<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>       Nederland en de organisatie voor veiligheid
 en samenwerking in europa in 2003: rol en richting
                               No. 26, Mei 2002
Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter          Mr. F. Korthals Altes
Leden               Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
                    Dhr. A.L. ter Beek
                    Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                    Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                    Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                    Mw. drs. A.C. van Es
                    Prof. mr. C. Flinterman
                    Prof. dr. E.J. de Kadt
                    Dr. B. Knapen
                    Mw. mr. E.M.A. Schmitz
Ambtelijk adviseurs Mr. F.A.M. Majoor (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                    Drs. B.W. Bargerbos (Ministerie van Defensie)
Secretaris          Drs. F. van Beuningen
                    Postbus 20061
                    2500 EB Den Haag
                    telefoon 070 - 348 5108/6060
                    fax 070 - 348 6256
                    E-mail AIV@minbuza.nl
                    Internet www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>          Inhoudsopgave
          Woord vooraf
I         De OVSE aan het begin van de 21e eeuw: een plaatsbepaling           6
          I.1     De internationale omgeving van de OVSE         6
          I.2     Van CVSE naar OVSE: een korte terugblik        8
          I.3     De taken en dimensies van de OVSE        12
          I.3.1   De veiligheidspolitieke dimensie van de OVSE        13
          I.3.2   De economische en ecologische dimensie           15
          I.3.3   De menselijke dimensie        17
          I.3.4   Verwevenheid van de drie dimensies van de OVSE           19
II        De OVSE: besluitvorming, voorzitterschap en inhoudelijke thema’s        22
          II.1    Besluitvorming in de OVSE       22
          II.1.1  De rol van de deelnemende staten       22
          II.1.2  Is er een alternatief voor besluitvorming bij consensus?   26
          II.2    Het voorzitterschap van de OVSE en de rol van Nederland         27
          II.2.1  Een algemene schets van het voorzitterschap van de OVSE       27
          II.2.2  De Nederlandse aanpak van het voorzitterschap        29
          II.2.3  De missies van de OVSE       31
          II.3    Het inhoudelijke werk in de OVSE: oude en nieuwe thema’s       33
          II.4    De OVSE: de noodzaak van vernieuwing en hervorming         37
III       Bijdrage aan de agenda voor het Nederlands voorzitterschap        38
          van de OVSE: recapitulatie van bevindingen
          III.1   Algemeen       38
          III.2   De dimensies van de OVSE        39
          III.3   Besluitvorming      40
          III.4   Voorzitterschap      41
          III.5   Politiek en publiek draagvlak      42
          III.6   Missies     42
          III.7   Inhoudelijke thema’s en versterking van de OVSE       43
Bijlage I         Adviesaanvraag
Bijlage II        Besluiten van de Permanente Raad in de periode
                  november 1999 – oktober 2001
Bijlage III       Prioriteiten van recente voorzitters van de OVSE (1998 – 2002)
Bijlage IV        Overzicht van de duur van de missies
Bijlage V         Lijst van gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Halverwege 2001 heeft de Nederlandse regering de AIV advies gevraagd over de
Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in verband met het
Nederlandse voorzitterschap van deze organisatie in 2003. Om het advies voor te
bereiden heeft de AIV een commissie ingesteld, waarvan leden van verscheidene
permanente commissies deel hebben uitgemaakt: prof. dr. W.J.M. van Genugten
(voorzitter; CMR), prof. dr. P.R. Baehr (CMR), dr. A. Bloed (CVV), drs. T. Etty (CMR),
dr. Ph.P. Everts (CVV), Lt. gen. b.d. G.J. Folmer (CVV), prof. dr. J.Q.Th. Rood (CEI)
en prof. dr. N.J. Schrijver (COS). Drs. F. van Beuningen, secretaris van de AIV, heeft
het secretariaat gevoerd van deze commissie van de AIV, daarbij ondersteund
door de stagiair(e)s A. Swakhoven en R.J. Scheffer.
Ter voorbereiding van het advies hebben de leden van bovengenoemde commissie
zich laten informeren omtrent inzichten en opvattingen over de OVSE die elders
leven. Allereerst heeft de commissie OVSE op 28 september 2001 gesproken met
mr. M. van der Stoel, voormalig Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden
van de OVSE. Daarnaast is het CICAM van de Universiteit van Nijmegen gevraagd
een achtergrondstudie te verrichten, wat heeft geresulteerd in het achtergrondrap-
port ‘Nieuwe thema’s voor de OVSE – Inventarisatie en waardering’. Daarnaast
heeft een delegatie van de AIV zich in Wenen bij de OVSE op de hoogte gesteld
van de opvattingen die daar leven over de OVSE. Voor dit doel is in de periode
19 – 21 november 2001 een oriëntatiereis naar Wenen gemaakt. In het bijzonder
de inzichten opgedaan in gesprekken met vertegenwoordigers van landen die eer-
der het voorzitterschap van de OVSE hebben bekleed, bleken zeer waardevol en
zijn door het gehele advies terug te vinden. Ook heeft de commissie OVSE van de
AIV, op 11 maart 2002, gesproken met de Task Force OVSE-voorzitterschap van
het ministerie van Buitenlandse Zaken. De AIV is de geraadpleegde personen en
instanties erkentelijk voor hun bijdragen en inzichten en spreekt zijn grote waar-
dering uit voor de ontvangen steun van de Nederlandse permanente vertegen-
woordiging bij de OVSE in Wenen voor de verwezenlijking van de oriëntatiereis.
Sinds haar oprichting heeft de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in
Europa (voorheen Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa) een
evolutie doorgemaakt in ledental, taakstelling en activiteiten. Naar de opvatting
van de AIV is het van belang zicht te hebben op deze evolutie, alvorens te kunnen
komen tot concrete aanbevelingen met betrekking tot Nederland en rol en richting
van de OVSE. Daarom wordt allereerst een plaatsbepaling gegeven van de OVSE
zoals deze er nu voorstaat, waarbij ook wordt ingegaan op internationale aspecten
en op de geschiedenis van de OVSE (hoofdstuk I). Vervolgens worden de besluit-
vorming in de OVSE, het voorzitterschap en belangrijke inhoudelijke thema’s aan
de orde gesteld (hoofdstuk II). Tot slot worden, als bijdrage aan de agenda van het
Nederlands voorzitterschap van de OVSE in 2003, de belangrijkste bevindingen
van de AIV gerecapituleerd (hoofdstuk III). In de tekst zijn de beleidsaanbevelin-
gen cursief afgedrukt.
De AIV heeft dit advies vastgesteld in zijn vergadering van 3 mei 2002.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>I         De OVSE aan het begin van de 21e eeuw:
          een plaatsbepaling
I.1       De internationale omgeving van de OVSE
Voor een goed begrip van het functioneren van de OVSE zijn de ontwikkelingen in het
internationale krachtenveld van staten en (andere) internationale organisaties rond de
OVSE van groot belang. Daarom zal hieronder kort worden ingegaan op de gevolgen
voor de OVSE van de aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001 en van
de Amerikaans-Russische verhoudingen. Tevens zullen de veranderde taakstelling en
uitbreiding van de NAVO, van de Europese Unie en van de Raad van Europa aan de
orde worden gesteld. Tot slot van deze paragraaf zal kort worden teruggeblikt op de
gevolgen voor de OVSE van het einde van de Koude Oorlog.
Evenals in menig andere organisatie hebben de aanslagen in New York en Washington
en de daarop ontbrande militaire strijd in Afghanistan, ook in de OVSE de bestrijding
van terrorisme bovenaan de agenda geplaatst. Het hoeft dan ook geen verbazing te
wekken dat op de ministeriële vergadering van de OVSE in Boekarest, op 3 en 4
december 2001, het actieplan ter bestrijding van het terrorisme als belangrijkste resul-
taat is opgevoerd. In januari 2002 heeft het Portugese voorzitterschap van de OVSE de
voormalige Deense minister van Defensie Jan Troejborg, benoemd tot persoonlijk verte-
genwoordiger voor terrorisme.1
Twee in het oog springende ontwikkelingen die de OVSE in dit verband raken, zijn de
internationale coalitie ter bestrijding van het terrorisme die de Verenigde Staten heb-
ben gesmeed en de zoektocht naar een nieuwe verhouding tussen de Verenigde Staten
en de Russische Federatie. De internationale coalitie tegen het terrorisme telt landen
waarmee de Verenigde Staten en hun bondgenoten voor 11 september nauwelijks wil-
den samenwerken. ‘11 september’ heeft de internationale politiek in beweging
gebracht en wel op zodanige wijze dat loyaliteiten in korte tijd lijken te zijn verschoven
en de politieke tegenstanders van gisteren de coalitiegenoten van vandaag kunnen zijn.
Hoe duurzaam deze verschuivingen zijn, dient te worden afgewacht. De Centraal-Aziati-
sche landen Kazachstan, Kyrgyzstan, Oezbekistan en Tadzjikistan maken deel uit van
de coalitie en zijn nauw betrokken bij de militaire operaties in en rond Afghanistan en
bij de humanitaire hulp voor de Afghaanse bevolking. Door zijn ligging kan ook Turk-
menistan zich niet onttrekken aan de nasleep van ‘11 september’. Deze gebeurtenis-
sen hebben de landen uit Centraal-Azië op de internationaal-politieke kaart geplaatst.
De vraag is hoe dit uitwerkt op hun positie en standpuntbepaling in de OVSE.
Een ander belangrijk gevolg van de aanslagen van 11 september, dat zich ook in de
OVSE doet voelen, is de herdefiniëring die momenteel aan de gang is van de verhou-
ding tussen de Verenigde Staten en de Russische Federatie. Voor de bestrijding van
het terrorisme lijkt sprake te zijn van toenadering tussen de beide grote mogendheden:
de Russische Federatie heeft volledige medewerking verleend aan de militaire strijd in
Afghanistan, onder andere door het verstrekken van inlichtingen, door de Noordelijke
1   Zie hiervoor de brief van minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen aan de Tweede Kamer van 11
    december over de Ministeriële Raad te Boekarest, 3-4 december 2001 en het persbericht Chairman-in-
    Office names former Danish Minister as Personal Representative for Terrorism (Press Release OSCE,
    29 January 2002).
                                                      6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Alliantie militair te steunen en door het gebruik van vliegvelden met de bovengenoemde
Centraal-Aziatische staten te coördineren. Ook heeft de Russische Federatie medewer-
king toegezegd bij “search and rescue”-operaties, heeft ze haar luchtruim opengesteld
voor humanitaire hulp en heeft ze geen bezwaar aangetekend tegen de Amerikaanse
aanwezigheid in Georgië, ook al bestaat daar in Moskou weerstand tegen. De dyna-
miek die de strijd tegen het terrorisme na ‘11 september’ heeft gekregen, heeft ook de
gewapende strijd in Tsjetsjenië in een ander licht gesteld. Het verschil in beoordeling
van deze strijd als een zaak van onderdrukking van de rechten van de mens aan de
ene kant of een gerechtvaardigde gewapende strijd tegen terroristen aan de andere
kant, lijkt naar de achtergrond gedrongen.
Ook de Amerikaans-Russische verhoudingen rond de NAVO lijken op een nieuwe leest
te worden geschoeid. Niet alleen is de NAVO bezig zich om te vormen van een defen-
sie-organisatie naar een Europees-Atlantische veiligheidsorganisatie, ook is vanuit de
NAVO het aanbod gedaan om met de Russische Federatie nauwer samen te werken in
een NAVO-Rusland Raad, waarin gezamenlijke besluitvorming en actie tot de mogelijk-
heden moeten gaan behoren. Midden 2002 zal de NAVO hierover voorstellen aan Rus-
land doen. Tegelijk spelen in de Amerikaans-Russische betrekkingen de plannen om de
NAVO met nieuwe leden uit te breiden, waarbij ook (één of meer van de) Baltische sta-
ten tot de kansrijke kandidaten moeten worden gerekend. Daarnaast zijn ook de Ameri-
kaanse eenzijdige opzegging van het ABM-verdrag, de daarop volgende gematigde
Russische reactie en de uitkomsten van het overleg om te komen tot een verdere,
bilaterale vermindering van de nucleaire wapens, van betekenis voor de Amerikaans-
Russische betrekkingen.
Een volgende belangrijke verandering in de internationale omgeving van de OVSE is de
geplande uitbreiding van de Europese Unie met Polen, Hongarije, Tsjechië, Slovenië,
Slowakije, de Baltische staten, Roemenië, Bulgarije, Cyprus, Malta en Turkije. In het
algemeen, mede afhankelijk van het thema, voegen de kandidaat-lidstaten van de Euro-
pese Unie zich naar de standpunten van de Europese Unie in de OVSE. Aangezien de
Europese Unie, naast de uitbreiding, er ook naar streeft de buitenlands-politieke en
militaire samenwerking tussen de lidstaten te verdiepen, lijkt het niet vergezocht te
menen dat ook dit streven, op termijn, gevolgen voor de OVSE zal hebben. Tot de Raad
van Europa zijn, in de loop van de jaren negentig, een groot – en nog steeds groeiend –
aantal Midden- en Oost-Europese landen toegetreden. Hiermee is tegelijk de rol van de
Raad van Europa aan verandering onderhevig. Naast de juridische dimensie krijgt lang-
zamerhand de politieke dimensie van de Raad van Europa tekening. Hierdoor komen
de OVSE en de Raad van Europa geregeld op elkaars terrein en een enkele keer in
elkaars vaarwater.
De hervorming en de uitbreiding van de NAVO en van de Europese Unie werpen in toe-
nemende mate hun schaduw vooruit: er ontstaat mede daardoor in de OVSE een
scheidslijn tussen de lidstaten van deze organisaties en de landen met een perspectief
op toetreding aan de ene kant, en de overige landen, die dit perspectief ontberen, aan
de andere kant. Van belang is voorts dat de Verenigde Staten en de Russische Federa-
tie, op voet van gelijkwaardigheid, deel uitmaken van de OVSE. Echter, naarmate de
Amerikaans-Russische verhoudingen verbeteren en, daarnaast, naarmate de NAVO en
de Europese Unie meer lidstaten gaan tellen en zich actiever opstellen in kwesties van
Europese veiligheid, boet de OVSE aan politiek gewicht in. Dit klemt des te meer
omdat ook de Raad van Europa zich manifesteert op terreinen waarop de OVSE zich
beweegt.
Een deel van de hier beschreven ontwikkelingen die de internationale omgeving van de
                                             7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>OVSE bepalen, heeft zich al langer geleden voorgedaan. Begin jaren negentig heeft de
OVSE zich moeten aanpassen aan de gevolgen van het einde van de Koude Oorlog. Dit
einde heeft weliswaar de deling van Europa in twee blokken beëindigd, maar ook zijn
oudere, historische tegenstellingen weer aan de oppervlakte gekomen. De internatio-
naal-politieke naschokken van de aardbeving van 1989 - 1991 – de eenwording van
Duitsland en het uiteenvallen van het Oostblok en de Sovjet-Unie – hebben zich in de
jaren negentig het sterkst doen voelen in Midden- en Oost-Europa, op de Balkan en op
het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie. Deze naschokken hebben aanpassin-
gen, beleidsmatig en institutioneel, noodzakelijk gemaakt. Organisaties zijn verdwenen
(Warschaupact en Comecon; de WEU bestaat slechts in zeer afgeslankte vorm voort);
andere zijn in de verhoudingen in Europa wezenlijke samenwerkingsverbanden geble-
ken, zij het dat in de loop van de tijd taken en missie, alsmede de samenstelling van
de deelnemende staten zijn veranderd. Zoals hiervoor al is beschreven, geldt dit niet
alleen voor de OVSE, maar ook voor bijvoorbeeld de NAVO, de Europese Unie en de
Raad van Europa. Voor de OVSE zijn in het bijzonder het uiteenvallen van het Oostblok
en van de Sovjet-Unie van betekenis geweest. Deze zorgden voor een groei van het
ledental, voor een veranderend takenpakket en voor een aanzienlijke wijziging van het
politieke krachtenveld in en om de OVSE.
De internationaal-politieke verhoudingen in en rond Europa zijn door de gebeurtenissen
op en na 11 september voor een tweede keer – na de omwentelingen van 1989 - 1991
– danig in beweging gebracht. Dit roept de vraag op hoe de internationaal-politieke orde-
ning in en rond Europa er de komende tijd uit zal zien en welke rol hierin is weggelegd
voor de OVSE. In het vervolg van dit advies zal nader op deze vraag worden ingegaan.
I.2      Van CVSE naar OVSE: een korte terugblik
In 2000 is herdacht dat de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
(CVSE) toen officieel 25 jaar bestond. De besprekingen die hebben geleid tot de oprich-
ting van de CVSE zijn in 1973 begonnen. Uiteindelijk is in 1975 de Slotakte van Helsinki
aanvaard door de staatshoofden en regeringsleiders van de 35 deelnemende landen (de
Europese staten minus Albanië, plus de Verenigde Staten en Canada). De slotverklaring
bevatte drie delen, die aanvankelijk de ‘manden’ van Helsinki werden genoemd en
tegenwoordig worden aangeduid als dimensies:
• afspraken op het gebied van veiligheidspolitiek, in het bijzonder gericht op het bevor-
   deren van wederzijds vertrouwen. Tegenwoordig wordt dit de veiligheidspolitieke
   dimensie genoemd;
• afspraken gericht op het bevorderen van samenwerking op het gebied van economie,
   wetenschap, technologie en milieu. Tegenwoordig wordt dit de economische en ecolo-
   gische dimensie (EED) genoemd;
• afspraken die de bevordering van menselijke contacten en, vooral, van de naleving
   van de rechten van de mens tot doel hebben. Deze worden in het algemeen onder de
   noemer gebracht van de menselijke dimensie.
Bij het begin van de onderhandelingen in 1973 liep de inzet van Oost en West sterk uit-
een. De toen nog bestaande Sovjet-Unie en de overige Oostblok-staten zagen de CVSE
vooral als een Europese veiligheidsconferentie, waarin de bestaande grenzen in Europa
formeel zouden worden erkend en de Oost-Europese invloedssfeer zou worden beves-
tigd. De Verenigde Staten en hun bondgenoten streefden daarentegen een dialoog op
het gebied van veiligheid en wapenbeheersing na en hechtten veel waarde aan de
gedachtewisseling over de rechten van de mens. De tien beginselen van de Slotakte van
Helsinki reflecteerden ieders inzet in voldoende mate, zodat deze in 1975 kon worden
vastgesteld.
                                             8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>In de beginselen van Helsinki werd onder andere de onschendbaarheid van grenzen
vastgelegd en werden de rechten van de mens onderschreven en tot voorwerp van zorg
van de betrokken staten verklaard. Bovendien werd verklaard dat staten zich dienden te
onthouden van inmenging in elkaars interne aangelegenheden.2 Gezien het compromis-
karakter en de innerlijke tegenstrijdigheden werd over de betekenis van de Slotakte van
Helsinki zeer verschillend gedacht. Omdat de Westerse landen zich in zijn ogen neerleg-
den bij de internationale politieke status quo in Europa sprak Solzhenitsin over het ver-
raad van Oost-Europa door het Westen. Immers, met ‘Helsinki’ zou de Sovjet-expansie
van na 1945 worden gelegitimeerd en daarmee de geldende politieke en geo-strategi-
sche verhoudingen van de Koude Oorlog, zo was de vrees van Solzhenitsin.3 Omdat
onvoldoende ontspanning van het Helsinkiproces werd verwacht voor Oost en West
schreef de New York Times:
   “The 35-nation Conference on Security and Cooperation in Europe, now nearing its
   climax after 32 months of semantic quibbling, should not have happened. Never
   have so many struggled for so long over so little.”4
In 1975 werd ook afgesproken dat het diplomatieke overleg in het kader van de Slotak-
te van Helsinki zou worden voortgezet. Dit overleg zou bekend worden als het Helsinki-
proces. De eerste twee vervolgbijeenkomsten – in Belgrado 1977 - 1978 en in Madrid
1980 - 1983 – leverden weinig resultaat op vanwege de toen nog heersende Oost-West-
tegenstelling. Alleen op het gebied van militaire vertrouwenwekkende en veiligheidsbe-
vorderende maatregelen werd enige vooruitgang geboekt, wat resulteerde in maatrege-
len waarbij landen inzicht gaven in hun militaire opbouw en installaties. Doel hiervan
was vertrouwen te kweken en de mogelijkheid te verkleinen van aanvallen als gevolg
van misverstanden. Meer vooruitgang, ook op andere terreinen, werd geboekt op de
vervolgconferentie van Wenen in de periode 1986 - 1989.
Inmiddels bleken in de praktijk van de Koude Oorlog de beginselen van Helsinki een
geducht wapen te vormen voor al diegenen die in de communistische landen ijverden
voor persoonlijke vrijheid en voor politieke rechten. In veel landen ontstonden zogeheten
Helsinki-groepen die zich richtten op de verwezenlijking van de politieke rechten in eigen
land, die immers door hun regering internationaal waren onderschreven. Ook rapporteer-
den deze groepen over schendingen van die rechten. En zo had het Helsinki-proces een
onbedoeld gevolg: steeds vaker beriepen ijveraars voor de rechten van de mens zich op
beginselen van de Slotakte. Terugblikkend constateert Kissinger, zelf in 1975 als Ameri-
kaans minister van Buitenlandse Zaken sceptisch over de Slotakte:
2  Bloed, A. ed. (1993), The Conference on Security and Co-operation in Europe – Analysis and Basic
   Documents, Dordrecht: Kluwer
3  Everts, Ph.P. (1994), De CVSE en de Raad van Europa, in: Tussen orde en chaos – A. van Staden (red.)
   (Rijksuniversiteit Leiden, DSWO Press), p. 66.
4  "European ‘Security’ ……. And Real Détente" (New York Times, 21 juli 1975, p. 20). Deze passage uit
   het commentaar wordt aangehaald in Henry Kissinger, Diplomacy (New York, Simon and Schuster,
   1994), p. 760.
                                                    9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>   “[H]eroic reformers in Eastern Europe used Basket III [de dialoog over de rechten van
   de mens] as a rallying point in their fights to free countries from Soviet domination.
   ( … ) The European Security Conference thus came to play an important dual role: in
   its planning stages, it moderated Soviet conduct in Europe and, afterward, it accele-
   rated the collapse of the Soviet empire.”5
En zo heeft de CVSE bijgedragen aan de omwentelingen in de periode 1989 - 1991 –
van de val van de Berlijnse muur tot het uiteenvallen van het Oostblok en, uiteindelijk,
de Sovjet-Unie – waar ze zelf de gevolgen van ondervindt.
Op een bijzondere top van de CVSE kwamen staatshoofden en regeringsleiders, in
november 1990, ‘Het Handvest van Parijs voor een nieuw Europa’ overeen. Hierin werd
weliswaar de Koude Oorlog begraven, maar, daarvoor kwam, behalve het onderstrepen
van het belang van democratie en markteconomie, niet zo heel veel in de plaats. Wel
werd het belang van de voorkoming van conflicten onderstreept en werd de CVSE op dat
vlak een belangrijke rol toegedacht. Daarnaast werd vooruitgang geboekt op het gebied
van wapenbeheersing door de aanvaarding van het CSE-verdrag en door uitbreiding van
het aantal CSBM’s.6 Bovendien werd een eerste, lichte institutionalisering van de CVSE
overeengekomen, in de vorm van jaarlijkse bijeenkomsten van de ministers van Buiten-
landse Zaken, de installatie van het Comité van Hoge Ambtenaren, de oprichting van
een klein secretariaat, de oprichting van een parlementaire assemblee e.d.
In 1994 werd de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking omgedoopt tot de Organi-
satie voor Veiligheid en Samenwerking (OVSE) om daarmee het karakter van een perma-
nente organisatie met eigen taken te onderstrepen.7 De nieuwe organisatie werd overi-
gens niet op een verdrag gebaseerd: net als de CVSE bleef de OVSE een politieke
organisatie waarin de afspraken tussen landen niet juridisch bindend zijn. Midden jaren
negentig verwerft de OVSE wel de status van regionale organisatie van de Verenigde
Naties onder hoofdstuk VIII van het Handvest.
De werking van de OVSE berust tot op de dag van vandaag op de politieke bereidheid
van de deelnemende staten hun onderlinge betrekkingen en hun interne beleid te onder-
werpen aan gemeenschappelijke, politieke afspraken. Deze stellen begrenzingen aan
het politieke verkeer: van deelnemende staten wordt verwacht dat ze zich houden aan
de overeengekomen ‘omgangsvormen’, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van hun
burgers. Dat doen de betrokken staten niet altijd, maar de gemaakte afspraken zijn wel
de norm. Onttrekken de deelnemende staten zich aan de norm – zie Tsjetsjenië, zie
Joegoslavië, zie de bevroren conflicten – dan kan in de OVSE worden gevraagd om
rekenschap en verantwoording; de OVSE kan evenwel niets afdwingen. Deze traditie van
overleg en consultaties, die door de jaren heen in de OVSE is opgebouwd, heeft overi-
gens wel geholpen de politieke veranderingen in Europa en in de individuele landen te
kanaliseren en is daarom op zichzelf waardevol.
5   Zie Diplomacy, pp. 759, 760.
6   Het gaat hier om het verdrag ter vermindering van de Conventionele Strijdkrachten in Europa (CSE-ver-
    drag), gesloten in 1990 en om verdere afspraken op het gebied van vertrouwenwekkende en veiligheids-
    bevorderende maatregelen (CSBM’s) die tot doel hebben inzicht te verschaffen in de militaire opbouw en
    militaire installaties van de betrokken landen.
7   Feitelijke gegevens zijn ontleend aan het ministerie van Buitenlandse Zaken, Organisatie voor Veiligheid
    en Samenwerking in Europa (OVSE)/fact sheet (juni 2001).
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Onder andere door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië groeide, in de
loop van de jaren negentig, het aantal deelnemende staten van de OVSE tot 55. Deze
staten, maar ook de Midden-Europese landen, zochten echter vooral toenadering tot de
NAVO en de Europese Unie. In de eerste helft van de jaren negentig werd veelal gespro-
ken over “interlocking institutions” om het complementaire karakter van de verschillen-
de (veiligheids)organisaties te onderstrepen. In dit licht moet ook het aanbod van de
NAVO en het GOS worden gezien om in opdracht van de OVSE (en/of van de Verenigde
Naties) vredesoperaties uit te voeren. In de praktijk is het daar voor wat betreft de
OVSE niet van gekomen. Het is in deze periode dat de internationale gemeenschap op
zoek is gegaan naar antwoorden op de etnische spanningen en conflicten die zich voor-
deden rond minderheden, onder andere in het voormalige Joegoslavië en in de Kauka-
sus. Het Nederlands initiatief te komen tot instelling van de functie van Hoge Commis-
saris inzake Nationale Minderheden (HCNM) van de OVSE stamt uit deze tijd. De Hoge
Commissaris is in de loop van de jaren negentig uitgegroeid tot een paradepaard van de
OVSE. Max van der Stoel – die deze functie tot en met juni 2001 heeft bekleed – slaag-
de er in, met zeer beperkte financiële middelen en met een beperkt politiek instrumen-
tarium, etnische spanningen in tal van landen te helpen verminderen. Inmiddels is de
Zweedse diplomaat Ekeus aangetreden als HCNM. Los van de vraag op welke wijze
deze precies zijn mandaat zal invullen – het is nog te vroeg daarover iets te zeggen –
is het duidelijk dat de functie van HCNM zich in het hart bevindt van de OVSE en haar
nader gestroomlijnde activiteiten.
Om voormalige communistische landen te helpen de overgang naar een democratisch
politiek stelsel vreedzaam te doen verlopen, werd begin jaren negentig, wat later is
gaan heten het ‘Office for Democratic Institutions and Human Rights’ (ODIHR) in het
leven geroepen. Het ODIHR helpt landen verkiezingen te organiseren, onder andere
door training en opleiding, en moedigt landen aan verkiezingswaarnemers uit te nodi-
gen, zodat het verloop van verkiezingen inzichtelijk is voor buitenstaanders. Inmiddels
verandert de verkiezingswaarneming door ODIHR in omvang en van karakter. Het aantal
landen waar het noodzakelijk is de integriteit van verkiezingen te bewaken en vast te
stellen, neemt langzamerhand af. Daarentegen beperkt de waarneming zich niet tot de
dag van de verkiezingen, maar strekt zij zich uit over de organisatie van en de aanloop
naar de verkiezingen. Zo wordt onder andere gekeken naar de registratie van kiezers
en kandidaten, naar de rol van de media, naar de wijze waarop informatie wordt ver-
strekt en campagne wordt gevoerd, naar de organisatie van het stemmen en naar de
uiteindelijke installatie van degenen die zijn gekozen. In enkele gevallen, zoals in Bos-
nië en Kosovo, heeft de OVSE de organisatie van de verkiezingen op zich genomen. De
waarneming gebeurt dan door andere organisaties.8
Ook de organisatie van het overleg in de OVSE is in de loop van de tijd veranderd.
Tegenwoordig staat de Permanente Raad in het overleg in de OVSE centraal. Daarin zijn
de 55 deelnemende staten vertegenwoordigd op het niveau van ambassadeurs. Hierin
kunnen alle onderwerpen aan de orde worden gesteld die in de OVSE spelen. Eén van
de deelnemende staten zit de Permanente Raad voor. Deze voorzitter wisselt jaarlijks
en wordt in de zogenoemde trojka bijgestaan door het inkomende en uitgaande voorzit-
terschap. Naast de Permanente Raad is er het Forum voor Veiligheidssamenwerking,
8  Zie hiervoor onder andere de brief aan de Tweede Kamer van de minister van Buitenlandse Zaken Van
   Aartsen over de ministeriële raad van de OVSE in Wenen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000 -
   2001, 26 355, nr. 4, 28 maart 2001).
                                                   11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>dat zich in hoofdzaak bezighoudt met veiligheidspolitieke onderwerpen en wapenbe-
heersing. Het overleg op het gebied van wapenbeheersing kent zijn eigen cyclus van
voorzitters en zijn eigen werkritme. De secretaris-generaal van de OVSE – momenteel
de Slowaakse diplomaat Kubis – ondersteunt in hoofdzaak het voorzitterschap van de
Permanente Raad bij zijn coördinerende rol en speelt slechts een bescheiden zelfstan-
dige rol.
De OVSE is als organisatie danig gegroeid. Het aantal missies is in de tweede helft van
de jaren negentig hand over hand toegenomen en het budget is in dezelfde periode ver-
veelvoudigd. De structuur om aan de missies leiding te geven, alsook om geschikt per-
soneel te werven voor de missies en om het budget verantwoord te besteden zijn daar-
bij achtergebleven. Hoewel de OVSE bezig is aan een imposante inhaalslag om deze
organisatorische tekortkomingen te boven te komen, hebben deze het overleg binnen
de organisatie menigmaal bemoeilijkt en in de hand gewerkt dat de Permanente Raad in
de praktijk een groot deel van zijn bijeenkomsten besteedt aan overleg over uitvoering
van eerder genomen beslissingen en (budget)beheer. Ondanks de groei van het budget
blijft de OVSE een relatief goedkope organisatie voor de deelnemende staten.9 Op de
besluitvorming, het voorzitterschap en de missies wordt in hoofdstuk II nader ingegaan.
I.3       De taken en dimensies van de OVSE
Tijdens de Koude Oorlog fungeerde de CVSE als multilateraal forum dat een platform
bood voor overleg tussen Oost en West. De contacten op politiek en diplomatiek
niveau waren schaars en alleen al daarom vervulde de CVSE een waardevolle functie.
Voorwerp van overleg waren de internationaal overeengekomen normen op het gebied
van de rechten van de mens en maatregelen op het gebied van wapenbeheersing, dit
laatste in een poging vertrouwen te scheppen en de kans op misverstanden en verras-
singsaanvallen te minimaliseren. Zoals is beschreven in I.1 ontmoeten de landen van
Oost en West elkaar na de omwentelingen van 1989 - 1991 geregeld, in het bijzonder
in en rond de NAVO en de Europese Unie.
Met het wegvallen van de Oost-Westtegenstelling is ook de functie van de C/OVSE als
ontmoetingsplaats tussen de blokken weggevallen. Het spreekt daardoor niet langer
vanzelf dat de OVSE hét platform is voor overleg en dialoog, te minder daar de landen
van Oost en West elkaar tegenwoordig ook in andere fora ontmoeten. Aangezien de
CVSE aan haar functie van ontmoetingsplaats tussen Oost en West gedurende de
Koude Oorlog haar bestaansrecht ontleende, hoeft het geen verbazing te wekken dat
bij haar opvolger, de OVSE, momenteel onzekerheid bestaat over haar rol en taken.
Kortweg kan de kerntaak van de OVSE worden omschreven als het bevorderen van vei-
ligheid en (proberen te) voorkomen van conflicten. Centraal daarbij staan de begrippen
“comprehensive security” en “cooperative security”; beide kunnen worden vertaald met
alomvattende veiligheid en veiligheid die in samenwerking dient te worden bereikt.
Beide zijn in de loop van de jaren negentig geïntroduceerd in een poging – na het weg-
vallen van de functie van ontmoetingsplaats tussen de blokken – een vlag te vinden die
de lading dekt van alle activiteiten die de OVSE in de loop van de tijd is gaan ontplooi-
en. “Comprehensive security” betekent dat veiligheid niet alleen in militaire termen
9   Het totale budget van de OVSE bedroeg in 2001 200,8 miljoen Euro, waarvan ruim 75% werd uitgege-
    ven aan veldactiviteiten. Zie OSCE – Facts and figures, http://www.osce.org/general/budget/.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>wordt gedefinieerd. Factoren van uiteenlopende aard – onder andere economisch,
ecologisch, sociaal, schendingen van de rechten van de mens of van minderheden –
kunnen aan de basis van conflicten liggen. De OVSE kan zich bij conflictvoorkoming of
bij wederopbouw dan ook richten op zeer verscheiden aspecten van (on)veiligheid. Aan
het begrip “cooperative security” ligt de gedachte ten grondslag dat veiligheid een
gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de betrokken landen of partijen en dat deze
daarom niet tegen maar met de ander tot stand dient te worden gebracht. Nadeel van
beide begrippen is dat ze geen focus, geen zwaartepunt bieden voor de activiteiten die
de OVSE ontplooit. Er kunnen geen criteria uit worden afgeleid welke taken wel bij de
OVSE horen en welke niet. Met “comprehensive” of “cooperative security” als grond-
slag kan de OVSE – weliswaar vaak met goede argumenten – zeer uiteenlopende activi-
teiten ontplooien. En dat gebeurt dan ook.
Ondanks de introductie van de omnibusbegrippen van “comprehensive security” en
“cooperative security”, bestaat nog altijd onvoldoende samenhang in de veelheid en
verscheidenheid van activiteiten van de OVSE. Deze begrippen zijn zo ruim dat ze er
onvoldoende aan hebben bijgedragen de veiligheidsbelangen van de OVSE-staten op
elkaar af te stemmen. Overigens is de OVSE geen verdedigingsorganisatie. Collectieve
defensie is nooit het oogmerk geweest. De OVSE heeft immers geen machtsmiddelen
om veiligheid in en tussen de deelnemende staten tot stand te brengen.
Nadat, in het begin van de jaren negentig, de OVSE een belangrijke rol werd toebe-
dacht bij de voorkoming van conflicten, kreeg de OVSE in de loop van de jaren negentig
ook taken op de gebieden van de vreedzame beslechting van geschillen tussen staten,
de beheersing van crises (crisismanagement) en de wederopbouw na conflicten. De
activiteiten van de OVSE op de gebieden van wapenbeheersing en de menselijke
dimensie liepen gewoon door.10
Welke omschrijving ook voor het takenpakket van de OVSE wordt gebruikt, duidelijk is
dat de deelnemende staten er niet in zijn geslaagd om het inhoudelijke vacuüm van de
OVSE, ontstaan na het wegvallen van de Oost-West tegenstelling, adequaat en ondub-
belzinnig op te vullen.
Hieronder zal kort worden ingegaan op de activiteiten die de OVSE in het kader van
haar drie dimensies ontplooit.
I.3.1    De veiligheidspolitieke dimensie van de OVSE
De OVSE is de enige pan-Europese veiligheidsorganisatie. Eigenlijk is zij iets meer dan
dat, want niet alleen alle Europese staten nemen deel aan het overleg in de OVSE, ook
de Verenigde Staten, Canada en de Centraal-Aziatische staten zitten rond de tafel. De
OVSE mag dan niet de overkoepelende betekenis hebben gekregen die sommigen
ervan verwachtten, in het Forum voor Veiligheidssamenwerking in Wenen wordt wel
wekelijks overlegd over veiligheidspolitiek tussen 55 landen. Eerder, in I.2, is aangege-
ven dat dit overleg en deze consultaties op zich waardevol zijn.
Om stabiliteit te helpen scheppen en crises te dempen, kent de veiligheidspolitieke
dimensie van de OVSE een verscheidenheid aan instrumenten als vertrouwenwekkende
en veiligheidsbevorderende maatregelen op militair gebied (onder andere openheid van
defensieplanning en aanmelding van troepenbewegingen), wapenbeheersing (met de
10 htpp://www.osce.org/e/dimecon.htm
                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>mogelijkheid van controle op de naleving van afspraken), vroegtijdige waarschuwing en
actie via voortdurende consultaties, het uitsturen van missies, de HCNM en de vreed-
zame beslechting van geschillen door arbitrage. Verschillende van de genoemde instru-
menten kunnen ook functies hebben voor de andere dimensies van de OVSE. Het
instrument van de geschillenbeslechting is overigens in de praktijk nog niet gebruikt.
Op de top van de OVSE van staatshoofden en regeringsleiders in 1999 is het Handvest
over Europese Veiligheid ondertekend. Hierin worden onder andere veiligheidsrisico’s
voor het OVSE-gebied geanalyseerd, zoals internationaal terrorisme, georganiseerde
misdaad, drugshandel, de verspreiding van kleine en lichte wapens, acute economi-
sche veranderingen, milieuvervuiling en instabiliteit in het Middellandse Zeegebied of
Centraal-Azië. Het Handvest herbevestigt de taken van de OVSE op het gebied van de
veiligheidspolitiek en de elementaire beginselen van de OVSE. Het bijbehorende plat-
form voor coöperatieve veiligheid bevat maatregelen ten behoeve van de samenwerking
van de OVSE met andere internationale organisaties.
In januari 2002 is bovendien het Open Skies-verdrag in werking getreden. Dit biedt ver-
dragspartijen de mogelijkheid vanuit vliegtuigen elkaars militaire installaties en opstel-
ling te inspecteren. Ook het grondgebied van de Verenigde Staten en Canada valt
onder de werking van dit verdrag, wat niet het geval is bij andere wapenbeheersingsver-
dragen die onder de vleugels van de OVSE zijn gesloten. Het Open Skies-verdrag kan
worden opgevat als één grote vertrouwenwekkende maatregel op militair gebied en
draagt als zodanig beperkt bij aan de verdere openheid in de OVSE op militair gebied.
Idealiter dient elke bedreiging van de veiligheid in het OVSE-gebied op de agenda van
het overleg in de OVSE te verschijnen. In de praktijk gebeurt dat echter lang niet altijd
of pas in een stadium waarin een conflict al is uitgebroken. Ten slotte hoeven betrok-
ken staten niet te reageren wanneer in de OVSE een conflict aan de orde wordt
gesteld. Daarnaast heeft de OVSE te kampen met enkele zogenoemde ‘bevroren con-
flicten’, waarop zij, ondanks de bovengenoemde instrumenten, onvoldoende vat heeft
weten te krijgen om een oplossing dichterbij te kunnen te brengen. Het gaat onder
andere om Nagorno Karabach (waar Azerbaijan en Armenië tegenover elkaar staan),
Georgië - Ossetië (waarbij naast de direct betrokken partijen ook de Russische Federa-
tie een rol speelt) en om Moldavië - Transdnjestrië. Overigens heeft de OVSE-missie ter
plaatse in sommige van deze gevallen wel een staakt-het-vuren weten te bewerkstelli-
gen of geholpen bij het organiseren van de inzameling van wapens en/of de vernieti-
ging van munitie.
De vraag is in hoeverre de aanpak in de veiligheidspolitieke dimensie van de OVSE nog
relevant is voor de veiligheidskwesties waarmee de landen van de OVSE te maken heb-
ben. Zo stamt het overgrote deel van de resultaten op het gebied van wapenbeheer-
sing nog uit de periode van de Koude Oorlog of van vlak daarna. Het verdrag over Con-
ventionele Stabiliteit in Europa (het CSE-verdrag), de vertrouwenwekkende maatregelen
op militair gebied en het Open Skies-verdrag zijn in een ander licht komen te staan nu
tal van staten militair samenwerken, in hoofdzaak in en rond de NAVO. Het Forum blijft
steken in technisch getint overleg over al gemaakte afspraken op het gebied van
wapenbeheersing, terwijl over een nieuwe veiligheidsagenda momenteel geen overeen-
stemming kan worden bereikt in Wenen. De achtergrond hiervan is de wens die bij veel
deelnemende staten leeft – doch niet bij alle – om de relatief zelfstandige positie van
het Forum voor Veiligheidssamenwerking te beëindigen en hiervan een voorbereidend
comité te maken voor het overleg in de Permanente Raad. Zo zou de mogelijkheid
ontstaan om veiligheidsvraagstukken beter in hun politieke context te plaatsen en
                                             14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>bovendien het overleg in de OVSE kunnen worden gestroomlijnd. Zolang deze kwestie
niet naar tevredenheid kan worden opgelost, kan in het Forum voor Veiligheidssamen-
werking, zoals gezegd, geen overeenstemming over een nieuwe veiligheidsagenda wor-
den bereikt.
De OVSE teert nog te veel op successen uit het verleden waar het gaat om wapenbe-
heersing. De AIV beveelt het Nederlands voorzitterschap aan te bezien – en in de OVSE
te bespreken – welke van de bestaande afspraken op het gebied van wapenbeheersing
in de huidige, internationale veiligheidssituatie prioriteit verdienen. Tevens is het van
het grootste belang dat het Forum voor Veiligheidssamenwerking niet de aansluiting
verliest met het overleg en de consultaties in de OVSE in het algemeen en die in de
Permanente Raad in het bijzonder. Welke vorm daarvoor wordt gevonden (het Forum
als voorbereidend comité van de Permanente Raad, een volledige fusie tussen beide
overlegfora of andere modaliteiten) is van minder belang dan dat de veiligheidspolitieke
dimensie van de OVSE volwaardig blijft functioneren. Mist het Forum voor Veiligheids-
samenwerking deze aansluiting, dan dreigt het politiek irrelevant te worden.
I.3.2     De economische en ecologische dimensie
De economische en ecologische dimensie van de OVSE (EED) krijgt in het algemeen
minder aandacht dan de veiligheidspolitieke en humanitaire dimensie. Dit gold al voor
de periode van de Koude Oorlog en geldt nog steeds. Alleen gedurende de jaren 1989 -
1991, direct na het einde van de Koude Oorlog, stond de EED meer in de belangstel-
ling omdat de voormalige communistische landen voor hun overgang naar een markt-
economie hoopten hun voordeel te kunnen doen met de EED. Later zijn deze landen
zich hiervoor gaan richten op andere internationale organisaties, de Europese Unie in
het bijzonder.
In de Slotakte van Helsinki uit 1975 spraken de 35 staten die toen deel uitmaakten
van de CVSE, de overtuiging uit dat ‘efforts to develop co-operation in the fields of
trade, industry, science and technology, the environment and other area’s of economic
activity contribute to the reinforcement of peace and security in Europe, and in the
world as a whole’.11 Alomvattende veiligheid (zie I.3), zo is tot op de dag van vandaag
de leidende gedachte in de OVSE, vindt haar wortels mede in een gezonde economie
en daarop gebaseerde handelsrelaties. Tegen deze achtergrond werd in het kader van
de Slotakte de zogenoemde ‘tweede mand’ voor economische samenwerking in het
leven geroepen. Sinds 1975 zijn diverse bijeenkomsten belegd waarin is geprobeerd
aan deze afspraken nader inhoud te geven. In het bijzonder de ‘Conferentie inzake Eco-
nomische Samenwerking in Europa’ in Bonn in 1990 leverde enkele voor die tijd – de
Muur was gevallen, maar de Sovjet-Unie bestond nog – aansprekende resultaten op.
Deze lagen op zulke uiteenlopende terreinen als de omarming van de idee van de vrije
markt, de relatie tussen een democratisch systeem van besluitvorming en economi-
sche en sociale vooruitgang, de waarde van individueel eigendom, zakenpartners die
hun eigen beslissingen kunnen nemen (en niet langer worden gezien als louter een
schakel in een geleide economie), het recht van vrije vakvereniging, etc.12
11 Ministerie van Buitenlandse Zaken, Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa, publicatie
    nr. 115, Den Haag, 1976, p. 269. Het citaat is de openingszin van de ‘tweede mand’ van de Slotakte.
12 Het document van de bijeenkomst te Bonn is afgedrukt in: Bloed (ed.), 1993, p. 425 e.v.
                                                    15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>In 1992 besloot de CVSE-ministerraad in Praag tot de oprichting van het Economisch
Forum.13 Door conferenties en seminars te organiseren, door standaarden en normen
voor gedrag op het vlak van de economie en het milieu voort te brengen en uit te dra-
gen en door samenwerking te zoeken met relevante internationale organisaties, ontwik-
kelde de EED zich tot wat zij nu is. Voorlopig sluitstuk van deze ontwikkeling is het
besluit een coördinator voor de economische en milieuactiviteiten van de OVSE aan te
stellen.14
Al met al mag de conclusie zijn dat de EED van de OVSE gaandeweg vorm heeft gekre-
gen, ook al zijn de resultaten beperkt en krijgt zij gemiddeld minder aandacht dan de
veiligheidspolitieke en de humanitaire dimensie. Dit gebrek aan aandacht wordt wel
geweten aan het gebrek aan economische deskundigheid bij de delegaties van de deel-
nemende staten bij de OVSE in Wenen.15 Belangrijker in dit verband is misschien wel
dat de OVSE niet over fondsen beschikt om economische ontwikkeling te stimuleren.
Hier is de OVSE in het nadeel ten opzichte van andere internationale organisaties, de
Europese Unie in het bijzonder, aangezien deze veelal wel één of andere vorm van sti-
mulerend beleid kunnen voeren. De OVSE beschikt wel over – zeer beperkte – negatie-
ve sancties, maar niet over positieve.
Met het oog op de beperkingen die de OVSE op dit vlak kent, rept Thomas Price, tot hal-
verwege 2001 de economisch coördinator van de OVSE, van de vier c’s: de OVSE dient,
in het kader van de EED, vooral als katalysator op te treden (“catalyzing”); de juiste
mensen rond de tafel te krijgen (“convening”) teneinde bij te dragen aan de voorkoming
of oplossing van de economische of ecologische aspecten van tegenstellingen of con-
flicten; bij te dragen aan de publieke bewustwording (“consciouness-raising”), in het bij-
zonder van de afspraken die regeringen van deelnemende staten hebben gemaakt; tot
slot dient de OVSE zich in EED-kader niet bezig te houden met het inventariseren van
economische en ecologische risico’s van deelnemende staten (“cataloguing”), aange-
zien andere organisaties hier op grond van hun deskundigheid en ervaring beter toe in
staat zijn.16
De AIV is van oordeel dat de OVSE zich in het kader van de EED in hoofdzaak dient te
richten op conflictvoorkoming en op het indammen van tegenstellingen. Deze doelen
kan de OVSE nastreven door als katalysator op te treden in de samenwerking met
andere internationale organisaties die zich bewegen op de gebieden economie en/of
milieu. Door hun mandaat, deskundigheid en opgedane ervaring kunnen andere organi-
saties, beter dan de OVSE, gerichte en doeltreffende activiteiten op dit vlak ontplooien.
13 De doelstellingen van het economisch forum zijn “to give political stimulus to the dialogue on the transi-
    tion to free-market economies, to suggest practical means of developing free-market systems and
    economic co-operation, and to encourage activities with relevant international organizations”,
    zie http://www.osce.org/e/dimecon.htm.
14 De economisch coördinator is belast met “strengthening the ability of the Permanent Council and the
    OSCE institutions to address economic, social and environmental aspects of security”. Voor een verdere
    omschrijving van zijn taken, zie: http://www.osce.org/e/dimecon.htm.
15 Zie voor dit oordeel onder andere Price, T.L. (november 2001), The OSCE’s economic dimension:
    Lessons learned, in: Helsinki Monitor, (pp. 165 – 176), p. 167.
16 Price, 2001, p. 169 – 171.
                                                     16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>De OVSE dient in dit verband vooral als platform te fungeren voor informatie-uitwisse-
ling over activiteiten met andere internationale organisaties op het vlak van economie
en milieu. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan de Europese Unie, de Wereld-
bank, het IMF, de OESO, de ERBD en de Economische Commissie voor Europa van de
Verenigde Naties. In het bijzonder zou de OVSE zich op dit vlak dienen te richten op de
landen die – vooralsnog – geen perspectief hebben op toetreding tot de Europese Unie,
aangezien kan worden verwacht dat deze landen zich het meest ontvankelijk zullen
tonen voor assistentie en steun van de OVSE in het kader van de voorkoming van
conflicten.
I.3.3     De menselijke dimensie
De menselijke dimensie is altijd van eminente betekenis (geweest) voor de OVSE. Hier-
voor is al gewezen op het gebruik door de Helsinki-groepen in toenmalige communisti-
sche landen van de normering op het gebied van de rechten van de mens. Richtte men
zich gedurende de Koude Oorlog in hoofdzaak op menselijke contacten, informatie-uit-
wisseling en cultuur, met de vervolgconferentie in Wenen van 1986 - 1989 kwam het
overleg over normstelling en over institutionalisering pas goed op gang. Sinds die tijd is
ook de term menselijke dimensie in zwang. De huidige afspraken op dit gebied zijn in
belangrijke mate na 1989 gemaakt. Daarbij moet in de eerste plaats worden gedacht
aan het ‘Handvest van Parijs voor een nieuw Europa’ uit 1990, maar ook aan de resul-
taten van de bijeenkomsten over de menselijke dimensie in Kopenhagen uit 1990 en
in Moskou uit 1991, het rapport van de OVSE-bijeenkomst van deskundigen over natio-
nale minderheden in Genève uit 1991 en de besluiten van de top van Helsinki uit
1992.17 De institutionalisering van de menselijke dimensie heeft onder andere plaats-
gevonden met de oprichting van het ‘Office for Democratic Institutions and Human
Rights’ (ODIHR) en de Vertegenwoordiger voor de Vrijheid van de Media. Ook al staan
de activiteiten van de HCNM in eerste instantie ten dienste van de voorkoming van
conflicten, deze zijn ook van belang voor de menselijke dimensie.
Gedurende het begin van de jaren negentig hebben in het bijzonder Midden- en Oost-
Europese staten zich beijverd om bij te dragen aan de normstelling op het gebied van
de rechten van de mens. Opvallend in dit verband was het optreden van de Sovjetdele-
gatie, die, op het moment dat net een couppoging in Moskou was verijdeld en de Sov-
jetunie verkruimelde, vergaande voorstellen deed over de bescherming van democra-
tisch gekozen regeringen tegen ondemocratische krachten, over democratische
controle van de strijdkrachten en over juridische waarborgen tijdens een door de rege-
ring uitgeroepen uitzonderingstoestand. Inmiddels mag de opvatting dat vrede en veilig-
heid het best zijn gediend met democratie, “the rule of law” en de rechten van de
mens tot het OVSE-acquis worden gerekend.18 Deze horen bij het alomvattend veilig-
heidsbegrip van de OVSE.
De uitvoering van de gemaakte afspraken op het gebied van de menselijke dimensie
staat centraal bij de periodieke implementatiebijeenkomsten, die in hun huidige opzet
sinds 1993 worden gehouden. Momenteel buigt een zogenoemde denktank onder
17 In Paragraaf 8, Helsinki Summit Declaration is nog eens bevestigd, wat al in 1991 in Moskou was vast-
    gelegd, namelijk dat de verbintenissen en afspraken op het gebied van de menselijke dimensie “are
    matters of direct and legitimate concern to all participating States and do not exclusively belong to the
    internal affairs of the States concerned”.
18 Top van Istanbul, Charter for European Security, 19 november 1999, paragraaf 14.
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>leiding van de Noorse permanent vertegenwoordiger Eide zich over een andere aanpak
van deze bijeenkomsten met het doel de effectiviteit ervan te vergroten. De klacht die
wel wordt gehoord, onder andere van NGO’s, is dat op deze conferenties alle afspraken
in hun geheel aan de orde komen, wat wel dikke rapportages oplevert, maar geen
besluiten met politieke doorwerking. Een andere klacht is dat er te weinig sprake is van
een dialoog, aangezien voor het overgrote deel kwesties aan de orde worden gesteld
die spelen in het Oosten van Europa, op de Balkan of op het grondgebied van de voor-
malige Sovjet-Unie. Dit leidt tot de klacht dat met twee maten wordt gemeten. De dis-
cussie over een andere aanpak richt zich onder andere op de gedachte deze bijeenkom-
sten te beperken tot enkele onderwerpen, dus een beperkte agenda, wat de mogelijk-
heid van uitdieping van de dialoog biedt. Tevens wordt bekeken hoe vaak implementatie-
bijeenkomsten dienen te worden gehouden en wat de relatie dient te zijn met het over-
leg in de Permanente Raad. Daarnaast wordt bekeken op welke wijze NGO’s nauwer bij
de implementatiebijeenkomsten kunnen worden betrokken. Belangrijke NGO’s als Amne-
sty International laten geregeld verstek gaan omdat zij menen dat van hun deskundig-
heid onvoldoende gebruik wordt gemaakt en dat de implementatiebijeenkomsten onvol-
doende opleveren.
Ook in de OVSE-missies komt de menselijke dimensie aan bod. In het algemeen is een
verwijzing ernaar opgenomen in het mandaat van missies; in enkele gevallen, zoals bij-
voorbeeld bij Kosovo, Bosnië of Kroatië, vormt de menselijke dimensie zelfs de kern van
het mandaat. In het recente verleden, bij de inmiddels afgeronde missies in Estland,
Letland en Oekraïne, maakten kwesties rond nationale minderheden deel uit van het
mandaat. Bijna alle missies kennen een lid dat is belast met de menselijke dimensie
(“human rights officers”). Volgens afspraak sluit ODIHR ‘Memoranda of Understanding’
met landen, op de naleving waarvan het nauw toeziet. Menselijke veiligheid en de men-
selijke dimensie zijn dan ook stevig verankerd in de veldactiviteiten van de OVSE. Daar-
om leeft in Wenen, in het kader van de bovenomschreven discussie over een andere
aanpak van de implementatiebijeenkomsten van de menselijke dimensie, de gedachte
om voortaan ook de “human rights officers” voor deze bijeenkomsten uit te nodigen.
Op het vlak van de menselijke dimensie bestaat een nauwe samenwerking tussen de
OVSE en de Raad van Europa. De onderwerpen waarmee beide organisaties zich bezig-
houden, overlappen elkaar grotendeels, zoals daar zijn bescherming van de rechten van
de mens, de waarneming van verkiezingen, de versterking van de democratie en het juri-
disch systeem en de bescherming van minderheden. Ook het lidmaatschap van de
OVSE en de Raad van Europa vertoont in toenemende mate overlap, zij het dat de Ver-
enigde Staten en Canada – andere landen daargelaten – geen lid zijn van de Raad van
Europa. Hoewel de beide organisaties hun inspanningen meer en meer op elkaar
afstemmen, gaat het in incidentele gevallen nog mis. Zo heeft de concurrentiestrijd om
toegang tot Tjsetsjenië de zaak van het op de hoogte blijven van hetgeen zich afspeelt
in en rond de gewapende strijd aldaar, geen goed gedaan. Hoewel de OVSE en de Raad
van Europa zich in de tweede helft van 2001 tegen elkaar hebben laten uitspelen, kan
niet worden ontkend dat de afstemming van activiteiten de laatste jaren aanmerkelijk is
verbeterd. De uitwisseling van informatie tussen beide organisaties verloopt goed. De
vraag is of inmiddels de tijd rijp is om ook gemeenschappelijke activiteiten te
                                             18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>ontwikkelen.19 Aangezien Nederland vanaf november 2003 (ook) het voorzitterschap
van de Raad van Europa bekleedt, verkeert het in een unieke positie de mogelijkheden
hieromtrent te onderzoeken.
I.3.4      Verwevenheid van de drie dimensies van de OVSE
Gezien de centrale plaats die het begrip alomvattende veiligheid inneemt in de OVSE,
zijn de veiligheidspolitieke, de economische en ecologische en de humanitaire dimen-
sie van de OVSE nauw met elkaar verweven. Om stabiliteit te bevorderen, veiligheid te
bereiken, dan wel conflicten te voorkomen kunnen de drie dimensies van de OVSE niet
los van elkaar worden gezien. Bekeken vanuit het begrip van alomvattende veiligheid,
zijn ze alle drie onontbeerlijk. Immers, het overgrote deel van de problemen en kwes-
ties die spelen op het gebied van veiligheid, kent, naast veiligheidspolitieke, ook eco-
nomische en/of humanitaire aspecten. In dit licht is de laatste jaren tijdens menige
OVSE-bijeenkomst gewezen op de fundamentele betekenis van de EED voor de activitei-
ten van de OVSE.
Ook Van der Stoel heeft in zijn hoedanigheid van HCNM het belang van de verweven-
heid van de drie dimensies van de OVSE geregeld onderstreept.20 Tegenwoordig wordt
nog zelden bestreden dat economische factoren van belang zijn voor conflictpreventie,
ook wanneer minderheden in het geding zijn. Bij een verslechtering van de economi-
sche toestand van een land is de kans op sociale spanningen groot. Treden deze wer-
kelijk op, dan komen minderheden al snel in aanmerking voor de rol van zondebok. De
andere kant van de medaille is dat een doeltreffende aanpak van minderheden-kwes-
ties vaak investeringen in sociaal-getinte projecten vereist, zoals taalonderwijs of televi-
sie met programma’s in minderhedentalen. Met relatief bescheiden middelen kunnen
dan resultaten worden geboekt, terwijl, indien een conflict uitbreekt, de kosten van
hulp achteraf veel groter zullen zijn.
De economische en ecologische aspecten van de problemen en kwesties die spelen op
het gebied van veiligheid duiden op een verwevenheid van onderwerpen die tezamen
de voedingsbodem kunnen vormen van tegenstellingen en conflicten. Daarom dient ook
EED integraal deel uit te maken van de veiligheidsagenda van de OVSE, aldus Thomas
Price.21
19 Zie hiervoor Netherlands Ministry of Foreign Affairs, Alliance for Human Rights and Democracy (The
    Hague, 5 June 1998) en de brief aan de Tweede Kamer van de minister van Buitenlandse Zaken Van
    Aartsen van 14 december 2001 over de relatie tussen de OVSE, de Europese Unie en de Raad van
    Europa. In het bijzonder de brief aan de Tweede Kamer laat zien, aan de hand van voorbeelden, dat de
    afstemming en uitwisseling van informatie tussen de Raad van Europa en de OVSE intensief is.
20 Recent nog schreef Van der Stoel: “De Balkan-landen hebben dringend behoefte aan economische stimu-
    lansen die een perspectief kunnen bieden voor meer welvaart in de toekomst. Dit is overigens ook in het
    licht van de inter-etnische problematiek van belang. In een neergaande economie met massale werkloos-
    heid dreigen ook gevaren van toenemende spanningen tussen de verschillende etnische groeperingen”.
    Van der Stoel, M. (oktober 1999), Is ineenstorting van multi-etnische staten in Zuidoost-Europa onvermij-
    delijk?, in: Internationale Spectator, pp. 517 - 518.
21 Op het Fact Sheet Economic and Environmental Dimension van de OVSE (januari 2001) wordt Price als
    volgt geciteerd: “Growing income disparities within and between countries have also contributed to heigh-
    tening the risk of conflict. While the tensions that develop are often expressed in ethnic or religious
    terms, the underlying causes are economic”.
                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Er zijn legio andere voorbeelden van deze verwevenheid. In dit verband kan onder ande-
re worden gewezen op de onderlinge afhankelijkheid van de Centraal-Aziatische landen
voor hun watervoorziening en op hun afhankelijkheid van Rusland op dit vlak, met alle
milieuproblemen van dien; op de problemen met land en water in de Fergana vallei,
waar Oezbekistan, Tadzjikistan en Kyrgyzstan aan elkaar grenzen; op de desastreuze
gevolgen van de nucleaire proeven uit de Sovjet-tijd voor Kazachstan; op de gevolgen
van de ramp met de kerncentrale van Tsjernobyl; en, tot slot, op het opdrogen en de
vervuiling van het Aralmeer. De menselijke dimensie komt in beeld als men ziet dat
een belangrijk aspect van de positie van nationale minderheden is gelegen in hun
economische achterstelling. In dit verband is geregeld gewezen, onder meer door de
HCNM, op de achtergestelde positie van Roma en Sinti. Het patroon is dat een econo-
mische recessie de problemen verergert, ten gevolge waarvan de intolerantie ten
opzichte van minderheden verder toeneemt doordat het gebrek aan werk en welvaart
wordt afgewenteld op de meest kwetsbare groepen.22 In dit verband kan worden
gesproken van een vicieuze cirkel van slecht bestuur, endemische corruptie, armoede,
milieudegradatie en schendingen van de rechten van de mens; een vicieuze cirkel die
afdoet aan de veiligheid.23
Op grond van hoofdstuk I komt de AIV tot de volgende bevindingen:
• De plaatsbepaling die hier is gegeven van de OVSE brengt de AIV tot de slotsom dat
   de OVSE – deels in aanvulling op, deels in samenwerking met andere internationale
   organisaties – nog altijd een waardevolle rol heeft te vervullen in de betrekkingen
   tussen de staten die aan de OVSE deelnemen.
• De OVSE biedt een wezenlijk platform voor voortdurende consultaties en overleg
   tussen de deelnemende staten. Deze traditie van overleg is op zichzelf van waarde.
   Daarnaast is de OVSE de enige regionale organisatie voor samenwerking op het
   gebied van veiligheid waarvan de Verenigde Staten en de Russische Federatie op
   voet van gelijkwaardigheid deel uitmaken. Bovendien is van belang dat de Centraal-
   Aziatische landen deel uitmaken van de OVSE.
• De begrippen “comprehensive security” en “cooperative security” zijn zo ruim dat ze
   nauwelijks beperkingen stellen aan de activiteiten en de taken van de OVSE. Deze
   kunnen zich bovendien afspelen in drie dimensies, ieder met eigen kenmerken en
   een eigen dynamiek. De OVSE is dan ook een regionale organisatie die het mandaat
   en de deskundigheid heeft om veiligheidsproblemen in een breed kader aan te pak-
   ken. De andere kant van de medaille is echter dat de OVSE een zeer brede waaier
   van taken en activiteiten kent. De OVSE vervult belangrijke taken, zoals politietaken,
   taken bij verkiezingswaarneming, veiligheidspolitiek optreden en taken op het gebied
   van de menselijke dimensie, die ieder op zich van betekenis zijn voor de veiligheid
   in Europa. Tegelijk zijn deze taken zo verscheiden dat niet altijd duidelijk is waar het
   zwaartepunt ligt of zou moeten liggen van de taakvervulling en activiteiten van de
   OVSE. Als gevolg hiervan is de OVSE een organisatie die veel en velerlei activiteiten
   ontplooit, waarvan de samenhang niet altijd duidelijk is en waarvan bovendien niet
   altijd evident is waarom de OVSE deze op zich neemt.
22 Deze voorbeelden zijn afkomstig uit Price, 2001 en advies nr. 23 van de Adviescommissie Mensenrechten
   en Buitenlands Beleid, Den Haag, november 1996.
23 Price (2001), p. 169.
                                                   20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>• De AIV beveelt de Nederlandse regering aan, gedurende het voorzitterschap van de
  OVSE, inhoudelijke zwaartepunten te leggen bij de voorkoming van conflicten en de
  wederopbouw direct na conflicten, waarbij de deskundigheid van de OVSE in de
  veiligheidsdimensie, de economische en ecologische dimensie en de humanitaire
  dimensie centraal dient te staan. Dergelijke zwaartepunten kunnen helpen prioritei-
  ten te stellen bij de taakuitoefening en activiteiten van de OVSE. (Nieuwe) activitei-
  ten die in het kader van de OVSE worden ontwikkeld, dienen te worden getoetst op
  hun bijdrage aan de voorkoming van conflicten of aan de wederopbouw na afloop
  van conflicten.
                                           21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>II        De OVSE: besluitvorming, voor zitterschap en
          inhoudelijke thema’s
II.1      Besluitvorming in de OVSE
II.1.1    De rol van de deelnemende staten
De OVSE is een organisatie die besluit bij consensus, een enkele nauw omschreven
uitzondering daargelaten (consensus min één).24 Van deze mogelijkheid is éénmaal
gebruik gemaakt, namelijk in 1992, bij het uitsluiten van Joegoslavië van het overleg in
de OVSE op grond van zijn verantwoordelijkheid voor de zeer ernstige schendingen van
de rechten van de mens in vooral Bosnië. Het zwaartepunt van de besluitvorming in de
OVSE ligt bij de Permanente Raad in Wenen. Hier wordt doorlopend overlegd over kwes-
ties die spelen in het OVSE-gebied. Ieder jaar fungeert een ander land als voorzitter
van de OVSE. Een vertegenwoordiger van dat land zit de Permanente Raad voor.
Hoewel de OVSE in naam een organisatie is, kan zij op het vlak van de besluitvorming
nauwelijks als zodanig worden aangeduid. In de praktijk vertoont de OVSE nog alle ken-
merken van een conferentie. De institutionele inbedding van de besluitvorming is zwak:
de voorbereiding van de besluitvorming berust bij de delegatie van het voorzitterschap,
aangezien de secretaris-generaal van de OVSE hier de positie noch het apparaat voor
heeft. De Permante Raad kent geen hiërarchie van besluiten en er zijn geen procedu-
res om te onderscheiden naar soorten besluiten. Kortom, er is nauwelijks een struc-
tuur voor de besluitvorming.25 Daar komt bij dat, vanwege de regel van consensus, in
beginsel voor iedere beslissing de instemming van de 55 deelnemende staten is ver-
eist. Dat betekent tevens dat iedere deelnemende staat ieder besluit kan tegenhou-
den. De deelnemende staten zijn gerechtigd zich tot in detail met alle besluiten te
bemoeien. En dat gebeurt dan ook, zij het dat uiteraard niet altijd alle staten tegelijk
belangstelling voor een onderwerp aan de dag leggen. Dat varieert per onderwerp. Om
de interesse en betrokkenheid van deelnemende landen vast te stellen, dient het voor-
zitterschap, ter voorbereiding van besluiten, zich te verstaan met tal van staten en er
steeds op verdacht te zijn dat potentiële betrokkenen zich niet tekort gedaan voelen.
Het gevolg van deze brede bemoeienis is dat de besluitvorming in de OVSE voor niet-
betrokkenen ondoorzichtig is, traag verloopt en zich kenmerkt door een voortdurend
24 Een belangrijke uitzondering op de consensusregel is in de OVSE overeengekomen op de ministeriële
    vergadering in Praag in januari 1992 op het gebied van de menselijke dimensie. Besloten is dat
    “appropriate action may be taken ( … ) if necessary in the absence of the consent of the State concer-
    ned, in cases of clear, gross and uncorrected violations of relevant CSCE commitments”. De actie kan
    bestaan uit het afleggen van een verklaring of uit andere politieke stappen buiten het grondgebied van
    de betrokken staat. Ook in het kader van het Moskou-mechanisme, waartoe is besloten in oktober
    1991, kunnen tien staten besluiten een rapporteur op pad te sturen in geval van zeer ernstige schendin-
    gen van de rechten van de mens. Hiertoe kan worden besloten tegen de wil van de staat in kwestie in.
    Zie voor een overzicht van de uitzonderingen op de consensusregel, Bloed, 1993, pp. 20 – 22.
25 Kenmerkend in dit verband is dat het uitroepen tot organisatie van de CVSE niet gepaard is gegaan met
    een wijziging van de instellingen (wel een enkele naamsverandering) of met een stroomlijning van de
    besluitvorming. Zie voor het betreffende besluit: CSCE 1994 Summit, Budapest Decisions,
    trengthening the CSCE, punt 1, p. 7.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>zoeken van compromissen. Geen land is dan ook werkelijk tevreden over de genomen
besluiten, noch over de wijze of het tempo van de besluitvorming.26
De besluitvorming wordt geregeld voorbereid in kleinere, meer informele groepen dan
de Permanente Raad van 55 deelnemende staten, maar uiteindelijk dienen de beslui-
ten formeel in de Permanente Raad te worden genomen. In het bijzonder de Europese
Unie (zie onder), maar ook de NAVO spelen een rol bij de informele voorbereiding van
de besluiten van de OVSE. In de terminologie van de OVSE wordt wel gezegd dat men
de besluitvorming flexibel wil houden, maar in de praktijk komt het gebrek aan procedu-
res en regels erop neer dat de OVSE zeer ontvankelijk is voor de opvattingen van de vijf
grote deelnemende staten, de Verenigde Staten, de Russische Federatie, Duitsland,
Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.27 Deze overleggen geregeld in de zogenoemde
kwint, in het bijzonder over operationele kwesties. Daarnaast spelen deze landen ook
individueel een belangrijke rol in de OVSE.
De Verenigde Staten hebben onmiskenbaar veel invloed in de OVSE. Bij individuele
beslissingen waar de Verenigde Staten waarde aan hechten, weten ze hun invloed keer
op keer kundig te maximaliseren. Voor de voorzitter van de OVSE is het dan ook zaak bij
de voorbereiding van besluiten nauw voeling te houden met de vertegenwoordigers van
de Verenigde Staten. Zonder Amerikaanse instemming komt er in de OVSE weinig van de
grond. Ook geldt: als de Verenigde Staten ergens op tegen zijn in de OVSE, gebeurt het
niet. Nadeel van het optreden van de Verenigde Staten is wel dat het hollen of stilstaan
is: ofwel de Verenigde Staten voelen zich betrokken bij een besluit en doen er dan alles
aan om de zaken zo veel mogelijk naar hun hand te zetten; ofwel zij achten zich niet
betrokken bij een voorgenomen besluit en stellen zich passief op. Dit “stop - go” karak-
ter van het Amerikaanse optreden, dat in de tijd en per onderwerp kan verschillen, kan
het verloop van de besluitvorming voor andere landen onberekenbaar maken en daar-
mee onvoorspelbaar. Daar komt bij dat de Verenigde Staten op meerdere borden tegelijk
kunnen schaken en kunnen bezien welke internationale organisatie het beste past bij de
wijze waarop de Verenigde Staten een onderwerp behandeld willen zien.
Ondanks haar lidmaatschap van de kwint is de houding van de Russische Federatie ten
aanzien van de OVSE en haar optreden in de organisatie de laatste jaren buitengewoon
kritisch, zelfs in die mate dat ze het bestaansrecht van de OVSE geregeld in twijfel lijkt
te trekken. Het Russisch ongenoegen is deels ingegeven door de gang van zaken binnen
de OVSE, maar ook door ontwikkelingen buiten de OVSE. De hervorming en uitbreiding
van de NAVO en de (verdere) toenadering tot ‘Westerse’ organisaties van landen die
voorheen in de Sovjet- of Russische invloedssfeer lagen, blijven voor Moskou moeilijk te
verteren. Deze heroriëntatie van de Russische Federatie ten opzichte van internationale
organisaties beperkt zich niet tot de OVSE. Als terzijde kan in dit kader worden opge-
merkt dat het Nederlands voorzitterschap in 2003 hoogstwaarschijnlijk te maken zal krij-
gen met de gevolgen voor de OVSE van de toetreding tot de NAVO van nieuwe lidstaten.
Deze verdamping van haar macht en invloed leidt tot de klacht van de Russische Federa-
tie dat ze elders wordt buitengesloten en dat met haar in de OVSE onvoldoende reke-
26 Zoals de AIV te horen kreeg over de besluitvorming bij de oriëntatiereis naar Wenen: “Everybody says it
    goes very well, but nobody is satisfied”.
27 Nog op 21 juni 2001 zei de Amerikaanse vertegenwoordiger bij de OVSE: “We support efforts to strengt-
    hen the OSCE, ( … ) but we have questions about proposals that would impose more rules, regulations,
    or bureaucratic procedure on our organization” (OVSE-document PC.DEL/382/01).
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>ning wordt gehouden bij de consultaties, zodat zich meer en meer zaken afspelen die
haar niet welgevallig zijn. Nog recent – in december 2001 – heeft de Russische Federa-
tie zich morrend neergelegd bij de sluiting van OVSE-missies in Letland en Estland. Zij
was het niet eens met de vaststelling van de hoofden van deze missies dat hun
opdracht was vervuld, doch vond onvoldoende steun hiervoor bij de overige deelnemen-
de staten van de OVSE. Naar het oordeel van Rusland verzaakt de OVSE hiermee haar
plicht (Russische) minderheden te beschermen.
De Russische Federatie dringt al lange tijd aan op een discussie over de plaats van de
OVSE in de Euro-Atlantische verhoudingen en over hiermee verbonden hervormingen
van de OVSE (“security model dialogue”).28 De Verenigde Staten en tal van Europese
landen – ruwweg NAVO-lidstaten, lidstaten van de Europese Unie en kandidaat-lidstaten
voor beide organisaties – voelen daar weinig voor en hebben dergelijke discussies tot
nog toe afgehouden, met Russische frustratie als gevolg. Ook voelde de Russische
Federatie zich buitengesloten – niet geheel ten onrechte overigens – bij de besluitvor-
ming over optreden van de OVSE in Kosovo en Macedonië, temeer daar dit optreden
deel was van een bredere aanpak, met Amerikaanse en NAVO-betrokkenheid, die de
Russische Federatie het gevoel gaf onvoldoende betrokken te worden. Daarnaast is de
Russische Federatie in de OVSE bekritiseerd vanwege het trage tempo waarmee ze
haar in november 1999 overeengekomen verplichtingen nakwam op het gebied van de
terugtrekking van militair materieel, onder andere uit Moldavië en Georgië. Inmiddels is
vastgesteld, op de ministeriële bijeenkomst van de OVSE in Boekarest in december
2001, dat Rusland deze verplichtingen is nagekomen, waarbij het opvallend is dat ook
wordt aangetekend dat enkele ondergeschikte punten nog moeten worden geregeld.
Meer in het algemeen klaagt Moskou over geografische scheefgroei van de OVSE (zie
hiervoor ook I.1.3). Dat wil zeggen dat de onderwerpen die in de OVSE op tafel komen
eenzijdig zijn gericht op Oost-Europa, respectievelijk de Balkan of het grondgebied van
de voormalige Sovjet-Unie. Dezelfde eenzijdig Oostwaartse gerichtheid geldt naar Rus-
sisch oordeel voor de missies die worden uitgezonden. Kaart de Russische Federatie –
of een andere staat – een onderwerp of kwestie aan die speelt in West-Europa, dan
ontmoet zij stilzwijgen. Rusland vat dit op als het meten met twee maten. Ook krijgt, in
Russische ogen, de menselijke dimensie te veel aandacht in de OVSE en zouden de
beide andere dimensies – veiligheidspolitiek en economie en ecologie – naar een gelijk
niveau van activiteiten en overleg moeten worden gebracht. De Russisch-Amerikaanse
toenadering na 11 september op het gebied van de bestrijding van het terrorisme –
wat onder andere de kwestie Tsjetsjenië in een ander licht heeft geplaatst – en de
voornemens die leven bij de NAVO om intensiever met Rusland samen te werken, heb-
ben echter bijgedragen aan een klimaat waarin het mogelijk is geweest, in december
2001 in Boekarest, toch overeenstemming te bereiken over een ministeriële verklaring
van de OVSE en tal van besluiten. Dit ondanks de Russische onvrede over de OVSE die
een jaar eerder wel verhinderde dat overeenstemming werd bereikt. Van de besluiten
springt het actieplan ter bestrijding van het terrorisme het meest in het oog.
28 Op de ministeriële vergadering van de OVSE in Boekarest drukte de Russische minister van Buitenlandse
   Zaken, Ivanov, zich als volgt uit: “Russia has been and continues to be in favor of inclusive and compre-
   hensive renovation of entire scope of OSCE activities in order to ensure a decent place for the Organiza-
   tion in the international architecture of co-operation and security” (toespraak minister Ivanov voor de
   ministeriële vergadering van de OVSE in Boekarest, 3 december 2001).
                                                       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>De lijst van Russische klachten, die nog kan worden aangevuld met andere, leidt ertoe
dat de Russische Federatie meer en meer afstand neemt van de OVSE en haar activi-
teiten. Dit, terwijl het bestaansrecht van de OVSE als pan-Europese veiligheidsorgani-
satie mede ligt in voldoende Russische betrokkenheid. Rusland lijkt steeds minder
belang te hechten aan de OVSE: aan de ene kant vindt Moskou dat het geen baat
heeft bij een organisatie die met twee maten meet (geen bescherming van Russische
minderheden, wel voortdurend kritisch volgen van het Russisch optreden in Tsjetsje-
nië); aan de andere kant neemt voor de Russische Federatie de relevantie van de
OVSE af naarmate de contacten met de NAVO aan intensiteit winnen.
Ondanks de overeenstemming in Boekarest zou het daarom naar het oordeel van de
AIV een verkeerd signaal zijn de Russische onvrede niet serieus te nemen. Vanzelfspre-
kend dienen de Russische opvattingen, stuk voor stuk, inhoudelijk op hun merites te
worden beoordeeld. Wel beveelt de AIV aan dat het Nederlands voorzitterschap zich
inspant om serieuze bespreking mogelijk te maken van kwesties die spelen in West-
Europa, ondanks de huiver, of zelfs tegenstand, die het hierbij in de kring van partners
kan ontmoeten. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de vrijheid van gods-
dienst, aan de integratie van minderheden en aan de deplorabele positie van veel
Roma- en Sinti-groepen in West-Europa en aan vreemdelingenhaat.29
Naast de Verenigde Staten en de Russische Federatie speelt de Europese Unie een
belangrijke rol in de besluitvorming van de OVSE. Daarbij gaat het niet alleen om de
vijftien lidstaten van de Europese Unie, maar ook om de kandidaat-lidstaten die zich in
het algemeen richten naar de opvattingen van de Unie. Overigens speelt de besluitvor-
ming binnen de Europese Unie zich voor de overige OVSE-landen achter gesloten deu-
ren af. Zo is binnen de OVSE een blok van 28 landen ontstaan – meer dan de helft van
de deelnemende staten van de OVSE, een enkelvoudige meerderheid dus – dat voor de
besluitvorming in de OVSE van eminente betekenis is. Lidstaten van de Europese Unie
voeren nog nauwelijks nationaal het woord. Het toegenomen gewicht van de Europese
Unie heeft echter ook een prijs: bij het zoeken naar overeenstemming binnen de Unie
komt het uiteindelijk standpunt in het algemeen neer op de gemeenschappelijke deler.
In andere woorden: het spreken met één stem kan ten koste gaan van de kracht en
duidelijkheid van de ingenomen standpunten. Vooral Duitsland, Frankrijk en het Ver-
enigd Koninkrijk blijven daarnaast nog op eigen titel opereren in de OVSE, bijvoorbeeld
bij informeel (voor)overleg, zoals dat van de kwint. Dit doet niet zozeer af aan de
invloed van ‘het blok van de Europese Unie’, maar beperkt wel de reikwijdte van de
discussies binnen de Unie om tot gemeenschappelijke standpunten te komen.
Al met al biedt de besluitvorming in de OVSE vooral het beeld van een conferentie met
een minimum aan procedures en regels en van een gesegmenteerd veld van deelne-
mers aan de besluitvorming, waarbij de uitbreiding van de Europese Unie en de NAVO in
de OVSE een scheidslijn trekt tussen de lidstaten en kandidaat-lidstaten van deze orga-
nisaties aan de ene kant en de landen die dit perspectief niet hebben aan de andere
29 Ten aanzien van de discussie over de vrijheid van godsdienst kan de vraag worden opgeworpen in hoever-
    re hier twee rechten tegenover elkaar kunnen worden geplaatst, te weten de vrijheid van meningsuiting
    en de vrijheid van godsdienst. Over een aspect van de vrijheid van godsdienst heeft de AIV eerder geadvi-
    seerd: Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of overtuiging, advies no. 21, juni
    2001. Dit advies is uitgebracht met het oog op een seminar van de OVSE over dit onder werp, gehouden
    in Den Haag in juni 2001.
                                                    25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>kant. Aangezien de landen zonder dit toetredingsperspectief zich in het algemeen in de
regio’s bevinden waar de missies van de OVSE actief zijn – zo dat al niet op hun eigen
grondgebied is – lijkt het niet overdreven te stellen dat de OVSE te kampen heeft met
een tweedeling.
II.1.2    Is er een alternatief voor besluitvorming bij consensus?
Zoals hiervoor al is aangegeven heeft de OVSE voor ieder besluit de instemming van
de 55 deelnemende staten nodig. Binnen de OVSE-gemeenschap wordt dit gegeven
geregeld tot norm verheven en als wenselijk gezien. “Het is zo en het hoort zo.” Er
wordt dan op gewezen dat besluitvorming bij consensus de betrokkenheid waarborgt
van alle staten, ook de kleinere. Inclusiviteit en transparantie zijn de trefwoorden. Door
middel van voortdurende consultaties werkt de voorzitter langzaam naar overeenstem-
ming. Binnen dit kader wordt gezocht naar mogelijkheden om de besluitvorming sneller
en soepeler te laten verlopen, zoals “open ended working groups” als methode van
vooroverleg over voorgenomen besluiten of het inschakelen van zogenoemde “friends
of the chair” om het smeden van coalities te bevorderen. Met 55 staten kan een voor-
zitter geen overeenstemming bereiken zonder dergelijke methoden. Tegelijk wijst dit
erop dat werkelijke betrokkenheid van alle 55 deelnemende staten bij de besluiten een
illusie is. Praktisch is het al niet mogelijk 55 OVSE-staten te raadplegen over ieder
besluit, laat staan dat ze alle 55 werkelijk een inbreng hebben. Het is daarom niet voor
niets dat in de adviesaanvraag het voorkoken van besluiten als probleem wordt opge-
voerd. In de Permanente Raad hebben vertegenwoordigers van kleinere landen betoogd
dat gebrek aan transparantie van de besluitvorming in de OVSE een structureel pro-
bleem is.30
Tornen aan de consensusregel van de OVSE wordt ook vaak verworpen met de argu-
mentatie dat wat kan worden gewonnen aan efficiëntie, teloor gaat aan het open,
democratische karakter van de besluitvorming. Hierboven is de besluitvorming in de
OVSE beschreven als ondoorzichtig, als traag en als een voortdurende zoektocht naar
overeenstemming, waarbij lang niet alle 55 deelnemende staten zijn betrokken. Voor
veel landen zijn de besluiten van de OVSE dan ook voldongen feiten. Op de veel
geroemde openheid en het democratisch karakter kan dan ook wel worden afgedon-
gen. Daar kan nog aan worden toegevoegd dat van de ruim 120 besluiten die sinds de
ministeriële bijeenkomst van Istanbul in november 1999 in de Permanente Raad zijn
genomen, het overgrote deel een uitvoerend karakter heeft. Meer dan de helft van de
besluiten heeft betrekking op veldactiviteiten van de OVSE (verlenging respectievelijk
uitbreiding van mandaten; toewijzing van budgetten) en meer dan eenderde van de ove-
rige besluiten heeft te maken met (het stroomlijnen van) de dagelijkse activiteiten van
de organisatie: agenda en overige modaliteiten voor OVSE-bijeenkomsten, budgetten en
andere financiële aspecten, alsmede personele aangelegenheden en (her)benoemin-
gen.31 Aangezien het politieke karakter van de besluiten niet erg groot is, doet de
vraag zich voor of de praktijk van besluitvorming in de Permanente Raad, met 55
30 Het gaat onder andere om vertegenwoordigers van Armenië en Estland, zie Compilation on Strengthening
    the OSCE – Relating to the work, structures and institutions of the OSCE (Office of the Secretary-General,
    Vienna 28 June 2001), p. 9.
31 Zie bijlage 2 Besluiten van de Permanente Raad in de periode november 1999 – oktober 2001. De geko-
    zen periode is enigszins willekeurig, maar biedt wel een beeld van de aard van de besluiten in de OVSE.
                                                      26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre> ambassadeurs rond de tafel, wel de meest aangewezen methode is om besluiten te
 nemen.32
 In het licht van het voorafgaande beveelt de AIV het Nederlands voorzitterschap aan de
 efficiëntie van de besluitvorming op de agenda van de OVSE te houden.33 Het is
 bekend dat in het verleden geen overeenstemming is bereikt over voorstellen die dele-
 gaties hieromtrent hebben gedaan. De meeste landen willen de consensusregel niet
 opgeven. Daarom zal in II.4 een procedure worden voorgesteld die beoogt hierin van
 buitenaf beweging te krijgen.
 II.2       Het voorzitterschap van de OVSE en de rol van Nederland
 II.2.1     Een algemene schets van het voorzitterschap van de OVSE
 Het voorzitterschap van de OVSE rouleert over de deelnemende staten. Ieder jaar fun-
 geert een ander land als voorzitter. De belangrijkste taken van het voorzitterschap kun-
 nen als volgt worden omschreven: 1. Het voorstellen van een agenda voor vergaderin-
 gen en deze voorbereiden en voorzitten, of het nu gaat om een top van staatshoofden
 en regeringsleiders van de OVSE, om de Permanente Raad of om andere vergaderin-
 gen; 2. Het nemen van initiatieven en het proberen te bereiken van overeenstemming
 over de kwesties en problemen die spelen in het OVSE-gebied. Een voorzitterschap
 wordt als succesvol beschouwd als het kwesties weet af te handelen en problemen tot
 een oplossing weet te brengen; 3. Het zorgdragen voor de continuïteit en voor de con-
 sistentie van beleid en besluitvorming. Een belangrijk instrument hiervoor is de trojka,
 die bestaat uit het voorafgaande, het vigerende en het aankomende voorzitterschap;
 4. Het vertegenwoordigen van de OVSE naar buiten, in hoofdzaak in contacten met
 andere (internationale) organisaties.
 Hiervóór, in II.1, is geconstateerd dat de OVSE eerder een conferentie is dan een orga-
 nisatie. Vanwege het ontbreken van procedures en regels voor de besluitvorming hangt
32 In de periode tussen november 1999 (Istanbul) en medio oktober 2001 zijn slechts enkele besluiten
     over ‘nieuwe’ activiteiten, aandachtsgebieden of thema’s genomen:
- opening van een kantoor in Osh, Kyrgyzstan (PC.DEC/399);
- instelling van een OVSE-missie in Joegoslavië, nadat dit land weer als volwaardig lid in de OVSE-familie
     is opgenomen (PC.DEC/401);
- regionale Strategie voor Zuidoost-Europa (PC.DEC/344);
- supervisie van de verkiezingen in Bosnië-Herzegovina (PC.DEC/350);
- actieplan voor “gender issues” (PC.DEC/353);
- versterking van de operationele capaciteit (REACT, “Operations Centre”, herstructurering van het Secre-
     tariaat) (PC.DEC/364);
- ontwikkeling van een multi-etnisch politie-element voor Joegoslavië (PC.DEC/415);
- “trafficking in human beings” (PC.DEC/426);
- vergroting van de effectiviteit van de “Human Dimension Meetings” (PC.DEC/428).
33 Er zijn verschillende wijzen waarop kan worden begonnen de besluitvorming in de OVSE te stroomlijnen.
     Bijvoorbeeld kan worden gedacht aan: 1. gezocht kan worden naar methoden van besluitvorming waar-
     voor geen consensus is vereist. Veelal wordt hierbij gedacht aan het kwalificeren van de vereiste meer-
     derheid, bijvoorbeeld door af te spreken dat een besluit is aanvaard indien 90% van de deelnemende
     staten voor zijn, die tezamen minimaal 90% dienen bij te dragen aan het budget van de OVSE; 2. er
     kunnen procedures en regels worden opgesteld om onderscheid te maken tussen uitvoeringsbesluiten
     en politieke besluiten, waarbij de laatste aan de consensusregel onderworpen zouden moeten blijven;
     3. er kunnen kleinere groepen worden ingesteld, die namens de OVSE besluiten kunnen nemen.
                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>op dit vlak veel van het voorzitterschap af, meer nog dan in andere organisaties. Het
voorzitterschap vormt dan ook de spil van de OVSE. Voor het tot stand brengen van
overeenstemming dient de voorzitter vooral de rol te spelen van bemiddelaar in stand-
punten en belangen (“honest broker”).
Voorwaarden die Nederland kunnen helpen het voorzitterschap tot een succes te
maken, zijn: 1. uitgesproken deskundigheid op de onderwerpen die in de OVSE spelen,
in het bijzonder op die gebieden waar missies van de OVSE zijn ontplooid; 2. adequate
politieke en diplomatieke voorbereidingen op de aanpak van deze onderwerpen, waarbij
het van belang is dat het voorzitterschap voldoende inzicht heeft in hetgeen speelt in
alle geledingen van de OVSE; 3. voldoende staf – zowel in Wenen als in Den Haag –-
en snelle communicatie tussen Den Haag en Wenen; 4. voldoende financiële middelen
voor nieuwe initiatieven en projecten; 5. de minister van Buitenlandse Zaken dient het
voorzitterschap politiek te dragen, wat tot uiting komt in betrokkenheid en frequent
optreden. De minister van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigt immers het hoogste
politieke gezag dat in de organisatie voorhanden is. Hij, niet de voorzitter van de Per-
manente Raad, is het publieke gezicht van de OVSE naar buiten. Overigens is het wel
zaak dat, daarnaast, het Nederlands voorzitterschap van de OVSE wordt gedragen door
het gehele kabinet, aangezien ook andere departementen dan het ministerie van
Buitenlandse Zaken moeten kunnen worden betrokken bij de uitvoering van OVSE-taken
gedurende het voorzitterschap.
De AIV heeft geen systematisch onderzoek gedaan naar de wijze waarop landen in het
recente verleden het voorzitterschap van de OVSE hebben vervuld. Wel heeft de AIV
zijn voordeel gedaan met de ervaringen van eerdere voorzitters, zoals deze hem zijn
overgebracht. Deze zijn verspreid in het advies opgenomen. De motieven van verschil-
lende landen om het voorzitterschap op zich te nemen, liepen danig uiteen; hun agen-
da’s daarentegen verschilden aanmerkelijk minder. Als de agenda’s van de recente
voorzitters (Polen 1998, Noorwegen 1999, Oostenrijk 2000, Roemenië 2001 en Portu-
gal 2002) worden bekeken – in het algemeen gepresenteerd tijdens de eerste bijeen-
komst van de Permanente Raad na het Kerstreces – kan worden geconcludeerd dat
het voorzitterschap weliswaar ieder jaar enkele eigen accenten probeert te leggen,
maar zich toch in hoofdzaak richt op het stroomlijnen van de activiteiten en op het zo
soepel mogelijk laten verlopen van de dagelijkse gang van zaken van de OVSE.34
Op grond van de ervaringen van eerdere voorzitters van de OVSE komt de AIV tot de
conclusie dat het internationale kader de leidraad vormt voor de vervulling van het
voorzitterschap door Nederland. Met andere woorden: actuele internationale ontwikke-
lingen zijn bepalend voor de werkzaamheden van het voorzitterschap. Het is dan ook
cruciaal dat de Nederlandse regering voorzieningen treft die het mogelijk maken snel
te reageren en adequaat in te spelen op internationale ontwikkelingen.
In het bijzonder de ervaringen van het Noorse voorzitterschap leren dat het van belang
is dat de hoofdtaken van de OVSE-eenheid in Den Haag en van de delegatie in Wenen
zo worden vervuld dat deze elkaar aanvullen.35 Hiervoor zijn goede afspraken over de
34 Zie voor een overzicht, bijlage 3.
35 Beide hebben verschillende taken: de OVSE-eenheid in Den Haag ondersteunt de minister van Buiten-
    landse Zaken in zijn hoedanigheid van voorzitter van de OVSE, terwijl de OVSE-delegatie in Wenen tot taak
    heeft de Permanente Raad voor te zitten en de consultaties met andere delegaties bij de OVSE te voeren.
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>verdeling van bevoegdheden noodzakelijk. Daarbij kan worden aangetekend dat de
ervaringen van eerdere voorzitterschappen daarnaast leren dat het aanbeveling ver-
dient dat zowel het hoofd van de OVSE-eenheid in Den Haag, als de permanente verte-
genwoordiger in Wenen – beiden met inachtneming van de eigen bevoegdheid en ver-
antwoordelijkheid – direct toegang hebben tot de minister van Buitenlandse Zaken.
Alleen dan kan de minister van Buitenlandse Zaken effectief en slagvaardig fungeren
als voorzitter van de OVSE. Voorwaarde is dan wel dat tussen Den Haag en Wenen
open en snel wordt gecommuniceerd.
Overigens bevindt Nederland zich in een goede uitgangspositie om het voorzitterschap
van de OVSE met succes te bekleden. Naarmate bij de overige deelnemende landen
minder de indruk bestaat dat het land dat het voorzitterschap bekleedt, een eigen,
nationale agenda heeft, heeft het meer krediet en is het beter in staat zijn rol te spe-
len van bemiddelaar in standpunten en belangen. Nederland verkeert – bij het ontbre-
ken van aspiraties het lidmaatschap van andere internationale organisaties te verwer-
ven dan waarvan het al lid is, zoals de NAVO en de Europese Unie – in die positie.
II.2.2    De Nederlandse aanpak van het voorzitterschap
Met de tijdige oprichting van een OVSE-eenheid in Den Haag, de aanstelling van een
OVSE-coördinator die hieraan leiding geeft, de versterking van de Nederlandse delega-
tie bij de OVSE die in het vooruitzicht is gesteld en het tijdig reserveren van een budget
ten behoeve van het voorzitterschap van de OVSE bereidt Nederland zich grondig voor
op het bekleden van het voorzitterschap in 2003.36 Niet alles, echter, laat zich van
tevoren regelen. Voor het Nederlands voorzitterschap geldt, evenals voor eerdere voor-
zitterschappen, dat de internationale omstandigheden en de continuïteit van de activi-
teiten van de OVSE de gang van zaken tijdens het voorzitterschap in hoofdzaak zullen
bepalen. Zou Nederland worden geconfronteerd met een internationale crisis – zoals
bijvoorbeeld is gebeurd met het Noorse voorzitterschap in 1999 toen de “Kosovo Verifi-
cation Mission” hals over kop moest worden teruggetrokken – dan is de aanpak van
die crisis bepalend voor het succes of falen van het Nederlands voorzitterschap. In een
dergelijk geval stellen de internationale omstandigheden de prioriteiten voor het Neder-
lands voorzitterschap. Ook het plaatsen van eigen, nationale accenten is alleen doel-
treffend als deze aansluiten bij het huidige functioneren van de OVSE. Gebeurt dat
niet, dan krijgen die geen vervolg onder een volgend voorzitterschap. Voorbeelden van
het laatste zijn de rechten van het kind onder het Oostenrijks voorzitterschap en more-
le en spirituele waarden onder het Roemeens voorzitterschap.
In dit licht bepleit de AIV bescheidenheid bij het formuleren van de doelstellingen die
Nederland zich stelt voor het voorzitterschap van de OVSE; niet vanwege gebrek aan
inhoudelijke ideeën of suggesties die zouden kunnen worden gedaan, maar omdat de
praktijk uitwijst dat het plaatsen van nationale accenten slechts zeer beperkt mogelijk
is. Immers, het adequaat reageren op internationale ontwikkelingen en de continuïteit
van de activiteiten van de OVSE vormen op zich al een rijke en inhoudsvolle agenda die
veel van het Nederlands voorzitterschap zal vergen. Voor de inhoudelijke ideeën en
suggesties ten behoeve van het Nederlands voorzitterschap die wel worden gedaan,
dient allereerst aansluiting te worden gezocht bij de lopende agenda van de OVSE en
bij de in het voorjaar van 2001 in de OVSE gepresenteerde Nederlands – Duitse voor-
stellen. (Deze zullen in II.3 aan de orde worden gesteld.)
Eerder, in I.3.4, is geconstateerd dat de OVSE een grote verscheidenheid van activitei-
ten ontplooit. Van deze activiteiten zijn slechts weinigen op de hoogte. Ook worden de
activiteiten die de OVSE ontplooit niet of niet altijd aan de OVSE toegeschreven. Waar
                                             29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>het aan ontbreekt, is een politiek en publiek draagvlak voor de OVSE. Het zoeken van
draagvlak voor hetgeen de OVSE doet, lijkt dan ook geboden. Daarmee zou het Neder-
lands voorzitterschap kunnen proberen enkele stappen in de goede richting te zetten.
Politiek dient het Nederlands voorzitterschap bereid te zijn rekenschap af te leggen en
zijn plannen van te voren uiteen te zetten. Daarnaast kan worden gedacht aan een
meer adequate en actieve voorlichting van het publiek. Daarbij moet overigens wel wor-
den aangetekend dat het voorkomen van conflicten zelden positieve publiciteit ople-
vert. Opereert de OVSE succesvol en breekt er geen conflict uit, dan is er weinig
belangstelling van de media. Slaagt de OVSE er niet in een conflict te voorkomen, dan
bestaat de kans dat er geen publieke belangstelling is voor de activiteiten van de OVSE
in kwestie; is die belangstelling er wel dan is de kans groot dat deze negatief is
gekleurd. Niettemin ontslaat dit de OVSE niet van de plicht naar politiek en publiek
draagvlak te (blijven) zoeken.
Als eerste stap op weg naar het scheppen van meer politiek draagvlak voor de OVSE,
zou het Nederlands voorzitterschap kunnen voorstellen dat het fungerend voorzitter-
schap niet alleen aan het begin van zijn termijn zijn aanpak van het voorzitterschap en
zijn plannen uiteenzet tegenover de gekozen volksvertegenwoordigers van de Parlemen-
taire Assemblee van de OVSE, maar ook, tegen het einde van zijn termijn, rapporteert
over de resultaten die zijn geboekt in het afgelopen ‘voorzittersjaar’. Zolang deze sug-
gesties niet op voldoende draagvlak kunnen rekenen, kan het Nederlands voorzitter-
schap dit vrijwillig op zich nemen.
De AIV beveelt verder aan dat de OVSE haar voorlichting versterkt en op dat vlak nader
beleid ontwikkelt. Het Nederlands voorzitterschap kan hiertoe stappen zetten, onder
andere door voor te stellen hiervoor structureel ruimere fondsen in de begroting van de
OVSE te reserveren. Voorts kan worden onderzocht op welke wijze voorlichting in alle
geledingen van de OVSE gestalte kan krijgen, waarbij ook de activiteiten in het veld die-
nen te worden betrokken.
Het Nederlands voorzitterschap zal te maken krijgen met taken en onderwerpen die
onder het huidige Portugese voorzitterschap, na de ministeriële bijeenkomst van Boeka-
rest van december 2001, op de agenda van de OVSE staan. Hiervan springt de bestrij-
ding van terrorisme het meest in het oog. Maar het gaat ook om onderwerpen als het
streven naar evenwicht in de mate van aandacht voor de drie dimensies van de OVSE,
versterking van de EED, samenwerking tussen de OVSE en andere internationale organi-
saties en het vergroten van de betrokkenheid van de burgers bij de activiteiten van de
OVSE. Portugal heeft aangekondigd op het economisch forum aandacht te willen beste-
den aan water, in het bijzonder aan de schaarste van water in sommige regio’s en de
verdelingsvraagstukken en mogelijkheid van conflicten die daarmee gepaard gaan.
Bovendien zijn er onderwerpen die voortdurend terugkeren op de agenda van de OVSE,
zoals het aansturen van de missies en de inhoudelijke afwegingen die dat met zich
brengt voor het voorzitterschap (zie ook II.2.3), maar ook de eerder genoemde ‘bevroren
conflicten’ (Moldavië, Nagorno Karabach, Georgië). Bovendien lijkt het ieder jaar moei-
lijker te worden de begroting van de OVSE rond te krijgen. Achtergrond hiervan is de
ontevredenheid over de huidige verdeling van de financiële bijdragen over de deelne-
mende staten.
Om het Nederlands voorzitterschap zo effectief en efficiënt mogelijk te laten functione-
ren wordt aanbevolen in Wenen zoveel mogelijk gebruik te maken van “groups of
friends”, “open ended working groups” en speciale vertegenwoordigers van het voorzit-
terschap. Dit draagt bij aan het draagvlak van de besluitvorming en houdt, naast het
                                             30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>voorzitterschap, ook andere deelnemende staten intensief betrokken bij het reilen en
zeilen van de OVSE.
Zoals ieder voorzitterschap zal ook Nederland worden ondersteund door de secretaris-
generaal van de OVSE en diens secretariaat. Daarbij dient te worden aangetekend dat
de secretaris-generaal van de OVSE vooral functioneert onder de verantwoordelijkheid
van het voorzitterschap en niet op eigen gezag. Er is een team op het secretariaat dat
het voorzitterschap ondersteunt, in het bijzonder voor het aansturen van de missies
(“program officers”). Over de positie van de secretaris-generaal en diens secretariaat
is in de OVSE geregeld gesproken. Hoewel van voorstellen ter versterking van de posi-
tie van de secretaris-generaal en van het secretariaat veelal wordt betoogd dat ze cruci-
aal zijn voor het adequaat functioneren van de OVSE, zijn resultaten tot nog toe
beperkt. Het is zeer de vraag of het Nederlands voorzitterschap in staat zal zijn deze
discussie vlot te trekken.
Daarom raadt de AIV het Nederlands voorzitterschap aan zich ten aanzien van de ver-
sterking van de positie van de secretaris-generaal en van het secretariaat te beperken
tot kleine, doch concrete maatregelen, die het voorzitterschap zelf kan doorvoeren.
Nederland heeft zich in het verleden een voorstander getoond van versterking van het
secretariaat. In dit verband stelt de AIV voor, ten behoeve van opeenvolgende voorzit-
terschappen, het secretariaat van de OVSE te versterken met zoveel staf als noodzake-
lijk is voor de versterking van de continuïteit.37 Deze stafleden zouden zich in het bij-
zonder dienen toe te leggen op het waarborgen van de continuïteit van het beleid van
de OVSE bij wisselende voorzitterschappen en zich niet zozeer dienen te richten op de
operationele taken van de OVSE, zoals de “program officers” ten aanzien van de mis-
sies; veeleer dienen zij zich te richten op ondersteuning van het voorzitterschap bij de
beleidsvoorbereiding en bij de voorbereiding van besluiten in Wenen. Zolang deze sug-
gestie nog niet is uitgevoerd, kan Nederland overwegen het secretariaat te versterken
door daarvoor, voor eigen rekening, Nederlandse ambtenaren ter beschikking te stellen.
II.2.3    De missies van de OVSE
Anno 2002 zijn voor de OVSE meer dan twintig missies actief in gebieden waar zich
tegenstellingen of conflicten voordoen.38 Richtten deze zich in de eerste helft van de
jaren negentig vooral op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie (onder andere
de Baltische staten, Nagorno-Karabach, Moldavië en Georgië), later zijn meer en meer
missies op de Balkan, in hoofdzaak op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië,
actief geworden. Deze gerichtheid op het Oosten – waarover vanuit de betrokken landen
en regio’s geregeld wordt geklaagd – verdeelt de OVSE in tweeën. Al eerder is gesignal-
eerd dat deze tweedeling als gevolg van het uitzenden van missies weliswaar begrijpelij-
ke gronden heeft, maar ook een risico vormt voor het functioneren van de OVSE.
De taken die de OVSE uitvoert in Bosnië, op grond van het akkoord van Dayton en in
het kader van de stabilisering en wederopbouw van Kosovo, vergen een verdere profes-
sionalisering van de organisatie. Opvallend in beide genoemde gevallen is, in de eerste
plaats, dat niet de OVSE zelf tot deze missies heeft besloten, maar dat ze deze kreeg
37 Deze gedachte is de commissie OVSE aangereikt door voormalig HCNM mr. M. van der Stoel in een
    gesprek op 28 september 2001. Hij dacht daarbij aan zo’n vijf a zes personen.
38 Voor een overzicht van de missies en andere veldactiviteiten van de OVSE wordt verwezen naar bijlage 4.
                                                   31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>toebedeeld zonder zelf aan de onderhandelingstafel te zijn vertegenwoordigd. Opval-
lend is verder dat, hoewel er vanaf een bepaald tijdstip, veel aandacht van de interna-
tionale gemeenschap en van de pers naar de stabilisering en naar de wederopbouw
van Bosnië en Kosovo is uitgegaan, het aandeel van de OVSE hierin nauwelijks op haar
conto werd geschreven. Dit geldt voor andere missies en andere activiteiten van de
OVSE nog sterker. Als deze al worden opgemerkt buiten de kring van direct betrokke-
nen en ingewijden, worden de missies en/of de organisatie en waarneming van verkie-
zingen zelden in verband gebracht met de ‘moederorganisatie’ in Wenen. Dit heeft tot
gevolg dat de OVSE, ondanks de aanzienlijk toename van haar activiteiten in de afgelo-
pen jaren, nog altijd een voor buitenstaanders nauwelijks zichtbare organisatie is. Van-
daar dat in de hiervoor, in II.2.2 gegeven aanbeveling over publiek draagvlak nadrukke-
lijk de veldactiviteiten van de OVSE zijn betrokken.
De taken van OVSE-missies zijn velerlei. Deze kunnen uiteenlopen van noodhulp, het
tegengaan en rapporteren van schendingen van de rechten van de mens en het bevor-
deren van de terugkeer van vluchtelingen tot het helpen bij het opzetten van een poli-
tiemacht, (hulp bij) de organisatie van verkiezingen en, meer in het algemeen, bijdragen
aan de opbouw van democratie en rechtsstaat. De grootste missie is momenteel de al
eerder genoemde OVSE-missie in Kosovo. Deze telt 1700 personen. Zoals gezegd
heeft deze missie het oogmerk te helpen bij de stabilisering en wederopbouw van
Kosovo. Nu de verkiezingen van 17 november 2001 goed zijn verlopen, zal het aantal
missieleden in de loop van 2002 worden verminderd. Hulp bieden betekent overigens
in veel gevallen – niet alleen in Kososvo – dat de betreffende missie zich gedwongen
ziet, gezien haar aanwezigheid ter plaatse, het voortouw te nemen bij de oplossing van
conflicten en de wederopbouw van politiek en maatschappij.
Deskundigheid van het voorzitterschap is van het grootste belang om de rapportages
van de missies te beoordelen. Deze dienen te worden bekeken met oog voor politieke
gevoeligheden voordat ze in de publiciteit worden gebracht. Een probleem waar ieder
voorzitterschap tegenaan loopt, zijn de kleine, onopvallende missies. Vanwege tijdge-
brek en vanwege de aandacht die noodzakelijkerwijs uitgaat naar politiek meer in het
oog springende onderwerpen, krijgen deze niet altijd de aandacht die ze verdienen.
De duur van de missies van de OVSE kan zich over jaren uitstrekken, zelfs al zijn de
politieke en sociale omstandigheden in het land in kwestie ingrijpend van karakter ver-
anderd. In de praktijk is het wel zo – mede om budgettaire redenen – dat het mandaat
van missies voor niet langer dan één jaar wordt vastgesteld. De verlenging voor een
volgend jaar is echter een automatisme, tenzij er goede redenen zijn, waarover boven-
dien in de OVSE overeenstemming moet kunnen worden bereikt, om het mandaat van
een missie niet te verlengen. In de praktijk wordt het mandaat van missies jaar op jaar
verlengd en zijn missies jaren achtereen in het gastland aanwezig.39 Dit heeft tot
gevolg dat de missie in kwestie meer en meer een eigenstandig leven gaat leiden en
de vraag niet behoeft te worden gesteld, waar het allemaal oorspronkelijk om was
begonnen. Er is ook geen exit-strategie: hoe langer een missie in een land aanwezig is,
hoe moeilijker het is de missie te beëindigen. Ook uit oogpunt van management is het
geen goede zaak missies in de praktijk onbeperkt te laten voortduren.
Daarom beveelt de AIV Nederland aan in de OVSE te bepleiten aan de aanwezigheid
van missies van de OVSE in het vervolg een tijdshorizon te verbinden op zodanige wijze
39 Voor de duur van de missies van de OVSE kan worden verwezen naar bijlage 4.
                                                32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre> dat wordt vastgelegd binnen welke termijn de doelstellingen van het mandaat van de
 missie dienen te zijn verwezenlijkt. Op die wijze worden de betrokken partijen en alle
 andere deelnemende landen in de OVSE veel meer dan nu het geval is, gedwongen een
 politieke dialoog te voeren over de situatie in het land dat de missie ontvangt. Daar-
 naast dwingt een tijdshorizon de regeringen van de betrokken landen en de hoofden
 van missies, sterker dan nu het geval is, binnen vastgestelde termijnen politieke en
 andere doeleinden te verwezenlijken. Dit versterkt de mogelijkheden tot sturing vanuit
 Wenen ten opzichte van de missies. Daarnaast kan worden onderzocht welke van de
 huidige missies in het veld op vergelijkbare wijze alsnog aan een tijdshorizon kunnen
 worden onderworpen.
 In dit licht beveelt de AIV het Nederlands voorzitterschap verder aan de rapportage van
 missies aan de Permanente Raad in Wenen te standaardiseren en te onderwerpen aan
 vaste procedures van behandeling.
 Met het oog op een adequate aansturing van missies beveelt de AIV het Nederlands
 voorzitterschap bovendien aan de praktijk voort te zetten om de “program officers” van
 het secretariaat te betrekken bij overleg over de missies. Het Roemeens voorzitter-
 schap is hiermee in 2001 begonnen. Ook uit oogpunt van versterking van het secretari-
 aat en van samenwerking tussen het voorzitterschap en het secretariaat, is er alles
 voor te zeggen hiermee door te gaan bij het Nederlands voorzitterschap.
 II.3      Het inhoudelijke werk in de OVSE: oude en nieuwe thema’s
 In verband met de mogelijkheid en wenselijkheid van het plaatsen van eigen, Neder-
 landse accenten gedurende het voorzitterschap wordt hieronder kort ingegaan op vijf
 onderwerpen die al op de agenda staan van de OVSE, te weten: de Duits-Nederlandse
 voorstellen ter versterking van de OVSE, gender en de OVSE, Centraal-Azië, de politie-
 samenwerking en de rechtspersoonlijkheid van de OVSE.
 In feite heeft Nederland al eerder ‘eigen’ accenten geplaatst door de presentatie van
 de gezamenlijke Duits-Nederlandse voorstellen ter versterking van de OVSE in mei
 2001. De suggesties hebben betrekking op conflictpreventie, op vredehandhaving, op
 wapenbeheersing, op de versterking van de EED, op de Parlementaire Assemblee, op
 het (verder) operationaliseren van het Forum voor Veiligheidssamenwerking en op het
 verbeteren van de werkwijze van de OVSE. Deze voorstellen zijn gericht op het verster-
 ken van de uitvoering van de taken door de OVSE, ze geven nieuwe terreinen aan voor
 samenwerking en bevatten suggesties voor het verbeteren van de werkmethoden.40 De
40 Duits-Nederlands paper: Ambassadeur Reinhard Bettzuege en Ambassadeur Johannes Landman,
     Reviewing OSCE: food for thought and some possible steps forward, PC. Del/271/01, 3 mei 2001. De
     concrete voorstellen zijn:
- “To develop integrated sub-regional strategies for actual or potential crisis zones.
- To strengthen the Office of the High Commissioner on National Minorities.
- A working group of the Permanent Council could look into peacekeeping roles for the OSCE.
- To explore the options for including paramilitary forces and additional regional CSBM’s in the security
     dialogue.
- To consider the appointment of an OSCE Coordinator charged with Politico-Military matters, in particular
     small arms and light weapons issues.
- To further expand the OSCE’s broad security concept by giving new impetus to the EED.
- To think about how to make best use of the political competence and influence of the Parliamentar y
     Assembly. (vervolg noot op pag. 34)
                                                     33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre> Duits-Nederlandse voorstellen hebben de discussie over het functioneren van de OVSE,
 na de mislukte ministeriële bijeenkomst in Wenen van november 2000, nieuw leven
 ingeblazen. In die zin hebben ze hun werking gehad. Voor een deel zijn de voorstellen
 opgenomen in de verklaring van de ministeriële raad van Boekarest in december 2001
 (versterking van de politieke dialoog en de versterking van de EED); voor een ander
 deel lijkt het Portugees voorzitterschap aandacht te willen besteden aan (elementen
 uit) de voorstellen (onder andere de operationalisering van het “Platform for Coopera-
 tive Security”). Voor enkele andere Duits-Nederlandse voorstellen bestaat binnen de
 OVSE onvoldoende draagvlak. Bijvoorbeeld de suggestie te streven naar verbetering
 van de werkmethoden in de OVSE door te komen tot een taakverdeling tussen de
 secretaris-generaal en het voorzitterschap heeft geen weerklank gevonden. Het ligt
 voor de hand gedurende het voorzitterschap voort te bouwen op die voorstellen waar-
 voor steun lijkt te bestaan.
 Een volgend accent dat Nederland van plan is te plaatsen betreft gender. Mede door
 de inspanningen van Nederland is bij het ODIHR een gendercoördinator aangesteld.
 Tevens financiert Nederland projecten die beogen de rol van vrouwen en vrouwenorga-
 nisaties te versterken in democratiseringsprocessen en de naleving van de rechten van
 de vrouw te bevorderen. Tezamen met onder andere Canada, Duitsland, Noorwegen en
 Denemarken behoort Nederland tot de grote donoren van deze genderprojecten. Tij-
 dens het Oostenrijks voorzitterschap is een OVSE-actieplan voor gender aanvaard en
 besproken op de implementatiebijeenkomst van de menselijke dimensie. Nederland is
 van plan hiermee door te gaan tijdens het Nederlands voorzitterschap in 2003. Bij
 deze activiteiten kan wel worden aangetekend dat ervoor moet worden gezorgd dat de
 focus voldoende gericht blijft op veiligheid en conflictpreventie. Daarnaast zou het
 Nederlands voorzitterschap zich kunnen richten op de verbetering van de procedures
 voor werving en selectie door de OVSE voor functies binnen de organisatie of voor veld-
 activiteiten, aangezien het op dit vlak aan genderbewustzijn ontbreekt.
 Voorts kan worden vermeld dat in Wenen wordt overlegd over smokkel en zwarte handel
 (“trafficking”) als onderwerpen voor het door Nederland te organiseren economisch
 forum. “Trafficking” richt zich overigens niet alleen op vrouwenhandel, maar op mensen-
 handel in het algemeen en verder op illegale handel in en smokkel van wapens, drugs
 en geld. Onderwerpen als gender en “trafficking” spreken aan omdat ze betrekking
 (kunnen) hebben op alle OVSE-staten. Ze zijn als het ware geografisch neutraal en vor-
 men in die zin een tegenwicht tegen de eerder gesignaleerde tweedeling in de OVSE.
 Sinds de aanslagen op 11 september in de Verenigde Staten en de gewapende strijd in
 Afghanistan zijn de landen in Centraal-Azië terug uit het vergeetboek van de internatio-
 nale politiek.41 Het strekt de OVSE tot eer dat de organisatie al voor deze tijd
-    (vervolg noot van pag. 33) To elaborate on how to bring together the respective organizations participating
     in the Platform for Cooperative Security for coordinated action.
-    To introduce occasional informal meeting on the level of Political Directors in the country of the Chair-
     manship or in the margin of ministerial meetings.
-    To further expand the Office of the Secretary-General.”
41 Gegevens zijn ontleend aan Lara Griffith, The Impact of September 11 on Human Rights Defenders in
     Central Asia. Conferentiepaper uitgereikt tijdens “The Dublin Platform of Human Rights Defenders”,
     Dublin 17 – 19 januari 2002. Zie ook Does, R. (februari 2002), Midden-Azië terug in de internationale
     belangstelling, in: Internationale Spectator, nr. 2, pp. 76 – 80.
                                                         34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>aandacht besteedde aan Kazachstan, Kyrgyzstan, Tadzjikistan, Oezbekistan en Turk-
menistan, onder andere door de aanstelling van een persoonlijk vertegenwoordiger van
het voorzitterschap voor de Centraal-Aziatische landen.42 Ook kennen deze landen alle
één of andere vorm van OVSE-aanwezigheid op hun grondgebied. De vijf landen hebben
een gemeenschappelijke geschiedenis als Sovjet-staat en delen een aantal problemen
en belangen, maar sinds hun onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie zijn de verschillen
tussen deze landen aanzienlijk gegroeid. Met uitzondering van Turkmenistan maken
deze landen deel uit van de coalitie ter bestrijding van het terrorisme en zijn er buiten-
landse militaire troepen gestationeerd, in hoofdzaak afkomstig uit de Verenigde Staten.
De regeringen van deze landen zijn autocratisch van aard en de schendingen van de
rechten van de mens zijn ernstig en structureel. De Centraal-Aziatische landen, met uit-
zondering van Turkmenistan, zijn gaan samenwerken op politiek, economisch en huma-
nitair vlak. Ze hebben het voornemen geformuleerd hun samenwerking verder vorm te
geven, onder andere in het kader van de OVSE, maar ook in ander internationaal ver-
band. Voor de Centraal-Aziatische landen zijn in het bijzonder de onderwerpen veiligheid
(Ferganavallei – terrorisme, drugshandel, grensafbakening – en schaarste aan water),
economie (onderontwikkeling en grote energievoorraden) en binnenlandse politieke
transformatie (democratisering en bevordering van de rechten van de mens) van
belang. Deze sluiten goed aan op de drie dimensies van de OVSE.
Hoewel begrip bestaat voor de Russische klacht over een tweedeling in de OVSE, mag
die er niet toe leiden dat situatie van de rechten van de mens wordt veronachtzaamd in
Oost-Europa, op de Balkan en in landen die in het verleden tot de Sovjet-Unie hebben
behoord. Geconstateerd moet worden dat in de landen van Centraal-Azië grote proble-
men bestaan met de menselijke dimensie, zoals het ontbreken van vrije verkiezingen,
onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting, onderdrukking van de persvrijheid,
onderdrukking van godsdienstige minderheden en gewetensbezwaarden, detentie zon-
der rechterlijk bevel, oneerlijke processen, wrede en onmenselijke behandeling van
arrestanten en gedwongen psychiatrische behandeling van degenen die opkomen voor
de rechten van de mens.
De AIV beveelt de Nederlandse regering aan er tijdens het voorzitterschap op toe te
zien dat deze schendingen van de rechten van de mens op de politieke agenda van de
OVSE blijven staan. De betrokken regeringen dienen erop te worden gewezen dat deze
schendingen in strijd zijn met de normen, waarden, regels en afspraken die gelden bin-
nen de OVSE. Per geval zal moeten worden afgewogen of het effectief is door stille
diplomatie, dan wel door het uitoefenen van politieke druk, bij te dragen aan een verbe-
tering van de rechten van de mens in deze landen.
Een volgend onderwerp waar het Nederlands voorzitterschap nadrukkelijk mee te
maken zal krijgen, is de politiesamenwerking in de OVSE. Deze samenwerking wordt
een steeds belangrijker thema, gezien het eminente belang van handhaving of herstel
van de binnenlandse orde bij het voorkomen, beheersen of te boven komen van inter-
nationale crises. In de OVSE is inmiddels een ‘Senior Police Advisor’ aangesteld en is
veel aandacht uitgegaan naar de training en opleiding van politiemensen, onder andere
in Kosovo. De rechten van de mens maken deel uit van die training en opleiding. Hier-
voor wordt ook gebruik gemaakt van deskundigheid van de Raad van Europa. Ook met
42 In het recente verleden was dit voormalig secretaris-generaal van de OVSE Hoeynck; met ingang van
   2002 fungeert de Duitse diplomaat Salber als persoonlijk vertegenwoordiger van het voorzitterschap
   voor Centraal-Azië.
                                                    35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>de Europese Unie wordt op dit gebied samengewerkt. De OVSE zou zich op dit vlak
kunnen gaan richten op strategische steun aan landen die daarom vragen, bijvoorbeeld
door te helpen de politie-organisatie in landen op poten te zetten of door deze te hel-
pen hervormen.
Een laatste onderwerp waar het Nederlands voorzitterschap voortgang op kan proberen
te boeken, is de rechtspersoonlijkheid van de OVSE. Tenslotte is Nederland hier tradi-
tioneel een voorstander van. Gedurende de jaren negentig is de discussie over de juri-
dische status van de OVSE keer op keer tevergeefs gevoerd. Voor het functioneren van
de OVSE zou het beter zijn indien ze rechtspersoonlijkheid zou hebben, niet alleen
omdat het dan voor de OVSE mogelijk wordt overeenkomsten te sluiten, maar ook uit
oogpunt van de rechtsbescherming en veiligheid van stafleden, onder andere in mis-
sies, en uit oogpunt van financiële en fiscale voordelen voor de organisatie. Hoewel
het merendeel van de deelnemende staten de OVSE een verdragsbasis zou willen
geven, is het vanwege weerstand bij de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag
niet mogelijk hierover in de OVSE overeenstemming te bereiken. Deze weerstand van
de Verenigde Staten, gevoegd bij de eerder beschreven Amerikaanse houding de
besluitvorming in de OVSE niet aan regels en procedures te onderwerpen, doet de
vraag rijzen of de Verenigde Staten de OVSE niet bewust organisatorisch zwak wil
houden om haar beter te kunnen bespelen.
De AIV roept de Nederlandse regering op haar positie als voorzitter in 2003 te gebrui-
ken om een impuls te geven aan de discussie over de rechtspersoonlijkheid voor de
OVSE.
Zoals hiervoor is betoogd zal het Nederlands voorzitterschap voornamelijk in het teken
(dienen te) staan van de continuïteit en van het verder vorm geven aan thema’s die
thans op de agenda staan. Daarom volgt hier niet meer dan één nieuw thema voor de
OVSE, dat Nederland tijdens het voorzitterschap zou kunnen introduceren, te weten
een systematische aanpak van “lessons learned”. Daarna volgt er in II.4 nog de sug-
gestie van een groep van wijzen om te komen tot vernieuwing en hervorming van de
OVSE.
Zonder dat het met zoveel woorden wordt gezegd, kan er van worden uitgegaan dat bij
de planning van toekomstige activiteiten wordt voortgebouwd op eerdere ervaringen
van de OVSE. Incidenteel wordt binnen de OVSE, in het kader van discussies over
veldactiviteiten, wel gerefereerd aan “lessons learned”, maar dit gebeurt – voor zover
valt na te gaan – niet op een structurele, laat staan gestandaardiseerde wijze. Ook bij
de instelling van het Operation Centre en de herstructurering van het secretariaat
speelde de noodzaak van evaluatie en “lessons learned” geen expliciete rol. Toch zou
evaluatie van OVSE-activiteiten, in het bijzonder van veldoperaties – naast wetenschap-
pelijke reflectie op de eigen activiteiten – raadzaam zijn en een positieve uitwerking
kunnen hebben op zowel het functioneren als de legitimiteit van de organisatie. Waar
het om gaat is het zelflerend vermogen van de OVSE te versterken. Onderwerpen die
bij een evaluatie in elk geval aan de orde dienen te komen, zijn het behalen van gestel-
de doelen in relatie tot het mandaat en de financiële aspecten.
In het algemeen evalueert bijna elke zichzelf respecterende internationale organisatie
haar activiteiten. In dit verband kan worden gewezen op de evaluatie van operaties van
de Verenigde Naties, op de evaluatie van het beleid van de Europese Unie, alsmede op
de Nederlandse situatie waar na afloop van een Nederlandse bijdrage aan operaties
van de Verenigde Naties een evaluatie volgt. In veel gevallen worden deze evaluaties
                                              36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>binnen de eigen organisatie uitgevoerd. De Verenigde Naties kennen hiervoor bijvoor-
beeld de “Lessons Learned Unit”.
De AIV beveelt aan dat het Nederlands voorzitterschap in de OVSE de discussie enta-
meert over een onafhankelijke evaluatie van activiteiten, in het bijzonder die van de
missies. Doel is sterke en zwakke punten van OVSE-optreden op het spoor te komen
en hieruit lessen te trekken voor toekomstig optreden. Het model dat voor de evalu-
atie-eenheid wordt gekozen, lijkt van minder belang dan de start van de discussie zelf.
Mogelijk voorbeeld is de “Lessons Learned Unit” van de Verenigde Naties.
II.4     De OVSE: de noodzaak van vernieuwing en hervorming
Het voorafgaande bij elkaar opgeteld – onzekerheid, kwestieuze loyaliteit van de deel-
nemende staten, onduidelijkheid over de rol die de OVSE heeft te spelen met een
onbestemde waaier van taken en functies tot gevolg, een organisatie die eigenlijk nog
een conferentie is, gebrekkig georganiseerde besluitvorming, gebrek aan continuïteit bij
de uitvoering van taken en een politieke tweedeling binnen de organisatie – roept de
vraag op of de OVSE niet het risico loopt in haar handelend vermogen te worden aange-
tast. Zou dat het geval zijn, dan verliest de OVSE haar politieke relevantie en stevent
zij af op een crisis.
Veel deelnemende staten onderkennen dit gevaar. Om die reden wordt geregeld de dis-
cussie over hervormingen van de OVSE aangezwengeld. Aangezien de verschillende
deelnemende staten daarbij verschillende hervormingen voor ogen hebben, kan die dis-
cussie nauwelijks vruchtbaar worden gevoerd. Immers, al jaren kunnen de deelnemen-
de staten het niet eens worden over hervorming en vernieuwing van de OVSE, waarvan
zij nochtans beweren dat zij noodzakelijk zijn voor het adequaat functioneren van de
organisatie. Was het baron van Münchhausen nog gegeven zichzelf aan zijn haren uit
het moeras te trekken, de OVSE-staten zijn daartoe niet in staat. Daarvoor lopen de
verschillen van opvatting over de toekomst van de OVSE te zeer uiteen. Wat van bin-
nenuit niet lukt, kan misschien van buitenaf worden geprobeerd.
Ten slotte stelt de AIV voor dat het Nederlands voorzitterschap zich sterk maakt voor
een representatieve, internationale groep van wijzen, die zich zal buigen over hervor-
ming en vernieuwing van de OVSE. Tot het mandaat van de groep van wijzen zou in elk
geval een afbakening van de taken en functies van de OVSE moeten behoren, met
inbegrip van de mogelijkheid taken af te stoten en met andere organisaties samen te
werken. Verder zou de groep de continuïteit van de uitvoering van taken en activiteiten
van de OVSE in verband met het jaarlijks voorzitterschap en de organisatie van de
besluitvorming dienen te bekijken.
De groep van wijzen dient niet alleen representatief te zijn voor uiteenlopende OVSE-
staten, maar dient ook een dusdanig politiek gewicht in de schaal te leggen dat het
voor deelnemende staten moeilijk is aan zijn aanbevelingen voorbij te gaan. De groep
zou geregeld over haar vorderingen dienen te rapporteren aan de Permanente Raad in
Wenen en zou uiteindelijk verslag dienen uit te brengen aan de ministeriële bijeen-
komst van de OVSE in december 2003, over de wijze waarop, naar haar inzicht, inhou-
delijk overeenstemming kan worden bereikt over hervorming en vernieuwing van de
OVSE.
                                             37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>III      Bijdrage aan de agenda voor het Nederlands
         voor zitterschap van de OVSE: r ecapitulatie
         van bevindingen
III.1    Algemeen
Met het wegvallen van de Oost-West tegenstelling is ook de functie van de C/OVSE als
ontmoetingsplaats tussen de blokken weggevallen. Het spreekt daardoor niet langer
vanzelf dat de OVSE hét platform is voor overleg en dialoog, te minder daar de landen
van Oost en West elkaar tegenwoordig ook in andere fora ontmoeten. Aangezien de
CVSE aan haar functie van ontmoetingsplaats tussen Oost en West gedurende de
Koude Oorlog haar bestaansrecht ontleende, hoeft het geen verbazing te wekken dat
bij haar opvolger, de OVSE, momenteel onzekerheid bestaat over haar rol en taken. De
deelnemende staten zijn er onvoldoende in geslaagd het inhoudelijk vacuüm van de
OVSE, na het wegvallen van de Oost-West tegenstelling, adequaat en ondubbelzinnig
op te vullen.
Ondanks de introductie van de omnibusbegrippen van “comprehensive security” en
“cooperative security”, bestaat nog altijd onvoldoende samenhang in de veelheid en
verscheidenheid aan activiteiten van de OVSE. Deze begrippen zijn zo ruim dat ze er
onvoldoende aan hebben bijgedragen de veiligheidsbelangen van de OVSE-staten op
elkaar af te stemmen. Overigens is de OVSE geen verdedigingsorganisatie. Collectieve
defensie is nooit het oogmerk geweest. De OVSE heeft immers geen machtsmiddelen
om veiligheid in en tussen de deelnemende staten tot stand te brengen.
De hervorming en uitbreiding van de NAVO en van de Europese Unie werpen in toene-
mende mate hun schaduw vooruit: er ontstaat in de OVSE een scheidslijn tussen de
lidstaten van deze organisaties en de landen met een perspectief op toetreding aan de
ene kant, en de overige landen die dit perspectief ontberen aan de andere kant. Van
belang blijft dat de Verenigde Staten en de Russische Federatie, op voet van gelijkwaar-
digheid, deel uitmaken van de OVSE. Echter, naarmate de Amerikaans-Russische ver-
houdingen verbeteren en, de NAVO en de Europese Unie meer lidstaten gaan tellen en
zich actiever opstellen in kwesties van Europese veiligheid, boet de OVSE aan politiek
gewicht in. Dit klemt des te meer omdat ook de Raad van Europa zich manifesteert op
terreinen waar de OVSE zich op beweegt.
De werking van de OVSE berust op de politieke bereidheid van de deelnemende staten
hun onderlinge betrekkingen en hun interne beleid te onderwerpen aan gemeenschap-
pelijke, politieke afspraken. Deze stellen begrenzingen aan het politieke verkeer: van
deelnemende staten wordt verwacht dat ze zich houden aan de overeengekomen
‘omgangsvormen’, ten opzichte van elkaar en ten opzichte van hun burgers. Dat doen
de betrokken staten niet altijd, maar de gemaakte afspraken zijn wel de norm. Onttrek-
ken de deelnemende staten zich aan de norm – zie Tsjetsjenië, zie Joegoslavië, zie de
bevroren conflicten – dan kan in de OVSE worden gevraagd om rekenschap en verant-
woording; de OVSE kan evenwel niets afdwingen. Deze traditie van overleg en consulta-
ties, die door de jaren heen in de OVSE is opgebouwd, heeft overigens wel geholpen
de politieke veranderingen in Europa en in de individuele landen te kanaliseren en is
daarom op zichzelf waardevol.
                                            38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>III.2    De dimensies van de OVSE
De AIV is van oordeel dat de OVSE nog te veel teert op successen uit het verleden
waar het gaat om wapenbeheersing. De AIV beveelt het Nederlands voorzitterschap
aan te bezien -- en in de OVSE te bespreken – welke van de bestaande afspraken op
het gebied van wapenbeheersing prioriteit verdienen. Tevens is het van het grootste
belang dat het Forum voor Veiligheidssamenwerking niet de aansluiting verliest met het
overleg en de consultaties in de OVSE in het algemeen en die in de Permanente Raad
in het bijzonder. Welke vorm daarvoor wordt gevonden (het Forum als voorbereidend
comité van de Permanente Raad, een volledige fusie tussen beide overlegfora) is van
minder belang dan dat de veiligheidspolitieke dimensie van de OVSE volwaardig blijft
functioneren. Mist het Forum voor Veiligheidssamenwerking deze aansluiting, dan dreigt
het politiek irrelevant te worden.
De AIV is van oordeel dat de OVSE zich in het kader van de EED in hoofdzaak dient te
richten op conflictvoorkoming en op het indammen van tegenstellingen. Deze doelen
kan de OVSE nastreven door als katalysator op te treden in de samenwerking met
andere internationale organisaties die zich bewegen op de gebieden economie en/of
milieu. Door hun mandaat, deskundigheid en opgedane ervaring kunnen andere organi-
saties beter dan de OVSE in staat zijn gerichte en doeltreffende activiteiten op dit vlak
te ontplooien. De OVSE dient in dit verband vooral als platform te fungeren voor infor-
matie-uitwisseling over activiteiten met andere internationale organisaties op het vlak
van economie en milieu. Daarbij kan onder andere worden gedacht aan de Europese
Unie, de Wereldbank, het IMF, de OESO, de ERBD en de Economische Commissie voor
Europa van de Verenigde Naties. In het bijzonder zou de OVSE zich op dit vlak dienen
te richten op de landen die – vooralsnog – geen perspectief hebben op toetreding tot
de Europese Unie, aangezien kan worden verwacht dat deze landen zich het meest ont-
vankelijk zullen tonen voor assistentie en steun van de OVSE in het kader van conflict-
voorkoming.
Op grond van hoofdstuk I komt de AIV verder nog tot de volgende bevindingen:
• De plaatsbepaling die is gegeven van de OVSE brengt de AIV tot de slotsom dat de
    OVSE – deels in aanvulling op, deels in samenwerking met andere internationale
    organisaties – nog altijd een waardevolle rol heeft te vervullen in de betrekkingen
    tussen de staten die aan de OVSE deelnemen.
• De OVSE biedt een wezenlijk platform voor voortdurende consultaties en overleg
    tussen de deelnemende staten. Deze traditie van overleg is op zichzelf van waarde.
    Daarnaast is de OVSE de enige regionale organisatie voor samenwerking op het
    gebied van veiligheid waar de Verenigde Staten en de Russische Federatie op voet
    van gelijkwaardigheid deel van uitmaken. Bovendien is van belang dat de Centraal-
    Aziatische landen deel uitmaken van de OVSE.
• De begrippen “comprehensive security” en “cooperative security” zijn zo ruim dat ze
    nauwelijks beperkingen stellen aan de activiteiten en de taken van de OVSE. Deze
    kunnen zich bovendien afspelen in drie dimensies, ieder met eigen kenmerken en
    een eigen dynamiek. De OVSE is dan ook een regionale organisatie die het mandaat
    en de deskundigheid heeft om veiligheidsproblemen in een breed kader aan te pak-
    ken. De andere kant van de medaille is echter dat de OVSE een zeer brede waaier
    van taken en activiteiten kent. De OVSE vervult belangrijke taken, zoals politietaken,
                                            39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>    taken bij verkiezingswaarneming, veiligheidspolitiek optreden en taken op het gebied
    van de menselijke dimensie, die ieder op zich van betekenis zijn voor de veiligheid in
    Europa. Tegelijk zijn deze taken zo verscheiden dat niet altijd duidelijk is waar het
    zwaartepunt ligt of zou moeten liggen van de taakvervulling en activiteiten van de
    OVSE. Als gevolg hiervan is de OVSE een organisatie die veel en velerlei activiteiten
    ontplooit, waarvan de samenhang niet altijd duidelijk is en waarvan bovendien niet
    altijd evident is waarom de OVSE deze op zich neemt.
• De AIV beveelt de Nederlandse regering aan, gedurende het voorzitterschap van de
    OVSE, inhoudelijke zwaartepunten te leggen bij de voorkoming van conflicten en de
    wederopbouw direct na conflicten, waarbij de deskundigheid van de OVSE in de vei-
    ligheidsdimensie, de economische en ecologische dimensie en de humanitaire
    dimensie centraal dient te staan. Dergelijke zwaartepunten kunnen helpen prioritei-
    ten te stellen bij de taakuitoefening en activiteiten van de OVSE. (Nieuwe) activitei-
    ten die in het kader van de OVSE worden ontwikkeld, dienen te worden getoetst op
    hun bijdrage aan de voorkoming van conflicten of aan de wederopbouw na afloop
    van conflicten.
III.3     Besluitvorming
De AIV concludeert dat de besluitvorming in de OVSE vooral het beeld biedt van een con-
ferentie met een minimum aan procedures en regels en van een gesegmenteerd veld
van deelnemers aan de besluitvorming, waarbij de uitbreiding van de Europese Unie en
de NAVO in de OVSE een scheidslijn trekt tussen de lidstaten en kandidaat-lidstaten van
deze organisaties aan de ene kant en de landen die dit perspectief niet hebben aan de
andere kant. Aangezien de landen zonder dit toetredingsperspectief zich in het algemeen
in de regio’s bevinden waar de missies van de OVSE actief zijn – zo dat al niet op hun
eigen grondgebied is – lijkt het niet overdreven te stellen dat de OVSE te kampen heeft
met een tweedeling.
De AIV beveelt het Nederlands voorzitterschap aan de efficiëntie van de besluitvorming
op de agenda van de OVSE te houden. Het is de AIV bekend dat in het verleden geen
overeenstemming is bereikt over voorstellen die delegaties hieromtrent hebben gedaan.
De meeste landen willen de consensusregel niet opgeven. Daarom is een procedure
voorgesteld (een commissie van wijzen) waarmee wordt beoogd van buitenaf beweging
hierin te krijgen.
De AIV is van mening dat dient te worden geïnvesteerd in de relatie met de Russische
Federatie. Het zou daarom een verkeerd signaal zijn de Russische onvrede over het
functioneren van de OVSE niet serieus te nemen. Vanzelfsprekend dienen de Russische
opvattingen, stuk voor stuk, inhoudelijk op hun merites te worden beoordeeld. Wel
beveelt de AIV aan dat het Nederlands voorzitterschap zich inspant om serieuze bespre-
king mogelijk te maken van kwesties die spelen in West-Europa, ondanks de huiver, of
zelfs tegenstand, die het hierbij in de kring van partners kan ontmoeten. Hierbij kan
onder andere worden gedacht aan de vrijheid van godsdienst, aan de integratie van
minderheden, aan de deplorabele positie van veel Roma- en Sinti-groepen in West-
Europa en aan vreemdelingenhaat.
                                             40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>III.4   Voorzitterschap
Voorwaarden die Nederland kunnen helpen het voorzitterschap tot een succes te
maken, zijn: 1. uitgesproken deskundigheid op de onderwerpen die in de OVSE spelen,
in het bijzonder op die gebieden waar missies van de OVSE zijn ontplooid; 2. adequate
politieke en diplomatieke voorbereidingen op de aanpak van deze onderwerpen, waarbij
het van belang is dat het voorzitterschap voldoende inzicht heeft in hetgeen speelt in
alle geledingen van de OVSE; 3. voldoende staf – zowel in Wenen als in de Den Haag
– en perfecte en snelle communicatie tussen Den Haag en Wenen; 4. voldoende finan-
ciële middelen voor nieuwe initiatieven en projecten; 5. de minister van Buitenlandse
Zaken dient het voorzitterschap politiek te dragen, wat tot uiting komt in betrokkenheid
en frequent optreden. De minister van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigt immers
het hoogste politieke gezag dat in de organisatie voorhanden is. Hij, niet de voorzitter
van de Permanente Raad, is het publieke gezicht van de OVSE naar buiten. Overigens
is het wel zaak dat, daarnaast, het Nederlands voorzitterschap van de OVSE wordt
gedragen door het gehele kabinet, aangezien ook andere departementen dan het
ministerie van Buitenlandse Zaken moeten kunnen worden betrokken bij de uitvoering
van OVSE-taken gedurende het voorzitterschap.
Op grond van de ervaringen van eerdere voorzitters van de OVSE komt de AIV tot con-
clusie dat het internationale kader de leidraad vormt voor de vervulling van het voorzit-
terschap door Nederland. Met andere woorden: actuele internationale ontwikkelingen
zijn bepalend voor de werkzaamheden van het voorzitterschap. Het is dan ook cruciaal
dat de Nederlandse regering voorzieningen treft die het mogelijk maken snel te reage-
ren en adequaat in te spelen op internationale ontwikkelingen.
In het bijzonder de ervaringen van het Noorse voorzitterschap leren dat het van belang
is dat de hoofdtaken van de OVSE-eenheid in Den Haag en van de delegatie in Wenen
zo worden vervuld dat deze elkaar aanvullen. Hiervoor zijn goede afspraken over de ver-
deling van bevoegdheden noodzakelijk. Daarbij kan worden aangetekend dat de ervarin-
gen van eerdere voorzitterschappen daarnaast leren dat het aanbeveling verdient dat
zowel het hoofd van de OVSE-eenheid in Den Haag, als de permanente vertegenwoordi-
ger in Wenen – beiden met inachtneming van de eigen bevoegdheid en verantwoordelijk-
heid – direct toegang hebben tot de minister van Buitenlandse Zaken. Alleen dan kan de
minister van Buitenlandse Zaken effectief en slagvaardig fungeren als voorzitter van de
OVSE. Voorwaarde is dan wel dat tussen Den Haag en Wenen open en snel wordt
gecommuniceerd.
Om het Nederlands voorzitterschap zo effectief en efficiënt mogelijk te laten functione-
ren wordt aanbevolen in Wenen zoveel mogelijk gebruik te maken van “groups of
friends”, “open ended working groups” en speciale vertegenwoordigers van het voorzit-
terschap. Dit draagt bij aan het draagvlak van de besluitvorming en houdt, naast het
voorzitterschap, ook andere deelnemende staten intensief betrokken bij het reilen en
zeilen van de OVSE.
De AIV raadt het Nederlands voorzitterschap aan zich ten aanzien van de versterking
van de positie van de secretaris-generaal en van het secretariaat te beperken tot kleine,
doch concrete maatregelen, die het voorzitterschap zelf kan doorvoeren. Als volgt:
Nederland heeft zich in het verleden een voorstander getoond van versterking van het
secretariaat. In dit verband stelt de AIV voor, ten behoeve van opeenvolgende voorzitter-
schappen, het secretariaat van de OVSE te versterken met zoveel staf als noodzakelijk
is voor de versterking van de continuïteit. Deze stafleden zouden zich in het bijzonder
                                             41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>dienen toe te leggen op het waarborgen van de continuïteit van het beleid van de OVSE
bij wisselende voorzitterschappen en zich niet zozeer dienen te richten op de operatio-
nele taken van de OVSE, zoals de “program officers” ten aanzien van de missies;
veeleer dienen zij zich te richten op ondersteuning van het voorzitterschap bij de voor-
bereiding van besluiten in Wenen. Zolang deze suggestie nog niet is uitgevoerd, kan
Nederland overwegen het secretariaat te versterken door daarvoor, voor eigen reke-
ning, Nederlandse ambtenaren ter beschikking te stellen.
III.5    Politiek en publiek draagvlak
Als eerste stap op weg naar het scheppen van meer politiek draagvlak voor de OVSE,
zou het Nederlands voorzitterschap kunnen voorstellen dat het fungerend voorzitter-
schap niet alleen aan het begin van zijn termijn zijn aanpak van het voorzitterschap en
zijn plannen uiteenzet tegenover de gekozen volksvertegenwoordigers van de Parlemen-
taire Assemblee van de OVSE, maar ook, tegen het einde van zijn termijn, rapporteert
over de resultaten die zijn geboekt in het afgelopen ‘voorzittersjaar’. Zolang deze sug-
gesties niet op voldoende draagvlak kunnen rekenen, kan het Nederlands voorzitter-
schap dit vrijwillig op zich nemen.
De AIV beveelt verder aan dat de OVSE haar voorlichting versterkt en op dat vlak beleid
ontwikkelt. Het Nederlands voorzitterschap kan hiertoe stappen zetten, onder andere
door voor te stellen hiervoor structureel ruimere fondsen in de begroting van de OVSE
te reserveren. Voorts kan worden onderzocht op welke wijze voorlichting in alle geledin-
gen van de OVSE gestalte kan krijgen, waarbij ook de activiteiten in het veld dienen te
worden betrokken op zo’n wijze dat deze aan de OVSE worden toegeschreven.
III.6    Missies
De AIV beveelt Nederland aan in de OVSE te bepleiten aan de aanwezigheid van mis-
sies van de OVSE in het vervolg een tijdshorizon te verbinden op zodanige wijze dat
wordt vastgelegd binnen welke termijn de doelstellingen van het mandaat van de mis-
sie dienen te zijn verwezenlijkt. Op die wijze worden de betrokken partijen en alle ande-
re deelnemende landen in de OVSE veel meer dan nu het geval is, gedwongen een poli-
tieke dialoog te voeren over de situatie in het land dat de missie ontvangt. Daarnaast
dwingt een tijdshorizon de regeringen van de betrokken landen en de hoofden van mis-
sies, sterker dan nu het geval is, binnen vastgestelde termijnen politieke en andere
doeleinden te verwezenlijken. Dit versterkt de mogelijkheden tot sturing vanuit Wenen
ten opzichte van de missies. Daarnaast kan worden onderzocht welke van de huidige
missies in het veld op vergelijkbare wijze alsnog aan een tijdshorizon kunnen worden
onderworpen.
De AIV beveelt verder het Nederlands voorzitterschap aan de rapportage van missies
aan de Permanente Raad in Wenen te standaardiseren en te onderwerpen aan vaste
procedures van behandeling.
Met het oog op een adequate aansturing van missies beveelt de AIV het Nederlands
voorzitterschap bovendien aan de praktijk voort te zetten om de “program officers” van
het secretariaat te betrekken bij overleg over de missies. Het Roemeens voorzitter-
schap is hiermee in 2001 begonnen. Ook uit oogpunt van versterking van het secretari-
aat en van samenwerking tussen het voorzitterschap en het secretariaat, is er alles
voor te zeggen hiermee door te gaan bij het Nederlands voorzitterschap.
                                             42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>III.7    Inhoudelijke thema’s en versterking van de OVSE
De AIV bepleit bescheidenheid bij het formuleren van de doelstellingen die Nederland
zich stelt voor het voorzitterschap van de OVSE; niet vanwege gebrek aan inhoudelijke
ideeën of suggesties die zouden kunnen worden gedaan, maar omdat de praktijk uit-
wijst dat het plaatsen van nationale accenten slechts zeer beperkt mogelijk is. Immers,
het adequaat reageren op internationale ontwikkelingen en de continuïteit van de activi-
teiten van de OVSE vormen op zich al een rijke en inhoudsvolle agenda die veel van
het Nederlands voorzitterschap zal vergen. Voor de inhoudelijke ideeën en suggesties
ten behoeve van het Nederlands voorzitterschap die wel worden gedaan, dient aanslui-
ting te worden gezocht bij de lopende agenda van de OVSE en bij de in het voorjaar van
2001 gepresenteerde Duits-Nederlandse voorstellen.
De AIV beveelt aan dat de Nederlandse regering er tijdens het voorzitterschap op toe-
ziet dat de schendingen van de rechten van de mens in de landen van Centraal–Azië
deel (blijven) uitmaken van de politieke agenda van de OVSE. De betrokken regeringen
dienen erop te worden gewezen dat deze schendingen in strijd zijn met de normen,
waarden, regels en afspraken die gelden binnen de OVSE. Per geval zal moeten worden
afgewogen of het effectief is door stille diplomatie, dan wel door het uitoefenen van
politieke druk, bij te dragen aan een verbetering van de rechten van de mens in deze
landen.
De AIV roept de Nederlandse regering op haar positie als voorzitter in 2003 te gebrui-
ken om een impuls te geven aan de discussie over de rechtspersoonlijkheid voor de
OVSE.
De AIV beveelt aan dat het Nederlands voorzitterschap in de OVSE de discussie enta-
meert over een onafhankelijke evaluatie van activiteiten, in het bijzonder die van de
missies. Doel is sterke en zwakke punten van OVSE-optreden op het spoor te komen
en hieruit lessen te trekken voor toekomstig optreden. Het model dat voor de evalu-
atie-eenheid wordt gekozen, lijkt van minder belang dan de start van de discussie zelf.
Mogelijk voorbeeld is de “Lessons Learned Unit” van de Verenigde Naties.
Geconstateerd is dat het functioneren van de OVSE wordt gehinderd door onzekerheid
over de plaats van de organisatie in de internationale verhoudingen, onduidelijkheid over
de rol die de OVSE heeft te spelen met een onbestemde waaier van taken en functies
tot gevolg, kwestieuze loyaliteit van de deelnemende staten, het gegeven dat de organi-
satie eigenlijk nog een conferentie is, gebrekkig georganiseerde besluitvorming, gebrek
aan continuïteit bij de uitvoering van taken en een politieke tweedeling binnen de organi-
satie. Dit roept de vraag op of de OVSE niet het risico loopt in haar handelend vermogen
te worden aangetast. Zou dat het geval zijn, dan verliest de OVSE haar politieke relevan-
tie en stevent zij af op een crisis. Veel deelnemende staten onderkennen dit gevaar. Om
die reden wordt geregeld de discussie over hervormingen van de OVSE aangezwengeld.
Aangezien de verschillende deelnemende staten daarbij verschillende hervormingen voor
ogen hebben, kan die discussie nauwelijks vruchtbaar worden gevoerd. Immers, al jaren
kunnen de deelnemende staten het niet eens worden over hervorming en vernieuwing
van de OVSE, waarvan zij nochtans beweren dat zij noodzakelijk zijn voor het adequaat
functioneren van de organisatie. Wat van binnenuit niet lukt, kan misschien van buitenaf
worden geprobeerd.
                                              43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>De AIV stelt voor dat het Nederlands voorzitterschap zich sterk maakt voor een repre-
sentatieve, internationale groep van wijzen, die zich zal buigen over hervorming en ver-
nieuwing van de OVSE. Tot het mandaat van de groep van wijzen zou in elk geval een
afbakening van de taken en functies van de OVSE moeten behoren, met inbegrip van
de mogelijkheid taken af te stoten en met andere organisaties samen te werken, als-
mede de continuïteit van de uitvoering van taken en activiteiten van de OVSE in ver-
band met het jaarlijks voorzitterschap en de organisatie van de besluitvorming.
De groep van wijzen dient niet alleen representatief te zijn voor de gemeenschap van
de aan de OVSE deelnemende staten, maar ook een dusdanig politiek gewicht in de
schaal te leggen dat het voor deelnemende staten moeilijk is aan zijn aanbevelingen
voorbij te gaan. De groep zou geregeld over haar vorderingen dienen te rapporteren
aan de Permanente Raad in Wenen en zou uiteindelijk verslag dienen uit te brengen
over de wijze waarop inhoudelijk overeenstemming kan worden bereikt over hervorming
en vernieuwing van de OVSE aan de ministeriële bijeenkomst van de OVSE in december
2003.
                                           44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Ministerie van
Buitenlandse Zaken

Vergelijking van de diverse voorzitterschappen

De afgelopen jaren hebben een wisselende kwaliteit in voorzitterschappen laten zien.
De Nederlandse inzet zal zijn een actief en kwalitatief goed voorzitterschap neer te
zetten, dat door ten minste een groot gedeelte van de OVSE-landen als effectief
ervaren wordt. Graag zou ik u willen vragen een vergelijking op te stellen van de
goede en zwakke kanten van de voorzitterschappen sinds 1995 en op basis van de
daaruit getrokken lessen aanbevelingen te formuleren voor de wijze waarop
Nederland optimaal inhoud zou kunnen geven aan het OVSE-voorzitterschap. Het
jaar 1995 is gekozen omdat de toenmalige voorzitter, Zwitserland, geconfronteerd
werd met de vestiging - in Bosnië - van de eerste grootschalige OVSE-missie. Deze
en daarop volgende ontwikkelingen (Albanië, Kosovo) hebben de aard en omvang
van de activiteiten van de organisatie in belangrijke mate veranderd. De taak van de
voorzitter is sinds die jaren aanzienlijk verzwaard.

Besluitvormingsprocessen

Ik verzoek u bij deze vergelijking ook specifiek in te gaan op de door de diverse
voorzitters gehanteerde besluitvormingsprocessen. Besluitvorming binnen de OVSE
vindt plaats op basis van consensus, hetgeen met 55 deelnemende staten niet altijd
zonder problemen verloopt. De afgelopen jaren zijn regelmatig klachten te horen
geweest dat besluiten reeds in kleine kring voorgekookt waren. Welke aanpak zou
Nederland kunnen hanteren teneinde deze klachten zoveel als mogelijk te
voorkomen? Zou het instellen van “groups of friends” voor specifieke onderwerpen
een goede optie zijn, en welke voorwaarden zouden daartoe moeten worden vervuld?
Hoe kan gegeven de EU rol binnen de OVSE en de toenemende beleidsafstemming
(GBVB, EVDB) binnen de EU optimaal met buiten de EU staande landen worden
samengewerkt? Bij de door Nederland te hanteren aanpak dient ook rekening te
worden gehouden met de eigen multilaterale onderhandelingstradities en de sterke en
zwakke punten daarin.

EN) aaan”

Relatie secretariaat - voorzitterschap

Ondersteuning vanuit het OVSE secretariaat in Wenen is gezien de omvang daarvan
beperkt. Toch is dit met het oog op het waarborgen van continuïteit en kwaliteit van
belang, zeker gezien het feit dat de belasting van het Voorzitterschap de laatste jaren
steeds groter en complexer is geworden. De secretaris-generaal van de OVSE, Jan
Kubis, heeft onlangs ook gepleit voor het vastleggen van modaliteiten in de relatie
tussen SG/Secretariaat en Voorzitterschap. Hoe zou deze relatie het beste vorm
gegeven kunnen worden, gegeven de beperkingen die een kleine, flexibel te houden
organisatie biedt? Wat is de positie van de Secretaris-Generaal in deze relatie? Hoe
zou de communicatie tussen voorzitterschap en secretariaat dienen te verlopen, en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Ministerie van
Buitenlandse Zaken

hoe kan aansluiting op de activiteiten van de voorganger het beste gewaarborgd
worden?

Versterking rol OVSE

In mijn recente brief aan de Kamer wordt een analyse gegeven van de huidige
situatie van de OVSE, die kort kan worden omschreven als een zekere mate van
stagnatie. Naar de inhoud van deze brief die is bijgevoegd, verwijs ik kortheidshalve.
Ook wordt hierin een overzicht gegeven van een aantal voorstellen die tezamen met
de BRD zijn ontwikkeld met het doel een nieuwe impuls te geven aan de
werkzaamheden van de OVSE. Deze voorstellen hebben betrekking op versterking
van de OVSE, nieuwe gebieden voor samenwerking en verbeterde werkmethoden.
De bedoeling is dat deze ideeën en voorstellen als input zullen dienen voor discussies
te Wenen en tussen de hoofdsteden. Ook door andere landen, politieke partijen’,
NGO's en in de academische wereld worden nieuwe ideeën ontwikkeld. Ik verzoek u
met inachtneming hiervan en van de terzake plaatsvindende discussie in Wenen, te
komen met voorstellen en ideeën die de rol van de OVSE bij het voorkomen en
beheersen van crises en conflicten kunnen versterken. Hierbij kan ook de effectiviteit
van een aantal OVSE instrumenten als de missies in het veld en REACT (Rapid
Expert Assistance and Cooperation Teams) in beschouwing worden genomen.

Ik stel het op prijs indien u bij dit onderdeel ook speciale aandacht besteedt aan de
positie van de Russische Federatie.

Nieuwe thema’s voor de OVSE

De afgelopen jaren heeft de OVSE bewezen in staat te zijn actief in te springen op
nieuwe thema’s in de internationale veiligheidsdiscussies. Een voorbeeld hiervan is
het ontwikkelen van een rol voor de organisatie op het terrein van politie. Onderwerp
van discussie is een eventuele rol van de OVSE bij het bestrijden van de zogeheten
nieuwe dreigingen: terrorisme, georganiseerde misdaad en handel in verdovende
middelen. Kunt u aangeven of in het kader van nieuwe ontwikkelingen in de
internationale veiligheidsdiscussie er onderwerpen zijn waar de OVSE op in zou
kunnen springen? Zijn er andere thema’s waar de OVSE volgens u een toegevoegde
waarde zou kunnen hebben?

TEEN) aaan) 7

Tot slot geef ik u een overzicht van studies die door andere organisaties/instellingen
in het kader van het Nederlandse voorzitterschap worden geëntameerd.

Het European Platform for Conflict Prevention werkt aan een analyse van de
problematiek in Centraal-Azië en de Kaukasus. Op basis hiervan wordt later dit jaar
in Nederland een seminar georganiseerd over de rol van de OVSE in Centraal-Azië.

' Zie bijv. de notitie van GroenLinks, ‘Met alle geweld voorkomen, beleidsvoorstellen voor
conflictpreventie’ van oktober 2000.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Ministerie van

Buitenlandse Zaken

Het Nederlands Helsinki Comité zal zich richten op het betrekken van NGO's bij het
voorzitterschap en op het thema menselijke dimensie.

Met Clingendael wordt gesproken over het maken van een inventarisatie van
mogelijkheden tot versterking van de capaciteit van de OVSE op het terrein van
vroegtijdige waarschuwing en conflictvoorkoming.

Ik hoop uw advies zo spoedig mogelijk tegemoet te kunnen zien, indien mogelijk
vóór december van dit jaar, gezien de noodzakelijke voorbereidingen op het OVSE-
voorzitterschap.

e ister van Büite aken

ll

Nana) )) Maand)”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage II
Besluiten van de Permanente Raad in de periode november 1999 - oktober 2001
02-12-99       PC.DEC/319    Extension of the mandate of the OSCE Mission to Bosnia
                             and Herzegovina
02-12-99       PC.DEC/320    Extension of the mandate of the OSCE Mission to Georgia
02-12-99       PC.DEC/321    Extension of the mandate of the OSCE Mission to Latvia
02-12-99       PC.DEC/322    Extension of the mandate of the OSCE Spillover Monitor
                             Mission to Skopje
02-12-99       PC.DEC/323    Extension of the mandate of the OSCE Mission to
                             Tajikistan
02-12-99       PC.DEC/324    Extension of the mandate of the OSCE Office in Yerevan
09-12-99       PC.DEC/325    Improvement of the OSCE employment conditions
09-12-99       PC.DEC/326    Task Force for the REACT Programme and the setting up of
                             a Operation Centre within the CPC
09-12-99       PC.DEC/327    Mandate of the OSCE Mission to Croatia
09-12-99       PC.DEC/328    Extension of the mandate of the OSCE Mission to Estonia
09-12-99       PC.DEC/329    Extension of the mandate of the OSCE Mission to Moldova;
                             expand the scope of the present mandate to “ensuring
                             transparancy of the removal and destruction of Russian
                             ammunition and armaments and co-ordination of financial
                             and technical assistance offered to facilitate withdrawal
                             and destruction”
09-12-99       PC.DEC/330    Extension of the mandate of the OSCE Project Co-ordinator
                             to Ukraine
15-12-99       PC.DEC/331    Adoption of the 2000 Unified Budget
15-12-99       PC.DEC/332    1999 Budget reductions
15-12-99       PC.DEC/333    Joint “Registration Task Force” in Kosovo
                             “to participate in a joint ‘Registration Task Force’ within
                             the framework of UNMIK with the task of planning and exe
                             cuting a civil registration in Kosovo, including registration
                             outside Kosovo by the IOM”
15-12-99       PC.DEC/334    Expansion of the mandate of the OSCE Mission to Georgia
                             - monitoring of the border between Georgia and the
                               Chechnyan Republic of the Russian Federation
                             - increase the size of the Mission by up to 20 personnel
20-01-00       PC.DEC/335    Budget for the border monitoring operation of the OSCE
                             Mission to Georgia
                             Annex: Proposed Budget
27-01-00       PC.DEC/336    The Human Dimension Seminar on “Children and Armed
                             Conflicts”, 23-26 May 2000, Warsaw
27-01-00       PC.DEC/337    Formal ending of the mandate of the OSCE Representative
                             to the Joint Committee on the Skrunda Radar Station
03-02-00       PC.DEC/338    Communication account arrears
10-02-00       PC.DEC/339    Establishment of an OSCE Field Office in Osh, Kyrgyzstan
                             Annex: 2000 Budget proposal
10-02-00       PC.DEC/340    Main subjects and organizational modalities for the Eighth
                             Meeting of the Economic Forum, 11-14 April 2000, Prague
                             - Economic rehabilitation and the next steps in the
                               transition: institution-building, rule of law and the role of
                               civil society;
                             - Environmental impact of conflicts; rehabilitation
                               measures;
                             - Experiences with post-conflict rehabilitation efforts.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>10-02-00 PC.DEC/341 Spending authority of the OSCE Mission in Kosovo
24-02-00 PC.DEC/342 Spending authority of the OSCE Mission in Kosovo
09-03-00 PC.DEC/343 Supplementary budget for the OSCE Mission in Kosovo
                    Annex: Budget for the year 2000 including the budget pro-
                    posal for the Registration Task Force
16-03-00 PC.DEC/344 Regional strategy for South Eastern Europe
                    - To develop a comprehensive and interdimensional policy
                      on region-wide and cross-border issues in South-Eastern
                      Europe;
                    - To extend individual OSCE field operations’ expertise and
                      resources to other existing OSCE Field operations in the
                      region […];
                    - To increase close co-operation with other international
                      organizations […];
                    - To assist countries in the region in implementing their
                      OSCE commitments and obligations […];
                    - To support ongoing regional efforts in arms control as
                      well as in confidence and security building;
                    - To support appropriate mechanisms, arrangements and
                      initiatives of (sub)regional co-operation;
                    - To develop carefully targeted OSCE regional projects […];
                    - To reinforce its support to the Pact’s goals and activities;
                    - To undertake activities, including executing projects
                      requested by the Stability Pact; and
                    - To propose OSCE projects to contribute to the Stability
                      Pact’s objectives.
23-03-00 PC.DEC/345 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Croatia
13-04-00 PC.DEC/346 Expansion of the border monitoring operation of the OSCE
                    Mission to Georgia
                    - […] decides to increase the size of the present mission
                      to up to 42 international personnel;
                      Annex: Budget for a period of 4.5 months
06-04-00 PC.DEC/347 Extension of the mandate of the Director of the ODIHR
18-04-00 PC.DEC/348 Agenda, timetable and other organizational modalities of
                    the 2000 Human Dimension Seminar “Children and armed
                    conflict” (Warsaw, 23-26 May 2000)
                    Working Groups:
                    - Addressing the situation of children during active armed
                      conflict and immediately post-conflict
                    - Addressing the longer-term needs of war-affected children
                    - post-conflict and in frozen conflicts - and politico-military
                      issues
18-04-00 PC.DEC/349 Extension of the appointment of the external auditor
18-05-00 PC.DEC/350 Supervision and dates of the General Election in Bosnia
                    and Herzegovina
25-05-00 PC.DEC/351 Supplementary budget for OSCE tasks in Bosnia and
                    Herzegovina relating to the supervision of the general
                    elections in the year 2000
                    Annex: First Alternative Overview
01-06-00 PC.DEC/352 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Moldova
01-06-00 PC.DEC/353 OSCE Action Plan for Gender Issues
08-06-00 PC.DEC/354 Extension of the mandate of the OSCE Mission in Kosovo
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>08-06-00 PC.DEC/355 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Georgia
15-06-00 PC.DEC/356 Extension of the mandate of the OSCE Project Co-ordinator
                    in Ukraine
15-06-00 PC.DEC/357 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Latvia
15-06-00 PC.DEC/358 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Estonia
15-06-00 PC.DEC/359 Extension of the mandate of the OSCE Spillover Monitior
                    Mission to Skopje
15-06-00 PC.DEC/360 Progress Report on Classification Review
                    Annex: Adjustment of posts following classification review
22-06-00 PC.DEC/361 Extension of the mandate of the OSCE Mission to
                    Tajikistan
22-06-00 PC.DEC/362 Revised OSCE budget process and budget format
22-06-00 PC.DEC/363 Place, date and overall theme for the Ninth Meeting of the
                    Economic Forum
                    “Transparency and good governance in economic matters”
29-06-00 PC.DEC/364 Strengthening the OSCE Operational Capacities (REACT,
                    Operations Centre, Restructuring of the OSCE Secretariat)
                    “decides to implement the REACT programme and make it
                    fully operational in the shortest possible time; further
                    decides to enhance the operational capacities of the
                    Secretariat by implementing a Unified Human Resources
                    Management System that will significantly improve the
                    OSCE’s rapid reaction capacity; the programme provides
                    for rapid recruitment and deployment in crisis situations
                    and an integrated staffing mechanism for all OSCE
                    missions and field operations”
                    Annex: Proposals for Secretariat strengthening
20-07-00 PC.DEC/365 Audited financial statement for 1999
20-07-00 PC.DEC/366 Amendment of the OSCE Staff Regulations
24-08-00 PC.DEC/367 OSCE-Japan Conference 2000: “Comprehensive Security in
                    Central Asia - Sharing OSCE and Asian Experiences”
                    (Tokyo, 11-12 December 2000)
                    Sessions:
                    - Comprehensive and political security (political security,
                      including global issues, in Central Asia, including non-pro-
                      liferation, OSCE confidence- and security-building mea-
                      sures, small arms and light weapons, terrorism, drugs,
                      organized crime, religious extremism; co-operation in
                      building comprehensive security, both institutional and
                      topical)
                    - Human dimension (democratic institutions and human
                      rights: achievements in Central Asia; democratic institu-
                      tions and human rights: the way ahead)
                    - Economic and environmental security (market economy
                      and development in Central Asia: experiences of Central
                      Asian Countries, and support by other participating
                    States and Partners for Co-operation; Natural resources
                    and environmental issues in Central Asia)
24-08-00 PC.DEC/368 Supplementary budget for the border monitoring operation
                    of the OSCE Mission to Georgia
24-08-00 PC.DEC/369 Organizational modalities, indicative agenda and work
                    programme of the Implementation Meeting on Human
                    Dimension Issues (Warsaw, 17 to 27 October 2000)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>07-09-00 PC.DEC/370 Year 2000 Budget mid-year review and supplementary
                    budgets
07-09-00 PC.DEC/371 2000 Mediterranean Seminar on “Confidence-Building
                    Measures and Confidence- and Security-Building Measures:
                    the OSCE Experience and its Relevance for the Mediterra-
                    nean Region” (Portoroz, 30 and 31 October 2000)
                    - OSCE’s comprehensive approach to security: confidence-
                      building measures (CBMs) and confidence- and security-
                      building measures (CSBMs)
                    - Mutually reinforcing institutions and their undertakings in
                      the Mediterranean
                    - The Mediterranean experience with CBMs and the possi-
                      ble relevance of OSCE tools, instruments and mechanisms
                      for the Mediterranean region
                      Annex: Agenda and organizational modalities
21-09-00 PC.DEC/372 Extension of the mandate of the Border Monitoring
                    Operation of the OSCE Mission to Georgia
                    Annex: Supplementary budget for 1.5 month
21-09-00 PC.DEC/373 The Police Monitoring Group in Croatia
28-09-00 PC.DEC/374 Recommendations to strengthen the mechanism for
                    internal oversight
12-10-00 PC.DEC/375 Supplementary budget for the 2000 Ministerial Council
                    Meeting in Vienna
24-10-00 PC.DEC/376 Timetable and organizational modalities of the Eighth
                    Meeting of the OSCE Ministerial Council (Vienna, 27 and
                    28 November 2000)
09-11-00 PC.DEC/377 OSCE-Korea Conference 2001: “Applicability of OSCE
                    CSBMs in North-East Asia” (19-21 March 2001, Seoul)
                    - OSCE confidence- and security-building measures (CSBMs)
                    - Regional CSBMs
                    - CSBMs in North-East Asia
09-11-00 PC.DEC/378 Granting of the status of Partner for Co-operation to
                    Thailand
09-11-00 PC.DEC/379 Developing recommendations regarding applications for
                    future partnership
10-11-00 PC.DEC/380 Federal Republic of Yugoslavia
20-11-00 PC.DEC/381 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Bosnia
                    and Herzegovina
20-11-00 PC.DEC/382 Extension of the mandate of the OSCE Mission in Kosovo
26-11-00 PC.DEC/383 Report on OSCE legal capacity and on privileges and immu
                    nities to the Ministerial Council
26-11-00 PC.DEC/384 Forwarding a draft agenda to the Ministerial Council
28-11-00 PC.DEC/385 Forwarding of draft documents to the Ministerial Council
                    - Draft Vienna Declaration on the role of the OSCE in
                      South-Eastern Europe
                    - Draft decision on enhancing the OSCE’s efforts to
                      combat trafficking in human beings
                    - Draft decision on the appointment of Mr. Rolf Ekéus as
                      OSCE HCNM
                    - Draft decision on the appointment of the Representative
                      on Freedom of the Media
                    - Draft decision on the Chairmanship in the year 2002
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>                    - Draft decision on the next OSCE Ministerial Council/
                      Summit
                    - Draft decision on a scale for large OSCE missions
                    - Draft decision on police-related activities
07-12-00 PC.DEC/386 Supplementary budget for the Office for Democratic
                    Institutions and Human Rights
                    Annex: Supplementary budget for the observation of
                    elections in Serbia
07-12-00 PC.DEC/387 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Moldova
07-12-00 PC.DEC/388 Extension of the mandate of the OSCE Office in Yerevan
07-12-00 PC.DEC/389 Extension of the mandate of the OSCE Mission to
                    Tajikistan
07-12-00 PC.DEC/390 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Estonia
07-12-00 PC.DEC/391 Extension of the OSCE Mission to Latvia
07-12-00 PC.DEC/392 Extension of the mandate of the OSCE Office in Baku
07-12-00 PC.DEC/393 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Georgia
14-12-00 PC.DEC/394 Extension of the mandate of the OSCE Project Co-ordinator
                    in Ukraine
14-12-00 PC.DEC/395 Extension of the OSCE Spillover Monitor Mission to Skopje
14-12-00 PC.DEC/396 Extension of the OSCE Mission to Croatia
14-12-00 PC.DEC/397 OSCE Centre in Tashkent “to change the name of the
                    OSCE Liaison Office in Central Asia to the OSCE Centre in
                    Tashkent”
14-12-00 PC.DEC/398 Interim financing arrangement for the scale of contributions
                    for large OSCE missions
14-12-00 PC.DEC/399 Year 2001 Unified Budget
                    Annex 1: Year 2001 budget
                    Annex 2: OSCE post table
                    Annex 3: Head of Mission and Field Operation Fund
                    Annex 4: List of Missions and Field Operations eligible to
                    benefit from the Head of Mission Fund
                    Annex 5: Draft amendments to financial regulations
                    Annex 6: Internal oversight
14-12-00 PC.DEC/400 Year 2000 Budget Revision
                    Annex: Year 2000 OSCE Unified Budget
11-01-01 PC.DEC/401 Establishment of the OSCE Mission to the Federal Republic
                    of Yugoslavia
11-01-01 PC.DEC/402 Budget for the OSCE Mission to the Federal Republic of
                    Yugoslavia
18-01-01 PC.DEC/403 Human Dimension Seminar on “Election Processes”
                    (Warsaw, 29 to 31 May 2001)
01-03-01 PC.DEC/404 Main subjects and organizational modalities for the Ninth
                    Meeting of the Economic Forum on “Transparency and
                    good governance in economic matters”
                    (Prague, 15 to 18 May 2001)
                    Themes:
                    - issues related to promotion of transparency and good
                      governance;
                    - actors involved in the promotion of transparency and
                      good governance;
                    - instruments for promoting transparency and good
                      governance
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>22-03-01 PC.DEC/405 Temporary Strengthening of the OSCE Spillover Monitor
                    Mission to Skopje
29-03-01 PC.DEC/406 Extension of the mandate of the Border Monitoring
                    Operation of the OSCE Mission to Georgia
29-03-01 PC.DEC/407 Agenda, timetable and other organizational modalities of
                    the 2001 Human Dimension Seminar on “Election
                    Processes” (Warsaw, 29 to 31 May 2001)
                    Working groups:
                    - Looking back to move ahead
                    - Democratic elections, rule of law and good governance
                    - Election processes and stability
                    - Elections and the fundamental freedoms of expression,
                      association and assembly
                    - ODIHR’s observation methodology and technical
                      assistance programme
30-03-01 PC.DEC/408 Scale for large OSCE Missions and projects
26-04-01 PC.DEC/409 Extension of the Appointment of the External Auditor
31-05-01 PC.DEC/410 Dates of the Ninth Meeting of the Ministerial Council
31-05-01 PC.DEC/411 Extension of the mandate of the Representative on
                    Freedom of the Media
31-05-01 PC.DEC/412 Supplementary budget for the OSCE Mission in Kosovo
07-06-01 PC.DEC/413 Venue and dates of the Implementation Meeting on Human
                    Dimension issues
07-06-01 PC.DEC/414 Development of a multi-ethnic police element in Presevo,
                    Bujanovac and Medvedja (Federal Republic of Yugoslavia)
07-06-01 PC.DEC/415 Further enhancement of the OSCE Spillover Monitor
                    Mission to Skopje
21-06-01 PC.DEC/416 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Latvia
21-06-01 PC.DEC/417 Extension of the mandate of the OSCE Project Co-ordinator
                    in Ukraine
21-06-01 PC.DEC/418 Extension of the mandate of the OSCE Spillover Monitor
                    Mission to Skopje
21-06-01 PC.DEC/419 Classification system
21-06-01 PC.DEC/420 Agenda and organizational modalities of the OSCE Seminar
                    on “Preventive Functions of the OSCE: Experience,
                    Possibilities, Tasks” (Kiev, 8 to 9 October 2001)
                    Themes:
                    - The nature of conflict prevention
                    - Roles and specificities of international organizations
                    - The need for a co-ordinated approach
28-06-01 PC.DEC/421 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Estonia
28-06-01 PC.DEC/422 Extension of the mandate of the OSCE Mission to
                    Tajikistan
28-06-01 PC.DEC/423 Extension of the mandate of the OSCE Mission to Moldova
28-06-01 PC.DEC/424 Size of the OSCE Mission to Croatia
05-07-01 PC.DEC/425 2001 Mediterranean Seminar on “The Implementation of
                    OSCE Economic and Environmental Dimension Commit-
                    ments: The OSCE Experience and Its Relevance for the
                    Mediterranean Region” (Dubrovnik, 30 to 31 October 2001)
                    Themes:
                    - The economic and environmental dimension and its
                      implications for security: The role of civil society, the rule
                      of law and good governance
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                    - The role of OSCE field activities: case studies
                    - The relevance of the OSCE experience in the economic
                      and environmental dimension for the Mediterranean
                      region in developing regional co-operation and cross-
                      border opportunities
                    - Partnership opportunities in the Mediterranean region
                      (stocktaking and recommendations)
12-07-01 PC.DEC/426 Trafficking in human beings
                    - Inform other international organizations about the position
                      and the measures already taken by the OSCE, including
                      dissemination by the OSCE Secretariat of the Code of
                      Conduct for OSCE personnel and the OSCE Anti-Trafficking
                      Guidelines;
                    - Encourage those international organizations to adopt
                      similar instruments for their personnel if they have not yet
                      done so, to implement them, to investigate cases of
                      wrongdoing, and to take the appropriate measures where
                      necessary;
                    - Invite the relevant international organizations to exchange
                      information on their best practices and regulations already
                      adopted in order to combat trafficking in human beings;
                    - Encourage them to participate in a joint response to
                      trafficking.
19-07-01 PC.DEC/427 Negotiations under Article V of Annex 1-B of the General
                    Framework Agreement for Peace in Bosnia and Herzegovina
19-07-01 PC.DEC/428 Enhancing the effectiveness of Human Dimension
                    Meetings
19-07-01 PC.DEC/429 Place, date and overall theme for the Tenth Meeting of the
                    Economic Forum on “Co-operation for the Sustainable Use
                    and the Protection of Quality of Water in the Context of the
                    OSCE” (Prague, 28 to 31 May 2002)
19-07-01 PC.DEC/430 Recommendations concerning future applications for
                    partnership
19-07-01 PC.DEC/431 Mid-year review of the year 2001 Unified OSCE Budget
19-07-01 PC.DEC/432 Audited financial statements for 2000
19-07-01 PC.DEC/433 Supplementary budget for the OSCE Mission in Kosovo
19-07-01 PC.DEC/434 Supplementary budget for the OSCE Mission in the Federal
                    Republic of Yugoslavia
19-07-01 PC.DEC/435 Supplementary budget proposal for the OSCE Communica-
                    tions Network
19-07-01 PC.DEC/436 Supplementary budget for the Office for Democratic Institu-
                    tions and Human Rights
06-09-01 PC.DEC/437 Further enhancement of the OSCE Spillover Monitor
                    Mission to Skopje
13-09-01 PC.DEC/438 Acts of terrorism in New York City and Washington, DC
                    Day of mourning
28-09-01 PC.DEC/439 Further enhancement of the OSCE Spillover Monitor
                    Mission to Skopje and the deployment of police advisers
                    and police trainers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                        Bijlage III
Prioriteiten van recente voorzitters van de OVSE (1998 - 2002)
Polen 1998
“Challenges”
  - Being ready to face unexpected crisis situations; early warning and preventative mecha-
    nisms should be at the heart of the OSCE endeavours.
  - A more active role for the OSCE in Central Asia
  - Contribution by the OSCE to a new subregional dimension of international policy aimed
    at grass-root level cooperation, integration and solidarity and based on freedom and
    democracy.
(bron: Gemerek’s address to the Permanent Council, 15 January 1998)
Noorwegen 1999
“Main priorities”
  - To ensure the OSCE responds in a timely cohesive and determined manner to the
    political challenges facing us by promoting consensus.
  - Developing the conceptual framework for the OSCE’s contribution to European security.
    Document-Charter on European security which identifies the tasks of the OSCE in a new
    century and which defines the relationship between the OSCE and other organizations.
  - To enhance the moral authority of the OSCE as a community of values.
  - To enhance the operational capabilities of the Organization.
(bron: Vollebaek’s address to the Permanent Council, 14 January 1999)
Oostenrijk 2000
“Priorities”
  - Significant progress in the return of 7.5 million refugees and internally-displaced persons
    in the OSCE area.
  - A functioning Stability Pact for the Balkans.
  - Political, rather than military solutions to the conflicts in the Caucasus.
  - The organization of free and fair elections in Kosovo as well as in Bosnia and Herzegovina.
  - The swift implementation of the REACT concept called for in the Charter for European
    Security which was adopted at the OSCE Istanbul Summit.
(bron: Schuessel’s address to the Permanent Council, 13 January 2000)
Roemenië 2001
“Priorities”
 - Greater collective effort on behalf of the individual without neglecting the traditional OSCE
    priorities of conflict prevention, crisis management and post-conflict rehabilitation.
 - New ideas for strengthening political dialogue between OSCE States.
 - To speed up the OSCE’s response to nascent conflict situations.
 - To improve the efficiency of OSCE’s crisis management capability and to ensure con-
    sistency in post-conflict rehabilitation.
  - To strengthen the Organization’s operational capacity.
  - To strengthen cooperation with the OSCE’s international partners and with NGOs.
(bron: Geoana’s address to the Permanent Council, 11 January 2001)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Portugal 2002
“Priorities”
- The fight against terrorism (Action Plan, Personal Representative, Charter).
- Greater articulation and complimentarity between the three dimensions of the OSCE
- Strengthening the EED.
- Developing areas of cooperation and greater synergy between the Forum and the
  Permanent Council.
- Platform for Co-operative Security: reinforcing modalities of dialogue and collaboration
  between the OSCE and other international organizations.
- Involvement of our citizens in OSCE activities.
(bron: Gama’s adress to the Permanent Council, 17 January 2002)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                             Bijlage IV
De duur van de missies van de OVSE
Missies                                                                  Datum Aanvang / Sluiting
  Long-Term Missions
• The OSCE Spillover Monitor Mission to Skopje                           10/09/1992 -
• The OSCE Mission to Georgia                                            03/12/1992 -
• The OSCE Mission to Moldova                                            25/04/1993 -
• The OSCE Mission to Tajikistan                                         19/02/1994 -
• The OSCE Mission to Bosnia and Herzegovina                             29/12/1995 -
• The OSCE Mission to Croatia                                            04/07/1996 -
• The OSCE Mission in Kosovo                                             01/07/1999 -
• The OSCE Mission to the Federal Republic of Yugoslavia                 11/01/2001 -
  Other OSCE Field Activities
• The OSCE Centre in Tashkent                                            12/07/1995 -
  (formerly The OSCE Liaison Office in Central Asia)
• The OSCE Assistance Group to Chechnya                                  26/04/1995 -
• The OSCE Presence in Albania                                           03/04/1997 -
• The OSCE Advisory and Monitoring Group in Belarus                      18/09/1997 -
• The OSCE Centre in Almaty                                              23/07/1998 -
• The OSCE Centre in Ashgabad                                            Januari 1999 -
• The OSCE Centre in Bishkek                                             Januari 1999 -
• OSCE Project Co-ordinator in Ukraine                                   13/07/1999 -
• The OSCE Office in Yerevan                                             16/02/2000 -
• The OSCE Office in Baku                                                18/07/2000 -
  OSCE Activities regarding the Conflict dealt with
  by the Minsk Conference
• Minsk Process                                                          24/03/1992 -
• The Personal Representative of the Chairman-in-Office
  on the Conflict Dealt with by the OSCE Minsk Conference                10/08/1995 -
• High Level Planning Group                                              23/04/1995 -
  OSCE Assistance in Implementation of Bilateral Agreements
• The OSCE Representative to the Russian-Latvian                         23/02/1995
  Joint Commission on Military Pensioners
• The OSCE Representative to the Estonian                                04/11/1994
  Government Commission
  Closed Missions
• The OSCE Missions of Long Duration in Kosovo,                          08/09/1992 - 28/06/1993
  Sandjak and Vojvodina
• The OSCE Representative to the Joint Committee                         06/04/1995 - 31/10/1999
  on the Skrunda Radar Station
• The OSCE Mission to Ukraine                                            24/11/1994 - 30/04/1999
• The OSCE Mission to Estonia                                            15/02/1993 - 31/12/2001
• The OSCE Mission to Latvia                                             19/11/1993 - 31/12/2001
De vermelde data zijn waar mogelijk data waarop de werkzaamheden van de missies zijn aangevangen.
Waar dit niet mogelijk is, zijn de data vermeld waarop is besloten de missies in het leven te roepen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                                       Bijlage V
Lijst van gebruikte afkor tingen
AIV          Adviesraad Internationale Vraagstukken
CBM’s        Confidence Building Measures
CSBM’s       Confidence and Security Building Measures
COMECON      Raad voor Wederzijdse Economische Bijstand
CPC          Conflict Prevention Centre
CSCE         Conference on Security and Cooperation in Europe
CSE          Verdrag over Conventionele Stabiliteit in Europa
CVSE         Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
EBRD         Europese Bank voor Herstel en Ontwikkeling
EED          Economische en ecologische dimensie
EU           Europese Unie
HCNM         Hoge Commissaris inzake Nationale Minderheden
IOM          International Organisation for Migration
NAVO         Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NGO          Non-gouvernementele organisatie(s)
ODIHR        Office for Democratic Institutions and Human Rights
OESO         Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OSCE         Organisation on Security and Cooperation in Europe
OVSE         Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
PC           Permanent Council
REACT        Rapid Expert Assistance and Co-operation Team
sg           secretaris generaal
UNMIK        United Nations Interim Administration Mission in Kosovo
WEU          West-Europese Unie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1      EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2      CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
       mogelijkheden, april 1998
3      DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
       april 1998
4      UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
       VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5      EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6      HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7      COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
       november 1998
8      ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9      NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
       Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10     DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
       IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
       veiligheid, september 1999
11     HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
       september 1999
12     DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig
       lidstaten, januari 2000
13     HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000 **
14     ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15     EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16     DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17     DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
*  De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
   de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>18   GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19   EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en
     subnationale overheden, april 2001
20   EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21   REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST
     OF OVERTUIGING, juni 2001 ***
22   DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN
     RECHTSHERSTEL, juni 2001
23   COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24   EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: De Europese
     Unie en de IGC 2004, november 2001
25   INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid,
     inzet en kwaliteit, januari 2002
*** Ook beschikbaar in het Frans en Russisch.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>