is dan de
hiervoor genoemde landen. De relatie met Zuid-Afrika wordt voortgezet, evenwel
beperkt in de tijd. Daarnaast is er een groep landen waarmee wordt samengewerkt
door middel van programma’s op het gebied van mensenrechten en vredesopbouw:
Guinee-Bissau, Kenia, Namibië en Zimbabwe. (Voorheen kwam ook Rwanda voor dit
programma in aanmerking; deze activiteiten zijn nu overgeheveld.) In het milieu-
programma gaat het om samenwerking met Benin (duurzaam ontwikkelingsverdrag),
Kaapverdië en Senegal. Daarnaast komt nog een aantal landen in aanmerking voor
het bedrijvenprogramma: Ivoorkust, Kaapverdië en Nigeria. Overige landen waar-
mee Nederland een ontwikkelingsrelatie onderhoudt zijn: Angola, Burundi, Kame-
roen, Lesotho, Liberia, Madagaskar, Malawi, Marokko, Mauritanië, Niger, Nigeria,
Seychellen en Soedan.4 Er is dus per saldo sprake van contact met 35 Afrikaanse
landen, met elf waarvan een langdurige ontwikkelingsrelatie wordt onderhouden.
Op het gebied van veiligheid en stabiliteit onderzoekt Nederland onder andere de
mogelijkheden bij te dragen aan het hervormen van de veiligheidssector van ver-
schillende Afrikaanse landen (onder meer Mozambique, Oeganda, Kenia, Rwanda,
Mali, Senegal, Tanzania, Malawi en Benin).
In de memorie van toelichting bij de begroting 2001 van Buitenlandse Zaken en
Ontwikkelingssamenwerking onderstreept de regering haar streven te komen tot
een geïntegreerd beleid, waarbij de regering beoogt bij te dragen aan de veiligheid
en stabiliteit in Afrika. Voor dat doel richt de regering zich tevens op vredesop-
bouw in post-conflict situaties. De structurele ontwikkelingsrelatie met de daarvoor
aangemerkte ontwikkelingslanden in Afrika krijgt intussen vorm.
Recentelijk heeft Nederland in multilateraal verband aandacht gevraagd voor
Afrika. Zo is onder meer op verzoek van Nederland in de Algemene Raad van de
Europese Unie gesproken over conflicten in Afrika aan de hand van analyse van de
Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het buitenlands beleid.
Nederland gebruikte ook zijn lidmaatschap van de Veiligheidsraad om bij de
Verenigde Naties de veiligheid in Afrika op de agenda te plaatsen. In september
1999 heeft de Veiligheidsraad vergaderd over Afrika onder het voorzitterschap van
premier Kok. Daarnaast kan worden gewezen op de ‘Afrika-maand’, die is georgani-
seerd. Daarbij is vooral aandacht besteed aan de handel in en productie van kleine
3  De minister voor Ontwikkelingssamenwerking a.i., Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer over
   de landenlijst structurele ontwikkelingssamenwerkingsrelatie, Den Haag, 11 september 2000.
4  Ministerie van Buitenlandse Zaken, Afrika-notitie, Den Haag 1999, p. 26.
                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>wapens. De Nederlandse regering neemt zich voor de voortgang van genomen
beleidsinitiatieven te bewaken. Daarnaast draagt Nederland door training en finan-
ciële steun bij aan de ontwikkeling van Afrikaanse capaciteit op het gebied van
vredehandhaving. Tevens ondersteunt de Nederlandse regering de Organisatie voor
Afrikaanse Eenheid financieel.5
Adviesaanvraag
Op 20 januari 2000 heeft de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de
minister van Defensie en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de Advies-
raad Internationale Vraagstukken (AIV) gevraagd advies uit de brengen over veilig-
heid en stabiliteit in Afrika. Onder de vaststelling dat de sleutel voor vrede op het
Afrikaanse continent bij de Afrikanen zelf ligt, worden in de aanvraag die aan dit
advies ten grondslag ligt, vier argumenten genoemd voor het verlenen van Neder-
landse steun aan Afrikaanse inspanningen gericht op veiligheid en stabiliteit:
– in de eerste plaats is het een Nederlands belang dat meer aandacht wordt
   geschonken aan conflicten op het Afrikaanse continent omdat instabiliteit in
   Afrika ook gevolgen heeft voor de veiligheid in Europa. In dit verband wordt
   gesproken over vluchtelingenproblematiek, de (potentiële) stroom van asielzoe-
   kers en de export van criminaliteit (drugs). Ook het verlies van (potentiële) han-
   delspartners zou gevolgen kunnen hebben voor Europa;
– als tweede argument wordt genoemd dat veel Afrikaanse landen en organisaties
   te weinig financiële en/of institutionele capaciteit hebben om tijdig in te grijpen
   bij dreigende crises. Het ingrijpen in een vroege fase van een conflict (voordat
   geweld is uitgebroken) is veel effectiever en goedkoper dan ingrijpen in een
   gewapend conflict;
– ten derde wordt ongeveer de helft van de bilaterale ontwikkelingsgelden aan
   Afrika besteed. “Ontwikkelingssamenwerking en politiek zijn niet te scheiden”,
   stelt de aanvraag. “Veiligheid en stabiliteit bevorderen ontwikkeling en sociaal-
   economische ontwikkeling heeft een effect op veiligheid en stabiliteit. Dit recht-
   vaardigt een brede, geïntegreerde en coherente benadering, zoals bepleit in de
   Afrika-notitie, in navolging op het rapport van de secretaris-generaal van de Ver-
   enigde Naties over de oorzaken van conflicten”;
– ten slotte worden ook humanitaire motieven aangevoerd om aandacht te schen-
   ken aan veiligheid en stabiliteit in Afrika.
Nadat een aantal uitgangspunten van het beleid is gegeven en is ingegaan op
mogelijke oorzaken van conflicten worden in de adviesaanvraag de volgende vra-
gen aan de AIV voorgelegd:
• Hoe ziet de AIV de ontwikkeling van veiligheid en stabiliteit in Afrika?
• Op welke wijze dienen veiligheid en stabiliteit te worden bevorderd?
• Welke bijdragen kunnen internationale partners, in het bijzonder Nederland,
   leveren aan het bevorderen van veiligheid en stabiliteit in Afrika?
• Op welke onderdelen zou de coherentie van het Nederlands beleid kunnen
   worden verbeterd?
De adviesaanvraag is als bijlage 1 in dit advies opgenomen.
5  Ministerie van Buitenlandse Zaken, memorie van toelichting bij de begroting voor het jaar 2001, p. 7
   en p. 32, 33.
                                                 8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Definities en afbakening
De bovenomschreven adviesaanvraag doet de vraag rijzen of voor de bepaling van
de inspanningen van Nederland gericht op veiligheid en stabiliteit, Afrika als een
geheel kan worden benaderd. Het beeld is geschakeerd: er zijn landen in Afrika
(bijvoorbeeld Soedan, Angola, Democratische Republiek Congo, Congo-Brazaville,
Sierra Leone) die in een gewapende strijd zijn verwikkeld, naast landen die de
gewapende strijd lijken te hebben beëindigd (Ethiopië en Eritrea), terwijl andere
landen, ondanks veiligheidsrisico’s, vooruitgang boeken (bijvoorbeeld Botswana,
Mozambique, Nigeria, Ghana en Kameroen). Er zijn steden, zoals Addis Abeba,
waar men ’s avonds rustig over straat kan lopen en steden, zoals Johannesburg,
waar dat zeer gevaarlijk is. Hoewel elke regio en ieder land in Afrika een eigen
geschiedenis heeft en in het besef dat elk conflict in Afrika de resultante is van
unieke omstandigheden en gebeurtenissen, kennen regio’s en landen in Afrika toch
voldoende gedeelde geschiedenis, maatschappelijke en culturele overeenkomsten,
alsmede een in internationaal perspectief vergelijkbare politieke en economische
positie, dat het gebruik van de generalisaties ‘Afrika’ en ‘Afrikaans’ te rechtvaardi-
gen is. Het gebruik van deze (of andere) generalisaties beoogt op geen enkele wijze
afbreuk te doen aan de rijke schakering aan landen en regio’s, aan geschiedenis en
cultuur, alsmede aan de verscheidenheid van politieke, economische en maat-
schappelijke ontwikkeling, die Afrika óók kenmerkt. Overigens ligt in dit advies
het accent op de 48 landen die de regio Sub-Sahara Afrika uitmaken.
In een eerder advies is de AIV al ingegaan op de morele, politieke en volkenrechte-
lijke aspecten van militair ingrijpen in een humanitaire noodsituatie.6 Daarom zal
dit onderwerp in dit advies slechts zijdelings aan de orde komen. Facetten van het
beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking spelen, vanzelfsprekend,
door het gehele advies. In hoofdstuk VII worden bilaterale aspecten hiervan onder-
streept.
Bij veiligheid en stabiliteit in ruime zin gaat het niet alleen om het al dan niet
voorkomen van geweld. In de Afrikaanse context spelen in het verband van veilig-
heid en stabiliteit onder andere ook voedselveiligheid, armoede (werkeloosheid,
inkomensniveau), economische achteruitgang, schaarste aan hulpbronnen (grond-
stoffen, water, goederen), afbraak van het milieu, maatschappelijke ongelijkheid,
schending van de rechten van de mens en manipulatie van etnische en/of religieu-
ze tegenstellingen.7 De AIV beperkt zich in dit advies echter in hoofdzaak tot vei-
ligheid en stabiliteit in relatie tot (potentieel) gewelddadige crises.
In verschillende constellaties kunnen bovengenoemde factoren ten grondslag lig-
gen aan conflicten, waarbij onderscheid moet worden gemaakt tussen de directe
aanleiding voor en de achterliggende oorzaken van het uitbreken van conflicten.
Voor Afrika geldt dat armoede een factor van betekenis is. Armoede (‘weinig te ver-
liezen hebben’, ‘geen vooruitzichten hebben’) kan, zeker voor jongeren, de drempel
verlagen aan een gewapende strijd deel te nemen. Deelname biedt immers, naast
status, uitzicht op snelle doch kortstondige verwerving van welvaart en op
6   AIV en CAVV (Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken), Humanitaire
    interventie, advies nr. 13 (april 2000).
7   Stockholm International Peace Research Institute, Sipri Yearbook 2000 – Armaments, Disarmament
    and International Security (Oxford, University Press, 2000), p. 4,5. (Hierna aangeduid als Sipri
    jaarboek 2000).
                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>vervulling van individuele behoeften. In deze zin kan armoede worden aangeduid
als een omgevingsfactor die de individuele afweging kan beïnvloeden om deel te
nemen aan de gewapende strijd.
Een kaart van de conflictgebieden in Afrika is opgenomen als bijlage 2.
Vooruitblik
Gesteld voor de vraagstukken rond veiligheid en stabiliteit in Sub-Sahara Afrika
heeft de AIV zich de vraag gesteld wat Nederland kan doen. De grootte en com-
plexiteit hiervan betekenen, ten eerste, dat een doeltreffend antwoord niet beperkt
kan blijven binnen de grenzen van één beleidsterrein. De grootte en complexiteit
van de vraagstukken rond veiligheid en stabiliteit in Afrika betekenen voorts dat
het een overspannen verwachting zou zijn te denken dat Nederland bilateraal een
doeltreffend antwoord zou kunnen formuleren, te meer daar het gangbare beleid
terzake van ontwikkelingssamenwerking zich in hoofdzaak richt op landen met
goed bestuur en goed beleid. (Hierbij wordt voorbijgegaan aan de vraag wat ‘goed
bestuur’ precies betekent in de Afrikaanse omstandigheden en hoe het beleid in de
praktijk wordt uitgevoerd.) De landen die worden gekenmerkt door onveiligheid en
instabiliteit komen dan niet in aanmerking voor structurele ontwikkelingssamen-
werking, maar slechts voor programma’s, bijvoorbeeld voor mensenrechten en
democratie of voor noodhulp. Binnen dit kader kan ontwikkelingssamenwerking
niet meer dan beperkt bijdragen aan de oplossing van vraagstukken van veiligheid
en stabiliteit. De aanbevelingen die in dit advies worden geformuleerd richten zich
dan ook in hoofdzaak op standpunten en zienswijzen die Nederland kan inbrengen
in multilateraal verband, tenzij uitdrukkelijk is aangegeven dat het gaat om
inspanningen die de Nederlandse regering bilateraal kan leveren.
De AIV pleit in dit advies voor voortgezette internationale, Europese en Nederlandse
betrokkenheid bij Afrika, onder andere in het licht van de diverse politieke, histo-
rische, economische en andere betrekkingen die Nederland (Europa) met het conti-
nent onderhoudt. Het advies dient te worden gelezen als een pleidooi voor een
intensieve Nederlandse inzet ten behoeve van het streven Afrika veiliger (minder
onveilig) en meer stabiel (minder instabiel) te maken. Het ontbreken van veiligheid
en stabiliteit in landen en regio’s in Afrika verhindert dat ontwikkeling op gang
komt. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van regeringen en organi-
saties in Afrika hierin verbetering te brengen. In het besef dat de oorzaak van een
deel van deze vraagstukken buiten Afrika ligt, is internationale, Europese en
Nederlandse betrokkenheid zeer op zijn plaats. In dit advies staat in dit verband
de ontwikkeling van statelijke structuren centraal die zijn gegrond op de ‘rule of
law’.
Na een algemene schets van tegenstellingen en conflicten in Afrika (hoofdstuk I)
volgt een behandeling van de staat in Afrika (hoofdstuk II). Vervolgens worden
vraagstukken rond de bewapening aan de orde gesteld (hoofdstuk III), waarna
wordt ingegaan, in hoofdzaak vanuit de optiek van het ontbreken van veiligheid en
stabiliteit in Afrika, op economische factoren (hoofdstuk IV), op de sociale context
(hoofdstuk V) en op de rechten van de mens (hoofdstuk VI). Daarna wordt nog eens
apart ingegaan op de internationale, Europese en Nederlandse betrokkenheid bij de
veiligheid en stabiliteit in Afrika (hoofdstuk VII). Het advies besluit in hoofdstuk
VIII met een samenvatting van de conclusies en aanbevelingen.
                                            10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Verantwoording
Ter voorbereiding van dit advies heeft de AIV de Commissie Afrika ingesteld
waarin leden van de verschillende permanente commissies van de AIV zitting
hebben gehad: prof. dr. E.J. de Kadt (voorzitter), mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh,
prof. dr. F. van Dam, dr. Ph.P. Everts, prof. mr. C. Flinterman*, prof. dr. B. de Gaay
Fortman, prof. dr. J.W. Gunning, prof. dr. K. Koch, prof. dr. I. Wolffers, mw. drs.
E.M. Schoo, ir. J.F. Timmer en prof. dr. N.J. Schrijver*. De leden van wie de naam
met een asterisk (*) is gemarkeerd, hebben als corresponderend lid deel
uitgemaakt van de Commissie Afrika. Mw. drs. E. Chr. W. van der Laan (Directie
Afrika van het ministerie van Buitenlandse Zaken) heeft gefungeerd als ambtelijk
adviseur van de Commissie Afrika. Vanuit de staf van de AIV is het secretariaat van
de Commissie Afrika gevoerd door mw. drs. C. E. van Dullemen, secretaris van de
Commissie Ontwikkelingssamenwerking van de AIV, ondersteund door de stagiairs
A.C. Buyse, B.J. Rip en G.D. van der Staaij; drs. F. van Beuningen, secretaris van de
AIV, heeft de redactie van de adviestekst verzorgd.
Ter voorbereiding van dit advies is door de voorzitter en de secretaris van de
Commissie Ontwikkelingssamenwerking de vijfdaagse Wiltonpark-conferentie ‘The
challenges for Governance in Africa’ bezocht (Sussex, 1999). Mw. drs. E.M. Schoo
en de secretaris van de Commissie Ontwikkelingssamenwerking hebben een bijeen-
komst bijgewoond getiteld ‘Development Implications of Civil Conflicts in Africa:
The Economics of Civil Conflicts in Africa’, georganiseerd door de ‘Economic
Commission for Africa’ (Addis Abeba, 2000). De voorzitter heeft bij de Verenigde
Naties gesprekken gevoerd over veiligheid en stabiliteit in Afrika, onder andere
met medewerkers van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging, ambassa-
deur mr. A.P. van Walsum, mw. drs. P. Genée, drs. A. Kooijmans, generaal-majoor
K. Roos en voorts met T. Zerihoun (directeur Africa I-division van de Verenigde
Naties), Y. Mahmoud (directeur Africa II-division van de Verenigde Naties),
mrs. M. Vogt, (special assistant van de plaatsvervangend secretaris-generaal I. Fall),
Ambassador I. Gambari (plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde
Naties) (New York, 2000).
Voorts hebben deskundigen op het terrein van vrede en veiligheid en Afrika hun
informatie en inzichten gedeeld met de Commissie Afrika van de AIV. Het gaat om
dr. S. Ellis (Afrika Studie Centrum, Universiteit Leiden), dhr. C. Niehaus (toenmalig
ambassadeur van Zuid-Afrika), mw. dr. I. van Kessel (Afrika Studie Centrum,
Universiteit Leiden), dr. K. van Walraven (Afrika Studie Centrum, Universiteit
Leden), drs. H. Dop (Militaire Inlichtingen Dienst) en dhr. B. Vashee (Trans National
Institute).
De AIV is alle betrokkenen zeer erkentelijk voor hun bereidheid hun informatie en
inzichten te delen met leden van de Commissie Afrika.
De AIV heeft dit advies vastgesteld in zijn vergadering van 15 december 2000.
                                           11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>I          Tegenstellingen en conflicten in Afrika:
           algemene schets
Van de 27 grote conflicten die zich in 1999 in de wereld voordeden, speelde het groot-
ste deel zich af in Afrika.8 Wanneer ook kleinere conflicten worden meegerekend,
speelt zelfs het overgrote deel in Afrika9 . Nieuwe gewapende conflicten ontspringen
voor het merendeel op Afrikaanse bodem. Afrika is bovendien het enige continent dat
sinds 1995 een toename kent van het aantal gewapende conflicten. Het gaat daarbij
vooral om conflicten binnen staten.10
In Afrika leeft ongeveer een vijfde van de bevolking in landen die door wapengeweld
worden geteisterd. Eén op elke 150 Afrikanen is vluchteling. Het modale inkomen in
Afrika is minder dan de helft van dat in Azië, en minder dan een achtste van het moda-
le inkomen in Europa of in Noord-Amerika.11 Het gemiddelde inkomen per hoofd van
de Afrikaanse bevolking is lager dan eind jaren zestig.12 Een derde van de geschoolde
Afrikaanse werknemers werkt overzee.13 Jaarlijks sterven ruim een miljoen mensen
aan malaria. Meer dan 24 miljoen Afrikanen zijn HIV-positief. In zestien landen is meer
dan tien procent van de bevolking met het virus besmet.14
Tegen deze achtergrond spelen de gewapende conflicten in Afrika. De oorlogsdoelen
van de strijdende partijen kunnen uiteenlopen van het verwerven van de politieke
macht of hegemonie (binnen een land of binnen een regio) tot de exploitatie van hulp-
bronnen. Motieven voor de gewapende strijd kunnen gelegen zijn in politieke of econo-
mische tegenstellingen, doch ook in etnische of religieuze verschillen tussen groepen
binnen een staat, waar politieke leiders een appèl op doen. In veel gevallen ontaarden
de gewelddadigheden in ongerichte terreur van de strijdende partijen, waarvan ook
(ongewapende) burgers het slachtoffers zijn.
8   Sipri jaarboek, pp. 15 – 17, in het bijzonder tabel 1.1 en figuur 1.1.
9   Zie B. Jongman, Oorlog en politiek geweld, in: B. Bomert en Th. Van den Hoogen (red.), Internationale
    Veiligheidsvraagstukken in het Nederlands perspectief. Jaarboek Vrede en Veiligheid 1999 (Nijmegen,
    1999), pp. 37 – 60, in het bijzonder de tabellen 2, 3 en 4.
10 Sipri jaarboek, p. 17 en p. 47.
11 Collier, P., Elbadawi, I. en Sambanis, N., Why Are There So Many Civil Wars in Africa?, Prevention of
    Future Conflicts and Promotion of Inter-Group Cooperation, paper voor ECA-conferentie, Addis Abeba
    2000, p. 6.
12 The World Bank, Can Africa claim the 21st Century?, p. 1.
13 International Organisation for Migration (IOM). Bron: www.iom.int.
14 Joint United Nations Programme on HIV/AIDS, Report on the global HIV/AIDS epidemic, 2000.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Zoals in het Woord vooraf is aangegeven, liggen politieke, economische, sociaal-cultu-
rele en andere factoren, in verschillende constellaties, ten grondslag aan conflicten in
Afrika. In thans gangbare verklaringen van gewelddadige conflicten in Afrika wordt een
groot aantal factoren aan de orde gesteld. De onderscheiden factoren duiden op even
zovele mogelijke oorzaken van conflicten:
1) in ‘de nieuwe chaos’ voeren economische factoren de boventoon en wordt vooral
    gewezen op de schaarste aan hulpbronnen (water, landbouwgrond, voedsel etc.) die
    leidt tot afbraak van het milieu, resulterend in vijandschap, chaos en geweld;15
2) de ‘economie van de oorlog’ gaat uit van een rationele keuze voor geweld met eco-
    nomische opbrengsten als oorlogsdoelstelling. De gewapende strijd, onder leiding
    van ‘warlords’, speelt zich in hoofdzaak af in regio’s van waaruit grondstoffen, hout
    of andere rijkdommen kunnen worden geëxporteerd. Daarbij zijn bovendien relaties
    met buitenlandse ondernemingen en de opbrengst van plundering van groot
    belang;16
3) in andere verklaringen staat de zwakte van het Afrikaanse politieke systeem cen-
    traal: het neopatrimoniaal bestuur van veel Afrikaanse regeringen - wat inhoudt dat
    een sterke, persoonlijke relatie bestaat tussen politici en hun aanhangers, hetgeen
    onder andere tot uiting kan komen in cliëntelisme - wordt bedreigd door de economi-
    sche terugval en het afnemen van de hulpstromen na de Koude Oorlog. In deze
    benadering is geweld een middel in een heftige politieke competitie;17
4) ook de negatieve gevolgen voor landen in Afrika van de mondialisering worden als
    verklarende factoren opgevoerd. Hierbij wordt onder andere gewezen op de negatie-
    ve gevolgen van de aanpassing die het IMF en de Wereldbank van staten vragen - in
    hoofdzaak op het economische vlak. Eén van de gevolgen hiervan kan zijn dat het
    centrale gezag zozeer wordt verzwakt dat groepsidentiteit de overhand krijgt boven
    nationale identiteit. In combinatie met informalisering van de economie en erosie
    van sociale en economische verworvenheden, kan dit het ontstaan tot gevolg heb-
    ben van politieke bewegingen die zich baseren op groepsidentiteit;18
5) andere verklarende factoren die worden opgevoerd, liggen op het sociaal-culturele
    vlak en leggen de nadruk op historische ontwikkelingen en culturele achtergronden:
    het geweld op staatsniveau wordt verbonden met het dagelijks geweld, in hoofdzaak
    door groepen gemarginaliseerde jongeren die hun toevlucht kunnen zoeken in crimi-
    nele activiteiten.19
Gewapende strijd en oorlogvoering zijn moeilijk te beheersen. Vlak na conflicten en in
de buurt van een eerder slagveld is de kans groot dat een nieuw strijdtoneel wordt
15 Kaplan, R.D., The Coming Anarchy, in: The Atlantic Monthly, februari 1994.
16 Collier, P. en Hoeffler, A., On economic causes of civil war, Oxford Economic Papers, 1998, 50, no. 4,
   pp. 513-573; Collier, P. en Hoeffler, A., Greed and Grievance in Civil War, The World Bank,
   Washington 2000.
17 Joseph, R., State, Conflict and Democracy in Africa, London 1999; Chabal, P. en Daloz, J.P., Africa
   works: disorder as political instrument, The International African Institute, Oxford 1999.
18 Kaldor, M. en Vashee, B. (ed.), New Wars, London 1997; Duffield, M., War and Famine, Oxford 1994.
19 Ellis, S., Liberia 1989-1994: a study of Ethnic and Spiritual Violence, in: African Affairs, 1995, 94, 375,
   pp. 165-197.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>geopend. Dat leidt ertoe dat in sommige regio’s (West-Afrika, Hoorn van Afrika, Grote
Meren-gebied) de gewapende strijd eerder regel dan uitzondering is. De regionale uit-
zaaiing van conflicten wordt in de eerste plaats veroorzaakt door onmiddellijk merkbare
gevolgen van de gewapende strijd. Hierbij kan worden gedacht aan vluchtelingen die
massaal hun toevlucht zoeken in omringende landen, of aan politieke leiders, bijvoor-
beeld in buurlanden, die voordeel hopen te behalen door één van de strijdende partijen
te steunen. In de tweede plaats zaaien conflicten ook uit omdat door de gewapende
strijd de machtsverhoudingen (binnen een land, binnen een regio) veranderen. Dit biedt
derden niet alleen de kans zich direct te mengen in gevechten die aan de gang zijn,
maar ook om de strijd aan te binden met tegenstanders die elders al zijn gebonden.
Het is deze olievlekwerking van gewapende conflicten, de destabilisering die om zich
heen grijpt, die indamming van het geweld zo’n moeilijke opgave maakt.
Een voorbeeld hiervan, en van de complexiteit en gelaagdheid van conflicten, is de
gewapende strijd in de Democratische Republiek Congo. Internationale en interne fac-
toren, alsmede de strijd om zeggenschap over exploitatie van natuurlijke hulpbronnen,
spelen hier alle door elkaar heen. Bovendien worden (vredes)akkoorden met regelmaat
gesloten, maar ook weer verscheurd. Ook de strijdkrachten van Oeganda en Rwanda -
landen met politieke leiders aan wie voor die tijd een dempende invloed werd toege-
kend in het conflict rond de Democratische Republiek Congo - zijn sinds de zomer van
1999 geregeld met elkaar slaags geraakt. De inzet daarbij is zowel politieke invloed als
de controle over de winning van goud en diamanten en over koffieconcessies. Dit duidt
erop dat aan de dynamiek van eenmaal losgebarsten, gewelddadige conflicten moeilijk
is te ontkomen. De - vele - internationale diplomatieke inspanningen hebben nauwelijks
kunnen bijdragen aan de beëindiging van oorlogen of gewelddadigheden in Afrika.20 De
recente overeenstemming over beëindiging van de oorlog tussen Ethiopië en Eritrea, tot
stand gekomen in Algiers, vormt hierop een uitzondering. Hierbij dient te worden aange-
tekend dat Ethiopië op het slagveld de overhand had gekregen, wat beëindiging van de
gewapende strijd heeft bevorderd.
Door de veelheid van factoren die in het spel is, is niet eenduidig te voorspellen welke
tegenstellingen of spanningen zullen uitgroeien tot een gewelddadig conflict. Ook de
literatuur over ‘early warning’ en ‘early action’ kan in concrete gevallen niet voorspellen
welke constellatie van factoren op welk tijdstip zal uitmonden in een gewelddadig con-
flict. Aan waarschuwingen ontbreekt het niet, maar het schort aan capaciteit om de
waarschuwingen adequaat te interpreteren en aan de politieke bereidheid te komen tot
een gezamenlijk, internationaal afgestemd optreden.21
Overigens wordt voor de analyse van veiligheidsrisico’s ook teruggegrepen op de
geschiedenis van Afrika. Een rapport van voormalig secretaris-generaal van de Verenig-
de Naties, Boutros-Ghali, noemt de willekeurige verdeling van Afrika bij het congres van
Berlijn (1885) als factor waaruit nu nog conflicten kunnen voortvloeien.22 Grenzen
20 Strategic Survey 1999/2000 – International Institute for Strategic Studies (Londen, Oxford U.P. 2000),
    p. 247.
21 Instituut Clingendael, Conflict Prevention and Early Warning in the Political Practice of International
    Organisations, Den Haag 1996.
22 Boutros-Ghali, B., The causes of conflict and the promotion of durable peace and sustainable
    development in Africa, UN, 1998.
                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>zijn het product van specifieke, tijdgebonden machtsverhoudingen en historische
omstandigheden en het verloop van grenzen wordt, om die reden, gekenmerkt door een
zekere mate van willekeur. Bijzonder aan het verloop van de grenzen tussen veel Afri-
kaanse landen is dat deze het gevolg zijn van afspraken tussen koloniale machten aan
het eind van de 19e eeuw. Het gegeven dat de grenzen van Afrika eerder het product
zijn van de machtsverhoudingen tussen de koloniale machten dan van interne Afrikaan-
se machtsverhoudingen maakt dat het verloop van deze grenzen nogal eens ter discus-
sie wordt gesteld. Echter, het streven naar een ‘natuurlijk’ of etnisch verloop van gren-
zen biedt geen oplossing. Immers, over een onomstreden afbakening van wat
‘natuurlijk’ of ‘etnisch zuiver’ is, is geen overeenstemming te bereiken. De OAE en
diens lidstaten willen de vingers niet branden aan een dergelijke discussie over een
opdeling van staten of verschuiving van grenzen.
Wat ook de bronnen van de conflicten zijn, de kosten in verwoeste mensenlevens, in
ernstige aantasting van de draagkracht van het milieu, in gemiste politieke, economi-
sche en maatschappelijke kansen zijn (onaanvaardbaar) hoog. Voortdurende schendin-
gen van de rechten van de mens, het groeiend aantal vluchtelingen en ontheemden, de
teloorgang van milieu en natuur, de verspreiding van besmettelijke ziekten zoals AIDS,
het toenemende gebruik van wapens en de vernietiging van de infrastructuur dragen op
hun beurt weer bij aan onveiligheid en instabiliteit. De afnemende mogelijkheden jonge-
ren een opleiding te bieden en de steeds meer om zich heen grijpende cultuur van
straffeloosheid in de regio’s en landen die worden geteisterd door oorlogvoering en
wapengeweld tekenen een generatie. Dit legt een zware hypotheek op de toekomst van
Afrika.
                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>II        De staat in Afrika: achtergrond
II.1      Soevereiniteit en staatsopbouw
De opbouw van staten in Afrika is een proces van vallen en opstaan gebleken. Veel
staten bevinden zich in het stadium van ‘primitive central state power accumulation’.23
Instituties zijn niet meer dan rudimentair ontwikkeld en nauwelijks in staat diensten te
leveren of collectieve goederen voort te brengen. Staten in Afrika beschikken weliswaar
over de formele, externe kenmerken van soevereiniteit (erkenning door andere staten,
lidmaatschap van de Verenigde Naties), doch kennen niet meer dan een gebrekkige
interne soevereiniteit, te weten een onvoldoende effectief en erkend gezag over de
bevolking op het eigen grondgebied. Steeds bestaat het risico dat de instituties van
de staat dreigen te bezwijken onder de last van politieke en maatschappelijke tegen-
stellingen.
De door interne tegenstellingen en gewapende strijd geteisterde landen kunnen worden
gerekend tot de categorie ‘failed states’. Het gaat om staten die als het ware zijn
‘geïmplodeerd’. De instrumenten van de staat (krijgsmacht, politie) zijn verworden tot
één van de concurrerende partijen om de macht. Het wegvallen van het centrale gezag
– hoe broos dat ook mag zijn geweest – kan ertoe leiden dat burgers zich afkeren van
de staat en hun loyaliteit richten op etnische, religieuze of andere groepen. Tegelijk
blijven die burgers afhankelijk van hun banden met politici, die dankzij hun toegang tot
het overblijvende staatsapparaat kunnen beschikken over middelen, met inbegrip van
de middelen die afkomstig zijn uit het buitenland. ‘Failed states’ bieden bovendien een
ideale voedingsbodem voor internationaal opererende, criminele netwerken, aangezien
deze gedijen in het schemergebied tussen vrede en oplaaiende gevechten. Het onder-
scheid tussen rebellie, afscheidingsbeweging of criminaliteit is in dergelijke gevallen
van ‘staatloosheid’ buitengewoon moeilijk te maken. In ‘failed states’ heeft de interna-
tionale gemeenschap bovendien geen gesprekspartners tot wie ze zich kan richten
teneinde bij te dragen tot de beëindiging van gewelddadigheden, tot de indamming van
criminaliteit e.d.
Veel Afrikaanse staten staan voor de moeilijke taak te overleven in een tijdperk waarin
hun soevereiniteit weliswaar via internationale normen wordt erkend, maar het vermo-
gen gering is om intern hun gezag te vestigen. De staat is in deze gevallen niet meer
dan een lege huls, een façade waarachter een gebrek aan vermogen schuil gaat om
beleid te voeren, in de hand gewerkt door ongedisciplineerd gedrag van ambtenaren,
corruptie en cliëntelisme.
Vanzelfsprekend blijven verschillen tussen staten in Afrika ook van belang. Maar de
gemeenschappelijke kenmerken van een nog te ontwikkelen ‘civil society’, concentratie
van macht bij een (te) kleine groep politici, een politiek systeem van cliëntelisme en de
beperkte legitimiteit van het staatsgezag vormen onmiskenbaar overeenkomsten tussen
staten in Afrika. Het is het gebrek aan goed functionerende instituties van staten in
Afrika dat de kansen op ontwikkeling verkleint.
23 Brown, Cohen en Organski, geciteerd in: Ayoob, M., State-Making, State-Breaking and State Failure:
    Explaining the Roots of ‘Third World’ Insecurity, in: Goor, L. van der, e.a., Between Development and
    Destruction, An Enquiry into the Causes of Conflict in Post-Colonial States, Den Haag 1996.
                                                        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>II.2       Scheidslijnen binnen staten
Ten tijde van de onafhankelijkheid stond het streven naar nationale eenheid en staats-
vorming centraal. Nu echter lijken Afrikanen zich eerder loyaal te voelen met een groe-
pering binnen de staat (clan of stam) en dan pas met het centrale gezag, bijvoorbeeld
minder Keniaan, meer Masai, minder Namibiër, meer Ovambo. Zo kunnen scheidslijnen
ontstaan: religieus, politiek, economisch, cultureel, regionaal of etnisch. De potentie
voor interne conflicten blijft beperkt indien het merendeel van de scheidslijnen niet
samenvalt en - als het ware ‘boven de groeperingen uit’ - gedeelde loyaliteiten en belan-
gen bestaan (‘cross cutting cleavages’). Is dat niet het geval dan bestaat het risico van
onverzoenlijke tegenstellingen tussen gescheiden groeperingen. Het gevaar van geweld-
dadige binnenlandse crises schuilt in die samenlevingen waarin de bevolking in hoofd-
zaak bestaat uit enkele sterk gepolariseerde groepen.24 Onder die omstandigheden
bestaat het risico dat elites hun achterban mobiliseren met ‘etnische retoriek’. Etnici-
teit kan een conflictfactor worden in een onzekere omgeving, waarin de machtsverhou-
dingen tussen binnenlandse groepen aan verandering onderhevig zijn. Verdelingsvraag-
stukken kunnen hierin een rol spelen, maar ook vluchtelingen van elders.
Juist in die gevallen waarin burgers niet (langer) kunnen rekenen op een centrale over-
heid omdat de instituties niet functioneren, is de kans groot dat wordt teruggevallen op
de eigen groep; of die nu etnisch, cultureel, religieus of anderszins is bepaald. Patrona-
ge en cliëntelisme versterken dan de greep van de elite op de achterban, wat de maat-
schappelijke scheidslijnen alleen maar zal onderstrepen. Onder deze omstandigheden
kunnen ‘uitgesloten’ groepen vaak niet anders dan proberen het staatsapparaat te
‘veroveren’, opdat de economische voordelen aan hèn ten deel zullen vallen. Omdat
hiervoor de samenwerking met militairen en/of gewapende groepen onontbeerlijk is,
zijn coups en staatsgrepen inherent aan deze situaties.
Ook in landen waar de falende staat nog niet tot extreme situaties heeft geleid, funge-
ren politieke partijen in het algemeen niet als voertuig voor inspraak en voor het afleg-
gen van verantwoording, maar als voertuigen voor het uitoefenen van macht en voor
herverdeling. Macht wordt begeerd omdat het economisch of ander profijt brengt. Dit is
de sociaal-economische context waarbinnen meerpartijenverkiezingen in Afrika worden
geïntroduceerd.
II.3       Verkiezingen en democratisering
In 42 van de 48 landen ten zuiden van de Sahara hebben sinds het begin van de jaren
negentig verkiezingen plaatsgehad waarbij meer dan één partij was betrokken. Interne
oppositie tegen de heersende machthebbers, de invloed van de politieke omwentelin-
gen in Midden- en Oost-Europa en druk van donorregeringen hebben hieraan bijgedra-
gen. Donorregeringen hebben verkiezingen ondersteund, internationale waarnemers
gezonden en in enkele gevallen zelfs politieke partijen gesteund. De waarde van het
proces van democratisering staat buiten kijf. Niet altijd, echter, leiden verkiezingen op
zichzelf tot het gewenste resultaat.
De strijd om de macht, die wordt opgeroepen door het houden van verkiezingen, heeft
zelfs in enkele gevallen averechts gewerkt. Zo leidden de verkiezingen van 1992 in
24 Collier, P. en Hoeffler, A. On economic causes of civil war; Collier en Hoeffler, Greed and Grievance in
    Civil War.
                                                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Kenia tot politieke instabiliteit, schendingen van mensenrechten en acties die op etni-
sche zuivering leken. In dit licht kan de vraag worden opgeworpen of donorregeringen
verkiezingen wel moeten steunen in situaties waarin de bescherming van politieke en
burgerrechten en vrijheden ernstig te wensen overlaat.25
De toegang tot macht in de staat biedt, zoals gezegd, toegang tot economische midde-
len die dan weer worden doorgegeven aan de eigen clientèle. Dit leidt ertoe dat de
politieke strijd om de macht uiterst heftig is, maar politici van de oppositie na de over-
winning naar de regerende partij overlopen (‘crossing the floor’). De rol van de opposi-
tie is vooral gelegen in wedijver om de macht en, minder dan gebruikelijk in gevestigde
democratieën, in controle van het beleid van de zittende regering. Controle biedt
immers geen toegang tot middelen. Het in sommige landen geldende Westminsterstel-
sel versterkt het principe van ‘the winner takes all’.
Democratisering is dan ook meer dan alleen het houden van verkiezingen. Het is een
proces van lange adem, aangezien het erom gaat instituties op te bouwen die wortelen
in de samenleving van de Afrikaanse landen in kwestie.
In de jaren negentig zijn in het kader van het bevorderen van democratie veel financiële
middelen besteed aan het zenden van verkiezingswaarnemers, in het algemeen in inter-
nationaal verband. De internationale waarneming is echter vooral gericht op de verkie-
zingsdag zelf en te weinig op het voor- en na-traject. Daardoor is het resultaat van ver-
kiezingen in enkele gevallen positiever beoordeeld door internationale waarnemers dan
door lokale waarnemers. Ook worden misstanden rond verkiezingen (fraude, bedrog,
dwang, omkoping, ook in het proces van registratie van kiezers e.d.) nauwelijks tegen-
gegaan door waarneming alleen op de verkiezingsdag.
De AIV is van oordeel dat de Nederlandse regering de waarneming van verkiezingen
meer dient te plaatsen in het bredere kader van de ondersteuning van processen van
democratisering in landen in Afrika. Uitgangspunten daarbij dienen te blijven dat in het
land in kwestie de burger- en politieke rechten voldoende zijn gewaarborgd en dat de
veiligheidssituatie verkiezingen mogelijk maakt. Naast verkiezingswaarnemingen in
strikte zin beveelt de AIV aan dat de Nederlandse regering steun biedt bij de techni-
sche en logistieke voorbereidingen en uitvoering van verkiezingen. Hierbij kan worden
gedacht aan hulp bij de inzet van lokale waarnemers, bij het leveren van stembiljetten
en stembussen, bij voorlichting aan de bevolking, bij het trainen van de staf van stem-
bureaus en aan andere steun bij de voorbereiding van verkiezingen.
Steun aan en betrokkenheid bij de voorbereiding van verkiezingen helpen, meer dan
waarneming alleen op de verkiezingsdag zelf, het verloop van verkiezingen adequaat te
beoordelen en pogingen tot manipulatie tijdig op te sporen. De ervaring die met steun
aan verkiezingen wordt opgedaan, kan worden verdiept door het oprichten van een
ambtelijke taakgroep die het aanbod van steun bij verkiezingen begeleidt en door de
minister voor Ontwikkelingssamenwerking te vragen hierover geregeld aan de Tweede
Kamer te rapporteren en door, achteraf, de Nederlandse betrokkenheid bij verkiezings-
waarneming te evalueren en deze evaluaties op te nemen in de rapportage aan de
Kamer. Een dergelijke professionalisering van de verkiezingswaarneming sluit goed aan
25 Cranenburgh, O. van, Meerpartijenverkiezingen in Afrika, de averechtse effecten van politieke aanpas-
   sing, in: Internationale Spectator, april 1997, pp. 214-217.
                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>bij de voornemens voor betere planning en voor afstemming van de verkiezings-
waarneming tussen de lidstaten, die in de Europese Unie spelen.26
De Nederlandse regering heeft politieke partijen in landen in Afrika gesteund. Een voor-
beeld is de Stichting het Nieuwe Zuid-Afrika (SNZA), die in 1994 werd opgericht ter
ondersteuning van het politieke proces in Zuid-Afrika, in het bijzonder van politieke
partijen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft tussen 1997 en 2000 de SNZA
ondersteund met een bedrag van twaalf miljoen gulden. Ook is toegezegd politieke
partijen in Mozambique te steunen met 6,3 miljoen gulden in drie jaar tijd.
De Nederlandse regering heeft echter weinig gerapporteerd over de effecten van steun
aan politieke partijen. In dit kader is het van belang dat dergelijke steun beschouwd
kan worden als een poging om invloed uit te oefenen op een binnenlands politiek
krachtenveld.
In het licht van het hierboven beschreven proces van lange adem, waarbij het naar het
oordeel van de AIV erom gaat democratische instituties te helpen opbouwen die worte-
len in de Afrikaanse civiele samenleving, pleit de AIV voor grote terughoudendheid bij
financiële steun aan politieke partijen. Wel kan worden overwogen steun te bieden aan
de Internationale Parlementaire Unie teneinde te helpen de omstandigheden te schep-
pen waarin politieke partijen in landen in Afrika in staat worden gesteld in het parle-
ment ‘hun’ regering te controleren.
26 Mededeling van de Europese Commissie, nr. (2000)191, 11 april 2000.
                                                19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>III       Wapens, bewapening en bewapenden
III.1     De rol van militairen en politie
Militairen en politie in Afrika maken enerzijds deel uit van het probleem van conflict en
geweld in Afrika, anderzijds wordt een beroep op hen gedaan in het streven naar
indamming en oplossing van conflicten. In staten waar de rivaliteit tussen groepen,
zoals bovenomschreven, is gepolariseerd, is beheersing van het geweldsapparaat
(krijgsmacht en politie) wezenlijk, omdat de optie van gewapende strijd niet is uit te
sluiten. Het bezit van wapens is in dergelijke omstandigheden in het algemeen niet het
monopolie van krijgsmacht en politie; andere groepen houden wapens achter de hand
om zich te kunnen verweren of om over middelen te beschikken hun machtspositie te
versterken.
In die Afrikaanse landen waar het staatsgezag is ondermijnd, bieden de strijdkrachten
en de politie daarom nauwelijks antwoord op de dreiging van gewapende groepen
omdat ze zelf deels uiteen zijn gevallen en deel zijn gaan uitmaken van deze gewapen-
de groepen. Dat heeft tot gevolg dat de veiligheid in Afrikaanse landen onderhevig is
aan ‘privatisering’; dat wil zeggen: niet de staat bekommert zich om de veiligheid van
burgers, maar particuliere groepen. Veelal gebeurt dat op maffia-achtige wijze, waarbij
burgers, onder dreiging en tegen een disproportionele prijs, bescherming krijgen van de
ene gewapende groep tegen de andere.
Het effect van het optreden van private veiligheids- of militaire organisaties is vaak
beslissend, maar kortstondig. Zodra ze zich terugtrekken, wijzigen de krachtsverhoudin-
gen op het slagveld zich dusdanig dat de gevechten weer oplaaien. De internationale
gemeenschap weet zich nauwelijks raad met het optreden van deze private veiligheids-
organisaties, laat staan dat van afstemming of regulering sprake is.
III.2     Security Sector Reform
Donoren hebben tot voor kort weinig belangstelling getoond voor de opbouw van de
veiligheidssector en vaak verondersteld dat de uitgaven aan defensie in hoofdzaak nega-
tieve effecten hadden op ontwikkeling. Ook Nederland ondersteunt inmiddels activiteiten
onder de noemer ‘Security Sector Reform’, maar het beleid staat nog in de kinderschoe-
nen.27 In de bilaterale relaties met Afrikaanse landen is het van belang om aandacht te
schenken aan het meer ontvankelijk maken van de strijdkrachten en de politie voor con-
trole van buitenaf, in de eerste plaats, als dat functioneert, door het parlement van het
land in kwestie. Ook is het van belang dat parlementsleden beter controle uit kunnen
oefenen. Daarvoor dienen zij deskundigheid te kunnen verwerven en mag
worden verwacht dat de betreffende regering informatie (beleid, financiën) overlegt.
In het kader van goed bestuur en goed beleid zou Nederland meer aandacht dienen te
besteden aan het onder civiele en democratische controle brengen van de strijdkrach-
27 Volgens de definitie van de Europese Commissie omvat de Security Sector “all those organisations who
    have authority to use or order the use of force or the threat of force, to protect the state and its citizens
    as well as those civil structures that are responsible for their management and oversight.”
                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>ten en de politie en aan instrumenten om deze ontvankelijk te maken voor het afleggen
van verantwoording. Deze instituties zouden moeten worden geprofessionaliseerd, wat
inhoudt dat er onder meer aandacht komt voor mensenrechten, voor oorlogsrecht en
voor de afbakening van de taken op het gebied van de externe veiligheid – het leger –
en die van de interne veiligheid – de politie. Ook zou aandacht dienen te worden
besteed aan het trainen van parlementsleden om controle uit te oefenen, in het bijzon-
der op de begroting (financiële middelen) die aan leger en politie ter beschikking wor-
den gesteld.
Een probleem van de financiering van militaire initiatieven in Afrika is dat dit niet onder
ODA wordt gerekend. Het recentelijk ingestelde vredesfonds kan hier uitkomst bieden
(zie paragraaf VII.3).
III.3     Uitgaven voor bewapening en wapenhandel
In Afrika zijn de militaire uitgaven sinds het einde van de Koude Oorlog tot en met
1997 gestadig gedaald. Achterliggende factoren die hiertoe hebben geleid zijn slechte
economische omstandigheden, beperking van de defensiebegroting in landen in Afrika
als gevolg van teruglopende overheidsuitgaven en het proces van demilitarisatie en
demobilisatie in Zuidelijk Afrika, in het bijzonder in Zuid-Afrika. Daar tegenover staat dat
militaire uitgaven snel kunnen toenemen indien (regeringen van) landen hun veiligheid
bedreigd achten.28 Sinds 1998 stijgen de militaire uitgaven in Afrika. Deze toename,
in vergelijking met 1997, wordt geschat op 5% tot in totaal 9.7 miljard dollar.29 Het
lijkt dan ook niet vergezocht aan te nemen dat vooral de militaire uitgaven van landen
die zijn verwikkeld in conflicten in West-Afrika, Centraal-Afrika en de Hoorn van Afrika
relatief hoog zullen zijn. De uitgaven van Angola bedroegen in 1994 bijvoorbeeld 35%
van de totale overheidsuitgaven en die in Congo in 1998 ongeveer 50%.30
De conflicten en gewapende strijd in Afrika hebben de regionale markt voor wapens
gestimuleerd. De omzet hiervan wordt voor het jaar 1998 geschat op ongeveer 1.7
miljard dollar (één miljard dollar in 1997). De wapenhandel in Afrika is zeer divers en
loopt uiteen van geavanceerde moderne wapens, tweedehands conventionele wapen-
systemen tot grote hoeveelheden lichte wapens en munitie. Binnen Afrika is Zuid-Afrika
een belangrijke wapenleverancier; buiten Afrika vooral de Russische Federatie, China,
Oekraïne en Bulgarije.31 Het gaat vooral om de levering van verouderd militair mate-
rieel, overtollig geworden na het einde van de Koude Oorlog, waaraan leveranciers nog
enig geld trachten te verdienen.
Om de invoer en uitvoer van bewapening doorzichtiger te maken, heeft de Algemene
28 Sipri Yearbook 1999 – Armaments, Disarmament and International Security (Oxford University Press,
    1999), p. 272.
29 The Military Balance, International Institute for Strategic Studies (Oxford University Press, 1999), pp.
    246 en 247. De stijging van de militaire uitgaven zou nog aanmerkelijk hoger zijn, indien de snel slinken-
    de Zuid-Afrikaanse defensiebegroting niet in de cijfers zou worden opgenomen.
30 Sipri, pp. 273, 274.
31 Military Balance, p. 247 en tabel 36.
                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Vergadering van de Verenigde Naties in 1991 tot de oprichting van een wapenregister
besloten.32 De achterliggende gedachte is dat hierdoor het vertrouwen tussen de
deelnemende lidstaten kan worden vergroot, dat eventuele spanningen kunnen worden
verminderd en, dat staten, door de zichtbaarheid, zichzelf beperkingen zullen opleggen
zodat de kans op destabiliserende opeenhoping van conventionele wapens afneemt.
Gemiddeld hebben steeds tussen de 90 en 100 lidstaten van de Verenigde Naties
gegevens voor het Register verschaft. Echter, vooral staten uit het Midden-Oosten en
Afrika laten het afweten. In 1997 verschaften slechts acht Afrikaanse staten gegevens
aan het wapenregister. Om die reden riep de secretaris-generaal van de Verenigde
Naties in 1998 de Afrikaanse landen op “…to participate in the Register, in a manner
that will make a positive contribution to regional and subregional confidence-building
efforts”.33 Hij riep Afrikaanse landen ook op hun aankopen van wapens en munitie te
beperken tot 1.5% van het BNP en de defensieuitgaven voor 10 jaar te bevriezen.
III.4     Het tegengaan van het gebruik van (lichte) wapens
In conflicten in Afrika spelen lichte wapens een belangrijke rol. Het zijn deze wapens
die in Afrika vele dodelijke slachtoffers maken. Er zijn twee wegen waarlangs lichte
wapens zich over Afrika verspreiden: in de eerste plaats zijn er nieuw geproduceerde
wapens, die vanuit de geïndustrialiseerde wereld naar Afrika worden geëxporteerd; in
de tweede plaats is er de handel in gebruikte lichte wapens, vooral vanuit landen die
een conflict achter de rug hebben. Het terugdringen van het gebruik van lichte wapens
dient zich dan ook te richten op nieuw geproduceerde wapens, op bestaande voorraden
gebruikte lichte wapens en op de handel in beide.34
Sinds lichte wapens op de politieke agenda staan, zijn veel initiatieven op dit vlak
genomen, onder andere in de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en
Samenwerking in Europa en de Europese Unie. Nederland is, zowel binnen de
Europese Unie als de Verenigde Naties, één van de landen die zich sterk maakt om
(verdere) maatregelen te treffen om de verspreiding van lichte wapens tegen te gaan.
Het actieprogramma van de Europese Unie om de verspreiding van lichte wapens tegen
te gaan, is op Nederlands initiatief tot stand gebracht.
Eind 1998 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties de aanbevelingen overge-
nomen van een panel van experts, die inhouden: ten eerste op een moratorium op pro-
ductie voor en verkoop aan landen in Afrika die in een gewapende strijd zijn verwikkeld;
ten tweede gebruik en standaardisatie van eindgebruikersverklaringen en het ten derde
32 Resolutie 46/36 L van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1991.
    Lidstaten van de Verenigde Naties dienen ieder jaar voor 30 april te rapporteren over de in- en uitvoer
    van tanks, gepantserde voertuigen, artillerie (van het kaliber 100 mm. en groter), gevechtsvliegtuigen,
    gevechtshelikopters, oorlogsschepen (vanaf 750 ton en groter) en raketten en lanceersystemen.
    Daarnaast kunnen de lidstaten extra informatie verschaffen over onder meer nationale bestanden en
    aanschaf uit nationale productie van de bovengenoemde categorieën wapens.
33 Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Report on Africa dealing with the proliferation of arms (New
    York 1998).
34 Zie hiervoor en voor een algemene behandeling van lichte wapens Adviesraad Internationale Vraagstuk-
    ken, Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden (advies no. 2, april
    1998), p. 24 e.v.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>voorzien van nieuw geproduceerde lichte wapens van een merkteken zodat de her-
komst kan worden achterhaald. Tevens roept de Veiligheidsraad regeringen op tussen-
handelaren te identificeren, zodat ze erop kunnen worden aangesproken, wanneer deze
zich in de illegale handel begeven. Hierbij wordt onder andere gedacht aan internationa-
le regelgeving die ertoe strekt dat tussenhandelaren strafrechtelijk kunnen worden aan-
gesproken wanneer wapens weliswaar niet vanuit een lidstaat van de Europese Unie
worden verscheept, maar de transactie wel binnen de Europese Unie is gesloten.
In zijn ‘Millennium Report’ doet VN-secretaris-generaal, Kofi Annan (nieuwe) voorstellen
met betrekking tot het gebruik en de handel in lichte wapens in conflictgebieden. Ten
aanzien van de handel roept de VN-secretaris-generaal de lidstaten op transparantie in
wapenoverdrachten te betrachten en regionale ontwapeningsmaatregelen te steunen.
Om de aanwezigheid van kleine wapens in (potentiële) conflictgebieden te verminderen,
stelt Kofi Annan voor een zogenoemd non-monetair vergoedingssysteem in te stellen
zoals met succes in onder andere Mali, Albanië, El Salvador, Mozambique en Panama
is gebeurd. Dit houdt in dat wapens kunnen worden ingeruild voor gereedschappen,
zoals bijvoorbeeld naaimachines, fietsen en bouwmaterialen.35
Eerder stelde de secretaris-generaal dat wapenexporterende landen terughoudend
moeten zijn bij wapenexporten naar conflictgebieden in Afrika. Hierbij dient aandacht te
worden geschonken aan de rol van particuliere wapenhandelaren die zich richten op
leveranties aan gebieden waar conflicten woeden.36 De Verenigde Naties organiseren
in 2001 een conferentie over de illegale handel in lichte wapens met het oogmerk de
illegale handel in kleine wapens verder tegen te gaan.37
De Veiligheidsraad heeft de Afrikaanse staten opgeroepen om regelgeving te ontwikke-
len met betrekking tot het bezit van wapens, inclusief mechanismen voor de uitvoering.
Daarnaast dienen ook in- en uitvoerbeperkingen te worden ontwikkeld. De internationa-
le gemeenschap dient, in overleg met Afrikaanse staten, hieraan bij te dragen.38
Ook de OAE heeft het belang onderstreept van de coördinatie van de inspanningen van
Afrikaanse landen om de verspreiding van lichte wapens tegen te gaan. De OAE heeft
het voornemen om op dit vlak maatregelen te treffen.39
Inmiddels heeft de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS),
vanaf oktober 1998, een tijdelijk verbod op de import, export en productie van lichte
wapens in West-Afrika ingesteld. Het verbod geldt in beginsel voor de duur van drie
jaar, waarna een evaluatie zal volgen tijdens een bijeenkomst van de ministers van
35 Millennium report of the Secretary-General of the United Nations, ‘We the peoples’: The role of the Uni-
    ted Nations in the 21st century (New York 2000), p. 52.
36 Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Report on Africa dealing with the proliferation of arms
    (New York 1998).
37 Ibidem, p. 53.
38 Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, resolutie 1209, 19 november 1998.
39 Sipri, pp. 513 – 515.
                                                    23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Buitenlandse Zaken van de lidstaten van de ECOWAS. Na deze evaluatie en na de
conferentie van de Verenigde Naties over de illegale productie en handel in lichte
wapens in 2001 kan worden bezien of de tijd rijp is voor nieuwe initiatieven op dit vlak.
Een belangrijk probleem in dit verband is dat, naast staten, niet-statelijke actoren
belangrijke afnemers zijn van wapens. Van Canadese zijde is geprobeerd deze kwestie
op de politieke agenda te zetten met een voorstel voor een internationale conventie
met het oogmerk wapenoverdrachten aan niet-statelijke actoren te verbieden. Hoewel
er sindsdien door landen (België, Noorwegen) hierover wel conferenties zijn georgani-
seerd, heeft dit voorstel meer weerklank gevonden bij NGO’s dan bij staten.
Eerder heeft de AIV in algemene zin aanbevelingen geformuleerd om de verspreiding en
het gebruik van lichte wapens terug te dringen.40 In het kader van de situatie in Afrika
wordt hier nog eens de mogelijkheid aangestipt het gebruik van lichte wapens terug te
dringen door het beperken van het aanbod van munitie. Munitie kan, in tegenstelling
tot de wapens, slechts één keer worden gebruikt. In die zin vormt munitie de brandstof
van de gevechtshandelingen. Voor het vervaardigen van munitie is een zekere industrië-
le capaciteit vereist. Aangezien het aantal landen waarin munitie wordt geproduceerd in
Afrika zeer beperkt is, wordt het overgrote deel van de munitie, voor voorraadvorming
of voor gebruik, van buiten Afrika aangevoerd.41
In dit licht beveelt de AIV de Nederlandse regering aan het onderwerp leveranties van
munitie aan landen in Afrika op de agenda te plaatsen van de conferentie van de
Verenigde Naties over illegale handel in lichte wapens in 2001.
40 AIV-advies ‘Conventionele wapenbeheersing: Dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden’
   (advies nr. 2, maart 1998), p. 29 e.v.
41 Er zijn in Afrika zeven munitie-producenten, te weten:
   Aboukir Engineering Industries                Egypte
   Demel Ltd.                                    Zuid-Afrika
   Fuchs Electronics Ltd.                        Zuid-Afrika
   Heliopolis Company for Engineering            Egypte
   Maasara Company for Engineering               Egypte
   Pretoria Metal Pressings                      Zuid-Afrika
   Shobra Company                                Egypte
   Bron: Terry J. Gander & Charles Q. Cutshaw ed., Jane’s Ammunition Handbook 1999-2000
   (8e editie, Coulsdon 1999).
                                                      24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>IV        Economische factoren en de gewapende strijd
IV.1      Economische bronnen van conflict
Bij het verband tussen economie en potentie voor conflict in Afrika staat de toegang tot
hulpbronnen (‘resources’) centraal. Het gaat dan niet alleen om de aanwezigheid van
hoogwaardige grondstoffen die relatief eenvoudig te exploiteren zijn, bijvoorbeeld dia-
manten in Sierra Leone en Angola, maar ook om de beschikbaarheid van water, of de
schaarste van productiemiddelen, zoals landbouwgrond in Rwanda. Bijkomende facto-
ren die de kans op criminaliteit of op conflicten kunnen vergroten, zijn: de informalise-
ring van het economische leven, een te grote afhankelijkheid van de uitvoer van grond-
stoffen, een laag per capita inkomen, een hoge werkloosheid, gecombineerd met een
laag opleidingsniveau, en de aanwezigheid van grote groepen jonge mannen zonder
perspectief op een beter leven. Eens temeer blijkt uit deze opsomming dat de economi-
sche en politieke factoren niet van elkaar zijn te scheiden. De hier genoemde factoren
liggen in steeds verschillende constellaties ten grondslag aan de conflicten die zich in
Afrika afspelen.
Afrika is nog altijd een overwegend agrarisch continent. De mogelijkheid land te kunnen
exploiteren, is voor het merendeel van de Afrikanen een eerste levensbehoefte. Bezit
van grond is dan ook cruciaal vanuit economisch oogpunt. Daar komt bij dat aan het
bewonen van land waarin de voorouders zijn begraven een sterke gevoelswaarde wordt
gehecht. In veel landen is het grondbezit nog altijd uiterst ongelijk verdeeld en is het
voorwerp van hoogoplopende emoties en daarom potentieel een bron van conflict. Dit
geldt voor landen als Zuid-Afrika en Zimbabwe, maar ook voor onder andere Kenia en
Rwanda. Waar zich gewapende strijd voordoet, is de landbouwproductie vaak ontwricht,
bijvoorbeeld omdat niet kan worden geoogst of omdat landbouwgronden braak liggen.
Nederland dient, in het kader van conflictpreventie, eraan bij te dragen dat binnen
landen in Afrika geen bevolkingsgroep systematisch wordt uitgesloten van de verdeling
en opbrengsten van hulpbronnen. Mocht dit dreigen te gebeuren, dan dient de regering
van het land in kwestie daarop te worden aangesproken en dient hierover systematisch
te worden gerapporteerd.
In veel Afrikaanse landen wordt weinig onderscheid gemaakt tussen de publieke en pri-
vate sector. Dat veel Afrikaanse politici, op grond van hun toegang tot de instrumenten
en middelen van de staat, zich met een voorsprong in het zakenleven kunnen begeven,
plaatst het liberaliseren en privatiseren van overheidsdiensten in een ander daglicht
dan in de geïndustrialiseerde wereld. In een eerder advies heeft de AIV het belang van
instituties in ontwikkelingslanden onderstreept voor een ordelijk verloop van transacties
in de financiële sector. Daarnaast is onderstreept dat liberalisering en privatisering
moeten worden afgestemd op de situatie van het land in kwestie.42 In het licht van het
voorafgaande roept de AIV deze eerdere aanbevelingen in herinnering.
42 Addison, Underdevelopment, Transition and Reconstruction. Zie ook: Adviesraad Internationale
    Vraagstukken (AIV), Enkele lessen uit de financiële crises van 1997 en 1998, mei 2000,
    (advies nr. 14), p. 28.
                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>IV.2      Financiering van de gewapende strijd
De exploitatie van grondstoffen en andere hulpbronnen speelt een cruciale rol in de
financiering van deelname aan conflicten in Afrika. Daarnaast kunnen de belangen van
multinationale ondernemingen, betrokken bij de winning of exploitatie van grondstoffen
en hulpbronnen, een rol spelen bij deze conflicten.43 Voor edelmetaal en -stenen, en
deels voor drugs en wapens, geldt dat de handelaren en de verwerkende industrie vaak
(in)direct betrokken zijn bij het conflict. Bijvoorbeeld worden diamanten gesmokkeld uit
conflictgebieden zoals Sierra Leone of Angola, waarbij de opbrengst ten goede komt aan
de bij deze conflicten betrokken partijen. In dit verband heeft het Verenigd Koninkrijk het
initiatief genomen om deugdelijke herkomstdocumentatie te eisen voor de verwerking
van diamanten. Het bedrijf De Beers heeft onlangs besloten het opkopen te staken van
diamanten in de open markt en nog meer intensief te werken aan het perfectioneren
van de technologie om diamanten naar hun oorsprong te kunnen identificeren. Het in juli
2000 gehouden ‘World Diamond Congress’ heeft in beginsel aanvaard dat in de toe-
komst alleen diamanten met een certificaat van origine verhandeld mogen worden. Van
belang is dat de G8, waarvan de landen het overgrote deel van de handel in diamanten
voor hun rekening nemen, de urgentie van het probleem van de illegale handel onder-
kent en zich voorneemt bij te dragen aan regionale handhaving van wetten en regels in
Afrika en aan het streven de oorsprong van diamanten te certificeren.44 Daarnaast heeft
de Veiligheidsraad een presidentiële verklaring uitgebracht waarin de secretaris-generaal
van de Verenigde Naties is verzocht een expert-panel op te richten dat onderzoek zal
doen naar de illegale exploitatie van grondstoffen uit de Democratische Republiek Congo
en de rol hiervan in het daar voortdurende conflict.45 Ter bestrijding van de illegale han-
del heeft De Beers ook deskundigheid aangeboden aan de Verenigde Naties.
Nederland dient krachtig steun te (blijven) geven aan de initiatieven die onlangs zijn
ontwikkeld om de illegale diamanthandel tegen te gaan en de verbetering van de her-
komstdocumentatie te bevorderen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de maat-
schappelijke betrokkenheid bij Afrika, in het bijzonder van de ervaring van enkele
NGO’s op dit punt zoals bijvoorbeeld het Europese NGO-netwerk Fatal Attraction.
Afrika speelt een grote rol in de illegale handel in hard drugs, zoals heroïne, crack en
cocaïne. 30% van de in beslag genomen heroïne in Europa en de Verenigde Staten is
doorgevoerd via Afrika. Deze handel verloopt relatief eenvoudig via Afrika omdat havens
en vliegvelden in veel landen te kampen hebben met een tekort aan douane- en politie-
personeel. Zowel de drugs zelf als ook de inkomsten uit de handel spelen een rol bij het
toenemend geweld in Afrika. Hoewel er geen bewijs is dat Afrikaanse regeringen samen-
werken met drugshandelaren, werkt de aanwezige corruptie wel in de hand dat de drugs-
koeriers zich ongestraft over het continent kunnen bewegen. VN-secretaris-generaal, Kofi
Annan, ziet in een doelgerichte internationale reactie de enige oplossing.46
43 Report of the panel of experts on violations of Security Council sanctions against UNITA, UN Security
    Council, S/2000/203, 10 March 2000.
44 Kyushu-Okinawa Summit Meeting 2000, G8 Miyazaki Initiatives for Conflict Prevention, pp. 5-6.
45 S/PRST/2000/20.
46 Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Progress report of the secretary-general on the implemen-
    tation of the recommendations contained in the report on the causes of conflict and the promotion of
    durable peace and sustainable development in Africa, 1999, p. 18.
                                                    26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Ook het actieplan van de top tussen de Europese Unie en Afrikaanse landen in Cairo
erkent de ernst van de problemen die drugsmisbruik en drugsverkeer veroorzaken; het
geeft aan dat de slechte sociaal-economische omstandigheden in Afrika hieraan in
hoofdzaak debet zijn.
Sinds 1997 heeft de Europese Commissie in West Afrika een drugsprogramma dat tot
doel heeft om 16 deelnemende Afrikaanse staten te helpen om hun nationale actie-
plannen ter bestrijding van drugsgebruik en -handel verder te ontwikkelen.47
De AIV is van oordeel dat Nederland internationale en Afrikaanse inspanningen ter
bestrijding van handel in hard drugs verder dient te ondersteunen.
47 Ibidem.
                                           27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>V         Sociale context van conflicten en conflictoplossing
De bestaande structuren die in Afrika enige sociale zekerheid of verzorging kunnen
bieden, staan onder druk. Niet alleen door conflicten en gewapende strijd, maar ook
door migratie, door aids, door de aantrekkingskracht van gewapende strijd op jongeren
in Afrika, door de negatieve gevolgen voor de positie van vrouwen van gewapende strijd
en conflict en door de problemen van verzoening en wederopbouw. Deze onderwerpen
worden hieronder aan de orde gesteld.
V.1       Migratie
Migratie omvat urbanisatie (interne migratie), het wegtrekken van arbeidsmigranten
uit hun land (emigratie) en ten slotte de gedwongen migratie van vluchtelingen en
ontheemden (zowel immigratie als emigratie). Migratie op grote schaal, zeker als het
gaat om gedwongen migratie, brengt instabiliteit met zich. Steeds nadrukkelijker dient
zich de trek van het platteland naar de stad aan. Ruim twintig landen in Afrika kennen
nu al een urbanisatiegraad van meer dan 40% van de bevolking en de voorspelling is
dat in 2010-2015 de helft van de Afrikaanse bevolking in steden zal wonen. Deze
migratie brengt een sociale en demografische revolutie met zich. De verwachting lijkt
gerechtvaardigd dat geweld en criminaliteit hierdoor zullen toenemen. Ook vraagstukken
van werkgelegenheid en voedselveiligheid spelen in deze context. Het is niet mogelijk
dergelijke patronen van migratie te beïnvloeden, maar wel kan aandacht worden
besteed aan de problemen die dergelijke grootscheepse migratie van het platteland
naar de stad teweeg brengt. Het is van belang dat daarvoor binnen de Nederlandse
ontwikkelingssamenwerking aandacht blijft bestaan.
De AIV is van mening dat de Nederlandse inspanningen om bij te dragen aan het ver-
lichten van de problemen veroorzaakt door migratie zich niet moeten beperken tot het
nationale niveau, de nationale overheden en de hoofdsteden, maar zich ook zouden
moeten richten op kleinere steden en rurale gebieden waar migranten hun toevlucht
nemen - en op die gebieden waaruit mensen wegtrekken. In het kader van ontwikke-
lingsprogramma’s zou meer aandacht moeten worden besteed aan het scheppen van
werkgelegenheid in nieuwe opkomende steden en niet-agrarische sectoren.
V.2       Aids
De verspreiding van HIV en de gevolgen van aids hebben grote demografische gevolgen,
die op hun beurt de potentie van conflicten in zich kunnen dragen. In veel landen heeft
de ziekte de levensverwachting teruggebracht tot onder de 40 jaar. 70% van alle aids-
patiënten in de wereld bevinden zich op dit moment in Afrika. Het aidsvraagstuk is
echter niet alleen een gezondheidsvraagstuk. Aids is van invloed op de economische
ontwikkeling en op de voedselproductie. Aids bedreigt bovendien de politiek en het
bestuur omdat ook veel slachtoffers vallen onder leden van de overheid, de rechterlijke
macht en militairen.48 Ook eist aids veel slachtoffers onder het onderwijzend personeel.
48 United Nations Security Council, Press Release Security Council/ 6781.
    Bron: www.vn.org/News/Press/docs/2000/20000110.sc6781.doc.html.
                                                   28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Het Nederlandse aidsbeleid op internationaal niveau is sinds 1987 in hoofdzaak in het
kader van ontwikkelingssamenwerking tot stand gekomen. Sindsdien is ongeveer 250
miljoen US dollar aan bilaterale en multilaterale activiteiten besteed.49 Nederland zal in
2000 ongeveer 40 miljoen dollar aan het ‘International Aids Vaccine Initiative’ ter
beschikking stellen. Nederland is voor de bestrijding van aids in ontwikkelingslanden,
na de VS, de tweede donor.
In een open debat in januari 2000 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties
gesproken over de invloed van aids op de stabiliteit en veiligheid in Afrika. Volgens
VN-secretaris-generaal Kofi Annan is de invloed van aids op de vrede en veiligheid in
Afrika vergelijkbaar met de destructieve gevolgen van oorlog. Het geweld en de daaruit
voortvloeiende verplaatsing van grote aantallen mensen in Afrika, zowel militairen, en
rebellen als vluchtelingen, voeden de epidemie verder. Zeker vluchtelingen hebben,
vanwege hun kwetsbare positie, een verhoogde kans op infectie. De besmettingsgraad
van vrouwen in vluchtelingenkampen is aanmerkelijk hoger dan van vrouwen daarbuiten.
Ook het gegeven dat in veel landen een hoog percentage van de militairen seropositief
is, heeft gevolgen voor de veiligheid en de stabiliteit in Afrika. Aangezien de Verenigde
Naties in beginsel geen met HIV geïnfecteerde militairen willen opnemen in vredes-
machten kan aids op termijn ook van invloed zijn op de inzetbaarheid van Afrikaanse
militairen voor vredesoperaties. Onlangs hebben de Verenigde Staten de Veiligheids-
raad voorgesteld om alle VN-vredestroepen (35.000 wereldwijd) voor te lichten over
seksueel overdraagbare aandoeningen en om soldaten te onderzoeken op aids.50
Inmiddels hebben de Verenigde Naties een programma ontwikkeld ter bewustwording
van de gevaren van aids en ter voorkoming van infecties, gericht op militairen die deel-
nemen aan vredesoperaties. Ook in de medische handleiding voor VN-militairen zijn
hoofdstukken gewijd aan voorkoming en behandeling van aids. Overigens dient hierbij
te worden aangetekend dat voor de deelname aan vredesoperaties van de Verenigde
Naties de verantwoordelijkheid voor het tegengaan van verspreiding van aids onder mili-
tairen ligt bij de lidstaten.
Aanvullend op de algemene inspanningen ter bestrijding van aids dient Nederland te
blijven oproepen tot meer openheid op het gebied van seksualiteit en aids, ook in de
krijgsmachten van Afrikaanse landen. De voorlichting die in dit verband al aan militairen
wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld door DPKO, de UNFPA en UNAIDS dient door Neder-
land te worden bevorderd en ondersteund.
Een tragisch gevolg van de aidsepidemie zijn de vele weeskinderen. De opvang van
deze weeskinderen is een zware last voor de samenleving. De sociale ontwrichting en
duurzame emotionele en psychologische schade die hiermee gepaard gaat, kunnen de
toch al penibele maatschappelijke stabiliteit verder onder druk zetten.
De AIV beveelt aan dat Nederland de verschillende bestaande opvangmechanismen
voor slachtoffers van aids en hun verwanten (extended families, child headed families,
weeshuizen) versterkt binnen een sectorale benadering.
Bij werkgelegenheidsprogramma’s (zie V.1) dient rekening te worden gehouden met de
zorg die deelnemers op zich (hebben moeten) nemen voor door aids getroffen verwan-
ten.
49 Ministerie van Buitenlandse Zaken, Aids Update, januari 2000.
50 AIDS Counseling for Peacekeepers Urged, Washington Post, 7 juli 2000, p. A18.
    Bron: www.washingtonpost.com.
                                                   29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>V.3      Jeugd en geweld
In vrijwel alle Afrikaanse landen is de helft van de bevolking jonger dan 18 jaar, in
sommige landen zelfs jonger dan 15. Het overgrote deel van de jongeren kampt met
armoede, met gezondheidsproblemen in de familie (aids) en volstrekt ontoereikende
voorzieningen, in het bijzonder op het gebied van onderwijs. De aspiraties van jongeren
zijn in het algemeen hoog, mede onder invloed van het bestedingspatroon in de geïn-
dustrialiseerde wereld.
In landen en regio’s die zijn getroffen door grootscheeps gebruik van geweld is sprake
van een vicieuze cirkel waaraan in het bijzonder jonge mannen nauwelijks kunnen ont-
snappen.51 Jongeren die zijn opgegroeid in een omgeving van geweld hebben niet
anders geleerd dan het enige middel te gebruiken dat hun ter beschikking staat:
geweld. Een diepe frustratie over de toekomst - ieder perspectief op een beter leven
lijkt afwezig - gaat gepaard met de (ruime) beschikbaarheid van wapens, die, naast sta-
tus, de mogelijkheid bieden op onmiddellijke inkomsten en vervulling van behoeften.
Voor deze jongeren doet het er niet toe of het wapengeweld wordt uitgeoefend in dienst
van de staat, een strijdgroep onder leiding van een ‘warlord’, in een criminele organisa-
tie of afwisselend in één van deze constellaties. Geweldgebruik – bruut en zonder
mededogen – zaait terreur onder de rest van de bevolking en schept trauma’s, óók voor
de jonge aanstichters; het smoort iedere kans op een geregelde economische, sociale
en politieke ontwikkeling in de kiem.
Steeds vaker worden jongeren en kinderen ingezet in de gewapende strijd, in de gehele
wereld, ook in Afrika, onder andere in Mozambique, Liberia, Oeganda en Sierra Leone.
Meestal gaat het om gemarginaliseerde jongeren, zowel uit dorpen als uit krottenwijken
van steden, die zijn losgeraakt, soms juist door de gewapende strijd, van hun maat-
schappelijke verbanden en bijbehorende waarden. Deze ongeschoolde rekruten hebben
vaak letterlijk niets te verliezen, stellen weinig eisen en zijn gedisciplineerd, toegewijd
en kneedbaar. Ze worden, bijvoorbeeld door de ‘Lord’s Army’ in Oeganda of het ‘Revolu-
tionary United Front’ in Sierra Leone, voorzien van wapens en verdovende middelen
waardoor remmingen wegvallen. Sommige legers of strijdgroepen gebruiken bizarre en
wrede initiatieriten die vaak op hun beurt weer leiden tot de wreedheden tijdens de
gewapende strijd. Vele van hen zijn wees en één van hun motieven om aan de gewa-
pende strijd deel te nemen is wraak voor de dood van hun ouders.
De AIV beveelt aan dat Nederland met hoge prioriteit meer aandacht schenkt aan het
groeiend aantal gemarginaliseerde jongeren in Afrika, omdat deze vatbaar zijn voor mili-
taire en criminele rekrutering. In dit verband is de AIV van oordeel dat Nederland zich
meer dient in te spannen om werkgelegenheid in Afrika te bevorderen voor jongeren,
met het oogmerk hen een alternatief te bieden voor de deelname aan de gewapende
strijd en hen perspectief te bieden op een betere toekomst. Positieve voorbeelden van
door Nederland gesteunde initiatieven zijn het door de lokale kerken opgezette Joint
Enrichment Project en het Youth Development Network in Zuid-Afrika, die werkgelegen-
heids- en scholingsactiviteiten organiseren voor de gemarginaliseerde jeugd.
Begin 2000 is overeenstemming bereikt in de VN-werkgroep voor een facultatief proto-
col bij het VN-verdrag inzake de rechten van het kind over de inzet van kinderen in een
gewapend conflict. Doel is de inzet van kinderen in gewapende conflicten tegen te
gaan. Staten die partij worden bij het protocol leggen erop vast een minimum leeftijd
van 18 jaar voor deelname aan gewapende strijd (in plaats van 15 jaar, zoals in het
verdrag). Tevens zijn deze eraan gehouden maatregelen te treffen om ook voor niet-
                                              30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>statelijke strijdgroepen rekrutering beneden de 18 jaar te verbieden en strafbaar te
stellen. Nederland heeft dit facultatieve protocol en marge van de Millenium-top van de
Verenigde Naties getekend en er zijn geen formele belemmeringen voor ratificatie.
In het verleden zijn ontwapenings-, demobilisatie en reïntegratieprogramma’s (DD&R)
meestal ingezet in een post-conflictsituatie. Inmiddels worden de programma’s ook
gebruikt als preventie en in relatie tot de stijgende criminaliteitscijfers.52
Als instrument van conflictpreventie en in landen die kampen met zware criminaliteit
dient Nederland in Afrika ook steun te (blijven) bieden aan ontwapenings-, demobilisa-
tie en reïntegratieprogramma’s (DD&R), die in het bijzonder zijn gericht op jongeren.
V.4       Gender en veiligheid
De relatie tussen ‘gender’ (verhouding tussen mannen en vrouwen), veiligheid en con-
flict kan vanuit drie invalshoeken worden beschreven. Ten eerste kunnen conflict en
geweld voor mannen en vrouwen een verschillende vorm en betekenis hebben. Ten
tweede kunnen vrouwen een rol spelen in conflictpreventie en conflictoplossing en in
de heropbouw van door oorlog verscheurde gemeenschappen.53 Ten derde kunnen
vrouwen gedurende een oorlog een meer zelfstandige economische en maatschappelij-
ke positie verkrijgen.
Ad 1) De kwetsbare positie van vrouwen blijkt onder meer uit het gegeven dat het
    overgrote deel van de bewoners van vluchtelingenkampen uit vrouwen en kinderen
    bestaat. Hoewel vrouwen over het algemeen als te beschermen burgers worden
    beschouwd, worden hun rechten gedurende conflicten vaak ernstig geschonden,
    onder andere door systematische verkrachting en seksueel misbruik, martelingen
    en gedwongen prostitutie.54 Verkrachting wordt in toenemende mate ingezet als
    middel om mannen en vrouwen van een vijandige groep te straffen, te intimideren,
    en te vernederen. Omdat in veel Afrikaanse landen de seksuele puurheid van de
    vrouw van eminente betekenis is, kan seksuele mishandeling van een vrouw worden
    uitgelegd als een aanval op een gehele gemeenschap. Door vrouwen te verkrachten
    willen vijandige groepen aangeven dat de mannen niet in staat zijn hun vrouwen te
    beschermen.55
Ad 2) Op de vierde wereldvrouwenconferentie in Beijing in 1995 was de rol van vrou-
    wen in conflict en conflictoplossing één van de voornaamste aandachtspunten.56
    Afrikaanse vrouwen hebben traditioneel een sterke positie in de lokale gemeen-
    schap, en zijn daardoor in staat om conflicten in een vroeg stadium te identificeren.
52 Mason, P., Disarmament, Demobilisation and Reintegration Programs as a Means to Prevent Deadly
    Conflict, in: Bonn International Centre for Conversion, Brief 15, Security Sector Reform, 2000.
53 Sanam Naraghi Anderlini, Women at the Peace table, Making a Difference, UNIFEM, New York, 2000.
54 Amnesty International, Sierra Leone: Rape and other forms of sexual violence must be stopped, juni
    2000.
55 Pax Christi, We have to sit down; Women, war and peace in southern Sudan, 1998, p. 26.
56 Ibidem.
                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>    De ‘Sudanese Women’s Voice for Peace’ (SWVP) pleit daarom voor het trainen van
    vrouwen in ‘monitoring and early warning’. Het internationale congres ‘War and
    Peace: For Men Only?’ pleitte er in januari 1996 voor dat overtredingen van de rech-
    ten van vrouwen een indicator dienen te worden in ‘early warning’-systemen en dat
    de vrouwen moeten worden opgenomen in observatie-teams.57 Vrouwen kunnen
    tevens een belangrijke rol spelen bij conflictoplossing en bij traumaverwerking op
    lokaal niveau.
Ad 3) Vrouwen realiseren zich dat de beëindiging van de gewapende strijd consequen-
    ties heeft voor hun maatschappelijke positie. Als uitvloeisel hiervan wordt dan ook
    meer en meer geprobeerd om de gelijkheidwaardigheid van de seksen op de politie-
    ke agenda te krijgen en grotere participatie te eisen van vrouwen in het politieke
    bestel. Veel nationale bevrijdingsbewegingen hebben gelijkheid en de bevrijding van
    de vrouwen op hun politieke agenda staan. Hiermee bevorderen ze deelname van
    de vrouwen in de strijd en scheppen zij verwachtingen op het gebied van vrijheid,
    gelijkheid en rechtvaardigheid.58
In de Afrika-notitie komt ‘gender’ slechts in een bijzin aan de orde als onderwerp waar-
aan Nederland "substantiële ondersteuning van uiteenlopende aard blijft bieden".
In het licht van het voorafgaande is de AIV van oordeel dat Nederland in het Afrika-
beleid expliciet en systematisch aandacht moet blijven schenken aan de rol van gender
in relatie tot vraagstukken van veiligheid en stabiliteit. Dat betekent onder meer dat
Nederland steun dient te blijven verlenen aan het vervolgen en berechten van daders
van verkrachtingen zoals momenteel gebeurt in het Rwandatribunaal. In dit verband
dient meer geld ter beschikking te worden gesteld voor UNIFEM en dienen lokale pro-
jecten die zich richten op ‘gender’ en veiligheid te worden ondersteund.
V.5       Verzoening
Met het bereiken van een formeel akkoord waarmee, in het beste geval, de wapens tot
zwijgen worden gebracht, vangt de post-conflictfase aan, waarin wederopbouw en ver-
zoening centraal staan. Het overbruggen van tegenstellingen zowel op economisch als
op sociaal en politiek vlak is hierbij van belang. Een mogelijkheid is aansluiting zoeken
bij gemeenschappelijke tradities en instituties van conflictbeslechting.59 Van belang is
dat verzoening op alle niveaus wordt gedragen, onder andere door lokale leiders, het
maatschappelijk middenveld en grass-rootsorganisaties.60
57 Ibidem, p. 78.
58 Sørensen, B., Women and post-conflict resolution, Genève 1998, p. 6.
59 Kessel, I. van, Ten years after: African nationalism and the re-traditionalization of South Africa, paper
    voor seminar van het Afrika Studie Centrum, Leiden 2000.
60 Lederach, J.P., Just Peace – The Challenge of the 21st Century, in: People Building Peace, 35 Inspiring
    Stories from Around the World, Utrecht 1999, p. 29;
    Spears, I.S., Understanding inclusive peace agreements in Africa: the problems of sharing power, in:
    Third World Quarterly, vol. 21, no. 1, 2000.
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De AIV is van oordeel dat Nederland kan bijdragen aan vredesprocessen in Afrika door
in de maatschappij gewortelde verzoeningscampagnes te ondersteunen en hierbij het
maatschappelijk middenveld te betrekken. Daarbij dient het accent te liggen op de aan-
vaarding van de akkoorden door de bevolking en de lokale organisaties met het oog op
vredesopbouw en het herstel van de sociale cohesie. Vrouwenorganisaties dienen ten
behoeve hiervan te worden ingeschakeld.
                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>VI        Mensenr echten en veiligheid
VI.1     Het Afrikaans Handvest voor de rechten van de mens en voor de
         rechten van volkeren
In 1979 nam de OAE het initiatief om het Afrikaans Handvest voor de rechten van de
mens en voor de rechten van volkeren op te stellen. Dit initiatief is genomen in een
periode dat schendingen van de rechten van de mens veelvuldig voorkwamen in Afrika.
In de preambule van het Handvest wordt gesteld dat er een einde dient te komen aan
kolonialisme, aan neo-kolonialisme, aan apartheid en aan ‘aggressive foreign military
bases’.61 In 1981 is het Handvest aanvaard in de OAE, waarna het in 1986 van
kracht is geworden.
Anno 2001 zijn alle lidstaten van de OAE partij bij het Handvest. Zowel burger- en poli-
tieke rechten, als economische, sociale en culturele rechten worden in het Handvest
gewaarborgd. Zo zijn slavernij en wrede en onmenselijke mishandeling verboden. Ken-
merkend voor het Afrikaanse Handvest is ook de opname van collectieve rechten, zoals
het recht van volkeren op politieke en economische zelfbeschikking, op vrede en veilig-
heid, op ontwikkeling en op een leefbaar milieu. De ‘African Commission on Human and
Peoples’ Rights’ ziet toe op de naleving van het Handvest. Staten, individuen en NGO’s
kunnen bij de commissie schendingen van de rechten van het Handvest aanhangig
maken.
De totstandkoming, werking en verbetering van de effectiviteit van het Afrikaans Hand-
vest vormen een proces van lange adem, waarvan de politieke relevantie is gelegen in
de normstelling en in de mogelijkheid schending van de rechten van de mens aanhan-
gig te maken in een internationaal forum. De rapportage-verplichting voor staten vormt,
naast het klachtrecht, een middel waardoor de naleving van het Handvest kan worden
bevorderd. Op afzienbare termijn zal een Afrikaans Hof voor de rechten van de mens
worden opgericht. Het statuut daarvan is in 1998 als protocol bij het Handvest
gevoegd en wacht nu op voldoende ratificaties.
Problematisch bij het optreden van de ‘African Commission on Human and Peoples’
Rights’ is het gegeven dat verschillende leden van de Commissie ook een regerings-
post in hun eigen land bekleden wat de mogelijkheid van belangenverstrengeling met
zich brengt. Niettemin worden staten veelvuldig gewezen op hun verplichtingen de men-
senrechten te eerbiedigen. Ook heeft de Commissie de mogelijkheid (veld)onderzoek te
verrichten om schendingen van de rechten van de mens op het spoor te komen.
De Commissie is voorts gemachtigd om het Handvest te interpreteren op verzoek van
staten, van internationale organisaties, van organen van de OAE en van door de OAE
erkende NGO’s. Deze laatste kunnen agendapunten aanleveren, hebben een waarne-
mersstatus, en kunnen klachten namens individuen of groepen indienen. Bovendien
zijn er NGO-werkgroepen ingesteld die onder andere invloed hebben gehad op het aan-
stellen van vrouwelijke commissieleden en de aanstelling van een Speciale Rapporteur
voor buitengerechtelijke en standrechtelijke executies.62 Gezien deze ontwikkelingen
61 Ankumah, E.A., The African Commission on Human and Peoples’ Rights, practice and procedures,
    Den Haag 1996, p. 7.
62 Ibidem, p. 187.
                                                34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>en de centrale positie die de ‘African Commission on Human and Peoples’ Rights’
inneemt bij het toezicht op de naleving van de in het Handvest geformuleerde rechten,
is het juridische en politieke gewicht van de Commissie de laatste jaren toegenomen.
In het licht hiervan beveelt de AIV aan dat Nederland de ‘African Commission on
Human and Peoples’ Rights’ financieel ondersteunt, op een wijze die de onafhankelijk-
heid van de Commissie bevordert.
Door de centrale positie van deze Commissie kan de verdere ontwikkeling, verbetering
en uitvoering van het Afrikaanse Handvest voor de rechten van de mens en voor de
rechten van volkeren worden versterkt.
VI.2       Rechtsstelsel en mensenrechten
De toenemende democratisering maakt hervormingen op het gebied van het rechtsstel-
sel en de staatsinrichting noodzakelijk. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan
de rechtszekerheid (wetten en rechtshandhaving), aan een grondwet die een wetgevend
en normstellend kader biedt en aan de rechten van de mens.
Ook met het oog op economische ontwikkeling is de bescherming van de rechten van
de mens van belang. Een onafhankelijke en goed functionerende rechterlijke macht en
advocatuur zijn daarbij onmisbaar. Een probleem hierbij is dat in veel Afrikaanse landen
rechterlijke macht en advocatuur onvoldoende onafhankelijk kunnen opereren.
In het kader van goed bestuur en goed beleid zou Nederland meer aandacht dienen te
besteden aan het belang van een onafhankelijke rechterlijke macht en advocatuur voor
de stabiliteit, veiligheid en ontwikkeling in landen in Afrika.
De ontwikkeling van een op de ‘rule of law’ gebaseerd rechtsstelsel moet ook gepaard
gaan met ‘civic education’, dat wil zeggen dat burgers kennis moet worden bijgebracht
over hun rechten en plichten. Dit geldt in het bijzonder na afloop van gewapende con-
flicten. Educatieve campagnes zullen overigens weinig effect sorteren zolang de daders
van de schendingen van de rechten van de mens vrijuit blijven gaan. Straffeloosheid
heeft in haar algemeenheid ook negatieve effecten op de wederopbouw. Per geval zal
een afweging moeten worden gemaakt tussen vervolging en (maatschappelijke en poli-
tieke) stabiliteit voor de korte termijn. Een belangwekkend model in dit verband is de
commissie voor Waarheid en Verzoening in Zuid Afrika, die een belangrijke rol heeft
gespeeld bij het overbruggen van tegenstellingen na afloop van de apartheid.
Nederland dient educatieve campagnes te ondersteunen ten aanzien van respect voor
mensenrechten. Bijzondere bescherming verdienen de mensenrechten van vluchtelin-
gen en ontheemden.
VI.3       Nationale commissies voor de rechten van de mens
Nationale commissies voor de rechten van de mens spelen in verschillende Afrikaanse
landen – net als elders op de wereld - een grote rol in wetgeving en in beleid met het
oog op het verzekeren respect voor de mensenrechten op nationaal en lokaal niveau.63
63 Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Report of the Secretary-General on national institutions
    for the promotion and protection of human rights, A/54/336, 1999.
    Bron: www.unhchr.ch/Huridocda/Huridoc.
                                                    35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Daarnaast bestaan bij deze commissies eenvoudige klachten- of bemiddelingsprocedu-
res. Zij spelen voorts een rol in training en onderwijs op het gebied van de rechten van
de mens. Zulke nationale commissies voor de rechten van de mens bestaan in onder
andere Ethiopië, Ghana, Kameroen, Kenia, Liberia, Malawi, Mali, Mauritius, Nigeria,
Oeganda, Rwanda, Soedan, Togo, Zambia en Zuid-Afrika. In de ‘Paris Principles’ van
1991 wordt een niet-uitputtende lijst van vereisten en verantwoordelijkheden gegeven
voor nationale mensenrechteninstituties en –commissies.64 De instituten en commis-
sies die niet minimaal aan de in deze principes gestelde vereisten voldoen, worden
niet als zodanig erkend door de internationale gemeenschap. Voor hun activiteiten stel-
len nationale commissies hun eigen nationale prioriteiten. De nationale commissies
voor de rechten van de mens kunnen per land van opzet verschillen: in sommige lan-
den zijn ze gouvernementeel samengesteld, in andere (gedeeltelijk) non-gouvernemen-
teel. Er wordt, met de hulp van het bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten
van de Mens van de Verenigde Naties, gewerkt aan het opzetten van nationale commis-
sies voor de rechten van de mens in landen in Afrika die deze nog niet kennen.65
Nederland zou de verrichtingen van de verschillende Afrikaanse nationale commissies
voor de rechten van de mens nauwlettend moeten volgen en desgevraagd ondersteu-
ning moeten bieden, aan die commissies die voldoende onafhankelijk zijn en ook voor
het overige voldoen aan de zogeheten Paris Principles.
64 Cie HR Res. 1992/54, 3 maart 1992.
65 In juli 1998 werd in Durban, Zuid-Afrika, The Second Conference of African National Institutions for the
   Promotion and Protection of Human Rights gehouden, bijgewoond door onder andere 16 Afrikaanse
   nationale instituties.
                                                    36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>VII           Internationale politieke betr okkenheid bij
              veiligheid en stabiliteit in Afrika
VII.1         Algemeen
In de Millennium Verklaring van de Verenigde Naties wordt speciaal aandacht besteed
aan Afrika. De Verklaring bevat een oproep tegemoet te komen aan de behoeften en
noden van de mensen in Afrika en beoogt op deze manier uiting te geven aan de inter-
nationale betrokkenheid bij Afrika.
De internationale politieke betrokkenheid bij het beheersen van conflicten in Afrika is
na het einde van de Koude Oorlog aan verandering onderhevig geweest. In het bijzon-
der de aftocht van Russen en Cubanen uit Zuidelijk Afrika heeft voor de Verenigde Sta-
ten de strategische calculaties rond Afrika gewijzigd. Een zwakke poging, begonnen
onder de verantwoordelijkheid van voormalig president George Bush om in Afrika een
‘nieuwe wereldorde’ te vestigen, is stukgelopen in het doolhof van het weerbarstige
conflict in Somalië. In voormalige koloniale machten, waaronder Engeland, Frankrijk,
Portugal en Duitsland, worden de historische banden niet verloochend, maar deze bie-
den onvoldoende basis voor een coherent, onderling afgestemd beleid ten aanzien van
Afrika. Nog steeds voeren, naast bijdragen aan politieke stabiliteit en betere levensom-
standigheden, doelstellingen de boventoon als behoud van invloed, toegang tot mark-
ten en toegang tot bodemschatten en andere rijkdommen. In recente jaren zijn vredes-
operaties van de Verenigde Naties voor Afrika moeilijk van de grond te krijgen, zeker
als deze als riskant worden aangemerkt. De Nederlandse deelname aan UNMEE (de
vredesoperatie die tot doel heeft de wapenstilstand tussen Ethiopië en Eritrea te hand-
haven) lijkt hier de uitzondering die de regel bevestigt.66
In hun beleid ten aanzien van Afrika hebben de Verenigde Staten in 1997 twee initiatie-
ven genomen. In de eerste plaats hebben zij het ‘Partnership for economic growth and
opportunity in Africa initiative’ ten doop gehouden. Dit heeft tot doel Amerikaanse
bedrijven te helpen activiteiten te ontplooien in Afrika. In de tweede plaats hebben zij
het ‘African crisis response center’ opgericht, dat de training verzorgt voor militairen
van Afrikaanse landen met als doel hun inzetbaarheid in Afrika te vergroten.
De G8 heeft in juli 2000 een resolutie aangenomen waarin maatregelen worden aange-
kondigd op het gebied van conflictpreventie. Het gaat om het afremmen van de onge-
controleerde handel in lichte wapens, het wegnemen van potentiële bronnen van con-
flict door ontwikkelingsbeleid, het stoppen van illegale handel in diamanten - veelal
gewonnen in de conflictgebieden in Afrika - het verzachten van de gevolgen van gewa-
pende conflicten voor kinderen met inbegrip van het tegengaan van de inzet van kinde-
ren in de gewapende strijd, en het benadrukken van de rol van een internationale poli-
tiemacht (CIVPOL) als een belangrijk element van conflictpreventie. Voor Afrika in het
bijzonder is een ‘cultuur van preventie’ van belang, waaraan de G8 ook wil bijdragen.67
66 United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea.
67 Kyushu-Okinawa Summit Meeting 2000, G8 Miyazaki Initiatives for Conflict Prevention, Okinawa 2000.
    Bron: www.g8kyushu-okinawa.go.jp/e/documents/html/initiative.html.
                                                   37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>De Afrikaanse landen hebben zich, vanzelfsprekend, ook onderling georganiseerd. Ten
eerste in de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), die beoogt het gehele continent
te bestrijken; ten tweede in organisaties die zich in eerste instantie op regio’s binnen
Afrika richten, zoals onder meer de ‘Economic Community of West African States’ (ECO-
WAS), de ‘Southern African Development Community’ (SADC) en de ‘Intergovernmental
Authority on Development’ (IGAD; een intergouvernementele organisatie van zeven lan-
den uit de Hoorn van Afrika met als doel de ontwikkeling aldaar te coördineren). Binnen
de OAE worden democratische beginselen en respect voor de fundamentele rechten
van de mens in toenemende mate onder-schre-ven. Op de OAE-top van 2000 is het
beginsel aanvaard dat leiders die door middel van geweld aan de macht zijn gekomen,
niet langer als gelijken zullen worden behandeld door de vergadering van de gekozen
staatshoofden. Ook benadrukt de OAE geleidelijk meer de regionale stabiliteit en veilig-
heid boven soevereiniteit. Met wisselend succes spant de OAE zich in om verdere
escalatie van conflicten te voorkomen, zoals bijvoorbeeld in Gabon of in Guinee-Bissau.
Nederland steunt financieel de versterking van het ‘Conflict Prevention Mechanism’ van
de OAE. Niettemin ontbeert de organisatie vooralsnog het vermogen om aan alle actu-
ele of dreigende conflicten voldoende aandacht te schenken. Nederland is begin 2000
toegetreden tot de ‘Friends of the OAU’ en draagt zo tevens bij aan de hervorming van
de OAE.
VII.2    Het beleid van de Europese Unie ten aanzien van Afrika
De geografische nabijheid en historische banden van lidstaten van de Europese Unie
met landen en regio’s in Afrika scheppen een wederzijdse verantwoordelijkheid. Op 3
en 4 april 2000 is een top gehouden tussen de lidstaten van de Europese Unie en Afri-
ka op het niveau van staatshoofden en regeringsleiders. Blijkens de slotverklaring en
het actieplan zijn tal van onderwerpen aan de orde gesteld zonder dat er evenwel veel
concrete resultaten zijn geboekt. Afgesproken is in 2003 een nieuwe top te houden.
Het beleid van de Europese Unie ten aanzien van Afrika is traditioneel gericht op ont-
wikkelingssamenwerking, waarin het verdrag van Lomé altijd centraal heeft gestaan. Dit
verdrag regelt al zo’n vijfentwintig jaar de betrekkingen tussen de Europese Unie en 71
ontwikkelingslanden in Afrika, het Caraïbisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen).
Het verdrag kende een clausule die de mogelijkheid bood het akkoord op te schorten
(of de hulp te verminderen) als de situatie van de mensenrechten of de democratie dit
rechtvaardigde. In een vijftal gevallen werd dit toegepast, te weten ten aanzien van
Niger, Guinee-Bissau, de Comoren, Togo en Ivoorkust.68
Het verdrag van Lomé verhield zich slecht tot de handelsliberalisering van de WTO
(voorheen de GATT). Het recente verdrag van Cotonou (23 juni 2000), de opvolger van
Lomé, belichaamt een voortgezette Europese betrokkenheid bij Afrika (2000-2020),
waarvoor een bedrag van 14,3 miljard Euro voor de eerste vijf jaar is uitgetrokken. Eén
van de doelstellingen is de geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldecono-
mie, waarbij bijzondere regelingen zullen worden getroffen voor de minst ontwikkelde
landen. De Cotonou-overeenkomst beoogt de samenwerking tussen de lidstaten van de
Europese Unie en de ACS-landen verder te versterken. Naast de politieke dialoog op de
gebieden van de rechten van de mens, democratisering en de rechtsstaat – die ook
68 Arts, K., Integrating Human Rights into Development Cooperation: The Case of Lomé, VU,
   Amsterdam 2000.
                                                   38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>onder Lomé al mogelijk was – kan nu ook worden gesproken over conflictpreventie,
georganiseerde criminaliteit, drugs, wapenhandel en de terugkeer van illegale migran-
ten. Nadrukkelijk is ook aan het maatschappelijk middenveld en aan het bedrijfsleven
een rol toegekend.69
Toch blijven er vragen over de uitvoering van het verdrag van Cotonou en de implementa-
tie van de Europese hulp in het algemeen. In september 2000 heeft de Algemene Raad
van ministers van Buitenlandse Zaken overeenstemming bereikt over het stellen van pri-
oriteiten, een betere coördinatie en een zogenoemde avondrood-clausule voor voorgeno-
men uitgaven (die na een vaste periode automatisch zullen komen te vervallen).70
Naast afstemming van de uitgaven ten behoeve van de hulpverlening is afstemming
binnen de Europese Unie van het te voeren beleid ten aanzien van Afrika van belang.
Traditioneel hecht Nederland aan goede afstemming. Zo heeft Nederland het initiatief
genomen om in mei 2000 het onderwerp ‘conflicten in Afrika’ op de agenda te zetten
van de Algemene Raad van de ministers van Buitenlandse Zaken. In het bijzonder is
gesproken over de situatie in het gebied van de Grote Meren. De lidstaten zijn overeen-
gekomen om het idee te ondersteunen van een conferentie over vrede, veiligheid,
democratie en ontwikkeling, te organiseren door de OAE en de VN. De organisatie hier-
van zou kunnen beginnen zodra de belangrijkste elementen van de Lusaka-overeen-
komst (een staakt-het-vuren voor de strijd in de Democratische Republiek Congo) zijn
uitgevoerd. Verder is de bereidheid uitgesproken om samen te werken met de betrok-
kenen bij het akkoord, andere donoren, de Wereldbank en geïnteresseerde Afrikaanse
landen om wegen te vinden voor ontwapening, demobilisatie en herïntegratie van de
strijders. De EU is bereid steun te bieden aan de terugkeer van vluchtelingen en aan
de meest getroffen regio’s, met name de Kivu.
Op vergelijkbare wijze zouden de lidstaten elkaar meer op hun beleid ten aanzien van
Afrika moeten kunnen aanspreken. Het GBVB wordt tot nog toe vooral gebruikt voor
informatie-uitwisseling, onder andere over deelname aan vredesoperaties in Afrika en
over wapenleveranties. Dergelijke uitwisseling van informatie kan in de toekomst de
grondslag bieden voor afstemming van beleid.
Naar aanleiding van de genocide in Rwanda heeft de WEU activiteiten ontplooid die tot
doel hebben de mogelijkheden voor handhaving van de vrede in Afrikaanse landen te
versterken. In het bijzonder heeft de WEU zich gericht op:
– Informatie en advies geven aan landen in Afrika over ontmijning;
– Militaire training en advies geven om lokale capaciteiten op het gebied van vrede-
    handhaving te versterken;
– Ondersteuning door het satelliet-centrum van de WEU aan de OAE op het gebied van
    crisis-monitoring en -planning.
Nu vele activiteiten van de WEU in het jaar 2001 worden beëindigd – en voor het over-
grote deel worden overgedragen aan de Europese Unie – is het zaak dat de ondersteu-
ning van Afrikaanse landen niet tussen wal en schip terechtkomt.
69 International Law Association, London Conference (2000), Londen 2000, p. 7; Actes préparatoires
    communautaires nr. 500PC1359S (europa.eu.int/eur-lex/fr/com/dat/2000/fr_500PC1359S.html).
70 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de voorzitter van de Tweede Kamer, bevattende de
    geannoteerde agenda van de Algemene Raad van 9-10 oktober (3 oktober 2000), p. 2.
                                                  39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Nederland zou erop dienen toe te zien dat bij de beëindiging van de activiteiten van de
WEU de tot nog toe ontwikkelde activiteiten ten aanzien van Afrika, na een positieve
evaluatie, worden overgedragen aan de Europese Unie.
VII.3     Vredehandhaving in Afrika
Het Nederlandse aandeel van meer dan 1000 militairen aan de vredesoperatie UNMEE,
in de grensstreek tussen Ethiopië en Eritrea, maakt de Nederlandse betrokkenheid bij
veiligheid en stabiliteit in Afrika zichtbaar. Het Nederlands aandeel bestaat uit een ver-
sterkt infanteriebataljon van het Korps mariniers met logistieke ondersteuning van de
Koninklijke Landmacht. Ook is voorzien de uitzending van een helikopter eenheid van
de luchtmacht. Doel van deze vredesoperatie van de Verenigde Naties is toe te zien op
de wapenstilstand tussen Ethiopië en Eritrea, zodat de voorwaarden worden geschapen
voor een politiek vergelijk tussen beide landen in hun grensconflict. Gedurende de ope-
ratie zal Nederland nauw samenwerken met Canada. De geplande duur van de uitzen-
ding van de Nederlandse militairen bedraagt zes maanden. De Nederlandse regering
motiveert de deelname aan UNMEE met een beroep op artikel 90 van de Grondwet
(bevordering internationale rechtsorde), door te wijzen op de bijdrage aan de stabiliteit
in de Hoorn van Afrika die deze vredesoperatie kan bewerkstelligen en met verwijzingen
naar de schrijnende humanitaire situatie, naar (afnemende) vluchtelingenstromen, naar
de banden met Ethiopië en Eritrea en naar het belang van Nederland bij een goed func-
tionerende Verenigde Naties. Al met al is de Nederlandse deelname aan UNMEE hier-
mee in het Nederlandse belang, zo concludeert de Nederlandse regering.71 De Tweede
Kamer heeft zich hierachter geschaard.
Nederlandse militairen bieden in Afrika verder in hoofdzaak logistieke en andere steun,
zoals mijnenbestrijding en -opruiming, bij (vredes)operaties in onder andere Angola,
Mozambique, Namibië en Rwanda. Het Nederlandse aandeel in UNMEE heeft ertoe
geleid dat de toezegging een militaire eenheid te leveren ten behoeve van MINURSO in
de Westelijke Sahara is ingetrokken.72
Voorts draagt Nederland nog op andere wijze bij aan de mogelijkheden voor vredehand-
having in Afrika. Zo is aan de oefening ‘Gabon 2000’, die plaatsvond onder het uit
1994 daterend Frans initiatief gericht op samenwerking met 18 Afrikaanse landen,
‘Renforcement des Capacités Africaines de Maintien de la Paix’ (RECAMP), een water-
zuiveringsinstallatie met bedienend personeel ter beschikking gesteld. In 1999 werd in
Zuid-Afrika een oefening gehouden getiteld ‘Blue Crane’. Hieraan heeft Nederland
f 500.000,- bijgedragen. Eenzelfde bedrag werd ter beschikking gesteld van de
‘ECOMOG-interposition force’. Daarnaast stelt Nederland transportcapaciteit en andere
logistieke voorzieningen ter beschikking voor de vredesmissie in Sierra Leone (UNAM-
SIL). Nederland leidt bovendien Afrikaanse officieren op tot VN-waarnemer. Momenteel
zijn dat er ongeveer 15 per jaar, maar er wordt gestreefd dit aantal te verhogen tot 32.
Ook andere lidstaten van de Europese Unie leiden voor dit doel militairen uit Afrikaanse
landen op. Recentelijk heeft de Hoge Vertegenwoordiger van de Europese Unie, Solana,
voorgesteld de initiatieven van de lidstaten op dit vlak te bundelen.
71 Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie aan de voorzitter van de Tweede Kamer
    over de deelname aan UNMEE (United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea), d.d. 9 oktober 2000.
72 United Nations Mission for the Referendum in Western Sahara. Dit is een operatie die ten doel heeft
    een veilige en stabiele omgeving te creëren voor een volkstelling en -raadpleging.
                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Tevens heeft de Nederlandse regering vanaf de begroting voor 2001 gevolg gegeven
aan de motie-Koenders, ingediend bij de behandeling van de begroting van het ministe-
rie van Buitenlandse Zaken voor 2000, om een vredesfonds in te stellen. Uit het vre-
desfonds kan worden bijgedragen aan vredesoperaties door ontwikkelingslanden en
aan vredesdialogen. Het vredesfonds is verder gericht op het versterken van de vrede-
bewarende capaciteit van ontwikkelingslanden. Het zal hier vooral gaan om incidentele
bijdragen aan kortlopende activiteiten. Bij de invulling naar activiteiten kan onder ande-
re worden gedacht aan: training en opleiding en het verstrekken van leermiddelen op
het gebied van vredesoperaties (bijvoorbeeld UNMO voor Afrikaanse militairen) in
Nederland of ter plekke; verstrekken dan wel financieren van uitrusting en/of transport
van mensen en materieel; inzameling van kleine wapens; financieren van vredesconfe-
renties en andere overlegfora; (kortlopend) onderzoek naar conflicten en de preventie
daarvan; het hervormen van de defensiesector; financiering van de deelname van bui-
tenlandse deskundigen aan vredesoperaties (zoals mijnen-opruimers); het in staat stel-
len van ontwikkelingslanden om deel te nemen aan niet VN-vredesoperaties (via bilate-
rale bijdragen of via bijdragen aan een trustfund). Het vredesfonds bevat een bedrag
van 15 miljoen gulden op jaarbasis.
Om Afrikaanse landen beter in staat te stellen bij te dragen aan de veiligheid en stabili-
teit in Afrika dient Nederland zijn steun voort te zetten aan Afrikaanse regionale initia-
tieven door het overdragen van kennis, ervaring en middelen. Dit kan ofwel via een
uitbreiding van het vredesfonds, ofwel via de reguliere fondsen.
VII.4    Een OVSE voor Afrika?
De gedachte van een conferentie voor Afrikaanse staten over veiligheid, stabiliteit en
ontwikkeling, naar het model van de OVSE, leeft al enige tijd. Al in 1991 heeft het
toenmalige Nigeriaanse staatshoofd Obasanjo het voorstel voor een ‘Conference on
Security, Stability, Development and Cooperation in Africa’ (CSSDCA) naar voren
gebracht. Dit voorstel omvat het ontwikkelen van een kader dat staten zou helpen om
burgers met respect te behandelen, onder andere door hen fysieke bescherming te bie-
den door hen in staat stellen democratische rechten uit te oefenen en door fundamen-
tele rechten en vrijheden te respecteren.73 De AIV is van oordeel dat het niet zozeer
gaat om overname van het model van de OVSE – dat is geënt op de Europese politieke
verhoudingen – maar om introductie, in de politieke discussie in Afrika, van gedachten
en ideeën die ten grondslag liggen aan de OVSE. Het gaat niet om overname van de
vorm, maar om het ingang van doen vinden van de inhoud, waarbij de OAE een voor de
hand liggende organisatie is om hierover een dialoog aan te gaan.
Nederland opteert voor het voorzitterschap van de OVSE in het jaar 2003. Het verdient
aanbeveling deze gelegenheid te gebruiken om te bezien of een dialoog tussen de
OVSE en de OAE, op de wijze als hierboven omschreven, in gang kan worden gezet.
Nederland zou ten tijde van het OVSE-voorzitterschap initiatieven moeten nemen om de
gedachten en ideeën die ten grondslag liggen aan de OVSE ingang te doen vinden in
de politieke discussie in Afrika. Met dit doel dient een dialoog tussen de OVSE en de
OAE op gang te worden gebracht.
73 Francis M. Deng, The fate of the state and the internationale system, with special reference to Africa,
   The Brookings Institution, Washington; F. Deng, S. Kimaro e.a., Sovereignty as Responsibility, Conflict
   Management in Africa, Washington, 1996, o.a. pp. Xiv, 15-16, 58.
                                                    41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>VII.5     Nederlandse (bilaterale) betrokkenheid bij Afrika
Naast hetgeen dat in het voorafgaande al is gezegd over de Nederlandse betrokken-
heid bij Afrika worden er hier nog enkele elementen uitgelicht.
In haar brief aan de Tweede Kamer over de samenwerking met de ministers voor ont-
wikkelingssamenwerking van Noorwegen, Groot-Brittannië en Duitsland stelt minister
Herfkens dat het wezen van de samenwerking ligt in de uitdrukkelijke wil om door mid-
del van het lidmaatschap van belangrijke besturen de internationale agenda op het
gebied van ontwikkelingssamenwerking te beïnvloeden.74 Hierbij staat het streven naar
verhoogde effectiviteit door het verbeteren van resultaten in het veld centraal. Er wordt
onder meer samengewerkt op het gebied van conflictpreventie.
De AIV is van oordeel dat Nederland een effectief beleid ten aanzien van Afrika gericht
op veiligheid en stabiliteit in hoofdzaak moet vormgeven in multilaterale fora zoals de
VN en de Europese Unie. Buiten deze fora kan worden getracht met gelijkgezinde
donorlanden samen te werken in consortia en coalities. Een dergelijke bundeling van
krachten met gelijkgezinden biedt naar het oordeel van de AIV geen alternatief voor de
bestaande multilaterale fora, doch dient als opstap te dienen voor coalitievorming bin-
nen de Verenigde Naties en de Europese Unie.
Ontwikkelingssamenwerking, dat weliswaar meer en meer is gericht op institutionele,
politieke en bestuurlijke kwesties, kan het scala aan risicofactoren rond veiligheid en
stabiliteit in Afrika die in dit advies worden behandeld niet geheel bestrijken. Daarom
krijgen steeds meer onderdelen van het beleid van de Nederlandse regering te maken
met Afrika. De krijgsmacht ziet zich gesteld voor militaire betrokkenheid, zij het dat die
in een politieke context dient te worden ingebed. Het ministerie van Buitenlandse
Zaken zal zijn diplomatie meer en meer moeten afstemmen met het overige beleid.
De ministeries van Economische Zaken en van Landbouw zullen de belangen van de
Nederlandse economie en handel een groot gewicht toekennen. En dan is nog niet
gesproken over de invloed van particuliere organisaties en bedrijven, de bestrijding van
de illegale wapenhandel en smokkel in diamanten. De wenselijkheid van voldoende
samenhang tussen deze beleidsterreinen en internationale activiteiten staat buiten kijf,
maar of het mogelijk is die te bereiken - of uiteenlopende doelstellingen op één noe-
mer zijn te brengen - is een andere vraag. De AIV stelt dat in ieder geval een begin
moet worden gemaakt door samenhang in beleidsvorming en -uitvoering te proberen te
bewerkstelligen tussen in eerste instantie Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamen-
werking en Defensie. Blijkens de discussies die ze entameert - nationaal en internatio-
naal, bijvoorbeeld over het tegengaan van dumping van producten in Afrika en over het
openstellen van markten voor landbouwproducten uit Afrika - maakt de Nederlandse
regering zich hier al sterk voor.
Ter sensibilisering van andere betrokken departementen voor het belang van armoede-
bestrijding in Afrika vraagt de AIV aandacht voor een coherentietoets of rapportage.
Een effectief beleid ten aanzien van de minst ontwikkelde landen in Afrika is gebaat bij
inzicht in welke elementen van het beleid van bovengenoemde departementen een
gunstige uitwerking heeft op de positie van de allerarmsten, en welk beleid niet. Een
coherentietoets of –rapportage kan (helpen) de gevolgen van beleid in kaart te
brengen, negatieve effecten helpen voorkomen en de effectiviteit van het beleid ten
aanzien van de minst ontwikkelde landen vergroten.
74 Brief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan de Tweede Kamer der Staten Generaal,
    SC-133/00, Den Haag, 29 augustus 2000.
                                                  42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>VIII             Samenvatting en aanbevelingen
Op 31 januari 2000 kreeg de Adviesraad Internationale Vraagstukken het verzoek
nader te adviseren over het bevorderen van vrede en stabiliteit op het Afrikaanse conti-
nent; één van de hoofddoelstellingen uit de notitie over het Nederlandse Afrika-beleid.
De grootte van het continent en de complexiteit van de problemen rond veiligheid en
stabiliteit betekenen dat een doeltreffend antwoord niet kan worden geboden binnen
de grenzen van één beleidsterrein. Het zou naïef zijn te veronderstellen dat doelstellin-
gen van departementen die gericht zijn op binnenlandse belangen (zoals Economische
Zaken en Landbouw) altijd in harmonie kunnen worden gebracht met internationale
activiteiten, maar naar een grotere coherentie moet wel worden gestreefd. De AIV stelt
dat in ieder geval een begin moet worden gemaakt met samenhang in beleidsvorming
en –uitvoering tussen Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie.
Ter sensibilisering van andere betrokken departementen voor het belang van armoede-
bestrijding in Afrika vraagt de AIV aandacht voor een coherentietoets of rapportage.
Een effectief beleid ten aanzien van de minst ontwikkelde landen in Afrika is gebaat bij
inzicht in welke elementen van het beleid van bovengenoemde departementen een gun-
stige uitwerking heeft op de positie van de allerarmsten, en welk beleid niet. Een cohe-
rentietoets of –rapportage kan (helpen) de gevolgen van beleid in kaart te brengen,
negatieve effecten voorkomen en de effectiviteit van het beleid ten aanzien van de
minst ontwikkelde landen vergroten.
Het zou eveneens een overspannen verwachting zijn te denken dat Nederland bilateraal
een doeltreffend antwoord zou kunnen formuleren op de grote problemen in Afrika, te
meer daar het gangbare beleid terzake van Ontwikkelingssamenwerking zich in hoofd-
zaak richt op landen met goed bestuur en goed beleid. De aanbevelingen in dit advies
richten zich dan ook in hoofdzaak op standpunten en zienswijzen die Nederland kan
inbrengen in multilateraal verband, tenzij uitdrukkelijk is aangegeven dat het gaat om
inspanningen die de Nederlandse regering bilateraal kan leveren.
De AIV pleit in dit advies voor voortgezette internationale, Europese en Nederlandse
betrokkenheid bij Afrika, onder andere in het licht van de diverse betrekkingen die
Nederland (Europa) met het continent onderhoudt. Het advies dient te worden gelezen
als een pleidooi voor een intensieve Nederlandse inzet in deze multilaterale fora ten
behoeve van het streven Afrika veiliger en meer stabiel te maken.
Van de 27 grote conflicten die zich in 1999 in de wereld voordeden speelde het grootste
deel zich af in Afrika. Ongeveer een vijfde van de Afrikaanse bevolking leeft in landen die
door wapengeweld worden geteisterd. Eén op elke 150 Afrikanen is vluchteling. De AIV
constateert dat voor de ontwikkeling van veiligheid en stabiliteit de ontwikkeling van de
staat in Afrika een belangrijke bepalende factor is. Gebrekkig ontwikkeld centraal gezag
in staten kan geweldgebruik in de hand werken. In Afrika spelen politieke, economi-
sche, sociaal-culturele en andere factoren in verschillende constellaties een rol bij het
ontstaan van conflicten en het gebruik van geweld. Zo kunnen veiligheid en stabiliteit
onder andere worden bedreigd door voedsel(on)veiligheid, armoede en economische
achteruitgang, schaarste aan hulpbronnen, afbraak van het milieu, maatschappelijke
ongelijkheid en schending van de rechten van de mens.
                                             43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>De wortels van de conflicten en tegenstellingen in en tussen landen in Afrika zijn zeer
divers. Eenmaal uitgebroken zijn gewapende strijd en oorlogvoering moeilijk te beheer-
sen: na en in de buurt van een eerder conflict bestaat een aanmerkelijke kans dat een
nieuwe strijd oplaait.
De AIV vestigt in dit verband de aandacht op de gebrekkige ontwikkeling van de staat
in Afrika. Ondanks formele internationale erkenning ontberen veel staten in Afrika een
effectief en erkend gezag over de eigen bevolking en ontbreken functionerende institu-
ties. In de ergste gevallen leidt dit ertoe dat de statelijke structuur teloor gaat; dan
ontstaan ‘failed states’. In dergelijke omstandigheden kunnen Afrikanen hun loyaliteit
allereerst op de eigen etnisch, religieus of cultureel bepaalde groep richten, met alle
risico van polarisatie en politieke patronage van dien.
In die landen waar de civiele samenleving zwak is, maar de zwakte van de staat (nog)
niet tot extreme situaties geleid heeft, fungeren politieke partijen voornamelijk als voer-
tuigen voor het verwerven of uitoefenen van macht en niet als instrumenten voor parle-
mentaire controle. Democratisering is dan ook meer dan het houden van verkiezingen.
Toch is in de jaren negentig in het kader van het bevorderen van de democratie het
leeuwendeel van de financiële middelen besteed aan het zenden van internationale ver-
kiezingswaarnemers.
De AIV is van oordeel dat de Nederlandse regering de waarneming van verkiezingen
meer dient te plaatsen in het bredere kader van de ondersteuning van processen van
democratisering in landen in Afrika. Uitgangspunten daarbij dienen te blijven dat in het
land in kwestie de burger- en politieke rechten voldoende zijn gewaarborgd en dat de
veiligheidssituatie verkiezingen mogelijk maakt. Naast verkiezingswaarnemingen in
strikte zin beveelt de AIV aan dat de Nederlandse regering steun biedt bij de techni-
sche en logistieke voorbereidingen en uitvoering van verkiezingen. Hierbij kan worden
gedacht aan steun voor de inzet van lokale waarnemers, hulp bij het leveren van stem-
biljetten en stembussen, voorlichting aan de bevolking, trainen van de staf van stembu-
reaus en aan andere steun bij de voorbereiding van verkiezingen.
Steun aan en betrokkenheid bij de voorbereiding van verkiezingen helpen het verloop
van verkiezingen adequaat te beoordelen en pogingen tot manipulatie tijdig op te spo-
ren. De ervaring die met steun aan verkiezingen wordt opgedaan, kan worden verdiept
door het oprichten van een ambtelijke taakgroep die het aanbod van steun bij verkiezin-
gen begeleidt. De AIV pleit tevens voor een geregelde rapportage door de minister voor
Ontwikkelingssamenwerking aan de Tweede Kamer, en voor een evaluatie achteraf van
de Nederlandse betrokkenheid bij verkiezingswaarneming. Deze evaluaties moeten wor-
den opgenomen in de rapportage aan de Kamer. Een dergelijke professionalisering van
de verkiezingswaarneming sluit goed aan bij de voornemens van de Europese Unie voor
betere planning en afstemming van de verkiezingswaarneming tussen de lidstaten.
In het licht van het hierboven beschreven proces van lange adem, waarbij het naar het
oordeel van de AIV erom gaat democratische instituties te helpen opbouwen die worte-
len in de Afrikaanse civiele samenleving, pleit de AIV voor grote terughoudendheid bij
financiële steun aan politieke partijen in Afrika. Wel kan worden overwogen steun te
bieden aan de Internationale Parlementaire Unie teneinde te helpen de omstandighe-
den te scheppen waarin politieke partijen in landen in Afrika in staat worden gesteld in
het parlement ’hun’ regering te controleren.
                                             44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>In het verlengde van de versterking van de parlementaire democratie en de opbouw van
instituties staat steun aan de Security Sector Reform centraal, hoewel dit beleid nog in
de kinderschoenen staat. In de bilaterale relaties met Afrikaanse landen is het van
belang aandacht te schenken aan het meer ontvankelijk maken van de strijdkrachten
en de politie voor controle van buitenaf, in de eerste plaats door het parlement van het
land. Ook is het van belang dat parlementsleden beter en effectiever controle kunnen
uitoefenen.
In het kader van goed bestuur en beleid zou Nederland meer aandacht dienen te beste-
den aan het onder civiele en democratische controle brengen van de strijdkrachten en
de politie en aan instrumenten om deze ontvankelijk te maken voor het afleggen van
verantwoording. Deze instituties zouden moeten worden geprofessionaliseerd, wat
inhoudt dat er onder meer aandacht komt voor mensenrechten, oorlogsrecht en de
afbakening van de taken op het gebied van de externe veiligheid – het leger – en die
van de interne veiligheid – de politie. Ook zou aandacht dienen te worden besteed aan
het trainen van parlementsleden om controle uit te oefenen, in het bijzonder op de
begroting (financiële middelen) die aan leger en politie ter beschikking worden gesteld.
In conflicten in Afrika spelen lichte wapens een belangrijke rol. Het zijn deze wapens
die in Afrika vele slachtoffers maken en die kinderen in staat stellen aan de gewapen-
de strijd mee te doen. Nederland maakt zich binnen de Europese Unie en de Verenigde
Naties sterk om (verdere) maatregelen te treffen om de verspreiding van lichte wapens
tegen te gaan. Het actieprogramma van de Europese Unie terzake is bijvoorbeeld op
Nederlands initiatief tot stand gebracht. De Verenigde Naties organiseren in 2001 een
conferentie over de illegale productie en handel in lichte wapens. Na deze conferentie
en na de evaluatie in hetzelfde jaar van een driejarig verbod ingesteld door de Economi-
sche Gemeenschap van West-Afrikaanse staten op de productie, import en export van
lichte wapens, kan worden bezien of de tijd rijp is voor nieuwe initiatieven op dit vlak.
Reeds eerder heeft de AIV in algemene zin aanbevelingen geformuleerd om de versprei-
ding en het gebruik van lichte wapens terug te dringen. In het kader van de situatie in
Afrika beveelt de AIV de Nederlandse regering aan de controle op handel en leveranties
van munitie aan landen in Afrika, op de agenda te plaatsen van de conferentie van de
Verenigde Naties over illegale productie van lichte wapens in 2001.
Een combinatie van economische factoren in Afrika, zoals stagnerende groei, hoge
werkloosheid, dalende grondstofprijzen en een stijgende schuldenlast, vormt een voe-
dingsbodem voor instabiliteit en conflict. Bij het verband tussen economie en potentie
voor conflict in Afrika staat de toegang tot hulpbronnen centraal.
De AIV is derhalve van mening dat Nederland in het kader van conflictpreventie eraan
bij dient te dragen dat binnen landen in Afrika geen bevolkingsgroep systematisch
wordt uitgesloten van de verdeling en opbrengsten van hulpbronnen. Mocht dit dreigen
te gebeuren, dan dient de regering van het land in kwestie daarop te worden aange-
sproken en dient hierover systematisch te worden gerapporteerd.
Conflicten worden vaak gefinancierd met de opbrengsten van smokkel en handel in dia-
manten, goud en drugs. Van belang is dat de G8, waarvan de landen het overgrote
deel van de handel in diamanten voor hun rekening nemen, de urgentie van het pro-
bleem van de illegale handel onderkent en zich voorneemt bij te dragen aan regionale
handhaving van wetten en regels in Afrika. Ook het initiatief van het Verenigd Koninkrijk
om deugdelijke herkomstdocumentatie te eisen voor de verwerking van diamanten ver-
                                             45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>dient steun. Daarnaast heeft de Veiligheidsraad een presidentiële verklaring uitge-
bracht waarin de secretaris-generaal van de Verenigde Naties is verzocht een expert-
panel op te richten dat onderzoek zal doen naar de illegale exploitatie van grondstoffen
uit de Democratische Republiek Congo en de rol hiervan in het conflict ter plaatse.
Nederland dient krachtig steun te (blijven) geven aan de initiatieven die onlangs zijn
ontwikkeld om de illegale diamanthandel tegen te gaan en de verbetering van de her-
komstdocumentatie te bevorderen. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de maat-
schappelijke betrokkenheid bij Afrika, in het bijzonder van de ervaring van enkele NGO’s
op dit punt. Tevens is de AIV van oordeel dat Nederland internationale en Afrikaanse
inspanningen ter bestrijding van handel in hard drugs verder dient te ondersteunen.
De bestaande sociale structuren staan onder druk. Migratie op grote schaal veroor-
zaakt een onttakeling van traditionele sociale structuren en vergroot de instabiliteit.
De AIV is van mening dat de Nederlandse inspanningen om bij te dragen aan het ver-
lichten van de problemen veroorzaakt door migratie, zich niet moeten beperken tot het
nationale niveau, de nationale overheden en de hoofdsteden, maar zich ook zouden
moeten richten op kleinere steden en rurale gebieden waar migranten hun toevlucht
nemen - en op die gebieden waaruit mensen wegtrekken. In het kader van ontwikke-
lingsprogramma’s zou meer aandacht moeten worden besteed aan het scheppen van
werkgelegenheid in nieuwe opkomende steden en niet-agrarische sectoren.
De verspreiding van HIV en de gevolgen van aids hebben grote demografische gevol-
gen, die op hun beurt de potentie van conflicten in zich kunnen dragen. Nederland
heeft in 2000 ongeveer 40 miljoen dollar aan het ‘International Aids Vaccine Initiative’
ter beschikking gesteld.
Aanvullend op de algemene inspanningen ter bestrijding van aids dient Nederland te
blijven oproepen tot meer openheid op het gebied van seksualiteit en aids, ook in de
krijgsmachten van Afrikaanse landen. De voorlichting die in dit verband al aan militairen
wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld door DPKO, de UNFPA en UNAIDS dient door Neder-
land te worden bevorderd en ondersteund.
De AIV beveelt aan dat Nederland de verschillende bestaande opvangmechanismen
voor slachtoffers van aids en hun verwanten (extended families, child headed families,
weeshuizen) versterkt binnen een sectorale benadering. Bij werkgelegenheidsprogram-
ma’s dient rekening te worden gehouden met de zorg die deelnemers op zich (hebben
moeten) nemen voor door aids getroffen verwanten.
Jongeren die opgroeien met de dreiging van aids; met ontoereikende voorzieningen
vooral op het gebied van onderwijs, met langdurige gewapende conflicten vallen vaak
ten prooi aan de verleiding zelf geweld te gebruiken.
De AIV beveelt aan dat Nederland met hoge prioriteit meer aandacht schenkt aan het
groeiend aantal gemarginaliseerde jongeren in Afrika, omdat deze vatbaar zijn voor mili-
taire en criminele rekrutering. In dit verband is de AIV van oordeel dat Nederland zich
meer dient in te spannen om werkgelegenheid in Afrika te bevorderen voor jongeren,
met het oogmerk hen een alternatief te bieden voor de deelname aan de gewapende
strijd en hen perspectief te bieden op een betere toekomst. In Zuid-Afrika steunt Neder-
land al dergelijke organisaties.
                                             46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Begin 2000 is overeenstemming bereikt in de VN-werkgroep voor een facultatief proto-
col bij het VN-verdrag inzake de rechten van het kind over de inzet van kinderen in een
gewapend conflict. In het verleden zijn ontwapenings-, demobilisatie en reïntegratiepro-
gramma’s (DD&R) meestal ingezet in een post-conflictsituatie. Inmiddels worden de
programma’s ook gebruikt als preventie en in relatie tot de stijgende criminaliteitscijfers.
Als instrument van conflictpreventie en in landen die kampen met zware criminaliteit
dient Nederland in Afrika ook steun te (blijven) bieden aan ontwapenings-, demobilisa-
tie en reintegratieprogramma’s (DD&R), die in het bijzonder zijn gericht op jongeren.
De relatie tussen gender, veiligheid en conflict is veelzijdig. Hoewel vrouwen over het
algemeen zijn uitgesloten van deelname aan de strijdmachten, worden hun rechten
gedurende conflicten ernstig geschonden door onder meer systematische verkrachting.
Vrouwen kunnen echter een rol spelen in conflictpreventie en -oplossing en in de herop-
bouw van door oorlog verscheurde gemeenschappen. Tevens kunnen vrouwen in een
oorlog een meer zelfstandige economische en maatschappelijke positie verkrijgen.
Daarom is de AIV van oordeel dat Nederland in het Afrika-beleid expliciet en systema-
tisch aandacht moet blijven schenken aan de rol van gender in relatie tot vraagstukken
van veiligheid en stabiliteit. Dat betekent onder meer dat Nederland steun dient te blij-
ven verlenen aan het vervolgen en berechten van daders van verkrachtingen zoals
momenteel gebeurt in het Rwanda-tribunaal. In dit verband dient meer geld ter beschik-
king te worden gesteld voor UNIFEM en dienen lokale projecten die zich richten op
gender en veiligheid te worden ondersteund.
Met het bereiken van een formeel akkoord vangt de post-conflictfase aan, waarin
wederopbouw en verzoening centraal staan. Het overbruggen van tegenstellingen zowel
op economisch als op sociaal en politiek vlak is hierbij van belang. Een mogelijkheid is
aansluiting zoeken bij gemeenschappelijke tradities en instituties van conflictbeslech-
ting.
De AIV is van oordeel dat Nederland kan bijdragen aan vredesprocessen in Afrika door
in de maatschappij gewortelde verzoeningscampagnes te ondersteunen en hierbij het
maatschappelijk middenveld te betrekken. Daarbij dient het accent te liggen op de aan-
vaarding van de akkoorden door de bevolking en de lokale organisaties met het oog op
vredesopbouw en het herstel van de sociale cohesie. Vrouwenorganisaties dienen ten
behoeve hiervan te worden ingeschakeld.
Momenteel zijn alle lidstaten van de OAE partij bij het Afrikaanse Handvest voor de
rechten van de mens. Kenmerkend voor het Afrikaanse Handvest is ook de opname
van collectieve rechten, zoals het recht van volkeren op politieke en economische zelf-
beschikking, op vrede en veiligheid, op ontwikkeling en op een leefbaar milieu.
De AIV beveelt aan dat Nederland de ’African Commission on Human and Peoples’
Rights’ financieel ondersteunt, op een wijze die de onafhankelijkheid van de Commis-
sie bevordert. Door de centrale positie van deze Commissie kan de verdere ontwikke-
ling, verbetering en uitvoering van het Afrikaanse Handvest voor de rechten van de
mens en voor de rechten van volkeren worden versterkt.
In het kader van goed bestuur en goed beleid zou Nederland meer aandacht dienen te
besteden aan het belang van een onafhankelijke rechterlijke macht en advocatuur voor
                                             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>de stabiliteit, veiligheid en ontwikkeling in landen in Afrika. Nederland dient educatieve
campagnes te ondersteunen ten aanzien van respect voor mensenrechten. Bijzondere
bescherming verdienen de mensenrechten van vluchtelingen en ontheemden.
Voorts zou Nederland volgens de AIV de verrichtingen van de verschillende Afrikaanse
nationale commissies voor de rechten van de mens nauwlettend moeten volgen en
desgevraagd ondersteuning moeten bieden, aan die commissies die voldoende onaf-
hankelijk zijn en die overigens voldoen aan de zogeheten Paris Principles.
De internationale politieke betrokkenheid bij Afrika is na het einde van de Koude Oor-
log aan verandering onderhevig geweest. In recente jaren zijn vredesoperaties van de
Verenigde Naties voor Afrika moeilijk van de grond te krijgen. De Nederlandse deelna-
me aan UNMEE lijkt hier de uitzondering die de regel bevestigt.
De AIV is van oordeel dat Nederland een effectief beleid ten aanzien van Afrika gericht
op veiligheid en stabiliteit in hoofdzaak moet vormgeven in multilaterale fora zoals de
VN en de Europese Unie. Buiten deze fora kan worden getracht met gelijkgezinde
donorlanden samen te werken in consortia en coalities. Een dergelijke bundeling van
krachten met gelijkgezinden biedt naar het oordeel van de AIV geen alternatief voor de
bestaande multilaterale fora, doch dient als opstap te dienen voor coalitievorming bin-
nen de Verenigde Naties en de Europese Unie.
Het beleid van de Europese Unie ten aanzien van Afrika is traditioneel gericht op ont-
wikkelingssamenwerking. Het recente verdrag van Cotonou (23 juni 2000), de opvolger
van Lomé, behelst een bedrag van 14,3 miljard Euro voor de eerste vijf jaar. Eén van
de doelstellingen is de geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.
Naast de politieke dialoog tussen de lidstaten en de ACS-landen op de gebieden van
de rechten van de mens, democratisering en de rechtsstaat, kan nu ook worden
gesproken over conflictpreventie, georganiseerde criminaliteit, drugs, wapenhandel en
de terugkeer van illegale migranten. Nadrukkelijk is ook aan het maatschappelijk mid-
denveld en aan het bedrijfsleven een rol toegekend. Ook is afstemming van het beleid
ten aanzien van Afrika binnen de Europese Unie van belang. Zo heeft Nederland het ini-
tiatief genomen om in mei 2000 het onderwerp ‘conflicten in Afrika’ op de agenda te
zetten van de Algemene Raad van de ministers van Buitenlandse Zaken. Verder is de
bereidheid uitgesproken om samen te werken met andere donoren, de Wereldbank en
geïnteresseerde Afrikaanse landen om wegen te vinden voor ontwapening, demobilisa-
tie en herintegratie van de strijders. De EU is bereid steun te bieden aan de terugkeer
van vluchtelingen en aan de meest getroffen regio’s.
De WEU heeft activiteiten ontplooid met het oog op de versterking van de mogelijkhe-
den voor vredehandhaving in Afrika. Veel van deze activiteiten, bijvoorbeeld op het
gebied van advisering over ontmijning, worden in 2001 beëindigd.
Nederland zou volgens de AIV erop dienen toe te zien dat bij de beëindiging van de
activiteiten van de WEU de tot nog toe ontwikkelde activiteiten ten aanzien van Afrika,
na een positieve evaluatie, worden overgedragen aan de Europese Unie.
Vanaf 2001 heeft de regering in de begroting een vredesfonds opgenomen, waaruit
activiteiten worden gefinancierd die zich richten op versterking van de vredebewarende
capaciteit van ontwikkelingslanden. Het gaat vooral om incidentele bijdragen aan kort-
lopende activiteiten. Het vredesfonds bevat een bedrag van 15 miljoen gulden op jaar-
basis.
                                              48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Om Afrikaanse landen beter in staat te stellen bij te dragen aan de veiligheid en stabili-
teit in Afrika dient Nederland zijn steun voort te zetten aan Afrikaanse regionale
initiatieven door het overdragen van kennis, ervaring en middelen. Dit kan ofwel via
een uitbreiding van het vredesfonds, ofwel via de reguliere fondsen.
Uit 1991 stamt het voorstel van de toenmalige Nigeriaanse staatshoofd Obasanjo voor
een ‘Conference on Security, Stability, Development and Cooperation in Africa’
(CSSDCA). De AIV is van oordeel dat het niet zozeer gaat om overname van het model
van de OVSE, maar om introductie in de politieke discussie in Afrika, van gedachten en
ideeën die ten grondslag liggen aan de OVSE.
Nederland opteert voor het voorzitterschap van de OVSE in het jaar 2003, en zou dan
initiatieven moeten nemen om de gedachten en ideeën die ten grondslag liggen aan de
OVSE ingang te doen vinden in de politieke discussie in Afrika. Met dit doel dient een
dialoog tussen de OVSE en de OAE op gang te worden gebracht.
Volgens een antwoord van de regering op vragen gesteld in de Tweede Kamer wordt
momenteel nog geen 50% van de hulp aan Afrika besteed.
Tenslotte is de AIV van mening dat Nederland de toezegging aan de secretaris-generaal
van de VN om 50% van de hulp aan Afrika te besteden gestand moet doen.
                                             49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   Bijlage I
50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>51</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>52</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>53</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                                                                                                                               Bijlage II
                                                                    Algiers            TUNESIË
                                        MAROKKO
                             Laayoun
   WESTELIJKE                                     A L G E R I J E                                L I B I Ë
    SAHARA
                                                                                                                               E G Y P T E
                    M AU R I TA N I Ë
P VERDIË
                                               M A L I
 SENEGAL                                                             N I G E R
   Dakar                                                                                                                                             ERITREA
                                                                                               T S J A A D                          Khartum               Asmera
     GAMBIA
                                                                                                                           S U D A N
       Bissau                                 BURKINA                                          Ndjamena
 GUINEE BISSAU                                 FA SO                                                                                                               DJIBOUTI
       GUINEE                                           BENIN
                                                                  N I G E R I A
            Freetown               IVOOR-          TOGO
                                                                         Abuja                                                                            Addis Abeba
                                                                Ibadan
                                                                                                          CENTRAAL
           SIERRA LEONE
                                       KUST
                                               GHANA        Lagos                                                                                  E T H I O P I Ë
                 LIBERIA                                                                                  A F R . R E P.
                                                                          KAMEROEN               Bangui
                                                              EQUATORIAAL
                                                              GUINEA
                                                                                                                            UGANDA                                      Mogadishu
                                                          SÃO TOMÉ
                                                          & PRINCIPE
                                                                              GABON                                           Kampala             K E N Y A         S O M A L I Ë
                                                                                                                           RWANDA
                                                                                     CONGO                                                           Nairobi
                                                                                    (Brazzaville)
                                                                                 Brazzaville
                                                                                               Kinshasa
                                                                                                              C O N G O
                                                                                                              (Kinshasa)                BURUNDI                               SEYCHELLEN
                                                                                                                                          TA NZ A N I A
                                                                                         Luanda
                                                                                                                                                                   COMOREN
                                                                                         A N G O L A                                      MALAWI
                                                                                                                    Z A M B I A
                                                                                                                                       Harare
                                                                                                                           ZIMBABWE             MOZAMBIQUE
                                                                                            NAMIBIË                                                                                        MAURITIUS
                                                                                                              BOTSWANA
                                                                                                                           SWAZILAND
                                                                                                                                                                    MADAGASKAR
                                                                                                                     LESOTHO
                                                                                                                                                                                                       © Geografiek, 2001
                                                                                                      Z U I D -
                           openlijke oorlogshaard                                                        A F R I K A
                           smeulend conflict
            Belangrijkste drijvende kracht achter het conflict*:
                          strijd om macht of grondstoffen                            ethnische of religieuze tegenstellingen                              grensconflict of strijd om autonomie
                                                                                                 54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                     Bijlage III
Lijst van afkor tingen
ACP (ACS)     Africa, the Caribbean and the Pacific (Afrika, Caribisch Gebied, Stille Zuidzee)
ACRI          African Crisis Response Initiative
AIDS          Acquired Immunodeficiency Syndrome
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
ANC           Afrikaans Nationaal Congres
BNP           Bruto Nationaal Product
CAVV          Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
CNV           Christelijk Nationaal Vakverbond
CSSDCA        Conference on Security, Stability, Development and Cooperation in Africa
CIVPOL        United Nations Civilian Police
CODESRIA      Council for the Development of Social Science Research in Africa
DAC           Development Assistance Committee
DAF/MA        Directe Afrika/Midden- en Oost-Afrika
DD&R          Ontwapenings-, demobilisatie- en reïntegratieprogramma’s
DMV           Directie Mensenrechten en Vredesopbouw
DOV           Duurzaam Ontwikkelingsverdrag
ECA           Economic Commission for Africa
ECOMOG        Economic Community of West African States Cease-Fire Monitoring
ECOWAS        Economic Community of West African States
EPLF          Eritrean People’s Liberation Front
EU            Europese Unie
FNV           Federatie Nederlandse Vakbeweging
GATT          General Agreement on Tariffs and Trade
GBVB          Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
GDP           Gross Domestic Product
GI/KPA        Gemeentelijke Initiatieven/Kleine Plaatselijke Activiteiten
HGIS          Homogene Groep Internationale Samenwerking
HIPCI         Heavily Indebted Poor Countries Initiative
HIV           Human Immunodeficiency Virus
HPI           Hoofdafdeling Personele Zaken/Internationale Samenwerking,
              ‘Deskundigenprogramma’
ICTR          International Criminal Tribunal for Rwanda
ICTY          International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia
IGAD          Intergovernmental Authority on Development
ISS           Institute of Social Studies
IISS          International Institute for Strategic Studies
                                              55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>ILO     International Labour Organization (Internationale Arbeidsorganisatie)
IOM     International Organization for Migration
MFP     Medefinanciering Programma’s
MINURSO United Nations Mission for the Referendum in Western Sahara
NGO     Niet-Gouvernementele Organisatie
NIZA    Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika
NPLF    National Patriotic Front of Liberia
OAE     Organisatie voor Afrikaanse Eenheid
OAU     Organisation of African Unity (Organisatie voor Afrikaanse Eenheid)
ODA     Official Development Assistance
OESO    Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OOF     Other Official Flows
OVSE    Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
PCASED  Programme for Coordination and Assistance for Security and Development
PF      Private Flows
PSO     Programma Personele Samenwerking Ontwikkeling
RECAMP  Renforcement des Capacités de Maintien de la Paix
RUF     Revolutionary United Front (Revolutionair Verenigd Front)
SADC    Southern African Development Community
SIPRI   Stockholm International Peace Research Institute
SNV     Stichting Nederlandse Vrijwilligers
SNZI    Stichting het Nieuwe Zuid-Afrika
SWVP    Sudanese Women’s Voice for Peace
UN      United Nations (Verenigde Naties)
UNIFEM  United Nations Development Fund for Women
UNITA   Nationale Unie voor de Volledige Onafhankelijkheid van Angola
UNMEE   United Nations Mission in Ethiopia and Eritrea
UNMO    United Nations Military Observer
UNAMSIL United Nations Mission in Sierra Leone
US      United States (Verenigde Staten)
VMP     Vakbond Medefinanciering Programma’s
VN      Verenigde Naties
VPO     Voedsel Verbetering Programma’s
VS      Verenigde Staten
WEU     West-Europese Unie
WTO     World Trade Organization (Wereldhandelsorganisatie)
                                        56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1       EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2       CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
        mogelijkheden, april 1998
3       DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
        april 1998
4       UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
        VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5       EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6       HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7       COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
        november 1998
8       ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9       NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
        Turkije de Europese Unie, juli 1999
10      DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
        IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
        veiligheid, september 1999
11      HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
        september 1999
12      DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig
        lidstaten, januari 2000
13      HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000 **
14      ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15      EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16      DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
  * De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.
  **Gezamenlijk advies van Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de
    Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
                                              57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>