<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING
DE EUROPESE UNIE EN DE IGC 2004
Advies no 24
Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter             Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen (waarnemend Voorzitter)
Leden                  Dhr. A.L. ter Beek
                       Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                       Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                       Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                       Mw. drs. A.C. van Es
                       Prof. mr. C. Flinterman
                       Prof. dr. E.J. de Kadt
                       Dr. B. Knapen
                       Mw. mr. E.M.A. Schmitz
Ambtelijk adviseurs Mr. F.A.M. Majoor (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                       Drs. B.W. Bargerbos (Ministerie van Defensie)
Secretaris             Drs. F. van Beuningen
  Postbus 20061
  2500 EB Den Haag
  telefoon 070 - 348 5108/6060
  fax 070 - 348 6256
  E-mail AIV@minbuza.nl
  Internet www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>          Inhoudsopgave
          Woord vooraf
I         Achtergrond herziening verdragen    6
          Twee kenmerken van verdragsherzieningen 6
          De aanloop tot herziening van de verdragen en de IGC     6
          Rol van de Europese Commissie en het Europees Parlement      7
          Bredere grondslag voor IGC's    8
II        Voor- en nadelen van een conventie en
          een IGC ter voorbereiding van een verdragswijziging  9
          II.1     Andere werkwijzen    9
          Groep van wijzen     9
          Expertgroepen     9
          Reflectiegroep (Dooge, Westendorp)    9
          II.2     Conventiemodel en klassiek IGC-model: voor- en nadelen  9
          Klassiek IGC-model     10
          Conventiemodel      10
          Welk model?     11
III       Een conventie: hoe     12
          III.1    Een terugblik naar de conventie Handvest Grondrechten  12
          De werking van de conventie Handvest Grondrechten 12
          Meningen over de conventie Handvest Grondrechten      12
          III.2    Op weg naar de IGC van 2004    13
          III.3    Voorwaarden voor het goed functioneren van een conventie  14
Bijlage I          Adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 13 juni 2001 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal op voordracht van
de algemene commissie voor Europese zaken de Adviesraad Internationale Vraag-
stukken (AIV) om advies gevraagd over de werkwijze voor de voor 2004 geplande
IGC. De AIV heeft dit verzoek, ter voorbereiding van het uit te brengen advies,
voorgelegd aan één van zijn vier permanente commissies, te weten de Commissie
Europese Integratie (CEI). Deze commissie bestaat uit prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
(voorzitter), dr. B. Knapen (vice-voorzitter), drs. H.J. Brouwer, drs. W.S.J.M. Buck,
mw. drs. A.E.J.M. Cook-Schaapveld, dhr. P. Dankert, mw. drs. N. Kroes, drs. H.C.
Posthumus Meyjes, prof. dr. J.Q.Th. Rood, drs. P. Scheffer, drs. W.K.N. Schmelzer,
prof. dr. A. Szász, mw. mr. M.G. Wezenbeek-Geuke en prof. mr. J.W. de Zwaan. De
CEI is voor de uitwerking van dit advies uitgebreid met prof. drs. B.A.G.M. Tromp
en drs. E.P. Wellenstein van de Commissie Vrede en Veiligheid (CVV) van de AIV.
Deze uitgebreide CEI heeft daarna een werkgroep gevormd, die bestond uit prof.
mr. F.H.J.J. Andriessen (voorzitter), drs. H.C. Posthumus Meyjes, prof. dr. J.Q.Th.
Rood, prof. drs. B.A.G.M. Tromp, drs. E.P. Wellenstein, mw. mr. M.G. Wezenbeek-
Geuke en prof. mr. J.W. de Zwaan. De werkzaamheden ten behoeve van de opstel-
ling van het advies zijn ondersteund door de ambtelijke adviseurs van de CEI,
dhr. R.C.J.M. van Schreven en drs. J.A. Werner en tevens door mr. A.R. Westerink
(Ministerie van Buitenlandse Zaken). Het secretariaat is gevoerd door mw. drs.
M.M.J. Louwerens (secretaris van de CEI). Dhr. J.W. van der Veer (stagiair) heeft de
werkzaamheden van de staf ten behoeve van de opstelling van het advies onder-
steund. De AIV heeft dit advies vastgesteld op maandag 29 oktober 2001.
Het advies is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk I beschrijft de huidige situatie met
betrekking tot verdragsherzieningen, in hoofdstuk II worden enkele alternatieve
manieren om te komen tot verdragsherzieningen tegen het licht gehouden en in
hoofdstuk III doet de AIV aanbelingen voor een werkwijze voor de Intergouverne-
mentele Conferentie (IGC) van 2004.1 De aanbevelingen in het advies zijn schuin-
gedrukt. Als bijlage is opgenomen de adviesaanvraag.
Voor de duidelijkheid vermeldt de AIV dat de term ‘conventie’' wordt gehanteerd
om de methode zoals gebruikt bij de voorbereiding van het Handvest Grondrech-
ten aan te duiden. In een dergelijke conventie hebben vier groepen zitting, te
weten vertegenwoordigers van de nationale parlementen, leden van het Europees
Parlement, vertegenwoordigers van de Europese Commissie en van de nationale
regeringen.
 1 Hierna zal in de tekst telkens in plaats van de term ‘Intergouvernementele Conferentie’ de meer
   gebruikte afkorting ‘IGC’ worden gebezigd.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>I          Achter grond her ziening ver dragen
Tijdens de IGC in december 2000 in Nice hebben de lidstaten van de Europese Unie een
verklaring aangenomen betreffende de toekomst van de Unie.2 Hierin is vastgelegd dat
een breder en diepgaander debat dient plaats te vinden over de toekomst van de Euro-
pese Unie. In dit proces dienen, aldus de Verklaring, onder meer de volgende thema’s te
worden betrokken:
• hoe een nauwkeuriger bevoegdheidsafbakening tussen de Europese Unie en de lidstaten
    vast te stellen en vervolgens te handhaven, die strookt met het subsidiariteitsbeginsel;
• de status van het te Nice afgekondigde Handvest Grondrechten van de Europese Unie;
• vereenvoudiging van de verdragen om ze duidelijker en begrijpelijker te maken, zonder
    inhoudelijke veranderingen;
• de rol van nationale parlementen in het Europese bestel.
De IGC-2000 is verder overeengekomen dat, wanneer dit voorbereidende werk is vol-
tooid, een nieuwe Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lid-
staten in 2004 zal worden bijeengeroepen om de overeengekomen thema’s te behande-
len teneinde de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de verdragen aan te brengen.
Het ligt derhalve vast dat een IGC de verdere verdragswijzigingen zal aanbrengen. De
vraag is derhalve aan de orde hoe deze IGC het best kan worden voorbereid. Alvorens
hier nader op in te gaan, zal eerst een schets worden gegeven van de gang van zaken
met betrekking tot verdragsherzieningen.
Twee kenmerken van verdragsherzieningen
De verdragen waarop de Europese samenwerking is gebaseerd zijn herhaaldelijk aange-
past. Hierbij springen twee kenmerken in het oog. Allereerst vinden deze herzieningen
stapje voor stapje plaats. Een tweede kenmerk is dat de verdragsherzieningen en daar-
voor benodigde IGC’s met steeds kortere tussenpozen plaatsvinden: de ene IGC eindigt
met de afkondiging van de volgende. Men kan zelfs spreken van een bijna permanente
aanpassing van de verdragen.
Een hiermee samenhangend onderwerp is de eventuele totstandkoming van een Europe-
se grondwet. Dit onderwerp is op de agenda gekomen mede door de opstelling van een
Europees Handvest Grondrechten en door het constitutionele karakter van de onderwer-
pen op de agenda van het toekomstdebat.
De aanloop tot herziening van de verdragen en de IGC
Hoe ziet de procedure voor verdragsherziening er nu uit en wat is de rol van de verschil-
lende spelers hierin? Artikel 48 van het Verdrag van de Europese Unie stelt dat een IGC
van regeringsvertegenwoordigers unaniem besluit tot verdragswijzigingen en dat deze
van kracht worden na ratificatie door alle lidstaten.3 De procedure bestaat uit een
2   Bijlage IV bij het Verdrag van Nice, p. 85, Verklaring voor de Slotakte betreffende de toekomst van de Unie.
3   Artikel 48 EU, ‘De Regering van elke lidstaat of de Commissie kunnen aan de Raad ontwerpen voorleggen
    tot herziening van de verdragen waarop de Unie is gebaseerd. Indien de Raad na raadpleging van het Euro-
    pees Parlement en, in voorkomend geval, van de Commissie, gunstig adviseert ten aanzien van het bijeen-
    roepen van een conferentie van Vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten, wordt deze Conferen-
    tie door de Voorzitter van de Raad bijeengeroepen, ten einde in onderlinge overeenstemming de in
    genoemde verdragen aan te brengen wijzigingen vast te stellen. ... De wijzigingen treden in werking nadat
    zij door alle lidstaten overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepaling en zijn bekrachtigd.’
                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>communautair gedeelte en een intergouvernementeel gedeelte. In eerste instantie
dient de Raad naar aanleiding van ontwerpen van lidstaten of de Europese Commissie
te adviseren ten aanzien van het bijeenkomen van een IGC. Is dit advies, waarover met
gewone meerderheid wordt besloten en dat wordt gegeven na raadpleging van het Euro-
pees Parlement en - in voorkomend geval - de Europese Commissie, gunstig, dan wordt
de IGC door het voorzitterschap bijeengeroepen. Verdragswijzigingen dienen in onderlin-
ge overeenstemming -derhalve met consensus- te worden vastgesteld.
De Gemeenschapsinstellingen, met name het Europees Parlement en de Europese
Commissie, spelen derhalve een rol in de aanloopfase van de IGC. Het recht van de
Europese Commissie om ontwerpen in te dienen, heeft haar in de praktijk ook het
recht gegeven om gedurende de onderhandelingen van de IGC altijd aanwezig te zijn.
De verdragswijzigingen kunnen pas in werking treden wanneer zij door alle lidstaten
overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen zijn geratificeerd. In sommige lidstaten
maakt soms een referendum deel uit van de ratificatieprocedure.
Rol van de Europese Commissie en het Europees Parlement
De rol van de Europese Commissie is vaak groter geweest dan uit het bovenstaande
zou kunnen blijken. Bij de opstelling van de Europese Akte (1986) bijvoorbeeld was de
inbreng van de Europese Commissie van eminent belang. Verder heeft de Europese
Commissie in de voorbereidingen voor de IGC’s van 1991 en 1996/1997 belangrijk bij-
gedragen aan de werkzaamheden, doordat zij een taakgroep in het leven had geroepen
die de standpunten van de Europese Commissie formuleerde en deze consequent en
gestructureerd uitdroeg in vergaderingen. Verder waren zowel de Europese Commissie
als het Europees Parlement vertegenwoordigd in de Reflectiegroep Westendorp, die de
IGC van 1996/1997 heeft voorbereid. De Europese Commissie heeft trouwens een
(potentieel) sterke troef in handen om invloed te verwerven op IGC’s: zij zit als enige
Gemeenschapsinstelling ook tijdens de onderhandelingen zelf aan tafel. De mate van
invloed die de Europese Commissie kan verwerven lijkt mede afhankelijk van de initia-
tieven die zij zelf ontwikkelt en van de mate waarin zij zich een rol weet te verwerven in
de voorbereiding. Een sterke Europese Commissie zal meer in de melk te brokkelen
hebben dan een die als zwak wordt gezien.
Het Europees Parlement heeft geen recht om voorstellen te doen en evenmin het recht
om achteraf zijn goedkeuring te hechten aan verdragswijzigingen. De Raad kan echter
alleen een IGC bijeen roepen na consultatie van het Europees Parlement. Het Euro-
pees Parlement heeft geprobeerd een grotere rol te verwerven dan deze formeel-
beperkte rol bij de (voorbereiding van) IGC’s en is daar voor een deel in geslaagd. Er
zijn ruwweg twee manieren te onderscheiden waarop het Europees Parlement zijn stem
heeft laten horen.
• De eerste is op eigen initiatief: zo heeft in 1980 Altiero Spinelli als prominent EP-lid
    een groep van 70 gelijkgezinde leden van het Europees Parlement bij elkaar
    gebracht die voorstellen uitwerkten voor de (institutionele) ontwikkeling van de Euro-
    pese samenwerking. In 1981 is deze groep omgezet in een Comité voor Institutione-
    le Zaken, dat heeft voorgesteld dat er een nieuw verdrag moest komen ter instelling
    van een Europese Unie die de originele Europese Gemeenschap moest vervangen.
    De invloed van de Spinelligroep kan aanzienlijk worden genoemd, alleen al omdat
    deze het onderwerp van de institutionele ontwikkeling op de politieke agenda heeft
    weten te krijgen. Bij de herziening van de verdragen die leidde tot de Europese Akte
    en het Verdrag van Maastricht had het Europees Parlement derhalve al een stem in
    het kapittel, omdat de verschillende resoluties waarin zijn visie op de toekomstige
    Unie waren vervat, invloed hebben gehad op de onderhandelingen en de resultaten
                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    daarvan.4 Met andere woorden: doordat gekozen volksvertegenwoordigers op eigen
    initiatief met ideeën naar voren kwamen, hebben zij zich een plek in de Europese
    arena verworven.
• De tweede manier is deelname aan de voorbereiding van een IGC. Het Europees
    Parlement heeft deelgenomen in verschillende groepen die verdragsherzieningen
    hebben voorbereid. De eerste keer was dat doordat twee leden van het Europees
    Parlement betrokken waren bij de besprekingen in de Reflectiegroep Westendorp.
    Het Europees Parlement werd nog verder betrokken bij de opstelling van een Euro-
    pees Handvest Grondrechten. Deze was in handen van een conventie, waarin naast
    vertegenwoordigers van de regeringen en de Europese Commissie ook leden van
    het Europees Parlement en de nationale parlementen zitting hadden. Het is de
    vraag of het Europees Parlement en de nationale parlementen zich bij volgende
    IGC’s een grote(re) rol in de voorbereidingsfase zullen laten ontgaan: men heeft de
    smaak te pakken.
Bredere grondslag voor IGC’s
Uit het voorgaande blijkt dat de rol van de Gemeenschapsinstellingen formeel de fase
vóór de eigenlijke onderhandelingen betreft. Hierdoor zijn de lidstaten de voornaamste
actoren, zowel voor het initiëren als het resultaat van een IGC.5 De exclusieve greep
van de lidstaten op de IGC’s lijkt echter te verminderen, onder meer doordat de Euro-
pese Commissie en het Europees Parlement een grotere rol in de voorbereidingsfase
van een IGC hebben weten te verwerven dan de verdragsmatige waar zij recht op heb-
ben. En verder proberen ook steeds meer andere groeperingen en instellingen invloed
uit te oefenen op een IGC. Tijdens de IGC van 1996-1997 waren er talrijke belangen-
groeperingen, van nationale tot transnationale, die in de conferentieruimte gehoord wil-
den worden.6 Tijdens de IGC-2000 ontwikkelde deze ‘meerstemmigheid’ zich verder
doordat het maatschappelijk veld een rol had bij de conventie Handvest Grondrechten.
Deze bredere grondslag voor de IGC’s - een groter wordende rol van de de Europese
Commissie en het Europees Parlement en het maatschappelijk veld in een steeds
hoger ritme van IGC’s - kan er toe leiden dat regeringen bang zijn hun greep te verlie-
zen op de koers van de Europese Unie. Aan de andere kant worden regeringen zich er
meer en meer van bewust dat de kwaliteit van de besluitvorming en het publieke draag-
vlak voor de Europese Unie er niet mee zijn gediend dat belangrijke beslissingen zoals
van IGC’s tezeer achter gesloten deuren en zonder publiek debat worden genomen.
Vandaar de zoektocht naar een bredere grondslag voor de IGC’s door betrokkenheid
van de Gemeenschapsinstellingen, het maatschappelijk middenveld, de nationale
parlementen etc.
4  Sophie Vanhoonacker, ‘The European Parliament and European Political Union', p. 215, uit ‘The Inter-
   governmental Conference on Political Union’, Finn Laursen en Sophie Vanhoonacker ed., EIPA, 1992.
5  ‘Reforming the Treaties’ Amendment Procedures’, Second report of the European University Institute,
   Florence, on the reorganisation of the European Union Treaties, p. 5.
6  Jo Shaw, ‘Process and Constitutional Discourse in the European Union’, Journal of Law and Society,
   maart 2001, p. 28.
                                                    8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>II        Voor- en nadelen van een conventie en een IGC
          ter voorbereiding van een ver dragswijziging
II.1      Andere werkwijzen
Een IGC kan op verschillende wijzen worden voorbereid. Naast de voorbereiding door
een conventie zijn andere methoden denkbaar. In het verleden zijn IGC’s voorbereid
met behulp van een groep van wijzen, expertgroepen en een reflectiegroep.
Groep van wijzen
De methode ‘groep van wijzen’ heeft zich meermaals bewezen. Een groep van wijzen
zoals die onder leiding van Dehaene heeft haar waarde bewezen met rapporten over
vraagstukken die koersbepalend zijn (1999). Dergelijke groepen zijn vaak samenge-
steld uit politieke zwaargewichten, die de Europese praktijk kennen en met reële en
oorspronkelijke gedachten komen, zonder zich gebonden te hoeven voelen aan nationa-
le belangen. De Europese Commissie heeft als zodanig geen rol in een groep van wij-
zen. Wel zou een (voormalig) lid van de Europese Commissie in voorkomende gevallen
op persoonlijke titel deel uit kunnen maken van zo’n groep.
Expertgroepen
De waarde van een voorbereiding door een groep experts zal het best zichtbaar zijn bij
onderwerpen waarover een dergelijke groep een gedegen (technisch) oordeel kan
geven. Groepen van experts en van wijzen kunnen functioneren zowel in het kader van
een klassieke IGC-voorbereiding als in een conventiemodel en zich bijvoorbeeld over
een (deel)onderwerp buigen.
Reflectiegroep (Dooge, Westendorp)
Het Dooge Comité onder leiding van de Ierse oud-minister van Buitenlandse Zaken
James Dooge bereidde de IGC voor die de Europese Akte tot stand bracht. In het
comité hadden invloedrijke regeringsvertegenwoordigers zitting. De IGC van 1996 is
voorbereid door de zogeheten Reflectiegroep, waarin naast regeringen ook de Europese
Commissie en het Europees Parlement vertegenwoordigd waren. Onder leiding van de
Spaanse staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Carlos Westendorp stelde deze
groep een realistische agenda op voor de IGC en identificeerde terreinen waarop over-
eenstemming mogelijk zou zijn. Het voordeel van deze wijze van voorbereiding is dat er
een overzichtelijke, reëel te behandelen agenda ligt en de problemen in de onderhan-
delingen van tevoren zichtbaar zijn gemaakt.
Dergelijke groepen kunnen intussen per definitie niet dienen als vervanging van een
IGC, waarop de besluiten uiteindelijk moeten worden genomen.7 Hierna zal kort het
conventiemodel worden vergeleken met het model van de klassieke IGC.
II.2      Conventiemodel en klassiek IGC-model: voor- en nadelen
Wat zijn nu de voor- en nadelen van het conventiemodel en van het klassieke IGC-
model, zoals laatstelijk gehanteerd in 2000?
7   Zie artikel 48 EU.
                                            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Klassiek IGC-model
Veelal wordt als nadeel van het klassieke model gezien dat dit te weinig rekening houdt
met het algemene belang van de Europese Unie waardoor het tempo en de voortgang
van de integratie wordt belemmerd. De AIV plaatst hier kanttekeningen bij. Hij is van
mening dat de voortgang van de Europese integratie inderdaad in lidstaten kan stuiten
op meer weerstand, maar dit is vooral toe te schrijven aan het gegeven dat deze inte-
gratie meer en meer de kern van de nationale soevereiniteit raakt. De intergouverne-
mentele benadering via IGC’s heeft bovendien in het verleden wel degelijk geleid tot
een wezenlijke en pragmatische integratiedynamiek.8 Wel is het zo dat de belangen
van de Europese Unie zelf, die de Europese Commissie behartigt, relatief het onderspit
delven, omdat deze in een zuiver intergouvernementele context minder kans krijgen
dan de nationale belangen die op het spel staan. Toch heeft de Europese Commissie
in de praktijk in een aantal gevallen wel een invloedrijke rol kunnen spelen in het klas-
sieke voorbereidingsmodel. In de voorbereidingen voor ‘Nice’ werd echter duidelijk dat
deze rol minder is wanneer puur nationale belangen de agenda beheersen: de Europe-
se Commissie probeerde wel invloed uit te oefenen, maar werd feitelijk terzijde gescho-
ven. Zo werd bijvoorbeeld een helder en relatief eenvoudig voorstel van de Europese
Commissie voor stemmenweging terzijde geschoven door de lidstaten, omdat zij van
mening waren dat hun nationale belangen daarmee onvoldoende waren gediend. Indien
ook dit deel van de agenda door een conventie was voorbereid was de rol van de Euro-
pese Commissie groter geweest en had het voorstel met meer kracht kunnen worden
gepresenteerd. De AIV tekent hierbij wel aan dat het wellicht onvermijdelijk is dat lid-
staten niet bereid zijn om toe te staan dat een conventie zich buigt over dergelijke als
nationaal belang ervaren zaken.
De AIV vindt het een nadeel dat de politieke afwegingen die ten grondslag liggen aan
beslissingen van IGC’s te weinig zichtbaar en inzichtelijk worden gemaakt en dat geno-
men beslissingen te weinig achteraf worden verantwoord. Bovendien zijn die besluiten
vaak onbegrijpelijk en ondoorzichtig, zeker voor diegenen die zich niet dagelijks met
deze materie bezighouden, maar soms zelfs ook voor de deskundigen. Na Nice heeft
het bijvoorbeeld enige tijd geduurd voor - althans ten aanzien van een aantal zaken -
duidelijk was wat er nu eigenlijk was besloten.
Conventiemodel
Vaak wordt van het conventiemodel verondersteld dat het automatisch leidt tot een gro-
tere publieke en parlementaire deelname en daarmee tot een grotere legitimiteit en
sterker draagvlak voor verdragsherzieningen. De AIV tekent echter aan dat een breder
samengestelde voorbereidingsgroep als een conventie niet zonder meer leidt tot een
sterker draagvlak. Immers, dit veronderstelt het bestaan van een groot reservoir aan
onuitgesproken Euro-enthousiasme en -betrokkenheid, waarvan het bestaan echter niet
is aangetoond. Verder dient niet uit het oog te worden verloren dat de conventie voor
het Handvest Grondrechten zich kon richten op één specifiek, afgebakend onderwerp.
Dit ligt anders bij een conventie die zich over de vier in Nice overeengekomen thema’s
plus nog aan de agenda toe te voegen onderwerpen zal buigen: deze loopt het risico,
indien onvoldoende gestructureerd, te verworden tot een Poolse landdag en zo zichzelf
te diskwalificeren.
8  J.Q.Th. Rood, ‘Finaliteit en dynamiek van de Europese integratie; de Unie als sui generis verschijnsel’,
   p. 62, in ‘Europa onvoltooid? Beschouwingen over de finaliteit van de Europese integratie’, J.Q.Th. Rood
   et al., Notitie 15 van Instituut Clingendael, april 2001.
                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Aan de andere kant constateert de AIV dat een conventie wel degelijk voordelen kan
bieden. Zoals de conventie voor het Handvest Grondrechten liet zien kan een conventie
tot resultaten komen die verder gaan dan wat een gremium van louter regeringsverte-
genwoordigers zou kunnen bewerkstelligen. De formule kan naar de mening van de AIV
zorgen voor een vernieuwende blik op zaken die voorheen bijna alleen door vertegen-
woordigers van de regeringen werden behandeld, met hun eigen afwegingen, die in eer-
ste instantie door nationale belangen zijn ingegeven. Alleen al vanwege de mogelijkheid
dat vernieuwende ideeën een platform krijgen, is het de moeite waard de IGC 2004 in
een conventie voor te bereiden. Een ander voordeel is dat een conventie door haar bre-
dere samenstelling wel degelijk kan bijdragen aan een breder (politiek en maatschappe-
lijk) draagvlak voor de verdere ontwikkeling en uitbreiding van de Europese Unie. Het
draagvlak kan namelijk in elk geval worden vergroot onder nationale parlementariërs,
die nauwer worden betrokken bij aangelegenheden van de Europese Unie en bij (delen
van) de ‘civil society’, die kunnen worden betrokken, onder andere in hoorzittingen.
Belangrijker nog is het zichtbaar maken van de politieke afwegingen die op de IGC moe-
ten worden gemaakt. De bredere samenstelling en openheid van een conventie kunnen
leiden tot debatten, waarin politieke stellingnames rond de verdere ontwikkeling van de
Europese Unie op tafel komen en waarin argumenten worden aangedragen die nieuws-
waarde kunnen hebben waardoor publieke belangstelling voor de koers van de Europe-
se Unie kan worden gewekt.
De bredere samenstelling van een conventie met deelnemers uit de nationale parlemen-
ten en het Europees Parlement kan nog een bijkomend voordeel opleveren. De vaak
bepleite nauwere samenwerking tussen nationale parlementen onderling en tussen
nationale parlementen en het Europees Parlement blijkt in de praktijk tegen te vallen.
Een concrete samenwerking zoals bij de opstelling van een Handvest Grondrechten en
zoals ook mogelijk in een conventie voor 2004, zou een impuls kunnen vormen voor
meer afstemming en samenwerking en meer zeggenschap voor die parlementen. Daar-
naast stelt de conventieformule onder voorwaarden de Europese Commissie in staat
een zwaardere rol te spelen, ter bevordering van de communautaire koers van de
Europese Unie.
Welk model?
Samenvattend en de voor-en nadelen van beide modellen tegen elkaar afwegend meent
de AIV dat het voorbereiden van de IGC 2004 met een conventiemodel tastbare voorde-
len kan bieden. In elk geval stelt de AIV vast dat een IGC is gebaat bij een gedegen voor-
bereiding, zodat de uiteindelijke besluitvorming efficiënt en bij voorkeur op een transpa-
rante wijze tot stand kan komen. De AIV constateert dat de voorbereiding van een IGC
en de keuze voor een model of werkwijze daarvoor afhankelijk is van de onderwerpen die
op de agenda staan: bij de (constitutionele) onderwerpen die voor 2004 op de agenda
staan ligt het voor de hand dat diegenen, die direct zullen worden geraakt door dergelijke
onderwerpen, worden betrokken bij de gedachtevorming.9 Verder is het van belang op te
merken dat het conventiemodel niet kan worden beschouwd als een toverformule voor
een sterker draagvlak onder burgers of voor het dichten van het democratisch gat.
 9 Deze redenering is analoog aan die in het AIV-advies ‘Een gelaagd Europa de verhouding tussen de Euro-
     pese Unie en subnationale overheden’, no. 19, april 2001, p. 39, waar wordt gesteld dat (meer)
     inspraak is gewenst van de subnationale overheden in de formatieve fase van de (nationale) besluitvor-
     ming op die beleidsterreinen waarop besluiten van invloed op deze overheden zijn, omdat hun kennis en
     expertise zullen bijdragen tot een kwalitatief beter beleid, met meer oog voor (on)haalbaarheid van de
     uitvoering ervan.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>III       Een conventie: hoe
III.1     Een terugblik naar de conventie Handvest Grondrechten
In het vorige hoofdstuk heeft de AIV op basis van een afweging tussen voor- en nade-
len van het klassieke en een conventiemodel een keuze gemaakt voor het conventie-
model. De conventie moet naar de mening van de AIV dan wel aan bepaalde voorwaar-
den voldoen. Hieronder volgt een overzicht van de ervaringen opgedaan met de con-
ventie voor het Handvest Grondrechten en de meningsvorming daaromtrent. Mede op
basis hiervan formuleert de AIV aanbevelingen voor de wijze waarop een conventie
effectief zal kunnen opereren.
De werking van de conventie Handvest Grondrechten10
De conventie Handvest Grondrechten had als opdracht van de Europese Raad om te
komen tot een ontwerp voor een Handvest Grondrechten van de Europese Unie vóór de
Europese Raad van 2000 in Nice. De conventie bestond uit vier groepen of componen-
ten, die alle vier een even zware stem hadden: vijftien vertegenwoordigers van de rege-
ringen van de lidstaten, één vertegenwoordiger van de Europese Commissie, zestien
leden van het Europees Parlement en dertig leden van de nationale parlementen, in
totaal 62 leden. De leden hebben de voormalige Duitse Bondspresident Roman Herzog
uit hun midden tot voorzitter gekozen. Daarnaast waren er drie (vice-)voorzitters afkom-
stig uit de drie in de conventie deelnemende componenten, waar niet de voorzitter uit
naar voren was gekomen. Bovendien was er een secretariaat, bestaande uit medewer-
kers van het Raadssecretariaat met ondersteuning van de Europese Commissie. Het
secretariaat maakte tekstvoorstellen, die het presidium voorlegde aan de plenaire
vergadering. Na bespreking kon het presidium een voorstel aanpassen en wederom
voorleggen aan de plenaire vergadering. Het presidium en het secretariaat speelden
derhalve een centrale rol.
De conventie werkte op basis van consensus. Er waren vier waarnemers, twee van het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en twee van de Raad van Europa,
waaronder één van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarnaast waren
het Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s en de Ombudsman van
de Europese Unie uitgenodigd hun visie te geven. Verder hield de conventie hoorzittin-
gen om de mening te kunnen horen van maatschappelijke groeperingen en deskundi-
gen. Ten slotte zijn de landen die kandidaat waren voor toetreding tot de Europese
Unie gehoord door de conventie.
Meningen over de conventie Handvest Grondrechten
De uitoefening van het voorzitterschap door Roman Herzog is volgens waarnemers
cruciaal geweest voor het slagen van de conventie. Herzog was als voormalig voorzitter
van het federaal constitutioneel hof een deskundige voor het onderwerp van de con-
ventie, genoot groot politiek aanzien en slaagde erin behendig politiek te opereren. Het
lijkt er op dat het vinden van een voorzitter met aanzien en politiek gewicht een belang-
rijke voorwaarde is voor het welslagen van een conventie.
10 Voor een inhoudelijke behandeling van wat in de conventie Handvest Grondrechten aan de orde is
    geweest, kan worden verwezen naar AIV-advies no. 15, mei 2000, ‘Een Europees Handvest voor
    Grondrechten?’.
                                                   12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De Europese Commissie was één van de vier deelnemende componenten. Zij verleende
tevens medewerking aan het secretariaat. Deelnemers constateerden een overwicht in
de conventie van de Europese instellingen, waaronder de Europese Commissie. De oor-
zaak hiervan was de voortdurende aanwezigheid van de Europese Commissie, evenals
de leden van het Europees Parlement, dankzij het feit dat de vergaderingen in Brussel
plaatsvonden. Nationale parlementariërs waren minder frequent aanwezig. Een andere
verklaring is de ondersteuning die de Europese Commissie met haar ambtenarenappa-
raat leverde aan het secretariaat. Het presidium leunde in belangrijke mate op de bij-
dragen die de Europese Commissie onder meer via het secretariaat inbracht. Hoewel
de Europese Commissie derhalve formeel geen grotere rol had toebedeeld gekregen
dan andere groepen, deed haar invloed zich in de praktijk voelen. Ten slotte is de
samenwerking tussen nationale en Europees parlementariërs door sommige deelne-
mers als ontoereikend gekwalificeerd, maar door anderen is opgemerkt dat het samen-
werken in een conventie wel degelijk leidde tot meer wederzijds begrip en kennis.
Deelnemers hebben de conventie soms als chaotisch ervaren, vanwege het gebrek aan
regels en procedures. Er was geen duidelijke procedure rondom registratie van deelne-
mers en er kon niet met zekerheid worden vastgesteld of voor voorstellen een meerder-
heid bestond. Evenmin bestond duidelijkheid over hoe het presidium werd gekozen en
wat de bevoegdheden van dit lichaam waren. De openbaarheid van de conventie is
daarentegen algemeen als positief ervaren. Gesignaleerd werd dat deze openbaarheid
de relevante maatschappelijke organisaties (‘civil society’) hebben gemobiliseerd. In
het begin waren sommige vertegenwoordigers van deze maatschappelijke organisaties
sceptisch, maar door de deelname in discussies en hoorzittingen raakten zij allengs
overtuigd van de waarde van de conventie.
Uit regeringskringen werden soms minder positieve geluiden vernomen, omdat regerin-
gen door de samenstelling van de deelnemersgroep minder invloed op de conventie
konden uitoefenen en omdat het ontwerp-Handvest een ‘alles of niets’-eindprodukt
bleek te zijn, waarin ze geen veranderingen meer konden aanbrengen.
III.2    Op weg naar de IGC van 2004
De discussie over de voorbereidingen voor de IGC 2004 is al enige tijd aan de gang.
Welke afspraken zijn er concreet al gemaakt? De afspraken van Nice zijn al vermeld in
het begin van hoofdstuk I. Tijdens het ‘Gymnich-overleg’ in Genval op 8 en 9 septem-
ber 2001 bleek onder de leden van de Algemene Raad overeenstemming te bestaan
over de volgende punten: een conventie bestaande uit vertegenwoordigers van regerin-
gen en de Europese Commissie alsmede leden van nationale parlementen en het Euro-
pees Parlement zou worden bijeengeroepen om de volgende IGC voor te bereiden. De
voorzitter zou moeten worden aangewezen door de Europese Raad van Laken van 14 en
15 december 2001 en moeten worden omringd door een presidium bestaande uit ten
minste één lid van elk van de samenstellende partijen. De conventie zou niet een defini-
tieve tekst moeten aannemen, maar mogelijkheden oftewel opties moeten aangeven.
Tijdens de Algemene Raad van 8 en 9 oktober bleek vervolgens overeenstemming
te bestaan over het betrekken bij de werkzaamheden van de ‘civil society’, via een
gestructureerd netwerk. Verder heeft de Raad er een voorkeur voor dat tussen de
afsluiting van de conventie en het begin van de IGC een periode verloopt van naar
het zich laat aanzien één jaar. Een meerderheid van de lidstaten heeft aangegeven
voorstander te zijn van het van meet af aan volledig betrekken van kandidaatlidstaten.
Waar het echter zou gaan om de vaststelling van overeenstemming zou aan de
                                           13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>kandidaatlidstaten niet dezelfde positie als lidstaten kunnen worden gegeven.11 Daar-
naast vond de Algemene Raad dat een conventiesecretariaat zou moeten worden
gevoerd door het Raadssecretariaat in overleg met het Europees Parlement en de Euro-
pese Commissie.
Op dit punt in de besluitvorming bleek echter dat er commentaar kwam op de richting
die de lidstaten kozen. Zo was het Europees Parlement bijvoorbeeld ontevreden over
het standpunt van de Algemene Raad over samenstelling en mandaat voor de conven-
tie. Dit bleek tijdens vergaderingen van de Commissie Constitutionele Zaken van het
Europees Parlement op 10 en 11 oktober 2001. Het meest gekant bleek het Europees
Parlement tegen het idee dat een conventie alleen opties zou kunnen formuleren en
geen coherente tekst. Verder wilde het Europees Parlement onder andere dat de con-
ventie meer onderwerpen kan behandelen dan de vier in Nice vastgelegde thema’s.12
Naar de woorden van de fungerend voorzitter van de Europese Unie, de Belgische pre-
mier Verhofstadt, waren tijdens de informele bijeenkomst van de Europese Raad van
19 oktober 2001 in Gent de lidstaten van mening dat de conventie zou moeten duren
van maart 2002 tot juni 2003, met een voorzitter benoemd door de Europese Raad
van Laken en bijgestaan door een presidium bestaande uit vertegenwoordigers van de
deelnemende groepen.13 De conventie zou moeten trachten te komen tot een consen-
sus over aanbevelingen aan de IGC. Mocht dit niet haalbaar zijn, dan zou de conventie
opties moeten formuleren, waarvoor dan een meerderheid van de conventie zou moe-
ten zijn. Over deelname van Turkije was nog geen standpunt geformuleerd, aldus
Verhofstadt. De Europese Raad van Laken op 14 en 15 december 2001 zal de uitein-
delijke formele beslissing nemen over (de inrichting van) de conventie en waarschijnlijk
eveneens de thema’s ervoor vaststellen.
Premier Verhofstadt heeft enkele politieke kopstukken gevraagd zitting te nemen in een
informele adviesgroep, inmiddels bekend als Groep van Laken, om het Belgische voor-
zitterschap te adviseren en ideeën te leveren voor de voorbereiding van de Europese
Raad van Laken. Leden van deze groep zijn onder andere Amato, Dehaene, Delors,
Geremek en Miliband.
III.3      Voorwaarden voor het goed functioneren van een conventie
De besluitvorming over de conventie ter voorbereiding van de IGC 2004 is hiermee een
eind op streek. De AIV onderschrijft sommige standpunten van de Raad, zoals die over
de samenstelling van de conventie uit vier groepen, gelijk aan die bij de conventie
Handvest Grondrechten. De AIV kan zich echter niet vinden in andere standpunten van
de Raad, zoals bijvoorbeeld de duur van de periode tussen einde van de conventie en
begin van de IGC, over de voorzitter en de vice-voorzitters en over consensus. De AIV
11 Jan Werts, ‘Kandidaatlanden EU gaan meepraten over hervormingen’, in Europa van morgen no. 14,
    10 oktober 2001.
12 Bulletin Quotidien Europe 8068, ‘Avenir de l’Europe: le Parlement s’opposera à toute tentative de dénatu-
    ration de la Convention, avertit M. Mendez de Vigo’, p. 3, 12 oktober 2001.
13 In de verklaring van de Europese Raad van Gent wordt niet verwezen naar het onderwerp conventie en
    IGC 2004. De AIV baseert zich derhalve op de uitlatingen hierover in een persconferentie van de funge-
    rend voorzitter van de Europese Unie, de Belgische premier Verhofstadt, zoals weergegeven in Bulletin
    Quotidien Europe 8075, ‘Avenir de l’Europe’, p. 4.
                                                     14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>formuleert hiervoor alternatieven en stelt ook nadere voorwaarden, in het bijzonder
voor de ‘binding’ van de IGC aan de besluiten van de conventie.
De AIV stelt voorop dat uiteindelijk de lidstaten besluiten op de IGC 2004 dienen te
nemen. Maar er zit spanning tussen de wens van regeringen om een sterker draagvlak
en meer legitimiteit te scheppen en de wens greep te houden op de besluitvorming.
Regeringen zouden in ieder geval een conventie niet moeten kunnen gebruiken als
‘bliksemafleider’ door deze terug te brengen tot een model voor (schijn)participatie,
een participatie die teniet wordt gedaan doordat uiteindelijk een klassieke IGC besliss-
ingen neemt zonder zich serieus rekenschap te hoeven geven van door een conventie
ontwikkelde suggesties. Een dergelijk ‘gebruik’ van een conventie zou juist afbreuk
doen aan het draagvlak voor Europese samenwerking.
De AIV vindt derhalve dat een conventie gezag nodig heeft: ten eerste omdat een con-
ventie die uiteindelijk niets in de melk te brokkelen heeft ook niet de deelnemers zal
trekken die ze nodig heeft en daardoor geen voldoende resultaat zal opleveren. En ver-
volgens dus ook het risico loopt minder serieus te worden genomen door regeringen.
De AIV acht daarom een duidelijke ‘binding’ nodig tussen conventie en IGC, die zal
dwingen tot een transparantere besluitvorming, het zichtbaar maken van politieke afwe-
gingen en het afleggen van rekenschap over de uiteindelijk gemaakte keuzes. Dit zal
bijdragen aan meer legitimiteit van en een sterker draagvlak voor de uiteindelijke
beslissingen van een IGC, en daarmee voor de verdere ontwikkeling van de Europese
Unie.
De AIV is ook van oordeel dat de conventie, gezien zijn samenstelling en politieke
gewicht zelfstandig besluiten moet kunnen nemen over de eigen inrichting en werkwij-
ze. Daarom is de AIV er een voorstander van dat de conventie haar eigen voorzitter
kiest, zoals ook is geschied bij de conventie Handvest Grondrechten. Mocht de voorzit-
ter toch worden aangewezen door de Europese Raad van Laken, zoals aangegeven
door de fungerend voorzitter van de Europese Unie Verhofstadt, dan signaleert de AIV
dat het alleen de regeringen zijn en niet de vier groepen in de conventie die de voorzit-
ter kiezen. De AIV vindt in dat geval dat de regeringen er zorg voor moeten dragen dat
een door hen aan te wijzen voorzitter een persoon van zodanig aanzien is dat de onaf-
hankelijke menings- en ideeënvorming van de conventie is gewaarborgd.
Duidelijk is ook dat ‘binding’ alleen kan uitgaan van voorstellen die op brede steun van
de conventie hebben kunnen rekenen. Het is een zaak van het presidium deze ruime
steun vast te stellen. Het verdient geen aanbeveling de consensusregel te hanteren.
Het zoeken naar consensus in een met opzet zeer gevarieerd gezelschap zou tot einde-
loze onderhandelingen kunnen leiden die waarschijnlijk niet een tot de verbeelding
sprekend resultaat opleveren. Dat hangt uiteraard samen met het mandaat dat aan de
conventie zal worden gegeven. De AIV acht een ruime mate van steun in een vergade-
ring waarin alle vier groepen van de conventie vertegenwoordigd zijn voldoende om
gezaghebbende voorstellen te kunnen formuleren. Die ruime mate van steun moet door
het presidium worden vastgesteld en bij de formulering van voorstellen te worden toe-
gelicht. De AIV spreekt bewust van voorstellen, omdat hij daarvan een uitgesproken
voorstander is bij de voorbereiding van de IGC. Alleen indien geen ruime steun kan wor-
den gevonden, moet de conventie kiezen voor opties: de AIV acht dit tweede keus. Er
zijn duidelijke regels nodig over aanwezigheid van de leden, opdat kan worden vastge-
steld of vertegenwoordiging van de vier groepen aanwezig is en bovendien of er vol-
doende deelname is. Een uitgebreid pakket van procedureafspraken en regels is niet
nodig en bovendien strijdig met het open karakter van een vrije gedachtenwisseling en
                                             15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>ideeënvorming in de conventie, dat nu juist één van de aantrekkelijke aspecten vormt
van deze aanpak.
Verder vindt de AIV dat, om de conventie gezaghebbend te laten optreden ten opzichte
van de IGC, er niet te veel tijd moet verstrijken tussen het beëindigen van de conventie
en de aanvang van de IGC. Evenmin moet er naast of na de conventie nog een aparte
voorbereidingsgroep door de lidstaten in het leven worden geroepen. Mochten de lid-
staten er toch toe overgaan de IGC voor te bereiden, dan zou dit op zo’n manier moe-
ten geschieden dat dit geen afbreuk doet aan de resultaten van de conventie. De voor-
bereidingen voor de IGC moeten dan niet langer duren dan vier maanden. De AIV acht
de periode van één jaar, zoals veel lidstaten die nu voorstaan te ruim. De AIV vindt ook
dat in een eventueel na afloop van de conventie in te stellen voorbereidingsgroep in
ieder geval vertegenwoordigers van het Europees Parlement en met name de Europese
Commissie zitting moeten hebben.
De AIV herhaalt hier dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor beslissingen uiter-
aard dient te blijven waar die hoort, bij de politieke ambtsdragers van de lidstaten die
voor de gemaakte beslissingen verantwoording moeten afleggen. De AIV is zich ervan
bewust dat de gedachte van ‘binding’ tussen conventie en IGC het risico van verwate-
ring van de scheiding der machten met zich brengt en realiseert zich dat verwarring
kan ontstaan tussen de rollen van voorbereiders, beslissers en controleurs. Aan de
andere kant biedt het instrument van een conventie de deelnemers, en dan met name
de parlementsleden en de Europese Commissie, de mogelijkheid een meer dan gebrui-
kelijke invloed uit te oefenen op de ontwikkeling van de Europese Unie. Met het oog op
het belang van deze verdere ontwikkeling voor de (kandidaat)lidstaten, dus ook voor
Nederland, meent de AIV dat dit voordeel opweegt tegen de geschetste risico’s. Boven-
dien blijft het zo dat de regeringsvertegenwoordigers de uiteindelijke verantwoordelijk-
heid houden voor genomen beslissingen, net zoals nationale parlementariërs deze
beslissingen kunnen blijven controleren.
De AIV is er een voorstander van dat de IGC 2004 wordt voorbereid in een conventie.
Op grond van het voorgaande formuleert de AIV hieronder aanbevelingen waaraan de
conventie moet voldoen voor een succesvol functioneren en een goede voorbereiding
van de IGC 2004.
1. De conventie heeft, zoals ook voorgestaan door de Algemene Raad, dezelfde
    samenstelling als die van de conventie voor het Handvest Grondrechten en bestaat
    dus uit vier groepen: vertegenwoordigers van de regeringen, de Europese Commis-
    sie, nationale parlementen en het Europees Parlement.
2. De kandidaatlidstaten krijgen een waarnemersstatus, aangezien de te behandelen
    onderwerpen de gemeenschappelijke toekomst betreffen.
3. In het presidium van de conventie zijn evenals bij de conventie voor het Handvest
    Grondrechten de vier deelnemende groepen vertegenwoordigd. Het presidium is de
    bestuurder van de conventie. De vaste voorzitter van de conventie die de vergaderin-
    gen leidt bezit internationaal aanzien en is een politieke autoriteit. De conventie
    kiest deze voorzitter uit zijn midden. De drie groepen waaruit niet de voorzitter is
    gekozen, leveren de drie vice-voorzitters voor het presidium.
                                             16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>4. De agenda van de conventie wordt bepaald door de de vier thema’s uit de Verkla-
    ring van Nice en door de ministers toe te voegen onderwerpen.14 De conventie
    hoeft zich echter niet te beperken tot deze onderwerpen.
5. In gevallen waarin het presidium een ruime steun constateert, worden voorstellen
    gedaan. In andere gevallen kunnen opties worden geformuleerd. In het eindrapport
    aan de IGC wordt de mate van geconstateerde steun toegelicht.
6. De conventie rapporteert op een zodanig tijdstip aan de IGC dat deze over een
    redelijke voorbereidingstermijn beschikt. Deze voorbereidingsperiode zou niet meer
    dan vier maanden behoren te duren. Het (eind)rapport van de conventie wordt niet
    opnieuw aan het oordeel van een groep of groepen deskundigen onderworpen. De
    conventie beslist of en zo ja, hoe vaak zij tussentijds rapporteert aan de Raad.
7. De voorzitter van de IGC wordt verplicht uitleg te geven aan het Europees Parle-
    ment wanneer de IGC voorstellen of opties van de conventie niet overneemt of
    daarvan afwijkt.
8. De conventie beschikt over een eigen secretariaat, samengesteld uit medewerkers
    van het Raadssecretariaat en de Europese Commissie.
9. De conventie heeft zelf de regie in handen over de wijze waarop maatschappelijke
    organisaties worden gehoord. De conventie benut alle mogelijkheden om het maat-
    schappelijk veld te horen en ermee te discussiëren.
10. De beraadslagingen en documenten zijn openbaar.
11. De conventie beschikt over de mogelijkheid groepen van experts of wijzen aan te
    stellen die delen van de agenda voorbereiden. Dit kan een belangrijk element vor-
    men voor het slagen van een conventie. De Europese Commissie speelt in expert-
    groepen de haar toekomende rol.
14 De AIV zal in een nader advies aanbevelingen doen over welke onderwerpen aan de vier, genoemd in de
   Verklaring voor de Slotakte bij het Verdrag van Nice, toegevoegd zouden dienen te worden.
                                                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1      EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2      CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
       mogelijkheden, april 1998
3      DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
       april 1998
4      UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
       VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5      EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6      HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7      COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
       november 1998
8      ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9      NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
       Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10     DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
       IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
       veiligheid, september 1999
11     HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
       september 1999
12     DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig
       lidstaten, januari 2000
13     HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000 **
14     ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15     EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16     DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17     DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
*  De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
   de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>18   GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19   EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en
     subnationale overheden, april 2001
20   EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21   REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST
     OF OVERTUIGING, juni 2001 ***
22   DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN
     RECHTSHERSTEL, juni 2001
23   COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
*** Ook beschikbaar in het Frans en Russisch.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>