<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>    EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN
         ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
               No. 30, April 2003
Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Leden           Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
                Dhr. A.L. ter Beek
                Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. mr. C. Flinterman
                Prof. dr. E.J. de Kadt
                Dr. B. Knapen
                Mw. mr. E.M.A. Schmitz
Secretaris      Mr. P.J.A.M. Peters
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                E-mail AIV@minbuza.nl
                Internet www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden subcommissie
Ontwikkelingssamenwerking en Mensenr echten
Voorzitterschap  Prof. mr. C. Flinterman
                 Prof. mr. N.J. Schrijver
Leden            Prof. dr. P.R. Baehr
                 Mw. prof. dr. C.E. von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn
                 Prof. mr. Th.C. van Boven
                 Mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh
                 Drs. T. Etty
                 Prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman
                 Mw. mr. C. Hak
                 Mw. prof. dr. A. Niehof
Corresponderende Mw. dr. M.C. Castermans-Holleman
leden            Prof. dr. E.J. de Kadt
Secretaris       Drs. T.D.J. Oostenbrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>    Inhoudsopgave
I   Inleiding      5
II  Ontwikkelingen sinds 1987 en het Nederlands beleid           7
    II.1      Ontwikkelingen       7
    II.2      Rol van en ontwikkelingen in het Nederlandse
              ontwikkelingssamenwerkingsbeleid          11
III Mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking: punten van debat                14
    III.1     Ondeelbaarheid en universaliteit       14
    III.2     Proliferatie    16
    III.3     Toegang tot het recht     17
    III.4     Recht op ontwikkeling      19
IV  De 'rights-based approach' nader bekeken           22
    IV.1      Het VN-systeem       22
              IV.1.1  Bureau Hoge Commissaris voor de Rechten van de mens          22
              IV.1.2  UNDP: Het UNDP Human Development Report            23
              IV.1.3  Unicef     25
              IV.1.4  De Internationale Arbeidsorganisatie      26
              IV.1.5  De Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds        26
    IV.2      Europese Unie      28
    IV.3      De ervaringen van Duitsland       30
    IV.4      De ervaringen van het Verenigd Koninkrijk         32
    IV.5      De ervaringen van Zweden        33
              Voorlopige conclusie    35
V   Uitgangspunten en conclusies          36
    V.1       Uitgangspunten      36
              V.1.1   Armen als prioriteit    36
              V.1.2   Rol maatschappelijke actoren      37
              V.1.3   Naleving van mensenrechtenverdragen         39
              V.1.4   Mensenrechten: positieve en negatieve benadering       40
              V.1.5   Rol internationale (financiële) organisaties en de EU    42
              V.1.6   Coherentie     42
              V.1.7   Betere mensenrechtenantenne eigen apparaat          43
              Conclusies    43
    Bijlage I         Adviesaanvraag
    Bijlage II        Lijst van gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>I        Inleiding
Op 5 april 2002 hebben de ministers van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelings-
samenwerking de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) verzocht om een advies
over de praktische toepassing van de mensenrechtenbenadering in de ontwikkelings-
samenwerking (zie bijlage I). In de adviesaanvraag worden allereerst de belangrijkste
recente ontwikkelingen geschetst. Vervolgens wordt een aantal meer algemene vragen
gesteld over de plaats en betekenis van de rechten van de mens in het ontwikkelings-
debat en de ontwikkelingssamenwerking. Daarbij is het uitgangspunt dat het wenselijk
zou zijn om over concrete strategieën en maatregelen te beschikken, die in de ontwik-
kelingssamenwerkingspraktijk kunnen worden gehanteerd en die de samenhang tussen
ontwikkelingssamenwerking en het beleid op het terrein van de rechten van de mens
kunnen versterken. De mensenrechtenbenadering in de ontwikkelingssamenwerking
zou daartoe een middel kunnen zijn. In de adviesaanvraag wordt de AIV gevraagd in te
gaan op de volgende aspecten:
   de wijze waarop de mensenrechtenbenadering (human rights based approach to
    development) kan worden gehanteerd in de praktijk van ontwikkelingssamenwerking
    in het algemeen en in de sectorale benadering in het bijzonder;
   mogelijke dilemma’s voortvloeiend uit overgevoeligheid aan de kant van sommige
    landen op het gebied van mensenrechten (denk bijvoorbeeld aan rechten van vrou-
    wen gerelateerd aan reproductieve gezondheid) en manieren om daarmee om te
    gaan;
   de wijze waarop de mensenrechtenbenadering kan worden bevorderd in Gespeciali-
    seerde Organisaties en VN-fondsen;
   de relatie tussen het PRSP-concept (Poverty Reduction Strategy Papers) van
    IMF/Wereldbank en de mensenrechtenbenadering, in het bijzonder de wijze waarop
    het PRSP-concept kan bijdragen aan de mensenrechtenbenadering;
   de wijze waarop het recht op ontwikkeling in concreto bevorderd kan worden. In dit
    verband kan ook worden gewezen op de werkzaamheden van de onafhankelijk
    expert van de VN voor het recht op ontwikkeling, professor Arjun Sengupta.
Om een duidelijk inzicht te verkrijgen in de vraag op welke wijze een aantal andere
Europese landen de mensenrechtenbenadering in ontwikkelingssamenwerking heeft
vormgegeven, heeft de AIV een achtergrondstudie laten verrichten. De resultaten van
deze studie, die door het bureau Organisatie, Evaluatie en Advies (OrEA) is uitgevoerd,
zijn grotendeels verwerkt in hoofdstuk III van dit advies. De AIV is mr. H. Smulders, de
opsteller van deze achtergrondstudie, erkentelijk voor zijn rapport. Ter voorbereiding
van het advies heeft de AIV verder kennisgenomen van vele rapporten en documenten
die in het kader van de mensenrechtenbenadering in de ontwikkelingssamenwerking
zijn verschenen. Daarnaast heeft de daartoe ingestelde subcommissie een aantal
gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en
andere deskundigen. In het bijzonder betreft het mw. M. Meijer (HOM), mw. M. Brouwer
(NOVIB) en prof. A. Sengupta (Onafhankelijk Deskundige van de VN inzake het recht op
ontwikkeling). Tijdens het adviestraject heeft de AIV/COM ook een beroep kunnen doen
op de kennis van mw. dr. C.J.M. Arts (ISS) over het Europese ontwikkelingsbeleid en de
kennis en ervaring van ambtelijke contactpersonen. Meer in het bijzonder betrof het
mw. mr. drs. K.S. Adhin (DMV/MR), mr. H. Docter (DMV/MR) en drs. H.W. van der Veen
(DMV/VG). De AIV is de geraadpleegde personen en instanties erkentelijk voor hun
inbreng.
                                             5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>In het onderhavige advies wordt in de eerste plaats aandacht geschonken aan een
aantal belangrijke ontwikkelingen op het terrein van de rechten van de mens en de ont-
wikkelingssamenwerking sinds het verschijnen van het advies van de Adviescommissie
Mensenrechten Buitenlands Beleid in 1987 (hoofdstuk II) en aan ontwikkelingen bin-
nen het Nederlandse beleid. Vervolgens wordt ingegaan op een aantal conceptuele
aspecten van de problematiek. Daarbij wordt met name gekeken naar de plaats en
betekenis van de rechten van de mens in het ontwikkelingsdebat en in de ontwikke-
lingssamenwerking en de wijze waarop de problematiek van armoedebestrijding duide-
lijk kan maken hoe de ondeelbaarheid van en toegang tot de mensenrechten in de
praktijk uitwerkt (Hoofdstuk III). In hoofdstuk IV wordt meer specifiek gekeken naar de
praktijk van de mensenrechtenbenadering in de ontwikkelingssamenwerking en wordt
bezien welke argumenten worden gehanteerd bij deze benaderingswijze. Tevens wordt
bekeken welke problemen worden ervaren. In het daaropvolgende hoofdstuk V wordt
hierop nader ingegaan en wordt aandacht geschonken aan belangrijke uitgangspunten
bij de vormgeving van een mensenrechtenbeleid in de ontwikkelingssamenwerking. Het
advies wordt afgesloten met een aantal conclusies.
De AIV heeft bij dit advies als uitgangspunt genomen dat het bestaan van wijdverbreide
extreme armoede het onmogelijk maakt voor betrokkenen hun mensenrechten effectief
te realiseren. Dit uit zich in gebrek aan medezeggenschap, onvoldoende of ontbreken-
de primaire gezondheidszorg en onderwijs en toegang tot huisvesting, (schoon) water
en voedsel. De internationale gemeenschap dient dan ook hoge prioriteit te blijven
geven aan de verlichting en uiteindelijke uitbanning van de armoede.
In de adviesaanvraag wordt een vraag gesteld over de relatie tussen het Pro-Poor
Growth-concept van IMF/Wereldbank en de mensenrechtenbenadering en de wijze
waarop dit concept kan bijdragen aan de mensenrechtenbenadering. De AIV heeft in
januari 2003 een advies over deze problematiek in Sub-Sahara Afrika afgerond. De AIV
heeft ervoor gekozen de vraag over dit onderwerp niet in dit advies te behandelen,
maar daaraan in het andere advies aandacht te besteden.1 Vanzelfsprekend is
gestreefd naar een goede afstemming tussen beide adviezen.
Dit advies is voorbereid in een daartoe ingestelde subcommissie, die bestond uit leden
van de Commissies Mensenrechten (CMR) en Ontwikkelingssamenwerking (COS) van
de AIV. De volgende personen namen hieraan deel: Prof. dr. P.R. Baehr (CMR), mw.
prof. dr. C.E von Benda-Beckmann-Droogleever Fortuijn (CMR), prof. mr. Th.C. van
Boven (CMR), mw. dr. O.B.R.C. van Cranenburgh (COS), drs. T. Etty (CMR), prof. mr. C.
Flinterman (CMR, voorzitter subcommissie), prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman (COS),
mw. mr. C. Hak (CMR), mw. prof. dr. A. Niehof (COS) en prof. mr. N.J. Schrijver (COS,
voorzitter subcommissie). De leden mw. dr. M.C. Castermans-Holleman (CMR) en prof.
dr. E. de Kadt (COS) hebben overwegend als corresponderend lid deelgenomen. Het
secretariaat is gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink (secretaris CMR) en de stagiaires
mw. B. Frequin, mw. S. Bonjour en mw. C. van der Sanden.
Het advies is door de AIV vastgesteld op 4 april 2003.
1   Zie AIV, ‘Pro-Poor Growth in de bilaterale partnerlanden in Sub-Sahara Afrika, een analyse van strate-
    gieën tegen armoede’, advies nr. 29, Den Haag, 2003.
                                                        6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>II         Ontwikkelingen sinds 1987 en het Nederlands beleid
In de adviesaanvraag wordt verwezen naar het advies van de, inmiddels opgeheven,
Adviescommissie Mensenrechten Buitenlands Beleid (ACM) over ontwikkelingssamen-
werking en mensenrechten dat in 1987 is uitgebracht.2 In dat advies heeft de ACM,
uitgaande van een directe samenhang tussen de bevordering van de rechten van de
mens en ontwikkelingssamenwerking, een aantal aanbevelingen geformuleerd, die erop
waren gericht de samenhang tussen beide terreinen te vergroten. In de reactie van de
regering op het advies werd geconstateerd dat de regering en de ACM het eens waren
over de belangrijkste uitgangspunten. Op andere punten nam de regering evenwel
enige afstand van het advies. Het betrof met name de aanbevelingen die waren gericht
op een vergroting van de toetsbaarheid en consistentie van het beleid en over het ver-
beteren van de afstemming van mensenrechten- en ontwikkelingssamenwerkingssactivi-
teiten binnen multilaterale fora.
Deze verschillen van mening laten overigens onverlet dat het onderwerp mensenrech-
ten reeds lange tijd een rol heeft gespeeld in de Nederlandse ontwikkelingssamenwer-
king. Dit werd met name op twee manieren zichtbaar: ten eerste expliciet in de vorm
van een voorwaarde voor steunverlening (met name op het terrein van de burger- en
politieke rechten). Deze vorm van conditionaliteit werd echter niet altijd op eenduidige
wijze toegepast.3 Ten tweede en meestal impliciet, door de doelstelling van armoede-
bestrijding in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking, eerst als één
van de twee sporen van beleid, later onder minister J. Pronk, als centrale doelstelling
van beleid.
Teneinde dit advies in een context te plaatsten, wordt in dit hoofdstuk een beeld
geschetst van de belangrijkste ontwikkelingen die zich sinds 1987 hebben voorgedaan
in de relatie tussen het terrein van de rechten van de mens en dat van de (Nederland-
se) ontwikkelingssamenwerking. Deze schets is mede van belang omdat zonder de
beschreven ontwikkelingen niet het klimaat had kunnen ontstaan dat heeft geleid tot
de nadere conceptuele en praktische uitwerking van een mensenrechtenbenadering in
de ontwikkelingssamenwerking door (organen van) internationale organisaties als
UNDP, Unicef, IAO, Wereldbank, IMF, de EU en een aantal belangrijke donorlanden (zie
hiervoor verder hoofdstuk IV).
II.1       Ontwikkelingen
Invloedrijke gebeurtenissen in deze periode vormen onder andere het einde van de
Koude Oorlog en de val van de Berlijnse Muur. Deze gebeurtenissen hebben geleid tot
een toenemende interdependentie van en interactie tussen samenlevingen en tot de
2   Zie Adviescommissie Mensenrechten Buitenlands Beleid (ACM): ‘Ontwikkelingssamenwerking en de
    Rechten van de Mens’, advies nr. 5, Den Haag, 1987. Voor een uitgebreide bespreking van dit advies:
    N.J. Schrijver, ‘Mensenrechtenbeleid en ontwikkelingssamenwerking: een gecompliceerde relatie’, Inter-
    nationale Spectator, september 1988, jrg 42-9, pp. 565-572.
3   Zie bijvoorbeeld ACM, ‘Hulp voor mensenrechten, Suriname en de rechten van de mens’, advies nr. 2,
    Den Haag, 1984 en P.R. Baehr, mw. M.C. Castermans-Holleman en F. Grünfeld, ‘Human Rights in the
    Foreign Policy of the Netherlands’, Intersentia publishers, Antwerp/Oxford/New York, 2002.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>opkomst van andere visies over mensenrechten.4 De discussies werden tot het midden
van de jaren tachtig in sterke mate beheerst door de tegenstellingen tussen Oost en
West, die een belangrijke invloed hadden op de ontwikkelingen binnen het mensenrech-
tensysteem van de Verenigde Naties (VN). De mondiale bescherming tegen schendin-
gen stond weliswaar centraal, maar het debat werd in sterke mate bepaald door de
grote prioriteit die door ‘West’ en ‘Oost’ werd gegeven aan respectievelijk de categorie
van burger- en politieke rechten en de categorie van economische, sociale en culturele
rechten.5 De democratische doorbraak in veel landen in Oost-Europa na 1989 heeft,
vooral op het terrein van burger- en politieke rechten, geleid tot grote veranderingen.
Ook in een aantal landen in Latijns-Amerika en Azië vonden (beginnende) processen van
democratisering plaats. Dit waren op zichzelf positieve tekenen; wel dient daarbij
steeds de vraag te worden gesteld in hoeverre deze doorbraak in alle gevallen ook in
werkelijkheid tot verbeteringen heeft geleid.6 Bovendien werd in de jaren negentig het
dekolonisatieproces, met bijvoorbeeld de onafhankelijkheid van Namibië en uiteindelijk
Oost-Timor, voltooid en werd de apartheid in Zuid-Afrika afgeschaft. Deze ontwikkelingen
vormden de opmaat tot een verdere versterking en inbedding van de rechten van de
mens op alle beleidsterreinen, inclusief ontwikkelingssamenwerking.
Bovengenoemde veranderingen hadden een grote invloed op het internationale debat
over de rechten van de mens. De ideologisch getinte discussie over de hiërarchie van
categorieën van rechten van de mens raakte overvleugeld door een debat over cultureel
waardenrelativisme. Dit debat was onder meer gericht op de relatie tussen democratie
en politieke participatierechten enerzijds en (economische en sociale) ontwikkeling
anderzijds. Daarnaast spitst het zich ook toe op culturele en religieuze tegenstellingen.
Verder heeft de mondialisering van de samenleving een belangrijke rol gespeeld en met
zich meegebracht dat traditionele staatsvormen en besluitvormingsprocessen, en dus
ook de machtsverhoudingen tussen overheden en burgers, niet langer een vast kader
vormen. De rol van niet-statelijke actoren, waaronder transnationale ondernemingen en
Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO’s), is toegenomen. In hoofdstuk III zal nader
worden ingegaan op een aantal van deze aspecten.
Een belangrijk ijkpunt voor de veranderingen in het internationale debat over de rechten
van de mens kan worden gevonden in de uitkomsten van de Tweede Wereldconferentie
Mensenrechten (Wenen, 1993). Tijdens de Eerste Wereldconferentie Mensenrechten
(Teheran, 1968) werd een impliciet verband gelegd tussen de rechten van de mens en
het armoedevraagstuk.7 In de Verklaring en het Actieprogramma van Wenen is dit
4  In sommige gevallen wordt gesproken over ‘de opkomst van een nieuwe ideologie’, namelijk een ideolo-
   gie die uitgaat van de idee dat een markteconomie automatisch leidt tot democratie en dus tot respect
   voor de rechten van de mens. Zie onder meer Francis Fukuyama, ‘The End of History and the Last Man’,
   New York, Avon Books, 1992. Zie echter ook Samuel P. Huntington, ‘The Clash of Civilisations’, Foreign
   Affairs, vol. 72, no. 3, zomer 1993, pp. 22-49.
5  Zie onder meer: ACM, ‘De rol van de Sub-Commissie ter Voorkoming van Discriminatie en Bescherming
   van Minderheden’, advies nr. 20, Den Haag, februari 1996 en ‘VN Toezicht op Mensenrechten’, advies
   nr. 22, Den Haag, oktober 1996.
6  In politicologische literatuur wordt in dit verband vaak gesproken over ‘niet-liberale democratieën’. In
   deze democratieën hebben de veranderingen weinig verbetering gebracht op het terrein van de ESC-rech-
   ten van de mens en soms hebben economische programma’s zelfs tot verslechtering geleid.
7  Zie Proclamatie van Teheran, 13 mei 1968, art. 12 tot 19.
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>verband verder geëxpliciteerd en is de meest recente stand van het internationale
gedachtegoed over de rechten van de mens verwoord.8
Inhoudelijk werd in de Verklaring en het Actieprogramma van Wenen onder meer gesteld
dat de wereldgemeenschap dient te streven naar de realisering van de UVRM als
geheel, waarbij wordt bepaald dat ‘alle rechten van de mens universeel, ondeelbaar,
onderling afhankelijk en aan elkaar gerelateerd zijn’ en dat mensenrechten op een
evenwichtige en gelijke wijze, op hetzelfde niveau en met dezelfde nadruk moeten wor-
den behandeld. Hieraan werd toegevoegd dat ‘hoewel het belang van nationale en
regionale bijzonderheden en de verschillende historische, culturele en godsdienstige
achtergronden in gedachten moeten worden gehouden, staten de plicht hebben, onge-
acht hun politieke, economische en culturele systeem, alle rechten van de mens en
fundamentele vrijheden te bevorderen en te beschermen’.9 De vraag was dus niet
zozeer of de rechten van de mens universeel aanvaard worden, maar of staten, reke-
ning houdend met de eigen cultuur en de omstandigheden waarin elke staat verkeert,
ruimte hebben de rechten van de mens op nationaal niveau op eigen wijze te interprete-
ren en toe te passen. Ook werd, in beginsel 8, gesteld dat ‘democratie, ontwikkeling en
respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden onderling afhankelijk zijn en
elkaar versterken. Democratie is gebaseerd op de vrijelijk geuite wil van de bevolking
om de eigen politieke, economische, sociale en culturele systemen te bepalen en op
hun volledige participatie in alle aspecten van het leven. De internationale gemeen-
schap dient het versterken en bevorderen van democratie, ontwikkeling en respect voor
mensenrechten en fundamentele vrijheden in de gehele wereld te steunen’. In beginsel
10 wordt gesteld dat ‘de Wereldconferentie Mensenrechten opnieuw het recht op ont-
wikkeling, als vastgelegd in de Verklaring over het Recht op Ontwikkeling (1986), als
een universeel en onvervreemdbaar recht en een integraal onderdeel van de fundamen-
tele mensenrechten bevestigt’. De Wereldconferentie stelt voorts dat extreme armoede
en sociale uitsluiting een schending van menselijke waardigheid vormen. Het is, zo
stelt beginsel 25, ‘van essentieel belang voor staten om de participatie van de armste
mensen in het besluitvormingsproces door de gemeenschap waarin zij leven aan te
moedigen’.
Een aantal belangrijke internationale bijeenkomsten heeft in de jaren negentig verder
bijgedragen aan de versterking van de directe relatie tussen de rechten van de mens
en ontwikkeling. In dat verband kan onder meer worden gewezen op VN-wereldconferen-
ties als de Rio-conferentie inzake milieu en ontwikkeling (1992), de Internationale Con-
ferentie inzake Bevolking en Ontwikkeling (Caïro, 1994), de Sociale Top (Kopenhagen,
1995), de Vierde Wereldvrouwenconferentie (Peking, 1995), de Wereldconferentie over
huisvesting Habitat (Istanbul, 1996) en de Wereldtop inzake Duurzame Ontwikkeling
(Johannesburg, 2002). In de Slotverklaringen van deze conferenties wordt een nadere
uitwerking van de betekenis van de rechten van de mens voor het desbetreffende
beleidsgebied gegeven en zijn verplichtingen aangegaan en toezeggingen gedaan, die
kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van het mensenrechtenbeleid en de hand-
having van de legitimiteit van de mensenrechtengedachte, met name bij burgers uit ont-
8   Zie onder meer inaugurele rede van prof. mr. C. Flinterman, getiteld ‘Soevereiniteit versus humaniteit’,
    op 19 januari 2000 bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar rechten van de mens aan de Univer-
    siteit Utrecht.
9   Zie Declaratie en Slotverklaring van de Wereldconferentie inzake de Rechten van de Mens, Wenen, UN
    Doc. A/CONF/157/24 (1993), para. 5 Verklaring.
                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>wikkelingslanden. Zo is de positie van vrouwen door deze VN-conferenties pregnant
onder de aandacht gebracht en is aangetoond dat vrouwen minder economische kan-
sen, macht en politieke invloed en minder toegang tot hulpbronnen hebben dan
mannen, ondanks het gegeven dat deelname van vrouwen aan sociaal-economische en
politieke ontwikkeling van essentieel belang is voor de economische ontwikkeling en
welzijn van een land. Zo werd voorts in het kader van de Sociale Top overeenstemming
bereikt over de afspraak dat zowel donoren als hulpontvangende landen 20% van het
ontwikkelingsbudget zouden besteden aan de sociale sectoren en is bijvoorbeeld in het
‘Plan of Implementation’ van de Conferentie in Johannesburg overeengekomen dat
goed bestuur essentieel is voor duurzame ontwikkeling. Een krachtig economisch
beleid en solide democratische instituties die een antwoord bieden aan de behoeften
van de bevolking, zijn volgens dit Plan noodzakelijk voor duurzame economische groei,
het uitroeien van armoede en het creëren van werkgelegenheid. ‘Vrijheid, vrede en vei-
ligheid, binnenlandse stabiliteit, respect voor mensenrechten, met inbegrip van het
recht op ontwikkeling, de rechtsstaat, gendergelijkheid, marktgericht beleid en een
algemeen engagement voor rechtvaardige en democratische samenlevingen zijn essen-
tieel en versterken elkaar wederzijds’, zo stelt het Plan van Johannesburg.10
In de jaren negentig is voorts nadrukkelijk aandacht gekomen voor de nauwe samen-
hang tussen het handhaven van (internationale) vrede en veiligheid en het respecteren
van de rechten van de mens. Zo bracht de Secretaris-Generaal van de VN (SGVN) op
17 juni 1992 de ‘Agenda for Peace’ uit.11 In dit rapport over preventieve diplomatie,
vredesinitiatieven, vredesafdwinging en naoorlogse vredesopbouw werd expliciet inge-
gaan op het grote belang van mensenrechten voor het bereiken van een stabiele
wereld. Deze problematiek is prominent gaan figureren op de agenda van de Veilig-
heidsraad van de VN en heeft een aantal malen geleid tot besluitvorming over VN-ope-
raties op basis van Hoofdstuk VII van het Handvest; de conflicten en vele slachtoffers
in de jaren negentig in bijvoorbeeld Rwanda, voormalig Joegoslavië, Kosovo en Tsjetsje-
nië bewijzen eens temeer hoe essentieel deze aandacht is.12 Een ander rapport van
de SGVN, met als titel ‘An Agenda for Development’, heeft een verdere impuls gegeven
aan de aandacht van het totaal van de VN voor alle categorieën mensenrechten.13 Het
bovenstaande beeld kan verder worden aangevuld door te wijzen op belangrijke initia-
tieven als de benoeming van speciale VN-rapporteurs en -experts inzake geweld tegen
vrouwen, het recht op huisvesting en het recht op ontwikkeling door de VN-Commissie
voor de Rechten van de Mens, het Facultatieve Protocol bij het Verdrag inzake het uit-
bannen van discriminatie jegens vrouwen (CEDAW) en de instelling van ad hoc interna-
tionale straftribunalen voor voormalig Joegoslavië en Rwanda en recentelijk het perma-
nente Internationale Strafhof. Tevens vonden in diverse nationale rechtsordes via onder
10 Zie: ‘Report of the World Summit on Sustainable Development and Plan of Implementation’, UN Doc.
    A/CONF.199/20, Johannesburg, South Africa, 4 September 2002, para 120 bis. Zie ook para’s. 4, 5,
    97 en doelstellingen 121 en 152.
11 Zie UN Doc. A/47/277- S/24111 van 17 juni 1992.
12 Zie hiervoor ook: AIV en Commissie voor Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken: ‘Humanitaire
    interventie’, advies nr. 13, Den Haag, april 2000 en de besluitvorming op grond van Hoofdstuk VII Hand-
    vest over de actie ter bevordering van de rechten van de mens van de VN-Veiligheidsraad inzake Haïti
    (resolutie S//Res/940 van 31 juli 1994).
13 Zie UN Doc. A/48/935 van 6 mei 1994.
                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>meer Waarheids- en Verzoeningscommissies (onder meer in Zuid-Afrika, Nigeria en
Chili) of rechterlijke strafprocedures (in bijvoorbeeld Sierra Leone en Oost-Timor) pogin-
gen plaats tot afrekening met mensenrechtenschendingen uit het verleden.
II.2       Rol van en ontwikkelingen in het Nederlandse ontwikkelings-
           samenwerkingsbeleid
Nederland was bij bovengenoemde ontwikkelingen nauw betrokken. De reeds in de
jaren tachtig toegenomen aandacht voor bijvoorbeeld de rechten van de vrouw, de
bescherming van het milieu en de aandacht voor democratisering speelden een grote
rol in het denken en handelen in de uitvoeringspraktijk van Nederland en in internatio-
nale fora.14 Het Nederlandse beleid inzake ontwikkelingssamenwerking werd begin
jaren negentig neergelegd in een tweetal nota’s. In een nota van 1990 wordt bestrij-
ding van structurele armoede als hoofddoelstelling van beleid bevestigd. Bevordering
van de rechten van de mens was niet alleen voorwaarde, maar ook doelstelling van
programma’s.15 Deze nota, Een Wereld van Verschil, kreeg op beleidsniveau een ver-
volg in de nota Een Wereld in Geschil van 1993. In deze laatste nota wordt grote
nadruk gelegd op het belang van het bewerkstelligen en handhaven van vrede; als
directe beleidsconsequenties worden genoemd het grote belang van het verstrekken
van noodhulp, steun in het kader van goed bestuur aan politie en justitie, aan demo-
cratisering (verkiezingen) en aan mensenrechtenorganisaties (de zogenaamde ‘positie-
ve koppeling’). Behalve in de bilaterale (officiële) samenwerking, was via de Medefinan-
cieringsorganisaties (MFO’s) lange tijd, en zeker vanaf de eerste officiële subsidie-
regeling (‘kaderovereenkomst van 1980’), een centrale plaats toegekend aan zowel de
burger- en politieke als de economische, sociale en culturele mensenrechten als doel-
stelling van beleid en dus als doelstelling van door NGO’s uit te voeren programma’s.
Als gevolg van beleidswijzigingen aan het einde van de jaren negentig (Kabinet-Kok II)
is het aantal landen waarmee Nederland een intensieve ontwikkelingsrelatie onder-
houdt, beperkt van ongeveer 50 tot 19 (+3) landen. In die kabinetsperiode begint het
streven naar versterking van donorcoördinatie en naar een vergroting van het multilate-
rale financieringskanaal. Tevens wordt een nog grotere nadruk gelegd op goed bestuur
en goed beleid. In de notitie mensenrechten 2001 wordt onder meer opgemerkt dat
het beleid op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking zich vooral richt op de
wereldwijde naleving van mensenrechtennormen en op de versterking van de capaciteit
van staten en van internationale toezichtmechanismen om de bescherming van de
rechten van de mens te bevorderen.16 Daarbij wordt expliciet aandacht gevraagd voor
de sterke samenhang tussen enerzijds mensenrechten en conflicten en anderzijds
mensenrechten en ontwikkeling. Voorts wordt aangegeven dat wordt gezocht naar een
betere conceptuele en operationele aansluiting tussen het mensenrechtenbeleid en
ontwikkelingssamenwerking, met als doel op beide terreinen de beleidsdoeleinden
14 De vele mensenrechtenrelevante activiteiten en projecten, zoals in Chili en Zuid-Afrika, zijn hiervan
    slechts voorbeelden. Zie echter ook AIV: ‘Geweld tegen vrouwen, enkele rechtsontwikkelingen.’, advies
    nr. 18, Den Haag, februari 2001 en ‘Integratie van gendergelijkheid, een zaak van verantwoordelijkheid,
    inzet en kwaliteit’, advies nr. 25, Den Haag, januari 2002.
15 Zie beleidsnota’s: ‘Een Wereld van Verschil, nieuwe kaders voor ontwikkelingssamenwerking’ (1990) en
    ‘Een Wereld in Geschil. De grenzen van de ontwikkelingssamenwerking verkend’ (1993).
16 Zie notitie mensenrechten 2001, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 2001.
                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>effectief en coherent na te streven.
Het bevorderen en beschermen van de menselijke waardigheid is de gemeenschappelij-
ke noemer van zowel mensenrechtenbeleid als van het beleid inzake ontwikkelings-
samenwerking.17 Er dient een omgeving te worden gecreëerd waarin armen een stem
hebben en waarin aan hen bescherming kan worden gegeven. Armoede wordt niet
alleen gezien als een gebrek aan inkomen en een slechte of niet-bestaande toegang
tot basisvoorzieningen, maar ook als een gebrek aan kennis, informatie en macht. In
de in 2001 uitgebrachte notitie over armoedebestrijding wordt verwoord dat armoede
niet alleen een gebrek aan voedsel of aan andere materiële zaken betreft. ‘Economi-
sche, politieke, sociale en psychologische factoren zijn van invloed. Het gaat ook om
toegang tot en controle over (menselijke, natuurlijke, fysieke, financiële en sociale) fac-
toren, die het leven leefbaar maken en die kunnen worden gezien als een soort basis-
rechten: land, primaire gezondheidszorg en onderwijs, een schoon milieu, natuurlijke
hulpbronnen als water, vrede, een betrouwbare overheid en afwezigheid van discrimina-
tie naar bijvoorbeeld afkomst, geloof of geslacht’. In het recente advies inzake Pro-Poor
Growth geeft de AIV de vijf dimensies van armoede weer, die in internationale fora veel-
al worden gehanteerd.18
Omdat de bescherming en bevordering van mensenrechten primair de verantwoordelijk-
heid is van nationale staten, hebben zij nadrukkelijk de verplichting zelf inspanningen
te verrichten ter realisering van mensenrechten: zij mogen hun inspanningen niet laten
afhangen van internationale steun. De internationale mensenrechtenverdragen bieden
een kader waarbinnen een overheid kan worden aangesproken op bovengenoemde ver-
plichting ten aanzien van haar burgers.
Het beleid ten aanzien van goed bestuur heeft zich de laatste jaren vooral gericht op
verbetering van de integratie van de rechten van de mens in de Nederlandse ontwikke-
lingsprogramma’s. De bereidheid van regeringen te werken aan goed bestuur en recht,
inclusief de eerbiediging van de mensenrechten, geldt in een mensenrechtenbenade-
ring als grondslag voor een ontwikkelingsrelatie. Aan een aantal landen wordt, op vraag
toegespitste, steun geboden op dit terrein. Het beleid richt zich vooral op democratise-
ring, decentralisatie, corruptiebestrijding en openbare financiën.19 Daarnaast krijgen
handhaving en versterking van de rechtsstaat veel aandacht, bijvoorbeeld door onder-
steuning van wetgevingsactiviteiten, het faciliteren van opleidingen voor rechters en
andere juristen en steun aan juridisch georiënteerde NGO’s.20 Nederland heeft voorts
17 Zie onder meer de toespraak van mw. R.V.M. Jones-Bos MA (Mensenrechtenambassadeur) over de
   ‘Human Rights-based Approach to Development’, Poelgeest 5-8 november 2001.
18 Zie notitie Armoedebestrijding, Nederlands beleid in kort bestek, Ministerie van Buitenlandse Zaken,
   Den Haag, december 2001, pp. 8/9. Voor een uitgebreide beschrijving van aspecten van armoede ver-
   wijst de AIV ook naar het in voetnoot 1 genoemde advies van de AIV inzake Pro-Poor Growth.
19 Zie voor kritisch commentaar op het beleid inzake goed bestuur onder andere: WRR, ‘Ontwikkelingsbe-
   leid en goed bestuur’, Den Haag, 2001. Zie verder ook: Uta Seela, ‘Corruptiebestrijding in het Neder-
   landse ontwikkelingsbeleid’, Internationale Spectator, Jrg. 57, nr. 2, februari 2003, p. 76 e.v. en AIV,
   ‘Commentaar op de notitie mensenrechten 2001’, advies nr. 23, Den Haag, september 2001.
20 Zie voor een commentaar op de beleidsvoornemens in dezen: AIV: ‘Commentaar op de criteria voor
   structurele bilaterale hulp’, advies nr. 7, Den Haag, november 1998.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>een proefproject gestart, om aan de hand van een vijftal thema’s te bezien hoe de ont-
wikkeling is op het terrein van goed bestuur. Deze thema’s zijn:
    het functioneren van parlementen;
    de onafhankelijkheid van de rechtspraak;
    de rol van leger en politie;
    de intensiteit van corruptie; en
    de effectiviteit/slagkracht van lokaal bestuur.
Deze thema’s hebben, mogelijk met uitzondering van het laatste, een verband met de
brede problematiek van de rechten van de mens, maar worden niet altijd vanuit een
mensenrechtenperspectief benaderd. Voorts wordt de op zichzelf positieve ontwikkeling
van verdere integratie van de rechten van de mens gehinderd door een gebrek aan
aansturing en doelgerichtheid. De doorgevoerde decentralisatie van de budgetten voor
het Nederlandse (bilaterale) ontwikkelingssamenwerkingsbeleid heeft op lokaal niveau
een beter zicht gegeven op activiteiten en resultaten die in de landen plaatsvinden.
Tegelijkertijd is er, onder meer door gebrekkige terugkoppeling naar het departement,
echter onvoldoende overzicht van de volle breedte van dat deel van de ontwikkelingssa-
menwerking. Daardoor is het bepalen van algemene beleidsprioriteiten lastig. Naar het
oordeel van de AIV is het bepalen van zulke algemene beleidsprioriteiten wel noodzake-
lijk; in de toekomst zou daarom moeten worden voorzien in een beter terugkoppelings-
mechanisme.
Uit bovenstaande beschrijving blijkt dat in de Nederlandse beleidspraktijk, met meer of
minder succes, al diverse aanzetten zijn gegeven tot een ‘mensenrechtenbenadering
van ontwikkeling’. In het volgende hoofdstuk zal nader worden ingegaan op de argu-
menten die, in het internationale debat dat over deze benadering wordt gevoerd, wor-
den gehanteerd.
                                              13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>III       Mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking:
          punten van debat
In dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op relevante aspecten van de discussie
over mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking. Ook wordt aandacht besteed aan
een aantal vragen in de adviesaanvraag. In het bijzonder gaat het om de discussie over
de ondeelbaarheid van de rechten van de mens, de (vermeende) proliferatie van nor-
men op het terrein van de rechten van de mens, toegang tot het recht en de problema-
tiek van het recht op ontwikkeling.
III.1     Ondeelbaarheid en universaliteit
De rechten van de mens zijn op verschillende wijzen, direct en indirect, relevant voor
armoedebestrijding. Het betreft bijvoorbeeld het recht op leven, voedsel en gezondheid,
maar ook de naleving van burger- en politieke rechten, zoals het recht op vrijheid van
vereniging en vergadering. Het één (armoedebestrijding) kan niet zonder het ander
(mensenrechten).21 Voor armoedebestrijding is een stapsgewijze strategie nodig. Dit
veronderstelt, zoals ook is vermeld in het onlangs vastgestelde advies inzake Pro-Poor
Growth, dat de diverse dimensies van armoede worden onderkend; armoede kan wor-
den gekarakteriseerd als een optelsom van niet-gerealiseerde mensenrechten.22 Zo
kan worden bepaald wat de basisvoorwaarden zijn voor een menswaardig bestaan. In
een studie over mensenrechten en armoedebestrijdingsstrategieën, die in 2002 is
opgesteld voor het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens,
wordt gesteld dat een dergelijke bepaling van voorwaarden alleen te verantwoorden is
door een proces van sociale consultatie waaraan mensen van alle achtergronden kun-
nen deelnemen.23
De rol van de rechten van de mens in het kader van armoedebestrijding is historisch
verklaarbaar. In het Handvest van de VN worden de bescherming en bevordering van de
rechten van de mens aangeduid als een hoofddoelstelling van de VN en sinds 1945 is
gewerkt aan de uitwerking van een stelsel van waarden en normen dat is gericht op het
veiligstellen van vrijheid en een menswaardig bestaan voor eenieder, waar ook ter
wereld.24 Dat kan alleen worden gerealiseerd als een groot aantal mensenrechten,
zowel burger- en politieke rechten als economische, sociale en culturele rechten, wordt
gerespecteerd. Lange tijd is in de discussies over en de nadere uitwerking van de nor-
men onderscheid gemaakt tussen deze categorieën rechten. Sinds de Wereldconferen-
tie in 1993 dient evenwel de ondeelbaarheid, de onderlinge afhankelijkheid en de gelijk-
waardigheid van beide categorieën rechten van de mens als fundamenteel beginsel van
21 Zie bijvoorbeeld Amartya Sen, ‘Development as Freedom’, Alfred A. Knopf, New York, 1999.
22 Ibid. voetnoot 1, p. 9.
23 Zie voor andere voorbeelden: P. Hunt, M. Novak and S. Osmani, ‘Human Rights and Poverty Reduction
    Strategies, a discussion paper’, Bureau of the HCRM, Genève, 28 February 2002, p. 9-10.
24 Zie hiervoor onder meer: De ‘International Bill of Rights’, die de UVRM, het BuPo-verdrag en het ESC-ver-
    drag omvat.
                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>het internationale recht inzake de rechten van de mens en is als zodanig ook uitgangs-
punt van het Nederlandse beleid.25
De discussie over de genoemde tweedeling concentreerde zich met name op de status
van economische, sociale en culturele rechten en op de verhouding daarvan tot burger-
en politieke rechten. De oorzaken van deze tweedeling werden nauwelijks besproken.
De veelal gebruikte redenering was, dat beide categorieën mensenrechten in juridisch
opzicht verschillende rechtsgevolgen hebben en niet vergelijkbaar zijn. De AIV heeft
zich al eerder uitgesproken over deze problematiek en erop gewezen dat hij deze twee-
deling niet onderschrijft. Beide categorieën rechten zijn bronnen van negatieve en posi-
tieve juridische verplichtingen van staten. Dit volgt ook uit de statenpraktijk binnen
onder meer de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens en de eerder vermelde
Wereldconferenties, uit de jurisprudentie zoals van toezichthoudende comités (het Men-
senrechtencomité, het ESC-Comité, de Afrikaanse Commissie, het Europese Hof voor
de Rechten van de Mens en het Comité van experts van het Europees Sociaal Hand-
vest) en andere (semi-)juridische instanties. Tevens kan worden gewezen op de wijze
waarop bijvoorbeeld de Internationale Arbeidsorganisatie en andere gespecialiseerde
organisaties en VN-organen vorm hebben gegeven aan een nadere uitwerking en preci-
sering van economische, sociale en culturele rechten die binnen hun werkterrein val-
len. Het is evident dat daarbij niet van uniformiteit kan worden gesproken, omdat elk
recht zijn eigen rechtsgevolgen heeft. Een voorbeeld hiervan kan worden gevonden in
het ‘General Comment’ van het Economisch Sociaal Cultureel-comité (ESC-comité) van
1991 inzake het recht op huisvesting. Daarin wordt (terecht) erkend dat de implemen-
tatie van een universele mensenrechtennorm niet in alle staten voor alle aspecten van
de desbetreffende norm op uniforme wijze behoeft te geschieden. Anders gezegd, bij
de implementatie van het recht op huisvesting hebben staten een zekere beleidsruim-
te. Wel dient te worden gerapporteerd aan het ESC-comité hoe staten van de aan hen
gegeven beleidsruimte gebruik hebben gemaakt. Op deze wijze is een bijdrage geleverd
aan een verdere precisering van de verschillende aspecten van het recht op huisves-
ting in verschillende samenlevingen, staten en culturen.26
De AIV is het niet eens met de veel gehoorde opvatting dat, indien rechten als het
recht op onderwijs, voedsel en primaire gezondheidszorg en andere rechten in de eco-
nomische sfeer verzekerd zijn, de eerbiediging en realisering van burger- en politieke
rechten als het ware vanzelf zouden volgen. Het gebeurt niet zelden dat landen een toe-
nemende welvaart laten zien, terwijl deze niet vergezeld gaat van een verbetering van
de burger- en politieke rechten. Omgekeerd kan de naleving van burger- en politieke
rechten een belangrijk middel zijn voor de verwezenlijking van economische, sociale en
culturele rechten; immers via de vrijheid van meningsuiting en vereniging en vergadering
kunnen burgers en organisaties de naleving van economische, sociale en culturele rech-
ten actief bevorderen. Bovendien kan zo het oneigenlijk gebruik van een beroep op cul-
turele diversiteit om schendingen van de rechten van vrouwen of inheemse volken te
rechtvaardigen, aan de kaak worden gesteld. Vaak dient deze rechtvaardiging namelijk
25 Zie hiervoor bijvoorbeeld de Nota ‘De rechten van de mens in het Buitenlands beleid’ (1979), Tweede
   Kamer, zitting 1978-1979, 15571, nrs. 1 en 2.
26 Zie ook AIV: ‘Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid’, advies nr. 4,
   Den Haag, juni 1998 en ‘Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens’, advies
   nr. 11, Den Haag, september 1999. Zie ook Notitie mensenrechten 2001, Ministerie van Buitenlandse
   Zaken, Den Haag, 2001, p. 5.
                                                     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>slechts ter afscherming van het eigen politieke systeem voor kritiek of ter inperking van
de reikwijdte van een aantal fundamentele mensenrechten, onder meer om de positie
van de politieke elite te versterken. Mensenrechten zijn geen luxeartikelen, die landen
zich pas kunnen veroorloven wanneer zij een zeker niveau van ontwikkeling hebben
bereikt.
De vraag is evenwel gerechtvaardigd of het bij het benadrukken van de ondeelbaarheid
van alle mensenrechten in de praktijk vooral om lippendienst gaat. De discussies zijn
op politiek niveau vaak blijven steken in de geleidelijke realiseerbaarheid van economi-
sche, sociale en culturele rechten en selectiviteit van keuzes; economische, sociale en
culturele rechten zouden geen rechten van burgers zijn, maar slechts beleidsbeginselen
voor staten. Het feit dat bijvoorbeeld de Verenigde Staten niet de gelijkwaardige behan-
deling van beide categorieën mensenrechten ondersteunt, wat onder meer blijkt uit het
uitblijven van ratificatie van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten (ESC-verdrag), is uiterst zorgwekkend. De AIV heeft reeds eerder
geconstateerd dat de Nederlandse regering in haar beleid sinds 1993 een meer positie-
ve houding inneemt ten opzichte van ontwikkelingen op dit terrein. Toch blijft het, ook
voor Nederland, noodzakelijk nadrukkelijk te streven naar een werkelijk gelijkwaardige
benadering van beide categorieën rechten. Met name de ontwikkeling van klachtproce-
dures die een geleidelijke implementatie controleerbaar maken, zoals een Facultatief
Protocol bij het ESC-verdrag, dat een individueel klachtrecht op het terrein van economi-
sche, sociale en culturele rechten omvat, verdient daarbij serieuze aandacht. Op dit ter-
rein voert Nederland, ten onrechte, nog immer een terughoudend beleid.27
III.2    Proliferatie
In de adviesaanvraag wordt de vraag opgeworpen of er een risico bestaat dat het begrip
mensenrechten aan inflatie onderhevig raakt, door alles wat met ontwikkeling te maken
heeft als mensenrecht te bestempelen. In het bijzonder wordt daarbij gewezen op het
gevaar van ‘papieren rechten’: rechten die geen wortels hebben in de maatschappelijke
context en niet of nauwelijks realiseerbaar zouden zijn. Ook wordt benadrukt dat het in
het ontwikkelingsbeleid vaak niet om concrete, individueel bepaalbare schendingen van
mensenrechten gaat, maar om een algehele situatie waarin, of wel door een algemeen
gebrek aan middelen of door het ontbreken van een rechtvaardig en goed functionerend
rechtssysteem, de rechten van velen niet kunnen worden gerealiseerd.
Sinds de oprichting van de VN is een groot aantal verdragen en verklaringen ter
bescherming van de rechten van de mens tot stand gekomen. Toch kan naar de mening
van de AIV in dit kader niet worden gesproken van een inflatie van mensenrechten,
maar veeleer van een toespitsing en verfijning van substantiële mensenrechtennormen
en van het ontwikkelen van een stelsel van toezichtmechanismen. Ontwikkelingen op
regelgevend gebied (zowel materieel als procedureel) betreffen vooral de verdere uitwer-
king van algemene normen zoals die onder meer in de ‘International Bill of Rights’ zijn
neergelegd en niet of nauwelijks op het formuleren van nieuwe normen. Het nog voort-
durende debat over collectieve rechten is vooral gericht op het vinden van oplossingen
voor structurele factoren die een volledig genot van de individuele rechten van de mens
27 Zie onder meer: AIV, ‘Commentaar op de notitie mensenrechten 2001’, advies nr. 23, Den Haag,
    september 2001, p. 9.
                                                  16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>in de weg staan.28 Een en ander laat overigens onverlet dat het, gezien het grote
aantal ontwikkelingen op het terrein van de rechten van de mens, voor velen lastig is
een verantwoord totaaloverzicht te krijgen.
In de vraagstelling over proliferatie van mensenrechten en van ‘papieren rechten’ wordt
ook gewezen op het belangrijke probleem van de implementatie van mensenrechten
waarvoor naast politieke wil, veelal grote financiële uitgaven noodzakelijk zijn. Arme lan-
den, die veelal beperkte middelen hebben en goed opgeleid kader ontberen, staan
daarbij voor grote problemen. Het serieus nemen van mensenrechten impliceert even-
wel dat overheden in ontwikkelingslanden de verplichting hebben deze (beperkte) mid-
delen in te zetten voor sociaal beleid en armoedebestrijding. Het niveau van implemen-
tatie hangt onder meer af van de sociaal-economische mogelijkheden die het betrokken
land heeft en van de politieke wil en het bestaan van een mensenrechtencultuur in de
desbetreffende staat. Die omstandigheden kunnen ertoe leiden dat volledige implemen-
tatie slechts op termijn mogelijk is. Zowel de Verenigde Naties als industrielanden die-
nen in die gevallen, door middel van financiële en materiële steun, een belangrijke bij-
drage te leveren aan de versterking van de implementatie van deze rechten, zoals
onder meer is voorzien in het ESC-verdrag. Tevens is het van belang dat eenmaal over-
eengekomen afspraken en toezeggingen op het terrein van de mensenrechten en de
ontwikkelingssamenwerking (zoals de Kopenhagen-afspraken, de Millennium Develop-
ment Goals (MDG’s) en de Monterrey-consensus ten aanzien van ontwikkelingsfinancie-
ring) consequent worden nagekomen. Ook goed bestuur en respect voor de rechten van
de mens in ontwikkelingslanden is vereist om te waarborgen dat ontwikkelingssamen-
werking ten goede komt aan hen voor wie het is bedoeld.
III.3     Toegang tot het recht
De realisering van de rechten van de mens hangt in belangrijke mate af van een func-
tionerende rechtsorde, die is gebaseerd op een ordentelijke bescherming van belangen
en die voorziet in een adequate beslechting van geschillen. Een goed functionerend,
niet-corrupt en effectief rechtssysteem is in dat opzicht van essentieel belang. Door het
treffen van maatregelen die gericht zijn op het effectueren van de toegang tot het recht
en de rechtspraak voor armen, bijvoorbeeld door permanente educatie op het terrein
van de rechten van de mens, het creëren van effectieve rechtsbeschermingsprocedures
door bijvoorbeeld het instellen van nationale mensenrechteninstituten en ombudsman-
instituten, kan voorts worden voorkomen dat claims van dominante groepen in de
samenleving worden bevoordeeld ten opzichte van claims van niet-dominante groepen.
Dit risico bestaat in de praktijk van alledag en moet doorlopend worden onderkend;
Rechtszekerheid en rechtvaardigheid zijn immers nauw met elkaar verbonden. Economi-
sche ontwikkeling waarin bescherming tegen een onrechtvaardige verdeling van wel-
vaart het uitgangspunt is, kan slechts plaatsvinden in een rechtsstaat met goed func-
tionerende instituties. Daarbij is het verder van groot belang dat de in het internationale
recht erkende rechten van de mens zijn ingebed in de relevante nationale wet- en regel-
geving.29 Het is echter de rechthebbende zelf die in voorkomende gevallen in actie zal
28 Zie onder meer ACM: ‘Collectieve rechten’, advies nr. 19, Den Haag, 1995 en AIV: ‘Universaliteit van de
    rechten van de mens en culturele verscheidenheid’, advies nr. 4, Den Haag, juni 1998.
29 Zie onder meer: Th. Carothers, ‘Promoting the Rule of Law Abroad: The Problem of Knowledge’, Working
    Paper Carnegie Endowment, Washington, Rule of Law series, nr. 34, January 2003 en de ontwikkeling
    van nationale mensenrechteninstituten, gebaseerd op de zogeheten ‘Paris Principles’.
                                                   17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>moeten komen om zijn in het nationale recht neergelegde (internationale) mensenrech-
ten af te dwingen en op die wijze zijn aanspraken op voorziening in basisbehoeften
vorm te geven.
Participatie, in de vorm van zeggenschap, toegang tot het recht en rechtsbescherming,
zijn daarom van het grootste belang.30 Het gebrek aan participatie, en met name de
onmogelijkheid om rechten te claimen of feitelijke implementatie van rechterlijke uit-
spraken af te dwingen, wordt vaak gezien als een belangrijke oorzaak van armoede.31
Een voorbeeld biedt het recht op primaire gezondheidszorg. Dit recht brengt onder meer
met zich mee dat mensen toegang moeten hebben tot schoon drinkwater en moeten
kunnen beschikken over sanitaire voorzieningen. Binnen de heersende machtsverhou-
dingen, inclusief de bestaande verdeling van vermogen en inkomen, is voor honderden
miljoenen mensen de honorering van deze aanspraken niet gegarandeerd. Zij kunnen
niet een onmiddellijk beroep doen op juridische middelen tot rechtsbescherming. Voor
hen bieden de rechten van de mens allereerst een normatief handvat in een maat-
schappelijk en politiek gevecht voor een verbetering van hun leefomstandigheden.32 Het
gaat daarbij niet om inflatie van mensenrechten, maar om het belang van het vergroten
van toegang tot en de voorwaarden voor concrete implementatie van mensenrechten.
Staten hebben ten aanzien van de bepaling van de reikwijdte van sommige mensen-
rechten een zekere beleidsvrijheid, die in hoge mate afhangt van de ruimte die interna-
tionale verdragen en de bijbehorende toezichtmechanismen toelaten. Daarbij dient te
worden opgemerkt dat met betrekking tot een aantal kernrechten, die veelal behoren
tot de categorie van ‘niet-opschortbare’ rechten, geen enkele beleidsvrijheid bestaat.33
Ten aanzien van andere rechten bestaat deze wel, waardoor, in het licht van verschillen
in culturen, per afzonderlijk recht en zelfs per onderdeel van een recht verschillen tus-
sen staten kunnen bestaan. Steeds dient een afweging te worden gemaakt tussen het
belang van volledige realisering van het recht enerzijds en andere (zwaarwegende)
maatschappelijke belangen anderzijds; er is een zekere ‘margin of appreciation’ in
dezen. Deze afweging dient te worden verantwoord, in de eerste plaats op nationaal
niveau, maar vervolgens ook ten opzichte van internationale (semi-)rechterlijke of inter-
nationale politieke fora. Indien al wordt besloten tot inperking van rechten, dan dient
deze inperking zo beperkt mogelijk te zijn en in ieder geval in overeenstemming te zijn
met het internationale recht.34
Voor het inrichten en het behoud van een goed functionerend rechtssysteem is het van
groot belang dat alle staten partij worden bij de internationale verdragen inzake de
30 Zie onder meer: Deepa Narayan, ‘Voices of the Poor’, The International Bank for Reconstruction and
    Development’, The World Bank, Washington DC, 2000.
31 Zie onder meer over het recht op huisvesting, ‘De zaak Grootboom’, Zuid-Afrika, Constitutional Court-
    CCT11/00 van 4 oktober 2000.
32 Zie hierover ook Johannesburg Plan van Uitvoering 2002, paragraaf 120bis.
33 Zie onder meer artikel 4 Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten. Het gaat hierbij bij-
    voorbeeld om het recht op leven, het recht op vrijwaring van foltering en andere wrede behandeling, vrij-
    waring van slavernij en vrijheid van geweten en religie.
34 Zie hiervoor onder meer AIV: ‘Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid’,
    advies nr. 4, Den Haag, juni 1998, pp. 15-20 en 36-37.
                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>rechten van de mens en de daarbij behorende protocollen. Nog altijd laten vele landen
dit na. Zij maken het zo voor hun burgers moeilijker of zelfs onmogelijk om op te komen
voor hun internationaal erkende rechten van de mens. Daarmee onttrekken deze staten
zich aan de directe controle van verdragsrechtelijke toezichtmechanismen en daardoor
wordt effectief toezicht op de naleving door onafhankelijke instellingen ernstig belem-
merd.
III.4     Recht op ontwikkeling
Sinds de Senegalese jurist Kéba Mbaye in 1972 de idee van een recht op ontwikkeling
introduceerde, is internationaal uitgebreid gediscussieerd over het bestaan en de rele-
vantie van een dergelijk recht. Ervan uitgaande dat ontwikkeling aan de basis ligt van
ieder streven de kwaliteit van het bestaan van mensen en volken te verhogen, is het
recht op ontwikkeling vanaf midden jaren zeventig, mede onder invloed van de discus-
sie over een Nieuwe Internationale Economische Orde, vaak getypeerd als het belang-
rijkste onderdeel van de gepropageerde ‘structurele’ benadering om de rechten van de
mens te verwezenlijken. Maar juist dit, alsmede de discussie over de ‘nieuwe genera-
tie’ mensenrechten, heeft het recht op ontwikkeling vanaf het begin omstreden
gemaakt.
In de UVRM kunnen, hoewel de term als zodanig niet wordt gebruikt, aanknopingspun-
ten worden gevonden voor een individueel recht op ontwikkeling.35 Over het recht op
ontwikkeling van volken zijn daarentegen geen directe bepalingen opgenomen. Wel is in
de artikelen 1 van de beide mensenrechtenverdragen van 1966 gesteld dat alle volken
uit hoofde van het zelfbeschikkingsrecht ‘vrijelijk hun economische, sociale en politieke
ontwikkeling nastreven’. Dat het recht op ontwikkeling hier vooral in beschermende zin
in de mensenrechtenverdragen is opgenomen blijkt ook uit het slot van de paragraaf
over zeggenschap over de natuurlijke hulpbronnen: ‘In geen geval mogen een volk zijn
middelen van bestaan worden ontnomen’. De meest vergaande bepalingen over het
recht op ontwikkeling zijn opgenomen in het Afrikaanse Handvest inzake de Rechten
van Mensen en Volken (Banjul, 1981).36
Sinds 1977 heeft de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens aandacht besteed
aan het recht op ontwikkeling als instrument voor de realisering van vooral de sociaal-
economische rechten van de mens. Een in 1981 ingestelde VN-werkgroep slaagde er
(nog) niet in een verklaring over dit onderwerp op te stellen, maar in december 1986
aanvaardde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN), op basis van
voorstellen van het toenmalige ‘ongebonden’ Joegoslavië, desalniettemin een Verklaring
over het Recht op Ontwikkeling.37 Artikel 1 van deze Verklaring formuleert het recht op
ontwikkeling: ‘het recht op ontwikkeling is een onvervreemdbaar mensenrecht op basis
waarvan ieder mens en alle volken gerechtigd zijn deel te hebben, actie te voeren voor,
35 Zie UVRM, art. 25 (recht op een behoorlijke levensstandaard), art. 26 (recht op onderwijs), art. 27
    (recht op deelname aan het culturele leven van een gemeenschap) en art. 28 (inzake het bestaan van
    een maatschappelijke orde waarin mensenrechten kunnen worden verwezenlijkt). Zie ook ESC-verdrag.
    art. 11 (het recht van eenieder op een behoorlijke levensstandaard).
36 Afrikaanse Handvest inzake de Rechten van Mensen en Volken (Banjul, 1981), art. 22.
37 De uitslag van de stemming over AVVN Res. 41/128 van 4 december 1986 was: 146 stemmen vóór
    (waaronder Nederland), 1 tegen (de VS) en 8 onthoudingen (Westerse landen).
                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>bij te dragen aan en het genot te hebben van economische, sociale en politieke ontwik-
keling, waarin alle mensenrechten en fundamentele vrijheden kunnen worden verwezen-
lijkt’. Hier wordt dus, zij het niet ondubbelzinnig, zowel een mensenrecht als een recht
van volken gestipuleerd.
De Verklaring benadrukt dat de burger-, politieke, economische, sociale en culturele
rechten van de mens ondeelbaar zijn. Daarmee impliceert de Verklaring dat bevordering
van bepaalde rechten (bijvoorbeeld dat op ontwikkeling) geen rechtvaardiging vormt voor
de ontkenning van andere rechten (bijvoorbeeld burger- en politieke rechten). Voorts is
gesteld dat dit recht op ontwikkeling de volledige verwezenlijking veronderstelt van het
zelfbeschikkingsrecht van volken, met inbegrip van hun recht op volledige soevereiniteit
over natuurlijke hulpbronnen. Aanvankelijk bleef de Verklaring toch omstreden vanwege
de ideologische posities waarin landengroepen zich ten aanzien van dit onderwerp had-
den ingegraven. In 1993 werd het recht op ontwikkeling in de Verklaring van Wenen
werd opgenomen.38 De daarna door de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens
ingestelde werkgroep inzake het recht op ontwikkeling en in 1998 benoemde Onafhan-
kelijke Deskundige inzake het Recht op Ontwikkeling, prof. Arjun Sengupta, zijn daarvan
een concreet gevolg.
De Onafhankelijke Deskundige ziet het recht op ontwikkeling vooral als het recht om te
participeren in het proces van ontwikkeling, waarin alle mensenrechten en fundamente-
le vrijheden uiteindelijk worden gerealiseerd.39 De term proces is afkomstig uit de Ver-
klaring en duidt er in de eerste plaats op dat rechten geleidelijk moeten worden gereali-
seerd. De verwezenlijking van rechten kent twee aspecten: beschikbaarheid
(‘availability’) van diensten en goederen en toegang (‘access’) daartoe. Wanneer de
realisatie van het geheel van mensenrechten op de langere termijn wordt bekeken,
neemt de kwestie van beperkte beschikbare middelen in belang toe. Economische
groei, mits bevorderlijk voor de mensenrechten, biedt in de visie van de Onafhankelijke
Deskundige de oplossing. Dit is hét verschil tussen het recht op ontwikkeling en de
klassieke visie op ontwikkeling, waarin louter economische groei centraal stond. Econo-
mische groei blijft belangrijk, maar is niet doorslaggevend.40 Economische groei kan
alleen worden bereikt door een alomvattende mensenrechtenbenadering, die participa-
tie, goed beleid en rechtvaardige verdeling incorporeert.
Volgens Sengupta is de internationale gemeenschap verplicht actief te zijn op het gebied
van ontwikkelingssamenwerking. In zijn redenering kan, wanneer een ontwikkelingsland
zich bereid verklaart een ontwikkelingsbeleid te voeren dat gebaseerd is op een rechten-
benadering, een overeenkomst worden gesloten met donorlanden, waarin wederzijdse
verplichtingen worden vastgelegd. Op basis daarvan kan een dialoog worden aangegaan,
waarin donorlanden en het ontwikkelingsland elkaar kunnen aanspreken op hun verant-
woordelijkheden. Donorlanden beschikken dan over een methode die het minder waar-
38 Door toedoen van de Verenigde Staten werden enkele begeleidende clausules toegevoegd.
39 De volgende omschrijving wordt daarbij gehanteerd: ‘The definition of the right to development as a
    particular process of development in which all human rights and fundamental freedoms can be realized’.
    Zie hierover het vierde rapport van de Onafhankelijke Deskundige inzake het Recht op Ontwikkeling,
    UN DOC. E/CN.4/2002/WG.18/2 van 20 december 2001, para 2.
40 Zie hierover het vijfde rapport van de Onafhankelijke Deskundige inzake het Recht op Ontwikkeling,
    UN DOC. E/CN.4/2002/WG.18/6 van 18 september 2002, para’s 8 tot 13.
                                                     20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>schijnlijk maakt dat het budget dat zij ter beschikking stellen, wordt gebruikt voor ande-
re zaken dan waarvoor het is bedoeld; dit zal staten aanmoedigen de afgesproken
norm van 0,7% BNP aan te houden. Ontwikkelingslanden van hun kant kunnen er zeker
van zijn dat het toegezegde budget werkelijk beschikbaar zal zijn, zolang zij zich aan de
overeenkomst houden. De garantie dat projecten niet afgebroken hoeven te worden
vanwege gebrek aan financiële middelen zal ook het aantrekken van investeerders uit
de privé-sector vergemakkelijken. Om het recht op ontwikkeling verder te operationali-
seren stelt Sengupta daarom voor, een dergelijk implementatiemodel te gaan hanteren.
Dit model, dat hij de ‘compactmethode’ noemt, is niet onomstreden en kan internatio-
naal niet op veel steun rekenen.41 Het model lijkt in hoge mate op de samenwerkings-
vorm die Nederland in 1993 en 1994 heeft vastgelegd in de Duurzame Ontwikkelings-
verdragen met Benin, Bhutan en Costa Rica. Deze samenwerkingsovereenkomsten,
gebaseerd op kernbegrippen als participatie, wederkerigheid en gelijkwaardigheid, zijn
inmiddels geëvalueerd en er zijn vele kritische kanttekeningen geplaatst bij dit
model.42
De AIV signaleert dat het buitengewoon lastig is gebleken het recht op ontwikkeling
verder uit te werken. Soms lijkt de discussie hierover in rustiger vaarwater te komen
om vervolgens weer in volle hevigheid los te barsten. Veelal is dit afhankelijk van het
ambitieniveau van alle betrokkenen, waaronder de Onafhankelijke Deskundige, ten aan-
zien van het recht op ontwikkeling. De vraag is gerechtvaardigd, ook in de visie van de
AIV, of voor een ruime ambitie, zowel juridisch als politiek, voldoende steun is te ver-
werven. Op juridisch terrein is tot op heden nauwelijks voortgang geboekt en kan niet
worden gesproken van een stevige verankering van het recht op ontwikkeling in binden-
de juridische regels. Daarnaast wordt de politieke wenselijkheid, met name door
Westerse landen, nog immer sterk in twijfel getrokken en hebben de grote donoren en
de Wereldbank inmiddels gekozen voor een benadering die is gebaseerd op de Pro-
Poor Growth benaderingswijze.43
De waarde van het recht op ontwikkeling schuilt voor de AIV dan ook vooral in het ver-
bindende karakter ervan. De afzonderlijke mensenrechten op leven, voedsel, primaire
gezondheidszorg, onderwijs en deelname aan het politieke en culturele leven komen
samen in het recht op ontwikkeling. Als zodanig kan het integrerend werken en daar-
naast de rechten van individuen en volken verbinden. Bovendien levert een erkenning
van het recht op ontwikkeling een bijdrage aan de universele aanvaarding van alle men-
senrechten.44 Aldus kan het recht op ontwikkeling via het gecombineerde effect van
deze werkingen een positieve rol vervullen ter bevordering van respect voor het geheel
van de rechten van de mens.
41 Zie voor een uitwerking van het implementatiemodel (de ‘compactmethode’), onder meer Arjun Sengup-
   ta, ‘On the Theory and Practice of the Right to Development’, in Human Rights Quarterly, vol. 24 (2002)
   nr. 4, pp. 837-889. Het oorspronkelijke idee van de ‘compactmethode’ is afkomstig van de voormalige
   minister van Buitenlandse Zaken van Noorwegen, mr. T. Stoltenberg en onder meer verwoord in
   ‘Towards a World Development Strategy, in One World or Several’, OECD, 1989.
42 Zie ITAD Ltd: ‘Evaluation of Sustainable Development Agreements, Final Report’, March 2001.
43 Zie ook voetnoot 1.
44 Zie hiervoor ook AVVN Res. A/57/556/Add.2, Draft Resolutie XXI, van 4 december 2002 (tekst met
   definitieve codering nog te publiceren).
                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>IV        De ‘rights-based approach’ nader bekeken
Het benaderen van ontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking vanuit een mensenrech-
tenperspectief is van betrekkelijk recente datum. De eerste aanzetten voor een prakti-
sche uitwerking van deze benadering werd in het begin van de jaren negentig door bij-
voorbeeld de Human Rights Council of Australia gegeven.45 Nadien werden de toen
voorgestelde concepten, onder andere door het Verenigd Koninkrijk, nader gepreciseerd
en ingevuld. Ook het Human Development Report 2000 van de UNDP richtte zich op
het presenteren van een meer samenhangende visie.46 De ervaringen met deze bena-
deringswijze zijn derhalve nog slechts beperkt zichtbaar en toetsbaar. Wel kan worden
gesteld dat de donorlanden die deze benaderingswijze volgen, participatie, medezeg-
genschap en ‘een stem geven aan armen’ veelal als belangrijk uitgangspunt en als
doelstelling hanteren in hun ontwikkelingssamenwerkingsbeleid en in concrete program-
ma’s voor armoedebestrijding.47 In discussies over internationale ontwikkelingssamen-
werking hebben mensenrechten in slechts enkele jaren dan ook een centrale plaats
gekregen. Daarbij gaat het niet alleen meer om het bestrijden van mensenrechten-
schendingen (van met name burger- en politieke rechten) en om slachtoffers daarvan
hulp te bieden. Het gaat in toenemende mate om een aanpak van de ontwikkelingspro-
blematiek en de vormgeving van sociaal-economisch beleid in het licht van het gehele
stelsel van de internationale mensenrechtennormen.
De mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking is op vele wijzen
omschreven. Hieronder zal allereerst worden besproken op welke wijze een aantal inter-
nationale instellingen en organisaties aandacht besteedt aan de mensenrechtenbena-
dering. Vervolgens wordt ingegaan op de wijze waarop deze benaderingswijze is vormge-
geven in het beleid van de Europese Unie en een drietal belangrijke donoren (Duitsland,
Verenigd Koninkrijk en Zweden).48
IV.1      Het VN-systeem
IV.1.1    Bureau Hoge Commissaris voor de Rechten van de mens
Nadat de Wereldconferentie Mensenrechten in 1993 opriep over te gaan tot de instel-
ling van de functie van Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens (HCRM), is
deze functie door de AVVN gecreëerd. De HCRM speelt sindsdien een belangrijke rol in
de coördinatie van de VN-activiteiten op het terrein van de rechten van de mens. De
drie HCRM’s hebben tot nu toe met wisselend succes, er naar gestreefd het stempel
45 De activiteiten van deze Australische NGO op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking leidden in
    1995 tot het rapport ‘The Rights Way to Development’. In 2001 is een herziening en aanvulling uitgeko-
    men met als titel ‘The Rights Way to Development, policy and practice’ (2001).
46 Zie Human Development Report 2000 met als titel ‘Human Rights and Human Development’, Oxford
    University Press, New York, Oxford, 2000.
47 Zie voor een kritische beschouwing van dit model van participatie en medezeggenschap: AIV, Advies
    Pro-Poor Growth, advies nr. 29, 2003, pp. 45-46.
48 Bij de keuze is onder meer gekeken naar landen die én een aanzienlijke bijdrage leveren op ontwikke-
    lingssamenwerkingsgebied én zelf aangeven de mensenrechtenbenadering in het beleid toe te passen.
                                                    22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>van de rechten van de mens te drukken op het inhoudelijke programma van de VN.
Daarbij ging het vooral om het integreren van mensenrechten in het gehele VN-systeem
in het algemeen en in conflictpreventie, vredesoperaties en vredesopbouw in het bijzon-
der, om aandacht voor de positie van vrouwen en om activiteiten ter voorkoming van
mensenrechtenschendingen en tegen straffeloosheid. Wat het laatste aspect betreft zijn
vele activiteiten ontplooid om te komen tot nationale instituten voor de rechten van de
mens en zijn door de HCRM in 17 landen en regio’s mensenrechtenbureaus opgezet.
Sinds 1998 wordt op het terrein van een mensenrechtenbenadering structureel samen-
gewerkt met de UNDP-veldkantoren op het terrein van de informatie-uitwisseling en het
functioneren van de veldkantoren. De aandacht voor en de uitbouw van activiteiten
gericht op de problematiek van economische, sociale en culturele rechten en het recht
op ontwikkeling werden in eerste instantie vormgegeven door reorganisatie van het
bureau van de HCRM en door het ontwerpen en uitvoeren van een driejarenplan op dat
gebied.49 Successievelijk is ook de mensenrechtenbenadering van ontwikkeling in de
verdere werkzaamheden geïntroduceerd. De hiervoor genoemde studie over mensen-
rechten en armoedebestrijdingsstrategieën is vervolgens geïncorporeerd in een uitge-
werkt beleidsdocument. Dit document, ‘Draft guidelines: A Human Rights Approach to
Poverty Reduction Strategies’, is in september 2002 geproduceerd op verzoek van het
toezichthoudend Comité bij het ESC-verdrag, en is bedoeld om de discussie over dit
onderwerp verder te brengen. Dit belangwekkende document voor de operationalisering
en evaluatie van een mensenrechtenbenadering zal in 2003 op grond van ontvangen
commentaren en opgedane ervaringen in de praktijk worden herzien. Het uitgangspunt
van de in het document ontwikkelde ontwerprichtlijnen is dat beleid (op nationaal
niveau) van instellingen op het terrein van armoedebestrijding dient te zijn gebaseerd
op de normen en waarden als verwoord in de internationaal erkende mensenrechten-
verdragen. Dit wordt verder in detail uitgewerkt in de ontwerprichtlijnen.
IV.1.2    UNDP: Het UNDP Human Development Report
In het Human Development Report 2000 van het UNDP wordt uitgebreid ingegaan op
vele aspecten van een mensenrechtenbenadering van de ontwikkelingsproblematiek.
Het rapport stond geheel in het teken van dit onderwerp.50 Er wordt daarin onder meer
aangegeven dat ‘ …een evenwichtige maatschappelijke ontwikkeling de meeste kans
van slagen heeft als burgers aanspraak kunnen maken op deelname aan het openbaar
bestuur, op een regering die verantwoording aflegt en op een onafhankelijk rechtssys-
teem dat voor ieder toegankelijk is.’
In de mensenrechtenbenadering die het UNDP-rapport propageert, worden mensenrech-
ten gezien als een integraal onderdeel van ontwikkeling. Ontwikkeling wordt tegelijker-
tijd gezien als een manier om mensenrechten te verwezenlijken. De twee benaderingen
delen gemeenschappelijke motivaties en doelen: het garanderen van vrijheid, welzijn en
waardigheid voor allen. Volgens het rapport voegen mensenrechten aan ontwikkeling
toe:
   de idee van verplichtingen, die begrippen als aansprakelijkheid en verantwoordelijk-
    heid met zich meebrengt;
49 Voor meer detailinformatie zie: B.G. Ramcharan: ‘The United Nations High Commissioner for Human
    Rights, the challenges of international protection’, Martinus Nijhoff Publishers, Den Haag 2002.
50 Idem voetnoot 46.
                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>   instrumenten om beter zicht te krijgen op de relatie tussen intentie van beleid en
    effect van beleid; en
   zich rekenschap geven van de kwetsbaarheid van individuen en groepen binnen een
    samenleving.
Daarnaast voegt ontwikkeling aan mensenrechten toe:
   ervaring in het articuleren, preciseren en concretiseren van analyses;
   een expliciete en directe beoordeling van de effecten van beleid;
   een beter zicht op de sociale voorwaarden; en
   veranderingsprocessen met een zekere dynamiek.
Het UNDP-rapport doet een groot aantal voorstellen die moeten leiden tot meer sociale
rechtvaardigheid. Zo wordt gesteld dat wetgeving moet worden aangevuld met sociale
maatregelen; dat een nieuwe, inclusieve interpretatie van democratie moet worden ont-
wikkeld; dat armoedebestrijding als een uitdaging voor mensenrechten moet worden
beschouwd; dat mondiale rechtvaardigheid is vereist; dat meer gebruik moet worden
gemaakt van beschikbare statistieken en indicatoren voor het meten van vooruitgang;
dat alle belangrijke maatschappelijke actoren actief moeten worden betrokken bij het
proces; en dat ‘krachtiger internationale actie noodzakelijk is’.
Het rapport concludeert dat grote voordelen kunnen worden bereikt door de confronta-
tie aan te gaan met diep gewortelde economische en politieke belangen. Daartoe dient
internationale actie te worden ondernomen op een vijftal prioritaire terreinen:
   het versterken van een mensenrechtenbenadering in ontwikkelingssamenwerking
    zonder direct te denken in negatieve conditionaliteit (sancties);
   het mobiliseren van steun voor mensenrechtenverplichtingen van internationale
    bedrijven;
   het versterken van regionale strategieën;
   het nemen van initiatieven op het terrein van vredesonderhandelingen, vredesop-
    bouw en vredeshandhaving; en
   het versterken van de internationale mensenrechteninstellingen.
Het UNDP heeft het Human Rights Strengthening programma (HURIST) in het leven
geroepen om in de vorm van concrete projecten de capaciteit op mensenrechtenterrein
op nationaal niveau te versterken en om praktische ervaring met verschillende benade-
ringswijzen op te doen. HURIST programma’s ondersteunen op deze wijze bijvoorbeeld
nationale actieplannen inzake mensenrechten en bevorderen het opnemen van men-
senrechtenbenaderingen in programma’s van ontwikkelingssamenwerking. De ervarin-
gen met de werkwijze zijn nog beperkt. Het is duidelijk dat een dergelijke benaderings-
wijze, wil zij succes hebben, moet worden toegepast tijdens de gehele programma-
cyclus (van analyse en bepaling van nut en noodzaak tot en met evaluatie). Voorts
wordt in de evaluaties gesignaleerd dat de tot nu toe gebruikte analysekaders onvol-
doende aandacht besteden aan de wisselwerking tussen het wetgevingsproces, de ont-
wikkeling van het overheidsbeleid en de keuzes voor ontwikkelingssamenwerking, die
personen direct of indirect beïnvloeden. Binnen UNDP vinden vervolgdiscussies plaats
over een nadere uitwerking van een strategie inzake een mensenrechtenbenadering in
relatie tot armoede. Daarbij wordt door UNDP samengewerkt met alle belangrijke orga-
nisaties en instellingen van de VN, veelal in de context van de discussie over de
MDG’s. In die discussies, zoals laatstelijk tussen 19 belangrijke VN-instellingen in okto-
ber 2002, is uitgebreid stilgestaan bij het belang van de mensenrechtenbenadering
voor ontwikkeling in het algemeen en het bereiken van de doelstellingen van de MDG’s
in het bijzonder. Door onderling beter samen te werken (zowel op internationaal als
                                             24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>nationaal niveau), door al binnen het systeem beschikbare rapportages over mensen-
rechten en ontwikkeling als meetpunt van mogelijke vooruitgang te nemen en door als
een onafhankelijk platform van debat en actie te fungeren kan de VN de rol als motor
achter dit proces op nationaal niveau nog beter vormgeven.
IV.1.3   Unicef
De mensenrechtenbenadering is voor Unicef in de eerste plaats een uitdrukking van
zijn verplichting als VN-orgaan om mensenrechten te bevorderen. Voor Unicef staan het
Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (CRC) en het Internationale Ver-
drag inzake de Uitbanning van alle vormen van Discriminatie van de vrouw (CEDAW)
voorop.51 De mensenrechtenbenadering past in de visie op ontwikkelingssamenwer-
king die Unicef zich eigen heeft gemaakt. Het doel is duurzame ontwikkeling: lange-ter-
mijnprojecten moeten worden opgezet, die erop gericht zijn de wortels van de proble-
men van armoede en van mensenrechtenschendingen aan te pakken.
Twee begrippen staan hierbij centraal: participatie en verantwoording afleggen. Voor
Unicef betekent participatie dat de stem van kinderen moet worden gehoord, omdat zij
subject (niet object) van rechten zijn. Het impliceert ook dat niet alleen staten, maar
ook lokale overheden en het maatschappelijk middenveld bij projecten worden betrok-
ken. Het verantwoording afleggen verwijst ernaar dat staten, door hun ratificatie van
het CRC en CEDAW, vrijwillig verplichtingen zijn aangegaan, waaraan zowel hun burgers
als organisaties zoals Unicef zulke staten moeten houden. De mensenrechtenbenade-
ring is voor Unicef een methode, geen doel op zichzelf: het betreft niet wat er gedaan
wordt, maar de manier waarop het gedaan wordt. Dit brengt met zich mee dat een
alomvattende analyse van de structurele oorzaken van armoede in een land of gebied
moet worden gemaakt, waarbij aandacht wordt besteed aan de rollen van verschillende
actoren, aan beschikbare middelen, aan bestaande wetgeving en aan cultureel-traditio-
nele gedragspatronen.
Omdat de mensenrechtenbenadering is geïntegreerd in het totaal van het Unicef-pro-
gramma, wordt deze niet als aparte kostenpost op de begroting opgevoerd. Over de
concrete resultaten van de mensenrechtenbenadering valt uit recente jaarverslagen
(nog) niet veel op te maken. Het concept van UNICEF, met de focus specifiek op de
rechten van het kind, is wel helder en aansprekend. Omdat de mensenrechtenbenade-
ring is gericht op een structurele verandering van de leefomstandigheden van mensen,
is het effect moeilijk te meten. Voorts betreft het een lange-termijndoelstelling. In de
laatste jaarverslagen wordt veel aandacht besteed aan participatie van kinderen. Uni-
cef doet dit door het steunen van een groot aantal projecten waarbij kinderen en tie-
ners hun stem laten horen. De verbinding naar de mensenrechtenbenadering wordt niet
uitdrukkelijk aangegeven, maar deze nadruk op participatie past wel in de nieuwe
benadering van ontwikkelingssamenwerking waarvan ook de mensenrechtenbenadering
deel uitmaakt. Dat een mensenrechtenbenadering in deze VN-organisatie politiek niet
onomstreden is, blijkt evenwel uit het feit dat de term als zodanig niet in de jaarversla-
gen wordt gehanteerd.52
51 Zie onder meer: Carol Bellamy, ‘Unicef Guidelines for Human Rights-Based Programming Approach’,
    1998 en ook ‘Annual Reports 2000, 2001, en 2002’.
52 Naar verluidt is dit vooral een gevolg van weerstand hiertegen van de VS.
                                                     25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>IV.1.4   De Internationale Arbeidsorganisatie
De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) is vooral bekend om haar normstelling inza-
ke arbeid en sociaal beleid, maar veel minder om haar ontwikkelingssamenwerkingsac-
tiviteiten op dat terrein. In de IAO worden de laatste aangeduid als ‘technische samen-
werking’.
Onder de ruim honderdtachtig verdragen die de ‘internationale arbeidscodex’ nu telt,
zijn er acht die gelden als ‘fundamentele’- of ‘mensenrechten’-verdragen. Dit zijn ver-
dragen over de belangrijkste werknemers- en werkgeversrechten, zoals de vrijheid van
(vak)vereniging en de vrijheid tot collectief onderhandelen (no. 87 en 98), dwangarbeid
(no. 29 en 105), discriminatie (no. 100 en 111) en kinderarbeid (no. 138 en 182).
Naast deze normstellende activiteit en een relatief effectief systeem van het houden
van toezicht op de naleving van geratificeerde verdragen heeft de IAO sinds een halve
eeuw ook een uitgebreide ontwikkelingssamenwerking met regeringen van lidstaten en
werkgevers- en werknemersorganisaties in die landen op gang gebracht. Ongeveer 60%
van het budget is gemoeid met technische samenwerking.
De koppeling tussen beide activiteiten heeft van tijd tot tijd te wensen overgelaten. In
de IAO-kantoren in ontwikkelingslanden was vaak sprake van grote terughoudendheid
om de werkrelatie met regeringen te belasten met een discussie over mensenrechten,
zelfs als het land in kwestie in strijd handelde met één of meer van de door hen gerati-
ficeerde mensenrechtenverdragen. In de afgelopen vijftien jaar is daarin verandering
gekomen. De IAO-kantoren worden tegenwoordig bezet door multidisciplinaire teams,
waarvan doorgaans ook een speciale juridische deskundige deel uitmaakt. Deze des-
kundige moet ervoor zorgdragen dat de technische samenwerking een mensenrechten-
benadering kent.
Een stevige impuls voor de koppeling tussen mensenrechten en ontwikkelingssamen-
werking binnen het werk van de IAO is uitgegaan van de Sociale Top van de VN in 1995
in Kopenhagen. De conclusies en aanbevelingen leidden, in 1998, tot de ‘Declaration
on Fundamental Principles and Rights at Work’. Deze Verklaring verplicht de lidstaten
tot het eerbiedigen van de belangrijkste elementen uit de acht mensenrechtenverdra-
gen van de IAO, ook als zij deze (nog) niet hebben geratificeerd.53
Regeringen die stelselmatig de mensenrechtenverdragen van de IAO schenden, worden
door de IAO overigens niet dan bij uitzondering uitgesloten van technische samenwer-
king. Als regel neemt de organisatie het standpunt in dat men werknemers en werkge-
vers niet het slachtoffer wil laten worden van de slechte praktijken van hun regering.
Een enkele maal loopt het echter anders, zoals recentelijk met Birma (Myanmar), dat
na jarenlange ernstige schendingen van o.a. Verdrag 29 (dwangarbeid) in 2000 van
technische samenwerking werd uitgesloten.
IV.1.5   De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds
Binnen de Wereldbank heeft gedurende lange tijd een intensief debat plaatsgevonden
over de vraag of ernstige mensenrechtenschendingen gevolgen zouden moeten hebben
voor goedkeuring en voortzetting van leningen. Lange tijd is daarbij het uitgangspunt
geweest dat een dergelijke koppeling niet zou mogen worden gemaakt; een standpunt
dat ook door Nederland werd gesteund. Daarbij werd veelal verwezen naar de statuten
van de Wereldbank, die een dergelijke koppeling zouden uitsluiten (alleen economische
53 ILO, 86th Session, Geneva, June 1998 Report VII.
                                                 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>overwegingen gelden), en werd benadrukt dat een mensenrechtencriterium vooral een
politiek karakter zou hebben, hetgeen voor de hoofddoelstelling van de Wereldbank
onwenselijk zou zijn. Een aantal landen, zoals de VS en de Scandinavische landen,
hanteerde, overigens om uiteenlopende redenen, in de besluitvorming wel een mensen-
rechtencriterium.
De ontwikkelingsfilosofie van de Wereldbank heeft een evolutie ondergaan van een
redelijk beperkt concept (economische groei) tot een meer extensieve visie (armoede
als ‘a pronounced deprivation in well-being’), gebaseerd op principes van ‘opportunity,
empowerment and security’. Hierbij spelen concepten als participatie, ‘empowerment’,
‘accountablitity’ en ‘equitable growth’ een belangrijke rol.54 Met name het terrein van
economische en sociale rechten speelt bij de Wereldbankbesluitvorming een rol. Ook
het terrein van burger- en politieke rechten kan echter door de Wereldbank in de
besluitvorming niet worden genegeerd. Ibrahim Shihata, vice-president en juridisch advi-
seur van de Wereldbank in de jaren tachtig en negentig, benadrukte al in 1991 dat ern-
stige mensenrechtenschendingen die (a) economische repercussies hebben of (b) lei-
den tot bindende resoluties van de Veiligheidsraad ook voor de Wereldbank gevolgen
moeten hebben.55 Uit het promotieonderzoek van MacAlistair Darrow (mei 2002)56
blijkt evenwel dat internationale mensenrechtennormen en verdragen toch maar een
zeer beperkte praktische relevantie hebben gehad voor het formuleren van het beleid
en programma’s, voor de wijze waarop de Wereldbank aan sociale waarborgfuncties en
evaluatieprocedures gestalte heeft gegeven en voor de onderzoeksagenda en de alge-
mene beleidsontwikkeling van de Wereldbank. De resultaten van het beleid dat na
1999 is gevoerd, zijn nog onvoldoende duidelijk. In ieder geval zouden de mogelijkhe-
den van het Inspection Panel, dat sindsdien operationeel is, kunnen worden versterkt
indien de Wereldbank zich sterk zou maken voor het opnemen van mensenrechtenclau-
sules in het operationele beleid. Op die wijze zou het internationale recht op het terrein
van de rechten van de mens ook als referentiekader kunnen dienen voor beoordeling
van beleid.57
Ook het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft, in navolging van de Wereldbank,
processen in gang gezet waarbinnen beleid wordt ontwikkeld dat rekening houdt met
sociale gevolgen van macro-economisch beleid en dat streeft naar een rechtvaardige
verdeling van middelen. Lange tijd is er kritiek geuit dat het IMF heeft nagelaten aan-
dacht te besteden aan de sociaal-economische positie van kwetsbare groepen bij de
54 Zie onder meer Maria Aycrigg, ‘Participation and the World Bank, Success, Constraints, and Responses’,
    Social Development Papers, paper number 29, November 1998.
    Zie ook www.worldbank.org/html/extdr/rights ‘Development and Human Rights: The role of the World
    Bank’, The World Bank, 1998.
55 Zie onder meer Ibrahim F. Shihata, ‘The World Bank in a changing world’, Martinus Nijhoff Publishers,
    Dordrecht, 1991, p. 79 en H.M.G. Denters, ‘IMF Conditionaliteit, juridische aspecten van betalingsba-
    lanssteun door het IMF’, T.M.C. Asser Istituut, Den Haag, 1993, p. 165. Zie ook World Development
    Report 2000/2001, ’Attacking Poverty: Opportunity, Empowerment and Security’, World Bank, Washing-
    ton D.C., 2000.
56 Zie onder meer MacAlistair I. Darrow, ‘Between Light and Shadow: The World Bank, the International
    Monetary Fund, and International Human Rights Law’, Hart Publishers, Oxford – Portland Oregon, 2003.
57 Zie hiervoor bijvoorbeeld ‘Tilburg Guiding Principles on World Bank, IMF and Human Rights’, Tilburg
                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>opstelling en vaststelling van structurele aanpassingsprogramma’s,58 terwijl er geen
redenen zijn om te veronderstellen dat de meerderheid van de lidstaten zich zou verzet-
ten tegen een actief beleid op dat terrein. Sinds 1996 besteedt het IMF dan ook aan-
dacht aan ‘goed bestuur’, met name voor zover dat raakt aan rechtsorde, efficiëntie en
aansprakelijkheid van publieke sectoren en corruptiebestrijding.59 Uit het bovenge-
noemde onderzoek van MacAlistair Darrow blijkt evenwel dat ook het IMF de mensen-
rechtennormen lange tijd slechts in verwaarloosbare mate tot uiting heeft laten komen
in de besluitvorming.
Zowel de Wereldbank als het IMF hebben in 1946 een overeenkomst gesloten met de
VN (op grond van artikel 63 Handvest) en functioneren op grond daarvan als organisa-
torisch onafhankelijke internationale organisaties, maar wel binnen het VN-systeem in
brede zin. De Wereldbank en het IMF hebben zich aldus juridisch verbonden de doel-
stellingen en beginselen van het VN-Handvest na te leven. Op grond van artikel 103
van het Handvest gaan verplichtingen, inclusief verplichtingen op het terrein van de
rechten van de mens, van partijen bij het Handvest boven andere internationale
verplichtingen.60 Ook in algemene zin geldt voor de Wereldbank en het IMF, net als
voor hun leden, een verplichting het internationale recht te respecteren. In de praktijk
betekent dit dat de Wereldbank en het IMF er, binnen hun mogelijkheden, voor moeten
zorgen dat hun activiteiten geen negatieve invloed hebben op de capaciteit van hun
leners om mensenrechtenverplichtingen die zij op zich hebben genomen, in de praktijk
te brengen. Daartoe moeten de Wereldbank en het IMF, in de visie van de AIV, hun
mandaat breder interpreteren dan zij tot op heden hebben gedaan.
IV.2     Europese Unie
De Europese Unie (EU) is reeds lange tijd vanuit een zekere mensenrechtenbenadering
actief op het terrein van ontwikkelingssamenwerking. Met name in de relaties met ont-
wikkelingslanden in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Zuidzee (de ACS-landen) in
het kader van de verdragen van Lomé (1975-2000) en Cotonou (2000-2020) zijn men-
senrechten sinds ongeveer 1980 een belangrijk bestanddeel. Aanvankelijk was de aan-
dacht voor mensenrechten in de samenwerking tussen de ACS en de EU zeker niet
onomstreden. De ACS-landen zagen het in eerste instantie vooral als een ongewenste
inmenging in hun binnenlandse aangelegenheden. Tegelijkertijd hadden ze kritiek op de
Europese landen vanwege hun steun aan het apartheidsregime in Zuid-Afrika en de
behandeling van buitenlandse werknemers. In de jaren negentig bleek het evenwel
mogelijk overeenstemming te bereiken over steeds uitgebreidere Lomé-verdragsartike-
len over mensenrechten in de samenwerking. Ook kwam er meer ruimte voor een posi-
tieve benadering van de mensenrechtenproblematiek: steun in plaats van sancties.
58 Idem en H.G.M. Denters, p. 169.
59 Zie onder meer IMF, The IMF and Good Governance’, a Factsheet,
   http/www.imf.org/external/np/exr/facts/gov.htm, 31 August 2002 en de ‘IMF Guidelines for Good
   Governance’.
60 Idem noot 57, principles 6 en 8.
                                                  28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Hoewel in principe alle externe samenwerkingsverdragen die de EU sluit mensenrech-
tenclausules bevatten,61 varieert in de praktijk de intensiteit waarmee mensenrechten
in de betrekkingen met andere ontwikkelingslanden aan de orde komen. De uitgangs-
punten van het EU-beleid op het terrein van mensenrechten en ontwikkeling zijn uiteen-
gezet in een serie beleidsdocumenten. Daaruit blijkt dat het ontwikkelingssamenwer-
kingsbeleid van de EU grote veranderingen heeft doorgemaakt, zowel inhoudelijk als
organisatorisch.62 Inhoudelijk werd het beleid verankerd in het Verdrag van Maastricht
via de toevoeging van een nieuwe titel over ontwikkelingssamenwerking. Het bevorde-
ren van respect voor de rechten van de mens, democratie en de rechtsstaat figureert
daar als een van de hoofdoelstellingen van het EU-beleid. In november 2000 hebben
de Raad van Ministers en de Commissie door middel van een gezamenlijke verklaring
de nieuwe doelstellingen en prioriteiten van EU-ontwikkelingssamenwerking nader inge-
vuld. Sindsdien is armoedebestrijding het hoofddoel. In de visie van de EU houdt deze
doelstelling steun in voor duurzame economische en sociale ontwikkeling, die gericht
moet zijn op de geleidelijke integratie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie
en op het bestrijden van ongelijkheid.63 De bevordering van mensenrechten, gelijkheid
van mannen en vrouwen, milieu en conflictpreventie zijn vier gezamenlijke thema’s, die
een integraal onderdeel van alle EU-ontwikkelingsssamenwerkingsactiviteiten moeten
zijn.64
De meest opvallende en interessante beleidspraktijk speelt zich af in het kader van de
betrekkingen met de ACS-landen. Door de jaren heen is een steeds duidelijker en strin-
genter juridisch kader geschapen voor de integratie van mensenrechtenaspecten in de
ontwikkelingssamenwerking.65 In een wisselwerking tussen de Europese Unie, Com-
missie, individuele lidstaten en de ACS-landen zijn verdragsclausules ontwikkeld die
een positieve benadering voorop zetten maar indien nodig ook voorzien in negatieve
61 M. Bulterman, ‘Human Rights in the Treaty Relations of the European Community. Real Virtues or Virtual
    Reality?’, Intersentia Antwerpen, 2001.
62 Zie bijvoorbeeld Europese Commissie, ‘Annual Report 2001 on the EC Development Policy and the
    Implementation of the External Assistance’, Publicatiebureau, Luxemburg, 2002, pp. 10-35.
63 Er zijn ook 7 prioriteitsgebieden geselecteerd: handel en ontwikkeling; regionale integratie en samenwer-
    king; macro-economisch beleid en toegang tot sociale voorzieningen (gezondheidszorg en onderwijs);
    gezondheid, AIDS en bevolkingsbeleid; transport; voedselveiligheid en duurzame plattelandsontwikkeling;
    en het opbouwen van institutionele capaciteit.
64 In de praktijk worden de prioriteitsgebieden en thema’s ingevuld aan de hand van de behoeftes van de
    ontwikkelingslanden. Het Verdrag van Cotonou dateert van voor november 2000 en hanteert een andere
    lijst van gezamenlijke thema’s namelijk ‘gender’, ‘environment and natural resources’ en ‘institutional
    development and capacity building’. Mensenrechten zijn daar verheven tot de veel hogere status van
    algemeen ‘essentieel onderdeel’ van de samenwerking. Zie ook Europese Commissie, ‘Compendium on
    cooperation strategies’, DE 110, Publicatiebureau, Luxemburg, november 2001, dat een aantal onderde-
    len van het Verdag van Cotonou nader invult en operationaliseert.
65 Zie Karin Arts, ‘ACP-EU Relations in a New Era: The Cotonou Agreement’, 40 Common Market Law
    Review, 2003, pp. 95-116 en Karin Arts, ‘Integrating Human Rights into Development Cooperation: The
    Case of the Lomé Convention’, Kluwer Law International, The Hague/Boston/London, 2000.
                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>maatregelen. Op aandringen van de ACS-landen is er geleidelijk ook een consultatiepro-
cedure ontwikkeld, die verplicht gevolgd moet worden in het geval er overwogen wordt
om de samenwerking te beperken of tijdelijk geheel of gedeeltelijk op te schorten.66
Aan het einde van zo’n consultatieprocedure publiceert de Raad van Ministers tegen-
woordig zijn bevindingen. Deze ontwikkelingen hebben de transparantie en consistentie
van beleidsformulering en -uitvoering vergroot.
Ook het ‘European Initiative for Democracy and Human Rights’ (EIDHR) biedt mogelijk-
heden om activiteiten met betrekking tot mensenrechten, democratisering en conflict-
preventie te financieren. Normaal gesproken is partnerschap met NGO’s en/of interna-
tionale organisaties daarbij vereist. In 2001 was er in dit kader 110 miljoen Euro
beschikbaar. Ongeveer eenderde daarvan was bestemd voor steun voor democratise-
ring en versterking van de rechtsstaat, eenzesde voor conflictpreventie en herstel van
de vrede, en kleinere bedragen voor de bevordering en verdediging van mensenrechten,
inclusief mensenrechteneducatie, en voor rehabilitatiecentra voor slachtoffers van mar-
teling.67
Hoewel het formele EU-beleid al relatief lang bestaat en redelijk uitgewerkt is, doen zich
bij de uitvoering van het beleid vele problemen voor. Het gebrek aan coherentie tussen
EU-beleid op de terreinen betrekking hebbende op mensenrechten en ontwikkeling, han-
del en landbouw staan de effectiviteit in de weg. Vanwege de gedeelde competentie
voor buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking is er ruimte voor spanningen
tussen het beleid en de besluiten van EU-instellingen en individuele lidstaten. Dit is een
belangrijke factor, die nog veel te vaak leidt tot inconsistent beleid. Onder druk van de
groeiende rol van mensenrechten in EU-ontwikkelingssamenwerking, en de steeds ster-
kere roep om resultaat, vindt de Europese Unie het belangrijk indicatoren te ontwikke-
len om de resultaten van EU-ontwikkelingssamenwerking beter te kunnen meten.
Onlangs zijn daartoe initiatieven ontwikkeld waarbij de MDG’s een belangrijk uitgangs-
punt zijn.68 Daarbij moet wel worden aangetekend dat de inzet van praktische middelen
die voor het daadwerkelijk voeren van een effectief mensenrechtenbeleid en de onder-
steuning daarvan onontbeerlijk zijn (zoals middelen voor informatieverzameling en
-analyse, versterking mensenrechtenexpertise van relevante staf), nog steeds te wen-
sen overlaat. De recente inzet om samenwerking met de Verenigde Naties te versterken
en waar gewenst en mogelijk krachten te bundelen is ook vanuit deze praktische over-
wegingen wenselijk.69
IV.3      De ervaringen van Duitsland
Sinds 1991 worden in het kader van het Duitse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid vijf
hoofdcriteria gehanteerd; één daarvan betreft het streven naar ‘het versterken van de
politieke stabiliteit door conflictpreventie en het ondersteunen van democratiserings-
66 Website Europese Commissie: Document COM(2000) 324 final, Brussels, 23 May 2000,
    http//europa.eu.int/comm/development/Cotonou, art. 9, 96 en 97.
67 Europese Commissie, op. cit. no. 64, p. 39.
68 Idem sectie 2.3. ‘Measuring effectiveness through results indicators’, pp. 22-23.
69 Mededeling van de Commissie, ‘Building an effective partnership with the United Nations in the field of
    development and humanitarian affairs’, COM(2001) 231, Brussel, 2 mei 2001.
                                                   30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>processen en de rechten van de mens’.70 Hoewel in het Duitse ontwikkelingssamen-
werkingsbeleid op verschillende manieren een relatie wordt gelegd met mensenrechten,
kan (nog) niet worden gesproken van een duidelijk op mensenrechtenbenadering geba-
seerd beleid. Duitsland heeft incidenteel projecten opgezet die mensenrechten als
hoofd- dan wel nevendoelstelling hebben; de nadruk ligt daarbij op de rechten van vrou-
wen en kinderen.
In het Aktionsprogramm 2015 wordt armoedebestrijding als een overkoepelende opga-
ve van het Duitse ontwikkelingsbeleid genoemd met daarin democratisering, het bevor-
deren van de rechtsstaat en het vreedzaam oplossen van conflicten als belangrijke
onderdelen. Armoede is niet alleen te beschouwen als een gebrek aan inkomen, maar
ook als een ontbreken van keuzemogelijkheden en als de afwezigheid van deelname
aan het politieke en economische leven. Armoede wordt gezien als een miskenning van
menselijke waardigheid en mensenrechten. In het beleid wordt aan een aantal aspec-
ten van mensenrechten specifiek aandacht besteed.
Voorop staat het bevorderen van het in artikel 11 van het ESC-verdrag vastgelegde
recht op toereikende voeding. Naast directe steunverlening, bijvoorbeeld via de Wereld-
voedsel- en landbouworganisatie (FAO), wordt ook prioriteit toegekend aan het afschaf-
fen van het Europees landbouwprotectionisme, het ondersteunen van landhervormings-
programma’s in ontwikkelingslanden en het versterken van de capaciteit van rurale
ontwikkelingsorganisaties. In de tweede plaats ziet Duitsland het niet naleven van inter-
nationale rechtsnormen inzake arbeid en arbeidsomstandigheden van de Internationale
Arbeidsorganisatie (IAO) als een belangrijke oorzaak van armoede. Het streven is om
fundamentele normen als het afschaffen van dwangarbeid en het terugdringen van kin-
derarbeid, de vrijheid van vakvereniging en non-discriminatie in het ontwikkelingssamen-
werkingsbeleid geldend te maken. Prioriteiten daarbij zijn onder andere de totstandko-
ming van een individueel klachtrecht inzake economische, sociale en culturele
mensenrechten en het ondersteunen van programma’s van de IAO om internationale
standaarden inzake kinderarbeid in de praktijk te brengen. Ten derde wordt nadruk
gelegd op de gelijke behandeling van vrouwen. Gelijke behandeling van mannen en
vrouwen wordt als een doorslaggevende factor beschouwd om armoede te bestrijden.
Alle ontwikkelingsprogramma’s worden getoetst op de gevolgen voor de positie van
vrouwen. Basisonderwijs voor meisjes en vrouwen, het ondersteunen van netwerken
voor politieke pressie ten behoeve van mensenrechten en bestrijding van vrouwenhan-
del en kinderprostitutie worden daarbij als prioriteiten gesteld. In de vierde plaats richt
Duitsland zich op medezeggenschap van alle betrokkenen. Medezeggenschap wordt van
zeer groot belang geacht om concrete situaties van armoede te doorbreken. Goed
bestuur houdt rekening met internationaal aanvaarde grondbeginselen voor participatie
(zoals neergelegd in mensenrechtenverdragen) en wordt door Duitsland aan de orde
gesteld in onderhandelingsronden met partnerlanden. Prioriteiten zijn:
   democratiseringsprogramma’s;
   decentralisering van overheidsbevoegdheden;
   wetshervorming en rechtshulpprogramma’s;
   ondersteuning van hervorming van belastingwetgeving en overheidsbudgettering
    gericht op armoedebestrijding; en
70 Andere doelstellingen zijn onder meer: het halveren van het aantal mensen dat in extreme armoede leeft
    in 2015, het bevorderen van een sociale en rechtvaardige internationale economische orde, het bevor-
    deren van globale milieudoelstellingen en een ecologisch evenwicht en het verbeteren van financierings-
    mechanismen en schuldverlichting.
                                                    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>   bevordering van een krachtig maatschappelijk middenveld.
De Duitse praktijk laat een aantal dilemma’s zien. De relatie tussen mensenrechten en
ontwikkelingssamenwerking is tot op heden nog niet in een coherent beleidsdocument
geformuleerd. Sinds 1991 brengt de Bondsregering een Jahresbericht über die Men-
schenrechtspolitik uit, waarin ook ontwikkelingssamenwerking aan de orde komt. Er ont-
breekt echter afstemming met de rapportages inzake ontwikkelingssamenwerking. Het
werk van (mensenrechten)-NGO’s in ontwikkelingslanden wordt als belangrijk geken-
merkt en wordt ondersteund. Wel wordt opgemerkt dat deze NGO’s zich vooral richten
op het signaleren van schendingen en het bieden van slachtofferhulp en dat zij vaak
nog onvoldoende zijn geëquipeerd om zich ook met economische, sociale en culturele
rechten bezig te houden. Voorts wordt opgemerkt dat de relaties met ontwikkelingslan-
den en de financiële stromen maar voor een deel via de kanalen van de ontwikkelings-
samenwerking lopen. In dat verband wordt bijvoorbeeld gewezen op een mogelijke rol
van het bedrijfsleven en financieringsinstellingen.
IV.4      De ervaringen van het Verenigd Koninkrijk
Het White paper on International Development (1997) formuleerde een drietal algeme-
ne doelstellingen van het Britse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.71 Deze zijn:
   het bevorderen van duurzame ontwikkeling;
   het bevorderen van onderwijs, gezondheidszorg en werkgelegenheid voor de armen;
    en
   de bescherming en een beter beheer van het leefmilieu.
Het Department for International Development (DFID) werkt in zijn beleidsdocument
Realising Rights for Poor People (2000) de visie op een mensenrechtenbenadering van
ontwikkelingssamenwerking verder uit.72 De mensenrechtenbenadering wordt gedefi-
nieerd als het stem geven aan armen, hen weerbaar maken om eigen beslissingen en
keuzes te maken in plaats van over hen te beslissen. Overheden dienen hiertoe instru-
menten te ontwikkelen. Verder wordt het Britse samenwerkingsprogramma toegespitst
op de verwezenlijking van economische en sociale mensenrechten, waarbij wordt
gesteld dat het bereiken van ontwikkelingsdoeleinden mede afhankelijk blijft van de
mate waarin de burger- en politieke rechten kunnen worden verwezenlijkt. Participatie
van alle betrokkenen is een voorwaarde om de doelen die DFID zich heeft gesteld, te
bereiken; mensenrechten vormen het instrumentarium om participatie van alle betrok-
kenen te verwezenlijken. DFID baseert zich op het geheel van mensenrechtenverklarin-
gen en verdragen, en op het principe dat alle mensenrechten universeel en ondeelbaar
zijn. DFID benadrukt het belang van een functionerende rechtsorde, maar ook van soci-
aal-juridische betrokkenheid in het veld. Voor thematische beleidsvorming en voor de
beoordeling van de mensenrechtensituatie in partnerlanden wordt in de Britse interna-
tionale samenwerking gebruik gemaakt van ambassadeberichten, informatie van men-
senrechten NGO’s en rapportages van EU-vertegenwoordigers.
71 White paper on international development, ‘Eliminating world poverty, a challenge for the 21st century’.
    Zie ook: International Development Act, January 2002: ‘The reduction of poverty through furthering
    sustainable development and promoting the welfare of people’. Het is opvallend dat het begrip mensen-
    rechten in deze Act in het geheel niet voorkomt.
72 Zie DFID, October 2000.
                                                     32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>DFID onderscheidt drie principes om mensenrechten in ontwikkelingssamenwerking te
integreren en te komen tot prioriteiten in het beleid. Ten eerste wordt de nadruk gelegd
op participatie, hetgeen uitdrukking vindt in het geven van prioriteit aan onder andere
het ondersteunen van vaardigheden van armen om zich te organiseren, aan het bevor-
deren van onderzoek naar de wijze waarop armen zelf hun mensenrechten verstaan, en
aan mediaondersteuning. In de tweede plaats wordt ‘inclusion’ wezenlijk geacht, dat wil
zeggen het bevorderen van een samenleving waarin eenieder aanspraak kan maken op
al haar of zijn rechten. Daarom wordt prioriteit gegeven aan het meewegen van de men-
senrechten van kwetsbare groepen in economische hervormingsprogramma’s en in
internationale beleidscoördinatie, aan maatregelen om discriminerende wetgeving op te
heffen, en aan onderzoek naar de achtergrond van discriminatie en uitsluiting. In de
derde plaats staat het nakomen van verplichtingen, door staten, maar ook door multila-
terale en non-gouvernementele organisaties centraal. Prioriteiten zijn onder meer:
   het vrijmaken van voldoende fondsen om de millenniumdoelstellingen te bereiken;
   het bevorderen van de ondertekening en ratificatie van mensenrechtenverdragen;
   het helpen ‘vertalen’ van (internationale) overeenkomsten op nationaal niveau, zodat
    deze in de dagelijkse praktijk van armen kunnen worden toegepast; en
   het ondersteunen van internationale toezichtmechanismen.
De afgelopen jaren heeft DFID veel activiteiten ontplooid onder de vlag van een men-
senrechtenbenadering. Hoewel er, mede gezien het beperkt aantal jaren met praktijker-
varing, nog weinig duidelijkheid bestaat over concrete resultaten van deze benaderings-
wijze, is wel duidelijk dat op een aantal terreinen grote bedragen aan steunverlening
worden gegeven om te komen tot armoedebestrijding, schuldverlichting, gezondheids-
zorg en onderwijs.73 In de praktijk is wel gebleken dat zich in het beleid problemen en
dilemma’s voordoen. Een mensenrechtenbenadering opereert in een aantal opzichten
in een spanningsveld. Het bevorderen van participatie van armen raakt aan sociale en
politieke verhoudingen en kan (verborgen) belangentegenstellingen aan het licht bren-
gen. Het wettelijk kader, dikwijls met elementen van traditioneel/gewoonterecht, is niet
altijd ontvankelijk voor een mensenrechtenbenadering, omdat maatschappelijke verhou-
dingen in landen onderling sterk verschillen en ook vaak volstrekt anders liggen dan in
veel Westerse landen.74
IV.5      De ervaringen van Zweden
Het algemene doel van de Zweedse ontwikkelingssamenwerking is het verbeteren van
de leefsituatie van arme groepen in ontwikkelingslanden. Dit is verder uitgewerkt in zes
subdoelstellingen, waaronder democratisering en gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. De Swedish International Development Cooperation Agency (SIDA) heeft in
1997 een tweetal beleidsdocumenten uitgebracht, waarin de basis wordt gelegd voor
de mensenrechtenbenadering.75 Armoede wordt daarin beschouwd als schending van
73 Zie voor meer feitelijke gegevens: Departmental Report 2002 -DFID,
    www.dfid.gov.uk/pubs/files/DR2002_summary.pdf.
74 Deze verschillen kunnen zich op vele terreinen voordoen. Zie bijvoorbeeld het verbod op recht op land
    voor vrouwen, het huwelijks- en arbeidsrecht en toegang tot onderwijs.
75 Het betreft het actieprogramma: ‘Justice and peace: Sida’s programme for peace, democracy and
    human rights’, May 1997, en de beleidsnota: ‘Democracy and Human Rights in Sweden’s Development
    Cooperation’, Government Communication SKR, 1997/1998: 76.
                                                     33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>elementaire mensenrechten. Van ondemocratisch bestuur wordt geconstateerd dat het
armen uitsluit, hetgeen op termijn tot grotere armoede leidt. Ieder individueel mensen-
recht houdt een verplichting van de overheid in; die overheid is ervoor verantwoordelijk
adequate maatregelen te treffen om mensenrechten in de samenleving te realiseren.
Ontwikkelingssamenwerking wordt gezien als belangrijk instrument om mensenrechten
te bevorderen.
Mensenrechten dienen een zichtbaar integraal bestanddeel van de gehele ontwikke-
lingssamenwerking te worden. Door middel van een politieke dialoog met partnerlan-
den dient een mensenrechtendimensie te worden geïncorporeerd in het totaal van de
programma’s. Om tot een verantwoorde ontwikkelingsstrategie voor de geselecteerde
landen te komen, worden met behulp van vier componenten landenanalyses gemaakt.
Deze componenten zijn: mensenrechten, democratisering, participatie en goed bestuur.
Binnen de mensenrechtencomponent wordt specifiek gekeken naar de zes belangrijke
mensenrechtenverdragen.76 Daarbij wordt aan het non-discriminatiebeginsel, het recht
op een behoorlijke levensstandaard en het recht op onderwijs een centrale plaats toe-
gekend. In algemene zin wordt ook gekeken of er sprake is van een rechtsstaat. De
democratiseringscomponent wordt toegespitst op institutionele/constitutionele dimen-
sies als scheiding van machten en vrije, eerlijke en periodieke verkiezingen, en op cul-
turele factoren als traditionele raadplegingsvormen en vertrouwen in politieke institu-
ties. De component participatie is gericht op de deelname van mensen in de
besluitvorming die van invloed is op hun eigen leven en welzijn. Dat wordt gezien als
voorwaarde en doelstelling in de Zweedse samenwerkingprogramma’s. In de compo-
nent goed bestuur wordt met name aandacht besteed aan de overheidsbegroting. Uit-
eindelijk gaat het in de aanpak van de landenanalyses om het identificeren van gebie-
den of sectoren die vanuit het perspectief van de armoedebestrijding specifieke
aandacht vragen, waar stagnatie of regressie plaatsvindt en waar met behulp van exter-
ne ondersteuning democratisering en mensenrechten bevorderd kunnen worden.
Ook het programma van SIDA wordt met problemen en dilemma’s geconfronteerd. Hoe-
wel het algemene beleidsdocument stelt dat een mensenrechtenbenadering zal worden
toegepast voor de gehele ontwikkelingssamenwerking, komt uit een aantal landenanaly-
ses naar voren dat systematische informatie over de status van ondertekening en rati-
ficatie van de belangrijkste verdragen ontbreekt of onvolledig is. Mogelijk is dat te wij-
ten aan het grote aantal partnerlanden (meer dan honderd). Daarnaast heeft de
uitvoeringspraktijk van een mensenrechtenbenadering nog weinig aandacht gekregen.
Zo blijft het antwoord op de vraag wat te doen indien het partnerland niet of slechts
gedeeltelijk binnen de beleidsdialoog wenst in te gaan op verplichtingen in het kader
van gesloten mensenrechtenverdragen, onbeantwoord. Dialoogkwesties worden, zij het
op een vrij algemene wijze, behandeld in de landenanalyses en -strategieën, maar
komen weinig voor in de beoordelingsmemo’s van individuele bijdragen en projecten.
Verder lijken concrete projecten op het gebied van mensenrechten in het algemeen
gericht op belangenbehartiging (‘advocacy’), bevordering van mensenrechtenbewustzijn,
onderzoek, documentatie en juridische samenwerking.
In hoeverre deze projecten de allerarmste groepen in de samenleving bereiken, is niet
duidelijk. Wel wordt verondersteld dat het merendeel van de bijdragen een indirect
effect heeft op het beleid van de instanties waarop de samenwerking zich richt. Vervol-
76 CERD (1965), IVBPR (1966), IVESCR (1966), CEDAW (1979), CAT (1984) en CRC (1989).
                                               34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>gens wordt geconstateerd dat samenwerking in het kader van mensenrechten vaak het
veranderen van houdingen en gewoonten betreft (opbouwen van een mensenrechtencul-
tuur), hetgeen tijd vraagt en moeilijk meetbaar is. In algemene zin wordt geconstateerd
dat mensenrechten een gevoelig onderwerp blijven in specifieke ontwikkelingsrelaties.
Voorlopige conclusie
Bovenstaande beschrijving van de mensenrechtenbenadering in de ontwikkelingssamen-
werking laat zien dat zo’n benadering zeer breed is en dat zij geacht wordt door te wer-
ken in het gehele beleid. De benadering is ambitieus van opzet. De mensenrechtenbe-
nadering heeft bij de relevante internationale organisaties en donoren geleid tot een
grotere nadruk op participatie, democratisering, goed bestuur en het nemen van de
mens als uitgangspunt binnen het beleid inzake mensenrechten als doelstelling en als
instrument. Het thema economische herverdeling blijft hierbij echter nogal op de achter-
grond. Binnen internationale organisaties en de EU is een soortgelijke trend waarneem-
baar. Wel blijkt dat alle donoren en organisaties worstelen met de formulering van de
kern van de mensenrechtenbenadering en met de integratie en de operationalisering
van deze benadering in het totale beleid. Ook blijkt dat geen van de onderzochte dono-
ren en internationale organisaties voldoende aandacht besteedt aan een systematische
gegevensverzameling en monitoring van de mensenrechtensituatie in landen waarmee
een ontwikkelingssamenwerkingsrelatie bestaat.
De AIV concludeert dat de mensenrechten een juridisch/normatief kader bieden, waar-
mee richting kan worden gegeven aan (deelterreinen van) het beleid voor ontwikkelings-
samenwerking. Het mensenrechtendiscours identificeert enerzijds rechtssubjecten (in
het geval van economische en sociale rechten bijvoorbeeld ‘de armen’), maar het is
niet in alle gevallen gemakkelijk om anderzijds dragers van plichten (overheden, maar
ook hulporganisaties, bedrijven) te identificeren en de precieze inhoud van hun plichten
vast te stellen. Vaak is sprake van concrete schendingen van mensenrechten (met aan-
wijsbare daders, zoals politiemensen of gevangenisbewaarders die rechten van verdach-
ten schenden of bedrijven die IAO-verdragen schenden), maar veelvuldig is er ook
sprake van ‘structurele’ niet-naleving van mensenrechten, waarbij de oorzaken in inter-
nationale en/of nationale, economische en/of politieke machtsverhoudingen moeten
worden gezocht.
                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>V         Uitgangspunten en conclusies
In dit hoofdstuk gaat het om de praktische betekenis van mensenrechten in strate-
gieën voor armoedebestrijding en ontwikkeling. In instrumentele zin fungeren mensen-
rechten allereerst als rechtsmiddelen, ter ondersteuning van concrete claims die men-
sen in staat moeten stellen hun fundamentele vrijheden te beleven en toegang te
verkrijgen tot wat nodig is om te voorzien in hun basisbehoeften. Daarnaast hebben ze
betekenis als richtinggevende politieke middelen c.q. algemene maatstaven ter beoor-
deling van de legitimiteit van gebruik van macht en als politiek handvat in processen
van maatschappelijke verandering.
In functionele zin vervullen mensenrechten een beschermende en een emancipatoire
rol. In concrete strategieën hebben zij allereerst een beschermende betekenis: zij bie-
den juridische en politieke bescherming bij situaties waarin de menselijke waardigheid
zelf op het spel staat. In emancipatoire zin stimuleren zij daarnaast mensen wiens
rechten worden geschonden het heft in eigen handen te nemen en zich in te zetten
voor maatschappelijke verandering. Bij zowel de beschermende als de emancipatoire
functie van de rechten van de mens zijn ook andere actoren dan alleen de rechtssub-
jecten zelf betrokken.77
In veel ontwikkelingslanden wordt bij de toepassing c.q. naleving van de rechten van de
mens een spanningsveld ervaren. Daarbij wordt, in de visie van de machthebbers, te
veel nadruk gelegd op het individu en worden schendingen van mensenrechten gerecht-
vaardigd met een beroep op culturele diversiteit of wordt gewezen op het feit dat de
naleving van rechten in de economische en sociale sfeer eerst verbetering behoeft.
Deze rechtvaardigingen dienen meestal ter afscherming van het politieke systeem voor
kritiek of ter inperking van de reikwijdte van fundamentele rechten om zodoende de
positie van de politieke elite te versterken. Mensenrechten zijn echter geen luxeartike-
len, die landen zich pas kunnen veroorloven wanneer zij een zeker niveau van ontwikke-
ling hebben bereikt.
Bovengenoemde rollen van mensenrechten gaan uit van de onderlinge samenhang en
verwevenheid van de burger- en politieke rechten en economische, sociale en culturele
rechten, alsmede van de relevantie van de rechten van volken. Tegen deze achtergrond
zal allereerst een aantal uitgangspunten voor beleid worden geschetst, waarna dit
hoofdstuk zal worden afgesloten met de belangrijkste conclusies. In de visie van de AIV
moeten deze alle hun weerslag krijgen in het totaal van het beleid.
V.I       Uitgangspunten
V.1.1     Armen als prioriteit
De mensenrechtenbenadering kan dienen als strategie en als werkwijze binnen alle
samenwerkingsprogramma’s; daarbij worden vormen van participatie en verantwoording
afleggen (‘accountability’) in de besluitvorming en de uitvoering ingebouwd, zowel in de
officiële steunverlening als in die via NGO’s. Een uitgewerkte mensenrechtenbenade-
77 Zie hiervoor B. de Gaay Fortman, ‘Persistent Poverty and Inequality in an Era of Globalisation: Opportuni-
    ties and limitations of a rights approach’, paper voor Tilburg University Lustrum Conference, 26-28
    maart 2003, p. 14.
                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>ring kan zodoende een stem geven aan armen en hen weerbaarder maken om eigen
keuzes te maken. In de dagelijkse praktijk blijkt maar al te vaak dat het slechts
(bepaalde onderdelen van) regeringen van ontwikkelingslanden of donoren zijn die
invloed op en inspraak bij besluitvorming hebben. Overheidsprocessen blijken vaak inef-
fectief en irrelevant te zijn voor armen.78 Mensen dienen voorop te staan bij het maken
van beleidskeuzes, niet landen, overheden of economische doelen. Armen zijn slechts
zelden in staat toegang tot het recht te krijgen, omdat rechtshulp, als die al aanwezig
is, onbetaalbaar voor hen is of omdat het wettelijk kader zich niet leent voor een men-
senrechtenbenadering. Naast juridische maatregelen spelen ook maatschappelijke en
politieke mechanismen een belangrijke rol. Specifieke aandacht moet worden besteed
aan versterking van het institutionele kader. Een evenwichtige maatschappelijke ontwik-
keling heeft de meeste kans van slagen als burgers aanspraak kunnen maken op deel-
name aan het openbaar bestuur, op een regering die verantwoording aflegt en op een
onafhankelijk rechtssysteem dat voor een ieder toegankelijk is. Een mensenrechtenbe-
nadering zal altijd op de situatie van het land zelf moeten worden toegesneden. De
benadering impliceert dat bij het formuleren van programma’s tevens grote aandacht
moet worden gegeven aan regionale verschillen in ontwikkelingslanden. In veel ontwik-
kelingslanden zijn immers bepaalde regio’s - en daarmee vaak bepaalde etnische groe-
pen - onderbedeeld met betrekking tot voorzieningen als scholen, ziekenhuizen, water
en sanitaire voorzieningen.
De beschreven ervaringen van donoren en internationale organisaties laten zien dat
armoedebestrijding en andere doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking samen
komen in een mensenrechtenbenadering. De uit te voeren programma’s staan in het
teken van ondersteuning van de belangen van armen. Armoedebestrijding is evenwel in
het licht van bestaande maatschappelijke (machts)verhoudingen geen politiek neutrale
keuze. Zij kan echter worden gelegitimeerd door haar te baseren op internationaal vast-
gelegde en aanvaarde rechten van de mens. Een mensenrechtenbenadering leidt tot
besluitvorming waarin alle betrokkenen een rol spelen en waarbij vanzelfsprekend
belangentegenstellingen aan het licht worden gebracht: belangentegenstellingen bijvoor-
beeld tussen armen onderling of tussen armen en rijken. Deze, niet te voorkomen,
belangentegenstellingen vragen om een aanpak waarbij betrokkenen, inclusief de over-
heid, (juridisch) verantwoordelijk kunnen worden gehouden. In die zin betekent ontwik-
keling ook politieke strijd, hetgeen de positie van donoren ten opzichte van regerings-
vertegenwoordigers waarmee zij onderhandelen, danig onder spanning kan zetten.
Donoren moeten kiezen voor de armen. Door die keuze kunnen zij in conflict komen
met de regering van het ontwikkelingsland in kwestie. Een beroep op internationaal
erkende mensenrechten is dan relevant. Naarmate een ontwikkelingsland overigens
een beter functionerende democratie heeft, bestaat de mogelijkheid tot nauwere
samenwerking. Een mensenrechtenbenadering in neutrale zin is niet mogelijk als
beleidsoptie; gekozen dient te worden voor een focus op mensen en hun rechten.
V.1.2     Rol maatschappelijke actoren
Steun via sociaal-economische belangenbehartigers en niet-gouvernementele kanalen
kan in sommige gevallen doelmatiger zijn dan steun via regeringskanalen. Zowel tegen-
over de desbetreffende staat als tegenover de eigen belastingbetaler zijn die visie en
inzet van belang. Hierdoor is bovendien de inzet van ontwikkelingsgelden eenvoudiger
78 Zie voor een beschrijving van deze problematiek onder meer: Deepa Narayan, ‘Can Anyone hear us, Voi-
    ces of the poor’, Uitgave Wereldbank, Oxford University Press 2000. De AIV merkt hierbij op dat hij er de
    voorkeur aan geeft te spreken van ‘contraproductief’ in plaats van ‘irrelevant’.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>te rechtvaardigen. Op mensen gerichte steun op het terrein van de rechten van de
mens is in het verleden vrijwel nooit controversieel geweest, bij de ontvanger noch bij
de donor en/of belastingbetaler. Vanuit Nederland wordt, bijvoorbeeld via het kanaal
van de MFO’s, weliswaar al veel steun verleend, maar het grootste deel van de ontwik-
kelingssamenwerking verloopt via andere kanalen. Specifieke projecten op het gebied
van versterking van de rechtsstaat en de rechten van de mens zijn niet altijd gericht op
de armste groepen in de samenleving; op termijn zijn zulke projecten wel relevant voor
armen. Dit geldt bijvoorbeeld voor programma’s ter bestrijding van vrouwendiscrimina-
tie. Die gerichtheid is op zich geen probleem, zolang ervoor wordt gezorgd dat de
belangen van armen in deze programma’s ook worden behartigd. Een mensenrechten-
benadering kan bovendien bijdragen aan het in kaart brengen van sectoren en structu-
ren om zodoende gericht beleid mogelijk te maken.79
Een mensenrechtenbenadering biedt daarom inhoudelijke ijkpunten voor het stellen van
doelen en het volgen en beoordelen van de voortgang in programma’s (bijvoorbeeld: de
toegang tot schoon water en sanitaire voorzieningen voor armen, toegang tot gezond-
heidszorg). Een commitment van donoren om de economische en sociale rechten van
armen te versterken zou evenwel niet alleen een keuze voor sociale sectoren zoals
onderwijs en gezondheidszorg moeten inhouden. Eveneens moet grote nadruk worden
gelegd op toegang van armen tot middelen om in hun bestaan te voorzien, zoals toe-
gang tot land en tot krediet. Gebrek aan participatiemogelijkheden (uitsluiting) en
gebrek aan greep op het eigen leven zijn ook elementen van een armoedesituatie. De
nadruk van de steunverlening door de huidige donoren lijkt veelal te liggen op organisa-
ties die zich richten op een versterking van burger- en politieke rechten. Tegelijkertijd
moet de bewustwording van het belang van mensenrechten in ontwikkelingsprocessen
bij mensenrechten-NGO’s worden vergroot. Vaak is er een groot verschil in belevingswe-
reld tussen de NGO’s die zich vooral met de ontwikkelingsproblematiek bezighouden,
en NGO’s die zich vooral op de burger- en politieke rechten richten; een verschil in
belevingswereld komt overigens evenzeer voor bij (onderdelen van) overheden en inter-
nationale instellingen. Investeren in een brede bewustwording van de rol van de men-
senrechten in ontwikkeling is van groot belang.
De vraag is gerechtvaardigd of de vele mensenrechten- en ontwikkelingsorganisaties
voldoende zijn geëquipeerd om zich zowel met burger- en politieke rechten als met eco-
nomische, sociale en culturele rechten bezig te houden. Teneinde maatschappelijke
organisaties en NGO’s voldoende te equiperen, dient hierin gericht te worden geïnves-
teerd, bijvoorbeeld via het kanaal van de MFO’s.80 Om te voorkomen dat de armen
extra worden getroffen door gebrek aan medewerking of zelfs het slachtoffer worden
van ernstige mensenrechtenschendingen, zou een nog groter gedeelte van de Neder-
landse inspanningen inzake ontwikkelingssamenwerking moeten worden besteed via
niet-overheidskanalen als gekwalificeerde MFO’s, NGO’s en andere sociaal-economi-
sche belangenbehartigers, waaronder ook institituten voor rechtshulp.81
79 Zie ook: I. Boerefijn, M. Brouwer en R. Fakhreddine (Eds), 'Linking and learning in the field of economic,
    social and cultural rights', SIM-special 27, Utrecht 2001.
80 Zie hiervoor bijvoorbeeld ook het actieprogramma van Oxfam, 'Towards Global Equity', 2000.
81 Zie voor een aantal kritische kanttekeningen bij de rol van NGO's in het algemeen ook: AIV, 'Commen-
    taar op de notitie mensenrechten 2001', Den Haag , 2001, pp. 13-14. Zie ook voetnoot 1 (advies AIV
    nr. 29).
                                                       38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Bij een dergelijke steunverlening is het wel van belang te voorkomen dat NGO’s vrijwel
volledig door buitenlandse donoren worden gefinancierd. Ondanks goede bedoelingen
kan buitenlandse steunverlening op die wijze soms afbreuk doen aan de zelfstandige
opbouw van een breed veld van sociaal-economische belangenbehartigers en kan zij de
onderlinge verhoudingen onder grote druk zetten, zeker indien er sprake is van signifi-
cante beloningsverschillen tussen door donoren gefinancierde medewerkers en mede-
werkers van NGO’s die vooral afhankelijk zijn van lokale financiering.
V.1.3    Naleving van mensenrechtenverdragen
Uit de eerdere beschrijving van ervaringen met een mensenrechtenbenadering, is onder
meer gebleken dat de mensenrechtenverdragen een juridisch en normatief handvat kun-
nen bieden voor besluitvorming inzake steunverlening. Het risico dat het begrip men-
senrechten aan inflatie onderhevig raakt door alles wat met ontwikkeling te maken
heeft als mensenrecht te bestempelen, blijkt in de praktijk te zijn beteugeld. Veeleer
kan worden gesproken over een toespitsing en verfijning van substantiële mensenrech-
tennormen en van het ontwikkelen van een stelsel van toezichtmechanismen. Niet alles
in het kader van ontwikkelingssamenwerking heeft met mensenrechten te maken, maar
het gehele ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is wèl doortrokken van mensenrechten.
In dit verband moet ook de waarde van het recht op ontwikkeling worden genoemd. Die
waarde ligt vooral in het verbindende en integrerende karakter ervan. Door dit karakter
te benadrukken kan in het beleid een nog betere verbinding worden gelegd met het uit-
gangspunt dat bevordering en naleving van het geheel der mensenrechten de basis van
een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking moet zijn.
Een naar behoren functionerend rechtssysteem op nationaal niveau, is voor een goede
naleving van internationale mensenrechtenverplichtingen een belangrijk vereiste. Daar-
toe zijn goed geïnformeerde, goed opgeleide, niet-corrupte en effectieve nationale rech-
ters een belangrijke voorwaarde. Rechtszekerheid en rechtvaardigheid zijn namelijk
vaak met elkaar verbonden. Daarnaast kunnen regionale mensenrechtenhoven (Ameri-
ka, Europa en tezijnertijd Afrika) en Commissies (Afrika en Amerika) ook een belangrijke
complementaire rol spelen in de ontwikkeling van de rechtsbescherming; deze instellin-
gen verdienen steun in een mensenrechtenbenadering.
Naast de naleving van internationale mensenrechtenverplichtingen, laat het nakomen
van rapportageverplichtingen die verbonden zijn aan mensenrechtenverdragen, veel te
wensen over. Regeringen rapporteren niet, niet tijdig of onvolledig en parlementen,
zowel die van ontvangende landen als van donorlanden, zijn hierop of té weinig toege-
rust of té weinig alert; dit probleem is al eerder gesignaleerd en beschreven in advie-
zen van de (toenmalige) ACM en de AIV.82 Indien het rapportageproces in ontvangende
landen wordt gehinderd door gebrek aan deskundigheid of middelen, ligt hier een eer-
ste mogelijkheid voor donoren om, tijdelijk, steun te verlenen teneinde obstakels te ver-
wijderen. De rapportages onder de VN-mensenrechtenverdragen en op grond van IAO-
verdragen en de bespreking daarvan in de verdragscomités kunnen vervolgens dienen
als uitgangspunt voor een analyse van de ontwikkelingsbehoeften in mensenrechtenter-
men. Dit bevestigt de noodzaak van verbeterde uitwisseling en koppeling van gegevens-
en rapportagebestanden. Die informatie kan vervolgens worden gebruikt om te bezien
of de huidige samenwerkingprogramma’s zijn toegesneden op een dergelijke identifica-
tie en op welke wijze kan worden bijgedragen aan een grotere aandacht voor en nadruk
82 Zie onder meer ACM, ‘VN-toezicht op mensenrechten’, advies nr. 22, Den Haag, oktober 1996 en AIV,
    ‘Commentaar op de notitie mensenrechten 2001’, advies nr. 24, Den Haag, september 2001.
                                                 39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>op het toezicht op de naleving van eenmaal aangegane verplichtingen. Maatschappelij-
ke organisaties en NGO’s kunnen daarnaast helpen het toezicht op de naleving te ver-
beteren. Eén van de methoden is om mogelijkheden te creëren voor deze organisaties
om serieuze ‘schaduwrapportages’ vorm te geven en hun de mogelijkheid te bieden
deze breed te publiceren in de desbetreffende landen. Hiervoor moeten in donorpro-
gramma’s voldoende middelen worden vrijgemaakt.
V.1.4     Mensenrechten: positieve en negatieve benadering
In de literatuur over mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking wordt een onder-
scheid gemaakt tussen een positieve koppeling en een negatieve koppeling van men-
senrechten en ontwikkelingssamenwerking: in de negatieve koppeling gaan donorlanden
in het geval van (ernstige en stelselmatige) mensenrechtenschendingen of stagnatie
van democratisering (het niet toelaten van meerpartijenverkiezingen) over tot een ver-
mindering of zelfs stopzetting van de hulp van regering tot regering.83 Bij een positieve
benadering proberen donorlanden via hun hulpbeleid de mensenrechtensituatie en/of
de democratie te bevorderen: het gaat hier bijvoorbeeld om versterking van de rechts-
staat via programma’s voor politie en justitie, steun aan projecten en programma’s
gericht op het mondig maken van arme groepen, steun aan mensenrechtenorganisaties
of financiële of technische steun voor verkiezingen.
Hoewel een positieve benaderingswijze de voorkeur verdient, is de AIV van oordeel dat
beide benaderingen een rol in het beleid moeten blijven spelen. Voor een negatieve
koppeling blijft het nodig in de officiële hulprelatie consequenties te trekken indien in
partnerlanden sprake is van ernstige en/of stelselmatige schendingen van mensenrech-
ten. In internationaal verband bestaat hierover consensus, zoals onder meer tot uitdruk-
king komt in het Verdrag van Cotonou. Op grond van dit verdrag kan in geval van schen-
dingen van mensenrechten en/of ernstige corruptie de hulp worden opgeschort of
beëindigd. Voorts is het van belang dat donorlanden, indien zich schendingen of een
verslechtering van het mensenrechtenklimaat voordoen, in het kader van de beleids-
dialoog met de regering van het hulpontvangende land hieraan aandacht schenken. De
ervaring heeft verder geleerd dat druk van donoren op dit terrein alleen effectief is
indien zij gezamenlijk optreden.
Voor wat betreft de invulling van de hulprelatie betekent een mensenrechtenbenadering
dat zowel de burger- en politieke rechten als economische, sociale en culturele rechten
een vaste plaats krijgen toebedeeld op de agenda van de dialoog tussen de regeringen
van het donorland en het hulpontvangende land. De mensenrechten kunnen immers als
een ijkpunt fungeren voor het beoordelen van zowel het door de donor gefinancierde
programma als voor het door het ontvangende land gevoerde sociaal-economische
beleid. In het beleid van het hulpontvangende land moet duidelijk zijn hoe binnen de
beperkte middelen die de desbetreffende regering heeft, prioriteit wordt gelegd bij die
sectoren die de armoede kunnen verminderen (in tegenstelling tot bijvoorbeeld uitgaven
voor defensie). Een mensenrechtenbenadering impliceert echter ook dat de regering
van een hulpontvangend land de donor kan aanspreken op de keuze van hulpprogram-
ma’s. De praktijk leert echter dat van een werkelijke tweezijdigheid in de hulprelatie
83 Ibid. voetnoot 16, bijdrage O.B.R.C. van Cranenburgh, ‘Development Cooperation and Human Rights:
    Linkage Policies of the Netherlands’, in Human Rights in Developing Countries, Yearbook 1995, Ed. P.
    Baehr, H. Hey, J. Smith and T. Swinehart, 1995, p. 29 e.v. en K. de Feyter, K. Landuyt, L. Reydams,
    F. Reyntjes, S. Van de Ginste en H. Verleyen, ‘Ontwikkelingssamenwerking als instrument ter bevordering
    van mensenrechten en democratisering’, Brussel, VLIR-ABOS, 1995.
                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>geen sprake is. In het advies dat de AIV onlangs heeft uitbracht over de Pro-Poor
Growth wordt onder meer geconcludeerd dat het Programma voor armoedebestrijding
(PRSP-proces) een sterk door donoren gedomineerd proces is, dat nog te veel is gericht
op de landen en te weinig oog heeft voor individuele armoede en participatie van direct
betrokkenen. Voorts blijkt dat donoren, waaronder Nederland, bij de keuze van sectoren
niet altijd de prioriteiten volgen die in de PRSP’s zijn gesteld.
In het landenconcentratiebeleid zoals dat in de kabinetsperiode 1998-2002 is ingezet,
is dit soort conditionaliteit zichtbaar in de criteria voor de selectie van concentratielan-
den. De criteria van goed bestuur hebben immers raakvlakken met de burger- en politie-
ke rechten, terwijl de aanwezigheid van goed sociaal-economisch beleid (in de praktijk:
een voldoende gerichtheid op armoedebestrijding) raakt aan de implementatie van eco-
nomische en sociale rechten. Juist ook in het bilateraal beleid kan een bijdrage worden
geleverd aan de naleving van mensenrechten, mits dit beleid daarop wordt toegesne-
den. Toch valt, in de optiek van een mensenrechtenbenadering, het nodige af te dingen
op de tot nu toe door de Nederlandse overheid gemaakte keuzes van landen waarmee
wordt samengewerkt.85 De mensenrechtencomponent is in het huidige beleid vrijwel
niet bestaand. Uitgaande van de wenselijkheid van een mensenrechtenbenadering dient
derhalve opnieuw serieus te worden gekeken naar de criteria waarop keuzes worden
gebaseerd. De selectie van en de wijze waarop deze vervolgens wordt uitgewerkt,
behoort zodanig te zijn, dat alleen die landen in aanmerking komen waar steunverlening
een reële bijdrage kan leveren aan een bevordering van de mensenrechten.86 De crite-
ria en de keuzes moeten uniform worden toegepast op een wijze die ook voor de ont-
vangende landen transparant is.
Kenmerkend voor de sectorale benadering is een verschuiving van de financiering van
concrete projecten en programma’s naar een geheel van samenhangende activiteiten
op een deelterrein van het overheidsbeleid. De benadering impliceert een nadruk op
samenwerking en dialoog met de ontvangende regering en een sterke mate van donor-
coördinatie. Uitgaande van het gegeven dat de sectorale benadering alleen wordt toege-
past in landen die in aanmerking komen voor een structurele hulprelatie (en dus vol-
doen aan de daarvoor gestelde voorwaarden), wordt op deze wijze terecht het accent
verlegd van donorzeggenschap over projecten en programma’s naar samenwerking met
de regering van het hulpontvangende land op een geheel beleidsterrein. De mensen-
rechtenbenadering impliceert evenwel dat men voor de keuze van sectoren en de
beoordeling van het beleid op de desbetreffende terreinen moet vaststellen in hoeverre
het sectorale beleid bijdraagt aan de bevordering van de mensenrechten in brede zin.
Steun aan de sector gezondheid, water en sanitatie, onderwijs of de rechterlijke macht
zijn in harmonie met een mensenrechtenbenadering, indien het beleid is gericht op het
zo breed mogelijke toegang creëren tot voorzieningen en diensten voor de armen.
Steun aan (een sector binnen) de landbouw zou bijvoorbeeld zo moeten worden gericht,
dat met name aan de armen op het platteland toegang tot land en productiemiddelen
of krediet wordt verschaft. Een en ander vraagt daarom om een kritische beschouwing
van de huidige programma’s in deze landen. Deze beoordeling, gebaseerd op een
85 Zie AIV, ‘Commentaar op de criteria voor structurele bilaterale hulp’, Den Haag, november 1998 en ook:
    D.J. Koch, ‘Herfkens’ selectiviteitsbeleid onder de loep: een beoordeling en voorstellen ter verbetering’,
    Internationale Spectator, Jrg. 57, nr. 2, februari 2003, pp. 71-76.
86 Zie hiervoor in meer detail ook: HOM,’ Matching practice and principles, human rights impact
    assessment: EU opportunities’, Utrecht 2002.
                                                        41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>gedegen analyse, zou moeten leiden tot heldere richtlijnen voor het uit te voeren
beleid.
Ook bij macro-economische steun is een relatie met mensenrechten te leggen. Terwijl
een ongezond macro-economisch klimaat slecht is voor het bedrijfsleven en de econo-
mische groei kan verminderen, beïnvloedt een instabiele macro-economische omgeving
ook de overlevingskansen van armen. Macro-economische problemen als ‘double-digit’
of ‘triple-digit’-inflatie treffen armen hard en kunnen in extreme gevallen deelname aan
de formele economie voor armen onmogelijk maken. De in het verleden veelvuldig over-
gewaardeerde valuta beïnvloeden de export van landbouwgewassen van boeren nega-
tief en tekorten op de betalingsbalans beïnvloedden de prijzen en beschikbaarheid van
consumentengoederen. Macro-economische steun, die per definitie wordt verleend aan
de centrale regering, kan derhalve de overlevingskansen van armen vergroten en dus
ook van betekenis zijn voor de economische en sociale rechten van armen. Een men-
senrechtenbenadering in de ontwikkelingssamenwerking vereist evenwel dat de relatie
van macro-economische steun met mensenrechten expliciet wordt uitgewerkt, en de
vorm van de steun beïnvloedt. Nederland zou dit moeten doen in het eigen bilaterale
beleid en in het kader van relevante donoroverleggen en financiële instellingen.
V.1.5     Rol internationale (financiële) organisaties en de EU
De rol van de VN-instellingen en gespecialiseerde organisaties en internationale finan-
ciële instellingen op het terrein van mensenrechten en ontwikkeling is belangrijk. Zowel
bij de vormgeving van een beleid op dit terrein als in uitvoerende zin is veel potentie
aanwezig. De door het Bureau van de HCRM ontwikkelde ‘guidelines’ zijn daarvan
slechts een belangwekkend voorbeeld. De wijze waarop in toenemende mate wordt
samengewerkt is ook veelbelovend. Over de praktische uitwerking en behaalde resulta-
ten is nog niet veel te zeggen, omdat verschillende programma’s nog in ontwikkeling
zijn. Het betreft met name UNDP/HURIST, Unicef, die de mensenrechtenbenadering
heeft geïntegreerd in het totaal van het programma, de technische samenwerkingspro-
gramma’s van de IAO en de coördinatieactiviteiten van de HCRM die gericht zijn op
integratie van mensenrechten in het gehele VN-systeem. In deze en andere projecten
en programma’s wordt nadruk gelegd op participatie van alle sectoren van de maat-
schappij, hetgeen past in de huidige benadering van ontwikkelingssamenwerking waar-
van ook de mensenrechtenbenadering deel uitmaakt. Daarnaast hebben mensenrech-
ten ook een prominente plaats verworven in het ontwikkelingsbeleid van de EU, zonder
dat expliciet voor een mensenrechtenbenadering is gekozen. Ten aanzien van de activi-
teiten van de Wereldbank en het IMF moet worden geconstateerd dat deze organisaties
juridisch verplicht zijn ervoor te zorgen dat hun activiteiten geen negatieve invloed heb-
ben op de capaciteit van staten om hun mensenrechtenverplichtingen na te komen. De
wijze waarop dit programmatisch wordt vormgegeven door deze instellingen is echter
niet altijd duidelijk. Om dit te verbeteren is in het recente advies van de AIV inzake Pro-
Poor Growth een aantal aanzetten gegeven. Indien uitgevoerd, kunnen deze aanbevelin-
gen bijdragen aan een verdere ontwikkeling van een mensenrechtenbenadering voor
deze instellingen. Nederland moet zich ervoor inzetten dat deze instellingen hun toe-
komstige beleid op dit terrein duidelijker in het teken van mensenrechten stellen.
V.1.6     Coherentie
Zelfs als de relatie tussen mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking in coherente
beleidsdocumenten is geformuleerd, is de uitvoeringspraktijk vaak weerbarstig. Ener-
zijds schort het in de donorlanden, op nationaal niveau, vaak aan goede afstemmingen
en samenwerking tussen relevante departementen, anderzijds bestaat er een grote
kloof tussen de belevingswereld van armen en gemarginaliseerden en hetgeen door
                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>donoren en regeringen van ontwikkelingslanden aan beleidsvoornemens wordt geformu-
leerd. Een donorbeleid moet coherent zijn, niet alleen in de zin van vrij van tegenstrijdig-
heden, maar ook zo dat alle beleidsonderdelen elkaar ondersteunen; het betreft dus
alle ministeries. Als voorbeeld van concrete activiteiten kan bijvoorbeeld worden gewe-
zen op de ambities van de MDG’s. Deze kunnen alleen maar worden bereikt indien alle
betrokkenen, zowel in de donorlanden als in de ontvangende landen op coherente wijze
samenwerken. Ondanks het feit dat dit aspect ook door de Nederlandse regering wordt
onderschreven, valt echter op dit terrein nog het nodige te verbeteren.87 De relaties
met ontwikkelingslanden en financiële stromen verlopen maar voor een deel via de ont-
wikkelingssamenwerking. Op het terrein van economische relaties en wapenexporten
vinden transacties plaats die niet duiden op goede afstemming en samenwerking tus-
sen de relevante ministeries, met mensenrechten als uitgangspunt. Ook het gebrek aan
coherentie tussen EU-beleid op de terreinen van mensenrechten en ontwikkeling, han-
del en landbouw staat de effectiviteit in de weg. Vanwege de gedeelde competentie
voor buitenlands beleid en ontwikkelingssamenwerking is er ruimte voor spanningen
tussen het beleid en de besluiten van EU-instellingen en individuele lidstaten. Dit is een
belangrijke factor, die leidt tot incoherentie. Een voorbeeld daarvan is het voortbestaan
van het landbouwprotectionisme van de EU; dit is een ernstige sta-in-de-weg en dient te
worden beëindigd. Tot slot moet ook besluitvorming in de respectieve internationale
fora als IMF, Wereldbank en WTO erop zijn gericht dat de doelstellingen en effecten van
ontwikkelingssamenwerking niet worden ondermijnd.88 Daartoe moeten het IMF en de
Wereldbank hun mandaat in ieder geval breder interpreteren dan zij nu doen.
V.1.7     Betere mensenrechtenantenne eigen apparaat
De invoering van een mensenrechtenbenadering zal een extra inspanning vragen op het
gebied van gerichte opleiding van ambtenaren, ambassade-medewerkers en (lokale)
staf van ontwikkelingsorganisaties en andere NGO’s op het terrein van internationale
mensenrechtenverdragen en uitvoerings- en toezichtmechanismen. Dat is een investe-
ring, die op de langere termijn haar vruchten zal afwerpen. Voor alle betrokkenen is het
van belang dat wordt gekozen voor een mensenrechtenbenadering, die ministeriebreed
wordt vormgegeven.
Conclusies
In de visie van de AIV moeten de hierboven weergegeven uitgangspunten hun weerslag
krijgen in het totaal van het beleid. Naar het oordeel van de AIV bieden de hieruit te
trekken conclusies goede handvaten en kunnen deze worden gebruikt in het ontwikke-
lingssamenwerkingsbeleid en in het Nederlands beleid in het algemeen. De belangrijk-
ste conclusies zijn daarbij:
   Niet alles in het kader van ontwikkelingssamenwerking heeft met mensenrechten te
    maken, maar het gehele ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is wèl doortrokken van
    mensenrechten.
   Een mensenrechtenbenadering dwingt tot het maken van keuzes. Het gaat om een
    zeer brede, ambitieuze benadering, die geacht wordt door te werken in het gehele
87 Zie onder meer ‘Beleidsnotitie Ontwikkelingssamenwerking - Landbouw’, TK 2002-2003, kamerstuk
    28318, nr. 2, december 2002.
88 Zie onder meer: L. van Maare, ‘Coherentie in de ontwikkelingssamenwerking: hoe verder ?’, Internationa-
    le Spectator, Jrg. 57, nr. 2, februari 2003, pp. 81-87.
                                                       43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>  beleid. Mensenrechten bieden een juridisch/normatief kader, waarmee richting kan
  worden gegeven aan (deelterreinen van) het beleid voor ontwikkelingssamenwerking.
  Naleving van de internationaal erkende mensenrechten moet daarbij uitgangspunt
  zijn.
 Mensen en hun rechten dienen voorop te staan bij het maken van beleidskeuzes,
  niet landen, overheden of economische doelen. Donoren dienen te kiezen voor
  armen. Het inschakelen en het steunen van maatschappelijk actoren in ontwikke-
  lingslanden is van groot belang bij het vormgeven van een mensenrechtenbenadering.
 De selectie van landen waaraan steun wordt verleend, moet zodanig zijn, dat alleen
  landen in aanmerking komen waar steun een reële bijdrage kan leveren aan de
  bevordering van het geheel van de mensenrechten. De beoordeling hiervan dient
  plaats te vinden op grond van duidelijke, uniforme en transparante criteria; deze
  moeten vervolgens eenduidig worden toegepast. De toetsing moet zijn gebaseerd op
  een heldere landenanalyse. Daartoe moet voldoende aandacht worden besteed aan
  systematische gegevensverzameling en het volgen en beoordelen van de mensen-
  rechtensituatie.
 De doorgevoerde decentralisatie van de budgetten voor het Nederlandse
  (bilaterale)beleid heeft op lokaal niveau een beter zicht gegeven op activiteiten en
  resultaten van activiteiten die in de landen plaatsvinden. Door gebrekkige terugkop-
  peling van deze informatie naar het departement bestaat echter onvoldoende over-
  zicht van de volle breedte van dat deel van de ontwikkelingssamenwerking en is het
  bepalen van algemene beleidsprioriteiten lastig. Zulke algemene beleidsprioriteiten
  zijn noodzakelijk.
 Er dient meer te worden geïnvesteerd in de opleiding van medewerkers van het
  ministerie en van ontwikkelingsorganisaties op het terrein van internationale men-
  senrechtenverdragen en uitvoerings- en toezichtmechanismen. Zodoende kunnen
  kennis en bewustwording inzake mensenrechten bij individuen worden vergroot ten-
  einde meer synergie tussen het ontwikkelingsbeleid en de mensenrechtenbenade-
  ring aan te brengen.
 Zowel de realisering van burger- en politieke rechten als die van economische, socia-
  le en culturele rechten verdienen een vaste plaats op de agenda van de dialoog tus-
  sen de regeringen van het donorland en het hulpontvangende land. Mensenrechten
  dienen zo als ijkpunt voor het beoordelen van enerzijds het door het ontvangende
  land gevoerde sociaal-economische beleid en anderzijds het door de donor gefinan-
  cierde programma.
 In algemene zin kan niet worden gesproken van inflatie van het begrip mensenrech-
  ten. Het gaat veeleer om een toespitsing en verfijning van substantiële mensenrech-
  tennormen en om het ontwikkelen van een stelsel van toezichtmechanismen. Gezien
  het grote aantal ontwikkelingen op dit terrein blijkt het echter lastig een verantwoord
  totaaloverzicht te krijgen.
 Voor een goede naleving van internationale mensenrechten verplichtingen is op
  nationaal niveau een goed functionerend rechtssysteem een belangrijk vereiste.
  Goed geïnformeerde, goed opgeleide, niet-corrupte, en effectieve rechters zijn daar-
                                            44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>  toe een eerste voorwaarde. Permanente mensenrechteneducatie en het instellen
  van nationale mensenrechteninstituten en ombudsmaninstituten verdienen daar-
  naast hoge prioriteit.
 Het is van groot belang dat overeengekomen internationale afspraken en toezeggin-
  gen op het terrein van zowel de mensenrechten als de ontwikkelingssamenwerking
  (Kopenhagen-afspraken, MDG’s, de Monterrey-consensus en het Johannesburgpro-
  gramma) consequent worden nagekomen. Hier ligt een rol voor de VN, voor indu-
  strielanden èn voor ontwikkelingslanden.
 De rol van de VN-instellingen, gespecialiseerde organisaties, internationale financië-
  le instellingen en de EU op het terrein van mensenrechten en ontwikkeling is
  belangrijk. Nederland moet erop toezien en er aan bijdragen dat deze organisaties
  en instellingen hun beleid op dit terrein duidelijk in het teken van mensenrechten
  (blijven) stellen. Bijdragen aan verbetering van de effectiviteit van het mensenrech-
  tenbeleid van deze organisaties op het terrein van informatieverzameling en -analy-
  se, aan versterking van expertise en aan systematische samenwerking, zijn daarbij
  noodzakelijk.
 Het totaal van het Nederlandse beleid dient coherent te zijn. Het dient vrij te zijn
  van tegenstrijdigheden en verschillende beleidsonderdelen dienen elkaar onderling
  te ondersteunen. Dit geldt voor het beleid en de uitvoeringswerkzaamheden van alle
  Nederlandse ministeries, maar ook internationale organisaties als IMF, Wereldbank
  en WTO moeten hierop toezien.
 De waarde van het recht op ontwikkeling schuilt voor de AIV vooral in het verbinden-
  de karakter ervan. De afzonderlijke mensenrechten op leven, voedsel, gezondheid,
  onderwijs en deelname aan het politieke en culturele leven komen samen in het
  recht op ontwikkeling. Als zodanig kan het integrerend werken en de rechten van
  individuen en volken verbinden. Aldus kan het recht op ontwikkeling via het gecombi-
  neerde effect van deze werkingen een positieve rol vervullen ter bevordering van
  respect voor het geheel van de rechten van de mens.
 De door de HCRM ontwikkelde ontwerprichtlijnen in het document ‘Draft guidelines:
  A Human Rights Approach to Poverty Reduction Strategies’ zijn belangwekkend en
  kunnen een goed instrument vormen voor de verdere operationalisering en evaluatie
  van het door Nederland te ontwikkelen beleid op het terrein van een mensenrech-
  tenbenadering van ontwikkelingssamenwerking.
 De AIV benadrukt, tot slot, het uitgangspunt van dit advies dat het bestaan van wijd-
  verbreide extreme armoede het onmogelijk maakt voor betrokkenen hun mensen-
  rechten effectief te realiseren. De internationale gemeenschap moet derhalve hoge
  prioriteit blijven geven aan de verlichting en uiteindelijke uitbanning van de armoede.
  De gemeenschappelijke noemer van zowel mensenrechtenbeleid als het beleid inza-
  ke ontwikkelingssamenwerking is en moet blijven: het bevorderen en beschermen
  van de menselijke waardigheid.
                                             45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Kenmerk
Blad

- dat bij de bevordering van de mensenrechten door middel van
ontwikkelingssamenwerking aan “positieve middelen” groter gewicht moet
worden toegekend dan aan “negatieve middelen”.

In de loop der tijd is het begrip “goed bestuur” een wezenlijk onderdeel gaan uitmaken
van het os-beleid. Dit omvat eerdergenoemde begrippen als transparantie en
accountability van regeringen, alsmede participatie en medezeggenschap van burgers.
Voorts is inmiddels ook het besef geworteld dat duurzame ontwikkeling zowel
economische groei als menselijke ontplooiing vereist. Armoede wordt allang niet meer
alleen gezien in termen van gebrek aan inkomen. In toenemende mate wordt belang
gehecht aan veiligheid en ontplooiingskansen voor mensen. Het World Development
Report 2000/2001, “Attacking Poverty”, bezigt de termen “opportunity”,
“empowerment” en “security”.

De laatste jaren heeft de zen. human rights based approach to development
(mensenrechtenbenadering van ontwikkeling) in het werk van enkele VN-fondsen
(UNICEF, UNDP, UNIFEM), alsmede van enkele bilaterale donoren (waaronder het
VK en Zweden) zijn intrede gedaan. De benadering biedt een conceptueel kader voor
de “empowerment” van mensen vanwege het accent op hun participatie in het
ontwikkelingsproces en hun medezeggenschap in een eerlijke verdeling van de
welvaart. Hier ligt een dudelijk verband met het recht op ontwikkeling, dat uitgaat van
de centrale positie van de mens zowel in het proces van ontwikkeling als in de
verdeling van de resultaten van ontwikkeling. Tegelijkertijd biedt deze mensenrechten-
benadering handvatten voor het integreren van mensenrechten in de praktyk van
alledag. Er kan een directer verband worden gelegd tussen, bijvoorbeeld, activiteiten
op het gebied van gezondheidszorg en het recht van een ieder op een zo goed
mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid zoals vervat in artikel 12 van het
VN-verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.

Het afgelopen jaar zijn er reeds enkele activiteiten in gang gezet om het
mensenrechtenbeleid en ontwikkelingssamenwerking beter op elkaar te doen
aansluiten. Zo wordt de mensenrechtenbenadering onder de aandacht van
sectorspecialisten gebracht en is er in het kader van het project

“Mainstreaming Armoedebestrijding” van het departement een intern paper
“Armoedebestrijding en Mensenrechten” opgesteld Dit is een eerste aanzet

in een traject dat uiteindelijk moet leiden tot een handreiking aan posten om
armoedebestrijding vanuit het perspectief van mensenrechten te beargumenteren, als
aanvuiling op bestaande armoede-bestrijdingsstrategieën. Umgekeerd kunnen
armoedebestrijdmgsargumenten worden gebruikt bij het aankaarten van
mensenrechtenkwesties. Zo zou bijvoorbeeld in een land waar zorg bestaat over de

DM V/MR-078/02
2/4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Kenmerk
Blad

toename van genitale verminking ook het belang van gezonde en onafhankelijke
vrouwen voor de economische groei kunnen worden benadrukt.

Dat het bij ontwikkeling om de verwezenlijking van rechten van mensen gaat en niet
om liefdadigheid, daar bestaat geen twijfel over. Toch roept de mensenrechten-
benadering van ontwikkeling nog een aantal vragen op. Raakt het begrip
“mensenrechten” niet aan inflatie onderhevig door alles wat met ontwikkeling te
maken heeft als zodanig te bestempelen? Bestaat het gevaar dat het in dit verband
slechts om “papieren” rechten gaat die geen wortel schieten in de maatschappelijke
context? Bij armoede gaat het dikwijls niet om een specifieke schending met een
aanwijsbare dader, maar om een algehele foute situatie met vele verantwoordelijken
die niet makkelijk juridisch aangesproken kunnen worden. In landen waar het recht op
ontwikkeling relevant is, ontbreekt het vaak aan een goed werkend rechtssysteem.
Wekt het gebruik van de term “rechten” in het kader van ontwikkeling dan misschien
niet teveel verwachtingen die in de praktijk niet kunnen worden waargemaakt? Het is
echter wellicht nuttig om pragmatisch te werken en te bezien hoe de
mensenrechtenbenadering praktisch kan worden vertaald in concrete strategieën en
maatregelen die in de ontwikkelingssamenwerkingspraktijk van alledag kunnen
worden gehanteerd teneinde de samenhang tussen ontwikkelingssamenwerking en het
mensenrechtenbeleid te versterken.

Met het oog hierop zouden wij het zeer op prijs stellen advies van uw Raad te mogen
ontvangen. Onze aanvraag heeft geen betrekking op de algemene vraag van de plaats
die mensenrechten in het ontwikkelingsamenwerkingsbeleid dient in te nemen
aangezien daarover, zoals boven aangegeven, reeds eerder advies werd uitgebracht.
Naast bovengenoemde vragen zouden wij met name graag zien dat in het advies wordt
ingegaan op:

- de wijze waarop de mensenrechtenbenadering (human rights based approach to
development) kan worden gehanteerd in de praktijk van ontwikkelings-
samenwerking in het algemeen en in de sectorale benadering in het bijzonder;

- mogelijke dilemma’s voortvloeiend uit overgevoeligheid aan de kant van sommige
landen op het gebied van mensenrechten (denk bijvoorbeeld aan rechten van
vrouwen gerelateerd aan reproductieve gezondheid) en manieren om daarmee om
te gaan;

- de wijze waarop de mensenrechtenbenadering kan worden bevorderd in
Gespecialiseerde Organisaties en VN-fondsen (met name andere dan
eerdergenoemde UNDP, UNIFEM en UNICEF);

- de relatie tussen het PRSP-concept (Poverty Reduction Strategy Papers) van
IMF/Wereldbank en de mensenrechtenbenadering, in het bijzonder de wijze
waarop het PRSP-concept kan bijdragen aan de mensenrechtenbenadering;

DMV/MR-078/02
3/4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Kenmerk
Blad

- de wijze waarop het recht op ontwikkeling in concreto bevorderd kan worden. In
dit verband kan ook worden gewezen op de werkzaamheden van de onafhankelijk
expert van de VN voor het recht op ontwikkeling, de heer Arjun Sengupta.

Het ligt in de bedoeling om mede aan de hand van het advies in het najaar een interne
workshop te beleggen die moet uitmonden in een praktisch richtsnoer voor posten om
mensenrechten in de dagelijkse praktijk van ontwikkelingssamenwerking te integreren
en tot een wederzijdse versterking te komen van het beleid inzake mensenrechten en
inzake armoedebestrijding.

Uw advies zien wij met belangstelling tegemoet.

DeMini ster eee De Minister
kali Zaken voor Ontwikkelingssamenwerking

DMV/MR-078/02
4/4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                                                                                   Bijlage II
Lijst van gebruikte afkor tingen
ACM                 Adviescommissie Mensenrechten Buitenlands Beleid
AIV                 Adviesraad Internationale Vraagstukken
AVVN                Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
BuPo-verdrag        Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
CEDAW               Convention on the Elimination of Discrimination against Women
                    (Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie jegens vrouwen)
CRC                 Convention on the Rights of the Child
                    (Verdrag voor de rechten van het kind)
CMR                 Commissie mensenrechten (AIV)
COM                 Commissie ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten (AIV)
COS                 Commissie ontwikkelingssamenwerking (AIV)
DFID                Department for International Development
                    (Departement voor internationale ontwikkelingssamenwerking)
ESC-verdrag         Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en
                    culturele rechten
EU                  Europese Unie
FAO                 Food and Agriculture Organisation
                    (Wereldlandbouw- en voedselorganisatie)
HCRM                Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens
HURIST              Human Rights Strengthening programme
                    (Programma ter bevordering van mensenrechten)
IAO                 Internationale Arbeidsorganisatie
                    (International Labour Organisation)
IMF                 Internationaal Monetair Fonds
MDGs                Millennium Development Goals
                    (Millennium doelstellingen)
NGOs                Niet-gouvernementele organisaties
OrEA                Bureau Organisatie, Evaluatie en Advies
PRSP-concept        Poverty Reduction Strategy Papers
                    (Programma voor armoedebestrijding)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>SGVN   Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties
SIDA   Swedish International Development Cooperation Agency
       (Zweeds instituut voor ontwikkelingssamenwerking)
UNDP   United Nations Development Programme
       (Verenigd Naties programma voor ontwikkelingssamenwerking)
UNICEF United Nations International Children’s Emergency Fund
       (Verenigde Naties Kinderfonds)
UVRM   Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
VN     Verenigde Naties
VS     Verenigde Staten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1      EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2      CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
       mogelijkheden, april 1998
3      DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
       april 1998
4      UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
       VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5      EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6      HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7      COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
       november 1998
8      ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9      NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
       Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10     DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
       IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
       veiligheid, september 1999
11     HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
       september 1999
12     DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig
       lidstaten, januari 2000
13     HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000 **
14     ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15     EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16     DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17     DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
*  De adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
   de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>18   GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19   EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en
     subnationale overheden, april 2001
20   EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21   REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST
     OF OVERTUIGING, juni 2001 ***
22   DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN
     RECHTSHERSTEL, juni 2001
23   COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24   EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese
     Unie en de IGC 2004, november 2001
25   INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid,
     inzet en kwaliteit, januari 2002
26   NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN
     EUROPA IN 2003: rol en richting, mei 2002 ***
27   EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, mei 2002
28   DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN:
     voors en tegens van bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29   PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA
     AFRIKA: een analyse van strategieën tegen armoede, januari 2003
*** Ook beschikbaar in het Frans en Russisch.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>