<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE
No. 44, Juli 2005
Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter         Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter    Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden              Dhr. A.L. ter Beek
                   Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                   Mw. drs. A.C. van Es
                   Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                   Dr. B. Knapen
                   Drs. H. Kruijssen
                   Prof. dr. A. de Ruijter
                   Mw. mr. E.M.A. Schmitz
                   Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris         Mr. P.J.A.M. Peters
                   Postbus 20061
                   2500 EB Den Haag
                   telefoon 070 - 348 5108/6060
                   fax 070 - 348 6256
                   e-mail aiv@minbuza.nl
                   www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden van de werkgroep die het advies heeft voorbereid
Voorzitter     Prof. dr. J.Q.Th. Rood
Leden          Mw. prof. dr. M.G.W. den Boer
               Mw. drs. A.C. van Es
               Prof. mr. F.J.M. Feldbrugge
               Dr. P. van Ham
               Mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged
               Drs. F.D. van Loon
               Mw. mr. N.W. Meuter-Dikkers
               Prof. dr. B.A.G.M. Tromp
               Prof. mr. J.W. de Zwaan
Secretaris     Mw. dr. S. Volbeda
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>          Inhoudsopgave
          Kaart van de Europese Unie en haar buurlanden
          Woord vooraf
I         Inleiding en adviesvragen       7
II        Het geopolitieke perspectief       11
III       Transformatie naar een democratische rechtsstaat en een markteconomie         23
IV        Een toetredingsperspectief voor de oostelijke ENB-landen?           35
V         Conclusies en aanbevelingen          40
Bijlage I         Adviesaanvraag
Bijlage II        Lijst van geraadpleegde personen in Brussel, Warschau, Moskou en Kiev
Bijlage III       Kenschetsen van de buurlanden
Bijlage IV        Lijst van veelgebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Kaart van de Europese Unie en haar buurlanden</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
In april 2004 ontving de AIV het verzoek van de minister van Buitenlandse Zaken
een advies te schrijven over het toekomstige beleid van de Europese Unie met
betrekking tot de oostelijke buren na de uitbreiding. De adviesaanvraag is opgeno-
men in bijlage I.
Dit advies is voorbereid door een werkgroep samengesteld uit leden van de Advies-
raad Internationale Vraagstukken (AIV) en van de Commissies Europese Integratie
(CEI), Vrede en Veiligheid (CVV) en Ontwikkelingssamenwerking (COS). De volgende
personen namen hieraan deel: Prof. dr. J.Q.Th. Rood (voorzitter, CEI), mw. prof. dr.
M.G.W. den Boer (CEI), mw. drs. A.C. van Es (AIV), prof. mr. F.J.M. Feldbrugge (CVV),
dr. P. van Ham (CVV), mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged (CVV), drs. F.D. van Loon (COS),
mw. mr. N.W. Meuter-Dikkers (CEI), prof. dr. B.A.G.M. Tromp (CVV) en prof. mr. J.W.
de Zwaan (CEI). Het secretariaat is gevoerd door mw. dr. S. Volbeda (secretaris CEI).
Tijdens het traject heeft de commissie ook een beroep kunnen doen op de kennis en
ervaring van drs. A.M. van der Togt en mw. drs. T.M. Röling (ambtelijk contactperso-
nen DZO/OE) en is het secretariaat bijgestaan door achtereenvolgens de stagiair(e)s
Saskia Everts, Melchior Bussink en Noor Hulskamp.
Om tot het advies te komen heeft de werkgroep met een groot aantal mensen gespro-
ken in Brussel, Warschau, Moskou en Kiev. Een lijst van gesprekspartners is opgeno-
men in bijlage II. Daarnaast zijn gesprekken gevoerd met een aantal deskundigen
zoals drs. J.W. van der Meulen van het Instituut Clingendael, drs. R.J.J. Martens, mw.
drs. T. T. Nieuwenhuizen en mr. A. Oosterhoff van het ministerie van Economische
Zaken, alsmede met drs. L.P.M. van Geel van het ministerie van Buitenlandse Zaken
(Matra-programma). De AIV is allen die bijgedragen hebben aan het advies erkente-
lijk voor hun inzet en inbreng; in dit verband wil de raad met name ook de Neder-
landse ambassades bedanken van Warschau, Moskou, Kiev en Brussel.
Het advies is door de AIV vastgesteld op 8 juli 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I         Inleiding en adviesvragen
In mei 2004 heeft de Europese Commissie een nieuw beleidskader voor de ontwikkeling
en intensivering van de relaties met de buurlanden van de Unie geformuleerd. Dit Euro-
pese nabuurschapsbeleid (ENB) is beschreven in een strategy paper1. Het bouwt voort
op het beleid dat in het kader van het Barcelona-proces ten aanzien van de landen rond
de Middellandse Zee wordt gevoerd en op het beleid dat in het kader van de partner-
schaps- en samenwerkingsovereenkomsten ten aanzien van de Oost-Europese landen in
gang is gezet. Het doel van het ENB is om tot grotere coherentie en effectiviteit van het
beleid met betrekking tot deze landen te komen. Het geldt voor alle buurlanden, dus
zowel voor die aan oostelijke als die aan de zuidelijke grenzen van de Europese Unie
(EU)2. Het burenbeleid slaat niet op de kandidaat- of potentiële kandidaat-lidstaten,
zoals Bulgarije, Roemenië, de landen van de westelijke Balkan en Turkije3.
De leidende gedachte achter het initiatief tot een breed geschakeerd burenbeleid is te
voorkomen dat er nieuwe scheidslijnen tussen de Unie en de haar aangrenzende regio’s
ontstaan. Tegelijkertijd is het doel van het ENB om de politieke stabiliteit in de buurlan-
den te versterken4. De EU wil de komende decennia nauw gaan samenwerken met haar
buurlanden zodat zij voor haar burgers vrede, veiligheid, stabiliteit en duurzame ontwik-
keling kan waarborgen. Het gaat de Unie om goed nabuurschap, “om het creëren van
een kring van bevriende landen”5 met wie de EU nauwe, vreedzame en coöperatieve
betrekkingen onderhoudt. Daartoe zijn in de desbetreffende landen politieke, economi-
sche en institutionele hervormingen nodig, die gebaseerd dienen te zijn op gemeen-
schappelijke waarden, in het bijzonder veiligheid, democratie, de beginselen van de
rechtsstaat en een stabiele markteconomie. In ruil voor concrete resultaten op deze
terreinen, die ook aanpassing van hun wetgeving aan het acquis communautaire6 van
de Unie vergen, is de EU bereid haar buren uitzicht te geven op een diepere economi-
sche integratie in de EU. Wat de Unie daarbij in het bijzonder voor ogen staat is partici-
patie in de interne markt door verdere integratie en liberalisatie op het terrein van ‘de
1  European Neighbourhood Policy, Strategy Paper, Communication from the Commission, COM(2004) 373
   final, 12.5.2004. Electronische verbinding naar webpagina voor alle ENP-documenten:
   <http://europa.eu.int/comm/world/enp/document_en.htm>.
2  Alleen het buurland Rusland doet niet mee met het ENB. Voor Rusland is op de EU-Rusland top op 1 mei
   2005 een specifiek beleid vastgesteld in het kader van ‘De vier gemeenschappelijke ruimtes’. Webpagina:
   <http://europa.eu.int/comm/external_relations/russia/summit_05_05/index.htm>.
3  Webpagina’s: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/index_en.htm> en
   <http://europa.eu.int/comm/world/enp/faq_en.htm#2.1>.
4  De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke
   buren, Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, COM(2003) 104 definitief,
   Brussel 11.3.2003, Hoofdstuk I.
5  Op. cit.
6  Wetgeving van de Europese Unie.
                                                      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>vier vrijheden’: het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal7.
In zijn opzet sluit het ENB daarmee aan bij de brede doelstelling die kenmerkend is voor
het extern beleid van de Unie. Deze houdt in dat de EU wil bijdragen aan vrede, veilig-
heid, duurzame ontwikkeling, solidariteit en wederzijds respect tussen volkeren, vrije en
eerlijke handel, uitbanning van armoede, bescherming van mensenrechten (in het bijzon-
der die van kinderen) en de strikte nakoming en ontwikkeling van internationaal recht8.
Het nabuurschapsbeleid heeft tot doel deze beleidsuitgangspunten vorm te geven in de
buurlanden. De oostelijke buren hebben zich overigens reeds gecommitteerd aan de
mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties (VN) en aan de verdragen over
arbeidsrecht van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), zijn lid van de Raad van
Europa en van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
Adviesvragen
In de adviesaanvraag staat de gewenste richting van de concrete uitwerking van het
ENB met betrekking tot de nieuwe oostelijke buurlanden van de EU centraal. Meer con-
creet zijn de volgende vragen gesteld:
- Of en in hoeverre het Europees nabuurschapsbeleid van de Europese Unie volstaat om
    de nagestreefde doelstellingen te verwezenlijken, zoals het ontwikkelen van stabiele en
    evenwichtige relaties met de buurlanden uitgaande van de beginselen van rechtsstaat,
    democratie en markteconomie, zonder op afzienbare termijn een toetredingsperspectief
    te bieden?
- Is een intensivering van dit beleid noodzakelijk en mogelijk, en zo ja, op welke onder-
    delen?
- Hoe verhoudt of hoe zou dit beleid zich moeten verhouden tot de inspanningen van
    andere actoren en donoren?
- Op welke onderdelen zou Nederland in EU-verband, dan wel bilateraal, een (verdere)
    bijdrage kunnen leveren aan de intensivering van de relaties met de betrokken
    landen?
Daarnaast is in de adviesaanvraag die integraal is opgenomen in bijlage I, een groot
aantal detailvragen geformuleerd over het aan te wenden instrumentarium en het juri-
disch kader, over de economische transformatie, en over de relatie van de EU, van
Nederland en van de buurlanden met Rusland.
Welke buurlanden?
Dit advies gaat over de nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie. Na het
toetreden van tien nieuwe landen in Midden-Europa op 1 mei 2004 heeft de EU nieuwe
buurlanden gekregen. Vooruitlopend op de toetreding van Roemenië en Bulgarije, naar
verwachting in 2007, en eventueel die van Turkije in een verdere toekomst betreft het
advies de volgende zes landen: Belarus (Wit-Rusland), Oekraïne, Moldavië, Georgië,
Armenië en Azerbeidzjan. Met alle oostelijke buurlanden heeft de EU samenwerkings-
overeenkomsten (PCA’s) gesloten. Alleen die met Belarus is niet van kracht.
Deze landen zullen in dit advies niet als groep worden behandeld. In navolging van de
Europese Commissie meent ook de AIV dat differentiatie per land geboden is. Alleen al
7  De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke
   buren, Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, COM(2003) 104 definitief,
   Brussel 11.3.2003, Hoofdstuk I.
8  Staat van de Europese Unie 2005, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 21 september 2004, p. 45.
                                                    8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>uit geografisch oogpunt springen de verschillen tussen de landen waar dit advies zich
op richt naar voren. De intern politieke en economische problemen lopen sterk uiteen.
Oekraïne is het grootste en rijkste, Moldavië is het kleinste en armste land van het
rijtje. Deze zes landen maakten voorheen alle deel uit van de Sovjet-Unie. Rusland, dat
door de grens met Finland al langer een oosterbuur van de EU is, komt in dit advies
alleen ter sprake als de àndere buur. In verband met de politieke ontwikkelingen in
Oekraïne en Moldavië zal in dit advies bijzondere aandacht uitgaan naar deze twee landen.
Lidmaatschap?
Een belangrijk aandachtspunt in dit advies is de kwestie van een mogelijk toekomstig
lidmaatschap van de landen in Oost-Europa en in de zuidelijke Kaukasus. Hieraan is
een apart hoofdstuk gewijd.
Een concreet uitzicht op lidmaatschap is in de Midden-Europese landen een belangrijke
katalysator gebleken voor het proces van politieke en economische hervorming dat
noodzakelijk was om aan de voorwaarden voor lidmaatschap te voldoen. Uitgangspunt
van het ENB is dat lidmaatschap van de EU binnen afzienbare termijn niet aan de orde
is. In dit opzicht verschilt het ENB ten principale van het beleid ten aanzien van de
Midden-Europese landen, dat expliciet gericht was op voorbereiding op het lidmaatschap.
Bij het ontbreken van dit vooruitzicht rijst echter de vraag of het ENB en het bijbehorende
instrumentarium wel effectief kunnen zijn. Is het ENB zonder de dwingende discipline die
vooruitzicht op toetreding tot de EU met zich mee brengt op termijn wel realistisch? Deze
vraag is vooral relevant in het licht van de politieke ontwikkelingen na de presidents-
verkiezingen in Oekraïne in oktober en december 2004. Deze hebben bijvoorbeeld het
Europees Parlement een uitspraak ontlokt om dit land toch een vooruitzicht op lidmaat-
schap te bieden, ook al is dit pas op langere termijn realistisch9. De voorziene toetreding
van Roemenië in 2007 zal voorts naar verwachting het lidmaatschap van Moldavië hoger
op de agenda plaatsen, terwijl een lidmaatschap van Turkije de relaties met de landen in
de zuidelijke Kaukasus ingrijpend zal beïnvloeden.
Het advies beweegt zich binnen het spanningsveld van enerzijds de roep om consolida-
tie van het interne integratieproces van de Unie en anderzijds de aspiraties in de buur-
landen. Het is geschreven in een periode van grote politieke dynamiek in enkele van de
landen waar het over gaat. Dit geldt bovenal voor Oekraïne, Moldavië en Georgië. De
versterkte roep om democratisering en economische hervorming daagt de Unie uit in
haar vermogen om de betrekkingen met deze landen zodanig vorm te geven, dat een
effectieve bijdrage wordt geleverd aan het proces van hervorming. Vanuit dit gezichts-
punt dient de vraag naar een perspectief op lidmaatschap besproken te worden. Zoals
de gebeurtenissen rond de ratificatie van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet
voor Europa hebben aangetoond, is echter ook binnen de Unie zelf sprake van de nodige
politieke ontwikkelingen. Terwijl de Unie extern wordt uitgedaagd zich open te stellen
voor weer nieuwe lidstaten, wijzen de negatieve uitkomsten van de referenda in Frankrijk
en Nederland10 er op dat een periode van consolidatie noodzakelijk is, om het publieke
9    Op 13 januari 2005 heeft het Europees Parlement een resolutie aangenomen, waarin het de Europese
     Raad, de Europese Commissie en de lidstaten verzoekt om “naast het Europees nabuurschapsbeleid, ande-
     re vormen van samenwerking met Oekraïne in overweging te nemen, zodat het land een duidelijk Europees
     perspectief krijgt en op termijn eventueel zou kunnen toetreden tot de Europese Unie.” Zie ook het pers-
     bericht van 13 januari 2005 op de webpagina van het EU-parlement: <http://www.europarl.eu.int/>.
10 Op 29 mei en 1 juni 2005 werden respectievelijk in Frankrijk en Nederland referenda gehouden over het
     Verdrag tot goedkeuring van een grondwet voor Europa.
                                                         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>draagvlak voor de integratie te versterken. Dat is in ieder geval het standpunt dat de
Nederlandse regering en de Tweede Kamer hebben ingenomen in reactie op de uitkomst
van het referendum in Nederland. Consolidatie is ook belangrijk om de toetreding in mei
2004 van de tien Midden-Europese landen te verwerken en de Unie bestuurlijk en orga-
nisatorisch voor te bereiden op de uitbreidingsrondes die op de agenda staan. Dit
betreft de toetreding van Roemenië en Bulgarije, naar verwachting in 2007, die van de
landen van de westelijke Balkan en op termijn die van Turkije.
Andere actoren
Wegens de complexiteit van het onderwerp en de veelheid van betrokken landen, zullen
andere actoren die bij deze regio betrokken zijn slechts kort worden aangestipt. Het
zou in dit bestek te ver voeren een volledig overzicht te geven van de activiteiten in elk
van de betrokken landen van de verschillende lidstaten en van de in deze regio actieve
overige bilaterale donoren. Ook de activiteiten van multilaterale donoren en internatio-
nale financiële instellingen, zoals de Europese ontwikkelingsbank (EBRD), de Wereld-
bank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zullen slechts kort aan de orde
komen. Hetzelfde geldt voor de rol van de Raad van Europa, de Organisatie voor
Samenwerking en Veiligheid in Europa (OVSE) en de Noord-Atlantische Verdragsorgani-
satie (NAVO).
Leeswijzer
Hoofdstuk II gaat in op de geopolitieke verhoudingen en zet uiteen waarom de EU een
burenbeleid voor deze regio heeft ontwikkeld. Het plaatst de ontwikkelingen in een
(korte) historische context en besteedt aandacht aan de rol van Rusland. Ook geeft dit
hoofdstuk I overzicht van de sociaal-economische en politieke situatie in de zes bespro-
ken landen. Achterin is een bijlage opgenomen met kaartjes en enkele kenmerkende
getallen per land.
In hoofdstuk III wordt ingegaan op de samenhang tussen het proces van de transforma-
tie naar een democratische rechtsstaat en het veranderingsproces naar een markteco-
nomie. Deze onderling verweven processen stimuleren is de uitdaging waar het ENB
voor staat. Daarna komt het eigenlijke burenbeleid aan de orde en wordt ook het instru-
mentarium besproken waarmee het ENB de transformatieprocessen wil stimuleren.
Vervolgens komt het Nederlandse bilaterale beleid ter sprake en wordt kort iets gezegd
over andere actoren en donoren. Tot slot komt de grensproblematiek ter sprake, omdat
daar voor de nabije toekomst een aantal knelpunten verwacht kan worden.
Het toetredingsperspectief komt aan de orde in hoofdstuk IV. Vooral voor Oekraïne is dit
een onderwerp met een sterke politieke lading, maar ook voor Moldavië is dit actueel.
Voor de Trans-Kaukasische staten ligt dit perspectief veel verder weg. De vraag of een
concretisering van het perspectief op lidmaatschap gewenst is, wordt in dit hoofdstuk
besproken tegen de achtergrond van het hiervoor omschreven spanningsveld tussen de
behoefte aan interne consolidatie van de Unie en de uitdaging van de politieke dyna-
miek in de nieuwe buurlanden.
In hoofdstuk V worden conclusies getrokken over mogelijkheden van de EU om invloed
uit te oefenen op de democratische en economische ontwikkeling van de oostelijke
buurlanden en zijn aanbevelingen geformuleerd voor de terreinen waar een intensivering
van het EU-beleid mogelijk en wenselijk is. Daarbij is de vraag aan de orde op welke
vlakken het Nederlandse bilaterale beleid daarbij ondersteund kan zijn.
                                            10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>II        Het geopolitieke perspectief
De EU en het oosten van Europa
De uitbreiding van de EU met Midden-Europese landen en het vooruitzicht van verdere
expansie met Roemenië, Bulgarije en Turkije zijn voor de EU redenen geweest de
bestaande relaties met landen in gebieden grenzend aan de Europese Unie onder te
brengen in een nieuw kader, het Europese nabuurschapsbeleid, en prioriteit te geven
aan de ontwikkeling van bijzondere relaties met de betrokken landen. Zoals in de inlei-
ding van dit advies is aangegeven, is het doel van het ENB te bevorderen dat de EU
grenst aan gebieden die stabiel en veilig zijn. Duurzame veiligheid en stabiliteit in de
aangrenzende regio veronderstelt in de betrokken landen handhaving van de beginselen
van de rechtsstaat, de aanwezigheid van een functionerend democratisch bestel, en
economische ontwikkeling gebaseerd op markteconomische principes. Stimulering en
verankering van de rechtsstaat, van een proces van democratisering en van hervorming
van het economisch systeem vormen dan ook de belangrijkste doelstellingen van het
ENB. Deze doelstellingen zijn van toepassing op het gehele externe beleid van de Unie,
maar zij wegen zoveel zwaarder wanneer het om directe buurlanden gaat.
De belangen die voor de Unie in deze buurlanden op het spel staan, zijn groot. Primair
gaat het om de verzekering van veiligheid en stabiliteit aan de eigen grenzen van de
Unie. Het ontstaan van een nieuwe gezamenlijke grens met Belarus en Oekraïne (en op
termijn met Moldavië en met de Kaukasische landen) en de uitbreiding van de bestaande
grens met Rusland dwingen tot versterking van de onderlinge relaties, gericht op het
ondervangen van een aantal (potentiële) grensoverschrijdende problemen. Deze proble-
men hangen nauw samen met de in vele opzichten slechte sociaal-economische
omstandigheden, bestuurlijke zwakte, fragiele staatsstructuren en politieke instabiliteit
in de landen in kwestie. Door het opschuiven van de grens komen deze problemen
letterlijk dichterbij en is er een groter risico dat zij ‘overslaan’ naar het grondgebied van
de Unie. Concreet gaat het dan om zaken zoals georganiseerde criminaliteit, illegale
migratie, de gevolgen van etnische conflicten en grensoverschrijdende lucht-, water- en
bodemvervuiling.
Naast het bovengenoemde risico, is er ook de simpele constatering dat de EU zich hoe
dan ook moeilijk afzijdig kan houden van eventuele instabiliteit in aangrenzende gebie-
den. Dat zou immers niet passen in de politieke ambities van het buitenlandbeleid van
de EU. De laatste presidentsverkiezingen in Oekraïne hebben bovendien aangetoond
dat van de EU een actieve betrokkenheid bij het oplossen van politieke impasses in de
regio wordt verwacht. Dit geldt des te sterker na de toetreding van de Midden-Europese
landen. Deze onderhouden hechte banden met de nieuwe buurlanden, onder meer door
de aanwezigheid van ‘eigen’ minderheden op elkaars grondgebied. Gezien deze omstan-
digheden is het weinig waarschijnlijk dat de EU zich zal kunnen onttrekken aan eventu-
ele politieke instabiliteit als gevolg van interne (etnische) spanningen in deze landen;
een constatering die het belang van de EU bij veiligheid en stabiliteit in deze regio
onderstreept11.
11 Zie hierover ook: Verslag Informele RAZEB “Gymnich” van 15-16 april 2005, Kamerbrief DIE-163/05,
    19 april 2005.
                                                    11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Voor de Unie staan naast veiligheid en stabiliteit in de regio ook economische belangen
op het spel. Tussen de EU en de nieuwe buurlanden beginnen zich tal van economi-
sche banden te ontwikkelen. Het belang van de handel en doorvoer van olie en gas,
waarvan de EU een belangrijke afnemer is, springt als eerste in het oog. Uit allerlei
studies blijkt dat de energieafhankelijkheid van de Unie de komende decennia sterk zal
toenemen12. De AIV heeft samen met de Energieraad een advies in voorbereiding over
dit belangrijke onderwerp. Naast het Midden-Oosten spelen Rusland, de regio rond de
Kaspische Zee en de Kaukasus en Centraal-Azië daarbij een steeds belangrijker rol als
doorvoerland en/of als leverancier van fossiele brandstoffen. Dit betekent dat de Unie
met het oog op een veilige en verzekerde aanvoer van olie en gas (i.e. winning, export
en doorvoer) een groot belang heeft bij veiligheid en stabiliteit in de regio en bij goede
relaties met de landen in kwestie. Onderbreking van de aanvoer van energie zou de
Unie immers niet alleen grote economische schade berokkenen, maar ook voor ernstige
dilemma’s plaatsen in haar opstelling ten aanzien van deze regio. In dit kader is het
belangrijk dat de Unie betrokken is bij grote (infrastructurele) projecten op het terrein
van energie en de besluitvorming daarover, teneinde te verzekeren dat de eigen energie-
voorziening is veiliggesteld. Vooral de aanleg van pijpleidingen (Oekraïne, Georgië) is
van strategische betekenis.
Economische banden krijgen ook vorm doordat bedrijven uit de EU grote investeerders
zijn in deze regio. Qua handelspolitieke oriëntatie richten deze landen zich steeds ster-
ker op de Europese binnenmarkt. Verder zijn de EU en de lidstaten er de belangrijkste
donoren. Versterking van de economische en financiële relaties tussen de EU en haar
buurlanden – vooral in de vorm van markttoegang tot de Europese binnenmarkt – is
vitaal voor de verdere economische ontwikkeling van deze landen en voor de voortzet-
ting van het proces van economische hervorming. Dit laatste staat in wisselwerking
met de versterking van de politieke stabiliteit (zie hoofdstuk III van dit advies). Voor de
EU geldt daarbij dat, alhoewel de totale economische betekenis van deze landen
(uitgedrukt in handel en buitenlandse investeringen) vooralsnog gering is, zij net als de
nieuwe lidstaten uit Midden-Europa over een groot economisch groeipotentieel beschik-
ken. In andere woorden, verwacht mag worden dat zodra de markteconomie er gaat
functioneren de groeicijfers omhoog gaan en er een belangrijke afzetmarkt ontstaat13.
Het belang van versterking van de relaties met de buurlanden moet, tot slot, ook
bezien worden in het licht van het feit dat het uitbreidingsproces met de Midden-Euro-
pese landen hoe dan ook leidt tot het ontstaan van nieuwe grenzen tussen de Unie en
haar buren14. Zo zal de economische impuls die van toetreding uitgaat, de welvaarts-
verschillen tussen de nieuwe lidstaten en hun buren accentueren en vergroten. Uitbrei-
ding zou ook tot verlegging van handelsstromen en verstoring van oude patronen van
12 Study on Energy Supply Security and Geopolitcs, Clingendael International Energy Programme, The Hague,
    January 2004. Zie ook: Gas voor morgen, Advies van de Energieraad over Nederlandse beleidsopties in een
    veranderende mondiale en Europese gasmarkt, Algemene Energieraad, Den Haag, januari 2005.
13 Toch moet dit laatste gezien worden als een zaak van lange adem: het gecombineerde BBP van de zes oos-
    telijke buurlanden bedraagt circa 20% van dat van Nederland, wat aangeeft dat het economisch belang dat
    de EU bij deze landen heeft vooralsnog verwaarloosbaar klein is.
14 Zie o.a. J.W. van der Meulen, Buurschap houden; de betrekkingen van de EU met de aangrenzende Oost-
    Europese landen, Instituut Clingendael, Den Haag, februari 2004.
                                                     12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>grensoverschrijdende economische en culturele15 contacten en activiteiten kunnen
leiden. Wanneer de nieuwe lidstaten toetreden tot het Schengengebied, zal dit versto-
rende effect versterkt worden, omdat bestaande bilaterale afspraken over visafacilitei-
ten moeten worden opgezegd en er de ‘harde’ buitengrenzen van de EU voor in de
plaats komen (zie hierover ook hoofdstuk III).
Inzet van het ENB is om nieuwe scheidslijnen in Europa te voorkomen, c.q. de schade
van ongelijke ontwikkeling zoveel mogelijk te beperken. De nieuwe grenzen mogen niet
tot een ‘fort Europa’ leiden dat zich poogt af te schermen van zijn omgeving. Integen-
deel, de doelstelling is overeenkomstig de uitgangspunten van het Europese buitenland-
se beleid om met inzet van het brede instrumentarium van het externe beleid de veilig-
heid en stabiliteit van de EU in haar directe omgeving te versterken. In de woorden van
de Europese veiligheidsstrategie is het doel om ‘een kring van goed bestuurde landen’
te scheppen rond de EU16. De AIV heeft in dit verband niet alleen gekeken naar de
belangen die op het spel staan, maar buigt zich in het navolgende ook over het politie-
ke krachtenveld waarbinnen het ENB moet worden uitgevoerd.
Dit krachtenveld betreft allereerst de buurlanden zelf. Het gaat om landen die voorheen
behoorden tot de Sovjet-Unie en die niet allemaal een diep gewortelde traditie van soe-
vereiniteit kennen. Waar dit advies zich uitspreekt over het te voeren beleid op middel-
lange en langere termijn is daarom enige voorzichtigheid gepast. Immers, de inzet van
het Europese beleid is om bij te dragen aan de vestiging van stabiele relaties met de
betrokken landen. Tegelijkertijd leert de (recente) geschiedenis dat de (interne) politie-
ke verhoudingen in deze regio niet stabiel zijn. Bij zwak ontwikkelde staatsstructuren,
fluïde grenzen en de aanwezigheid van grote, deels grensoverschrijdende etnische groe-
peringen c.q. minderheden, is het moeilijk voorspellingen te doen over de verdere poli-
tieke ontwikkeling van de regio.
Deze onzekerheid wordt mede veroorzaakt door de zwakke overheidsstructuur. Het gaat
hier ten dele om fragiele staten17. Deze fragiliteit manifesteert zich op verschillende
manieren. In Belarus uit zich dit in een gebrek aan legitimiteit, samenhangend met een
zwak ontwikkeld, dictatoriaal politiek stelsel, waar democratie, respect voor de rechts-
staat en voor mensenrechten door de staat met voeten worden getreden. Elders zien
we een op vele fronten tekortschietend overheidsapparaat, dat noch over de capaciteit
noch over de expertise en kennis beschikt die noodzakelijk zijn om een adequaat
bestuur in overeenstemming met de basisbeginselen van goed bestuur te implemente-
ren. Verder moet geconstateerd worden dat in verschillende ENB-landen (Moldavië,
Georgië, Azerbeidzjan) de centrale overheid in sommige delen van het grondgebied
geen volledig gezag heeft. Genoemde problemen vertalen zich in politieke instabiliteit,
wijdverbreide corruptie, scherpe sociale ongelijkheid en brain drain van vooral jonge
mensen.
15 Europe as a cultural Project, European Cultural Foundation, Amsterdam, 2005, p. 20.
16 De grotere Europese nabuurschap: een nieuw kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke
    buren, Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, COM(2003) 104 definitief,
    Brussel 11.3.2003, Hoofdstuk I.
17 Falende Staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid, Adviesraad Internationale Vraagstukken en Commissie
    van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken AIV/CAVV-advies no. 35, Den Haag, mei 2004. Zie ook de
    regeringsreactie hierop van 11 maart 2005.
                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>De positie van de betrokken landen kan daarbij niet los worden gezien van die van
Rusland. Alhoewel de economische banden met Rusland losser zijn geworden en het als
handelspartner aan belang heeft ingeboet, neemt Rusland nog immer een dominante
positie in binnen de regio. Zowel door zijn militaire presentie in sommige van de ENB-
landen en de afhankelijkheid van Russisch gas en elektriciteit, als door de aanwezigheid
van (grote) Russische minderheden speelt Rusland in vele opzichten een cruciale rol in
deze regio. Dit geldt in het bijzonder voor de directe betrokkenheid bij sommige regiona-
le conflicten, die zonder medewerking van Russische zijde niet tot een oplossing kunnen
worden gebracht. Daarnaast moet gewezen worden op zeer hechte culturele en histori-
sche banden tussen Rusland en sommige landen in de regio (onder andere Oekraïne).
De EU wordt in haar beleid ten aanzien van de ENB-landen met Rusland en de Russi-
sche belangen geconfronteerd. Zoals reeds is opgemerkt, is Russische medewerking
van groot belang voor het oplossen van de territoriale conflicten in sommige van de
ENB-landen (Georgië, Moldavië). Het uitblijven van een adequate regeling van deze
conflicten legt op zijn beurt een zware hypotheek op de toekomst van deze landen en
belemmert hun integratie in de Euro-Atlantische structuren. Daarnaast is het evident
dat Rusland hoe dan ook grote politieke invloed heeft op de ontwikkelingen in deze
regio en deze ook aanwendt indien Russische belangen in het geding zijn. In de bilate-
rale relatie met Rusland staan voor de Unie grote belangen op het spel, waarbij onder
meer te denken valt aan de groeiende energieafhankelijkheid.
Vanuit dit perspectief kan de relatie tussen de Unie en de ENB-landen dan ook gety-
peerd worden als één zijde van een driehoeksverhouding, bestaande uit de ENB-landen,
Rusland en de Unie. Voor de EU betekent deze driehoek dat zij zich in haar beleid ten
aanzien van haar ENB-partners voortdurend rekenschap zal moeten geven van de Rus-
sische opvattingen en belangen, zonder dat dit ten koste mag gaan van haar nieuwe
buurlanden. Bemoedigend daarbij is overigens dat de Russische opstelling niet statisch
is. De beeldspraak van de driehoek vasthoudend, kan geconstateerd worden dat op alle
drie de zijden – inclusief de Russische – sprake is van ontwikkeling en dynamiek. Waar
Rusland aanvankelijk inzette op het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) als
middel om de oude banden vast te houden, vervolgens voor een meer assertieve bila-
terale benadering van zijn nabije buurlanden koos – in alle scherpte naar voren komend
in de Oekraïne-crisis – lijkt het recentelijk de voorkeur te geven aan een meer pragmati-
sche benadering van de buurlanden. Het erkent daarbij het recht van zijn buurlanden
om als soevereine staat toenadering of toetreding tot de EU na te streven, maar stelt
wel als voorwaarde dat met de Russische belangen rekening wordt gehouden. Volgens
de nieuwe door Moskou gebezigde formule mag dit streven niet leiden tot het ontstaan
van een nieuwe muur of scheidslijn tussen Rusland en zijn buren.
Deze meer open opstelling biedt de EU een mogelijkheid om de relatie met Rusland,
zowel wat betreft bilaterale kwesties als wat betreft het beleid ten aanzien van de ENB-
landen, verder te ontwikkelen. Op 1 december 1997 is met Rusland een Partnership
and Cooperation Agreement (PCA18 ondertekend en komt Rusland in aanmerking voor
de omvangrijke EU-hulpprogramma’s. Op de topconferentie tussen de EU en Rusland in
mei 2003 in Sint-Petersburg werd een eerste aanzet gegeven om een strategisch beleid
van ‘vier gemeenschappelijke ruimtes’ formuleren; deze zijn op de EU-Rusland top op
10 mei 2005 in Moskou nader uitgewerkt19. De overeenkomst vormt als het ware de
18 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/pca/>.
19 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/external_relations/russia/summit_05_05/index.htm>.
                                                   14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Europees-Russische zijde van de genoemde driehoek. Met dit initiatief komt de Unie
tegemoet aan de uitdrukkelijke wens van Rusland om op basis van gelijkwaardigheid
een geprivilegieerde relatie met de EU aan te gaan. De vier ruimtes betreffen (i) econo-
mie, (ii) vrijheid, veiligheid en justitie, (iii) externe veiligheid en (iv) onderzoek, onderwijs
en cultuur. Binnen het kader van deze ruimtes kunnen alle vraagstukken van wederzijds
belang aan de orde worden gesteld. Het biedt de Unie een instrument om op evenwich-
tige wijze de relaties binnen de driehoek vorm te geven en recht te doen aan zowel de
Russische belangen als aan die van de ENB-landen. Daarbij dient de Russische wens
om niet met een nieuwe scheidslijn in Europa geconfronteerd te worden, zwaar te
wegen. Tegelijkertijd mag van Rusland worden verwacht dat het de daad bij het woord
voegt, en het proces van democratisering en economische hervorming in de buurlanden
niet in de weg staat: uiteindelijk moet ook Rusland beseffen dat de aanwezigheid van
stabiele en welvarende buurlanden een gemeenschappelijk belang is en dat zo’n ont-
wikkeling ook de relatie tussen Rusland en de EU ten goede zal komen.
Tot slot moet in een analyse van het krachtenveld ook gewezen worden op de bijzondere
positie van de Verenigde Staten. Zoals het recente bezoek van President George W.
Bush aan Georgië20 en uitspraken van minister van Buitenlandse Zaken Condoleeza
Rice21 over Belarus laten zien, voelen de VS zich sterk betrokken bij de ontwikkelingen
in de regio. Steun voor democratische hervormingen en regimes past in het huidige bui-
tenlands beleid van de VS. Maar ook grote economische belangen in de energiesector
en de rol die betrokken landen (kunnen) spelen in de strijd tegen het internationaal
terrorisme bieden een verklaring voor de Amerikaanse opstelling. De VS hebben de
betrokken landen ook het nodige te bieden. Morele en politieke steun van de enige
supermacht is altijd welkom als tegenwicht tegenover het nog immer verdachte Moskou.
NAVO-lidmaatschap, dan wel hechte banden met het bondgenootschap, is een belangrijke
buitenlandspolitieke doelstelling van onder andere Oekraïne en Georgië. De weg daar
naartoe loopt in eerste instantie via Washington. En tot slot is daar het lonkend per-
spectief van financiële en economische steun en Amerikaanse investeringen.
De Amerikaanse rol is ook voor de EU van grote betekenis; niet als concurrent maar als
partner. Vooral in de relatie met Rusland is het daarbij van het grootste belang dat het
optreden van de Unie en de VS – al dan niet in bondgenootschappelijk kader – op
elkaar wordt afgestemd. Op die manier kan het optimale rendement worden behaald
van beider betrokkenheid.
Dit krachtenveld overziend is de conclusie dat de mogelijkheden van de EU om daad-
werkelijk invloed uit te oefenen op de ontwikkelingen in de regio gevormd door de oos-
telijke ENB-landen niet onderschat mogen worden. Vooral de recente veranderingen in
Oekraïne en Georgië hebben een nieuw momentum gecreëerd in een regio waarvoor de
Unie tot voor kort weinig belangstelling toonde. Dit momentum biedt de mogelijkheid
voor een structurele ommekeer ten gunste van democratie en markteconomie in deze
landen. De bijzondere positie en verantwoordelijkheid van de EU berusten daarbij niet
alleen op de verwachtingen die de landen in kwestie koesteren. Voor de Unie zelf staan
ook grote politieke en economische belangen op het spel. De Unie is daarbij niet de
enige actor. Ook de NAVO, OVSE, Raad van Europa, Wereldbank, het IMF, de EBRD
spelen naast Rusland en de VS een belangrijke rol. De EU is echter wel een zeer
20 Op 10 mei 2005. Zie webpagina: <http://www.whitehouse.gov/news/releases/2005/05/20050510-2.html>.
21 Webpagina: <http://www.state.gov/secretary/rm/2005/40991.htm>.
                                                   15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>belangrijke donor en markt voor deze landen en is door haar nabijheid en buitenlands
politieke instrumentarium potentieel een politieke speler van formaat.
Met dit laatste is met zoveel woorden gezegd dat de ontwikkelingen in deze regio vanuit
een breder politiek-strategisch perspectief moeten worden benaderd, teneinde recht te
kunnen doen aan de historische betekenis ervan. Het gaat dus om meer dan ‘business
as usual’. De Unie brengt dit tot uitdrukking in het ENB, dat in hoofdstuk III besproken
wordt. In het navolgende zal nu eerst een korte schets worden gegeven van de situatie
in elk van de zes buurlanden waar dit advies zich op richt.
Landenoverzichten
Vergelijking van enkele kenmerkende getallen
In bijlage III is een overzicht opgenomen met een kaartje en enkele kenmerkende getal-
len per land. Een kleine greep geeft het volgende beeld. Oekraïne heeft bijna 48 miljoen
inwoners en een BBP van 49,5 miljard USD. Ter vergelijking: Belarus, met een derde
van de oppervlakte van Oekraïne, heeft 10 miljoen inwoners en een BBP van 17,5 miljard
USD. De overige landen hebben slechts een ruimtebeslag van een zesde of een twintig-
ste van Oekraïne. Azerbeidzjan heeft 8 miljoen inwoners en een BBP van 7,1 miljard
USD, Georgië 5 miljoen inwoners en een BBP van 3,9 miljard USD, Moldavië telt 4,5
miljoen inwoners en heeft een BBP van slechts 2 miljard USD, terwijl Armenië 3 miljoen
inwoners en een BBP van 2,8 miljard USD heeft.
Oekraïne
Na Rusland is Oekraïne het grootste en rijkste van de oostelijke buurlanden van de EU.
Ruwweg de helft van de bevolking heeft het Oekraïens als voertaal, terwijl de andere
helft voornamelijk Russisch spreekt. De Oekraïense hoofdstad Kiev was duizend jaar
geleden het centrum van een groot Oost-Slavisch rijk, waarin Rusland als staat zijn oor-
sprong vond. Dit feit is nog altijd van grote betekenis voor de Russische perceptie van
de relatie met Oekraïne. Bij de ontbinding van de Sovjet-Unie in 1991 werd het land
zelfstandig, terwijl de Krim in 1992 een zekere culturele en economische autonomie
kreeg, onder oppergezag van Oekraïne. In 1996 werd een democratische grondwet
aangenomen voor een pluralistisch politiek systeem en bescherming van fundamentele
mensenrechten, zoals vrijheid van godsdienst en van meningsuiting. Na de recente ver-
kiezingen in oktober en december 2004 en de vreedzaam verlopen Oranjerevolutie die
erop volgde, is de hervormingsgezinde Viktor Joesjtsjenko president geworden. De live
uitzendingen van de nieuwsdienst van de staatstelevisie over de Oranjerevolutie hebben
hierin een belangrijke rol gespeeld. Er is uitgebreide bemiddeling geweest door zowel
de EU, de lidstaten Polen22 en Litouwen, als van Russische zijde om bloedvergieten te
voorkomen en een politieke oplossing te vinden23. In maart 2006 zullen parlements-
verkiezingen worden gehouden, die algemeen gezien worden als de lakmoesproef voor
de regering die is aangetreden na de Oranjerevolutie.
De huidige Oekraïense president heeft, evenals zijn voorganger, aangegeven het lid-
maatschap van de EU na te streven. De EU heeft op 1 maart 1998 een PCA met Oek-
raïne afgesloten. Een PCA is de basis voor het openstellen van hulpprogramma’s van
22 Zowel Oekraïne als Belarus hebben belangrijke Poolse minderheden omdat voor 1945 een groot deel van
    het grondgebied bij Polen hoorde.
23 International Herald Tribune, January 18, 2005.
                                                    16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>de EU24. In het kader van het ENB heeft de Europese Commissie een landenrapport
gemaakt25, ter voorbereiding van de opstelling van een actieplan (AP)26. Het land voert
nu onderhandelingen om toe te treden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO)27; dit
wordt als prioriteit gezien, om daarna een vrijhandelszone met de EU na te streven. Een
moeilijkheid hierbij is echter dat bepaalde sleutelsectoren van de economie, zoals de
zware industrie in het Donbekken en de energiesector, onvoldoende geliberaliseerd zijn.
Daarnaast wil de regering de modernisering van het staatsapparaat aanpakken en de
op grote schaal voorkomende corruptie bestrijden. Bij dit laatste vormt de omvang van
de schaduweconomie een ernstig obstakel28. Het op orde brengen van de kadastrale
registratie voor de landbouw is dan ook een van de prioriteiten. Verder wordt veel ver-
wacht van de voltooiing van de nieuwe oliepijplijn. Slaagt Oekraïne in het doorzetten
van de hervormingen, dan zou zij – gezien haar ontwikkelingspeil, aantal inwoners en
geografische omvang – op termijn gemakkelijk de grootste ontvanger van EU-steun
kunnen worden.
Nederland heeft met Oekraïne bilateraal een gezamenlijk actieprogramma voor
2004-2006 afgesproken, dat een politieke dialoog en economische samenwerking
behelst. Het plan omvat een groot aantal terreinen zoals landbouw, transport, energie,
milieu-bescherming, bankwezen, douane, belastingdienst, bestrijding van terrorisme,
sociale vraagstukken, gezondheidszorg, justitie, defensie, wetenschap en techniek,
onderwijs, media en cultuur29.
Belarus
Belarus verwierf evenals andere ex-Sovjetstaten in 1991 de status van onafhankelijk
land. Het wordt dictatoriaal bestuurd. De zittende president, Loekasjenko, werd in
1994 voor vijf jaar gekozen en is in 1999 herkozen. In 2004 heeft hij bij referendum de
mogelijkheid gecreëerd om meer dan twee ambtstermijnen aan de macht te blijven30.
Presidentsverkiezingen volgen in 2006 of, indien vervroegd, ergens in 2005. Buiten-
landse steun aan civil society organisaties is aan sterke beperkingen onderhevig en
recente ontwikkelingen wijzen in de richting van een toenemende repressie op tal van
terreinen: een nieuwe wet die het verenigingen verbiedt geld uit het buitenland aan te
nemen (sinds 1 februari 2005); een wetsvoorstel voor hervorming van de media dat
24 Zie daarover meer in het volgende hoofdstuk.
25 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/pdf/country/Ukraine_11_May_EN.pdf>.
26 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/pdf/action_plans/Proposed_Action_Plan_EU-Ukraine.pdf>.
27 De door de vorige regering voorgenomen economische ruimte (Single Economic Space) tussen Rusland,
   Belarus, Oekraïne en Kazachstan is nooit tot uitvoering gebracht en wordt niet langer als prioriteit gezien.
28 Economist Intelligente Unit, Country Briefing Ukraine: schatting op basis van elektriciteitsconsumptie. Ook
   de Stefan Batory Foundation, een denktank in Warschau verwacht dat volledige integratie op zijn best een
   proces van zeer lange adem zal zijn (Will the Orange Revolution bear fruit?, Stefan Batory Foundation,
   Warsaw, May 2005).
29 Gezamenlijk Actieprogramma voor 2004-2006 tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en
   het Kabinet van Ministers van Oekraïne, 19 april 2004.
30 Misdaad zonder grenzen, Criminaliteitsbeeldanalyse Oost-Europa 2002-2003, Politie, september 2004,
   p. 75.
                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>buitenlandse steun verbiedt en de facto de censuur herstelt; een nieuwe wet op binnen-
landse ordetroepen die verscherpte inzet bij demonstraties mogelijk maakt; inperking
van buitenlandse reizen van studenten en het bevriezen van een onderwijshervorming die
het onderwijssysteem beter zou doen aansluiten op de Westerse onderwijssystematiek.
Verder breidt de president de geheime dienst uit. In januari 2005 werd Belarus door de
minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, Rice, genoemd als een outpost
of tyranny31. Eerder in dit hoofdstuk is het getypeerd als fragiele staat met een gebrek
aan legitimiteit, samenhangend met een zwak ontwikkeld, dictatoriaal politiek stelsel,
waar democratie, respect voor de rechtsstaat en voor mensenrechten door de staat met
voeten worden getreden32. Het land zoekt al jaren toenadering tot Rusland, maar plannen
voor samenvoeging van de munt en andere vormen van samenwerking (zoals de intentie
uit 2003 om met Rusland, Oekraïne en Kazachstan tot één economische ruimte te
komen) zijn op niets uitgelopen. Rusland en Oekraïne bereiden zich nu voor op lidmaat-
schap van de WTO. Belarus heeft opnieuw prijscontroles ingevoerd, een vaste wisselkoers
en staatsinvloed in het management van bedrijven. Bovendien worden bedrijfsleiders
geconfronteerd met een veelheid van beperkende regelgeving die soms zelfs met terug-
werkende kracht wordt ingevoerd. Ongeveer 80% van de industrie is in staatshanden.
De EU heeft met Belarus op 1 maart 1995 een PCA getekend, maar het is niet van
kracht; ook het interim-PCA is niet van kracht. Desondanks verleent het TACIS-program-
ma van de EU in beperkte mate steun aan door de overheid goedgekeurde niet-gouver-
nementele organisaties (NGO’s) ten behoeve van democratische instellingen, onder
andere aan mensenrechtenorganisaties.
Moldavië
Ook Moldavië verwierf onafhankelijkheid in 1991. Het was in 2001 de eerste ex-Sovjet
staat die een leider van de communistische partij, Vladimir Voronín, tot president koos.
Door de grondwetswijziging in 2000 is de macht van de president ingeperkt en Moldavië
heeft een parlementaire democratie. Was de partij van Voronín in 2000 aan de macht
gekomen met een pro-Russisch programma, in maart 2005 heeft deze partij de verkie-
zingen gewonnen met een pro-EU politiek33. Deze ommezwaai34 is mede ingegeven
door de teleurstelling over de Russische opstelling in het conflict rond Transdnjestrië,
die gezien wordt als een poging van Moskou om het land verdeeld en zwak te houden.
Transdnjestrië heeft zich in 1992 onafhankelijk verklaard van Moldavië, maar is als
zodanig door geen enkel land erkend. Het ligt op de grens tussen Moldavië en Oekraïne,
aan de oostkant van de rivier de Dnjestr. Er is een vredesmacht gelegerd met soldaten
uit Rusland, Moldavië en Transdnjestrië. Het onopgeloste conflict verhindert niet alleen
de integratie met Europa, maar vormt ook een belemmering voor het economische
31 Samen met Cuba, Birma, Noord-Korea, Iran en Zimbabwe. Bron: Opening Remarks by Secretary of
    State-Designate Dr. Condoleeza Rice, Senate Foreign Relations Committee, 18 January 2005, webpagina
    <http://www.state.gov/secretary/rm/2005/40991.htm>.
32 Onder meer de half miljoen tellende Poolse minderheid in Belarus wordt verdacht van pro-democratische
    activiteiten en met repressie geconfronteerd, zie: The Economist, June 18th, 2005, p. 26.
33 Deze verkiezingen zijn democratisch verlopen, al is er kritiek mogelijk op het verloop van de verkiezingscam-
    pagne, waar de oppositie nauwelijks aandacht in de media konden krijgen. De communisten hebben in het
    parlement nu 71 van de 101 stemmen.
34 Sinds januari 2003.
                                                        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>herstel van Moldavië omdat een groot deel van de industriële productiecapaciteit (met
name staal en textiel) zich in het omstreden gebied bevindt. Een bijkomend probleem is
de illegale (wapen)handel via onder meer de Oekraïense uitvoerhaven Odessa, aan de
Zwarte Zee. De bevolking in dit deelgebied is voor een groot deel van Russische en
Oekraïense herkomst. Daarnaast is er in het zuiden van Moldavië een gebied waar de
etnisch-Turkse Gagaoezen wonen en die een zekere mate van autonomie genieten
onder het centrale gezag van Moldavië35.
Moldavië grenst aan Roemenië, waar een provincie met de naam Moldavië ligt. Voor en
tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorde het grootste deel van het grondgebied van
het huidige Moldavië bij Roemenië36. Een groot aantal etnisch Roemenen heeft sinds
de onafhankelijkheid van Moldavië Roemeense paspoorten verkregen.
Op 1 juli 1998 hebben Moldavië en de EU een PCA gesloten. Evenals voor Oekraïne
heeft de Europese Commissie voor Moldavië een landenrapport37 gemaakt, dat een rol
gaat vervullen in het bijhouden van de voortgang in de uitvoering van het actieplan38,
dat gemaakt wordt in het kader van de uitvoering van het ENB. Reeds in juli 2001 is
Moldavië lid geworden van de WTO. Na de eerste golf van privatiseringen zijn veel over-
heidsbedrijven in handen gekomen van oligarchen; verdere privatiseringen stagneren39.
De Europese Commissie is voornemens in de tweede helft van 2005 een vertegenwoor-
diging in de hoofdstad Chisinau te openen. Men schat dat een tiende tot een vijfde van
de Moldovaren werkzaam is in het buitenland, vooral in de latijnstalige landen van de
EU, maar ook in Rusland. De geldbedragen die zij uit de EU naar huis zenden, de zoge-
noemde remittances, zijn aanzienlijk: in 2003 stuurden zij alleen al via de geldexpres-
maatschappij Western Union 200 miljoen USD naar Moldavië40.
Georgië
Onder de twaalf Sovjet-republieken die na de afscheiding van de Baltische staten in het
GOS overbleven, neemt Georgië een aparte plaats in. Niet-communistische partijen
verwierven al in 1990 bij verkiezingen een meerderheid. De nieuwe president, Gamsa-
choerdia, voerde een sterk nationaal-Georgische politiek, hetgeen tot grote problemen
met belangrijke minderheden leidde. Zuid-Ossetië en Abchazië, die beide aan Rusland
grenzen, scheidden zich de facto af. De Abchazen, die in hun eigen gebied een minder-
heid vormen, bevochten met steun van Noord-Kaukasische groepen onder Russische
regie in een gewelddadig conflict hun onafhankelijkheid en verdreven een groot deel van
de Georgiërs uit het gebied.
35 Misdaad zonder grenzen, Criminaliteitsbeeldanalyse Oost-Europa 2002-2003, Politie, september 2004,
    p. 86.
36 In een referendum in 1994 heeft 94% van de bevolking van (het huidige) Moldavië zich uitgesproken tegen
    hereniging met Roemenië en voor een onafhankelijke status. Bron: Factsheet Atlantische Commissie,
    webpagina: <http://www.atlcom.nl/fsgos.htm>.
37 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/pdf/country/Moldova_11_May_EN.pdf>.
38 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/pdf/action_plans/Proposed_Action_Plan_EU-Moldova.pdf>.
39 Staat van de Europese Unie 2005, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 21 september 2004,
    p. 56.
40 The Economist, February 13th, 2003.
                                                    19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>In een toestand van toenemende politieke chaos werd Gamsachoerdia ten val gebracht
en deed men een beroep op Sjevardnadze, de voormalige minister van Buitenlandse
Zaken van de USSR. Als nieuwe president slaagde Sjevardnadze er wel in een zekere
mate van orde en rust te herstellen, maar het land bleef in een diepe economische
malaise gedompeld. Ook was Sjevardnadze niet bij machte de conflicten met Abchazië
en Zuid-Ossetië op te lossen. In Adzjarië, waar een aanzienlijke minderheid van islamiti-
sche Georgiërs woont, was Sjevardnadze gedwongen te berusten in praktisch volledige
autonomie van de locale leiders.
Aanvankelijk bestond er in Georgië weinig animo om aan het GOS deel te nemen, maar
in 1993 boog men voor de geopolitieke realiteit. In 1995 werd een nieuwe grondwet
aangenomen die het parlement een sterkere positie gaf dan de parlementen in de ove-
rige GOS-landen, die in het algemeen gekenmerkt worden door extreem presidentiële
stelsels. Met hulp van het IMF en de Wereldbank heeft na de onafhankelijkheid aanvan-
kelijk een bescheiden economische groei ingezet, die echter niet kon worden vastge-
houden. Met de EU werd op 1 juli 1999 een PCA getekend, waarna de banden met de
EU versterkt zijn. In juni 2000 is het land lid geworden van de WTO.
Na de Rozenrevolutie en de daaropvolgende verkiezingen van eind 2004 werd Micheil
Saakasjvili tot president gekozen. Hij heeft van corruptiebestrijding en hervorming van
het justitiële apparaat zijn eerste prioriteit gemaakt. Zo is de verkeerspolitie ontslagen
om een einde te maken aan de praktijk van willekeurige bekeuringen. Dit is vergezeld
gegaan van een publiekscampagne en het betalen van hogere salarissen aan de nieuw
aangestelde politiebeambten. Een van de problemen in Georgië is het gebrek aan
belastinginning; dit lijkt zich langzaam te verbeteren. Verbetering van het ondernemers-
klimaat is daarnaast een belangrijke speerpunt van het nieuwe beleid. Sinds kort ver-
toont de economie weer een stijgende lijn. Voor de nabije toekomst is de hoop gevestigd
op inkomsten uit doorvoerhandel en uit activiteiten samenhangend met de nieuwe olie-
pijpleiding die op 25 mei 2005 in gebruik is genomen (zie ook onder Azerbeidzjan). Tot
nu toe was Georgië afhankelijk van olie- en gaslevering door Rusland. De Russische elek-
triciteitsmaatschappij UES heeft een paar jaar geleden al het belangrijkste Georgische
distributienetwerk aangekocht41.
In mei 2004 heeft de crisis rond de afgescheiden regio Adzjarië geleid tot het vertrek
van de plaatselijke leider, tot inperking van de smokkel en is het gebied weer onder
centraal Georgisch gezag gekomen. De hoop is op eenzelfde ontwikkeling in de andere
afgescheiden gebieden42. Met betrekking tot Abchazië en Zuid-Ossetië is echter nauwe-
lijks vooruitgang geboekt. In het noorden grenst het land aan Rusland, onder meer aan
het conflictgebied Tsjetsjenië43. Georgië zou graag zien dat Moskou de vredesmachten
in Abchazië (bij Soechoemi) en die in Zuid-Ossetië zou overdragen aan de VN of de
41 The Economist, November 27th, 2003.
42 Bij deze gelegenheid hebben de Russen hun manschappen op de militaire basis in Adzjarië, bij Batoemi,
    uitgebreid. Rusland heeft conform de afspraken die in 1999 op de OVSE-top in Istanbul gemaakt werden
    twee van de vier militaire bases gesloten en het wapenarsenaal teruggebracht. Overleg over de sluiting van
    de overgebleven twee bases bij Batoemi is mislukt en Rusland stelt nu dat het deze bases open wil houden
    als antiterrreurcentra in de strijd tegen terrorisme in de regio. Bron: NRC Handelsblad, 15 februari 2005.
43 Zie hierover onder meer: Misdaad zonder grenzen, Criminaliteitsbeeldanalyse Oost-Europa 2002-2003,
    Politie, september 2004, p. 73 en p. 92.
                                                          20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>OVSE. Intussen zijn door de Amerikanen 3000 Georgische militairen opgeleid, echter
met het uitdrukkelijke consigne dat deze niet in de afgescheiden gebieden ingezet
mogen worden. De VS hebben zich zeer actief en geïnteresseerd betoond bij de ontwik-
kelingen in Georgië, dat een cruciale plaats inneemt als doorvoerland voor olie en gas
uit de regio rond de Kaspische Zee in de richting van de nieuwe Turkse haven Ceyhan.
Armenië
Anders dan Georgië, dat tot het begin van de 19e eeuw een min of meer onafhankelijke
staat was, heeft Armenië al in de middeleeuwen zijn staatkundige zelfstandigheid verlo-
ren en is tot 1917 beurtelings door het Osmaanse Rijk en Iran overheerst. Met de
beide andere Kaukasische republieken kende het na 1917 een korte periode van zelf-
standigheid, maar in 1921 werd het gedwongen opgenomen in de nieuwe Sovjetstaat.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de talrijke Armeense bevolking van het Osmaanse
rijk het slachtoffer van een volkerenmoord, een feit dat tot op heden door Turkije niet
wordt erkend en daarmee een ernstige hinderpaal vormt voor een verbetering van de
betrekkingen tussen beide landen.
Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd Armenië in 1991 onafhankelijk. Het is
binnen het GOS steeds een trouwe bondgenoot van Rusland geweest. Rusland heeft
ook militaire bases op Armeens grondgebied.
De binnen- en buitenlandse politiek van Armenië is sinds de onafhankelijkheid vooral
bepaald door de kwestie Nagorno-Karabach. Het hoofdzakelijk door (christelijke) Armenen
bevolkte gebied vormt een enclave in Azerbeidzjan en was in de Sovjettijd een autonome
provincie van Azerbeidzjan44. Al tijdens de eindfase van de Sovjet-Unie, in 1988, braken
hier gevechten uit tussen Armenen en Azeri’s. Het resultaat hiervan is dat sinds het
staakt het vuren in 1994 de Armenen niet alleen Nagorno-Karabach beheersen, maar
ook de corridor die het gebied van het eigenlijke Armenië scheidt45. De voormalige pre-
sident van Nagorno-Karabach, Robert Kotsjarian, won in 1998 de Armeense presidents-
verkiezingen en werd in 2003 herkozen. Op de eerlijkheid van de diverse Armeense
verkiezingen is veel kritiek geweest46. Ook kan de situatie aangaande de vrijheid van
de pers en de vrijheid van meningsuiting niet ideaal genoemd worden.
De relaties van Armenië met de twee andere buurlanden, Georgië en Iran, zijn bevredi-
gend. De economie van zowel Armenië als Azerbeidzjan heeft echter veel te lijden van
het onopgeloste conflict tussen de beide landen. Turkije heeft uit protest zijn grens met
Armenië gesloten, hetgeen Armenië economisch isoleert. Het land is met hulp van het
IMF in 1994 begonnen met liberalisering van de economie, wat de basis heeft gelegd
voor de hoge groeicijfers van de afgelopen tien jaar. Deze groei is opmerkelijk, omdat
de economische basis vooral gelegen is in kleinschalige, weinig gemoderniseerde land-
bouw. Met de EU is op 1 juli 1999 een PCA overeengekomen. In februari 2003 is
Armenië lid geworden van de WTO. De sociale structuur is sterk gepolariseerd en wordt
gekenmerkt door grote inkomensverschillen. Rusland heeft Armenië een deel van de
44 Deze situatie was temeer onbevredigend voor Armenië omdat het gebied Nachitsjevan (ingeklemd tussen
    Turkije en Armenië en bevolkt door Azeri’s) als autonome republiek een Azerbeidzjaanse exclave vormde.
45 In totaal gaat het om 20% van het Azerische grondgebied.
46 Misdaad zonder grenzen, Criminaliteitsbeeldanalyse Oost-Europa 2002-2003, Politie, september 2004,
    p. 89.
                                                        21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>buitenlandse schuld kwijtgescholden in ruil voor een meerderheidsbelang in de energie-
sector (elektriciteit en gas) en aandelen in de wapenindustrie. Armenië is per hoofd van
de bevolking een van de grootste netto-ontvangers van buitenlandse hulp.
Azerbeidzjan
De bevolking van Azerbeidzjan is islamitisch en van etnisch Turkse verwantschap. Na
de onafhankelijkheid is de politieke ontwikkeling in het land parallel verlopen aan die in
de vergelijkbare Centraal-Aziatische staten: de oude communistische machthebbers (de
partijsecretarissen) lieten zich tot president verkiezen en versterkten hun macht die nu
niet langer door Moskou werd gecontroleerd. Het onvermijdelijke democratische ritueel
van verkiezingen en oppositiepartijen bleek hierbij geen ernstig obstakel te zijn. Zo kon
het voormalige lid van het Politbureau Geidar Alijev de teugels tot zijn dood in handen
houden, ondanks pogingen tot een staatsgreep in 1994 en 1995. Zijn zoon Ilham volgde
hem in 2003 als president op.
De wijdverspreide schendingen van de mensenrechten ten spijt, werd Azerbeidzjan in
2001, ondanks zeer frauduleuze parlementsverkiezingen47, samen met Armenië toegela-
ten als lid van de Raad van Europa. Dit heeft het wel mogelijk gemaakt de autoriteiten
op het punt van mensenrechten af en toe tot de orde te roepen. Met de EU bestond al
een PCA sinds 1 juli 1999; het land is geen lid van de WTO.
Azerbeidzjan bezit niet alleen zelf aanzienlijke olie- en gasreserves, maar het beschikt
ook over een strategische positie als doorvoerland voor olie en gas uit de velden van
de Kaspische Zee en het onderhoudt van oudsher goede banden met Iran. Het land is
pas recentelijk begonnen met economische hervormingen en die vorderen slechts lang-
zaam. Een probleem is de wijdverbreide corruptie en het vinden van investeerders om
de economische basis te verbreden. Nu hangt de economie geheel af van de prijs van
de Kaspische olie en van de pijpleiding die door Rusland loopt. Men heeft een nieuwe
oliepijpleiding aangelegd van Baku via Tbilisi (in Georgië) naar Ceyhan in Turkije. Deze
BTC-pijplijn is op 25 mei 2005 in gebruik genomen48. Ook wordt er een nieuwe Trans-
Kaspische gaspijpleiding (TCGP) aangelegd naar Erzurum in Turkije, om de verkoop aan
de EU te vergemakkelijken. Beide leidingen omzeilen zowel Rusland, Iran als Armenië.
47 Op cit. p. 91.
48 Nederland heeft bijgedragen aan de milieueffectrapportage over de aanleg van deze pijplijn en aan de opzet
    van een uitgebreid stelsel van monitoren waarbij behalve de grootste investeerder (British Petroleum), ook
    de drie betrokken nationale overheden en lokale NGO’s betrokken zijn. Zie: Kamerbrief DMW-253/05,
    12 april 2005.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>III      Transformatie naar een democratische
         rechtsstaat en een markteconomie
In dit hoofdstuk staat de samenhang tussen de transformatie naar een democratische
rechtsstaat en een markteconomie voorop. Daarna wordt ingegaan op de praktijk van
het ENB, het gehanteerde model en hoe het beleid vertaald wordt naar concrete actie-
punten. Het verbeteren van openbaar bestuur en van het ondernemersklimaat en de
uitdagingen die zich op dat terrein voordoen nemen daar een belangrijke plaats in. Ook
wordt het bijbehorende instrument van het ENB (het ENBI) besproken. De bilaterale
instrumenten die Nederland inzet in de nieuwe oostelijke buurlanden van de EU worden
daarna behandeld, gevolgd door een korte bespreking van wat andere donoren doen.
Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over de grensproblematiek, omdat
daar in de nabije toekomst een aantal knelpunten verwacht mag worden.
Wat betreft de transformatie naar een democratische rechtsstaat staan zaken op de
agenda als vrije en eerlijke verkiezingen, een onafhankelijke rechterlijke macht, effectie-
ve waarborging van burgerrechten (in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting, van
vereniging en vergadering), onafhankelijke media en de opbouw van een betrouwbaar en
effectief bestuursapparaat49. Gaat men na wat er nodig is om van overheidswege de
transformatie naar een markteconomie te stimuleren, dan zijn het ontwikkelen van de
financiële sector en het scheppen van een goed ondernemingsklimaat belangrijk. Deze
zaken blijken in grote mate parallel te lopen met de bovenomschreven verbeteringen
van het openbare bestuur. De onderlinge verbondenheid komt duidelijk naar voren wan-
neer men denkt aan onderwerpen als de bestrijding van corruptie en georganiseerde
misdaad, het versterken van de betrouwbaarheid en effectiviteit van de rechterlijke
macht, toezicht op het bankwezen, transparantie en integriteit van het overheidsappa-
raat, regelgeving en bestuurspraktijken die succesvol particulier ondernemen mogelijk
maken en bevorderen. Bovendien zal een en ander gedragen moeten worden door her-
vormingen in het onderwijs, verdere opbouw van de civil society en door ontplooiing van
een veelvormig cultureel leven.
De uitgangssituatie in de zes landen waar dit advies over gaat, is niet gemakkelijk. Het
verlies aan welvaart in de jaren negentig in de oostelijke buurlanden, na het uiteenval-
len van de Sovjet-Unie, lijkt nog niet te zijn gecompenseerd. Een meer precieze uit-
spraak hierover kan niet worden gedaan, omdat de statistieken als gevolg van de funda-
mentele economische systeemverandering zo’n vergelijking niet mogelijk maken. Het
welvaartsverlies ligt mogelijk hoger dan de statistieken te zien geven; de overgang naar
een markteconomie verloopt nergens zonder aanpassingsproblemen. In de hele regio
treedt een bevolkingsafname op. Drankmisbruik resulteert in een daling van de gemid-
delde levensduur, in het bijzonder bij mannen. Tevens daalt het geboortecijfer. De bevol-
kingsafname wordt versterkt doordat veel jonge mensen wegtrekken op zoek naar werk
elders, in de EU, maar ook in Rusland. Zo verlaat ook veel kennis het gebied.
In geen van de landen in kwestie is de politieke stabiliteit stevig gevestigd, ook al ziet
het er aan de buitenkant rustig uit. Rusland heeft in de hele regio langs verschillende
49 Europe. A Beautiful Idea? Nexus Institute, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, februari 2005,
   p. 31.
                                                      23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>lijnen een aanmerkelijke invloed. Belangrijke transportverbindingen (trein- en wegverbin-
dingen en olie- en gaspijpleidingen) lopen veelal door Rusland. Rusland gebruikt bij gele-
genheid de olie- en gasvoorziening om politieke druk uit te oefenen op zijn buurlanden.
Behalve de EU zijn ook andere actoren actief in de zes buurlanden. Oekraïne ontvangt
circa 1 miljard USD per jaar aan leningen van de Wereldbank en het IMF samen,
Armenië en Georgië ieder ongeveer 40 miljoen USD per 2 à 3 jaar. Daarnaast zijn ver-
schillende bilaterale donoren actief. Vooral Duitsland en het Verenigd Koninkrijk trekken
er veel geld voor uit. Nederland is met het Matra- en het PSOM-programma vooral aan-
wezig in Oekraïne. Tevens ontvangen de landen macrosteun. In het bestuur van de
Wereldbank en het IMF vertegenwoordigt Nederland onder andere Armenië, Georgië,
Moldavië en Oekraïne. Dit zijn de zogenoemde kiesgroeplanden. De eerste drie van deze
landen zijn zo arm dat ze in aanmerking komen voor ontwikkelingshulp. Nederland geeft
hun in dat kader ondersteuning op het gebied van goed bestuur en mensenrechten. Aan
overname van deze ondersteuning door het Matra-programma wordt gewerkt. Deze drie
landen ontvangen ook macrosteun in het kader van het PRSP-proces dat ze met de
Wereldbank en het IMF doorlopen50.
Al deze inspanningen zijn erop gericht het proces van transformatie te stimuleren en te
begeleiden. Het gaat hier echter om een zeer omvangrijk proces dat op velerlei terrein
aanpassingen vraagt, waarbij de noodzaak tot opbouw of versterking van bestaande
instituties cruciaal is. De ervaringen met de pas toegetreden Midden-Europese landen
hebben aangetoond dat een dergelijke transformatie decennia in beslag kan nemen.
Het Europees nabuurschapsbeleid (ENB)
Het ENB voorziet een geleidelijke vervlechting van die landen met de EU zonder dat toe-
treding wordt nagestreefd of in het vooruitzicht wordt gesteld. Wat de EU voor ogen
staat is de buurlanden op te nemen in een economische ruimte die uiteindelijk verge-
lijkbaar is aan de Europese Economische Ruimte (EER)51, waarin behalve de lidstaten
ook Noorwegen, Liechtenstein en IJsland participeren. Deze landen hebben met de EU
volledig vrij verkeer van goederen, kapitaal, diensten en personen: zij nemen deel aan
de interne markt, maar hebben geen stemrecht bij het aanvaarden of afwijzen van nieu-
we EU-wetgeving inzake de interne markt, terwijl ze die wetgeving wel volledig moeten
overnemen.
Het gehele pakket aan beleidsterreinen dat het ENB bestrijkt staat voor àlle buurlanden
open. Geen enkel land kan zich derhalve bevoordeeld of benadeeld voelen in vergelij-
king met andere ENB-landen. Als juridisch kader voor het ENB dienen de in het verleden
met de EU gesloten PCA’s. Deze overeenkomsten hebben een looptijd van tien jaar en
zijn in 2008 (Oekraïne en Moldavië) of 2009 (Georgië, Armenië, Azerbeidzjan) aan
vernieuwing toe. Alleen met Belarus is geen PCA van kracht (zie hoofdstuk II).
Het ENB heeft tot doel om stabiele en evenwichtige betrekkingen met de buurlanden tot
stand te brengen, die bevorderen dat deze landen zich ontwikkelen tot welvarende,
democratische rechtsstaten met een markteconomie. Het beleid beslaat het hele
terrein van de vier vrijheden. De vertaling van het ENB naar de praktijk kan dus gaan
om alle maatregelen die vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal
50 Kamerbrief DZO-128/04, 18 mei 2004.
51 Europese economische ruimte, deze overeenkomst trad in werking op 1 januari 1994.
                                                 24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>bevorderen of, kort gezegd, die deelname aan de interne markt stimuleren. Behalve
over economische aspecten gaat het ook over zaken die de transformatie naar een
democratische rechtsstaat stimuleren. Deze breedte is tegelijk de kracht van het
beleid, omdat het recht doet aan de sterke verwevenheid tussen de transformatie-
processen op de verschillende beleidsterreinen. Wel moeten er natuurlijk heldere priori-
teiten worden gesteld, liefst zodanig dat die aansluiten bij de beleidsprioriteiten van het
land in kwestie, zodat de coördinatie van de verschillende hulpgelden op lokaal niveau
in de praktijk gestalte kan krijgen. Dit is een niet te onderschatten aandachtspunt.
Belangrijk is dus dat elk land zelf kiest op welke terreinen het hulp van de EU wil benut-
ten en waar het prioriteiten wil leggen. Dit vergroot het gevoel van ownership en draagt
bij aan de effectiviteit van het ENB. Voor deze landspecifieke benadering is alle reden,
gezien de enorme verschillen tussen de buurlanden onderling. Elk land onderhandelt
rechtstreeks met de EU en het resultaat wordt vastgelegd in een – van tijd tot tijd bij te
stellen – actieplan (AP). Dat van Oekraïne en Moldavië behoorden tot de eerste groep
actieplannen die aan de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van de Europe-
se Unie (RAZEB) zijn voorgelegd, in december 200452. Zowel dat van Oekraïne als dat
van Moldavië is door de RAZEB geaccepteerd53 en in het voorjaar van 2005 door de
samenwerkingsraden van de EU en de betrokken landen goedgekeurd. Na de verkiezin-
gen in Oekraïne zijn door de RAZEB conclusies aangenomen die een versnelde uitvoe-
ring van een aantal prioritaire elementen van het AP beogen54 om tegemoet te kunnen
komen aan de wensen van de nieuwe regering die in februari 2005 werd geïnstalleerd.
Oekraïne heeft intussen concrete plannen opgesteld voor een snelle implementatie van
het AP.
Nieuw is de systematiek dat het ENB gebaseerd is op de uitgangspunten van results
based management, die bij de meeste donoren intussen opgeld doet. Het betekent dat
beslissingen over vervolgfinancieringen steeds genomen worden op basis van geboekte
resultaten. In dit kader heeft de Europese Commissie van elk land een evaluatie
gemaakt (het landenrapport); deze is nodig om straks de voortgang te kunnen aangeven
en vormt tegelijkertijd de basis voor het opstellen van de actieplannen. De prioriteiten
en het tempo worden bepaald door de betrokken landen zelf. In de toekomst zullen door
de Commissie ook regelmatig voortgangsrapportages worden gemaakt, mede op basis
van rapportages van de regeringen van het partnerland en van de Speciale Vertegenwoor-
diger van de EU ter plaatse. Op deze manier krijgt de sturing op geboekte resultaten haar
beslag. Bij de toetredingslanden werd deze systematiek nog niet gehanteerd55.
In de AP’s gaat het met betrekking tot vrij verkeer van goederen om lidmaatschap van de
WTO, om handelspreferenties uitmondend in vrijhandelsakkoorden, om liberalisatie van
de economie, om openheid van markten en om het verbeteren van grensoverschrijdende
52 Zie webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/document_en.htm> voor alle relevante documenten
    van het ENB, waaronder de actieplannen van Oekraïne en Moldavië.
53 Conclusies van het voorzitterschap, Raad van de Europese Unie, (OR.en) 16238/04, 17.12.2004,
    webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/document_en.htm>.
54 Dit is het zogeheten 10 puntenplan. Conclusies RAZEB 5799/05, 28.1.2005.
55 Ook in het Nederlandse bilaterale beleid inzake de toetredingslanden was het beleid nog niet resultaat-
    gericht geformuleerd. Zie: Een uitgebreid Europabeleid, IOB-evaluatie nr. 299, Den Haag 2005.
                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>verbindingen. Ervaring heeft geleerd dat het bevorderen van de onderlinge handel een
goede eerste stap is om economische groei in gang te zetten. Dit is de reden dat de
EU toetreding tot de WTO als een eerste vereiste ziet56. Hoewel het WTO-lidmaatschap
als goede eerste stap gezien wordt, is het vrijmaken van handel alléén een onvoldoen-
de voorwaarde voor economische groei. Dit hangt samen met het feit dat de EU kwali-
teitseisen stelt, zoals voorschriften ter bescherming van de gezondheid van de
consument of milieuvoorschriften. Deze eisen vergen het bestaan van een goed geor-
ganiseerde douane en betrouwbare instituties die kwaliteitscontroles kunnen uitvoeren
gedurende de productiecyclus, de opslag en de gehele transportketen57. Daarin moet
dus aanvullend worden geïnvesteerd.
Naast lidmaatschap van de WTO is het belangrijk om in het kader van de transformatie
naar een markteconomie ook de financiële sector te ontwikkelen, het ondernemingskli-
maat te verbeteren, corruptie te bestrijden en om onafhankelijke instanties voor toezicht
op mededinging en op kwaliteitscontrole te stimuleren. Ook moet het belastingsysteem
worden gemoderniseerd en transparant worden. Met betrekking tot vrij verkeer van perso-
nen gaat het om zaken als visafacilitatie en grensbewaking, maar daarnaast moet ook
het nodige gebeuren op het terrein van justitie en binnenlandse zaken. De effectiviteit
van overheidsinstellingen moet verbeterd worden om met succes de strijd aan te kunnen
gaan met problemen als migratiedruk, mensenhandel en terrorisme. Voor vrij verkeer van
diensten gaat het voor een groot deel om dezelfde zaken als bij vrij verkeer van goede-
ren. Maar naast deze economische aspecten zijn op het terrein van politieke transfor-
matie, vrije verkiezingen, ondersteuning van politieke partijvorming, decentralisatie van
bestuur, mensenrechten, vrije media, versterking van maatschappelijke organisaties en
conflictbemiddeling van belang. Ook moet op het terrein van milieu, onderzoek en inno-
vatie veel worden verbeterd. Dit betreft niet alleen materiële zaken, maar bijvoorbeeld
ook uitwisselingen op het culturele, educatieve en sociale vlak58.
In de AP’s voor Oekraïne en Moldavië, die in februari 2005 zijn ondertekend, opent het
ENB nieuwe mogelijkheden voor het versnellen en intensiveren van politieke samenwer-
king. Voor de Trans-Kaukasische staten zijn de AP’s nog in een voorbereidend stadium.
Concreet worden de richtlijnen van het ENB in de AP’s van Oekraïne en Moldavië ver-
taald in het versterken van stabiliteit en effectiviteit van instituties die democratie en
respect voor wetgeving garanderen, evenals het naleven van het democratische verloop
van de presidentiële en parlementaire verkiezingen volgens de richtlijnen van de OVSE,
het garanderen van respect voor vrijheid van de media en vrijheid van meningsuiting,
het samenwerken op het gebied van veiligheid in de grensgebieden en het zoeken naar
een vreedzame oplossing voor Transdnjestrië, het verbeteren van het investeringsklimaat
door structurele hervorming, door corruptie tegen te gaan en zakelijke transparantie te
56 In de WTO kunnen de landen profiteren van de lage douanetarieven die de lidstaten op elkaar toepassen en
   die niet eenzijdig verhoogd mogen worden. Een volgende stap vormt het aangaan van vrijhandelsakkoorden
   waardoor voor het grootste deel van de onderlinge handel de barrières geheel geslecht worden. De WTO-
   regels eisen dat substantially all the trade onder de gunstige regelingen valt; de EU verstaat hieronder 95%
   van alle handel, inclusief landbouwproducten.
57 Bij deelname aan de EER (interne markt) wegen deze eisen nog zwaarder dan bij het WTO-lidmaatschap;
   deelnemende landen moeten dan hetzelfde niveau van regelgeving hebben als Noorwegen of IJsland.
58 Zie ook: Staat van de Europese Unie 2004-2005, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 2004,
   p. 47.
                                                       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>bevorderen, en het aanpassen van de wet- en regelgeving aan die van de EU en het
vergroten van de ambtelijke en juridische capaciteit.
Naast deze meer algemene invulling staat er specifiek voor Oekraïne het volgende op
de agenda: het creëren van internationale overlegmogelijkheden voor crisisbeheersing,
het versterken van samenwerking bij ontwapening en non-proliferatie, het aangaan van
een dialoog over visaprocedures, het uitvoeren van het Memorandum of Understanding
inzake het sluiten van de kerncentrale van Tsjernobyl, het toetreden tot de WTO, het
wegnemen van bilaterale handelsbeperkingen en het invoeren van liberaliserende regel-
geving, het hervormen van belastingen en verbetering van het financiële beheer bij de
overheid, en het bespreekbaar maken van werkgelegenheidsproblemen, zoals discrimi-
natie van buitenlandse arbeiders op grond van nationaliteit.
Voor Moldavië zijn er concrete richtlijnen afgesproken die dienstbaar zijn aan het oplos-
sen van het regionale conflict over Transdjnestrië: het werken aan een deugdelijke
grensbewaking van Moldavië in zijn geheel, het beter aanpakken van georganiseerde
misdaad, in het bijzonder mensensmokkel. Daarnaast worden specifiek genoemd het
voortzetten van de samenwerking met de internationale financiële instellingen, het
implementeren van een beleid ter bestrijding van armoede in combinatie met een beleid
gericht op economische groei en het vergroten van de belastingopbrengst, en het verbe-
teren van toezichthoudende instanties voor in Moldavië geproduceerde goederen.
De veelheid van onderwerpen die in de AP’s aan bod komen kunnen allemaal voor
financiering door het ENBI in aanmerking worden genomen. De onderstaande paragraaf
gaat dieper in op de ontwikkeling van dit instrument, dat vanaf 2007 operationeel
wordt. Ook worden de nu bestaande instrumenten, die tot die tijd blijven functioneren,
belicht.
Het Europees nabuurschapsbeleidsinstrument (ENBI)
Vanaf 2007 komt het financiële instrument ENBI beschikbaar. Voor het zover is, staan
de bestaande fondsen ter beschikking zoals die ontwikkeld zijn voor technische hulp,
TACIS (voor de GOS-landen) en INTERREG (voor interregionale samenwerking binnen de
EU)59. Ook voor Rusland zal het ENBI open staan.
TACIS
TACIS60 (Technical Assistance to the Commonwealth of Independent States) is in 1991
opgezet om het proces van economische en politieke hervormingen in de GOS-landen
te ondersteunen. De EU beoogt met TACIS in die landen een overgang naar een markt-
economie te vergemakkelijken en de democratie te versterken. Het programma biedt
ondersteuning in de vorm van subsidies om de uitwisseling van kennis en ervaring te
bevorderen via partnerschappen, samenwerking en netwerken op elk niveau. TACIS
werkt landspecifiek en de landen kunnen zelf hun prioriteiten en tempo bepalen.
In de periode 1991-1999 bedroeg de steun via TACIS in totaal 4,2 miljard Euro. Vanaf
1996 wordt in TACIS meer aandacht besteed aan meerjarenprogrammering, aan grens-
overschrijdende infrastructuurprojecten en worden democratische waarden en respect
59 Helaas heeft de EU geen evaluaties laten maken van deze programma’s.
60 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/tacis/>.
                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>voor minderheden als voorwaarden gesteld voor financiering van projecten. Op meer
dan tien plaatsen in het GOS wordt technische assistentie verleend op het gebied van
nucleaire veiligheid. Het vigerende TACIS-programma geldt voor de periode 2000-2006
en heeft een budget van 3,1 miljard Euro. In deze laatste programmaperiode bevordert
TACIS meer dan voorheen investeringen door het Europese midden- en kleinbedrijf met
financiële garanties, onderzoekstudies en het leggen van contacten.
INTERREG
Op het gebied van interregionale samenwerking binnen de EU biedt INTERREG61 voor
de periode 2000-2006 technische assistentie om de sociale en economische samen-
hang in de Europese Unie te versterken. INTERREG ondersteunt grensoverschrijdende,
transnationale en interregionale samenwerking en heeft als doelstelling een evenwichti-
ge ontwikkeling van het gehele Europese grondgebied te bewerkstelligen. INTERREG
richt zich op activiteiten die betrekking hebben op grenzen en grensgebieden tussen
lidstaten onderling en tussen de Europese Unie en niet-lidstaten. Het budget voor de
periode 2000-2006 is 4,8 miljard Euro, waarvan meer dan de helft bestemd is voor
de regionale ontwikkeling van grensgebieden. De belangrijkste aandachtspunten voor
INTERREG zijn de externe grenzen van de Europese Unie in relatie tot de recente uit-
breiding en samenwerking in/met de (buitenste) grensgebieden van de EU.
Naast waardering voor het positieve effect van de inzet van beide instrumenten is er
kritiek op de uitvoering in die zin dat de coördinatie en de effectiviteit van de verschil-
lende hulpstromen problematisch is. Het nieuwe instrument, het ENBI, dat hieronder
besproken wordt probeert deze fundamentele bezwaren te ondervangen. Daarnaast
worden in het bijzonder voor niet-gouvernementele organisaties de procedures voor de
indiening en het beheer als te ingewikkeld ervaren en als te belastend voor hun uitvoe-
ringscapaciteit. Ook duren de procedures lang, té lang dikwijls, voor kleinere organisa-
ties. Het is in dit licht niet verwonderlijk dat de EU de hulpbudgetten vaak onvoldoende
kan besteden. Het scheppen van een mogelijkheid van financiering in de aanloopfase
om een gedegen projectvoorstel te kunnen uitwerken zou een welkome verbetering zijn
en aan het laatst genoemde bezwaar tegemoet komen.
ENBI
Wanneer vanaf 2007 het nieuwe beleidsinstrument beschikbaar komt vervallen de
bestaande instrumenten. Het ENBI gaat ook MEDA62, het instrument voor hulp aan zui-
delijke buurlanden, vervangen. Het bureau dat de hulpgelden beheert, EuropeAid, is
bezig met een forse opschoningsoperatie: van een overdaad van 35 geografische en
thematische regelingen, een buitensporig aantal budgetlijnen (meer dan 90) en een
veelheid van uitvoeringsmodaliteiten gaat het over tot slechts zes instrumenten, waar-
van het ENBI er één is. Het doel van deze operatie is om een sterke vereenvoudiging
van het hulpbeleid te bereiken, zodat zowel de coördinatie als de effectiviteit worden
vergroot. Het nieuwe instrument is gebaseerd op coherentie van beleid en op toewij-
zing van middelen op basis van geboekte resultaten en betere dialoog met partners en
andere donoren. In deze vereenvoudiging is bovendien het aantal voorwaarden voor
indiening sterk teruggebracht, waardoor de toewijzing van middelen sneller en efficiënter
61 Webpagina: <http://europa.eu.int/comm/regional_policy/interreg3/index_en.htm>.
62 Euro-Mediterranean Partnership Programme. Webpagina’s:
    <http://europa.eu.int/comm/external_relations/euromed/meda.htm> en
    <http://europa.eu.int/comm/regional_policy/interreg3/index_en.htm>.
                                                      28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>kan verlopen. Er ligt een voorstel om het budget te verhogen van circa 9 miljard Euro
(TACIS en MEDA) naar bijna 15 miljard Euro voor alle buurlanden van de EU samen
voor de budgetperiode 2007-201363. Er worden geen landenplafonds ingesteld,
hetgeen betekent dat er budgettaire flexibiliteit (schuifvrijheid) is, afhankelijk van de
prestaties.
Nederlandse Bilaterale programma’s
Nederland heeft een tweetal bilaterale programma’s die oorspronkelijk waren ontwik-
keld voor de toetredingslanden en die intussen ook worden ingezet in de nieuwe buur-
landen. Dit zijn het programma Maatschappelijke Transformatie (Matra), dat door het
ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd en gericht is op sociale, maatschap-
pelijke en politieke transformatie en het Programma Samenwerking Opkomende Mark-
ten (PSOM), dat door het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking wordt beheerd.
Met betrekking tot Oekraïne draagt het ministerie van Economische Zaken financieel
aan het PSOM bij; het PSOM in Armenië, Georgië en Moldavië komt ten laste van de
begroting van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Het PSOM is niet actief
in Belarus en Azerbeidzjan. Het eerder bestaande Programma Samenwerking Oost-Euro-
pa (PSO) van het ministerie van Economische Zaken is per 1 juni 2005 geïntegreerd in
het PSOM64. Voorstellen voor herijking van het gehele EZ-instrumentarium zijn in juni
2005 aan de Tweede Kamer gezonden en worden na de zomer besproken. Het toekom-
stige bilaterale programma van het ministerie van Economische Zaken zal gericht zijn
op de ontwikkeling van een beperkt aantal groeimarkten.
Voor het Matra-programma, dat positief is geëvalueerd65, is er een door de Tweede
Kamer goedgekeurd beleidsdocument66 en een budgettoekenning van 50 miljoen Euro
per jaar. Kenmerken van het programma zijn flexibiliteit, vraaggestuurdheid en lange-
termijnvisie67. Behalve in de toetredingslanden wordt het programma ook uitgevoerd in
de potentiële lidstaat Servië-Montenegro. In navolging van het ENB wordt eraan gewerkt
dat het programma uiteindelijk zowel de oostelijke als de zuidelijke buren gaat omvat-
ten. Het programma richt zich in het bijzonder op netwerkversterking door twinning met
organisaties in Nederland. Dit heeft tot doel om Nederlandse organisaties kennis te
laten maken met organisaties elders en maakt tegelijkertijd het beheer eenvoudig door
63 Proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council, laying down general provisions
   establishing a European Neighbourhood and Partnership Instrument (presented by the Commission), Com-
   mission of the European Communities, COM(2004) 628 final, Brussels, 29.9.2004. Zie ook: European
   Neighbourhood Policy: Economic Review of ENP Countries, European Commission, European Economy
   Occasional Papers, nr. 18, April 2005. Op de Raadsvergadering van 16-17 juni 2005 zijn de lidstaten het
   niet eens kunnen worden over het gehele EU-budget, zodat dit opnieuw op de agenda komt onder het vol-
   gende (Britse) voorzitterschap (Conclusies Luxemburgs voorzitterschap: Raad van de Europese Unie, (Or.fr)
   10255/05, Brussel, 18.6.2005).
64 Zie ook: Kamerbrief Ministerie van Economisch Zaken, 11 oktober 2004.
65 Diamonds and Coals, Evaluation of the Matra programme of assistance to Central and Eastern Europe
   1994-1997, IOB evaluation nr. 279, Ministry of Foreign Affairs, The Hague, 1999.
66 Kamerbrief DZO-UM/1064/2004, 21 september 2004.
67 Zie ook de aanbevelingen in: Een uitgebreid Europabeleid, IOB-evaluatie nr. 299, Den Haag 2005.
                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>het in handen te geven van de Nederlandse partner (waarop Nederlandse beheersregels
van toepassing zijn). De beheersregels zijn er de laatste jaren niet eenvoudiger op
geworden. Daar komt bij dat de projectperiode vaak aan de korte kant is om langeter-
mijndoelstellingen te bereiken.
Behalve het Matra-programma en het PSOM zijn ook Nederlandse particuliere ontwikke-
lingsorganisaties actief in de oostelijke buurlanden van de EU, met name in de armere
landen. Ook het Programma Uitzending Managers (PUM) van de werkgeversorganisatie
VNO/NCW68 staat open voor de nieuwe oostelijke buurlanden van de EU. Daarnaast is
in kiesgroepverband een aantal organisaties actief in capaciteitsopbouw bij zuster-
instellingen, zoals De Nederlandsche Bank en de Algemene Rekenkamer. Verder behe-
ren de Nederlandse ambassades, net als die van verschillende andere lidstaten, een
gedelegeerd budget voor ‘kleine-ambassadeprojecten’, waarmee juist wel tijdig inge-
speeld kan worden op nieuwe initiatieven.
Programma’s van andere donoren
Ook andere lidstaten van de EU zijn actief in de oostelijke buurlanden. Naast bilaterale
ondersteuning van onder meer Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland
en de Verenigde Staten, is een belangrijk deel van de buitenlandse (financiële) hulp tot
stand gekomen door het multilaterale beleid van internationale financiële instellingen,
waarvan de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds de belangrijkste zijn.
Daarnaast is de regionale ontwikkelingsbank EBRD actief 69 en hebben verschillende
bilaterale donoren hun eigen programma’s ontwikkeld70. Frankrijk richt zich vooral op
culturele uitwisseling, terwijl Duitsland vooral aan financiële en technische hulp doet.
Het Verenigd Koninkrijk is samen met de noordelijke landen van de EU actief op het
terrein van mensenrechten, corruptiebestrijding, democratische instituties, justitie en
het ondersteunen van het maatschappelijke middenveld. De Amerikaanse bilaterale
hulp investeert in het bijzonder in justitie en in criminaliteitsbestrijding. Geschat wordt
bijvoorbeeld dat Armenië van de VS zo’n 100 miljoen USD per jaar ontvangt. Daarin is
niet meegerekend de hulp aan het militaire apparaat en de inlichtingendienst.
De Wereldbank(groep) en het IMF complementeren elkaar in de wijze waarop ze hun
doel willen bereiken: de Wereldbank concentreert zich op economische ontwikkeling en
armoedebestrijding op de lange termijn, terwijl het IMF zich richt op het bevorderen van
stabiliteit van het internationale financiële systeem. Voor het uitvoeren van hun plannen
hebben beide organisaties de beschikking over een breed instrumentarium, bestaande
uit leningen, technische assistentie, beleidsadviezen en capaciteitsopbouw71. De
Wereldbank stelt in samenwerking met de betrokken nationale overheden, andere dono-
ren en vertegenwoordigers van de civil society een werkplan op, de Country Assistance
68 Dit programma wordt gefinancierd door de ministeries van Buitenlandse en Economische Zaken gezamenlijk
    en het wordt uitgevoerd door VNO/NCW.
69 Deze bank investeert jaarlijks 3,8 miljard Euro in projecten van de particuliere sector en overheden om de
    transitie naar duurzame ontwikkeling in een markteconomisch bestel te stimuleren in Europa en Centraal-
    Azië. Webpagina: <http://www.ebrd.com/index.htm>.
70 Ook steunen veel donoren, waaronder Nederland, met bilaterale trust funds het werk van de IFI’s op speci-
    fieke terreinen.
71 Daarnaast verstrekt de World Bank Group via de International Finance Corporation risiscokapitaal aan de
    paritculiere sector en beheert het een garantiefonds (Multilateral Investment Guarantee Agency).
                                                       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Strategy (CAS), dat als leidraad dient voor de hulpverlening in het desbetreffende land en
dat jaarlijks wordt bijgesteld. Voor de armste landen, die te kampen hebben met een te
grote buitenlandse schuld, wordt in overleg met hen, en na gebleken goed gedrag72,
een Poverty Reduction Strategy Program (PRSP) opgesteld, waarna zij in aanmerking
komen voor schuldsanering of -kwijtschelding. De laatste jaren is het beleid van de
Wereldbank voor zowel de CAS als de PRSP steeds meer opgeschoven in de richting
van country focus, waarbij het land zelf de prioriteiten vaststelt. Het nieuwe burenbeleid
van de EU zit op dezelfde lijn. De armere landen als Armenië, Georgië en Moldavië
komen bovendien in aanmerking voor de zachte leningen van de Internationale Ontwik-
kelingsorganisatie (IDA), die onderdeel is van de World Bank Group. Het totale bedrag
dat de Wereldbank vanaf 1992 aan de nieuwe oostelijke buren heeft geleend, bedraagt
bijna 7 miljard dollar, waarvan Oekraïne verreweg de omvangrijkste leningen heeft ont-
vangen73.
Net als de Wereldbank verleent het IMF financiële assistentie aan landen die problemen
hebben met hun betalingsbalans. Voor de armste landen wordt een specifiek programma
gehanteerd, de Poverty Reduction and Growth Facility (PRGF), die op basis van de PRSP
tot stand zijn gekomen. De rente op een PRGF-lening bedraagt slechts 0,5% per jaar en
de lening mag over een periode van tien jaar worden terugbetaald. Naast leningen en
beleidsassistentie biedt zowel de Wereldbank als het Fonds programma’s voor capaci-
teitsopbouw aan op een breed scala van terreinen aan tal van lokale organisaties74.
Grensproblematiek
Terecht is het uitgangspunt van de EU nieuwe scheidslijnen aan de grenzen van de uitge-
breide Unie zoveel mogelijk te vermijden. Niettemin is de bestrijding van grensoverschrij-
dende criminaliteit, waaronder corruptie, mensenhandel en terrorisme een punt van zorg.
In het Schengengebied van de EU kan men zonder paspoortcontrole van land naar land
reizen. De buitengrenzen behoren tot het communautaire terrein75 en om het vrije perso-
nenverkeer mogelijk te maken zijn de controles aan de buitengrenzen verscherpt. Deze
verscherpte controles zijn bedoeld om illegale immigratie, terrorisme, mensenhandel en
andere vormen van georganiseerde misdaad in de EU tegen te gaan76. Met de toetreding
van de 10 nieuwe lidstaten op 1 mei 2004 zijn overgangsmaatregelen getroffen zodat zij
de organisatie van de controles aan de buitengrens conform de gemeenschappelijke
voorschriften (waaronder een Gemeenschappelijk Handboek voor de Buitengrenzen) op
orde kunnen brengen. Zolang dat nog niet het geval is, blijven de controles tussen de
oude en de nieuwe lidstaten bestaan.
72 Nadat zij een aantal jaren hebben laten zien een gezond financieel beleid te voeren.
73 Armenië: USD 820 miljoen (1992-2004), Azerbeidzjan: USD 622 miljoen (1995-2004), Belarus: USD 193
    miljoen (1994-2004), Georgië: USD 773 miljoen (1995-2004), Moldavië: USD 592 miljoen (1993-2004),
    Oekraïne: USD 4 miljard (1992-2003). Zie ook de webpagina <http://web.worldbank.org/WBSITE/EXTERNAL/
    COUNTRIES/ECAEXT>. Zie ook de webpagina <http://www.imf.org/external/np/exr/facts/poor.htm>.
74 Zie ook de webpagina: <http://www.imf.org/external/np/exr/facts/poor.htm>.
75 De afspraken van de Schengen-samenwerking zijn met het van kracht worden van het Verdrag van Amster-
    dam op 1 mei 1999 in het EU-recht geïntegreerd.
76 Misdaad zonder grenzen, Criminaliteitsbeeldenanalyse Oost-Europa 2002-2003, Politie, september 2004,
    p. 38.
                                                     31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Problemen doen zich voor in die gevallen waar toetredingslanden bilaterale afspraken
hadden over soepele grenscontroles met buurlanden die niet tot de EU zijn toegetreden.
Dat geldt voor Polen (met Belarus en Oekraïne), Hongarije (met Roemenië) en Slovenië
(met Kroatië)77. Zij kunnen zich ook gaan voordoen in Roemenië (met Moldavië). De
afspraken die Hongarije en Slovenië destijds hebben gemaakt zijn geen probleem
(meer), want Roemenen en Kroaten hebben geen visum voor de EU meer nodig. Voor de
afspraken die Polen heeft gemaakt ligt dat anders, vooral omdat juist de grenzen van
Polen met Belarus en Oekraïne gevoelig zijn voor illegale immigratie, mensenhandel,
handel in gestolen auto’s en andere vormen van georganiseerde misdaad78. De Europe-
se Commissie gaat in de notitie ‘Naar een geïntegreerd beheer van de buitengrenzen
van de lidstaten van de Europese Unie’79 op deze problematiek in, in het bijzonder op
het kleine grensverkeer. Het Schengen-akkoord van 1990 gaf ook al mogelijkheden voor
het regelen van kleingrensverkeer, maar daarvan is tot nu toe geen gebruik gemaakt. In
het ENB wordt gepleit voor een efficiënt en gebruiksvriendelijk systeem voor het kleine
grensverkeer80 en stelt de Europese Commissie nieuwe scheidslijnen aan de grenzen
van de uitgebreide EU te willen vermijden81.
De Commissie verwijst in haar Strategy Paper van 12 mei 2004 ook naar twee voorstel-
len voor verordeningen die zij in augustus 2003 heeft ingediend in het kader van het
kleine grensverkeer82. Ingevolge het ene voorstel83 mogen niet-visumplichtige grens-
bewoners (onderdanen van derde landen) de grenzen van een aangrenzende lidstaat
overschrijden indien zij in het bezit zijn van een geldige identiteitskaart of speciale
77 In de nabije toekomst kan iets vergelijkbaars gebeuren ten aanzien van grensoverschrijdingen vanuit Moldavië
   naar Roemenië.
78 Misdaad zonder grenzen, Criminaliteitsbeeldanalyse Oost-Europa 2002-2003, Politie, september 2004, p. 78.
79 COM(2002)233, 7.5.2002, pp. 14 en 26. Zie ook ‘On the development of a common policy on illegal
   immigration, smuggling and traficking of human beings, external borders and the return of illegal residents’,
   European Commission, COM(2003) 323 def., 3.6.2003, p. 8.
80 Kleingrensverkeer is in het Commissievoorstel gedefinieerd als: ‘de regelmatige overschrijding van de land-
   buitengrens van een lidstaat door personen die wettelijk verblijven in het grensgebied van een aangrenzend
   derde land teneinde in het grensgebied van die lidstaat te mogen verblijven voor een periode die niet de door
   deze verordening vastgestelde termijnen mag overschrijden.’: artikel 3 onder c. Onder ‘grensgebied’ wordt ver-
   staan een gebied dat hemelsbreed niet verder gaat dan 50 kilometer vanaf de grens: artikel 3 sub b.
81 COM(2003) 104 def., 11.3.2003, COM(2003) 393 def., 1.7.2003, p. 11 en par. 8.3 en COM(2004) 373
   def., 12.5.2004, p. 16.
82 De Commissie licht toe dat aanvaarding van de voorstellen “… make it possible for border area populations
   to maintain traditional contacts without encountering excessive administrative obstacles”. De Commissie
   vervolgt: “The EU may also consider possibilities for visa facilitation. Facilitation by one side will need to be
   matched by effective actions by the other.” De desbetreffende Commissievoorstellen zijn opgenomen in:
   Voorstel voor een Verordening van de Raad tot instelling van een regeling inzake kleingrensverkeer aan de
   landbuitengrenzen van de lidstaten, Europese Commissie, COM(2003) 502 van 14.8.2003, p. 17.
83 Voorstel voor een Verordening van de Raad tot instelling van een regeling inzake kleingrensverkeer aan de
   landbuitengrenzen van de lidstaten, Europese Commissie, COM(2003) 502 van 14.8.2003. Kleingrensver-
   keer is gedefinieerd als: “de regelmatige overschrijding van de landbuitengrens van een lidstaat door
                                                                                    vervolg voetnoot 83 op p. 33 >>
                                                       32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>vergunning84. Zij mogen dan gedurende ten hoogste zeven opeenvolgende dagen in
het grensgebied van de aangrenzende lidstaat verblijven, terwijl de totale duur van hun
achtereenvolgende bezoeken in die lidstaat niet meer mag bedragen dan drie maanden
per halfjaarlijkse periode85. Voor visumplichtige grensbewoners wordt voorgesteld een
‘speciaal visum’ in te stellen86. In beide gevallen mogen de lidstaten, met het oog op
de uitvoering van de regeling van kleingrensverkeer, met derde landen overeenkomsten
sluiten ‘overeenkomstig de in de verordening vastgestelde regels’87. In het andere
voorstel88 stelt de Commissie voor de regeling van haar eerste voorstel toe te passen
op de tijdelijke landbuitengrenzen tussen de lidstaten, dat wil zeggen tussen oude en
nieuwe lidstaten, respectievelijk tussen nieuwe lidstaten onderling89.
Bij deze voorstellen over kleingrensverkeer moet worden aangetekend dat de EU, in het
kader van de laatste uitbreiding, speciale doorreisdocumenten heeft ontwikkeld voor
Russen die via Litouwen naar Kaliningrad willen reizen90. Eerder heeft de EU speciale
regelingen getroffen voor Spanje (voor Marokko en de Spaanse enclaves Ceuta en
Melilla) en voor Portugal (voor terugname van Brazilianen die visumvrij vanuit Portugal
een andere lidstaat waren binnengekomen). In deze gevallen ging het slechts om gerin-
ge aantallen personen. Dat lijkt in het geval van het grensverkeer tussen Polen met
Belarus en Oekraïne anders te liggen. Temeer daar deze grens gevoelig is voor de
veiligheidsproblematiek91 lijkt het bovendien niet voor de hand te liggen om tot versoe-
peling van de grenscontroles over te gaan.
Bekend is dat een aantal ENB-landen, waaronder Oekraïne, wensen hebben geuit om
voor bepaalde categorieën personenverkeer (bijvoorbeeld zakenmensen, studenten of
    >>vervolg voetnoot 83 van p. 32
    personen die wettelijk verblijven in het grensgebied van een aangrenzend derde land teneinde in het grens-
    gebied van die lidstaat te mogen verblijven voor een periode die niet de door deze verordening vastgestelde
    termijnen mag overschrijden.”: artikel 3 onder c. Onder grensgebied wordt verstaan een gebied dat hemels-
    breed niet verder gaat dan 50 kilometer vanaf de grens: artikel 3 sub b.
84 Op cit. Artikelen 5 en 6.
85 Op. cit. Artikel 7. In de tweede alinea wordt gesteld dat een verlenging van de termijnen in uitzonderlijke
    omstandigheden in overweging genomen kan worden.
86 Op. cit. Artikel 9.
87 Op. cit. Artikel 17.
88 Voorstel voor een verordening tot instelling van een regeling inzake kleingrensverkeer aan de tijdelijke
    buitengrenzen tussen de lidstaten (eveneens opgenomen COM(2003) 502 van 14.8.2003).
89 Op. cit. Artikel 1.
90 Zie: Verordening 693/2003 en 694/2003 tot invoering van een specifiek doorreisfaciliteringsdocument
    (FTD) en eenzelfde document voor treinreizigers (FRTD) van 14 april 2003 en Pb EU L 99/8-21 van
    17 april 2003.
91 Zo heeft Polen recent te maken met een aanzienlijke toestroom van vluchtelingen en asielzoekers uit
    Tsjetsjenië (UNHCR-Warschau).
                                                        33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>diplomaten) visumvrijdom van de EU te verkrijgen. De EU heeft hierop met terughoudend-
heid gereageerd omdat in de praktijk niet altijd duidelijk is of degenen die zich als
‘zakenmensen’, ‘diplomaten’ of ‘studenten’ aanmelden dat ook werkelijk zijn. Boven-
dien komt het voor dat in de praktijk niet zozeer de vereiste van een visum belemme-
rend werkt, als wel de tijdsduur, de complexiteit (en de kosten) van de procedures.
Overigens is de Europese Unie de instantie die het bevoegd gezag ten aanzien van
kortetermijnvisa uitoefent92. De lidstaten zijn vooralsnog bevoegd ten aanzien van de
langetermijnvisa93.
92 Het gaat dan om visa met een geldigheid van maximaal drie maanden, zie artikel 62 lid 2b van het EG-
   Verdrag.
93 Dit betreft visa met een geldigheid langer dan drie maanden, zie artikel 63 lid 3 van het EG-Verdrag.
                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>IV         Een toetredingsperspectief voor de oostelijke
           ENB-landen?
De AIV heeft zich in dit advies ook gebogen over de kwestie van een mogelijk toekom-
stig EU-lidmaatschap van de oostelijke ENB-landen. De AIV is zich er daarbij van
bewust dat noch de Unie noch de Nederlandse regering het ENB beschouwen als voor-
bereiding op het lidmaatschap. In de recente notitie ‘Grenzen van de Europese Unie’
formuleert de regering dit expliciet: “het ENB [is] voor deze landen uitdrukkelijk geen
voorportaal voor het kandidaat-lidmaatschap”94. Met deze opvatting volgt zij het stand-
punt van de Europese Commissie die met nadruk stipuleert dat het ENB niet bedoeld
is ter voorbereiding op lidmaatschap van de Unie95. In dit opzicht onderscheidt het zich
ten principale van het pre-accessietraject zoals dat is gehanteerd ten aanzien van de
Midden- en Oost-Europese kandidaat-lidstaten. Kortom, aan het ENB kunnen geen con-
crete verwachtingen over het lidmaatschap worden ontleend.
Met dit laatste is niet gesteld dat de betrokken landen geen lid kunnen worden van de
EU. In de genoemde notitie brengt de regering dit kernachtig onder woorden, door
onder verwijzing naar het Verdrag van de Europese Unie te stellen dat de zuidelijke
ENB-landen in ieder geval niet Europees zijn, maar dat een eventuele lidmaatschaps-
aanvraag van Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland “op geografische gronden moeilijk
[kan] worden afgewezen”. Onder de voorwaarde dat zij de grondbeginselen van de Unie
in acht nemen, kunnen zij derhalve overeenkomstig artikel 49 van het EU-Verdrag een
lidmaatschapsaanvraag indienen. Wanneer zij kans zien aan de Kopenhagen-criteria te
voldoen, kan deze aanvraag in principe geëffectueerd worden. Of de drie Trans-Kaukasi-
sche landen die onderwerp zijn van dit advies, ook geografisch tot het Europese conti-
nent behoren en dus eveneens op termijn lid zouden kunnen worden van de Unie, laat
de regering in het midden. Hierbij moet aangetekend worden dat naast geografische
natuurlijk ook politieke overwegingen een belangrijke rol spelen bij het besluit om lan-
den tot de Unie toe te laten96.
In de visie van de Nederlandse regering, zoals uiteengezet in de genoemde notitie, is
toetreding van Belarus, Oekraïne en Moldavië binnen afzienbare tijd niet aan de orde.
Om die reden beschouwt zij thans het ENB als het juiste instrument om de relaties tus-
sen de Unie en de buurlanden verder te ontwikkelen, overeenkomstig de doelstellingen
zoals in de inleiding van dit advies geformuleerd: dat wil zeggen gericht op versterking
van veiligheid en stabiliteit in de regio.97
94 Grenzen aan de Europese Unie, Kamernotitie, kenmerk DIE-96/05, 17 maart 2005.
95 European Neighbourhood Policy, Strategy Paper, Communication from the Commission COM(2004) 373
    final, 12.5.2004. Zie ook de webpagina: <http://europa.eu.int/comm/world/enp/index_en.htm>.
96 Zo zijn met uitzondering van Belarus de andere oostelijke buurlanden van de EU lid van de Raad van Europa
    geworden in 1995 of later, inclusief Rusland.
    Zie webpagina: <http://www.coe.int/T/e/com/about_coe/member_states/default.asp>.
97 In haar benadering bouwt de regering voort op de lijn zoals die werd uitgezet in ‘De staat van de Europese
    Unie, 2002, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, september 2001’, waarin in hoofdstuk I ‘Van
    Marrakech tot Moermansk’ een verkenning wordt gepresenteerd van de relaties van een uitgebreide Unie
    met haar buren.
                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>De belangrijkste reden voor de Nederlandse regering om deze positie in te nemen is de
wens tot consolidatie van de Unie. In haar notitie Grenzen van de Europese Unie98 wijst
de regering op de noodzaak tijd te nemen om de recente en de komende uitbreiding(en)
te verwerken. Dit laatste betreft naar verwachting in 2007 Roemenië en Bulgarije en in
een later stadium de landen van de westelijke Balkan waarmee een stabiliteits- en
associatieovereenkomst (SAA) is gesloten99, alsmede op langere termijn Turkije. Na de
negatieve uitkomst van de referenda in Frankrijk en Nederland wegen deze overwegin-
gen, zo is onder andere tijdens het debat tussen regering en Tweede Kamer gebleken,
des te zwaarder. De afwijzing door twee van de founding fathers van de Europese Unie
versterkt de eerder door de regering uitgesproken wens tot consolidatie en noopt tot
een periode van reflectie over de aard en richting van het integratieproces. Dit stand-
punt wordt ook door de AIV ingenomen in zijn advies over de Positionering van Neder-
land100. Daarin gaat de AIV in op de ernstige problemen die een schaduw werpen over
de verdere ontwikkeling van de EU en die zelfs de bereikte resultaten in gevaar kunnen
brengen. In dat advies wijst de AIV er dan ook op dat de opportuniteit en het moment
van verdere uitbreiding moeten worden bezien in het licht van de noodzakelijke verster-
king van het absorptievermogen van de Unie zelf.
De AIV onderschrijft derhalve het standpunt van de regering dat dit niet het moment is
voor het concretiseren van een toetredingsperspectief voor de oostelijke ENB-landen101.
De AIV waardeert tegelijkertijd de door de regering vertolkte opvatting waarmee zij uit-
drukkelijk aangeeft dat Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland geografisch bezien tot Euro-
pa behoren en daarom een lidmaatschapsaanvraag zouden kunnen indienen. De AIV
acht dit mede in het licht van de aspiraties van Oekraïne en Moldavië, een realistisch
uitgangspunt. Dit brengt de AIV tot de conclusie dat het vraagstuk van lidmaatschap
van deze landen een langetermijnstrategie vereist. De in brede kring levende wens om
binnen de EU orde op zaken te stellen en een zekere consolidatie te bereiken, zal
echter aan de aspiraties van Oekraïne en Moldavië niet afdoen. Beide landen hebben
lidmaatschap van de EU als eerste prioriteit van hun buitenlands beleid geformuleerd.
Lidmaatschap van de Unie staat derhalve op de politieke agenda. Oekraïne zal –
gesteund door EU-lidstaten als Polen en de Baltische landen102 – blijvende druk op de
98  Grenzen aan de Europese Unie, Kamernotitie, DIE-96/05, 17 maart 2005.
99  De ‘Stability and Association Agreements’ (SAAs) zijn overeengekomen met de landen van de westelijke
    Balkan: zij hebben uitzicht op toetreding. Zie webpagina:
    <http://europa.eu.int/comm/external_relations/see/sap/>.
100 Positionering van Nederland, AIV-advies, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, te verschijnen in
    augustus 2005.
101 Onderzoek naar het stemgedrag tijdens de referendum over het Verdrag ter vaststelling van een grondwet
    voor Europa geven aan dat zowel in Nederland als in Frankrijk de uitbreiding van de Unie met Turkije, noch
    verdere uitbreiding, een belangrijke overweging is geweest om tegen te stemmen. Zie: European Commis-
    sion, The European Constituition: post-referedum sruvey in the Netherlands, June 2005 en een zelfde
    publicatie met betrekking tot Frankrijk, webpagina:
    <http://europa.eu.int/comm/public_opinion/index_en.htm>. Hoe de opvattingen over uitbreiding in andere
    lidstaten liggen is niet duidelijk. Nader Europabreed onderzoek terzake is daarvoor noodzakelijk.
102 De regering wijst er terecht op dat op dit punt de meningen binnen de Unie verdeeld zijn. In het bijzonder
    Polen en de Baltische lidstaten zijn voorstander van een concretisering van het lidmaatschapsperspectief
    in het kader van het ENB, hetgeen de AIV bevestigd werd bij een bezoek aan Warschau.
                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Unie uitoefenen om lid te worden103. Daarom vindt de Raad dat er weinig reden is te
veronderstellen dat de Unie door te zwijgen over lidmaatschap ‘een voortdurende dis-
cussie over het verkrijgen van een toetredingsperspectief’ zou kunnen ontlopen. Die
discussie is reeds begonnen en zal voortduren zolang de Unie op dit punt geen duide-
lijkheid biedt.
In het pleidooi voor een langetermijnstrategie weegt voor de AIV daarnaast zwaar dat
de Unie, zeker in relatie tot Oekraïne, door haar zeer directe betrokkenheid bij de afwik-
keling van de crisis rond de presidentsverkiezingen, verwachtingen heeft gewekt en in
ieder geval dit land heeft gesterkt in de overtuiging dat het onlosmakelijk tot ‘Europa’
behoort. Een al te terughoudende opstelling ten aanzien van toekomstig lidmaatschap
zal tot teleurstelling leiden en zou de positie van de hervormingsgezinde krachten kun-
nen ondermijnen.
Terecht is bovendien geconstateerd dat het vooruitzicht van toetreding een cruciale sti-
mulans is gebleken bij het bewerkstelligen van de noodzakelijke hervormingen op het
gebied van democratie, rechtsstaat en markteconomie. Dit laatste is toch de funda-
mentele doelstelling voor de verdere ontwikkeling van de relaties tussen de Unie en
haar buurlanden. Deze aanname vormt de kern van de uitbreidingspolitiek van de Unie
zoals die sinds het einde van de Koude Oorlog is gevoerd. De concrete ervaringen tot
nu toe inzake Turkije en de landen in Midden- en Oost-Europa ondersteunen deze aan-
name. De conditionaliteit van het lidmaatschap blijkt voor deze landen een onmisbare
katalysator te zijn (geweest). Er is in de visie van de AIV op voorhand geen reden te
veronderstellen dat dit in het geval van de oostelijke ENB-landen, Oekraïne en Moldavië
in het bijzonder, anders zou zijn.
De wetenschap dat daadwerkelijk lidmaatschap voor deze landen een zaak van lange
adem is hoeft bovendien geen beletsel te zijn om de eerste, voorlopige, stappen te zet-
ten. Hier is het voorbeeld van Turkije illustratief. Dit land werd in 1999104 een concreet
perspectief op lidmaatschap geboden, onder de voorwaarde van in het bijzonder politie-
ke hervormingen. Zes jaar later blijkt deze voorwaarde zodanig te zijn vervuld, dat vol-
doende vertrouwen bestaat om toetredingsonderhandelingen te openen. Daarbij wordt
ervan uitgegaan dat Turkije zeker niet voor 2014 tot de Unie zal kunnen toetreden.
Kortom, toetreding is welhaast per definitie een proces dat vele jaren in beslag neemt,
zeker in het geval van landen die wat betreft zowel de politieke als de economische
voorwaarden voor lidmaatschap nog ingrijpende hervormingen moeten doorvoeren.
Anders gezegd, aan de duur van het toetredingsproces kan geen argument worden
ontleend om niet een perspectief op lidmaatschap te bieden, zeker niet indien bedacht
wordt (zie hiervoor) dat dit perspectief de duur van dat proces kan bekorten.
De AIV wijst er ook op dat een perspectief op lidmaatschap in het verlengde ligt van de
in de action plans gehanteerde aanpak c.q. strategie. In de uitwerking van het buurlan-
denbeleid in landspecifieke plannen wordt immers op een breed scala van terreinen
een vergaande aanpassing van de eigen regelgeving en het eigen beleid aan het
103 Tevens mag niet worden uitgesloten dat de VS toetreding van Oekraïne tot de Unie openlijk zal bepleiten
      en ondersteunen (al was het maar als alternatief voor c.q. opening naar een volledig NAVO-lidmaatschap).
104 Afhankelijk van de criteria wordt ook wel 1963 als begindatum genoemd, toen Turkije zijn eerste handels-
      akkoord met de EEG sloot. Zie: De opstelling van de Europese Unie ten aanzien van Turkije van 1963 tot
      juni 2004, Addendum bij het AIV-advies no. 37, Den Haag, juli 2004.
                                                      37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>communautaire acquis en het Unie-beleid gevraagd. Dit gebeurt weliswaar op hun
eigen verzoek, in hun eigen tempo en op basis van hun eigen prioriteitstelling, maar dit
laat onverlet dat de betrokken landen in feite de Europese regelgeving op tal van
onderwerpen overnemen. In dit opzicht stemt het ENB overeen met het beleid dat is
gevoerd ten aanzien van de Midden- en Oost-Europese landen, met dit verschil dat aan
de oostelijke buren geen toetredingsperspectief wordt geboden. Het concretiseren van
het perspectief op lidmaatschap vereist in de visie van de AIV wel dat de betrokken
landen daadwerkelijk voortgang hebben geboekt bij de uitvoering van de AP’s en zicht-
bare vooruitgang hebben gemaakt in het proces van hervorming, inclusief het oplossen
van bestaande regionale conflicten.
Tot slot kan een sterk terughoudende opstelling van de EU ten aanzien van toekomstig
lidmaatschap van de oostelijke buren het evenwicht verstoren in de driehoeksverhou-
ding tussen de EU, de oostelijke buurlanden en Rusland. Een dergelijke opstelling kan
gemakkelijk uitgelegd worden als een teken van distantie van de Unie ten opzichte van
deze regio. Dit kan worden opgevat als een impliciete suggestie aan de beide andere
partijen om hun wederzijdse betrekkingen aan te halen. Dit laatste onderstreept dat
noch de betrokken landen noch de relatie tussen de Unie en Rusland gediend zijn met
een situatie van langdurige onduidelijkheid over de toekomstige status van de ENB-lan-
den, Oekraïne en Moldavië in het bijzonder.
De AIV signaleert in dit verband ook dat het toetredingsbeleid van de EU een duidelijke
evolutie heeft doorgemaakt, waarbij de voorwaarden in het geval van bijvoorbeeld
Roemenië en Turkije verder zijn aangescherpt en stringenter zijn toegepast, zowel
inhoudelijk als qua fasering.
De Adviesraad is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen dan ook van
mening dat de met het ENB nagestreefde doelstellingen uiteindelijk gediend zijn met
een helder standpunt over de aspiraties van deze landen ten aanzien van lidmaatschap
van de EU. De AIV realiseert zich tegelijkertijd dat als gevolg van het uitblijven van rati-
ficatie van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa dit niet het
moment is voor het bieden van een meer concreet toetredingsperspectief. De noodza-
kelijke versterking van de absorptiecapaciteit van de Unie is hierbij ook een overwe-
ging. Dit doet echter niet af aan de kracht van de hiervoor gegeven argumenten. Om
die reden bepleit de AIV dat de Unie in het kader van het ENB zich in het bijzonder in
Oekraïne en Moldavië structureel inzet voor stimulering van het proces van marktecono-
mische hervorming, versterking van de rechtsstaat en verzekering van de democratische
transitie. Voortgang op deze terreinen is hoe dan ook een voorwaarde voor verdieping
van de relaties met de betrokken landen. Daartoe is de opstelling van een stappenplan
vereist, aan de hand waarvan op basis van duidelijke criteria kan worden vastgesteld
of er voortgang is gemaakt. Teneinde tegemoet te komen aan de aspiraties van deze
landen zou in de visie van de AIV daarnaast overwogen moeten worden om de bestaan-
de samenwerking op een nieuwe institutionele grondslag voort te zetten, onder voor-
waarde van voldoende progressie van het hervormingsproces. Een geëigend moment
daarvoor is het aflopen in 2008/2009 van de bestaande partnerschaps- en samenwer-
kingsovereenkomsten (PCA’s). Denkbaar is dat deze overeenkomsten worden omgezet
in stabiliteits- en associatieovereenkomsten (SAA’s)105.
105 De ‘Stability and Association Agreements’ (SAA’s) zijn overeengekomen met de landen van de westelijke
      Balkan. Zie webpagina: <http://europa.eu.int/comm/external_relations/see/sap/>.
                                                     38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Men kan zich vervolgens afvragen of de hierboven geformuleerde redenen niet even-
zeer van toepassing zijn op landen als Georgië en Armenië, waar soortgelijke aspiraties
als in Oekraïne en Moldavië leven. Hierbij moet meegewogen worden dat tegenover de
bovengenoemde redenen vóór een bepaalde strategie ten aanzien van Oekraïne en
Moldavië er ook bepaalde argumenten contra zijn en dat de afweging met betrekking
tot Georgië en Armenië daarom anders uit kan vallen. Hierbij valt te denken aan:
1. Het geografische criterium: dit is niet alleen een kwestie van de locatie, maar ook
    van historische lotgevallen. Oekraïne en Moldavië liggen niet alleen ontegenzeggelijk
    in Europa, maar hebben de eeuwen door ook deel gehad aan de Europese geschie-
    denis. Dit ligt voor Georgië en Armenië geheel anders. Zij liggen aan de uiterste
    rand en zijn historisch nauw verbonden met Turkije en Iran, in mindere mate met
    Rusland, en nauwelijks met Europa.
2. De politieke en economische stabiliteit: de EU kan deze in positieve zin zeker stimu-
    leren. Toch kan men er niet omheen dat een aanzienlijke mate van politieke of eco-
    nomische instabiliteit en een zwakke rechtsstaat tot grote voorzichtigheid in de rela-
    tie met een dergelijk land moet manen. Op dit terrein is er enige reden tot zorg ten
    aanzien van Oekraïne en Moldavië, maar meer nog ten aanzien van Georgië en
    Armenië.
3. Bij alle hier besproken relaties moet de positie van Rusland in aanmerking genomen
    worden. Niet omdat Rusland een bevoorrechte positie toekomt, maar omdat goede
    betrekkingen met Rusland voor de EU van groot, en voor de niet-Russische ex-sovjet-
    staten van nog groter belang zijn.
                                             39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>V         Conclusies en aanbevelingen
Het belang van de Europese Unie en van Nederland in geopolitiek perspectief
De Europese Unie kent een zeer brede doelstelling voor haar buitenlands beleid. De
Unie wil met inzet van het gehele instrumentarium dat haar ten dienste staat in het
kader van de externe betrekkingen, bijdragen aan de bevordering van de internationale
vrede en veiligheid, duurzame ontwikkeling, solidariteit en wederzijds respect tussen
volkeren, vrije en eerlijke handel, uitbanning van armoede, bescherming van mensen-
rechten, en de strikte handhaving en de verdere ontwikkeling van het internationale
recht106. Deze doelstelling staat ook centraal in het Europese nabuurschapsbeleid
(ENB) hetgeen onderwerp van dit AIV-advies is waar het de relatie met de oostelijke
buurlanden betreft. Zoals in de inleiding van dit advies is weergegeven, stelt de Unie
zich tot doel om in het kader van het ENB en met inzet van het ENB-instrumentarium
(ENBI) de relaties met de ENB-landen te versterken. Het directe oogmerk is bij te dra-
gen aan stabiliteit en veiligheid in de directe omgeving van de zich uitbreidende Unie.
Teneinde stabiliteit en veiligheid in de omliggende regio’s te bevorderen richt het ENB
zich in het bijzonder op de ondersteuning en stimulering van democratisering in de
betrokken landen, versterking van de rechtsstaat en hervorming van het economisch
bestel. Daarbij staat de Unie niet alleen. Zoals in het voorgaande is aangestipt, zijn
vele internationale organisaties bij de in dit advies besproken landen betrokken. Te
noemen zijn onder andere de Wereldbank, het IMF, de EBRD, de Raad van Europa en
de OVSE. Ook hebben de betrokken landen zich via onder meer de mensenrechten-
verdragen van de VN en de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie gecom-
mitteerd aan handhaving van de fundamentele beginselen van de rechtsstaat. Verder
zijn er tal van bilaterale samenwerkingsverbanden, waaronder met Nederland in het
kader van onder andere Matra en PSO.
In hoofdstuk II van dit advies heeft de AIV aangegeven dat met het versterken van de
relaties met de oostelijke buurlanden grote belangen op het spel staan voor zowel de
Unie als, in het verlengde daarvan, voor Nederland. Los van het directe politieke
belang van veiligheid en een stabiele omgeving, kan gewezen worden op de noodzaak
(potentiële) grensoverschrijdende problemen door middel van samenwerking aan te
pakken. De nieuwe buurlanden kunnen zich bovendien tot belangrijke handelspartners
ontwikkelen; de Unie is nu al een belangrijke exportmarkt en investeringspartner voor
deze landen. Daarbij verdient het gegeven van de groeiende energieafhankelijkheid van
de Unie vermelding. Gegeven de positie van de oostelijke buren (waaronder in dit ver-
band ook Rusland) als energie-exporteur en doorvoerland is met het oog op verzeke-
ring van de eigen energievoorziening samenwerking met de buurlanden cruciaal.
Sinds het initiatief tot het ENB hebben zich in een aantal van de betrokken landen
belangrijke politieke ontwikkelingen voorgedaan, die enerzijds de in het ENB onder-
streepte noodzaak tot intensivering van de relaties met deze landen onderstrepen, en
anderzijds de EU nieuwe mogelijkheden bieden om in het bijzonder het proces van poli-
tieke hervorming te stimuleren. Het gaat hierbij vooral om het aantreden van hervor-
mingsgezinde regeringen in Oekraïne, Georgië en Moldavië. Als belangrijke donor,
106 Staat van de Europese Unie 2005, Ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag, 21 september 2004,
      p. 45.
                                                  40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>handelspartner, investeerder, en ook als gevolg van de hechte historische en culturele
banden die lidstaten met deze landen onderhouden, verkeert de Unie in een uitsteken-
de uitgangspositie om deze ontwikkelingen te benutten en de relaties overeenkomstig
de hiervoor geformuleerde doelstellingen te intensiveren.
     De AIV onderstreept dan ook het belang voor de EU en voor Nederland van een breed
     georiënteerd nabuurschapsbeleid. Het is tevens van belang om waar mogelijk, zoals
     reeds het geval is voor Oekraïne, dit beleid in antwoord op politieke ontwikkelingen
     die zich in de desbetreffende landen voordoen, te intensiveren en te versnellen.
Het Europese nabuurschapsbeleid (ENB)
De opzet van het ENB, zoals door de Unie in 2004 geformuleerd en verder uitgewerkt
in de actieplannen, biedt naar de mening van de AIV in beginsel goede mogelijkheden
om in antwoord op de politieke ontwikkelingen in de oostelijke buurlanden en met
inachtneming van de belangen van de Unie, de relaties met de betrokken landen te ver-
sterken, het proces van democratisering en markteconomische hervorming te stimule-
ren, en aldus een wezenlijke bijdrage te leveren aan stabiliteit en veiligheid. Evident is
tegelijkertijd dat de verschillen tussen de oostelijke ENB-landen groot zijn, waardoor
het gemeenschappelijke belang van een goed nabuurschapsbeleid voor elk land speci-
fiek moet worden ingevuld.
     In algemene lijn onderschrijft de AIV de aanpak die door de Unie in het kader van
     het ENB is geformuleerd. Deze waardering betreft vooral het programmatische
     karakter van de nagestreefde doestellingen, de brede inzet van middelen en instru-
     menten, de landspecifieke invulling waarin de betrokken landen zelf prioriteiten
     stellen in aansluiting op hun eigen beleidsprioriteiten. Vooral de eigen verantwoor-
     delijkheid van de betrokken landen voor de gestelde prioriteiten en daarmee voor de
     uitvoering is in de visie van de AIV van groot belang om de kansen op het welslagen
     van het ENB te optimaliseren.
Teneinde de mogelijkheden die het ENB biedt verder te benutten, beveelt de AIV het
volgende aan:
     Aanbeveling 1
     De EU dient in de betrokken landen het voortouw te nemen bij de coördinatie en
     afstemming van de multilaterale en bilaterale hulpprogramma’s. Gegeven de aard en
     omvang van haar hulp en de reikwijdte van haar beleidsinstrumentarium is de Unie
     de aangewezen instelling om de coherentie en aldus de effectiviteit van de hulpin-
     spanningen in overeenstemming met de gestelde beleidsprioriteiten te vergroten.
     Aanbeveling 2
     Teneinde het effect van het ENB en de actieplannen te vergroten, dient naar de
     mening van de AIV binnen het zeer breed geformuleerde geheel van onderwerpen
     dat kenmerkend is voor het ENB, een duidelijker prioriteitstelling bevorderd te wor-
     den. Deze prioriteiten zullen per land verschillend zijn en moeten overeenkomstig het
     uitgangspunt van ownership in nauw overleg met de regering en parlementen in de
     desbetreffende ENB-landen worden vastgesteld (country focus).
     Aanbeveling 3
     De AIV meent dat in deze fase van uitvoering van het ENB – in overeenstemming
     met de geconstateerde onlosmakelijke samenhang tussen versterking van de institu-
     tionele capaciteit van de overheden in kwestie en het proces van markteconomische
                                              41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>      hervorming – de prioriteit naast de noodzakelijke versterking van het democratisch
      bestel, de rule of law en civil society, in het bijzonder dient te liggen bij het verster-
      ken van die instellingen die van cruciale betekenis zijn voor verbetering van het
      investerings- en ondernemingsklimaat en de liberalisering van de handel. Het gaat
      dan om hulp en ondersteuning gericht op onder andere de financiële sector, corrup-
      tiebestrijding, versterking van de douane en de rekenkamer. Het scheppen van effec-
      tieve instituties en regelgeving ten aanzien van deze onderwerpen is een voorwaarde
      voor de verdere integratie van deze landen in de Europese interne markt. Ondersteu-
      ning van de economische ontwikkeling en van goed bestuur dient in deze fase priori-
      teit te hebben boven de overname van het acquis communautaire107.
      Aanbeveling 4
      De AIV meent dat in het kader van het ENB – en overigens ook in het kader van de
      bilaterale programma’s (zie hierna) – ruimer gebruik gemaakt kan worden van uitwis-
      selingsprogramma’s. Uitwisseling, waarbij een breed scala van doelgroepen variërend
      van het bedrijfsleven, overheidsfunctionarissen, politici en studenten betrokken zou
      moeten worden, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de overdracht en verbre-
      ding van kennis en ervaringen. De AIV beveelt aan de mogelijkheden tot uitwisseling
      tussen de EU-lidstaten en de ENB-landen te vergroten. In dit verband moet bezien
      worden of deze landen kunnen worden toegelaten tot uitwisselingsprogramma’s die
      nu binnen de EU gelden (bijvoorbeeld het Erasmusprogramma).
Regionale conflicten
In een aantal van de betrokken landen schort het aan gezag over het eigen grondge-
bied. Dit doet zich voor in Azerbeidzjan, Georgië en Moldavië. Genoemde problemen
vertalen zich in regionale conflicten die moeilijk oplosbaar blijken te zijn en die wel als
frozen conflicts worden aangeduid. Deze conflicten zijn een bron van politieke instabili-
teit. Oplossing ervan is een voorwaarde om de doelstellingen van het ENB te realise-
ren. Mochten ENB-landen op termijn tot de Unie willen toetreden, dan is een aanvaard-
bare regeling van deze conflicten noodzakelijk. Het ENB en de geformuleerde actie-
plannen (Moldavië) hebben ook tot doel een bijdrage te leveren aan de oplossing van
deze conflicten. Met dat oogmerk heeft de EU een speciale vertegenwoordiger voor
respectievelijk de Kaukasische staten en voor Moldavië benoemd. Evident is dat oplos-
sing van deze conflicten een coöperatieve opstelling van Rusland veronderstelt. Dit land
is immers via militaire aanwezigheid of door betrokkenheid bij zogeheten vredesmach-
ten zowel politiek als militair direct bij deze conflicten betrokken.
      Aanbeveling 5
      De AIV bepleit een actieve opstelling van de EU bij de oplossing van de bevroren con-
      flicten in de desbetreffende ENB-landen. Een dergelijke actieve betrokkenheid is in
      overeenstemming met de doelstellingen van het ENB en sluit ook aan bij de ambities
      van het Europees buitenlands beleid, zoals onder andere geformuleerd in de Europese
      veiligheidsstrategie. De actieplannen die in het kader van het ENB zijn/worden ontwik-
      keld, moeten naar de mening van de AIV mede dienstbaar zijn aan het vinden van
      werkbare oplossingen voor deze conflicten. Dit laatste veronderstelt een maximale
      inzet van de kant van de Unie van haar speciale vertegenwoordigers voor de landen/
      regio’s in kwestie. Teneinde voortgang te bewerkstelligen dient Rusland, onder andere
      in het kader van de politieke dialoog met dit land, volledig door de EU betrokken te
      worden bij besprekingen over oplossing van deze vraagstukken.
107 Zie ook: J.W. van der Meulen, Westelijke Balkan als testcase voor de Europese Unie, Internationale
      Spectator, jrg. 59, nr. 6, 2005, pp. 319-324.
                                                    42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Het Europese nabuurschapsbeleidsinstrument (ENBI)
De AIV is positief over het initiatief van de EU om de procedures voor het uitgeven van
de hulpgelden sterk te vereenvoudigen, om het aantal regelingen (budgetlijnen) en
instrumenten aanzienlijk terug te brengen. De AIV ondersteunt ook het voornemen om
de financiële steun voor de ENB-landen substantieel te verhogen en dringt er bij de
regering op aan er op toe te zien dat een dergelijke verhoging ook de uitkomst zal zijn
van de onderhandelingen over de meerjarenfinanciering van de Unie. Positief is het
voorstel van de Europese Commissie dat er geen plafond per land of per categorie van
indiener (overheid of niet-overheid) geldt, hetgeen de efficiënte en effectieve benutting
van de middelen ten goede komt. Deze vereenvoudigingsoperatie is naar de bevindin-
gen van de AIV hard nodig omdat zowel overheids- als niet-gouvernementele organisa-
ties onvoldoende in staat bleken om hun plannen overeenkomstig de vele regels in te
dienen. Het was in dit verband dan ook niet verwonderlijk dat de EU niet in staat is om
de beschikbare middelen ook daadwerkelijk en tijdig aan te wenden. Positief is de AIV
over de invoering van een resultaatgebonden voortgang in de actieplannen, waarbij een
volgende stap steeds afhankelijk is van de voortgang in de eerdere fasen.
    Aanbeveling 6
    De AIV onderstreept de noodzaak voor deze vereenvoudingsoperatie bij EuropeAid en
    beveelt aan dat Nederland er in de (Europese) Raad en het Europese Parlement op
    toeziet dat dit ook daadwerkelijk resulteert in een snellere en eenvoudiger toekenning
    van middelen, afhankelijk van de voortgang in de uitvoering van de actieplannen.
    Aanbeveling 7
    In het licht van de belangen die voor de Unie en Nederland in deze regio op het spel
    staan, is het van grote betekenis dat voor de uitvoering van het ENB voldoende finan-
    ciële middelen beschikbaar zijn. De AIV dringt er bij de Nederlandse regering op aan
    om bij de onderhandelingen over het financiële raamwerk voor de Unie voor de periode
    2007-2013 te bewerkstelligen dat overeenkomstig de hiervoor genoemde uitgangs-
    punten de voor uitvoering van het ENB noodzakelijke financiële middelen beschikbaar
    worden gesteld, zodat adequaat kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen in deze
    regio.
Problematisch is voorts de tijd die verstrijkt tussen het formuleren en indienen van pro-
jectvoorstellen op het terrein van politieke en economische transformatie en de uitein-
delijke toekenning van middelen. Dit zou in de visie van de AIV bekort moeten worden,
bijvoorbeeld door in het voortraject reeds op beperkte schaal middelen beschikbaar te
stellen teneinde tot een gedegen uitwerking van een project of programmavoorstel te
kunnen komen. Een dergelijke maatregel zou ook het vermogen om slagvaardig te
reageren vergroten, indien zich plotseling nieuwe mogelijkheden voordoen om politieke
en/of economische hervormingen te ondersteunen. Uit gesprekken in met name Oekraï-
ne is de AIV gebleken dat deze slagvaardigheid ontbreekt, hetgeen in het bijzonder na
de Oranjerevolutie aldaar de Unie heeft belemmerd in haar vermogen adequaat te
reageren. Juist omdat het verloop van de ontwikkelingen in de oostelijke buurlanden
vooral door binnenlandse politieke en economische factoren wordt beïnvloed, is het
van groot belang om tijdig te kunnen inspelen op de politieke ontwikkelingen in de
regio en effectief de mogelijkheden te benutten om het beleidsinstrumentarium van de
EU en de lidstaten in te zetten108.
108 Zie ook de conclusies van de Conferentie ‘European Union and the South Caucasus: opportunities for
      intensified engagement’, European Centre for Conflict Prevention and Ministry of Foreign Affairs of the
      Netherlands, 24-26 May 2004, p. 5.
                                                     43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>     Aanbeveling 8
     De AIV acht het essentieel dat de slagvaardigheid van het instrumentarium van de
     EU en van de lidstaten om te reageren op de actualiteit wordt verhoogd. De AIV
     dringt er op aan dat in aanvulling op het beleid van het ENBI ook het voortraject
     (voor het formuleren en uitwerken van een gedegen projectvoorstel) op beperkte
     schaal voor financiering in aanmerking te laten komen. In dit kader beveelt de AIV in
     het bijzonder aan dat ten aanzien van de besluitvorming over de financiering van
     projecten een grotere delegatie van bevoegdheden, professionele uitvoeringscapaci-
     teit en middelen naar de EU-posten in de landen in kwestie plaatsvindt.
Bilaterale hulp
Nederland kent een tweetal bilaterale programma’s die relevant zijn voor de oostelijke
buurlanden van de EU. Dit betreft het Programma Maatschappelijke Transformatie (het
Matra-programma), dat gericht is op sociale, maatschappelijke en politieke transforma-
tie en dat door het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd en het Program-
ma Samenwerking Opkomende Markten (het PSOM) dat door het ministerie van Ontwik-
kelingssamenwerking wordt uitgevoerd en waaraan het ministerie van Economische
Zaken bijdraagt met betrekking tot Oekraïne. Beide programma’s zijn complementair.
Het eerder bestaande Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) van het ministerie
van Economische Zaken is per 1 juni 2005 opgegaan in het PSOM. Na een positieve
evaluatie ligt er voor het Matra-programma een nieuw beleidskader dat door het parle-
ment is goed-gekeurd en een budgettoekenning van 50 miljoen Euro. Positief vindt de
AIV de flexibiliteit, de vraaggestuurdheid, de langetermijnvisie en de afstemming op het
ENB, waarbij de uitbreiding naar de oostelijke en zuidelijke buren van de EU een logi-
sche vervolgstap is, waarmee de hulpinspanning gelijke tred houdt met de uitbreiding
van de Unie. Naast genoemde programma’s zijn er tal van hulpprogramma’s en initia-
tieven van de kant van medefinancieringsorganisaties, het georganiseerde bedrijfsle-
ven, mede-overheden, maatschappelijke organisaties, etcetera, gericht op het onder-
steunen van een breed scala van activiteiten. Via deze programma’s is een veelheid
aan organisaties betrokken bij uitwisselingsprogramma’s op het gebied van onderwijs,
de gezondheidszorg en cultuur, maar bijvoorbeeld ook van gemeentelijke samenwer-
king, politie, rechterlijke macht, de centrale bank en rekenkamers. De AIV juicht deze
ontwikkeling toe, mits de programma’s zich richten naar de prioriteiten zoals de ontvan-
gende landen die in de ENB-actieplannen zijn overeengekomen met de EU. Ook vindt
de AIV het verheugend dat beide bilaterale programma’s zich sterker op de oostelijke
ENB-landen gaan richten, waarbij de bijzondere aandacht voor de kiesgroeplanden die
Nederland vertegenwoordigt bij de Wereldbank en het IMF positief is omdat de Neder-
landse inbreng van verschillende kanalen daardoor gebundeld wordt. Daarnaast heeft
Nederland een materieel belang bij het veiligstellen van de productie en transit van
energie uit deze regio.
     Aanbeveling 9
     In navolging van de aanbevelingen ten aanzien van het beheer van ENB dringt de
     AIV er op aan om ook de bilaterale programma’s beheerstechnisch zoveel mogelijk
     te vereenvoudigen.
     Aanbeveling 10
     De AIV acht het van groot belang dat voor de uitvoering van de bilaterale program-
     ma’s een zodanig budget beschikbaar is, in het kader van zowel het Matra-program-
     ma als het PSOM, dat Nederland in staat is om een structurele en substantiële bij-
     drage te leveren aan het proces van economische en politieke hervorming in deze
                                             44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>      regio. Nederland kan daarbij teruggrijpen op de positieve ervaringen die zowel wat
      betreft aanpak, instrumenten als specifieke Nederlandse aandachtspunten zijn opge-
      daan in de relatie met de voormalige toetredingskandidaten.
      Aanbeveling 11
      De AIV beveelt aan dat bilaterale programma’s complementair aan het ENB zullen
      functioneren en dat de programma’s goed gecoördineerd worden met zowel het ENB
      als met de vakministeries. Ook juicht de AIV toe wanneer deze progamma’s een rol
      kunnen vervullen in het voortraject voor het ENBI.
Grensproblematiek en visumfacilitiatie
Behalve bevordering van de transformatie naar een democratische rechtsstaat en een
open markteconomie, richt het burenbeleid zich ook op regionale integratie van de
buurlanden onderling en op integratie van de grensgebieden aan beide zijden van de
grens, vooral om te voorkomen dat er onnodig nieuwe scheidslijnen in Europa gaan ont-
staan. De AIV voorziet echter dat het principe van vrij verkeer van personen en goede-
ren binnen het Schengen-gebied noodzakelijkerwijs zal leiden tot een verscherpte con-
trole aan de buitengrenzen.
      Aanbeveling 12
      Vrij personenverkeer binnen het Schengen-gebied leidt tot verscherpte controles aan
      de buitengrenzen. De AIV beveelt aan om de gevolgen hiervan in de grensgebieden
      zoveel mogelijk te verzachten door in het bijzonder het lokale grensverkeer waar
      mogelijk soepele regelingen te gunnen. In dit verband kunnen de desbetreffende
      Commissievoorstellen109 tot inspiratie dienen.
Inzake de verzoeken van ENB-landen betreffende visumfacilitiatie is van belang dat het
kortetermijnvisumbeleid een EG-bevoegdheid is. Het beleid voor langetermijnvisa is
vooralsnog een nationale bevoegdheid. Overigens is het in de praktijk niet zozeer de
visumvereiste die belemmerend werkt, als wel de tijdsduur, de complexiteit en de kos-
ten van de behandelingsprocedures die op nationaal niveau worden ingevuld. Vooral
ten aanzien van die behoefte tot versnelling en vereenvoudiging, ziet de AIV mogelijkhe-
den om tussen de lidstaten nadere coördinatieafspraken te maken. Ook zou gesproken
kunnen worden over redelijke tarieven voor de afgifte van visa. Deze problematiek moet
mede gezien worden in het licht van de wens van meer uitwisselingsprogramma’s.
      Aanbeveling 13
      Ten aanzien van visa voor zowel de korte als de lange termijn beveelt de AIV aan om
      in EU-verband na te denken over nadere coördinatiemaatregelen die kunnen leiden
      tot een versnelling en vereenvoudiging van de procedures voor de behandeling van
      visumaanvragen op nationaal niveau.
Rol van Rusland
Zoals in hoofdstuk twee is benadrukt, wordt Rusland in dit advies besproken als de
andere buur van de ENB-landen en daarmee als een onlosmakelijk deel van de drie-
hoeksverhouding tussen de Unie, de ENB-landen en Rusland. In deze verhouding
109 Voorstel voor een Verordening van de Raad tot instelling van een regeling inzake kleingrensverkeer aan de
     landbuitengrenzen van de lidstaten, Europese Commissie, COM(2003) 502 van 14.8.2003.
                                                    45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>neemt Rusland een cruciale positie in, onder andere als gevolg van zijn militaire aan-
wezigheid, de economische relaties, de afhankelijkheid van de Russische buurstaten
van levering van gas, olie en elektriciteit en door de aanwezigheid van (grote) Russische
minderheden. Rusland wenst dat deze bijzondere positie wordt erkend en dat met de
Russische belangen in deze regio in voldoende mate rekening wordt gehouden. De
eigenstandige positie van Rusland in de regio komt in de relatie met de Europese Unie
tot uitdrukking in het gegeven dat Rusland uitdrukkelijk stelt niet het lidmaatschap van
de EU te ambiëren110 en dat het een, van het ENB onderscheiden, geheel eigen vorm
van samenwerking met de Unie heeft ontwikkeld. Deze samenwerking heeft zijn beslag
gekregen in het beleidskader van de ‘vier gemeenschappelijke ruimtes’, waarover tijdens
de EU-Rusland top op 10 mei 2005 in Moskou111 overeenstemming werd bereikt. Met
deze ruimtes – waartoe in 2003 tijdens de top van Sint-Petersburg het initiatief werd
genomen – wordt voortgebouwd op en verdere invulling gegeven aan de samenwerkings-
overeenkomst (PCA) tussen Rusland en de Unie. Deze samenwerkingsovereenkomst
moet in 2007 worden vernieuwd. Hoewel het beleidskader van de vier gemeenschappelij-
ke ruimtes buiten het kader van het ENB valt, komt Rusland toch in aanmerking voor de
financiering van projecten uit het ENBI. Van belang is verder dat de EU haar beleid voort-
zet om programma’s te ontwikkelen met de gebiedsdelen die aan de EU grenzen.
Niet alleen voor Rusland staan grote belangen op het spel in deze regio. Binnen de in
hoofdstuk twee genoemde driehoeksverhouding (tussen de EU, de buurlanden en Rus-
land) zijn ook voor de Unie wezenlijke belangen en vraagstukken aan de orde. Daarbij
is betrokkenheid van Rusland dan wel een goede en evenwichtige relatie met dit land
van grote betekenis. Dit geldt in het bijzonder voor de reeds genoemde Russische
betrokkenheid bij de frozen conflicts.
Ook de groeiende energieafhankelijkheid van de EU van Russisch gas en olie en de
toenemende concurrentie op de energiemarkt in Azië van de opkomende economieën
van met name China en India, onderstreept eens te meer dat het burenbeleid van de
Unie niet zonder een adequate strategie voor Rusland kan. Uitgangspunt daarbij is dat
de Unie in het beleid ten aanzien van Rusland en de gemeenschappelijke buurstaten
openheid betracht en serieus rekening houdt met de Russische belangen in deze regio.
Gezien de eigenstandige positie van Rusland en de belangen die voor de Unie op het
spel staan, kan de vraag gesteld worden of de Europees-Russische relatie baat kan
hebben bij de schepping van nieuwe overlegstructuren, dat wil zeggen overlegstructuren
die verder gaan dan de instituties die in het kader van de huidige PCA zijn opgezet. Als
precedent kan gewezen worden op de bijzondere relaties die de Unie ontwikkelt met
andere belangrijke spelers op het wereldtoneel, zoals de VS en China. Ook de speciale
Rusland-NAVO raad kan hier als voorbeeld dienen. De eventuele noodzaak tot verdere
institutionele verankering van de Europees-Russische relatie moet, zo meent de AIV,
vooral ook bezien worden vanuit het belang om Rusland niet te isoleren en het te ver-
zoenen met de voortschrijdende toenadering van buurlanden tot de EU. De AIV pleit
voor het zowel inhoudelijk als institutioneel verder uitwerken van het beleid van de ‘vier
110 Of Rusland ooit lid van de EU zou kunnen worden, is een vraag die in dit advies niet aan de orde is. De
      AIV constateert dat Rusland geen blijk geeft een dergelijke status te ambiëren. Of het land ooit lid zou
      kunnen worden, mag van vraagtekens worden voorzien, gegeven de ligging en de omvang van Rusland.
111 Zie webpagina: <www.eu2005.lu> Relations EU-Russia.
                                                      46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>gemeenschappelijke ruimtes’. Zeker waar het gaat om de bespreking en besluitvorming
over kwesties van wederzijds belang, dient onderzocht te worden of het nuttig is om
een speciale overlegstructuur tussen de Unie en Rusland te creëren.
      Aanbeveling 14
      Met betrekking tot Rusland beveelt de AIV Nederland en de EU aan om in het over-
      leg een grote mate van openheid na te streven, teneinde eventuele achterdocht ten
      aanzien van het ENB in een vroegtijdig stadium weg te nemen. De inspanningen van
      de kant de Unie moeten erop gericht zijn Rusland maximaal te betrekken bij de
      pogingen om regionale conflicten op te lossen. Om dit te bereiken beveelt de AIV
      aan te onderzoeken welke speciale overlegstructuren daaraan dienstbaar kunnen
      zijn. De AIV dringt er tevens op aan om Rusland volledig te laten deelnemen aan het
      ENBI en om met name in te zetten op het ontwikkelen van programma’s in de Rus-
      sische gebiedsdelen die aan de EU grenzen. Tot slot is het voor de energiezekerheid
      van de Unie op de lange termijn van groot belang dat de EU als geheel deze materie
      in de relatie met Rusland vanuit een strategisch gezichtspunt beziet en hieraan prio-
      riteit geeft bij de verdere uitwerking van de overeengekomen economische ruimte
      met Rusland.
Het toetredingsperspectief
In hoofdstuk IV heeft de AIV de mogelijkheid van een toetredingsperspectief voor de
oostelijke ENB-landen besproken, in het bijzonder voor Oekraïne en Moldavië. Gezien
de politieke ontwikkelingen binnen de Unie is het nu niet het moment om een dergelijk
perspectief te concretiseren. Dat laat onverlet dat er zwaarwegende redenen zijn om in
antwoord op de politieke ontwikkelingen in de eerder genoemde landen, de relaties
met in het bijzonder Oekraïne en Moldavië te verdiepen. Zij zullen op enig moment een
verzoek tot lidmaatschap bij de Unie op tafel leggen. Om die reden is de AIV voorstan-
der van het formuleren van een langetermijnstrategie, waarbij uitgaande van het ENB
en onder de voorwaarde van verdere politieke en economische hervorming, de relaties
met de betrokken landen worden geïntensiveerd. Deze intensivering zou haar beslag
kunnen krijgen in de vorm van een nieuwe samenwerkingsrelatie als vervolg op de
bestaande PCA’s. Voor de AIV weegt bij deze aanpak zwaar dat het gaat om landen die
aan de Unie grenzen of dat binnen afzienbare termijn zullen doen, die cultureel, histo-
risch en geografische tot Europa behoren en die de wens hebben geuit tot de Unie toe
te treden. Het zwaarst weegt echter de overweging dat een toetredingsperspectief, ook
als het nog ver in de toekomst ligt, een belangrijke bijdrage kan leveren aan het welsla-
gen van het proces van politieke en economische transformatie. Het is echter aan de
landen zelf om het vooruitzicht op dit perspectief te verwezenlijken, waarbij niet vol-
doende kan worden benadrukt dat mocht dit perspectief op enig moment concreet wor-
den, zij zullen moeten voldoen aan de voorwaarden die aan iedere toetredingskandi-
daat worden gesteld.
      Aanbeveling 15
      De AIV realiseert zich dat in het licht van de ratificatieproblemen van het Verdrag tot
      vaststelling van een grondwet voor Europa en de zorg over de absorptiecapaciteit
      van de Unie een periode van reflectie over de toekomstige ontwikkeling van de Euro-
      pese Unie noodzakelijk is. Dit geldt ook voor een mogelijk toetredingsperspectief
      voor de oostelijke ENB-landen, Oekraïne en Moldavië in het bijzonder. Dit is voor de
      Unie niet het moment voor het geven van een toetredingsperspectief voor deze
      landen. Deze constatering doet in de visie van de AIV echter niet af aan de kracht
      van de in hoofdstuk vier weergegeven argumenten die de aspiratie van deze landen
                                                47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>      om tot de Unie toe te treden, ondersteunen. Om die reden dringt de AIV er bij de
      regering op aan om alert te blijven op deze materie. In het bijzonder dringt de AIV er
      bij de regering op aan de opstelling van een EU-langetermijnstrategie ten aanzien van
      Oekraïne en Moldavië te bevorderen, die tot doel heeft de betrekkingen met deze lan-
      den verder te intensiveren en mogelijk op een nieuwe institutionele grondslag vorm te
      geven. In de visie van de AIV zou het aflopen van de huidige partnerschaps- en
      samenwerkingsovereenkomsten met deze landen daartoe het geëigende moment zijn.
      Aanbeveling 16
      De AIV beveelt de regering aan de komende jaren, parallel aan de discussie over de
      uitbreiding, alert te blijven op het draagvlak voor uitbreiding van de EU onder de
      bevolking van de landen die reeds tot de Unie behoren. Daarmee wil overigens niet
      gezegd zijn dat de regering in deze niet haar eigen afwegingen zou moeten maken.
      De regering heeft naar de opvatting van de AIV in dit kader in het bijzonder ook een
      taak als het gaat om voorlichting en debat inzake (verdere) uitbreiding van de Unie.
      Aanbeveling 17
      Voor de Trans-Kaukasische landen beveelt de AIV vooralsnog voorzetting van het
      ENB aan, gebaseerd op de (bestaande) partnerschaps- en samenwerkingsovereen-
      komsten. Vanuit dit kader kan in voldoende mate worden ingespeeld op politieke
      ontwikkelingen in deze landen.
Voor de EU als waardengemeenschap, die zich in het bijzonder de bescherming van de
mensenrechten tot doel stelt, is de relatie met Belarus van bijzondere betekenis. Dui-
delijk is dat in de huidige omstandigheden de mogelijkheden voor de EU en Nederland
om bij te dragen aan verbetering van de mensenrechtensituatie aldaar in praktische zin
zeer beperkt is. Juist daarom is het van groot belang om de ontwikkelingen in dit land
scherp te volgen en vooral om blijvend contacten te onderhouden met groepen die
tegenwicht (kunnen) geven aan de verscherping van de dictatuur. Immers, op het
moment dat hier, net als recent gebeurd is in Kirgizië, een nieuwe regering aantreedt
die een meer democratische koers gaat varen, is het zaak snel tot een gericht hulppro-
gramma te komen. Daarnaast is het van groot belang dat de Unie haar inspanningen
afstemt met internationale organisaties die op het Europese continent een bijzondere
verantwoordelijkheid hebben voor en ervaring hebben met het vraagstuk van handha-
ving van de mensenrechten: de Raad van Europa en de OVSE. Dit geldt ook voor de
bilaterale contacten die onder dit soort moeilijke omstandigheden vaak van grote bete-
kenis zijn om de krachten van democratisering te ondersteunen.
                                               48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Adviesaanvraag toekomstig EU-beleid met betrekking tot de Oostelijke Buren
na de uitbreiding
Inleiding
De afgelopen twee jaar is geleidelijk binnen de Europese Unie een discussie op gang
gekomen over het beleid t.a.v. de (nieuwe) buurlanden, die in de nabije toekomst niet
in het proces van EU-uitbreiding zullen worden opgenomen. Centraal daarbij staat, dat
met de uitbreiding het ontstaan van nieuwe scheidslijnen binnen Europa dient te wor-
den voorkomen.
In maart 2003 publiceerde de Europese Commissie de Mededeling “ ‘Wider Europe’ –
New Neighbourhood: A New Framework for Relations with our Eastern and Southern
Neighbours”. Anticiperend op de uitbreiding van de Unie in 2004, stelt de Commissie
dat de EU in de toekomst als gebied van stabiliteit, welvaart en vooruitgang alleen suc-
cesvol kan zijn, wanneer zij de positieve ontwikkelingen binnen de EU ook kan projecte-
ren over de grenzen van de Unie heen.
Het gaat daarbij om het bevorderen van gedeelde waarden, en het versterken van
samenwerkingsverbanden, waardoor deze landen beter met de Unie kunnen samenwer-
ken bij het aanpakken van een breed scala van gezamenlijke uitdagingen. Tevens zou
bevorderd moeten worden, dat deze landen zich in hun interne transformatie geleidelijk
verder ontwikkelen in dezelfde richting als de Europese Unie.
De Mededeling spreekt zich bewust niet uit over een eventuele toetreding op termijn.
Het gaat om het bevorderen van allerlei vormen van samenwerking en integratie, los
van een mogelijk perspectief op lidmaatschap.
Aanvullend publiceerde de Commissie later in 2003 een tweede in dit kader relevante
Mededeling, t.w. “Paving the Way for a New Neighbourhood Instrument”, waarbij de ver-
dere ontwikkeling van het financiële instrumentarium dat de EU nodig heeft om dit
samenwerkingsproces te bevorderen centraal staat. In de discussie wordt hierbij soms
al een voorschot genomen op het aflopen van bestaande contractvormen als Partner-
schaps- en Samenwerkingsverdragen (vanaf 2007), het aflopen van de geldigheid van
de huidige TACIS-verordening (in 2006) en de financiële perspectieven na 2006. Hierbij
wordt tevens rekening gehouden met een uitfasering van instrumenten die van toepas-
sing waren op in 2004 (of in 2007) toetredende nieuwe lidstaten.
Hoewel de mededeling van de Commissie is geschreven als geïntegreerd kader voor de
relaties met de buurlanden, spitst deze zich toe op twee verschillende regio’s met een
eigen specifieke problematiek:
• de Oost-Europese regio van nieuwe buren: met name Oekraïne, Moldavië en Wit-
   Rusland, waarbij de Russische Federatie vooral als een factor van invloed op deze
   landen wordt meegenomen. Inmiddels wordt overwogen ook de landen van de Zui-
   delijke Kaukasus hieronder te laten vallen, waarover onder het Ierse Voorzitterschap
   een besluit zal moeten worden genomen;
• de Mediterrane regio.
In de discussie is steeds de noodzaak van differentiatie onderstreept, zowel tussen
deelregio’s als tussen samenwerkingsvormen met individuele landen. Tevens gaat het
erom voort te bouwen op reeds bestaande samenwerkingsvormen die tussen de EU en
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>de betreffende landen bestaan. In grote lijnen zijn de Commissie-voorstellen door de
RAZEB van 16 juni 2003 onderschreven.
Ook in de EU-veiligheidsstrategie, die de Europese Raad van 12-13 december 2003
vaststelde, wordt nadrukkelijk gewezen op het belang van economische en politieke
samenwerking met de buurlanden voor het creëren van een veilige omgeving rondom
de Europese Unie.
Begin mei 2004 zal de Commissie, waar nodig in nauwe samenwerking met de Hoge
Vertegenwoordiger voor het GBVB, de eerste individuele Actieplannen m.b.t. een aantal
nieuwe buren presenteren. Deze plannen zullen uiteindelijk met de betreffende landen
moeten worden overeengekomen. De RAZEB van juni a.s. zou deze Actieplannen en
verdere Commissie-intiatieven terzake moeten bespreken. Het “Wider Europe”-initiatief
is inmiddels herdoopt tot “European Neighbourhood Policy”.
In deze adviesaanvraag staat de gewenste richting van de concrete uitwerking van deze
“European Neighbourhood Policy” centraal. Deze adviesaanvraag zal zich daarbij vooral
richten op het te voeren beleid m.b.t. de drie bovengenoemde nieuwe Oosterburen.
Daarnaast wordt separaat op de rol van de Russische Federatie ingegaan, met inbegrip
van enige toegespitste vragen die in dit kader aan U worden voorgelegd. De regio die
daarmee door de adviesaanvraag wordt bestreken vertoont voldoende samenhang om
zinvol als één geheel te worden behandeld. Tot slot wordt nog kort ingegaan op een
mogelijke uitbreiding van het “European Neighbourhood Policy”-concept in de richting
van de Zuidelijke Kaukasus, aangezien dit element in de discussie een nieuwe stimu-
lans heeft gekregen door de recente ontwikkelingen in Georgië.
Ondersteuning van transformatie
Nu het perspectief op toetreding niet expliciet onderdeel is van een EU beleid richting
de “nieuwe buren”, zal toch op enigerlei wijze een effectieve “conditionaliteit” moeten
worden ingebouwd om de transformatie naar markteconomie en democratische rechts-
staat aan te moedigen en te ondersteunen. Bij de Midden- en Oost-Europese landen
die in 2004 (of later in 2007) zullen toetreden was dit perspectief uiteindelijk de beste
stimulans om impopulaire maatregelen op de korte termijn in eigen land te verkopen.
Hoe kan zonder een dergelijk perspectief toch effectief een zekere convergentie van
beleid worden bevorderd aan weerszijden van de grens?
In dit kader kunt U aandacht besteden aan de volgende punten:
• dient een nieuw soort contractuele relatie met deze landen de huidige PCA’s (die
    voor 10 jaar gelden en voor de meeste landen rond 2007 aflopen) te vervangen? Zo
    ja, op welke terreinen zijn aanvullende afspraken nodig? Hierbij dient ook te worden
    betrokken, dat de huidige PCA’s in de praktijk door de meeste landen al sub-opti-
    maal lijken te worden benut. Hoe kan worden bevorderd dat eventuele nieuwe bilate-
    raal af te spreken “benchmarks” en actieplannen ook daadwerkelijk in de praktijk
    worden gebracht?
• met welk soort instrumentarium kan de EU het meest effectief de betreffende
    landen bij hun transformatie ondersteunen? De huidige TACIS-verordening loopt in
    2006 af en thans al wordt vooral voor grensoverschrijdende regionale samenwerking
    gekeken naar elementen van PHARE (dat met de toetreding van de betreffende
    landen wordt uitgefaseerd), Interreg en andere instrumenten.
• dienen vormen van regionale grensoverschrijdende samenwerking als het “Noordelij-
    ke Dimensie-initiatief” of het Stabiliteitspact voor de Balkan als voorbeeld voor een
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>    nieuw te ontwikkelen “Oostelijke Dimensie” (waarvan ondermeer Polen een voor-
    stander is)?
• hoe dient de EU-ondersteuning te worden afgebakend t.o.v. wat andere internationa-
    le organisaties (Wereldbank, EBRD, NAVO, Raad van Europa en OVSE) in dezelfde
    landen doen om een succesvolle transformatie te bevorderen?
• hoe kan worden gestimuleerd dat EU-ondersteuning en vergelijkbare bilaterale
    ondersteuning vanuit de lidstaten zoveel mogelijk op elkaar wordt afgestemd?
• hoe kan het beste gebruik worden gemaakt van de in de toetredende landen (als
    Polen, Litouwen en Hongarije) inmiddels opgedane kennis en ervaring bij het door-
    voeren van een succesvolle transformatie?
Landenspecifieke perspectieven
Wanneer het gaat om differentiatie en nadere invulling van “Wider Europe”/European
Neighbourhood Policy moet ook nauw rekening worden gehouden met de ervaringen die
de betreffende landen de afgelopen tien jaar met de EU hebben gehad en hun eigen
visie op hoe de relaties zich verder zouden moeten ontwikkelen.
Met Oekraïne bestaat een gestructureerde relatie in het kader van een Partnerschaps-
en Samenwerkingsakkoord. Onlangs is uit een gezamenlijke evaluatie gebleken, dat de
invulling hiervan op een aantal terreinen nog duidelijk voor verbetering vatbaar is. Op
het terrein van justitie en binnenlandse aangelegenheden is reeds een zekere bench-
marking overeengekomen. Ook had één van de eerste Gemeenschappelijke Strategieën
van de EU betrekking op Oekraïne. Over de effectiviteit van dit (eenzijdige EU-) instru-
ment bestaan zware twijfels. Hoewel de mogelijkheden van de bestaande samenwer-
king binnen de huidige structuren nog geenszins zijn uitgeput, tracht Oekraïne telkens
weer toe te werken naar een nieuwe verdragsrelatie en wil het op enigerlei wijze vast-
gelegd zien, dat het een perspectief heeft op uiteindelijke toetreding tot de EU. De hui-
dige inzet is een vorm van Associatie-overeenkomst, waardoor Oekraïne op termijn
naar de EU kan toegroeien. Oekraïne heeft met name in Polen een pleitbezorger in het
Europa van na de uitbreiding.
Ook met Moldavië bestaat thans een Partnerschaps- en Samenwerkingsakkoord. Daar-
naast ondersteunt de EU de pogingen van de OVSE om een oplossing tot stand te
brengen voor het conflict rond Transdnjestrië. Met een toetreding van Roemenië in
2007 komt Moldavië direct aan de EU te grenzen. Bovendien zal de relatie met Roe-
menië (waartoe voor de Tweede Wereldoorlog een groot deel van het huidige Moldavië
behoorde) ook binnen de EU gevolgen kunnen hebben, wanneer het conflict rond Trans-
dnjestrië in 2007 nog niet zou zijn opgelost. Moldavië dat deel uitmaakt van het Stabili-
teitspact voor Zuidoost-Europa ziet zijn toekomstige relatie met de EU het liefst langs
dezelfde lijnen verlopen als andere deelnemers aan dit Stabiliteitspact, t.w. de Balkan-
landen. Aan deze laatste groep van landen is een duidelijk perspectief op toetreding op
termijn geboden. In dit licht doet zich de vraag voor, of aan Moldavië niet ook een per-
spectief op een Stabilisatie- en Associatieakkoord zou moeten worden geboden en zo
ja, onder welke voorwaarden?
Het meest problematisch zijn de relaties met Wit-Rusland. De EU voert vanwege het
autoritaire regime in Minsk een restrictief beleid gebaseerd op desbetreffende Raads-
conclusies uit 1997. In 2002 kwam de EU een intern benchmark-papier overeen, dat
aangaf hoe de EU met positieve maatregelen kan reageren op concrete stappen de
autoriteiten in Minsk zetten op het pad van politieke en economische hervormingen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Tot nu toe beweegt de regering in Minsk echter nog geenszins in de door de EU
beoogde richting. De Wit-Russische lidmaatschapsaanvraag voor de Raad van Europa is
al enige tijd bevroren. Ook is er geen PCA met de EU. Binnen de EU begint zich
opnieuw een discussie te ontvouwen over welke mogelijkheden de EU (al dan niet
gebaseerd op “Wider Europe”) heeft om de ontwikkelingen te beïnvloeden en bijvoor-
beeld de civil society en vrije media te blijven ondersteunen.
Welke landenspecifieke aanbevelingen kunt U doen, zowel in het licht van de bovenge-
stelde vragen m.b.t. de bevordering van een succesvolle transformatie als in verband
met de in het navolgende deel gestelde vragen m.b.t. de mogelijkheden voor verdere
integratie in bredere Europese en Euro-atlantische kaders?
Integratie van de Nieuwe Oostelijke Buren in Europese en Euro-atlantische
kaders
In de Commissie-mededeling is sprake van een bredere integratie van de betreffende
landen, waarbij zelfs een zekere deelname aan de interne markt op termijn niet wordt
uitgesloten. Uitbreiding van de vier vrijheden (vrijheid van beweging voor personen,
goederen, diensten en kapitaal) is een belangrijk element. Op termijn zouden de buur-
landen kunnen deelnemen aan een bredere Vrijhandelszone.
Hierbij kunnen allereerst de volgende vragen worden gesteld:
• hoe ziet u de mogelijkheden voor deelname van de oosterburen aan de interne
    markt en uitbreiding van de vier vrijheden? Welke voorwaarden zouden hiervoor
    moeten gelden?
• moet de Unie streven naar vrijhandelsakkoorden met de oosterburen (na lidmaat-
    schap WTO), net zoals met de zuiderburen?
• welke institutionele kaders zouden het best bijdragen tot het bereiken van deze
    doelstellingen?
Bij dit alles moet tevens rekening worden gehouden met de rol die Rusland nog altijd in
de bredere regio van de voormalige Sovjet-Unie speelt. Hierop wordt meer specifiek
ingegaan in het hiernavolgende deel over de “Rusland-factor”.
In deze context kan alvast worden gerefereerd aan de intentie van de EU om in de rela-
tie met de Russische Federatie invulling te geven aan de zogenaamde vier gemeen-
schappelijke ruimtes, zoals overeengekomen tijdens de EU-Rusland topconferenties in
2003 in St. Petersburg en in Rome:
• Gemeenschappelijke Europese Economische Ruimte, vergezeld van een intensieve
    energie-dialoog;
• Gemeenschappelijke Ruimte van Interne Veiligheid (justitie en binnenlandse zaken),
    waaronder bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme;
• Gemeenschappelijke Ruimte van Externe Veiligheid; samenwerking op het gebied
    van GBVB en EVDB;
• Gemeenschappelijke Ruimte van Onderwijs, onderzoek en cultuur.
Vragen in dit verband zouden kunnen zijn:
• moeten de gemeenschappelijke ruimtes die met Rusland worden uitgewerkt uitein-
    delijk ook de oostelijke partners uit het “Wider Europe”-concept omvatten?
• in welke mate zou de EU zich bij de invulling van de relaties met Rusland moeten
    laten leiden door de belangen van de oostelijke nieuwe buren?
• kan de EU op sommige terreinen gemakkelijker en eerder overeenstemming berei-
    ken met de nieuwe oosterburen dan met Rusland?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>De relatie van de nieuwe Oosterburen van de EU met de Russische Federatie
In het bovenstaande werd reeds ingegaan op de EU-Rusland relatie. Er is echter nog
een ander belangrijk aspect, nl. de keuze waarvoor de nieuwe oosterburen zich gesteld
zien tussen enerzijds integratie in Europese en Euro-atlantische structuren en ander-
zijds integratie in oostelijke (veelal door Rusland gedomineerde) kaders.
De Russische Federatie heeft duidelijk te kennen gegeven, dat het de voorkeur geeft
aan een aparte (liefst geprivilegieerde) relatie met de EU boven een eventueel lidmaat-
schap. Rusland voelt zich voor dit laatste te groot en te speciaal (“Euraziatisch”) om
zich te voegen in een verband waarin het één van de vele leden is.
Eenzelfde Russische opstelling geldt voor het “Wider Europe”-initiatief. De Commissie
was in de “Wider Europe”-Mededeling onduidelijk of de Russische Federatie uiteindelijk
ook zelf object van deze exercitie zou kunnen zijn en niet alleen een factor van invloed
op de relaties van de EU met de nieuwe oosterburen. Rusland zelf heeft inmiddels alle
onduidelijkheid weggenomen: ook voor een behandeling in het kader van “Wider Euro-
pe” voelt het zich te groot en te speciaal. Dat neemt overigens niet weg dat de Com-
missie in haar recente Mededeling inzake EU-Rusland relaties zich een voorstander
betoont van een Actieplan ter invulling van de vier gemeenschappelijke ruimtes, dat in
zekere zin vergelijkbaar zal zijn met de Actieplannen die nu worden ontwikkeld voor de
relaties met de nieuwe oosterburen.
Rusland is voor de nieuwe oosterburen van de EU niet alleen een zeer belangrijke part-
ner, doch ook een kracht die streeft naar alternatieve vormen van (economische) inte-
gratie binnen het GOS of met een kleiner aantal staten uit de voormalige Sovjet-Unie.
Binnen het GOS zijn er vanaf het begin vele pogingen geweest, waarvan de meeste in
mooie woorden bleven steken. De meest recente poging is een plan voor een Gemeen-
schappelijke Economische Ruimte tussen Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne en Kazach-
stan. Met name in Oekraïne stuit dit bij een deel van de politieke elite op grote weer-
standen, gezien de negatieve invloed die hiervan uit kan gaan op de gewenste
integratie in Europese (EU-) structuren. Ook in Wit-Rusland zijn bezwaren geuit: hoewel
Minsk een nauwere integratie met Rusland (ook in het kader van een Russisch-Wit-
Russische Unie) nastreeft, lijken de voorwaarden die Moskou hiervoor stelt (en waarbij
Wit-Rusland een ondergeschikte partner zou worden) niet aanvaardbaar voor President
Loekasjenko. Alle bij eerdergenoemde Gemeenschappelijke Economische Ruimte
betrokken landen wensen toe te treden tot de WTO, doch of dit gelijktijdig zou kunnen
geschieden is zeer de vraag, gezien het verschillende niveau en mate waarin hervor-
mingen zijn doorgevoerd.
Parallel aan Russische pogingen een vorm van economische integratie met een aantal
GOS-staten te verwezenlijken is de laatste jaren sprake van een duidelijk assertiever
Russisch buitenlands beleid t.a.v. de GOS-landen (het “Nabije Buitenland”). Hierbij
wordt dit als een speciale zone van Russisch belang beschouwd, hetgeen ook impli-
ceert dat er tot nu toe minder bereidheid blijkt om hierover met derde landen (incl. EU)
te spreken, laat staan samen te werken. Rusland gebruikt ook de veelal nog bestaan-
de economische afhankelijkheid (waaronder op energie-gebied) om politieke invloed op
de landen in kwestie te blijven houden. Daarnaast is in deze landen sprake van groei-
ende economische invloed van Rusland door overname van ondernemingen door Russi-
sche bedrijven.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Vragen in dit kader zouden kunnen zijn:
• Hoe dient de EU zich op te stellen t.a.v. integratie-pogingen binnen het GOS en in
    het bijzonder: wat is voor de EU wel en niet in strijd met integratie in westelijke
    Europese kaders?
• Wat betekent e.e.a. voor WTO-toetreding van de desbetreffende landen, inclusief
    Rusland?
• Hoe dient de EU om te gaan met druk die Rusland uitoefent op landen van het
    “Wider Europe”; dient de EU de betreffende landen speciale ondersteuning te verle-
    nen om dergelijke druk beter het hoofd te kunnen bieden?
• Hoe zou EU alsnog een meer coöperatieve opstelling van Rusland kunnen bevorde-
    ren bij samenwerking om bevroren conflicten in GOS-staten (in dit kader met name
    Moldavië/Transdnjestrië) op te lossen?
Uitbreiding van “Wider Europe” tot de Zuidelijke Kaukasus?
De EU heeft zich recentelijk actiever betoond met betrekking tot de Zuidelijke Kauka-
sus. Benoeming van een Speciale Vertegenwoordiger, de Finse Ambassadeur Talvitie,
past in dit kader. In gesprekken met de drie landen in kwestie (Armenië, Azerbajdzjan
en Georgië) bleek duidelijk hun wens om het “Wider Europe” concept ook uit te breiden
tot de Zuidelijke Kaukasus. De RAZEB heeft hiertoe de ruimte steeds opengelaten en
naar aanleiding van de recente ontwikkelingen in Georgië aanvaard, dat tijdens het
Ierse Voorzitterschap een besluit hierover zal worden genomen.
Hierbij doet zich tevens de vraag voor, of en zo ja hoe kan worden gedifferentieerd tus-
sen de Zuid-Kaukasische landen en welke conditionaliteit zal gelden voor uitwerking
van concrete Actieplannen? Overigens zijn alle drie Zuid-Kaukasische landen partner
van de EU in het kader van een PCA en zijn zij ook alle lid van de Raad van Europa.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                  Bijlage II
Lijst van geraadpleegde personen in Brussel, Warschau, Moskou en Kiev
Gesprekspartners Brussel
De permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden voor de EU,
Afdeling Economische Zaken voor Centraal-Azië en Oost-Europa, met name Rusland, Oekraïne
en Zuid-Kaukasus
    Dhr. Kees Fraterman
Raadssecretariaat
    Dhr. Kees van Rij
Europese Commissie, DG Uitbreiding, Task Force Wider Europe
    Dhr. Axel Sotiris Walldén
Ambassade Georgië, Ambassadeur
    Dhr. Konstantin Zaldastanishvili
    Mw. Paata Kanandadze
Ambassade Azerbeidzjan, Ambassadeur
    Dhr. Arif Mamedov
Ambassade Armenië, Ambassadeur
    Dhr. Viguen Tchitechian
Ambassade Moldavië, waarnemend voor vertrekkend ambassadeur
    Dhr. Emile Druc
    Dhr. Mihai Popov
    Mw. Natalia Solcan
Gesprekspartners Warschau
Cabinet of Minister, commissie Europese Integratie
   Mw. Karine Kostrzewa
Center for International Relations, verantwoordelijk voor ENP-studie
   Dhr. Wojciech Borodzicz-Smoliƒski
Centre for International Relations, voorzitter
   Dhr. Janusz Reiter
Centre for Social and Economic Research (CASE), Belarus en Oekraïne specialist
   Mr. Mateusz Walewski
Centre for Social and Economic Research (CASE), lid CASE-raad
   Dhr. Piotr Kozarzewski
Centre for Social and Economic Research (CASE), vice-voorzitter
   Dhr. Artur Radziwill
Centre for Eastern Studies, Directeur van het departement voor Oekraïne, Belarus,
Moldavië en de Baltische Staten
   Dhr. dr. Pawel Wolowski
Centre for Eastern Studies, directeur van het Russisch departement
   Mw. Katarzyna Pelczyńska-Nale‚cz
Centre for Eastern Studies, Oekraïne specialist
   Dhr. Tadensz Olszanski
Centre for Eastern Studies, Oekraïne specialist
   Dhr. Akadusarna
Ministerie van Buitenlandse Zaken, DG Europese Integratie
   Dhr. Pawel Âwieboda
Diplomaten Academie, Rector
   Prof. Roman Kuzniar
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Institute of Public Affairs, het Europese programma
   Dhr. Mateusz Falkowski
Institute of Public Affairs, Programma Directeur
   Dhr. Jacek Kucharczyk
Know How Foundation
   Dhr. Waldemar Dubaniowski
Polish Forum of Young Diplomats
   Dhr. Zbigniew Pisarski
   Dhr. Michal Czaplicki
   Mw. Katarzyna Pisarska
   Mw. Izabela Milewska
   Mw. Maja Kurzyna
   Dhr. Krzysztof Izkowski
Stefan Batory Foundation, directeur
   Dhr. Aleksander Smolar
Stefan Batory Foundation, directeur programma’s
   Dhr. Jakub Boratynski
UNHCR, Warschau
   Mw. Agnieszka Rosewitz
UNHCR, Warschau, vertegenwoordiger voor Polen
   Dhr. Jaime Ruiz de Santiago
Vice-Minister, presidentieel adviseur Oost Europa
   Prof. dr. Adam Daniel Rotfeld
Nederlandse vertegenwoordiging in Warschau
Ambassadeur
   Dhr. Jan Edward Craanen
Ambassaderaad
   Dhr. Henk van den Dool
Eerste ambassade secretaris
   Dhr. Jeroen Boender
Tweede ambassade secretaris
   Mw. Gine Terpstra
Assistent voor het MATRA-programma Belarus
   Dhr. Lucasz Byrski
Gesprekspartners Moskou
Centrale Bank van de Russische Federatie, vice-voorzitter
    Dhr. Dimitry Tulin
Institute of Strategic Assessments, directeur
    Dhr. Alexander Konovalov
Kantoor van de President, Adviseur Poetin met betrekking tot EU-Rusland Relaties
   Dhr. Sergey Yastrzhembski
Lid academie van wetenschappen, directeur Onderzoek Russia in the United Europe,
NGO, denktank.
   Mw. Nadia Arbatova
Ministerie van Buitenlandse Zaken, directeur European Cooperation
   Dhr. Mikail Evdokimov
Ministerie van Buitenlandse Zaken, First European Department
   Dhr. Oleg Belous
Ministerie van Buitenlandse Zaken, Hoofd First European Department
   Dhr. Boris Zhilko
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Ministerie van Buitenlandse Zaken, plaatsvervangend directeur Foreign Policy Planning
    Dhr. Dimitry Komavenko
National Security Council, plv. Secretaris
    Dhr. Nicolay Spasski
Russische Academie van Wetenschappen; Instituut van VS Canada studies,
plaatsvervangend directeur
    Dhr. prof. Victor Kremenyuk
Russische Academie van Wetenschappen; Instituut van VS en Canada studies, directeur,
lid van Russische Academie van Humanities Research
    Dhr. prof. Victor Supyan
Russische Academie van Wetenschappen; Instituut van VS en Canada studies, hoofd
militair-politieke studies
    Dhr. Vladimir Sizov
Russische Democratische Partij “Yabloko”, hoofd regio afdeling
    Mw. Mihaleva Galina
Gasten gesproken tijdens buffetdiner
Carnegie Moscow Center, analist
    Dhr. Nicolay Petrov
Carnegie Moscow Center, scholar-in-residence
    Dhr. A. Raybov
Centre for Strategic Studies, directeur
    Dr. A. Piontkovsky
Centre of Political Tecnologies
    Dhr. Igor Bunin
Centre of Political Tecnologies
    Dhr. Alexsei Makarkin
Council on Foreign and Defense Policy, lid
    Dhr. Vitaly Shlykov
Foundation of Prospective Studie and Initiatives, Executive directeur
    Mw. dr. Irina Kobrinskaya
Gevolmachtigd Minister van de Verenigde Staten
    Dhr. Kirk Augustine
Helsinki Federation of Human Rights
    Mw. Ludmilla Alexeeva
Institute of European Studies, directeur
    Prof. dr. Mark Entin
Institute of Modern Politics, voorzitter; Oud lid Duma
    Dhr. Vladimir Lisenko
Institute of USA and Canada Studies, directeur
    Dhr. Sergei Rogov
Institute of World Economy and International Relations
    Mw. dr. Nadia Arbatova
Institute of World Economy and International Relations
    Dhr. dr. A. Arbatov
Institute of World Economy and International Relations
    Mw. Elina Kiritchenko
Parlementslid Nationale Doema
    Dhr. Klimov
Parlementslid Nationale Doema
    Dhr. Anatoly Ermolin
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Political Studies Institute, directeur
    Dhr. Sergei Markov
Radio Freedom, politiek columnist
    Dhr. Vitali Portnikov
Vnesheconombank, adviseur Department of Information and Foreign Relations
    Dr. Sergei Lavrov
Nederlandse vertegenwoordiging in Moskou
Ambassadeur
   Dhr. Tiddo P. Hofstee
Plaatsvervangend chef de poste / Hoofd politieke afdeling
   Dhr. Hero de Boer
Plaatsvervangend hoofd politieke afdeling
   Dhr. Onno Elderenbosch
Defensie attaché
   Dhr. Colonel Kees Ros
Hoofd economische afdeling
   Mw. Gerdalies van Diggelen
Adviseur
   Dhr. Bert Zegger
Eerste ambassade secretaris politieke afdeling
   Dhr. Alex Oosterwijk
Tweede ambassade secretaris politieke afdeling
   Dhr. Achraf Bouali
Tweede ambassade secretaris politieke afdeling
   Mw. Sanne Löwenhardt
Tolk, defensieanalist
   Mw. Sara van Halsema
Tolk
   Mw. Vetr
Tolk
   Mw. Maksimchuk
Gesprekspartners Kiev
Presidentieel Secretariaat, hoofd
   Dhr. Olexander Motsyk
Vice-Eerste Minister voor Eurointegratie
   Dhr. Oleh Rybachuk
Plaatsvervangend Minister van Buitenlandse Zaken
   Dhr. Oleg Shamshur
Administratie van de President, Directoraat Buitenlands Beleid, hoofd adviseur
   Mw. Tetiana Kovalevska
Nationale Bank van Oekraïne, gouverneur
   Dhr. Volodymyr Stelmakh
Nationale Bank van Oekraïne, directeur Economische Analyse en Voorspellingen
   Dhr. Oleksandr Petryk
Nationale Bank van Oekraine, hoofd econoom
   Dhr. Andrey Spodarenko
ProCredit Bank, algemeen directeur
   Dhr. Dirk Haböck
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Parlement (Verkhovna Rada), voorzitter
    Dhr. Volodymyr Lytvyn
EU Delegatie, plaatsvervangend hoofd van de vertegenwoordiging
    Dhr. Steffen Skovmand
EU Delegatie, beleidsmedewerker politieke zaken
    Mw. Rosaria Puglisi
Nationale Veiligheidsraad, voorzitter
    Dhr. Petro Poroshenko
Nationale Veiligheidsraad, plaatsvervangend secretaris
    Dhr. Serhii Pyrozhkov
Association of Psychiatrists of Ukraine, mensenrechtenactivist
    Dhr. Semyon Gluzman
Centre for Economic Development, directeur
    Dhr. Alexander Paskhaver
Association of Young Politicologists of Ukraine, lid
    Mw. Oksana Zvarych
Association of Young Politicologists of Ukraine, lid
    Dhr. Oleksander Solostay
Nederlandse vertegenwoordiging in Kiev
Tijdelijk zaakgelastigde
    Dhr. Willem O. Bentinck
Ambassaderaad
    Mw. Marie Florence van Es
Eerste ambassade secretaris
    Dhr. Jeffry Tchong
Tweede ambassade secretaris economische en culturele zaken
    Dhr. Henry Kol
Tolk
    Dhr. Vladyslav Topchev
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Bijlage III
Kenschetsen van de buurlanden1
Armenië
Oppervlakte:                  29.800 km2
Bevolkingsomvang:             2.982.904                    (2005)
Bevolkingsgroei:              – 0,25%                      (2005)
BNI:                          USD 2,9 miljard              (2003)
BNI per capita:               USD 950                      (2003)
BBP:                          USD 2,8 miljard              (2003)
Groei BBP:                    13,9%                        (2003)
PPP2:                         USD 13,65 miljard            (2004)
PPP per capita:               USD 4.600                    (2004)
Groei PPP:                    9%                           (2004)
Buitenlandse schuld:          USD 905 miljoen              (2003)
Hulp per capita:              USD 81,0                     (2003)
Lid WTO sinds 2003
Export:                       USD 850 miljoen (2004)
Exportproducten:              diamant, mineralen, voedingsmiddelen, brandstof
Exportpartners:               België 18,2%, VK 16,8%, Israël 15,7%, Rusland 12,1%, Iran 7,9%,
                              VS 6,3%, Duitsland 5% (2003)
Import:                       USD 1,3 miljard (2004)
Importproducten:              natuurlijk gas, petroleum, tabaksproducten, voedingsmiddelen,
                              diamanten
Importpartners:               België 11,6%, Rusland 11,6%, Israël 11,3%, VS 9,5%, Iran 8,8%,
                              Duitsland 6,7%, Ver. Arab. Emiraten 5,4%, Italië 4,7%, Oekraïne 4,6%
                              (2003)
1   Bronnen: World Bank Indicators 2004, webpagina
    <http://www.worldbank.org/data/countrydata/countrydata.html> en CIA The World Factbook, webpagina
    <http://www.cia.gov/cia/publications/factbook/>, WTO, webpagina <http://www.wto.org/>.
2   Purchasing Power Parity (Relatief BBP) maakt het mogelijk om de koopkracht van het nationaal inkomen te
    vergelijken. Bron: The World Fact Book – Notes and Defenitions, CIA. Zie webpagina:
    <http://www.cia.gov/cia/publications/factbook/docs/notesanddefs.html>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Azerbeidzjan
Oppervlakte:         86.600 km2
Bevolkingsomvang:    7.911.974               (2005)
Bevolkingsgroei:     0,59%                   (2005)
BNI:                 USD 6,7 miljard         (2003)
BNI per capita:      USD 820                 (2003)
BBP:                 USD 7,1 miljard         (2003)
Groei BBP:           11,2%                   (2003)
PPP:                 USD 30,01 miljard       (2004)
PPP per capita:      USD 3.800               (2004)
Groei PPP:           9,8%                    (2004)
Buitenlandse schuld: USD 1,832 miljard       (2004)
Hulp per capita:     USD 36,0                (2003)
Geen lid WTO
Export:              USD 3.168 miljard (2004)
Exportproducten:     olie en gas (90%), machinerie, katoen en voedingsmiddelen
Exportpartners:      Italië 34,1%, Tsjechië11,4%, Duitsland 10,5%, Frankrijk 8,2%,
                     Turkije 5,9%, Georgië 4,5%, Rusland 4,5% (2003)
Import:              USD 3,622 miljard (2004)
Importproducten:     machinerie, aardolieproducten, voedingsmiddelen, metalen,
                     chemische stoffen
Importpartners:      Rusland 15,5%, Turkije 12%, VK 8,7%, Duitsland 8,1%, China 7,8%,
                     Oekraïne 5,4%, Italië 4,6%, VS 4,6%, Kazachstan 4,3% (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Belarus
Oppervlakte:         207.600 km2
Bevolkingsomvang:    10.300.483              (2005)
Bevolkingsgroei:     – 0,09%                 (2005)
BNI:                 USD 15,8 miljard        (2003)
BNI per capita:      USD 1600                (2003)
BBP:                 USD 17,5 miljard        (2003)
BBP groei:           6,8%                    (2003)
PPP:                 USD 70,5 miljard        (2004)
PPP per capita:      USD 6.800               (2004)
Groei PPP:           6,4%                    (2004)
Buitenlandse schuld: USD 600 miljoen         (2004)
Hulp per capita:     USD 3,2                 (2003)
Geen lid WTO
Export:              USD 11,47 miljard (2004)
Exportproducten:     machinerie, mineralen, chemische stoffen, metalen, textiel,
                     voedingsmiddelen
Exportpartners:      Rusland 49,1%, VK 9,4%, Polen 4,4%, Duitsland 4,2%, Nederland 4,2% (2003)
Import:              USD 13,57 miljard (2004)
Importproducten:     mineralen, machinerie, chemische stoffen, voedingsmiddelen, metalen
Importpartners:      Rusland 65,8%, Duitsland 7,1%, Oekraïne 3,1% (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Georgië
Oppervlakte:          69.700 km2
Bevolkingsomvang:     4.677.401                (2005)
Bevolkingsgroei:      0,35%                    (2005)
BNI:                  USD 3,9 miljard          (2003)
BNI per capita:       USD 770                  (2003)
BBP:                  USD 4,0 miljard          (2003)
BBP groei:            11,1%                    (2003)
PPP:                  USD 14,45 miljard        (2004)
PPP per capita:       USD 3.100                (2004)
Groei PPP:            9,5%                     (2004)
Buitenlandse schuld:  USD 1,8 miljard          (2004)
Hulp per capita:      USD 42,9                 (2004)
Lid WTO sinds 2000
Export:              USD 909,4 miljoen (2004)
Exportproducten:     schroot, machinerie, chemische stoffen, brandstof (doorvoer),
                     citrus, thee, wijn
Exportpartners:      Rusland 17,7%, Turkije 17,3%, Turkmenistan 12,2%, Armenië 8,6%,
                     Zwitserland 6,9%, Oekraïne 6,3%, VK 5,9% (2003)
Import:              USD 1,806 miljard (2004)
Importproducten:     brandstof, machinerie, transportmiddelen, graan en andere
                     voedingsmiddelen, farmaceutische producten
Importpartners:      Rusland 14%, VK 12,9%, Turkije 9,9%, Azerbeidzjan 8,3%, VS 8%,
                     Duitsland 7,3%, Oekraïne 7%, Frankrijk 4,9% (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Moldavië
Oppervlakte:         33.843 km2
Bevolkingsomvang:    4.455.421                (2005)
Bevolkingsgroei:     0,22%                    (2005)
BNI:                 USD 2,1 miljard          (2003)
BNI per capita:      USD 590                  (2003)
BBP:                 USD 2,0 miljard          (2003)
Groei BBP:           6,3%                     (2003)
PPP:                 USD 8,581 miljard        (2004)
PPP per capita:      USD 1.900                (2004)
Groei PPP:           6,8%                     (2004)
Buitenlandse schuld: USD 1,515 miljard        (2003)
Hulp per capita:     USD 27,5                 (2003)
Lid WTO sinds 2001
Export:              USD 1,03 miljoen (2004)
Exportproducten:     voedingsmiddelen, textiel,
                     machinerie
Exportpartners:      Rusland 39%, Roemenië 11,4%,
                     Italië 10,4%, Duitsland 7,1%,
                     Oekraïne 7,1%, Belarus 5,2%,
                     VS 4,3% (2003)
Import:              USD 1,83 miljard (2004)
Importproducten:     mineralen en brandstof 32%,
                     machinerie, chemische stoffen,
                     textiel (2003)
Importpartners:      Oekraïne 22%, Rusland 13%,
                     Duitsland 9,7%, Italië 8,3%,
                     Roemenië 7% (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Oekraïne
Oppervlakte:            603.700 km2
Bevolkingsomvang:       47.425.336              (2005)
Bevolkingsgroei:        – 0,63%                 (2005)
BNI:                    USD 46,7 miljard        (2003)
BNI per capita:         USD 970                 (2003)
BBP:                    USD 49,5 miljard        (2003)
Groei BBP:              9,4%                    (2003)
PPP:                    USD 299,1 miljard       (2004)
PPP per capita:         USD 6.300               (2004)
Groei PPP:              12%                     (2004)
Buitenlandse schuld:    USD 16,37 miljard       (2004)
Hulp per capita:        USD 6,7                 (2003)
Bereidt zich voor op WTO-lidmaatschap
Export:               USD 32,91 miljard (2004)
Exportproducten:      ijzer en andere metalen, brandstof en aardolieproducten,
                      chemicaliën, machinerie en transportmiddelen, voedselproducten
Exportpartners:       Rusland 17,8%, Duitsland 5,9%, Italië 5,3%, China 4,1% (2003)
Import:               USD 31,45 miljard (2004)
Importproducten:      energie, machinerie, chemicaliën
Importpartners:       Rusland 35,9%, Duitsland 9,4%, Turkmenistan 7,2% (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Rusland (de Russische Federatie)
Oppervlakte:            17.075.200 km2
Bevolkingsomvang:       143.420.309 miljoen     (2005)
Bevolkingsgroei:        -– 0,37%                (2005)
BNI:                    USD 374,9 miljard       (2003)
BNI per capita:         USD 2610                (2003)
BBP:                    USD 432,9 miljard       (2003)
Groei BBP:              7,3%                    (2003)
PPP:                    USD 1,408 triljoen      (2004)
PPP per capita:         USD 9.800               (2004)
Groei PPP:              6,7%                    (2004)
Buitenlandse schuld:    USD 175,9 miljard       (2003)
Hulp per capita:        USD 8,7                 (2003)
Bereidt zich voor op WTO lidmaatschap
Export:                USD 162,5 miljard (2004)
Exportproducten:       aardolie en aardolieproducten, natuurlijk gas, hout en houtproducten,
                       metalen, chemicaliën, en civiele en militaire industrieproducten
Exportpartners:        Duitsland 7,8%, Nederland 6,5%, Italië 6,3%, China 6,2%, Belarus 5,7%,
                       Oekraïne 5,7%, VS 4,6%, Zwitserland 4,4% (2003)
Import:                USD 92,91 miljard (2004)
Importproducten:       machinerie, consumptiegoederen, medicijnen, vlees, suiker, metallurgische
                       producten
Importpartners:        Duitsland 14%, Belarus 8,6%, Oekraïne 7,7%, China 5,8%, VS 5,2%,
                       Kazachstan 4,7%, Italië 4,2%, Frankrijk 4,1% (2003)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>Lijst van veel gebruikte afkortingen
acquis      acquis communautaire: wetgeving van de Europese Unie.
AIV         Adviesraad Internationale Vraagstukken
AP          Actieplan ENB
BBP         Bruto Binnenlands Product
BNI         Bruto Nationaal Inkomen
BTC         Turkse 'Baku-Tbilisi-Ceyhan' oliepijpleiding
CAS         Country Assistance Strategy (WB)
CEI         Commissie Europese Integratie
COS         Commissie Ontwikkelingssamenwerking
CVV         Commissie Vrede en Veiligheid
DZO/OE      Directie Zuidoost- en Oost-Europa/Oost Europa van het ministerie van
            Buitenlandse Zaken
EBRD        Europese ontwikkelingsbank (European Bank for Reconstruction
            and Development)
EER         Europese Economische Ruimte
EG          Europese Gemeenschap
ENB         Europees Nabuurschapsbeleid
ENBI        Europees Nabuurschapsbeleidsinstrument
EU          Europse Unie
EZ          Ministerie van Economische Zaken
GOS         Gemenebest van Onafhankelijke Staten
IDA         International Development Organisation
IFI         Internationale Financiële Instellingen
ILO         International Labour Organisation
IMF         Internationaal Monetair Fonds
INTERREG    Communautair programma van technische bijstand gericht op het stimuleren
            van interregionale samenwerking binnen de EU
MATRA       Maatschappelijk Transformatieprogramma
MEDA        Euro-Mediterranean Partnership Programme
NAVO        Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NGO         Niet-Gouvernementele Organisatie
OVSE        Organisatie voor Samenwerking en Veiligheid in Europa
PCA         Partnership and Cooperation Agreement (EU)
PRGF        Poverty Reduction Grant Facililty (IMF)
PRSP        Poverty Reduction Strategy Process/Paper (WB)
PSO         Programma Samenwerking Oost-Europa
PSOM        Programma Samenwerking Opkomende Markten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>PUM   Programma Uitzending Managers
RAZEB Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (van de EU)
SAA   Stability and Association Agreement (EU)
TACIS Communautair programma van technische bijstand voor het Gemenebest
      van Onafhankelijke Staten
TCGP  Trans-Kaspische gaspijpleiding
USD   US dollar
USSR  Unie der Socialistische Sovjetrepublieken
VK    Verenigd Koninkrijk
VN    Verenigde Naties
VS    Verenigde Staten
WTO   Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
  1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
  2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
  3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
  4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
  5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
  6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
  7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
  8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
  9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
    november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
    rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor de Europese
    Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van bouwen aan
    onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
    strategieën tegen armoede, januari 2003
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inza-
    ke Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid
     voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, 10 december 1997
Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, 13 juli 1999
Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, 9 november 2000
Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, 15 mei 2003***
Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, 28 augustus 2003
Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, 12 maart 2004
Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
Van impasse naar doorbraak?’, 10 september 2004
Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?, 8 april 2005
*** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
    Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>