<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter          Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen (waarnemend voorzitter)
Leden               Dhr. A.L. ter Beek
                    Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                    Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                    Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                    Mw. drs. A.C. van Es
                    Prof. mr. C. Flinterman
                    Prof. dr. E.J. de Kadt
                    Dr. B. Knapen
                    Mw. mr. E.M.A. Schmitz
Ambtelijk adviseurs Mr. F.A.M. Majoor (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                    Drs. B.W. Bargerbos (Ministerie van Defensie)
Secretaris          Drs. F. van Beuningen
                    Postbus 20061
                    2500 EB Den Haag
                    telefoon 070 - 348 5108/6060
                    fax 070 - 348 6256
                    E-mail AIV@minbuza.nl
                    Internet www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>          Inhoudsopgave
          Woord vooraf
          Samenvatting en aanbevelingen        9
I         De politieke context     17
          I.1      Het Europees Veiligheids en Defensiebeleid    17
          I.2      Een politiek-militair of een economisch perspectief?  19
          I.3      Een nationaal of een internationaal perspectief? 20
II        De defensiemarkt 22
          II.1     De ‘secularisering’ van de defensiesector   22
          II.3     Nieuwe bedrijfsstrategieën     26
III       Transatlantische aspecten 36
          III.1    Industriële belangen     36
          III.2    Amerikaanse militaire handelspolitiek 37
IV        Institutionele en organisatorische aspecten     42
          IV.1     Enkele belangrijke aandachtsgebieden     42
          IV.2     De voor Europa relevante overlegfora    45
          IV.3     Mogelijke structuren     53
V         Beleidsimplicaties voor Nederland       55
          V.1      De Nederlandse defensiesector     56
          V.2      Nederland en de Europese defensie-industrie    58
          V.3      Nederland en de Amerikaanse defensie-industrie     64
          V.4      Een afweging    66
Bijlage I          Adviesaanvraag
Bijlage II         Lijst van geraadpleegde personen
Bijlage III        Consolidatie en internationalisering van de Europese defensie-industrie
Bijlage IV         Afwijkende lidmaatschappen van overlegfora
Bijlage V          Overlappende doelstellingen van overlegfora
Bijlage VI         Lijst van gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 14 juli 2000 hebben de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie de
Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gevraagd advies uit te brengen over
de ontwikkeling van een Europees militair-industrieel beleid.1 Beide ministers
onderstrepen dat de ontwikkeling van een Europees Veiligheids- en Defensiebeleid
(EVDB) ook de aanwezigheid van een kwalitatief hoogwaardige defensie-industrie
veronderstelt, die in staat is de Europese landen tijdig en tegen concurrerende
voorwaarden goed en modern materieel te leveren. Tegelijk constateren de
bewindslieden dat de nieuwe vaart in de ontwikkeling van een EVDB, maar ook de
nieuwe dynamiek in de internationale militair-industriële samenwerking, weinig
aantoonbare gevolgen hebben gehad voor de Europese materieelsamenwerking. Zij
wijten dit aan het gegeven dat nationale militaire en industriële belangen een zeer
dominante factor zijn gebleven in het verwervingsbeleid en in het defensiemate-
rieelbeleid van de Europese landen. Tot nu toe vormden die belangen vaak een
struikelblok in het streven naar opening van de defensiematerieelmarkt en naar
gezamenlijke ontwikkeling, productie en verwerving van materieel. Wat Nederland
betreft, zo vervolgen beide ministers, bestaat uitdrukkelijk ‘de bereidheid de natio-
nale industriële belangen minder te laten prevaleren, mits ook andere landen actief
streven naar een zo open mogelijke defensiematerieelmarkt, in ieder geval in Euro-
pa en bij voorkeur ook transatlantisch.’
Tegen de hiervoor beschreven achtergrond leggen de ministers de AIV vragen in een
zestal verschillende aandachtsvelden voor:
1) Een beoordeling van het algemene politieke en industriële klimaat voor een open
   en gemeenschappelijke markt voor defensiematerieel, waarbij ook een beoorde-
   ling van de verschillen tussen grote en kleine Europese landen wordt gevraagd.
2) Suggesties voor de wijze waarop de positieve aandacht voor het EVDB kan wor-
   den vertaald in een grotere politieke steun voor een Europees defensiematerieel-
   beleid.
3) Opties voor een Europese militair-industriële krachtenbundeling met behoud van
   gezonde concurrentieverhoudingen.
4) Een analyse van de mogelijkheden voor een European Armaments Organisation
   en, in dit verband, de betekenis van artikel 296 van het EG-Verdrag.
5) Suggesties om effectieve en gelijkwaardige transatlantische militair-industriële
   samenwerking gestalte te geven.
6) Mogelijkheden van Europese R&D-programma’s voor (meer) defensiegerelateerde
   projecten.
Deze aandachtsvelden zijn behandeld door de Commissie Vrede en Veiligheid (CVV)
van de AIV. Deze Commissie bestaat uit: dhr A.L. ter Beek* (voorzitter), prof. jhr. dr.
G. van Benthem van den Bergh* (vice-voorzitter), dr. A. Bloed, dr. Ph.P. Everts*,
prof. mr. F.J.M. Feldbrugge, lt.gen. b.d. G.J. Folmer*, mr. J.G.N. de Hoop Scheffer*,
prof. dr. K. Koch, mw dr. M. van Leeuwen, sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt*, mw. drs.
L. Sprangers, prof. drs. B.A.G.M. Tromp*, gen. b.d. A.K. van der Vlis*, drs E.P.
Wellenstein* en prof. dr. F. Wielenga. De leden van wie de namen met een asterisk is
gemarkeerd, hebben onder het voorzitterschap van prof. drs. B.A.G.M. Tromp deel-
genomen aan de werkgroep die het advies heeft voorbereid. Dr. B. Knapen,
1 De adviesaanvraag is als bijlage aan dit advies toegevoegd.
                                              5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>dhr. P. Dankert en prof. dr. J.Q. Th. Rood van de Commissie Europese Integratie
van de AIV waren corresponderend lid van de werkgroep. De werkzaamheden ten
behoeve van het opstellen van het advies zijn ondersteund door de ambtelijk advi-
seurs van de CVV commodore H. Emmens, drs. B.W. Bargerbos (ministerie van
Defensie) en mr. H.G. Scheltema (ministerie van Buitenlandse Zaken). Het secretari-
aat werd gevoerd door drs. H.A. Würzner (secretaris CVV), met ondersteuning van
de stagiairs G. D. van der Staaij, A.C. Buyse en M.F. de Lange. Tijdens zijn vergade-
ring op 20 april 2001 heeft de AIV de adviestekst vastgesteld.
Ter voorbereiding van het advies hebben de leden van de werkgroep gesprekken
gevoerd met vertegenwoordigers van de ministeries van Defensie en Economische
Zaken, de Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling Defensieopdrachten (NIID),
Stork, Thales Nederland en het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken en van
Defensie. Ook heeft de werkgroep oriëntatiebezoeken afgelegd aan Brussel (Europe-
se Commissie, Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de EU), Frankrijk en
het Verenigd Koninkrijk. De AIV spreekt zijn erkentelijkheid uit voor de bijzonder
intensieve ondersteuning die hij heeft ontvangen van de Nederlandse ambassades
in Berlijn, Londen en Parijs, alsmede de Nederlandse Permanente Vertegenwoordi-
ging bij de Europese Unie en de Duitse Ambassade in Den Haag. Voorts hebben
leden van de werkgroep deelgenomen aan het symposium ‘The globalization of the
defence industry. Policy implications for NATO and ESDI’ dat op 29 en 30 januari
2001 was georganiseerd door het Britse Royal Institute of International Affairs
(RIIA). Een opsomming van de gesprekspartners van de werkgroep en de sprekers
op het RIIA-symposium is opgenomen als bijlage II van dit advies.
De AIV heeft vastgesteld dat de Europese defensie-industrie bestaat uit een kern
van grote toonaangevende bedrijven en een periferie van voornamelijk toeleveran-
ciers, zowel tussen als binnen landen. Defensiebedrijven in vier landen, het
Verenigd Koninkrijk (VK), Frankrijk, Duitsland en Italië, maken de kern van de Euro-
pese defensie-industrie uit. Zij nemen 80 procent van de Europese defensieproduc-
tie en 90 procent van de Europese ‘Research and Technology’ (R&T) voor hun reke-
ning.2 Binnen de individuele landen bestaat de defensie-industrie - voor zover
aanwezig - veelal uit een klein aantal relatief grote wapenproducenten, in hoge
mate verticaal georganiseerd, en daaromheen een groter aantal gespecialiseerde
ondernemingen die zich doorgaans op niche-markten richten.3 Zeventig procent
van de omzet van de Europese defensie-industrie komt voor rekening van de vlieg-
tuigbouw en de productie van defensie-electronica,4 waarbij overigens veel toege-
2  K. Vlachos, ‘Safeguarding European competitiveness. Strategies for the future European
   arms production and procurement', Parijs 1998 (WEU Institute for Security Studies, inter-
   net-versie), p. 8.
3  De kern van nationale bedrijven maakt lang niet altijd deel uit van de kern van Europese
   bedrijven. Zo behoort Hollandse Signaal Apparaten ongetwijfeld tot de grootste Nederland-
   se defensiebedrijven, maar staat het in de SIPRI top-100 van defensiebedrijven op een
   gedeelde 70e plaats. Er komen geen andere Nederlandse bedrijven in de top-100 voor. Zie:
   SIPRI, Yearbook 2000, Londen 2000, p. 331. Met niche-markten wordt in dit advies gedoeld
   op kleine, gespecialiseerde sectoren van de defensiemarkt.
4  K. Vlachos, ‘Safeguarding European competitiveness’, p. 8.
                                               6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>voegde waarde toegerekend moet worden aan componenten en subsystemen - vaak
met een commercieel karakter - die worden geproduceerd door het midden- en
kleinbedrijf.
Vooral de afgelopen vijf jaar hebben zich zowel binnen de Amerikaanse als de Euro-
pese defensie-industrie tal van fusies en overnames voorgedaan die hebben geleid
tot een substantiële herstructurering van de militair-industriële sector. De belangrijk-
ste militair-industriële deelsectoren (de productie van jachtvliegtuigen, helikopters,
raketten, satellieten, electronische systemen, landmachtsystemen en deels ook mari-
neschepen) worden in toenemende mate gedomineerd door een beperkt aantal,
steeds internationaler geöriënteerde bedrijven. Via ‘holdings’, ‘joint ventures’ en mili-
taire samenwerkingsprogramma’s gaan zij met elkaar, maar ook met kleinere gespe-
cialiseerde bedrijven, tal van dwarsverbanden aan. In bijlage III is een overzicht
gegeven van de grootste defensie-conglomeraten in elke deelsector. In de discussie
over de aanpassing van Europees militair-industrieel beleid met betrekking tot de
hierboven aangeduide industriële veranderingen spelen drie soorten actoren een rol:
overheden, industrieën en internationale organisaties. Overheden bepalen hun belan-
gen vooral aan de hand van een afweging tussen kosteneffectiviteit en (nationaal)
industrieel belang. De defensie-industrieën zijn gericht op het eigen voortbestaan,
wat zich vertaalt in een streven naar optimale winstmarges, productiviteit en markt-
waarde. De internationale instellingen, ten slotte, trachten gunstige randvoorwaar-
den te creëren voor internationale samenwerking tussen deze industrieën, met daar-
bij uiteraard een belangrijke rol voor zichzelf. De vragen die de regering in haar
adviesaanvraag stelt, hebben grosso modo alle betrekking op de verschuivingen en
veranderingen die zich binnen en tussen de hiervoor genoemde partijen voordoen.
De opzet van dit advies is dan ook daarop toegesneden.
Voor zover de AIV bekend, is tot op heden nog geen omvattende analyse gemaakt
van de wijze waarop aan het einde van de jaren negentig enerzijds de veranderingen
in de militair-industriële sector en anderzijds de opstelling van overheden en inter-
nationale organisaties op elkaar ingrijpen. De AIV heeft het daarom noodzakelijk
geacht daarvan eerst een bestandopname te maken, alvorens de Nederlandse positie
in dit geheel kan worden bepaald. De AIV realiseert zich dat zo’n bestandopname ten
koste gaat van de bondigheid van de tekst, doch meent dat de toegevoegde waarde
voor het Nederlandse debat daar tegen opweegt. Voorts wordt in dit advies summier
ingegaan op verschillende Europese en Amerikaanse wapenprogramma’s. Het is
echter op deze plaats niet aan de AIV oordelen te vellen over de operationele, finan-
ciële of industriële voor- en nadelen van specifieke wapensystemen die de Neder-
landse overheid overweegt aan te schaffen of heeft aangeschaft. Ook is de AIV zich
ervan bewust dat de in dit advies behandelde materie raakvlakken vertoont met eer-
der uitgebrachte AIV-adviezen.5 Waar dat relevant is, wordt in een voetnoot naar
deze adviezen verwezen.
Voor de inzichtelijkheid in de samenhang tussen veranderingen in de militair-indus-
triële sector, de opstelling van overheden en internationale organisaties alsmede het
Nederlandse belang daarbij, wordt dit advies voorafgegaan door een samenvatting
5  In het bijzonder geldt dat waar de wapenexport aan de orde wordt gesteld. In dit kader
   kan worden verwezen naar de eerdere AIV-adviezen ‘Conventionele wapenbeheersing;
   dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden’ (advies 2, april 1998) en ‘De worsteling van
   Afrika. Veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling’ (advies 17, december 2000).
                                                 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>en een opsomming van de aanbevelingen. Specifieke aanbevelingen aan de regering
zijn zowel in deze samenvatting als in de hoofdtekst gecursiveerd gedrukt. In de
hoofdtekst wordt ieder hoofdstuk ingeleid met een korte weergave van de specifie-
ke vragen uit de adviesaanvraag die in dat hoofdstuk worden behandeld. In hoofd-
stuk I van het advies wordt een beschouwing gegeven van de samenhang tussen
het Europese Veiligheids en Defensie Beleid (EVDB) en de belangen van de Europese
militaire industrie. Vervolgens wordt in hoofdstuk II een overzicht gegeven van de
belangrijkste veranderingen die de Europese defensiesector de afgelopen jaren
heeft doorgemaakt. In hoofdstuk III wordt nader ingegaan op de militair-industriële
transatlantische betrekkingen, waarna in hoofdstuk IV een beoordeling volgt van de
institutionele en organisatorische aspecten van Europees militair-industrieel beleid.
In hoofdstuk V volgt een analyse van de Nederlandse belangen in dit geheel.
                                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Samenvatting en aanbevelingen
1.       De context
In veel opzichten is de defensie-industrie anno 2001 niet meer te vergelijken met die
van begin jaren negentig. De defensiesector heeft mede als gevolg van het einde van
de Koude Oorlog een ‘seculariseringsproces’ ondergaan, waarbij zij steeds meer ken-
merken overneemt van de civiele industrie. Dit proces gaat gepaard met een relative-
ring van de traditioneel innige samenwerking tussen nationale defensie-industrieën en
overheden. Wereldwijd dalende defensie-uitgaven, stijgende materieelkosten, snelle
technologische veranderingen, een zakelijker opstelling van overheden en de toene-
mende invloed van de beursvloer hebben er verder toe geleid dat overal op de wereld
in de defensiesector nieuwe bedrijfsstrategieën zijn ontwikkeld. Centraal daarbij staan
de optimalisering van de productiviteit en het zeker stellen van een zo breed mogelijke
markttoegang. Daartoe hebben defensiebedrijven zich toegelegd op concentratie en
consolidatie, herschikking van industriële activiteiten, rationalisatie, een agressiever
exportbeleid, internationalisering, participatie-afspraken en, ten slotte, mondialisering.
1.1.     Industriële ontwikkelingen
In de Verenigde Staten is de consolidatie van de nationale defensie-industrie vanaf
1993 bevorderd door de overheid. Dit heeft geresulteerd in een afgeslankte omvang
van de defensie-industrie. Deze wordt thans gedomineerd door vier grote ‘systems
integrators’ (Boeing, Lockheed-Martin, Raytheon, Northrop-Grumman); bedrijven die
over voldoende omvang, kapitaal en vaardigheden beschikken om zelf alle belangrijke
onderdelen van grote wapensystemen te ontwikkelen, te produceren en te integreren
(of dit te laten doen). In Europa heeft het ‘seculariseringsproces’ pas aan het einde
van de jaren negentig vaart gekregen. Omdat Europese nationale defensie-uitgaven
inmiddels veelal ontoereikend zijn geworden om nationale industrieën in hun voortbe-
staan te ondersteunen, staan de Europese industriële aanpassingen vooral in het
teken van internationalisering: de Europese defensie-industrie is bezig een sterk grens-
overschrijdend karakter te krijgen.
Deze internationalisering heeft overigens niet de aanvankelijk verwachte of door de
politiek meest gewenste koers genomen. Het plan van de zes grootste Europese
wapenproducerende landen om één pan-Europees defensiebedrijf, de European Aeros-
pace and Defence Company (EADC), op te richten is mislukt. Wel wordt de Europese
defensie-industrie door een fusie- en integratieproces in toenemende mate overheerst
door een drietal grote bedrijven, die zich vooral richten op de productie van militaire
vliegtuigen, raketsystemen en electronica. Maar ook veel andere militaire sectoren wor-
den - zij het nog in mindere mate - gedomineerd door een steeds kleiner aantal, inter-
nationaal georiënteerde bedrijven. Via ‘holdings’, ‘joint ventures’ en samenwerkingspro-
gramma’s gaan deze met elkaar, maar ook met kleine gespecialiseerde firma’s, steeds
meer dwarsverbanden aan.
De AIV beschouwt deze ‘natuurlijk gegroeide’ structuur als méér dan alleen een
‘second best’ uitkomst, nu een EADC niet tot stand is gekomen. Als de drie grote Euro-
pese defensieproducenten erin slagen efficiënt, economisch en technisch hoogwaardig
te produceren, kan men zelfs stellen dat deze verscheidenheid aan industriële belan-
gen een realistische weerspiegeling vormt van de Europese politieke praktijk, die van
meet af aan gekenmerkt is geweest door pluriformiteit. Bovendien blijft zo een zekere
mate van intra-Europese concurrentie - waarbij ook transatlantische belangen een rol
spelen - behouden, wat het ontstaan van een ‘fortress Europe’ helpt te vermijden.
                                              9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>1.2.      Een wisselwerking tussen veiligheidsbeleid en militair-industrieel beleid?
De Europese regeringen dienen naar het oordeel van de AIV nu hun relaties met de
nationale defensie-industrieën te herwaarderen. Dit vergt politieke, miltair-strategische,
financiële en industriële keuzes. Die keuzes moeten op basis van uiteenlopende, soms
strijdige argumenten en belangen worden gemaakt. Regeringen lijken de defensie-
industrie weliswaar in toenemende mate als een ‘normale’ tak van industrie te
beschouwen, die zichzelf moet kunnen bedruipen. Maar zij willen tezelfdertijd controle
behouden over bijvoorbeeld hun wapenexport en over militair-industriële gevoelige infor-
matie. In een industriële sector die zich tussen twee verschillende werelden - die van
defensie en die van de vrije markt - beweegt, is zo’n dubbelzinnige houding wellicht
onontkoombaar. Zij lijkt de afgelopen tijd echter in gespletenheid te zijn toegenomen:
terwijl financiële en economische overwegingen bedrijven in toenemende mate de kant
van de internationalisering en mondialisering opdrijven, is veiligheidsbeleid in essentie
een nationale aangelegenheid gebleven, ondanks de politieke voortgang die bijvoor-
beeld met het Europese Veiligheids en Defensie Beleid (EVDB) wordt geboekt. De AIV
heeft in dit kader geconcludeerd dat het verband dat de regering in haar adviesaan-
vraag veronderstelt tussen een Europees militair-industrieel beleid en het EVDB, in de
huidige situatie feitelijk niet kan worden gelegd. Het EVDB kan bij gebrek aan gemeen-
schappelijke strategische uitgangspunten en operationele concepten voorshands niet
worden geacht richting te geven aan een Europees militair-industrieel programma.
Anderzijds hebben de Europese defensie-bedrijven zich de afgelopen jaren in hoofdzaak
door economische motieven laten leiden en minder door de politieke wens van nauwe-
re Europese defensiesamenwerking.
Anno 2001 liggen de belangen van de Europese defensie-industrie niet alleen op Euro-
pees niveau, maar zijn zij - al naar gelang de omstandigheden - evenzeer nationaal,
transatlantisch of mondiaal van aard. Als men dus wil spreken van een Europees mili-
tair-industrieel beleid dat ook de belangen van de Europese defensie-industrie ten
goede komt, dient men ermee rekening te houden dat de belangen van de betrokken
industrieën op de andere niveaus niet in het gedrang komen. Men dient zich daarom te
concentreren op een voorwaarden scheppend beleid. De AIV stelt vast dat het toene-
mend aantal grensoverschrijdende bedrijfsverbanden in de Europese defensie-industrie
moet worden ondersteund door uniforme regelgeving, een minimum aan interne han-
delsbarrières en een zo open mogelijke markt. Naar de mening van de AIV veronder-
stelt een daarop toegespitst beleid op zijn minst duidelijke Europese afspraken over
onderlinge toeleveringsgaranties, op elkaar afgestemde exportprocedures, uitwisseling
van vertrouwelijke informatie en afspraken over een Europees ‘Research & Technology’-
beleid. Harmonisatie van militair-operationele behoeftestellingen is nog een grote stap
verder, maar moet zeker worden nagestreefd.
1.3.      Europees overleg
Bij de implementatie van de hierboven genoemde afspraken doet zich naar de mening
van de AIV evenwel een klassiek ‘prisoners dilemma’ voor, waarbij de rationaliteit van
collectieve belangen niet samenvalt met de optelsom van de belangen van individuele
staten. Dit dilemma uit zich duidelijk in Europees bewapeningsoverleg, waarin al tiental-
len jaren zonder concrete resultaten over uitgangspunten en voorwaarden voor defen-
siematerieelsamenwerking wordt gesproken. Tot enige jaren geleden gebeurde dat voor-
al binnen de NAVO en de WEU, en sinds 1997 wordt ook binnen de Europese Unie
gesproken over een gezamenlijk militair-industrieel beleid. In het zogeheten Bange-
mann-rapport pleitte de Europese Commissie destijds voor een aantal praktische maat-
regelen, die binnen de competentiesfeer van de Europese Unie vallen, om een aanzet
te geven voor een gemeenschappelijke Europese defensiemarkt. Omdat de defensie-
                                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>industrie zelf - althans voor zover het ‘wezenlijke veiligheidsbelangen’ betreft - volgens
artikel 223/296 van het EG-Verdrag is uitgesloten van EU-marktwerking, heeft de Euro-
pese Commissie voorgesteld de conclusies van het ‘Bangemann-rapport’ deel te
maken van een gemeenschappelijk standpunt van de EU-lidstaten. Het doel was
zodoende de politieke wil vast te leggen voor uitvoering van de voorgestelde maatrege-
len. De AIV heeft helaas moeten vaststellen dat deze politieke wil in 1997 ontbrak en
ook nu nog ontbreekt. Daardoor legt ook de Europese Commissie zelf vandaag de dag
een grote terughoudendheid aan de dag jegens dit gevoelige dossier. Naar de mening
van de AIV laat dit onverlet dat het belang van een duidelijke, coherente regelgeving
voor de Europese defensie-industrie groeit, zeker naarmate de grensoverschrijdende
samenwerking tussen bedrijven steeds intensiever vormen aanneemt. Vanwege de toe-
nemende behoefte van deze bedrijven aan duidelijkheid en transparantie, is volgens de
AIV een regelgevende rol voor de Europese Unie in de eerste pijler - dat betekent: met
inschakeling van de Europese Commissie – op termijn onvermijdelijk. De AIV acht een
dergelijke ontwikkeling ook zeer wenselijk, niet in de laatste plaats omdat deze een
belangrijke impuls kan geven aan de versterking van het Europese integratieproces. De
AIV beveelt daarom met nadruk aan de voorstellen van het ‘Bangemann-rapport’ op de
agenda van de EU-besprekingen te houden, al was het voorlopig maar uit tactische
overwegingen.
De AIV heeft zich ook gebogen over de oprichting van een ‘European Armaments Agen-
cy’ binnen de EU-structuren; een kwestie die actueel kan worden op het moment dat
zou worden besloten het WEU-bewapeningsoverleg (de Western European Armament
Group en de Werstern European Armament Organisation) bij de EU onder te brengen.
De AIV heeft geconstateerd dat onderbrenging van dit WEU-overleg hetzij in de eerste
pijler, hetzij bij het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid, of in een pij-
ler-overschrijdende variant op grote problemen stuit. De AIV adviseert daarom het WEU-
bewapeningsoverleg een voorshands zelfstandige status te laten behouden, zodat het
zelf zijn bestaansrecht kan bewijzen.
Naast de activiteiten van de NAVO, WEU en EU is op het gebied van Europese militair-
industriële samenwerking in de jaren negentig in Europa een tweetal multinationale,
selecte initiatieven genomen. Met de oprichting van de ‘Organisation Conjointe de
Coopération en matière d’Armement’ (OCCAR) hebben Frankrijk, Duitsland, het
Verenigd Koninkrijk en Italië een aanzet willen geven tot een gemeenschappelijk pro-
jectmanagement voor militair-industriële samenwerkingsprogramma’s. Voorzien is dat
daarbij ook de geldende praktijk van de ‘juste retour’ - waarmee de afname van buiten-
lands materieel wordt gecompenseerd met tegenopdrachten bij de nationale defensie-
industrie - wordt verlaten. Zij wordt vervangen door een zogeheten ‘global balance’-
regeling, waarbij de ‘juste retour’ over verschillende projecten en meer jaren kan
worden verspreid. Daarnaast hebben Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Ita-
lië, Spanje en Zweden het initiatief genomen tot het opstellen van een ‘Letter of Intent’
(LoI) - later uitgewerkt in een ‘Framework Agreement’ - waarmee wordt beoogd onderlin-
ge afspraken te maken over grensoverschrijdend verkeer, toeleveringsgaranties, export-
procedures, de bescherming van gevoelige informatie, Research & Technology, de har-
monisatie van militaire behoeftestellingen en de uitwisseling van technische informatie.
De AIV constateert dat dergelijke ‘exclusieve’ vormen van samenwerking zich weliswaar
moeizaam verhouden tot het gedachtegoed van economische en veiligheidssamenwer-
king binnen de EU als geheel, doch de enige mogelijk werkzame structuren op dit
gebied zijn die thans vorm krijgen.
                                             11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>2.       Beleidsimplicaties voor Nederland
De AIV heeft vastgesteld dat, als er sprake is van een onderscheid tussen ‘grote’ en
‘kleine’ Europese landen, Nederland op militair-industrieel gebied onmiskenbaar tot de
kleine landen behoort. Het heeft primair een toeleverende industrie, al vormt de Neder-
landse marinescheepsbouw met de bijbehorende sensor- en commandosystemen-indus-
trie hierop een uitzondering. Het verschil tussen ‘groot’ en ‘klein’ acht de AIV in dit ver-
band van belang omdat in de Europese defensiesector een duidelijke tweedeling
bestaat tussen de politieke belangen die samenhangen met grote, zelfcreërende defen-
sie-industrieën en de belangen die samenvallen met kleine, vooral toeleverende bedrij-
ven. Het beleid van de ‘grote’ Europese landen lijkt er vooral op gericht de afnemende
greep op hun nationale defensie-industrie te compenseren door samenwerking op multi-
nationaal vlak. Dit leidt niet per se tot een liberalisering van de Europese defensie-
markt. Integendeel, op het niveau van de ‘systems integrators’ en ‘platform builders’
(producenten van militaire landvoertuigen, schepen en vliegtuigen) is, vanwege de grote
financiële belangen en het kleine aantal afnemers en aanbieders, per definitie sprake
van een gebrekkige marktwerking, die ook door een eventuele openstelling van de
markt vol distorties blijft. Bilaterale of multinationale samenwerking wordt daarbij door
de betrokken industrieën verkozen om zo ‘Research and Technology’ en ontwikkelings-
kosten te delen. Ook voor de (naar verhouding nog nationaal opererende) marine-
scheepsbouw is dit een dwingende noodzaak om te kunnen overleven.
De belangen van de ‘kleine’ Europese landen betreffen vooral de handhaving van een
gespecialiseerde toeleveringsindustrie, een leidinggevende rol in specifieke technolo-
gieën, dominantie in niche-markten en behoud van (beperkte) werkgelegenheid. De pro-
blematiek rond de toeleverende bedrijven is een geheel andere dan die van de ‘sys-
tems integrators’ en ‘platform builders’. Op dit lagere niveau is namelijk wel sprake van
een groot aantal aanbieders en een relatief groot aantal afnemers. Daarom zou het
openbreken van de toeleveringsmarkt gemakkelijker leiden tot marktwerking dan op het
niveau van ‘systems integrators’ en ‘platform builders’. Ook de politieke gevoeligheden
zijn hier veel geringer.
Tegen de hiervoor beschreven achtergrond doet de AIV de volgende aanbevelingen:
A. Een consequente, uniforme en strikte toepassing van artikel 223/296 van het
   EG-Verdrag
De AIV constateert dat afschaffing van artikel 223/296 van het EG-Verdrag politiek niet
haalbaar is. Wel bestaat er een groeiend internationaal draagvlak voor een uniforme en
consequente toepassing van dit artikel. Met een dergelijke benadering wordt meer dui-
delijkheid, voorspelbaarheid en openheid mogelijk in de Europese omgeving waarin de
Nederlandse defensie-industrie opereert. De AIV beveelt aan dat Nederland op dit ter-
rein toenadering zoekt tot andere geïnteresseerde EU-lidstaten. Tevens dient het een
duidelijk onderscheid te bepleiten tussen enerzijds geïntegreerde wapensystemen en
militaire platforms, die zouden kunnen worden uitgezonderd van marktwerking, en
anderzijds subsystemen, componenten en diensten van toeleveranciers, waarvoor de
Europese markt kan worden opengebroken.
B. Nederland en OCCAR
De AIV stelt vast dat de uitgangspunten van OCCAR, vanuit projectbeheer beschouwd,
stellig voordelen hebben. Door nieuwe projecten bij OCCAR onder te brengen, wordt
voorkomen dat voor de projectorganisatie steeds opnieuw het wiel moet worden uitge-
vonden. Ook de ‘global balance’-werkwijze van OCCAR kan adequaat functioneren, mits
strikt de hand wordt gehouden aan een uiteindelijk redelijke uitruil tussen de afname
                                               12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>van materieel via OCCAR en industriële deelname aan programma’s. De AIV benadrukt
dat de redelijkheid van die uitruil zich ook dient te vertalen in het technologische
niveau waarop de ‘global balance’ wordt afgerekend. Wel constateert de AIV dat
OCCAR zijn uitgangspunten pas werkelijk goed kan invullen als wordt voldaan aan vier
voorwaarden:
1) OCCAR dient een groot aantal projecten te beheren.
2) Binnen OCCAR zullen duidelijke afspraken gemaakt moeten worden met betrekking
    tot de toeleveringsgaranties (‘security of supply’).
3) Landen dienen de timing van hun materieelverwerving zoveel mogelijk op elkaar af
    te stemmen.
4) De OCCAR-lidstaten dienen de vereisten voor via OCCAR te verkrijgen materieel op
    elkaar af te stemmen.
De hierboven genoemde voorwaarden stellen hoge eisen aan de OCCAR-lidstaten en
zullen niet op korte termijn te verwezenlijken zijn. De praktijk zal moeten uitwijzen of
een OCCAR-lidmaatschap aan de Nederlandse verwachtingen beantwoordt, wat mede
afhankelijk is van de vraag of andere lidstaten bereid zijn de belangen van de toeleve-
rende defensie-industrie te behartigen. Thans is daaromtrent nog geen zekerheid te
verkrijgen. Anderzijds is Nederland na toetreding tot OCCAR niet verplicht aan verdere
OCCAR-projecten deel te nemen als het daar geen belang bij heeft. Wel veronderstelt
de AIV dat Nederlandse participatie in het Letter of Intent-initiatief (zie hieronder) moei-
lijk te verwezenlijken zal zijn als Nederland niet ook deelneemt aan OCCAR; dit
ondanks het feit dat beide initiatieven formeel los van elkaar staan.
C. Nederland en de Letter of Intent/Framework Agreement
De AIV constateert dat discussie over de LoI in de kern gaat om de spanning die in de
loop van de jaren negentig is ontstaan tussen een blijvend restrictief nationaal militair-
industreel beleid van Europese overheden en de industriële praktijk van toenemende
transnationale samenwerking. De AIV acht het principieel onwenselijk dat de zes
LoI-staten een scheiding aanbrengen tussen hun eigen militair-industriële belangen en
die van de overige EU-lidstaten. Op termijn kan zo’n tweedeling leiden tot een verwijde-
ring tussen beide groepen. In dit licht en gezien de onmiskenbare politieke impasse
rond de voorstellen van de Europese Commissie, gedaan in het ‘Bangemann’-rapport,
bepleit de AIV zo spoedig mogelijke toetreding van andere Europese landen tot de LoI,
te beginnen met Nederland en België, ook in verband met hun betrokkenheid bij
OCCAR-projecten. De AIV acht het eveneens gewenst dat de LoI-landen de overige
EU-lidstaten via de zogeheten Ad Hoc European Armaments Policy Goup (POLARM) tijdig
en nauwgezet informeren over de vorderingen binnen de LoI, en hen consulteren over
de verdere ontwikkeling van het LoI-initiatief. In dit verband wil de AIV overigens onder
de aandacht brengen dat defensiegerelateerde onderwerpen op de Europese Raad van
Nice helaas zijn uitgesloten van enigerlei vorm van versterkte Europese samenwerking
(‘coopération renforcée’).
Bij een Nederlands lidmaatschap van de LoI komt ook het vigerende wapenexportbeleid
aan de orde. Nederland zou alsdan in dezelfde situatie belanden als LoI-lidstaten als
Duitsland en Zweden, die ook een strikt wapenexportbeleid voeren. Samen met deze
landen zal de regering naar oplossingen moeten zoeken die voor de Nederlandse poli-
tiek aanvaardbaar zijn.
D. Aanpassing van het Nederlandse compensatiebeleid
Het Nederlandse compensatiebeleid vindt zijn oorsprong in het gebrek aan marktwer-
king voor de Nederlandse defensie-industrie. Indien en voor zover vooruitgang wordt
                                             13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>geboekt bij de hiervoor behandelde onderwerpen (een strikte toepassing van artikel
223/296 EG-Verdrag, een meer open markt en verbreding van het lidmaatschap van
LoI/Framework Agreement) zal naar het oordeel van de AIV langzamerhand van het
bestaande compensatiebeleid afstand kunnen worden genomen. In die mate zal de
Nederlandse industrie dan ook op nieuwe manieren moeten kunnen rekenen op de
overheid. De ministeries van Economische Zaken en Defensie dienen bijvoorbeeld de
positie van de Nederlandse defensie-industrie helpen te versterken ten opzichte van de
Europese en Amerikaanse ‘systems integrators’ en ‘platform builders’. Gedacht kan
worden aan een meer coherente benadering van de Nederlandse militaire export - bij-
voorbeeld door de oprichting van één overheidsloket - en aan een grotere nadruk op
participatie-afspraken. Die kunnen mogelijk worden afgedwongen met compensatie-
afspraken bij materieelverwerving in andere trajecten. Ook zou het ministerie van
Defensie nader kunnen bezien in hoeverre een functioneel gespecificeerde verwerving
kan worden geïntroduceerd in plaats van het bestaande technisch gespecificeerde
beleid. Daarbij zou lering kunnen worden getrokken van de Britse praktijk van ‘Cardinal
Points Specification’. Door de vereisten voor militair materieel alleen op functionele
hoofdpunten vast te stellen, wordt vermeden dat defensie-opdrachten naar specifieke
producenten worden ‘toegeschreven’ en bevorderd dat bedrijven steeds zoeken naar
kosteneffectieve toepassingen voor vastgestelde functionele vereisten.
E. Het Nederlandse verwervingsbeleid: het beste materieel voor de beste prijs.
In de Defensienota 1991 is gekozen voor een verwervingsbeleid, waarbij de aanschaf
‘van de plank’ centraal stond (uiteraard met de bijbehorende compensatie). Het minis-
terie van Defensie heeft dit beleid de afgelopen jaren echter weer enigszins verlaten
ten gunste van een benadering die meer is gericht op participatie in internationale
materieelprogramma’s. De AIV tekent hierbij aan dat een dergelijke verschuiving in de
verwerving – mits onder de juiste voorwaarden – gunstig kan uitwerken. Immers, men
mist met een te pragmatische verwerving de kans tijdig te delen in de ontwikkeling van
nieuwe technologie. Met dergelijke technologie is het weer mogelijk Nederlandse indus-
triële kenniscentra (‘centres of excellence’) te scheppen die op de internationale markt
kunnen opereren. Daarnaast voorkomt men met deelname aan internationale mate-
rieelontwikkeling dat Nederland te boek komt te staan als een opportunistisch land
(‘free rider’) waarmee geen goede afspraken kunnen worden gemaakt. Soms is er ook
geen alternatief ‘van de plank’ voorhanden. Ten slotte kan het verlengen van de levens-
duur van materieel - in toenemende mate toegepast om de kosten in de hand te hou-
den - vaak alleen op basis van internationale samenwerking van de grond komen.
Niettemin dient, volgens de AIV, verwerving ‘van de plank’ in het kader van het streven
‘het beste materieel voor de beste prijs’ te verkrijgen het uitgangspunt te blijven. Naar
het oordeel van de AIV is een verdere verschuiving van de verwerving naar internationa-
le projecten en participatie pas gerechtvaardigd indien en naar de mate waarin de toe-
gang van de Nederlandse defensie-industrie tot de internationale markt structureel
wordt verbeterd en gewaarborgd. Strikte toepassing van artikel 223/296 EG-Verdrag en
gunstige ontwikkeling, respectievelijk verbreding van LoI/Framework Agreement zijn
daarbij van groot belang. Verder verdienen de beginselen van een competitief verwer-
vingsbeleid, vaste prijsafspraken en betaling op basis van concrete projectvoortgang
bijzondere aandacht.
F. ‘Research & Technology’ beleid
Pogingen om een gemeenschappelijke Europees ‘Research & Technology’ (R&T)-sys-
teem op te zetten zijn steeds vastgelopen op verschillen van inzicht tussen de Europe-
se staten over aspecten als de openbaarheid van onderzoek, methodes voor het toe-
                                            14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>kennen van onderzoekscontracten en de toepassing van het beginsel van ‘juste retour’.
Elke keuze die rationeel is vanuit het gezichtspunt van de gemeenschap en dreigt te lei-
den tot een taakverdeling waarbij sommige Europese landen genoegen moeten nemen
met research op een lager technisch niveau, wordt door de betrokken onderzoeksinstel-
lingen en individuele staten categorisch afgewezen.
Het gebrek aan voortgang op het vlak van militaire R&T in de Europese Unie laat onver-
let dat de lidstaten wel tal van bilaterale R&T-samenwerkingen zijn aangegaan, die zijn
toegespitst op complementaire kennis en onderzoek. De AIV is van mening dat de ver-
dere ontwikkeling en uitbreiding van deze bilaterale contacten voorshands een meer
praktische en succesvolle benadering is dan te trachten een EU-breed militair R&T-
beleid van de grond te krijgen, hoe wenselijk dit ook is. Daarbij kan worden aangete-
kend dat het toenemend belang van civiele technologie in de productie van defensie-
goederen (‘dual use’) nu al een opening biedt om defensiegerelateerde technologische
ontwikkelingen in aanmerking te laten komen voor subsidiëring in het kader van de
bestaande Europese onderzoeksprogramma’s. Een dergelijk streven verdient volgens
de AIV alle steun van de regering.
G. Nederland en de Amerikaanse defensie-industrie
De AIV constateert dat de transatlantische samenwerking tussen defensie-industrieën
ten zeerste wordt bemoeilijkt door de terughoudende opstelling van de Amerikaanse
overheid ten aanzien van niet-Amerikaanse bedrijven. Eén van de grootste institutionele
Amerikaanse obstakels voor Europese bedrijven wordt gevormd door de zogeheten
‘International Traffic in Arms Regulations’ (ITAR). Voorts speelt het Amerikaanse Con-
gres, dat transatlantische industriële samenwerking op verschillende manieren kan
blokkeren, een complicerende rol. De mogelijkheid dat technologie weglekt, politiek
wantrouwen en de bescherming van Amerikaanse arbeidsplaatsen maken het Congres
terughoudend - zo niet negatief - ten aanzien van transatlantische militair-industriële
projecten. Naar het oordeel van de AIV zal de besluitvorming in het Congres pas in het
voordeel van transatlantische samenwerking gaan uitvallen indien een fusie van vol-
doende soortelijk gewicht tussen een Europese en Amerikaanse ‘systems integrator’
tot stand zou komen.
Dat Nederland in de Verenigde Staten wordt beschouwd als een betrouwbare Europese
militair-industriële partner, blijkt mede uit het feit dat het eind 2000 door de Verenigde
Staten is gevraagd gesprekken te voeren over bilaterale ITAR-uitzonderingsbepalingen.
De AIV beveelt aan dat de regering positief reageert op de Amerikaanse uitnodiging tot
nader overleg. Daarbij zal uiteindelijk wel de vraag aan de orde komen of, en hoe,
Nederland zijn eigen exportregelgeving moet aanpassen aan de Amerikaanse handels-
praktijk. Afgezien van de binnenlandspolitieke problemen die dit kan opleveren, tekent
de AIV aan dat Nederland zich in dit opzicht in dezelfde positie bevindt als het VK,
Frankrijk, Duitsland en Noorwegen, die eveneens voor bilaterale besprekingen zijn uitge-
nodigd. Dit zou met de afspraken binnen de Letter of Intent op gespannen voet kunnen
komen te staan en vergt dus, zeker binnen de LoI-groep, nadere afstemming. Een
Nederlandse streven tot de LoI toe te treden, brengt naar de mening van de AIV mee
dat ons land die besprekingen met de Verenigde Staten afstemt in een breder kader
van Europese partners, in het volle besef van de dilemma’s die dat zal opleveren.
                                               *
Alles afwegende is de AIV van mening dat voor Nederland een keuze voor een strikt
Europese of transatlantische koers kunstmatig is. Bovendien toont de recent overeen-
gekomen ‘joint venture’ tussen de bedrijven Thales en Raytheon aan dat bijvoorbeeld
                                               15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>ook de Franse defensie-industrie op strategische deelterreinen in toenemende mate
verbanden aangaat met Amerikaanse bedrijven. Een ondubbelzinnige keuze, welke ook,
zou de Nederlandse defensie-industrie hoe dan ook in problemen brengen. De Verenig-
de Staten vormt voor individuele Nederlandse bedrijven een te belangrijke markt om te
verliezen. En de Europese defensiemarkt, goed voor een militaire export die in 1999
bijna drie maal zo groot was als die naar de VS, kan – mits een open concurrentie op
toeleveranciersniveau wordt bevorderd – veel nieuwe industriële èn politieke perspec-
tieven bieden.
                                           16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>I           De politieke context
Hoe moet de regering naar de mening van de AIV ertoe bijdragen dat de positieve aan-
dacht voor het EVDB ook wordt vertaald in een grotere politieke steun voor een Euro-
pees defensiematerieelbeleid?
I.1         Het Europees Veiligheids en Defensiebeleid (EVDB)
Sinds 1998, toen het Verenigd Koninkrijk bekend maakte een serieuze rol op het
gebied van de Europese defensie te willen spelen, heeft zich onder de EU-lidstaten
over Europees Veiligheids en Defensiebeleid een voordien niet voor mogelijk gehouden
discussie kunnen ontwikkelen. Op de Europese Raad van Nice (december 2000) is
overeenstemming bereikt over een overlegkader (een Politiek en Veiligheidscomité -
PSC- dat op basis van artikel 25 van het Verdrag van Nice binnen het EU-raamwerk
functioneert), een militaire doelstelling (de mogelijkheid militaire operaties ter grootte
van een legerkorps uit te voeren) en een algemene aanduiding van de wijze waarop de
EU haar betrekkingen met de NAVO vorm moet geven (balancerend tussen een grotere
Europese militaire autonomie en de onderkenning van het overwegende belang van de
NAVO op veiligheidsgebied).
Een jaar vóór de Europese Raad van Nice, tijdens de Europese Raad van Helsinki
(december 1999), hadden de Europese staatshoofden en regeringsleiders zich al gebo-
gen over het na te streven militaire vermogen van de EU-lidstaten. Het is de bedoeling
dat de EU-lidstaten in de loop van 2003 in staat zullen zijn binnen 60 dagen voor een
jaar tijd een bundeling van EU-strijdkrachten te ontplooien met de omvang van een
legerkorps (circa 60.000 militairen). De EU-lidstaten hebben zich sinds ‘Helsinki’ vooral
toegelegd op de uitwerking van de hiervoor nodige institutionele structuren. Tegelijk is
de operationele ratio van het militaire vermogen echter in het ongewisse gebleven. De
EU-lidstaten hebben op de zogeheten Capabilities Commitment Conference (november
2000) wel 100.000 militairen, 400 vliegtuigen en 100 schepen voor EU-operaties ter
beschikking gesteld, echter zonder daarbij een strategische visie voor hun inzet te ont-
wikkelen. De mogelijke inzet van een gebundelde troepenmacht van EU-lidstaten wordt
vooralsnog gebaseerd op een aantal ‘Illustrative Mission Profiles’, variërend van het
afdwingen van een scheiding van strijdende partijen tot humanitaire hulpverlening.6 De
gemaakte scenario’s gaan uit van relatief lage geweldsniveaus en houden geen reke-
ning met de mogelijkheid van escalatie. In algemene zin geldt dat dergelijke scenario’s
beleidsmakers en militaire planners slechts in beperkte mate richting geven, aangezien
ze niet zijn opgesteld om te kunnen bepalen welke situatie welke middelen vergt. Ook
met betrekking tot de geografische reikwijdte van Europese operaties bestaat geen dui-
delijkheid.
Daarnaast is er gebrek aan duidelijkheid over de mate van zelfstandigheid van het na
te streven Europese militaire vermogen. Volgens verschillende Europese verklaringen
6   Tijdens een persconferentie en marge van de informele bijeenkomst van EU-ministers van Defensie in
    Eouen (22 september 2000), noemde de Franse minister van Defensie, Alain Richard, vier verschillende
    ‘Illustrative Mission Profiles’ die door de EU-lidstaten werden uitgewerkt: ‘separation by force, conflict pre-
    vention (preventive deployment), humanitarian aid and evacuation.’
                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>zou een Europese gebundelde troepenmacht ‘autonoom’ moeten kunnen opereren.7
Het zou dus zelf de geëigende Command & Control, inlichtingencapaciteit, logistieke
ondersteuning en gevechtsondersteuning van marine en luchtmacht ter beschikking
moeten hebben om ‘the most demanding crisis management tasks’ (verklaring van St.
Malo) of ‘the full range of Petersberg tasks’ (Europese Raad van Helsinki) te kunnen
uitvoeren. Frankrijk heeft in dit verband ambitieuze voorstellen op tafel gelegd. In een
‘Actieplan’ doet President Chirac voorstellen voor onder meer Europese commandoke-
tens, autonome inlichtingenvergaring, mogelijkheden tot ‘power projection’ en ‘Com-
mand, Control & Communications’ (C3)-capaciteiten. De Britse voornemens lijken zich
daarentegen te beperken tot het scheppen van mogelijkheden om een effectieve troe-
penmacht van Europese landen in het veld te brengen. Als dat zelfstandige Europese
capaciteiten vergt, zouden deze in Britse ogen tot stand moeten worden gebracht in
nauw overleg met de NAVO-partners (lees: de Verenigde Staten). De EU zou op defen-
siegebied optreden als een ‘intelligent customer of NATO’s military services’, maar niet
als een autonome defensie-organisatie.
Over de mate van autonomie van een Europese defensiecapaciteit bestaan dus nog
aanzienlijke politieke verschillen van inzicht. Eind 1999 heeft de Britse regering - onder
Amerikaanse druk - zelfs discreet getracht het concept van autonomie te vervangen
door de minder robuuste formulering ‘missies waarbij de Verenigde Staten niet betrok-
ken willen zijn’.8 In dit verband is het vermeldenswaard dat de Frans-Britse top van
november 1998 in St. Malo, de Europese Raad van Helsinki en de slotverklaring van de
‘Capabilities Commitment Conference’ toch melding bleven maken van een ‘autono-
mous capacity to take decisions and, where NATO as a whole is not engaged, to launch
and conduct EU-led military operations’. Deze zin wordt in de Helsinki-tekst wel gevolgd
door de voorwaarde dat dit proces ‘will avoid unnecessary duplication and does not
imply the creation of a European Army’. Ook in de EVDB-voorzitterschapsverklaring van
Nice wordt gesproken van ‘une capacité autonome de décision et d’action dans le
domaine de la securité et de la défense’, hoewel ‘cela n’implique pas la création d’une
armee européenne … pour les états membres concernés, l’OTAN demeure le fonde-
ment de la défense collective de ses membres, et continuera à jouer un rôle important
dans la gestion des crises.’
De vraag is natuurlijk hoe ‘unnecessary duplication’ enerzijds en een ‘capacité autono-
me de décision et d’action’ anderzijds in de verschillende hoofdsteden worden geïnter-
preteerd. Voor de regering in Londen komt één en ander neer op versterkte Europese
capaciteiten die én door de VS beschouwd worden als bijdrage aan evenwichtiger trans-
atlantische betrekkingen én niet tegelijkertijd de indruk wekken van een Europese
‘Alleingang’. Voor Frankrijk staat het uitgangspunt van de zelfstandigheid van Europese
militaire capaciteiten voorop.9 Deze verschillende Brits-Franse uitgangspunten laten zich
alleen verzoenen doordat het Verenigd Koninkrijk zich momenteel sterk laat leiden door
pragmatische overwegingen, terwijl Frankrijk zich juist richt op strategische visies voor
de lange termijn. Vanuit de gemeenschappelijke politieke wil het EVDB verder te ontwik-
kelen, hebben beide landen hun verschillen van inzicht steeds weten te overbruggen.
7   Zie bijvoorbeeld de Verklaring van St. Malo (december 1998) en de Voorzitterschapsverklaringen van de
    Europese Raad van Keulen (juni 1999) en de Europese Raad van Nice (december 2000).
8   J. Howorth, ‘Britain, France and the European Defence Initiative’, Survival, vol. 42, no. 2, Zomer 2000,
    p. 44.
                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>De hieruit voortvloeiende ‘calculated ambiguity’ is wellicht voldoende voor de totstand-
koming van een blauwdruk voor Europese politiek-militaire besluitvorming, maar kent
tegelijk belangrijke beperkingen voor de verwezenlijking van een Europese defensiecapa-
citeit.10
I.2.      Een politiek-militair of een economisch perspectief?
In de adviesaanvraag van de regering wordt een verband verondersteld tussen het EVDB
en een Europees militair-industrieel beleid. De AIV meent dat een dergelijk verband in
de huidige situatie feitelijk niet kan worden gelegd. De NAVO is - hoewel deze tijdens de
Koude Oorlog nooit in de praktijk op de proef is gesteld - steeds een efficiënte en slag-
vaardige militaire organisatie geweest zonder dat er een uitgesproken koppeling met
militair-industrieel beleid is gelegd. Nu kan men daar tegenin brengen dat de effectivi-
teit van de verdragsorganisatie te danken is geweest aan het Amerikaanse militaire
overwicht binnen de alliantie, aan efficiënte gemeenschappelijke procedures en besluit-
vormingsmechanismes en aan het gegeven dat de militair-operationele samenwerking
binnen de NAVO lange tijd beperkt kon blijven tot in hoofdzaak geografische afstemming
(tussen nationale ‘vakken’) van de verdediging tegen het Warschaupakt. Niettemin kan
worden vastgesteld dat de operationele effectiviteit van iedere internationaal samenge-
stelde militaire organisatie in de eerste plaats afhankelijk is van goede coördinatie en
interoperabiliteit. Deze laatste worden vooral bevorderd door gemeenschappelijke defini-
ties voor materieelbehoeften van de deelnemende staten, eerder dan door een geza-
menlijk militair-industrieel beleid per se.
Vanwege de dubbelzinnigheid rond het EVDB is het bovendien niet realistisch dit thans
als uitgangspunt te nemen voor Europees militair-industriële samenwerking. De eerste
stap voor een politiek-militaire sturing van militair-industrieel beleid zou het opstellen
van gemeenschappelijke militair-strategische uitgangspunten moeten zijn. Op basis
daarvan zouden dan planningaannames - en later scenario’s - kunnen worden uitge-
werkt ten behoeve van de formulering van generieke Europese capaciteiten. Pas deze
exercitie zou richtinggevend kunnen zijn voor een samenhangend materieelbeleid van de
Europese regeringen en zodoende op termijn sturing kunnen geven aan Europees mili-
tair-industrieel beleid, zoals uiteengezet in IV.1 van dit advies. Afgezien van de vraag of
de formulering van zo’n gemeenschappelijke strategie thans tot de politieke mogelijkhe-
den behoort, moet worden geconcludeerd dat de wens tot grotere militaire effectiviteit
tot nog toe geenszins heeft gefunctioneerd als de motor van een militair-industrieel
9  De Franse gedachten van een volledig autonome Europese defensiecapaciteit, die zonder NAVO-middelen
   zou moeten kunnen optreden, hebben overigens tot nu toe nauwelijks op Europese steun kunnen reke-
   nen. Afgezien van Zweden en België hebben de EU-lidstaten zich (zij het om verschillende redenen)
   steeds achter het VK geschaard als Frankrijk het autonome karakter van de Europese defensie te
   sterk benadrukte. Duitsland heeft onomwonden uitgesproken dat iedere verzwakking of uitsluiting van de
   NAVO ongewenst is. Zie: J. Howorth, ‘European integration and defence: the ultimate challenge?’ (WEU
   Institute for Security Studies) Parijs 2000, pp. 46-49.10
10 Zie daarvoor: F. Heisbourg, ‘Europe’s strategic ambitions: the limits of ambiguity’, in: Survival, vol. 42,
   no. 2, 2000, p. 5.
                                                      19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>beleid.11 Die wens bestaat immers al enige decennia zonder dat zij tot concrete resul-
taten heeft geleid.12 De ratio voor Europees militair-industrieel beleid in de afgelopen
periode moet veeleer worden gezocht in economische noodzaak. Duidelijk is de kloof
tussen EVDB en Europese militair-industriële samenwerking te illustreren aan de hand
van de fusiegolf die in 1999 leidde tot de oprichting van de Frans-Duits-Spaanse Euro-
pean Aeronautic Defence and Space Company (EADS). Als dit een uitvloeisel of afgelei-
de geweest zou zijn van het St. Malo-proces, dan had eerder een nauw samenwerkings-
verband in de rede gelegen tussen bijvoorbeeld British Aerospace (BAE) en het Franse
electronicaconcern Thales/Thomson-CSF. Een dergelijke samenwerking was overigens
wel de dringende wens van de Britse regering, maar is in werkelijkheid door de defen-
sie-industrie zelf nooit serieus overwogen, vooral vanwege de toenmalige grote cultuur-
verschillen tussen het Britse en Franse bedrijfsleven. Ook is de Duits-Franse samen-
werking via EADS geenszins afgedwongen door de politiek. In tegendeel, de Franse en
Duitse overheden zijn pas in een zeer laat stadium op de hoogte gebracht van de
samenwerkingsplannen tussen de betrokken bedrijven Dasa en Aérospatiale-Matra.13
I.3        Een nationaal of een internationaal perspectief?
Hiervoor is vastgesteld dat het thans niet realistisch is het Europese veiligheidsbeleid
als basis te nemen voor een Europees militair-industriële politiek. De conclusie dat
men deze politiek dus vanuit een zuiver economisch perspectief moet benaderen, biedt
in de bestaande Europese verhoudingen echter ook onvoldoende houvast. Het militaire
verwervingsbeleid binnen de lidstaten van de Europese Unie bijvoorbeeld, strookt in
verschillende opzichten niet met de belangen van het bedrijfsleven. Talloze pogingen
daartoe ten spijt, is het de EU-lidstaten tot op heden niet gelukt overeenstemming te
bereiken over de afstemming van hun verwervingscycli, materieelvereisten, een soepe-
le uitruil van nationale industriële belangen (‘juste retour’) en toeleveringsgaranties
(‘security of supply’). Het internationaal overleg, of dat nu in NAVO-, WEU- of EU-kader
is gevoerd, is door een gebrek aan afstemming op juist deze gebieden in het verleden
vruchteloos gebleven. Blijkbaar scheppen uitgangspunten die in de nationale context
logisch en rationeel zijn in de huidige internationale omgeving belemmeringen. Hier
toont zich een klassiek ‘prisoners dilemma’, waarbij de rationaliteit van collectieve en
van nationale belangen van staten niet samenvallen. In een industriële sector die in
toenemende mate wordt gekenmerkt door grensoverschrijdende verbanden, neemt de
urgentie de belemmeringen die voortvloeien uit individuele overheidsbelangen, weg te
nemen echter met de dag toe.
11 In de huidige Europese politiek-militaire constellatie lijkt iedere poging om wel ondubbelzinnige strategi-
    sche richtlijnen op te stellen tot diepgaande, contraproductieve meningsverschillen te leiden. Om die
    reden is bewust nagelaten een Strategisch Concept, laat staan gemeenschappelijke planningsaannames
    te formuleren. Het moge duidelijk zijn dat het overslaan van een aantal logische stappen niet helpt bij
    het formuleren van militair-operationele structuren. Zie voor een algemene beoordeling: A. van Staden
    e.a., ‘Towards a European Strategic Concept’ (NIIB Clingendael), Den Haag 2000.
12 Tekenend is dat bij de Europese raden van Keulen en Helsinki de formulering van de wenselijkheid van
    een Europees militair-industrieel beleid onveranderd algemeen en vaag is gebleven.
13 B. Schmitt, ‘From Cooperation to integration: defence and aerospace industries in Europe’ (WEU Institu-
    te for Security Sudies, Chaillot Paper 40), Parijs 2000, p. 38.
                                                       20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Zo lang de regeringen van de EU-lidstaten niet bereid zijn de hierboven genoemde pro-
blemen met afstemming aan te pakken - wat voor iedere EU-lidstaat inderdaad een fun-
damentele aanpassing van het vigerende verwervingsbeleid zou vergen - blijft interna-
tionaal overleg tekort schieten. Dat geldt zowel voor het overleg in de hiervoor
genoemde internationale organisaties als voor besprekingen in nieuw te vormen gele-
genheidscoalities. In hoofdstuk IV van dit advies wordt hierop nader teruggekomen.
                                            21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>II         De defensiemarkt
Hoe beoordeelt de AIV het algemene industriële klimaat voor een Europees militair-
industrieel beleid en voor een open gemeenschappelijke markt voor defensiematerieel?
II.1       De ‘secularisering’ van de defensiesector
Al in de negentiende eeuw zijn de grote Europese staten het belang gaan onderkennen
van een actieve ondersteuning en bescherming van hun nationale defensie-industrieën.
Afgeschermd van commerciële marktwerking, stemden de nationale defensie-indus-
trieën hun activiteiten af op allengs complexere verwervingssystemen, waarbij de speci-
ficaties van het eindproduct zwaarder wogen dan de effectiviteit of efficiëntie van het
productieproces. Aldus ontstond een innige verstrengeling van belangen van industrie
en overheden. In praktisch de gehele twintigste eeuw bleef deze praktijk gehandhaafd;
ook na de twee wereldoorlogen was één van de belangrijkste zorgen van de Europese
overheden -zowel binnen de NAVO als binnen het Warschaupact- koste wat het kost de
nationale technologische kennis gelijkwaardig, liefst superieur te houden ten opzichte
van die van de tegenstander.
Ruim voor het einde van de Koude Oorlog begon de belangenverstrengeling tussen
overheden en de militaire industrie haar schaduwzijden te tonen. Doordat iedere indus-
triële natie zijn eigen defensie-industrie in stand trachtte te houden, werd een onhoud-
baar grote mate van kostbare duplicatie en industriële versplintering geschapen. Dalen-
de defensiebegrotingen in de VS en het VK leidden in die landen in de jaren tachtig al
tot een verandering van het militair-industriële beleid, waarbij kosten/baten-afwegingen
bij het verwerven van defensiematerieel een steeds belangrijker rol gingen spelen. Brit-
se en Amerikaanse bedrijven zagen zich zodoende gedwongen tot grotere efficiëntie.
Deze ‘commerciële druk’ intensiveerde en verbreedde zich aanzienlijk na het einde van
de Koude Oorlog, met als gevolg belangrijke verschuivingen in het militair-industriële
systeem, zoals dat sinds de negentiende eeuw was ontwikkeld.
In sommige analyses wordt in dit verband gesproken van een ‘secularisering’ van de
defensie-industrie. Daarmee wordt - analoog aan het historische proces waarbij belang-
rijke sectoren van het maatschappelijk leven werden onttrokken aan de zeggenschap
van de kerk - gedoeld op de overname door de defensiesector van de kenmerken van
de vrije markt, waarmee haar exclusieve (voornamelijk non-markt)eigenschappen ver-
dwijnen.14 Benadrukt moet overigens worden dat het bij dit proces van ‘secularisering’
voor een deel om relatieve veranderingen gaat. De gewijzigde opstelling van overheden
heeft het karakter van de defensie-industrie maar ten dele veranderd. In de ogen van
veel belangrijke spelers (overigens meer in de politiek dan in het bedrijfsleven) behoudt
de defensie-industrie toch een ‘in-built intrinsic political appeal’.15
14 De term ‘secularisering’ wordt gebruikt door P. Gummett en W. Walker, ‘Britain and the European Arma-
    ments Market’, International Affairs 3/1989, p. 442. Anderen, zoals P. de Vestel, ‘Defence markets and
    industries in Europe: time for political decisions?’, Brussel 1995 (WEU-Instituut), spreken over ‘verburgerlij-
    king’ (‘civilianisation’). In Amerikaanse analyses wordt vooral gesproken over ‘commercialization’.
15 A. Politi, ‘The future of the European defence industry’, in: G. Lenzi (ed), WEU at fifty, (WEU Institute for
    Security Studies), Parijs 1995, p. 69.
                                                       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Hierna worden vijf elementaire aspecten van dit proces van ‘secularisering’ van de
defensiemarkt nader belicht. Hierbij gaat het om de wereldwijde daling van defensie-uit-
gaven, de stijging van materieelkosten, technologische veranderingen, een nieuwe hou-
ding van overheden en de toenemende rol van privé-kapitaal.
Dalende defensie-uitgaven
Sinds het einde van de Koude Oorlog hebben de meeste NAVO-lidstaten flink gekort op
hun defensiebegroting. De hoogte van de defensie-uitgaven viel politiek steeds moeilij-
ker te rechtvaardigen door het wegvallen van de massale dreiging uit het Oostblok. Zo
ontstond een hogere prioriteit voor andere politieke doelen, zoals het onderwijs, de
openbare orde, de zorgsector en vooral de begrotingsdiscipline die in het kader van de
EMU is afgesproken.16
Tussen 1989 en 1998 zijn de defensie-uitgaven van Frankrijk, Duitsland en het VK
gedaald met respectievelijk 12, 24 en 28 procent.17 De snelle vermindering in de
eerste jaren heeft zich na 1995 niet in hetzelfde tempo doorgezet. Evenmin is er
echter sprake van een omkering van deze trend.18 In veel gevallen is de vermindering
van defensie-uitgaven vooral ten koste gegaan van materieelbegrotingen (verwerving
en onderzoek), dat wil zeggen: van uitgaven die direct worden gevoeld bij defensie-
industrieën.
Stijgende materieelkosten
De dalende defensie-uitgaven staan in schril contrast met de stijging van ontwikkelings-
kosten voor steeds nauwkeuriger en ingewikkelder wapensystemen; een tendens die
overigens al dateert uit het begin van de industriële wapenproductie, maar de laatste
jaren aanzienlijk is versneld. Door de strategische veranderingen sinds het einde van
de Koude Oorlog wordt in toenemende mate van wapensystemen verlangd dat zij vol-
doen aan eisen van operationele mobiliteit (zij moeten zich snel kunnen verplaatsen)
en flexibiliteit (wapensystemen moeten in staat zijn onder uiteenlopende geografische
omstandigheden in multinationaal verband tegen uiteenlopende tegenstanders te wor-
den ingezet). Mobiliteit vereist een transportcapaciteit over lange afstanden en moge-
lijk luchtmobiliteit van wapenplatforms. Flexibiliteit vereist onder meer goede waarne-
mings- en verkenningsmiddelen en krachtige interoperabele communicatiesystemen.
Ook genieten maximale persoonlijke bescherming en precisiewapens prioriteit. Gewa-
pende conflicten moeten immers kunnen worden uitgevochten met een minimale ‘colla-
teral damage’ en zo min mogelijk risico’s voor het eigen personeel. Industrieel-techno-
logische ontwikkelingen maken dergelijke vereisten steeds gemakkelijker bereikbaar.
Door deze opeenstapeling van nieuwe vereisten zijn de reële kosten van ontwikkeling
van ‘main battle tanks’ sinds 1960 met een factor drie gestegen en is het ontwikkelen
van vliegtuigen - in reële termen - sinds de jaren vijftig minstens 25 maal zo duur
geworden.19
16 K. Vlachos, ‘Safeguarding European competitiveness’, p. 12.
17 SIPRI, Yearbook 2000, Londen 2000, p. 234.
18 Ibidem.
19 Een F-16 (1976) was bijvoorbeeld zeven maal zo duur als een F-86 (1950). F-16’s kosten circa 30 mln
    dollar per stuk. De later ontwikkelde F/A-18F kost zo’n 50 mln dollar en verwacht wordt dat de toekom-
    stige F-22 ongeveer 100 mln dollar gaat kosten. Een dergelijke stijging geldt overigens ook voor Europe-
    se vliegtuigen.
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Dalende defensie-uitgaven zelf veroorzaken ook nieuwe kostenstijgingen. Bezuinigingen
leiden immers tot uitstel van orders en inkrimping van bewapeningsprogramma’s. Dit
veroorzaakt weer dalende productie-activiteit en dus stijgende materieelkosten per een-
heid.20 De effecten van de toename van ontwikkelings- en productiekosten en de
afname van defensie-uitgaven versterken elkaar dus in hoge mate. Zij hebben ook
belangrijke gevolgen voor het aantal nieuwe bewapeningsprogramma’s dat wordt aan-
gevangen. In de jaren vijftig kon de Verenigde Staten het zich permitteren zes nieuwe
types jachtvliegtuigen in gebruik te nemen; in de jaren zestig twee en ook in de jaren
zeventig twee. De plannen voor een volgende generatie Amerikaanse jachtvliegtuigen
gaan uit van één model (Joint Strike Fighter) dat met lichte wijzigingen door zowel de
luchtmacht, de marine als de mariniers moet kunnen worden ingezet. In Europa
bestaan daarentegen nog steeds drie verschillende industriële programma’s voor jacht-
vliegtuigen (Rafale, Eurofighter en Gripen). Dit aantal brengt nu al serieuze problemen
met zich. Naarmate het aantal Europese aanbestedingsprogramma’s daalt, zullen de
gevolgen voor bedrijven die ‘buiten de boot vallen’ echter steeds groter zijn. Het wordt
voor hen dan praktisch onontkoombaar de activiteiten in de betreffende defensiesector
te staken.
Technologische veranderingen
Het einde van de Koude Oorlog heeft wereldwijd geleid tot belangrijke veranderingen in
militair-strategische concepten. Deze veranderingen waren niet alleen gebaseerd op
nieuwe dreigingsanalyses en een gewijzigde militaire taakstelling (meer nadruk op cri-
sisbeheersing), maar ook op nieuwe technologieën die in de jaren negentig in diverse
defensiesectoren werden geïntroduceerd.21 Voor een belangrijk deel wordt het strate-
gisch denken tegenwoordig beheerst door de zogeheten ‘Revolution in Military Affairs’
(RMA), die vooral door het geallieerde succes in de Golfoorlog opgang heeft gemaakt.
De RMA is gebaseerd op integratie van enerzijds informatievergaring (‘intelligence, sur-
veillance, reconnaissance’) en anderzijds de militaire verwerking daarvan (‘command,
control, communications, computing’).22
De systemen die bij de RMA centraal staan, zijn gebaseerd op moderne electronica,
informatietechnologie en telecommunicatie. Wat deze systemen bindt, is hun civiele
oorsprong: er is hierbij geen sprake meer van een militaire ‘spin-off’ naar civiele mark-
ten; het proces heeft veeleer een omgekeerd (‘spin-in’) karakter gekregen. Dit moet
niet alleen worden verklaard uit de grote innovatieve kracht van civiele bedrijven, ook
20 Uitgerekend is dat uitstel van opdrachten en vermindering van orders bij de NH-90 helicopter hebben
    geleid tot een kostenstijging van meer dan 30%. Door vergelijkbare complicaties zijn de eenheidskosten
    van een Rafale-jachtvliegtuig inmiddels verdubbeld.
21 Zie bijvoorbeeld Adviesraad Internationale Vraagstukken, De internationale veiligheidssituatie in de jaren
    negentig; van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid (advies 10), Den Haag 1999, pp. 9-18.
22 Deze ontwikkeling gaat ook niet voorbij aan niet-Amerikaanse NAVO-partners, zoals Nederland. De invoe-
    ring van nieuwe operationele informatiesystemen bij de Nederlandse hogere staven is daar een voor-
    beeld van, evenals de ‘battlefield management systems’ en’ soldier digital assistants’ op de lagere
    niveaus. Ook kan het samenwerkingsproject Titaan (‘theatre independent tactical army and airforce
    network’) van de Koninklijke Landmacht en Koninklijke Luchtmacht worden genoemd, waarmee de opera-
    tionele commandovoering tussen beide krijgsmachtdelen met behulp van informatie- en communicatie-
    technologie in hoge mate wordt geïntegreerd.
                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>financiële afwegingen spelen een rol. Omdat de levenscyclus van opeenvolgende
generaties van electronische, telecommunicatie- en informatiesystemen tegenwoordig
afgenomen is tot minder dan vier jaar, is het voor defensiebedrijven onbetaalbaar
geworden puur militaire componenten te ontwikkelen. Alleen al vanwege de relatief
beperkte afname van deze componenten, zouden de kosten per eenheid de pan uit rij-
zen.
De groeiende rol van civiele technologie in de defensiesector is één van de meest mar-
kante en substantiële veranderingen die de defensie-industrie de afgelopen jaren heeft
ondergaan. Enerzijds maken bedrijven die ‘klassieke’ wapensystemen produceren in
toenemende mate gebruik van civiele technologieën die zij niet zelf (zouden kunnen)
hebben ontwikkeld. Anderzijds worden die technologieën steeds belangrijker geacht
dan de zogeheten wapenplatforms (vliegtuigen, schepen, landvoertuigen) zelf. Systeem-
integratie en militaire electronica zijn de afgelopen jaren dan ook de belangrijkste - wel-
licht de enige - groeimarkten geweest voor de defensie-industrie. Het is door deze ont-
wikkelingen steeds moeilijker onderscheid aan te brengen tussen defensie-industrie en
civiele industrie. In dit verband wordt gesproken van het steeds pregnanter ‘dual use’-
karakter van de militaire productie.
Een nieuwe opstelling van overheden
Het gebruik van commerciële elementen in militaire systemen wordt mede mogelijk
gemaakt door een veranderend verwervingsbeleid van overheden. Om de defensiebe-
groting te sparen en de kosten van militaire producten te drukken, zijn regeringen de
afgelopen jaren steeds meer bereid geweest te aanvaarden dat defensiesystemen wor-
den samengesteld uit op de vrije markt verkrijgbare technologie. Dit hangt nauw samen
met een andere verandering in het verwervingsbeleid van overheden: zij gaan zich
steeds meer als ‘kritische klanten’ gedragen. Geconfronteerd met een aanhoudende
stroom van bezuinigingen, zijn veel overheden overgestapt van een ‘gereguleerd model’
(voorrang voor specifiek nationale projecten) op een model waarin wapenaankopen wor-
den gedaan op basis van een goede prijs/kwaliteit-verhouding en (potentiële) interna-
tionale concurrentie. Nauwe banden tussen overheden en hun nationale defensie-
industrie hebben zodoende plaats gemaakt voor zakelijker verhoudingen.
Toenemende rol van privé-kapitaal
Dalende defensie-uitgaven hebben er toe bijgedragen dat een aantal staten (Frankrijk,
Italië, Spanje, Zweden) aan het einde van de jaren negentig hun staatsinvloed terug-
brachten en bedrijven lieten privatiseren. Vandaag de dag zijn alle grote Europese en
Amerikaanse electronica-, lucht- en ruimtevaartbedrijven die zich tevens toeleggen op
de productie van hoogwaardige defensiesystemen geprivatiseerd en aan de beurs
genoteerd.23 Sinds de jaren negentig heeft de medezeggenschap van aandeelhouders
in belangrijke sectoren van de Europese defensie-industrie een revolutie veroorzaakt,
waarbij de traditioneel overheersende technisch-ambtelijke bedrijfscultuur plaats heeft
moeten maken voor een cultuur van ‘corporate governance’, gericht op winstmaximali-
satie en optimalisering van de inzet van kapitaal.
‘Shareholder value’ is hiermee één van de belangrijkste oogmerken geworden van
23 Een uitzondering daarop is wellicht de situatie in Duitsland, waar de drie grootste producenten van mili-
    taire landmacht-producten (Rheinmetall, Diehl en Wegmann-Krauss Maffei) nog steeds familiebezit zijn of
    door bepaalde families worden gedomineerd. Zie: P. Lock, ‘Rheinmetall: a paradigm of restructuring of
    the defence sector in Germany’, zie: www.peter-lock.de/rheinmetall.hml.
                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>defensiebedrijven. Dat neemt niet weg dat de defensie-industrie behept is met karak-
tertrekken die weinig aantrekkelijk zijn voor beleggers. De defensiemarkt blijft op de
langere termijn krap, voor de ontwikkeling van defensieproducten moeten bijzonder
hoge R&T-kosten worden gemaakt, de afzet van defensieproducten fluctueert enorm en
productcycli zijn buitengewoon lang (men rekent in de defensiebranche in decennia,
wat in civiele markten ongekend is). Dergelijke omstandigheden leiden tot onzekerheid
over de winstmogelijkheden van militair-industriële beleggingen op de korte termijn.24
De vraag is dan ook of defensiebedrijven op de langere termijn in staat zullen blijven
via de beursvloer voldoende kapitaal aan te trekken. Geconstateerd moet worden dat
de financiële marktwerking in de defensiesector hier op grenzen stuit. Als bepaalde
strategische technologie uit landen dreigt te verdwijnen vanwege hoge R&T-kosten en
gebrekkige commerciële toepassingmogelijkheden, voelen overheden zich overigens
snel gedwongen toch het financiële gat te vullen dat de markt achterlaat. Discussies
over de noodzaak van een door overheden ondersteunde ‘Defence Industrial and Tech-
nology Base’ (DITB) lijken zich in toenemende mate op deze randen van de markt te
concentreren.
II.2      Nieuwe bedrijfsstrategieën
Zoals hiervoor opgemerkt, voelt de Europese defensie-industrie zich door de ‘seculari-
sering’ van de defensiesector in toenemende mate geroepen - of gedwongen - de logica
van de vrije markteconomie te volgen. Centraal daarbij staat de optimalisering van pro-
ductiviteit en het zeker stellen van een zo breed mogelijke markttoegang. Daartoe heb-
ben de Europese defensiebedrijven een zevental strategieën ontwikkeld: concentratie
en consolidatie, herschikking van industriële activiteiten, rationalisatie, een agressiever
exportbeleid, internationalisering, participatie-afspraken en, ten slotte, mondialisering.
Hieronder worden deze strategieën nader toegelicht. Aangetekend moet worden dat zij
soms moeilijk van elkaar te scheiden zijn en veelal in elkaars verlengde liggen. Niette-
min kan met deze indeling duidelijk worden gemaakt op welke wijze de defensie-indus-
trie de uitdagingen van de jaren negentig te lijf is gegaan en tot welke structurele aan-
passingen dat heeft geleid.
Voor een beoordeling van deze ontwikkeling is het van belang de factor tijd in aanmer-
king te nemen. Veel structurele aanpassingen blijken alleen uit te voeren bij nieuwe
militair-industriële programma’s. De grote projecten die vandaag de dag op de markt
worden gebracht (bijvoorbeeld de Tiger-gevechtshelicopter en Eurofighter 2000), zijn
nog opgezet in de jaren zeventig en tachtig onder geheel andere omstandigheden dan
de huidige. Welke effecten de ‘secularisering’ van de defensie-sector uiteindelijk zal
hebben, en in hoeverre deze zullen doorwerken in de efficiëntie van industriële pro-
gramma’s is pas na tientallen jaren aan te geven.25
Concentratie en consolidatie
Van de wereldwijd honderd grootste defensiebedrijven in 1990 functioneerden er in
1999 door fusies en overnames vierentwintig niet meer zelfstandig. Daarvan had de
helft zijn militaire productie geheel van de hand gedaan. De rest was overgenomen
24 A. Nicoll, ‘Lockheed and Raytheon cast giant shadow’, in: Financial Times, 26 januari 2000.
25 Berekend is bijvoorbeeld dat een verandering van het Europese militair-industriële beleid 20 tot 30 jaar
    in beslag zal nemen. Zie: W. Walker, Ph. Gummett, ‘Nationalism, internationalism and the European
    defence market.’ Parijs 1993 (WEU Institute for Security Studies; Chaillot paper 9), p. 28.
                                                     26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>door of gefuseerd met andere defensiefirma’s. In de loop van 1999 gingen nog eens
tien grote defensiefirma’s op in grotere industriële conglomeraten. Als gevolg van deze
concentratiegolf, die de omvang van de grootste defensiebedrijven enorm heeft doen
toenemen, zijn de vijf grootste industriële conglomeraten verantwoordelijk geworden
voor bijna 41 procent van de mondiale defensieproductie. In 1990 was dat nog slechts
21 procent. Dergelijke concentraties behoren tot de voor de hand liggende overlevings-
strategieën, waarmee defensie-industrieën probeerden verdubbeling van activiteiten te
voorkomen, middelen voor ‘Research and Technology’ (R&T) samen te brengen, de mid-
delen voor investeringen op peil te houden en tegelijk het marktaandeel te vergroten.
Dit consolidatieproces heeft aanvankelijk niet geleid tot toenemende internationale
samenwerking. Integendeel, eerder hebben staten getracht de nationale defensie-indus-
trie te beschermen door de vorming te bevorderen van ‘nationale kampioenen’, grote
bedrijven met een nationaal productiemonopolie in één of meerdere deelsectoren.26 In
Europa heeft zich een dergelijk proces vooral in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en
Duitsland afgespeeld.
Hoewel wereldwijd nog steeds duizenden kleine en middelgrote defensiebedrijven
bestaan, is slechts een klein aantal defensiefirma’s overgebleven dat werkelijk in staat
is de meest geavanceerde technologische systemen te produceren. Deze bedrijven zijn
zonder uitzondering van grote omvang. Sommige van deze worden ‘systems integrators’
genoemd, omdat deze bedrijven de vaardigheden, de technologische expertise en de
financiële middelen bezitten om alle belangrijke aspecten van grote wapensystemen
zelf te ontwikkelen, te produceren en te integreren (of dit te laten doen). In de loop van
de jaren negentig is de omvang en invloed van deze ‘systems integrators‘ toegenomen.
Opvallend was de ontwikkeling in de Verenigde Staten, waar een golf van fusies en
overnames - gesteund door de Amerikaanse overheid27 - er toe leidde dat er slechts
vier ‘systems integrators’ over bleven, waarvan twee van reusachtige omvang (Lock-
heed Martin en Boeing).28 Deze ontwikkeling kostte een miljoen Amerikaanse werkne-
mers hun baan.29 Het besluit van de Amerikaanse regering in 1998 om de overname
van Northrop Grumman door Lockheed Martin te blokkeren en, in 1999, om de fusie
tegen te houden tussen General Dynamics en Newport News Shipyards, duidt erop dat
de Amerikaanse overheid inmiddels de mening is toegedaan dat de bedrijfsconcentra-
ties in de VS hun grenzen hebben bereikt. In het bijzonder lijkt de Amerikaanse over-
heid thans beducht voor een verticale integratie van industrieën die onderlinge concur-
rentie en innovatie zou verhinderen.
26 Zie voor andere overwegingen: T. Taylor, ‘West European Defence Industrial Issues for the 90’s, in:
    Defence Economics, vol. 4, 1993, p. 116.
27 In 1993 vond een ‘laatste avondmaal’ plaats van de Amerikaanse minister van Defensie, Les Aspin, en
    vertegenwoordigers van de grote Amerikaanse defensie-industrieën. De minister vroeg de vertegenwoor-
    digers ‘heen te gaan en te fuseren’.
28 Lockheed Martin had in 1998 165.000 werknemers en een omzet van meer dan 26 miljard dollar (waar-
    van bijna 18 miljard aan militaire producten); Boeing had in hetzelfde jaar 231.000 werknemers en een
    omzet van 56 miljard dollar (waarvan 16 miljard aan militaire producten). Zie: SIPRI, ‘Yearbook 2000’,
    p. 328.
29 G. Adams, ‘The necessity of transatlantic defence co-operation’ in: G. Adams e.a., ‘Europe’s defence
    industry: a transatlantic future?’ Londen 1998 (Center for European Reform), p. 44.
                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De vraag kan worden opgeworpen of de vier overgebleven defensiereuzen niet zullen
blijven worstelen met hun nieuwe omvang en met de enorme interne diversiteit die
resulteerde uit de fusies.30 Het Zweedse onderzoeksinstituut SIPRI constateerde
onlangs dat de Amerikaanse ‘newly formed giants [in 1999] experienced sharp falls in
profits and share prices and were preoccupied with consolidation.’31 Verdere consoli-
datie zou onherroepelijk leiden tot een verlies van elementaire kennis en technologi-
sche capaciteiten die defensiebedrijven in de loop der jaren hebben opgebouwd.32
Hoewel de grenzen van fusies tussen de grootste Amerikaanse defensiebedrijven dus
zijn bereikt, treedt er momenteel op een lager niveau een tweede consolidatiegolf op.
Deze is vooral gebaseerd op het samengaan van toeleveranciers (‘subcontractors’) en
wordt bevorderd door de afstoting van niet-strategische bedrijfstakken door de grote
bedrijven.
Herschikking van industriële activiteiten
Praktisch alle grote defensiebedrijven hebben sinds het begin van de jaren negentig
strategieën ontwikkeld voor diversificatie van hun productie. Sommige bedrijven hebben
in dit kader juist hun defensie-activiteiten van de hand gedaan. De financiële risico’s
zouden niet meer opwegen tegen de winstverwachting. Andere bedrijven hebben hun
defensie-activiteiten juist drastisch uitgebreid. Zo heeft een klein aantal Europese pro-
ducenten van ‘platforms’ (landvoertuigen, vliegtuigen, schepen) zich omgevormd tot
‘systems integrators’ en zijn sommige defensiebedrijven zich mede gaan toeleggen op
militaire dienstverlening.33
Vooral in de sectoren van de lucht- en ruimtevaart en de defensie-electronica is sprake
geweest van een groeiende rol van commerciële activiteiten. Diversificatie naar civiele
sectoren behoorde daar zelfs tot de kernstrategieën. Het was de bedoeling met een
combinatie van civiele en militaire activiteiten het jojo-effect van de afzonderlijk sterk
fluctuerende militaire en civiele afzet te compenseren (‘anti-cyclisch beleid’). Het ‘dual
use’-karakter van electronica en de verwachte baten van civiel onderzoek voor de mili-
taire productie (‘spill-over’ effect) versterkten dit diversificatie-proces.
Rationalisatie
Om in een ‘seculariserende’ defensiesector de eigen efficiëntie en winstgevendheid te
bevorderen, zagen nagenoeg alle defensie-bedrijven zich genoodzaakt hun productie en
management te rationaliseren. Veel defensiebedrijven hebben productietechnieken uit
30 A. Nicoll, ‘Struggling to stay on target’, Financial Times, 31 maart 2000.
31 SIPRI, ‘Yearbook 2000’, p. 299, 304, 305. SIPRI noemt drie probleemgebieden die sinds het concentra-
    tieproces zichtbaar zijn geworden:
1) De schuldenlast die bedrijven zijn aangegaan om andere firma’s over te nemen en problemen bij indus-
    triële integratie hebben geleid tot verlies van winstgevendheid en een scherpe daling van aandelenkoer-
    sen;
2 verminderde concurrentie heeft geleid tot een afname van de invloed van de Amerikaanse overheid op
    de Amerikaanse militair-industriële sector;
3) het industriële concentratieproces is ten koste gegaan van diversificatie naar civiele sectoren.
32 IISS, ‘The military balance 1999/2000’, Londen 1999, p. 284.
33 Bedrijven verbreden zodoende het spectrum van hun activiteiten door bepaalde geprivatiseerde taken
    van de krijgsmachten zelf over te nemen, met name op het gebied van onderhoud en logistiek.
                                                        28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>de commerciële sector overgenomen om de bedrijfskosten te verminderen en de pro-
ductie te versnellen. In de Europese defensie-industrie hebben rationalisatie-overwegin-
gen ook gezorgd voor forse afslanking van overcapaciteit en een verkleining van organi-
satiestructuren (‘overhead’), met een groot aantal ontslagen als gevolg.34
Overigens lijkt ook deze rationalisatie op grenzen te stuiten. Waar de dreiging van het
Warschaupakt tijdens de Koude Oorlog ervoor zorgde dat bedrijven vooral op de kwaliteit
van hun producten werden ‘afgerekend’ (als producten niet voldeden werden hele pro-
ductielijnen gesloten), worden nu juist veel productielijnen open gehouden met het oog-
merk werkgelegenheid te behouden. Gevolg hiervan is dat in Europa nog steeds drie ver-
schillende ‘main battle tanks’ worden geproduceerd35, terwijl het onzeker is of de
toekomstige Europese defensiemarkt de productie van zelfs één Europese tank recht-
vaardigt.36 Hetzelfde geldt voor de luchtvaart: de productie van drie verschillende Euro-
pese jachtvliegtuigen staat niet in verhouding tot de (potentiële) vraag. Vaak wordt
geargumenteerd dat het openhouden van verschillende Europese defensie-industrieën
binnen één sector ook de oorzaak is waarom Europa technologisch achter loopt op de
Verenigde Staten. Veel Europese middelen worden gestopt in het draaiende houden van
afzonderlijke bedrijven, waardoor te weinig resteert voor vernieuwende technologie.37
Niet alleen in Europa, maar ook in de Verenigde Staten is het succes van rationalisatie
beperkt gebleven. Het Zweedse onderzoeksinstituut SIPRI concludeert dat de consoli-
datiegolf van de Amerikaanse wapenindustrie onvoldoende heeft geleid tot rationalisa-
tie van productielijnen. Eén verklaring daarvoor zou zijn dat het overheidsbeleid terzake
te weinig aansporing bood: ‘It did not provide sufficient compensation to workers and
communities affected by plant closures, so it was undermined by political resistance.
As a result, the number of major weapon platform lines has not in fact declined in the
US. Rationalization has been meagre’.38
Verhoging van exporten
In de loop van de jaren negentig zijn defensiebedrijven zich sterker gaan richten op de
export van hun producten om zodoende het verlies van afzet op een krimpende binnen-
landse markt te compenseren. Vooral in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk is deze ten-
dens krachtig geweest. De toegenomen omzet van de Britse en Franse defensie-indus-
trie vanaf halverwege de jaren negentig is te danken geweest aan de verhoging van
exporten. In 1998 exporteerde het VK 48 procent van zijn nationale defensieproductie.
In Frankrijk lag het niveau op 40 procent. De wapenexport van de Verenigde Staten is
verhoudingsgewijs op een lager peil gebleven. Deze steeg van 13 procent van de eigen
34 Vermindering in arbeidsplaatsen in de defensie-industrie: Duitsland –57%, Spanje –53%, VK –37%,
    Zweden –36%, Italië –33% en Frankrijk –21%. IISS, ‘The military balance 1999/2000’, Londen 1999,
    p. 284.
35 De Britse Challenger, de Franse Leclerc en de Duitse Leopard.
36 ‘The shape of the battle ahead’, in: The Economist, 18 november 2000.
37 B. Clark, ‘More harm than good? The dangers of defence industry consolidation’, in: G. Adams e.a.,
    Europe’s Defence Industry: a Transatlantic Future?, Londen 1998 (Centre for European Reform), p. 17.
38 SIPRI ‘Yearbook 2000’, p. 305.
                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>wapenproductie in 1987 tot 21 procent in 1997.39 Dat neemt niet weg dat Amerikaan-
se wapenfirma’s in 1999 goed waren voor bijna 50 procent van de mondiale wapen-
handel. Het VK stond met bijna 19 procent op de tweede plaats, gevolgd door Frankrijk
met 12,4 procent.40 Deze groeiende exportafhankelijkheid bemoeilijkt een effectieve,
op beheersing van de wapenhandel gericht, exportbeleid.41
Internationalisering
Zoals eerder opgemerkt, is er ondanks het rationalisatieproces dat de defensie-indus-
trie heeft ondergaan, vooral in Europa nog steeds een grote mate van dubbel werk bij
de productie van defensiematerieel, terwijl nationale markten krap blijven. De opkomst
van ‘nationale kampioenen’ in verschillende Europese landen heeft dat zelfs verder
bevorderd. Blijvende krapte op de markt en overlappende productieprocessen hebben
ertoe geleid dat bedrijven daarom ook een zekere mate aan internationalisering heb-
ben opgenomen in hun overlevingsstrategieën; een streven dat voortborduurt op de
‘europeanisering’ die al in de jaren zestig in gang is gezet. De kosten van moderne
wapensystemen waren destijds al dermate gestegen dat Frankrijk, het VK en Duitsland
partnerschappen moesten aangaan om nieuwe wapensystemen te ontwikkelen (Jaguar
en Tornado jachtvliegtuigen; Roland en Paams raketsystemen). Aanvankelijk kenden
deze partnerschappen geen gemeenschappelijke bedrijfsstructuren. Zij waren vooral
gebaseerd op industriële taakverdeling, waarbij iedere industriële partner verantwoorde-
lijk was voor een nauwgezet omschreven gedeelte van de ontwikkeling en productie van
het gehele project. Ondanks het ad hoc-karakter van dergelijke samenwerking veroor-
zaakte deze in wezen al zo’n grote mate aan vervlechting dat eind jaren zeventig in een
deel van de militair-industriële sector in feite niet meer kon worden gesproken van
nationale defensie-industrieën. Vanaf de jaren tachtig begonnen Europese regeringen
onderscheid te maken tussen industriële capaciteit die zij hoe dan ook nationaal wil-
den blijven ontwikkelen, capaciteit die in internationaal verband kan worden ontwikkeld
en capaciteit die van de internationale markt kan worden betrokken.42 Tegen deze ach-
tergrond gingen defensiebedrijven in enkele gevallen semi-permanente internationale
samenwerking aan. Ontwikkeling en productie werden weliswaar nog steeds verdeeld
onder de deelnemende industrieën, maar verkoop, ‘after sales’ en programma-coördi-
natie werden steeds vaker uitgevoerd door een gemeenschappelijke organisatie die
tevens het gezicht naar buiten vormde.
Niet alleen is het aantal internationale militair-industriële samenwerkingsverbanden
sinds de jaren tachtig aanmerkelijk gestegen (van tien verbanden in de tweede helft
van de jaren zeventig tot tachtig halverwege de jaren negentig). Ook de aard van de
internationale samenwerking is veranderd. Terwijl halverwege de jaren tachtig vooral
39 ‘Yearbook 2000’, p. 319.
40 IISS, ‘The Military Balance 2000-2001’, Londen 2000, p. 288.
41 Zie voor wapenexport en de veiligheidsproblematiek van Afrika: Adviesraad Internationale Vraagstukken,
    ‘De worsteling van Afrika. Veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling.’, Advies 17, Den Haag 2000. Zie voor
    een analyse in meer algemene zin: Adviesraad Internationale Vraagstukken, ‘Conventionele wapenbe-
    heersing: dringende noodzaak, beperkte mogeljkheden.’, Advies 2, Den Haag 1998.
42 ‘Le Livre Blanc sur la Défense’ Parijs 1994 (Documentation francaise), p. 153; geciteerd uit: P. de
    Vestel, ‘Defence markets and industries in Europe: time for political decisions?’ Brussel 1995 (Chaillot
    paper 21), p. 31.
                                                         30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>sprake was van een snelle stijging van het aantal fusies en overnames tussen defen-
siebedrijven, steeg begin jaren negentig juist het aantal ‘joint ventures’ dat op specifie-
ke aanbestedingsprogramma’s (‘joint procurement’) waren toegesneden. De bedoeling
was dat dergelijke samenwerking de ontwikkeling en aanschaf van grote Europese
wapensystemen, die te kostbaar waren geworden voor uitvoering door afzonderlijke lan-
den, betaalbaar zou houden. Sommige van deze ‘joint ventures’ zijn echter niet goedko-
per, maar juist veel duurder gebleken dan nationale projecten. Daaraan lagen niet
alleen kostbare ‘juste retour’-regelingen ten grondslag, maar ook conflicterende belan-
gen.43 De deelnemende defensie-industrieën bleken vooral uit op versterking van de
eigen technologische basis en niet zozeer op samenwerking of op grotere efficiëntie.
Deze trachtten met internationalisering allereerst een pijnlijk rationalisatieproces uit te
stellen.44 Verder veroorzaakten de complexiteit van de internationale administratieve
en industriële organisatie extra kosten en speelden politieke problemen de nieuwe
Europese internationale samenwerkingsverbanden parten.45 Zo bleek het tussen
Frankrijk, Duitsland, het VK en Italië aanvankelijk onmogelijk om gemeenschappelijke
vereisten voor de gemeenschappelijke Eurofighter-jachtbommenwerper op te stellen. Na
vijf jaar van discussies kwamen de vier betrokken landen één specificatie overeen,
waarbij toch nog de mogelijkheid moest worden opengehouden verschillende uitvoerin-
gen van één type Eurofighter te produceren. Inmiddels was de onenigheid tussen
Frankrijk en Duitsland over de industriële uitbesteding dermate opgelopen, dat de Fran-
se regering besloot afstand te nemen van het project en een eigen vliegtuig te ontwik-
kelen (Rafale). Toen het Eurofighter-project eenmaal zonder Franse deelname van start
was gegaan, werd het weer geplaagd door tal van Brits-Duitse geschillen over techni-
sche specificaties, financiering, ontwikkeling en productie. Vergelijkbare problemen
hebben zich voorgedaan met het gemeenschappelijke project van de Tiger-aanvalsheli-
kopter, dat werd gelanceerd met krachtige politieke steun van de Duitse en Franse
regering, maar al snel vertraging ondervond door moeilijk verenigbare vereisten. Ook
de gezamenlijke Europese ontwikkeling van het Horizon-fregat volgde een dergelijke lij-
densweg, dit keer door Brits-Italiaanse onenigheid.
Gegeven de veranderingen in de defensiesector, bleek in de tweede helft van de jaren
negentig dat een moeizame ad-hoc, projectgewijze samenwerking tussen Europese
defensie-industrieën niet meer voldeed om voldoende efficiëntie en winst te bewerk-
stelligen. De Eurofighter, Tiger en Horizon-programma’s konden geen van alle hun pro-
duct op tijd afleveren. Bovendien dreigden zij te duur te worden om te kunnen concurre-
ren met Amerikaans materieel. Toen dit eenmaal was onderkend, trachtten
verschillende Europese landen (van het VK, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Zwe-
den), eind jaren negentig, te komen tot een geïntegreerde pan-Europese samenwerking
in de vorm van een European Aerospace and Defence Company (EADC). Uiteindelijk is
zo’n pan-Europees bedrijf echter niet van de grond gekomen. Een belangrijke reden
hiervoor was het besluit van één van de betrokken bedrijven, British Aerospace (BAE),
om de onderhandelingen stop te zetten toen zich de mogelijkheid voordeed om het
43 Met ‘juste retour’ wordt gedoeld op de verplichting van verkopende bedrijven tot compensatie-orders of -
    opdrachten die moeten worden geplaatst bij industrieën van landen die buitenlands materieel aanschaffen.
44 M. Colvin, ‘European armaments restructuring and the role of WEU’, Parijs 1998 (WEU Assemblee docu-
    ment 1623).
45 B. Schmitt, ‘From cooperation to integration: defence and aerospace industries in Europe’, Parijs 2000
    (Chaillot Paper 40), p. 16.
                                                     31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Brits-Amerikaanse defensie-electronica bedrijf GEC-Marconi over te nemen. Als reactie
daarop concentreerde de Duitse luchtvaartindustrie zich in toenemende mate op
samenwerking met Frankrijk, wat in oktober 1999 leidde tot de oprichting van een
nieuw Europees transnationaal luchtvaart- en defensieconglomeraat, de European Aero-
nautic Defence and Space Company (EADS), een samenwerkingsverband tussen het
Duitse Dasa, het Franse Aérospatiale-Matra en het Spaanse CASA.
In twee jaar tijd is het Europese militair-industriële landschap zodoende ingrijpend
gewijzigd. In de vliegtuigbouw zijn twee belangrijke - maar geheel verschillende - indus-
triële spelers overgebleven: EADS en BAE. Terwijl de eerstgenoemde vooral horizontaal
is gestructureerd en zijn kracht vooral ontleent aan de civiele vliegtuigbouw, is de
laatstgenoemde verticaal georganiseerd en gespecialiseerd in defensieproducten.
Dankzij de overname van GEC-Marconi is het Britse bedrijf ook een belangrijke produ-
cent voor de Noordamerikaanse markt geworden. Daar werken nu meer dan 25.000
mensen voor BAE.46 Het bedrijf is één van de belangrijkste industriële gesprekspart-
ners van het Pentagon en maakt een steeds groter deel van zijn omzet in de VS.47
BAE heeft zijn positie op de Amerikaanse markt verder versterkt door de overname van
de afdeling van Lockheed Martin die controlesystemen fabriceert en van de afdeling
die verantwoordelijk is voor luchtvaart-electronica.48 Het Pentagon zegt BAE te behan-
delen als een Amerikaanse firma, wat voordelen oplevert bij verwerving en toekomstige
overnames van Amerikaanse bedrijven. Ook is BAE via het Joint Strike Fighter-program-
ma nauw gaan samenwerken met Boeing en Lockheed-Martin. Vanwege zijn sterke
positie op de Amerikaanse markt, ziet BAE zichzelf niet als een Europese defensie-
firma, maar als een mondiaal bedrijf.
Ondanks het feit dat de activiteiten van EADS veel meer op Europa zijn gericht, werken
BAE en EADS via talloze ‘joint ventures’ intensief met elkaar samen: 68 procent van de
omzet van EADS is afkomstig uit gezamenlijke industriële activiteiten met BAE; 25 pro-
cent van de omzet van BAE is afkomstig uit samenwerkingsprogramma’s met EADS.
Weliswaar wordt meer dan 30 procent van BAE’s internationale programma’s met Ame-
rikaanse bedrijven uitgevoerd, maar dat laat onverlet dat deze samenwerking vooral de
overdracht van Britse technologie naar Amerikaanse bedrijven betreft. De Europese pro-
gramma’s van BAE richten zich daarentegen meer op gezamenlijke productontwikkeling
en hebben dus een grotere toegevoegde waarde.49
Ondanks het overwicht van BAE en EADS in de sector van de militaire vliegtuigbouw en
defensie-electronica zijn ook nog andere bedrijven, die alle een eigen koers varen, in
deze sectoren actief. In dit verband moeten het Italiaanse Finmeccanica, het Zweedse
Saab, het Franse Dassault Aviation en vooral Thales (Thomson-CSF) worden genoemd.
Dit laatste bedrijf is het toonaangevende Europese bedrijf voor defensie-electronica.
46 Door de overname van de Aerospace Electronics afdeling (AES) van Lockheed Martin groeide het aantal
    Amerikaanse werknemers in dienst van BAE in juli 2000 van 18.000 tot 25.000. Zie ‘BAE Systems
    chief’s approach is step-by-step’, in: Financial Times, 24 juli 2000.
47 ‘Sir Janus’, in: The Economist, 23 december 2000, p. 112.
48 Frankfurter Allgemeine Zeitung, 3 juni 2000.
49 R.P. Grant, ‘Transatlantic armament relations under strain’, in: Survival, Vol. 39, no.1., voorjaar 1997,
    p. 121.
                                                        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Het heeft er bewust voor gekozen niet mee te doen aan de EADS-fusiegolf. Het wil zich
concentreren op versterking van de eigen commerciële activiteiten en op een mondiale
benadering van zijn defensie-activiteiten. Door kleinere bedrijven in Australië, Brazilië,
Zuid-Korea, Singapore, Zuid-Afrika, het VK en de VS over te nemen, koopt Thales zich
als het ware in verschillende binnenlandse markten in. De kroon op dit proces is de
overname van het Britse electronicabedrijf Racal geweest. Daarmee is Thales het twee-
de Britse defensie-bedrijf geworden en wereldleider op de gebieden van militaire tele-
communicatie en maritieme radarapparatuur. Daarenboven heeft Thales zijn positie in
de Verenigde Staten versterkt door tientallen ‘teaming arrangements’ met Amerikaanse
bedrijven overeen te komen. Onlangs is het bedrijf bovendien een ‘joint venture’ aange-
gaan met het Amerikaanse Raytheon.
De internationalisering van de Europese defensie-industrie heeft zich vooral afgespeeld
binnen de high-tech-sectoren van de lucht- en ruimtevaart, binnen de bouw van raket-
systemen en binnen de defensie-electronica. Deze internationalisering heeft zich ook
voorgedaan bij de productie van landmachtsystemen en de marinescheepsbouw, zij het
in mindere mate. Sinds 1999 zijn binnen deze sectoren verschillende transatlantische
en intra-Europese overnames en fusies tot stand gekomen die tot bedrijfsconcentraties
hebben geleid.50 Deze hebben in de loop van 1999 gezorgd voor een substantiële
algemene herstructurering van de Europese defensie-industrie. Zij wordt thans gedomi-
neerd door een relatief klein aantal, steeds internationaler georienteerde bedrijven. Via
holdings, ‘joint ventures’ en militaire samenwerkingsprogramma’s gaan zij met elkaar,
maar ook met kleine gespecialiseerde bedrijven, tal van dwarsverbanden aan. In de al
eerder genoemde bijlage III van dit advies is een overzicht gegeven van de grootste
Europese defensie-conglomeraten in elke sector.
Overigens moet de hiervoor beschreven ontwikkeling van de defensie-industrie worden
beschouwd als méér dan alleen een ‘second best’ uitkomst, nu een EADC niet tot
stand is gekomen. Als de drie grote Europese defensieproducenten erin slagen effi-
ciënt, economisch en technisch hoogwaardig te produceren, kan men zelfs stellen dat
een verscheidenheid aan industriële belangen een realistische weerspiegeling vormt
van de Europese politieke praktijk, die van meet af aan gekenmerkt is geweest door
pluriformiteit. Bovendien blijft zo een zekere mate van intra-Europese concurrentie -
waarbij ook transatlantische belangen een rol spelen - behouden, wat het ontstaan van
een ‘fortress Europe’ kan helpen te voorkomen.
Participatie
De nieuwste ontwikkelingen in de defensie-industrie duiden op een trend, waarbij parti-
cipatie in de ontwikkeling van defensiesystemen steeds belangrijker wordt. Een eerste
aanwijzing daarvoor is bijvoorbeeld de wijze waarop het Joint Strike Fighter-programma
is opgezet. Als dit project doorgang vindt, zou het belangrijkste kenmerk ervan niet
eens zozeer de enorme omvang zijn, als wel de benadering. Het JSF-project zou het
eerste Amerikaanse wapenprogramma zijn, waarbij niet-Amerikaanse bedrijven van
meet af aan zijn betrokken. De omvang van het programma, de enorme ontwikkelings-
kosten en de internationale belangen hebben de twee hoofdcontractanten, Boeing en
Lockheed Martin, aangezet tot het ontwerpen van een nieuwe opzet voor de leverantie
van componenten en subsystemen. Beide bedrijven werken met teams van toeleveran-
ciers (‘supplier teams’) en hebben het beginsel ‘juste retour’ over boord gezet. Om de
kosten van het programma acceptabel te houden, werken beide hoofdcontractanten
50 Zie voor een overzicht: SIPRI, ‘Yearbook 2000’, p. 309.
                                                    33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>met toeleveranciers die gekozen zijn op basis van hun kwalificaties, niet hun nationali-
teit.51 Deze nieuwe benaderingswijze heeft de houding ten aanzien van toeleveranties
bij andere vliegtuigbouwers, zoals de Eurofighter-projectorganisatie, gewijzigd. Zo is
Nederland onder meer toegezegd dat het kan toetreden tot het Eurofighter-programma
als volwaardig partner, zodat het kan deelnemen in de ontwikkeling van de ‘derde tran-
che’ Eurofighters. Daarmee wordt Nederland een vergelijkbare participatie aangeboden
als bij het JSF-programma.52 Overigens hebben inmiddels ook de vliegtuigfabrikanten
Saab en Dassault aan Nederland een dergelijk aanbod gedaan.
Mondialisering
Uit de ‘secularisering’ van de defensiesector zijn in wezen drie defensiemarkten voort-
gevloeid, die ieder een eigen dynamiek kennen, maar elkaar tegelijk in hoge mate beïn-
vloeden:
* Nationale markten. De capaciteiten die door staten van nationaal belang worden
geacht, zijn in de loop van de jaren negentig ondergebracht bij de ‘nationale kampioe-
nen’53 die zich op bijzondere aandacht van de overheid mogen blijven verheugen, zelfs
al zijn zij soms opgegaan in internationale bedrijfsverbanden. Van hun kant blijven de
‘nationale kampioenen’ voor een belangrijk deel van hun afzet afhankelijk van diezelfde
overheden.
* Regionale markten. De internationalisering van de Europese defensie-industrie is
(nog) niet geïnstitutionaliseerd, maar er is onmiskenbaar sprake van convergerende
Europese economische en politieke belangen en een toenemende samenwerking tus-
sen Europese bedrijven bij nieuwe wapenprogramma’s. Het consolidatieproces van de
Amerikaanse defensie-industrie, alsmede de nauwe militair-industriële banden tussen
de Verenigde Staten en Canada, maken dat er ook van een Noord-Amerikaanse regio-
nale defensiemarkt kan worden gesproken.
* Mondiale markten. In het bijzonder bij gecompliceerde wapensystemen (defensie-
electronica, militaire vliegtuigbouw, raketsystemen) heeft de internationalisering de
grenzen van specifieke regio’s (Verenigde Staten, Europa) overschreden en heeft zij
een mondiaal karakter gekregen. De groeiende kosten van de ontwikkeling en produc-
tie van deze wapensystemen en de wereldwijd krappe defensie-begrotingen hebben
gezorgd voor een schaalvergroting bij defensiefirma’s die niet meer te verenigen is met
een nationale of regionale bedrijfsstrategie. Mondiale strategieën hebben weer geleid
tot verhevigde concurrentie buiten Europa en de VS, maar tegelijk tot intensievere
transatlantische samenwerking. Daarnaast groeit in landen buiten West-Europa en
Noord-Amerika de bereidheid van overheden de nationale defensie-industrie te laten
overnemen door buitenlandse firma’s; een proces waar sommige Europese en Ameri-
kaanse firma’s graag op inspringen. Vooral in Australië, Brazilië, Zuid-Afrika, Zuid-Korea,
Indonesië en Maleisië, speelt dit.
Eerder in dit advies is geconstateerd dat het voorshands niet mogelijk is het EVDB als
uitgangspunt te nemen voor Europese militair-industriële samenwerking. Op basis van
de bevindingen in dit hoofdstuk kan worden geconcludeerd dat de belangen van de
51 A. Nicoll, ‘An industrial fighter’ in: Financial Times, 10 november 2000.
52 J. Janssen Lok, ‘Dutch invited to become Eurofighter partner’, in: Jane’s Defence Weekly, 18 oktober
    2000.
53 In feite kunnen alle grote Amerikaanse en Europese ‘systems integrators’, ondanks hun mondiale opera-
    ties, tot op zekere hoogte nog steeds worden beschouwd als ‘nationale kampioenen’.
                                                         34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>defensie-industrie evenmin richtinggevend kunnen zijn voor nauwere Europese defensie-
samenwerking. Enerzijds dient men rekening te houden met de invloed van nationale
marktoverwegingen op het militair-industriële beleid van de afzonderlijke Europese rege-
ringen. Anderzijds hebben sommige Europese defensie-industrieën door de internatio-
nalisering de grenzen van Europa verre overschreden. Een Europees militair-industrieel
beleid dat deze ontwikkeling niet onderkent en zich louter zou richten op de afscher-
ming en versterking van onderlinge Europese samenwerking, kan schadelijk zijn voor de
mondiale positie van Europese defensie-industrie. Een Europees militair-industrieel
beleid dat de Europese defensie-industrie ten goede komt, dient zich naar de mening
van de AIV te concentreren op voorwaarden scheppende stappen. Het gaat erom dat
het toenemend aantal grensoverschrijdende verbanden in de Europese defensie-indus-
trie - binnen de marges van de politieke mogelijkheden - wordt ondersteund met een
uniforme regelgeving, een minimum aan interne handelsbarrières en een zo open
mogelijke marktwerking.
                                           35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>III       Transatlantische aspecten
-Hoe kunnen de Europese landen zich beter inzetten voor het wegnemen van de belem-
meringen bij toegang tot de Amerikaanse markt?
-Hoe kunnen regeringen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan bijdragen aan
transparante verhoudingen, en zowel concurrentie als samenwerking bevorderen?
III.1     Industriële belangen
Het Amerikaanse militair-industriële beleid kent vergelijkbare prioriteiten als dat van
veel Europese landen: het behoud van een eigen industriële en technologische basis,
technologische superioriteit, bevordering van export en zekerstelling van de toevoer van
materieel en materiaal (‘security of supply’). Er bestaan ook belangrijke verschillen tus-
sen de Amerikaanse en de Europese defensiemarkt: de Europese NAVO-lidstaten
beschikken over 2,5 miljoen militairen en een gezamenlijke defensiebegroting van 160
miljard dollar. Slechts 8 miljard dollar daarvan wordt uitgegeven aan ‘Research and
Technology’ (R&T) en 32 miljard aan verwerving van nieuw materieel. De VS beschikt
over 1,5 miljoen militairen en heeft een defensiebegroting van 250 miljard dollar, waar-
van 25 miljard dollar wordt uitgegeven aan R&T en 42 miljard dollar aan de verwerving
van nieuw materieel. Ondanks deze verschillen ziet de defensie-industrie aan beide zij-
den van de Atlantische Oceaan goede redenen de banden over en weer aan te halen.
De internationalisering aan Europese kant en de consolidatie aan Amerikaanse kant
hebben beide zorg gedragen voor een verminderd aantal grote producenten van defen-
siematerieel. In de Verenigde Staten zijn vier grote ‘systems integrators’ overgebleven.
In Europa wordt de productie van gecompliceerde wapensystemen vooral uitgevoerd
door BAE Systems, EADS en in mindere mate Thales (Thomson-CSF). Deze grote Euro-
pese ondernemingen trachten toegang tot de Amerikaanse markt te krijgen om een
omvangrijke en relatief stabiele orderportefeuille op te bouwen. Zo heeft zich sinds hal-
verwege de jaren negentig een Europees belang ontwikkeld met Amerikaanse firma’s
samen te werken of deze over te nemen. Europese overheden, vooral die van het Ver-
enigd Koninkrijk en Duitsland, hebben hun nationale defensie-bedrijven vanuit politieke
overwegingen ook aangemoedigd niet alleen Europees, maar ook transatlantisch te
opereren. Tegelijk is bij de toeleveranciers sprake van een steeds gelijkwaardiger
stroom van transatlantische handel.54
De Amerikaanse defensie-industrie heeft zich eerder dan de Europese concurrentie
geconsolideerd, maar trager gereageerd op de internationalisering van de defensie-sec-
tor. De verklarende factor hiervoor is de relatief stabiele en omvangrijke thuismarkt.
Wapenexport werd lange tijd niet beschouwd als een middel om de omzet te verhogen;
eerder was deze een additionele inkomstenbron voor producten die specifiek voor de
Amerikaanse markt waren ontworpen. Krapte in de Amerikaanse defensiebegroting
heeft deze houding veranderd. Aan het eind van de jaren negentig zijn mondiale belan-
gen ook bij de Amerikaanse defensie-industrie een centrale rol gaan spelen. Hoewel
54 G. Adams, ‘The necessity of transatlantic defence co-operation’, in: G. Adams e.a., Europe’s defence
    industry: a transatlantic future?, (Centre for European Reform) Londen 1999, p. 44. De AIV vernam van
    de heer Burchard Schmitt dat moet worden gedacht aan een transatlantische ‘toeleveringsmarkt’ met
    een omvang van circa 12 miljard dollar per jaar.
                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>fusies tussen de grote Europese en Amerikaanse defensiefirma’s niet snel te verwach-
ten zijn, is het waarschijnlijk dat het aantal transatlantische ‘joint ventures’ en produc-
tie-afspraken de komende jaren blijft groeien.55
III.2      Het Amerikaanse militair-industriële beleid
Het Amerikaanse overheidsbeleid vormt een belangrijk obstakel in de transatlantische
militair-industriële betrekkingen. De economische hausse die de VS het afgelopen
decennium heeft meegemaakt en de mondiale militair-technologische dominantie heb-
ben de Amerikaanse overheid doen neigen naar een houding van ‘assertief unilateralis-
me’. Het Amerikaanse transatlantische beleid is daardoor steeds meer gaan neigen
naar een houding, waarbij van geval tot geval werd bezien welke keuze het meeste
voordeel bracht, in plaats van de brede en afgestemde politieke benadering die - nood-
zakelijkerwijze - door de Europese landen wordt voorgestaan.56
Politieke uitgangspunten
Ondanks andersluidende politieke signalen, lagen de transatlantische prioriteiten van
de Amerikaanse overheid het afgelopen decennium niet zo zeer op het vlak van een
betere militair-industriële samenwerking, als wel op de bevordering van eigen militair-
industriële groei en de versterking van de eigen handelspositie.57 Over dit laatste punt
formuleerde de Amerikaanse regering in 1995 een nieuw beleid voor conventionele
wapenexport, dat in veel opzichten haaks lijkt te staan op destijds beweerde verlan-
gens naar intensievere Amerikaans-Europese samenwerking. Naar verwachting zal het
beleid van de regering-Bush in dit opzicht niet veel anders zijn dan dat van de regering-
Clinton.58
Het vigerende Amerikaanse wapenexportbeleid kent een grote mate van continuïteit en
heeft nog veel kenmerken van de ‘Strategic Trade Policy’ van de jaren tachtig: een
agressief handelsbeleid dat werd gekenmerkt door een intensieve nationale militaire,
politieke en industriële samenwerking, waarbij ‘economic security’ als een elementair
55 Zie: A.D. James, ‘The prospects for a transatlantic defence industry’, in: B. Schmitt (ed.), Between
    cooperation and competition: the transatlantic defence market’ (WEU Institute for Security Studies,
    Chaillot Paper 44) Parijs 2001, pp. 93-122.
56 J. van Scherpenberg, ‘Transatlantic competition and European defence industries: a new look at the
    trade-defence linkage’, in: International Affairs 73, 1 (1997), p. 100.
57 J. Howorth, ‘European integration and defence: the ultimate challenge’ Parijs 2000 (WEU Institute for
    Security Studies), p. 22. In sommige gevallen breidt dit beleid zich ook uit tot commerciële activiteiten,
    zoals de mogelijke overheidsondersteuning van de verkoop van de civiele versie van het Boeing C-17
    transportvliegtuig. Zie daarvoor: ‘Pentagon gives Boeing plane a push’, in: International Herald Tribune,
    20 maart 2001.
58 In het kader van dit advies wordt geen onderscheid aangebracht tussen het beleid van de regering-Clin-
    ton en dat van de regering van George W. Bush. Tijdens de Conferentie ‘The globalization of the defense
    industry; policy implications for NATO and ESDI’ die op 28 en 29 januari 2001 in Londen door het Royal
    Institute of International Affairs was georganiseerd, werd door verschillende Amerikaanse sprekers,
    waaronder voormalig Deputy Secretary of Defense John Hamre, benadrukt dat het Amerikaanse beleid
    op militair-industrieel terrein een grote mate aan continuïteit zal behouden.
                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>onderdeel werd beschouwd van de ‘national security’.59 Deze koppeling tussen econo-
misch beleid en veiligheidsbeleid leidde tot een geprononceerde militair-industriële poli-
tiek met een interne en een externe dimensie. Intern staat men een integraal ‘dual
use’-beleid voor, gesteund door instrumenten zoals het ‘Technology Reinvestment Pro-
ject’ (TRP), waarmee wordt getracht een militair-civiele synergie te bewerkstelligen in
het hoog-technologische segment van de markt. Deze benadering heeft in strategische
sectoren geleid tot een grote Amerikaanse kennisvoorsprong op andere landen
(stealth, anti-raket systemen, ‘slimme’ munitie en militaire satelliet-technologie).60
Extern wordt het Amerikaanse militair-industriële concurrentievermogen als een elemen-
tair onderdeel van de Amerikaanse supermacht-status beschouwd, dat even belangrijk
is als wereldwijde ‘power projection’.61 Tegenwoordig werpt deze koppeling veel indus-
triële vruchten af in Oost-Europa, het Midden-Oosten en Griekenland/Turkije, waar de
EU-concurrentie, die geen vergelijkbare politieke en militaire zekerheid kan geven, vaak
het nakijken heeft.62
Institutionele blokkades
De hiervoor beschreven uitgangspunten hebben onmiskenbaar geleid tot problemen in
de transatlantische militair-industriële samenwerking. In het kader van de koppeling
tussen economisch en veiligheidsbeleid wordt de Amerikaanse defensie-industrie bij-
voorbeeld afgeschermd van buitenlandse overnames, onder meer door het zeer strin-
gente beleid van het Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS).63
Ook het Pentagon werpt belemmeringen op tegen groeiende transatlantische militair-
industriële samenwerking. Het past zijn feitelijk veto-recht inzake de herexport van
Amerikaanse technologie64 niet alleen uit veiligheidsoverwegingen toe, maar ook om
59 Van Scherpenberg, ‘Transatlantic competition’, p. 108.
60 De Europese militaire industrie is het tot dusverre echter in een aantal andere sectoren gelukt om tech-
    nologisch concurrerend te blijven De zogeheten Military Critical Technologies List van het Amerikaanse
    ministerie van Defensie noemt een substantieel aantal technologieën waarbij Europese landen een voor-
    sprong hebben op de VS. Zie voor een opsomming uit 1996: R.P. Grant, ‘Transatlantic Armament Rela-
    tions under Strain’, p. 115.
61 Van Scherpenberg, ‘Transatlantic competition’, p. 108.
62 E. Kapstein, ‘Towards an American armes trade monopoly?’, in: Foreign Affairs 73, 3 (mei/juni 1994),
    pp. 13-19.
63 E.M. Graham, P.R. Krugman, Foreign Direct Investment in the United States, (Institute for International
    Economics) Washington 1995, pp. 112-132. De enige twee significante overnames die CFIUS toestond
    betroffen overnames door Britse firma’s. Zie daarvoor: G. Adams, ‘Fortress America in a changing trans-
    atlantic defence market’, in: B.Schmitt (ed.), Between cooperation and competition: the transatlantic
    defence market, (WEU Institute for Security Studies, Chaillot Paper 44) Parijs 2001, p. 27.
64 In dit advies wordt niet nader ingegaan op andere belemmeringen die het Amerikaanse defensie-esta-
    blishment opwerpt tegen Europese bedrijven. In dit verband kan de NONFORM-classificatie worden
    genoemd waarmee het ministerie van Defensie potentiële buitenlandse ‘prime contractors’ kan weren
    van deelname aan ‘US Requests for proposals’ (RFP’s). Verder wordt geen nader oordeel geveld over de
    rol van de zogeheten ‘iron majors’, de materieelprogrammabeheerders in de Amerikaanse krijgsmacht die
    een grote weerstand hebben tegen afhankelijkheid van Europese producten. Ook wordt niet ingegaan op
    de geheime ‘black programs’ van het Pentagon, omvangrijke wapenprogramma’s waarin buitenstaanders
    geen enkel inzicht wordt gegeven.
                                                      38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>commerciële redenen. In een concurrentieslag om Finland te voorzien van nieuwe
gevechtsvliegtuigen heeft de Amerikaanse overheid bijvoorbeeld de herexport geblok-
keerd van de AMRAAM-raketten waarmee de Zweedse Gripen-vliegtuigen zijn uitgerust.
Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor de Finse aanschaf van de concurrerende Ameri-
kaanse F/A 18 vliegtuigen.65 Hoewel met dergelijke acties korte termijn-successen
kunnen worden geboekt, zijn deze zeer schadelijk voor het imago van de Amerikaanse
defensie-industrie in Europa. Eén van de redenen waarom de Britse overheid gekozen
zou hebben voor de Europese Meteor-raket en niet de Amerikaanse AMRAAM om de
Britse Eurofighters mee uit te rusten, is de vrees dat de export van Eurofighters via de
rakettechnologie al te gemakkelijk geblokkeerd kan worden door de Amerikaanse over-
heid.66
Eén van de belangrijkste Amerikaanse institutionele obstakels wordt gevormd door de
zogeheten ‘International Traffic in Arms Regulations’ (ITAR). Deze regels schrijven
onder meer voor dat de noodzakelijke vergunningen voor militaire export of industriële
samenwerking moeten worden goedgekeurd door zowel het ministerie van Defensie
(‘Department of Defense’) als het ministerie van Buitenlandse Zaken (‘State Depart-
ment’). In sommige gevallen is daarnaast de instemming van het ministerie van Handel
(Department of Commerce) vereist. Door de betrokkenheid van deze verschillende
instanties is de goedkeuring van een vergunning een tijdrovende en onzekere aangele-
genheid geworden. Een bijkomende complicatie van ITAR wordt gevormd door de ‘muni-
tielijst’ die aan het vergunningensysteem is gekoppeld. In deze lijst worden duizenden
componenten genoemd, waaronder ook civiele producten, die een ‘inherent militair
karakter’ hebben en dus een goedkeuringsprocedure moeten ondergaan. Van meer dan
de helft van de componenten op de ‘munitielijst’ kan het ‘inherent militaire karakter’
echter worden betwijfeld. Vaak gaat het om onderdelen die zijn gebaseerd op algemeen
toegankelijke technologie. Het is echter de vraag of modernisering van de lijst mogelijk
is. Deze wordt beheerd door het ‘State Department’, dat geen enkele prioriteit lijkt te
geven aan wijziging van ITAR en zijn competenties op dit terrein tegelijkertijd niet uit
handen wil geven.67
65 K. Vlachos, ‘Safeguarding European competitiveness’, p. 18. In andere studies worden meer recente
    voorbeelden genoemd: vanwege concurrerende Amerikaanse belangen werd het Duitsland niet toege-
    staan gemodificeerde AIM9L air-to-air missiles aan Zweden te verkopen en is Thomson-CSF verboden
    een Amerikaans-Frans raketsysteem aan Zuid-Amerika te leveren. Ook kwam het voor dat Duitse, Franse
    en Britse bedrijven die -gedeeltelijk met Amerikaanse subsystemen- een anti-radar batterij wilden expor-
    teren steeds nadat zij in de VS om toestemming voor export hadden gevraagd, op bewuste exportmark-
    ten werden geconfronteerd met plotselinge Amerikaanse concurrentie. Zie: R.P. Grant, ‘Transatlantic
    armaments relations under strain’ in: Survival, Vol. 39, no. 1, Voorjaar 1997, p. 119.
66 Th. Hitchens, ‘America’s vital role’, p. 51
67 A. Ashbourne, ‘Opening the US defence market’, p. 11. en C. Clark, ‘State Dept. calls for Arms Exports
    Controls Review’, in: Defense News, 8 november 1999, pp. 1, 26. De ITAR-procedure wordt verder
    gecompliceerd door het zogeheten ‘National Disclosure Process’ (NDP) dat is opgezet om het vrijgeven
    van bepaalde technologische informatie aan specifieke landen te beoordelen. Het NDP wordt geleid door
    het Department of Defense en kent een aantal strikte voorwaarden. Zo moet er aan het vrijgeven van
    technologische informatie een Amerikaans belang verbonden zijn en moet de betreffende informatie in
    het buitenland worden beschermd volgens Amerikaanse normen. De afwegingen die in het kader van het
    NDP worden gemaakt, zijn zeer complex en kunnen dus zeer veel tijd in beslag nemen. Regelmatig lopen
    ITAR- en NDP-processen door elkaar heen, waardoor ook minder gevoelige handel in militaire producten
    vertraging ondervindt.
                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Voorts speelt het Amerikaanse Congres een complicerende rol bij de transatlantische
militair-industriële samenwerking. Het heeft op basis van de Amerikaanse regelgeving
de mogelijkheid vergunningen te blokkeren, wat ook geregeld gebeurt om de nationale
defensie-industrie (en dus regionale werkgelegenheid) te ondersteunen.68 Ook beschikt
het Congres over de mogelijkheid nieuwe programma’s aan de defensiebegroting toe te
voegen of bestaande projecten daarvan te schrappen. Vooral vanwege deze laatste
mogelijkheid, hebben transatlantische projecten altijd een zeer wankele basis. Transat-
lantische programma’s, zoals MEADS en TRACER, hebben nooit de financiële zekerheid
gekregen die zuiver Amerikaanse projecten wél hebben.69
Ten slotte kan het Congres ook nieuwe wetgeving aannemen - bijvoorbeeld in de vorm
van een plotselinge, ad hoc-versterking van de ‘buy American’-regelgeving - om Ameri-
kaanse programma’s te vrijwaren van transatlantische samenwerking.70 De mogelijk-
heid dat technologie weglekt, politiek wantrouwen en de bescherming van Amerikaanse
werkgelegenheid maken dat het Congres steeds terughoudend - zo niet negatief - staat
tegenover transatlantische militair-industriële projecten. Het strategisch belang van
goede politieke betrekkingen met de Europese landen wordt daar meestal onderge-
schikt aan gemaakt. Dit onderstreept naar het oordeel van de AIV dat militair-industrië-
le samenwerking op basis van zuiver politiek-militaire doelstellingen geen haalbare
kaart is. Een dergelijke samenwerking moet in eerste instantie zijn gebaseerd op
industriële belangen. De besluitvorming in het Congres zal waarschijnlijk pas in het
voordeel van transatlantische samenwerking gaan uitvallen indien een volledige fusie
van voldoende soortelijk gewicht tussen een Europese en Amerikaanse ‘systems inte-
grator’ tot stand zou komen.
Defense Trade Security Initiative
Vanuit de erkenning dat een sterke globale positie van het Amerikaanse bedrijfsleven is
gediend met efficiëntere exportprocedures en soepele internationale industriële
samenwerking, heeft de Amerikaanse regering sinds 1998 verschillende pogingen
ondernomen om de ITAR-regelgeving te versoepelen. Het meest omvangrijke initiatief is
het zogeheten ‘Defense Trade Security Initiative’ (DTSI) dat in mei 2000 werd gelan-
ceerd door Secretary of State Albright71 en inmiddels is overgenomen door de rege-
ring-Bush. Dit initiatief, gekenschetst als ‘the first major post-Cold War adjustment to
68 Ook gebeurt het dat het State Department al op blokkades in het Congres anticipeert en vergunningen
   weigert goed te keuren, nog voor ze in het Congres aan de orde worden gesteld.
69 MEADS betreft een Italiaans-Duits-Amerikaans raketverdedigingssysteem en TRACER een licht Brits-
   Amerikaans verkenningsvoertuig.
70 Hoewel de ‘Buy American Act’ van 1933 niet van toepassing is op NAVO-lidstaten, tracht het Congres
   sinds de jaren tachtig met regelmaat programma-specifieke ‘buy American’-beperkingen in te voeren die
   ook van toepassing zouden moeten zijn op het NAVO-verdragsgebied. Zie: Grant, ‘Transatlantic relations
   under strain’, p. 115.
71 Een ander initiatief is de ondertekening van een (nogal vrijblijvende) Brits-Amerikaanse ‘Declaration of
   Principles’ door beide betrokken ministers van Defensie om de wederzijdse materieelsamenwerking te
   verbeteren. Hoewel deze ‘Declaration of Principles’ een veel breder terrein bestrijkt dan het DTSI, is dit
   initiatief beperkt gebleven tot contacten tussen ministeries van Defensie. Het State Department is
   gepasseerd in de Declaration of Principles-onderhandelingen en wenst daarom niet mee te werken aan
   de implementatie. Het DTSI betreft daarentegen juridisch bindende afspraken tussen regeringen.
                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>the US Defense Export Control System’,72 zou 20 miljard dollar aan Amerikaanse
export bestrijken en vooral zijn opgezet ter versteviging van het NAVO ‘Defense Capabili-
ties Initiative’. In het kader van DTSI zou de ‘munitielijst’ jaarlijks aan een ‘update’ wor-
den onderworpen. Belangrijker is dat geselecteerde bedrijven in landen waarmee bilate-
rale overeenkomsten zouden worden afgesloten ‘Amerikaanse ongeclassificeerde
defensiegoederen, militair-technische gegevens en diensten’ zouden mogen exporteren
of importeren zonder dat daarvoor de gebruikelijke vergunningen hoeven te worden uit-
geschreven.73 Canada was al vrijgesteld van de ITAR-regels, en na lancering van het
DTSI is ook het VK en Australië een soepeler regelgeving in het vooruitzicht gesteld.
Daarnaast zijn Nederland, Noorwegen, Duitsland en Frankrijk benaderd om te spreken
over uitzonderingen op de ITAR-regelgeving.
Inmiddels, een jaar na de bekendmaking van het DTSI, is een aantal zwakke punten
van het initiatief aan het licht getreden. Niet alleen stelt het geen aanpassingen in het
vooruitzicht voor Europese bedrijven die zich op de Amerikaanse markt willen begeven,
maar ook gaat het alleen om ongeclassificeerde informatie, waardoor het niet waar-
schijnlijk is dat de tekortkomingen kunnen worden verholpen, die in het NAVO ‘Defense
Capabilities Initiative’ zijn geconstateerd. Verder houdt het DTSI - vanwege het bilatera-
le karakter van de afspraken - geen rekening met het toenemend grensoverschrijdend
karakter van de Europese defensie-industrie en met de wapenexportafspraken die Euro-
pese staten onderling of in EU-verband zijn aangegaan. De hierboven genoemde EU-
gesprekspartners zullen zich in hun contacten met de Verenigde Staten dus steeds
ervan moeten vergewissen of hun transatlantische overeenkomsten niet op gespannen
voet staan met hun eigen nationale regels danwel Europese afspraken. Een aanpak,
waarbij over het DTSI zou worden onderhandeld met alle thans betrokken Europese lan-
den of zelfs de gehele EU, zou in dit opzicht een efficiëntere en effectievere benadering
zijn. Een groot struikelblok van het DTSI is verder dat het geen rekening houdt met de
doorslaggevende rol van het Congres. Een aanpassing van die rol zou overigens een
herformulering van de ‘Congressional Export Control Act’ vereisen, wat weer een poli-
tieke en constitutionele doos van Pandora opent die ver buiten het bestek van dit
Amerikaanse handelsinitiatief valt.
72 Press Statement by Ph. T. Reeker,
    www.secretary.state.gov/www/briefings/statements/2000/ps000524d.html.
73 Er is wel een aantal voorwaarden verbonden (‘five pillars’) aan zo’n bilaterale overeenkomst:
    - een overeenkomend en wederzijds industrieel veiligheidsbeleid;
    - een overeenkomend en wederzijds wapenexportbeleid;
    - een lange periode van succesvolle samenwerking in ‘law enforcement’;
    - een goede samenwerking op inlichtingengebied;
    - de bereidheid om bindende overeenkomsten te sluiten over wederzijdse markttoegang.
                                                    41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>IV       Institutionele en organisatorische aspecten
-Hoe beoordeelt de AIV het algemene politieke klimaat voor een open gemeenschappe-
lijke markt voor defensiematerieel?
-Hoe kan de betrokkenheid van de Europese Commissie en de samenhang met het
interne marktbeleid van de Unie beter gestalte krijgen?
-Kan een nieuwe European Armaments Agency in de EU worden opgenomen?
-Bieden Europese R&T-programma’s mogelijkheden voor defensiegerelateerde projec-
ten?
IV.1.    Enkele belangrijke aandachtsgebieden
In de vorige hoofdstukken is onder meer beschreven hoe de ‘secularisering’ van de
defensiesector heeft geleid tot toenemende transnationale samenwerking tussen Euro-
pese defensie-bedrijven. Een dergelijke samenwerking vereist een fundamentele aan-
passing van het beleid van Europese overheden, wil zij volledig vrucht kunnen dragen.
Hierna volgt een overzicht van terreinen waarop naar het oordeel van de AIV concrete
vooruitgang noodzakelijk is, wil Europese samenwerking goed van de grond komen.
Harmonisatie van militair-operationele behoeftestellingen
Vooropgesteld zij dat de harmonisatie van operationele behoeftestelling één van de
belangrijkste middelen zou zijn voor de totstandkoming van een effectieve Europese
materieelsamenwerking. Harmonisatie kan een grondslag bieden voor gezamenlijk
onderzoek, gezamenlijke productie en gemeenschappelijke aanschaf van militaire mid-
delen. Voor bedrijven biedt harmonisatie zekerheid en voorspelbaarheid op basis waar-
van productieprocessen kunnen worden gerationaliseerd en de concurrentiepositie kan
worden versterkt. Overheden kunnen op basis van een gemeenschappelijke behoefte-
stelling hun koopkracht samenvoegen74 en tegelijk de interoperabiliteit van hun krijgs-
machten vergroten.
Hoewel met Europees en transatlantische overleg door de jaren heen wel voortgang is
geboekt bij het vaststellen van gemeenschappelijke militair-operationele procedures,
zijn de resultaten met betrekking tot harmonisatie van militaire behoeftestellingen
uiterst bescheiden gebleven. De verwerving van militaire wapensystemen blijkt een
complex proces, waarbij vele politieke, militaire en industriële partijen betrokken zijn.
Het is al moeilijk om deze partijen in een nationale context op één lijn te brengen. Als
besluitvorming daarnaast ook internationaal moet worden gecoördineerd, lijken de pro-
blemen exponentieel te groeien. Alleen al vanwege de verschillende geostrategische
afwegingen hebben de Europese landen immers ieder een andere militaire invalshoek.
En zelfs al komen Europese staten tot een gemeenschappelijke behoeftestelling, dan
nog blijken er talloze afwijkende voorkeuren voor diverse specificaties. Overeenstem-
ming op dit vlak kan dichterbij worden gebracht met behulp van een gemeenschappelijk
uitgewerkte militaire strategie, een internationale militaire staf die op basis van deze
strategie is belast met de harmonisatie van behoeftestelling en een agentschap dat
samenwerking bij de verwerving garandeert. Het blijft natuurlijk de vraag of de Europe-
se landen bereid zijn hun handelingsvrijheid daarvoor op te offeren. Hoewel, zoals in
het begin van dit advies vastgesteld, harmonisatie van militair-operationele behoefte-
74 Door de aanschaf van grotere aantallen materieel kan zodoende de stuksprijs omlaag worden gebracht.
                                                  42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>stelling behoort tot basisvoorwaarden voor effectief Europees militair-industrieel beleid,
lijkt dit voorshands een verwijderd perspectief, al moet men dit wel steeds in het oog
houden.75
Toeleveringsgaranties
De fusies, overnames en intensievere samenwerking van Europese defensie-bedrijven
maken het aspect van de toeleveringsgaranties (‘security of supply’) actueel en drin-
gend; dat geldt ook voor landen die tot dusverre meenden dat ze zich aan internationa-
le afspraken dienaangaande konden onttrekken. Afspraken over ‘security of supply’ zijn
van belang voor de Europese defensiebedrijven die steeds meer grensoverschrijdend
opereren, wat soepele internationale overdracht van producten en componenten ver-
eist. Maar deze garanties zijn ook op een andere manier van belang voor Europese
overheden. Deze wensen in het kader van hun veiligheidsbeleid niet alleen een zekere
autonomie van de eigen industriële en technologische basis te handhaven, maar willen
ook in tijden van crisis verzekerd willen zijn van voldoende materieel, reserve-onderde-
len en munitie. Zodoende kunnen zij militaire operaties blijven uitvoeren, zonder dat zij
daartoe permanent dure voorraden hoeven aan te houden.
Spanning tussen industriële en overheidsbelangen kan zich vooral voordoen in indus-
triële sectoren die door overheden wezenlijk worden gevonden voor de staatsveiligheid.
Voor toeleveringsgaranties in dergelijke sectoren kunnen Europese afspraken worden
gemaakt, maar het risico bestaat dat staten de militair-industriële interdependentie in
beginsel wel aanvaarden, maar in de praktijk te veel uitzonderingen voor de staatsvei-
ligheid willen maken, opdat in elke omstandigheid een volledige en verzekerde opera-
tionele zelfstandigheid is verzekerd. Een gegarandeerde levering van materieel aan
krijgsmachten betekent voor sommige Europese staten ook een bepaalde mate van
‘ownership’. Dit verhoudt zich moeizaam met het toenemende belang van privé-kapitaal
in de defensie-sector. Welke rol kunnen niet-Europese aandeelhouders spelen in Euro-
pese bedrijven? Hoe wordt staats-‘ownership’ zeker gesteld bij transnationale bedrijven
die niet meer aangestuurd kunnen worden door individuele Europese overheden? Van-
wege de dilemma’s die dergelijke vragen opwerpen, is volgens de AIV een regelgeven-
de rol voor de Europese Unie in de eerste pijler - dat wil zeggen: met inschakeling van
de Europese Commissie - niet alleen zeer wenselijk, maar vanwege de groeiende indus-
triële belangen op termijn ook onvermijdelijk.
Exportprocedures
Ook de uiteenlopende procedures van de EU-lidstaten voor wapenexport zijn een drin-
gend probleem geworden. Transnationale bedrijven hebben er immers belang bij dat zij
componenten en subsystemen zonder problemen kunnen betrekken uit verschillende
Europese landen, wat niet alleen toeleveringsgaranties veronderstelt, maar ook harmo-
nisatie van export-procedures.76 In de praktijk blijken het bereik en het oogmerk van
nationale procedures, afhankelijk van de politieke oriëntatie, de militair-economische
ambities, tradities en historisch gegroeide veiligheidsbelangen van de verschillende EU-
lidstaten, uiteen te lopen. De vrijheid die zowel regeringen als parlementen zich voorbe-
houden een oordeel te vellen over de eindbestemming van de nationale militaire pro-
ductie, schept onzekerheid die samenwerking tussen Europese bedrijven aanzienlijk
75 In hoofdstuk II.3 werd in dit opzicht vooral gesproken van het afstemmen van verwervingscycli en mate-
    rieelvereisten.
76 Dit geldt zowel voor de interne EU-exportprocedures als voor de EU-export naar derde landen.
                                                      43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>bemoeilijkt. In Europees verband bestaan hierop slechts twee uitzonderingen. Duitsland
en Frankrijk hebben de afspraak dat componenten en subsystemen zonder exportpro-
cedures de wederzijdse grens kunnen passeren. Volgens deze zogeheten Schmidt-
Debré overeenkomst, die al dateert uit 1975, is het aan de overheid van het land
waarin het betreffende eindproduct wordt vervaardigd om de eigen exportcontrole
jegens derde landen correct toe te passen. Ten tweede is bij de Benelux-landen de
wapenexport gebracht onder de onderlinge douane-unie. Voor de export naar niet-Bene-
lux landen bestaat een consultatieverplichting.77
Het huidige gebrek aan een gemeenschappelijk exportbeleid hindert militair-industriële
samenwerking in het algemeen en transnationale bedrijven in het bijzonder. Zelfs om
componenten binnen een bedrijf tussen twee Europese landen te verplaatsen moeten
defensiebedrijven immers eerst ingewikkelde exportprocedures afhandelen. De ‘code of
conduct’ voor de wapenexport van de EU biedt hiervoor geen uitsluitsel. Niet alleen
biedt deze gedragscode geen antwoord op intra-Europees militair handelsverkeer. Ook
zijn de gehanteerde criteria, die door de Europese Raad zijn vastgesteld, alleen politiek
(niet juridisch) bindend. De ‘code of conduct’ geeft een geharmoniseerde interpretatie
van die criteria en kan worden gezien als een eerste stap in de goede richting, maar
niet als een eindstation.78
Bescherming van informatie
In de politiek-industriële spanning, waarbinnen transnationale samenwerking tussen
Europese defensiebedrijven zich afspeelt, moet een balans worden gevonden tussen
de wens van staten om enerzijds geclassificeerde informatie een vertrouwelijke behan-
deling te geven, en anderzijds te verhinderen dat internationale projecten worden
gefrustreerd door onnodige beperkingen op het gebied van verkeer van personen, infor-
matie of materieel. Een Europese harmonisatie van veiligheidsvoorschriften en –proce-
dures blijkt vooralsnog op een groot aantal problemen te stuiten. In het bijzonder het
Verenigd Koninkrijk vreest dat een vrijere circulatie van geclassificeerde informatie bin-
nen Europa de eigen transatlantische veiligheidssamenwerking schade kan toebrengen.
Research and Technology (R&T)
Het gebied van ‘Research and Technology’ (R&T) kent al langere tijd een opeenstape-
ling van verschillende initiatieven in tal van overlegfora, zowel binnen de NAVO als in
Europees verband. In algemene zin geldt dat de pogingen om een gemeenschappelijke
Europees R&T-systeem op te zetten, zijn vastgelopen op verschillen van inzicht tussen
de Europese landen over de openbaarheid van onderzoek, methodologieën om onder-
zoekscontracten toe te kennen (op basis van concurrentie of niet) en de toepassing
van het beginsel van ‘juste retour’. Omdat een aanspreekpunt ontbreekt, is er tot nu
toe geen sprake geweest van een systematische overdracht van defensie-gerelateerde
R&T-informatie, noch is het gelukt een gemeenschappelijke basis voor toekomstige
R&T te ontwikkelen. Eén van de belangrijkste redenen waarom pogingen daartoe vast-
lopen, is dat Europese landen de neiging hebben zich te specialiseren in de ‘high-tech’
zijde van de defensiemarkt. Dat vereist weliswaar grote investeringen, maar levert ook
prestige - en uiteindelijk een belangrijke kennisvoorsprong - op. Elke rationele keuze die
77 Deze consultatieverplichting geldt overigens niet voor de export naar NAVO-lidstaten en tijdelijke uitvoer.
78 Zie ook: Adviesraad Internationale Vraagstukken, ‘Coventionele Wapenbeheersing: dringende noodzaak,
    beperkte mogelijkheden.’
                                                     44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>leidt tot een taakverdeling waarbij partijen een lager technisch niveau toebedeeld krij-
gen, wordt door de betrokken onderzoeksinstellingen en overheden categorisch afgewe-
zen. Vooralsnog geeft elk Europees land er de voorkeur aan op onderzoeksgebied te
concurreren, in de hoop op cruciale punten als voortrekker te kunnen fungeren. Het
gevolg is evenwel een grote mate van duplicatie in onderzoek, die des te ernstiger is
als de beperkte omvang van de onderzoeksbegrotingen van de Europese landen in aan-
merking wordt genomen. Afgezet tegen de hogere en coherente Amerikaanse R&T-
inspanning, is het risico van een Amerikaans-Europese ‘technology gap’ daardoor aller-
minst denkbeeldig. Tijdens de NAVO-luchtacties rond Kosovo bleek al dat verschillen in
technologisch vermogen de transatlantische interoperabiliteit aanzienlijk kunnen
bemoeilijken.
Overigens laat het gebrek aan EU-brede voortgang op het vlak van militaire R&T onver-
let dat de EU-lidstaten wel tal van bilaterale R&T-contacten zijn aangegaan, die zijn toe-
gespitst op complementaire kennis en onderzoek. De verdere ontwikkeling en uitbrei-
ding van deze bilaterale contacten lijkt voorshands een meer praktische en succesvolle
benadering dan te trachten een EU-breed militair R&T-beleid van de grond te krijgen,
hoewel dit op de langere termijn zeer wenselijk is. Daarbij kan worden aangetekend dat
het toenemend belang van civiele technologie in defensietoepassingen (‘dual use’) nu
al een opening biedt om de Europese onderzoeksprogramma’s open te stellen voor
technologische ontwikkelingen die aan defenie zijn gerelateerd. Een dergelijk streven
verdient volgens de AIV de steun van de Nederlandse regering.
IV.2     De voor Europa relevante overlegfora
Er zijn tal van fora waarin Europese landen zich buigen over gezamenlijke bewapenings-
en verwervingsvraagstukken of aspecten daarvan.79 Ondanks overeenkomende doel-
stellingen zijn de organisaties dermate afwijkend in hun aanpak, oriëntatie en lidmaat-
schappen (zie bijlage IV en V) dat van coördinatie - laat staan van opschoning of ratio-
nalisatie - nauwelijks sprake is. Hierbij speelt vooral dat praktisch alle Europese
gespreksfora zijn ontstaan uit politieke initiatieven die het gevolg waren van eerder
vastgelopen besprekingen. De proliferatie van overlegstructuren is als het ware omge-
keerd evenredig met de mate van overeenstemming onder Europese landen. Zo kan
worden geconstateerd dat tegenwoordig sprake is van een ‘institutionele jungle’ die in
het Europese bewapeningsoverleg wortel heeft geschoten. Hierna volgt een overzicht
van de belangrijkste organisaties en overlegfora.
De NAVO
Het aantal NAVO-gremia dat zich bezig houdt met organisatie, consultatie, samenwer-
king of verwerving op materieelgebied - of deelgebieden daarvan - is indrukwekkend.
De zogeheten Conference of National Armaments Directors (CNAD) vervult daarbij een
centrale rol. Op de bijeenkomsten van de CNAD (twee maal per jaar) wisselen de hoog-
ste nationale ambtenaren verantwoordelijk voor aanschaf van defensiemiddelen van
gedachten met vertegenwoordigers van het Militaire Comité en de NAVO ‘Strategic
Commands’.80 Over specifieke bewapening wordt gesproken in vier ‘Main Groups’ die
direct onder de CNAD vallen. Daaronder ressorteren weer zo’n 250 subgroepen voor
79 Dit advies concentreert zich op de NAVO, de WEU, de EU, OCCAR en de Letter of Intent-groep.
80 Voor Nederland de Directeur-Generaal Materieel van het ministerie van Defensie.
                                                   45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>de ontwikkeling van nieuwe projecten. Noch de CNAD noch de ‘Main Groups’ houden
zich echter bezig met de uitvoering van projecten. Dat gebeurt door de betrokken NAVO-
lidstaten zelf, die daarvoor tijdelijke projectorganisaties opzetten.81
De uitgebreide structuren onder de CNAD zijn er niet op gericht gemeenschappelijke
wapensystemen te ontwikkelen. Vanwege de uiteenlopende nationale belangen liepen
discussies daarover in het verleden steeds op niets uit.82 Daarom heeft de NAVO voor
de pragmatische weg gekozen, vooral de interoperabiliteit van de nationale wapensyste-
men te bevorderen en minimale gezamenlijke vereisten aanvaard te krijgen voor de
NAVO C3I taken (command, control, communication and intelligence).
Ook in het kader van het ‘Defense Capabilities Initiative’ streven de NAVO-lidstaten
naar een hogere mate van interoperabiliteit en verbetering van het NAVO Defensie Plan-
nings Proces (NDPP). Dit initiatief kan op zich leiden tot verbeterde samenwerking bij
de Europese verwervingsprocessen.83 Benadrukt moet echter worden dat de pragmati-
sche aanpak van het overleg over bewapening binnen de NAVO, de grote nadruk op
nationale bevoegdheden en het gegeven dat Frankrijk niet deelneemt aan dit overleg,
de NAVO minder geschikt maakt als centraal orgaan voor militair-industriële afspraken
en afstemming van verwerving binnen Europa.
De West Europese Unie
De EU-lidstaten hebben zich tijdens de Europese Raad van Nice (december 2000)
bereid verklaard de crisisbeheersingstaken van de Westeuropese Unie (WEU) over te
nemen. Wat er zal gebeuren met de materieelsamenwerkingsorganen van de WEU is
echter nog onduidelijk. Op dit moment kent de WEU nog verschillende organen die zich
hiermee bezig houden, zoals Eurocom (ten behoeve van communicatiesystemen), de
Western European Logistics Group/WELG (ten behoeve van logistieke ondersteuning)
en Eurolongterm (coördinatie van defensieplanning), die alle zijn voortgekomen uit
werkgroepen van de voormalige NAVO-Eurogroep (Independent European Programme
Group/IEPG).
Daarnaast is er de Western European Armament Group (WEAG), die in 1993 is opge-
richt door de Europese NAVO-lidstaten. Dit forum richt zich op de versterking van de
industriële en technologische basis voor de Europese veiligheid, harmonisatie van
behoeften en normen voor bewapening, samenwerking op het gebied van R&T, alsmede
op het openbreken van Europese defensiemarkten voor internationale concurrentie. De
81 In sommige gevallen achten deze het noodzakelijk een langduriger samenwerkingsverband aan te gaan
   via een ‘NATO Production and Logistics Organisation’ (NPLO). Voorbeelden daarvan zijn de HAWK PLO,
   de ‘NATO Airborne Early Warning and Control Program Management Organisation’, en de NH-90 project-
   organisatie.
82 Aanvankelijk had CNAD niet meer dan een vrijblijvend adviserende rol. Het forum is vooral effectief geble-
   ken voor de uitruil van informatie en het scheppen van een ‘collaborative climate’ binnen de alliantie.
   Goedkeuring van projecten door CNAD betekent echter in praktische zin weinig. Dit leidt niet tot een voor-
   keursbehandeling bij het verwervingsbeleid van de NAVO-lidstaten. Zie: K. Hayward, ‘Towards a European
   weapons procurement process’, Brussel 1997 (Chaillot paper 27, internet-versie), p. 12.
83 Eén van de DCI-aandachtspunten is bijvoorbeeld ‘to examine and put in place or expand where appropria-
   te, arrangements for cooperative acquisition and management of certain logistic stocks’. Zie: V.C. Windt
   en R.A. van Harskamp, ‘Veel gepraat maar weinig wol?’, in Militaire Spectator, jg. 170 (2001), nummer 1,
   p. 29.
                                                    46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>WEAG steunt niet op een verdragstekst, maar moet worden beschouwd als een
gegroeide praktijk van samenwerking. Omdat WEAG-afspraken juridisch niet bindend
zijn, is de uitvoering afhankelijk van de politieke bereidheid van de individuele lidstaten.
Geconstateerd moet worden dat dit vrijblijvende karakter een tekort aan politieke steun
en interesse tot gevolg heeft gehad. De WEAG heeft de dialoog tussen de lidstaten in
de loop der tijd ongetwijfeld verbeterd, wat onder meer heeft geresulteerd in verbeterde
afstemming van operationele procedures, maar is er niet in geslaagd werkelijke coördi-
natie tot stand te brengen. Van gemeenschappelijke behoeftestelling en normen voor
bewapening en uitrusting is, zelfs na 24 jaar overleg in IEPG- en WEAG-verband, nog
geen enkele sprake.
In tegenstelling tot de WEAG, is de Western European Armaments Organisation
(WEAO), waarvan alle WEAG-lidstaten deel uitmaken84 , wel formeel een subsidiair
lichaam van de WEU. Om de samenwerking op het gebied van bewapening te bevorde-
ren, heeft de WEAO zich ten doel gesteld activiteiten te ontplooien met betrekking tot
onderzoek, ontwikkeling en aanschaf van bewapening. De voorlopige administratie van
de WEAO wordt uitgevoerd door een WEAG-onderzoekscel. Door de oprichting van de
WEAO kunnen de beslissingen van de WEAG op het gebied van R&T worden uitgevoerd
in een vastomlijnd juridisch kader, binnen de rechtspersoonlijkheid van de WEU. De
WEAO kan vanwege deze rechtspersoonlijkheid ook contracten met defensie-bedrijven
en onderzoeksinstituten sluiten, wat de coördinatie binnen de WEAG ten goede moet
komen. Tot op heden zijn de resultaten van deze inspanningen echter te beperkt
geweest om te kunnen vaststellen of zijn werkzaamheden werkelijk vruchten afwerpen.
In 1998 hebben de ministers van Defensie van de WEAG-lidstaten concrete voorstellen
laten ontwikkelen voor de oprichting van een European Armaments Agency (EAA), die
zou moeten worden gekoppeld aan de werkzaamheden van de WEAO. Het EAA zou zich
moeten toeleggen op de ontwikkeling van een Europese industriële en technologische
basis die de Europese eigenstandigheid op het gebied van bewapening bevordert.
Daarnaast zou het agentschap verantwoordelijk worden voor de totstandkoming van
gemeenschappelijke Europese militaire behoeften en normen, de bevordering van volle-
dige compatibiliteit van bewapening zodat eenheden in grotere militaire verbanden kun-
nen worden geïntegreerd, een efficiënt R&T-beleid, een gerationaliseerde regelgeving
en open marktomstandigheden. Verder dan de plannen voor een EAA is men voorals-
nog niet gekomen.
De Organisation Conjointe de Coopération en matière d’Armement (OCCAR)
In afwachting van de komst van een Europees materieelagentschap werd door Duits-
land en Frankrijk in 1993 al een bilateraal bewapeningsagentschap opgericht. Het doel
was om - in eerste instantie ten bate van het Eurokorps - gezamelijk nieuwe materieel-
programma’s te beheren om zo de efficiëntie te verhogen. Eind 1996 besloten deze
twee landen samen met het Verenigd Koninkrijk en Italië OCCAR op te richten om de
bewapeningsprogramma’s in een breder verband te beheren. In september 1998 is
door de vier betrokken landen een ‘Convention on the Establishment of the OCCAR’
getekend om OCCAR ook een juridische status te geven. Via OCCAR hopen de deelne-
mende landen kostenbesparing op bewapeningsprogramma’s te kunnen bereiken door
middel van beter management, efficiëntere procedures voor het uitbesteden van con-
tracten en geïntegreerde industriële projecten. Daarnaast wil OCCAR zich inzetten voor
een gezamenlijk investerings- en technologiebeleid, en stelt het zich ten doel de
84 Zie bijlage IV.
                                             47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>verwerving te verbeteren, bijvoorbeeld door te komen tot identieke mededingingsre-
gels.
Op dit moment zijn Frankrijk en Duitsland betrokken bij de meerderheid van de projec-
ten die via OCCAR worden uitgevoerd (Tiger gevechtshelikopters, Milan en Hot anti-tank
raketten, Roland luchtverdedigingssysteem). Daarnaast zijn er bilaterale projecten tus-
sen bijvoorbeeld Frankrijk en Italië (future surface to air family/FSAF), en verschillende
trilaterale programma’s. De Cobra anti-artillerie radar was het eerste geïntegreerde
(Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) project in het kader van OCCAR. Inmid-
dels zijn ook het Airbus A-400M transportvliegtuigen het GTK/MRAV-pantservoertuig bij
OCCAR ondergebracht.85
De kans bestaat dat OCCAR wordt uitgebreid met Nederland en België. Verder hebben
Zweden en Spanje de wens geuit aan OCCAR deel te nemen.86 De statuten van
OCCAR schrijven voor dat Europese landen kunnen toetreden, mits zij zich conformeren
aan alle voorwaarden en werkelijk deelnemen aan OCCAR-programma’s. De Nederland-
se regering heeft zich officieel in april 1999 aangemeld om te participeren in het
GTK/MRAV-programma, en heeft zich inmiddels voorgenomen fl 245 miljoen vrij te
maken voor de ontwikkelingsfase van dit programma.87 Daarmee voldoet Nederland in
beginsel aan de door OCCAR gestelde voorwaarden. Wel is het parlement toegezegd
dat aan toetreding tot het verwervingsagentschap een politiek debat vooraf zal gaan. In
België is in de zomer van 2000 besloten tot de aankoop van zeven Airbus A-400M toe-
stellen. Zo zou België toegang tot OCCAR kunnen krijgen.
OCCAR heeft vooralsnog als handicap dat praktisch alle projecten die tot nu toe bij de
organisatie werden ondergebracht, al jaren op stapel stonden en pas in een late fase
administratief bij OCCAR zijn ondergebracht. In sommige gevallen hadden deze projec-
ten een problematische ontstaansgeschiedenis die later ten onrechte werd toegeschre-
ven aan disfunctioneren van OCCAR. De koppeling tussen OCCAR en het Trigat anti-
tankraket programma is daarvan een voorbeeld.88 Ook het GTK/MRAV-programma
heeft onder druk gestaan, doordat Frankrijk besloot een eigen pantservoertuig door de
nationale wapenindustrie (GIAT) te laten ontwikkelen. Dergelijke samenwerkingsproble-
men zijn niet zozeer symptomatisch voor OCCAR, maar moeten veeleer worden toege-
schreven aan complicaties die buiten het bereik van de organisatie vallen. Bij het A-
400M-programma daarentegen is OCCAR van meet af aan betrokken als ‘contracting
agent’. Dit project zou dus het eerste zijn waarmee OCCAR werkelijk zijn toegevoegde
waarde kan bewijzen.
85 D. Barrie, B. Tigner, ‘OCCAR finally moves toward oversight role’, in: Defense News, 11 December 2000.
86 Spanje heeft aangegeven dat het door de participatie van CASA in Airbus eigenlijk al voldoet aan de toe-
    latingscriteria van OCCAR.
87 Ministerie van Defensie, ‘project ‘Vervanging pantservoeruitgen M577 en YPR’, brief aan de Kamer d.d.
    9 januari 2001.
88 Het Trigat-programma is ontwikkeld tijdens de Koude Oorlog met het oog op grootschalige tankaanvallen,
    maar werd vanwege talloze vertragingen pas afgelopen jaar geëffectueerd. Inmiddels voldoet het wapen
    niet meer aan de operationele behoeften die vooral zijn gericht op wendbaarheid en een laag gewicht.
    Mede daarom hebben het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België zich uit het Trigat-project teruggetrok-
    ken. Daarmee lijkt het programma nu een stille dood te sterven.
                                                    48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Het Framework Agreement/De Letter of Intent (LoI)
Met OCCAR hebben de deelnemende landen een pragmatische weg ingeslagen die
vooral op verwerving is gericht, op termijn grotere efficiëntie kan bewerkstelligen, maar
geen antwoord biedt op de probleemgebieden die aan het begin van dit hoofdstuk zijn
beschreven. Dat betekent niet dat deze problemen thans over het hoofd worden
gezien. In 1998 besloten de ministers van Defensie van de zes grootste Europese
wapenproducerende landen (Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Zweden en het Ver-
enigd Koninkrijk) een ‘Letter of Intent’ te ondertekenen, waarin zij zich ten doel stellen
hun militair-industriële regelgeving beter op elkaar af te stemmen. Daartoe zijn zes
werkgroepen opgericht die zich bezig houden met de afstemming van toeleveringsga-
ranties, exportprocedures, de bescherming van gevoelige informatie, onderzoek en
technologie, harmonisatie van militaire behoeftestelling en de uitwisseling van techni-
sche gegevens. De conclusies van deze werkgroepen moeten uiteindelijk worden vervat
in een internationaal verdrag. Om tijdrovende ratificatieprocedures te vermijden, treedt
dit verdrag al in werking zodra twee landen hun instrument van ratificatie hebben gede-
poneerd. In juli 2000 is de Letter of Intent omgezet in een concreter ‘Framework Agree-
ment’ dat voorziet in een kader voor de beraadslagingen.89 De zes deelnemende lan-
den zijn overeengekomen dat andere Europese landen tot deze overeenkomst kunnen
toetreden nadat zij zelf tot ratificatie zijn overgegaan. EU-lidstaten staat het vrij uit
eigen beweging een verzoek tot deelname in te dienen; andere Europese landen kun-
nen toetreden op uitnodiging.
Tot nu toe zijn de ervaringen met het LoI-proces gemengd. Op technische terrein wordt
meer vooruitgang geboekt dan op politiek gebied. Met betrekking tot informatiebescher-
ming bijvoorbeeld zijn de afspraken van de LoI inmiddels goed gedefinieerd. Als één
land van de LoI-groep informatie vrijgeeft ten behoeve van een samenwerkingsprogram-
ma, dan worden de andere deelnemende LoI-staten geacht dit voorbeeld te volgen. Bij
het R&T-beleid bestaat overeenstemming over te hanteren procedures en zijn de LoI-
staten overeengekomen om elkaar te informeren over ontwikkelingen bij hun onder-
zoeksbeleid en -programma’s. Op het gebied van de militaire behoeftestelling hebben
de betrokken regeringen besloten een gezamenlijk concept uit te werken, het verwer-
vingsbeleid te harmoniseren en een gemeenschappelijk profiel op te stellen van toe-
komstige investeringen en gemeenschappelijke aanschafnormen. Dit zou op termijn
moeten leiden tot een ‘long-term masterplan’ voor toekomstige behoeftestelling. Verder
hebben de LoI-landen toegezegd bewapeningsprogramma’s en verwervingsmethodes te
harmoniseren.
De hiervoor beschreven overeenstemming staat op gespannen voet met de tweeslach-
tigheid binnen de LoI-landen die ten aanzien van toeleveringsgaranties (‘security of sup-
ply’) blijft bestaan. Door de LoI-lidstaten is bijvoorbeeld erkend dat transnationale
bedrijven de spreiding van hun activiteiten zelf in de hand moeten hebben. Dat kan
betekenen dat deze bedrijven industriële capaciteiten binnen landen afstoten om een
grotere algehele efficiëntie te bewerkstelligen. Toch blijven de LoI-lidstaten staan op
het recht om bedrijven te verplichten bepaalde strategische capaciteiten in het eigen
land te behouden.
Eén van de meest belangrijke, maar ook politiek gevoelige terreinen van het LoI-proces
is de wapenexport. Het Framework Agreement gaat in dit opzicht verder dan de praktijk
van de EU ‘Code of Conduct’; het wil eerst en vooral voorzien in een vereenvoudiging
89 Zie voor de tekst van het Framework Agreement: http://projects.sipri.se/expcon/loi/indrest02.htm.
                                                  49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>van exportprocedures, zowel tussen de LoI-landen als jegens derde landen. Tussen de
LoI-lidstaten kan het Framework Agreement in beginsel een vrij onderling verkeer van
militaire goederen bewerkstelligen. Deze worden per LoI-project onder een algemene
goedkeuring (‘global licence’) gebracht. Voor de export naar derde landen willen de LoI-
landen per project komen tot een ‘witte lijst’ van aanvaardbare eindbestemmingen.90
Op de relatie tussen deze LoI-activiteiten en de initiatieven van de Europese Commis-
sie komt dit advies terug.
De Europese Unie
Zoals beschreven in Hoofdstuk I, is het veiligheids- en defensiebeleid van de Europese
Unie relatief jong en nog niet voldragen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de dis-
cussies in EU-verband over militair-industrieel beleid voorshands niet zijn gevoerd van-
uit het perspectief van gemeenschappelijke militaire behoeftestelling voor het EVDB.
Veeleer ligt de nadruk van die discussies op het vlak van het industriebeleid. Daarover
wordt binnen de Europese Unie in twee fora gesproken. In de eerste pijler (communau-
tair beleid) komt het onderwerp aan bod in het kader van gemeenschappelijk industrie-
beleid. Weliswaar zijn militaire producten, voor zover deze ‘wezenlijke veiligheidsbelan-
gen’ omvatten, in het EG-Verdrag uitgesloten van dit beleid conform artikel 223/296
EG,91 maar dat kan niet verhelen dat de scheiding tussen civiele en militaire productie
steeds meer vervaagt vanwege het toenemend gebruik van ‘dual use’-technologie in
wapensystemen. Procedureel heeft de Commissie in de eerste pijler een initiatiefrecht
ter vervolmaking van de interne markt. Zij kan richtlijnen voorstellen en afgeschermde
markten openbreken. In de tweede pijler (Gemeenschappelijke Buitenlands en Veilig-
heids Beleid), waaronder ook het EVDB valt, is de Europese Commissie niet meer dan
een gesprekspartner, zeker zolang over onderwerpen politiek geen overeenstemming is
bereikt. De Commissie neemt hier deel aan de debatten en kan voorstellen indienen,
maar heeft geen exclusief initiatiefrecht, zoals in de eerste pijler. De EU-lidstaten heb-
ben in de tweede pijler het eerste en laatste woord.
De tweede pijler
De tweede pijler van de Europese Unie kent de ‘Ad Hoc European Armaments Policy
Group’ (POLARM), die zich richt op bewapeningsbeleid en de ‘Conventional Arms
Exports Working Group’ (COARM) voor harmonisatie van exportbeleid jegens derde lan-
den. De beraadslagingen in deze groepen worden bemoeilijkt door verschillen van
inzicht tussen de landen die de bestaande Europese praktijk willen voortzetten en lid-
staten die open staan voor aanpassingen. Het intergouvernementele karakter van de
beraadslagingen speelt de effectiviteit daarbij regelmatig parten: gemaakte afspraken
zijn niet bindend en worden - naar het voorkomt - vaak niet uitgevoerd. Onder het Portu-
gese en Franse EU-voorzitterschap is POLARM in 2000 in het geheel niet bijeen geroe-
pen. Onder het Zweedse voorzitterschap is dit in januari 2001 wel gebeurd.
90 Een periodieke herziening van de ‘witte lijsten’ is niet voorzien. Wel bevat het Framework Agreement een
    herzieningsclausule die van toepassing wordt wanneer een land van eindbestemming ten prooi valt aan
    binnenlandse onlusten of een internationale bedreiging gaat vormen.
91 Als een dubbel artikel van het EG-Verdrag wordt genoemd, verwijst het eerste artikelnummer naar naar
    het ‘oude EG-Verdrag (vóór Amsterdam) en het tweede nummer naar het huidige verdrag. Hiermee wordt
    voorkomen dat verwarring ontstaat bij het lezen van literatuur die eerder dan het Verdrag van Amster-
    dam is geschreven
                                                      50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>De beraadslagingen in beide overleggroepen hebben een eigen dynamiek, anders dan
die van de andere tweede pijler-werkgroepen, omdat ze zich afspelen op de scheidslijn
tussen de eerste en tweede pijler. In feite hangen zij nauw samen met de werkzaamhe-
den van de zogeheten ‘Dual Use Group’ in de eerste pijler, die direct zijn gerelateerd
aan artikel 113/133 EG over het gemeenschappelijke handelsbeleid. Volgens verschil-
lende uitspraken van het Europese Hof sinds 1997 zouden ‘dual-use’ goederen binnen
het toepassingsbereik van het handelsbeleid moeten vallen en niet vallen onder de
beperkingen van artikel 223/296 EG. Hoewel de positie van de Commissie daardoor
duidelijk lijkt, is dat in feite niet zo. Sommige EU-lidstaten doen er alles aan om de uit-
spraken van het Hof te relativeren en de Europese Commissie voelt zich gedwongen op
dit terrein zeer behoedzaam te werk te gaan.
De eerste pijler
Zoals eerder vermeld, is conform artikel 223/296 EG de productie en handel van
wapens buiten de regels van de gemeenschappelijke markt gehouden, voor zover deze
‘wezenlijke veiligheidsbelangen’ raken. Over de interpretatie van wat hieronder moet
worden verstaan, lopen de meningen uiteen - tussen de EU-lidstaten onderling en zeker
tussen de lidstaten en de Europese Commissie. De Commissie heeft het sinds 1990,
mede vanwege de verslechtering van de markt voor defensieproducten, in ieder geval
verschillende malen noodzakelijk geacht in deze sector te interveniëren op basis van
haar bevoegdheden met betrekking tot het gemeenschappelijke marktbeleid. De voor-
stellen die de Commissie heeft gedaan om deze onduidelijke situatie in overeenstem-
ming te brengen met een correcte interpretatie van de verdragsregels - en uiteindelijk
om aan een gemeenschappelijk Europees bewapeningsbeleid bij te dragen - zijn vooral
gericht geweest op het bevorderen van de interne marktwerking en op het versterken
van een gemeenschappelijke technologische basis. De Commissie zegt zich binnen de
kaders van de eerste pijler te willen inzetten voor fusies tussen defensie-bedrijven en
duidelijke regelgeving hieromtrent. Verder wil de Commissie zich richten op het vereen-
voudigen van de regelgeving voor overdracht van materieel binnen de Europese Unie.
Ook heeft zij zich ten doel gesteld op dit terrein open mededinging in te voeren. Juist
deze laatste doelstelling is technisch zeer complex en ligt politiek uiterst gevoelig.
In 1997 publiceerde de Commissie het tot nog toe meest omvattende beleidsdocu-
ment over de Europese defensiesector: ‘Implementing European Union strategy on def-
ence related industries’ (COM (97) 583). Deze publicatie, ook wel het ‘Bangemann-rap-
port’ genoemd, behelst praktische voorstellen voor een Europees materieelbeleid en
een actieplan voor de totstandkoming van een gemeenschappelijke bewapeningsmarkt.
Het gaat daarbij om de volgende twaalf doelstellingen:
1) Vergemakkelijking van intra-communautaire overdrachten van defensiegoederen door
    middel van een vereenvoudigd vergunningenstelsel.
2) Ontwikkeling van een statuut Europese Vennootschap ten behoeve van transnationa-
    le ondernemingen.
3) Bevordering van open aanbestedingsprocedures voor defensiematerieel.
4) Herstructurering van Europese R&T-projecten in communautair kader.
5) Standaardisatie van verwerving van materieel.
6) Schorsing van douanerechten op bepaalde defensieproducten.
7) Ondersteuning door de Commissie van kleine en middelgrote ondernemingen door
    de vorming van ondernemingsgroepen.
                                               51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>  8) Aanpassing van het mededingingsbeleid met eigen competenties voor de Commis-
      sie voor toezicht op de defensie-industrie.92
  9) Duidelijke ‘dual use’-competenties voor de Commissie, op basis van artikel
      113/133 EG.
10) Mogelijkheid van steunmaatregelen ten behoeve van diversificatie en conversie in
      de defensie-industrie (door middel van structuurfondsen).
11) Openstellen van defensiemarkten voor Europese producenten.
12) Onderzoek naar de effecten van uitbreiding van de Europese Unie en eventuele
      integratie van de defensie-industrie uit nieuwe lidstaten.
Het actieprogramma van de Commissie valt, volgens een communautaire interpretatie,
geheel binnen haar competenties in de eerste pijler. Gezien de grote mate van overlap
met tweede pijler-discussies, en vanwege de grote politieke gevoeligheden bij verschil-
lende EU-lidstaten is een intergouvernementele instemming echter onontkoombaar. De
Commissie heeft daarom voorgesteld de conclusies van het ‘Bangemann-rapport’
onderdeel te maken van een gemeenschappelijk standpunt van de EU-lidstaten in de
zin van de institutionele regels van de tweede pijler. Een dergelijk gemeenschappelijk
standpunt zou tot doel hebben de politieke wil vast te leggen om de betreffende uitvoe-
ringsregelingen voor te bereiden.
Deze politieke wil blijkt goeddeels te ontbreken. Sinds 1998 is het noch POLARM, noch
de Algemene Raad gelukt overeenstemming te bereiken over de Commissievoorstellen.
De Raad heeft zich laatstelijk in november 1999 over dit onderwerp gebogen en heeft
toen slechts kunnen constateren ‘dat samenwerking op militair-industrieel gebied van
groot belang is en dat het werk daaraan dient te worden voortgezet met de mogelijk-
heid om in het licht van toekomstige ontwikkelingen rond het EVDB ooit een gemeen-
schappelijk standpunt in te nemen’. Op basis van zijn gesprekken heeft de AIV vastge-
steld dat vooral de Britse regering zich heeft verzet tegen een meer geprononceerde rol
van de Europese Commissie. Formeel betoogt de Britse regering dat het rapport van
de Commissie inmiddels is achterhaald door de enorme veranderingen van de Europe-
se defensie-industrie sinds eind jaren negentig. De AIV kan zich evenwel niet aan de
indruk onttrekken dat vooral de oriëntatie van de Britse militair-industriële belangen,
die zowel in continentaal Europa als in de Verenigde Staten liggen, debet is aan de
Britse terughoudendheid. Enerzijds doet de Britse regering er alles aan om van het
EVDB een succes te maken. Een te afstandelijke houding van BAE jegens Airbus bij-
voorbeeld wordt door de Britse regering dan ook niet getolereerd.93 Anderzijds mag het
succes van het EVDB niet leiden tot al te stevige Europese militair-industriële structu-
ren die ten koste kunnen gaan van de Britse industriële belangen in de VS. Meer dui-
delijkheid lijkt pas te zullen ontstaan als er beter zicht is hoe de nationale Britse veilig-
heidsbelangen, het functioneren van de interne markt en de mondiale ambities van een
geherstructureerde Europese defensie-industrie op elkaar inwerken. Frankrijk noch
Duitsland is thans bereid tegenwicht te bieden aan de Britse stellingname.94
92 In de praktijk zou dit betekenen dat de lidstaten dan ook een engere toepassing van artikel 223/296
    van het EG-Verdrag moeten accepteren. De Commissie stelt voor artikel 223/296 alleen van toepassing
    te laten zijn voor zeer gevoelige informatie of als het om de bescherming van werkelijk wezenlijke belan-
    gen gaat. Voor dergelijke gevallen wil zij een kennisgevingsmechanisme instellen om een zekere mate
    van transparantie te waarborgen.
93 Zie: ‘Londen dreigt BAE: opstappen uit Airbus onacceptabel’, in: NRC Handelsblad, 15 juni 2000.
                                                        52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>De AIV constateert dat de politieke wil onder de EU-lidstaten vooralsnog ontbreekt om
te komen tot een coherent militair-industrieel beleid in de Europese Unie, wat onvermij-
delijk een grotere rol van de Europese Commissie zou brengen. De regeringen van de
zes LoI-landen geven de voorkeur aan een pragmatische opstelling, waarbij zij zelf de
modaliteiten en parameters bepalen van transnationale militair-industriële samenwer-
king. Ook heeft de AIV vastgesteld dat de Europese Commissie zelf inmiddels grote
terughoudendheid aan de dag legt jegens dit gevoelige onderwerp. Vooralsnog acht de
Commissie de kans op succes blijkbaar te klein en de politieke risico’s van nieuwe ini-
tiatieven te groot. Dat laat onverlet dat duidelijke, coherente regelgeving voor de defen-
sie-bedrijven in Europa met de dag van groter belang wordt, zeker naarmate de transna-
tionale samenwerking tussen de betrokken bedrijven intensiever wordt. Vanwege de
groeiende behoefte van deze bedrijven aan duidelijkheid en transparantie, is volgens de
AIV een regelgevende rol voor de Europese Unie - dat betekent dan met inschakeling
van de Europese Commissie - niet alleen zeer wenselijk, maar op termijn ook onvermij-
delijk. De AIV is bovendien van mening dat een dergelijke regelgevende rol een belang-
rijke impuls kan geven aan de versterking van het Europese integratieproces. De AIV
beveelt daarom met nadruk aan de voorstellen van het ‘Bangemann-rapport’ op de
agenda van de EU-besprekingen te houden, al was het voorlopig maar uit tactische
overwegingen. Deze voorstellen zijn allerminst achterhaald; zij overlappen met grote
delen van de LoI-discussies en worden op den duur actueler en urgenter.
IV.3      Mogelijke structuren
Het moge duidelijk zijn dat het overleg tussen de grote wapenproducerende landen in
het kader van de LoI en OCCAR voorlopig intergouvernementeel van karakter is en nog
los staat van bredere Europese structuren. Op dit moment lijken OCCAR en de LoI-
groep de voorkeur te geven aan verdieping boven verbreding, afgezien van een mogelij-
ke Nederlandse en Belgische toetreding tot OCCAR. Niettemin zouden beide fora op
den duur kunnen gaan onderkennen dat een EU-brede uitbreiding van hun lidmaatschap
voordelen heeft. Belangrijke voordelen zijn:
1) De Europese landen buiten OCCAR en de LoI vormen een aanzienlijke afzet- en toe-
    leveringsmarkt. Betrokkenheid bij de totstandkoming van een Europees militair-
    industrieel beleid moedigt hen aan met de LoI- en OCCAR-lidstaten samen te wer-
    ken.
2) Zoals in Hoofdstuk IV.1 geschetst, is voor de effectiviteit van de Europese defensie-
    industrie eigenlijk ook een harmonisatie van de militair-operationele behoeftestelling
    nodig, die logischerwijze alle partners van het EVDB zou moeten omvatten.
Het gaat er tevens om, voor de voorwaardenscheppende rol van de WEU en EU een
bevredigende, efficiënte manier van opereren te vinden die de Europese belangen ver-
der kan helpen. De vraag is of de opheffing van de WEU en een mogelijk voortbestaan
van de WEAG daarbij een rol kunnen spelen. In de WEAG-discussies zijn opties tegen
het licht gehouden, waarvan de overname van de WEAG-activiteiten door de EU en een
zelfstandig voortbestaan van de WEAG, tot de meest prominente behoren.95
94 Duitsland lijkt de discussies met het Verenigd Koninkrijk niet teveel op de spits te willen drijven. De
    Franse regering lijkt onzeker of zijn huidige militair-industriële beleid in overeenstemming is te brengen
    met een grotere invloed van Europese mededingingsregels.
95 Andere denkbare opties zijn onderbrenging van de WEAG binnen de NAVO en de oprichting van een
    geheel nieuw bewapeningsoverleg. De laatste optie lijkt politiek onhaalbaar en zou nieuwe begroeiing in
    de bestaande ‘institutionele jungle’ veroorzaken. Een grotere rol van de NAVO in bewapeningsoverleg
    zou zeker door Frankrijk worden gedwarsboomd.
                                                         53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Voordat kan worden gesproken over opname van de WEAG/WEAO - en te zijner tijd een
European Armament Agency (EAA) - in de EU zou allereerst de kwestie van het uiteenlo-
pend lidmaatschap moeten worden opgelost.96 Verder zou een benadering moeten
worden gevonden voor de spanningen die op militair-industrieel gebied bestaan tussen
de eerste en tweede pijler. In dit verband zou vooral de locatie van een European Arma-
ments Agency binnen de EU op grote problemen kunnen stuiten. Het onderbrengen van
de WEAO/EAA in de eerste pijler vergt een besluit van een nieuwe Intergouvernemente-
le Conferentie (IGC). Gezien de toch al zwaar beladen agenda van de volgende IGC, die
in 2004 plaatsvindt, is het onwaarschijnlijk dat het voorzitterschap zich daarvoor zal
inzetten, zo de lidstaten opname van de WEAO/EAA in de eerste pijler van de EU al
wenselijk vinden. Het alternatief, opname van de WEAO/EAA in de tweede pijler stuit
ook op problemen. Hoe kan bijvoorbeeld de rechtspersoonlijkheid van de WEAO/EAA
worden gecombineerd met de status die de tweede pijler in het Verdrag van Amster-
dam heeft gekregen? Het is te verwachten dat de Commissie - als hoeder van de inter-
ne markt - zich zal verzetten tegen geheel nieuwe bevoegdheden op een afgeschermde
deelmarkt in de tweede pijler.
Gezien de hiervoor geschetste problemen, zou een gemengde communautair-intergou-
vernementele benadering de voorkeur verdienen: besluiten over de algemene doelstel-
lingen en brede strategieën behoren tot de tweede pijler; de Commissie kan worden
belast met de uitvoering (regelgeving en voorwaardenscheppend beleid) en zou zo het
takenpakket van de WEAO kunnen voortzetten. Zo’n benadering kan weliswaar bevredi-
gend werken in EU-kader, maar kent talloze politieke gevoeligheden, behoeft een IGC-
besluit en kan problemen oproepen met de niet-EU leden van de WEAG, zoals Turkije.
Door de WEAG/WEAO voorshands een zelfstandige status te laten behouden, worden
deze problemen omzeild. Bovendien zou de WEAG - omdat deze meer leden telt - een
bredere grondslag bieden voor de transatlantische dialoog. Wel is het dan noodzakelijk
dat enig juridisch raamwerk van de WEU intact blijft en zou een oplossing moeten wor-
den gevonden voor de administratieve ondersteuning van de WEAG/WEAO die op het
moment nog door de WEU wordt verzorgd. Behoud van een zelfstandige status van de
WEAG/WEAO mag een groeiende rol van de EU op militair-industrieel terrein echter niet
in de weg staan.
Alles afwegende komt de AIV tot de slotsom dat de opties voor een toekomst van het
WEU-materieelsamenwerkingsoverleg binnen de Europese Unie moeilijk zijn uit te voe-
ren. Eerder in dit advies is geconcludeerd dat de resultaten van het WEAG-overleg tot
op heden niet indrukwekkend zijn. Met het oog daarop lijkt het aan te bevelen de
WEAG/WEAO voorlopig zelfstandig te laten voortbestaan en diens bestaandsrecht bij
opheffing van de WEU allereerst zelf te laten bewijzen.
96 Sommige EU-lidstaten, waaronder Nederland, hebben gesteld dat de OCCAR-structuur zou kunnen uit-
   groeien tot een centraal EU-breed verwervingsagentschap. Hoewel OCCAR een pragmatische opzet
   heeft, zou enige vorm van institutionalisering toch onvermijdelijk leiden tot problemen die zich laten ver-
   gelijken met de hier besproken WEAO/EAA-problematiek.
                                                     54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>V         Beleidsimplicaties voor Nederland
-Hoe beoordeelt de AIV de verschillen tussen de grote en kleine landen?
-Heeft Nederland te winnen bij een uitgesproken Europese of transatlantische koers?
-Concurrentiekracht en een hoog technologisch niveau vereisen industriële krachten-
bundeling die op zichzelf weer een bedreiging voor de concurrentieverhoudingen kan
betekenen. Hoe kunnen overheden dit voorkomen en bijdragen aan optimale verhoudin-
gen?
-Wat is de visie van de AIV op de betekenis van artikel 223/296 EG?
In de adviesaanvraag wordt gesteld dat nationale militaire en industriële belangen de
afgelopen jaren een zeer dominante factor in het defensiematerieelbeleid zijn gebleven.
Naar het oordeel van de regering vormen die belangen vaak een struikelblok in het
streven naar opening van een Europese defensiematerieelmarkt en naar gezamenlijke
ontwikkeling, productie en verwerving van materieel. Vervolgens stelt de regering vast
dat in Nederland uitdrukkelijk de bereidheid bestaat ‘de nationale industriële belangen
minder te laten prevaleren, mits ook andere landen actief streven naar een zo open
mogelijke defensiematerieelmarkt’.97 Deze bereidheid weerspiegelt de spanning tus-
sen de wens in een sterk concurrerende markt het beste materieel voor de laagst
mogelijke prijs te verkrijgen en de behoefte de Nederlandse defensie-industrie in de
bestaande defensiemarkt bescherming te bieden, zolang andere landen dat ook doen.
In Nederland leidt deze spanning uiteindelijk tot een betrekkelijk terughoudende opstel-
ling ten aanzien van defensiebedrijven. De regering ondersteunt de ontwikkeling van
militair materieel, maar het uitgangspunt is dat de industrie er zelf voor moet zorgen
voldoende concurrentiekracht te houden en opdrachten binnen te halen. De overheid
heeft zich verder tot taak gesteld in de Nederlandse defensiemarkt open marktverhou-
dingen te bevorderen. De goedkeuring van de overheid om in 1990 Hollandse Signaal
Apparaten (HSA) te laten overnemen door het Franse Thomson-CSF duidt erop dat de
regering openstaat voor internationalisering. Een dergelijke open opstelling heeft overi-
gens niet verhinderd dat Nederland compensatie nastreeft voor in het buitenland
geplaatste defensie-orders.
De vraag is nu hoe deze open opstelling zich verhoudt tot de ontwikkelingen die hiervoor
zijn beschreven. De ‘secularisering’ van de defensie-sector heeft onmiskenbaar overal in
Europa geleid tot zakelijker verhoudingen tussen overheden en defensie-industrie. Tege-
lijk heeft zij voor een krachtenbundeling in grote Europese en Amerikaanse defensie-
conglomeraten gezorgd, die aan Nederland grotendeels voorbij is gegaan. Ook lijken de
betrokken overheden weinig aanstalten te maken met het openbreken van de defensie-
markt om de gebundelde industriële krachten de vrije loop te laten. Tegen deze achter-
grond zal Nederland een keuze moeten maken tussen twee in wezen strijdige belangen:
a) het belang de handen zo vrij mogelijk te houden, materieel in te kopen bij de beste
     producent met gunstige compensatie-orders (een ‘pick-and-choose’ beleid);
b) het belang om op de langere termijn via een gemeenschappelijk beleid wellicht
     grotere efficiëntie te bereiken.
Een verantwoorde afweging tussen deze twee belangen kan niet worden gemaakt zon-
der enig inzicht in de omvang en het karakter van de Nederlandse defensie-industrie en
de specifieke industriële belangen die daaruit voortvloeien.
97 Zie de adviesaanvraag, p. 4.
                                             55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>V.1      De Nederlandse defensiesector
De rol van de overheid
In 1999 besteedde het ministerie van Defensie circa 3 miljard gulden aan materieel en
uitrusting. Daarnaast werd bijna 500 miljoen gulden uitgegeven aan militaire infrastruc-
tuur.98 De omvang van de Nederlandse verwerving nam met iets meer dan één pro-
cent van de materieelbestedingen van de OESO-landen internationaal een bescheiden
plaats in. Nederlandse uitgaven worden bovendien sterk gekleurd door een klein aantal
omvangrijke orders, waardoor jaarlijks grote schommelingen plaatsvinden.99
Het uitgangspunt van het ministerie van Defensie bij zijn aankoopbeleid is ‘de beste
waar voor de beste prijs’. Een dergelijk uitgangspunt verheelt niet dat het inkoopgedrag
van de Nederlandse overheid zeer op de nationale industrie is gericht: in 1999 is 70
procent van de waarde van alle defensie-opdrachten terecht gekomen bij Nederlandse
bedrijven.100 Circa 30 procent van de waarde van de defensie-opdrachten is gegund
aan buitenlandse firma’s, vooral uit de Verenigde Staten.
Een schets van de Nederlandse defensie-industrie
Omvang
De omvang en samenstelling van de Nederlandse defensie-industrie zijn van dien aard
dat Nederland niet meer dan een bescheiden rol kan spelen in de ontwikkelingen op de
Europese en mondiale defensiemarkten. Aan een rapport uit december 1998 over de
Nederlandse ‘defensiegerelateerde industrie’, dat het advieskantoor PriceWaterhouse-
Coopers (PWC) in opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft opgesteld,
kan worden ontleend dat de totale omzet van de Nederlandse defensie-industrie in
1997 circa 3,4 miljard gulden bedroeg. In deze industriële sector werkten bijna 10.000
mensen. Er werd voor 1,9 miljard gulden aan defensiegerelateerde producten geëxpor-
teerd (55,8 procent van de omzet), vooral in de vliegtuigbouw en communicatie-, com-
mando- en besturingssector. Uit het onderzoek van PWC blijkt verder dat de Nederland-
se defensie-industrie vooral als afgeleide moet worden gezien van civiele industriële
activiteiten. In 1997 maakte de militaire omzet van de bedrijven die tot de Nederlandse
defensie-industrie worden gerekend, slechts 6,4 procent uit van hun totale omzet. De
militaire export bedroeg 10,6 procent van hun totale export en het aantal ‘militaire’
werknemers kwam op 8,2 procent van hun totale werknemersbestand. Op basis van
dergelijke verhoudingen moet worden verondersteld dat de Nederlandse defensiegere-
lateerde bedrijven doorgaans minder dan 10 procent van hun activiteiten laten bepalen
98   Directoraat-Generaal Materieel (ministerie van Defensie), ‘Jaaroverzicht materieelbeleid 1999’, Den
     Haag 2000, p. 9. De materiële uitgaven van het ministerie van Defensie bedroegen in 1999 circa 6,6
     miljard gulden. Daarvan werd 3,2 miljard gulden uitgegeven aan materiële exploitatie en 3,4 miljard gul-
     den aan investeringsuitgaven. In de investeringsuitgaven zijn ook de uitgaven voor bouw en infrastruc-
     tuur begrepen. Deze bedroegen in 1999 472,5 miljoen gulden. De investeringsquote (de investeringsuit-
     gaven als percentage van de algehele defensie-uitgaven) lag in 1999 op 22,5 procent. Dat is beduidend
     lager dan de 28 tot 30 procent die in de Prioriteitennota van 1993 als minimum is gehanteerd. Zie voor
     een beschouwing dienaangaande: AIV, ‘Ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie’, p. 41.
99   PriceWaterhouseCoopers, De Nederlandse defensiegerelateerde industrie, (onderzoek in opdracht van
     het ministerie van Defensie), december 1998.
100 Directoraat-Generaal Materieel, ‘Jaaroverzicht materieelbeleid 1999’, p. 25.
                                                     56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>door militaire werkzaamheden.101 Hoewel geen betrouwbare cijfers beschikbaar zijn,
ligt het verder voor de hand dat ook de militaire R&T-activiteiten van de Nederlandse
defensiegerelateerde industrie beperkt zijn. Volgens sommige analisten is er sprake
van slechts één Nederlandse ‘zelfscheppende’ defensiefirma: Hollandse Signaal Appa-
raten (HSA/Thales Nederland). Buiten dit bedrijf zijn er blijkbaar geen Nederlandse
bedrijven die zelf een substantieel deel van hun inkomsten aan de ontwikkeling van
militaire technologie besteden. Dat heeft ook gevolgen voor de internationale statuur
van de betreffende Nederlandse bedrijven. Als zij niet zelf investeren in de verdere ont-
wikkeling van hun militaire producten, kunnen zij moeilijk een leidende rol spelen in het
internationale militair-industriële krachtenveld.
Samenstelling
Volgens PriceWaterhouseCoopers kan de Nederlandse defensiegerelateerde industrie
worden verdeeld in drie groepen:
1) 5 betrekkelijk grote export-georiënteerde bedrijven die 60 procent van de totale
    omzet van de Nederlandse defensie-industrie bepalen: Koninklijke Schelde Groep
    (KSG), RDM Technology, Fokker Aviation (Stork Aerospace Group), HSA/Thales
    Nederland en Ballast Nedam.102
2) 55 kleinere export-georiënteerde bedrijven die 22 procent van de totale omzet van
    de Nederlandse defensie-industrie bepalen.
3) 87 bedrijven die niet op militaire export gericht zijn en de resterende 18 procent van
    de totale omzet van de Nederlandse defensie-industrie bepalen.
Alleen de grote bedrijven die zich met de productie van landmachtsystemen en marine-
scheepsbouw bezig houden, RDM, KSG en Stork – die alledrie vooral voor de Neder-
landse markt produceren - leggen zich deels toe op de bouw van militaire platforms. De
rest van de Nederlandse defensie-industrie legt zich toe op de productie van onderde-
len, componenten en subsystemen. Zij fungeren als toeleveranciers (‘subcontractors’).
Niet alleen de uiteenlopende omvang van de Nederlandse defensiegerelateerde bedrij-
ven, maar ook de verschillende sectoren waarbinnen zij opereren en hun historisch
gegroeide structuren, maken dat de Nederlandse defensiebedrijven uiteenlopende
belangen hebben als het om marktwerking gaat. HSA/Thales Nederland is bijvoorbeeld
onderdeel van Thomson-CSF (Thales) en is daarmee goed ingebed in bredere Europese
structuren. Stork lijkt daarentegen veel meer afhankelijk van nationaal defensiebeleid
(verwerving, compensatie). Binnen de sectoren van de militaire informatisering en tele-
communicatie is tegenwoordig nauwelijks meer sprake van nationale grenzen, terwijl de
marinescheepsbouw zelfs nog geen begin heeft gemaakt met een noodzakelijke her-
structurering en vooral regionale belangen (werkgelegenheid) dient. Het is dan ook niet
verwonderlijk dat de ‘secularisering’ van de defensie-sector en het daaruit voortvloeien-
de Europese concentratieproces binnen de Nederlandse defensie-industrie verschillend
worden beoordeeld. Sommige bedrijven gaan er vanuit dat toeleveranciers daardoor
nieuwe kansen zullen krijgen. Het zou daarbij kunnen gaan om niet al te grote opdrach-
ten voor excellerende bedrijven in niches van de defensiemarkt. Andere bedrijven zijn
pessimistischer. Zij constateren dat de concentratie in de Europese defensie-industrie
zich vooral afspeelt binnen het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Italië - tot op
101 In het licht hiervan zou het eigenlijk onzuiver zijn om van ‘defensie-industrie’ te spreken. De term
      ‘defensiegerelateerde industrie’ is meer op zijn plaats. Voor de duidelijkheid en coherentie in dit
      advies is er niettemin voor gekozen deze onzuivere benaming te handhaven.
102 De vermelding van het laatste bedrijf (op basis van bouwactiviteiten in het Midden-Oosten) wijst erop
      dat PWC wel een ruime definitie heeft gehanteerd van ‘defensiegerelateerde industrie’.
                                                      57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>zekere hoogte ook Zweden en Spanje - en vrezen dat de grote ‘systems integrators’ en
‘platform builders’ in deze landen niet zullen stilstaan bij de vraag hoe toeleveranciers
uit andere landen daarbij kunnen worden betrokken.
V.2       Nederland en de Europese defensie-industrie
Waar ligt het Nederlandse belang?
Als er op militair-industrieel gebied al sprake is van een onderscheid tussen ‘grote’ en
‘kleine’ landen, dan loopt een dergelijk onderscheid niet gelijk aan de lijnen die in
december 2000 tijdens de Europese Raad van Nice zijn getrokken. Op basis van zijn
militair-industriële capaciteit moet bijvoorbeeld Zweden tot de grote landen worden
gerekend, terwijl Nederland met uitzondering van HSA/Thales Nederland en de marine-
scheepsbouw nauwelijks beschikt over een ‘zelfscheppende’ defensie-industrie en dus
onmiskenbaar tot de kleine landen behoort. Het verschil tussen ‘groot’ en ‘klein’ is in
de context van de adviesaanvraag relevant, aangezien er in de Europese defensiesector
een duidelijke tweedeling bestaat tussen grote, zelfscheppende defensie-bedrijven en
kleine toeleverende bedrijven; een tweedeling, waardoor de belangenafweging van sta-
ten verschillend uitvalt.
Getuige de discussies in het kader van de ‘Letter of Intent’, lijken de ‘grote’ landen er
vooral naar te streven via beperkte internationale samenwerking hun grip op de nationa-
le defensie-industrie te herwinnen op het proces van internationalisering. Het is niet
vanzelfsprekend dat deze internationale samenwerking gepaard gaat met een liberalise-
ring van de Europese defensiemarkt. Bij de ‘systems integrators’ en ‘platform builders’
is per definitie sprake van een zeer gebrekkige marktwerking, die ook na een eventuele
openstelling van de markt verstoringen kent en - vanwege de omvangrijke financiële en
werkgelegenheidsbelangen - geen transparante, vrije markt kan worden. De grote Euro-
pese defensiefirma’s werken in een omgeving met een zeer beperkt aantal aanbieders
dat na torenhoge investeringen geïntegreerde, technologisch hoogwaardige systemen
kan leveren aan een beperkt aantal afnemers (koopkrachtige overheden). De bij de
‘systems integrators’ en grote ‘platform builders’ betrokken Europese overheden (Ver-
enigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Zweden) hebben zich vanwege
de bedrijfsrisico’s nooit een warm voorstander getoond van een grote marktwerking.
De belangen van de ‘kleine’ Europese landen richten zich op de handhaving van een
gespecialiseerde defensie-industrie, een leidinggevende rol in specifieke technologieën,
dominantie in niche-markten en behoud van (beperkte) werkgelegenheid. In dit verband
koesteren de ‘kleine’ landen hun transatlantische banden en knopen zij ook talrijke
relaties aan met Amerikaanse bedrijven om de afzet van componenten en subsystemen
zeker te stellen, om Amerikaans materieel in licentie te produceren of om als agent-
schap voor een Amerikaans bedrijf te fungeren. Maar tegelijk is er door de versterking
van Europese defensiesamenwerking een toenemende politieke druk ontstaan om meer
Europees samen te werken. In het bijzonder voor de marinescheepsbouw in Nederland
is een dergelijke samenwerking zeker noodzakelijk om te kunnen overleven.
De problematiek van de toeleveranciers is een geheel andere dan die van de ‘systems
integrators’ en ‘platform builders’. Bij toeleveranciers is namelijk wel sprake van een
groot aantal aanbieders en een relatief groot aantal afnemers; een aantal dat overigens
steeds groter lijkt te worden. De ‘systems integrators’ in de grote landen concentreren
zich namelijk steeds meer op hun overkoepelende (integrerende) taken, terwijl de pro-
ductie van subsystemen en componenten uitwaaiert over ‘subcontractors’, waaronder
ook die in de ‘kleine’ Europese landen. Het is wenselijk deze uitwaaiering te bevorde-
ren en geografisch zodanig over Europa te spreiden dat de industrieën in ‘kleine’
                                              58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>landen een gerede kans maken op deelname aan grote projecten. Gezien de grote
getalsmatige omvang van vraag en aanbod zou het openbreken van de markt bij toele-
veranciers eerder leiden tot marktwerking dan bij ‘systems integrators’en ‘platform buil-
ders’; ook zijn de politieke gevoeligheden veel geringer. Gelet op de overwegende aan-
wezigheid van toeleveranciers in de Nederlandse defensie-industrie, ligt er een
Nederlands belang bij een transparanter en opener Europese markt voor ‘subcontrac-
tors’. Marktwerking maakt het voor Nederlandse bedrijven gemakkelijker om Europees
te concurreren.
Nederland en artikel 223/296 EG
Een analyse van de problematiek rond artikel 223/296 EG heeft in hoofdstuk IV van dit
advies plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat de Europese Commissie en de EU-
lidstaten al geruime tijd onenigheid hebben over de vraag wat de grenzen zijn van de
‘wezenlijke veiligheidsbelangen’ van de lidstaten, die de Europese defensie-industrieën
vrijwaren van marktwerking en hoever de bevoegdheden van de Commissie reiken om
de gemeenschappelijke markt te bewaken. Nederland heeft zich steeds voorstander
getoond van zoveel mogelijk openheid van de Europese defensiemarkt, omdat daarmee
de concurrentiepositie van de Nederlandse defensie-industrie zou zijn gediend. In de
aanloop naar het Verdrag van Maastricht heeft Nederland zelfs tevergeefs getracht arti-
kel 223/296 EG geheel afgeschaft te krijgen. Door tegenwerpingen van de ‘grote’ lan-
den en de hoge drempel voor een dergelijke stap (verdragswijziging), is het initiatief
destijds niet van de grond gekomen.
In het licht van de onoverkomelijke politieke problemen die blijkbaar gepaard gaan met
de opheffing of amendering van artikel 223/296 EG, pleit de AIV ervoor niet meer te
wrikken aan de EG-verdragstekst, maar vooralsnog juist toe te zien op een consequente,
strikte en uniforme toepassing van artikel 223/296 EG. Zo’n benadering schept duide-
lijkheid, voorspelbaarheid en openheid in de Europese omgeving waarin de Nederlandse
defensie-industrie opereert. Een uniforme toepassing vereist dat men in EU-verband
nadere afspraken maakt over de afbakening en het toepassingsgebied van artikel
223/296. Bijvoorbeeld ook in Frankrijk wordt thans gedacht langs deze lijnen.103 De AIV
beveelt dan ook aan dat Nederland op dit terrein toenadering zoekt tot andere geïnteres-
seerde partners. Tevens dient het een duidelijke scheiding te bepleiten tussen enerzijds
geïntegreerde militaire systemen en platforms, die zouden kunnen worden beschouwd
als ‘wezenlijk nationaal veiligheidsbelang’ en van marktwerking worden uitgezonderd, en
anderzijds subsystemen, componenten en diensten van toeleveranciers, waarvoor de
markt dient te worden opengebroken en waarop Titel VI EG (regels betreffende mede-
dinging) en artikel 130/157 EG (industriebeleid) van toepassing kunnen worden
verklaard.104 Naar het oordeel van de AIV is het in het belang van zowel ‘systems
103 Ook in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland beraadt men zich over een meer consequente toepassing
      van artikel 223/296 EG, zij het minder geprononceerd dan in Frankrijk. Een suggestie die de AIV in
      het Verenigd Koninkrijk opdeed, was de ‘omkering van de bewijslast’ bij de toepassing van het ‘wezen-
      lijke veiligheidsbelang’ van militair-industriële sectoren. Dat zou impliceren dat staten allereerst het
      ‘wezenlijke veiligheidsbelang’ van deze sectoren zouden moeten aantonen, alvorens zij artikel
      223/296 zouden kunnen inroepen. Het is de AIV onduidelijk hoe dit zou moeten worden getoetst.
104 Benadrukt moet worden dat de Europese mededingingsregels niet uitsluiten dat overheden in bepaal-
      de gevallen steun kunnen blijven verlenen aan toeleveranciers van militaire componenten en subsyste-
      men. De Commissie keurt bijvoorbeeld overheidssteun aan bedrijven goed die opereren in een markt
      waarin vrijwel geen aanbieders zijn en aan de winstgevendheid van een product kan worden getwijfeld.
      Ierse overheidssteun voor de verbindingen van Aer Lingus tussen Dublin en Straatsburg/Brussel is bij-
      voorbeeld om die reden door de Commissie toelaatbaar geacht.
                                                         59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>integrators’ en ‘platform builders’ als van ‘subcontractors’ dat in de toeleveringsmarkt
open concurrentie wordt geïntroduceerd. Door de daaruit resulterende open concurren-
tie zal het prijsniveau van subsystemen en componenten in de hand worden gehouden
en zullen de ‘subcontractors’ op grotere markten kunnen opereren.
Marktwerking op ‘subcontractor’-niveau vereist eerst en vooral een transparante omge-
ving. Daarom zou een nadere uitleg van artikel 223/296 EG gepaard moeten gaan met
geregelde publicatie van ‘tenders’ voor militaire subsystemen en componenten in een
Europees bulletin. Het Amerikaanse ‘Commerce and Business Daily’ en het Britse ‘Def-
ence Bulletin’ kunnen daarbij als voorbeeld worden genomen. Binnen de WEAG zijn op
dit gebied overigens al afspraken gemaakt. Zo wordt de behoefte aan militair materieel
en diensten van de WEAG-lidstaten gepubliceerd in het ‘WEAG Contracts Bulletin for
Military Requirements’.105 De AIV benadrukt het belang van deze praktijk en beveelt
een geregelde publicatie aan van ‘tenders’ voor militaire subsystemen en componenten.
Nederland en OCCAR
De AIV constateert dat de uitgangspunten van OCCAR zijn toegespitst op de belangen
van grote defensie-industrieën, maar niet op die van toeleverende defensiebedrijven.
OCCAR richt zich vooral op de relatie tussen die grote bedrijven en overheden, terwijl
Nederlandse defensiebedrijven het juist moeten hebben van structurering van de
betrekkingen tussen hoofdcontractanten en toeleveranciers. Ook de staatssecretaris
van Defensie onderkent dat probleem. In een brief aan de Tweede Kamer van 3 juni
1999 schrijft hij ‘dat de Nederlandse defensie-industrie door toetreding tot OCCAR
potentieel een grotere markt krijgt. Daar tegenover staat dat de garantie van evenredige
deelneming per project vervalt. Dit weegt voor Nederland zwaarder dan voor de andere
OCCAR-landen, daar de mogelijkheden om op korte termijn een ‘global balance’ te
bereiken kleiner zullen zijn’.106 De staatssecretaris van Defensie geeft elders aan dat
de voordelen van het Nederlandse OCCAR-lidmaatschap vooral liggen bij verbeterd pro-
jectmanagement. Getuige de verslagen van de kamerdebatten over het Nederlandse
OCCAR-lidmaatschap, plaatst het parlement daarentegen grote vraagtekens bij de aan-
schaf van materieel via OCCAR.107
De AIV stelt vast dat de uitgangspunten van OCCAR, vanuit projectbeheer beschouwd,
stellig voordelen hebben. Door nieuwe projecten bij OCCAR onder te brengen, wordt
voorkomen dat voor de projectorganisatie steeds opnieuw het wiel moet worden uitge-
vonden. Ook de ‘global balance’-werkwijze van OCCAR kan adequaat functioneren, mits
strikt de hand wordt gehouden aan een uiteindelijk redelijke uitruil tussen de afname
van materieel via OCCAR en industriële deelname aan programma’s.108 De AIV bena-
105 Overigens worden niet alle militaire behoeftes gepubliceerd in dit bulletin. Marineschepen zijn er van
      uitgezonderd.
106 Kamerstuk 26 636, nr. 1.
107 Kamerstuk 26 396, nr. 7.
108 In haar traditionele vorm wordt de ‘juste retour’ per jaar en per programma berekend. Met het ‘global
      balance’-uitgangspunt wordt juist rekening gehouden met een balans die is verspreid over meerdere
      jaren en over meerdere projecten. Zodoende wordt eenwerkverdeling tussen de OCCAR-partners
      bereikt aan de hand van brede economische criteria en niet zozeer op basis van enge jaarlijkse ‘natio-
      naliteitscriteria’.
                                                    60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>drukt dat de redelijkheid van die uitruil zich ook dient te vertalen in het technologische
niveau waarop de ‘global balance’ wordt afgerekend. Wel constateert de AIV dat
OCCAR zijn uitgangspunten pas werkelijk goed kan invullen als wordt voldaan aan vier
voorwaarden:
5) OCCAR dient een groot aantal projecten te beheren.
6) Binnen OCCAR zullen duidelijke afspraken gemaakt moeten worden met betrekking
    tot de toeleveringsgaranties (‘security of supply’).
7) Landen dienen de timing van hun materieelverwerving zoveel mogelijk op elkaar af
    te stemmen.
8) De OCCAR-lidstaten dienen de vereisten voor via OCCAR te verkrijgen materieel op
    elkaar af te stemmen.
De hierboven genoemde voorwaarden stellen hoge eisen aan de OCCAR-lidstaten en
zullen niet op korte termijn te verwezenlijken zijn. De praktijk zal moeten uitwijzen of
een OCCAR-lidmaatschap aan de Nederlandse verwachtingen beantwoordt, wat mede
afhankelijk is van de vraag of andere lidstaten bereid zijn de belangen van de toeleve-
rende defensie-industrie te behartigen. Thans is daaromtrent nog geen zekerheid te
verkrijgen. Anderzijds is Nederland na toetreding tot OCCAR niet verplicht aan verdere
OCCAR-projecten deel te nemen als het daar geen belang bij heeft. Wel veronderstelt
de AIV dat Nederlandse participatie in het Letter of Intent-initiatief (zie hieronder) moei-
lijk te verwezenlijken zal zijn als Nederland niet ook deelneemt aan OCCAR; dit
ondanks het feit dat beide initiatieven formeel los van elkaar staan.
Nederland en de Letter of Intent/Framework Agreement
De AIV constateert dat de discussies in LoI-verband de kern raken van de spanning die
in de loop van de jaren negentig is ontstaan tussen een blijvend restrictief nationaal
militair-industreel beleid van Europese overheden en de industriële praktijk van toene-
mende transnationale samenwerking. Tegelijk vraagt de AIV zich af of discussies hier-
over uitsluitend in een afgeschermde groep van zes landen moeten worden gevoerd.
Het is natuurlijk een belangrijk gegeven dat de defensie-industrieën in de LoI-landen
bijna 90 procent van de totale militair-industriële omzet van de EU-lidstaten voor hun
rekening nemen; ook getuigt het van een zeker pragmatisme om allereerst onder juist
deze landen overeenstemming te bereiken. Maar dat laat onverlet dat Europese landen
met kleinere industrieën evenzeer belang hebben bij de afspraken over de zes aan-
dachtsgebieden die de LoI wil bestrijken. Kennelijk proberen de LoI-staten met een klei-
ne groep landen te bereiken wat men met vijftien EU-lidstaten politiek onwenselijk of
onwerkbaar acht.
De AIV acht het principieel onwenselijk dat de LoI-staten een scheiding aanbrengen tus-
sen hun eigen militair-industriële belangen en die van de andere EU-lidstaten. De grens-
overschrijdende samenwerking in de militair-industriële sector heeft betrekking op de
defensie-industrieën van alle staten van de Europese Unie en beperkt zich niet tot ‘sys-
tems integrators’ en ‘platform builders’ onderling. Het gaat ook om de verhouding tus-
sen grote defensie-industrieën en toeleverende bedrijven, bijvoorbeeld waar het gaat
om het slechten van de onderlinge douanetarieven en ‘security of supply’. Op termijn
kan een tweedeling in afspraken leiden tot een verwijdering tussen LoI-staten en de
overige EU-lidstaten. Het slechtst denkbare scenario is als de overige Europese landen
het gevoel krijgen een uitonderhandeld LoI-pakket opgelegd te krijgen. Uiteindelijk zou
zo’n verwijdering de industriële belangen (afzet, toelevering) van de LoI-staten zelf
schade toebrengen. Ook moet worden benadrukt dat een afgescheiden LoI-markt voor
                                              61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>defensiematerieel zich op geen enkele wijze laat verenigen met het gedachtegoed ach-
ter een gemeenschappelijke Europese markt.109
In het licht van het hiervoorgaande en gezien de onmiskenbare politieke impasse rond
het Bangemann-rapport, bepleit de AIV zo spoedig mogelijke toetreding van andere
Europese landen tot de LoI, te beginnen met Nederland en België, ook in verband met
hun betrokkenheid bij OCCAR-projecten. Ook acht de AIV het gewenst dat de LoI-landen
de overige EU-lidstaten via POLARM tijdig en nauwgezet informeren over de vorderingen
binnen de LoI en deze consulteren over de verdere ontwikkeling van het LoI-initiatief.
Zoals gezegd, meent de AIV dat een presentatie van een afgerond en uitonderhandeld
pakket LoI-maatregelen aan de overige EU-lidstaten onvermijdelijk tot grote politieke
weerstand zal leiden. In dit verband wil de AIV ook onder de aandacht brengen dat
defensiegerelateerde onderwerpen op de Europese Raad van Nice helaas zijn uitgeslo-
ten van enigerlei vorm van versterkte Europese samenwerking (‘coopération renforcée’)
van een kleinere groep lidstaten.110
Bij een Nederlands lidmaatschap van de LoI-groep komt ook het wapenexportbeleid
aan de orde. Het Nederlandse beleid kent noch ‘witte lijsten’ noch ‘global licences’.
Anderzijds hanteert Nederland de ondertekening van het VN-Wapenregister als een
afwegingspunt voor wapenexport, wat weer geen onderdeel is van de LoI-praktijk.111
Een bijkomend punt van aandacht betreft de rol van de EU ‘Code of Conduct’ voor de
wapenexport, die integraal onderdeel uitmaakt van het Nederlandse beleid. Het ‘Fra-
mework Agreement’ verwijst weliswaar in algemene zin naar deze gedragscode, maar
laat de specifieke criteria van de Code of Conduct onbesproken. LoI-lidstaten als Duits-
land en Zweden, die ook een strikt wapenexportbeleid voeren, bevinden zich in een ver-
gelijkbare situatie. Samen met deze lidstaten zullen oplossingen moeten worden gevon-
den die voor de Nederlandse politiek aanvaardbaar zijn.
Een aanpassing van het Nederlandse compensatiebeleid
Het Nederlandse compensatiebeleid vindt zijn oorsprong in het gebrek aan marktwer-
king voor de Nederlandse defensie-industrie. Indien en voor zover vooruitgang wordt
geboekt bij de hiervoor behandelde onderwerpen (een strikte toepassing van artikel
223/296 EG-Verdrag, een meer open markt en verbreding van het lidmaatschap van de
LoI/Framework Agreement), zal langzamerhand van het compensatiebeleid afstand kun-
nen worden genomen. Het is niet te verwachten dat dit beleid geheel op de helling zal
komen te staan, al was het maar omdat ook de transatlantische militair-industriële ver-
houdingen niet aan marktwerking onderworpen zijn. Overigens zou het volledig afschaf-
fen van compensatie naar alle waarschijnlijkheid niet direct leiden tot kostenreductie,
109 Dit geldt te meer waar - zoals eerder in dit advies geconstateerd - een steeds belangrijker gedeelte
      van militair componenten en subsystemen ‘dual use’-goederen betreft, waarop het EU-mededingings-
      beleid volledig van toepassing behoort te zijn.
110 In het Verdrag van Nice (artikel 27B) is het volgende bepaald: ‘De nauwere samenwerking … heeft
      betrekking op de uitvoering van een gemeenschappelijk optreden of een gemeenschappelijk stand-
      punt. Zij kan geen betrekking hebben op vraagstukken die gevolgen hebben op militair of defensiege-
      bied.’ Overigens staat het de EU-lidstaten vrij toe te treden tot een ‘coopération renforcée’ zo zij dit
      zelf wensen en aan de voorwaarden voldoen; daarvan is bij de LoI geen sprake.
111 Zie ook: Adviesraad Internationale Vraagstukken, ‘Conventionele wapenbeheersing: dringende nood-
      zaak, beperkte middelen’, alwaar de suggestie voor dit afwegingspunt is gedaan.
                                                       62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>althans niet zolang andere landen gebruik blijven maken van een dergelijke industriële
verplichting. Wel is het naar de mening van de AIV noodzakelijk dat de Nederlandse
defensie-industrie kan blijven rekenen op de steun van de overheid, doch op een ande-
re wijze dan tot nog toe het geval is. De Nederlandse overheid dient op te treden - voor
zover het de ministeries van Defensie en Economische Zaken betreft - als een open,
consistente en betrouwbare partner van de Nederlandse defensie-industrie die de posi-
tie van toeleveranciers helpt versterken ten opzichte van Europese en Amerikaanse
‘systems integrators’ en ‘platform builders’. De AIV adviseert de regering in dit opzicht
onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een meer coherente benadering van de
militaire export (door bijvoorbeeld de oprichting van één overheidsloket waar alle infor-
matie voorhanden is) en een grotere nadruk op participatie-afspraken. Die kunnen
mogelijk worden afgedwongen met compensatie-afspraken bij materieelverwerving in
andere trajecten. Ook zou het ministerie van Defensie nader kunnen bezien in hoeverre
functioneel gespecificeerde verwerving kan worden geïntroduceerd in plaats van het
bestaande technisch gespecificeerde beleid. Daarbij zou lering kunnen worden getrok-
ken van de Britse praktijk van ‘Cardinal Points Specification’. Door de vereisten voor
militair materieel alleen op functionele hoofdpunten vast te stellen, wordt vermeden dat
defensie-opdrachten naar specifieke producenten worden ‘toegeschreven’. Bedrijven
hoeven zich bovendien niet te committeren aan specifieke, vaak te dure, technologieën
die wellicht vervangen kunnen worden door goedkopere (commerciële) alternatieven.
Het Nederlandse verwervingsbeleid: het beste materieel voor de beste prijs
Vanwege aanzienlijke kostenoverschrijdingen bij materieelontwikkeling in de jaren tach-
tig112 is in de Defensienota 1991 gekozen voor een verwervingsbeleid, waarbij de
aanschaf ‘van de plank’113 centraal stond (uiteraard met de bijbehorende compensa-
tie). Volgens de Defensienota 1991 heeft een dergelijke verwerving ‘het voordeel dat
de technische en kwaliteitsrisico’s worden beperkt. Het product is immers al ontwik-
keld. Ook is de prijs bekend.’114 Het ministerie van Defensie heeft dit beleid in de eer-
ste helft van de jaren negentig in grote lijnen uitgevoerd, getuige onder meer de aan-
schaf van Apache-gevechtshelikopters. Met de recente participatie in de ontwikkeling
van het GTK/MRAV-pantservoertuig en het Fennek-verkenningsvoertuig, wordt echter
afgeweken van de gegroeide praktijk om materieel ‘van de plank’ te kopen.
De AIV tekent hierbij aan dat een dergelijke verschuiving in de verwerving – mits onder
de juiste voorwaarden – gunstig kan uitwerken. Immers, men mist met een te pragma-
tische verwerving de kans vroegtijdig te delen in de ontwikkeling van nieuwe technolo-
gie. Met dergelijke technologie is het weer mogelijk Nederlandse industriële kenniscen-
tra (‘centres of excellence’) te scheppen die adequaat op de internationale markt
kunnen blijven opereren. Daarnaast voorkomt men met deelname aan internationale
112 In het bijzonder wordt gedoeld op de ontwikkelings- en productiekosten van de Walrus-onderzeeërs
      en de Leopard I Verbeterd. Zie in algemene zin: ‘De plank: om van te kopen of om mis te slaan?’, in:
      Carré 3, 2001, pp. 20 en 21.
113 Met ‘van de plank’ aanschaffen wordt in dit advies gedoeld op de aankoop van uitontwikkeld en
      beproefd materieel. Deze definitie dient te worden onderscheiden van het gebruik van de term ‘van
      de plank’ in sommige analyses, waarin specifiek wordt verwezen naar een militaire toepassing van
      commerciële goederen.
114 Ministerie van Defensie, ‘Herstructurering en verkleining. Defensienota 1991’ De Haag 1990,
      pp. 189, 271.
                                                     63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>materieelontwikkeling dat Nederland te boek komt te staan als opportunistisch land
(‘free rider’) waarmee geen goede afspraken kunnen worden gemaakt. Soms is er ook
geen alternatief ‘van de plank’ voorhanden. Ten slotte kan het verlengen van de levens-
duur van materieel, in toenemende mate toegepast om de kosten in de hand te hou-
den, vaak alleen op basis van internationale samenwerking van de grond komen.
Niettemin dient, volgens de AIV, verwerving ‘van de plank’ in het kader van het streven
naar ‘het beste materieel voor de beste prijs’ het uitgangspunt te blijven. Naar het oor-
deel van de AIV is een verdere verschuiving van de verwerving naar internationale pro-
jecten en participatie pas gerechtvaardigd indien en naar de mate waarin de toegang
van de Nederlandse defensie-industrie tot de markt structureel wordt verbeterd en
gewaarborgd. Strikte toepassing van artikel 223/296 EG-Verdrag en gunstige ontwikke-
ling, respectievelijk verbreding van LoI/Framework Agreement zijn daarbij van groot
belang. De volgende uitgangspunten, die de AIV ontleent aan de Britse verwervings-
praktijk, verdienen alsdan met het oog op de kostenbeheersing bijzondere aandacht:
1) Bedrijven dienen zich onder concurrerende voorwaarden in te schrijven voor mate-
    rieelprogramma’s (‘Competitive tendering’).115
2) De producent moet het risico van kostenoverschrijdingen dragen (‘Fixed price con-
    tracts’). Daar staat tegenover dat, mochten bedrijven goedkoper produceren, de
    winst naar hen gaat.
3) De overheid dient in termijnen te betalen, gebaseerd op concrete voortgang in pro-
    jecten (‘Payment on progress’). Zodoende behoudt de regering controle over de
    financiering gedurende het gehele proces.
Met dergelijke uitgangspunten voorkomt de regering dat de meerkosten van materieel-
programma’s ten laste van de defensiebegroting worden gebracht. Bovendien wordt de
defensie-industrie aangemoedigd zo efficiënt mogelijk te opereren.
V.3       Nederland en de Amerikaanse defensie-industrie
De AIV heeft bij de Nederlandse defensie-industrie een zekere ambivalentie vastgesteld
over de Amerikaans-Nederlandse militair-industriële verhouding. Enerzijds wordt gecon-
stateerd dat de Amerikaanse defensie-industrie een zeer goede partner is voor het
Nederlandse bedrijfsleven. Anderzijds wordt erkend dat de Amerikaanse overheid forse
belemmeringen opwerpt die een open Nederlands-Amerikaanse samenwerking bemoei-
lijkt en, in sommige gevallen, zelfs onmogelijk maakt.
Industriële samenwerking
Als voorbeeld van de goede samenwerking met de Amerikaanse defensie-industrie
wordt vaak verwezen naar het Joint Strike Fighter-programma, waarbij Europese part-
ners, waaronder ook Nederlandse, in een vroege fase van het project voor deelname
zijn benaderd. Een dergelijke open houding zou contrasteren met de gang van zaken
rond de Eurofighter, waarbij van participatie beduidend minder sprake is, zelfs nu
Nederland is toegezegd dat het als volledige partner kan toetreden tot de Eurofighter-
projectorganisatie.116
115 Als internationale concurrentie niet mogelijk of gewenst is, kan men de prijs van nationale inschrijvin-
      gen meten aan het prijsniveau van bijvoorbeeld bestaand en vergelijkbaar buitenlands materieel
      (‘contestability’).
116 J. Janssen Lok, ‘Dutch invited to become Eurofighter partner’.
                                                    64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>De AIV wil benadrukken dat men bij het beoordelen van de transatlantische militair-
industriële betrekkingen niet in termen van ‘twee blokken’ moet denken. De transatlan-
tische industriële samenwerking is omvangrijk en blijft groeien. Niet alleen gaat het
daarbij om steeds intensievere contacten tussen grote bedrijven, zoals British Aero-
space en Boeing, maar ook om steeds nauwere banden tussen Amerikaanse ‘systems
integrators’ en Europese toeleveranciers. Boeing bijvoorbeeld heeft duizenden toeleve-
ranciers, waaronder vele Europese, waaraan tot voor kort nauwkeurig werd voorge-
schreven hoe hun onderdelen moesten worden ontwikkeld en geproduceerd. Daarin
komt nu verandering. Geïnspireerd door de decentrale structuur van Airbus, laat Boeing
zijn toeleveranciers in toenemende mate vrij in de ontwikkeling van componenten en
subsystemen. Zulk nieuw beleid leidt tot steeds hechtere relaties. In het transatlanti-
sche handelsverkeer is op toeleveringsniveau bovendien sprake van evenwicht.
Amerikaans overheidsbeleid
Zoals eerder in dit advies beschreven, heeft de Amerikaanse regering Europa lange tijd
niet beschouwd als een volwaardige partner. Blijkens het Defense Trade and Security
Initiative (DTSI) wordt in toenemende mate onderkend dat internationale samenwerking
steeds belangrijker wordt om de Amerikaanse mondiale concurrentiepositie zeker te
stellen. Anderzijds blijft een grote vrees bestaan dat Amerikaanse technologie wordt
geëxporteerd zonder dat daarna controle kan worden uitgeoefend. Die vrees geldt ook
voor de Amerikaans-Nederlandse samenwerking. Voor de Nederlandse industriële deel-
name aan het JSF-programma was daarom veel diplomatieke massage nodig. Eenmaal
overtuigd van de voordelen van Amerikaans-Nederlandse samenwerking, bleek het ver-
volgens wel weer gemakkelijk om een ‘virtuele transatlantische onderneming’ op te zet-
ten, waarin thans zeven Nederlandse bedrijven participeren.
Dat Nederland in de Verenigde Staten wordt beschouwd als een betrouwbare militair-
industriële partner, blijkt mede uit het feit dat het eind 2000 is gevraagd gesprekken
te voeren over bilaterale uitzonderingen op de ‘International Traffic in Arms Regula-
tions’ (ITAR). Ondanks de in dit advies genoemde tekortkomingen van dergelijke uitzon-
deringen, zoals ook die van het DTSI, beveelt de AIV aan dat de regering positief
reageert op de Amerikaanse uitnodiging tot nader overleg. Daarbij zal de vraag aan de
orde komen of, en hoe, Nederland zijn eigen exportregelgeving moet aanpassen aan de
Amerikaanse handelspraktijk. Afgezien van de binnenlandspolitieke problemen die dit
kan opleveren, tekent de AIV aan dat Nederland zich hier in dezelfde positie bevindt als
het VK, Frankrijk, Duitsland en ook Noorwegen, die eveneens voor bilaterale besprekin-
gen zijn uitgenodigd. Dit kan met afspraken binnen de LoI/‘Framework Agreement’ op
gespannen voet komen te staan en vergt dus, zeker binnen het kader van deze over-
eenkomst, onderlinge afstemming. Een Nederlandse streven tot de LoI/‘Framework
Agreement’ toe te treden brengt naar de mening van de AIV mee dat ook ons land de
besprekingen met de Verenigde Staten afstemt in een breder kader van Europese part-
ners, in het volle besef van de dilemma’s die dat zal opleveren.
Het is niet aannemelijk dat problemen met het in hoofdstuk III geschetste Amerikaanse
beleid direct tot een koersverandering van de Europese ‘kleine’ landen leiden. Deze
zullen waarschijnlijk nog een tijd lang een ad hoc-beleid blijven voeren, al was het
alleen maar uit tactisch oogpunt jegens de ‘grote’ Europese landen. Uiteraard zijn er
ook economische en militair-strategische voordelen verbonden aan goede transatlanti-
sche betrekkingen. De grote mate van overeenstemming tussen Amerikaans en Neder-
lands materieel maakte bijvoorbeeld een intensieve inzet van Nederlandse F-16’s tij-
dens de Kosovo-crisis mogelijk. Dit soort ‘coalition warfare’ kan in gevaar komen als
men zich alleen op Europese militair-industriële samenwerking richt. Ook kan voor de
                                              65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>‘kleine’ landen deelname aan Amerikaanse programma’s voordelig zijn, zeker als deze
vanwege de schaalvoordelen zowel goedkoper als beter zijn dan de Europese concur-
rentie. De neiging van kleine landen zich meer op de Verenigde Staten te richten, wordt
groter naarmate de Europese samenwerking selectiever of stroever verloopt.117
V.4      Een afweging
Een grotere oriëntatie op de Europese militair-industriële samenwerking lijkt alleen zin
te hebben als er een gerede kans is dat Europese projecten in de toekomst soepeler
verlopen; mislukt de Europese samenwerking, dan zal dat juist averechtse effecten
hebben. Europees militair-industrieel beleid heeft verder alleen kans op succes als
Europese overheden er in slagen een krachtig nationaal én internationaal rationalisatie-
proces te bewerkstelligen. Met de huidige productie van verschillende Europese
gevechtsvliegtuigen en verschillende soorten ‘main battle tanks’ is zo’n rationalisatie-
proces echter nog ver weg. Ook zou het nuttig zijn als de Europese politiek verdere
samenwerking in de defensie-industrie actief aanmoedigt. Nu is daarvan te weinig spra-
ke, onder meer omdat de verschillende Europese krijgsmachten zeer uiteenlopende
specificaties voor materieel definiëren.
Alles afwegende meent de AIV dat een keuze voor een strikt Europese of transatlanti-
sche koers niet aan de orde is. De recent overeengekomen ‘joint venture’ tussen Tha-
les en Raytheon toont aan dat ook de Franse defensie-industrie in toenemende mate
op strategische deelterreinen verbanden aangaat met Amerikaanse bedrijven.118 Een
ondubbelzinnige keuze, welke ook, zou de Nederlandse defensiegerelateerde industrie
hoe dan ook in de problemen brengen. De Verenigde Staten vormt voor de individuele
Nederlandse bedrijven een te belangrijke afzetmarkt om te verliezen. En de Europese
defensiemarkt, goed voor een militaire export die in 1999 bijna drie maal zo groot was
als die naar de VS, kan – mits een open concurrentie op toeleveranciersniveau wordt
bevorderd – veel nieuwe industriële en politieke perspectieven bieden.119 Daaraan
beoogt dit advies aan bij te dragen.
117 In dit verband wordt met ‘selectief’ gedoeld op afgeschermde multilaterale samenwerkingsverbanden,
     zoals de ‘Letter of Intent’.
118 Ph. Migault, ‘Thales et Raytheon renforcent leur coopération’ in: Le Figaro 16/17 december 2000.
119 Volgens de Directie Buitenlands Economische Betrekkingen van het ministerie van Economische Zaken
     bedroeg de Nederlandse export van militaire goederen naar andere EU-lidstaten in 1999 ongeveer
     340 miljoen gulden (waarvan alleen al voor 178 miljoen gulden naar Duitsland werd geëxporteerd). In
     hetzelfde jaar bedroeg de Nederlandse export van militaire goederen naar de Verenigde Staten circa
     119 miljoen gulden.
                                                   66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                                                      Bijlage I
MINISTERIE VAN                                              MINISTERIE VAN
DEFENSIE                                                    BUITENLANDSE ZAKEN
Postbus 20701                                               Postbus 20061
2500 ES ’s-Gravenhage                                       2500 EB ’s-Gravenhage
Telefoon 070-3188188                                        Telefoon 070-3486486
Aan:
de Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken
Prof. Drs. R.F.M. Lubbers
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Uw brief         Uw kenmerk               Ons nummer                 Datum
Onderwerp
De ontwikkeling van een Europees militair-industrieel beleid
Zeer geachte heer Lubbers,
De Europese Raad heeft tijdens zijn vergadering van 10 en 11 december 1999 in Helsinki
nieuwe stappen gezet in de ontwikkeling van een Europees veiligheids- en defensiebeleid
(EVDB). De Europese Raad heeft onder meer zijn goedkeuring gehecht aan een doelstelling
voor grondtroepen, namelijk een strijdmacht van 50.000 tot 60.000 militairen. Ook werden
in Helsinki besluiten genomen over institutionele aspecten van het EVDB: de oprichting van
een Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken, een militair comité en een militaire
staf, die in afwachting van definitieve besluiten eerst als interim-organen gaan functioneren.
De aanpak die de Europese Unie voor de ontwikkeling van het EVDB voor ogen staat is in
overeenstemming met eerdere besluiten van de Navo, onder andere van de Navo-top van
april 1999, waarin het bondgenootschap zich in beginsel bereid verklaarde planningssta-
ven, commandofaciliteiten en andere collectieve middelen ter beschikking te stellen voor
operaties onder leiding van de Europese Unie. Op deze manier kan onnodige duplicatie van
middelen worden voorkomen.
Een Europees veiligheids- en defensiebeleid veronderstelt ook de aanwezigheid van een
kwalitatief hoogwaardige industrie, die in staat is de Europese landen tijdig en tegen con-
currerende voorwaarden goed en modern materieel te leveren. De Europese Raad van Keu-
len benadrukte in het bijzonder het streven naar een ‘industriële en technologische defen-
siebasis, die wij competitief en dynamisch wensen’. Sinds enkele decennia werken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Europese landen op materieelgebied samen, eerst vooral in de ‘Independent European Pro-
gramme Group’ en vervolgens in de ‘Western European Armaments Group’, de Weag. Met
die samenwerking werd onder meer beoogd de operationele eisen voor materieel en de tijd-
schema’s voor de verwerving op elkaar af te stemmen, de regels voor gezamenlijke projec-
ten te verbeteren en gezamenlijk onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Andere betrekke-
lijk recente initiatieven waren de oprichting van het materieelagentschap Occar in 1996,
door Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk, en het ‘zeslandeninitiatief’ van
juli 1998, waarin de regeringsleiders van dezelfde vier landen en van Spanje en Zweden
zich in een beginselverklaring uitspraken voor verdergaande samenwerking op materieelge-
bied.
Toch lag het accent in de Europese samenwerking op het gebied van defensiematerieel de
laatste jaren vooral bij de industrie. Door fusies, overnames en andere vormen van samen-
werking hebben Europese bedrijven, in het bijzonder in de vliegtuig- en ruimtevaartsector,
inmiddels het nodige gedaan aan schaalvergroting. Te denken is aan de overname door
British Aerospace van Marconi in het Verenigd Koninkrijk en de fusie van Aérospatiale en
Matra. Daarna volgde de fusie van Aérospatiale-Matra, Dasa en het Spaanse Casa tot de
“European Aeronautic, Defence and Space company” (EADS) en onlangs kocht het Franse
Thomson-CSF het Britse bedrijf Racal. Daarmee is Thomson-CSF naast EADS en British
Aerospace het derde Europese consortium in de top tien op de wereldranglijst van militaire
producenten. De industriële herstructurering beoogt de Europese defensie-industrie concur-
rerender te maken. Andere belangrijke voorwaarden hiervoor zijn onder meer kostenreduc-
tie, verhoogde arbeidsproductiviteit en een verbeterde marktwerking. Om hieraan te voldoen
zijn soms ingrijpende maatregelen nodig; het is nog de vraag of de politieke bereidheid hier-
toe bestaat. In dit verband rijst de vraag hoe de uitgangspunten van de Interne Markt zich
verhouden tot de herstructurering van de Europese defensie-industrie.
Met deze grootscheepse herstructurering treedt de Europese industrie alsnog in het voet-
spoor van de Amerikaanse concurrentie, die al eerder een ingrijpend proces van reorganisa-
tie en schaalvergroting doormaakte. De Amerikaanse defensie-industrie is echter niet alleen
maar een concurrent: ze wordt ook meer en meer een samenwerkingspartner waarmee de
Europese industrie comparatieve voordelen kan behalen. Tot voor kort had vooral de Britse
industrie nauwe transatlantische banden, maar inmiddels hebben ook bedrijven uit andere
Europese landen, vooral ook uit Duitsland en Frankrijk, de weg naar Amerikaanse partners
gevonden. De politiek heeft tot dusver de mogelijkheden voor samenwerking beperkt. Vooral
de Verenigde Staten leggen zware veiligheidseisen op aan samenwerkingsverbanden, die
bedrijven uit bepaalde landen bijna per definitie niet kunnen vervullen. Bovendien is de
Amerikaanse markt zeer ontoegankelijk voor buitenlandse ondernemingen die op basis van
concurrentievermogen willen meedingen. Vormen van industriële samenwerking kunnen bij-
dragen aan openheid en transparantie in de transatlantische defensiematerieelbetrekkin-
gen. Dat is belangrijk omdat ook de opbouw van een levensvatbare en concurrerende Euro-
pese defensie-industrie gepaard kan gaan met voorstellen voor beschermingsmaatregelen
tegen buitenlandse, dat wil zeggen Amerikaanse, concurrentie. Zoals gezegd, zullen met het
oog op openheid en transparantie echter vooral in de Amerikaanse regelgeving, onder meer
met betrekking tot technologie-overdracht, nog de nodige belemmeringen moeten worden
weggenomen.
De nieuwe vaart in de ontwikkeling van een Europees veiligheids- en defensiebeleid en de
nieuwe dynamiek in de industriële samenwerking hebben echter nog weinig aantoonbare
gevolgen gehad voor de materieelsamenwerking. Tekenend is dat de passage over de ‘ver-
sterking van de Europese industriële en technologische basis op het gebied van defensie’
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>in de documenten van de Europese Raad van Helsinki praktisch woordelijk overeenkwam
met de tekst van Keulen. Naar deze tekst te oordelen was er blijkbaar tussen juni en
december 1999 op materieelgebied niets noemenswaardigs gebeurd. De werkelijkheid is
anders, maar niet positiever.
In de loop van 1999 is het in de EU namelijk niet gelukt overeenstemming te bereiken over
een Commissievoorstel voor een gemeenschappelijk standpunt voor een Europees defen-
siematerieelbeleid. Het voorstel voorzag in een aantal maatregelen met betrekking tot de
heffing van douanerechten voor militaire goederen, openbare aanbesteding en grensover-
schrijdend verkeer van militaire goederen. Aanvaarding van dit gemeenschappelijk stand-
punt zou een verdere stap zijn geweest in de afbraak van het taaie taboe op EU-bemoeienis
met dit onderwerp. Dat bleek niet haalbaar. Dit laat onverlet dat in 2000 dit onderwerp
opnieuw op de agenda zal staan. Als de EU de taken van de Weu overneemt, zal ook voor
de Weag een oplossing moeten worden gevonden. De contouren daarvan zijn nog niet dui-
delijk.
De militair-operationele samenwerking tussen Europese landen is in de loop der jaren geïn-
tensiveerd. Die samenwerking is belangrijk, onder meer omdat zij kan bijdragen tot vergro-
ting van de interoperabiliteit. Maar de ervaring leert dat operationele samenwerking op zich-
zelf niet leidt tot standaardisatie van materieel.
Al met al is de afgelopen tientallen jaren gebleken dat nationale militaire en industriële
belangen een zeer dominante factor in het verwervingsbeleid en in het defensiematerieel-
beleid als geheel kunnen zijn. Tot nu toe vormden die nationale belangen vaak een struikel-
blok in het streven naar opening van de defensiematerieelmarkt en naar gezamenlijke
ontwikkeling, productie en verwerving van materieel. Wat Nederland betreft, bestaat uitdruk-
kelijk de bereidheid de nationale industriële belangen minder te laten prevaleren, mits ook
andere landen actief streven naar een zo open mogelijk defensiematerieelmarkt, in ieder
geval in Europa en bij voorkeur ook transatlantisch.
De huidige situatie, waarin de samenwerking tussen overheden achterblijft bij die op indus-
trieel niveau, kan nadelige gevolgen hebben. Het is denkbaar dat aan de aanbodzijde enke-
le grote Europese conglomeraten overblijven. In dat geval dreigt in beginsel het gevaar dat
de Europese industrie de Europese defensiemarkt zal dicteren. Dit gevaar zou zich vooral
kunnen voordoen indien Europese overheden, nationaal dan wel in het kader van een
gebundelde Europese behoeftestelling, niet bereid zouden zijn een niet-Europees aanbod
mede in overweging te nemen. De vraag is hoe overheden en bedrijfsleven, in goede
samenwerking maar ook met inachtneming van ieders verantwoordelijkheid, optimale ver-
houdingen kunnen bevorderen. Dat vergt onder meer goede regelingen voor overheidsdeel-
neming in defensiebedrijven en overheidssteun, voor de harmonisatie van het wapenexport-
beleid naar derde landen en voor samenwerking in onderzoek en ontwikkeling.
Tegen deze achtergrond leggen wij een aantal vragen aan de Adviesraad voor:
- hoe beoordeelt de Adviesraad het algemene politieke en industriële klimaat voor een
    Europees militair-industrieel beleid en voor een open gemeenschappelijke markt voor
    defensiematerieel? Hoe beoordeelt de Adviesraad de verschillen tussen grote en kleine
    Europese landen? Onderscheiden de eerdergenoemde zes landen zich met hun militaire
    industrie zo sterk van andere Europese landen, waaronder Nederland, dat een werkelijk
    gezamelijk beleid niet goed denkbaar zou zijn? Heeft Nederland te winnen met een uitge-
    sproken pro-Europese dan wel transatlantische koers op dit gebied of zijn de Nederland-
    se belangen meer gediend met een beleid waarbij van geval tot geval keuzes worden
    gemaakt?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>-   hoe moet de regering naar de mening van de Adviesraad ertoe bijdragen dat de positie-
    ve aandacht voor het EVDB ook wordt vertaald in een grotere politieke steun voor een
    Europees defensiematerieelbeleid dat berust op een sterke industriële en technologi-
    sche basis en de internationale concurrentiekracht bevordert. Op welke wijze kan dit het
    beste gebeuren, mede gelet op hetgeen in de verklaringen van de Europese Raad van
    Keulen en Helsinki hierover is gesteld?
- concurrentiekracht en een hoog technologisch niveau vereisen een industriële krachten-
    bundeling, die op zichzelf weer een bedreiging voor de concurrentieverhoudingen kan
    vormen. Hoe kunnen overheden dit voorkomen en bijdragen tot optimale verhoudingen?
- kan een nieuwe ‘European armaments organization’ in de Europese Unie worden opge-
    nomen? Hoe kan de betrokkenheid van de Europese Commissie en de samenhang met
    het interne marktbeleid en het industriebeleid van de Unie het beste gestalte krijgen?
    Wat is in dit verband de visie van de Adviesraad op de betekenis van artikel 296 en de
    noodzaak dit te wijzigen?
- hoe kan een Europees militair-industrieel beleid op een open wijze gestalte krijgen,
    zeker ook ten opzichte van de Verenigde Staten? Hoe kunnen de Europese landen zich
    beter inzetten voor het wegnemen van de belemmeringen bij toegang tot de Amerikaan-
    se markt en voor het stimuleren van effectieve en gelijkwaardiger transatlantische indus-
    triële samenwerkings-relaties? Wat zijn de gevolgen voor de concurrentieverhoudingen
    van de discrepantie tussen Amerikaanse en Europese uitgaven voor defensietechnolo-
    gisch onderzoek. Hoe kunnen regeringen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan bij-
    dragen aan transparante verhoudingen en zowel samenwerking als concurrentie bevorde-
    ren?
  - civiele en militaire technologie zijn vaak niet goed van elkaar te onderscheiden. Tot voor
    kort was defensie voor de EU nog min of meer taboe. Nu dat tot de verleden tijd gaat
    behoren is de vraag of Europese R&D-programma’s naar de mening van de Adviesraad
    mogelijkheden bieden voor (meer) defensiegerelateerde projecten?
Graag vragen wij, mede namens de Minister van Economische Zaken en de Staatssecreta-
ris van Buitenlandse Zaken, advies aan de AIV over deze en eventueel andere vragen die
betrekking hebben op de ontwikkeling van een Europees militair-industrieel beleid. De toe-
komst van de Weag zal half november door de defensieministers worden besproken en
mogelijk vervolgens op de agenda staan van de Europese Raad van Nice. Daarom zouden
wij uw advies, zo mogelijk, graag begin november 2000 ontvangen.
Met de meeste hoogachting,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                                                                                     Bijlage II
Lijst van geraadpleegde personen en van sprekers tijdens de conferentie
‘The globalization of the defence industry’ (Londen, 29 en 30 januari 2001).
1. Nederland
Drs. H.R. Boswijk                Voorzitter Raad van Bestuur Thales Nederland
Ir. J. Dibbetz                   Directeur Stichting Nederlands Industriële Inschakeling
                                 Defensieopdrachten
Drs. B. Kwast                    Directoraat-Generaal Materieel, ministerie van Defensie
Dr. J.A. Schoneveld              Commissariaat voor de Militaire Productie, ministerie van
                                 Economische Zaken
Bgen. H.J.G.J. Teussink          Directoraat-Generaal Materieel, ministerie van Defensie
Prof. dr. ir. A. Veenman         Voorzitter Raad van Bestuur, Stork N.V.
Mr. W.H. Wiedeman                Commissaris Militaire Productie, ministerie van
                                 Economische Zaken
Mr. drs. M.C. Wolters            Afdeling Wapenbeheersing en Wapenexportbeleid,
                                 ministerie van Buitenlandse Zaken
2. Frankrijk
Chr. R. van Beuge                Harer Majesteits Ambassadeur te Parijs
Mr. J. Kraak                     Plv Hoofd Politieke Afdeling, Ambassade Parijs
Mr. drs. M. Krop                 Plv Chef de Poste, Hoofd Politieke Afdeling, Ambassade
                                 Parijs
Kol A.C. Tjepkema                Defensie-attaché, Ambassade Parijs
G. Araud                         Directeur Veiligheidsbeleid, ministerie van Buitenlandse
                                 Zaken
D. Argenson                      Sous-directeur coopération multilatérale, Délégation
                                 Génerale pour l’Armement, ministerie van Defensie
Admiraal b.d. J. Bétermier       Adviseur Raad van Bestuur, EADS
Ph. Coq                          Sous-directeur aéronautique, missiles et de l'espace,
                                 Délégation Génerale pour l’Armement, ministerie van
                                 Defensie
C. Deneuvel                      EADS, area-sales manager
Chr. Dumas                       EADS, Vice-President international development
R. Eskinazi                      President-Directeur Europa, Thales
M. Mabille                       EADS, Senior Vice-President business development
B. Rétat                         Plv President-Directeur, Thales
G. Schlumberger                  Directie Strategische Zaken, ministerie van Defensie
Dr. B. Schmitt                   WEU Instituut voor Internationale Veiligheidsstudiën
M.A. Vinolo                      Vice-Voorzitter van de Raad van Bestuur van EADS
3. Verenigd Koninkrijk
Mr. W.O. baron Bentinck          Harer Majesteits Ambassadeur te Londen
van Schoonheten
Jhr. mr. W.A. Bas Backer         Ambassaderaad te Londen
KTZ. W.T. Lansink                Defensieattaché te Londen
KLTZ G.L. Kouwenhoven            Defensiematerieelattaché te Londen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Dr. D.H. Allin           International Institute for Strategic Studies,
                         editor ‘Survival’
Mw. Dr. A. Ashbourne     Onafhankelijk consultant, Ashbourne Beaver Associates
K. Becher                Senior Fellow, International Institute for Strategic Studies
M. Bell                  Group Head of Strategic Resources, British Aerospace
                         Systems
M. Codner                Assistant Director, Royal United Services Institute
Mw. J. Darby             Deputy Head of European Union Department, ministerie
                         van Buitenlandse Zaken
W. Ehrman                Director International Security, ministerie van Buitenlandse
                         Zaken
Genmaj. P. Gilchrist     Executive Director 2, Defence Procurement Agency
Prof. K. Hayward         Head Research, Society of British Aerospace Companies
J. Hunt                  Director Aerospace and Defence Industries, ministerie van
                         Handel en Industrie
T. Hanson                International Relations Group (OCCAR), Defence
                         Procurement Agency
G. Moore                 Manager Defence Industries, ministerie van Handel en
                         Industrie
A. Noble                 Deputy Head Security Policy Department, ministerie van
                         Buitenlandse Zaken
A. Radcliff              International Relations Group (LoI, bilateral matters),
                         Defence Procurement Agency
B. Rimmington            Assistant Director of EC Company Mergers, ministerie van
                         Handel en Industrie
S. Simon                 Assistant Director, International Institute for Strategic
                         Studies
Prof. R. Smith           Birkbeck College (Applied Economics), London University
A. Staunton              Head Aviation Section; Aviation, Maritime, Science and
                         Energy Department, ministerie van Buitenlandse Zaken
Sir Robert Walmsley      Chief Defence Procurement Agency
4. Duitsland
M. Biermann              Directie Veiligheidsbeleid, ministerie van Buitenlandse
                         Zaken
Bgen. J. Bornemann       Plaatsvervangend Hoofd Stafafdeling Politiek-Militaire Aan
                         gelegenheden en Wapenbeheersing, Defensiestaf,
                         ministerie van Defensie
W. Frank                 Afdeling Defensie-Economische Samenwerking, Directoraat-
                         Generaal Materieel, ministerie van Defensie
W. Hermann               Hoofd Afdeling Internationale materieelsamenwerking,
                         Directoraat-Generaal Materieel, ministerie van Defensie
Dr. R. Schumacher        Directeur Veiligheidsbeleid, ministerie van Buitenlandse
                         Zaken
5. Brussel/Europese Unie
Dr. B.R. Bot             Harer Majesteits Permanent Vertegenwoordiger bij de
                         Europese Unie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Mr. J.G.S.T.M. van Hellenberg             Nederlands Permanent Vertegenwoordiger bij de
Hubar                                     West Europese Unie/Vertegenwoordiger bij het
                                          Politiek en Veiligheidscomité van de Europese Unie
Mr. L. Kuyper                             Economische Afdeling, Permanente Vertegenwoor-
                                          diging bij de Europese Unie
Maj. E. de Landmeter                      Nederlandse Permanente Militaire Vertegenwoordi-
                                          ging in Brussel
Mr. drs. M.J. de Vink                     GBVB/EVDB Afdeling, Nederlandse Permanente
                                          Vertegenwoordiging bij de Europese Unie
Dr. D. Zandee                             Defensieraad, Nederlandse Vertegenwoordiging bij
                                          de Europese Unie
L. Briët                                  Plaatsvervangend Directeur Politieke Zaken,
                                          Directoraat-Generaal Externe Betrekkingen van de
                                          Europese Commissie/Vertegenwoordiger van de
                                          Europese Commissie bij het Politiek en Veiligheids
                                          comité van de Europese Unie.
Mw. F. Rey                                Beleidsmedewerker Directoraat-Generaal Externe
                                          Betrekkingen van de Europese Commissie
G. Titley                                 Europees parlement
6.        Sprekers tijdens de Conferentie ‘The globalization of the defence industry’
Dr. G. Adams                              Directeur Veiligheidsstudiën, George Washington
                                          University
Chr. Avery                                Equity Research, Airlines and Aerospace,
                                          JP Morgan
R.G. Bell                                 Assistant Secretary General for Defence Support,
                                          NAVO
Sir John Bourn                            Auditor General, National Audit Office
J. Campbell                               Aerospace and Defence Electronics Sector,
                                          Lehman Brothers
R. Crosby                                 Directeur Integrated Systems, Northrop Grumman
J. Dowdy                                  McKinsey
J. Dromey                                 Transport and General Workers Union
Dr. Th. Enders                            Defence and Civil Systems Division, EADS
Dr. J. Gansler                            Voormalig Undersecretary for Defense for
                                          Acquisition, Technology and Logistics, Verenigde
                                          Staten
Air Marshall T. Garden                    Voormalig Plaatsvervangend Chef Defensiestaf van
                                          het Verenigd Koninkrijk
Dr. J. Hamre                              Voormalig Deputy Secretary of Defense, Verenigde
                                          Staten
Air Chief Marshal Sir Richard Johns       Luchtmacht, Verenigd Koninkrijk
Prof. K. Hayward                          Society of British Aerospace Companies
G. Hoon                                   Minister van Defensie van het Verenigd Koninkrijk
W. Hopkinson                              Voormalig Plaatsvervangend Directeur, Royal Insti-
tute of International Affairs
B.P. Jackson                              Strategy and Planning, Lockheed Martin
Lord Levene of Portsoken                  Deutsche Bank
Lord Marshall of Knightbridge             Directeur Royal Institute of International Affairs
M.J. Marshall                             Directeur Marshall of Cambridge
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Sir Charles Masefield        Group Marketing Director, British Aerospace
Gen. b.d. K. Naumann         Voormalig Voorzitter Militair Comité, NAVO
A. Nicoll                    Financial Times
J. Oughton                   Directie Defence Logistics, Ministerie van
                             Defensie, Verenigd Koninkrijk
Sir Geoffrey Pattie          Terrington Management
Admiraal J. Perowne          Plaatsvervangend SACLANT, NAVO
N. Prest                     Directeur Alvis
B. Rétat                     Plaatsvervangend President-Directeur, Thales
Genmaj. A.P. Ridgway         Chef Staf Allied Command Europe Rapid Reaction
                             Corps (ARRC)
Lord Robertson of Port Ellen Secretaris-Generaal van de NAVO
Prof. H. Sapolsky            Directeur Veiligheidsstudiën, Massachusetts
                             Institute of Technology
Prof. T. Taylor              Directeur Defence management and Analysis,
                             Cranfield University
Sir Robert Walmsley          Directeur Defence Procurement Agency
J. Wohler                    Business Development, Raytheon Company
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>                                                                                                 Bijlage III
Consolidatie en internationalisatie heeft geleid tot het volgende beeld van de Europese
defensie-industrie:120
Bedragen in miljoenen dollars
Sector                     Bedrijf                                              totale omzet         militaire omzet
1) Vliegtuigbouw           BAE Systems                                              13.000              8.700
                           EADS                                                     11.500              1.500
                           Dassault Aviation (Aérospatiale 45,8%)                    3.830              1.870
                           Alenia Aeronautica (Finmeccanica)                         1.200                600
                           Saab (BAE Systems 35%)                                       410               410
                           Aermacchi                                                    200               180
2) Helicopters             Eurocopter (EADS)                                         1.890                830
                           GKN Westland (GKN)                                            -                  -
                           Augusta (Finmeccanica)                                       590               400
3) Raketten                Matra BAE Dynamics                                        2.700               2.700
                           (BAE Systems 37,5%, EADS 37,5%,
                           Finmeccanica 25%)
                           Airsys,Short Missiles Systems (Thales)                          -                -
                           Saab (BAE Systems 35%)                                       590               590
                           LFK (Dasa 70%, Matra BAE Dyn. 30%)                           390               390
                           Bodenseewerke Gerätetechnik (Diehl)                          220               180
4) Ruimtevaart             Astrium (EADS 75%, BAE Systems 25%)                       2.450                  -
                           Alcatel Space (Alcatel/Alsthom 51%                        1.420                240
                           Thales 49%)
                           Alenia Spazio (Finmeccanica)                                 590                 -
5) Electronica             Thales (incl. Raketten)                                   8.500               4.900
                           BAE Systems (gedeeltelijk met AMS)                              -                  -
                           EADS                                                            -             1.200
                           New AMS (BAE Sys. 50%, Finmeccanica 50%)                  1.200               1.200
                           Sagem                                                     3.180                 570
                           Smiths Industries                                         1.990                 460
                           Saab (BAE Systems (35%)                                         -               370
                           Ericsson                                                 23.200                 260
  120      Gebaseerd op: SIPRI, ‘Yearbook 2000’, p. 308. ‘Joint ventures’ staan gecursiveerd afgedrukt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Sector         Bedrijf                                        totale omzet militaire omzet
6) Landmacht-  Rheinmetall DeTec (Rheinmetall)                     2.000      2.000
systemen       GIAT Industries                                     1.200      1.200
               Royal Ordnance (BAE Systems)                           800        800
               Krauss Maffei Wegman                                   740        740
               Swiss Amm./Swiss Ordnance (RUAG Suisse)                  -          -
               Vickers (Rolls Royce)                               1.480         570
               Alvis Vehicle                                          440        410
               Alenia Difesa (Finmeccanica)                             -        300
7) Scheepsbouw DCN                                                 1.900      1.840
               HDW (Babcock 50%, Preussag 25%, Celsius 25%)        1.100         500
               VSEL and Yarrow Shipbuilders (BAE Systems)           -              -
               Bazan                                                  490        420
               Fincantieri                                         2.460         260
               Vosper Thornycroft                                     400        250
               Blohm & Voss/Thyssen Nordseewerke (Thyssen-Krupp)      370        200
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                                          Bijlage IV
Afwijkende lidmaatschappen
WEU           West Europese Unie
WEAG          Western European Armaments Group
OCCAR         Organisation Conjointe de Coopération en matiere d’Armement
LoI           Letter of Intent
EU            Europese Unie
NAVO          Noord Atlantische Verdrags Organisatie
L             lid
GL            geassocieerd lid
W             waarnemerstatus
GP            geassocieerd partnerschap
              WEU        WEAG         OCCAR          LoI     EU     NAVO
België          L          L                                   L       L
Bulgarije GP                                                   GP
Canada                                                                 L
Denemarken     W           L                                   L       L
Duitsland       L          L             L             L       L       L
Estland        GP                                                     GP
Finland        W          W                                    L      GP
Frankrijk L     L          L             L             L       L       L
Griekenland     L          L                                   L       L
Hongarije      GL         W                                            L
Ierland        W                                                L
Italië          L          L             L             L        L      L
Letland        GP                                                     GP
Luxemburg       L          L                                    L      L
Nederland       L          L                                    L      L
Noorwegen      GL          L                                           L
Oostenrijk     W          W                                     L     GP
Polen          GL         W                                            L
Portugal L      L          L                                    L      L
Roemenië       GP                                                     GP
Slovenië GP                                                           GP
Slowakije      GP                                                     GP
Spanje          L          L                           L        L       L
Tsjechië       GL         W                                             L
Turkije        GL          L                                            L
Verenigde                                                               L
Staten
Verenigd        L          L             L             L        L       L
Koninkrijk
IJsland        GL                                                       L
Zweden         W          W                            L        L     GP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                                                 Bijlage V
Overlappende doelstellingen
WEU                      West Europese Unie
WEAG                     Western European Armaments Group
OCCAR                    Organisation Conjointe de Coopération en matiere d’Armement
LoI                      Letter of Intent
EU                       Europese Unie
NAVO                     Noord Atlantische Verdrags Organisatie
                         WEU               WEAG       OCCAR        LoI       EU121       NAVO
                         (werkgroepen)     WEAO
Standaardisering
Van normen/vereisten       X                                                               X
Harmonisatie
Verwerving                                   X          X           X          X
R&T                                          X          (X)         X          X           X
Harmonisatie
Behoeftestellingen         X                 X          (X)         X          X
Bevorderen gem.
Programma’s                                  X          X                                  X
Harmonisatie
Exportbeleid                                                        X          X
Toeleveringsgaranties                        X          X           X          X
Mededinging                                             X                      X
121 Zowel de EU-werkgroepen als de Europese Commissie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>                                                                               Bijlage VI
Lijst van gebruikte afkortingen
AIV                   Adviesraad Internationale Vraagstukken
BAE                   British Aerospace
C3                    Command, Control and Communications
CFIUS                 Committee on Foreign Investment in the United States
CNAD                  Conference of National Armaments Directors
COARM                 Conventional Arms Exports Working Group
CVV                   Commissie Vrede en Veiligheid (van de AIV)
DITB                  Defence Industrial and Technology Base
DTSI                  Defense Trade Security Initiative
EAA                   European Armaments Agency
EADC                  European Aerospace and Defence Company
EADS                  European Aeronautic Defence and Space Company
EG                    Europese Gemeenschap
EMU                   Europese Monetaire Unie
EU                    Europese Unie
EVDB                  Europees Veiligheids en Defensie Beleid
HSA                   Hollandse Signaal Apparaten
IGC                   Inter Gouvernementele Conferentie
ITAR                  International Traffic in Arms Regulations
JSF                   Joint Strike Fighter
LoI                   Letter of Intent
NAVO                  Noord Atlantische Verdrags Organisatie
NIID                  (Stichting) Nederlandse Industriële Inschakeling
                      Defensieopdrachten
NDP                   National Disclosure Process
NDPP                  NAVO Defensie Plannings Proces
OCCAR                 Organisation Conjointe de Coopération en matiere d’Armement
POLARM                Ad Hoc European Armaments Policy Group
PSC                   Political and Security Commity
PWC                   PriceWaterhouseCoopers
RMA                   Revolution in Military Affairs
R&T                   Research and Technology
RIIA                  Royal Institute of International Affairs
SIPRI                 Stockholm International Peace Research Institute
TRP                   Technoloy Reinvestment Project
VK                    Verenigd Koninkrijk
VS                    Verenigde Staten
WEAG                  Western European Armaments Group
WEAO                  Western European Armaments Organisation
WELG                  Western European Logistics Group
WEU                   West Europese Unie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1      EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2      CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
       mogelijkheden, april 1998
3      DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
       april 1998
4      UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
       VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5      EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6      HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7      COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
       november 1998
8      ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9      NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
       Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10     DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
       IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
       veiligheid, september 1999
11     HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
       september 1999
12     DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig
       lidstaten, januari 2000
13     HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000 **
14     ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15     EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16     DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17     DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
*  De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
   de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en
   subnationale overheden, april 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>