<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                       DE AMERIKAANSE PLANNEN
             VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN
     VOORS EN TEGENS VAN BOUWEN AAN ONKWETSBAARHEID
                                        No.28
Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter          Mr. F. Korthals Altes
Leden               Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
                    Dhr. A.L. ter Beek
                    Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                    Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                    Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                    Mw. drs. A.C. van Es
                    Prof. mr. C. Flinterman
                    Prof. dr. E.J. de Kadt
                    Dr. B. Knapen
                    Mw. mr. E.M.A. Schmitz
Ambtelijk adviseurs Mr. F.A.M. Majoor (Ministerie van Buitenlandse Zaken)
                    Drs. B.W. Bargerbos (Ministerie van Defensie)
Secretaris          Drs. F. van Beuningen
                    Postbus 20061
                    2500 EB Den Haag
                    telefoon 070 - 348 5108/6060
                    fax 070 - 348 6256
                    E-mail AIV@minbuza.nl
                    Internet www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>    Inhoudsopgave
    Woord vooraf
I   Raketverdediging: opnieuw actueel      7
    I.1     Raketverdediging: oud recept voor een nieuwe kwaal?      7
    I.2     Clintons ‘National Missile Defense’  9
    I.3     Consultaties met en reacties van bondgenoten, positie van
            Rusland en China      9
    I.4     Bush’ ‘Missile Defense’    11
II  De dreiging nader bekeken       14
    II.1    Ontwikkeling van de dreiging in Amerikaanse ogen      14
    II.2    Welk land beschikt over welke raketten?    17
    II.3    Kanttekeningen en vragen bij de Amerikaanse conclusies      19
    II.4    Samenvatting     24
III Raketverdediging en de bondgenoten       26
    III.1   Een dreigingsanalyse voor het gehele bondgenootschap      26
    III.2   MD-activiteiten in NAVO-verband: vooralsnog beperkt tot TMD    31
    III.3   Nationale activiteiten / Nederland  31
    III.4   Samenvatting    34
IV  Raketverdediging multilateraal bekeken: strategische
    verhoudingen en wapenbeheersing       36
    IV.1    Een nieuwe relatie tussen de VS en Rusland zonder
            het ABM-verdrag?     36
    IV.2    Op welk moment komt de Russische of Chinese afschrikking
            in het geding?    39
    IV.3    Wapenbeheersing en non-proliferatie    42
    IV.4    Ontwapening en non-proliferatie: het bouwwerk en zijn lacunes     43
    IV.5    Een strategisch raamwerk: van bilaterale naar
            multilaterale afspraken     47
    IV.6    Samenvatting     51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>V         Conclusies en aanbevelingen      53
          V.1    Ballistic Missile Defense (BMD)    53
          V.2    BMD en de NAVO        55
          V.3    Theater Missile Defense (TMD)       56
          V.4    BMD, wapenbeheersing, non-proliferatie en stabiliteit    57
          V.5    Aanbevelingen      59
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Mogelijke architectuur van een gelaagd raketverdedigingssysteem
Bijlage III      Landen met een opkomende rakettencapaciteit
Bijlage IV       Lijst van gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 8 oktober 2001 heeft de regering de AIV gevraagd advies uit te brengen over de
consequenties van voortgaande proliferatie van massavernietigingswapens voor de
Europese bondgenoten en Nederland, over de Amerikaanse plannen voor Missile
Defense en over het voorziene nieuwe ‘strategische raamwerk’. De vraagstukken
die de regering aan de AIV heeft voorgelegd zijn de beoordeling van de dreiging
met ballistische raketten en de strategische gevolgen hiervan voor de veiligheids-
belangen van Europa en de NAVO: moet hierin een aanleiding worden gezien om
een algehele strategische herziening van het bondgenootschappelijk veiligheidsbe-
leid naar Amerikaans model na te streven? In hoeverre verschilt de dreiging voor
Europa van die voor de VS? Is er aanleiding om na te denken over aanvullende
maatregelen ter bescherming van het Europese grondgebied tegen ballistische
raketten en moeten dergelijke maatregelen gezocht worden in de sfeer van raket-
verdediging? Verder stelt de adviesaanvraag de vraag naar tekortkomingen in het
huidige stelsel van wapenbeheersing en non-proliferatie. Is er reden om nieuwe
wegen in te slaan? En waaraan zou het tussen Rusland en de Verenigde Staten over-
een te komen strategische raamwerk dienen te voldoen, in het bijzonder bekeken
vanuit een Europese invalshoek?
Sinds 8 oktober 2001 heeft zich een groot aantal ontwikkelingen voorgedaan die
raken aan de hierboven weergegeven vragen. Het gaat om de oorlog tegen het ter-
rorisme in Afghanistan naar aanleiding van de terroristische aanslagen in de VS op
11 september 2001, de opzegging door de VS van het ABM-verdrag en de publicatie
in de Verenigde Staten van beleidsdocumenten zoals de ‘Quadrennial Defense
Review’ en de ‘Nuclear Posture Review’. Van groot belang zijn verder het akkoord
tussen de VS en de Russische Federatie over nucleaire reducties en de onderteke-
ning van een verklaring over de nieuwe samenwerking tussen Rusland en de VS,
alsmede de instelling van een NAVO-Rusland-Raad, alle in mei 2002, en de opzeg-
ging van het START II verdrag door Rusland in juni 2002. Vanzelfsprekend zijn
deze actuele ontwikkelingen in het advies opgenomen.
Volgens begin juli 2002 vastgestelde procedures is het advies op 17 juli 2002 door
de AIV vastgesteld. De voorbereiding van het advies is toegekend aan de Commis-
sie Vrede en Veiligheid (CVV) van de AIV. Deze Commissie bestaat uit de volgende
personen: A.L. ter Beek* (voorzitter), prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh*
(vice-voorzitter), dr. A. Bloed, dr. Ph.P. Everts*, prof. mr. F.J.M. Feldbrugge*, lt. gen.
b.d. G.J. Folmer*, mr. J.G.N. de Hoop Scheffer*, mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged*,
prof. dr. K. Koch*, mw. dr. M. van Leeuwen*, drs. D.A. Leurdijk, sbn. b.d. R.M.Lutje
Schipholt*, mw. drs. L. Sprangers, prof. drs. B.A.G.M.Tromp*, gen.b.d. A.K. van der
Vlis* en drs. E.P. Wellenstein*. De leden van wie de namen met een * zijn gemar-
keerd, hebben onder het voorzitterschap van lt. gen. b.d. G.J. Folmer deelgenomen
aan de werkgroep die het advies heeft voorbereid en opgesteld. De werkzaamhe-
den zijn ondersteund door de ambtelijk adviseurs van de CVV, mr. H.G. Scheltema
en drs. P.C. Potman (ministerie van Buitenlandse Zaken), mr. S.J.G. Reyn, drs. B.W.
Bargerbos en commandeur J.G.A. Brandt (ministerie van Defensie). Het secretariaat
werd gevoerd door drs. P.J. Genee (secretaris CVV) met ondersteuning van de sta-
giaires Jan-Willem van der Veer, Robert-Jaap Scheffer en Niels Hansen.
Ter voorbereiding van het advies hebben leden van de werkgroep in januari 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>deelgenomen aan de conferentie ‘Missile Defense’ georganiseerd door Wilton Park
(VK). Verder hebben zij bezoeken gebracht aan het NAVO-hoofdkwartier in Brussel
en aan Washington. Ook zijn voor de werkgroep briefings verzorgd over deelaspec-
ten door vertegenwoordigers van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de
Koninklijke Marine en de Koninklijke Luchtmacht. De AIV is de geraadpleegde per-
sonen en instanties erkentelijk voor hun inbreng en spreekt zijn grote waardering
uit voor de ontvangen steun van de Nederlandse permanente vertegenwoordiging
bij de NAVO en van de Nederlandse ambassade te Washington bij de verwezenlij-
king van de oriëntatiereizen.
Het advies is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk I wordt uiteengezet wat vooraf
ging aan de hernieuwde Amerikaanse aandacht voor raketverdediging. In hoofd-
stuk II komt de dreigingsanalyse aan de orde die ten grondslag ligt aan het Ameri-
kaanse beleid. In hoofdstuk III worden de invalshoek van het NAVO-bondgenoot-
schap en de nationale TMD-inspanningen besproken. Hoofdstuk IV beschrijft
raketverdediging vanuit de optiek van wapenbeheersing en de strategische verhou-
dingen. In Hoofdstuk V volgt een samenvatting en wordt een aantal aanbevelingen
gedaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>I          Raketver dediging: opnieuw actueel
Met het aantreden van de regering-Bush is het onderwerp raketverdediging weer actueel
geworden. In dit hoofdstuk komt kort de geschiedenis van het Amerikaanse beleid aan
de orde. Al tijdens de Koude Oorlog waren er verschillende initiatieven voor de ontwikke-
ling van de verdediging tegen intercontinentale ballistische raketten (‘strategic missile
defense’). Na de Koude Oorlog ging de aandacht aanvankelijk voornamelijk uit naar ver-
dediging tegen raketten van de korte afstand (‘theater missile defense’ oftewel TMD).
Maar met de verschijning van het rapport van de Commissie-Rumsfeld op 15 juli 1998
kreeg strategische raketverdediging nieuwe aandacht. De huidige regering-Bush heeft
een breed gelaagd systeem voor ogen dat tegen raketten van elke dracht bescherming
biedt en daarom zowel voor de VS als voor ‘vrienden en bondgenoten’ is bedoeld. Het
idee van raketverdediging kon aanvankelijk op de nodige weerstand rekenen. Inmiddels
lijkt deze weerstand, althans in de openbaarheid, in belangrijke mate afgezwakt.
I.1        Raketverdediging: oud recept voor een nieuwe kwaal?
Amerikaanse plannen voor raketverdediging dateren al van ver voor de regeringen-Clin-
ton en Bush jr. In die zin is raketverdediging een erfenis van de Koude Oorlog, waar het
onderwerp was van de nodige rivaliteit tussen de VS en de Sovjet-Unie.1 Aan het einde
van de jaren zestig werd in de Verenigde Staten voor het eerst gesproken over de ont-
wikkeling van systemen die het land konden verdedigen tegen het strategische kernwa-
penarsenaal van de Sovjet-Unie, zoals Nixon’s plannen voor de systemen Sentinel en
Safeguard.2 In de jaren tachtig lanceerde President Ronald Reagan – een verklaard
tegenstander van ‘Mutual Assured Destruction’ (MAD) – het ‘Strategic Defense Initiati-
ve’ (SDI) en begin jaren negentig tijdens het presidentschap van Bush sr. werd gespro-
ken over ‘Global Protection Against Limited Strikes’ (GPALS). Geen van deze ontwerpen
is destijds tot uitvoering gekomen vanwege steeds terugkerende technische problemen,
hoge kosten en onzekerheid over de effecten op de internationale verhoudingen.
Deze ontwerpen voor systemen waren – ondanks verschillen in omvang en uitwerking –
vooral gericht op de dreiging van strategische raketten vanuit de Sovjet-Unie. Dit gold
grotendeels ook nog voor het GPALS-systeem (1991). Als gevolg van het verdwijnen
van de Sovjetdreiging en tijdens de Golfoorlog opgedane ervaringen kreeg verdediging
tegen raketten van de korte dracht (‘theater missile defense’) echter steeds meer aan-
dacht.3 4 In de daarop volgende jaren zette de regering-Clinton strategische raketverde-
diging op een laag pitje. De naam van de ‘Strategic Defense Organisation’ dekte daar-
1   In maart 1961 voerde de Sovjet-Unie een geslaagde test uit met een V-1000 antiraketraket. In juni
    1967 probeerde President Johnson zijn Sovjet collega Kosygin af te doen zien van raketverdediging, wat
    Kosygin’s antwoord opleverde: ‘defense is moral, offense is immoral’. Nixon wist in 1972 Brezhnev uit-
    eindelijk over te halen tot ondertekening van het ABM-verdrag, dat territoriale raketverdediging aan zeer
    strikte banden legde.
2   Strategische raketten, of ICBM’s hebben een dracht van 5.500 – 10.000 kilometer en meer. ‘Safeguard’
    werd op last van het Congres gestopt vanwege technische beperkingen en de restricties van het ABM-
    verdrag.
3   Raketten van de korte dracht hebben een bereik tot 1100 kilometer.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>door de lading niet meer en werd veranderd in ‘Ballistic Missile Defense Organisation’
(BMDO). De prioriteiten kwamen te liggen bij de ontwikkeling van ‘Theater Missile
Defense’-systemen (TMD), hetgeen duidelijk bleek uit de toedelingen in de budgetten
van de BMDO voor de verschillende projecten. Het strategische deel (‘National Missile
Defense’, NMD) bleef in een uiterst beperkte vorm bestaan.
Maar strategische raketverdediging was niet vergeten. Vanaf 1995 werd door de Repu-
blikeinse meerderheid in het Congres een aantal initiatieven genomen die strategische
raketverdediging hoger op de agenda van de regering-Clinton wisten te brengen.5 Het
debat kreeg een belangrijke nieuwe impuls in 1998, toen toenmalig senator en huidig
minister van Defensie Rumsfeld op verzoek van het Congres als voorzitter van een
breed samengestelde Senaatscommissie een rapport uitbracht over ‘de aard en
omvang van de bestaande en opkomende dreiging van ballistische raketten voor de
Verenigde Staten’.6 Dit zogenoemde Rumsfeld-rapport diende in belangrijke mate als
‘second opinion’ voor de in sommige ogen onbevredigende bevindingen van de ‘National
Intelligence Estimate’ (NIE) uit 1995, waarin de rakettendreiging volgens velen niet seri-
eus genoeg was genomen. Hierover volgt meer in hoofdstuk II.
Het rapport van de Commissie-Rumsfeld concludeerde dat er voor de VS een groeiende
dreiging uitgaat van pogingen raketprogramma’s te ontwikkelen door landen die vijandig
staan ten opzichte van de VS. Dit zou vijf jaar nadat het land in kwestie een concreet
besluit had genomen tot de ontwikkeling van ballistische raketten, kunnen resulteren in
een concrete dreiging ten opzichte van de VS. Een maand na het verschijnen van het
rapport van de Commissie-Rumsfeld had een proeflancering plaats van een Noord-Kore-
aanse Taepo-Dong-raket over Japans grondgebied. Dit werd gezien als een duidelijke
bevestiging van de conclusies van het Rumsfeld-rapport, namelijk dat niet-bevriende lan-
den zoals Noord-Korea het bezit nastreefden van raketten voor de lange en interconti-
nentale afstand. Op 6 januari 1999 werd in de Verenigde Staten de ‘National Missile
Defense Act’ aangenomen, die de plaatsing van een nationaal raketverdedigingssys-
4  In 1991 kondigde President Bush Sr. aan dat de focus van het SDI-programma zou veranderen. Naast
   onderzoek naar een op land geplaatst verdedigingssysteem ter bescherming van het Amerikaanse vaste-
   land tegen strategische raketten, zou meer aandacht worden besteed aan de ontwikkeling van mobiele
   verdedigingssystemen tegen raketten van de korte dracht.
5  Van 1996 tot 1998 werd zonder succes een drietal ontwerpwetten over Strategische Raketverdediging
   ingediend: de ‘Defend America Act’ (1996), de ‘Defend the United States of America Act’ (1997), de
   ‘American Missile Protection Act’ (1998). Deze ontwerpen werden alle verworpen. Laatstgenoemd ont-
   werp werd – naar aanleiding van de Noord-Koreaanse Taepo-Dong lancering – een tweede maal inge-
   diend, maar haalde het ook toen – op één stem na – niet. Pas in 1999 werd met een meerderheid van
   stemmen de ‘National Missile Defense Act’ aangenomen als uiteindelijk compromis. De ‘National Missile
   Defense Act’ kon tijdens de stemming rekenen op een grote meerderheid van 97 tegen 3. De wet
   bepaalde dat het nationaal beleid was ‘to deploy as soon as technologically possible an effective Nation-
   al Missile System capable of defending the territory of the United States against limited ballistic missile
   attack’. De wet stelde overigens ook dat een gelijktijdig streven er op moet zijn gericht de Russische
   kernwapenarsenalen door onderhandelingen voortdurend verder te reduceren. In mei 2002 is tussen de
   VS en Rusland een bilaterale overeenkomst gesloten waarin de door President Bush in december 2001
   en door President Putin in januari 2002 aangekondigde reducties in de strategische arsenalen (tot een
   niveau van 1700-2200) worden vastgelegd.
6  Report of the Commission to Assess the Ballistic Missile Threat to the United States, 15 juli 1998.
                                                     8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>teem (NMD) ten doel stelde. Daarmee stond de strategische variant van raketverdedi-
ging zo’n tien jaar na het verdwijnen van de Sovjetdreiging weer op de politieke agenda.
I.2        Clintons ‘National Missile Defense’
Na aanvaarding van de ‘National Missile Defense Act’ reserveerde de regering-Clinton
in januari 1999 een bedrag van 7 miljard US dollar voor een periode van zes jaar voor
de ontwikkeling van een beperkt NMD-systeem. Tevens werd een begin gemaakt met de
bestudering van mogelijke amendering van het ABM-verdrag, die ontwikkeling en plaat-
sing van het voorgestelde systeem ook internationaal-rechtelijk mogelijk zou maken.7
De regering-Clinton streefde ernaar om tijdens het onderzoeks- en testprogramma en bij
de uiteindelijke plaatsing binnen de marges van het (eventueel geamendeerde) ABM-ver-
drag te blijven.
De regering-Clinton streefde een beperkt raketverdedigingssysteem na, dat wel werd
aangeduid met de naam ‘drie plus drie’.8 Het zou gaan bestaan uit eerst 20, later 100
op land geplaatste onderscheppingsraketten en een geavanceerde radar in Alaska, ver-
nieuwingen van de vijf ‘early warning’ radarsystemen (waarvan één in het VK en één in
Groenland), en een combinatie van satellieten. Een ‘battle management system’ zou de
werking van de verschillende elementen coördineren. Dit systeem zou in staat zijn de
VS te verdedigen tegen enkele tientallen raketten afkomstig uit Noord-Korea en het Mid-
den-Oosten. De eerste plaatsing moest omstreeks 2007 plaatsvinden en de kosten wer-
den geschat op 30 miljard US dollar. Het systeem kon later worden uitgebreid met grote-
re aantallen onderscheppingsraketten, extra radars en een nieuw in de ruimte te
plaatsen infrarood satellietsysteem (het zogenaamde ‘SBIRS-low’ systeem). Dat zou een
omvangrijker bescherming bieden tegen een aanval vanuit het Midden-Oosten. De kosten
van zo’n uitgebreid systeem werden indertijd begroot op 50 à 60 miljard US dollar.9
I.3        Consultaties met en reacties van bondgenoten, positie van Rusland en China
In de periode 1999-2000 besprak de regering-Clinton de bovenbeschreven plannen met
de internationale partners NAVO-bondgenoten, Rusland en China. Er bleek onder NAVO-
bondgenoten het nodige ongemak te bestaan over de Amerikaanse voornemens. Ze
voelden zich door de plannen overvallen en deelden in de meeste gevallen de analyse
van de dreiging niet. Daarnaast was er zorg over mogelijke neveneffecten, in het bijzon-
der die op het gebied van strategische verhoudingen, de geopolitieke stabiliteit en het
risico van een nieuwe wapenwedloop.
Allereerst was er de zorg over mogelijke destabilisering en verstoring van de strategi-
sche verhoudingen als gevolg van een mogelijke Russische reactie op NMD. Niet alleen
7   Het Anti-Ballistic Missile-Verdrag (1972) stelde een limiet op aantallen, type en locatie van onderschep-
    pingsraketten in de VS en Sovjet-Unie. Op 13 december 2001 kondigde President Bush aan dat de VS
    zich uit het verdrag zouden terugtrekken, hetgeen betekent dat het verdrag na 13 juni 2002 heeft opge-
    houden te bestaan.
8   Volgens het ‘drie plus drie systeem’ zou na drie jaar onderzoek in de drie volgende jaren de eerste plaat-
    sing worden gerealiseerd.
9   The Military Balance 2000 - 2001, IISS, Oxford.
                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Rusland maar ook China zou de effectiviteit van de eigen afschrikking willen verzekeren.
Dit zou kunnen worden bereikt door bijvoorbeeld meer kernkoppen op te stellen of door
de bestaande wapens te voorzien van geavanceerde schijnwapens (‘decoys’). Chinese
uitbreiding van het kernwapenarsenaal zou gevolgd worden door Indiase uitbreiding, met
Pakistan en eventueel andere (potentiële) kernwapenstaten in zijn kielzog. Zo zou een
kettingreactie op gang kunnen worden gebracht met een nieuwe wapenwedloop en gro-
tere instabiliteit tot gevolg.
Een tweede zorg die leefde onder bondgenoten, was een mogelijk effect van ontkoppe-
ling van de Euro-Atlantische veiligheid binnen de NAVO. Als aan één zijde van de Atlanti-
sche Oceaan bondgenoten kwetsbaar bleven, terwijl de andere zijde zich beschermd
wist, zou dit negatief uitwerken op het idee van gedeelde risico’s en verantwoordelijk-
heden binnen het bondgenootschap. Ten derde, en in het verlengde van het tweede
punt, werd gevreesd voor een vermindering van de Amerikaanse betrokkenheid bij Euro-
pa en een devaluatie van Amerika’s nucleaire afschrikkingsgarantie voor Europa. Ten
vierde was er de algemene zorg dat eenzijdige opzegging of schending van het ABM-
verdrag terwille van NMD deel uitmaakte van een algemene en groeiende Amerikaanse
onverschilligheid met betrekking tot het internationale stelsel van regelgeving, in het
bijzonder op het gebied van ontwapening en non-proliferatie. En ten vijfde werd getwij-
feld aan de technologische haalbaarheid. Beter geen bescherming dan geld verspillen
aan een ‘misplaatst veiligheidsgevoel’ ten gevolge van een systeem dat mogelijk niet
werkt en als bijwerking instabiliteit tot gevolg heeft, meende men.
Rusland en China waren in eerste instantie in publieke uitlatingen fel gekant tegen de
Amerikaanse plannen. Beide landen hechtten zeer aan het ABM-verdrag als ‘hoeksteen
van strategische stabiliteit’. In antwoord op de Russische en Chinese reactie benadruk-
te de regering-Clinton dat NMD specifiek was ontworpen om de VS te verdedigen tegen
een beperkte aanval van ‘risicolanden’ en dat het ABM-verdrag, mogelijk in geamen-
deerde vorm, in tact zou blijven. NMD was niet gericht tegen Rusland of China, zo werd
door de VS verzekerd, want tegen de grote aantallen raketten – al dan niet ondersteund
door een scala van geavanceerde tegenmaatregelen (‘decoy’s) – van de gevestigde
kernwapenstaten zou het systeem niet bestand zijn. Daarmee zou NMD geen gevolgen
hebben voor de strategische balans en de internationale stabiliteit. Desalniettemin
onderstreepten Europese bondgenoten in consultaties met de VS steeds weer het grote
belang dat zij hechtten aan de totstandkoming van een overeenkomst met Rusland ten
aanzien van NMD en het ABM-verdrag.Chinese bezwaren richtten zich in sterke mate
ook op de mogelijkheid dat op termijn onderscheppingsraketten in de ruimte zouden
kunnen worden gestationeerd.
President Clinton besloot in september 2000, na slechts deels gelukte proeflancerin-
gen, de beslissing over de ontwikkeling van NMD uit te stellen en aan zijn opvolger te
laten.10 Aan het einde van zijn ambtsperiode waren te veel vragen – ook technologi-
sche – onbeantwoord gebleven.11
10 Voornaamste reden voor het uitstel was ‘een gebrek aan informatie inzake de technische gereedheid en
    operationele effectiviteit van het gehele NMD-systeem’.
11 Clinton had drie beoordelingscriteria geformuleerd: de effectiviteit van het systeem diende voldoende te
    zijn, er diende duidelijkheid te zijn over de kosten, en over de invloed op de strategische verhoudingen.
                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>I.4        Bush’ ‘Missile Defense’
Met het aantreden van President Bush in januari 2001 nam een fervent voorstander
van raketverdediging het roer over. Bush’ rede voor de ‘Defense University’ van mei
2001 liet daar weinig twijfel over bestaan.12 In de loop van het eerste jaar van zijn pre-
sidentschap werd duidelijker op welke manier de regering-Bush invulling wenst te geven
aan raketverdediging. Op binnenlandspolitiek vlak kon hij aanvankelijk op de nodige
tegenstand rekenen, voornamelijk uit Democratische hoek. Na de gebeurtenissen van
11 september 2002 is deze binnenlandse kritiek grotendeels verstomd. Anders dan
door sommigen werd verwacht was ‘11 september’ een stimulans voor Bush' beleid ten
aanzien van raketverdediging. De aanslagen verhoogden het algemene gevoel van
kwetsbaarheid. Verdediging tegen elke mogelijke dreiging – hoe onwaarschijnlijk ook –
werd als urgent gevoeld. Kritiek op regeringsbeleid dat beoogde verdediging te verster-
ken, vond geen politieke of maatschappelijke weerklank. In de nasleep van ‘11 septem-
ber’ konden zo op binnenlandspolitiek en begrotingtechnisch vlak de nodige vorderingen
worden gemaakt met het raketverdedigingsbeleid.13 Als onderdeel van een omvangrijke
verhoging van het defensiebudget werden op de begroting de benodigde fondsen voor
onderzoek en testprogramma’s vrijgemaakt.
Op het internationale vlak boden de nasleep van ‘11 september’ en het verrassende
succes van de Amerikaanse campagne in Afghanistan de VS een gunstig moment om
op 13 december 2001 opzegging van het ABM-verdrag aan te kondigen. Door het ver-
dwijnen van het ABM-verdrag – een besluit dat, zoals in Hoofdstuk IV zal worden toege-
licht, deel uitmaakt van een bredere Amerikaanse agenda – menen de VS vanaf 13 juni
2002 internationaal-rechtelijk vrij te zijn in hun keuze voor raketverdediging.
Er is een aantal belangrijke verschillen tussen Clintons NMD en Bush’ MD.
Waar Clinton de bredere strategische context grotendeels ongemoeid had gelaten,
kreeg raketverdediging onder Bush een prominente plaats in een algehele herziening
van het Amerikaanse defensiebeleid. Dit kwam tot uitdrukking in de Herziening van het
Defensiebeleid die eens in de vier jaar wordt uitgebracht (Quadrennial Defense
Review/QDR) van oktober 2001, en in de ‘Nuclear Posture Review’ (NPR) van januari
2002. Beide beleidsdocumenten voorzien in een aanpassing van de strategische doctri-
ne en het militair apparaat aan de gewijzigde veiligheidssituatie zoals de VS deze na de
Koude Oorlog waarnemen.
In tegenstelling tot de Koude Oorlog ligt daarbij minder nadruk op ‘de vijand’ – het is
immers niet meer helder wie en waar de vijand is – en meer op de wijze waarop poten-
tiële vijanden gebruik zouden kunnen maken van mogelijke zwakheden in de Amerikaan-
se verdediging. Daarbij wordt – zo blijkt uit de NPR – uitgegaan van een kleinere rol voor
strategische kernwapens en een grotere rol voor technisch geavanceerde conventionele
bewapening. Het Amerikaanse leger dient zich zodanig te transformeren dat de VS
12 Remarks by the President to Students at National defense University, 1 mei 2001
    (www.whitehouse.gov/news/releases/2001/05).
13 Daarentegen wordt ook wel gesteld, dat de aanslagen juist aantonen dat de prioriteit niet bij MD behoort
    te liggen. Dit geluid heeft in de VS, zo is de AIV bijvoorbeeld gebleken, echter niet de overhand. In een
    schrijven aan NAVO bondgenoten van 24 september 2001 stelde de VS dat de landen die terrorisme
    ondersteunen dezelfde zijn als de landen die ballistische raketten ontwikkelen.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>overwicht kunnen behouden over een potentiële vijand op alle mogelijke gebieden
(escalatiedominantie). Dit beperkt zich niet tot de bekende gebieden, maar ook relatief
nieuwe horen daartoe zoals de informatie-oorlog en beheersing van de ruimte. De priori-
teiten liggen op het gebied van ‘homeland defense’, de voorbereiding op verrassings-
aanvallen, de strijd tegen asymmetrische dreigingen, alsmede de ontwikkeling van een
nieuw afschrikkingsconcept.
Daarnaast vormt het beperkte en nationaal gerichte systeem van Clinton slechts één
deel van het ‘robuuste’ systeem dat Bush voorstaat.14 Bush heeft nog geen specifieke
architectuur voor ogen maar wil onderzoek op alle mogelijke terreinen van raketverdedi-
ging. De keuze voor bepaalde systemen zal pas worden gemaakt als de technologie
zich heeft bewezen. In deze ‘gelaagde architectuur’ kan plaats zijn voor onderschep-
pingsmethoden voor vijandelijke raketten van elke dracht, in elke fase van de vlucht,
vanaf land, vanaf zee, vanuit de lucht en vanuit de ruimte.15 Alle opties liggen nog
open. Daarbij moet worden aangetekend dat de ontwikkeling van geen van de onderde-
len, behalve enkele TMD-systemen, op dit moment verder is gevorderd dan de onder-
zoeksfase.
Verder speelt het vroeger gehanteerde onderscheid tussen ‘Theater Missile Defense’ en
‘Strategic Missile Defense’ geen rol meer in de opzet van het onderzoeks- en testpro-
gramma. Met het opzeggen van het ABM-verdrag houdt de internationaal-rechtelijke
basis van dit onderscheid ook op te bestaan.
Ook is het predikaat ‘nationaal’ uit de naam van het systeem verwijderd: het gaat nu
om ‘Missile Defense’ (MD), dat bescherming moet bieden aan de Verenigde Staten en
aan ‘allies and friends’. Hoe deze opname van de bondgenoten in het dekkingsgebied
vorm moet gaan krijgen, is vooralsnog echter een onbeantwoorde vraag.16
Ten slotte werd de uitvoerende organisatie gestroomlijnd volgens het nieuwe beleid en
kreeg zij de nodige fondsen toebedeeld. BMDO (Ballistic Missile Defense Organisation)
werd omgedoopt tot MDA (Missile Defense Agency). De begroting voor raketverdediging,
die in februari 2002 werd bekend gemaakt, bedraagt 7.8 miljard US dollar voor 2003,
oplopend tot 11.8 miljard in 2007.17
Tijdens de periode Bush is tot nu toe van werkelijke raadpleging van de bondgenoten
nauwelijks sprake geweest. Het ging veeleer om informatievoorziening door Amerika
aan de bondgenoten over de inhoud van de Amerikaanse voornemens. Van een werkelij-
ke wederzijdse uitwisseling van standpunten en een streven naar gemeenschappelijke
14 In een ‘Record of Decision’ van de BMDO wordt ten aanzien van dit deel nu gesproken van de ‘Alaska
    portion of a Missile Defense System (MDS)’ ofwel het ‘Ground Based Midcourse Element (GBME) of the
    MDS’.
15 Hoe deze alomvattende benadering zich verhoudt tot het feit dat tegelijkertijd wordt gesteld dat het
    slechts gaat om een bescherming tegen een ‘handful’ raketten, is vooralsnog onduidelijk.
16 Zoals ook zal blijken in hoofdstuk IV, hebben de Verenigde Staten in juli 2002 deze kwestie in verken-
    nende zin met bondgenoten besproken.
17 Volgens het Center for Defense Information zullen de kosten hoger uitvallen (10,5 miljard) omdat niet
    alle programma’s een plaats hebben op de begroting van het MDA.
                                                    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>beoordelingen was tijdens de consultatierondes in NAVO-verband over raketverdediging
nauwelijks sprake. De bondgenoten hebben hier ook niet op aangedrongen.
De openlijke kritiek van Europese bondgenoten tegen de plannen is bovendien afgeno-
men. Dat heeft te maken met de gematigde reactie aan Russische kant, met de wens
van de Europese bondgenoten de transatlantische verhoudingen in dit stadium niet
nodeloos onder druk te zetten, en ook met het feit dat de Amerikanen hebben aangege-
ven bereid te zijn om ‘allies and friends’ in het dekkingsgebied op te nemen. Voor de
eerder vermelde problematische aspecten die de bondgenoten aan Missile Defense ver-
bonden zagen, biedt een en ander echter geen oplossing. De meeste vragen blijven nog
onbeantwoord.
Het ‘system of systems’ ligt dan ook nog grotendeels op de tekentafel; er is op dit
moment eigenlijk slechts sprake van een uitgebreid onderzoeks- en testprogramma dat
zich richt op alle denkbare technische mogelijkheden. Dat betekent dat de komende
jaren geen sprake is van operationele raketverdedigingsystemen, met uitzondering van
enkele TMD-systemen. Dit zal de komende jaren niet veranderen, ook al omdat er in dit
stadium serieuze vraagtekens te plaatsen zijn bij de technologische haalbaarheid van
het geheel. Van de tot nu toe uitgevoerde tests zijn er enkele geslaagd en evenzovele
mislukt. Van de geslaagde tests wordt bovendien betwist of deze op realistische wijze
zijn uitgevoerd. De tegenpartij zou daarnaast vrij eenvoudig maatregelen kunnen nemen
om de onderschepping van raketten te frustreren. Hierbij kan worden gedacht aan pro-
jectielen die de onderscheppingsraket afleiden van het werkelijke doel.
Voor de rest van het advies is het van belang deze ‘embryonale status’ van het project
in het oog te houden. Publieke uitspraken wekken soms de – onjuiste – indruk dat
raketverdediging al bijna bestaat, maar op dit vlak moeten retoriek en werkelijkheid uit
elkaar worden gehouden.
Hoe dit ook zij, de regering-Bush is vastberaden om het MD-beleid verder te ontwikke-
len, waarbij de voornaamste drijfveren van politieke aard zijn. Maar ook economische en
technologische factoren spelen een rol. Het Amerikaanse technologisch-industrieel com-
plex heeft er op termijn baat bij dat de Amerikaanse regering ruim investeert in het
onderzoek naar raketverdediging. Tevens geldt dat dit onderzoek uiteindelijk zal bijdra-
gen aan een blijvende Amerikaanse superioriteit, ook op technologisch terrein.
                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>II       De dreiging nader bekeken
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de Amerikaanse discussie over de dreiging met
ballistische raketten zich heeft ontwikkeld; welke ontwikkelingen de Verenigde Staten
voorzien en welke conclusies zij daaraan verbinden. Daarna wordt beschreven over
welke capaciteiten de ‘risicolanden’ momenteel werkelijk beschikken. Dan volgen enke-
le kanttekeningen en vragen die bij de Amerikaanse conclusies kunnen worden
geplaatst.
II.1     Ontwikkeling van de dreiging in Amerikaanse ogen
De groeiende aandacht voor de dreiging met ballistische raketten in de VS moet worden
gezien in de context van de algemene strategische veranderingen aan het einde van de
Koude Oorlog. In de loop van de jaren negentig maakte de zekerheid van de bipolaire
tegenstelling plaats voor een ingewikkeld en multipolair beeld vol nieuwe onzekerheden.
Met het wegvallen van de dreiging van de Sovjet-Unie kregen regionale machten her-
nieuwde aandacht in het Amerikaanse defensiebeleid. Dit kwam reeds uitvoerig aan bod
in het AIV-advies ‘Van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid’ over de ontwikkelin-
gen in de internationale veiligheidssituatie in de jaren negentig.18
De Golfoorlog (1991) vormde een keerpunt. De onder Amerikaanse leiding gevoerde
strijd tegen Irak naar aanleiding van de verrassende Irakese inval in Koeweit bracht de
vraag naar voren of in de toekomst ook veel minder sterke landen de VS zouden kunnen
bedreigen met massavernietigingswapens, en wat daarvan het gevolg zou zijn voor het
Amerikaanse beleid.
Dat Irak over chemische en biologische wapens beschikte was bekend; Irak had in 1987
chemische agentia gebruikt in aanvallen tegen de Koerden in Halabja. Amerikaanse en
coalitie-troepen werden tijdens de Golfoorlog dan ook massaal beschermd tegen de
effecten van biologische en chemische wapens, die overigens toen niet zijn gebruikt. Na
de Golfoorlog werd door de Veiligheidsraad een verificatiecommissie (UNSCOM) inge-
steld, die met vergaande bevoegdheden het Irakese wapenprogramma in kaart moest
brengen om het vervolgens uit te schakelen. Door deze UNSCOM-inspecties werd in
detail duidelijk in welke mate Irak vorderingen had gemaakt met de ontwikkeling van
massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen. Vooral het grotendeels verborgen
nucleaire programma baarde zorgen. Irak zou ten tijde van de Golfoorlog zo’n drie jaar af
zijn geweest van de ontwikkeling van een kernwapen.
Derhalve werd in toenemende mate de vraag gesteld of de VS in staat zouden zijn
(geweest) een met massavernietigingswapens bewapende regionale macht als Irak af te
schrikken of te verslaan.19 Sommige deskundigen tonen zich hierover pessimistisch.
Een met kernwapens bewapend Irak zou in hun visie in staat zijn geweest coalitievor-
ming door de VS tegen te gaan, of de effectiviteit van een interventie te ondermijnen
18 AIV advies nummer 10, De ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie in de jaren negentig –
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999.
19 National Missile Defense, what does it all mean? Center for Defense Information
    (www.cdi.org/missile-defense/archive.cfm).
                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>door havens te besmetten of te vernietigen.20 Anderen stellen dat in een dergelijk geval
de VS juist tot actie zouden zijn overgegaan omdat ze geen keuze zouden hebben: als
zij zich zouden laten afschrikken, zou dit een ongekend precedent zijn met grote gevol-
gen voor de mondiale verhoudingen en de internationale stabiliteit.21
Hoe het ook zij, de mogelijkheid dat actoren – niet alleen staten, maar ook niet-statelij-
ke groeperingen – in een regionaal conflict de beschikking zouden krijgen over wapens
die Amerikaanse besluitvorming over regionale interventies zouden kunnen bemoeilij-
ken, heeft de aandacht van militaire planners gedurende de afgelopen jaren, vooral in
de VS, in toenemende mate gericht op de mogelijkheden zich militair teweer te stellen
tegen ‘risicolanden’ zoals Irak.
Zo werden regionale machten met programma’s voor massavernietigingswapens, door
de VS ‘schurkenstaten’ genoemd, in toenemende mate gezien als de belangrijkste
bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid.22 Deze staten, gelegen in regio’s
waar het Amerikaanse nationale belang in het geding is, zouden niet alleen streven naar
het bezit van massavernietigingswapens, maar ook zouden zij niet aarzelen internationa-
le normen te schenden (zoals Irak in geval van het non-proliferatieverdrag) of zelfs tot
agressie over te gaan.23 Cuba, Syrië, Noord-Korea, Iran, Irak, Libië en zelfs China wer-
den geacht aan deze beschrijving te voldoen. Bezorgdheid over de verspreiding van bal-
listische raketten in Azië, het Midden-Oosten en Noord-Afrika bleef gedurende de jaren
negentig in de VS groeien. Steun voor de na de Golfoorlog ingestelde UNSCOM-inspec-
ties in Irak alsmede voor de VN-sancties brokkelde in de loop der jaren in de Veiligheids-
raad af en vanaf 1999 werden geen wapeninspecteurs meer tot Irak toegelaten. Het
vooruitzicht dat risicolanden zoals Irak in de toekomst zouden beschikken over raketten
van de lange dracht die, voorzien van massavernietigingswapens, in staat zouden zijn
Amerikaanse steden te bedreigen werd een nieuw schrikbeeld, temeer daar dergelijke
landen niet gevoelig zouden zijn voor traditionele afschrikking zoals die tijdens de Koude
Oorlog had bestaan. Het zou gaan om ‘irrationele’ regimes die bereid zouden zijn tot zelf-
moord. Vrees voor nucleaire vergelding zou deze landen er niet van weerhouden een
massavernietigingswapen in te zetten.24 Een operationeel systeem van raketverdediging
20 Posen, B.R. (2000), US Security Policy in a nuclear armed world, or what if Iraq had had nuclear wea-
    pons?, in: The Coming Crisis – Victor Utgoff (ed.). (Cambridge, MIT Press).
21 Rosen, S.P. (2000), Nuclear Proliferation and Alliance Relations, in: The Coming Crisis – Victor Utgoff
    (ed.). (Cambridge, MIT Press).
22 In wat volgt zal de term ‘risicolanden’ worden aangehouden.
23 Rogue States and US Foreign Policy, Richard Lutwak.
24 President Bush zette zijn visie op de nieuwe strategische realiteit, de dreiging uitgaande van risicolanden
    en hun ongevoeligheid voor afschrikking voor de eerste maal officieel uiteen op 1 mei 2001 tijdens een
    toespraak voor de Nationale Defensie Universiteit. Enkele citaten uit deze toespraak:
    ‘Todays’ most urgent threat stems not from thousands of ballistic missiles in Soviet hands, but from a
    small number of missiles in the hands of these states, states for whom terror and blackmail are a way of
    life’ (...) Today, we must seek security based on more than the grim premise that we can destroy those
    who seek to destroy us (...) for some of today’s tyrants are gripped by an implacable hatred of the United
    States, they hate our friends, they hate our values, democracy, freedom and individual liberty, and many
    care little for the lives of their own people. In such a world, cold war deterrence is no longer enough.
    Deterrence can no longer be based solely on the threat of nuclear retaliation’.
                                                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>zou in deze visie niet alleen bescherming bieden bij een raketaanval, maar ook in een
eerder stadium de vijand van zijn aanvalsplan doen afzien. Zoals Amerikaanse beleids-
makers het perspectief van de af te schrikken aanvaller verwoorden: ‘An attack on the
US should not only be fatal, but also futile’.
Hoe groot de dreiging van ballistische raketten voor de VS precies is, is lange tijd ook
binnen de VS zelf betwist geweest en is dat in een aantal opzichten nog steeds.
De Amerikaanse inlichtingendiensten concludeerden in 1995 in een ‘National Intelligen-
ce Estimate’ (NIE) dat buiten de bestaande vijf erkende kernmachten (VS, Rusland,
China, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk) geen ander land binnen de komende vijftien jaar
een ballistische raket zou verwerven die de Verenigde Staten (minus Alaska en Hawaï)
of Canada zou kunnen bedreigen. De stelligheid van deze conclusies wekte vooral aan
Republikeinse kant verbazing, omdat een NIE van twee jaar eerder minder duidelijke
conclusies had getrokken en bovendien vergezeld was gegaan van de algemene mede-
deling dat het onmogelijk was langetermijnvoorspellingen te doen. Ook wekte het
bevreemding dat Alaska en Hawaï waren uitgesloten. Republikeinse voorstanders van
raketverdediging uitten de beschuldiging dat tegenstanders de NIE van 1995 politiek
hadden beïnvloed. Een onderzoek onder leiding van Robert Gates, CIA-directeur tijdens
de regering-Bush senior kon deze beschuldigingen niet onderbouwen, maar had wel kri-
tiek op de door de analisten gebruikte methodologie.
Het is tegen deze achtergrond dat in 1998 de Amerikaanse Senaat de Commissie-
Rumsfeld instelde. De conclusies in het rapport van de Commissie-Rumsfeld verschil-
den op een groot aantal punten van die van de NIE van 1995. Bijvoorbeeld over de
centrale vraag of 30 jaar oude scud-technologie (de basis van Noord-Korea’s No-Dong-
raket) zou kunnen dienen als basis voor de ontwikkeling van een langeafstandsraket.
De commissie concludeerde na consultatie van Lockheed Martin dat met externe hulp
een land in staat zou kunnen zijn om in vijf jaar op basis van zijn goed ontwikkelde op
scud-technologie gebaseerde rakettechnologie een langeafstandsraket te ontwikkelen
tot en met intercontinentale dracht. De commissie vond ook dat het risico dat landen
als Rusland en China hoogwaardige technologie zouden overdragen die nodig is voor de
ontwikkeling van een langeafstandsraket in de NIE van 1995 zwaar was onderschat. Ver-
der zouden raketprogramma’s in de risicolanden zich veel sneller kunnen ontwikkelen
dan op basis van ervaringen met de eigen raketprogramma’s werd verondersteld. In risi-
colanden zouden raketprogramma’s niet alle veronderstelde stadia van ontwikkeling
hoeven te doorlopen omdat daar minder belang werd gehecht aan de precisie van de
raket en niet altijd uitvoerig werd getest. De VS konden er daarom niet van uitgaan dat
tussen een eerste test en uiteindelijke plaatsing van een raket een periode van vijf
jaren zou verstrijken, zoals de NIE van 1995 had gesteld. Het was voor de commissie
dus niet zeker dat er voor de VS voldoende waarschuwingstijd zou zijn. Bovendien was
het steeds beter mogelijk geworden (delen van) het rakettenprogramma aan het oog te
onttrekken.*
De commissie-Rumsfeld concludeerde, samenvattend, dat voor de VS een groeiende
dreiging uitgaat van raketproliferatie en pogingen raketprogramma's te ontwikkelen in
landen die vijandig staan tegenover de VS. Dit zou vijf jaar nadat het land in kwestie tot
de ontwikkeling van ballistische raketten zou hebben besloten kunnen resulteren in een
concrete dreiging ten opzichte van de VS. Deze benadering is grotendeels overgenomen
*  Graham, B. (2001), Hit to kill – the new battle over shielding America from missiles attack (New York,
   Public Affairs Press)
                                                     16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>in het huidige Amerikaanse regeringsbeleid dat onder President Bush is ingezet. Het is
de AIV gebleken dat in de VS momenteel brede overeenstemming bestaat, zowel bij
Democraten als Republikeinen, over de beoordeling dat zich de komende vijf à tien jaar
voor de VS een dreiging zal ontwikkelen vanuit Noord-Korea, de daarop volgende vijf
jaren vanuit Iran en de vijf daarop volgende jaren vanuit Irak.
Daarbij gaan de VS voornamelijk uit van een mogelijke ontwikkeling. De waarschijnlijkheid
daarvan wordt grotendeels buiten beschouwing gelaten. Aangenomen wordt dat mogelij-
ke capaciteiten ook ter beschikking zullen komen. De intenties van de betrokken landen
worden in de analyse nauwelijks in de beoordeling meegewogen, noch wordt ingegaan op
omstandigheden waaronder dergelijke landen bereid zouden zijn hun wapens te gebrui-
ken. Tevens gaan de VS ervan uit dat ter beschikking komende middelen te eniger tijd
werkelijk zullen worden gebruikt, hetgeen raketverdediging rechtvaardigt.25
II.2       Welk land beschikt over welke raketten?
Welke wapensystemen zijn momenteel in bezit van welke ‘risicolanden’? Voor een
gedetailleerd overzicht wordt verwezen naar bijlage II. Onderstaand volgt een beknopte
opsomming, voor een groot deel gebaseerd op Amerikaanse bronnen – vooral omdat
over dit onderwerp voornamelijk Amerikaanse informatie voorhanden is. Ondanks het
gegeven dat meer landen dan de genoemde vijf hun rakettenpotentieel aan het uitbrei-
den zijn (bijvoorbeeld India en Pakistan) wordt de Amerikaanse focus overgenomen op
de raketprogramma’s van de vijf landen die als een mogelijke bedreiging worden gezien
(Noord-Korea, Iran, Irak, Syrië en Libië).26 Daarbij wordt niet alleen ingegaan op de
overbrengingsmiddelen, maar ook op de massavernietigingswapens.27 Het militaire
effect van een (ballistische) raket met conventionele lading is namelijk relatief klein.28
25 De Nederlandse Regering stelde op dit punt in een brief aan de Tweede Kamer op 5 juli 2001: ‘in hoe-
    verre deze beschikbaarheid van capaciteiten ook tot een daadwerkelijke dreiging leidt, hangt mede af
    van de intenties en de geloofwaardigheid van de proliferator in kwestie, en van de waarschijnlijkheid
    waarmee hij deze capaciteiten inzet’. Kamerstuk 2000-2001, 27857, nr.1, Tweede Kamer.
26 In hun brief aan de Tweede Kamer van juli 2001 stellen de ministers van Defensie en Buitenlandse
    Zaken op dit punt dat Noord-Korea, Iran, Irak, Libië en Syrië maar ook Israël, China, Pakistan en India
    bezig zijn hun rakettenpotentieel uit te breiden. Ten aanzien van eerstgenoemde vijf bezigt de brief de
    term ‘zorglanden’.
    Naast genoemde vijf landen beschikken Algerije, Armenië, Azerbeidjaan, Belarus, Bulgarije, DROC, Tsje-
    chische Republiek, Egypte, Georgië, Hongarije, India, Israël, Kazakstan, Zuid-Korea, Pakistan, Polen,
    Roemenië, Saudi-Arabië, Slowakije, Taiwan, Turkmenistan, Ukraine, VAE, Vietnam, Jemen, FR, over een
    operationele ballistische rakettencapaciteit over de korte afstand ( zie hiervoor: Wilkening, D. A. (2000),
    Ballistic Missile Defense and Strategic Stability, in: Adelphi Paper, nr. 334 (New York, Oxford University
    Press).
27 Waarbij tegelijk dient te worden aangetekend, dat massavernietigingswapens ook op vele andere wijzen
    dan via ballistische raketten kunnen worden overgebracht. Het overbrengen van CW en BW via ballisti-
    sche raketten is uiterst gecompliceerd.
28 Een interessante dissidente mening is overigens de WEU Assemblee toegedaan, die in een rapport van
    juni 2001 stelt, dat ‘het zorgelijk is dat Europa niet inziet dat een land tot een massale conventionele
    aanval met ballistische raketten kan overgaan, en dat een verbetering van de accuratesse van met
    name de raketten in de tactische range op korte termijn niet uit te sluiten is.’
                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Tevens wordt uitgegaan van lancering van de raketten vanaf het eigen grondgebied. Er
wordt dus geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat raketten zouden kunnen
worden gelanceerd vanaf het grondgebied van een ander land. Als bijvoorbeeld Iran in
staat zou worden gesteld raketten van de middellange afstand te plaatsen in Libië,
wordt het bedreigen van doelen in Europa aanzienlijk makkelijker. Lancering vanaf zee
heeft een vergelijkbaar effect. De vereiste draagwijdte van een raket om het doel te
bereiken wordt immers aanzienlijk verkleind (maar de trefzekerheid is mogelijk kleiner
doordat de plaatsbepaling van het bewegende lanceerplatform minder nauwkeurig is).
Noord-Korea beschikt over een vrij omvangrijk arsenaal aan korteafstandsraketten en
lanceerinstallaties. Het betreft scud-raketten voor de korte afstand; het maximale bereik
is 500 kilometer. Het zou momenteel gaan om 700 raketten en 30 lanceerinstallaties.
Daarbij liggen de gehele gedemilitariseerde zone, Zuid-Korea en de Chinese grensstreek
in het bereik van Noordkoreaanse raketten.
Verder zou Noord-Korea beschikken over één of twee operationele No-Dong-raketten,
met een bereik van 1300 kilometer, maar niet alle experts delen de Amerikaanse
mening dat deze raket operationeel is. Als de No-Dong-raket inderdaad operationeel is,
zou vrijwel geheel Japan in het bereik liggen, alsmede delen van China, Mongolië en
Rusland.
In 1998 heeft een testlancering van een Taepo-Dong-raket plaatsgehad, die is ontwik-
keld op basis van de No-Dong-raket en een draagwijdte zou hebben van 1500 kilometer.
Omtrent de lancering bestaat de nodige onduidelijkheid. Bijvoorbeeld over de vraag of
het de proeflancering van een raket of de lancering van een satelliet betrof.
De opvolger van de Taepo-Dong (Taepo-Dong II) met een bereik van 4000-6000 kilome-
ter zou volgens Amerikaanse opgaven al geruime tijd gereed zijn voor een test. Noord-
Korea heeft zichzelf echter een test-moratorium opgelegd en de test is dan ook nog niet
uitgevoerd. Deze raket zou ook Hawaï en Alaska binnen Koreaans bereik brengen, als-
mede heel China en een groot deel van Rusland. Europa zou buiten schot blijven.
Noord-Korea zou volgens Amerikaanse opgaven beschikken over voldoende plutonium
voor de productie van één kernkop en over de nodige infrastructuur voor de ontwikkeling
van biologische en chemische wapens. Deze laatste zouden zelfs in voorraad en
gebruiksklaar zijn, aldus de Amerikanen.
Ook Iran beschikt over scud-raketten met een bereik van 150 – 500 kilometer. Deze
raketten bestrijken delen van (buur-)landen, waaronder Turkije, Syrië, Irak, Saudi-Arabië,
Oman, Pakistan, Afghanistan, Uzbekistan, Georgië en Rusland. In 1998, 2000 en 2002
testte Iran de Shahab-3 raket, die een bereik van 1300 kilometer heeft en waarvan
wordt verondersteld dat ze inmiddels operationeel is. Met de Shahab-3 komen delen
van China, India en het gehele Midden-Oosten, inclusief Israël binnen bereik van Iraan-
se raketten.
Iran zou daarnaast werken aan de Shahab-4 en -5 met groter bereik, en misschien zelfs
aan een intercontinentale raket. Opvolgers van de Shahab-3 zouden ook delen van Euro-
pa kunnen bereiken; om de VS te bereiken is een intercontinentale raket nodig. Dat is
nog vele stappen van de realiteit verwijderd, maar volgens Amerikaanse opvattingen
streeft Iran wel naar een intercontinentale raket, hetgeen overigens recentelijk door Iran
is ontkend.29 30
                                             18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Iran is in het bezit van chemische wapens en heeft die in het verleden ook tegen Irak
gebruikt. Tevens beschikt Iran over de infrastructuur voor een biologisch wapenprogram-
ma. Iran zou ook beschikken over een kernwapenprogramma.
Irak beschikt over scud-raketten met een bereik van 150 kilometer. Meer mag krachtens
Veiligheidsraadsresolutie 687 ook niet. Met de huidige raketten kan Irak nu delen van
de buurlanden Syrië, Jordanië, Saudi-Arabië, Iran, en Turkije bereiken.
De VS zijn van mening dat Irak na opheffing van het sanctieregiem vrij snel weer over
raketten zal beschikken met een reikwijdte van 650 kilometer, waarover het tijdens de
Golfoorlog beschikte. Zulke raketten zouden ook Israël en het gehele Zuidoosten van
Turkije kunnen bereiken.
Door de UNSCOM-inspecties is ook gebleken, dat Irak beschikte over chemische koppen
en een biologisch wapenprogramma, en drie jaar verwijderd zou zijn geweest van de ont-
wikkeling van een kernkop. Momenteel kan niet met zekerheid worden gezegd hoe het
is gesteld met het Iraakse kernwapenprogramma, omdat de UNSCOM-inspecties al
sinds 1999 zijn gestaakt. Irak weigert daaraan vooralsnog medewerking te verlenen.
Syrië beschikt over enkele honderden scud-B en C raketten met een bereik van 75-500
kilometer. Syrië streeft volgens Amerikaanse opgaven geen langeafstandsraketten na.
Het beschikt over chemische koppen en kan daarmee Turkije en geheel Israël bereiken.
Libië beschikt over kleine aantallen, zeer verouderde, scud-raketten met een bereik van
300 kilometer. In het verleden was Libië in het bezit van een productiefaciliteit voor che-
mische en biologische wapens, maar deze lijkt niet meer actief. De Libische raketten
kunnen alleen de buurlanden bereiken. Volgens experts is het arsenaal bovendien zoda-
nig verouderd, dat het momenteel in het geheel geen dreiging vormt.
In algemene zin kan dus worden gesteld dat geen van deze zogenoemde ‘risicolanden’
op dit moment in staat is de VS te bereiken. Daarentegen valt wel een deel van het
grondgebied van NAVO-bondgenoot Turkije in het bereik van raketten van de korte
afstand vanuit Syrië, Irak en Iran. Israël valt in het bereik van Syrische raketten en
waarschijnlijk ook van Iraanse (de Shahab-3).
Daarnaast kan worden gesteld dat geen van de genoemde ‘risicolanden’ nu beschikt
over nucleaire capaciteit. De meeste vorderingen zijn gemaakt op het gebied van biolo-
gische en chemische wapens. In de vijf genoemde landen zijn deze wapens aanwezig,
of de productiecapaciteit om deze te maken.
II.3       Kanttekeningen en vragen bij de Amerikaanse conclusies
Zowel in de VS maar vooral daarbuiten worden de nodige kanttekeningen en vragen
geplaatst bij de Amerikaanse conclusies. Deze zijn van technische en financiële aard,
maar ook speelt een rol in hoeverre buitenlandse hulp beschikbaar wordt veronder-
29 ‘statements suggest that Iran may intend to develop and deploy a longer range ballistic missile capabili-
    ty’ zo stelt een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Defensie. Proliferation: threat and response,
    januari 2001.
30 Minister van Defensie Ali Shamkani meldde op 28 mei 2002 dat ‘the succesful test should not be seen
    as a sign of a start to production or as an attempt to increase the missile’s range.’
    (bron: www.nti.org/d_newswire/issues/2002/5/28/11s.html).
                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>steld, en hoe de politieke context wordt ingeschat.31
Bij de Amerikaanse plannen voor raketverdediging zijn de volgende kanttekeningen te
plaatsen:
Een (ballistische) raket is niet de enige manier waarop massavernietigingswapens kun-
nen worden overgebracht. Andere overbrengingsmiddelen zijn net zo effectief (of effec-
tiever), makkelijker te fabriceren en vele malen goedkoper, bijvoorbeeld kruisvluchtwa-
pens. Bovendien zijn ze moeilijker of niet detecteerbaar voor een raketverdedigings-
systeem, dat uit de aard der zaak alleen een antwoord biedt op een aanval met raket-
ten. Juist chemische en biologische wapens lijken zich te lenen voor andere overbren-
gingsmiddelen dan raketten. Hierbij kan behalve kruisvluchtwapens worden gedacht
aan onbemande vliegtuigjes en ieder ander overbrengingsmiddel dat kan dienen om
chemische of biologische wapens naar het doel te vervoeren. De spreekwoordelijke
kofferbom uit de Koude Oorlog is dan ook heden ten dage veranderd in een werkelijke
dreiging van aanvallen of aanslagen per reageerbuis. Deze constatering is des te meer
van belang, aangezien geen van de genoemde risicolanden zoals gezegd beschikt over
nucleaire wapens, maar wel over chemische en/of biologische wapens of de productie-
faciliteit deze te maken.
De handel in onderdelen voor andere overbrengingsmiddelen dan raketten is nog niet
of nauwelijks aan banden gelegd in wetgeving en exportcontroleregimes, zoals bij bal-
listische raketten wel het geval is. Het gaat veelal om onderdelen die ook een civiele
toepassing hebben. De dreiging die van kruisvluchtwapens en onbemande vliegtuigjes
uitgaat wordt nog onvoldoende serieus genomen. Dit gebrek aan aandacht heeft mede
te maken met het feit dat de dreiging van ballistische raketten tot de verbeelding
spreekt en daardoor overbelicht wordt. Zeker voor terroristische groeperingen ligt het
meer voor de hand gebruik te maken van andere overbrengingsmiddelen.32 Nog min-
der technologisch geavanceerde overbrengingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld zeecontai-
ners, die eenvoudig in een bestemmingshaven kunnen worden binnengebracht, zijn
makkelijker voorhanden, effectief en precies. Daarbij komt het gegeven dat het meer
en meer lijkt voor te komen dat niet duidelijk wordt welke staat of welke groepering
een aanval pleegt. Hoewel zich nog geen ‘geanonimiseerde’ aanvallen met massaver-
nietigingswapens hebben voorgedaan, lijkt het niet ver gezocht te veronderstellen dat
juist plegers van een aanslag met massavernietigingswapens zich niet bekend zullen
maken om zo het risico van vergelding te minimaliseren.
De moderne infrastructuur maakt hedendaagse Westerse maatschappijen kwetsbaar.
In analyses moet met deze algemene dreiging rekening worden gehouden. De aansla-
gen van 11 september nopen daartoe. Ook de meest recente Amerikaanse herziening
van het defensiebeleid gaat uit van een dergelijke algemene dreiging. In het bijzonder
terrorisme is moeilijk grijpbaar. Er zijn terreurgroepen die streven naar zoveel mogelijk
slachtoffers of die op zijn minst totaal onverschillig staan tegenover grootschalig ver-
lies van mensenlevens. Zouden terroristische groeperingen beschikken over massaver-
nietigingswapens, dan dient ervan uit te worden gegaan dat ze deze ook zullen inzetten
31 Sagan, S.D. (2000), Rethinking the Causes of Nuclear Proliferation: Three models in search of a bomb,
    in: The Coming Crisis – Victor Utgoff (ed.). (Cambridge, MIT Press).
32 Gormley, D.M. ( juni 2001), Dealing with the threat of cruise missiles, in: Adelphi Paper, nr. 339 (Oxford
    University Press).
                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>en zich hiervan niet zullen laten weerhouden door de massavernietigingswapens van
de tegenstander. De recente aanslagen in New York en Washington, waarbij een niet-
statelijke partij in staat bleek de Verenigde Staten – zonder ballistische raket – een
uiterst gevoelige klap toe te brengen wijzen in deze richting. Een raketverdedigings-
systeem biedt voor een dergelijke dreiging geen oplossing.
In de Amerikaanse gedachtengang is in de relatie tussen een staat met een onkwets-
baar vergeldingsvermogen – zoals de VS – en een staat met een primitief massavernie-
tigingsarsenaal (bijvoorbeeld bestaand uit één of meer kwetsbare ICBM’s met een rudi-
mentair commando- en controlesysteem) de betekenis van massavernietigingswapens
fundamenteel anders dan het geval was tussen de VS en de toenmalige Sovjet-Unie.
Toen dwong het risico van volledige nucleaire verwoesting beide kernmachten tot grote
terughoudendheid. Daarentegen worden momenteel in Washington de voors en tegens
besproken van preventief optreden tegen massavernietigingswapens van een ‘risico-
land’ (preemptie).
Mocht een risicoland de VS aanvallen met massavernietigingswapens, dan moet deze
er op rekenen, dat zijn aanval met een veel omvangrijker tegenaanval zal worden beant-
woord. Daarbij gaat het niet eens om de vraag of de VS een aanval zullen vergelden,
maar om de vraag of een eventuele aanvaller – welk overbrengingsmiddel hij ook
gebruikt – er ooit zeker van kan zijn dat de VS dit niet zullen doen. Die onzekerheid is
kenmerkend voor een relatie van afschrikking: de aanvaller loopt het risico van vergel-
ding – als daar al twijfel over bestond, is die na 11 september 2001 weggenomen.
Politieke leiders zouden aldus hun eigen machtsbasis en samenleving opofferen (inclu-
sief de eigen familie). Dat maakt zo’n aanval met massavernietigingswapens niet erg
waarschijnlijk. Dat een leider van een risicoland ‘out of the blue’ een massavernieti-
gingswapen tegen de VS zou inzetten, ligt zeker niet voor de hand.
Toch wordt ook wel de opvatting gehoord dat er specifieke omstandigheden te beden-
ken zijn, waarin een leider van een ‘risicoland’ in de verleiding zou kunnen komen om
massavernietigingswapens tegen de VS te gebruiken. Bijvoorbeeld in geval van Ameri-
kaanse betrokkenheid in een regionaal conflict, wanneer het risicoland in kwestie niets
meer te verliezen heeft. Het bezit van massavernietigingswapens die in staat zijn de VS
te bereiken, zou in die visie een belangrijke verzekering kunnen vormen tegen militair
ingrijpen in de nationale vitale belangen door de enige overgebleven supermacht. Of
het bezit van een zeer beperkt aantal of slechts één massavernietigingswapen de VS
inderdaad zou kunnen afschrikken, is zeer de vraag. Risicolanden lijken hier in ieder
geval van uit te gaan, maar de redenering die aan deze opvatting ten grondslag ligt is
sterk speculatief.
Zo bekeken is Missile Defense niet alleen een Amerikaans antwoord op een dreigings-
analyse, maar ook een extra verzekering voor het Amerikaans buitenlands beleid om de
handelingsvrijheid in regionale aangelegenheden te handhaven.
Er zijn ook kanttekeningen van meer politieke aard die bij de Amerikaanse visie kunnen
worden geplaatst. Wat willen Noord-Korea, Iran en Irak eigenlijk? Waarom streven deze
landen massavernietigingswapens na? Met welk doel zouden zij bereid zijn een kernwa-
pen tegen de VS in te zetten of daarmee te dreigen? Zijn de intenties van die landen
zodanig dat hieruit voor de VS de noodzaak volgt ter verdediging een raketschild te ont-
werpen?
                                             21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Volgens waarnemers ziet Noord-Korea zijn rakettenpotentieel als verzekeringspremie
tegen een militaire interventie, als hefboom bij internationale onderhandelingen, als
statusverlenend middel, als regionaal machtsvertoon en als handelswaar in een econo-
mie die op de rand van de afgrond staat. Noord-Korea gebruikt de rakettenkwestie bij-
voorbeeld als middel om onderhandelingen in het kader van het ‘Agreed Framework’
kracht bij te zetten, waarbij Noord-Korea in ruil voor stopzetting van het nucleaire pro-
gramma lichtwaterreactoren krijgt.33 Noord-Korea heeft vooruitgang in dit kader gekop-
peld aan mogelijke voortzetting van het zelfopgelegde moratorium op het testen van
raketten na 2003.34 Dit moratorium is feitelijk de enige concessie tot nu toe van Pyon-
gyang op het gebied van non-proliferatie. Noord-Korea heeft verder gesuggereerd dat
het bereid zou zijn zijn gehele rakettenproduktie te staken als in ruil daarvoor andere
landen voor Pyongyang satellieten willen lanceren. Dit voorstel is door de Noord-Kore-
aanse leiders recentelijk zowel aan de Russische President Putin als aan een EU-dele-
gatie gedaan.35 Omdat over de redenen voor dit voorstel geen inzicht bestaat, is niet
goed te beoordelen wat het realiteitsgehalte ervan is.
Ook wat betreft Iran wordt het door vele deskundigen als zeer onwaarschijnlijk gezien
dat Iran het risico zou nemen als eerste een massavernietigingswapen in te zetten
tegen de VS.
Irans streven zou niet zozeer gericht zijn op overheersing van de buurlanden en onder-
steuning voor conventionele agressie. Iran wil respect voor zijn in eigen ogen superieu-
re cultuur, invloed over de Golfregio (wat vertrek van de Amerikanen betekent), en het
wil volgens deze analyse zichzelf beveiligen tegen potentiële vijanden, in het bijzonder
Irak. Iran heeft in het verleden inderdaad chemische wapens gebruikt. Maar dat was in
de oorlog tegen Irak, in een regionale situatie.36
Irak is, de ervaringen uit de Golfoorlog en de gedetailleerde kennis van UNSCOM
indachtig, een geval apart. Het heeft reeds aangetoond dat het bereid is om hoog spel
te spelen. Waar het bij Iran en Noord-Korea gaat om ‘circumstantial evidence’ van hun
intenties, is er in het geval van Irak al een geschiedenis van agressief gedrag (de inval
in Koeweit) en de bereidheid te escaleren (tijdens de Golfoorlog vuurde Irak Scud-raket-
ten af op Israël en Saudi-Arabië). De lading van deze raketten was weliswaar conventio-
neel – in dit geval heeft Irak zich ófwel laten afschrikken van de inzet van een massa-
vernietigingswapen, ófwel het was daar helemaal niet toe in staat. De Verenigde Staten
33 In 1991 tekenden Noord- en Zuid-Korea een verklaring over de de-nuclearisering van het Koreaanse
   schiereiland; in hetzelfde jaar trokken de VS hun kernwapens terug uit Zuid-Korea. In 1992 tekende
   Noord-Korea een waarborgen-overeenkomst met het IAEA, maar een jaar later kondigde het land zijn
   terugtrekking aan uit het Non-Proliferatie-verdrag. Na een crisis dientengevolge van anderhalf jaar teken-
   den de VS en Noord-Korea in 1994 het ‘Agreed Framework’ waarbij Noord-Korea’s grafiet-reactoren zul-
   len worden vervangen door lichtwater reactoren. De Korean Peninsula Energy Development Organisation
   (KEDO) heeft de taak deze opdracht uit te voeren. Daarbij zijn behalve de VS ook Zuid-Korea, Japan en
   de EU betrokken.
34 In mei 2001 heeft Noord-Korea het vrijwillige testmoratorium verlengd tot 2003, onder voorwaarde dat
   onderhandelingen met de VS vooruitgang boeken.
35 Foster-Carter, A. (mei 2002), A rogue by any other name: North Korea’s many causes for concern, in:
   Asia Times Online (www.atimes.com).
36 Ziemke, C.F. (2000), The national Myth and strategic personality of Iran: a counterproliferation perspecti-
   ve, in: The Coming Crisis – Victor Utgoff (ed.). (Cambridge, MIT Press).
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>zien Irak als de grootste dreiging in de toekomst – Irak heeft echter op dit moment niet
de middelen om een werkelijke dreiging te vormen.
De Amerikaanse regering stelt zich op het standpunt dat het niet mogelijk is om inten-
ties te beoordelen. Die zijn niet meetbaar en kunnen bovendien veranderen. Daarom
dient een dreigingsanalyse zich voornamelijk te richten op aanwezige capaciteiten en
wapenprogramma’s. Deze benadering lijkt op het eerste gezicht duidelijkheid te schep-
pen, maar laat toch veel vragen open. Bijvoorbeeld ten aanzien van de in Amerikaanse
ogen grootste dreiging, die van Irak komt. Dit land beschikt evenwel niet over middelen
om voor de VS een werkelijke dreiging te vormen, terwijl een land als Syrië over een
omvangrijk op Israël gericht en met chemische wapens uitgerust rakettenpotentieel
beschikt, dat nauwelijks aandacht krijgt. Over leiders als Saddam Hoessein en Kim-
Yong-Il wordt gesteld dat ze ‘irrationeel’ zijn, bereid tot grote risico’s en niet gevoelig
voor het vooruitzicht van nucleaire afschrikking, terwijl bijvoorbeeld Pakistan – dat, net
als India, beschikt over een veel omvangrijker rakettenpotentieel en kernwapens – niet
onder deze noemer wordt gebracht omdat het als bondgenoot wordt beschouwd in de
oorlog tegen het terrorisme. En dat terwijl Pakistan in mei 2002 nog een test met een
Ghauri-raket uitvoerde. De beoordeling van de dreiging van risicolanden bevat dus ook
een politieke component.
Een mogelijke kanttekening op het technische vlak is de algemene vraag of de op scud-
technologie gebaseerde raketten kunnen dienen als basis voor de ontwikkeling van
raketten van de (middel-)lange afstand. In de Amerikaanse analyses wordt ervan uitge-
gaan dat dit inderdaad mogelijk is. Er zijn evenwel deskundigen die dit tegenspreken –
waaronder Russische, omdat Rusland zelf in de jaren zestig niet is geslaagd in pogin-
gen om scuds ‘op te voeren’. In hun visie zal een op scuds gebaseerd rakettenpoten-
tieel zonder hulp van de landen die over langeafstandstechnologie beschikken (P-5) niet
ver komen. In het bijzonder wordt er in dit kader op gewezen dat voor onkwetsbare lan-
geafstandsraketten, in tegenstelling tot de scuds, vastebrandstoftechnologie noodzake-
lijk is. Zeer gecompliceerd is ook de technologie die nodig is voor het besturingssys-
teem van de raket, dat er voor zorgt dat de raket althans bij benadering op de bedoelde
plaats terechtkomt.
Het streven naar vastebrandstoftechnologie (geconstateerd bij bijvoorbeeld Iran) wordt
door de VS gezien als bewijs dat aan een langeafstands- of intercontinentale raket
wordt gewerkt. Het kan evenwel ook andere redenen hebben. Vastebrandstoftechnolo-
gie heeft ook voordelen in raketten van de kortere afstand, omdat de houdbaarheid
aanzienlijk beter is en omdat de ontbrandingstijd veel korter is. Dat maakt raketten die
gebruik maken van vaste brandstof langer bruikbaar, minder kwetsbaar, en beter inzet-
baar voor een verrassingsaanval. Het duurt lang om een raket die wordt voortgestuwd
met vloeibare brandstof te laden. Zo’n raket is kwetsbaar omdat ze in die periode kan
worden opgespoord en uitgeschakeld.
Verder wordt, zoals gemeld, in de Amerikaanse analyses gesteld dat raketprogramma’s
in de risicolanden niet dezelfde ontwikkelingsstadia hoeven doorlopen als in de VS en
Rusland het geval is geweest. Ook met gebrekkige ‘precision’ – en ‘guidance’ – techno-
logie kan een effectief ‘terreurwapen’ worden ontwikkeld. Inderdaad is een zeer nauw-
keurige trefzekerheid (‘circular error probability’ - CEP)37 voor een terreurwapen niet
37 De CEP (circular error probability – de diameter van de cirkel waarbinnen de helft van de afgevuurde
    raketten terecht komt) varieert bij raketten in de hier behandelde landen van 1000 meter tot 3 kilometer.
                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>noodzakelijk, maar de technologie die nodig is om met een raket bij benadering doel te
treffen is bijzonder ingewikkeld. Tegelijk moet worden voorkomen dat het lancerende
land of bevriende buurlanden schade ondervinden.
Ook is de vraag relevant in welke mate Rusland en China zullen functioneren als leve-
rancier van gevoelig materiaal en kennis aan de risicolanden. In de VS bestaat de vrees
dat risicolanden met de hulp van China en Rusland tot een doorbraak kunnen komen
die de ontwikkeling van een langeafstandsraket mogelijk maakt. Tijdens voorbereidende
besprekingen voor de Russisch-Amerikaanse Topontmoeting in mei 2002 was vooral de
Russische samenwerking met Iran op het gebied van nucleaire technologie en rakettech-
nologie een punt van onenigheid.38 Echter, veel experts zien geen patroon dat er op
wijst dat Rusland en China van overheidswege dergelijke assistentie zouden willen verle-
nen. Er is sprake van samenwerking maar deze geschiedt ‘mondjesmaat’. Deze lijkt in
hoofdzaak ingegeven door de wens verzoeken tot bijstand niet geheel te negeren, daar-
op politiek te kapitaliseren en tegelijk te voorkomen dat een doorbraak wordt bereikt. Er
zou in deze visie sprake zijn van relatief ‘verantwoordelijke’ samenwerking en leveran-
ties. Rusland en China zouden zich realiseren dat een doorbraak in de rakettenprogram-
ma’s van de risicolanden ook niet in hun eigen belang kan zijn. Daarbij dient wel te wor-
den aangetekend dat de overheidscontrole in niet alle gevallen afdoende is.
Eerlijkheid gebiedt te onderstrepen dat het voor de AIV – en niet alleen voor de AIV –
ondoenlijk is om een sluitende beoordeling te geven van de ontwikkeling van raketproli-
feratie in de toekomst. Maar bovenstaande overwegingen leiden wel tot de conclusie
dat een raketverdedigingssysteem niet de meest prioritaire maatregel is. Raketverdedi-
ging is een antwoord op een van de vele gevaren, die uit het kwetsbaar zijn van het
eigen grondgebied voortkomen. Het is een technisch antwoord, dat in een lange traditie
past. Het is in ieder geval een Amerikaans antwoord op een in Amerikaanse ogen groei-
end probleem. Of het in verhouding met andere dreigingen een kosten-baten analyse
kan doorstaan moet nog blijken.
II.4     Samenvatting
De groeiende aandacht voor ballistische raketten in de Amerikaanse politiek moet wor-
den gezien in de context van de strategische wijzigingen in het tijdperk na de Koude
Oorlog. Belangrijk ijkpunt is de Golfoorlog in 1991; hierna kwam in de VS de vraag cen-
traal te staan of een met massavernietigingswapens uitgerust Irak in staat zou zijn
geweest de VS van militair ingrijpen te doen afzien, of dat althans buitengewoon te
bemoeilijken.
Na de nodige meningsverschillen en verschillende studies tijdens de laatste jaren van
de twintigste eeuw, is in de Verenigde Staten brede overeenstemming ontstaan over
het toekomstperspectief dat er voor de VS de komende vijf – tien jaar een dreiging zal
kunnen ontstaan vanuit Noord-Korea, de daaropvolgende vijf jaar vanuit Iran, en nog vijf
jaar later vanuit Irak. Er is overeenstemming dat een vorm van raketverdediging nood-
zakelijk is om een aanval hiermee in de toekomst te kunnen frustreren.
De door de VS geïdentificeerde risicolanden beschikken momenteel over korteafstands-
raketten en geen van deze is in staat de VS te bereiken. Zuidelijke delen van het NAVO-
grondgebied (Turkije) vallen wel binnen het bereik van de raketten vanuit Syrië, Irak en
38 US, Russia Divided over Iran after Talks, Wahington Post, 20 Februari 2002.
                                                    24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Iran. Israël valt in het bereik van raketten vanuit Syrië en waarschijnlijk ook vanuit Iran
(de Shahab-3). Geen van de risicolanden beschikt nu over een kernwapen. De meeste
vorderingen zijn gemaakt op het gebied van biologische en chemische wapens en in
sommige gevallen zijn deze in het verleden zelfs gebruikt (door Iran, Irak en Libië).
De volgende nuanceringen van de Amerikaanse conclusies verdienen vermelding. Deze
zijn van technische, politieke en algemene aard.
Een ballistische raket is niet de enige manier waarop massavernietigingswapens kun-
nen worden overgebracht. Andere overbrengingsmiddelen zijn net zo effectief en veel
toegankelijker. Voor een staat of terroristische groepering die zich ten doel stelt grote
aantallen burgerslachtoffers te veroorzaken op het territoir van een westelijk land (of
daarmee te dreigen), is een ballistische raket als overbrengingsmiddel niet de meest
voor de hand liggende oplossing. Het heeft daartoe technisch simpeler mogelijkheden
tot zijn beschikking, zoals bijvoorbeeld een kruisvluchtwapen, onbemande vliegtuigjes
of de nog simpeler zeecontainer. Met deze overbrengingsmiddelen blijft de pleger van
de aanslag langer anoniem en wordt het risico van vergelding geminimaliseerd. Een
raketverdedigingssysteem biedt voor dergelijke dreiging geen oplossing.
In normale omstandigheden moet ook een risicoland gevoelig worden geacht voor de
mogelijkheid van nucleaire vergelding. De Amerikaanse analyse dat risicolanden ‘irratio-
neel’ zijn en niet gevoelig voor (nucleaire) afschrikking gaat, zo wordt wel betoogd, pas
op als het betreffende land of regime niets meer te verliezen zou hebben. Zo bekeken
is raketverdediging niet alleen een Amerikaans antwoord op een dreigingsanalyse,
maar ook een extra verzekering voor het Amerikaans buitenlands beleid om de hande-
lingsvrijheid in regionale aangelegenheden te handhaven.
Op het politieke vlak wordt erop gewezen dat de intenties van risicolanden om ballisti-
sche raketten na te streven vaak worden onderbelicht. Ballistische raketten hebben bij-
voorbeeld een belangrijke rol als symbool van status en moderniteit, een rol als middel
om onderhandelingen kracht bij te zetten, en zijn eerder regionaal gericht dan op het
Westen. Tegelijkertijd leidt de Amerikaanse superioriteit op militair gebied ertoe dat
kleinere landen de ballistische raket zien als ontmoediging van militaire interventie
door de VS en bondgenoten.
Op het technische vlak wordt er door deskundigen op gewezen dat het niet mogelijk is
op basis van het aanwezige op scud-technologie gebaseerde arsenaal een lange-
afstandspotentieel te ontwikkelen. Zonder hulp van buitenaf is het dan niet mogelijk
langeafstandsraketten te ontwikkelen. Er is verder geen patroon dat erop wijst dat de
landen die in het bezit zijn van dergelijke cruciale lange afstandstechnologie (P-5)
bereid zouden zijn deze aan risicolanden over te dragen.
Hoewel het voor de AIV – en niet alleen voor de AIV – ondoenlijk is om een sluitende
beoordeling te geven van de ontwikkeling van raketproliferatie in de toekomst, leiden
bovenstaande overwegingen wel tot de conclusie dat een raketverdedigingssysteem niet
de meest prioritaire maatregel is. ‘Missile Defense’ is een antwoord op een van de vele
gevaren, die uit het kwetsbaar zijn van het eigen grondgebied voortkomen. Het is een
technisch antwoord, dat in een lange traditie past. Het is in ieder geval een Amerikaans
antwoord op een in Amerikaanse ogen groeiend probleem. Of het in verhouding met
andere dreigingen een kosten-baten analyse kan doorstaan moet nog blijken.
                                              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>III      Raketver dediging en de bondgenoten
In dit hoofdstuk wordt de kwestie van raketverdediging geplaatst in het kader van de
ontwikkeling van de bondgenootschappelijke Atlantische relaties. Het thema raketver-
dediging raakt aan de bredere discussie over de toekomst en rol van de NAVO, mede
in het licht van de nieuwe NAVO-Russische relatie. Het is één van de uitdagingen waar
de NAVO de komende jaren voor staat, vooral omdat de beoordeling van de aard en
omvang van de dreiging lijkt te verschillen.
Als de NAVO in de ogen van de bondgenoten nog steeds het forum is waar gezamenlij-
ke veiligheidsproblemen worden besproken, is het noodzakelijk dat de dreiging en de
mogelijke oplossing (raketverdediging) in de NAVO wordt besproken. Ook voor het Euro-
pese grondgebied van de NAVO dient er een analyse te komen van de dreiging die uit-
gaat van ballistische raketten.
III.1    Een dreigingsanalyse voor het gehele bondgenootschap
De Amerikaanse regering heeft uitgesproken opvattingen over de betekenis van de ont-
wikkelingen van de dreiging en welke conclusie daaruit moet worden getrokken. Bij de
Europese lidstaten van het bondgenootschap is het beeld hiervan lange tijd veelvormig
geweest. Europese landen beoordelen de dreiging voor hun grondgebied als gevolg van
de ontwikkeling van raketprogramma’s in risicolanden anders.
In hoofdstuk II is geconstateerd dat delen van het Europese NAVO-grondgebied in het
bereik vallen van raketten van risicolanden, en de VS niet. Logischerwijs volgt daaruit
dat een dreiging voor Europa zich eerder zal manifesteren dan voor de VS. Eén en
ander heeft in Europa echter niet tot met de VS vergelijkbare reacties en beleidsvoor-
nemens geleid. Europese NAVO-bondgenoten zien de noodzaak om tot een raketverde-
digingssysteem voor Europa te komen tot op heden niet als urgent (of wensen dit niet
te zien). In hoofdstuk II zijn kanttekeningen geplaatst bij de Amerikaanse beoordeling
van de dreiging.
De VS omschreven raketverdediging weliswaar als ‘for allies and friends’ maar lange
tijd bleef onduidelijk hoe een dergelijke uitbreiding vorm zou kunnen krijgen en of Euro-
pese bondgenoten deze ook wensten. De VS stuurden niet aan op bespreking van de
dreiging en mogelijke maatregelen in NAVO-verband (evenmin als Europese bondgeno-
ten dit deden). Het leek er op dat de VS zich geen al te grote zorgen maakten over de
Europese situatie en de hieruit voortvloeiende mogelijkheid dat een bedreiging van
Europese bondgenoten kan worden gebruikt als chantagemiddel ten opzichte van de
VS. Tot nu toe is in de NAVO geen bondgenootschappelijke analyse gemaakt van de
dreiging voor het gehele NAVO-grondgebied.
Maar raketproliferatie kan belangrijke consequenties hebben voor de bondgenootschap-
pelijke veiligheid. Zo kan bijvoorbeeld de vraag worden gesteld of Europese NAVO-part-
ners bereid zullen zijn deel te nemen aan NAVO ‘out of area’ operaties of aan VS-gelei-
de ‘coalitions of the willing’, wanneer hun steden binnen het bereik liggen van
(ballistische) raketten, terwijl de VS buiten het bereik blijven of beschermd zijn. De
wederzijdse afhankelijkheid die in dergelijke bondgenootschappelijke scenario’s aan de
orde is verdraagt zich slecht met gebrek aan overeenstemming tussen de bondgenoten
over de dreiging en een daarop gebaseerde aanpak. Een volgende vraag is die van de
                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>mogelijkheid van chantage. Het lijkt op het eerste gezicht misschien niet waarschijnlijk
dat Europa – dat nauwelijks in staat is risicolanden zelfstandig in hun voortbestaan te
bedreigen – direct door een risicoland zou worden bedreigd. Maar de lotsverbonden-
heid van de VS en Europa sluit de mogelijkheid niet uit. Europa zal net zo zeer een
doel kunnen zijn als de VS, zeker als Europese bondgenoten betrokken zijn bij militaire
operaties.39 Indien de VS een mondiaal optreden wensen voor de NAVO, ook in het
kader van de strijd tegen het terrorisme, zou deze mogelijkheid van chantage ook de
VS grote zorgen moeten baren.40
Het is in dit licht van groot belang dat zowel de analyse van de dreiging als het thema
van raketverdediging worden besproken daar waar het hoort: in de NAVO. Het kan niet
anders, als tenminste de bondgenoten en met name de VS van mening zijn, dat de
NAVO nog steeds een wezenlijk platform is voor de aanpak van problemen rond veilig-
heid in Europa en in de VS. Is het antwoord ja, dan dient ten aanzien van (ballistische)
raketten een gezamenlijke analyse van de dreiging te worden gemaakt, die ook geldt
voor het Europese deel van het NAVO-grondgebied. Tevens dient een dergelijke analyse
in te gaan op de gevolgen die deze dreiging kan hebben voor de cohesie in de NAVO.
Vervolgens dient te worden gesproken over een praktische aanpak van de gesignaleer-
de problemen. Daarbij hoort ook dat de VS bereid moeten zijn ruimhartig te consultate-
ren in de NAVO over hun plannen voor raketverdediging.
Op het gebied van dreiging vanuit de risicolanden moet naar de mening van de AIV
inderdaad invulling worden gegeven aan de transatlantische veiligheidsrelatie, waarvan
sprake is in artikel 4 van het NAVO-verdrag: ‘de partijen zullen onderling overleg plegen
telkens wanneer naar de mening van een van haar de territoriale onschendbaarheid,
politieke onafhankelijkheid of veiligheid van een der partijen wordt bedreigd’.41 Welke
zegsman men ook spreekt, in woorden wordt aan beide zijden van het bondgenoot-
schap de wederzijdse afhankelijkheid op veiligheidsgebied steeds nadrukkelijk onder-
kend, en onderstreept dat het zeer wenselijk is deze situatie in stand te houden.
Sinds juni 2002 staat ‘missile defense’ weer op de agenda van de NAVO, toen de
Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld aan NAVO-bondgenoten daartoe een voor-
stel voorlegde. NAVO-bondgenoten zouden – als deel van hernieuwde inspanningen om
de militaire capaciteiten van de NAVO te actualiseren – mogelijkheden moeten
bestuderen voor een ‘raketverdedigingssysteem ter bescherming van het NAVO-grondge-
bied en --bevolkingscentra tegen alle mogelijke bedreigingen met raketten’. In hun
39 Valasek, T. (2001), Europe’s Missile Defense Options, in: Defense Monitor, 2001 issue 3
   (www.cdi.org/dm/2001/issue3/emd.html).
40 In de verschillende verklaringen van de Ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie van de NAVO d.d.
   28 mei en 6 juni 2002 wordt expliciet vastgelegd dat de NAVO in de toekomst ver buiten de eigen gren-
   zen moet kunnen optreden (bron: www.nato.int).
41 Tijdens de Top van Washington (23 en 24 april 1999) waarbij het Strategische Concept van de NAVO
   voor de tweede maal na het einde van de Koude oorlog werd geactualiseerd, werd artikel 4 nogmaals
   onderstreept:
   ‘ to serve, as provided for in article 4, as an essential transatlantic forum for Allied consultations on
   any issue that affect their vital interests, including possible developments posing risks for members’
   Ook in het kader van nieuwe dreigingen en de mogelijke antwoorden hierop wordt in het nieuwe
   Strategische Concept het belang van artikel 4 onderstreept.
                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>verklaring van 6 juni 2002 kwamen de de NAVO-ministers in een gezamenlijke verkla-
ring overeen dat het bondgenootschap inderdaad moet bestuderen ‘met welke combi-
natie van politieke en verdedigingsmiddelen deze groeiende dreiging kan worden tegen-
gegaan’. De verklaring stelt dat maatregelen op dit gebied in lijn moeten zijn met het
principe van ‘ondeelbaarheid van bondgenootschappelijke veiligheid’.42 Een Amerikaan-
se delegatie heeft in juli 2002 Europese hoofdsteden en het NAVO-hoofdkwartier
bezocht om mogelijke samenwerking op het gebied van raketverdediging te bespreken.
Zij hebben voorstellen aan NAVO-bondgenoten voorgelegd voor samenwerking op het
gebied van raketverdediging, waarbij deelname op verschillende niveaus wordt gesugge-
reerd volgens het ‘JSF-model’.
De AIV onderstreept dat de opzet van dergelijke samenwerkingsverbanden voor de ont-
wikkeling van raketverdediging vooraf dient te worden gegaan van een bondgenoot-
schappelijke analyse van de dreiging. En dergelijke onderbouwing ontbreekt.
Het is voor de AIV verder van belang dat een dergelijke analyse wordt gedaan in
samenspraak met Rusland, in de nieuwe NAVO-Rusland-Raad. Niet alleen omdat de
nieuwe samenwerking met Rusland met name proliferatie tot onderwerp heeft, maar
vooral omdat Europa en Rusland door hun geografische nabijheid zich voor vergelijkba-
re problemen zien gesteld. Hier liggen mogelijkheden voor samenwerking tussen de
NAVO en Rusland die nader kunnen worden uitgewerkt. Dit betekent dat eerder door
Rusland gedane voorstellen nieuw leven kunnen worden ingeblazen. Rusland stelde in
januari 2000 voor om in NAVO-verband een gezamenlijke analyse van de dreiging te
maken; vervolgens om te bezien op welke wijze en met welke defensieve wapens hier-
op zou kunnen worden gereageerd. Ten slotte zou tot een gezamenlijk besluit moeten
worden gekomen over aan te schaffen systemen. Destijds is nauwelijks serieus gere-
ageerd op deze voorstellen. Ze werden gezien als mogelijke splijtzwam binnen het
bondgenootschap en als vehikel om Russische technologie aan de man te brengen.
TMD werd echter wel gezien als onderwerp voor de nieuwe NAVO-Rusland-Raad. In de
verklaring van 28 mei 2002 bij gelegenheid van de oprichting van de NAVO-Rusland-
Raad is het onderwerp TMD als een van de te bespreken onderwerpen genoemd – dat
kan een eerste stap zijn op weg naar bredere consultaties, zoals Rusland die ooit
wenste en die de AIV hier bepleit.
Dergelijke consultaties zouden parallel kunnen lopen aan de onderzoeksprogramma’s
die in de VS zijn gestart en kunnen van de resultaten van dat onderzoek profiteren.
Werkelijke beslissingen over noodzaak en eventuele aanschaf van elementen voor een
systeem van raketverdediging zijn niet eerder dan op de middellange termijn te ver-
wachten, onder andere als meer duidelijkheid bestaat over de technologische mogelijk-
heden.
Mocht de NAVO besluiten dat ook voor Europa op termijn een vorm van territoriale
raketverdediging nodig is, dan zijn er verschillende opties – gesteld dat de technologie
beschikbaar en gereed zou zijn. Behalve de inzet van Amerikaanse systemen zouden
Europese landen zelf een systeem kunnen ontwikkelen. Een recente Franse studie
heeft de kosten berekend van een onafhankelijke en beperkte raketverdediging voor
Europa. Een dergelijk systeem, gebaseerd op de Aster-raket en bescherming biedend
voor 20 Europese locaties tegen raketten van de middellange dracht, zou volgens deze
42 Verklaring inzake capaciteiten van de NAVO Ministers van Defensie, 6 juni 2002. (www.nato.int)
                                                   28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>studie 11,7 miljard euro kosten.43 In deze berekening blijft buiten beschouwing dat
Europa vooralsnog niet beschikt over eigen satellietcapaciteit, al is met de recente
besluitvorming inzake Galileo – zij het voor civiele doeleinden – een begin gemaakt.
Europa zou ook deel kunnen gaan uitmaken van een Amerikaans systeem, door (finan-
cieel) deel te nemen aan een Amerikaans systeem of de ontwikkeling daarvan, of door
onderscheppingsraketten op Europees grondgebied te laten stationeren. Europa zou
ook kunnen ingaan op Russische suggesties voor samenwerking met Rusland, mogelijk
in NAVO-verband – zij het dat, zoals hierboven werd vermeld, de samenwerking met
Rusland tot op heden vooral op TMD was gericht.
Bij al deze scenario’s dienen we in het achterhoofd te houden dat geen van deze tech-
nologieën momenteel veel verder is gevorderd dan de tekentafel.
Zoals altijd, is er het financiële aspect dat beslissend kan zijn. Mocht de NAVO conclu-
deren, dat voor het gehele NAVO-grondgebied een vorm van raketverdediging nodig is,
gesteld dat de technologie voor een dergelijk systeem ook inderdaad beschikbaar is of
kan komen, dan zou dat vergaande financiële gevolgen hebben. De financiële middelen
zijn schaars. Een toekomstig besluit over de aanschaf van een raketverdedigingssys-
teem zou in financieel opzicht moeten concurreren met andere maatregelen om de
NAVO te versterken. Er zijn immers de nodige andere behoeften waarin de al sinds jaar
en dag slinkende defensiebudgetten van de Europese bondgenoten de komende jaren
moeten voorzien. Tijdens de gezamenlijke optredens van de afgelopen jaren zijn vele
tekortkomingen aan het licht getreden op het gebied van conventionele capaciteiten.
Deze betreffen onder andere strategische transportcapaciteit, ‘special forces’, precisie-
munitie en inlichtingen. In 1999 is de NAVO-raad het ‘Defense Capabilities Initiative’
(DCI) overeengekomen: uitvoering van een vijftigtal actiepunten moest de Europese con-
ventionele capaciteit weer op een aanvaardbaar niveau brengen. TMD maakte daar deel
van uit, maar kreeg geen hoge prioriteit. Voortgang op het gebied van de uitvoering van
DCI is maar mondjesmaat geweest. Vandaar dat een Amerikaanse senator de Europese
bondgenoten onlangs nog als militaire pygmeeën heeft bestempeld.
Na de aanslagen van 11 september hebben de pogingen om de Europese NAVO-bondge-
noten beter uit te rusten voor de nieuwe strategische situatie grotere urgentie gekregen.
Op 6 juni 2002 is tijdens de bijeenkomst van NAVO-ministers van Defensie de noodzaak
vastgelegd om grotere aantallen troepen en ondersteunende middelen beschikbaar te
hebben voor operaties buiten het grondgebied van de NAVO. Het DCI heeft daarmee
weer het begin van nieuw elan gekregen. De aanstaande NAVO-Top in Praag (november
2002) moet de oorspronkelijke lange prioriteitenlijst van het DCI inkorten en toespitsen
op de voor oorlogen van de toekomst meest essentiële zaken. Ook maatregelen op het
gebied van verdediging tegen aanvallen met massavernietigingswapens maken deel uit
van het nieuwe initiatief: na afronding van de haalbaarheidsstudie naar TMD moeten de
bondgenoten overwegen op welke wijze TMD-capaciteiten verder kunnen worden uitge-
breid gezien het feit dat er voor bondgenootschappelijk grondgebied en bevolkingscentra
een groeiende dreiging zou kunnen uitgaan van raketproliferatie.44
43 Het rapport waarnaar hier verwezen wordt stelde ook dat conceptuele bezwaren tegen raketverdediging
    min of meer worden misbruikt om bezwaren van financiële aard te verhullen. Het rapport beval aan om
    openlijk te erkennen dat Europa vanwege financiële overwegingen (nog) niet wil praten over rakerverdedi-
    ging. La France et les bombes. Le defis de la proliferation des armes de destruction. Documents d’Infor-
    mation de l’Assemblée Génerale No. 2788, Paris 2000.
44 Bron: statement on capabilities issued at the meeting of the North Atlantic Council in Defence Ministers
    Session, 6 juni 2002 (www.nato.int).
                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Het op peil brengen van de conventionele capaciteiten zal zo op de korte en middellan-
ge termijn de nodige financiële inspanning vergen van bondgenoten. Zoveel wordt in de
verklaring van 6 juni 2002 ook expliciet erkend. Daar komen de verplichtingen in het
kader van het Europese Veiligheids- en Defensiebeleid nog bij, waar is besloten om een
60.000 man sterke Europese interventiemacht op de been te brengen.45
Op de korte tot middellange termijn liggen de prioriteiten voor de Europese bondgeno-
ten dus bij de versterking van de militaire capaciteiten op eerdergenoemde terreinen
en aanpassing van operationele concepten. Raketverdediging mag geen hindernis vor-
men voor deze bestaande Europese pogingen om conventionele capaciteiten in het
kader van het DCI en EVDB te vergroten. Voor TMD, laat staan MD zal op de korte tot
middellange termijn weinig financiële ruimte bestaan.46 Wel dient in de NAVO, zoals
gezegd, het overleg over raketdreiging voor het NAVO-grondgebied spoedig te worden
begonnen. Dat zou pas op langere termijn financiële gevolgen mogen hebben.
In meer algemene zin dienen NAVO-bondgenoten zich te realiseren, zoals ook in Hoofd-
stuk II is betoogd, dat raketverdediging mogelijk meer is dan een Amerikaans antwoord
op een waargenomen dreiging. Het Amerikaanse beleid inzake raketverdediging wordt
wel gezien als extra verzekering voor de risico’s van toekomstige militaire operaties.
Europese landen zien de noodzaak en opportuniteit daarvan minder snel, omdat zij niet
altijd dezelfde strategische belangen zien als de VS. De VS hebben wereldwijd militaire
verplichtingen bijvoorbeeld in de vorm van veiligheidsgaranties; de Europese landen
niet. In ieder geval is er een ander accent als het gaat om de inzet van militaire midde-
len. Dit markante verschil in strategische omgeving kan bijdragen aan het verschil in
beoordeling tussen de Europese landen en de VS van de dreiging en van de noodzaak
van verdediging.
En zo brengt het onderwerp raketverdediging een aantal onderliggende problemen aan
de oppervlakte die momenteel het transatlantische bondgenootschap plagen: de NAVO
heeft ten aanzien van raketverdediging tot nu toe niet gefunctioneerd als het platform
om de praktische veiligheidsproblemen van Europa en de VS effectief aan te pakken;
tussen de VS en Europese bondgenoten ontstaat afstand door de voorsprong van de
VS op technologisch gebied; en, tot slot, Europa en de VS hebben niet steeds dezelfde
visie over de aanpak van ‘s werelds urgente problemen.47 Zolang op deze onderlig-
45 Terzijde wordt opgemerkt dat op de prioriteitenlijst van de Helsinki goals ook TMD voorkomt. Nederland
    heeft een leidende rol bij het uitwerken van dit onderdeel. Het is de AIV evenwel gebleken dat in EU-
    kader niet veel prioriteit lijkt te worden gegeven aan TMD. Dat heeft mede te maken met de voortgaande
    discussie over de reikwijdte van de Petersberg-taken.
46 Mogelijk zal het Europese industriële complex de komende tijd in toenemende mate druk gaan uitoefe-
    nen op Europese regeringen om te investeren in raketverdediging. Op 24 juli 2002 kondigden het Ameri-
    kaanse Boeing en het Europese EADS een samenwerkingsverband aan op het gebied van raketverdedi-
    ging waarmee in de woorden van de voormannen van beide bedrijven ‘eenheid wordt getoond ten
    aanzien van de wereldwijde dreiging en een nieuwe dimensie is toegevoegd aan transatlantische samen-
    werking’. Het memorandum of understanding dat bij die gelegenheid tussen de beide partijen werd
    ondertekend stelt ‘een raamwerk te bieden voor de relatie tussen de bedrijven op het gebied van raket-
    verdediging ter bescherming van de VS en bondgenoten’. (www.eads.nl).
47 Ham, P. van (april 2002), Europa en de Pax Americana – het transatlantisch bondgenootschap in de
    schaduw van morgen, Den Haag: Instituut Clingendael.
                                                        30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>gende problemen niet een begin van een gemeenschappelijk antwoord wordt geformu-
leerd, lijkt het moeilijk om een samenhangend bondgenootschappelijk beleid te ontwik-
kelen ten aanzien van raketverdediging.
III.2     MD-activiteiten in NAVO-verband: vooralsnog beperkt tot TMD
Waar in bondgenootschappelijk kader op het gebied van territoriale raketverdediging de
discussie in het beginstadium is, bestaan op het gebied van ‘theater missile defense’
(TMD) wel reeds de nodige activiteiten. Bestaande TMD systemen maken in de Ameri-
kaanse plannen deel uit van het ‘gelaagde’ systeem van raketverdediging.
Sinds het begin van de jaren negentig toont de NAVO zich bezorgd over de dreiging die
uitgaat van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen. In 1994 werden
daartoe in NAVO-verband twee nieuwe overlegfora ingesteld. Het overleg in deze fora
leidde ertoe dat de NAVO specifieke ‘force goals’ formuleerde voor de ontwikkeling van
TMD. Sinds 1998 wordt in NAVO-kader bezien op welke wijze TMD kan worden opgeno-
men als deel van het NAVO luchtverdedigingscommando en -controlesysteem. Als deel
van het ‘Defense Capabilities Initiative’ (1999) heeft de NAVO in januari 2000 besloten
een TMD haalbaarheidsstudie te laten uitvoeren. Deze studie, waarmee op 1 juli 2001
door twee consortia is aangevangen, wordt uit gezamenlijke NAVO-fondsen bekostigd
en strekt zich uit over de technische haalbaarheid, kosten en tijdpad voor een mogelijk
NAVO-breed TMD-systeem ter bescherming van ‘uitgezonden troepen’.48 De resultaten
van deze studie worden eind 2002 verwacht. Deze studie is technisch van aard en
dient ter voorbereiding van latere politieke besluitvorming. De studie zal mogelijke
beschikbare TMD opties in ogenschouw nemen, zowel grondgebonden, op zee
geplaatst, als vanuit de lucht opererend. Na afloop van de studie zal in NAVO-verband
een politiek besluit moeten worden genomen over aanschaf van NAVO-TMD-systemen.
De NAVO-activiteiten op het gebied van raketverdediging (inclusief bovenbeschreven
studie) richten zich op raketverdediging ten behoeve van vooruitgeschoven eenheden
als onderdeel van NAVO’s ‘extended air defense’, en niet op territoriale raketverdedi-
ging van Europa. Maar TMD systemen maken in de Amerikaanse plannen deel uit van
de voorgestane ‘gelaagde raketverdediging’ en het is niet uitgesloten, dat de discussie
over NAVO-TMD kan dienen als opmaat voor de bredere discussie. De studie richt zich
namelijk op ‘gelaagde TMD’ – dus onderschepping zowel in als buiten de atmosfeer –
met mogelijk bredere territoriale toepassing.
III.3     Nationale activiteiten / Nederland
Een aantal Europese bondgenoten (Nederland, Duitsland, Italië en Frankrijk) onder-
neemt al activiteiten op het gebied van TMD (‘theater missile defense’). Ook deze acti-
viteiten bevinden zich nog grotendeels in de onderzoeksfase. Duitsland en Italië wer-
ken samen met de VS aan het ‘Medium Extended Air Defense System’ (MEADS), een
grondgebonden systeem dat korteafstandsraketten kan onderscheppen. De VS betalen
55% van de kosten, Duitsland 28% en Italië 17%. Duitsland en Nederland zijn verder in
het bezit van Patriot-raketten en werken aan een modernisering naar Pac-III. Er bestaat
op het gebied van raketverdediging overigens een intensieve samenwerking tussen
Nederland en Duitsland aan de ene kant en de VS aan de andere kant.
48 Het betreft een tweetal consortia onder leiding van respectievelijk Science Applications International
    Corporation (SAIC) en Lockheed Martin. De kosten per studie bedragen 13,5 miljoen US dollar.
                                                     31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Frankrijk was tot 1995 ook in MEADS actief, maar trok zich toen terug vanwege de
naar Franse mening te grote Amerikaanse dominantie in het project. Frankrijk, Italië en
het VK werken samen aan systemen die ontworpen zijn om te verdedigen tegen kruis-
raketten en vliegtuigen, maar die in een gemoderniseerde uitvoering raketten van de
korte dracht zouden kunnen onderscheppen. Of zo’n modernisering ook moet plaatsvin-
den, is momenteel onderwerp van onderzoek. Het Britse ministerie van Defensie voert
samen met vier Britse contractors een studie uit die de dreiging en een mogelijke
respons daarop in kaart brengen.49
De nationale activiteiten van de verschillende bondgenoten zijn vooralsnog niet inge-
past in een gezamenlijk concept voor NAVO-TMD. Ook is niet duidelijk in hoeverre de
nationale activiteiten al dan niet in een NAVO-concept zullen passen. Er wordt van uit-
gegaan dat sommige van de benodigde componenten van een NAVO-TMD concept reeds
door individuele lidstaten worden voorbereid en dat het voor de hand ligt dat deze natio-
nale componenten zullen worden samengevoegd tot één NAVO-inspanning.50
Zowel de Nederlandse luchtmacht als de marine houdt zich bezig met TMD: de lucht-
macht is in de verwervingsfase met betrekking tot het PAC-III systeem; de marine is in
een studiefase met betrekking tot de mogelijkheid fregatten uit te rusten met onder-
scheppingsraketten.
Nederland heeft in 1997 besloten het aanwezige Patriot-luchtverdedigingssysteem te
actualiseren en op te waarderen van PAC-II naar PAC-III.51 Hiermee werd tevens uitvoe-
ring gegeven aan een ‘force-goal’ van de NAVO. Nederland komt hiermee in het bezit
van een onderscheppingscapaciteit in de onderste laag van de atmosfeer voor (ballisti-
sche) raketten van beperkte dracht in de laatste fase van hun vlucht. Overigens kunnen
met PAC-III ook alle luchtverdedigingscapaciteiten van PAC-II worden uitgevoerd. De aan-
schaf van de PAC-III-raket brengt hoge kosten met zich mee. Het project bevindt zich in
de verwervingsfase. Bij de huidige stand van zaken zouden de kosten van de geplande
aanschaf het oorspronkelijk begrote bedrag overschrijden.52
Daarnaast onderzoekt de Nederlandse marine (samen met Duitsland) de technische
mogelijkheden om in de toekomst fregatten uit te rusten met een TMD-capaciteit. Het
gaat hier om een studie die tezamen met de VS en Duitsland wordt uitgevoerd. Een
eerste haalbaarheidstudie is in november 2000 afgerond. De studie bevindt zich nu in
de validatiefase, die loopt tot mei 2003. Daarna zal moeten worden besloten over de
vraag of de bevindingen van de studie in de praktijk moeten worden gebracht. De
49 Bromley, M. (mei 2001), European Missile Defense: New Emphasis, New Roles, in: Basic Paper nr. 36,
   ISSN 13530402.
50 Verklaring over haalbaarheidsstudies inzake gelaagd TMD, zie www. nato.int.
51 De aanschaf is gepland van twee maal 64 onderscheppingsraketten en 8 lanceerinrichtingen. Zie
   behoeftestelling Patriot raketten en lanceerinrichtingen, brief aan de Tweede Kamer van de Staatssecre-
   taris van Defensie d.d. 3 september 1997, Kamerstuk 25000 X nr. 99.
52 Momenteel is onduidelijk of het aanvankelijk begrote bedrag (128 miljoen euro) toereikend zal zijn voor
   de geplande aanschaf van de eerste partij van 64 PAC-III-raketten. Bij de huidige prijs van 4 miljoen US
   dollar per raket lijkt dit niet het geval. Overigens zijn reeds uitgaven gedaan (64 miljoen euro) voor de
   actualisering van radar en commandovoertuigen.
                                                        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>studie heeft enige tijd stilgelegen, omdat de VS de ontwikkeling van de onderschep-
pingsraket vanwege budgettaire problemen in december 2001 plotseling stillegde.
Momenteel wordt door de VS gezocht naar alternatieven. Daarbij wordt Nederland
geconsulteerd. De activiteiten zijn bij het vaststellen van dit rapport nog niet hervat.
Bij de Nederlandse activiteiten kan de volgende opmerking worden gemaakt.
De nationale TMD-activiteiten zijn naar aanleiding van eerdergenoemd NAVO-overleg
gebaseerd op de verwachting dat aan uitgezonden troepen bescherming moet kunnen
worden geboden tegen een dreiging van korte- en middellangeafstandsraketten – hoe-
wel zoals gezegd met PAC-III ook overige luchtverdedigingsactiviteiten kunnen worden
uitgevoerd.53 Gelet op de proliferatie van deze raketten (zie hoofdstuk II) is dit slechts
in een beperkt aantal gebieden het geval. Hiervan gaat naar verwachting alleen een
dreiging uit bij optredens in het ‘hogere geweldspectrum’, zeker als dit bijvoorbeeld
geschiedt zonder instemming van de landen in kwestie, zoals bijvoorbeeld in Afghani-
stan en Irak het geval was. Het is het type van ‘vredesafdwingende’ operaties, dat
gepaard gaat met grote risico’s en dat niet in alle gevallen op de deelname van Neder-
landse troepen kan rekenen. Men kan zich afvragen in hoeverre het logisch en consis-
tent is dat Nederland heeft besloten zich, als een van de weinige NAVO-bondgenoten,
te specialiseren in een verdedigingscapaciteit die vooral in dergelijke expeditionaire
scenario’s relevant is, en de aanschaf te overwegen van niet alleen de grondgebonden
maar ook de op zee geplaatste variant. Het verdient aanbeveling om de grote investe-
ringen die noodzakelijk zijn om de beide systemen aan te schaffen, nader te beschou-
wen in het kader van een algemene herijking van de gehele waaier aan prioriteiten bin-
nen de NAVO en het GBVB.
Omdat de capaciteiten zoals PAC-III hun volledige rechtvaardiging vinden in bondgenoot-
schappelijke scenario’s, is het verder noodzakelijk dat deze nationale activiteiten nu zo
spoedig mogelijk van een gemeenschappelijk bondgenootschappelijk concept worden
voorzien. Het is daarom toe te juichen dat de NAVO momenteel op een dergelijk con-
cept studeert, hoe beperkt ook.
Of de systemen die Nederland voornemens is te verwerven (PAC-III) en bestudeert
(Marine) in de toekomst ook een rol kunnen spelen bij een vorm van territoriale verde-
diging van Europa is overigens discutabel. Bij de huidige stand van de techniek hebben
53 in de brief aan de Tweede Kamer waarbij de Staatssecretaris van Defensie in 1997 informatie verschaf-
    te over de behoeftestelling PAC III, wordt gesteld dat (…) de groeiende dreiging als gevolg van de prolif-
    eratie van TBM’s (…) en mogelijke verdediging hiertegen zijn de afgelopen jaren aan de orde geweest in
    NAVO-verband (in het kader van de Senior Defense Group on Proliferation). Dit heeft geleid tot een reeks
    aanbevelingen ter verbetering van bondgenootschappelijke verdediging tegen deze wapens op het gebied
    van inlichtingen, commandovoering, onderschepping, neutralisering en inperking van de gevolgen van
    een aanval. In de meeste gevallen kan worden voortgebouwd op bestaand beleid en bestaande capaci-
    teiten. Nederland wil hieraan een representatieve bijdrage leveren, die ook op termijn is vol te houden.
    Daarom zal er naar worden gestreefd de inzetmogelijkheden van bestaande systemen uit te breiden. (…)
    Uit NAVO-onderzoek naar de effectiviteit van een grond-lucht verdedigingssysteem tegen ballistische
    raketten blijkt dat een combinatie van op land en op zee gestationeerde systemen het beste resultaat
    oplevert. (…) De Koninklijke Marine onderzoekt de mogelijkheden terzake van de luchtverdedigingssyste-
    men van de luchtverdedigingsfregatten. Voor het Patriotsysteem, dat reeds in gebruik is bij de Koninklij-
    ke landmacht, is hiervoor door de VS het verbeteringsprogramma PAC III ontwikkeld. Bron: behoeftestel-
    ling Patriot raketten en lanceerinrichtingen, 3 september 1997.
                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>ze wat dit betreft de nodige beperkingen. De omvang van het terrein dat het systeem
kan verdedigen is klein. Het PAC-III systeem is ontworpen om korteafstandsraketten te
onderscheppen, en de mogelijkheden van onderschepping van raketten van de langere
dracht zijn niet geheel duidelijk. In het algemeen hebben ‘lower tier’ systemen zoals
PAC-III hun beperkingen als deze in het kader van een breed, gelaagd systeem zouden
worden ingezet voor territoriale verdediging. Dat is overigens geheel in lijn met het
nationale beleid, volgens hetwelk een belangrijk uitgangspunt is dat de maatregelen
zich in eerste instantie richten op de bescherming van uitgezonden eenheden.54 Vol-
gens deskundigen zouden andere onderscheppingssystemen (die actief zijn in het
hogere deel, de ‘upper tier’, van de atmosfeer) eventueel wel deel uit kunnen maken
van een territoriaal verdedigingssysteem.
III.4    Samenvatting
Amerika is de enige NAVO-bondgenoot die een uitgesproken opvatting heeft over de
dreiging van (ballistische) raketten en de consequenties daarvan. In NAVO verband
bestaat tot op heden geen gedeelde analyse van de dreiging voor het gehele NAVO-
grondgebied. Met name ontbreekt een dreigingsanalyse voor het Europese deel.
Een dreiging met raketten voor Europa of voor de VS kan implicaties hebben voor het
hele NAVO-grondgebied, en op den duur grote gevolgen voor de NAVO-cohesie. Als
NAVO-bondgenoten de NAVO daadwerkelijk zien als het exclusieve forum voor onderwer-
pen die de gezamenlijke transatlantische veiligheid betreffen, moet een gezamenlijke
dreigingsanalyse worden gemaakt voor het gehele grondgebied. Daaraan dient ook Rus-
land deel te nemen. Europese NAVO-bondgenoten dienen de gevolgen van een dergelij-
ke analyse onder ogen te zien. De VS dienen zich bereid te tonen raketverdediging en
de dreigingsanalyse in NAVO-verband te bespreken, en de bondgenoten daaraan een
serieuze bijdrage te leveren.
De AIV meent dat als vervolg op de huidige beperkte NAVO-studies over TMD een ver-
volgstudie in bredere context noodzakelijk is. De NAVO richt zich momenteel niet op de
vraag of territoriale verdediging nodig is; de in 2002 af te ronden NAVO-TMD-studie
beperkt zich tot TMD met als focus de bescherming van uitgezonden eenheden. In een
noodzakelijke vervolgstudie moet tevens antwoord worden gegeven op de – meer tech-
nische – vraag, of en zo ja welke – onder meer in Nederland reeds aanwezige – TMD-
systemen een rol kunnen spelen in een eventueel toekomstig gelaagd systeem.
De Nederlandse inspanningen op TMD-gebied zijn tot op heden niet ingebed in een
NAVO- of Europees verdedigingsconcept. De nationale Nederlandse TMD activiteiten
moeten in een bondgenootschappelijk concept worden ingepast.
De grote investeringen die voor Nederland noodzakelijk zijn om de beide systemen aan
te schaffen, zouden nader moeten worden beschouwd in het kader van een meer
omvattende (NAVO-) gezamenlijke inspanning op raketverdedigingsgebied, en meer in
het algemeen in het kader van de gehele waaier van prioriteiten binnen de NAVO en het
GBVB.
54 Bron: behoeftestelling Patriot raketten en lanceerinrichtingen, 3 september 1997.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Het onderwerp raketverdediging brengt een aantal onderliggende problemen aan de
oppervlakte die momenteel het transatlantische bondgenootschap plagen: de NAVO
heeft ten aanzien van raketverdediging tot nu toe niet gefunctioneerd als het platform
om de praktische veiligheidsproblemen van Europa en de VS effectief aan te pakken;
tussen de VS en Europese bondgenoten ontstaat afstand door de voorsprong van de
VS op technologisch gebied; en, tot slot, Europa en de VS hebben niet steeds dezelfde
visie over de aanpak van ‘s werelds urgente problemen. Zolang op deze onderliggende
problemen niet een begin van een gemeenschappelijk antwoord wordt geformuleerd,
lijkt het moeilijk om een samenhangend bondgenootschappelijk beleid te ontwikkelen
ten aanzien van raketverdediging.
                                           35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>IV        Raketver dediging multilateraal bekeken:
          strategische verhoudingen en wapenbeheersing
In dit hoofdstuk wordt bezien welke gevolgen raketverdediging kan hebben voor de
mondiale strategische stabiliteit. Het gaat in de eerste plaats om de verhouding tussen
de VS en Rusland, maar evenzeer van belang is de verhouding tussen de VS en China.
Wat betekent in dit kader het verdwijnen van het ABM-verdrag? Is het akkoord van
24 mei 2002 tussen de VS en Rusland afdoende vervanging als nieuw strategisch
raamwerk? Welke toekomst is er nog voor multilaterale wapenbeheersing, en zijn er
tekortkomingen die moeten worden aangepakt?
IV.1      Een nieuwe relatie tussen de VS en Rusland zonder het ABM-verdrag?
   ‘The United States and Russia are ridding themselves of the last vestiges of Cold
   War confrontation. We have moved beyond an ABM-treaty that prevented us from
   defending our people and our friends. Some warned that moving beyond the
   ABM-treaty would cause an arms race. Instead, President Putin and I are about to
   sign the most dramatic nuclear arms reduction in history. Old arms agreements
   sought to manage hostility and to maintain a balance of terror’
                              President Bush voor het Duitse Parlement, 23 mei 2002
Op 13 december 2001 kondigden de VS eenzijdig aan zich per 13 juni 2002 uit het
ABM-verdrag te zullen terugtrekken.56 Rusland, dat het verdrag als ‘hoeksteen van stra-
tegische stabiliteit’ roemde, noemde de Amerikaanse beslissing ‘een grote fout’ – ook
nog ten tijde van de ondertekening van het bilaterale verdrag van Moskou op 24 mei
2002. Ook Europese NAVO-bondgenoten en China hechtten vanuit het oogpunt van stra-
tegische stabiliteit aan het verdrag; het had tenslotte sinds 1972 een belangrijke grond-
slag geboden voor de relatie tussen Amerika en de Sovjet-Unie. Met de uiteindelijk
gematigde Russische reactie op de Amerikaanse eenzijdige terugtrekking verstomde dit
geluid.
Wat was de betekenis van het ABM-verdrag en wat betekent het verdwijnen ervan? Het
ABM-verdrag maakte een integrerend deel uit van de afschrikkingrelatie tussen de twee
nucleaire vijanden die uit zelfbehoud geen andere keuze hadden dan handhaving van
de status quo. De terughoudendheid die de rivalen sinds de Cubaanse crisis hadden
betracht, was in veler ogen het gevolg van de stabiliserende werking van de strategi-
sche kernarsenalen. Het ABM-verdrag codificeerde met het verbod op territoriale defen-
sie het gegeven dat de beide rivalen beschikten over het onkwetsbare vermogen om de
ander onaanvaardbare schade toe te brengen.57 Dit stond bekend onder de noemer
56 Het ABM-verdrag werd ondertekend op 26 mei 1972 en trad in werking op 3 oktober 1972.
57 Oorspronkelijk was het toegestaan op twee plaatsen raketverdediging te plaatsen maar in 1974 werd dit
    verder beperkt tot één. De Sovjet-Unie koos voor een plaatsing van een systeem om Moskou en de VS
    kozen voor ontplooiing bij de ICBM opslagplaatsen in Grand Forks, North Dakota. De keuze mocht een-
    malig worden gewijzigd.
    Het aantal interceptoren en lanceerinrichtingen mocht niet uitgaan boven de 100. Lanceerinrichtingen
    die meer dan één interceptor-raket per keer konden afvuren, of snel een nieuwe interceptor konden
    laden werden verboden. Hetzelfde gold voor interceptoren met meer dan één raketkop. Ook de te gebrui-
    ken radars werden aan beperkingen verbonden. Artikel IX stelde bovendien dat ABM-systemen niet naar
    derde landen mochten worden overgebracht.
                                                     36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>‘Mutual Assured Destruction’ (MAD). Behoud van wederzijdse slagkracht werd tijdens
de Koude Oorlog bepalend geacht voor een stabiele afschrikkingrelatie.58 Het ABM-ver-
drag vermeed een verdere complicering van de rekensom door deze te beperken tot
een vergelijking van de omvang van de offensieve nucleaire arsenalen.59 In het belang
van beide partijen werd de offensieve wapenwedloop begrensd en een defensieve voor-
komen.
De stabiliserende rol van deze ‘afschrikkingrelatie’ wordt nu door velen erkend. De
kernmachten waren tot terughoudendheid gedwongen in een ontwikkeling die met de
Cubaanse crisis was ingezet. Maar bij het gebrek aan bescherming van de burgerbevol-
king werd ook ongemak gevoeld. In de VS gingen al snel stemmen op dat het ABM-ver-
drag ‘immoreel’ was.60 De regering Bush junior wenste uitdrukkelijk een einde te
maken aan deze ‘logica van de Koude Oorlog’ die de beide landen in zijn greep had
gehad. Rusland en de VS moesten zonder ABM-verdrag overgaan op een relatie van
samenwerking die niet langer op wederzijdse afschrikking berustte. Het verdrag moest
verdwijnen om de vriendschappelijke relatie met Rusland te bevorderen. In plaats daar-
van is inmiddels een verklaring gekomen die het raamwerk weergeeft voor de samen-
werking tussen de VS en Rusland.
Er bestaat ook bij de AIV instemming met de gedachte dat de relatie tussen de VS en
Rusland geleidelijk zou moeten overgaan van een op ‘MAD’ gebaseerde relatie naar
een relatie gebaseerd op nieuwe vormen van samenwerking. Een andere opvatting zou
tien jaar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie ook bevreemden. Maar de Amerikaanse
58 Bekend onder de naam ‘second strike capability’: het vermogen van een kernwapenstaat om een kern-
   aanval te overleven en een vergeldingsaanval uit te voeren die onaanvaardbare schade zou toebrengen
   voor de vijand. Hier tegenover staat de ‘first strike capability’: het vermogen om een ontwapenende eer-
   ste aanval uit te voeren op de vijand. Een dergelijke aanval zou in staat moeten zijn om alle strategische
   wapens (op land, op zee en vanuit de lucht opererende bombers) uit te schakelen en daarmee de vijand
   een ‘second strike capability’ te ontzeggen.
59 Het ABM-verdrag maakte deel uit van de Strategic Arms Limitations Talks. Deze besprekingen hadden
   ook een offensieve zijde: er werden limieten gesteld aan de aantallen lanceerinrichtingen en overbren-
   gingsmiddelen. In de periode van vijf jaar tussen SALT I en SALT II echter groeide het aantal kernkoppen
   en de gecombineerde explosieve kracht aanzienlijk: in de VS van 6300 tot 9000, in de USSR van 2300
   naar 5000. Reducties kwamen pas met de START-verdragen.
60 De expliciete instemming met raketverdediging tegen raketten van korte en middellange dracht die in
   een amendement van 1996 kon worden opgenomen, ging in een dergelijke visie uiteraard niet ver
   genoeg. In 1992, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, werd het begin ingezet van een wijzigingstraject
   van het ABM-verdrag, dat uiteindelijk expliciet TMD (verdediging tegen raketten met een korte tot middel-
   lange dracht) zou toestaan. In 1992 waren de Presidenten Bush sr. en Jeltsin het er in een gezamenlijke
   verklaring over eens dat Rusland en de VS moesten onderzoeken of kon worden samengewerkt op het
   gebied van verdediging tegen een beperkte ballistische raketaanval in het kader van een ‘Global Protec-
   tion System’. In 1996 en 1997 werden overeenkomsten bereikt die ‘theater missile defense’, verdedi-
   ging tegen raketten met een kortere dracht, mogelijk maakten. De grens tussen wat wel en niet was toe-
   gestaan werd gelegd op verdediging tegen raketten met een bereik van 3500 kilometer. De
   interceptor-raket mocht bij tests niet sneller gaan dan 3 kilometer per seconde en de doelraket niet
   sneller dan 5 kilometer per seconde. In 1997 werd een systeem van notificaties overeengekomen. Het
   verbod op territoriale defensie bleef echter intact en zoveel werd steeds expliciet vermeld in alle verkla-
   ringen omtrent TMD.
                                                       37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>eenzijdigheid bij de opzegging van het ABM-verdrag blijft te betreuren. Overgang naar
een nieuwe relatie dient in overeenstemming met de voormalige rivaal te gebeuren, bij
voorkeur in de vorm van nieuwe of geamendeerde akkoorden.
‘MAD’ is echter een bestaande situatie, die niet zomaar kan worden ‘afgeschaft’ door
de opzegging van het ABM-verdrag, zoals Amerikaanse uitspraken wel suggereren. De
grote aantallen kernwapens en de afschrikkende werking die daarvan uitgaat, zijn nog
steeds aanwezig. Aan Russische noch Amerikaanse zijde is het streven naar het
behoud van de ‘second strike’ verdwenen.
In tegenstelling tot de Amerikaanse visie meent de AIV dat het – eventueel geamen-
deerde – ABM-verdrag de verdere vormgeving van de nieuwe relatie tussen VS en Rus-
land in het geheel niet in de weg had hoeven te staan. Dit verdrag had in deze nieuwe
relatie zelfs een nuttige rol kunnen blijven spelen, vooral op het gebied van terughou-
dendheid bij de kernmachten. De opzegging van het ABM-verdrag is dan ook een symp-
toom van een algemenere trend in het Amerikaanse beleid, één van toenemende een-
zijdigheid, verminderde terughoudendheid bij en grotere aandacht voor militaire
oplossingen. De vrees bestaat dat deze trend de kiem kan vormen van een periode
van hernieuwde rivaliteit tussen de kernmachten.
Rusland heeft uiteindelijk zeer gematigd gereageerd op het eenzijdige Amerikaanse
besluit tot opzegging van het ABM-verdrag. De Europese zorg dat hier een destabilise-
rende werking van zou uitgaan is daarmee – althans voor de korte termijn – ongegrond
gebleken. Voor de korte termijn zal Rusland zich niet in een nieuwe wapenwedloop
begeven, getuige ook de in het verdrag van Moskou op 24 mei 2002 overeengekomen
reducties in de strategische arsenalen.61 De recentelijk overeen gekomen bilaterale
reducties laten de relatieve verhouding tussen de VS en Rusland grosso modo intact.
Rusland zal ook op de langere termijn zijn slagvermogen ten opzichte van de VS niet
willen opgeven en een raketverdediging kan deze in het geding brengen. Als de VS een
raketverdedigingssysteem gaan ontwikkelen dat in Russische visie de afschrikking aan-
tast, kan het zich gedwongen voelen tegenmaatregelen te treffen, bijvoorbeeld door
verscheidene koppen op raketten te plaatsen (MIRV-technologie). In dat kader is de
Russische verklaring d.d. 14 juni 2002 betekenisvol, waarin wordt gesteld dat Rusland
zich niet meer gebonden acht aan het START II-verdrag. Daarmee houden de daarin
vastgelegde beperkingen op MIRV-technologie – het plaatsen van meerdere koppen op
één raket – op te bestaan. Het is een indicatie dat ook Rusland de nodige flexibiliteit
wil handhaven om zijn slagkracht ten opzichte van de VS op peil te houden.
Tussen de VS enerzijds en de overige (ook nieuwe) kernmachten anderzijds is geen
sprake van MAD. De recent overeengekomen reducties in Russische en Amerikaanse
arsenalen zijn daarop niet of nauwelijks van invloed, omdat het verschil in nucleaire
bewapening tussen de VS en de RF en andere ‘kleine’ kernmachten onoverbrugbaar
groot blijft. Het verdwijnen van het ABM-verdrag en de opening die dat biedt voor de
ontwikkeling van raketverdediging door de VS heeft voor de andere kernmachten, in
tegenstelling tot de Russische Federatie, onmiddellijk praktische betekenis. Het ontbre-
ken van verdediging maakte hun kleine aantallen kernwapens relevant ten opzichte van
de VS en de Russische Federatie.
61 De door beide zijden aangekondigde unilaterale reducties zijn op 24 mei 2002 in een bilaterale overeen-
    komst vastgelegd.
                                                   38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>In dit kader is met name China van belang. Dankzij de beperkingen van het ABM-ver-
drag kon China met een klein aantal intercontinentale kernwapens menen over een
‘second strike’ te beschikken.62 Voor dit beperkte afschrikkingpotentieel is iedere ver-
dediging een aantasting (en daarmee verzwakking van een belangrijk middel ter beïn-
vloeding van Amerikaanse bemoeienis met Taiwan.)63 Los daarvan voelt China zich
kwetsbaar omdat zijn ICBM’s gebruik maken van vloeibare brandstof en daarmee rela-
tief eenvoudig zijn op te sporen. De VS hebben China nooit erkend als een strategische
gesprekspartner. Het is dan ook onduidelijk hoe de relatie tussen de VS en China zich
de komende jaren op dit vlak zal ontwikkelen.
IV.2      Op welk moment komt de Russische of Chinese afschrikking
          in het geding?
In hoeverre raketverdediging bedreigend zou kunnen zijn voor de strategische afschrik-
king van enerzijds Rusland en anderzijds China, hangt af van een aantal factoren, zoals
het aantal en de effectiviteit van de interceptoren en het door de verdediging bestre-
ken terrein.
Rusland heeft wat dit betreft voorwaarden geformuleerd waaraan een raketverdedi-
gingssysteem zou moeten voldoen uit het oogpunt van strategische stabiliteit. China
lijkt nog geen helder beeld te hebben van de voorwaarden die het aan een raketverde-
digingssysteem zou willen stellen. China is los van de Amerikaanse plannen van raket-
verdediging bezig met een modernisering en uitbreiding van zijn kernarsenaal. Maar het
ligt voor de hand dat raketverdediging wel van invloed zal zijn op het Chinese nucleaire
beleid. De mate waarin dat het geval zal zijn, zal worden bepaald door de omvang van
de dekking van een MD-systeem.
De AIV meent dat het belangrijk is te voorkomen dat China in een wedloop terecht
komt met de VS, enerzijds omdat het ontstaan van zo’n wedloop ten principale onge-
wenst is, anderzijds omdat van een Chinese ‘wapenwedloop’ met de Verenigde Staten
invloed kan uitgaan op India, Pakistan (en in de toekomst ook Iran) die zich genoopt
kunnen zien om tegenmaatregelen te nemen.
Wat de invloed is van raketverdediging valt niet met zekerheid te zeggen. We kunnen er
in ieder geval van uitgaan dat Rusland en China elk zullen blijven streven naar behoud
van hun tweede slagvermogen ten opzichte van de VS. Er zijn rekenkundige scenario’s
62 De precieze aantallen Chinese ICBM’s zijn niet in open bronnen zoals ‘the Military Balance’ bekend,
    hoewel het aantal met een zekere regelmaat op plm. twintig wordt geschat.
    Zie hiervoor bijvoorbeeld: Wilkening, D. A. (2000), Ballistic Missile Defense and Strategic Stability, in:
    Adelphi Paper, nr. 334 (New York, Oxford University Press), en recentelijk in een artikel in Jane’s Defen-
    ce Weekly. Momenteel is China bezig met een modernisering van het strategische arsenaal, en de toe-
    komstige omvang is daarom onduidelijk.
63 China’s grootste zorg is plaatsing van TMD systemen in landen in de regio, bijvoorbeeld Japan en uiter-
    aard Taiwan. Hoewel ‘theater defense’ genaamd kunnen sommige van deze systemen een nationale dek-
    king bieden voor deze landen. Ook zouden sommige systemen op termijn een rol kunnen spelen in de
    onderschepping van op de VS gerichte strategische raketten.
                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>denkbaar die in beeld brengen op welk moment de Russische en Chinese afschrikking
in het geding zouden kunnen komen.64
Deze komen er voor Rusland op neer dat een Amerikaanse strategische raketverdedi-
ging met niet meer dan 100 interceptoren voor de Russische vergelding geen realisti-
sche bedreiging vormt – zolang Rusland beschikt over een minimum van 1200 wapens.
Wordt het systeem uitgebreid naar 200 interceptoren, dan moet Rusland zijn aantal
strategische raketten uitbreiden tot 1800 om zijn tweede slagvermogen te behouden;
en bij een systeem met 400 tot 850 interceptoren verliest Rusland zijn ‘second strike’.
Wat deze rekenkundige scenario’s ook waard zijn, geen rekening is gehouden met het
gegeven dat de Russische arsenalen zich in gebrekkige staat van onderhoud bevinden.
Als deze kwalitatieve factor wordt meegewogen, zijn de gevolgen van raketverdediging
op het Russische tweede slagvermogen groter en zouden tegenmaatregelen al eerder
geboden zijn om de Russische vergelding te handhaven. Bovendien is er nog de neiging
tot ‘oververzekering’ om de strategische stabiliteit te handhaven, wat eerder dan strikt
noodzakelijk zou kunnen leiden tot tegenmaatregelen.
Voor China ligt het anders. De Chinese vergelding ten opzichte van de VS – bestaand
uit een klein strategisch arsenaal – komt al in het gedrang bij een raketverdedigingssys-
teem van 20 interceptoren (hetgeen neerkomt op de toentertijd geplande eerste ont-
plooiing van het systeem in de periode Clinton).65
Andere vormen van onderschepping, zoals onderschepping van de raket in de eerste
fase van de vlucht vanuit een met een laser uitgerust vliegtuig, levert geen bedreiging
op voor het Russische en nauwelijks voor het Chinese tweede slagvermogen.66 Daar-
voor zijn de desbetreffende arsenalen te diep in het land geplaatst. In de ruimte gesta-
tioneerde laser-interceptoren (die krachtens het ABM-verdrag verboden waren) zouden
wel een bedreiging kunnen opleveren.
TMD-systemen die aktief zijn in de onderste laag van de atmosfeer, zoals de Patriot
PAC-III, hebben geen invloed op de strategische strijdkrachten van Rusland en China
omdat ze daartegen niet effectief zijn. Maar TMD-systemen die actief zijn buiten de
dampkring (‘upper tier’) zouden wel van invloed kunnen zijn, bijvoorbeeld als de
interceptoren gebruik kunnen maken van meer geavanceerde radar- en satelliet-
gegevens dan die het systeem zelf genereert. Bij stationering van deze TMD-systemen
64 In de verschillende scenario’s die worden beschreven door Dean Wilkening wordt gevarieerd met aantal-
    len strategische kernraketten varierend van 1.150 – 1.800, al dan niet met gebruikmaking van MIRV’s
    (intercontinentale SS-27 raket met of zonder drie MIRV’s). Verder wordt er van uitgegaan dat een degra-
    datie van het vergeldingspotentieel met meer dan 20% onaanvaardbaar is; dat de interceptoren van het
    raketverdedigingssysteem zeer effectief zijn (90%); en dat aan Russische zijde een minimum van 240
    kernkoppen benodigd is voor een vergeldingsaanval.
65 Er wordt van uitgegaan dat China als onderdeel van een moderniseringsprogramma uitbreiding nastreeft.
    De toekomstige omvang van het Chinese arsenaal is onduidelijk, maar geschat wordt dat het tussen
    2010 en 2015 over 100 – 200 intercontinentale raketten zou kunnen beschikken. Bij een dergelijk arse-
    naal zou een aantal van 12 tot 25 interceptoren de Chinese vergelding al met 20% verminderen.
    (Bron: D. Wilkening, ballistic missile defense and strategic stability).
66 Het zou evenwel wel van invloed zijn op Chinese tactische raketten, hetgeen met het oog op Taiwan zorg-
    wekkend zou zijn voor China.
                                                      40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>met grote aantallen interceptoren kan een verslechtering van de Russische vergelding
optreden.67 Voor China is een klein aantal interceptoren van een dergelijk TMD-sys-
teem reeds bedreigend.
De VS houden alle opties open voor een architectuur van raketverdediging. Het is zelfs
helemaal niet duidelijk wanneer, en zelfs óf er wel een raketverdedigingssysteem zal
komen. De technologie is nog verre van beschikbaar. Bovenstaande analyses zijn geba-
seerd op de vooronderstelling dát er een systeem zal komen.
Uit bovenstaande blijkt dat, zouden de VS uiteindelijk op geen enkele wijze bereid blij-
ken te zijn om het voorgestane systeem aan beperkingen te onderwerpen, Rusland en
China op de middellange termijn hun tweede slagvermogen zouden moeten heroverwe-
gen. Mogelijke tegenmaatregelen kunnen dan zijn: uitbreiding van de vloot strategische
bommenwerpers, grotere nadruk op mobiele systemen, uitbreiding van het aantal met
kernwapens uitgeruste onderzeeboten, de ontwikkeling van projectielen om de onder-
scheppingraket af te leiden of de toepassing van MIRV-technologie. Het START II-ver-
drag hield een verbod in op dergelijke ‘geMIRVde’ raketten, maar het is nooit in wer-
king getreden.68 De Russische verklaring van 14 juni 2002, waarin de Russische
Federatie bevestigde dat het zich niet langer gebonden acht aan de bepalingen van het
START II-verdrag, is daarom in dit kader van betekenis.69
Of, en zo ja, welke invloed raketverdediging heeft op de strategische arsenalen van
Rusland en China, is afhankelijk van de architectuur van het uiteindelijke systeem en
de aantallen interceptoren. Hierover valt nog niets te zeggen, behalve dat de VS voor-
lopig alle opties wensen open te houden.
Beperking van het aantal interceptoren van zowel strategische raketverdediging als tac-
tische ‘upper tier’-raketverdediging kan in de toekomst nodig zijn om te voorkomen dat
de Chinese en Russische vergeldingsmogelijkheden zodanig zullen worden aangetast,
dat een nieuwe wapenwedloop ontstaat. De verwachting lijkt gerechtvaardigd dat Rus-
land en China op de middellange termijn hun strategische potentieel willen handhaven
en daarom tegenmaatregelen zullen treffen om de gevolgen van Amerikaanse raketver-
dediging te neutraliseren.
67 Wat betreft Navy Theater Wide, zo stelt Wilkening, geldt dat het huidige NTW programma met 650 inter-
   ceptoren bedreigend kan zijn voor Rusland (als dat over minder dan 1700 kernraketten beschikt). Als
   beide systemen ontplooid worden en een gezamenlijk commando en controlesysteem hun interceptoren
   van informatie kunnen voorzien, dan is een configuratie van 400 THAAD interceptoren en 300 NTW inter-
   ceptoren reeds bedreigend voor Rusland.
68 Wilkening, D.A. (2000), Ballistic Missile Defense and Strategic Stability, in: Adelphi Paper, nr. 334 (New
   York, Oxford University Press).
69 (…) the Russian Federation notes the absence of any prerequisites for the entry into force of the START-
   II Treaty, and does not consider itself bound any longer by the obligation under international law to ref-
   rain from any actions which could deprive this Treaty of its object and goal.’ (statement by Russia’s
   ministry of Foreign Affairs on the legal status of START II, 14 juni 2002. Zie hiervoor www.ln.mid.ru).
                                                      41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>IV.3      Wapenbeheersing en non-proliferatie
Ondanks internationale afspraken gaat de verspreiding van massavernietigingswapens
en overbrengingsmiddelen door, aldus de VS. Dit onvermogen om door internationale
afspraken deze verspreiding tegen te gaan, vormt de achtergrond van de Amerikaanse
koerswijziging waarbij minder nadruk wordt gelegd op non-proliferatie, maar meer op
unilaterale maatregelen, zoals sancties, preëmptie en de inzet van technisch geavan-
ceerde wapensystemen, zoals in de NPR en QDR bepleit wordt. Voortgang op het
gebied van wapenbeheersing en multilaterale ontwapening is de afgelopen jaren zo
goed als gestagneerd.71
De opzegging van het ABM-verdrag past in deze lijn en velen kijken ook met enige scep-
sis naar de bilaterale overeenkomst die op 24 mei 2002 werd gesloten tussen de VS
en Rusland, waarin verdere reducties zijn afgesproken in de strategische arsenalen.
Beide zijden zullen de arsenalen in uiterlijk 2012 verlagen tot 1700 – 2200 kernwa-
pens. Daarbij is vooralsnog niets over verificatie afgesproken, maar wel is in de verkla-
ring gesteld dat in de toekomst aanvullende afspraken kunnen worden gemaakt en dat
de verificatiebepalingen uit START I daarbij als voorbeeld zullen dienen. Er is geen ver-
plichting tot vernietiging van de gereduceerde kernkoppen. Aan Amerikaanse kant is
aangegeven dat de verwijderde koppen in reserve zullen worden gehouden als deel van
een ‘responsive infrastructure’ – als voorraad ten behoeve van herstel of vervanging.
Daarnaast zijn er persberichten over ‘geheime elementen’ van de recentelijk versche-
nen ‘Nuclear Posture Review’ volgens welke de VS in de toekomst de mogelijkheid wil-
len houden om ondergrondse kernproeven versneld te hervatten (zulks in strijd met het
sinds 1992 geldende moratorium). Ook zou de ontwikkeling worden overwogen van
kernwapens als slagveldwapens – de zogenaamde ‘bunker busters’. Dit laatste zou de
nucleaire drempel verlagen, waarmee het streven naar non-proliferatie van kernwapens
een slechte dienst wordt bewezen.72 Recentelijk zijn ook uitspraken herhaald die de
status van de negatieve veiligheidsgaranties – het uitgangspunt dat nucleaire wapens
niet zullen worden gebruikt tegen niet-kernwapenstaten die lid zijn van het non-prolifera-
tieverdrag – in twijfel trekken ten gunste van ‘strategische ambiguiteit’ op dit punt.73
71 START II trad niet in werking en onderhandelingen over START III kwamen lange tijd niet van de grond. Het
   Amerikaanse Congres ratificeerde in 1998 slechts met grote tegenzin het Chemische Wapensverdrag en
   weigerde in december 1998 het Alomvattende Kernstopverdrag te ratificeren; wel handhaafde de Ameri-
   kaanse regering het moratorium op kernproeven. De in 1995 gestarte onderhandelingen over het verifica-
   tieprotocol bij het Biologische Wapensverdrag vlotten na 1998 nauwelijks meer (en zijn in de huidige
   vorm in 2001 zo goed als ten grave gedragen, nadat de VS in Genève verklaarden hun deelname hieraan
   te beëindigen).
72 Momenteel is als onderdeel van de goedkeuringswet voor de Amerikaanse defensiebegroting een wet in
   voorbereiding die de ontwikkeling van dergelijke kleine kernwapens ten behoeve van ‘earth penetration
   missions’ verbiedt en om die reden 812 miljoen US dollar wil onthouden aan het budget voor raketverde-
   diging dat 7.8 miljard US dollar bedraagt.
73 Op 22 februari 2002 stelde de woordvoerder van het Amerikaanse State Department op dit punt: ‘the
   United States reaffirms that it will not use nuclear weapons against non-nuclear-weapon state-parties to
   the Treaty on the Nonproliferation of Nuclear Weapons, except in the case of an invasion or any other
   attack on the United States, its territories, its armed forces or other troops, its allies, or on a state
   toward which it has a security commitment carried out, or sustained by such (vervolg noot op pag. 43)
                                                       42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>IV.4       Ontwapening en non-proliferatie: het bouwwerk en zijn lacunes
Op het nucleaire vlak is er het Nucleaire Non-Proliferatieverdrag (NPV) uit 1968, dat de
vijf erkende kernwapenstaten non-proliferatieverplichtingen oplegt en niet-kernwapen-
staten ontwikkeling van een kernwapenprogramma ontzegt. Dit verdrag is in 1995
onbeperkt verlengd. Het NPV beperkt de ‘haves’ in kernwapenland de iure tot vijf. Daar-
tegenover staat de verplichting tot ontwapening in artikel VI. De status van het NPV is
niet onbetwist: in de ogen van landen als India is het een discriminatoir non-prolifera-
tieverdrag. India weigert toe te treden en ondertekent ook het Kernstopverdrag (CTBT)
niet.
De Nuclear Suppliers Group (NSG) ondersteunt de doelstellingen van het verdrag door
sinds 1975 de export van nucleaire materialen, apparatuur en technologie aan beper-
kingen te onderwerpen. Het in 1996 gesloten Alomvattende Kernstopverdrag verbiedt
proefexplosies (die in de laatste fase van de ontwikkeling van een nieuw kernwapen
essentieel zijn). Het IAEA en de CTBT-organisatie zien toe op naleving. India weigerde
ook het CTBT te tekenen, en het Amerikaanse Congres heeft in 1999 tegen ratificatie
van dit verdrag gestemd.
Op het biologische en chemische vlak is er het Biologische Wapensverdrag (1972) dat
de ontwikkeling, productie en het bezit van biologische wapens verbiedt.74 Het ont-
beert tot op heden verificatiemaatregelen en onderhandelingen daarover zijn door de
VS voorlopig gestopt. Het Chemische Wapensverdrag dat het gebruik, ontwikkeling, pro-
ductie en bezit van chemische wapens verbiedt, bevat wel verificatiemaatregelen. De
Australië-groep ziet sinds 1985 toe op exporten van chemicaliën en apparatuur die
geschikt zijn voor zowel militair als civiel gebruik.
Op het gebied van de overbrengingsmiddelen is er het ‘Missile Technology Control Regi-
me’, dat de export van rakettechnologie aan banden legt. Het MTCR, dat in 1987 is
opgericht door de G-7, heeft tot doel het tegengaan van de ontwikkeling en verspreiding
van raketten met een draagwijdte groter dan 300 kilometer die massavernietigings-
wapens kunnen overbrengen.75 Het gaat om politiek bindende afspraken die door de
33 lidstaten worden uitgevoerd via de nationale exportregelgeving. Over de uitvoering
wordt geregeld tussen de deelnemende staten overlegd.
    (vervolg noot van pag. 42) a non-nuclear weapon state in association or alliance with a nuclear weapon
    state. Furthermore, the policy says that we will do whatever is necessary to deter the use of weapons of
    mass destruction against the United States, its allies, and its interests. If a weapon of mass destruc-
    tion is used against the United States or its allies, we will not rule out any specific type of military
    response’ (www.armscontrol.org/factsheets/negsec.asp)
74 In tegenstelling tot het Chemische Wapensverdrag verbiedt het Biologische Wapensverdrag niet expliciet
    het gebruik van Biologische Wapens. Dit is vastgelegd in het Protocol van Genève (1925).
75 De richtlijnen verbieden export van categorie I technologie: ballistische raketsystemen of kruisraketten
    met een draagwijdte van 300 kilometer of meer, die kunnen worden voorzien van een lading van 500
    kilogram of meer. Export van ruimtelanceerinrichtingen (SLV) kan worden uitgezonderd indien het eindge-
    bruik kan worden verzekerd. Hier ligt meteen een probleem: elke SLV heeft dual-use potentieel. Export
    van productiecapaciteiten voor voornoemde capaciteiten is in alle gevallen verboden. Lidmaatschap van
    het MTCR vereist voor ontwikkelingslanden verder een verzekering dat het land geen ballistische raketca-
    paciteit zal ontwikkelen. Voornoemde uitzondering voor ruimtelanceerinrichtingen is gemaakt voor Brazi-
    lië, dat terzake een bilaterale overeenkomst heeft met Rusland.
                                                       43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Hoewel er kritiek kan worden geleverd op het nucleaire non-proliferatieregime (de VS
stellen dat het onvoldoende werkt, India stelt dat het discriminatoir is) moet gesteld
worden dat de verwachtingen die zo’n dertig jaar geleden werden uitgesproken – name-
lijk dat er in het jaar 2000 zo’n 35 kernwapenstaten zouden zijn – niet zijn bewaarheid.
Er zijn in 2002 minder dan een vijftal ‘drempelstaten’ en het valt niet te ontkennen dat
het non-proliferatieregime successen heeft gekend; door beperkingen op te werpen
voor export en handel in technologie en materialen is proliferatie in sommige gevallen
gestopt of vertraagd. Het Non-Proliferatieverdrag kon in 1995 onbeperkt worden ver-
lengd; het aantal niet-NPV leden van de wereldgemeenschap daalde tot vier.76 Oekraï-
ne, Belarus en Kazakstan gaven hun kernwapenstatus op in 1991 en traden – net als
Argentinië, China, Frankrijk en Zuid-Afrika – toe tot het NPV. In het verlengde kon over-
eenstemming worden bereikt over versterkte verificatieprotocollen in het kader van het
IAEA en in 1997 werd het Alomvattend Kernstopverdrag ter ondertekening opengesteld.
Daarnaast zijn op 21 juni 2002 145 staten toegetreden tot het Chemische-wapensver-
drag, dat voorzien is van een omvangrijk verificatiemechanisme. Hetzelfde aantal sta-
ten is partij bij het Biologische wapensverdrag, maar dat verdrag beschikt, zoals
gezegd, tot op heden niet over verificatiemaatregelen.
Het gegeven dat de verspreiding van massavernietigingswapens en overbrengingsmid-
delen niet volledig is gestopt, is voor de VS een reden om het stelsel vooral op het bio-
logische en chemische vlak als ‘failliet’ te beschouwen en in toenemende mate te ver-
trouwen op unilaterale maatregelen als incentives, sancties, preëmptie. Ook geen van
déze maatregelen is in het verleden echter volledig effectief gebleken.77
In het algemeen dient te worden gesteld dat het non-proliferatieregime ertoe heeft bij-
gedragen dat de ‘problemen’ zich concentreren in slechts een vijftal landen. Het gaat
de AIV dan ook te ver om te concluderen dat het non-proliferatieregime heeft gefaald.
De Amerikaanse afkeer van verdragen is momenteel een gegeven. Maar er zijn wel
tekortkomingen aan te wijzen in het huidige stelsel van wapenbeheersing en non-
proliferatie. Deze dienen te worden aangepakt teneinde de geloofwaardigheid en effec-
tiviteit van het stelsel te waarborgen.
Ten eerste stroken codificatie en werkelijkheid niet meer met elkaar. Op het nucleaire
vlak is een veelomvattend stelsel ontworpen, dat echter tot op heden geen plaats heeft
voor de facto kernwapenstaten als India, Pakistan en Israël. Het NPV sluit deze landen
uit. De AIV is van mening dat 32 jaar na inwerkingtreding van het NPV de meerderheid
van de verdragspartijen dit gegeven niet kan blijven ontkennen, zonder dat het verdrag
aan geloofwaardigheid en effectiviteit inboet. In NSG-verband zijn weliswaar voorzichti-
ge discussies gaande over de wijze waarop in NSG-kader niet-NPV-leden kunnen worden
betrokken bij de NSG-richtlijnen, maar het risico van ‘erkenning’ van hun status blijft
een zeer gevoelig struikelblok. Ook hier voldoet de codificatie dus niet meer aan de
werkelijkheid, wat risico’s van verdere proliferatie oplevert. Dit geldt ook voor het
MTCR, waar aanwijzingen bestaan dat in toenemende mate aanbieders ontstaan die
zich buiten het MTCR bevinden (Noord-Korea, Iran, India, Pakistan). Dit komt de effecti-
viteit van het MTCR-regime niet ten goede.
76 Israël, Cuba, Pakistan en India zijn tot op heden niet toegetreden tot het NPV. Cuba is evenwel aan
    nucleaire non-proliferatie gebonden via het verdrag van Tlatelolco.
77 Rubin, U. (januari 2002), From incentives to preemption: adjusting options to deal with different states
    of concern, presentation paper for Wilton park Conference, januari 2002.
                                                      44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Ten tweede ontbreekt op het gebied van raketten de normstelling. Voor chemische,
biologische en nucleaire wapens is sprake van een verdrag met een verbodsbepaling
(normstelling) en een exportcontroleregime dat de uitvoering garandeert. Op het gebied
van de overbrengingsmiddelen is er echter slechts een exportcontroleregime, het
MTCR, terwijl de normstelling ontbreekt. MTCR was in de oorspronkelijke opzet niet
bedoeld om raketproliferatie te stoppen, maar om het te vertragen tot een meer volle-
dig regime het licht zou zien.78 Zo’n volledig regime zou naast beperkingen aan de aan-
bodzijde tevens een gemeenschappelijke universele normstelling bevatten, alsmede
maatregelen ter bevordering van transparantie, informatie-uitwisseling en vertrouwen-
wekkende maatregelen.79 Vanuit het MTCR is gepoogd deze lacune te dichten door
middel van het ontwerp van een ‘Internationale Gedragscode tegen de Proliferatie van
Ballistische Raketten (ICOC)’. De gedragscode die in MTCR-kader is uitgewerkt, voorziet
in een serie van algemene regels, vertrouwenwekkende maatregelen en stimulansen
ter bevordering van openheid op het gebied van raketprogramma’s. Het einddoel is om
multilaterale afspraken te bereiken die open dienen te staan voor alle landen, ook niet-
MTCR en niet-NPV-leden. Elk land dat de gedragscode heeft onderschreven dient opga-
ve te doen van het nationale beleid inzake ballistische raketten en ruimtelanceringen,
ook op civiel gebied. Momenteel wordt een begin gemaakt deze gedragscode ook bui-
ten MTCR-verband aan de man te brengen.80 Ook risicolanden zouden erbij betrokken
moeten worden. Voor de steun van dergelijke landen zal wel enige prijs moeten worden
betaald omdat ze aan de onderhandelingstafel het eindresultaat in negatieve zin zou-
den kunnen beïnvloeden. Onduidelijk is of een dergelijke ‘trade-off’ momenteel haalbaar
en wenselijk is. Met name de VS zijn niet bereid water bij de wijn te doen ten opzichte
van landen die zij recentelijk nog het label ‘as van het kwaad’ hebben gegeven.
Naast het ICOC zijn er de afgelopen jaren andere ideeën gelanceerd op het gebied van
de controle van ballistische raketten. Eén daarvan, het ‘Global Control System’ (GCS),
is afkomstig van Rusland. Het beoogt internationale transparantie te bevorderen door
een systeem van notificaties van raketlanceringen, voorzien van verificatie door uitwis-
seling van gegevens. Het GCS-voorstel bevatte ook stimulansen voor landen die afzien
van ballistische raketten, zoals toegang tot satellietlanceerfaciliteiten. Noord-Korea
heeft de mogelijkheden van een dergelijke deal kennelijk begrepen en begin 2002
tegenover een Europese delegatie gesteld dat het bereid was van zijn rakettenprogram-
ma af te zien als de Europese Unie in ruil daarvoor Noord-Koreaanse satellieten wilde
lanceren. ‘Global Control System’ zou ook landen als Iran en Noord-Korea moeten
omvatten. De AIV ondersteunt het streven naar een volledige regelgeving op het gebied
van raketten en rakettechnologie nadrukkelijk. De AIV ziet het ICOC als een eerste stap
op weg naar een verdrag dat ook op het gebied van raketten een internationale norm
introduceert.
78 Tayler, T. (1996), The arms control process: the international context, in: Arms Control towards the 21st
    century - Larsen and Rattray (eds.) (London, Lynne Rienner).
79 Smith, M. (februari 2001), The MTCR and the future of Ballistic Missile Non-proliferation, in: Disarma-
    ment Diplomacy, nr. 54.
80 Op 7 en 8 februari 2002 had in Parijs een bijeenkomst plaats die moest dienen als eerste stap in het
    proces van universalisering van de gedragscode. Van de relevante ‘zorglanden’ waren China, India,
    Pakistan, Iran, Israël, Egypte en Libië aanwezig. Noord-Korea en Syrië waren niet aanwezig, Irak was niet
    uitgenodigd.
                                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Ten derde is controle en verificatie in het bijzonder op het gebied van de overbrengings-
middelen onderontwikkeld. Er is op het gebied van ‘early warning’ wel al enige bilatera-
le samenwerking tussen de VS en Rusland. In 1998 is overeengekomen gegevens te
delen met betrekking tot de lancering van ballistische raketten in het ‘Joint Command
Center’ bij Moskou. Het doel is het voorkomen van een niet beoogde raketaanval en
het bevorderen van voorspelbaarheid en vertrouwen door uitwisseling van gegevens en
werkrelaties. Dit initiatief maakt deel uit van het Strategische Stabiliteits- en Samen-
werkingsinitiatief van datzelfde jaar. Het Commandocentrum verzorgt zo goed als ‘real
time’ informatie-uitwisseling over Russische en Amerikaanse lanceringen van raketten
en ruimtelanceerinrichtingen en maakt daarbij gebruik van een netwerk van radars,
infraroodsystemen en in de ruimte geplaatste sensoren. Het project dient als manier
om de wederzijdse dreiging terug te brengen. MTCR-leden als het VK, Frankrijk en Cana-
da hebben zich uitgesproken voor multilateralisering van dergelijke maatregelen. Begin
2001 heeft de Amerikaanse ambassadeur bij de OVSE gesteld dat andere landen t.z.t.
zullen worden uitgenodigd deel te nemen. De AIV dringt er op aan dat met dergelijke
multilateralisering voortgang wordt gemaakt, aangezien de informatie kan dienen in het
kader van verificatiemaatregelen ten behoeve van het ICOC of zijn opvolger.
Ten vierde zijn er technologische ontwikkelingen die het nodig maken de MTCR-regelge-
ving aan te passen aan de actuele ontwikkelingen – zoals kruisvluchtwapens en UAV’s.
In hoofdstuk II is aan de orde gesteld dat andere vormen van dreiging zoals die met
kruisvluchtwapens worden onderschat en onvoldoende aandacht krijgen. We staan aan
het begin van een nieuwe ontwikkeling. De beschikbare technologie is ‘dual use’ en
nog maar kort vrij verkrijgbaar op de vrije markt. Deze markt is vooralsnog onvoldoende
gecontroleerd. Exportcontroleregimes als MTCR zouden moeten worden uitgebreid om
in deze lacune te voorzien.
Ook als het lukt het wapenbeheersingsregime conform de hierboven geformuleerde
suggesties te versterken, zal het nooit waterdicht zijn. Daarbij valt bijvoorbeeld, en in
het bijzonder, te denken aan biologische wapens. Voor het verbod op het bezit en de
ontwikkeling van deze wapens is, zoals gezegd, zelfs nog geen inspectie- en verificatie-
systeem in zicht. Volledige controle op naleving van het verbod op bezit van biologi-
sche, maar ook chemische wapens is bovendien bijzonder lastig, omdat het veelal gaat
om goederen en stoffen die ook talloze civiele toepassingen hebben. Dit inzicht heeft,
zo heeft de AIV vastgesteld, bij internationale beleidsmakers tot de vraag geleid of en
hoe, naast de nodige inspanningen ter versterking van het wapenbeheersingsregime,
langs andere weg de risico’s op dit terrein door preventief beleid kunnen worden inge-
damd. In deze gedachtegang zou men van het politieke gezag van de VN-Veiligheids-
raad gebruik kunnen maken door potentiële boosdoeners bij voorbaat te confronteren
met de gevolgen van hun mogelijke agressieve intenties door te onderstrepen welke
reacties en welke afstraffing daarvan de consequentie zouden zijn. Met inachtneming
van het principe van gerechtvaardigde zelfverdediging conform art. 51-VN, zou de Veilig-
heidsraad bij voorbaat plechtig kunnen vastleggen dat de Raad in voorkomend geval de
hardste afstraffing zou ondersteunen, respectievelijk daar zelf vorm aan zou geven, alle
VN-lidstaten uitnodigend zich achter dit beleid te stellen door de desbetreffende tekst
mede te ondertekenen. De AIV acht het in dit vroege stadium van gedachtevorming
niet opportuun nu zelf met een ontwerp voor zulk een tekst (resolutie of anderszins) te
komen, maar vindt het idee van een dergelijk krachtig politiek signaal van de volkeren-
gemeenschap belangrijk genoeg om dat hier ter nadere uitwerking aan te bevelen.
Duidelijk mag zijn dat voor vooruitgang op deze voornoemde punten leiderschap nodig
is van met name de VS en overige P-5-leden. Nederland is reeds actief op het gebied
                                              46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>van ICOC, hetgeen door de AIV wordt gesteund. In het verlengde hiervan moet voort-
gang worden gemaakt met de uitbreiding van het verificatiesysteem, dat de normstelling
van het ICOC kan ondersteunen. In MTCR verband moet Nederland aandacht blijven vra-
gen voor lacunes zoals kruisvluchtwapens. In het kader van het NPV wordt het tijd dat
niet erkende kernwapenstaten zoals India en Pakistan nauwer bij het non-proliferatie-
stelsel worden betrokken. En ook zou aandacht moeten worden besteed aan mogelijk-
heden om het gebruik van bijvoorbeeld biologische wapens af te schrikken en zo nodig
te bestraffen.
IV.5       Een strategisch raamwerk: van bilaterale naar multilaterale afspraken?
Tijdens de Topontmoeting tussen de Presidenten Bush en Putin in Moskou (23 – 26 mei
2002) heeft het nieuwe ‘strategische raamwerk’ waarvan de afgelopen maanden sprake
was als ‘vervanging’ van het ABM-verdrag, enigszins vorm gekregen. In mei 2002 zijn
twee documenten ondertekend: het ‘Verdrag over Strategische Offensieve Reducties’ en
de ‘Gezamenlijke Verklaring over de Nieuwe Strategische Relatie’.
In het verdrag zijn de reeds eerder aan beide zijden unilateraal aangekondigde reducties
vastgelegd. Naast het verdrag is tegelijkertijd een Gezamenlijke Verklaring uitgegeven
over de nieuwe Strategische Relatie. Hierin wordt expliciet erkend dat beide landen
vanaf nu partners zijn en niet langer tegenstanders. Er wordt samenwerking bepleit op
onder andere politiek en economisch gebied. Tevens wordt erkend dat de onderlinge
strategische verhouding is veranderd en dat dit moet worden weerspiegeld op het mili-
taire vlak.
Zowel in het verdrag als in de verklaring is een verwijzing opgenomen naar de gezamen-
lijke verklaring van Bush en Putin over Strategische Aangelegenheden van 22 juli 2001
in Genua. Hierin wordt in algemene zin gesproken over ‘de verbondenheid van offensie-
ve en defensieve systemen’ en over de noodzaak hierover te spreken. De Russische
wens om raketverdediging in het verdrag aan beperkingen te onderwerpen is evenwel
niet gehonoreerd. Met het oog op het verdwijnen van het ABM-verdrag wilden de Russi-
sche onderhandelaars in het verdrag een verband aanbrengen tussen offensieve en
defensieve systemen. De verklaring stelt op dit punt dat beide landen zullen streven
naar transparantie op het gebied van raketverdediging, onder andere door het uitwisse-
len van informatie. Ook wordt het voornemen geuit gezamenlijk te studeren op mogelijk-
heden voor samenwerking op het gebied van raketverdediging.81 Voor het overige wordt
raketverdediging in de verklaring doorverwezen naar de nieuwe Navo-Rusland Raad.
Daar zullen beide landen de mogelijkheden verkennen om te komen tot intensievere
praktische samenwerking op het gebied van ‘Missile Defense voor Europa’, zo stelt de
verklaring.82
81 ‘possible areas for missile defense cooperation, including the expansion of joint exercises related to
    missile defense, and the exploration of potential programs for the joint research and development of
    missile defense technologies, bearing in mind the importance of the mutual protection of classified
    information and the safeguarding of intellectual property rights’ (Gezamenlijke Verklaring over de Nieuwe
    Strategische Relatie).
82 ‘The United States and Russia will, within the framework of the NATO-Russia council, explore opportuni-
    ties for intensified practical cooperation on missile defense for Europe’, (Gezamenlijke Verklaring over de
    Nieuwe Strategische Relatie).
                                                       47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>De verklaring kan worden gezien als het begin van een nieuw strategisch raamwerk. Het
bilaterale verdrag inzake offensieve reducties maakt hier deel van uit, net als de nog uit
te werken voornemens op het gebied van raketverdediging in de nieuwe Navo-Rusland-
Raad. De verklaring kondigt samenwerking aan, voornamelijk op het bilaterale vlak en
mogelijk in de toekomst ook op het multilaterale (NAVO) vlak.
Nederland en Europa hebben geen plaats aan de bilaterale onderhandelingstafel waar
het strategische raamwerk tussen de Russische Federatie en de Verenigde Staten is
besproken en waaraan in de toekomst verdere invulling zal worden gegeven. Er is buiten
de NAVO geen kanaal waarlangs een Nederlandse of Europese visie in dit bilaterale
overleg kan worden ingebracht. Hier wordt volstaan met de constatering van de Europe-
se onmacht om invloed werkelijk te doen gelden op punten van mondiaal belang. Het
zou te ver voeren om in het kader van dit advies oplossingen aan te dragen voor dit –
bredere – probleem, dat mede verband houdt met een gebrek aan eenheid en effectivi-
teit van het GBVB en een gebrek aan Europese invloed in de NAVO. De wijze waarop ver-
dere invulling zal worden gegeven aan het raamwerk is echter wel degelijk van invloed
op de mondiale verhoudingen en dus ook voor Nederland en Europa. Daarom is het
toch relevant om elementen te identificeren die in de toekomst bij het raamwerk kunnen
worden betrokken.
Het gegeven dat Rusland en de Verenigde Staten in een verklaring een raamwerk zijn
overeengekomen voor hun nieuwe relatie en het gegeven dat de unilateraal aangekon-
digde reducties nu deel uitmaken van een juridisch bindend verdrag, is positief. Zoals
gezegd gaat het hier om een bilaterale aangelegenheid maar wel één met een wereld-
wijd belang, ook uit het oogpunt van verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 van het
NPV. De VS houden daarbij overigens wel de nodige flexibiliteit omdat het akkoord de
mogelijkheid openlaat om ‘gereduceerde’ kernkoppen in voorraad te houden. De VS wil-
den deze mogelijkheid openhouden met het argument dat in de VS de mogelijkheid ont-
breekt om kernwapens zo nodig snel bij te produceren – een mogelijkheid waarover de
Russische Federatie wel zou beschikken. Deze ingebouwde flexibiliteit is in strijd met
het voor wapenbeheersing belangrijke principe van onomkeerbaarheid van de reducties.
Ook Rusland zou in bepaalde omstandigheden van een dergelijke flexibiliteit gebruik
kunnen maken, bijvoorbeeld omdat strategische en economische omstandigheden ver-
anderen of als reactie op invoering van een als te robuust beoordeeld raketverdedi-
gingssysteem.
Ook het ontbreken van enige regeling voor verificatie is een zwak punt in het verdrag.
De voortdurende onduidelijkheid over de status van de tactische nucleaire wapens –
met name aan Russische zijde – laat zien wat de tekortkomingen zijn van een verdrag
zonder verificatie.83 De AIV verwelkomt dan ook de berichten dat als vervolg op het
bilaterale akkoord zal worden gesproken over mogelijke verificatieprocedures, waarbij
START-I als voorbeeld zal dienen.
Tot nu toe zijn de VS niet bereid geweest om tegemoet te komen aan de Russische
wens om raketverdediging te beperken. Amerika heeft steeds verzekerd dat MD ‘niet
tegen Rusland is gericht’ en de geloofwaardigheid van deze verzekering hangt – zoals in
83 In 1991 deden de Presidenten Gorbatsjov en Bush uitspraken over reductie van tactische kernwapens in
    Europa. Problematisch bij deze ‘Presidential Nuclear Initiative’ was dat geen verificatie werd overeenge-
    komen en dat tot op heden onenigheid bestaat over de nakoming van de destijds overeengekomen ver-
    plichtingen, met name aan Russische zijde.
                                                     48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>het voorafgaande is beschreven – af van het aantal interceptoren en de architectuur van
een uiteindelijk raketverdedigingsysteem. Rusland wenst het aantal interceptoren van
het Amerikaanse systeem van een plafond te voorzien en het wil interceptie vanuit de
ruimte aan banden leggen. Het verdwijnen van het ABM-verdrag heeft bestaande interna-
tionaal-rechtelijke restricties opgeheven op in de ruimte geplaatste interceptoren, die
deel zouden kunnen uitmaken van een raketverdedigingssysteem. Een schild dat vanuit
de ruimte raketten kan neerhalen tijdens de boost-fase of midcourse-fase van de vlucht,
zou de Russische afschrikking volgens Russische analyses kunnen aantasten.84 Voor
veel landen, waaronder ook andere dan Rusland en China, zou een raketverdedigingssys-
teem dat gebruik zou maken van in de ruimte gestationeerde interceptoren, een gevoeli-
ge grens passeren. Met het oog op de stabiliteit op de langere termijn is het wenselijk
dat de VS zich bereid tonen ook afspraken te maken over de architectuur van hun raket-
verdediging en deze dus aan beperkingen te onderwerpen. In het verlengde hiervan zou
het de stabiliteit verder bevorderen als de VS op termijn hun medewerking zouden verle-
nen aan besprekingen over beperking van het militaire gebruik van de ruimte.
In mei 2002 hebben Rusland en China in de Conference on Disarmament een nieuw
voorstel gedaan voor onderhandelingen over beperkingen van het militaire gebruik van
de ruimte. Eerdere pogingen om tot onderhandelingen te komen stuitten echter steeds
op een Amerikaanse weigering. De Amerikaanse weigering wordt wel in verband
gebracht met de afgelopen jaren verschenen beleidsrapporten zoals ‘Vision 2020’ waar-
in het streven naar Amerikaanse overheersing in de ruimte als één van de doelstellin-
gen wordt geformuleerd.85
Buiten bovenstaande punten zou een bilateraal strategisch raamwerk meer in het teken
dienen te staan van de overgang van de vijandige relatie naar een nieuwe relatie geba-
seerd op samenwerking.86 Aangezien de grote wapenarsenalen en strategische pariteit
daarin voorlopig een rol zullen blijven spelen, zou opname van elementen als ‘targeting’
en ‘alert-stages’ een welkome aanvulling kunnen zijn.87
Ook zou het de stabiliteit bevorderen als de informele afspraken over het Russische
arsenaal aan tactische kernwapens (TNW’s), daterend uit de periode Bush senior, zou-
den worden geactualiseerd en geformaliseerd. De ‘Presidential Nuclear Initiatives’ uit
1991 en 1992 hebben weliswaar geresulteerd in omvangrijke reducties, maar duizen-
den TNW’s bestaan nog, voornamelijk in het Russische arsenaal. TNW’s zijn relatief
84 Opmerkingen gemaakt door Sergei Rogov (director USA and Canada Institute of the Russian Academy of
   Sciences, on the desirable direction of US-Russian nuclear relations and potential content of new arms
   control agreements, november 2000). Zie hiervoor: Treyger, E. (november 2000), Nuclear Arms Reduction
   and Defense Reform in Russia (summary of Sergei Rogov’s comments), in: Carnegie Endowment for Inter-
   national Peace Issue Brief Vol. 2 No. 12 (www.ransac.org/new-web-site/pub/nuclearnews/12.04.00.html#3).
85 America’s Airforce Vision 2020 (www.af.mil/vision).
86 Daalder, I. en Lindsay, J. (januari 2002), A new agenda for nuclear weapons, in: Brookings Institution
   Working Paper.
87 Krepon, M. (2001), Moving away from MAD, in: Survival, summer 2001, pp. 81 –95.
                                                     49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>klein, makkelijker te transporteren en het risico van diefstal is groter, en daarmee het
risico van terroristisch gebruik.88
In het licht van de recente toenadering tussen de VS/NAVO en Rusland is het niet onlo-
gisch om de rol van deze wapenarsenalen opnieuw te evalueren. De gezamenlijke Rus-
sisch-Amerikaanse verklaring van 28 mei 2002 noemt de tactische kernwapens echter
niet en de NAVO-verklaring van 6 juni 2002 stelt dat de tactische kernwapenarsenalen
aan NAVO-zijde, die sedert 1991 met 85 % zijn gereduceerd, zich momenteel op het
benodigde minimumniveau bevinden. De in Europa gestationeerde kernwapens behou-
den volgens de verklaring hun waarde als wezenlijke politieke en militaire link tussen
Europa en Noord-Amerika. De NAVO heeft de hoeveelheid tactische kernwapens tot het
minimum teruggebracht. Gezien de gebrekkige staat van de Russische conventionele
strijdkrachten ligt het niet erg voor de hand dat Rusland momenteel bereid zou zijn de
eigen tactische kernwapens verder te verminderen. De kansen op reducties zijn op dit
moment dus niet groot maar het is wel een Europees belang dat het onderwerp op de
agenda blijft staan; daar kan in de NAVO-Rusland-Raad op worden aangedrongen.
De al bestaande ‘cooperative threat reduction’ (CTR) is wat dit betreft een positief voor-
beeld. CTR kreeg meteen na de Koude Oorlog grote aandacht en heeft in tien jaar grote
vooruitgang geboekt.89 In de vorm van CTR programma’s heeft de overgang naar een
relatie op basis van samenwerking eigenlijk al jarenlang vorm gekregen. De afzonderlijke
programma’s, zo wordt in de gezamenlijke verklaring gesteld, zullen worden voortgezet.
Dat is belangrijk voor de veiligheid van de wapenarsenalen. Ook non-proliferatie krijgt
aandacht in de verklaring. Rusland heeft tijdens de onderhandelingen meermalen gesug-
gereerd dat het gebruik zou kunnen maken van het verdwijnen van artikel IX van het
ABM-verdrag door rakettechnologie voor langeafstandsraketten te exporteren. Daarom is
het van belang dat non-proliferatie in de verklaring is opgenomen; het dient verder te
worden uitgewerkt.90 In dat kader is ook de recente verklaring van de regeringsleiders
van de G-8 (juli 2002) van belang, waarin een initiatief is genomen tegen de versprei-
ding van massavernietigingswapens, met name vanuit Rusland.91
De strategische realiteit is echter in toenemende mate multipolair geworden. China zal
daarom op enig moment bij het strategisch raamwerk moeten worden betrokken. De VS
88 Millar, A. en Alexander, B. (november 2001), Uncovered Nukes – arms control and the challenge of tacti-
    cal nuclear weapons, in: Policy Brief Series (www.fourthfreedomforum.org).
89 CTR programma’s hebben gezorgd voor deactivatie van 5014 kernkoppen, vernietiging van 407 ICBM’s
    en 366 ICBM silo’s, 68 strategische bommenwerpers, 256 lanceerinrichtingen op zeeschepen, 17
    onderzeeërs met ballistische raketten, 204 long range cruise missiles en verzegeling van 194 onder-
    grondse testsites in de voormalige Sovjet-Unie. Bron: Krepon, Moving away from MAD.
90 Als MTCR lid is Rusland ook gebonden aan de beperkende richtlijnen van het MTCR.
91 De verklaring van 2 juli over het ‘G-8 Global partnership against the spread of weapons and materials of
    mass destruction’ stelt hierover: ‘we will support specific cooperation projects, initially in Russia, to
    address non-proliferation, disarmament, counter-terrorism, and nuclear safety issues. Among our priority
    concerns are the destruction of chemical weapons, the dismantlement of decommissioned nuclear sub-
    marines, the disposition of fissile materials and the employment of former weapons scientists. We will
    commit to raise up to $ 20 million to support such projects over the next ten years (…).’
    Zie voor deze verklaring: www.ln.mid.ru.
                                                       50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>besteden nog te weinig aandacht aan de Chinese factor. Voorkomen moet worden dat
China zich genoodzaakt voelt tot een zodanige modernisering van zijn nucleaire capaci-
teit, dat deze aanleiding zal zijn voor een kettingreactie bij met name India en vervol-
gens Pakistan (en later wellicht bij Iran).
Het is daarom van belang dat ook de overige kernwapenstaten een rol krijgen in een
strategisch raamwerk, net als dat het geval is bij de eerder beschreven non-proliferatie-
mechanismen. Tijdige multilateralisering zou er toe kunnen bijdragen dat geen nieuwe
wapenwedloop ontstaat.
Een strategisch raamwerk kan zich op den duur niet beperken tot de relatie van de VS
met Rusland. Ook de multilaterale nucleaire balans dient op enig moment vorm te krij-
gen, al is deze nog veel gecompliceerder dan de bilaterale.
In de zomer van 2001 heeft President Putin in deze richting al een voorstel gedaan. Het
voorstel bestond eruit, een plafond in te stellen van 4000 strategische kernwapens
voor de vijf erkende kernwapenstaten tezamen. De VS en Rusland zouden samen goed
zijn voor 3000, de overige drie zouden de beschikking kunnen hebben over de overige
1000. China gaf aan het voorstel te zullen bestuderen, de VS reageerde in eerste
instantie afwijzend. Het is echter wel degelijk van belang de algehele strategische
balans op de agenda te krijgen. Een dergelijk initiatief zou het non-proliferatieregime en
wapenbeheersingsmechanismen nieuw leven in kunnen blazen.
IV.6     Samenvatting
Met de opzegging van het ABM-verdrag is MAD tussen de VS en de RF niet verdwenen.
Strategische pariteit zal nog lange tijd het feitelijke uitgangspunt zijn in de relatie tus-
sen de twee voormalige rivalen, ook als dit ingekaderd wordt in een vriendschappelijke
relatie. Het verdwijnen van het ABM-verdrag doet daar niets aan af, ongeacht de Ameri-
kaanse retoriek.
Rusland keurt het Amerikaanse besluit tot opzegging van het ABM-verdrag af, maar zal
althans op de korte termijn niet overgaan tot tegenmaatregelen. Op de langere termijn,
als duidelijker zou worden welke vorm raketverdediging zal aannemen, is echter niet uit
te sluiten dat hier een destabiliserende werking van zou uitgaan.
In dit kader is met name ook China relevant, welks strategische positie al door een
klein raketverdedigingssysteem zou kunnen worden aangetast. Dit zou ertoe kunnen
leiden dat de Chinezen tegenmaatregelen nemen en in een ‘inhaalrace’ met de VS
belanden. Dat kan weer gevolgen hebben voor India en Pakistan.
Het is daarom van groot belang dat de VS zich op termijn bereid tonen het raketverde-
digingssysteem aan beperkingen te onderwerpen. Doen zij dit niet, dan zal het middel,
door zijn mogelijke destabiliserende effecten, op de lange termijn wellicht erger zijn
dan de kwaal.
Het valt niet te ontkennen dat het stelsel aan internationale maatregelen ter bestrijding
van proliferatie successen heeft gekend. Door beperkingen op te werpen voor export
en handel in technologie en materialen hebben zij proliferatie in sommige gevallen
gestopt of vertraagd. De probleemlanden zijn beperkt in aantal gebleven.
Het streven dient er op gericht te zijn, dat het bestaande stelsel van wapenbeheersing
en ontwapening niet afbrokkelt, en verder wordt versterkt.
                                             51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>De AIV ondersteunt in dit kader de Nederlandse inspanningen onder meer op het
gebied van de ICOC. Ook is het van belang dat ‘loopholes’ worden gedicht, zoals het
geval is voor kruisvluchtwapens, en dat voortgang wordt geboekt op het gebied van
‘early warning’-informatie over raketlanceringen.
Geloofwaardigheid van het stelsel is op den duur ook gebaat bij erkenning van het feit
dat er landen zijn die over zelfstandige capaciteiten beschikken, maar buiten het offi-
ciële stelsel blijven. Omwille van het tegengaan van proliferatie moeten India en Paki-
stan nauwer bij het stelsel worden betrokken, hoe gevoelig dit ook ligt.
Tegelijkertijd moet er oog zijn voor het feit dat proliferatie niet volledig te voorkomen is
geweest. Met name op het gebied van biologische en chemische wapens zijn mogelijk-
heden van preventie en controle niet voldoende. Daarom verdient de gedachte om de
VN, op initiatief van de Veiligheidsraad, een krachtig politiek signaal te laten geven dat
mogelijke boosdoeners bij voorbaat met de zekerheid van de hardste afstraffing con-
fronteert, nadere aandacht en uitwerking.
De bilaterale Russisch-Amerikaanse overeenkomst inzake strategische reducties en de
gemeenschappelijke verklaring zijn een stap in de goede richting van een nieuw strate-
gisch raamwerk ter vervanging van het ABM-verdrag, maar zeker geen eindstation. Het
verdrag zou moeten worden uitgebreid met verificatiemaatregelen en op den duur zou-
den de VS ook bereid moeten zijn raketverdediging van beperkingen te voorzien.
Ook de reducties op het gebied van Russische tactische kernwapens zouden op termijn
weer op de agenda moeten worden opgenomen, al wordt de kans momenteel niet groot
geacht dat op dit gebied spoedig vooruitgang wordt geboekt.
Op termijn zouden ook andere landen in het raamwerk moeten worden betrokken.
Anders dreigt de sinds de Cubaanse crisis in acht genomen ‘terughoudendheid’ te ver-
dwijnen. Om destabiliserende effecten zoveel mogelijk te voorkomen, hoort daarbij ook
dat de VS medewerking gaan verlenen aan een overeenkomst over de beperking van
militair gebruik van de ruimte.
                                              52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>V        Conclusies en aanbevelingen
Kort na de terroristische aanslagen in New York en Washington van 11 september
2001 heeft de regering de AIV per brief van 8 oktober 2001 gevraagd om een analyse
van de consequenties van voortgaande proliferatie van massavernietigingswapens voor
de Europese bondgenoten en Nederland, van diverse aspecten van de Amerikaanse
plannen voor Missile Defense en het nieuwe ‘strategische raamwerk’. Sedertdien heb-
ben de nodige ontwikkelingen plaatsgehad, in het bijzonder de oorlog tegen het ter-
rorisme in Afghanistan, de opzegging door de VS van het ABM-verdrag, en de publicatie
in de Verenigde Staten van beleidsdocumenten zoals de ‘Quadrennial Defense Review’
en de ‘Nuclear Posture Review’. Van groot belang zijn verder het akkoord tussen de VS
en de Russische Federatie over nucleaire reducties en de ondertekening van een ver-
klaring over de nieuwe samenwerking tussen Rusland en de VS, alsmede de instelling
van een NAVO-Rusland-Raad, alle in mei 2002, en de opzegging van het START II-ver-
drag door Rusland in juni 2002. In juli 2002 hebben de VS NAVO-bondgenoten bena-
derd met concrete voorstellen voor samenwerking tussen de VS en individuele bondge-
noten op het gebied van raketverdediging. Vanzelfsprekend zijn deze actuele
ontwikkelingen zo veel mogelijk in dit advies verdisconteerd.
De vraagstukken die de regering aan de AIV heeft voorgelegd, betreffen de beoordeling
van de dreiging met ballistische raketten en de strategische gevolgen hiervan voor de
veiligheidsbelangen van Europa en de NAVO. Moet hierin een aanleiding worden gezien
om een algehele strategische herziening van het bondgenootschappelijk veiligheidsbe-
leid naar Amerikaans model na te streven? In hoeverre verschilt de dreiging voor Euro-
pa van die voor de VS? Is er aanleiding om na te denken over aanvullende maatregelen
ter bescherming van het Europese grondgebied tegen ballistische raketten, en moeten
dergelijke maatregelen gezocht worden in de sfeer van raketverdediging? Verder stelt
de adviesaanvraag de vraag naar tekortkomingen in het huidige stelsel van wapenbe-
heersing en non-proliferatie. Is er reden om nieuwe wegen in te slaan? En waaraan zou
het tussen Rusland en de Verenigde Staten overeen te komen strategische raamwerk
dienen te voldoen, in het bijzonder bekeken vanuit een Europese invalshoek?
V.1      Ballistic Missile Defense (BMD)
President Bush jr. presenteerde raketverdediging bij zijn aantreden als één van de
speerpunten van zijn beleid en hij heeft het onderzoeks- en testprogramma ruime finan-
ciële en politieke armslag verleend. Het budget voor raketverdediging werd in 2002
aanzienlijk opgehoogd en de opzegging van het ABM-verdrag (december 2001) ruimde
de laatste juridische hindernissen op. Na de aanslagen van 11 september 2001 werd
daarbij binnenlandspolitiek nauwelijks tegenstand ondervonden. Bush besloot de
beperkte focus van het ‘Clinton-systeem’ los te laten en onderzoek te doen naar een
veelheid van mogelijke systemen; een besluit over de uiteindelijke architectuur van een
raketverdediging is uitdrukkelijk nog niet genomen. Alle opties zijn open.
Bush maakte raketverdediging tot een deel van een bredere transformatie van het vei-
ligheidsbeleid in het licht van de gewijzigde strategische omstandigheden van na de
Koude Oorlog, waarin onzekerheid centraal staat. Wie en waar de vijand is en op welke
wijze deze een bedreiging kan vormen, is onduidelijk. Het nieuwe veiligheidsbeleid –
zoals dit naar voren komt in de ‘Quadrennial Defense Review’ (oktober 2001) en de
‘Nuclear Posture Review’ (januari 2002) – legt daarom grote nadruk op de noodzaak
van flexibiliteit in de defensie-organisatie en raketverdediging is hiervan een van de
                                              53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>onderdelen. De groeiende aandacht in dit verband voor ballistische raketten en massa-
vernietigingswapens in de Amerikaanse politiek is gestoeld op de strategische wijzigin-
gen van het tijdperk na de Koude Oorlog. Vooral na de Golfoorlog in 1991 kwam in de
VS de vraag centraal te staan of een met kernwapens uitgeruste regionale tegenstan-
der in staat zou zijn de VS van militair ingrijpen in een regionaal conflict te doen afzien.
In elk geval zou een aldus bewapende tegenstander Amerikaans ingrijpen ernstig kun-
nen compliceren.
Daarnaast is er de historische achtergrond van ‘Missile Defense’. Het streven naar
bescherming van de burgerbevolking is tientallen jaren een rode draad geweest in Repu-
blikeins beleid. Bovendien spelen niet onaanzienlijke belangen in de technologisch /
industriële sfeer ook een rol.
Hoe groot is nu de dreiging van ballistische raketten? Voor de beantwoording van deze
vraag gaat het advies eerst uit van de Amerikaanse perceptie van de dreiging. Gezien
het belang van de Amerikaanse invalshoek in dezen, en bij ontstentenis van andere
bronnen is daarbij noodgedwongen veel gebruik gemaakt van Amerikaanse bronnen –
waarbij vervolgens wel de nodige kanttekeningen worden geplaatst en vragen worden
gesteld.
Het huidige Amerikaanse beleid is ingegeven door de dreiging die – in Amerikaanse
ogen – uitgaat van de groeiende proliferatie van raketprogramma’s en massavernieti-
gingswapens in ‘risicolanden’ zoals, Noord-Korea, Iran, Irak, Syrië en Libië. In het bij-
zonder het Rapport van de Commissie-Rumsfeld (1998) gaf deze dreiging politieke
urgentie. Momenteel bestaat er in de VS een breed gedragen consensus dat de
komende decennia een dreiging zal ontstaan met intercontinentale raketten vanuit één
of meer van de ‘risicolanden’ (Noord-Korea, Iran, Irak, Libië en Syrië). Met het oog hier-
op is één of andere vorm van raketverdediging noodzakelijk. Deze consensus omvat
zowel Republikeinen als Democraten. Welke vorm raketverdediging zal krijgen is echter
nog niet duidelijk; hier bestaat ook geen overeenstemming over.
De Amerikaanse beoordeling is dat de komende vijf tot tien jaar Noord-Korea een bedrei-
ging zal gaan vormen, gevolgd door Iran en vervolgens Irak. De landen in kwestie
beschikken thans alle over korteafstandsraketten en geen van deze landen is op dit
moment in staat de Verenigde Staten te bedreigen. Delen van het NAVO-grondgebied
(Turkije) en Israël vallen wel binnen het bereik van sommige van hun korteafstandsraket-
ten. De risicolanden beschikken wel over chemische en biologische wapens of de capaci-
teit deze te vervaardigen.
De AIV is niet in staat om een zelfstandige verwachting te geven van de situatie op
proliferatiegebied over tien jaar, en kan geen antwoord geven op de vraag of de zoge-
naamde risicolanden over tien of vijftien jaar in staat zullen zijn de VS en geheel Euro-
pa te bedreigen met raketten van de langere dracht. Wel geeft de Amerikaanse drei-
gingsanalyse de AIV aanleiding tot een aantal kanttekeningen en vragen.
In de eerste plaats is een langeafstandsraket niet het meest voor de hand liggende
overbrengingsmiddel voor een massavernietigingswapen zoals biologische of chemi-
sche wapens. Voor een land of groepering die de VS met een massavernietigingswapen
wil treffen, ligt het gebruik van andere, technologische minder geavanceerde en daar-
door meer toegankelijke overbrengingsmiddelen meer voor de hand. Te denken valt bij-
voorbeeld aan onbemande vliegtuigjes of zeecontainers. Een raketverdedigingssysteem
                                              54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>biedt geen bescherming tegen aanvallen met massavernietigingswapens met andere
overbrengingsmiddelen.
Het is moeilijk voorstelbaar dat een risicoland vanuit het niets de VS met massavernie-
tigingswapens uitgeruste raketten zou aanvallen, daar het op een vernietigende tegen-
aanval moet rekenen. Afschrikking zal in het algemeen ook ten opzichte van een risico-
land werken. Doch in een uiterste noodsituatie, als een land niets meer te verliezen
heeft, kan dat anders liggen, zo wordt betoogd. Het gaat in deze visie óók om de vrij-
heid van handelen in het kader van een Amerikaans buitenlands- en veiligheidsbeleid.
Raketverdediging is in dat perspectief niet alleen een antwoord op een dreiging, maar
tevens een extra verzekering in een Amerikaans buitenlands beleid dat handelingsvrijheid
in regionale aangelegenheden wenst veilig te stellen: ‘missile defense is not only about
defense, but also about offense’.
Het dreigingscenario waartegen raketverdediging moet beschermen, kan zich over tien
jaar voordoen, maar misschien ook niet. Belangrijke vragen van technologische aard
spelen daarbij een rol, alsmede de mate waarin de landen die in het bezit zijn van tech-
nologie voor langeafstandsraketten (P-5) deze zullen overdragen aan risicolanden. Er
zijn enerzijds de nodige aanwijzingen dat Chinese en Russische autoriteiten – uit welbe-
grepen eigenbelang – op dit gebied voorzichtiger zijn dan de VS wel veronderstellen.
Anderzijds is de controle op overdracht van overheidswege niet in alle gevallen water-
dicht. De Amerikaanse analyse gaat verder nauwelijks in op de omstandigheden waar-
onder een risicoland eventueel bereid zou zijn zijn rakettenpotentieel ten opzichte van
de VS werkelijk in te zetten.
V.2      BMD en de NAVO
Welke implicaties heeft het voorgaande nu voor het Atlantisch Bondgenootschap?
Daar waar in de VS min of meer een consensus bestaat over de ontwikkeling van de
ballistische dreiging in de komende twee decennia, bestaat hierover onder Europese
NAVO-bondgenoten geen overeenstemming, hoewel het alleszins redelijk is te verwach-
ten dat de door de VS geconstateerde dreiging zich voor Europa – zij het met raketten
van kortere dracht – eerder zal voordoen dan voor de VS. De VS leken zich lange tijd
niet al te grote zorgen te maken over de mogelijkheid onder druk te worden gezet – of
zelfs gechanteerd – wanneer Europese landen werkelijk zouden worden bedreigd. Bush
toonde zich wel bereid het dekkingsgebied van een toekomstig raketverdedigingssys-
teem uit te breiden naar de Europese NAVO-Bondgenoten, maar tot op heden bleef
onduidelijk hoe een en ander vorm zou krijgen. De analyse van de dreiging werd tot op
heden niet in NAVO-kader geagendeerd.
Een en ander deed de vraag rijzen in hoeverre op het gebied van raketverdediging wel
sprake is van een bondgenootschappelijk beleidsoverleg in de zin van artikel 4 van het
Noordatlantisch verdrag. Het is uit het oogpunt van de samenhang in de NAVO zorgwek-
kend als aan beide zijden van het transatlantische bondgenootschap fundamenteel
anders wordt gedacht over een zaak die in de ogen van de belangrijkste bondgenoot op
termijn een ernstige bedreiging vormt van haar eigen veiligheid en territoriale onschend-
baarheid.
Europese landen gaan het onderwerp raketverdediging (en zijn mogelijk aanzienlijke
financiële consequenties) vooralsnog liever uit de weg – ze lieten zich door de Ameri-
kaanse analyses ook nog niet allemaal overtuigen. Ook de VS gingen tot op heden
                                            55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>liever hun eigen weg bij de invulling van het beleid voor raketverdediging – zonder daar-
bij rekening te hoeven houden met de (hoogstwaarschijnlijk tot zelfbeperking strekken-
de) mening van Europese bondgenoten.
Als beide zijden serieus vorm willen blijven geven aan het transatlantische veiligheids-
overleg, is een dergelijke opstelling onhoudbaar. Als de NAVO nog steeds – zoals aan
beide kanten van het bondgenootschap wordt gesteld – het belangrijkste forum is om
transatlantische veiligheidskwesties te bespreken en te beoordelen, dient de kwestie
van rakettendreiging alsmede de voor dit probleem door de VS nagestreefde oplossing
(raketverdediging) te worden geagendeerd in NAVO-verband. Dit bij voorkeur in de in
mei 2002 opgerichte NAVO-Rusland-Raad. Eén en ander gaat verder dan de huidige
agendering voor dit nieuwe forum, die louter TMD betreft maar wel proliferatie in alge-
mene zin omvat. Dit forum zou – conform de in januari 2000 door Rusland gedane
maar destijds grotendeels genegeerde suggesties – een gezamenlijke analyse moeten
maken van de dreiging voor het gehele transatlantische grondgebied met inbegrip van
Rusland, en daarvan de gevolgen onder ogen moeten zien. Tot op heden is van een
dergelijke analyse voor het Europese grondgebied van de NAVO geen sprake geweest.
De door de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld in juni 2002 in NAVO-verband
gedane voorstellen om in NAVO-verband ‘opties te onderzoeken voor de ontplooiing van
raketverdediging tegen alle mogelijke raketdreigingen’, leek op dit gebied mogelijk een
opening te bieden. In de verklaring van de NAVO-ministers van Defensie van 6 juni
2002 vond dit zijn weerslag in de aankondiging dat ‘NAVO-bondgenoten zullen onder-
zoeken met welke middelen de NAVO de groeiende dreiging voor het grondgebied van
het bondgenootschap kan tegengaan’. In juli 2002 hebben de VS voorstellen gedaan
aan NAVO-bondgenoten over de wijze waarop samenwerking tussen individuele bondge-
noten en de VS op het gebied van raketverdediging vorm zou kunnen krijgen. De AIV
onderstreept dat de vraag of de NAVO raketverdediging nodig heeft gezamenlijk dient te
worden beantwoord en gestoeld dient te worden op een gezamenlijke dreigingsanalyse
van de aard en omvang van de ‘groeiende dreiging’.92 De Amerikaanse voorstellen en
het besluit van de ministers van Defensie maken een gezamenlijke dreigingsanalyse
noodzakelijk.
V.3      Theater Missile Defense (TMD)
In NAVO verband houdt men zich sinds het begin van de jaren negentig bezig met raket-
proliferatie. Tot dusverre hebben deze activiteiten zich gericht op de korte- en middel-
langeafstandsdreiging tegen uitgezonden eenheden. De NAVO voert in het verlengde
hiervan momenteel een haalbaarheidsstudie uit naar ‘gelaagde TMD’, die eind 2002
zal worden afgerond. Daarna zal worden bezien hoe TMD in het NAVO luchtverdedi-
gingscommando en controlesysteem kan worden ingepast. TMD is niet zo controver-
sieel als strategische raketverdediging. Individuele bondgenoten – ook Nederland – zijn
op dit gebied al actief.
De AIV juicht het toe dat voor de afzonderlijke nationale TMD-activiteiten van onder meer
Nederland een gezamenlijke bondgenootschappelijk concept wordt gezocht mede door
middel van een haalbaarheidsstudie, die eind 2002 zal worden afgerond.
92 Bron: verklaring over capaciteiten van NAVO Ministers van Defensie, 6 juni 2002 (www.navo.int)
                                                    56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>De AIV beveelt aan dat het resultaat van deze haalbaarheidsstudie als opmaat wordt
genomen voor de – boven bepleite – bredere analyse naar aard en omvang van de drei-
ging van ballistische raketten voor het gehele NAVO-grondgebied en de wijze waarop de
NAVO zich hiertegen zou moeten weren.
De Nederlandse inspanningen op TMD-gebied zijn mede gebaseerd op een sedert de
jaren negentig in NAVO-verband onderkende generieke behoefte aan TMD-systemen,
maar lopen vooruit op een te ontwikkelen NAVO-concept. Het verdient daarom aanbeve-
ling de omvangrijke toekomstige investeringen die noodzakelijk zijn om de onderschep-
pingsraketten voor beide systemen aan te schaffen nader te beschouwen in het kader
van een algemene herziening van de gehele waaier aan prioriteiten binnen de NAVO en
het GBVB.
Daarnaast zal de komende jaren de vraag op Nederland afkomen of Nederland – in het
verlengde van de reeds ontplooide en geplande TMD-activiteiten die in dit advies
beschreven zijn – óók actief moet worden op het gebied van BMD. Bij de beoordeling
van dit vraagstuk is een bondgenootschappelijke analyse van de dreiging die in voor-
gaande reeds werd bepleit onontbeerlijk. Daarnaast zou duidelijkheid moeten komen
op de – technische – vraag in hoeverre systemen als PAC III een rol kunnen spelen als
onderdeel van een gelaagd BMD-systeem
V.4      BMD, wapenbeheersing, non-proliferatie en stabiliteit
Men is in de VS niet verder gevorderd dan een veelomvattend onderzoeksprogramma
naar verschillende systemen die in staat moeten zijn raketten te onderscheppen van
élke dracht, tijdens élke fase van hun vlucht, zowel vanaf land, vanaf zee, als vanuit de
lucht, en zelfs vanuit de ruimte.
De technologie moet zich dan ook nog bewijzen en ligt grotendeels – behoudens enkele
korteafstandssystemen – op de tekentafel.
Vanwege de embryonale fase waarin raketverdediging verkeert – die in contrast staat
met de beleidsretoriek – is het voor andere landen moeilijk, zo niet onmogelijk, om reeds
nu op gestructureerde en onderbouwde wijze op de Amerikaanse voornemens te reage-
ren. Anderzijds betekent het dat er nog ruimte is voor inbreng van bondgenoten. Deze
inbreng zou met name het perspectief van de wapenbeheersing en internationale stabili-
teit moeten betreffen.
Dat het (kleine) aantal landen dat beschikt over korte- en middellangeafstandsraketten
op hun beurt kunnen bijdragen aan de verdere verspreiding van raketten en rakettech-
nologie is inderdaad verontrustend. De Amerikaanse conclusie dat het nonproliferatie-
systeem heeft gefaald, deelt de AIV niet. Eerder kan worden gewezen op de successen
van het nonproliferatieregime waardoor het aantal probleemlanden, tegen eerdere ver-
wachtingen in, tot een handvol werd beperkt. In dit licht is de in de VS aanwezige ten-
dens om verdragen en internationale afspraken op het vlak van wapenbeheersing af te
wijzen die op korte termijn onwelgevallig zijn, reden tot grote zorg.
Er is in de visie van de AIV geen reden het non-proliferatieregime als zodanig af te wijzen,
integendeel. Voorkomen moet worden dat het stelsel afbrokkelt. Ook dienen belangrijke
tekortkomingen te worden erkend zodat het stelsel kan worden geactualiseerd en ver-
sterkt. Deze tekortkomingen zijn in hoofdstuk 4 benoemd. De Europese Bondgenoten die-
nen zich sterk te maken voor een versterking van een effectief non-proliferatieregime en
dit standpunt in onderhandelingen consequent uit te dragen, ook tegenover de VS.
                                            57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Dat neemt niet weg, dat er sprake is van voortdurende proliferatie van massavernieti-
gingswapens en overbrengingsmiddelen. Omdat vermoedelijk niet voor 2004 duidelijk
zal worden welke van de zeer uiteenlopende technologieën in aanmerking komen voor
ontplooiing, houdt de Amerikaanse regering voorlopig ‘alle opties open’. Volledige con-
trole op het bestaande verbod op ontwikkeling van biologische wapens is ook bijzonder
lastig – en hetzelfde geldt voor chemische wapens. Er moet oog zijn voor het feit dat
proliferatie niet volledig te voorkomen is geweest. Daarom verdient de gedachte om de
VN, op initiatief van de Veiligheidsraad, een krachtig politiek signaal te laten afgeven
dat mogelijke boosdoeners bij voorbaat met de zekerheid van de hardste afstraffing
confronteert, nadere aandacht en uitwerking.
In het kader van de strategische verhoudingen wordt beklemtoond dat op de middellan-
ge termijn een destabiliserende werking kan uitgaan van grootscheepse MD-plannen,
zeker als geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met veiligheidspercepties van
andere betrokken staten. In dat geval kan raketverdediging worden ervaren als onder-
deel van een meer algemene unilaterale koers van de VS. De onzekerheid die hiervan
uitgaat voor andere landen, zou op termijn tot reacties kunnen leiden in Rusland, China
en mogelijk India en Pakistan. Het is van belang dat de VS met dergelijke middellange-
termijnrisico’s rekening houden. Europese bondgenoten dienen hiervoor aandacht te blij-
ven vragen.
Het is op zich positief dat de VS de aangekondigde strategische reducties hebben wil-
len vastleggen in een verdrag met de Russische Federatie. De verklaring bij het verdrag
bevat positieve elementen voor de toekomst. De stabiliteit zou ermee gediend zijn als de
VS ook bereid zouden zijn beperkingen te accepteren voor het nog te kiezen raketverdedi-
gingssysteem. Hierbij kan worden gedacht aan nog overeen te komen beperkingen op de
stationering van systemen in de ruimte en limieten op het aantal interceptoren.
In deze context wordt tot nog toe onvoldoende aandacht besteedt aan China. Het ver-
dient daarom aanbeveling een raamwerk over strategische stabiliteit op den duur ook uit
te breiden naar China, of althans een zodanig beleid te ontwikkelen dat dit niet tot een
Chinese reactie leidt.
De nieuwe vriendschappelijke relatie tussen de VS en Rusland zou er ook toe moeten
leiden, dat de nog in groten getale aanwezige Russische tactische kernwapens in de
reducties kunnen worden betrokken. De Europese bondgenoten dienen hierop in NAVO-
verband aan te dringen.
Nederland behoeft niet te schromen om – samen met andere bondgenoten – dergelijke
overwegingen duidelijk te maken aan de VS.
Tot slot de vraag van de regering of de internationale veiligheidssituatie zodanig van
aard is veranderd, dat een algehele herziening van het bondgenootschappelijk veilig-
heidsbeleid nodig is, al dan niet naar voorbeeld van het door de Amerikaanse regering
voorgestane veiligheidsbeleid. Deze vraagstelling gaat de MD-problematiek te boven. Op
dat wijdere terrein is bovendien, met name als gevolg van 11 september, al het nodige
in gang gezet, getuige de jongste conclusies van de NAVO-ministeriële in Reykjavik in
mei 2002, en in juni 2002 in Brussel. Een aanscherping van het DCI-beleid, een grote-
re nadruk op flexibiliteit en op preventieve strategieën, een stroomlijning van de NAVO-
hoofdkwartieren en een relativering van de beperking tot de ‘Euro-Atlantische area’ uit
het Strategisch Concept van 1999 maken daar deel van uit en moeten op de NAVO-top
van Praag in november 2002 tot definitieve besluiten leiden. De in de adviesaanvraag
                                             58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>gestelde vraag van een eventuele herziening van het veiligheidsbeleid is dus inmiddels
door de feitelijke ontwikkelingen reeds beantwoord.
Wat betreft de BMD-problematiek is men nog ver verwijderd van het stadium van
besluitvorming. De implementatie van een nieuwe NAVO-brede TMD-benadering en het
uitwerken van een mogelijk NAVO-breed MD-concept vergen, zoals in voorgaande is
geadstrueerd, eerst diepgaande bondgenootschappelijke analyses en overleg alvorens
mogelijk gemeenschappelijke beleidsconclusies getrokken kunnen worden. Zulks te
meer daar in de VS zelf nog geenszins een vastomlijnd concept bestaat voor de opstel-
ling van raketverdediging.
V.5       Aanbevelingen
De elementen uit de voorafgaande analyse leiden tot de volgende beleidsaanbevelingen:
1.    Een aantal kanttekeningen zijn te plaatsen bij de Amerikaanse dreigingsanalyse
      en de hierop gebaseerde conclusie dat een raketverdedigingssysteem op termijn
      noodzakelijk is. De AIV beveelt aan dat deze kanttekeningen, van technologische
      en politieke aard, aan de orde worden gesteld in het overleg in NAVO-verband dat
      in dit advies wordt bepleit.
2.    De AIV beveelt aan dat de Nederlandse regering ertoe bijdraagt dat de aard,
      omvang en betekenis van de raketdreiging ten spoedigst ten principale wordt
      besproken in NAVO-verband. Er moet een gezamenlijke analyse komen over de
      aard, omvang en betekenis van de raketdreiging voor het gehele NAVO-grond-
      gebied, conform art. 4 van het Noordatlantisch Verdrag.
3.    Een dergelijke analyse dient te geschieden in nauwe samenspraak met Rusland,
      bij voorkeur in de in mei 2002 opgerichte NAVO-Rusland-Raad.
4.    De AIV benadrukt dat een dergelijke analyse voorwaarde is voor de volgende stap,
      te weten gezamenlijk onderzoek naar de wijze waarop de NAVO met de dreiging
      dient om te gaan (zoals in juni 2002 is aangekondigd door de NAVO Ministers van
      Defensie). Daarbij kan een raketverdedigingssysteem één van de opties zijn, maar
      dienen ook andere maatregelen aan bod te komen, zoals die om proliferatie tegen
      te gaan.
5.    De AIV beveelt aan dat mede wordt voortgebouwd op de haalbaarheidsstudie voor
      een NAVO-breed TMD, die eind 2002 zal worden afgerond.
6.    De AIV beveelt aan dat de nationale Nederlandse inspanningen op het gebied van
      TMD zo snel mogelijk deel gaan uitmaken van een gezamenlijk NAVO-TMD-concept.
      De Nederlandse TMD-inspanningen moeten verder een plaats krijgen in de priori-
      teitstelling die in het kader de voorbereidingen van de NAVO-top in Praag (novem-
      ber 2002) wordt besproken.
7.    De dreiging tegen het NAVO-grondgebied met ICBM’s en ballistische raketten van
      de lange afstand (met een dracht van meer dan 3500 kilometer) is een dreiging
      die thans nog niet realistisch is, maar zich in de toekomst zou kunnen voordoen.
      Daarom beveelt de AIV de Nederlandse regering aan om binnen het geheel van
      inspanningen om de conventionele capaciteit van de NAVO op peil te brengen, ter-
      ritoriale raketverdediging momenteel niet de hoogste prioriteit te geven. Andere
      inspanningen in NAVO-kader dienen momenteel prioriteit te krijgen.
8.    Een (terroristische) groepering die massavernietigingswapens wil overbrengen
      zoals biologische of chemische wapens, heeft daartoe bovendien technisch sim-
      peler mogelijkheden tot zijn beschikking dan een raket. Raketverdediging biedt
      dan geen bescherming. Op dit moment heeft de (terroristische) dreiging van
                                              59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>    gebruik van een massavernietigingswapen door middel van relatief eenvoudige
    overbrengingsmiddelen een grotere urgentie dan de dreiging van langeafstandsra-
    ketten.
9. De AIV benadrukt dat non-proliferatie en wapenbeheersing essentiële elementen
    blijven in de strijd tegen de verdere verspreiding van massavernietigingswapens.
    Het non-proliferatieregime heeft zijn waarde bewezen. Wél dient het regime te wor-
    den versterkt en aangepast aan actuele ontwikkelingen, zowel op het technologi-
    sche als politieke vlak. Daarbij hoort ook de zorgwekkende constatering dat proli-
    feratie niet volledig te voorkomen is geweest. Met name op het gebied van
    biologische en ook chemische wapens zijn mogelijkheden van preventie en contro-
    le onvoldoende. Daarom verdient de gedachte om de VN, op initiatief van de
    Veiligheidsraad, een krachtig politiek signaal te laten geven dat mogelijke boos-
    doeners bij voorbaat met de zekerheid van de hardste afstraffing confronteert,
    nadere aandacht en uitwerking.
10. De AIV onderstreept dat raketverdediging in bepaalde configuraties negatieve
    gevolgen kan hebben voor de strategische verhoudingen en stabiliteit, en zodoen-
    de katalysator kan zijn van een nieuwe wapenwedloop. In dat licht zouden beper-
    kingen nodig kunnen zijn op het aantal onderscheppingsraketten, en op de statio-
    nering van interceptoren in de ruimte. De AIV beveelt aan dat Nederland, samen
    met Europese bondgenoten er bij de VS op aandringt een zodanige opstelling te
    ontwikkelen dat negatieve effecten op dit gebied tot een minimum worden
    beperkt.
11. De AIV ziet het onlangs overeengekomen samenwerkingsverband tussen Rusland
    en de VS als een begin van een nieuw strategisch raamwerk tussen beide landen.
    De afspraken over offensieve reducties zijn daar een onderdeel van. In de toe-
    komst moet het verdrag verder worden uitgebreid met ondermeer verificatiebepa-
    lingen. Het strategische raamwerk dient verder te worden uitgebreid met andere
    landen, in het bijzonder China. Nederland zou hier samen met Europese bondge-
    noten op moeten aandringen.
12. De nieuwe vriendschappelijke relatie tussen de VS en Rusland zou er ook toe
    moeten leiden, dat de nog in groten getale aanwezige Russische tactische kernwa-
    pens in de reducties worden betrokken. De Europese bondgenoten dienen hierop
    in NAVO-verband aan te dringen.
                                            60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>afstandsraketten van risicolanden. Zij heeft ook laten weten dat de
Amerikaanse plannen op dit gebied mede zijn bedoeld om bescherming te
bieden aan bondgenoten en in verband daarmee tevens gezinspeeld op
praktische samenwerkingsmogelijkheden. Zij heeft het vraagstuk van een
dergelijke raketverdediging tegen ballistische raketten (Missile Defense)
uitdrukkelijk geplaatst in het kader van een brede strategische
heroverweging, die moet leiden tot een nieuw concept van afschrikking. De
heroverweging strekt zich uit over een analyse van de toekomstige dreiging,
de consequenties die dat heeft voor de afschrikking, de rol van kernwapens
daarin, alsmede de plaats van Missile Defense in dit nieuwe concept.

In verband met deze strategische heroverweging wijst de Verenigde Staten
erop dat de relatie met de Russische Federatie wezenlijk anders is dan die
tijdens de Koude Oorlog met de Sovjet-Unie en dat het Amerikaanse
veiligheidsbeleid zich hiervan meer rekenschap moet geven. In het kader van
discussies over een “nieuw strategisch raamwerk” worden besprekingen
gehouden over Missile Defense, reducties van strategische wapens en non-
proliferatie welke volgens de VS zouden moeten leiden tot een nieuwe
strategische verhouding tussen de RF en de VS die niet meer is gebaseerd
op wederzijdse afschrikking.

De regering heeft in haar brief aan de Kamer van 5 juli jl. een analyse
gegeven van de diverse aspecten van Missile Defense en daarbij een aantal
uitgangspunten geformuleerd die het beleid dienen te sturen. Er bestaat
echter behoefte aan een diepere analyse van de consequenties voor de
Europese bondgenoten en Nederland van voortgaande proliferatie van
massavernietigingswapens, van de diverse aspecten van het Missile Defense
vraagstuk en van het nieuwe strategische raamwerk. Een nadere advisering
t.b.v. te voeren beleid, tegen de hierna geschetste achtergrond, is wenselijk.

1. Een nieuwe afschrikking

De VS-regering is van mening dat de veiligheidsrisico's fundamenteel zijn
veranderd, waarbij met name in het oog springt het wegvallen van een
enkele, voorspelbare vijand, waarvoor in de plaats is gekomen een groep van
minder voorspelbare en meer tot risico nemen geneigde landen. Sommige
van deze landen streven het bezit na van massavernietigingswapens en —in
toenemende mate ook- ballistische raketten als instrumenten van regionale
machtspolitiek en diplomatieke dwang, en wellicht ook als
afschrikkingsinstrument tegen de VS en zijn bondgenoten.

Kenmerk DVB/NN-365/01

Blad

2/6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>De meest zorgwekkende staten zijn volgens de VS op grond van de aard van
hun regimes minder berekenbaar en meer tot risico's nemen bereid dan de
voormalige Sovjet-Unie. Daarnaast wordt erop gewezen dat de klassieke
nucleaire afschrikking — gebaseerd op (grootschalige) vergelding met
offensieve middelen - met name werkte in een context van een strategisch
evenwicht, waarvan in de eventuele confrontatie met risicolanden geen
sprake zal zijn. Er bestaat dus bij de VS twijfel over de effectiviteit van
traditionele nucleaire afschrikking tegen deze staten. Daarom is de
Amerikaanse regering van mening dat een eigentijdse afschrikkingspolitiek
naast offensieve nucleaire capaciteiten ook defensieve systemen tegen
raketten, mogelijk uitgerust met massavernietigingswapens, moet bevatten.
Doordat deze laatstgenoemde systemen risicolanden de mogelijkheid
ontzeggen de VS (en wellicht bondgenoten) met raketten te treffen, zouden
deze systemen een wezenlijke aanvulling op de afschrikking met kernwapens
vormen. Bovendien hanteert de VS het argument dat waar het de
technologische capaciteiten voor verdedigingssystemen tegen een dergelijke
dreiging kan ontwikkelen, het welhaast de morele plicht heeft dat te doen.

Tegen deze achtergrond dient de plaats van Missile Defense in de
Amerikaanse strategie te worden gezien. De VS benadrukt dat een
toekomstige MD-configuratie gericht is tegen de dreiging die uitgaat van de
“staten van zorg”, en niet gericht is tegen RF of China. Tevens zou een
raketverdedigingssysteem ook bescherming moeten bieden aan
bondgenoten en in dat verband stuurt de VS aan op
samenwerkingsmogelijkheden, ook met de Russische Federatie.

2. Strategische verhoudingen

Invoering van een MD-systeem tegen strategische raketten, zonder
overeenstemming met Rusland over aanpassing/vervanging van het ABM-
verdrag kan negatieve gevolgen hebben voor de Amerikaans-Russische
verhoudingen en zou mogelijk kunnen leiden tot een nieuwe wapenwedloop.
Zelfs indien de VS met de RF overeenstemming bereikt over een nieuw
strategisch raamwerk zal het vooral lastig zijn met China tot een vergelijk te
komen over MD aangezien zelfs een beperkt MD-systeem de Chinese
nucleaire afschrikking mogelijk zal ondergraven. Sommigen menen dat
Rusland niet meer in staat is nucleair de gelijke van de VS te blijven en dat
de gevolgen wel mee zullen vallen, zeker indien invoering van MD gekoppeld
wordt aan omvangrijke strategische reducties aan Amerikaanse en Russische
kant. Anderen menen dat het Rusland op dat punt niet onderschat moet
worden.

Kenmerk DVB/NN-365/01
Blad 3/6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Onlosmakelijk met het bovenstaande verbonden is het pendant van de
nucleaire verhoudingen. De VS wil toe naar een “new framework” dat de “new
co-operative relationship” met Rusland - in elk geval niet meer die van
tegenstander — meer recht doet. Hoe een dergelijk raamwerk er in de praktijk
uit zal moeten zien, is nog onduidelijk. De Russische Federatie heeft wel de
Amerikaanse bereidheid tot verregaande reducties verwelkomd en
aangegeven zelf eveneens bereid te zijn terzake zeer ver te gaan. De VS
geeft de voorkeur aan unilaterale strategische reducties, terwijl Rusland
wenst vast te houden aan de START-context, onder de paraplu van het ABM-
verdrag.

Rusland onderschrijft wel dat sprake is van een toenemende - regionale -
dreiging die uitgaat van de proliferatie van massavernietigingswapens en
ballistische raketten voor de korte en de middellange afstand, maar ontkent
dat er nu en in de afzienbare toekomst een dreiging van deze staten met
intercontinentale raketten kan uitgaan. Het is het er ook mee eens dat een
deel van het antwoord gevonden moet worden in defensieve systemen. Het
heeft de NAVO daartoe voorstellen gedaan voor de ontwikkeling van een
pan-Europees Theatre Missile Defence-systeem.

3. Wapenbeheersing

De VS onderstreept het belang van non-proliferatie- en
exportcontroleregiems, maar het stelt tegelijkertijd dat deze regiems teveel
lekken vertonen (niet in de laatste plaats door Russische leveranties aan
risicolanden). Ook is de Amerikaanse regering van opvatting dat een aantal
nieuwe verdragen en multilaterale initiatieven op het terrein non-proliferatie-
en wapenbeheersing gebreken bevatten, die deze zeer in waarde beperken.
De winst die deze verdragen/initiatieven op het vlak van non-proliferatie en
wapenbeheersing zouden opleveren, weegt niet op tegen de beperking die
dergelijke verdragen op zou leggen aan het Amerikaanse veiligheidsbeleid en
de risico’s voor de belangen van de Amerikaanse industrie. Daarnaast levert
secundaire proliferatie een groot risico voor verdere verspreiding van
massavernietigingswapens.

Nederland — en de Europese bondgenoten — hechten sterk aan multilaterale
wapenbeheersing en non-proliferatie, alsmede aan onderhandelde en
verifieerbare wapenbeheersingsverdragen. Europa zal dan ook effectieve en
overtuigende antwoorden moeten vinden op bovengenoemde Amerikaanse
kritiek. De VS moet duidelijk kunnen maken dat het beoogde “nieuwe

Kenmerk DVB/NN-365/01

Blad

4/6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>strategische raamwerk” geen afbreuk doet aan de strategische stabiliteit
tussen de belangrijkste kernwapenstaten en bevorderlijk is voor
internationale inspanningen op het gebied van wapenbeheersing en non-
proliferatie.

Vragen

Tegen bovengeschetste achtergrond, alsmede tegen de achtergrond van de
uitvoerige analyse in de brief aan de Kamer van 5 juli jl, leggen wij een
aantal vragen aan de Adviesraad voor:

Wat zijn de strategische gevolgen van de voortgaande verspreiding van
ballistische raketten en massavernietigingswapens voor de
veiligheidsbelangen van Europa en de NAVO? Is de internationale
veiligheidssituatie zodanig van aard veranderd dat een algehele herziening
van het bondgenootschappelijk veiligheidsbeleid nodig is, al dan niet naar
het voorbeeld van het door de nieuwe Amerikaanse regering voorgestane
veiligheidsbeleid? Hoe moet in dat verband de door de VS beoogde
verschuiving worden beoordeeld van het klassieke afschrikkingsbeleid op
grond van uitsluitend offensieve middelen naar een afschrikkingsbeleid op
grond van een combinatie van offensieve en defensieve middelen?

In hoeverre verschilt de dreiging voor Europa van die voor de VS? Is er
aanleiding voor aanvullende maatregelen ter bescherming van het
Europese grondgebied tegen al dan niet met massavernietigingswapens
uitgeruste ballistische raketten van risicolanden? Zo ja, in hoeverre zouden
dergelijke maatregelen moeten liggen op het gebied van “missile defense”
en zouden de Europese bondgenoten moeten streven naar praktische
samenwerking met de VS en/of Rusland terzake? Welke
veiligheidspolitieke, strategische of defensie-industriële overwegingen
spelen daarbij een rol?

Aan welke voorwaarden zal een “nieuw strategisch raamwerk” vanuit het
oogpunt van Europese en bondgenootschappelijke veiligheidsbelangen
moeten voldoen? Hoe moet de voorkeur van de nieuwe Amerikaanse
regering voor eenzijdige kernwapenreducties worden beoordeeld in
vergelijking tot de tot dusver gehanteerde verdragsmatige aanpak? Hoe
beoordeelt de Adviesraad in dat verband de mogelijkheden voor
vermindering van het aantal tactische kernwapens, mede in het licht van
het nog zeer omvangrijke arsenaal tactische kernwapens aan Russische
zijde?

Kenmerk DVB/NN-365/01

Blad

5/6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>e Wat zijn de gevolgen van een mogelijk nieuw strategisch raamwerk voor
de toekomstige strategische verhoudingen, zowel tussen de verschillende
“gevestigde” kernwapenstaten onderling en t.o.v. de “nieuwkomers”?

e Vormen de tekortkomingen van het huidige internationale stelsel van
wapenbeheersing en non-proliferatie, en de veranderende strategische
verhoudingen aanleiding nieuwe wegen in te slaan op het gebied van
wapenbeheersing en non-proliferatie?

De terroristische aanslagen op de VS

De recente terroristische aanslagen in New York en Washington hebben op
gruwelijke wijze de kwetsbaarheid van de moderne westerse samenlevingen
aangetoond. Het is denkbaar dat deze terreuraanvallen gevolgen zullen
hebben voor het beleid inzake Missile Defence in de VS en elders. Het zou
echter speculatief zijn hierover thans uitspraken te doen. Om deze reden
geven wij er de voorkeur aan de raad thans deze adviesaanvraag te doen
toekomen met de aantekening dat het niet uitgesloten is dat wij in een later
stadium enige aanvullende vragen zullen indienen. Uiteraard staat het de raad
hoe dan ook vrij, zeker onder de huidige, buitengewone omstandigheden, zélf
de (politieke) ontwikkelingen in de komende tijd bij de opstelling van het advies
te betrekken.

Met de meeste hoogachting,

E MINISTER VAN DE MINISTER VAN
| a “| DEFENSE 0 —
; |

ON

ee

J.J. van Aartšen Mr. F.H.G. de Grave

S/S

a

Kenmerk DVB/NN-365/01
Blad 6/6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>                                                                                  Bijlage II
Mogelijke Architectuur Van een Gelaagd Raketverdedigingssysteem
‘Actieve Raketverdediging’ wordt met name door de VS momenteel beschreven als een
gelaagd systeem van verschillende onderscheppingsmogelijkheden dat vijandige (ballis-
tische) raketten van élke dracht, in elke fase van de vlucht, moet kunnen onderschep-
pen en vernietigen. De tijdens de regering-Clinton beoogde ‘National Missile Defense’
architectuur – die bestond uit een twintigtal onderscheppingsraketten om raketten van
de intercontinentale dracht te onderscheppen – zou daarvan één onderdeel uitmaken.
Vrijwel alle onderscheppingsystemen die deel zouden kunnen gaan uitmaken van de
voorziene ‘gelaagde architectuur’ bevinden zich nog in de onderzoeks- en ontwikke-
lingsfase (met uitzondering van enkele systemen voor de onderschepping van vijandelij-
ke raketten van de korte tot middellange dracht). Dit geldt ook voor het ‘NMD’-gedeel-
te, dat overigens van alle systemen het meest gevorderd is.
Het beoogde gelaagde systeem zou de mogelijkheid moeten geven ballistische raketten
van elke dracht tijdens elke fase van de vlucht te detecteren en onderscheppen mid-
dels op land, op zee of in de lucht of ruimte gestationeerde interceptoren.
De interceptie van de raket zou kunnen plaatsvinden tijdens de:
– ‘Boost Phase’
Verschillende mogelijkheden voor onderschepping van vijandelijke raketten in deze fase
worden onderzocht. Bijvoorbeeld middels aan boord van een vliegtuig geplaatste laser.
Deze mogelijkheid bevindt zich in de onderzoeksfase; een eerste test met onderschep-
ping van een raket met een laser vanaf het vliegtuig wordt in de tweede helft van 2004
verwacht. Andere mogelijkheden die worden onderzocht zijn onderschepping vanuit
onbemande vliegtuigen, of via een in de ruimte geplaatste laser. Op deze gebieden zijn
nog geen concrete programma’s bekend.
– ‘Midcourse Phase’
Eén mogelijkheid die op dit gebied wordt onderzocht is onderschepping van interconti-
nentale raketten door grondgebonden interceptieraketten. Het gaat hier om het oor-
spronkelijke ‘National Missile Defense’ plan van President Clinton, dat heden her-
noemd is tot ‘Ground-based Missile Defense’ (GBMD). Dit onderdeel van de mogelijke
architectuur is het verst gevorderd in de ontwikkeling: op 15 juni 2002 is de construc-
tie van silo’s voor de interceptorraketten in Alaska van start gegaan als deel van een
testprogramma dat in 2004 gereed moet zijn. Een andere mogelijkheid die wordt bestu-
deerd is onderschepping in de midcourse phase vanaf zee.
– ‘Terminal Phase’
Dit betekent dat de vijandelijke raket in de laatste fase van zijn vlucht wordt onder-
schept. Bijvoorbeeld het PATRIOT Systeem en opvolger PAC III, alsmede MEADS, Arrow
(Israël), Aster (Frankrijk) voor de onderschepping in deze fase van korte-tot middellan-
geafstandsraketten en het Russische S-300 en S-400 systeem voor de onderschepping
van intercontinentale raketten.
De Israëlische Arrow, Pac-II (VS, Duitsland en Nederland) alsmede de S-300 (Rusland)
zijn operationeel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Voor het beoogde systeem zijn naast interceptieraketten ook observatiesatellieten en
radarsystemen nodig voor detectie en doelgeleiding. Hierover beschikken vooralsnog
alleen de VS en Rusland. Tevens zijn nodig zoek- en volgsatellieten, (SBIRS-low), waar-
schuwingsradar (een viertal zijn gestationeerd in de VS, 1 op Thule, Groenland en 1 op
Fylingdales, UK) en zoek- en volgradars (X-band) bijvoorbeeld de radar op het eiland
Kwajalein.
Kosten. De kosten voor de ontwikkeling van een systeem dat gebruik zou maken van
alle bovenstaande elementen komen volgens verschillende schattingen uit op tenmin-
ste 184 miljard US dollar (gerekend over tien jaar), waarbij het benodigde SBIRS-low
systeem nog niet is meegerekend. Op 1 februari 2002 bracht het ‘Congressional Bud-
get Office’ een rapport uit, waarin de kosten nog aanzienlijk hoger werden ingeschat.
Volgens de berekeningen kon de rekening oplopen tot 238 miljard US dollar ten behoe-
ve van de ontwikkeling en operatie (15-25 jaar) van een op de grond geplaatst systeem
(kosten tussen 26 en 74 miljard US dollar), een op zee geplaatst systeem (kosten tus-
sen 50 en 64 miljard dollar), en een in de ruimte geplaatst lasersysteem (kosten tus-
sen 82 en 100 miljard dollar). Niet alle onderdelen van de voorziene ‘gelaagde archi-
tectuur’ waren in deze berekening meegenomen. Het op zee geplaatste element en de
vanuit vliegtuigen opererende lasers ontbrak. Het betreft ook hier zeer grove schattin-
gen voor een systeem waarvan nog niet duidelijk is om welke elementen het precies
gaat.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Schematische voorstelling van mogelijke elementen van een gelaagd raketverdedigingssysteem
                      Ballistic Missile Defense System (BMDS) architectuur
BMDS SEGMENT
                      OP LAND GEPLAATST    OP ZEE GEPLAATST VANUIT DE LUCHT OPER- IN DE RUIMTE
                      ELEMENT              ELEMENT          EREND ELEMENT         GESTATIONEERD ELEMENT
Onderschepping in     geen projecten       geen projecten   Airborne laser (ABL)  1. In de ruimte geplaatste
de ‘Boost phase’      bekend               bekend                                     laser (SBL)
                                                                                  2. In de ruimte geplaatste
                                                                                      interceptoren
                                                                                  Geen concrete projecten
                                                                                  bekend
Onderschepping in     1. Op de grond       1. Navy Theater  –                     In de ruimte geplaatste
‘Midcourse phase’     geplaatste intercep-    Wide (NTW)                          interceptoren?
                      toren voor onder-    2. AEGIS                               Geen projecten bekend
                      schepping in de
                      ‘midcourse’ (NMD
                      of GBMD)
                      2. THAAD1
Onderschepping in     1. PAC-III           Navy Area Wide   –                     –
‘Terminal phase’      2. ARROW             (NAW)
                      3. MEADS
                      4. THAAD1
‘Sensors segment’     1. X-Band radars     Sea based X-Band –                     1. SBIRS-high-satellieten
ten behoeve van       2. Early warning                                            2. SBIRS-low-satellieten
informatie voor           radars                                                  3. Defense Support
opsporing vijandelij-                                                                 Programme (DSP)
ke raket en gelei-                                                                4. In de ruimte geplaatste
ding van de inter-                                                                    Radar
ceptor
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>                          Reikwijdte doelraket*
BMDS SEGMENT
                          KORTE DRACHT           MIDDELLANGE            INTERMEDIAIRE         LANGE DRACHT (ICBM)
                          (SRBM)                 DRACHT (MRBM)          DRACHT (IRBM)_        INTERCONTINENTAAL
                          0-1.100 KM             1.100-2.750 KM         2.750-5.500 KM        5.500-10.000 KM EN MEER
                                                   Ground based boost – geen projecten bekend
Boost phase
                                                     Sea based boost – geen projecten bekend
                                                               Airborne laser (ABL)
                                                             Space Based Laser (SBL)
Midcourse phase           THAAD 1                1. AEGIS               –                     Ground based midcourse
                                                 2. THAAD                                     interceptor (NMD – GBME)
                                                 3. Navy Theater
                                                     Wide (NTW)#
Terminal phase            1. PAC-III             Navy Area Wide         –                     –
                          2. ARROW               (NAW)
                          3. MEADS               PAC-III? MEADS?
                          4. THAAD1
                          5. Navy Area Wide
                             (NAW)
SRBM      Short Range Ballistic Missile          0 – 1.100 km
MRBM      Medium Range Ballistic Missile         1.100 – 2.750 km
IRBM      Intermediate Ballistic Missile         2.750 – 5.500 km
ICBM      Intercontintal Ballistic Missile       5.500 – 10.000 km en meer
  #  project is tijdelijk door het Pentagon stopgezet.
  1  THAAD wordt genoemd bij zowel de midcourse als terminal verdedigingssegmenten. Het THAAD systeem kan
     ballistische raketten onderscheppen die buiten alsook binnen de atmosfeer vliegen.
     "Space based interceptors" komen niet in deze tabel voor wegens gebrek aan informatie
  *  doelraket – de te onderscheppen raket
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>                                                                                                   Bijlage III
Landen met een opkomende rakettencapaciteit
Onderstaande beschrijving is grotendeels gebaseerd op Amerikaanse bronnen en
behandelt de rakettenprogramma’s in een vijftal door de VS geïdentificeerde ‘risicolan-
den’: Noord-Korea, Iran en Irak, Syrië en Libië.93 Ondanks het feit dat meer landen
dan de genoemde vijf hun rakettenpotentieel aan het uitbreiden zijn (bijvoorbeeld India
en Pakistan) wordt in dit advies de focus op de betreffende vijf landen (Noord-Korea,
Iran, Irak, Syrië en Libië) overgenomen.
In onderstaande beschrijving wordt ook ingegaan op massavernietigingspotentieel.
Noord-Korea
Raketten. Noord-Korea beschikt over een omvangrijk arsenaal aan ‘ballistische raketten’
en lanceerinstallaties: het zou momenteel gaan om zo’n 700 raketten en ruim 30 lan-
ceerinstallaties. Het gaat om raketten voor de korte afstand (bereik tot 600 kilometer).
De Nodong raket (1300 kilometer) is volgens Amerikaanse opgaven operationeel. De
raketten zijn gebaseerd op scud-technologie en maken gebruik van vloeibare brandstof.
Voor de ontwikkeling van langeafstandsraketten die een bedreiging vormen is volgens
experts vastebrandstoftechnologie nodig, een techniek die zeer ingewikkeld is en uit-
sluitend beheerst wordt door de P-5.
Onderwerp van zorg is met name de Taepo-Dong raket, ontwikkeld op basis van de
Nodong raketten (1300 kilometer) en Hwasong-6 (bereik 600 kilometer, opvolger van
Hwasong 5 met een bereik van 500 kilometer). Op 31 augustus 1998 was de lance-
ring van een Taepo-Dong 1 (draagwijdte ongeveer 1500 kilometer) over Japans grondge-
bied wereldnieuws. Hoewel de lancering niet geheel succesvol verliep door een tech-
nisch mankement in de derde trap, was het voor Amerikaanse inlichtingendiensten een
verrassend evenement van grote betekenis. Er bestaat nog immer onzekerheid of de
lancering een raket of een satelliet betrof.
Volgens Amerikaanse inschattingen is Noord-Korea waarschijnlijk het eerste risicoland
dat – binnen een tijdspanne van 10 à 15 jaar – over een intercontinentale raket zal
kunnen beschikken. Een opvolger (de Taepo-Dong 2), zo stelde de NIE van 2001, zou
momenteel in principe gereed zijn voor een test. Deze raket zou met een bereik van
4000-6000 kilometer delen van Hawaï en Alaska kunnen bereiken. Voorzien van een
derde trap zou de raket een bereik van 10.000 kilometer kunnen krijgen en de overige
Verenigde Staten kunnen bereiken.94
Er wordt door analisten evenwel op gewezen dat de Taepo-Dong 1 raket niet operatio-
neel is en dat de opvolgers slechts op papier bestaan. Zonder hulp van buitenaf (bij-
93 In hun brief aan de Tweede Kamer van juli 2001 stellen de Ministers van Defensie en Buitenlandse
   Zaken dat Noord-Korea, Iran, Irak, Libië en Syrië maar ook Israël, China, Pakistan en India bezig zijn hun
   rakettenpotentieel uit te breiden. Ten aanzien van eerstgenoemde vijf bezigt de brief de term ‘zorglan-
   den’. Naast genoemde vijf landen beschikken Algerije, Armenië, Azerbeidjaan, Belarus, Bulgarije, DROC,
   Tsjechische Republiek, Egypte, Georgië, Hongarije, India, Israël, Kazakstan, Zuid-Korea, Pakistan, Polen,
   Roemenië, Saudi-Arabië, Slowakije, Taiwan, Turkmenistan, Ukraine, VAE, Vietnam, Jemen en FRY, over
   een operationele ballistische rakettencapaciteit over de korte afstand ( Zie hiervoor: Wilkening, D.A.
   (2000), Ballistic Missile Defense and Strategic Stability, in: Adelphi Paper, nr. 334 (New York, Oxford
   University Press).
94 Homan, K. en Kreemers, B. (mei 2000), NMD: de Amerikaanse Waterlinie, Clingendael A4-publicatie
   (Den Haag, Instituut Clingendael).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>voorbeeld op het gebied van vastebrandstoftechnologie) zou de zo gevreesde drietaps
versie die in staat is het doel te raken, niet van de ontwerptafel komen. Noord-Korea
beschikt in die visie hooguit over een à twee raketten voor de lange afstand en de Rus-
sische en Chinese hulp aan Noord-Korea droogt momenteel op. Noord-Korea zelf wordt
vanwege de lamentabele toestand van de economie niet in staat geacht zonder hulp
van buitenaf een intercontinentale raket te kunnen ontwikkelen.95
Nucleair, Chemisch en Biologisch Potentieel. Nucleaire ambities van Noord-Korea gaan
terug tot de jaren vijftig toen de Sovjet-Unie en Noord-Korea in Yongbyon een gezamen-
lijke nucleaire onderzoeksfaciliteit inrichtten. De VS gaan er vanuit dat in Noord-Korea
vóór 1991 voldoende plutonium werd geproduceerd voor de ontwikkeling van tenminste
één kernwapen. Ondanks Pyongyang’s ontkenningen menen de meeste deskundigen
dat Noord-Korea een kernwapen nastreefde en sommigen denken dat dat nog steeds
het geval is, ondanks het ‘Agreed Framework’, waarbij de centrale in Yongbyon wordt
ontmanteld.
Noord-Korea beschikt over de nodige infrastructuur voor de ontwikkeling van biologi-
sche wapens; de VS sluiten niet uit dat het biologische wapens klaar heeft voor
gebruik.
Volgens Amerikaanse opgaven beschikt Noord-Korea over grote voorraden chemische
wapens en voorlopers voor die wapens.96
Iran
Raketten. Iran beschikt sinds de jaren tachtig over ballistische raketten. Het betrof
eerst de Oghab-raket, een artillerieraket van Chinese makelij met een bereik van 40
kilometer (en grote onnauwkeurigheid). Midden jaren tachtig kreeg Iran de beschikking
over de Russische scud-raket. De scud-B-raket zette het in 1988 in tegen Bagdad. Na
afloop van de oorlog tussen Iran en Irak zette Iran de ontwikkeling van het programma
voort en profiteerde daarbij van contacten met Noord-Korea, Rusland en China. Het
werkte op basis hiervan aan de ontwikkeling van de Shahab-3, een raket voor de mid-
dellange afstand met volgens Amerikaanse opgaven een bereik van 1300 kilometer,
die in 1998 en 2000 een proeflancering maakte. Deze raket is operationeel. Daar-
naast verwierf Iran raketcomponenten die in combinatie met onderdelen en technolo-
gie van de Scud raket zouden kunnen leiden tot een groter bereik, waardoor doelwitten
in Europa en de VS zouden kunnen worden bestreken.97 Met de huidige scud-C kan
Iran reeds zuidoost Turkije bereiken. De Amerikaanse ‘National Intelligence Estimate’
van 2001 stelt dat Iran mogelijk rond 2005 een test met een langeafstandsraket zou
kunnen uitvoeren, maar dat dit zeer waarschijnlijk zeker tot 2010, mogelijk zelfs tot na
2015 zal duren.98
95 North Korea’s Missile Program: Reality Versus the Myth, Stratfor Special Report 2001
    (www.stratfor.com).
96 Proliferation: Threat and Response, Office of the Secretary of Defense.
97 Homan, K. en Kreemers, B. (mei 2000), NMD: de Amerikaanse Waterlinie, Clingendael A4-publikatie
    (Den Haag, Instituut Clingendael).
98 Unclassified summary of the report on Foreign Missile developments and the Ballistic Missile Threat
    through 2015, januari 2002.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Iran is volgens experts duidelijk op zoek naar technologie die verder gaat dan de huidi-
ge Scud-technologie en onderzoekt vastebrandstoftechniek. Dezelfde experts tekenen
daarbij evenwel aan dat een streven naar vastebrandstoftechnologie niet automatisch
betekent dat langeafstandspotentieel wordt nagestreefd. De grotere houdbaarheid van
vaste brandstof is ook voor raketten van de korte dracht een groot voordeel. En een
streven naar een raket van een langere afstand hoeft weer niet automatisch tegen de
VS gericht te zijn; het kan ook bedoeld zijn om door stationering verder in het binnen-
land een grotere strategische diepte te bereiken. Een ander voordeel van vaste brand-
stof is de kortere ontstekingstijd, waardoor de kwetsbaarheid door vroege detectie
afneemt.
Nucleair, Biologisch en Chemisch Potentieel. Met Russische hulp zou Iran momenteel
werken aan een nucleaire krachtcentrale bij Bushehr. Iran poogt daarvoor splijtstoffen
te verwerven bij voornamelijk Russische bronnen en China zou voor het project samen-
werking hebben toegezegd. Volgens China en Rusland gaat het evenwel om samenwer-
king voor louter vreedzame doeleinden. Volgens experts stelt de Iraanse nucleaire
capaciteit weinig voor.
Iran heeft tijdens de oorlog tegen Irak beperkte hoeveelheden chemische wapens inge-
zet tegen Irakese troepen. Het is volgens Amerikaanse opgaven in het bezit van
‘weaponised’ chemische agentia.99
Iran beschikt over de nodige infrastructuur en expertise voor een BW-programma, en
poogt voornamelijk in Rusland dual-use apparatuur en technologie te verwerven. Iran
heeft volgens Amerikaanse opgaven in het verleden een offensief BW-programma nage-
streefd. Het is niet uitgesloten dat het momenteel nog beschikt over bruikbare agentia
voor biologische oorlogvoering.
Irak
Raketten. Aan de vooravond van de Golfoorlog was Irak van de vijf genoemde landen
het verst gevorderd met zijn op scud-technologie gebaseerde rakettenprogramma. De
Iraakse scuds hadden een bereik van 600 kilometer. Veiligheidsraadsresoluties hebben
de toegestane draagwijdte van Irakese raketten beperkt tot 150 kilometer.
Op basis van de in 1974 van de Sovjet-Unie verworven scud-B raketten ontwikkelde en
testte Irak in augustus 1987 de eerste Al-Hoessein raket (bereik 500, latere versies
600 kilometer).100 In februari 1988 vuurde Irak er 189 af tegen Iran, en in 1991 zette
het in totaal 86 raketten in tegen Israël en Saudi-Arabië. Deze waren uitgerust met con-
ventionele ladingen.
Bij UNSCOM inspecties na afloop van de Golfoorlog is vastgesteld dat de Al-Hoessein
raket zowel met conventionele ladingen als met chemische ladingen kon worden uitge-
rust, en ook geschikt was voor nucleaire ladingen. Irak had na de inval in Koeweit een
nucleair spoedprogramma opgezet voor dat doel. De UNSCOM inspecties hebben gere-
sulteerd in ontmanteling van de onderzoeks- en productiefaciliteiten. De opgebouwde
99   Proliferation: Threat and Response, Office of the Secretary of Defense, 2001.
100 Homan en Kremers wijzen er in de Amerikaanse waterlinie tevens op dat deze eerste Al-Hoessein
     raket tot februari 1988 niet werd ingezet tijdens de oorlog met Iran, hetgeen twijfels voedde over de
     betrouwbaarheid van de raket. De CEP (circular error probability – diameter van de cirkel waarbinnen
     de helft van de afgevuurde raketten terecht komt) van de Al-Hoessein ligt tussen de 1 en 3 kilometer:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>kennis en expertise moet evenwel als nog steeds aanwezig worden beschouwd.
Het moet volgens Amerikaanse opgaven voor Irak mogelijk zijn in een tijdspanne van
tien jaar weer rakettenpotentieel te ontwikkelen met een reikwijdte van 300 – 600 kilo-
meter. Als Irak zich aan verdere wapeninspecties zou kunnen blijven onttrekken, dan
zou op basis van de erfenis uit de jaren tachtig ontwikkeling van een raket met een
bereik van 2000 – 4000 kilometer mogelijk kunnen zijn. Daarmee zou Irak Europa kun-
nen bereiken. Volgens de NIE van 2001 zou Irak – met substantiële hulp vanuit het bui-
tenland en ongehinderd door sancties en inspecties – mogelijkerwijs in 2010 een
ICBM kunnen testen maar is het niet waarschijnlijk dat dit voor 2015 gebeurt. Volgens
Amerikaanse opgaven streeft Irak naar een ICBM en heeft het de beschikking over een
klein arsenaal raketten van het type scud met een bereik van circa 300 kilometer.
Experts stellen evenwel dat de achtergehouden scuds inmiddels niet meer bruikbaar
zullen zijn vanwege de beperkte houdbaarheid van een raket die op vloeibare brandstof
vliegt. Verder is de voornaamste bron van Irakese raketten van voor de Golfoorlog
inmiddels wel opgedroogd. Op dit moment zijn er geen landen die worden verondersteld
technologie te leveren aan Irak.
Nucleair, Biologisch en Chemisch Potentieel. Ondanks ratificatie van het NPV had Irak
voor Desert Storm een aanzienlijk nucleair wapenprogramma, dat door UNSCOM in
grote mate van detail in kaart is gebracht en ontmanteld. Omdat sedert 1999 geen
wapeninspecties hebben plaatsgehad is de huidige status van het Irakese kernwapen-
programma niet duidelijk. De kennis wordt verondersteld nog aanwezig te zijn. Volgens
Amerikaanse opgaven zou Irak met buitenlandse hulp het programma in vijf jaar kun-
nen herbouwen, en als op illegale wijze voldoende splijtstof kan worden verkregen,
zelfs sneller.
Vóór Desert Storm heeft Irak biologische wapens ontwikkeld, hetgeen het in het kader
van UNSCOM inspecties heeft toegegeven in 1995. UNSCOM heeft tijdens inspecties
tevens sporen van het zenuwgas VX op raketkoppen aangetroffen; Irak heeft echter
immer volgehouden dat het niet beschikte over ‘weaponised’ chemische wapens.
Gezien de afwezigheid van UNSCOM inspecteurs sinds 1999 kan niet worden uitgeslo-
ten dat de Irakese CW- en BW- programma’s hervat zijn.101 Temeer daar de biologi-
sche en chemische dossier’s door UNSCOM nooit volledig konden worden afgesloten.
Irak heeft tijdens de oorlog met Iran CW en BW gebruikt tegen de eigen Koerdische
bevolking in Halabja, Noord-Irak in maart 1998.102
Syrië
Syrië beschikt over enkele honderden scud B en C raketten, die in staat zijn een deel
van Turkije en geheel Israël te bereiken. Syrië tracht zijn arsenaal uit te breiden. Syrië
streeft volgens Amerikaanse opgaven langeafstandsraketten noch nucleaire wapens
na. Syrië is in staat het zenuwgas VX te ontwikkelen en beschikt over een voldoende
biotechnologische infrastructuur voor een biologisch wapenprogramma. Het kan zelf
chemische koppen produceren.
101 Non-Proliferation: Threat and Response, Office of the Secretary of Defense, 2001.
102 Tijdens de aanvallen werden burgers blootgesteld aan zenuw- en mosterdgassen, ondermeer sarin,
     tabun, cyanide. Het is niet duidelijk of andere agentia – waarvan tijdens UNSCOM inspecties is aange-
     toond dat Irak ze ontwikkelde zoals VX, anthrax en mycotoxine ook werden ingezet, omdat de slacht-
     offers van Halabja nooit door internationale waarnemers zijn onderzocht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>Syrië is volgens analisten het enige land van de vijf dat op zijn scud-B en scud-C raket-
ten volledig operationeel heeft. De raketten zijn gericht tegen Israël.
Libië
Libië beschikt over zeer (verouderde) scud-raketten. Experts wijzen er op dat het Libi-
sche rakettenpotentieel op dit moment in het geheel geen dreiging vertegenwoordigt.
Amerikaanse analyses wijzen evenwel op de toekomstige mogelijkheid van een Libische
aankoop van kant-en-klare Noord-Koreaanse No-Dong raketten (1300 km), waardoor
delen van Zuid-Europa (Spaanse Oostkust, Franse Zuidkust, bijna geheel Italië, Grieken-
land) en Zuidwest Turkije binnen het bereik van de raketten zouden gaan vallen. In
2000 waren er korte tijd geruchten dat een dergelijke koop aanstaande was. Het Libi-
sche rakettenprogramma is nu zeer gering. Libië heeft ook weinig vorderingen gemaakt
met zijn doelstelling een kernwapen te verwerven. Het is evenwel niet uitgesloten dat
het in staat is kleine hoeveelheden biologische agentia te ontwikkelen. In 1987 heeft
het chemische wapens ingezet tegen Tsjaad. In Rabta werden in de jaren ’80 zenuw-
gassen en blaartrekkende middelen geproduceerd; in Tarhunah poogde het een onder-
grondse productiefaciliteit voor chemische wapens te ontwikkelen. Beide faciliteiten zijn
momenteel volgens Amerikaanse opgaven niet actief.103
103 Non-Proliferation: Threat and Response, Office of the Secretary of Defense, 2001.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage IV
Lijst van gebruikte afkor tingen
ABM          Anti Ballistic Missile (Anti Ballistische Raket)
ABM-Verdrag  Anti Ballistic Missile-Verdrag
AIV          Adviesraad Internationale Vraagstukken
BMDO         Ballistic Missile Defense Organisation
BW           Biologische Wapens
CBM          Confidence Building Measure (vertrouwenwekkende maatregel)
CIA          Central Intelligence Agency
CTBT         Comprehensive Test ban Treaty (Alomvattend Kernstop Verdrag)
CTR          Cooperative Threat Reduction
CVSE/OVSE    Conferentie/Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
CW           Chemische Wapens
DCI          Defense Capabilities Initiative
EU           Europese Unie
EVDB         Europees Veiligheids- en Defensiebeleid
G-7          De 7 Grote Industrie Landen: Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan,
             Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten (nu G-8, na uitbreiding met de
             Russische Federatie)
GBVB         Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid
GCS          Global Control System
GPALS        Global Protection Against Limited Strikes
IAEA         International Atomic Energy Agency
ICBM/ICBR    Intercontinental Ballistic Missile/Raket
ICOC         International Code of Conduct
INF-Verdrag  Intermediate Nuclear Forces – Verdrag
JDEC         Joint Data Exchange Center (Joint Command Center in Moskou)
KEDO         Korean Peninsula Energy Development Organisation
MAD          Mutual Assured Destruction
MD           Missile Defense
MDA          Missile Defense Agency (voorheen BMDO)
MEADS        Medium Extended Air Defense System
MIRV         Multiple Independent Re-entry Vehicle
MTCR         Missile Technology Control Regime
NAVO         Noord Atlantische Verdrags Organisatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>NIE            National Intelligence Estimate
NMD            National Missile Defense
NPR            Nuclear Posture Review
NPV            Non-Proliferatie Verdrag
NSG            Nuclear Suppliers Group
P-5            Permanente leden van de Veiligheidsraad (China, Frankrijk, Rusland,
               Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten)
PAC-III        Patriot Advanced Capability III
QDR            Quadrennial Defense Review
RF             Russische Federatie
SBIRS          Space Based Infra-Red System
SDI            Strategic Defense Initiative
SDO            Strategic Defense Organisation
SLV            Space Launch Vehicle
START I/II/III Strategic Arms Reduction Treaty I/II/III
THAAD          Theater High Altitude Area Defense
TMD            Theater Missile Defense
UAV            Unmanned Aerial Vehicle
UNSCOM         United Nations Special Commission
VAE            Verenigde Arabische Emiraten
VK             Verenigd Koninkrijk
VN             Verenigde Naties
VS             Verenigde Staten
WMD            Weapons of Mass Destruction/Massavernietigingswapens
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1      EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2      CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
       mogelijkheden, april 1998
3      DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
       april 1998
4      UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
       VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5      EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6      HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7      COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
       november 1998
8      ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9      NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
       Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10     DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
       IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
       veiligheid, september 1999
11     HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
       september 1999
12     DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig
       lidstaten, januari 2000
13     HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000 **
14     ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15     EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16     DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17     DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
*  De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
   de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>18   GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19   EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en
     subnationale overheden, april 2001
20   EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21   REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST
     OF OVERTUIGING, juni 2001 ***
22   DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN
     RECHTSHERSTEL, juni 2001
23   COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24   EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese
     Unie en de IGC 2004, november 2001
25   INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid,
     inzet en kwaliteit, januari 2002
26   NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN
     EUROPA IN 2003: rol en richting, mei 2002
27   EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, mei 2002
*** Ook beschikbaar in het Frans en Russisch.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>