<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>SME ENE

RGIE RAAD

ADVIES D INTERNATIONALE VI
DVISORY COUNCIL ON INTER!

RAAGSTUKKEN
IATIONAL AFFAIRS

ATV

‘cq A

i

i d n

4 »
i
ate
“ fh .
Auk
Ee

RG OORZIENINGSZEKERHEID
NIEUWE HOOFI LI E
, 5 D he ENA en 3 i
ee oo a
L MENE NERGIERAAD ai! os
VIES RAA INTERNATION ALE VRAAGSTUKKEN E 4
[BER 2005 EE Bi
ey
or hel
> 2 HER
4 > A mt
74 | A

</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                               
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
De Adviesraad Internationale Vraagstukken is een adviesorgaan van de rege-
ring. Hij brengt adviezen uit aan de minister van Buitenlandse Zaken, de
minister van Defensie, de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, de
staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en de Staten-Generaal.
De Adviesraad kent vier permanente commissies voor de advisering op de
beleidsterreinen van mensenrechten, vrede en veiligheid, ontwikkelingssa-
menwerking en Europese integratie.
De staf van de Adviesraad en permanente commissies bestaat uit:
drs. J.M.D. van Leeuwe, drs. T.D.J. Oostenbrink, mr. P.J.A.M. Peters en
mw. dr. S. Volbeda.
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
postbus 20061, 2500 eb den haag
telefoon 070.3485108/6060
e-mail aiv@minbuza.nl
internet www.aiv-advies.nl
Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter
Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter
Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden
Dhr. A.L. ter Beek
Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
Mw. drs. A.C. van Es
Prof. dr. W.J.M. van Genugten
Dr. B. Knapen
Drs. H. Kruijssen
Prof. dr. A. de Ruijter
Mw. mr. E.M.A. Schmitz
Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Ambtelijk contactpersonen
Dr. Ph. de Heer (Ministerie van Buitenlandse Zaken, S)
Drs. B. ter Haar (Ministerie van Buitenlandse Zaken, SPL)
Drs. B.W. Bargerbos (Ministerie van Defensie, DEF/DAB)
Secretaris
Mr. P.J.A.M. Peters
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>de raden                                                                        
DE ENERGIERAAD
De Algemene Energieraad adviseert de regering en het parlement over het te
voeren energiebeleid. De Energieraad wil een gewetensfunctie ten behoeve
van overheid en samenleving vervullen en een bijdrage aan het maatschap-
pelijk energiedebat leveren, waarbij steeds het publieke belang centraal staat.
De Energieraad is onafhankelijk. De leden van de Raad worden benoemd
op basis van hun deskundigheid en hun maatschappelijke kennis en erva-
ring. De Raad telt maximaal tien leden, die bij koninklijk besluit worden
benoemd. Ze zijn afkomstig uit relevante maatschappelijke groeperingen,
maar vervullen hun adviestaak op persoonlijke titel. De taken en positie van
de Energieraad zijn wettelijk geregeld (Wet op de Algemene Energieraad).
Algemene Energieraad
Adelheidstraat 8
Postbus 11723
2502 AS Den Haag
T 070 - 3924001
F 070 - 3652836
E info@energieraad.nl
I www.energieraad.nl
Algemene Energieraad
Voorzitter
Ir. P.H. Vogtländer, voorzitter
Raadsleden
Prof. dr. J.C.J.M. van den Bergh
Ir. M.E E. Enthoven
Mr. J.J. Heusdens
Mevrouw prof. dr. J.G. van der Linde
Drs. G.H.B. Verberg
Mevrouw prof. dr. ir. M.P.C. Weijnen
Ir. W.K. Wiechers
Prof. mr. M.H. van der Woude
Secretariaat
Drs. H.E.G.D. Dunsbergen, secretaris
Drs. B.J.M. Hanssen, secretaris (tot 01-12-2005)
Ir. P.W. Broekharst (tot 01-09-2005)
Drs. E. Janssen, projectsecretaris
Drs. E.J. ten Elshof
Mevrouw E.M.A. Bouwen
Mevrouw E.A. de Groot
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                  
Commissie Energie en Buitenlands Beleid (CEB)
Voorzitter
Drs. G.H.B. Verberg (AER)
Vice-voorzitter
Prof. dr. mr. C.J. Jepma (AIV)
Leden
Dr. W.F. van Eekelen (AIV)
Drs. T. Etty (AIV)
Dr. Ph.P. Everts (AIV)
Mevrouw prof. dr. J.G. van der Linde (AER)
Drs. H.C. Posthumus Meyjes (AIV)
Mevrouw prof. dr. ir. M.P.C. Weijnen (AER)
Secretariaat
Ir. P.W. Broekharst (AER)
Drs. E. Janssen (AER)
Mr. P.J.A.M. Peters (secretaris AIV)
Drs. P.A. Ramaer (AIV)
energiek buitenlands beleid
Den Haag, januari 6
isbn 90 74357 42 3
Ontwerp: LandofPlenty, Bergen ()
Drukwerk: VanDeventer, ‘s-Gravenzande
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>     woord vooraf                                                                 
WOORD VOORAF
     In mei 2005 heeft de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken
     (AIV) en de Algemene Energieraad (AER) verzocht op korte termijn te advi-
     seren over energie en buitenlands beleid (zie bijlage 1 voor de aanvraag).
     De tekst van dit advies is voorbereid door een gemengde commissie, de
     Commissie Energie en Buitenlands Beleid, die bestond uit een aantal leden
     van de AER en een aantal leden van de permanente commissies van de AIV.
     De commissie stond onder leiding van drs. G.H.B. Verberg (AER). De ove-
     rige leden van de gemengde commissie waren: dr. W.F. van Eekelen (AIV-
     Commissie Europese Integratie), drs. T. Etty (AIV-Commissie
     Mensenrechten), dr. Ph.P. Everts (AIV-Commissie Vrede en Veiligheid),
     prof. dr. mr. C.J. Jepma (AIV-Commissie Ontwikkelingssamenwerking),
     tevens vice-voorzitter, mw. prof. dr. J.G. van der Linde (AER), drs. H.C.
     Posthumus Meyjes (AIV-Commissie Europese Integratie), mw. prof. dr. ir.
     M.P.C. Weijnen (AER).
     De commissie werd van ambtelijke zijde bijgestaan door mr. P.J.T. van Strien
     en dr. R. Vos (Ministerie van Buitenlandse Zaken) en drs. G.K. Roukens
     (Ministerie van Economische Zaken). Het secretariaat werd gevoerd door
     achtereenvolgens ir. P.W. Broekharst, drs. E. Janssen (bij de AER) en mr. P.
     J.A.M. Peters, drs. P.A. Ramaer (bij de AIV).
     Dit advies is door de AER en de AIV vastgesteld op 1 respectievelijk 2
     december 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>     inhoudsopgave                                                     
Inhoudsopgave
     1   Inleiding                                                   8
     2 Energie in een veranderende wereld                           13
         2.1 Vraag en aanbod van energie, mondiale ontwikkelingen   13
         2.2 Energie en geopolitiek                                20
         2.3 Energie en geopolitiek: een modelmatige benadering    24
         2.4 Concluderend                                          27
     3 Nederlandse energiebelangen                                 29
         3.1    Nederlandse belangen                               29
         3.2 Gemeenschappelijke belangen                           37
     		
     4 Buitenlands beleid met het oog op de energievoorzienings-   39
         zekerheid van Nederland
         4.1 Een nieuwe hoofddoelstelling                          39
         4.2 Herijking van de hoofdoriëntaties van het buitenlands 42
     			        beleid, gericht op energie
         4.3 Instrumenten van buitenlands beleid                   50
         4.4 Een en-en beleid: zowel multi- als bilateraal gericht  53
     5 Samenvatting en aanbevelingen                                55
     Bijlage 1
     Adviesaanvraag                                                62
     Bijlage 2
     Lijst van afkortingen                                         66
     Bijlage 3
     Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken                68
     uitgebrachte adviezen
     Bijlage 4
     Door de Algemene Energieraad uitgebrachte adviezen            72
     van de laatste 10 jaar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>        energiek buitenlands beleid                                                       
Inleiding
 1     De adviesaanvraag
       De ministers van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken hebben de
       Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad
       (AER) een gezamenlijk advies gevraagd over de vraag of, en zo ja hoe, het
       buitenlands beleid van Nederland en de Europese Unie zou kunnen bijdra-
       gen aan de energievoorzieningszekerheid van Europa en in het bijzonder
       Nederland. Kortheidshalve wordt voor de volledige tekst van de adviesaan-
       vraag verwezen naar bijlage 1 van dit advies.
       Deze vraag is mede ingegeven door de toenemende afhankelijkheid van
       importen van olie en gas uit een kleine groep landen en regio’s, zoals
       Rusland, de landen rond de Perzische Golf en de Kaspische Zee-regio.
       Behalve de landen van de Europese Unie worden ook andere consumerende
       landen, zoals de VS en opkomende economieën als China en India, steeds
       afhankelijker van energie-importen. Hierdoor ontstaat scherpere concurren-
       tie tussen de verschillende consumerende landen.
       De verhoudingen in de wereld zijn, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie
       en de opkomst van landen als China, India en Brazilië als belangrijke mach-
       ten in de eigen regio en daarbuiten, al sterk veranderd. Deze veranderingen
       hebben ook hun weerslag op de verhoudingen in de verschillende energie-
       markten. Energievoorzieningszekerheid is door deze veranderingen een
       belangrijk onderwerp op de agenda van consumerende landen geworden.
       Veel landen kijken kritisch naar het instrumentarium voor het realiseren van
       voorzieningszekerheid, mede door de veranderingen in de marktorganisatie
       in veel consumerende landen. De combinatie van veranderende geopolitieke
       verhoudingen, economische factoren in de energiemarkten en de milieu-
       agenda van veel overheden, stelt in de komende jaren andere eisen aan het
       voeren van een voorzieningszekerheidbeleid dan voorheen.
       Energievoorzieningszekerheid als onderwerp van buitenlands beleid sluit
       nauw aan op de analyse in de recente nota ‘Nu voor Later’.1 In deze nota is
       uitdrukkelijk aangegeven dat de huidige en toekomstige energiesituatie een
       aanpak vergt die ook voorziet in een invulling door het Nederlands buiten-
       lands beleid. Andere relevante recente publicaties die ook als bronnen
       hebben gediend zijn onder meer de memorie van toelichting bij de begroting
       van het Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (september 2005), het
       advies van de Energieraad ‘Gas voor morgen’,2 ‘World Energy Outlook 2004
       en 2005’,3 ‘Saving Oil in a Hurry’4 en de in het kader van dit advies door het
       Clingendael International Energy Programme (CIEP) uitgevoerde studie
       naar het verband tussen energievoorzieningszekerheid en geopolitiek.5
       Energie en buitenlands beleid
       De mondiale energievraag stijgt en dat zal de komende decennia nog door-
       gaan. Daarbij is te verwachten dat in de energiebehoefte ook in 2030 nog
1 		Ministerie van Economische Zaken, Nu voor later. Energierapport 2005, juli 2005.
2 		Energieraad, Gas voor morgen, januari 2005.
3 		IEA, World Energy Outlook 2004 en World Energy Outlook 2005.
4 		IEA, Saving Oil in a Hurry, april 2004.
5		De adviesraden hebben dankbaar gebruik gemaakt van deze studie. Zie: Femke
		Hoogeveen, Wilbur Perlot (eds.), Tomorrow’s mores. The international system,
		     geopolitical changes and energy, Clingendael International Energy Programme, 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>       inleiding                                                                               
       grotendeels door fossiele brandstoffen zal worden voorzien, hoewel her-
       nieuwbare energie procentueel de snelste groeier is. Deze fossiele energie,
       met name olie en gas, zal echter uit een steeds kleiner aantal landen en
       regio’s komen. Regio’s waar politieke stabiliteit geen vast gegeven is. Een
       scherp toenemende importafhankelijkheid van de Europese Unie voor aard-
       gas en een blijvend hoge importafhankelijkheid bij olie is het gevolg.
       Sinds januari 2004 zijn de olieprijzen sterk gestegen. De olieprijs bewoog
       zich langere tijd binnen een bandbreedte van $ 22-28 per vat. Gezien de ach-
       terliggende oorzaken van deze ontwikkelingen op de wereldoliemarkt is het
       niet onwaarschijnlijk dat de olieprijs voor langere tijd op een hoger niveau
       zal liggen.6 De afgelopen maanden werden prijzen tussen $50-70 per vat
       genoteerd. Dergelijke prijzen komen in reële termen in de buurt van het
       niveau van de oliecrises in de jaren 1970.7 De onderliggende prijsstijging is
       vooral een uitdrukking van de groeiende vraag naar energie - en olie in het
       bijzonder - van landen als China en India, maar ook van bijvoorbeeld de
       Verenigde Staten en de Europese Unie. Bovendien blijven de groei van het
       aanbod van olie en de raffinagecapaciteit achter, terwijl het aanbod van
       LNG (Liquified Natural Gas - vloeibaar aardgas) gehinderd wordt door
       tegenvallers, die hun effect naar verwachting tot 2009/10 zullen doen voelen.
       China en India, samen goed voor eenderde van de wereldbevolking, weten
       de economische groei nu al een half decennium op een niveau te houden dat
       ver boven de groeivoet van andere grote landen ligt. Op basis hiervan is het
       realistisch te verwachten, dat het economisch zwaartepunt in de wereld de
       komende decennia in belangrijke mate zal verschuiven van de VS, de EU en
       Japan in de richting van China en India.8 De snel groeiende energie-impor-
       ten van beide landen, die nodig zijn om deze economische ontwikkeling te
       kunnen realiseren, hebben substantiële invloed op de wereldenergiemarkt.
       De laatste jaren is bezorgdheid ontstaan over het vermogen van de produce-
       rende landen om aan de groeiende vraag naar olie te voldoen. De investerin-
       gen in de olie- en gaswereld blijven duidelijk achter bij de verwachte groei
       van de vraag. De zorg daarover wordt gedeeld door het Internationaal
       Energie Agentschap (IEA), omdat de toegankelijkheid van olie- en gasbron-
       nen beperkt is. Internationale olie- en gasmaatschappijen hebben slechts toe-
       gang tot eenderde van de bewezen reserves.9 De resterende tweederde is
       alleen toegankelijk voor staatsondernemingen, al dan niet met een minder-
       heidsaandeel voor buitenlandse partijen.10 Het investeringsklimaat is ook in
       landen waar buitenlandse bedrijven wel kunnen investeren niet ideaal, waar-
       door niet alle potentie tijdig gerealiseerd kan worden. Te denken valt aan bij-
       voorbeeld corruptie en/of spanningen met lokale (of nationale- zoals in
       Bolivia) bewegingen die ernstige twijfels hebben over de opportuniteit van
6		Het IEA verwacht in zijn World Energy Outlook 2005, dat de gemiddelde olieprijs in 		
		     2010 $ 35 per vat zal zijn en in 2030 zal zijn gestegen naar $ 39 per vat (in constante
		     dollarpijzen van 2004).
7		Zie <www.eia.doe.gov/emeu/steo/pub/fsheets/petroleumprices.xls>.
8		Zie Goldman Sachs, Dreaming with BRICs: The path to 2050 (Global Economics paper
		     no. 99), October 2003.
9		IEA, World Energy Outlook 2005.
10 		IEA, World Energy Investment Outlook 2003.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                   10
      het produceren en exporteren van olie en/of gas. Staatsondernemingen in de
      producerende landen moeten vaak concurreren met andere dringende (soci-
      ale) uitgaven van de overheid en beschikken niet altijd, zij het wel in toene-
      mende mate, over de kennis om de meer complexe olie- en gasreserves in
      productie te nemen. Al met al zorgen verschillende politieke en economische
      factoren voor het niet voldoende kunnen vergroten van het aanbod.
      Ook geopolitieke, regionale en binnenlandse problemen spelen een rol in de
      veranderingen in de internationale energiemarkten, evenals een grotere
      terughoudendheid ten aanzien van vrije energiemarkten. Er zijn ontwikke-
      lingen die op zijn minst steeds meer twijfel doen ontstaan over het adagium
      ‘laat de markt bepalen waarheen de olie- en gasmoleculen zullen gaan’.
      Zoals:
      – Venezuela, dat om politieke redenen wellicht eerder aan China olie zal
          verkopen dan aan de VS, zelfs als dit tot een wat lagere opbrengstprijs zou
          leiden.
      – Minister Mani Shankar Aiyar van India, die publiekelijk uitsprak dat het
          gas in Azië voor Azië moet zijn.
      – In de VS werd nationale veiligheid als argument gebruikt om een poten-
          tiële overname van Unocal, een Amerikaanse oliemaatschappij, door de
          Chinese staatsoliemaatschappij CNOOC te voorkomen.
      – In de EU doen bijvoorbeeld Denemarken, Duitsland, Frankrijk en
          Oostenrijk vanuit nationale belangen pogingen om ‘nationale kampioe-
          nen’ in het zadel te krijgen, dan wel te houden.
      – Energievoorzieningszekerheid wordt in steeds meer landen - vooral in
          de VS, het Verenigd Koninkrijk, China en Rusland - als onderwerp van
          nationale veiligheid beschouwd. In India wordt energie zelfs beschouwd
          als het op een na belangrijkste onderwerp op het gebied van nationale
          veiligheid, na voedselveiligheid.
      Door recente maatregelen van de regering Poetin is bij sommigen twijfel
      ontstaan over de voortgang van de Russische economie richting transpa-
      rante en gelegitimeerde marktwerking. De huidige regering heeft zijn greep
      op de energiesector drastisch versterkt vergeleken met de situatie onder
      ‘Poetin-I’.
      Bovendien dienen zich knelpunten aan op de aanvoerroutes van olie en
      vloeibaar aardgas. Capaciteitsproblemen en veiligheidsrisico’s vormen een
      steeds groter probleem. De dreiging van terroristische aanslagen heeft
      wezenlijke gevolgen voor de wereldmarkt van olie en gas. Minister Khelil
      van Algerije zei in 2004 dat hij in de olieprijs een ‘terrorismepremie’ van
      ongeveer 7 à 10 $ per vat veronderstelde.11
      In diverse energieproducerende en - exporterende landen is er sprake van
      spanning tussen de regering en de plaatselijke bevolking. De corruptie in tal
      van landen, alsmede de matige reputatie van sommige regimes op het gebied
      van mensenrechten, tasten de legitimiteit van het plaatselijk gezag aan. Een
      gebrek aan transparantie over de toepassing, handhaving en afdwingbaar-
11 		Minister Khelil tijdens een toespraak op het Wereld Energie Congres in Sydney,
		9 september 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>inleiding                                                                        11
heid van nationale regelgeving heeft een negatieve invloed op het investe-
ringsklimaat. Dit heeft uiteindelijk gevolgen voor het aanbod van olie en/of
aardgas op de markt.
In OESO-kader is veel werk verricht met betrekking tot het ontwikkelen
van normen en uitgangspunten van goed gedrag van multinationale onder-
nemingen. De OECD Guidelines for Multinational Enterprises worden
regelmatig herzien (laatstelijk in 2000) en worden door steeds meer landen
onderschreven. Het is echter een feit dat deze richtlijnen niet altijd door alle
ondernemingen worden nageleefd en dat sommige landen zich minder
terughoudend opstellen. Hierdoor kan een ongelijke internationale uit-
gangspositie ontstaan bij de toegang tot energiebronnen.
De resultaten van wetenschappelijk onderzoek brengen de klimaatproble-
matiek steeds scherper in beeld. De noodzaak tot consistente actie, juist ook
in internationaal verband, kan redelijkerwijs niet langer ontkend worden. In
feite blijkt dit ook uit de recente klimaatverklaring van de G8-Top in
Schotland, medio 2005, en het rond dezelfde periode gesloten partnerschap
tussen o.a. de VS, China, India en Australië. Dit laatste kent weliswaar geen
bindende afspraken over emissieplafonds, zoals het Kyoto-verdrag, maar is
in zekere zin wel een erkenning van de klimaatproblematiek. De twee over-
eenkomsten verschillen echter aanzienlijk. Kyoto kent een uitgewerkter
kader waarin ook een vorm van sancties past, al is het nog de vraag hoe dit in
de praktijk geëffectueerd zal worden. Het is nog onbekend of, en zo ja welk,
‘post-Kyoto-beleid’ gevoerd zal worden, hetgeen een steeds klemmender
probleem wordt voor de vele beslissingen over en grote investeringen in de
energiesector die de komende tien jaar aan de orde zijn.
Genoemde ontwikkelingen vormen een scherp contrast met de gedachten
en beelden die in de jaren tachtig en begin jaren negentig van de vorige eeuw
opgeld deden. De verwachting was toen, dat de wereld voor de gehele econo-
mische ontwikkeling steeds verder het pad van mondialisering zou opgaan.
De overheid zou steeds verder terugtreden. Zij zou zich gaan beperken tot
het stellen van kaders, met name op het gebied van mededinging en milieu.
De markt zou, gestuurd door de ‘onzichtbare hand’, zijn nuttige werking
gaan doen. Dit zou zeker ook gelden voor de energievoorziening, die daartoe
met name in de Europese Unie een proces van vergroting van marktwerking
onderging.
In het licht van deze discrepantie is er behoefte aan een heroriëntatie op de
wijze waarop de energievoorziening in de toekomst veilig kan worden
gesteld. Dit geldt zowel voor de kwestie van voorzieningszekerheid op mid-
dellange- en lange termijn als voor die van een acute energiecrisis als gevolg
van een aanbodverstoring. Dit laatste kan verschillende oorzaken hebben;
natuurgeweld (bijvoorbeeld een orkaan), terrorisme of technisch falen. Dit
advies beoogt hiervoor een kader aan te reiken.
Aanpak
De AIV/AER (verder: de adviesraden) verstaan voor dit advies onder ener-
gievoorzieningszekerheid ‘het ook op lange termijn continu beschikbaar
hebben en krijgen van voldoende energieaanbod om op veilige wijze in de
behoeften van onze samenleving te voorzien tegen zo veel mogelijk en bij
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                               12
voorkeur marktconforme voorwaarden en op een wijze die zo min mogelijk
het milieu belast. Een en ander binnen door de overheid gestelde randvoor-
waarden.’ De adviesraden wijzen er op dat energievoorzieningszekerheid niet
alleen de lange termijn betreft, maar ook de korte termijn. In dat laatste
geval gaat het dan veelal om acute verstoringen van het energieaanbod die
tot een energiecrisis kunnen leiden.
In hoofdstuk 2 wordt een analyse gegeven van de wereldenergiesituatie voor
de komende twintig tot dertig jaar. De adviesraden menen het bij een korte
analyse te kunnen laten daar hierbij grotendeels kan worden teruggegrepen
op bestaande publicaties (zie boven).
Vervolgens zullen in hoofdstuk 3 de Nederlandse energiebelangen ten aan-
zien van voorzieningszekerheid uiteen worden gezet. In hoofdstuk 4 worden
deze belangen vertaald naar het buitenlands beleid. Afgesloten wordt met
hoofdstuk 5 (Samenvatting en aanbevelingen).
De adviesraden hebben in hun werkzaamheden zoveel mogelijk het terrein
van het energiebeleid in engere zin, dat ook internationale componenten
omvat, laten rusten en zich conform de adviesaanvraag gericht op het bui-
tenlands beleid en energie, mede vanuit het perspectief van de Nederlandse
belangen. Die dienen immers de drijfveer en rechtvaardiging van beleid te
vormen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>                    energie in een veranderende wereld                                                       13
Energie in een veranderende wereld
 2                  In dit hoofdstuk zal allereerst worden ingegaan op de ontwikkelingen op de
                    wereldenergiemarkten. Bij olie en gas wordt uitgebreider stilgestaan. Niet
                    alleen omdat dit de meest gevraagde brandstoffen zijn, maar ook omdat deze
                    markten zijn omgeven met de meeste onzekerheden en risico’s. Vervolgens
                    zal worden ingegaan op geopolitieke ontwikkelingen op het gebied van
                    energie. Deze zijn van belang om inzicht te krijgen in de politieke oriëntatie
                    van regimes van voor energie relevante landen, zodat Nederland en de EU
                    hierop kunnen inspelen.
                    2.1 Vraag en aanbod van energie, mondiale
                    ontwikkelingen
                    Vraag
                    De vraag naar energie groeit nog steeds. In de komende 25 jaar stijgt de vraag
                    naar energie naar verwachting met 60%, dat is gemiddeld 1.7% per jaar (zie
                    figuur 2.2). Zoals figuur 2.1 laat zien, zal deze stijging van de vraag vooral uit
                    de ontwikkelingslanden en snelgroeiende economieën als Brazilië, Rusland,
                    India en China (de zgn. ‘BRIC countries’) afkomstig zijn.12 Maar ook in de
                    OESO (m.n. de VS) stijgt de vraag.
                    Figuur 2.1	Totale energievraag per regio, 2002 en 2030
                        2002        2030
         Mtoe
           3500
           3000
           2500
           2000
           1500
           1000
            500
                0
                       ka       -25          a         ia    ina       nd         ka      ika          ten
                                            re       Ind
                    -Am                    Ko               Ch        sla        eri     Afr           os
                       eri     EU
                                        n/                          Ru       Am                    -O
                or d                   pa                                   id-                   en
             No                       Ja                                    Zu                 Mi
                                                                                                  dd
                    Bron: IEA, World Energy Outlook 2004.
                    In dit verband springt vooral de rol van China in het oog. De verwachte aan-
                    houdend sterke economische groei van China zal gepaard gaan met een zeer
                    sterke groei van de vraag naar energie. Dit laatste wordt mede veroorzaakt
                    door de hoge energie-intensiteit van de Chinese economie. Die heeft tot
                    gevolg dat de Chinese economie vooralsnog veel meer energie nodig heeft
                    voor groei dan de westerse economieën.13 In de projecties van het IEA is
12		Het aandeel van ontwikkelingslanden in de primaire wereldenergievraag stijgt in het
		                  referentiescenario van het IEA van 39% in 2003 naar 49% in 2030 (in 1971 was dit
		                  nog slechts 22%). Het aandeel van de OESO-landen neemt dus af. Zie IEA, World 		
		Energy Outlook 2005, p. 87.
13 		De energie-intensiteit is het totale energieverbruik (in ton olie equivalent) gedeeld door
		                  het BNP. China (0,90), India (1,04) en Rusland (1,32) scoren aanzienlijk slechter
		                  dan bijvoorbeeld de EU-landen 0,20 (Nederland 0,19) en de VS 0,25. Zie verder IEA,
		Key World Energy Statistics 2004, p. 48-57.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>                                        energiek buitenlands beleid                                                                          14
                                        China verantwoordelijk voor 21% van de stijgende energievraag tot 2030.
                                        Aangezien China een netto-importeur is, vergroot dit de druk op de olie-
                                        markt.
                                        Fossiele brandstoffen hebben naar verwachting ook in 2030 nog het grootste
                                        aandeel in de energievraag. De omvang van hernieuwbare energie stijgt wel-
                                        iswaar relatief het snelst, maar het aandeel in het totaal blijft desondanks in
                                        absolute zin bescheiden.
                                        Figuur 2.2                Wereldenergievraag per brandstof (Mtoe)
                                                     2002                2030	Stijging %                           2030	Stijging % 		
			                                                                                         per jaar	Altern.scenario*                 per jaar
			                                                                                    2002-2030		                              2002-2030
Kolen                                         2.389 (23%)	3.601 (22%)                            1,5            2.744	                     0,5
Olie (ex. bunkers)                            3.530 (34%)         5.604 (34%)                    1,6	4.995                                 1,2
Gas                                           2.190 (21%)	4.130 (25%)                            2,3	3.701                                 1,9
Nucleair                                       692     (7%)	764 (5%)                             0,4	868	                                  0,8
Waterkracht                                    224     (2%)	365 (2%)                             1,8	367	                                  1,8
Biomassa/Afval                                1.119 (11%)         1.605 (10%)                    1,3	           1.648	                     1,4
Overig Hernieuwbaar                             55 (0.5%)           256 (2%)                     5,7	330                                   6,6
Totaal                                            10.345              16.487                     1,7           14.654                      1,3
                                        Bron: IEA, World Energy Outlook 2004, p. 59, 416.
                                        * Het alternatieve scenario veronderstelt het invoeren van strengere
                                        milieumaatregelen en als gevolg daarvan een grotere groei van
                                        alternatieve energiebronnen; er treedt een verschuiving op van investeringen in
                                        energieproductie naar energiezuinige apparatuur
                                        Figuur 2.3	Energiegebruik per hoofd van de bevolking
                                        (2004)
                                    9
              Ton olie equivalent
                                    8
                                    7
                                    6
                                    5
                                    4
                                    3
                                    2
                                    1
                                    0
                                        eld       VS         ie       ina        -25        nd           ia    n          ika         ka
                                    We                      -Un                         rla             Ind    pa                   eri
                                       r                            Ch          EU                            Ja         Afr
                                                        ov                             de                                        Am
                                                          jet                          Ne                                       id-
                                                       .S                                                                      Zu
                                                     vm l
                                        Bron: IEA, Key World Energy Statistics 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>                    energie in een veranderende wereld                                                    15
                   Aanbod
                   Olie
                   De resterende oliereserves zijn sterk geconcentreerd in een beperkt aantal
                   OPEC-landen14 (zie figuur 2.4). Vijf landen rond de Perzische Golf (Saudi-
                   Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten, Irak, Iran, Koeweit) beschikken
                   over bijna 60% van de resterende bewezen oliereserves.15 Het aandeel van
                   deze landen in de olieproductie is veel lager (35%), maar zal in de toekomst
                   gaan stijgen. Tot 2010 zal de hoeveelheid olie, die geproduceerd wordt in
                   niet-OPEC landen, nog stijgen. Na 2010 verwacht men dat de stijging in de
                   productie in een aantal landen/regio’s (zoals Rusland, de Kaspische regio en
                   Afrika) de teruggang in andere niet-OPEC landen (zoals de landen rond de
                   Noordzee en de velden in bijvoorbeeld Alaska) niet langer meer kan com-
                   penseren. Het aandeel van de niet-OPEC landen in de totale olieproductie
                   zal dientengevolge na 2010 afnemen, terwijl het OPEC-marktaandeel stijgt
                   van 37% in 2002 naar 53% in 2030, net boven de historische piek van 1973.
                   Het oliegebruik stijgt dus en de olie zal afkomstig zijn uit minder bronlan-
                   den.
                   Figuur 2.4	             Waar zijn de oliereserves?
 Saudi-Arabië - 22,1
 Iran - 11,1
 Irak - 9,7
 Koeweit - 8,3
 VAE - 8,2
 Venezuela - 6,5
 Rusland - 6,1
 Libië - 3,3
 Nigeria - 3
 Qatar - 1,3
 Algerije - 1
 Rest - 19,4
                   N.B. De landen in rood zijn lid van OPEC; waarde is het %-aandeel in de wereldreserves
                   Bron: BP, Statistical Review of World Energy 2005.
14		OPEC: Organisation of Petroleum Exporting Countries. Leden zijn Algerije, Indonesië,
		Irak, Iran, Koeweit, Libië, Nigeria, Qatar, Saudi-Arabië, Venezuela en Verenigde
		Arabische Emiraten.
15 		De precieze omvang van de bewezen wereldoliereserves is om een aantal redenen
		                  (verschillende definities, intransparantie, gebrek aan toegang tot en/of
		                  betrouwbaarheid van data) moeilijk vast te stellen. Toch bestaan er verschillende
		                  algemeen aanvaarde schattingen (bijvoorbeeld die van BP), die erop duiden dat er
		                  voldoende reserves zijn om gedurende de komende 25 jaar in de vraag te voorzien. 		
		Dit is dan ook de aanname, waar de adviesraden mee hebben gewerkt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>        energiek buitenlands beleid                                                   16
       Bovendien zijn forse investeringen nodig om de voorraden te kunnen produ-
       ceren. Het IEA verwacht, dat tot 2030 voor vervangings- en uitbreidingsin-
       vesteringen samen $ 3000 miljard nodig zal zijn. Momenteel is slechts een-
       derde van de bewezen oliereserves toegankelijk voor buitenlandse directe
       investeringen. Tweederde is voorbehouden aan de staatsondernemingen van
       de producerende landen.16 Bij de huidige olieprijzen zal het voor deze staats-
       ondernemingen gemakkelijker zijn om benodigd investeringskapitaal te ver-
       krijgen van de overheid, hoewel de uitgaven van de producerende landen
       dusdanig stijgen dat een steeds hogere reële olieprijs nodig is om de begro-
       ting sluitend te houden. De investeringsbehoefte overstijgt echter toch vaak
       de bereidheid van veel producerende landen om daarvoor noodzakelijke
       financiering mogelijk te maken gegeven andere prioriteiten van betrokken
       staten. Het aantrekken van buitenlands kapitaal zou daarvoor soelaas
       kunnen bieden. De eerdere verwachting, dat de producerende landen zich
       open zouden stellen voor buitenlandse investeerders, is echter slechts in
       beperkte mate uitgekomen. Producerende landen lijken vast te willen
       houden aan de huidige eigendomsverhoudingen. Zij geven de voorkeur aan
       andere manieren om kapitaal te mobiliseren of nemen genoegen met een
       beleid waarbij naar inkomstenoptimalisatie wordt gestreefd met de huidige
       of slechts langzaam toenemende productiecapaciteit.
       Fig.2.5 Wereldolieaanbod (in miljoenen vaten per dag)
                                     2002           2030         Verschil
       			                                                    2002-2030
       OESO	                          21,1           12,7          - 8,3
       Voormalige Sovjet-Unie          9,5           15,9         + 6,4
       Landen in ontwikkeling         14,6           14,8	        + 0,2
       w.v. China                      3,4	           2,2          - 1,2
             Afrika                    3,0	4,4	                   + 1,4
             Brazilië                  1,5	4,0                    + 2,5
       OPEC                           28,2           64,8	        + 36,6
       waarvan Midden-Oosten          19,0           51,8	        + 32,8	
       Onconventionele olie            1,6           10,1         + 8,5
       Totaal                         75,0          118,3	        + 44,3
       Bron IEA, World Energy Outlook 2004, p. 106.
       Gas
       De bewezen aardgasreserves zijn ruim voldoende om aan de verwachte vraag
       in de zichtperiode te voldoen. Maar ook bij gas zien we een vermindering
       van het aantal productieregio’s. Het zwaartepunt komt in de Golfregio,
       Noord-Afrika en Rusland te liggen (zie figuur 2.6). Rusland zal waarschijn-
       lijk ook in 2030 ‘s werelds grootste gasexporteur blijven.
16 		IEA, World Energy Investment Outlook 2003.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>                   energie in een veranderende wereld                                               17
                   Figuur 2.6              Waar zijn de gasreserves?
Rusland - 26,7
Iran - 15,3
Qatar - 14,4
Saudi-Arabië - 3,8
VAE - 3,4
Nigeria - 2,8
Algerije - 2,5
Venezuela - 2,4
Irak - 1,8
Koeweit - 0,9
Libië - 0,8
Rest - 25,2
                   N.B. Waarde is het %-aandeel in de wereldgasreserves
                   Bron: BP, Statistical Review of World Energy 2005.
                   In de gassector zijn eveneens omvangrijke investeringen nodig. Het IEA ver-
                   wacht tot 2030 zo’n $ 2700 miljard voor de gehele waardeketen (van put tot
                   gasfornuis of elektriciteitscentrale). De vraag of dat gaat lukken is mede
                   afhankelijk van de opstelling van de overheden van producerende landen.
                   Ongeveer 64% van de huidige bewezen reserves van aardgas wordt beheerd
                   door staatsgerelateerde en -gecontroleerde bedrijven. Het is de vraag, of de
                   betrokken landen zelf de beschikking hebben over voldoende investerings-
                   kapitaal én de technische mogelijkheden.
                   Kolen
                   Er zijn nog enorme reserves. Vergeleken met olie en gas liggen de voorraden
                   bovendien wijd verspreid; 40% van de reserves (goed voor 200 jaar op het
                   huidige productieniveau) ligt in OESO-landen. China blijft de grootste
                   kolenproducent in de wereld. Het blijft echter een gegeven dat het verbruik
                   van kolen een probleem vormt voor het milieu.
                   Nucleair
                   De vraag naar nucleair opgewekte elektriciteit zal in absolute zin weliswaar
                   stijgen, maar relatief zal het aandeel in de elektriciteitsopwekking bij de hui-
                   dige stand van beleid naar verwachting afnemen van 17% nu naar 9% in
                   2030. Het geopolitieke knelpunt bij kernenergie is de verrijking van uranium
                   en opwerking van plutonium, omdat die stoffen ook in kernwapens gebruikt
                   kunnen worden. Dit proliferatievraagstuk is een voortdurende bron van
                   internationale spanningen, momenteel met name m.b.t. Noord-Korea en
                   Iran. Bovendien wordt afvalopslag vanuit milieuoogpunt als een probleem
                   beschouwd.
                   Hernieuwbaar
                   De omvang van hernieuwbare energie neemt relatief het snelst toe, maar
                   blijft vooralsnog in omvang bescheiden. Het aandeel van waterkracht, bio-
                   massa en overige hernieuwbare energie bedraagt zowel in 2002 als in 2030 ca.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>        energiek buitenlands beleid                                                    18
       13% (zie figuur 2.2). Opvallend is het hoge aandeel biomassa in de categorie
       hernieuwbaar. Veel daarvan is bovendien traditionele biomassa (hout,
       gedroogde mest e.d.).
       Afhankelijkheid van olie en gas
       De eigen productie in de consumerende landen neemt af, waardoor de
       afhankelijkheid van importen zal stijgen. Dat komt tot uitdrukking in de
       internationale handel in energie. De OESO-landen zijn goed voor een kwart
       van de vraagstijging, maar slechts voor 3% van de productiestijging. Export
       van niet-OESO landen naar OESO-landen zal daardoor met 80% toene-
       men tot 2030. Van de wereldolievraag wordt nu 46% verhandeld tussen des-
       betreffende regio’s en dat stijgt naar 63% in 2030.17 Voor gas gaat het van 15%
       naar 26%.18 De importafhankelijkheid van de EU voor olie zal naar ver-
       wachting stijgen van 76% naar 94% in 2030. Voor gas stijgt de importafhan-
       kelijkheid van 49% naar 81%.19 Desondanks neemt het marktaandeel van de
       EU en de VS in de totale consumptie af. Dit komt vooral door de sterk groei-
       ende vraag uit Azië, Afrika en Zuid-Amerika. In deze regio’s groeit de eco-
       nomie in de komende decennia naar verwachting sterker dan in het Westen.
       Voor de producerende landen vormen de opkomende landen een interes-
       sante groeimarkt naast de traditionele grote consumerende landen. In de
       toekomst zullen dus steeds meer partijen dingen naar de energie-exporten
       uit een beperkt aantal landen.
       Transport van brandstoffen
       Brandstoffen worden over de hele wereld getransporteerd, via pijpleidingen
       over land en zeebodem en via schepen. Nederland heeft te maken met beide
       typen transport. Voor het transport van aardgas via een pijpleiding moeten
       meestal veel landsgrenzen gepasseerd worden voordat het gas zijn eindbe-
       stemming bereikt. De afstanden die tussen de gasvelden van Rusland res-
       pectievelijk het Midden-Oosten en Europa moeten worden overbrugd,
       worden ook steeds langer doordat het centrum van productie langzaam
       oostwaarts gaat.
       Ook de zeeroutes zijn een bron van zorg. De logistieke capaciteit van de
       belangrijkste zeeroutes is beperkt en deze vormen steeds meer een flessen-
       hals. Het is de vraag of deze de voorziene toename van de verscheping van
       olie en gas aankunnen. Het gaat in het bijzonder om de Straat van Hormuz,
       Bab El-Mandab, het Suezkanaal en de Bosporus. Op deze routes komt een
       aantal smalle passages (zee-engten) of anderszins problematische punten
       (zoals kanalen of ondiepe zee) voor. Bovendien vormen piraterij (m.n. in de
       Straat van Malakka) en terrorisme een toenemend risico. Voornoemde
       routes geven nu al regelmatig problemen, en de kans daarop neemt alleen
       maar toe bij toenemende concentratie van de handelsstromen uit de betref-
       fende regio’s.20
17 		IEA, World Energy Outlook 2004, p. 71.
18 		Ibid.
19 		IEA, World Energy Outlook 2004, p. 117 en 140.
20 		  <http://www.eia.doe.gov/cabs/choke.html>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>                      energie in een veranderende wereld                                                      19
                     Figuur 2.7	Belangrijkste olietransportroutes
                                                                                                                 Miljoen vaten
                                                                                                                    per dag
                                                                                                                       15
      Midden-oosten
      Noord-Amerika
                                                                                                                       10
      Latijns-Amerika
      Afrika
                                                                                                                       3
      West-Europa
      vml. Sovjet-Unie
                                                                                                                       1
      Azië
                     Bron: Hofstra University, zie
                     <people.hofstra.edu/geotrans/eng/ch5en/appl5en/ch5a1en.html>.
                      Figuur 2.8          Olie en LNG transport via strategische zeeroutes
		                                                   2002		                             2030
		                                                 Volume	Aandeel in                  Volume	Aandeel in
		Olie (mb/d)                                                  interregionale	Olie (mb/d)        interregionale
		Gas (bcm)                                                        handel (%)	Gas (bcm)              handel (%)
Straat van Hormuz	Olietankers                          15                  44             43                 66
	LNG tankers                                           28                  18            230	34
Straat van Malakka	Olietankers                         11                  32             24                 37
	LNG tankers                                           40                  27             94                 14
Suez Kanaal	Olietankers                                 1                   4              3                  4
	LNG tankers                                            4                   3             60                  9
                     Bron: IEA, World Energy Outlook 2004, p. 119.
                     Toegang tot energie
                     Energie is een voorwaarde voor economische ontwikkeling. Omgekeerd
                     brengt economische vooruitgang een vraag naar meer energie teweeg. Veel
                     landen zitten nu in een veelbelovende fase van economische ontwikkeling.
                     In de armste landen van de wereld is dit proces echter nog niet goed op gang
                     gekomen. Het IEA heeft in zijn World Energy Outlook 2004 een Energy
                     Development Index (EDI) ontwikkeld.21 Deze EDI blijkt een sterke correla-
 21 		De EDI van het IEA is gebaseerd op drie factoren: het commercieel energiegebruik per
 		                   hoofd van de bevolking, het aandeel commerciële energie in het totale energiegebruik
 		                   en het aandeel van de bevolking met toegang tot elektriciteit (IEA World Energy
 		Outlook 2004, p. 342).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                  20
      tie te vertonen met de VN Human Development Index22 . Opvallend is dat
      het geen verschil lijkt te maken of landen wel of geen inheemse energiereser-
      ves hebben. De landen met de laagste scores komen vooral uit Zuid-Azië en
      Sub-Sahara-Afrika . Het IEA verwacht dat de landen, waar de energiear-
      moede het grootste is, ook in 2030 nog ver van het OESO-niveau verwijderd
      zullen zijn, ruwweg op de helft van het niveau dat OESO-landen dertig jaar
      geleden hadden.
      De correlatie tussen economische ontwikkeling en energieontwikkeling in
      juist de armste gebieden rechtvaardigt aandacht voor energie in het ontwik-
      kelingsbeleid. Het millenniumdoel om extreme armoede uit te bannen - per
      2015 halvering van het aantal mensen dat leeft van minder dan $ 1 per dag - is
      zeer gediend met een sterke verbetering van de toegang tot elektriciteit.
      Daarvoor is echter een aantal zaken nodig, bijvoorbeeld goed bestuur van
      het land en van de energiesector ter plaatse (ten behoeve van het aantrekken
      van investeringen) en goed functionerende energiemarkten. Zoals het IEA
      opmerkt, kunnen de geïndustrialiseerde landen economische, politieke en
      veiligheidsbelangen hebben bij het bijstaan van de armste landen in hun
      energieontwikkeling. De armste landen blijven immers gevoelig voor sociale
      en politieke instabiliteit en humanitaire rampen, zolang armoede, honger en
      ziekten in deze landen blijven heersen. De kosten van hulp aan deze landen
      om tot een adequate energievoorziening te komen zouden uiteindelijk lager
      kunnen zijn dan die van het bestrijden van instabiliteit en onveiligheid, die
      uit armoede voortkomen.23
      Het verbeteren van de (energie)armoedesituatie zoals die zich nu in China en
      India voltrekt, maakt tegelijkertijd de klimaatproblematiek nog klemmen-
      der en legt een toenemend beslag op de energievoorraden.
      2.2 Geopolitieke veranderingen: een modelmatige benade-
      ring
      Ten behoeve van het advies heeft het CIEP de relevante geopolitieke ont-
      wikkelingen geanalyseerd in relatie tot de energiemarkten en in een model-
      matige benadering geordend. Het model onderscheidt twee dimensies van
      de politiek-economische oriëntatie van de belangrijkste actoren op energie-
      gebied. Daarmee kunnen vier verschillende typen van oriëntaties van landen
      worden onderkend.
      De horizontale as geeft de mate van markteconomisch gedreven staat, res-
      pectievelijk politiek-economisch gedreven staat (een door de overheid
      gestuurde economie, die dienstbaar is aan politiek-strategische doelen) weer.
      De oriëntatie van de verschillende landen op het gebied van internationale
      samenwerking wordt uitgedrukt op de verticale as. De uitersten worden hier
      gevormd door enerzijds een uni- of bilaterale focus en anderzijds een multi-
      laterale focus. Landen kunnen zich verticaal en horizontaal in verschillende
      richtingen ontwikkelen.
22		IEA, World Energy Outlook 2004, pp. 343 t/m 346.
23		Ibid, p. 355.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>      energie in een veranderende wereld                                                    21
      Het geopolitieke landschap is ingrijpend gewijzigd sinds het uiteenvallen
      van de Sovjet-Unie in 1991. De voorheen bipolaire wereld waarin de
      Verenigde Staten en de Sovjet-Unie als supermachten voor een machtseven-
      wicht zorgden, maakte in 1991 plaats voor een unipolair wereldsysteem. De
      Verenigde Staten worden als de enig overgebleven supermacht beschouwd.
      Dit uit zich vooral in militair overwicht, maar ook in de schaal en veerkracht
      van de Amerikaanse economie. De VS zijn door hun macht in het verleden
      in staat geweest het economische marktsysteem in de wereld bepalend te
      beïnvloeden. De VS zijn traditioneel voorstander van vrijhandel, marktwer-
      king en een relatief beperkte invloed van de overheid op de economie. De VS
      waren al tijdens de Koude Oorlog in staat de meeste delen van ‘het Westen’
      te integreren in dit marktgerichte wereldsysteem. Na de val van de Sovjet-
      Unie was de algemene verwachting dat ook de voormalige planeconomieën,
      zoals Rusland en China, zouden kiezen voor de markt en zouden integreren
      in het economisch gedreven multilaterale wereldsysteem, in plaats van de
      weg van een meer staatsgeleide- of politieke economie en unilateralisme te
      blijven volgen. De economische integratie zou dan vanzelf leiden tot poli-
      tieke en sociale integratie en democratisering.
      Figuur 2.9          De verwachte ontwikkeling van de wereld
      in 1991
                                        Multilateral
                                        Focus on international cooperation
                Developing countries
                                      D                    A
      Political/state-driven
                                                                              Economy/market-driven
      Focus on state power
                                                                              Focus on economic power
                                      C                    B
                                                                    Western countries
                  Centrally planned
                                        Unilateral/Bilateral
                  economies such as
                                        Focus on (international) competition
                  Russia and China
      Anno 2005 kan worden geconcludeerd dat die verwachting vooralsnog niet
      is uitgekomen. De economieën van Rusland en China zijn nog altijd relatief
      gesloten, er zijn vele handelsbelemmeringen en beide landen zijn nog steeds
      meer politiek dan economisch gedreven. Zij zien in de toenemende globali-
      sering en de trend van economische integratie, met alle eisen die het aan het
      politiek-economisch systeem stelt, een bedreiging voor hun nationale veilig-
      heid en soevereiniteit. Zij laten derhalve de nationaal politiek-strategische
      belangen het internationaal handelen bepalen, zonder dat zij overigens van
      belangrijke kapitaal- en afzetmarkten worden buitengesloten. Deze benade-
      ring van de internationale betrekkingen, ook wel zwakke globalisering
      genoemd, vindt steeds meer aanhang.24 Dit heeft tot gevolg dat zowel
24 		Coby van der Linde, Energie in een Veranderende Wereld (oratie 22 november 2005),
		     <www. clingendael.nl\ciep\publications>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>   energiek buitenlands beleid                                                                 22
  Rusland als China zich meer oriënteren op bilateralisme dan op multilate-
  ralisme voor het sluiten van economische overeenkomsten.
  Tegelijkertijd moet onderkend worden dat de thans bestaande unipolaire
  wereld, met de suprematie van de VS in economisch opzicht, niet onbe-
  twist zal blijven. De al jaren aanhoudende relatief snelle economische
  groei van landen met grote bevolkingsaantallen, vooral China en India,
  kan binnen de zichtperiode van dit advies (tot 2030) niet zonder gevolgen
  blijven voor de geopolitieke verhoudingen. Het gedrag van Rusland (ope-
  ningen naar China en India voor export van energie en deelname van
  Chinese en Indiase bedrijven in Russische energiebelangen, alsmede de
  recente gemeenschappelijke militaire oefening met China) duidt er op dat
  men die ontwikkeling onderkent.
  Voor de toekomst van de wereldwijde energiemarkten heeft een en ander
  grote gevolgen. Terwijl de Europese Unie en de VS kiezen voor een econo-
  misch systeem dat vooral wordt geregeerd door de markt, bewegen belang-
  rijke geopolitieke spelers als Rusland en China zich juist weer meer in de
  richting van een staatsgedreven economisch systeem. Ook de belangrijkste
  olie- en gasexporterende landen neigen meer naar een dergelijke staatsge-
  dreven economie. Dit is een belangrijke constatering en fundamenteel
  voor de toekomstige inrichting van de internationale economische orde in
  het algemeen en de wereldenergiemarkt in het bijzonder. De vraag zal zijn
  hoe de internationale samenwerking tussen de Verenigde Staten, de
  Europese Unie, Rusland en China zal verlopen. Zij bevinden zich in ver-
  schillende posities in de vier kwadranten, wat duidt op verschillen in poli-
  tiek economische oriëntatie. Bovendien is het de vraag, welke wereldmach-
  ten er naast de Amerikaanse zullen ontstaan op de middellange en lange
  termijn.
  Welk systeem domineert?
  Een dominantie van een staatsgedreven economisch systeem (de kwadran-
  ten C en D; de richting van China, Rusland, India en de meeste produce-
  rende landen) stelt vooral de huidige marktgeoriënteerde economieën (de
  VS en de EU) voor een grote uitdaging. In dit scenario krijgen de olie- en
  gasmoleculen een ‘nationaliteit’. Er wordt immers vooral tussen staten en/
  of nationale oliemaatschappijen gehandeld.
  Figuur 2.10 Welk systeem zal domineren?
                                      Multilateral
                                      Focus on international cooperation
                       State-driven
                       system
                                    D                    A
Political/state-driven
                                                                              Economy/market-driven
Focus on state power
                                                                              Focus on economic power
                                    C                    B        Economy-driven
                                                                system
                                      Unilateral/Bilateral
                                      Focus on (international) competition
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>energie in een veranderende wereld                                          23
In deze wereld zullen ook de economisch gedreven landen niet ontkomen
aan een meer politiek-strategisch beleid. Aanpassing van het voorzienings-
zekerheidsbeleid zal dan meer richting bilaterale politieke relaties moeten
gaan. Het beslissingscentrum in de energiesector zal verschuiven van de
bedrijven naar de overheid. De overheid zal in een dergelijk systeem niet
alleen meer faciliterend of ondersteunend zijn, maar meer coördinerend en
leidend. De verstatelijking van relaties heeft ook gevolgen voor de olie-
maatschappijen. Als die laatste steeds minder toegang hebben tot reserves
zouden zij zich geleidelijk aan kunnen gaan omvormen tot raffinage- en
handelsondernemingen (de zgn. downstream). De exploratie en productie
(upstream) komt in dit systeem immers steeds meer in de handen van
staatsoliemaatschappijen.
Daarbij moet bedacht worden, dat staatsbedrijven steeds vaker meerder-
heidspartner zijn in joint ventures met (westerse) oliemaatschappijen om
de handel en verkoop van olie en gas te realiseren. Het mag duidelijk zijn
dat daarmee ook in deze schakel van de totale keten (enige) staatssturing
mogelijk is. Een staatsgedreven systeem vermindert de noodzaak voor pro-
ducerende landen als Rusland, Iran en Saudi-Arabië om diepgravende
aanpassingen te doen op politiek, sociaal en institutioneel vlak. Landen als
China en de producerende landen geven vooralsnog de voorkeur aan
zwakke globalisering, waarbij de eigen nationale strategische belangen
beter gewaarborgd zijn dan in een systeem van globalisering waarvoor ze,
naast economische, ook diepgaande politieke, juridische en sociale hervor-
mingen moeten doorvoeren om volledig te kunnen integreren in het
systeem.
Een dominantie van een marktgedreven systeem zal daarentegen vooral de
huidige economisch gedreven landen (kwadranten A en B; o.a. de VS, de
EU en Japan) tot voordeel strekken. Voorzieningszekerheid wordt in dit
scenario bereikt door marktwerking en de werking van de internationale
olie- en gasmarkt. Energiestromen zullen in een dergelijk geval betrekke-
lijk voorspelbaar blijven. Producenten zullen hun olie en gas verkopen aan
de hoogste bieder. Bovendien zorgt de zelfregulerende werking van de
markt voor evenwicht tussen vraag en aanbod. Wie investeert en produ-
ceert doet er in deze wereld maar nauwelijks toe, zolang de moleculen
maar op de markt komen. In dit scenario worden olie en gas juist ontdaan
van hun nationaliteit. De rol van bedrijven en overheid zal onveranderd
blijven.
Voordat een dergelijk systeem echter werkelijkheid wordt, zullen de
belangrijkste politiek gedreven actoren, die op dit moment buiten dit
systeem vallen - namelijk China, Rusland en India - ervan overtuigd
moeten raken dat hun energiebevoorrading het best is gediend door
marktwerking en vrijhandel. Maar zij hebben vooralsnog grote aarzelin-
gen bij verdere liberalisering van hun economieën. Zij vrezen dat een ver-
dere opening ten koste zal gaan van de zeggenschap over hun binnen-
landse industrie.
Ook op politiek en sociaal vlak zijn ingrijpende hervormingen vereist om
dieper te integreren in het internationale marktsysteem. Daarom zoeken
China en India het bij voorkeur in bilaterale leveringsovereenkomsten met
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                           24
      producerende landen. De positie van Rusland is eveneens bepalend.
      Rusland is ook een politiek gedreven staat, maar is anders dan China en
      India een netto-exporteur. Een politiek gedreven wereldsysteem lijkt de
      Russische staat meer mogelijkheden te bieden geopolitiek te bedrijven.
      2.3 Energie en geopolitiek
      Verkopersmarkt
      De wereldmarkt voor olie en gas heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot
      een verkopersmarkt, in tegenstelling tot de situatie tijdens het grootste deel
      van de Koude Oorlog (met uitzondering van de jaren 1973-1984). Toen zorg-
      den het ruime aanbod en de grote reservecapaciteit voor een kopersmarkt.
      Het schakelen tussen verschillende exporterende landen was na 1980 beter
      mogelijk, omdat de productie verspreid was over een groter aantal landen
      en regio’s.
      Bovendien was voorzieningszekerheid vrijwel nooit een probleem door het
      ruime aanbod en het relatief kleine aantal aanbodverstoringen (met uitzon-
      dering van de oliecrisis). De OPEC legde zichzelf de taak van ‘hoeveel-
      heidsaanpasser’ op, wat zorgde voor een voldoende grote buffer in de markt.
      Het aanhouden van onbenutte capaciteit kwam hierdoor echter geheel bij
      de OPEC-landen terecht (vooral bij Saudi-Arabië, waar de kosten daarvan
      overigens ook het laagst zijn).
      De combinatie van de sterk gestegen vraag en onvoldoende uitbreiding van
      de productiecapaciteit in de wereld, heeft geleid tot een gespannen olie-
      markt. De productiecapaciteit is geconcentreerd in slechts een klein aantal
      landen, waarvan alleen Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten
      over een grote flexibiliteit beschikken om het aanbod te variëren. Hierdoor
      zou geopolitieke competitie kunnen ontstaan tussen consumerende landen
      om toekomstige energiestromen veilig te stellen, zeker in een systeem van
      zwakke globalisering.
      Politisering25 van energie
      Het aantrekken van energie zal niet automatisch worden opgelost door
      marktwerking alleen. Landen als China en India kiezen op dit moment
      niet alleen voor kopen op de vrije markt, maar vooral voor politiek gemoti-
      veerde overeenkomsten met producerende landen. Zij sluiten langjarige
      contracten om ook in de toekomst verzekerd te zijn van olie en gas, in ruil
      voor investeringen in allerlei sectoren in de producerende landen. De
      Chinese, en in iets mindere mate Indiase, staatsbedrijven kunnen daarbij
      op steun van hun overheid rekenen. Voorzieningszekerheid staat centraal
      en dit heeft voorrang boven financiële aantrekkelijkheid of milieuoverwe-
      gingen. Chinese staatsbedrijven kunnen vaak rekenen op goedkope staats-
      leningen. Bovendien is de Chinese regering bereid om naast afspraken over
25 		Onder ‘politisering’ wordt in dit advies verstaan: de (toenemende) invloed van
		    overheden op de wereldenergiemarkten. Dit in tegenstelling tot de situatie van
		    vrijhandel en mondialisering waar het marktmechanisme bepalend is. Het gebruik van
		    ‘politisering’ wijkt hier derhalve af van het gebruik van dit woord in andere adviezen
		    van de AIV, waar eerder geduid werd op de betekenis van ‘tot een politieke zaak
		    maken’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>energie in een veranderende wereld                                            25
prijzen en afnamehoeveelheden ontwikkelingshulp of andere aanvullende
steun te bieden aan producerende landen. Zulke overeenkomsten sloot
China onder andere al met andere politiek georiënteerde landen zoals
Rusland, Iran, Soedan en men is hier ook toe bereid met Venezuela.
Voor producerende landen zijn zulke overeenkomsten buitengewoon aan-
trekkelijk, omdat het hun voor een lange periode zekerheid van vraag biedt
in snel groeiende markten. Saudi-Arabië kan bijvoorbeeld in ruil voor olie-
leveranties aandelen verkrijgen in raffinaderijen in China, waardoor het een
direct belang in de expansieve Chinese markt kan opbouwen. Voor China
heeft een dergelijke overeenkomst het voordeel dat Saudi-Arabië in ieder
geval zijn eigen raffinaderijen van olie zal willen blijven voorzien, zodat
leveranties aan de Chinese markt verzekerd zijn. Het bieden van een afzet-
markt aan de producerende landen geeft tevens de zekerheid om te investe-
ren in infrastructuur en productie-uitbreiding in eigen land.
De economisch gedreven consumerende landen – de VS en de EU voorop –
kunnen met zulke overeenkomsten moeilijk concurreren. Dergelijke directe
staatssteun aan het bedrijfsleven is in strijd met de hier geldende marktprin-
cipes. Wel is het denkbaar dat de grote internationale oliemaatschappijen
verticaal geïntegreerde joint ventures aangaan met staatsbedrijven uit de
producerende landen. De wijze waarop de Noord-Europese gaspijpleiding
en de exploitatie van het Russische gasveld Shtokman wordt georganiseerd
heeft bijvoorbeeld kenmerken van een dergelijke constructie. Vermoedelijk
zal Gazprom een joint venture aangaan met één of meer bedrijven uit de
VS, Frankrijk of Noorwegen.
Een dergelijke overeenkomst vergt een behoorlijke omslag in de strategie
van internationale oliemaatschappijen. Zij kwamen de laatste jaren steeds
meer onder druk te staan om aandelen in olie- en gasprojecten te verwer-
ven en sommige van de overeenkomsten met staatsbedrijven bieden deze
mogelijkheid niet. De producerende landen willen in de markt meer en
meer (deels) de eigen inkomsten uit olie- en gasproductie realiseren en
controleren.
De VS en de EU steunen voor hun olie- en gasvoorziening grotendeels op
private internationaal opererende bedrijven. In een wereld die zich richt op
toenemende globalisering en marktwerking is het aantrekkelijk maken van
de markt voor een veelheid van aanbieders een gepaste strategie. Dit beleid
kon succes hebben door de mogelijkheden van het ontwikkelen van olie- en
gasreserves in de OESO-landen; het heeft efficiënte en financieel sterke
bedrijven opgeleverd, die tot in de jaren negentig voor een belangrijk deel
de markt hebben bepaald.
Investeringsklimaat
Het is echter de vraag of de internationale oliebedrijven op een zelfde wijze
stand kunnen houden in een meer door overheidsspelers gedomineerde
olie- en gasmarkt. De internationale oliemaatschappijen hebben een winst-
oogmerk (onder invloed van private aandeelhouders) en daarom verlangen
zij een bepaald rendement op hun investeringen. Zij kunnen in beginsel
niet terugvallen op faciliteiten waarover staatsondernemingen, die interna-
tionaal energiecontracten afsluiten, wel kunnen beschikken. Er kan dus
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                 26
sprake zijn van een op dit punt ongelijk speelveld op de wereldoliemarkt.
Om de risico’s te beperken, willen de internationale oliemaatschappijen
vaak (gedeeltelijke) eigendom in projecten, waarin zij investeren. Dit wordt
echter moeilijker. Vele producerende landen - met name in de Golfregio,
Venezuela, Mexico en gedeeltelijk ook in Rusland - hebben hun oliesector
gesloten voor meerderheidsdeelnemingen van buitenlandse investeerders.
In producerende landen worden reserves gezien als strategisch goed en als
eigendom van de staat of het volk. De verkoop van reserves is onbespreek-
baar, omdat het de nationale soevereiniteit aantast. Bovendien zorgen de
hoge olieprijzen van de laatste tijd voor hogere inkomsten voor de produ-
cerende landen. Die stellen deze landen steeds beter in staat om zelf aan
hun investeringsbehoefte te voldoen. De noodzaak van buitenlandse
investeringen vermindert daardoor. Om de zeggenschap van de regering te
garanderen wordt de oliesector gecontroleerd door een staatsoliemaat-
schappij.
Herbezinning op marktoriëntatie tout court nodig?
Zowel de op overheidsniveau afgesloten internationale oliecontracten als
de verminderde toegang tot reserves dwingen de importerende landen om
in de economische relaties met producerende landen een nieuwe balans te
zoeken tussen marktgerichtheid en overheidsinterventie
Vooral ten aanzien van Rusland is dit van groot belang. Het beschikt over
de grootste gecombineerde olie- en gasreserves ter wereld en ligt tussen
twee grote importerende regio’s – de Europese Unie en de Oost-Aziatische
regio (China en Japan) – in. Rusland is zich terdege bewust van zijn luxe
positie en benut de troefkaart energie zo veel mogelijk in zijn buitenlands
beleid. Energie is voor Rusland een strategisch middel om zijn geopolitieke
doelstellingen te bereiken. Om de controle van de staat over de energiesec-
tor te versterken heeft president Poetin de greep van de regering verstevigd.
De door Jeltsin aarzelend ingeslagen weg richting een meer economisch
gedreven staat wordt door Poetin steeds meer verlaten. Buitenlandse inves-
teerders mogen geen meerderheidsbelangen meer bezitten in de Russische
energiesector. Grote energiebedrijven – Gazprom, Joegansk en Sibneft –
zijn weer stevig in handen van de staat.
Omdat Rusland tot dusver vrijwel zijn volledige energie-exporten richt op
de EU, wil de Russische regering nu diversifiëren. Het land heeft concrete
maatregelen genomen om China en Japan te bedienen. Rusland zal zijn
invloed in Oost-Azië trachten te versterken en tegelijk zijn afhankelijkheid
van Europa te verminderen. De geliberaliseerde energiemarkt in de EU
speelt in deze beslissing een rol. Rusland maakt zich zorgen over de toe-
komstige onzekerheid over de vraag naar Russisch gas uit Europa. Daarom
sluit het maar al te graag langetermijnvolumecontracten met de Chinese
maar ook met de Amerikaanse markt. Dat biedt de Russen tenminste
zekerheid van afname en spreiding van risico’s.
De olieproducerende landen in de Golfregio (Saudi-Arabië, Verenigde
Arabische Emiraten, Koeweit, Iran, Irak) spelen een cruciale rol in het
geopolitieke spel rond energie. Deze landen gelden echter als politiek
instabiel, waardoor het risico van aanbodverstoringen - om economische
of politieke redenen - uit deze landen groot is. De landen uit deze regio
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>energie in een veranderende wereld                                            27
zijn maar in geringe mate geïntegreerd in het internationale economische
systeem. De heersende elites in deze landen zijn beducht voor de instituti-
onele veranderingen op politiek, sociaal en economisch gebied, die nood-
zakelijk zijn voor verdere economische integratie in de wereldeconomie.
De machthebbers vrezen hun binnenlandse politieke en sociale (religieuze)
invloed te verliezen.
2.4 Concluderend
De internationale politieke en economische context van energiemarkten is
aan het veranderen. De kans dat olie- en gasproducerende landen de olie-
en gassector volledig zullen liberaliseren is gering. In de toekomst zullen zij
beter in staat zijn de nationale politieke en economische belangen te
dienen als zij overinvesteringen in productiecapaciteit kunnen voorkomen
en niet langer meer gedwongen kunnen worden in de rol van marginale
producent. De energiecontracten met landen als China en India bieden
het perspectief van zekerheid van de vraag en toegang tot afzetmarkten in
de verwerkende industrie van die landen. Dit geeft producerende landen
meer zekerheid van inkomsten, zodat zij de politieke en sociale stabiliteit
in hun land beter kunnen besturen. Het bijstellen van de verwachtingen
omtrent mondialisering en de energiemarkten dient ook gevolgen te krij-
gen voor het buitenlandse- en het energiebeleid van Nederland en Europa,
dat tot nu toe vooral gericht is op het realiseren van de mondialiseringsa-
genda. In een gewijzigd geopolitiek klimaat, waarin het niet zeker is of de
Verenigde Staten de Europese energiebelangen zal willen en kunnen ver-
dedigen, omdat de belangen van de VS in Azië de belangen in Europa
overstijgen, is een strategische heroriëntatie van het eigen beleid geboden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>energiek buitenlands beleid 28</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>      nederlandse energiebelangen                                                    29
nederlandse energiebelangen
3     Continuering van de energievoorzieningszekerheid is voor elke samenleving
      een noodzakelijke voorwaarde voor een verantwoorde ontwikkeling. Zeker
      in de huidige complexe samenleving zijn de gevolgen groot als zich hierin
      een substantieel manco voordoet.
      Traditioneel zet Nederland in op een verdere ontwikkeling en vervolmaking
      van de internationale (vrij)handel. Gegeven de aard en structuur van de
      Nederlandse economie is dat een beleidsoriëntatie die daarmee goed spoort.
      Ook in de energiesector kan geconstateerd worden dat Nederland belangen
      heeft die beter kunnen floreren in een situatie van vrijhandel dan van pro-
      tectionisme of andersoortige belemmeringen, mits het speelveld internatio-
      naal gelijk is. Zoals in het voorgaande hoofdstuk is betoogd, is er echter een
      reëel gevaar dat de energiestromen, in het bijzonder van aardolie en aardgas,
      in toenemende mate gepolitiseerd worden. Om een beter beeld te krijgen
      van het daarop te voeren buitenlands beleid is een korte kennisneming van
      de Nederlandse energiebelangen aan de orde. De adviesraden onderscheiden
      daarbij twee soorten van Nederlandse belangen:
      1. Nederlandse belangen, d.w.z. niet-belangen van andere staten (hier waar
          Nederland/Nederlandse bedrijven concurreren met anderen)
       2. Belangen van Nederland die ook belangen van anderen zijn (gemeen-
          schappelijke belangen).
      Het dienen van gemeenschappelijke belangen betekent in beginsel een
      gemeenschappelijke aanpak. De lusten en lasten moeten over alle belang-
      hebbende partijen worden verdeeld. Daarvoor is een multilaterale aanpak
      nodig, om ‘liftersgedrag’ te voorkomen. Dit kan echter alleen succesvol zijn
      als alle belanghebbenden ook zijn overtuigd van de urgentie van een pro-
      bleem. Voorbeelden van gemeenschappelijke belangen zijn de veiligheid van
      transportroutes en de bestrijding van grensoverschrijdend terrorisme. Het is
      een Nederlands belang om problemen te agenderen en actief te participeren
      in multilaterale fora zoals de Europese Unie, het IEA, de VN en de OVSE.
      Voor het veiligstellen van puur nationale belangen zijn multilaterale fora
      geen eerste keus. De vraag is of, en in hoeverre, Nederland daartoe bilaterale
      relaties met de desbetreffende partnerlanden zou moeten aangaan. Dit zou
      met name kunnen gelden voor de toegang tot exploratiemogelijkheden of
      het realiseren van transportroutes naar of via Nederland. Nederland zou
      hierin niet de enige zijn; ook Duitsland heeft langs bilaterale kanalen met
      bijvoorbeeld Rusland onderhandeld over de Noord-Europese gaspijpleiding.
      Met deze route verzekert Duitsland zich van de aanvoer van Russisch gas
      voor de lange termijn. Andere belanghebbende EU-lidstaten (zoals Polen)
      waren echter niet betrokken bij deze onderhandelingen en voelen zich gepas-
      seerd. Ook de Fransen hebben een sterk bilaterale oriëntatie.
      3.1	Nederlandse belangen
      Hoewel crisisbeheersingsmaatregelen op energiegebied veelal pas in interna-
      tionaal verband effectief kunnen zijn en uit dien hoofde in de volgende para-
      graaf aan de orde zouden moeten komen, zitten er ook puur Nederlandse
      aspecten aan. Er is daarom voor gekozen de voorzieningszekerheid en crisis-
      beheersing in deze paragraaf per energiedrager kort te beschrijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                  30
Aardgas
Nederland heeft het voordeel boven de meeste Europese landen dat het
beschikt over aanzienlijke eigen aardgasreserves. Nederland heeft vanaf de
start van de exploitatie van het omvangrijke Groninger gasveld een interna-
tionale afzet gezocht en gevonden. Gas heeft in Nederland een groot aandeel
in de brandstofmix verworven. Vrijwel alle woningen kunnen alleen met
aardgas warm gestookt worden. Bovendien is de elektriciteitsopwekking in
Nederland in hoge mate gebaseerd op aardgas. Het Groningenveld heeft
Nederland in dezen lang een als vanzelfsprekend ervaren ‘garantie’ kunnen
geven. Sinds 1974 (de energienota van Lubbers) is met de introductie van het
kleineveldenbeleid bevordering van de energievoorzieningszekerheid een
vrijwel permanente factor geweest in het Nederlandse energiebeleid, met
overigens wisselende intensiteit qua beleidsaandacht. Het kleineveldenbeleid
zorgde ervoor dat het gas uit het Groningenveld veel minder snel hoefde te
worden geproduceerd dan anders het geval zou zijn geweest.
Het transport van aardgas door Nederland, begonnen met de doorvoer van
substantiële volumes Noors gas naar België en Frankrijk, vertoont duidelijk
groeipotentieel met de aanleg van een grote pijpleiding naar het Verenigd
Koninkrijk. De doorvoerfunctie van Nederland voor gas zal naar verwach-
ting verder gestimuleerd worden, indien het hoog ontwikkelde Nederlandse
aardgasnet in het Oosten aansluiting krijgt met de Noord-Europese aard-
gasleiding (ook wel de Baltic Pipeline genoemd). In dat geval mag een forse
toename van transit verwacht worden door de doorvoer van Russisch aard-
gas naar het Verenigd Koninkrijk of daarvan afgeleide transporten.
In de gassector zijn de afgelopen tien jaar, met een versnelling in de tweede
helft daarvan, belangrijke structuurveranderingen tot stand gebracht. Het
streven van de Europese Unie was om de interne Europese energiemarkten
te liberaliseren, teneinde meer concurrentie te doen plaatsvinden. Daarbij
stond de Unie een Europees gelijk speelveld voor ogen. Uiteraard geeft dat -
na een inspanning vereisende transformatiefase - een directe aansluiting bij
het voor Nederland, maar ook voor de Europese- en wereldwijde economi-
sche ontwikkeling, zo belangrijke beleidsuitgangspunt van het bevorderen
van de wereldhandel. Deze moet plaatsvinden binnen door de terzake rele-
vante internationale instituties (WTO, IMF, Wereldbank etc.) gestelde
beleidskaders en op Europees niveau door de Europese Unie.
Het vraagstuk van de energievoorzieningszekerheid verdient een prominente
plaats op de beleidsagenda. Een aantal factoren zorgt er voor, dat die ener-
gievoorzieningszekerheid thans expliciet beleidsaandacht behoeft, zoals ook
in het recente AER-advies ‘Gas voor Morgen’ beargumenteerd is.
– Meer dan de helft van het gas uit het Groningenveld is inmiddels gepro-
     duceerd.
– Nederland kan in tijden van energiecrises Groninger aardgas, dat voor
     export naar andere landen in de Europese Unie is gecontracteerd, niet
     zomaar voor Nederlands gebruik bestemmen; het non-discriminatiebe-
     ginsel zal moeten worden gehonoreerd.
– Diezelfde Europese Unie wordt voor haar voorzieningszekerheid in hoog
     tempo afhankelijk van importen.
De AER heeft in zijn recente advies ‘Gas voor morgen’ in dit verband reeds
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>     nederlandse energiebelangen                                                       31
     gewezen op het belang voor de Europese voorzieningszekerheid van een
     speler met een ‘Europese maat’, zoals Gasunie Trade & Supply. Deze heeft
     een nauwe band met de Maatschap Groningen26. Een speler van voldoende
     omvang is bovendien van belang, omdat deze kan zorgen voor een even-
     wichtige en op marktmogelijkheden afgestemde inzet van geïmporteerd gas,
     gas uit kleine velden en Groningengas.
     Tegelijk leiden de liberalisatie en de daardoor gestimuleerde concurrentie
     tussen gasbedrijven in Europa en tussen die in Nederland tot een vergrote
     toevoer/import van aardgas naar Nederland zelf. De vestiging van een
     LNG-terminal in Nederland - mede bepleit in ‘Gas voor Morgen’ - zou die
     intensivering van de internationale gashandel in Nederland verder stimule-
     ren. Het ziet ernaar uit dat de Nederlandse (gas)industrie deze mogelijkheid
     ook oppakt.
     Een en ander overziende moet de conclusie zijn dat Nederland op aardgasge-
     bied weliswaar nog in een relatief comfortabele positie verkeert, maar dat die
     positie qua afhankelijkheid gestaag zal verslechteren. In het kader van het
     energiebeleid heeft minister Brinkhorst een productieplafond voor het
     Groningenveld vastgesteld. Daarmee wordt het uitputtingstempo van dat
     veld vertraagd, waardoor Nederland gedurende langere tijd een ‘strategische’
     buffervoorraad behoudt. De adviesraden wijzen er echter wel op dat
     ‘Groningen’ niet op elk gewenst moment extra kan produceren om tekort-
     schietende importen vanuit andere landen te kunnen compenseren. Dat
     wordt immers bepaald door de productiecapaciteit op enig moment van het
     Groningenveld. Aan te nemen valt dat die productiecapaciteit in lijn zal
     worden gehouden met de contractuele verplichtingen en niet daar (ruim)
     boven zal liggen. Het handhaven van productiecapaciteit is immers in toene-
     mende mate (bij afnemende druk van het resterende gas in het veld) een
     kostbare zaak.
     Er bestaat geen wereldwijd crisisbeheersingssysteem voor aanvoerverstorin-
     gen van aardgas, zoals voor olie(producten) geregeld is in IEA-verband. De
     verklaring daarvoor is, dat de gasmarkt (nog) geen wereldmarkt is, maar in
     feite een aantal regionale markten betreft (Noord-Amerika, Europa, Japan
     etc.). Onderlinge bijstand en acties om het verbruik te verminderen zijn op
     wereldschaal in de gasmarkt niet effectief. Zelfs de snel groeiende LNG-
     markt zal daar het komende decennium nog te weinig in kunnen veranderen
     door het betrekkelijk kleine marktaandeel.
     In het bijzonder voor de gasmarkt geldt, dat nog steeds een meerderheid van
     de gasleveranties door middel van transport per pijpleiding plaatsvindt. Dit
     heeft als voordeel dat producent en consument aan elkaar worden ‘vastge-
     klonken’. Dit maakt het moeilijker de bestemming van aardgas te wijzigen.
     Hierdoor heeft de consument het voordeel van aanvoerzekerheid.
26		De Maatschap Groningen is opgericht voor de productie van gas uit het Groningenveld.
		Hierin hebben Shell en ExxonMobil ieder een belang van 30% en de Nederlandse staat
		   (via Energie Beheer Nederland EBN) een belang van 40%. De Nederlandse Aardolie
		Maatschappij (NAM) voert de operationele taken uit. NAM is een joint venture van
		Shell en ExxonMobil.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                        32
      Tegelijkertijd is de consument dan wel afhankelijk van deze leverancier, wat
      de mogelijkheden voor diversificatie beperkt.
      De beschikbaarheid van gas voor Nederland zal moeten worden bevorderd
      door al nu goede aansluiting te zoeken bij producerende landen, in het bij-
      zonder Rusland. Om ervoor te zorgen dat Nederland gas blijft ontvangen uit
      Rusland, zal het zich moeten inspannen om beter aangesloten te worden op
      het transportnetwerk voor Russisch gas. Daarbij zou het kunnen profiteren
      van de positie die het op dit moment inneemt op de gasmarkt. Nederland
      dient zich effectief en versterkt in te zetten als doorvoerland van gas (naar
      bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk) en als aanbieder van flexibiliteit27 en
      strategische opslag, doordat het mogelijkheden heeft voor gasopslag in (gro-
      tendeels) uitgeputte gasvelden.
      Het zou bijvoorbeeld een aanzienlijke versterking van de gasvoorzieningsze-
      kerheid kunnen zijn, indien Gazprom en de rechthebbenden van het relatief
      grote en grotendeels uitgeputte gasveld Annerveen een contract zouden
      kunnen sluiten om daar een strategische gasreserve van te maken. Het
      Annerveenveld zou ongeveer 100 bcm aan gas kunnen bergen.
      Hiervoor zal echter een stevige energiediplomatie nodig zijn. De
      Nederlandse gasmarkt is in hoge mate geliberaliseerd. Als aanbieder van
      flexibiliteit zal het daar baat bij hebben, maar voor het aantrekken van gas is
      dit minder gunstig. Het sluiten van langetermijncontracten met produce-
      rende landen is in een geliberaliseerde markt moeilijker. Dit komt ook door
      de voortgaande druk van regelgevers, om langetermijntransportcontracten
      te weren.28 Voor gasproducenten is dat echter een onaantrekkelijke proposi-
      tie. Producerende landen hebben langetermijnleverings- en transportcon-
      tracten nodig, vanwege de financiering van exploratie/productie en pijplei-
      dingen en/of LNG-infratructuur.
      Om de afhankelijkheid van slechts enkele leveranciers te verminderen is de
      bouw van een LNG-terminal van groot belang. Deze stelt Nederland in
      staat te schakelen tussen verschillende aanbieders. Maar ook LNG zal naar
      verwachting in de komende decennia veelal in de vorm van langetermijn-
      contracten worden aangeboden. Het aandeel van ‘LNG-spotgas’ zal in de
      komende tien à twintig jaar groeien naar zo’n 20-25% van de LNG-markt,
      zo wordt wel verwacht. (Terzijde zij opgemerkt dat langetermijncontracten
      flexibeler worden waar het om volumeverplichtingen gaat en het ook voor-
      komt dat in prijsformules van die contracten verwijzingen naar spotmarkt-
      prijzen zijn opgenomen).
27		Door gas ondergronds op te slaan, wordt het mogelijk om flexibeler en sneller op
		    de marktvraag te kunnen inspelen. Het opgeslagen gas kan bijvoorbeeld als buffer 		
		    worden gebruikt. Wanneer zich onverwachte pieken in de vraag voordoen (bijvoorbeeld
		    door strenge vorst), kan snel gas worden ‘geproduceerd’ uit de opslag. De opslag
		    zou ook gebruikt kunnen worden om aan de vraag te voldoen in het geval van
		    productieonderbrekingen. Nederland is vooraanstaand in Europa op het gebied van
		    gasopslag.
28 		Europese Commissie, Energy Sector Inquiry - Issues Paper, 15 November 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>nederlandse energiebelangen                                                    33
Olie/Raffinaderijen/Petrochemie
De Europese energievoorzieningszekerheid werd traditioneel in belangrijke
mate gewaarborgd door de internationale oliemaatschappijen. Hoewel vrij-
wel alle grote internationale oliemaatschappijen tegenwoordig nauwelijks
nog als zodanig te herkennen zijn, omdat hun activiteiten zich uitspreiden
over de gehele wereld, zijn zij van oorsprong Amerikaans of Europees. Voor
BP, Total en Shell maakt de Europese thuismarkt ook nog steeds een belang-
rijk deel van hun activiteiten uit. Een belangrijk deel van hun downstream
activiteiten (raffinage en marketing) is gevestigd in de landen van de
Europese Unie. Dientengevolge wordt een groot deel van de productie van
deze concerns op deze thuismarkten bewerkt en afgezet. Hoewel vooral de
oliemarkt steeds verder internationaliseert, zorgt de verticale integratie van
de olieconcerns toch voor een zekere mate van gegarandeerde aanvoer naar
Europa.
Dit zou echter ingrijpend kunnen veranderen als de toegang van diezelfde
internationale oliemaatschappijen tot reserves verder vermindert, zoals in
hoofdstuk 2 al is uiteengezet. Daarom is het van groot belang dat een deel
van de inspanningen op het gebied van buitenlands beleid zich richt op een
ook voor private bedrijven toegankelijke uitgifte van concessies. De bij de
internationale oliemaatschappijen aanwezige technische kennis en kennis op
het gebied van management zou daarbij tot voordeel kunnen strekken,
hoewel in toenemende mate ook staatsbedrijven die kennis in huis blijken te
hebben (bijv. Petronas en Petrobras).
Eén van de grootste internationale oliemaatschappijen, Shell, heeft zijn wor-
tels en zijn activiteiten voor een belangrijk deel in Nederland. Het
Rijnmondgebied toont een concentratie van raffinaderijen en een daaraan
gerelateerde petrochemische industrie, die slechts op enkele andere plaatsen
in de wereld geëvenaard of overtroffen wordt.
Maar ook elders in Nederland (Moerdijk, Terneuzen, Vlissingen, Delfzijl/
Eemshaven en Limburg) is bedrijvigheid tot stand gekomen die slechts kan
overleven in een context van vrijhandel: de Nederlandse afzet vormt een
geringe en voor de continuïteit van dat soort bedrijvigheden onvoldoende
basis.
Im- en export vormen samen de hartslag voor een gezonde ontwikkeling.
Vrijhandel - en daarmee de beleidsopgave een internationaal gelijk speelveld
te ontwikkelen respectievelijk te onderhouden - is daarvoor bij uitstek van
belang. In dit kader achten de adviesraden het ook van betekenis dat bedrij-
ven uit olie- en/of gasrijke landen daadwerkelijk bereid zijn in Nederland te
investeren in industriële installaties, zoals Kuwait Petroleum in het
Rijnmondgebied en Sabic in Zuid-Limburg. Verweven belangen zijn
immers bevorderlijk voor onderling begrip en beleidsafstemming (bijvoor-
beeld op het gebied van bescherming van investeringen).
Hoewel er duidelijk sprake is van toenemende politisering van de wereld-
aardoliemarkt, is deze markt behoorlijk liquide, waar ook het
Rijnmondgebied (en de andere Nederlandse vestigingsplaatsen) voordeel
van heeft. Voor het geval er op de wereldoliemarkt een aanbodtekort ont-
staat - een ‘oliecrisis’ - hebben de OESO-landen een crisisbeheersingsinstru-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                   34
mentarium opgezet, beheerd door het IEA. Dit crisisbeheersingsmecha-
nisme is effectief, zoals ook onlangs weer bleek toen olieproducten uit de 90-
dagen crisisvoorraden in een aantal Europese landen werden vrijgegeven,
om te voorzien in de tekorten die in de V.S. waren ontstaan als gevolg van de
schade aan raffinaderijen, veroorzaakt door de orkanen Katrina en Rita.
Aangezien aardolie op de wereldmarkt verhandeld wordt, is er - ook door
Nederland - steeds van afgezien de Europese Unie vergelijkbare bevoegdhe-
den te geven met betrekking tot een oliecrisisbeheersingssysteem. Dat zou
immers niet effectief kunnen zijn, juist vanwege het wereldmarktkarakter.
In feite ‘lift’ de EU dan ook mee binnen het IEA-verband.
Kolen
Met betrekking tot steenkool heeft Nederland een betrekkelijk bescheiden
rol. Het aantal gebruikers van steenkool is beperkt en het zijn betrekkelijk
grote partijen op de markt (centrales en hoogovens). Steenkool wordt geïm-
porteerd uit zeer diverse landen. De wereldsteenkolenmarkt kenmerkt zich
niet door oligopolide marktvorming en evenmin door een grote concentratie
van aanbieders in landen, die qua veiligheid of ‘democratie’ gevaar opleve-
ren. Daarom kunnen de belangen van Nederland ten aanzien van de steen-
kolenmarkt het beste behartigd worden door de verdere bevordering van de
vrijhandel. Dat is ook de beste omgeving voor het vermarkten van de schone
kolentechnologie, waar Nederland (Shell) een goede uitgangspositie heeft
om internationaal een rol van betekenis te kunnen spelen. Nederland is voor
de kolensector een aantrekkelijke vestigingsplaats, door de Rotterdamse- en
Amsterdamse havens. Hierdoor heeft Nederland een gunstige positie voor
doorvoer/levering aan andere delen van Europa.
Los van de relatieve positie van Nederland in de steenkolenmarkt, kan
gesteld worden dat er lange- noch kortetermijnaanvoerverstoringen hoeven
te worden verwacht. Het is dan ook begrijpelijk dat er geen specifiek energie-
voorzieningsbeleid voor steenkolen is. Het is veeleer zo, dat in vele landen
steenkolen op zich (dus afgezien van de daaraan klevende milieuproblema-
tiek) een welkome diversificatie geacht worden ter verhoging van de totale
energievoorzieningszekerheid.
Kernenergie
Op kernenergiegebied is de Nederlandse beleidsaanwezigheid internationaal
gezien gering te achten. Deze bescheiden positie wordt niet alleen verklaard
door de geringe omvang van de kernenergiesector in Nederland, maar ook
door de gevoelige positie die kernenergie in de Nederlandse politiek en
samenleving tot dusver inneemt. Hierin is echter een kentering waarneem-
baar. Overigens heeft Nederland, door zijn eenderde deelname in de urani-
umverrijkingsactiviteiten van URENCO een bijzondere positie, die wellicht
verder uit te bouwen valt. Nederland zou in dit laatste geval ook beleidsma-
tig in relevante fora eerder gehoor weten te vinden en op (kern)energiegebied
aan gewicht winnen.
URENCO heeft met de ultracentrifuges de best beschikbare technologie
voor uraniumverrijking in de wereld. Niet zonder reden heeft een kernener-
giegrootmacht als Frankrijk onlangs besloten een joint venture aan te gaan
(via AREVA) op het gebied van de centrifugeontwikkeling en productie.
Daartoe is een speciaal verdrag opgesteld voor het veiligstellen van het toe-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>nederlandse energiebelangen                                                   35
zicht en gebruik tussen Frankrijk en de drie landen van de trojka
(Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland).
URENCO heeft inmiddels zo’n 20% van de wereldmarkt voor uraniumver-
rijking weten te verwerven en heeft plannen voor de bouw van een fabriek in
de VS. Verdere groei van het marktaandeel mag worden verwacht. Daarmee
heeft Nederland een belangrijke positie in een essentiële schakel van de kern-
energieketen, die in de komende periode slechts aan gewicht zal toenemen,
gezien de opleving van kernenergie. Prijzen van fossiele brandstoffen, de
moeilijkheid deze tijdig en betrouwbaar aangeboden te krijgen, alsmede
overwegingen inzake de klimaatproblematiek, maken deze opleving ver-
klaarbaar.
Kernenergie wordt evenals steenkolen als mogelijkheid tot diversificatie
beschouwd, ter verhoging van de algemene energievoorzieningszekerheid.
Het biedt voordelen ten opzichte van fossiele brandstoffen. Kernenergie leidt
niet tot een toename van de CO2-uitstoot. Verscheidene landen om ons
heen zien kernenergie op zijn minst als een additionele mogelijkheid voor
energievoorzieningszekerheid. Het gebrek aan maatschappelijke aanvaard-
baarheid heeft tot nu toe echter een ruime toepassing in de weg gestaan.
De adviesraden wijzen erop dat er in feite geen energieopties zonder nadelen
bestaan. Bezien zou kunnen worden welke rol Nederland, in samenwerking
met anderen en onder de meest strikte voorwaarden, op het gebied van kern-
energie kan spelen, daarbij zowel het afval- als proliferatieprobleem onder-
kennende. Het lijkt aangewezen op gezette tijden de afweging opnieuw te
maken om te bezien of het totaal aan veranderingen (verbeterde technologie
en veiligheid van kernenergie en de grotere risico’s op gebied van gas en aard-
olie etc.) tot dezelfde conclusie blijft leiden.
Biomassa
Nederland heeft een goede positie om zich op het gebied van de verwerking
en vooral toepassing van biomassa een rol van betekenis te verwerven. De
Rotterdamse haven, alsmede de Eemshaven, bieden de infrastructuur voor
overslag, conversie en vermarkting van biomassa. De Wageningen
Universiteit beschikt bijvoorbeeld over kennis van het verbeteren van gewas-
sen voor de productie van biomassa. Daarnaast heeft ECN, maar ook
diverse anderen, kennis voor de omzetting daarvan in energie. Deze positie
wordt het beste ‘verzilverd’ in een open, mondiale markt voor biomassa.
Uiteraard zal bij de verdere ontwikkeling van deze markt adequate aandacht
aan gevolgen voor duurzaamheid en voor specifieke biomassa producerende
ontwikkelingslanden moeten worden gegeven.
Biomassa als bron voor vloeibare brandstoffen wordt als een van de weinige
mogelijkheden gezien om het transport ‘weg van olie(producten)’ te diversi-
fiëren en daarmee de energievoorzieningszekerheid te verhogen. De EU
heeft daarover op 8 mei 2003 richtlijn 2003/30/EC uitgevaardigd met als
strekking dat 20% van de conventionele brandstoffen in 2020 vervangen
moet zijn door alternatieve brandstoffen. Van het totaal moet dan 8% uit
biomassa komen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                      36
Elektriciteitsproductie/-distributie
Het vormen en bewaken van een Europees gelijk speelveld heeft door de
liberalisering van de energiesector aan belang gewonnen. Het is voor elektri-
citeitsproducenten, die dankzij de voortgaande liberalisering in toenemende
mate onder competitieve druk komen, van groot belang dat ook op aanpa-
lende beleidsterreinen - zoals het milieubeleid - een gelijk speelveld wordt
gerealiseerd, ook wel harmonisatie van beleid en beleidsvoorschriften
genoemd. Komt dat in onvoldoende mate tot stand dan mogen daarvan
ongunstige gevolgen verwacht worden voor de bedrijvigheid in de sector,
maar ook voor het relatieve prijspeil van energie/elektriciteit.
Het lijkt, net zoals in de Nederlandse gassector, niet de route van de
Nederlandse regering te zijn om in de elektriciteits(distributie)sector een
bedrijf met een ‘Europese maat’ tot stand te brengen. De adviesraden
merken op, dat bijvoorbeeld de Duitse, Deense, Oostenrijkse en Franse rege-
ringen hier wel op aansturen. Zij zetten in op het ontstaan (dan wel behoud)
van grootschalige, meer verticaal geïntegreerde bedrijven. Hierdoor ver-
wachten voornoemde landen dat die bedrijven meer onderhandelingskracht
verkrijgen ten opzichte van de toeleveranciers van brandstoffen, zeker waar
zij die bedrijven beleidsmatig/politiek ondersteunen in het zich ontwikke-
lende geopolitieke krachtenveld. Bovendien krijgen zij een sterkere positie
vis-à-vis concurrenten op de Europese markt.
Elektriciteit is niet zo goed te transporteren over grote afstanden als olie, gas
en steenkool. Transportverliezen zijn groot en technisch blijkt het ingewik-
keld en relatief kwetsbaar, terwijl de transportmiddelen (hoogspanningslei-
dingen) niet op een warm onthaal kunnen rekenen. Bovendien is elektrici-
teitsopslag, anders dan met gebruikmaking van waterreservoirs, praktisch
nog nauwelijks mogelijk.
Het is daarom redelijk uit te gaan van een voortzetting van de praktijk van
het zo dicht mogelijk bij de markt plaatsen van de centrales. Dat betekent
dat de energievoorzieningszekerheid op elektriciteitsgebied twee aspecten
omvat. Ten eerste het elkaar zoveel mogelijk bijstaan in geval van acute leve-
ringstekorten. Daartoe hebben Europese elektriciteitsmaatschappijen al in
ruime mate onderlinge bijstand afgesproken. Bovendien heeft minister
Brinkhorst zich ingezet om in de Noordwest-Europese markt te bevorderen
dat er tussen betrokken landen en de elektriciteitsbedrijven in die landen
afspraken worden gemaakt om leveringscontracten zoveel mogelijk na te
komen, ook in geval van aanbodverstoringen. Dit is in feite het spiegelbeeld
van het hierboven vermelde, dat Nederland niet de gasexportcontracten ter-
zijde kan schuiven in geval van een aanvoerverstoring van gas naar
Nederland.
Ten tweede blijft de elektriciteitsproductie in een land (Nederland) in wezen
net zo betrouwbaar als de aanvoer van de brandstoffen is. Aangezien het
Nederlandse productiepark in hoge mate van aardgas afhankelijk is, zal dui-
delijk zijn dat zich hier ook een zekere kwetsbaarheid zal ontwikkelen.
Toeleverende industrie
In alle sectoren zijn in Nederland ook tal van toeleverende bedrijven actief,
ook op het terrein van zonne- en windenergie. Deze krijgen een betere kans
zich verder te ontwikkelen in omvang en kwaliteit, indien men faire kansen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>      nederlandse energiebelangen                                                      37
      krijgt in de internationale energiesector. Ook voor die bedrijvigheid is het
      bevorderen van een gelijk speelveld en uitbannen van protectionisme (dus
      steeds verder internationaliseren van standaarden) een duidelijk belang.
      3.2 Gemeenschappelijke belangen
      Transportroutes
      Voor alle genoemde sectoren geldt dat de aan- en afvoerroutes open en veilig
      moeten zijn. Dit geldt zowel voor de routes over zee als over land. Deze laatste
      betreffen voornamelijk de pijpleidingen. Voor beide soorten routes gelden
      specifieke internationale verdragen, zij het dat die voor het gebruik van de
      zeeën verder ontwikkeld lijken te zijn dan voor transitroutes over land. Het
      Secretariaat van het Energiehandvest tracht op dit laatste gebied vooruitgang
      te boeken, maar dat blijkt meer tijd te nemen dan tijdens de lancering van het
      basisidee door de toenmalige minister-president Lubbers, in 1990, vermoed
      zal zijn.
      Voor beide soorten routes geldt dat terroristische aanslagen tot de reële
      mogelijkheden behoren. Voor de routes over land blijken de opvattingen en
      vereisten van de individuele landen die als transitland moeten fungeren,
      vaak problematisch te zijn. Op deze terreinen29 is het te voeren buitenlands
      beleid bij uitstek de invalshoek om de Nederlandse belangen uit te dragen.
      Het realiseren van collectieve belangen als deze kent een eigen dynamiek en
      kan slechts door internationale samenwerking gestalte krijgen. Er kan een
      moment komen dat militaire middelen moeten worden ingezet om deze
      routes te beschermen teneinde een ongestoorde aanvoer te verzekeren.
      Nederland zou zich reeds nu bereid moeten verklaren hieraan indien nodig
      een bijdrage te leveren, indien een dergelijke operatie door een uitdrukkelijk
      internationaal mandaat, bij voorkeur van de VN-Veiligheidsraad, gelegiti-
      meerd zou zijn. Het vraagstuk moet ook nadrukkelijker de aandacht krijgen
      van de NAVO.
      Politieke stabiliteit
      Een ander collectief belang is het bestaan van politieke stabiliteit in
      producerende landen en landen die een energietransitofunctie hebben, maar
      ook in de grote nieuwe consumerende landen. Dit is voor zowel
      multinationals als nationale staatsolie- en gasbedrijven van belang. In
      landen als Nigeria en Soedan zijn etnische conflicten en burgeroorlogen
      regelmatig oorzaak van productieonderbrekingen. Olie- en gasprojecten
      hebben een langetermijnkarakter en zijn daarom gebaat bij voorspelbaarheid
      en zekerheid.
      Het zou echter kortzichtig en cynisch zijn om dit collectieve belang uitslui-
      tend te duiden in termen van ongestoorde productie van energiedragers.
      Zowel de regeringen van de betrokken landen als de bevolking en het
      bedrijfsleven hebben belang bij factoren die stabiliteit bevorderen. Daartoe
      behoort het respecteren van fundamentele mensenrechten, waarbij funda-
      mentele internationale arbeidsnormen betreffende de rechten van werkge-
29 		Voor de energiemarkt zijn luchtvaartroutes van verwaarloosbaar belang, anders dan
		    dat de luchtvaart een belangrijke afnemer van olieproducten (kerosine) is, zodat
		    hieraan in dit advies geen aandacht wordt gegeven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                       38
      vers en hun organisaties, van werknemers en van vakbonden uitdrukkelijk
      zijn inbegrepen. Die laatste (de IAO-verdragen 87 en 98)30 scheppen belang-
      rijke voorwaarden voor een geordend stelsel van arbeidsverhoudingen, waar-
      aan in veel van de betrokken landen nog nauwelijks aandacht wordt
      geschonken. Ook het belang dat sommige multinationale ondernemingen
      hieraan toekennen is tot dusverre gering en de inspanningen die zij doen om
      het te helpen opbouwen zijn navenant.
      Het blijkt steeds weer essentieel te zijn de exploratie, productie en export van
      energie te doen plaatsvinden binnen een breed aanvaard beleid, dat zowel de
      belangen van het producerend land dient als die in de lokale/regionale
      omgeving van de productieactiviteiten zelf. Hoewel de verantwoordelijkheid
      daarvoor uiteraard bij de desbetreffende autoriteiten ligt, is de actieve en
      diligente medewerking van de olie- en gasmaatschappijen hiervoor onont-
      beerlijk. Een bekend, maar moeilijk uitroeibaar fenomeen, dat meer dan
      eens de politieke stabiliteit en het lokale draagvlak uitholt, is corruptie.
      Gelukkig valt te constateren, dat in het algemeen bedrijven, de OECD
      Guidelines indachtig, zich dat wel bewust zijn.31 Dat zulks meer dan eens tot
      (aanzienlijke) vertragingen leidt bij de ontwikkeling van projecten is een
      prijs die betaald moet worden om op langere termijn een goede en voor
      beide partijen vruchtbare samenwerking te kunnen realiseren en onderhou-
      den.
      Efficiëntie en duurzame energie
      Het inzetten op ‘vergroening’ van energie, het meer duurzaam maken van
      de energievoorziening en een grotere efficiëntie is niet alleen een Nederlands
      belang, maar kan de hele wereld tot voordeel strekken. De rol die Nederland
      zou kunnen spelen op dit gebied is de export van kennis en technologie op
      het gebied van schonere energieopwekking (gastechnologie, schone-kolen-
      technologie, windenergie, zonne-energie, biomassa, CO2 opslag) en energie-
      efficiëntie/besparing, alsmede energietransitiemanagement. Dit past in het
      beleid om in internationale (multilaterale) verbanden te proberen steun te
      krijgen voor het duurzaam gebruik van fossiele brandstoffen, toepassen van
      hernieuwbare energie en realiseren van grotere energie-efficiëntie.
30		IAO-verdrag 87 gaat over de vrijheid van het oprichten van vakverenigingen; IAO-
		    verdrag 98 gaat over het recht om zich te mogen organiseren en collectief te mogen
		    onderhandelen. Zie ook <www.ilo.org>.
31 		Zie o.a. OECD 2003, Annual Report on the OECD Guidelines for Multinational
		Enterprises. Enhancing the Role of Business in the Fight against Corruption,
		    de Publish What You Pay-campagne en het werk van een organisatie als
		Transparency International.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>      buitenlands beleid van nederland                                                   39
buitenlands beleid met het oog op de
energievoorzieningszekerheid van nederland
 4    4.1         Een nieuwe hoofddoelstelling
      De afgelopen decennia behoefde men zich door de betrekkelijk ontspannen
      situatie op de energiemarkten en de aanwezigheid van grote gasreserves in
      Nederland geen zorgen te maken over de zekerheid van de aanvoer.
      Bovendien was en is het nationale energiebeleid al sinds de eerste oliecrisis
      (1973) doordesemd met de doelstelling inzake de energievoorzieningszeker-
      heid (‘betrouwbaar’). De in het voorgaande weergegeven analyse maakt
      echter duidelijk dat Nederland (en des te sterker Europa) nu ook in toene-
      mende mate afhankelijk zal worden van energie-importen. Dat in een tijd
      waarin eerder rekening moet worden gehouden met een staatsgedreven sce-
      nario van energiestromen dan met een voortgaande marktgerichte mondia-
      lisering van de energiemarkten.
      Naar de mening van de adviesraden is nu een omslagpunt bereikt. De gevol-
      gen van een in gevaar komen van de energievoorziening zijn dermate ingrij-
      pend dat energievoorzieningszekerheid in de huidige wereldenergiesituatie
      uitdrukkelijk beleidsaandacht verdient. Een tekort aan energie raakt iedere
      individuele burger en kan, afhankelijk van omvang en duur, de samenleving
      ontwrichten. Alleen al de dreiging van fysieke schaarste leidt tot dusdanig
      scherpe prijsstijgingen dat de economie schade ondervindt, zoals eind
      november 2005 bleek in het Verenigd Koninkrijk.
      Voorzieningszekerheid is niet langer een vanzelfsprekendheid; een
      proactieve en gecoördineerde aanpak is nodig om de Nederlandse
      energievoorziening voor de toekomst veilig te stellen; het op ‘betrouwbaar’
      gerichte nationale energiebeleid moet, gegeven het toegenomen belang van
      de internationale dimensie van energievoorzieningszekerheid, zijn
      complement krijgen in het buitenlands beleid.
      De adviesraden zijn positief over de grotere aandacht, die energie krijgt in de
      Memorie van Toelichting 2006 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
      Het onderbrengen van de energievoorzieningszekerheid onder de hoofddoel-
      stelling van de bevordering van vrede en veiligheid gaat de adviesraden
      echter niet ver genoeg.32 Dit laat het publieke belang van energievoorzie-
      ningszekerheid onvoldoende uitkomen en kan bovendien tot een ongeluk-
      kige connotatie leiden.
      De adviesraden zijn van mening dat energievoorzieningszekerheid een
      nieuwe, zelfstandige hoofddoelstelling van buitenlands beleid moet worden,
      naast de al bestaande hoofddoelstellingen.33 De adviesraden beseffen, dat in
32		Zie Memorie van Toelichting 2006 Ministerie van Buitenlandse Zaken: Beleidsartikel
		    2, Operationele doelstelling 8: Het bevorderen van energievoorzieningszekerheid,
		    p.	38-40.
33 		Zie de acht beleidsartikelen van de Memorie van Toelichting 2006 van het Ministerie
		    van Buitenlandse Zaken: 1. Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging
		    van mensenrechten; 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire
		    hulpverlening en goed bestuur; 3. Versterkte Europese samenwerking; 4. Meer
		    welvaart en minder armoede; 5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale
		    ontwikkeling; 6. Beschermd en verbeterd milieu; 7. Welzijn en veiligheid van
		Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer; 8. Versterkt
		    cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                       40
de praktijk altijd zal blijken dat doelstellingen tegen elkaar moeten worden
afgewogen en in de concrete situatie tot een verantwoorde ‘mix’ moeten
worden omgevormd.
De precieze invulling van het buitenlands beleid ten aanzien van de energie-
voorzieningszekerheid is in belangrijke mate afhankelijk van de algemene
ontwikkeling van de energiemarkten in de wereld op langere termijn. Zou die
overduidelijk wijzen op een verdergaande vrijhandel met de markt als centraal
toewijzingsmechanisme, dan zal de bijdrage van de zijde van het buitenlands
beleid relatief beperkt kunnen blijven. Zou de ontwikkeling echter gaan – en
daar moet uitdrukkelijk rekening mee worden gehouden – in de richting van
groeiende overheidsinterventie en het afkalven van het vrij beschikbare deel
van het energieaanbod, dan zullen aan het buitenlands beleid extra eisen
moeten worden gesteld. Het moet dan ook worden overwogen of in de multi-
laterale en de bilaterale relaties nieuwe elementen nodig zijn, die specifiek zijn
gericht op het zekerstellen van de energievoorziening.
Alvorens nader in te gaan op de gevolgen die een dergelijke heroriëntatie met
zich mee zou kunnen brengen op bepaalde beleidsterreinen, willen de
adviesraden duidelijk stellen dat de introductie van energie als hoofddoelstel-
ling in de meeste gevallen niet ten koste hoeft te gaan van andere doelstellin-
gen. In het algemeen zal er geen sprake zijn van een ‘zero-sum game’. Er zijn
drie situaties mogelijk.
1. Geen interactie: het belang energievoorzieningszekerheid wordt
    bevorderd los van andere hoofddoelstellingen.
2. Synergie: bevordering van de energievoorzieningszekerheid komt ook
    andere doelstellingen van buitenlands beleid ten goede, en omgekeerd.
3. Tegenstrijdige belangen: bevordering van energievoorzieningszekerheid
    gaat ten koste van een andere hoofddoelstelling.
In de eerste twee gevallen is er geen probleem. Het bevorderen van vrede en
veiligheid is bijvoorbeeld, behalve voor ongestoorde energieleveranties,
meestal ook een voorwaarde voor een voorspoedig handelsverkeer, voor eco-
nomische ontwikkeling en voor het voorkomen van humanitaire noden. Zo
zal ook het veiligstellen van de investeringsbelangen van met de Nederlandse
economie nauw verweven ondernemingen tevens dienstbaar zijn aan de ener-
gievoorziening. Verhoogde kwaliteit en effectiviteit van de Nederlandse han-
dels- en investeringsbevordering is een operationele doelstelling onder
beleidsartikel 4 – Meer welvaart en minder armoede – van de begroting van
het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Beleid gericht op armoedebestrijding
in combinatie met het bevorderen van duurzame ontwikkeling zal over het
algemeen op den duur ook gunstig zijn vanuit een energieoogpunt, ook waar
dit verhoogde vraag naar energie in ontwikkelingslanden met zich mee-
brengt.
Dit is echter duidelijk anders bij de derde situatie. Bij strijdige belangen
moeten er duidelijke keuzes gemaakt worden. Men kan hier denken aan het
inzetten van (nu eenmaal beperkte) militaire middelen voor transportbevei-
liging of voor vredesoperaties. Hoe te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan
aan aspecten van het Nederlandse en Europese mensenrechtenbeleid?
Sommige concurrerende consumentenlanden hebben namelijk geen moeite
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>buitenlands beleid van nederland                                                41
om zaken te doen met producerende landen, waar het slecht gesteld is met de
mensenrechten. Energievoorzieningszekerheid kan in sommige situaties ook
botsen met bijvoorbeeld milieubeleid of ontwikkelingssamenwerkingsbeleid.
De adviesraden spreken geen oordeel uit over het relatieve gewicht van ener-
gie ten opzichte van andere hoofddoelstellingen. Waar het om gaat is dat
voorzieningszekerheid voortaan een van de hoofdoverwegingen is voor het
gehele buitenlandse beleid. Hierboven wezen de adviesraden op de comple-
mentariteit van het buitenlands beleid en het energiebeleid waar het gaat om
energievoorzieningszekerheid. Consequentie daarvan moet zijn dat de coör-
dinatie en vaststelling van dat beleid op de hoogste ambtelijke en politieke
niveaus wordt gerealiseerd.
Dat er tussen verschillende doelstellingen soms conflicten kunnen ontstaan
en bepaalde belangen moeten prevaleren boven andere is niets nieuws.
Nieuw is dat energievoorzieningszekerheid in het vervolg duidelijker op de
agenda wordt geplaatst en voor het volle pond wordt meegewogen.
Nieuw is ook dat de adviesraden de regering adviseren uitdrukkelijk een ‘en-
en’ beleid te voeren waar het gaat om bevordering van energievoorzienings-
zekerheid. Met andere woorden, zowel een beleid met als aangrijpingspunt
multilaterale fora en instanties, te beginnen bij de Europese Unie, als een
beleid gericht op het ontwikkelen van bilateraal beleid.
Achtergrond hiervan is, dat de adviesraden geen uitspraak kunnen doen of
de eerder in dit advies beschreven toenemende politisering van de energie-
markten zich voort zal zetten of dat het een tijdelijke intensivering zal blijken
te zijn, waarna de wereldenergiemarkt weer in het meer verkieslijker ontwik-
kelingspad van vrijhandel en globalisering zal terugkeren. Een aanpak die
robuust is voor beide situaties is daarom aangewezen.
Uit het vervolg van dit advies zal ook blijken dat er een aantal landen, regio’s
en multinationale instellingen zijn, waarop Nederland zich in het bijzonder
moet richten voor de bevordering van energievoorzieningszekerheid. Dat dat
hand in hand kan gaan met de ontwikkeling van bredere economische
banden met de desbetreffende energie-exporterende landen, wordt aangege-
ven. Het gaat dan vooral om Rusland, landen in de Golfregio en Noord-
Afrika. Landen ten zuiden van de Sahara zijn vooral te benaderen vanuit de
combinatie van energievoorzieningszekerheid, maar dan ook uitdrukkelijk
voor de lokale bevolking aldaar, en ontwikkelingsamenwerking. Juist omdat
er in bedoelde regio hoopvolle tekenen waarneembaar zijn, dat men daad-
werkelijk corruptie en omkoperij wil aanpakken, is dit een kans die
Nederland niet moet laten liggen.
Bij de vormgeving moet worden bedacht, dat meerdere van de hier aangege-
ven landen weliswaar begrijpen en aanvaarden dat de werkelijke handel
direct tussen bedrijven plaatsvindt, maar dat men dat toch liever verpakt en
ondersteunt in een of andere vorm van een bilateraal verdrag of memoran-
dum of understanding, gesloten tussen de beide regeringen. De adviesraden
moedigen dat aan. Temeer daar het een extra kans biedt de handelsrelatie te
verbreden tot buiten olie en gas. Het belang van het draagvlak in deze
landen voor export van olie en gas moet niet onderschat worden. Zo’n
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                    42
draagvlak wordt eerder bereikt, indien de bevolking van het producerende
land inderdaad ziet dat de eigen economische ontwikkeling in brede zin ver-
sterkt blijkt te worden. Het zuinig, zo niet terughoudend willen zijn met de
export van eigen bodemschatten moet zeker door Nederland begrepen en in
redelijkheid aanvaard worden. Tenslotte is ook ons eigen gasbeleid immer
gestoeld geweest op een evenwichtige ontwikkeling van export en binnen-
landse ontwikkeling.
4.2 Herijking van de hoofdoriëntaties van het buitenlands
beleid, gericht op energie
Europese Unie
Energiebeleid is binnen de Europese Unie slechts moeizaam tot ontwikke-
ling gekomen en nog verre van volledig. Met name op het gebied van ener-
gievoorzieningszekerheid is een opvallende lacune te constateren. Die moei-
zame ontwikkeling is te verklaren uit de grote belangenverschillen (of per-
cepties daarvan) op energiegebied tussen de verschillende lidstaten. 		
Meerdere EU-lidstaten hebben de opvatting, dat een nationaal beleid meer
mogelijkheden biedt om doelstellingen als energievoorzieningszekerheid en/
of toegang tot olie- en gasreserves ten faveure van ‘eigen’ bedrijven te bevor-
deren. Hier wreekt zich ook de gescheiden behandeling van economische
marktaspecten in de zogeheten eerste pijler van de EU en de buitenlands-
politieke in de tweede pijler.
De EU heeft ten aanzien van de energievoorzieningszekerheid tot nu toe dan
ook niet kunnen laten zien in staat te zijn tot krachtig (gezamenlijk) optre-
den. Ook Nederland heeft tot dusver niet behoord tot de pleitbezorgers van
een communautair energiebeleid. Althans niet waar het gaat om energie-
voorzieningszekerheid. Wij bleven begrijpelijkerwijs liever zelf baas over
‘Groningen’.
Energievoorzieningszekerheid is door de snel oplopende importafhankelijk-
heid van de EU wel op de agenda gekomen, maar dit heeft, bij gebrek aan
politieke wil van de lidstaten, niet geleid tot toewijzing van bevoegdheden en
instrumenten aan de Europese Commissie, die vorm zouden kunnen geven
aan een effectief extern EU-beleid. Het externe beleid is in feite beperkt
gebleven tot dialogen met producerende landen (Rusland en de OPEC).
De adviesraden constateren dat de Europese Commissie ook op wezenlijke
onderdelen een ongelukkige hand heeft gehad in het selecteren van beoogde
bevoegdheden en instrumenten ten behoeve van een EU-voorzieningszeker-
heidsbeleid. Zo is de vrij constante poging om de bevoegdheden van het IEA
met betrekking tot het oliecrisisbeheersingsmechanisme naar Brussel toe te
halen een onderschatting van de noodzaak op oliegebied een werkelijk mon-
diale aanpak te hanteren en te handhaven. Deze pogingen zijn dan ook door
onder andere Nederland terecht afgewezen.
Op het gebied van aardgas zijn de voorstellen van de vorige
Eurocommissaris van Energie, De Palacio, onvoldoende doordacht gebleken
om enthousiasme op te roepen bij lidstaten, die toch voor een belangrijk deel
nog op een nationaal beleid zijn georiënteerd. Er zijn (nog) weinig tekenen te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>      buitenlands beleid van nederland                                                     43
      bespeuren die wijzen op een wezenlijke verandering van deze instelling. Het
      Grondwettelijk Verdrag zou op dit punt ook weinig nieuw perspectief
      hebben geopend, behalve dat het energiebeleid uitdrukkelijk onder de
      gemengde bevoegdheden zou worden gerangschikt.
      Het gevolg is dat het Europese energiebeleid tot op heden vooral gericht is op
      de interne markt (liberalisering van de binnenmarkten, mededinging, beleid
      ter attentie van duurzame energie, energiebesparing en CO2-emissiehandel).
      Een gemeenschappelijk extern Europees beleid met betrekking tot energie is
      (nog) niet ontwikkeld. Bovendien constateren de adviesraden, dat, voor
      zover er extern gericht beleid gevoerd is - met name in de eerder vermelde
      dialogen met energie-exporterende landen - de Europese Commissie even-
      min een gelukkige hand had. Met het voordeel van terugkijken constateren
      de adviesraden, dat de Europese Commissie vooral op twee terreinen de
      aardgas- en (in mindere mate) olie-exporteurs met minder begrip is tege-
      moetgetreden dan gewenst was.
      In de eerste plaats is het handelen van de Europese Commissie in sterke mate
      bepaald door het trachten te exporteren van EU-opvattingen met betrek-
      king tot de liberalisering van de energiemarkt, in het kader van verbetering
      van de relaties met bedoelde exporteurs. Dat heeft bijvoorbeeld ook de tot-
      standkoming van een werkend Energiehandvest in hoge mate belast. Men is
      voorbijgegaan aan het feit, dat de door de EU gewenste liberalisering van de
      energiemarkt vooral een verlaging van de energiekosten als oogmerk heeft.
      Maar dat betekent vooral het ‘aanbieden’ van lagere staatsinkomsten aan
      landen, die in hoge mate afhankelijk zijn van energie-exporten (‘monocultu-
      ren’). Het ligt voor de hand, dat deze landen daar weinig voor voelen zolang
      er onvoldoende voordelen tegenover staan.
      In de tweede plaats kan van EU-zijde een zekere arrogantie worden gecon-
      stateerd, althans als zodanig worden gepercipieerd door sommige energie-
      exporterende landen. Niet voor niets noemde president Poetin tijdens zijn
      recente staatsbezoek aan Nederland als basisbegrippen voor een verdere ver-
      betering van de relaties met de EU (en Nederland) ‘gelijkheid, ‘wederzijds
      begrip en ‘reciprociteit’. En met ‘reciprociteit’ bedoelde hij waarschijnlijk niet
      alleen handelsonderwerpen.
      Niettemin zullen de EU en Nederland worden geconfronteerd met de veran-
      derende situatie op de energiemarkten en de toegenomen internationaal-
      politieke invloeden op dat gebied. Het is veelbetekenend dat bijvoorbeeld
      het Verenigd Koninkrijk een beleidsnota het licht heeft doen zien over ener-
      gievoorzieningszekerheid en welke rol het buitenlands beleid van het VK
      daarvoor kan spelen.34 Dit heeft onlangs ‘zijn bekrachtiging’ gevonden in
      het door premier Blair vertolkte standpunt en zijn oproep om te komen tot
      een EU-energiebeleid gericht op de voorzieningszekerheid.
      Ook beide adviesraden achten het noodzakelijk dat Nederland richting
      Brussel en andere hoofdsteden van de EU uitdraagt dat het hoog tijd is voor
      een extern gericht EU-beleid. Eenvoudig zal dit niet zijn. Eerst zal vastge-
      steld moeten worden welke belangen in deze gemeenschappelijk zijn, alvo-
34 		UK Department of Trade and Industry, UK International Priorities. The Energy Strategy,
		October 2004.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                       44
      rens hierop een gemeenschappelijk extern gericht beleid te kunnen formule-
      ren. Nederland zal in dit eerste proces vooral een agenderende rol kunnen
      spelen, waarbij de kansen op een werkzame alliantie met landen als het
      Verenigd Koninkrijk als gunstig wordt beoordeeld.
      Duidelijk vinden de adviesraden ook dat bedoeld beleid slechts effectief kan
      zijn, indien de EU er in slaagt dit uit twee goed geïntegreerde componenten
      te doen bestaan, te weten het daartoe te ontwikkelen buitenlands beleid van
      de EU en een passend EU-energiebeleid. De beide adviesraden achten het
      noodzakelijk dat de lidstaten open (gaan) staan voor het adequaat bewerk-
      tuigen van de EU, vooral op het gebied van het buitenlands beleid, opdat de
      EU in de geopolitieke verhoudingen de energievoorzieningszekerheid daad-
      werkelijk kan bevorderen. Als terreinen van gemeenschappelijk belang van
      de EU-lidstaten is te denken aan vraagmanagement, crisisbeleid, strategische
      voorraden en het toegang krijgen tot energiereserves.
      Een extern Europees energiebeleid, gericht op het veilig stellen van de voor-
      zieningszekerheid, achten de adviesraden een onmisbaar element. Nederland
      zal daarom moeten streven naar de inzet en ontwikkeling van communau-
      taire instrumenten waar het gaat om gemeenschappelijke belangen.
      Ter vermijding van misverstanden wijzen de adviesraden erop dat de effecti-
      viteit een belangrijk richtsnoer in het handelen dient te blijven. Zo is bepaald
      niet bedoeld dat het oliecrisisbeheersingsmechanisme bij het IEA wegge-
      haald zou moeten worden. Zoals eerder beschreven, is voor de oliemarkt een
      OESO-brede aanpak noodzakelijk, wil het effectief zijn. Voor aardgas is de
      maatvoering van de Europese Unie wél relevant, omdat er geen sprake is van
      een wereldmarkt, maar van regionale markten voor aardgas. Pas op het
      moment, dat LNG een groter marktaandeel in de wereldgasmarkt heeft ver-
      worven, denk aan bijvoorbeeld meer dan 20%, kan ook een intercontinen-
      tale coördinatie effectief zijn.
      De adviesraden wijzen erop dat hun pleidooi, om in te zetten op de tot-
      standkoming van een extern EU-energiebeleid, gericht op energievoorzie-
      ningszekerheid, het logisch gevolg is van het feit, dat het geen vanzelfspre-
      kendheid meer is dat Europa voldoende zal worden voorzien van energie,
      in het bijzonder aardgas.35 De wereldmarkt, waarop Europa in toenemende
      mate zal moeten concurreren met andere grote energie-importerende eco-
      nomische ‘blokken’, wordt door een relatief klein aantal spelers bevoorraad
      (zoals de analyse in eerdere hoofdstukken van dit advies heeft aange-
      toond). Deze situatie wijkt duidelijk af van de veronderstelling die de
      Europese Unie redelijkerwijs kon hanteren in de jaren tachtig en negentig
      van de vorige eeuw bij het creëren van het beleid gericht op de interne
      Europese energiemarkt. Zoals in het recente advies van de AER ‘Gas voor
      Morgen’ is beargumenteerd, betekent een en ander dat in het liberalise-
      ringsbeleid van de EU met deze gewijzigde situatie duidelijk rekening
      moet worden gehouden.
      Het EU-liberaliseringsbeleid zal derhalve in haar uitwerking tevens oog
      moeten hebben voor – of zelfs zijn afgestemd op – aspecten in de sfeer van de
35 		Het is duidelijk dat het recente ‘Energy sector inquiry - issues paper’ van de EU-		
		Commissie (nog) gebaseerd is op dit energiebeeld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>      buitenlands beleid van nederland                                                        45
      voorzieningszekerheid. Dit impliceert bijvoorbeeld ruimte in dat beleid
      voor: een blijvende gezonde bestaansbasis voor private energiespelers met
      voldoende omvang en ‘gewicht’ om effectief in de energievoorziening te
      kunnen opereren, voor de gunstige kenmerken van lange-termijn contracten
      voor de voorzieningszekerheid, en voor niet-gediscrimineerde toegang tot en
      gebruik van de (Europese) netwerken.
      In samenhang met de gewijzigde energiesituatie van Europa zou ook het
      gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB) een belangrijke
      rol moeten vervullen. In dit kader zou met energie expliciet rekening dienen
      te worden gehouden.36 Maar ook hier geldt dat de EU alleen tot handelen in
      staat is voor zover de lidstaten hun visies op één lijn weten te brengen.
      In elk geval moet Nederland blijven bevorderen dat de EU een voortgaande
      invulling geeft aan de energiedialogen met OPEC, Rusland en eventueel
      andere producerende landen. Participatie in multilaterale organisaties en
      actieve diplomatie om Nederlandse belangen op de (Europese) agenda te
      krijgen zijn essentieel.
      Uit het voorgaande vloeit voort dat het riskant is wanneer Nederland zijn
      buitenlands beleid uitsluitend richt op of naar ‘Brussel’, zolang er geen
      Europees beleid is. Een ‘en-en’ beleid zou kunnen voorkomen, dat
      Nederland met lege handen blijft staan.
      Verenigde Staten
      Dat een goede relatie van Nederland - en van de EU - met de Verenigde
      Staten tot de kernwaarden behoort van het buitenlands beleid, is een gege-
      ven. Waar energie ook op het wereldtoneel een factor van strategisch belang
      is en door de VS, en andere grote spelers, ook als zodanig wordt gezien, dient
      Nederland met Amerikaanse opvattingen op dit terrein terdege rekening te
      houden. Wanneer deze opvattingen een vrije internationale energiemarkt
      met zoveel mogelijk onbelemmerde toegang tot de bronnen bevorderen,
      spoort dit ook met de Nederlandse en Europese voorkeur. In het bilaterale
      overleg en in het reguliere EU-VS overleg, alsmede uiteraard in het overleg
      van het IEA, zou energie daarom regelmatig dienen te figureren als onder-
      werp van gemeenschappelijk belang. Beide hebben bovendien belang bij een
      grotere energie-efficiëntie, voorraadmanagement en een gunstig investe-
      ringsklimaat en zouden hier gezamenlijke inspanningen kunnen doen.
      Toch mag men de ogen niet sluiten voor het feit dat de VS deze materie in
      hoofdzaak benaderen vanuit een strikt nationaal gezichtspunt. Er bestaat nu
      mogelijk minder begrip voor Europese belangen en opvattingen, vergeleken
      met de situatie ten tijde van de oliecrisis van 1973. Deze situatie wordt ver-
      scherpt doordat de gespannen verhouding met delen van de bevolking van
      de Arabische landen en Venezuela voor de VS de mogelijkheden van poli-
      tieke beïnvloeding lijkt te verminderen en de afhankelijkheid van een klei-
36 		In de EU-veiligheidsstrategie ‘Een veiliger Europa in een betere wereld. Europese
		Veiligheidsstrategie’, Brussel, 12 december 2003, wordt energie genoemd (‘De
		    energieafhankelijkheid baart Europa grote zorgen’). Dit wordt, in tegenstelling tot
		    andere dreigingen zoals non-proliferatie, terrorisme en regionale conflicten, niet verder
		    uitgewerkt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                       46
      ner aantal producenten zal verhogen. In een toekomstige crisissituatie heeft
      Nederland, naar het zich laat aanzien, het meest te verwachten van een
      aanpak in IEA-verband (en zo nodig de NAVO), gezien ook de verwachting
      dat de Europese Unie, als het erop aankomt, vooralsnog niet zal kunnen
      komen tot een effectief gemeenschappelijk optreden. Het voorgaande laat
      onverlet dat, voor zover er mogelijkheden zijn, Nederland er goed aan zou
      doen het onderwerp van voorzieningszekerheid ook bij de VS zelf aan te
      kaarten en ‘warm te houden’. Daarbij is ook te betrekken, dat de VS energie-
      besparing juist ter wille van een betere energievoorzieningszekerheid zou
      moeten bevorderen.
      Hoewel het zeker geen alternatief is voor Kyoto kan het recente
      (klimaat)partnerschap, dat de VS hebben gesloten met o.a. China en
      Australië, om twee redenen een positieve ontwikkeling worden genoemd.
      Ten eerste, omdat daarin in zekere zin ook de erkenning van Amerikaanse
      zijde, dat er een klimaatprobleem is, besloten ligt. Ten tweede, omdat de
      nadruk op verbetering van energietechnieken inderdaad van groot belang is.
      Betrokken landen zijn grote steenkoolgebruikers en zij beschikken ook over
      grote voorraden daarvan. Te verwachten valt dan ook dat met meer vrucht
      veel inspanningen gericht worden op het realiseren van schone steenkool-
      technologie en op CO2-sequestratie (opslag van CO2 diep in de grond). Het
      toepassen, met name ook in ontwikkelingslanden, van moderne energie-
      technieken zal van zowel het klimaatpartnerschap als van het Kyoto-verdrag
      een na te streven oogmerk moeten zijn. Juist omdat hier veel aan infrastruc-
      tuur en energievoorziening nog gerealiseerd moet worden, is het van belang
      dat daar de modernste technieken zoveel mogelijk worden toegepast om de
      energie-efficiëntie zo hoog mogelijk te laten zijn.
      Rusland
      Voor Nederland en de EU is het van belang goede relaties met Rusland te
      onderhouden. De Europese Unie is de belangrijkste handels- en investe-
      ringspartner van Rusland. De EU ondersteunt het streven van Rusland om
      lid te worden van internationale fora zoals WTO en regionale ontwikke-
      lingsbanken. Een positieve stap is de ratificatie van het Kyoto-protocol door
      Rusland. De betrekkingen zijn gebaseerd op de in 1997 van kracht geworden
      Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de EU en
      Rusland, welke zal aflopen in 2007. Een groot deel van de activiteiten
      binnen de EU vindt plaats in het kader van PSO en het TACIS-programma
      en andere programma’s voor Rusland.
      De huidige relatie op energieterrein, althans met de EU, is echter, zoals reeds
      hierboven beschreven, moeizaam te noemen. De insteek van de Europese
      Commissie heeft te zeer een paternalistisch karakter. Europese wet- en regel-
      geving werd in de onderhandelingen – Energie Handvest, energiedialoog
      EU-Rusland, de gedeelde Economische Ruimte37 – de maat der dingen.
      Bovendien verlangt de EU liberalisering van de Russische gassector en het
      totstandkomen van een pan-Europese energiemarkt (waarbij Rusland geïn-
37 		Op de EU-Rusland topontmoeting van 10 mei 2005 werd door de EU en Rusland
		    een routekaart ondertekend voor een gedeelde economische ruimte. Energie is hierin
		    een belangrijke doelstelling.
		Zie o.a. <www.eu.int/comm/energy/russia/joint_progress/doc/progress6_en.pdf>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>     buitenlands beleid van nederland                                                     47
     tegreerd zou moeten worden in de Europese energiemarkten). Tot nu toe is
     op deze terreinen nauwelijks vooruitgang geboekt, doordat fundamentele
     verschillen van inzicht blijven bestaan. Men kon de Russische regering
     onvoldoende overtuigen van de noodzaak om ingrijpende institutionele en
     economische hervormingen door te voeren.
     Voor Rusland zijn de Europese eisen onaanvaardbaar, omdat Rusland aller-
     lei ingrijpende concessies moet doen, zonder dat duidelijk wordt wat het
     voordeel voor Rusland zelf is. In Russische ogen heeft de geliberaliseerde
     Europese interne markt geen voordelen. Voor Rusland is dit mede reden zich
     in toenemende mate tot China, India en de VS te wenden. Zij bieden de lan-
     getermijnafzetzekerheid, die nodig is voor de financiering van dure energie-
     projecten, wel. Voor Rusland is energie niet alleen van doorslaggevende eco-
     nomische betekenis, maar ook een instrument waarmee het land zich
     opnieuw een wereldwijde rol kan verschaffen. Naast commerciële overwe-
     gingen zullen ook strategische overwegingen (het uitspelen van grote afne-
     mers tegen elkaar) waarschijnlijk het Russische beleid steeds in belangrijke
     mate bepalen.
     De adviesraden pleiten daarom voor een heroriëntatie van het
     Ruslandbeleid. Daarbij gaat het niet om de instrumentatie of de kanalen,
     maar veel meer om de invalshoek. Nederland en de EU zullen, meer dan
     voorheen het geval was, Rusland moeten accepteren als een gelijkwaardig
     (gespreks)partner. Het gaat er om de overeengekomen ‘vier gemeenschappe-
     lijke ruimtes’ van economie, vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, externe
     veiligheid, en onderzoek, onderwijs en cultuur een concrete invulling te
     geven en deze intensiever te benutten. Bezien zou moeten worden of bedui-
     dend verdergaande vormen van samenwerking tussen de EU en Rusland
     mogelijk zijn. Daartoe zal meer rekening moeten worden gehouden met de
     Russische belangen en opvattingen.
     Op energiegebied zou moeten worden bezien, hoe meer langetermijnzeker-
     heid kan worden ingebouwd voor beide zijden.38 De vooraanstaande
38		Dit sluit aan bij de conclusies en aanbevelingen van het AIV-advies no.44, ‘De nieuwe
     oostelijke buurlanden van de Europese Unie’, juli 2005. Zie onder meer op p. 47,
     aanbeveling 14: ‘...Tot slot is het voor de energiezekerheid van de Unie op de lange
     termijn van groot belang dat de EU als geheel deze materie in de relatie met Rusland
     vanuit een strategisch gezichtspunt beziet en hieraan prioriteit geeft bij verdere
     uitwerking van de overeengekomen economische ruimte met Rusland’. In hun reactie
     op het advies, Kamerbrief DZO-183/05 van 8 november 2005, schrijven de minister
     van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Europese Zaken onder meer het
     volgende: ‘De regering beaamt dat verdere uitwerking van de vier gemeenschappelijke
     ruimten noodzakelijk is. Dit is ‘werk in uitvoering’ en vormt naast de PSO, hét
     samenwerkingskader tussen de EU en Rusland de komende jaren. De implementatie
     van de vier ruimten zal van EU-zijde gefinancierd worden uit TACIS en vanaf 2007 uit
     het Europees Nabuurschaps-en Partnerschapsinstrument (ENPI). De regering ziet geen
     toegevoegde waarde in nieuwe overlegstructuren met Rusland buiten de PSO structuur
     om. De PSO biedt voldoende mogelijkheid om over verschillende onderwerpen op
     verschillend niveau van gedachten te wisselen en besluiten te nemen’. Naar het
     oordeel van de adviesraden blijft prioriteit voor energievoorzieningszekerheid hier
     onderbelicht.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                          48
      Nederlandse rol in de energiedialoog EU-Rusland zou gehandhaafd moeten
      worden, maar dit sluit niet uit dat Nederland ook bilaterale initiatieven
      onderneemt, als deze de Nederlandse energievoorzieningszekerheid bevorde-
      ren.39 Derhalve is ook hier een ‘en-en’ beleid aan de orde, gegeven de grote
      onzekerheid of een multilaterale aanpak (zoals in EU-verband) wel (tijdig)
      resultaten oplevert.
      Turkije
      Turkije is voor Europa een belangrijk doorvoerland en dat belang zal in de
      toekomst waarschijnlijk alleen maar groter worden. Toch heeft dit gegeven,
      voor zover bekend, nauwelijks een rol gespeeld bij de bepaling van het stand-
      punt inzake de Turkse aanvraag voor lidmaatschap van de EU. Nu de toe-
      tredingsonderhandelingen een aanvang hebben genomen, valt weinig anders
      te doen dan het verloop daarvan af te wachten. Het lijkt echter wel zeker dat
      er nog belangrijke beslismomenten in het verschiet liggen, vooral gezien de
      verwachte lange duur van deze onderhandelingen, en bij die gelegenheden
      zouden overwegingen van energiepolitieke aard in de besluitvorming
      moeten worden betrokken. Daarbij doelen de adviesraden vooral op de
      doorvoerrol, die Turkije zal kunnen vervullen waar het gaat om aardgas uit
      de Golf en uit de Kaspische Zeeregio. Geplande pijpleidingen als de Turkije-
      Griekenland-Italie pijpleiding en de Nabucco-pijpleiding, die door Turkije,
      Griekenland, Bulgarije, Roemenië, Hongarije naar Oostenrijk zal lopen, zijn
      hiervoor van groot belang. Zodra dergelijke pijpleidingen gerealiseerd zijn,
      wordt het voor andere grote importerende landen en regio’s, zoals de
      Verenigde Staten en China, moeilijker om het aardgas naar de eigen markt
      te lokken. Voor LNG (Liquified Natural Gas) gaat dit gemakkelijker.
      Golfregio
      De ingewikkelde en gevoelige politieke, economische en sociale problema-
      tiek in dit deel van de wereld zal voorlopig een gegeven blijven voor de
      Europese Unie en Nederland. Het ligt niet op de weg van de adviesraden
      zich in dit advies op dit terrein verder te verdiepen en zich in speculaties te
      begeven, maar in het voorkomende geval zullen overwegingen van voorzie-
      ningszekerheid mede in de beschouwing moeten worden betrokken.
      Wel wijzen de adviesraden op het belang van een meer evenwichtige econo-
      mische ontwikkeling van bedoelde landen. Het is niet raadzaam de econo-
39 		Tijdens het recente staatsbezoek van president Poetin aan Nederland werd het
      nieuwe Gemeenschappelijk Actieprogramma Nederland-Rusland (GAP) ondertekend
      (2 november 2005). Hierin is een bescheiden passage aan energie gewijd:
		    ‘6.4 Energie en energiebesparing
		    a. 	Beide zijden hechten groot belang aan hun bilaterale samenwerking op het gebied
          van energie en energiebesparing, zij overwegen het sluiten van een bilaterale
          overeenkomst op het gebied van energie-efficiency, en zullen deze samenwerking
          blijven bevorderen, ondermeer door regelmatig overleg in het kader van de
          Gemengde Commissie voor Economische Samenwerking.
		    b. 	Beide zijden achten het Internationaal Energie Forum een belangrijk instrument in
          de internationale energiediscussie.
		    c. 	Zowel op bilateraal alsook in multilateraal verband zullen de wederzijdse
          reguliere contacten over de energieproblematiek voortgezet worden op politiek,
          hoogambtelijk en expertniveau.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>buitenlands beleid van nederland                                                49
mie alleen gebaseerd te houden op olie- en/of gaswinning en export daarvan.
Het brengt wel geld op, maar onvoldoende arbeidsplaatsen voor een jonge en
groeiende bevolking, met vele gevolgen van dien. Waar mogelijk zou zowel
de Nederlandse regering als het Nederlandse bedrijfsleven actief moeten zijn
om die verbreding van de plaatselijke economieën te helpen bewerkstelligen.
Uitbouw van het toerisme en daarvoor noodzakelijke infrastructuur is een
recent en - naar het zich laat aanzien - goed voorbeeld daarvan. Het bevorde-
ren van investeringen in Nederland door bedrijven uit het Midden-Oosten
heeft een ander maar eveneens te waarderen effect: het bevordert een
gemeenschappelijke belangenbasis.
Noord-Afrika
De regio Noord-Afrika, in het bijzonder Algerije en in mindere mate Libië,
is van toenemend belang voor de EU. Egypte is met het Suezkanaal vooral
belangrijk als doorvoerland. Het OPEC-land Algerije heeft geschatte oliere-
serves van 11,8 miljard vaten (ongeveer 1% van de wereldreserves). Het land
bezet de achtste plaats op de lijst van de grootste gasreserves in de wereld en
levert ongeveer 20% van de gasimporten van de EU (voornaamste afnemers
zijn Italië, Spanje en Frankrijk). Met het wegvallen van de internationale
sancties en een koerswijziging van Kolonel Ghaddafi, die duidelijk toenade-
ring zoekt tot Europa, is ook Libië nadrukkelijk in beeld gekomen als ener-
gieleverancier.
Deze regio zal, met de intensivering van de exploratie en exploitatie van olie-
en gasvelden in deze landen en gezien de geografische ligging ten opzichte
van Europa, met het oog op diversificatie in de naaste toekomst belangrijker
worden voor de EU. Nederland zal het EU-beleid, om deze regio ook verder
zich economisch beter te kunnen laten ontwikkelen, moeten blijven steunen.
Sub-Sahara-Afrika
Het gewicht van de landen in Sub-Sahara-Afrika is wat betreft olieproductie
op wereldschaal bescheiden (circa 6%). Veel landen aan de Afrikaanse west-
kust hebben omvangrijke olievelden en soms ook gasvoorraden. Nigeria is de
grootste olieproducent in Afrika en elfde op de wereldranglijst. Andere
landen van belang zijn Angola, Gabon en Equatoriaal-Guinee. In Oost-
Afrika heeft Soedan potentieel.
Naar verwachting zal, gelet op de toenemende vraag op de wereldmarkt, de
olie- en gasproductie van de landen in Afrika sterk stijgen de komende jaren.
Met name de Verenigde Staten (goede aanvoerroute over zee) en thans ook
China hebben grote belangstelling gekregen voor deze regio. Europa blijft
hierbij achter. De grote oliemaatschappijen zijn allen aanwezig in Afrika,
mede omdat de toegang relatief gemakkelijk is. Wel moet rekening gehou-
den worden met instabiliteit, corruptie en gebrek aan goed bestuur. Daar de
energiesector afhankelijk is van buitenlandse investeerders is dit van wezen-
lijk belang voor verdere ontwikkelingen.
De adviesraden wijzen er op, dat de Nederlandse regering zich meer zou
moeten inzetten om in ontwikkelingslanden een bredere economische ont-
wikkeling, inclusief versterkte aandacht voor energie, mogelijk te maken.
Instrumenten (inclusief fondsen) van het ontwikkelingsbeleid moeten in
principe ook hiervoor ingezet kunnen worden. Het mag niet worden verge-
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                    50
ten, dat de zogenaamde Millenniumdoelstellingen bij implicatie een aan-
zienlijke verbetering van de toegang tot energie (in het bijzonder van elektri-
citeit) veronderstellen, omdat dat op een breed front (onderwijs, economie
etc.) een vereiste is wil men kunnen slagen.
Bezien zou kunnen worden of ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen even-
tueel ook kunnen worden ingezet in ontwikkelingslanden, waar sprake is
van Nederlandse of Europese exploratiebelangen. Uiteraard in lijn met het
huidige beleid, derhalve op een wijze die aantoonbaar de lokale bevolking
(mede) ten goede komt en bijdraagt aan de politieke en economische stabili-
teit. Daarnaast zouden duurzame energiemodellen in ontwikkelingslanden
actief kunnen worden bevorderd. Ook kan ontwikkelingsbeleid worden
ingezet ter versterking van de energieopwekking en bijbehorende infrastruc-
tuur in ontwikkelingslanden. Ten slotte zou men in het ontwikkelingssa-
menwerkingsbeleid veel meer aandacht kunnen besteden aan (grootscha-
lige) biomassaproductie voor duurzame energiedoeleinden. Uiteraard
moeten al dit soort beleidsinitiatieven vergezeld gaan van de lokale verster-
king van de kennisinfrastructuur die daarvoor nodig is.
Multilaterale organisaties
Het IEA, annex de OESO, en het IEF zullen voor Nederland de fora bij
voorkeur blijven voor internationaal overleg over energiezaken in het alge-
meen en over crisisbeheersing (met name op oliegebied) in het bijzonder.
Daarnaast zal ons land actief willen participeren in ander overleg op het-
zelfde brede gebied, hetzij in wereldwijd kader hetzij in ad hoc-overlegstruc-
turen waar ook niet-OESO-landen aan kunnen deelnemen. Elk overleg met
producentenlanden dient in beginsel door Nederland te worden onder-
steund en bevorderd.
Het IEA is ook in overleg met landen die geen OESO-lid zijn, waaronder
belangrijke spelers zoals China en India vallen. Het IEA is in eerste instantie
een organisatie van consumerende landen en zit dus aan de vraagkant. Het
zou de slagkracht van het IEA dan ook vergroten, wanneer deze toekomstige
grote consumerende landen formeler betrokken kunnen worden bij het IEA.
Dit zou de effectiviteit van vraagmanagement en crisisbeleid (strategische
voorraadvorming en -beheer) doen toenemen. De stabiliteit van de olie-
markt, die een wereldwijde is, is een gemeenschappelijk belang. China en
India worden in toenemende mate afhankelijk van olie-importen. Met een
(vorm van) geassocieerd lidmaatschap voor China en India zal het IEA olie-
crisismechanisme verder aan effectiviteit winnen; dan mag een verminde-
ring van de kortetermijn prijsfluctuaties op de wereldoliemarkt worden ver-
wacht, doordat ook in die landen reserves worden opgebouwd. Een minder
fluctuerende olieprijs is bevorderlijk voor de economie.
4.3         Instrumenten van buitenlands beleid
De adviesraden hebben bezien of er specifieke nieuwe beleidsinstrumenten
moeten worden toegevoegd. Ervan uitgaande dat het bevorderen van ener-
gievoorzieningszekerheid inderdaad een hoofddoelstelling wordt, menen de
adviesraden dat in beginsel daarmee het gehele buitenlands beleidsinstru-
mentarium ter beschikking komt. Noodzaak van een specifieke uitbreiding
met nieuwe instrumenten zien de adviesraden niet. Het komt er op aan de
beschikbare beleidsinstrumenten toegesneden op de specifieke situatie in te
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>      buitenlands beleid van nederland                                                      51
      zetten. Overigens worden bijvoorbeeld ook in het Britse white paper met
      betrekking tot buitenlands beleid en energievoorzieningszekerheid in feite
      geen nieuwe beleidsinstrumenten geintroduceerd.40
      Dit advies gaat niet in op de bestaande instrumenten. Hiervoor wordt ver-
      wezen naar eerder vermelde publicaties. Er is al veel in gang gezet op dit ter-
      rein. Het advies heeft veeleer willen aangeven waar Nederland de komende
      jaren extra aandacht aan moet schenken in het buitenlands beleid en waar
      beleidsoriëntaties aangepast of gewijzigd moet worden.
      Onder instrumenten van buitenlands beleid wordt hier overigens ook de
      inzet van menskracht en middelen om de doelstelling van energievoorzie-
      ningszekerheid te bereiken verstaan. Het gaat om het intensiever inschake-
      len van de Nederlandse diplomatieke missies in het buitenland en een
      actieve opstelling van Nederlandse delegaties in de diverse multilaterale fora.
      Hiervoor is het noodzakelijk om goed op de hoogte te zijn van wat er speelt
      op energieterrein. De verzamelde informatie op basis van analyses en rap-
      portages vormen een belangrijke bijdrage aan de beleidsbepaling van de
      betrokken departementen.
      Voor concretisering van beleid kan men bij bilaterale relaties denken aan fre-
      quente consultaties op politiek en ambtelijk niveau, het afsluiten van over-
      eenkomsten en verdragen, bijvoorbeeld over de aanleg van pijpleidingen,
      wederzijdse investeringsbescherming en technologieoverdracht. Op het mul-
      tilaterale vlak aan het initiëren van of aansluiten bij internationale afspraken
      en verdragen, bijvoorbeeld met betrekking tot de bevordering en bescher-
      ming van de infrastructuur (transportroutes).
      Zoals al eerder betoogd wordt bij internationale fora in de eerste plaats
      gedacht aan de EU (om verder vorm te geven aan een extern energiebeleid).
      De EU heeft aanzetten gedaan tot samenwerking met derde landen op ener-
      gieterrein. Zo zijn TEN’s-middelen ingezet voor studies naar de haalbaar-
      heid van projecten als pijpleidingen evenals TACIS-fondsen. Ook de
      MEDA-middelen die in het kader van het Barcelonaproces beschikbaar zijn
      gesteld voor de ondersteuning van pijpleidingen van en naar Noord-Afrika
      kunnen worden genoemd. Daarnaast kunnen worden genoemd de energie-
      dialogen met de OPEC en Rusland en het Energiehandvest. Andere voor
      energieoverleg relevante fora zijn onder meer de VN, de WTO, de OESO,
      het IEA en het International Energy Forum, de IMO en de ICAO.
      Om een coherent buitenlands beleid op het gebied van energievoorzienings-
      zekerheid te kunnen voeren moet Nederland, meer nog dan voorheen, intern
      de zaken goed op orde hebben. In de de Memorie van Toelichting 2006 van
      het Ministerie van Buitenlandse Zaken41 wordt reeds het opzetten van een
      interdepartementale overlegstructuur ter versterking van de coördinatie van
      aan energie gerelateerde internationale kwesties als een mogelijkheid
      genoemd. De adviesraden onderschrijven de noodzaak van een dergelijk
      structureel overleg tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken,
40 		UK Department of Transport and Industry, Energy White Paper: Our energy
		    future - creating a low carbon economy, februari 2003.
41 		 Zie de Memorie van Toelichting 2006 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, p. 39.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>        energiek buitenlands beleid                                                   52
       Economische Zaken, VROM en Defensie met betrekking tot beleidsvoor-
       bereiding en uitvoering op het terrein van energievoorzieningszekerheid.
       Gezien het belang van de materie zou dit, zoals hierboven reeds gesteld,
       moeten geschieden op hoogambtelijk (DG-)niveau. Ook zou het onderwerp
       energievoorzieningszekerheid vaker geagendeerd moeten worden voor de
       REIA.42
       Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft al een begin gemaakt met het
       intensiever benutten van het ‘postennetwerk’ (Nederlandse diplomatieke
       vestigingen in het buitenland) op het energiedossier. Meer aandacht gaat nu
       uit naar rapportage over energievraagstukken en ondersteuning van het
       Nederlandse bedrijfsleven.
       Het Ministerie van Economische Zaken zal zich verantwoordelijk weten voor
       de inhoudelijke vormgeving van de energiebeleidsaspecten die door
       Buitenlandse Zaken, vaak samen met Economische Zaken, uitgedragen
       zullen moeten worden als onderdeel van het buitenlands beleid. Dit laatste
       ministerie zal voortdurend, met behulp van de diplomatieke posten, ook
       terugkoppeling moeten leveren. Hierdoor zal het Ministerie van
       Economische Zaken in staat zijn een betere inschatting van de situatie in rele-
       vante landen te maken en om mogelijkheden tot verbetering te ontwikkelen.
       Ook zal vooral Economische Zaken inhoudelijk verantwoordelijk zijn voor
       de (verdere) ontwikkeling van het korte termijn energievoorzieningsbeleid
       (het crisis-beleid) met name op gasgebied. Het zal blijken dat zulks geen een-
       voudige zaak is, omdat de kosten snel hoog zijn en de mogelijkheden van
       extra inzet op korte termijn van Nederlandse gasreserves, zoals het
       Groningenveld, beperkt zijn.
       Diversificatie van gasstromen naar Europa c.q. naar Nederland wordt veelal
       als goedkoopste wijze beschouwd om de voorzieningszekerheid te vergroten.
       Voor de realisatie daarvan is men echter in hoge mate afhankelijk van de
       betrokken gasbedrijven, die verantwoordelijk zijn voor hun eigen winst- en
       verliesrekening.
       Aangezien de adviesraden het nuttig achten de problematiek van energiele-
       veranties uit de Golfregio, Afrika en Rusland in een breder (economisch)
       kader te plaatsen, zou een regelmatig overleg met het bedrijfsleven aanbeve-
       ling verdienen. In zo’n buitenland-energie-overleg-platform (BEOP) kan
       enerzijds worden gesondeerd waar het bedrijfsleven behoefte aan heeft.
       Anderzijds kan vanuit de overheid het betrokken bedrijfsleven worden geïn-
       formeerd over relevante kwesties, die in beoogde landen spelen, en waarmee
       rekening moet worden gehouden. Dat daarbij ook milieuzaken (in samen-
       werking met VROM) en in voorkomend geval corruptie, omkoperij en
       mensenrechten onderwerpen zijn, die aan de orde moeten komen, spreekt
       voor zich. Om de effectiviteit van het BEOP te bewaken verdient een zgn.
       ‘sun-set’ bepaling (automatische opheffing ‘tenzij’ na bijvoorbeeld vier jaar)
       aanbeveling. Voorts kan in dit platform besproken worden in hoeverre
       nieuwe technologieën voor ontwikkelingslanden invoerbaar zijn en in hoe-
42		REIA staat voor Raad voor Europese en Internationale Aangelegenheden en is een 		
		     onderraad van de Ministerraad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>    buitenlands beleid van nederland                                                53
    verre het Nederlandse bedrijfsleven daarbij betrokken kan en wil zijn.
    4.4 	Een ‘en-en’ beleid: zowel multi- als bilateraal
    gericht
    Het energievoorzieningvraagstuk is zo omvangrijk, dat een relatief kleine
    speler als Nederland hier niet alleen kan opereren. Waar het kan moet men
    niet nalaten bilaterale afspraken te maken met partners. Maar voor het ove-
    rige zal Nederland aangewezen zijn op internationalisering van het energie-
    beleid. In de eerste plaats zal dat via de EU moeten lopen. Het besef moet
    sterker worden dat de EU-lidstaten een gezamenlijk belang hebben, zeker op
    de lange termijn. De stappen die door de EU zijn gezet op het extern ener-
    giebeleid, in het bijzonder de energiedialogen met Rusland en de OPEC,
    moeten een positieve insteek versterken en worden uitgebreid.43 In algemene
    zin moet energievoorzieningszekerheid een belangrijker rol krijgen in het
    GBVB. Nederland kan hier zeker een bijdrage aan leveren.
    Waar het nog niet lukt om in EU-kader op te treden kan Nederland zelf-
    standig of in ad-hoccoalities invloed uitoefenen in fora als onder meer de
    IEA-OESO, WTO en VN. Het vraagstuk zou ook nadrukkelijker de aan-
    dacht moeten krijgen van de NAVO.
    In dit stadium moet Nederland zo veel mogelijk alle opties openhouden en
    een én-én-benadering kiezen. Het is immers nog onvoldoende duidelijk hoe
    de beleidsdynamiek van de verschillende relevante landen zich zal ontwikke-
    len. Uit de analyse van CIEP komt naar voren dat het voor analytische doel-
    einden behulpzaam is landen te onderscheiden naar de vier kwadranten en
    vervolgens te volgen of en hoe de relevante landen zich in deze vier kwadran-
    ten bewegen. In die zin is het vergelijkbaar met het hanteren van verschil-
    lende scenario’s. In beide gevallen moet de keuze van beleid en instrumenten
    robuust zijn voor de verschillende denkbare ontwikkelingen. Wat betreft het
    beleidsmatig volgen van landen ware niet alleen te denken aan belangrijke
    productielanden, maar ook aan belangrijke doorvoerlanden (inbegrepen
    landen die aan belangrijke zee-engtes liggen). Voorts ware bij de analyse te
    betrekken met welke landen juist coalities aangegaan kunnen worden, ook
    om binnen internationale verbanden als EU en IEA het gewenste beleid te
    bevorderen. De EU dient vooral gezien te worden als de internationale enti-
    teit waar Nederland niet een afwachtende houding moet innemen, maar zijn
    beleidsopvattingen op een effectieve wijze aanvaard moet zien te krijgen.
    Daarbij moet worden gestreefd naar de ontwikkeling en inzet van commu-
    nautaire middelen. Alliantievorming zal daarbij nuttig blijken te zijn.
43		Ministerie van Buitenlandse Zaken, Staat van de Europese Unie 2006, september 		
		   2005, p. 81-82.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>energiek buitenlands beleid 54</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>     samenvatting en aanbeveling                                                     55
samenvatting en aanbevelingen
5    De laatste jaren is er krapte ontstaan op de wereldenergiemarkten, en in het
     bijzonder op de olie- en gasmarkten. Door de sterke vraagstijging en het ach-
     terblijvende aanbod, voor een belangrijk deel ook veroorzaakt door achter-
     blijvende investeringen in de olie- en gassector, is het waarschijnlijk, dat er
     grote concurrentie ontstaat tussen energie-importerende landen en regio’s
     (met name Noord-Amerika, Europa, China, India en Japan/Korea/Taiwan)
     om het aantrekken van energie. Verwacht wordt dat deze ontwikkeling de
     zichtperiode van dit advies (tot 2025 à 2030) zal overheersen. Deze concur-
     rentie om energie vormt het decor, waarin de voor Nederland als vanzelf-
     sprekend beleefde energievoorzieningszekerheid, dankzij ‘ons Groninger
     gasveld’, erodeert. De omvang van de nog resterende Nederlandse aardgasre-
     serves zijn zodanig beperkt, dat Nederland nog binnen de zichtperiode van
     dit advies afhankelijk zal worden van importen.
     Tegelijkertijd hebben verstoringen in de energievoorziening (met name in de
     elektriciteitsvoorziening) de afgelopen decennia getoond, hoe kwetsbaar de
     moderne samenleving is geworden. Een energietekort kan, afhankelijk van
     omvang en duur, de samenleving ontwrichten. Het is niet zonder reden dat
     meerdere landen het bevorderen van energievoorzieningszekerheid als hoge
     prioriteit van het beleid bestempelen, en vaak zelfs als een onderwerp van
     nationale veiligheid beschouwen.
     De adviesraden kiezen voor een bredere benadering. De analyse van de wereld-
     energiesituatie en de daarbij relevante geopolitieke tendensen in hoofdstuk 2
     en de beoordeling van energiebelangen van en voor Nederland in hoofdstuk 3,
     hebben de adviesraden duidelijk gemaakt dat ook voor Nederland energie-
     voorzieningszekerheid geen vanzelfsprekendheid meer kan zijn.
     De risico’s en belangen die met een goede energievoorziening gemoeid zijn
     overstijgen het domein van het energiebeleid zelf. De problematiek die hier
     aan de orde is, zowel waar het gaat om de middellange- en langetermijnvoor-
     zieningszekerheid als de acute verstoringen van het energieaanbod (energie-
     crises), vergt overheidsaandacht en beleidsinzet aan een breder front. Door de
     substantiële groei van het wereldwijde energieverbruik en de milieuproblema-
     tiek (vooral klimaatverandering) als gevolg daarvan, wordt de noodzaak hier-
     toe nog scherper. In het buitenlands beleid van Nederland zullen met name
     prioriteiten herschikt moeten worden om energievoorzieningszekerheid een
     adequate plaats in het totale beleidspakket te geven.
     Om een beter beeld te krijgen van de mogelijke geopolitieke ontwikkelingen,
     waar het de wereldenergiesituatie betreft, hebben de adviesraden aan het
     Clingendael International Energy Programme gevraagd deze problematiek te
     bestuderen. Mede aan de hand van die studie oordelen de adviesraden, dat er
     ten principale met twee toekomstscenario’s rekening moet worden gehouden.
     Een, waarin de wereldeconomie – ook waar het energie betreft – steeds verder
     mondialiseert en integreert, en waarin vrijhandel het adagium zal zijn (de
     economisch gedreven wereld). Dit betekent, dat energiestromen via markt-
     werking hun weg zullen vinden naar de consument en dat de rol van overhe-
     den relatief beperkt en meer faciliterend van aard is.
     In het tweede scenario zullen landen, vanuit hun nationale belangen, meer
     politiek-strategisch opereren, althans wat energie betreft. Energiestromen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                     56
zullen gepolitiseerd worden, en de energiehandel komt vooral tot stand met
behulp van overheidshandelen. Het uiteindelijke beslissingscentrum over
belangrijke kwesties omtrent de energiestromen ligt in dit scenario bij de
overheid (de politiek gedreven wereld).
De adviesraden pleiten ervoor, dat Nederland een energievoorzieningszeker-
heidbeleid formuleert, dat effectief en robuust is voor beide scenario’s. Het is
immers nog onduidelijk welk scenario in de zichtperiode van dit advies
dominant zal blijken te zijn. De belangen van Nederland liggen primair bij
bevordering van de wereldwijde vrijhandel. Dit impliceert, dat Nederland
hierop inzet door middel van een multilaterale aanpak. Complementair
hieraan zal Nederland echter ook, ter bevordering van de energievoorzie-
ningszekerheid, moeten inzetten op bilaterale relaties. In dit stadium moet
Nederland zo veel mogelijk de verschillende opties openhouden en een én-
én-benadering kiezen.
De adviesraden doen de volgende aanbevelingen:
Aanbeveling 1
De bevordering van energievoorzieningszekerheid dient een aparte, nieuwe
hoofddoelstelling van buitenlands beleid te zijn, naast de bestaande hoofd-
doelstellingen.
Dat er tussen verschillende doelstellingen soms conflicten kunnen ontstaan
en bepaalde belangen moeten prevaleren boven andere is niets nieuws.
Nieuw is, dat energievoorzieningszekerheid in het vervolg duidelijker op de
agenda wordt geplaatst en voor het volle pond wordt meegewogen.
Energie behoeft grotere beleidsaandacht. Uit de analyse van dit advies –
maar ook uit andere gezaghebbende publicaties die als bron hebben gediend
– blijkt, dat energievoorzieningszekerheid niet langer een vanzelfsprekend-
heid is. Bovendien wordt energievoorzieningszekerheid – ook die van
Nederland – in toenemende mate (mede) bepaald door buitenlandse, zo niet
geopolitieke ontwikkelingen.
Het energiebeleid, waarvoor het Ministerie van Economische Zaken verant-
woordelijkheid draagt, dient door de groter geworden buitenlands-politieke
component bij de zorg voor de energievoorziening gecompleteerd te worden
door de mogelijkheden en instrumenten van Buitenlandse Zaken.
Aanbeveling 2
De beleidscoördinatie tussen Buitenlandse Zaken en Economische Zaken,
en waar relevant ook met VROM en Defensie, dient op het hoogste ambte-
lijk en politiek niveau geborgd te worden.
Energievoorzieningszekerheid dient als beleidsthema te figureren in perio-
diek (interdepartementaal) overleg op hoogambtelijk (DG-)niveau, en vaker
op ministerieel niveau geagendeerd worden, in bijvoorbeeld de REIA.
Aanbeveling 3
Stel het gehele instrumentarium voor het buitenlands beleid, met inbegrip
van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid, ook voor energievoorzienings-
zekerheid ter beschikking.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>samenvatting en aanbeveling                                                    57
Naar de mening van de adviesraden is het bestaande buitenlands beleidsin-
strumentarium ook goed bruikbaar voor de bevordering van energievoorzie-
ningszekerheid. Het gaat er nu om dit in de nabije toekomst ook te benutten
voor het bevorderen van energievoorzieningszekerheid. Tot nu toe speelden
energiebelangen slechts een beperkte rol in het buitenlands beleid.
Aanbeveling 4
Zet primair in op de totstandkoming van een extern (gemeenschappelijk)
Europees energiebeleid, zonder bilateraal beleid te verwaarlozen: een ‘en-en’-
beleid.
De ontwikkeling en inzet van communautaire middelen is daarbij een voor-
waarde. Daarbij is het noodzakelijk dat de lidstaten ervoor open staan om
bevoegdheden over te dragen aan de EU. Dit betekent dat de verschillende
lidstaten van de EU op één lijn zullen moeten komen en gemeenschappelijke
belangen zullen moeten formuleren. Te denken valt aan terreinen als vraag-
management, crisisbeleid, strategische voorraden en exploratie- en produc-
tierechten. De adviesraden wijzen erop dat dit onverlet moet laten dat het
oliecrisisbeleid bij de IEA blijft om de effectiviteit daarvan te kunnen hand-
haven. Olie speelt immers een rol op de wereldmarkt en is niet beperkt tot
een regionale markt als bijvoorbeeld de EU. Dat ligt anders bij aardgas waar
de EU wel een regionale afzetmarkt voor vormt. Bij een en ander achten de
adviesraden het in het kader van een en-en-aanpak wel van belang, dat
Nederland zich niet alleen op ‘Brussel’ richt. In voorkomende gevallen moet
Nederland voor andere fora of partners (kunnen) kiezen. Dat geldt zeker
voor de tussenliggende periode, totdat een gemeenschappelijk extern EU-
beleid werkelijkheid is.
Aanbeveling 5
Breng de Nederlandse energiebelangen sterker naar voren in multilaterale fora.
Waar het nog niet lukt om in EU-kader op te treden kan Nederland zelf-
standig of beter nog in allianties invloed uitoefenen in fora als onder meer de
IEA-OESO, WTO en VN. In een toekomstige crisissituatie heeft
Nederland, naar het zich laat aanzien, het meest te verwachten van een
aanpak in het IEA en zo nodig NAVO-verband. Via het IEA kan ook over-
leg plaatsvinden met landen, die geen OESO-lid zijn, waaronder belangrijke
spelers zoals China en India vallen. Het zou de slagkracht van het IEA ver-
groten, wanneer deze toekomstige grote consumerende landen formeler
betrokken kunnen worden bij het IEA. Dit zou de effectiviteit van vraagma-
nagement en crisisbeleid (strategische voorraadvorming en -beheer) doen
toenemen. De stabiliteit van de oliemarkt, die een wereldwijde is, is een
gemeenschappelijk belang.
Ten aanzien van de VS dient energie regelmatig te figureren als onderwerp
van gemeenschappelijk belang. Via het bilaterale overleg en in het reguliere
EU-VS overleg, alsmede uiteraard in het overleg van het IEA, zou dit
kunnen plaatsvinden. Zowel de EU als de VS hebben belang bij een grotere
energie-efficiëntie, voorraadmanagement en een gunstig investeringskli-
maat en zouden hier gezamenlijke inspanningen kunnen doen. Men mag
tegelijkertijd de ogen niet sluiten voor het feit dat de VS voorzieningszeker-
heid in hoofdzaak benaderen vanuit een strikt nationaal gezichtspunt en dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                     58
nu mogelijk minder begrip bestaat voor Europese belangen en opvattingen,
vergeleken bijvoorbeeld met de situatie ten tijde van de oliecrisis van 1973.
Aanbeveling 6
Wees bereid zo nodig een bijdrage te leveren aan de militaire bescherming
van internationale transportroutes.
In het voorafgaande is uiteengezet dat de energievoorzieningszekerheid kan
worden bedreigd door het kwetsbaarder worden van de aanvoerroutes (zee-
transport en pijpleidingen). Er kan een moment komen dat militaire midde-
len moeten worden ingezet om deze routes te beschermen teneinde een
ongestoorde aanvoer te verzekeren. Nederland zou zich reeds nu bereid
moeten verklaren hieraan indien nodig een bijdrage te leveren, indien een
dergelijke operatie door een uitdrukkelijk internationaal mandaat gelegiti-
meerd zou zijn (van bij voorkeur de VN-Veiligheidsraad). Ter voorbereiding
daarop zou het vraagstuk ook nadrukkelijker de aandacht moeten krijgen
van de NAVO.
Aanbeveling 7
Herformuleer de relatie met Rusland op basis van ‘gelijkwaardigheid’,
‘wederzijds begrip’ en ‘reciprociteit’ en tracht dat juist ook op EU-niveau te
(helpen) bewerkstelligen.
De Europese relatie met Rusland is meer verstoord dan nodig of dienstig is.
Gezien de grote geopolitieke- en energiebelangen, die gemoeid zijn met een
betere verstandhouding tussen de EU en Rusland, zou Nederland zich daarop
moeten richten. Juist door de relatief goede relatie die Nederland met Rusland
heeft moet het mogelijk zijn in Brussel daar een oor voor te krijgen. Bezien zou
moeten worden, of beduidend verdergaande vormen van samenwerking tussen
de EU en Rusland mogelijk zijn. Gezien de wederzijdse (energie)belangen, is er
een gezamenlijk belang om in de energierelatie meer over en weer langeter-
mijnzekerheid in te bouwen. De EU zal dan wel meer oog moeten hebben
voor Russische bezwaren, in het bijzonder op energiegebied.
Aanbeveling 8
Onderhoud goede relaties en treed in overleg met energierelevante landen,
verruim waar mogelijk het aandachtsgebied tot (aspecten van) een verbrede
economische en sociale ontwikkeling en bevorder daarbij investeringen over
en weer.
In de relaties met andere landen zou het belang voor de energievoorzienings-
zekerheid sterker moeten worden meegewogen. Dit betekent, dat Nederland
voor energie een bijzonder belang heeft met producerende landen, vooral
Rusland, landen in het Midden-Oosten, in Noord-Afrika en ten zuiden van
de Sahara. Voor het veiligstellen van met andere landen gedeelde gemeen-
schappelijke energiebelangen kan Nederland belang hebben bij allianties,
partnerschappen of andere samenwerkingsvormen. Hierin dient Nederland
zelfstandig initiatief te nemen.
Daarbij wordt het ‘geven en nemen’ in de handelsrelatie volwaardiger, wan-
neer Nederland in staat is meer aandacht te geven aan een bredere economi-
sche en sociale ontwikkeling van de desbetreffende landen. Daarbij hoort
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>samenvatting en aanbeveling                                                    59
ook het respecteren van fundamentele mensenrechten en internationale
arbeidsnormen. De olie- en gasexporterende landen zijn te sterk afhankelijk
van uit olie- en gasexport voortvloeiende inkomsten, waardoor onevenwich-
tigheden bestaan die niet behulpzaam zijn voor bijvoorbeeld een goede ont-
wikkeling van de werkgelegenheid in die landen.
Aanbeveling 9
Zet in op een vergroting van het nationale en lokale draagvlak voor een ver-
antwoorde exploratie en productie van olie- en gasvoorkomens; help condi-
ties scheppen om waar relevant de toegankelijkheid tot energie (elektriciteit)
te vergroten en bevorder de toepassing van duurzame energie.
Nederland zou een zelfstandige rol kunnen vervullen op dit gebied, bijvoor-
beeld via het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. De inzet van het OS-
beleid is de bevordering van toegang tot moderne energieopwekking voor
arme bevolkingsgroepen in OS-landen. Bezien zou kunnen worden of meer
OS-middelen kunnen worden ingezet in ontwikkelingslanden waar sprake
is van Nederlandse of Europese exploratiebelangen. Uiteraard in lijn met het
huidige beleid, derhalve op een wijze die aantoonbaar de lokale bevolking
(mede) ten goede komt en bijdraagt aan de politieke, economische en sociale
stabiliteit.
Daarnaast zouden duurzame energiemodellen in ontwikkelingslanden
actiever kunnen worden bevorderd. Ook kan ontwikkelingsbeleid worden
ingezet ter versterking van de energieopwekking en bijbehorende infrastruc-
tuur in ontwikkelingslanden, gericht op hetzelfde doel, namelijk ook de ont-
wikkelingslanden minder afhankelijk te maken van de relatief schaarser
wordende gas- en oliereserves. Ten slotte zou men in het ontwikkelingssa-
menwerkingsbeleid veel meer aandacht kunnen besteden aan (grootscha-
lige) biomassaproductie voor duurzame energiedoeleinden. Uiteraard
kunnen al dit soort beleidsinitiatieven vergezeld gaan van de lokale verster-
king van de kennisinfrastructuur die daarvoor nodig is.
Nederland zou de aanwezige kennis en technologie op het gebied van scho-
nere energieopwekking (gastechnologie, schone-kolentechnologie, wind-
energie, zonne-energie, biomassa, CO2 opslag) en energie-efficiëntie/bespa-
ring aan kunnen wenden voor exportdoeleinden. Nederland heeft hierdoor
iets extra’s te bieden, wat interessant zou kunnen zijn voor (de onderhande-
lingen met) olie- en gasproducerende landen. Elke efficiencywinst, die
geboekt wordt vermindert de druk op de markt en heeft daardoor gunstige
effecten op zowel de prijzen, het milieu als op de relatieve beschikbaarheid.
Voor de uitvoering van hogergenoemde activiteiten zou nauwer overleg
kunnen plaatsvinden met de aldaar werkzame ondernemingen.
Aanbeveling 10
Ondersteun het Nederlandse (energiegerelateerde) bedrijfsleven en assisteer
het in goed burgerschap ter plaatse. Richt daartoe een ‘Buitenlands-energie-
overleg-platform (BEOP) op waarin de Ministeries van Buitenlandse Zaken,
Economische Zaken en indien relevant VROM hun gesprekspartners uit
het bedrijfsleven ontmoeten om te zien waar problematiek of kansen aan de
orde zijn die (ook) om een beleidsinzet vragen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                   60
Nederland is een aanzienlijke speler op internationale energiemarkten.
Nederland heeft veel gespecialiseerde energiekennis en enkele sterke bedrij-
ven. Voor de energievoorzieningszekerheid is het van belang, dat deze
bedrijven ondersteund worden in hun activiteiten. Het is van belang, dat de
Nederlandse concurrentiepositie internationaal gehandhaafd blijft en dat er
een gelijk speelveld ontstaat. Maar in het kader van een meer algemene
bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van energie expor-
terende landen moeten er mogelijkheden worden geboden dat ook
Nederlandse bedrijven uit andere sectoren bij de ontwikkeling van handels-
relaties worden c.q. blijven betrokken.
Ook is het noodzakelijk, zeker voor het veiligstellen van goede betrekkingen
op lange termijn, dat de overheid het bedrijfsleven waar mogelijk assisteert in
- en zo nodig aanmaant tot - het betonen van goed burgerschap ter plaatse.
Met name goed bestuur, transparantie, niet toegeven aan corruptie en een
verantwoord milieugedrag, zijn daarbij wezenlijke aandachtspunten.
Aanbeveling 11
Bevorder het investeren in infrastructuur, zodat Nederland een ener-
gieknooppunt blijft, waarmee energievoorzieningszekerheid wordt bevor-
derd, en bevorder een ruime infrastructuur om flexibiliteit van aanbod en
concurrentie beter mogelijk te maken.
Als Nederland een belangrijk doorvoerland en aanbieder van flexibiliteit wil
zijn, is het van belang te investeren in een daartoe passende infrastructuur.
Nederland is vooraanstaand op het gebied van gasopslag en als aanbieder
van flexibiliteitsdiensten. Om ervoor te zorgen, dat energie via Nederland
zijn weg naar derde landen blijft vinden, heeft Nederland belangen bij de
bouw van LNG-terminal(s) en vooral ook van ondergrondse opslagsystemen
voor gas (zie het AER-advies ‘Gas voor Morgen’). Dit vergroot tevens de
eigen mogelijkheden te schakelen tussen verschillende aanbieders van gas,
en zo niet te afhankelijk te worden van slechts een of enkele leveranciers.
Aanbeveling 12
Houd bij de verdere vormgeving van het buitenlands beleid en van het ener-
giebeleid, met name ook in Europees verband, de Nederlandse onderhande-
lingspositie met energieproducerende landen en partijen scherp in het oog
ten behoeve van een optimale energievoorziening.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>      Bijlagen 1 – 4 61
bijlage 1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                                    62
bijlage 1
adviesaanvraag
      Ministerie van					                                       Ministerie van
      Buitenlandse Zaken				                                    Economische Zaken
      Postbus 20061 					                                       Postbus 20101
      2500 EB Den Haag				                                      2500 EC Den Haag
      Telefoon 070-3486486 				                                 Telefoon 070-379 8911
      Aan
      de Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
      de Voorzitter van de Algemene Energieraad (AER)
      p/a Postbus 20061					
      2500 EB Den Haag			                                     Den Haag, 14 mei 2005
      Onderwerp
      AIV/AER adviesaanvraag inzake ‘Energie en Buitenlands beleid’
      Geachte voorzitters,
      De komende jaren worden de lidstaten van de EU voor hun energievoorzie-
      ning steeds afhankelijker van importen van olie en gas. De eigen Europese
      energiebronnen nemen geleidelijk af en ondanks inspanningen op het gebied
      van energiebesparing en duurzame energie zal steeds meer van onze energie
      komen uit een kleine groep landen en regio’s: het Midden-Oosten, Rusland,
      de landen rond de Kaspische Zee en West-Afrika. Er ontstaat bovendien
      meer concurrentie om olie en gas met snelgroeiende economieën als China
      en India.
      Hoewel er op dit moment geen sprake is van feitelijke problemen met de
      aanvoer van olie en gas uit productielanden, baren politieke en veiligheidsri-
      sico’s (instabiliteit, oorlogen, georganiseerde misdaad, kans op terroristische
      aanslagen) ons in dit verband zorgen.
      Energievoorzieningszekerheid speelt als beleidsdoelstelling momenteel geen
      rol in het buitenlands beleid van Nederland en de EU. De regering is van
      mening dat dit zal moeten veranderen. Deze opvatting wordt ingegeven
      door bovenstaande ontwikkelingen en de signalen voortkomend uit analyses
      van het International Energy Agency, het Clingendael International Energy
      Programme en het AER-gasadvies. Tegen deze achtergrond wordt advies
      gevraagd over de vraag of, en zo ja hoe, het buitenlands beleid van
      Nederland en de EU zou kunnen bijdragen aan de energievoorzieningsze-
      kerheid van Europa en in het bijzonder Nederland.
      Algemene vragen
      – Kan, in aanvulling op het bestaande energiebeleid van de Ministeries
          van Economische Zaken en van VROM, het Nederlands buitenlands
          beleid, inclusief het veiligheids- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid,
          op een zinvolle en structurele wijze bijdragen aan het verzekeren van de
          energievoorzieningszekerheid voor Nederland en de EU?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 1 – 4                                                                   63
– Dient energievoorzieningszekerheid een zelfstandige doelstelling van buitenlands beleid
    te zijn?
– Hoe kan er vanuit het buitenlands beleid in brede zin aan worden bijgedragen dat:
    – de politieke, economische en sociale voorwaarden in olie- en aardgasproducerende
        landen zodanig zijn dat deze landen zich op een stabiele wijze ontwikkelen en
        op (middel)lange termijn een niveau van olie- en gasproductie en -export wordt
        gerealiseerd dat de energievoorziening van Nederland en de EU zekerstelt;
    – het investeringsklimaat in producentlanden dusdanig wordt bevorderd dat een
        voldoende investeringsniveau in olie- en gasexploitatie wordt gewaarborgd;
    – er geen onderbreking van de toevoer van m.n. olie en gas plaatsvindt door
        ontwrichtingen van de aanvoerroutes (m.n. zeestraten en pijpleidingen);
    – de snelgroeiende mondiale energievraag op een zo duurzaam en veilig mogelijke
        manier wordt ingevuld waarbij er oog is voor zowel de klimaatproblematiek (clean
        coal technologies, energieefficiëntie, renewables) als veiligheidsaspecten (nucleaire
        proliferatie, transportveiligheid);
    – noodzakelijke investeringen in ontwikkelingslanden plaatshebben, enerzijds om
        toegang tot energie voor de armen te waarborgen en anderzijds om een zo duurzaam
        mogelijke energievoorziening te stimuleren.
Nadere vragen
Dialogen en coalities
Met welke instrumenten van buitenlands beleid in brede zin kan worden bijgedragen aan de
ontwikkeling van een constructieve mondiale energiedialoog en effectieve internationale
coalities ter verbetering van de werking van de mondiale energiemarkt? Hierbij moet
gedacht worden aan de rol van producent-, consument- en doorvoerlanden en het internatio-
nale bedrijfsleven.
Rol bedrijfsleven
Met welke instrumenten van buitenlands beleid in brede zin kan vanuit de doelstelling van
energievoorzieningszekerheid worden bijgedragen aan de bevordering van de belangen van
het Nederlandse (en Europese) bedrijfsleven?
Hoe kan het Nederlandse (Europese) bedrijfsleven zodanig worden ondersteund dat het op
een effectieve wijze kan bijdragen aan de energievoorzieningszekerheid van Nederland en de
EU?
Hoe kan worden bevorderd dat de wereldwijde marktpositie van Nederlandse en Europese
bedrijven die energiegerelateerde goederen, diensten en technologieën leveren wordt ver-
sterkt en hiermee wordt bijgedragen aan duurzaam energiebeleid in derde landen inclusief de
snel groeiende ontwikkelingslanden en economieën?
Kanaalkeuze en partners
Waar liggen mogelijkheden voor zelfstandig Nederlands optreden en waar kan Nederland
effectiever opereren via multilaterale/ Europese kaders?
Kan de AIV/AER, o.m. door middel van een overzicht van de manier waarop andere landen
aandacht schenken aan energie in het buitenlands beleid, komen tot een selectie van produ-
cent-, consument en doorvoerlanden waarvan zij denken dat in het licht van de doelstelling
van energievoorzieningszekerheid nauwere samenwerking (bilateraal of multilateraal) gebo-
den is?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                                  64
Internationale Fora
In het kader van welke mondiale, internationale en Europese fora en organi-
saties kan Nederland de energiegerelateerde doelstellingen in het buiten-
lands beleid het meest doelmatig verwezenlijken? Fora en organisaties die
een rol spelen zijn onder andere IEA, WTO, IEF, Energy Charter, OVSE en
NAVO en voor wat betreft het internationale bedrijfsleven o.m. Extractive
Industries Transparency Initiative en MIGA.
In hoeverre is de EU geëquipeerd om zich op een effectieve wijze in te zetten
ter bevordering van de energievoorzieningszekerheid (o.m. gezien de
bevoegdheden van de Unie, inclusief die voorzien in het Grondwettelijk
Verdrag, en de doelstellingen van het GBVB) en in welke kaders (bijvoor-
beeld de Commissie of de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB)?
Hoe kan Nederland optimaal bijdragen aan de totstandkoming van een
Europese externe energiepolitiek t.b.v. het creëren van energievoorzienings-
zekerheid (bijvoorbeeld door middel van de EU-RF Energiedialoog en de
EU-OPEC dialoog)?
In het licht van de ontwikkelingen op en tussen betrokken departementen
ten aanzien van het onderwerp ‘energie en buitenlands beleid’, is een tijdig
advies van de AIV-AER wenselijk. Gestreefd zou moeten worden naar aan-
bieding van het advies in november en publicatie in december 2005, zodat
het maximaal kan worden ingezet ter ondersteuning van de verschillende
beleidsontwikkelingen op de betrokken departementen.
Deze aanvraag gaat u toe mede namens de Staatssecretaris voor Europese
Zaken.
De minister van 				                            De minister van
Buitenlandse Zaken			                           Economische Zaken
Dr B.R. Bot				                                 Mr L.J. Brinkhorst
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>      Bijlagen 2 – 4 65
bijlage 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>        energiek buitenlands beleid                                          66
bijlage 2
Lijst van veelgebruikte afkortingen
       AER        Algemene Energieraad
       AIV        Adviesraad Internationale Vraagstukken
       BCM        Billion Cubic Meters
       BEOP       Buitenland-Energie-Overleg-Platform
       BNP        Bruto Nationaal Product
       BP		       British Petroleum
       BRIC       BRIC-countries (Brazilië, Rusland, India en China)
       BZ		       Ministerie van Buitenlandse Zaken
       CIEP       Clingendael International Energy Programme
       CNOOC      China National Offshore Oil Corporation
       CO2        Kooldioxide
       DG         Directeur-Generaal
       DZO        Directie Zuidoost- en Oost-Europa, Ministerie van Buitenlandse Zaken
       ECN        Energieonderzoek Centrum Nederland
       EDI        Energy Development Index
       ENPI       Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument
       EU		       Europese Unie
       EZ		       Ministerie van Economische Zaken
       GAP        Gemeenschappelijk Actieprogramma Nederland-Rusland
       GBVB       Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
       IAO        Internationale Arbeidsorganisatie
       ICAO       International Civil Aviation Organisation
       IEA        International Energy Agency
       IEF        International Energy Forum
       IMF        International Monetary Fund
       IMO        International Maritime Organisation
       LNG        Liquified Natural Gas
       MB/D       Millions of Barrels per Day
       MEDA       Euro-Mediterraan Partnerschapprogramma
       MTOE       Million Tonnes of Oil Equivalent
       NAVO       Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
       OECD       Organisation for Economic Co-operation and Development
       OESO       Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
       OPEC       Organisation of Petroleum Exporting Countries
       OS		       Ontwikkelingssamenwerking
       OVSE       Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
       PSO        Partnerschap- en samenwerkingsovereenkomst
       RAZEB      Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen
       REIA       Raad voor Europese en Internationale Aangelegenheden
       TACIS      Technical Assistance to the Commonwealth of Independent States
       TEN’s      Trans-Europese Netwerken
       URENCO     Uranium Enrichment Corporation
       VAE        Verenigde Arabische Emiraten
       VN         Verenigde Naties
       VROM       Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
       VS		       Verenigde Staten
       WB         Wereldbank
       WEO        World Energy Outlook
       WTO        World Trade Organisation
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>      Bijlagen 3 – 4 67
bijlage 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                               68
bijlage 3
Door de adviesraad internationale
vraagstukken uitgebrachte adviezen*
      1  Europa inclusief
         oktober 1997
      2  Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak, beperkte
         mogelijkheden
         april 1998
      3  De doodstraf en de rechten van de mens; recente ontwikkelingen
         april 1998
      4  Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid
         juni 1998
      5  Europa inclusief II
         november 1998
      6  Humanitaire hulp: naar een nieuwe begrenzing
         november 1998
      7  Commentaar op de criteria voor structurele bilaterale hulp
         november 1998
      8  Asielinformatie en de Europese Unie
         juli 1999
      9  Naar rustiger vaarwater: een advies over betrekkingen tussen Turkije en
         de Europese Unie
         juli 1999
      10 De ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie in de jaren
         negentig: van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid
         september 1999
      11 Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens
         september 1999
      12 De IGC 2000 en daarna: op weg naar een Europese Unie van dertig
         lidstaten
         januari 2000
      13 Humanitaire interventie
         april 2000**
      14 Enkele lessen uit de financiële crises van 1997 en 1998
         mei 2000
      15 Een Europees Handvest voor grondrechten?
         mei 2000
      16 Defensie-onderzoek en parlementaire controle
         december 2000
      17 De worsteling van Afrika: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling
         januari 2001
      18 Geweld tegen vrouwen: enkele rechtsontwikkelingen
         februari 2001
      19 Een gelaagd Europa: de verhouding tussen de Europese Unie en
         subnationale overheden
         april 2001
      20 Europese militair-industriële samenwerking
         mei 2002
      21 Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst of
         overtuiging
         juni 2001
      22 De wereldconferentie tegen racisme en de problematiek van rechtsherstel
         juni 2001
      23 Commentaar op de notitie mensenrechten 2001
         september 2001
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>BIJLAGE 3 – 4                                                                   69
24 Een conventie of een conventionele voorbereiding: de Europese Unie
   en de IGC 2004
   november 2001
25 Integratie van gendergelijkheid: een zaak van verantwoordelijkheid,
   inzet en kwaliteit
   januari 2002
26 Nederland en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in
   Europa in 2003: rol en richting
   mei 2002
27 Een brug tussen burgers en Brussel: naar meer ligitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie
   mei 2002
28 De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken: voors
   en tegens van bouwen aan onkwetsbaarheid
   augustus 2002
29 Pro-poor growth in de bilaterale partnerlanden in Sub-Sahara Afrika:
   een analyse van strategieën tegen armoede
   januari 2003
30 Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking
   april 2003
31 Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en beperkingen
   april 2003
32 Een brug tussen burgers en Brussel: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie
   april 2003
33 De Raad van Europa: minder en (nog) beter
   oktober 2003
34 Nederland en crisisbeheersing: drie actuele aspecten
   maart 2004
35 Falende staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid
   mei 2004**
36 Preëmptief optreden
   juli 2004**
37 VervolgadviesTurkije: de weg naar het lidmaatschap van de Europese
   Unie
   juli 2004
38 De Verenigde Naties en de rechten van de mens
   september 2004
39 Dienstenlibelarisering en ontwikkelingslanden: leidt openstelling tot
   achterstelling?
   september 2004
40 De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa
   februari 2005
41 De hervormingen van de Verenigde Naties: het rapport Annan nader
   beschouwd
   mei 2005
*	Alle adviezen zijn beschikbaar in het Engels; sommige in andere talen.
**	Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de
	Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre> energiek buitenlands beleid                                            70
42 De invloed van cultuur en religie op ontwikkeling: stimulans of
   stagnatie?
   juni 2005
43 Migratie en ontwikkelingssamenwerking: de samenhang tussen twee
   beleidsterreinen
   juni 2005
44 De nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie
   juli 2005
45 Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN
   juli 2005
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken
uitgebrachte briefadviezen
1  Briefadvies uitbreiding Europese Unie
   10 december 1997
2  Briefadvies VN-Comité tegen Foltering
   13 juli 1999
3  Briefadvies Handvest Grondrechten
   9 november 2000
4  Briefadvies over de toekomst van de Europese Unie
   9 november 2001
5  Briefadvies Nederlands voorzitterschap EU 2004
   15 mei 2003*
6  Briefadvies Resultaat Conventie
   28 augustus 2003
7  Briefadvies ‘Van binnengrenzen naar buitengrenzen - ook voor een vol
   waardig Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’
   12 maart 2004
8  Briefadvies ‘De Ontwerp-Declaratie inzake de Rechten van
   Inheemse Volken. Van impasse naar doorbraak?’
   10 september 2004
9  Briefadvies ‘Reactie op het Sachs-rapport. Hoe halen wij
   de Millennium Doelen?’
   19 april 2005
10 Briefadvies ‘De EU en de band met de Nederlandse burger’
   2 december 2005
11 Briefadvies ‘Terrorismebestrijding in Europees en internationaal
   perspectief; interim-advies over het folterverbod?’
   2 december 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>      Bijlagen 4 – 4 71
bijlage 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>       energiek buitenlands beleid                                             72
bijlage 4
Door de algemene energieraad
uitgebrachte adviezen van
de laatste 10 jaar
      2005                                 Zorgvuldig omgaan met de intro-
      Naar een nieuw evenwicht             ductie van marktwerking rond
      jaarverslag 2004                     vitale infrastructurele voorzienin-
      isbn 90 74357 41 5                   gen
                                           Gezamenlijke uitgave van de
      Gas voor morgen                      Algemene Energieraad en de Raad
      Advies van de Energieraad over       voor Verkeer en Waterstaat
      Nederlandse beleidopties in een ver-
      anderende mondiale en Europese       Briefadvies Energie-infrastructuur:
      gasmarkt                             Tijd voor verandering?
      isbn 90 74357 40 7                   isbn 90 74357 32 6
      Verslag over het debat over de       2002
      Evaluatienota Klimaatbeleid 2005     Post-Kyoto energiebeleid
                                           isbn 90 74357 30 X
      Briefadvies Duurzame mobiliteit
                                           Internationale energievisies;
      Briefadvies Energiebesparings-       Jaarverslag
      tempo                                isbn 90 74357 31 8
      2004                                 Briefadvies Energierapport
      Energietransitie: Klimaat voor
      nieuwe kansen                        2001
      Gezamelijk advies van de             Briefadvies Energie en Ruimtelijke
      VROMraad en de Energieraad           Ordening
      isbn 90 8513 012 3                   Energieonderzoek, de krachten
                                           gebundeld
      Behoedzaam stroomopwaarts            isbn 90 74357 27 X
      isbn 90 74357 38 5
                                           Briefadvies Energieonderzoek
      Jaarverslag Energieraad              Zorgen voor de Energie van
      isbn 90 74357 37 7                   Morgen
                                           isbn 90 74357 28 8
      2003
      Net nog niet                         De rol van de overheid
      Advies van de energieraad over de    in een vrije energiemarkt
      organisatie en het eigendom van      isbn 90 74357 29 6
      energienetten
      isbn 90 74357 36 9                   2000
                                           Advies naar aanleiding van het
      Aansprakelijkheid helder als het     Energierapport
      licht uitgaat                        isbn 90 74357 25 3
      isbn 90 74357 35 0
                                           Briefadvies Verantwoordelijkheden
      Energiemarkten op de weegschaal      Energiebesparingsbeleid
      isbn 90 74357 34 2
                                           Energie en Ruimtelijke Ordening
      Dilemma’s en keuzes                  isbn 90 74357 26 1
      Jaarverslag Energieraad
      isbn 90 74357 33 4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                 BIJLAGE 4 – 4                                                        73
1999                                        Advies naar aanleiding van het wetsvoor-
Advies Duurzame Energie                     stel inzake een regulerende energiebelas-
isbn 90 74357 23 7                          ting
                                            isbn 90 74357 13 1
Overheidsbeleid voor de Lange Termijn
Energievoorziening                          Nederlands gasbeleid
isbn 90 74357 24 5                          isbn 90 74357 13 X
Briefadvies Energie en Wegverkeer
1998
Liberalisatie van de Gassector
isbn 90 74357 19 9
Advies Voorbereiding Nota
Energiebesparing
isbn 90 74357 20 2
De Kyoto-afspraken
Gevolgen voor Nederland op Energiegebied
isbn 90 74357 21 0
Opzet Energierapport
Oliecrisisbeleid Tussen Risico en Realiteit
isbn 90 74357 22 9
1997
Nutskarakter Elektriciteitssector en
Privatisering
isbn 90 74357 17 2
Optimale Lokale Energievoorziening
isbn 90 74357 18 0
1996
Nederlands energiebeleid
op de drempel van de 21e eeuw
isbn 90 74357 14 8
Energie-onderzoek in Nederland
isbn 90 74357 15 6
Naar een nieuwe elektriciteitswet
isbn 90 74357 16 4
1995
Nieuwe verhoudingen
in de Nederlandse elektriciteitswereld
isbn 90 74357 11 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>energiek buitenlands beleid 74</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>75</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>     energieraad   &   adviesraad   internationale   vraagstukken   e n e r g i e voorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling
46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>