<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES
HET RAPPORT ANNAN NADER BESCHOUWD
No. 41, Mei 2005
Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter       Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter  Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden            Dhr. A.L. ter Beek
                 Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                 Mw. drs. A.C. van Es
                 Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                 Dr. B. Knapen
                 Drs. H. Kruijssen
                 Prof. dr. A. de Ruijter
                 Mw. mr. E.M.A. Schmitz
                 Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris       Mr. P.J.A.M. Peters
                 Postbus 20061
                 2500 EB Den Haag
                 telefoon 070 - 348 5108/6060
                 fax 070 - 348 6256
                 e-mail aiv@minbuza.nl
                 www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Commissie Her vormingen van de VN
Voorzitter          Prof. mr. N.J. Schrijver
Leden               Prof. dr. P.R. Baehr
                    Prof. mr. C. Flinterman
                    Prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman
                    Mw. mr. B.T. van Ginkel
                    Mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged
                    Dr. B. Knapen
                    Lt. gen. b.d. H.W.M. Satter
                    Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
                    Drs. E.P. Wellenstein
Corresponderend lid Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Secretaris          Drs. T.D.J. Oostenbrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>          Inhoudsopgave
          Woord vooraf
I         Inleiding     7
II        Een breed veiligheidsbegrip en een strategie van conflictpreventie     9
          II.1     Preventie     9
          II.2     Responsibility to protect       10
          II.3     Meersporenstrategie bestrijding terrorisme       10
          II.4     Wapenbeheersing         12
          II.5     Betere uitrusting en grotere effectiviteit vredesoperaties 13
          II.6     Geschillenbeslechting en internationale hoven       14
III       Collectieve veiligheid en het gebruik van geweld        16
IV        Institutionele hervormingen          18
          IV.1     Functioneren en samenstelling Veiligheidsraad       18
          IV.2     Instelling Commissie voor Vredesopbouw        19
          IV.3     Raad voor de Rechten van de Mens/Hoge Commissaris
                   voor de Rechten van de Mens        21
          IV.4     Bevoegdheden/staf SGVN          24
          IV.5     Rol van maatschappelijke actoren      25
          IV.6     Coherentie VN-systeem         26
V         Samenvatting        28
Bijlage I          Adviesaanvraag
Bijlage II         Lijst van gebruikte afkortingen
Bijlage III        Reactie AIV op het Sachs-rapport
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
In april 2005 heeft de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) ver-
zocht haar op korte termijn te adviseren over het rapport met voorstellen voor her-
vorming van de Verenigde Naties (VN) van de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties met als titel In Larger Freedom: Towards Development, Security and Human
Rights for All.1
Aanleiding voor dit verzoek van de regering om advies vormden de recente, schrif-
telijke voorstellen over hervormingen van de VN.2 Meer in het bijzonder gaat het
om het rapport van het ‘High Level Panel on Threats, Challenges and Change’ (HLP-
rapport), het rapport ‘Investing in Development: A Practical Plan to Achieve the
Millennium Development Goals’ (Sachs-rapport) en de reactie op beide rapporten
van de SGVN in zijn rapport ‘In Larger Freedom’ (Annan-rapport). Het is met name
dit laatste rapport dat onderwerp van bespreking zal zijn bij de voorbereiding van
de Topontmoeting van wereldleiders, die medio september 2005 zal worden
gehouden in New York.
In de adviesaanvraag wordt de AIV verzocht in algemene zin zijn visie te geven op
het rapport Annan. Tevens wordt verzocht aandacht te besteden aan een drietal
aspecten. Deze zijn:
• Versterking van de rol van de VN als het geëigende forum ter bespreking en
    behandeling van wereldwijde problemen en daaraan gekoppeld een sterke posi-
    tie van de SGVN als degene die aandacht vraagt voor dergelijke problemen en
    de internationale agenda helpt formuleren vanuit de notie van het algemeen
    belang. Welke aanknopingspunten ziet de AIV in het rapport om dit punt verder
    te voeren?
• Verbetering van de effectiviteit van de VN-ontwikkelingsinstellingen. In zijn
    rapport doet de Secretaris-Generaal een aantal aanbevelingen voor de kortere
    termijn. In de aanvraag wordt ook verwezen naar langere termijnvoornemens,
    zoals ook verwoord in andere VN-documenten.3 Onder verwijzing naar de voor-
    stellen op dat terrein van de SGVN (in paragraaf 197) van zijn rapport, wordt de
    AIV om een visie hierop gevraagd.
• De rol van het maatschappelijk middenveld en de particuliere sector om heden-
    daagse bedreigingen het hoofd te bieden. De SGVN benadrukt het belang van de
    rol van een actief maatschappelijk middenveld en een dynamische particuliere
    sector, naast de rol van staten en intergouvernementele organisaties, maar gaat
    daar nauwelijks nader op in.
Bij de beoordeling van deze vragen verwijst de AIV ook naar het briefadvies dat hij
op eigen initiatief heeft opgesteld over het rapport van Sachs. Dit inmiddels vast-
gestelde briefadvies met als titel ‘Reactie op het Sachs-rapport: Hoe halen wij de
Millennium Doelen?’ behandelt vooral een aantal onderwerpen op het terrein van
1  UN Doc. A/59/2005, 21 maart 2005.
2  Zie bijlage I voor aanvraag, d.d. 19 april 2005.
3  Zie onder meer de recente AVVN-resolutie UN Doc. A/RES/59/250, The Triennial Comprehensive Policy
   Review of Operational Activities for Development of the United Nations system, 14 maart 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>ontwikkeling. Het onderhavige advies zal dan ook slechts in algemene zin op de
daarin behandelde materie ingaan. Voorts heeft de AIV momenteel ook nog twee
andere adviesaanvragen in behandeling die raakvlakken hebben met of delen van
deze problematiek betreffen; meer in het bijzonder gaat het over de positionering
van Nederland in de nieuwe EU, NAVO en de VN en over een strategie tegen
proliferatie van massavernietigingswapens en de rol van de traditionele ontwape-
ningsfora. Ook moet worden opgemerkt dat de AIV aan een zeer strak tijdschema
is gebonden en derhalve bij deze advisering prioriteiten heeft moeten stellen en
niet alle aspecten van de aanvraag heeft kunnen uitwerken.
Dit advies gaat sterk uit van het perspectief van wat van belang is voor een effec-
tieve, hervormde VN (‘effectief multilateralisme’). Daarbij is tevens gekeken naar de
speciale bijdrage, die Nederland daaraan zou kunnen leveren. Allereerst wordt op
hoofdlijnen ingegaan op het belang van bovengenoemde rapporten in het perspec-
tief van eerdere hervormingsvoorstellen (hoofdstuk I). Hoofdstuk II gaat vooral in
op het gekozen brede veiligheidsbegrip en de strategie van voorkoming. In hoofd-
stuk III staat het begrip collectieve veiligheid en het gebruik van geweld centraal
en hoofdstuk IV bespreekt een aantal institutionele aspecten van de hervormings-
voorstellen. In hoofdstuk V wordt een samenvatting van de belangrijkste aanbeve-
lingen gegeven.
Het advies is voorbereid in een daartoe ingestelde gecombineerde commissie,
die onder leiding stond van prof. mr. N.J. Schrijver (CMR) en die bestond uit leden
uit alle geledingen van de AIV. Overige leden waren: Prof. dr. P.R. Baehr (CMR),
prof. mr. C. Flinterman (CMR), prof. mr. dr. B. de Gaay Fortman (COS),
mw. mr. B.T. van Ginkel (CVV), mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged (CVV), dr. B. Knapen
(CEI), Lt. Gen. b.d. H.W.M. Satter (CVV), mw. mr. H.M. Verrijn Stuart (AIV/CMR) en
drs. E.P. Wellenstein (CVV). De commissie heeft gebruik kunnen maken van de kennis
en ervaring van ambtelijke contactpersonen, in het bijzonder mw. mr. K.S. Adhin
(DVF/CI). Het secretariaat is gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink (secretaris CMR)
en de stagiaires mw. M.E. van Weelden en mw. A.S. Narain.4
De AIV heeft dit advies besproken op 20 mei 2005 en de afhandeling gemandateerd
aan de daartoe ingestelde gecombineerde Commissie. Het advies is op 27 mei 2005
definitief vastgesteld.
4  Tijdens de voorbereidingsfase heeft de gecombineerde commissie gebruik kunnen maken van teksten die al
   in voorbereiding waren bij de secretaris van de commissie die met gelijktijdige advisering bezig is over de
   positionering van Nederland in de nieuwe EU, NAVO en VN, mw. drs. P.J. Genee.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>I          Inleiding
In de zestig jaar dat de VN bestaat, is de organisatie doorlopend geconfronteerd met lasti-
ge uitdagingen van verschillende aard. Het functioneren van de VN werd in de eerste
decennia in belangrijke mate bepaald door het dekolonisatieproces en de Koude Oorlog.
Het dekolonisatieproces had onder meer gevolgen voor de samenstelling (meer dan een
verdrievoudiging van het aantal lidstaten) van de Algemene Vergadering (AVVN) en het
functioneren van de andere VN-organen.5 Ten tijde van de Koude Oorlog maakte het veto-
recht voortgang in de besluitvorming van de Veiligheidsraad dikwijls praktisch onmogelijk;
een patstelling die pas na de val van de Berlijnse Muur kon worden opgeheven. Het einde
van de Koude Oorlog gaf de organisatie in de jaren negentig nieuw élan, dat tot uitdruk-
king kwam in activiteiten op het gebied van vrede en veiligheid, ontwikkeling en mensen-
rechten. Met name door de aanslagen van 11 september 2001 (en de daarop volgende
gewapende acties in Afghanistan en Irak) werd de discussie over de hervorming van de VN
weer zeer actueel. Het hervormingsstreven binnen de VN heeft sinds het einde van de
Koude Oorlog geleid tot een groot aantal rapporten met verbeteringsvoorstellen.6 Het in dit
advies door de AIV besproken rapport van de SGVN In Larger Freedom is van deze serie
rapporten het (voorlopige) sluitstuk en is het meest verstrekkend en veelomvattend.7
De tijd lijkt rijp voor een verstrekkende hervorming van de VN en de SGVN doet in zijn rap-
port een oproep aan de lidstaten de uitdaging te aanvaarden om adequaat te reageren op
nieuwe bedreigingen, op straffe van het risico de organisatie uit te hollen als gevolg van
toenemende onenigheid tussen staten, die dan zal resulteren in toenemende irrelevantie
van de VN. In het rapport, dat hij als één pakket van samenhangende maatregelen heeft
gepresenteerd, pleit de SGVN voor gelijkwaardige en noodzakelijke aandacht voor de drie
elkaar versterkende hoofddoelen van de organisatie: ontwikkeling, vrede en veiligheid en
de rechten van de mens. Hij doet dat aan de hand van vele voorstellen, die hij inhoudelijk
in hoge mate heeft gecategoriseerd naar analogie van de beroemde ‘Four Freedoms
speech’ van president Franklin Delano Roosevelt.8
5   Slechts éénmaal is de Veiligheidsraad uitgebreid van 11 naar 15 leden. Dat was in 1965 op basis van
    AVVN-resolutie Res. 1991 A (XVIII). De Economische en Sociale Raad (ECOSOC) is tweemaal uitgebreid: in
    1965 van 18 naar 27 leden, in 1973 van 27 naar 54 leden. Nadien zijn alle hervormingspogingen
    gestrand.
6   Zie onder meer: ‘Agenda for Peace’ (1992 met een update in 1995); ‘Agenda for Development (1994);
    ‘Agenda for Democratization’ (1996); ‘Renewing the United Nations, a programme for reform’ (1997); het
    Brahimi-rapport over vredesoperaties (2000); het ‘Millennium Report, We the Peoples’ (2000); het rapport
    ‘Strengthening the United Nations, an agenda for further change’ (2002); het ‘High level Report on Threats,
    Challenges and Change’ en het Sachsrapport (beide 2005). Tevens is regelmatig (eigenlijk reeds vanaf de
    beginjaren) gesproken over hervormingen van de VN, over de Veiligheidsraad (gericht op vergroting van de
    representativiteit), over de financiering van de VN en het gebrek aan militaire en politionele middelen, die
    de organisatie ter beschikking staan.
7   Zie voor een omvangrijke publicatie over alle hervormingspogingen: J. Müller (ed.), Reforming the United
    Nations: New Initiatives and Past Efforts. Den Haag, 1997, Vol. I-III; Reforming the United Nations: the
    Quiet Revolution. Den Haag, 2001, Vol. IV.
8   In zijn State of the Union op 6 januari 1941 noemde president Roosevelt ‘four freedoms’: freedom of
    speech, freedom of every person to worship God in his own way, freedom from fear and freedom from want
    for everyone, anywhere in the world.
                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De hoofdstukken ‘freedom from want, freedom from fear en freedom to live in dignity’
worden gecomplementeerd met een hoofdstuk institutionele voorstellen voor versterking
van de VN. Overigens laat het onvermeld laten van de ‘vrijheid van godsdienst’ onverlet,
dat de wereld waarin wij nu leven behoefte heeft aan toenadering en overeenstemming
tussen de belangrijkste religies, een standpunt dat de SGVN impliciet lijkt te delen.9
Anno 2005 stelt de combinatie van oude en nieuwe uitdagingen de VN daarom opnieuw
voor de vraag hoe de organisatie de in het Handvest (HV) vastgelegde doelstellingen
binnen de gewijzigde context op een geloofwaardige manier kan blijven nastreven. Voor de
AIV is de vraag of de belangrijkste voorstellen van de SGVN hiertoe een oplossing bieden,
uitgangspunt geweest van de advisering. Over de belangrijkste aspecten van de ‘vrijwaring
van gebrek’ heeft de AIV inmiddels, zoals hierboven vermeld, een separaat briefadvies
gepubliceerd. Dit briefadvies betreft een reactie op het eerder verschenen rapport van
J. Sachs en wordt, volledigheidshalve, integraal als bijlage bij dit advies opgenomen.10
Op andere punten gaat de AIV nader in en wordt geconcludeerd dat het van belang is te
streven naar een hervormde, meer effectieve VN. Om een dergelijk ‘effectief multilatera-
lisme’ te bereiken is het wenselijk de voorstellen van de SGVN een serieuze kans te
geven en zoveel mogelijk te steunen. Op hoofdlijnen doet de AIV dat in dit advies dan
ook, zij het dat op onderdelen kanttekeningen worden geplaatst en wordt gewezen op
alternatieve opties. Deze betreffen met name de kwestie van uitbreiding van de Veilig-
heidsraad en de in te stellen Commissie voor Vredesopbouw (‘Peace Building Commis-
sion’) en Raad voor de Rechten van de Mens (‘Human Rights Council’).
9  Zie speech van de SGVN op 7 april 2005, in UN Doc. SG/SM/9808.
10 Zie briefadvies AIV, ‘Reactie op het Sachs-rapport: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, Den Haag,
   april 2005, bijlage III bij dit advies.
                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>II         Een breed veiligheidsbegrip en een strategie van
           conflictpreventie
Dit hoofdstuk gaat in op een aantal belangrijke aspecten, die samenhangen met het door
de SGVN gehanteerde brede veiligheidsbegrip. In de visie van de SGVN omvat dit brede
veiligheidsbegrip, naast de traditionele dreigingen van oorlog tussen staten en binnen
staten, ook grensoverschrijdende componenten zoals voortschrijdende proliferatie van
verschillende soorten massavernietigingswapens, internationaal terrorisme, ernstige
milieuverontreiniging, verspreiding van infectieziektes zoals HIV/AIDS, alsmede armoede,
grootschalige schendingen van de mensenrechten en de ontheemden- en vluchtelingen-
problematiek. In zijn rapport stelt de SGVN dat al deze bedreigingen van even groot
belang zijn en onderling samenhangen.11 Daarom dienen ontwikkeling, mensenrechten,
goed bestuur, gezondheid en sociaal-economische en milieuaspecten, in samenhang en
gelijkwaardigheid, dan ook een grote rol te spelen in dit brede veiligheidsbeleid. De AIV
onderschrijft deze standpuntbepaling van de SGVN, maar merkt wel op dat dit nieuwe,
zware eisen stelt aan de taakopvatting en handelingssnelheid van de organen van de VN,
met name de Veiligheidsraad, om succesvol te zijn.12 Vroegtijdig handelend optreden
staat daarbij voorop, maar laat onverlet dat ook ‘oude’ problemen zoals de kwesties
Palestina, Kashmir en Korea nog steeds moeten worden opgelost, zoals de SGVN terecht
betoogt (zie ook hoofdstuk IV).
II.1       Preventie
In de paragrafen 83 en 84 van zijn rapport vraagt de SGVN expliciet en dringend aandacht
voor preventie. Om te voorkomen dat de wereld het toneel blijft van conflicten en terroristi-
sche catastrofes is het noodzakelijk vroegtijdig actie te ondernemen; ook in artikel 1.1 van
het Handvest wordt het grote belang van preventie al verwoord en het nastreven van deze
doelstellingen is derhalve ook een zaak van algemeen belang.13 De inzet van militaire
middelen moet worden beschouwd als een uiterste redmiddel, maar niet per se pas op het
moment van een geweldsexplosie; vroegtijdig krachtig ingrijpen om een dergelijke explosie
te voorkomen kan soms geboden zijn. Daarom is de grote nadruk, die de SGVN legt op
ontwikkeling en conflictpreventie tussen staten, dan ook logisch.14 Gevrijwaard zijn van
gebrek is één van de wezenlijke doeleinden van de VN. Armoedebestrijding redt niet alleen
levens, maar vergroot ook de capaciteit van staten om terrorisme, georganiseerde crimina-
liteit, proliferatie van massavernietigingswapens en verspreiding van infectieziektes tegen te
gaan. Het is de primaire basis voor een goed werkend collectief veiligheidssysteem en dit
11 UN Doc. A/59/2005, paragrafen 76 t/m 86.
12 Zie bijvoorbeeld AIV, ‘Nederland en crisisbeheersing: drie actuele aspecten’, advies nummer 34, Den Haag,
    maart 2004; AIV/CAVV, ‘Falende staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid’, advies nummer 35, Den
    Haag, maart 2004 en AIV, ‘Reactie op het Sachs-rapport: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, briefad-
    vies, Den Haag, april 2005.
13 Art. 1, lid 1 HV luidt: ‘To maintain international peace and security, and to that end: to take effective collec-
    tive measures for the prevention and removal of threats to the peace, and for the suppression of acts of
    agression or other breaches of the peace, and to bring about by peaceful means, and in conformity with
    the principles of justice and international law, adjustment or setttlement of international disputes or situa-
    tions which might lead to a breach of the peace’.
14 Ibid. noot 11 en zie ook AIV/CAVV, ‘Humanitaire Interventie’, advies nummer 13, Den Haag, april 2000.
                                                          9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>kan grote problemen voorkomen; problemen waarvoor anders later weer en vaak tegen
hoge kosten oplossingen moeten worden gevonden. De VN en haar gespecialiseerde orga-
nisaties hebben in de afgelopen zestig jaar op economisch, sociaal, cultureel en humani-
tair gebied veel activiteiten ondernomen en vaak indrukwekkende resultaten geboekt; de
betekenis daarvan voor de handhaving van de wereldvrede moet niet worden onderschat.
Wederopbouw en ontwikkeling zijn uiterst belangrijke factoren waar het gaat om het berei-
ken van een duurzame verbetering; uiterst lastige terreinen waar de VN tot op heden nog
onvoldoende resultaat heeft (kunnen) bereiken. De voorstellen van de SGVN om op het
terrein van preventie, wederopbouw en ontwikkeling nieuwe instrumenten te ontwikkelen
(zoals de hieronder besproken Commissie voor Vredesopbouw) zouden ook op andere ter-
reinen kunnen worden aangevuld, bijvoorbeeld door samenwerking met regionale organisa-
ties en/of uitgebreide samenwerking op het terrein van politie en justitie.
II.2       Responsibility to protect
De SGVN kiest expliciet voor het concept van ‘responsibility to protect’ (paragraaf 135
e.v.). Deze door hem gepropageerde collectieve verantwoordelijkheid voor de bescherming
van mensen komt vooral voort uit het rapport van de ‘International Commission on Inter-
vention and State Sovereignty’ uit 2001.15 Door de invalshoek te kiezen van het belang
van de burgers is een nieuwe invulling gegeven aan het souvereiniteitsbeginsel; een invul-
ling waarbij de staat, en meer in het bijzonder de nationale overheid, ervoor moet zorgen
dat de bevolking wordt gevrijwaard van grootschalig geweld en schendingen van de rech-
ten van de mens.16 Het schild van de soevereiniteit mag nooit een vrijbrief zijn de eigen
bevolking te onderdrukken en mede daardoor heeft zich op dit terrein een sterke norma-
tieve ontwikkeling voorgedaan, resulterend in een zeer uitgebreid stelsel van mensenrech-
tenverdragen en verklaringen. Indien een staat niet in staat of bereid is om zijn onderda-
nen te beschermen, komt de verantwoordelijkheid om te beschermen en zonodig in te
grijpen bij de statengemeenschap als geheel te berusten. Anno 2005 kunnen staten
elkaar aanspreken en aangesproken worden op hun respect voor de rechten van de
mens. Daarmee is de reikwijdte van zaken die ‘in wezen’ (zie artikel 2, lid 7 HV) geheel
onder de nationale soevereiniteit vallen, sinds 1945 geleidelijk aan ingeperkt of gedeeld
met andere staten en internationale organisaties. Dit stelt eisen aan de operationele
capaciteiten van de VN om op te treden. Mede vanuit die gedachte onderschrijft de AIV
dan ook dit door de SGVN aanbevolen uitgangspunt van ‘responsibility to protect’ als een
hoeksteen van collectieve veiligheid.
II.3       Meersporenstrategie bestrijding terrorisme
In zijn rapport besteedt de SGVN uitgebreid aandacht aan de bedreiging die uitgaat van
terrorisme voor staten en voor de VN als geheel (met name paragrafen 87-94). De
kenmerken van deze nieuwe en acute dreigingen, zoals het functioneren van wereldwijd
opererende terroristische netwerken en de dreigende inzet van nucleaire, biologische of
15 Zie: The Responsibility to Protect, Report of the International Commission on Intervention and State Sover-
    eignty, International Development Research Centre, Ottawa, Canada, December 2001. Zie: UN Press Rele-
    ase SGVN/SM/8136GA/9596: speech van SGVN Kofi Annan tot de AVVN in 1999, waarin hij deze gedach-
    tegang ook al verwoordt. Zie ook AIV/CAVV, ‘Humanitaire Interventie’, advies nummer 13, Den Haag, april
    2000, hoofdstuk III.1.
16 Zie ook de nota, ‘De rechten van de mens in het buitenlands beleid’ van 1979, Tweede Kamer, zitting
    1978-1979, 15571, nrs. 1 en 2, woord vooraf. Hierin wordt in wezen dezelfde filosofie al in het voorwoord
    uiteengezet, met name in de daar geciteerde passage uit het Plakkaat van Verlatinge van 16 juli 1581.
                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>chemische wapens, vereisen nieuwe antwoorden. De SGVN roept dan ook op om in VN-ver-
band te komen tot een samenhangende en alomvattende strategie (paragraaf 88). Naast
het voorkomen en bestrijden van terrorisme, met inachtneming van de rechten van de
mens, doet de SGVN een oproep op korte termijn overeenstemming te bereiken over een
aantal verschillende maatregelen. Hij roept onder meer op te komen tot een eenduidige
definitie van terrorisme, een alomvattend multilateraal verdrag tegen terrorisme in het alge-
meen en inzake nucleair terrorisme in het bijzonder en de instelling van een Speciale Rap-
porteur inzake terrorisme door de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens.17 De AIV
ondersteunt deze voornemens, maar merkt op dat overeenstemming over sommige van
deze punten op korte termijn lastig zal zijn te bereiken. Het instellen van een Speciale Rap-
porteur is een belangrijke eerste stap. Daarnaast is het van belang overeenstemming te
bereiken over een duidelijke definitie van terrorisme. Zolang dat niet lukt, zal het vrijwel
ondoenlijk zijn om voor de Top in september over de overige nog openstaande punten in de
onderhandelingen over een alomvattend verdrag inzake terrorismebestrijding tot een
akkoord te komen.18 Daartoe behoren de kwestie van ‘staatsterrorisme’ en de afbakening
tussen terrorisme enerzijds en geweld in de context van de legitieme strijd van volken voor
zelfbeschikking anderzijds. De AIV onderstreept in dat verband de stellingname van de
SGVN dat, wat voor nobele politieke motieven ook in het geding mogen zijn, het weloverwo-
gen en met opzet doden van onschuldige burgers nooit en te nimmer kan worden gerecht-
vaardigd. Daarnaast bestaan grote verschillen van inzicht over de wijze van bestrijding
(alomvattende- of selectieve benadering). De huidige onderhandelingen zitten muurvast en
geen van de partijen wil blijkbaar ruimte bieden voor concessies. Juist bij de onderhandelin-
gen over deze terreinen zou Nederland, dat historisch gezien met betrekking tot deze onder-
werpen een traditie heeft opgebouwd, een voortrekkersrol kunnen en moeten vervullen.19
Hier zij ook in herinnering geroepen dat het eerste belangrijke na-oorlogse verdrag tegen
een specifieke vorm van terrorisme tijdens een diplomatieke conferentie in Den Haag
(1970) werd aangenomen.20 De AIV beveelt aan op dit punt in de onderhandelingen vooral
aan te sluiten bij de recente besluitvorming van de Veiligheidsraad en de stellingname van
de SGVN waarin hij de door de HLP gepropageerde definitie van terrorisme onderschrijft.21
17 De AVVN heeft inmiddels, op 13 april 2005, het Verdrag inzake Nucleair Terrorisme aanvaard. De Commis-
    sie voor de Rechten van de Mens heeft op 21 april 2005 bij consensus een resolutie aangenomen waarin
    een Speciale Rapporteur inzake terrorisme en de bescherming van de rechten van de mens is voorzien.
18 Zie oproep daartoe van de SGVN in paragrafen 91 en 161 van zijn rapport In larger Freedom.
19 Zie ook recente brief aan de Tweede Kamer met een reactie van de regering over het rapport van de SGVN,
    DVF/CI-112/05 van 26 april 2005, pagina 5.
20 Het gaat om een verdrag tegen vliegtuigkapingen: ‘The 1970 Hague Convention for the Suppression of
    Unlawful Seizure of Aircraft’, die op 14 oktober 1971 van kracht werd.
21 Zie de unaniem aangenomen VR-resolutie 1566, S/RES/1566 (2004) van 8 oktober 2004, die terrorisme
    als volgt definieert: ‘…criminal acts, including against civilians, committed with the intent to cause death or
    serious bodily injury, or taking of hostages, with the purpose to provoke a state of terror in the general
    public or in a group of persons or particular persons, intimidate a population or compel a government or an
    international organization to do or to abstain from doing any act, which constitute offences within the scope
    of and as defined in the international conventions and protocols relating to terrorism, are under no circum-
    stances justifiable by considerations of a political, philosophical, ideological, racial, ethnic, religious or other
    similar nature, and calls upon all States to prevent such acts and, if not prevented, to ensure that such
    acts are punished by penalties consistent with their grave nature’. Zie ook HLP-rapport, UN Doc. A/59/565,
    paragraaf 164 en rapport Annan, UN.Doc. A/59/565, paragraaf 91.
                                                          11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Het is verder van belang dat binnen de VN-organisatie het nodige verandert op het terrein
van de bescherming tegen en bestrijding van terrorisme. De organisatie treedt op dit ter-
rein nog onvoldoende consistent en coherent op. De gefragmenteerde benadering uit zich
ook in een groot aantal verschillende verdragsregimes. Voorts wordt de aandacht, die
wordt gegeven aan respect voor mensenrechten in de terrorismebestrijding, nog onvol-
doende vertaald in de praktijk van het Anti-Terrorisme Comité en het desbetreffende sanc-
tiecomité van de Veiligheidsraad.22 Met name bestaan er geen met waarborgen omklede
beroepsprocedures tegen plaatsing van individuen op sanctielijsten. Ook zal nog moeten
worden bezien of, en zo ja op welke wijze de voorgestelde Raad voor de Rechten van de
Mens en de versterkte Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens een rol krijgen op
dit specifieke aspect.
II.4       Wapenbeheersing
De SGVN besteedt in zijn rapport uitvoerig aandacht aan een strategie ter voorkoming van
verspreiding van nucleaire, biologische en chemische massavernietigingswapens (paragra-
fen 85, 97-105). Het belang van deze veelomvattende en zeer verschillende problemen
en de noodzaak deze het hoofd te bieden, wordt door de AIV onderschreven. Gezien het
feit dat de AIV inmiddels een separate adviesaanvraag over dit onderwerp heeft ontvan-
gen en voornemens is een dergelijk advies nog in 2005 af te ronden, is er in de context
van dit advies voor gekozen geen expliciete aandacht aan deze problematiek te schenken.
Voorts wenst de AIV te wijzen op de problematiek van proliferatie van kleine wapens. De
AIV heeft zich reeds in 1998 uitgebreid gebogen over de problematiek.23 Hoewel de
SGVN slechts beperkt aandacht besteedt aan het probleem, acht hij dit wel van groot
belang.24 Ook bij eerdere gelegenheden hebben zowel de SGVN als de VR uitgebreid
aandacht besteed aan deze bedreiging van vrede en veiligheid; een bedreiging met grote
negatieve gevolgen voor sociale en economische ontwikkeling en de situatie van de rech-
ten van de mens.25 Ook in de strijd tegen terrorisme speelt deze problematiek een
belangrijke rol. Veel aanslagen zijn tot nu toe met ‘kleine wapens’ uitgevoerd. Het feit dat
daarnaast veelal sprake is van korte verjaringstermijnen voor vervolging van handel in der-
gelijke wapens, maakt de situatie nog ernstiger. De AIV onderschrijft daarom ook de
oproep van de SGVN om te komen tot een aantal internationale instrumenten om dit
probleem uit de wereld te helpen. Het is van belang dat ook de problematiek van kleine
wapens in de discussies over een alomvattend wapenbeheersingsverdrag een prominente
plaats krijgt.
22 Zie VR-resolutie S/RES/1267 (1999) en S/RES/1333 (2000) met als titel: ‘Committee Al Qaida and the
    Taliban’.
23 Al eerder heeft de AIV daarover geadviseerd. Zie AIV, ‘Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak,
    beperkte mogelijkheden’, advies nummer 2, Den Haag, april 1998, hoofdstuk III.
24 Zie UN Doc. A/59/2005, paragraaf 120. Volgens gegevens van de VN en NGO’s gaat het daarbij om onge-
    veer 639 miljoen kleine wapens.
25 Zie onder meer UN Doc. S/2002/1053 van 20 september 2002, UN Doc. A/RES/57/72 van 30 december
    2002 en UN Doc. A/RES/59/86 van 10 december 2004.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>II.5      Betere uitrusting en grotere effectiviteit vredesoperaties
In zijn rapport besteedt de SGVN ook aandacht aan vredesoperaties en naoorlogse vredes-
opbouw.26 Hij hecht grote betekenis aan de ontplooiing van vredesmachten, maar consta-
teert ook dat het nodige kan en moet verbeteren.27 Tevens constateert hij dat een groot
deel van de vredesoperaties momenteel in Afrika plaatsvindt. Tegelijkertijd is er sprake van
een toenemende terughoudendheid bij ontwikkelde landen voor het beschikbaar stellen
van troepen.28 Hij benadrukt dan ook dat de VN niet in concurrentie, maar in samenwer-
king met regionale organisaties zou moeten optreden.29 De AIV heeft zich in recente
adviezen expliciet uitgesproken over een aantal aspecten, die samenhangen met de pro-
blematiek van vredesmachten.30 Het standpunt over de troepenleveranties en de samen-
werking met (inter) regionale organisaties wordt door de AIV onderschreven, maar dient wel
enigermate te worden gerelativeerd. Deze veranderende wereld heeft te maken met diverse
internationale en regionale organisaties, die geconfronteerd worden met aanpassingsproble-
men aan nieuwe dreigingen en taken; een takenpakket waarvoor zij eigenlijk niet zijn opge-
richt en ingericht en waarvoor financiële middelen voorshands ontbreken. Dit ook al omdat
tegelijkertijd alom stringente bezuinigingen worden doorgevoerd op defensiebegrotingen.
In de visie van de AIV ware het verstandig als elke organisatie zich eerst zou richten op
datgene waar zij goed in is. Mede hierdoor zou iedere organisatie zich vervolgens kunnen
concentreren op het verhelpen van haar tekortkomingen en het aanbrengen van noodzake-
lijke verbeteringen. De sterke nadruk die door het HLP en de SGVN wordt gelegd op preven-
tie, conflictbeheersing, de postconflictsituatie en wederopbouw, als terreinen waarop juist
door de VN meer gedaan zou moeten worden, sluit aan bij deze gedachtegang en verdient
naar de mening van de AIV dan ook alle steun. (Inter)regionale organisaties zoals de EU,
de NAVO, de OVSE en de Afrikaanse Unie zouden hierbij een nuttige rol kunnen spelen.
Blijkens het nieuwe verdrag van de Afrikaanse Unie, lijkt deze te hebben gebroken met het
onthoudingsbeleid en de machteloosheid van haar voorgangster. Daarom verdient de Afri-
kaanse Unie alle steun van de westerse landen bij haar streven om capaciteit op te bouwen
om crisisbeheersingstaken en vredestaken voor de VN uit te kunnen voeren.31
De AIV constateert tegelijkertijd dat klassieke ‘blauwhelmen’-vredesoperaties een belang-
rijke taak zullen blijven voor de VN. Tevens is onderkend dat veel crisisbeheersingsopera-
ties een ‘harder’ karakter krijgen.32 Dit sluit niet uit dat in bepaalde omstandigheden de
26 Zie UN Doc. A/59/2005, paragrafen 111 t/m 114. Zie ook paragrafen 114 t/m 119 over vredesopbouw.
27 Zie hiervoor ook het Brahimi-rapport, UN Doc. A/55/305 – S/2000/809, <www.un.org>.
28 Het High Level Panel constateert dat de lidstaten voor een groot deel schuld hebben aan het mislukken van
    vredesmissies in de jaren negentig, UN Doc. A/59/565.
29 Zie UN Doc. A/59/2005, paragraaf 112.
30 Ibid. noot 12.
31 Zie ook rede van minister Van Ardenne over de Nederlandse ambities op het terrein van ontwikkelingssa-
    menwerking met betrekking tot de Top in september, waarin dit element ook wordt benadrukt, Den Haag,
    9 mei 2005.
32 Zie met name AIV, ‘Nederland en crisisbeheersing: drie actuele aspecten’, advies nummer 34, Den Haag,
    maart 2004.
                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>VN zelf de enige acceptabele uitvoerende organisatie kan zijn en dan is het zaak dat de
VN met goed uitgeruste troepen, moderne uitrusting en een robuust mandaat, ook in
moeilijke omstandigheden (denk aan de huidige VN-operatie in Oost-Congo) goed tegen
een zware taak is opgewassen. Militaire interventie, waarbij daadwerkelijk gebruik van
geweld waarschijnlijk of zeker is, zou echter in principe vooral moeten worden overgelaten
aan een daarvoor toegeruste (inter)regionale organisatie, al dan niet met steun van of in
samenwerking met andere organisaties. ‘Escalatie dominantie’, het vermogen om de mili-
taire capaciteit ter plaatse op te voeren indien de situatie onverhoopt verslechtert, vormt
een belangrijke factor. Indien robuuster optreden is vereist, moet eerst worden bezien of
de VN daartoe de geschikte middelen tot haar beschikking heeft. Anders moet een derge-
lijke operatie worden uitgevoerd door een organisatie, die de nodige slagkracht wel kan
leveren en zo nodig kan opvoeren. Dat de VN, als zodanig, zou moeten beschikken over
een eigen militaire capaciteit met dergelijke kwaliteiten, is derhalve voor de AIV niet evi-
dent. Het gaat om het creëren en bevorderen van een goed geïntegreerde aanpak en pre-
cies op dat terrein ligt een sleutelrol voor de Veiligheidsraad en het VN-secretariaat.
Zoals ook het HLP en de SGVN aangeven, is vooral op het terrein van preventie, wederop-
bouw en ontwikkeling nog een wereld te winnen. Deze terreinen zijn van essentieel belang
voor het bereiken van een duurzame verbetering van de situatie. Het zijn juist deze terrei-
nen waarop door de VN meer kan en moet worden gedaan. Zo is voor de VN, bijvoorbeeld
in de postconflict fase, het snel kunnen beschikken over goed getrainde politie-eenheden
belangrijker dan eigen militaire capaciteiten. Essentieel is dat ter plaatse, in het machts-
vacuüm dat meestal ontstaat, eerst de orde moet worden hersteld en gehandhaafd ten-
einde duurzame veiligheid te bereiken en te kunnen garanderen.
II.6     Geschillenbeslechting en internationale hoven
Het belang, dat de SGVN hecht aan vreedzame geschillenbeslechting, wordt door de AIV
nadrukkelijk onderschreven.33 Alle beschikbare middelen op het terrein van preventieve
diplomatie, bemiddeling en verzoening moeten daartoe worden benut. Daarbij is het van
belang dat potentiële problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en goed in kaart worden
gebracht door systematisch feitenonderzoek en dat bescherming wordt geboden aan hen
die dreigen het slachtoffer van geweld en/of mensenrechtenschendingen te worden. Dat
de SGVN voor het bereiken van deze doelstelling extra fondsen nodig heeft is een logisch
gevolg van deze keuze en moet in de visie van de AIV worden gehonoreerd.
De oprichting en inwerkingtreding van het Internationaal Strafhof (ICC) vormen een onge-
kende ontwikkeling op het gebied van de internationale ‘rule of law’. De AIV acht het van
het grootste belang dat het ICC zo min mogelijk wordt meegezogen door de internationale
politiek en/of de interne politiek in een conflictgebied. Door het recente besluit van de
Veiligheidsraad om het ICC te belasten met de vervolging van verdachten van internatio-
nale misdrijven in Darfur is dit Hof sterker ingebed in het VN-systeem.34 Van niet te
onderschatten belang is dat zelfs de Verenigde Staten, die bekend staan als een tegen-
stander van het ICC, zich voor deze specifieke situatie, door stemonthouding in plaats van
tegenstem niet hebben verzet. Hiermee bestendigt de Veiligheidsraad de ruime invulling
die wordt gegeven aan Hoofdstuk VII van het Handvest, zoals deze aan het begin van de
33 UN Doc. A/59/2005 paragrafen 108 t/m 113.
34 Zie VR-resolutie 1593 van 31 maart 2005.
                                               14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>jaren negentig is ingezet met de oprichting van de ad hoc internationale straftribunalen
voor het voormalig Joegoslavië en Rwanda.
Voor een goed en efficiënt functioneren heeft het ICC de VN hard nodig. Het ICC is een
strafhof dat zich zou moeten beperken tot strafrechtelijk onderzoek, vervolging en berech-
ting. Preventie van gewelddadige conflicten, bemiddeling en het bevorderen van de
(naoorlogse) vrede behoren als zodanig niet tot de taak en doelstelling van een strafhof;
zij kunnen hooguit de indirecte, maar welkome effecten zijn. Voor een goede taakuitoefe-
ning van het ICC is een ondersteunend en flankerend beleid van de VN nodig. Daarbij kan
worden gedacht aan het hierboven genoemde onderzoek in conflictgebieden, aan beveili-
ging van ICC-functionarissen, aan voortdurende coördinatie en informatieuitwisseling met
onder meer de speciale rapporteurs, de nieuwe Raad voor de Rechten van de Mens en
de Commissie voor Vredesopbouw.
Het ICC kan door zijn voorbeeldfunctie ook invloed hebben op de ontwikkeling van de
nationale ‘rule of law’.35 Dit ligt besloten in de aard van het ICC als complementair insti-
tuut; een instituut dat pas optreedt als de nationale justitie niet in staat of bereid is zelf
schendingen te onderzoeken en te vervolgen.36 Enerzijds kan dit een stimulans zijn voor
staten zelf een eerlijke procesgang mogelijk te maken. Anderzijds kan het ICC door zijn
eigen vervolgingen een voorbeeldfunctie vervullen door te laten zien dat een ieder, hoe
hoog in de politieke of militaire rang ook, kan worden vervolgd. Ook geldt dat een ieder,
tot welke groep de verdachten ook behoren en hoe gruwelijk de daden waarvan zij worden
verdacht ook mogen zijn, recht heeft op een eerlijk proces.
Het al veel langer bestaande en in het Handvest verankerde Internationaal Gerechtshof is
de laatste decennia bij het beslechten van grensconflicten tussen staten erg nuttig geble-
ken.37 Daarnaast heeft het door zijn uitspraken over zaken als het gebrek aan consulaire
ondersteuning van in de VS ter dood veroordeelden en ‘advisory opinions’ over de recht-
matigheid van de dreiging met of het gebruik van kernwapens en de bouw van de Israëli-
sche afscheiding van de Westelijke Jordaanoever aan relevantie en bekendheid gewonnen.
De AIV steunt de SGVN in zijn aansporing meer gebruik te maken van dit relatief eenvoudi-
ge juridische middel.38 Een nog verdere vereenvoudiging en transparantie van procedures
en meer openbaarheid van de stukken kan leiden tot een grotere betrokkenheid van de
staten. Dat is ook noodzakelijk omdat het functioneren van het Hof wordt belemmerd door
capaciteitsproblemen. Om dat op te lossen is politieke en financiële steun van alle staten
nodig. De vraag of het zal leiden tot meer medewerking bij de naleving van adviezen en
beslissingen van dit Hof, is een andere vraag.
35 Zie hierover ook het eveneens belangwekkende rapport van de SGVN, ‘The rule of law and transnational
    justice in conflict and post-conflict societies’, UN Doc. S/2004/616.
36 Zie Statuut ICC, artikel 12.
37 Bijvoorbeeld in de conflicten tussen Libië en Tsjaad, Botswana en Namibië, Indonesië en Maleisië en
    Kameroen en Nigeria.
38 Zie UN Doc. A/59/2005, paragraaf 139.
                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>III       Collectieve veiligheid en het gebruik van geweld
In het rapport van de SGVN wordt op beknopte wijze aandacht besteed aan het politiek
zeer gevoelige vraagstuk onder welke voorwaarden eventueel geweld gebruikt mag worden
als middel om internationale vrede en veiligheid te waarborgen of te herstellen. Opvallend
is de aanbeveling van de SGVN aan de Veiligheidsraad om een resolutie aan te nemen
waarin de criteria voor eventueel geweldgebruik zijn opgenomen. Deze resolutie zou als
leidraad gebruikt moeten worden bij besluitvorming in de Veiligheidsraad over geweld-
gebruik onder auspiciën van de VN.
De SGVN noemt drie probleemgebieden betreffende geweldgebruik waarover diepe ver-
deeldheid bestaat: 1. Preëmptief optreden tegen op handen zijnde aanvallen; 2. Preventief
optreden tegen latente bedreigingen; en 3. Beschermend optreden ten gunste van burgers
in andere staten die met genocide of soortgelijke misdrijven worden bedreigd. Naar zijn
opvatting wordt preëmptief optreden tegen op handen zijnde aanvallen gedekt door het
recht op zelfverdediging, zoals verwoord in artikel 51 van het VN-Handvest. Dit recht kan
individueel en collectief worden uitgeoefend. De AIV ondersteunt deze interpretatie en
heeft deze uitvoerig beargumenteerd in het gemeenschappelijke CAVV/AIV-advies.39 Mili-
tair optreden tegen bedreigingen die uitsluitend latent zijn, kan in beginsel niet onder
artikel 51 begrepen worden.
Met de SGVN is de AIV van mening dat hier de Veiligheidsraad de primaire verantwoorde-
lijkheid heeft en deze ook dient te nemen. Met de aanzienlijk ruimere interpretatie van
het begrip ‘bedreiging van de vrede’ heeft de Veiligheidsraad dat ook dikwijls gedaan en
zowel diplomatieke als dwangmaatregelen ingezet om aan dergelijke bedreigingen het
hoofd te bieden. De recente verwijzing van de situatie in Darfur naar het Internationaal
Strafhof is daarvan een treffend voorbeeld.40 Ten aanzien van het derde probleemgebied,
dat ook aangeduid kan worden als de problematiek van ‘humanitaire interventie’, stelt de
SGVN louter de retorische vraag of grootschalige schendingen van mensenrechten, geno-
cide, etnische zuivering en andere dergelijke misdrijven tegen de menselijkheid, ook niet
gezien moeten worden als ‘bedreigingen van de vrede’ onder hoofdstuk VII van het VN-
Handvest. Dat is uiteraard het geval en de Veiligheidsraad heeft diverse keren dergelijke
situaties ook als zodanig gebrandmerkt.41 De centrale vraag blijft: wat moet er gebeuren
als de VR vanwege interne verdeeldheid niet optreedt? Het antwoord van de SGVN en
meer direct dat van het HLP, is dat het functioneren van de Veiligheidsraad zodanig moet
verbeteren dat die vraag niet aan de orde is: ‘The task is not to find alternatives to the
Security Council as a source of authority but to make it work better.’42 Dat is een goed
uitgangspunt dat de AIV volledig ondersteunt. In de harde werkelijkheid van een soms
diep verdeelde en verlamde Veiligheidsraad en ingeval van een humanitaire noodsituatie
39 Zie AIV/CAVV, ‘Humanitaire Interventie’, advies nummer 13, Den Haag, april 2000 en AIV, ‘Preëmptief
    optreden’, advies nummer 36, Den Haag, juni 2004.
40 Zie S/RES/1593 van 31 maart 2005.
41 Onder andere voormalig Joegoslavië, Rwanda, en Darfur, resp. S/RES/808, 22 februari 1993, S/RES/929,
    22 juni 1994, en S/RES/1564, 18 september 2004.
42 UN Doc. A/59/2005, paragraaf 126.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>meent de AIV evenwel dat onder de in vorige adviezen beschreven voorwaarden een
humanitaire interventie niet mag worden uitgesloten. Ook de SGVN heeft in eerdere uit-
spraken die mogelijkheid niet uitgesloten. De SGVN beveelt aan de criteria te beschrijven
waaronder de Veiligheidsraad het gebruik van geweld zou mogen goedkeuren of zelfs
behoren dit te doen. In dat verband noemt de SGVN: de ernst van de dreiging; het zuive-
re oogmerk van de voorgestelde militaire actie; niet-militaire middelen als alternatief;
proportionaliteit; en de (redelijke) kans op succes van de te ondernemen militaire actie.43
De AIV beoordeelt deze criteria, overigens evenals de regering, positief en stelt vast dat
deze in grote mate overeenkomen met die welke de AIV/CAVV in eerdere adviezen heeft
bepleit.44 Het vastleggen van deze criteria zou inderdaad enige duidelijkheid en houvast
geven alsmede – zoals de SGVN terecht betoogt – transparantie bevorderen en daarmee
respect voor besluiten van de Veiligheidsraad helpen bewerkstelligen. In dat verband is
het van belang dat de Veiligheidsraad besluitvorming over concrete situaties van voldoen-
de en consistente motivering voorziet.
De voorstellen van de SGVN geven de AIV nog aanleiding tot enig commentaar. Allereerst
kan worden opgemerkt dat het meer de taak van de AVVN dan van de Veiligheidsraad is
een algemene resolutie met een dergelijke inhoud aan te nemen. De AVVN heeft immers
als expliciete taak in artikel 13 VN-Handvest om de ontwikkeling van het internationale
recht en de codificatie daarvan te bevorderen. Op het terrein van de modaliteiten van
geweldgebruik heeft de AVVN diverse belangrijke declaraties aanvaard.45 Teneinde met
name de Verenigde Staten zoveel mogelijk aan een dergelijk project te binden, is het
evenwel te billijken dat de SGVN bepleit dat allereerst de Veiligheidsraad hierover over-
eenstemming bereikt (als dat al mogelijk zou blijken, hetgeen niet erg waarschijnlijk lijkt).
Daarnaast kan worden opgemerkt dat het van belang is dat deze criteria kunnen, zelfs
indien deze niet in een resolutie worden vastgelegd, toch een eigen leven gaan leiden en
in ieder debat over het machtigen van eventueel militair optreden houvast en een soort
toetsingskader bieden in de politieke discussies. Ook dat is een (rest)methode om te
komen tot het gemeenschappelijk standpunt waartoe de SGVN de Veiligheidsraad
oproept. De AIV beveelt de regering derhalve aan de inhoud van deze criteria te onder-
steunen alsmede de reeds (groeiende) overeenstemming in beginsel over de criteria toe
te juichen, in welke vorm deze dan ook worden neergelegd.
43 Zie UN Doc. A/59/2005, paragraaf 126, UN Doc. A/59/565, paragraaf 207 en ook artikel K. Annan in The
    Economist van 4 december 2004, pp. 23-26.
44 Zie AIV/CAVV, ‘Humanitaire Interventie’, advies nummer 13, Den Haag, april 2000 en AIV/CAVV, ‘Preëmptief
    optreden’, advies nummer 36, Den Haag, juni 2004 en ook brief DVF/CI-112/05 van 26 april 2005, pagina
    6.
45 Daartoe behoren de Non-interventie Declaratie (A/RES/2131-XX, 1965), de Declaratie inzake Vriendschap-
    pelijke Betrekkingen tussen Staten (A/RES/2625-XXV, 1970) en de Definitie van Agressie
    (A/RES/3314-XXIX, 1974).
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>IV        Institutionele her vormingen
IV.1      Functioneren en samenstelling Veiligheidsraad
Een belangrijk aspect van de hervormingsvoorstellen van de SGVN betreft de samenstelling
van de Veiligheidsraad (paragrafen 167-181). De samenstelling van de Veiligheidsraad
wordt niet representatief geacht voor de huidige mondiale verhoudingen en is in de visie
van vele landen niet bevorderlijk voor de geloofwaardigheid en legitimiteit van de besluiten
van de Veiligheidsraad. Representativiteit is des te meer van belang, daar de Veiligheids-
raad in de loop der jaren zijn mandaat steeds expansiever heeft geïnterpreteerd (waaronder
regelgevende bevoegdheden) en mogelijk in de toekomst ook nog andere taken krijgt; taken
waarop tot op heden geen (quasi-rechterlijke) controle mogelijk is gebleken. Hoewel al
decennia wordt gesproken over wijziging van de samenstelling van de Veiligheidsraad zijn
resultaten tot op heden uitgebleven. De SGVN maakt geen keuze uit de door het HLP voor-
gestelde twee modellen, maar geeft wel een aantal mogelijke randvoorwaarden. Zo moet
de herziening van de Veiligheidsraad deze meer representatief, meer democratisch en aan-
spreekbaar (‘accountable’) maken en de besluitvormingsprocessen niet belemmeren.46
Voor de AIV is vergroting van de representativiteit van het lidmaatschap van de Veiligheids-
raad prioritair. De AIV betreurt het dan ook dat de regering in haar brieven van 25 februari
en 27 april 2005 de doelstelling ‘verhoogde representativiteit’ niet meer als zodanig
noemt. Een dergelijk standpunt verhoudt zich slecht met de uit algemeen belang noodza-
kelijke herziening van de samenstelling van de Veiligheidsraad, mede in het licht van diens
toenemende verantwoordelijkheden; zoals ook door de SGVN is bepleit. Op welke gronden
een lidstaat representatief wordt geacht om lid te worden dan wel deel te gaan nemen
aan de besluitvorming in de Veiligheidsraad is uitgebreid in discussie. Representativiteit
bestaat uit meerdere elementen. Het HLP suggereert dat ‘kwaliteitscriteria’, zoals bevol-
kingsomvang, omvang van de economie, en bijdragen aan het VN-systeem en ontwikke-
lingssamenwerking (0,7% ODA), op enige manier zouden moeten worden meegewogen. Zo
zou er een beter evenwicht komen tussen de bijdragen die een land doet aan de VN en de
mate waarin dit land zeggenschap heeft in de besluitvorming.
De AIV ondersteunt deze gedachte van kwaliteitscriteria en onderschrijft daarom ook uit-
gangspunt dat er een beter evenwicht moet komen tussen de bijdragen die een land
levert aan de VN en de mate waarin dit land zeggenschap heeft in de besluitvorming en is
ook van oordeel dat leden van de Veiligheidsraad hierop, vooruitlopend op de herziening,
moeten worden aangesproken. Dit is overigens ook geheel in lijn met artikel 23.1 van het
Handvest, waarin wordt gesproken over de bijdrage die leden (kunnen) leveren aan de
handhaving van vrede en veiligheid en andere doeleinden van de Organisatie.
De AIV deelt verder de onvrede van de regering over de miskenning van de inspanningen
van lidstaten in VN-kader, die het gevolg zou zijn van een louter toerbeurtsysteem in het
kader van regionale groepen. Het HLP suggereert dat de regionale groepen bij het kiezen
van een niet-permanent lid uit hun midden terzake een keuze maken uit een ‘top-drie’ van
landen. Zo zou kunnen worden bereikt dat landen die veel bijdragen, meer zeggenschap
krijgen dan nu het geval is. Het argument is omgekeerd ook geldig, want het kan niet zo
zijn dat een land dat beschikt over een permanent lidmaatschap van de Veiligheidsraad
46 Zie UN Doc. A/59/2005 paragrafen 169 en 170. Zie ook het HLP-rapport in UN Doc. A/59/565,
    paragraaf 255.
                                                 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>weinig tot niets doet als het op concrete bijdragen (troepen, financiële bijdragen)
aankomt.47 Hij onderschrijft tevens het standpunt, dat de samenstelling van de Veilig-
heidsraad aan de hedendaagse politieke realiteiten dient te worden aangepast en perio-
diek moet worden bezien of niet opnieuw tot herschikking moet worden overgegaan.48
Logischerwijs zal deze herziening van de omvang van de Veiligheidsraad leiden tot een
verkleining van de invloed van de numeriek momenteel oververtegenwoordigde (westerse)
Europese landen. Ook voor Nederland kan dat gevolgen hebben. Om deze consequentie
bij het verkiezen van niet-permanente leden meer te verzachten zou, in de visie van de
AIV, ernst moeten worden gemaakt met het toewerken naar een EU-zetel in de Veilig-
heidsraad. Omdat dit voorlopig weinig haalbaar lijkt, is het een interessant idee om aan
een eventuele Duitse zetelbezetting een vertegenwoordiger van het Raadssecretariaat toe
te voegen, teneinde deze zetel enigszins een Europees karakter en invulling te geven. Ook
de in artikel 19 van het Verdrag van Amsterdam voorziene consultatie van EU-lidstaten
door EU-lidstaten, die (al dan niet tijdelijk) lid van de Veiligheidsraad zijn, dient zo serieus
mogelijk te worden genomen.
Samenvattend concludeert de AIV, dat het met name van belang is dat naar een Veilig-
heidsraad wordt gestreefd die meer representatief is over een zo breed mogelijk geogra-
fisch bereik. Indien dit kan worden bereikt, moet Nederland zich voor iedere mogelijke
consensus daarover inzetten.
IV.2      Instelling Commissie voor Vredesopbouw
Eén van de voorstellen van de SGVN betreft het instellen van een Commissie voor Vredes-
opbouw (‘Peace Building Commission’) en een ondersteunende eenheid op het Secretariaat
van de VN (paragrafen 114-120). Dit voorstel vertoont grote overeenkomsten met de aan-
bevelingen die de AIV/CAVV zelf in hun advies inzake Falende Staten al in mei 2004 heb-
ben gedaan. De voorgestelde Commissie is te beschouwen als een institutionele vertaling
van het hierboven genoemde, zo belangrijke beginsel ‘responsibility to protect’. Thans wor-
den burgers vaak noch nationaal, noch internationaal beschermd. Immers maar al te vaak
worden burgers het slachtoffer van onmachtige of onwillige overheden of niet werkende of
onvoldoende nageleefde internationale regelingen die beogen een einde te maken aan een
conflict. Dit geldt eens temeer in staten die fragiel zijn. Daar hebben de overheden niet of
onvoldoende het monopolie op het gebruik van geweld in handen en slagen zij er reeds
daarom niet in hun burgers veiligheid te bieden. Meer dan de helft van de landen waar oor-
log heeft gewoed, blijkt binnen vijf jaar opnieuw in gewelddadigheden te vervallen. De SGVN
constateert dat er een institutioneel vacuüm bestaat waardoor landen onvoldoende worden
bijgestaan in de overgangsfase van oorlog naar vrede en herstel. Daarom wil hij, geba-
seerd op de voorstellen van de HLP, dat een nieuwe intergouvernementele commissie in de
onmiddellijke nasleep van gewapend confict een serie taken ter hand neemt, bijgestaan
door een Peace Building Support Office binnen het Secretariaat. In een toelichtende nota
heeft de SGVN zijn voorstellen nader uitgewerkt.49
47 Zie UN Doc. A/59/565: ‘The contributions to the UN of some of the five permanent members are modest
    compared to their special status’, pagina 62.
48 Zie onder meer: Brieven aan de Tweede Kamer inzake hervormingen van de VN van 1 juni 2004,
    25 februari 2005 en 26 april 2005.
49 Zie Explanatory Note SGVN over de Peacebuilding Commission van 19 april 2005.
                                                    19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Het mandaat van de voorgestelde Commissie voor Vredesopbouw omvat het verlenen van
bijstand bij het opstellen en uitvoeren van allesomvattende strategieën voor vredesopbouw,
zowel in algemene zin als in landenspecifieke situaties. De Commissie dient te bewerkstel-
ligen dat:
• alle relevante internationale actoren bijeen worden gebracht om te verzekeren dat de
    internationale gemeenschap zo effectief mogelijk is bij het ondersteunen van nationale
    autoriteiten;
• prioriteiten te stellen, die zijn toegesneden op de realiteiten van het betrokken land;
• fondsen bijeen te brengen, zowel voor vroege prioriteiten als ook voor het middellange
    en langetermijnherstel;
• gedurende het proces van vredesopbouw een actief forum te zijn voor coördinatie en
    het oplossen van mogelijke complicaties of verschillen van inzicht.
De Commissie zou ook een belangrijke rol moeten hebben bij het toezicht op de vorderin-
gen van programma’s gericht op demobilisatie, ontwapening, herintegratie en herstel.
De SGVN bepleit ten aanzien van de samenstelling een subgroep van Veiligheidsraadsle-
den, een gelijk aantal ECOSOC-leden, leidende troepenleverende landen en belangrijke
donoren. Hij denkt daarbij aan 15 à 20 leden, die hun werk op basis van consensus zou-
den moeten verrichten. In landenspecifieke situaties wil de SGVN deze bijvoorbeeld aan-
vullen met de betrokken nationale autoriteiten, vertegenwoordigers van de internationale
financiële instellingen en relevante regionale organisaties.
De SGVN stelt voor, dit nieuwe orgaan te verbinden aan respectievelijk de Veiligheidsraad
en de ECOSOC. De Veiligheidsraad zou zelf, aan de hand van de fase waarin moet wor-
den voorzien, moeten bepalen welke actoren eveneens betrokken zouden moeten worden
bij de activiteiten. De AIV ondersteunt deze gedachtegang op hoofdlijnen. Hij hecht er
namelijk wel sterk aan dat de regering de door de AIV eerder verwoorde aanbevelingen
om de Commissie een orgaan te laten zijn van de, dan hopelijk geografisch meer repre-
sentatieve, Veiligheidsraad en aldus te voorzien van de noodzakelijke slagkracht door de
regering serieus worden bezien op haalbaarheid.50 Het gaat immers om het waarborgen
van vrede en veiligheid en het scheppen van voorwaarden voor herstel en ontwikkeling.
Wel ziet de AIV een mogelijke rol voor de ECOSOC naar gelang het conflict afneemt in
een specifiek land en het proces van vredesopbouw vordert. In dat geval zou dit orgaan
geleidelijk de primaire rol van de Veiligheidsraad overnemen.
In een aantal andere opzichten wijken de voorstellen van de SGVN af van die van het HLP
en ook van die van de AIV/CAVV. Opvallend is dat de SGVN in zijn rapport stelt dat de
Commissie voor Vredesopbouw zich louter moet richten op de naoorlogse fase van weder-
opbouw en in beginsel geen rol bij conflictpreventie en vroegtijdige waarschuwing toe-
komt. In zijn toelichtende nota stelt hij weliswaar dat naoorlogse vredesopbouw een zeer
belangrijke vorm van voorkoming van verdere conflicten is, maar hij kiest ervoor dat deze
nieuwe Commissie niet de bestaande mechanismen en procedures voor conflictpreventie
in de wielen mag rijden. Wellicht speelt ook de vrees voor een te vroegtijdige inmenging in
de binnenlandse aangelegenheden van een land dat meent zelf het vervallen in conflict te
kunnen vermijden. In het eerdere AIV/CAVV-advies over Falende Staten is evenwel gecon-
stateerd dat de internationale statengemeenschap er vaak te laat bij betrokken raakten
dat conflictvoorkomende en conflictbeheersende activiteiten juist in de fase van groeiende
tegenstellingen van groot belang zijn.
50 Zie AIV/CAVV, ‘Falende Staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid’, advies nummer 35, Den Haag,
    maart 2004, hoofdstuk VII en pagina 96.
                                                     20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>De AIV vindt derhalve de wat gekunstelde beperking van de nieuwe Commissie voor Vre-
desopbouw tot de naoorlogse fase van wederopbouw, zoals ook de Nederlandse regering
lijkt te ondersteunen blijkens haar brieven van 25 februari en 26 april 2005, niet overtui-
gend en ook niet in de geest van de grote nadruk op preventie en de ‘responsibility to
protect’. De vroegtijdige adviserende rol en bestuursbijstand op verzoek in een vroeg sta-
dium lijken wel enigszins terug te komen in de nadere voorstellen van de SGVN in zijn
toelichtende notitie, waar hij stelt dat lidstaten van de VN in elk stadium advies van de
Commissie en financiële bijstand van een Fonds voor Vredesopbouw kunnen vragen. De
AIV beveelt aan hierop voort te bouwen.
De SGVN is voorts van oordeel dat het in te stellen fonds zoveel mogelijk gevoed zou
moeten worden uit vrijwillige bijdragen en niet ten laste moet komen van het reguliere
budget van de VN. De AIV heeft hierover grote twijfel en geeft er verre de voorkeur aan
het fonds te voeden uit reguliere middelen. Ingeval dat op politieke problemen stuit, zal
op zijn minst moeten worden voorzien in een basisvoorziening, die het mogelijk maakt te
opereren in de eerste fase. Deze basisvoorziening zou afkomstig moeten zijn uit het regu-
liere budget. Bovendien wil de SGVN de Commissie een louter adviserende rol toebede-
len, terwijl deze bovendien op basis van consensus dient te opereren. In het licht van de
vele en belangrijke functies van de Commissie, meent de AIV dat dit een té ernstige
beperking is. Het moet een orgaan worden dat besluiten kan nemen en ook een beroep
kan doen op eigen financiële en andere middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van een dergelijk takenpakket.
De AIV ondersteunt de aanbevelingen van de SGVN om zijn secretariaat beter uit te rus-
ten door de nieuwe Commissie bij te doen staan via het opzetten van een Peacebuilding
Support Office en een Fonds voor Vredesopbouw. Dat bureau zou, in nauwe samenwer-
king met de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, onder meer ook ‘rule of
law’-bevorderende activiteiten moeten gaan ontwikkelen.51 De AIV acht de opbouw van
een nationale rechtsstaat van essentieel belang voor het bewaren van de vrede en het
bevorderen van respect voor de rechten van de mens.
IV.3      Raad voor de Rechten van de Mens/Hoge Commissaris voor de Rechten
          van de Mens
De SGVN heeft in zijn rapport het voorstel gedaan over te gaan tot instelling van een
nieuwe Raad voor de Rechten van de Mens onder opheffing van de huidige Commissie
voor de Rechten van de Mens (MRC).52 Een eerste uitwerking van dit idee heeft hij gege-
ven tijdens een redevoering in de 61e zitting van de MRC op 7 april 2005 en vervolgens
meer geconcretiseerd in een toelichtende notitie met als titel ’United Nations Human
Rights Council’ van april 2005.
In algemene zin beoordeelt de AIV de doelstelling om meer aandacht te besteden aan de
rechten van de mens als zeer positief. Bij de oprichting van de VN werd al voorzien in
hoofdorganen op het terrein van vrede en veiligheid (Veiligheidsraad), economisch, sociaal
en cultureel terrein (ECOSOC) en niet-zelf besturende gebieden (Trustschapsraad), maar
51 Zie onder meer UN Doc. A.59/2005, paragrafen 137 en 138.
52 Zie met name in paragraaf 183 rapport SGVN.
                                                 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>niet specifiek op mensenrechtengebied.53 De Commissie voor de Rechten van de Mens
is een functionele commissie van ECOSOC. Vanwege het toegenomen belang van men-
senrechten sinds 1945, is de SGVN te prijzen dat hij mensenrechten nu op gelijke voet
wil plaatsen met deze andere beleidsgebieden en sterker wil koppelen aan de Veiligheids-
raad. De SGVN stelt voor de Raad voor de Rechten van de Mens te doen verkiezen, met
tweederde meerderheid, door de AVVN. Het nieuw te creëren orgaan zou daarmee meer
prestige en groter gezag krijgen en meer aanspreekbaar worden. Teneinde deze Raad een
geheel zelfstandige plaats te geven is Handvestwijziging noodzakelijk. De AIV acht het van
belang dat van het ontstane momentum gebruik wordt gemaakt en ondersteunt het voor-
stel van de SGVN op dit punt dan ook volledig. Omdat Handvestwijziging waarschijnlijk
geruime tijd zal vergen, stelt de AIV voor dat de Raad voor de Rechten van de Mens,
vooruitlopend hierop, voorlopig zou kunnen gaan fungeren als orgaan van de AVVN; dit
om de sterke kritiek die op de huidige situatie wordt geuit te redresseren.54
Een belangrijk bezwaar tegen de nieuw in te stellen Raad is echter, dat er geen enkele
garantie bestaat dat de grootste bezwaren tegen de huidige Commissie voor de Rechten
van de Mens (‘politisering’, ‘dubbele maatstaven’ en onder meer te weinig aandacht voor
economische, sociale en culturele rechten) met een dergelijke opzet zullen worden onder-
vangen. De voorstellen van de SGVN over de keuze van een ‘society of the committed’
lijken daarmee niet voldoende doordacht. Ook de huidige samenstelling van de MRC is
immers tot op zekere hoogte representatief voor de leden van de VN als geheel, maar
vormt niet wat de SGVN onder een dergelijke gemeenschap verstaat. Veeleer zou moeten
worden gedacht aan andere voorwaarden, zoals de AIV al eerder heeft verwoord en dan
nog is het de vraag of ernstige schenders van de rechten van de mens buiten dergelijke
instellingen gehouden zullen worden.55
De SGVN stelt voor de Raad voor de Rechten van de Mens kleiner van omvang te maken
dan de huidige MRC. Impliciet wordt de suggestie gedaan terug te gaan naar de oor-
spronkelijke situatie van 18 leden. De AIV heeft geen uitgesproken voorkeur voor het
exacte aantal leden, mits wordt voldaan aan een minimumeis van representativiteit,
geloofwaardigheid én besluitvaardigheid. In dat geval zal toch al gauw een ledenaantal
tussen de 24 en 35 realistisch zijn. De SGVN laat de modaliteiten van verkiezing van de
leden open. Het lijkt evenwel onvermijdelijk dat dit, met alle bezwaren van dien, opnieuw
op ‘regionale basis’ zal geschieden.
Over de rol en functie van de nieuw in te stellen Raad voor de Rechten van de Mens
heeft de SGVN een aantal opmerkingen gemaakt. Het belangrijkste aspect daarvan is dat
iedere lidstaat periodiek aan een onderzoek op het gebied van de naleving van de men-
senrechten (‘peer review’) zou moeten worden onderworpen. Het is evenwel niet wenselijk
dat een politiek orgaan als de Raad zelfstandig een dergelijke ‘peer review’ verricht.
53 Zie art. 1.1 en 1.2 van het Handvest over werkterrein VR en AVVN en art. 1.3 (eerste helft van de zin) over
    werkterrein ECOSOC. De tweede helft van de zin 1.3.b gaat over het belang van de rechten van de mens.
54 Als wordt besloten tot het instellen van een Raad voor de Rechten van de Mens (in welke modaliteit dan
    ook), zal in de toekomst ook moeten worden bekeken wat daarvan de gevolgen zijn voor het functioneren
    van de Derde Commissie van de AVVN.
55 Zie AIV, ‘De Verenigde Naties en de Rechten van de Mens’, advies nummer 38, Den Haag, september
    2004, pagina 20. Zie ook reactie van de regering op dit advies: DMV/MR-043/05 van 1 maart 2005. Zie
    ook alternatieve modellen zoals gehanteerd bij het Forum voor inheemse volken (inheemse deskundigen
    verkozen door regeringen en regeringsvertegenwoordigers) of de ILO.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Omdat een dergelijke beoordeling tot objectieve bevindingen moet leiden, zou veeleer
gebruik moeten worden gemaakt van kennis en ervaring die bestaat binnen bestaande ver-
dragscomités en bij Bijzondere Rapporteurs. Voorts zou het niet zo moeten zijn dat dergelij-
ke onderzoeken plaatsvinden op vrijwillige basis. Dat voorstel van de SGVN geeft notoire
en ernstige schenders van de rechten van de mens alle kans om de dans te ontspringen
en dat kan, naar het oordeel van de AIV, niet de bedoeling zijn. Een ander nadeel is dat
veel tijd en energie verloren zou gaan met het bespreken van situaties in landen waar op
mensenrechtengebied niet veel aan de hand is. In zijn voorstellen stelt de SGVN ook voor
ruimte te scheppen voor het bespreken van urgente crises, maar hij laat in het midden wie
precies zal bepalen wat een urgente crisis is. Dergelijke keuzen zullen in de praktijk van de
VN altijd in een politieke context geschieden en het is dan ook de vraag of een dergelijk
systeem zou werken, zonder de nu zo bekritiseerde politisering en selectiviteit.
Het voorstel van de SGVN gaat uit van vestiging van de Raad voor de Rechten van de
Mens in Genève. Dit heeft het voordeel dat dit het centrum van de meeste VN-activiteiten
op mensenrechtengebied zal blijven. Het lost echter niet het, ook al in eerdere adviezen
van de AIV gesignaleerde, nadeel op dat weinig invloed kan worden uitgeoefend op het
centrum van politieke besluitvorming in New York. Hoewel wordt voorgesteld dat deze
Raad zelf kan besluiten waar wordt vergaderd, zal dat waarschijnlijk, ook om financiële
redenen, niet veel buiten de oorspronkelijke vestigingsplaats gebeuren.56
De keus is verder van belang in verband met de samenwerking met de Hoge Commissa-
ris, wier positie in ieder geval versterkt moet worden, en andere mechanismen op het ter-
rein van de rechten van de mens. Uiteraard onderschrijft de AIV daarbij hetgeen de SGVN
aangeeft over verbetering van communicatie en samenwerking. Het lijkt de AIV daarbij dat
de Hoge Commissaris periodiek rapport uitbrengt aan de Raad voor de Rechten van de
Mens, onder andere over de situatie in de te bespreken landen. Daarnaast acht de AIV
het zorgelijk dat de SGVN maar beperkt aandacht heeft geschonken aan de rol van spe-
ciale procedures van de huidige Commissie voor de Rechten van de Mens, die zich in de
loop der jaren hebben ontwikkeld als de ‘oren en ogen’ van het systeem en de ruggen-
graat vormen van analyse en toezicht.57 Het zou ernstig te betreuren zijn als deze hervor-
mingsoperatie dit toezichthoudende stelsel zou verzwakken of zelfs zou doen vervallen. In
de visie van de AIV dient dit te worden voorkomen en moet er met kracht naar worden
gestreefd dat een goede werkverdeling en samenwerking met de nieuw in te stellen Raad
tot stand wordt gebracht; een standpunt dat door de regering wordt gedeeld blijkens de
recente brief (van 26 april 2005) aan de Tweede Kamer. Hoe om te gaan met de huidige
Subcommissie en de rol van NGO’s blijft in de voorstellen van de SGVN ook nog onduide-
lijk. In de visie van de AIV is er veel te zeggen voor het - voorlopig - voortbestaan van de
Subcommissie, aangezien zij in principe uit deskundigen bestaat.
Niettegenstaande deze onzekerheden (waarover nog moet worden onderhandeld) is de
AIV van oordeel dat een opgewaardeerde en meer besluitkrachtige Mensenrechtenraad in
de toekomst wellicht beter in staat is om de rechten van de mens ingebed te krijgen in
alle onderdelen van de activiteiten van de VN, alsmede in de besluitvorming van de twee
56 Indien, zoals in de huidige situatie, onvoldoende budget beschikbaar komt en de vijfde commissie van de
    AVVN de macht blijft gebruiken om te bewerkstelligen dat voldoende financiële middelen ter beschikking
    worden gesteld, is er weinig hoop op flexibiliteit.
57 In zijn rede voor de Commissie voor de Rechten van de Mens op 7 april 2005 spreekt de SGVN wel over
    het belang van deze procedures. In zijn voorstellen in zijn rapport In Larger Freedom gebeurt dat nauwelijks.
                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>politieke hoofdorganen (de AVVN en VR). Het behoud van de rol van de specifieke proce-
dures en actieve betrokkenheid van NGO’s lijkt de AIV echter een voorwaarde om in te
kunnen stemmen met deze nieuwe opzet.
De SGVN gaat ook in op de rol van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens
(HCRM).58 Daarin verzoekt hij de HCRM onder meer binnen zestig dagen te komen met
een actieplan ter versterking van de activiteiten van het Kantoor van de HCRM. Het is de
AIV bekend dat dit actieplan inmiddels aan de SGVN is aangeboden, maar het is nog niet
publiek. Daarom kan de AIV ook niet op de inhoud reageren. De AIV heeft zelf hierboven
al een aantal aspecten van de rol van de HCRM benadrukt. Voorts ziet de AIV met name
op het terrein van de bovengenoemde inbedding van de rechten van de mens in alle
onderdelen van de VN (‘mainstreaming’) een instrumentele rol voor de HCRM.59 Dat het
programma van de HCRM daartoe zou moeten beschikken over meer fondsen en perso-
neel (ook te velde) spreekt voor de AIV voor zich en is ook al in vele adviezen van de AIV
benadrukt. De AIV acht betrokkenheid van de HCRM bij de discussies en onderhandelin-
gen in de Veiligheidsraad zeer toe te juichen. Het toezicht op en het bevorderen van de
naleving van genomen besluiten is daarvan een logisch gevolg. Een tot op heden nog wat
onderbelicht onderdeel in die taakstelling betreft het toezicht op de naleving van de men-
senrechten door de VN-organisatie zelf. Ook op dat terrein ligt in de visie van de AIV een
duidelijke taak voor de HCRM. Dat geldt ook voor het verzamelen van informatie over
schendingen van internationaal humanitair recht, en het opbouwen en beschikbaar stellen
van expertise met betrekking tot onderzoek naar strafbare feiten volgens de internationale
rechten van de mens en internationaal humanitair recht. Op die wijze kan de HCRM ook
een concrete bijdrage leveren aan de samenwerking met het Internationale Strafhof.
IV.4      Bevoegdheden/staf SGVN
In zijn rapport besteedt de SGVN ook aandacht aan voorstellen tot versterking van het
secretariaat (met name paragrafen 184-193). De SGVN is, als hoogste ambtenaar van
de VN, op grond van het Handvest van de VN (artikelen 97-102) de bewaker en aanjager
van de organisatie en in feite ook de hoeder van het algemene belang; het is zijn taak de
naleving van het ‘common interest’ te bevorderen. De voorstellen tot versterking van de
VN moeten dan ook in dit licht worden beschouwd en ook de AIV heeft in dit advies die
gedachte als leidraad genomen bij de beoordeling van de concrete voorstellen. In de
praktijk van vandaag de dag heeft de SGVN, ondanks zijn leidende positie, een zeer
beperkte politieke en operationele speelruimte om zijn organisatie effectief te laten zijn.
Veel hangt af van de persoon van de SGVN. Uit eerdere uitlatingen van Kofi Annan, maar
ook uit uitspraken van andere hoge VN-officials, komt een beeld naar voren van een orga-
nisatiestructuur waar over alle besluiten, hoe klein ook, overeenstemming moet bestaan,
waar te weinig fondsen voor werkzaamheden beschikbaar worden gesteld en waar tegen-
gestelde mandaten worden verleend.60 Hoewel er sinds het aantreden van Annan op het
terrein van management verschillende stappen zijn genomen, blijft de organisatie last hou-
den van een gebrek aan transparantie, het afleggen van verantwoording (‘accountability’),
58 Zie UN Doc. A/RES/59/2005, met name paragrafen 142, 144, 145 en 146.
59 Zie AIV, ‘Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking’, advies nummer 30, Den Haag,
   april 2003 en AIV, ‘De Verenigde Naties en de Rechten van de Mens’, advies nummer 38, Den Haag,
   september 2004.
61 Zie bijvoorbeeld: Rede van Kofi Annan tijdens het World Economic Forum in Davos in 1998. Zie ook rede
   van Deputy SGVN Louise Fréchette, Waterloo University, 3 april 2005.
                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>onafhankelijkheid en integriteit.61 In meer algemene zin bestaat een grote discrepantie
tussen verwachtingen die men van het VN-systeem heeft en de daarvoor beschikbaar
gestelde middelen. Het huidige financieringssysteem is daarvoor mede verantwoordelijk. De
nadrukkelijke afhankelijkheid van vrijwillige bijdragen (en het gebrek aan vaste inkomsten),
maakt het vrijwel onmogelijk om ambitieuze doelstellingen, op welk terrein van de VN dan
ook, te bereiken. Als deze tendens van gebrekkige financiële inzet van de lidstaten en
gebrek aan evenwicht tussen vrijwillige en vaste bijdragen niet wordt gekeerd, ondergraaft
dat de autoriteit en geloofwaardigheid van de organisatie. Daar komt uiteraard bij dat de
VN als regel te hulp wordt geroepen in situaties waarin staten hun eigen problemen niet
langer kunnen oplossen. In die complexe context is het aangaan van een nieuwe verplich-
ting vaak al lastig te betalen.
De concrete voorstellen van de SGVN om tot een slagvaardiger organisatie te komen
moeten een deel van de oplossing voor deze problemen bieden. De wens te komen tot
een staf met een andere soort betrokkenheid en capaciteiten is derhalve logisch en recht-
vaardigt een besluit tot goedkeuring van de daartoe noodzakelijke middelen. De AIV
beveelt de regering aan om het voorstel om alle mandaten, ouder dan vijf jaar, opnieuw te
beoordelen, een deel van de staf te ‘vernieuwen’ en over te gaan tot een herziening van
personeelsbudgetten en administratieve systemen, mits goed onderbouwd, te steunen.
De SGVN heeft naar aanleiding van zijn voorstel om over te gaan tot een ‘cabinet-style
decision-making system’ (paragraaf 191) inmiddels een aantal besluiten genomen. Een
twaalf personen tellende beleidscommissie (‘Policy Comittee’) zal eens per week bijeenko-
men en moet de meer strategische besluitvorming gaan behandelen. Een zeven personen
tellende management commissie (‘Management Committtee’) zal zich maandelijks gaan
buigen over interne organisatie en managementonderwerpen. Deze nieuwe commissies
vervangen een aantal eerder ingestelde commissies, moeten met onmiddellijke ingang
gaan functioneren en worden geleid door de SGVN. Daarnaast is onder leiding van Plv.
SGVN Fréchette een Management Performance Board ingesteld, gericht op het toezicht
op de leidinggevenden. Of deze organisatorische maatregelen vruchten gaan afwerpen
moet in de toekomst blijken, maar het duidt er wel op dat de SGVN ernaar streeft op zo
kort mogelijke termijn resultaten te bereiken met betrekking tot het interne management;
een streven dat door de AIV wordt ondersteund.
IV.5      Rol van maatschappelijke actoren
In de adviesaanvraag wordt een specifieke vraag gesteld over de rol van het maatschap-
pelijk middenveld en de particuliere sector. Onder verwijzing naar het rapport van de SGVN
wordt gewezen op het belang van de rol van een actief maatschappelijk middenveld en
een dynamische particuliere sector, naast de rol van staten en non-gouvernementele
organisaties (NGO’s). In de context van dit advies en gezien de noodzaak om dit advies
tijdig af te ronden, gaat de AIV slechts op hoofdlijnen in op dit onderwerp. Het is evenwel
van zo groot belang, dat dit aspect een separaat advies verdient.
Over het belang en de rol van NGO’s heeft de AIV zich meermalen expliciet uitgesproken.62
61 De schandalen met betrekking tot het olie-voor-voedselprogramma en de geopenbaarde gevallen van sek-
    sueel misbruik door VN-soldaten in Congo en Angola, zijn daarvan recente voorbeelden.
62 Zie onder meer AIV, ‘Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens’, advies num-
    mer 11, Den Haag, september 1999 en AIV, ‘De Verenigde Naties en de Rechten van de Mens’, advies
    nummer 38, Den Haag, september 2004.
                                                    25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Daarbij is geconstateerd dat NGO’s op vele terreinen, maar met name op het terrein van
ontwikkeling, milieu en de rechten van de mens een wezenlijke bijdrage hebben geleverd,
ook aan de ontwikkeling van het normatieve bouwwerk. Het gebrek aan aandacht in de
voorstellen voor de rol en positie van NGO’s acht de AIV dan ook zorgelijk. De huidige
Commissie voor de Rechten van de Mens heeft veel ruimte geschapen voor toegang en
inbreng van NGO’s en het gevaar bestaat dat landen van de gelegenheid gebruik zullen
maken om, de in hun ogen, bevoorrechte positie van NGO’s, te beknotten.63 De AIV is
van oordeel dat dit, mede gezien de grote overwegend positieve inbreng die deze organi-
saties in zijn visie in de laatste decennia hebben gehad, moet worden voorkomen. Ook in
de toekomst zal de rol van deze organisaties voor de verdere ontwikkeling van de VN
belangrijk zijn en deze rol moet niet worden onderschat. De AIV roept de regering op om
tijdens het hervormingsproces doorlopend voldoende aandacht aan dit belangrijke aspect
te blijven besteden.
Het rapport van de SGVN ziet een belangrijke rol weggelegd voor bedrijven om de doelen
van de VN te bewerkstelligen. Die rol komt overeen met het in 1998 gesloten “Global
Compact’ en met hetgeen ook al uitgebreid wordt beschreven in het in juni 2004 ver-
schenen VN-rapport over de relatie tussen de VN en ‘civil society’, dat onder leiding van
Ferdinando Cardozo (Brazilië) tot stand is gekomen.64 In dat rapport wordt in detail
besproken hoe belangrijk NGO’s en de particuliere sector zijn voor de legitimiteit en het
toekomstig functioneren van de VN op alle terreinen.65 De SGVN besteedt ook op een
aantal plaatsen aandacht aan deze materie. Zo benadrukt hij dat ontwikkelingslanden een
eigen verantwoordelijkheid voor hun ontwikkeling hebben (zie bijvoorbeeld paragraaf 37)
en daarbij toont de SGVN een sterk vertrouwen in de kracht van bedrijven (zie paragraaf
39). Hij voegt daaraan toe dat de Millenniumdoelstellingen nooit werkelijkheid zullen
worden zonder steun uit deze sectoren van de maatschappij. De AIV onderschrijft deze
belangrijke rol van de particuliere sector en voelt zich bemoedigd door het grote aantal
partnerschapovereenkomsten, die in recente jaren zijn gesloten ter uitvoering van de
afspraken van de Wereldtop inzake Duurzame Ontwikkeling (Johannesburg, 2002). In het
al in de inleiding genoemde en als annex bijgesloten briefadvies met een reactie op het
Sachs-rapport, wordt in paragraaf 6 specifiek ingegaan op de relatie tussen ontwikkeling
en veiligheid en de particuliere sector. Het belang van die relatie en de noodzaak deze te
versterken teneinde de problemen in vele ontwikkelingslanden in de wereld op een effec-
tieve manier aan te pakken, worden hierbij door de AIV nogmaals onderstreept.
IV.6      Coherentie VN-systeem
Een belangrijke consequentie van het omarmen en gebruiken van een breed veiligheids-
begrip, is de noodzaak te komen tot een goede coördinatie tussen de verschillende
onderdelen van de VN. Op dat punt is nog een wereld te winnen. Veel organisaties, zowel
op het terrein van ontwikkeling, alsmede op vele andere terreinen waar de VN actief is,
hebben op dit moment nog een eigen agenda, bevoegdheden en financieringsstructuur.
Bovendien spelen per organisatie andere staten een belangrijke rol in de besluitvorming.
63 Zie voor enige kritische noten over de rol van NGO’s ook: AIV, ‘De Verenigde Naties en de Rechten van de
    Mens’, advies nummer 38, Den Haag, september 2004, hoofdstuk II.4.
64 Zie UN. Doc. A/58/817, ‘We the peoples: civil society, the United Nations and global governance’,
    11 juni 2004.
65 Op dat terrein kan ook een belangrijke rol worden gespeeld door de Nationale Mensenrechten Instituten,
    zoals die in vele landen tot stand zijn gebracht op basis van de zogeheten Paris Principles.
                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Dit is ook de analyse en kritiek van voormalig SGVN Boutros Boutros Ghali.66 Er is wel
sprake van toenemende afstemming tussen de verschillende organisaties die zich bezig-
houden met ontwikkelingsactiviteiten, maar een centrale regie, gericht op coherentie bin-
nen de organisatie, is er nog niet.67
De SGVN besteedt in zijn rapport in de paragrafen 193-213 veel aandacht aan dit
aspect, maar doet te weinig voorstellen, die bovendien alleen op de korte termijn zijn
gericht.
In de adviesaanvraag verwijst de regering naar de meer uitgebreide aanbevelingen als
gedaan in de aangenomen, maar nog niet uitgevoerde, resolutie van de AVVN over de
Triennial Comprehensive Policy Review of Operational Activities for Development of the
United Nations system;68 aanbevelingen die aansluiten bij door Nederland en gelijkgezinde
landen gedane voorstellen op dit punt. In de korte tijd, waarbinnen dit advies gereed
moest komen, was het de AIV evenwel niet mogelijk een gefundeerd en sluitend advies
over deze complexe materie gereed te maken.
Ten aanzien van de concrete aanbevelingen van de SGVN over de verbetering van de effec-
tiviteit van de VN-ontwikkelingsinstellingen constateert de AIV dat deze zich concentreren op
de versterking van de plaatselijke VN-vertegenwoordiging en de focus op nationaal niveau.
Voorts stelt de SGVN voor een Raad van ontwikkelingsdeskundigen in te stellen; een voor-
stel waarvan het effectieve nut overigens niet erg duidelijk wordt uitgewerkt en dat doet
denken aan eerdere defecte adviesorganen zoals het Committee on Development Planning
of de High Level Sustainable Development Advisory Council. De voorstellen op het terrein
van humanitaire hulp zijn vooral gericht op verbeterde personele en financiële regelingen en
bescherming van intern ontheemden. Deze voorstellen verdienen in de visie van de AIV
steun.
Op het terrein van systeembrede coherentie op het gebied van milieubescherming stelt de
SGVN voor een beter geïntegreerde structuur te creëren; dit mede gezien de huidige com-
plexiteit van internationale milieuverdragen met toezichtmechanismen en instellingen zoals
UNEP, UNDP, FAO, UN-Habitat, UNESCO en UNICEF. De regering acht deze voorstellen van
belang, maar te beperkt.69 De AIV onderschrijft deze stellingname.
66 Zie rede Boutros Boutros-Ghali, ‘The United Nations Crisis and Its Reform’, voor het Habitat Center in New
    Delhi op 10 februari 2005.
67 Zo worden ontwikkelingsactiviteiten onder meer verricht door UNDP, UNICEF, UNFPA, WFP, UNHCR, UNEP en
    ook door (gespecialiseerde) organisaties als FAO, WHO, ILO, UNESCO en door multilaterale financiële instel-
    lingen zoals de Wereldbank en het IMF.
68 Zie UN Doc. A/RES/59/250 van 14 maart 2005.
69 Overigens hebben Frankrijk, Zweden en een aantal andere landen voorgesteld een Wereld Milieu Organisa-
    tie op te richten, teneinde deze doelstelling van systeembrede coherentie meer politieke statuur te geven.
                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>V         Samenvatting
Samenvattend concludeert de AIV dat het van belang is te streven naar een hervormde,
meer effectieve VN. Om een dergelijk ‘effectief multilateralisme’ te bevorderen is het wense-
lijk de voorstellen van de SGVN een serieuze kans te geven en zoveel mogelijk te steunen.
Op hoofdlijnen doet de AIV dat in dit advies dan ook. Op onderdelen worden kanttekeningen
geplaatst en wordt gewezen op alternatieve opties. Daarbij is tevens gekeken naar de
speciale bijdrage, die Nederland aan de hervormingen zou kunnen leveren.
Breed veiligheidsbegrip
In lijn met zijn eerdere adviezen verwelkomt de AIV de SGVN in zijn keuze voor het hante-
ren van een breed veiligheidsbegrip. Om succesvol te zijn stelt een dergelijke keuze echter
nieuwe, zware eisen aan de taakopvatting en handelingssnelheid van de organen van de
VN, met name de Veiligheidsraad. De voorstellen van de SGVN om op het terrein van pre-
ventie, wederopbouw, mensenrechtentoezicht en ontwikkeling nieuwe instrumenten te ont-
wikkelen verdienen daarom steun.
Responsibility tot protect
De SGVN kiest voor het concept van collectieve verantwoordelijkheid voor de bescherming
van mensen (‘responsibility to protect’). Indien een staat niet in staat of bereid is zijn
onderdanen te beschermen, komt de verantwoordelijkheid om te beschermen en zonodig
in te grijpen bij de statengemeenschap als geheel te berusten. Dit heeft gevolgen voor de
operationele capaciteiten die de VN nodig heeft om op te treden en mede vanuit die
gedachte onderschrijft de AIV dan ook dit uitgangspunt als een nieuwe hoeksteen van
collectieve veiligheid.
Terrorisme: definitie en strategie
De aanbeveling te komen tot een samenhangende en alomvattende strategie van het voor-
komen en bestrijden van terrorisme, met inachtneming van de rechten van de mens, wordt
door de AIV ondersteund. Ook op organisatorisch terrein kan binnen de VN nog het nodige
verbeteren. Hoewel het misschien moeilijk zal zijn op korte termijn resultaten te bereiken,
dringt de AIV er bij de Nederlandse regering op aan juist bij de onderhandelingen op deze
terreinen een voortrekkersrol te vervullen. In dit verband beveelt de AIV aan in de onder-
handelingen vooral aan te sluiten bij de recente besluitvorming van de Veiligheidsraad en
de stellingname van de SGVN waarin hij de door de HLP gepropageerde definitie van
terrorisme onderschrijft.
Massavernietigingswapens
Het belang van de veelomvattende en zeer verschillende problemen inzake massavernieti-
gingswapens en de noodzaak het hoofd te bieden wordt onderschreven. De AIV zal dit
aspect in een separaat advies behandelen. Voorts ondersteunt hij de oproep van de SGVN
te komen tot nieuwe internationale regelgeving om de internationale handel in kleine
wapens aan banden te leggen.
Vredesoperaties/vredesopbouw
De aandacht voor vredesoperaties en naoorlogse vredesopbouw wordt door de AIV onder-
schreven. Hij wijst in dat verband op een aantal recente adviezen, waarin expliciet op deze
materie is ingegaan. Het ingenomen standpunt over de troepenleveranties en de samen-
werking met (inter)regionale organisaties wordt door de AIV onderschreven, maar moet wel
enigermate worden gerelativeerd. In de visie van de AIV ware het verstandig als elke orga-
nisatie zich eerst zou richten op datgene waar hij goed in is. Regionale organisaties, en in
het bijzonder de Afrikaanse Unie, verdienen daarnaast alle steun van de westelijke landen
                                              28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>bij hun streven om capaciteit op te bouwen om crisisbeheersingstaken en vredestaken
voor de VN uit te kunnen voeren.
De AIV constateert dat klassieke ‘blauwhelmen’-vredesoperaties een belangrijke taak zullen
blijven voor de VN, al was het maar omdat de VN soms de enige uitvoerende organisatie
is. Het is zaak deze troepen zo goed mogelijk uit te rusten en van een ‘robuust’ mandaat
te voorzien. Militaire interventie, waarbij daadwerkelijk gebruik van geweld waarschijnlijk of
zeker is, zou in principe vooral moeten worden overgelaten aan een daarvoor toegeruste
(inter)regionale organisatie, al dan niet met steun van of in samenwerking met anderen.
Dat de VN zelf zou moeten beschikken over eigen militaire capaciteiten met dergelijke
kwaliteiten is daarom voor de AIV niet evident. Het gaat er om een goed geïntegreerde
aanpak te stimuleren. Vooral op het terrein van preventie, wederopbouw en ontwikkeling is
nog veel te winnen en deze terreinen zijn van essentieel belang voor het bereiken van een
duurzame verbetering van de situatie.
Geschillenbeslechting
Het belang dat wordt gehecht aan vreedzame geschillenbeslechting, wordt door de AIV
nadrukkelijk onderschreven. Alle beschikbare middelen op het terrein van preventieve
diplomatie, verzoening en bemiddelingen moeten daartoe worden benut. Dat hiervoor extra
fondsen nodig zijn, is logisch.
De oprichting en inwerkingtreding van het Internationaal Strafhof (ICC) vormt een ongeken-
de ontwikkeling en de AIV acht het van het grootste belang dat het zo min mogelijk wordt
meegezogen door de internationale politiek en/of de interne politiek in een conflictgebied.
Het Strafhof zou zich moeten beperken tot strafrechtelijk onderzoek, vervolging en berech-
ting. Voor een goede taakuitoefening van het ICC zijn een goede samenwerking met de
Veiligheidsraad en ondersteunend en flankerend beleid van de VN nodig.
De AIV steunt de SGVN in zijn aansporing meer gebruik te maken van het Internationaal
Gerechtshof. Een nog verdere vereenvoudiging en transparantie van procedures en meer
openbaarheid van de stukken kan mogelijk een nog grotere betrokkenheid van de staten
bewerkstelligen. Dat is ook noodzakelijk omdat het functioneren van het Hof wordt belem-
merd door capaciteitsproblemen. Om dat op te lossen is politieke en financiële steun van
alle staten nodig.
Gebruik van geweld
Met betrekking tot het gebruik van geweld, ondersteunt de AIV de interpretatie van de
SGVN dat preëmptief optreden tegen op handen zijnde aanvallen gedekt wordt door het
recht op zelfverdediging, zoals verwoord in artikel 51 van het VN-Handvest. De AIV/CAVV
hebben hun oordeel daaromtrent uitvoerig beargumenteerd in een recent advies.
De AIV is eveneens van mening dat de Veiligheidsraad de primaire verantwoordelijkheid
heeft voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en deze ook dient te
nemen. Met de aanzienlijk ruimere interpretatie van het begrip ‘bedreiging van de vrede’
heeft de Veiligheidsraad dat ook dikwijls al gedaan en zowel diplomatieke als dwangmaat-
regelen ingezet om aan dergelijke bedreigingen het hoofd te bieden. De AIV onderschrijft
de aanbeveling te komen tot criteria voor mogelijk geweldsgebruik onder auspiciën van de
Veiligheidsraad. Dergelijke criteria kunnen, zelfs indien deze niet in een resolutie worden
vastgelegd, toch een eigen leven gaan leiden en de AIV beveelt de regering daarom aan
de inhoud van deze criteria te ondersteunen.
Bij de problematiek van ‘humanitaire interventie’, blijft de centrale vraag wat moet er
gebeuren als de Veiligheidsraad vanwege interne verdeeldheid niet optreedt? De AIV
                                               29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>onderschrijft volledig de stellingname dat het functioneren van de Veiligheidsraad zodanig
moet verbeteren dat die vraag niet aan de orde is. De AIV meent evenwel dat, in de harde
werkelijkheid van een soms diep verdeelde en verlamde Veiligheidsraad en ingeval van een
humanitaire noodsituatie, de in eerdergenoemde adviezen beschreven voorwaarden een
humanitaire interventie niet mag worden uitgesloten.
Institutionele hervormingen/Veiligheidsraadsuitbreiding
De AIV onderschrijft het uitgangspunt dat de samenstelling van de Veiligheidsraad moet
veranderen. Het is voor de AIV van belang dat wordt gestreefd naar een Veiligheidsraad,
die meer representatief is over een zo breed mogelijk geografisch bereik. Indien dit bereikt
kan worden, zou Nederland zich voor iedere mogelijke consensus daarover moeten inzet-
ten. De AIV betreurt het dat de regering de doelstelling ‘verhoogde representativiteit’ niet
meer als zodanig noemt. Een dergelijk standpunt verhoudt zich slecht met de uit algemeen
belang noodzakelijke herziening van de samenstelling van de Veiligheidsraad. De AIV
onderschrijft het uitgangspunt dat er een beter evenwicht moet komen tussen de bijdragen
die een land levert aan de VN en de mate waarin dit land zeggenschap heeft in de besluit-
vorming en is ook van oordeel dat leden van de Veiligheidsraad hierop, vooruitlopend op
de herziening, moeten worden aangesproken. Dit is overigens ook geheel in lijn met artikel
23.1 van het Handvest. De AIV deelt de onvrede van de regering over de miskenning van
de inspanningen van lidstaten in VN-kader, die het gevolg zou zijn van een louter toer-
beurtsysteem in het kader van regionale groepen. Logischerwijs zal deze herziening van de
omvang van de Veiligheidsraad leiden tot een verkleining van de invloed van de numeriek
momenteel oververtegenwoordigde (westerse) Europese landen. Ook voor Nederland zal
dat gevolgen hebben. Om deze consequentie bij de verkiezing van niet-permanente leden
meer te verzachten zou, in de visie van de AIV, ernst moeten worden gemaakt met het
toepassen van kwaliteitscriteria (zoals bijdragen aan internationale vredeshandhaving en
ontwikkelingssamenwerking) en het toewerken naar een EU-zetel in de Veiligheidsraad.
Omdat dit voorlopig weinig haalbaar lijkt, is het een interessant idee om aan een eventuele
Duitse zetelbezetting een vertegenwoordiger van het Raadssecretariaat toe te voegen. Ook
de in artikel 19 van het Verdrag van Amsterdam voorziene consultatie van EU-lidstaten
door EU-lidstaten, die (al dan niet tijdelijk) lid van de Veiligheidsraad zijn, dient zo serieus
mogelijk te worden genomen.
Commissie voor Vredesopbouw
De voorstellen om over te gaan tot het instellen van een Commissie voor Vredesopbouw,
bijgestaan door een Support Office binnen het Secretariaat, vertoont grote overeenkomst
met de aanbevelingen die de AIV/CAVV zelf in hun advies inzake Falende Staten al in mei
2004 hebben gedaan. De SGVN stelt echter dat deze Commissie zich louter moet richten
op de naoorlogse fase van wederopbouw en in beginsel geen rol bij conflictpreventie en
vroegtijdige waarschuwing toekomt. Het genoemde advies heeft daarentegen geconsta-
teerd dat de internationale gemeenschap er vaak te laat bij betrokken is en dat conflict-
voorkomende en conflictbeheersende activiteiten in de fase van groeiende tegenstellingen
juist dan van groot belang zijn. Deze wat gekunstelde beperking is daarom in het geheel
niet overtuigend. De AIV geeft er voorts verre de voorkeur aan het in te stellen fonds te
voeden uit reguliere middelen. Ingeval dat op politieke problemen stuit, zal op zijn minst
moeten worden voorzien in een basisvoorziening, die het mogelijk maakt te opereren in de
eerste fase. Deze basisvoorziening zou afkomstig moeten zijn uit het reguliere budget. Dat
de Commissie voor Vredesopbouw louter adviserend zou moeten worden en op basis van
consensus zou moeten opereren, vindt de AIV een té ernstige beperking. In dat verband
benadrukt de AIV tevens dat deze Commissie een orgaan moet worden van de Veiligheids-
raad en aldus wordt voorzien van de noodzakelijke slagkracht. In de fase van wederopbouw
zou vervolgens een toenemende rol aan de ECOSOC kunnen worden toegekend. Wel
ondersteunt de AIV de aanbevelingen het secretariaat beter uit te rusten.
                                                 30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Raad voor de Rechten van de Mens
Het voorstel om over te gaan tot instelling van een nieuwe Raad voor de Rechten van de
Mens wordt door de AIV ondersteund. Om mensenrechten op gelijke voet te plaatsen met
de andere beleidsgebieden, is een Handvestwijziging noodzakelijk. Omdat dit waarschijnlijk
geruime tijd zal vergen, stelt de AIV voor dat de Raad voor de Rechten van de Mens,
vooruitlopend hierop, voorlopig zou kunnen gaan fungeren als orgaan van de AVVN. Met
betrekking tot het lidmaatschap streeft de SGVN naar een ‘society of the committed’. Dat
voorstel acht de AIV nog niet voldoende doordacht. Veeleer moet worden gedacht aan
andere voorwaarden, zoals de AIV ook al eerder heeft verwoord en dan nog is het de
vraag of ernstige schenders van de rechten van de mens buiten dergelijke instellingen
gehouden kunnen worden. De AIV heeft voorts geen uitgesproken voorkeur voor het exac-
te aantal leden, mits wordt voldaan aan een minimumeis van representativiteit, geloof-
waardigheid én besluitvaardigheid.
Over de voorgestelde rol en functie van de nieuw in te stellen Raad heeft de AIV op onder-
delen twijfel. Het stelsel van ‘peer review’, doet de vraag rijzen of een politiek orgaan als
de Raad voor de Rechten van de Mens zelfstandig deze taak zou verrichten. De AIV acht
het daarbij zorgelijk dat nauwelijks aandacht is geschonken aan de rol van huidige speciale
procedures en verdragsmechanismen. Het zou ernstig te betreuren zijn als deze hervor-
mingsoperatie dit toezichthoudende stelsel zou verzwakken of zelfs zou doen vervallen en
dit moet worden voorkomen. Voorts zouden dergelijke onderzoeken op vrijwillige basis
plaats gaan vinden en is het onduidelijk welke informatie daartoe zou worden gebruikt.
Notoire en ernstige schenders van de rechten van de mens krijgen in een dergelijke opzet
alle kans om de dans te ontspringen en dat kan niet de bedoeling zijn.
De SGVN gaat uit van vestiging van de Raad in Genève; hét centrum van de meeste VN-
mensenrechtenactiviteiten en ook van belang in verband met de samenwerking met de
Hoge Commissaris (HCRM). Deze functionaris speelt een instrumentele rol op het terrein
van de inbedding van de rechten van de mens in alle onderdelen van de VN (‘mainstre-
aming’). De AIV acht betrokkenheid van de HCRM bij de discussies en onderhandelingen
in de Veiligheidsraad zeer toe te juichen. Een tot op heden nog wat onderbelicht onderdeel
in die taakstelling betreft het toezicht op de naleving van de mensenrechten door de VN-
organisatie zelf. Die leemte verdient invulling. Dat geldt ook voor het verzamelen van
informatie over schendingen van internationaal humanitair recht en het opbouwen en
beschikbaar stellen van expertise met betrekking tot onderzoek naar strafbare feiten
volgens de internationale rechten van de mens en internationaal humanitair recht. De AIV
onderschrijft verder hetgeen wordt aangegeven over verbetering van communicatie en
samenwerking. Dat het programma van de HCRM daartoe zou moeten kunnen beschikken
over meer fondsen en personeel (ook te velde) spreekt voor de AIV voor zich.
Alles overwegend is de AIV van oordeel dat een opgewaardeerde en meer besluitkrachtige
Raad voor de Rechten van de Mens in de toekomst wellicht beter in staat is om de rech-
ten van de mens ingebed te krijgen in alle onderdelen van de activiteiten van de VN. Zijn
voorstellen terzake verdienen dan ook steun en de AIV beveelt de regering aan zich in te
zetten voor aanvaarding van de instelling van een Raad, maar met behoud van de rol van
de specifieke procedures en betrokkenheid van NGO’s.
VN-secretariaat
De SGVN is op grond van het Handvest van de VN de bewaker en aanjager van de organi-
satie en in feite ook de hoeder van het algemene belang. Het is zijn taak de naleving van
het ‘common interest’ te bevorderen. Zijn voorstellen om tot een slagvaardiger organisatie
te komen moeten een deel van de oplossing voor deze problemen verzorgen. De wens om
                                               31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>te komen tot een staf met een andere soort betrokkenheid en capaciteiten is logisch en
rechtvaardigt een besluit tot goedkeuring van de daartoe noodzakelijke middelen. De AIV
beveelt de regering aan om voorstellen op intern management gebied, mits goed onder-
bouwd, te steunen. De al door de SGVN ondernomen stappen te komen tot een ‘cabinet-
style decision-making system’ moeten in toekomst vruchten gaan afwerpen. Om die reden
steunt de AIV deze stappen.
NGO’s en de particuliere sector
Over het belang en de rol van NGO’s en de particuliere sector heeft de AIV zich al meer-
malen, ook hierboven weer, expliciet uitgesproken. Daarbij is geconstateerd dat deze op
vele terreinen een wezenlijke bijdrage hebben geleverd, ook aan de ontwikkeling van het
normatieve bouwwerk. De rol van NGO’s voor de verdere ontwikkeling van de VN kan dan
ook niet worden onderschat en de AIV roept de regering ook op om tijdens het hervor-
mingsproces doorlopend voldoende aandacht aan dit belangrijke aspect te blijven beste-
den. Dit speelt temeer, omdat het gevaar bestaat dat landen van de gelegenheid gebruik
zullen maken om, de in hun ogen, bevoorrechte positie van NGO’s, te beknotten. De AIV is
van oordeel dat dit moet worden voorkomen.
De SGVN ziet daarnaast een belangrijke rol weggelegd voor bedrijven om de doelen van de
VN te bewerkstelligen. De AIV onderschrijft deze belangrijke rol van de particuliere sector,
recentelijk nader toegelicht in het bijgevoegde briefadvies met een reactie op het Sachs-
rapport. Daarin wordt specifiek ingegaan op de relatie tussen ontwikkeling en veiligheid en
de private sector. Het belang van die relatie en de noodzaak om deze te versterken om de
problemen in vele ontwikkelingslanden in de wereld op een effectieve manier aan te pak-
ken, wordt hierbij door de AIV nogmaals onderstreept.
Coherentie en effectiviteit
Een belangrijke consequentie van het gebruik en omarmen van een breed veiligheidsbegrip,
is de noodzaak te komen tot een goede coördinatie tussen de verschillende onderdelen van
de VN. Op dat punt is nog een wereld te winnen. De SGVN besteedt in zijn rapport veel
aandacht aan dit aspect, maar doet te weinig concrete en veelal korte termijnvoorstellen.
De AIV constateert tot slot dat de aanbevelingen over de verbetering van de effectiviteit van
de VN-ontwikkelingsinstellingen zich concentreren op de versterking van de plaatselijke VN-
vertegenwoordiging. Dit wordt gesteund. Tevens wordt voorgesteld een Raad van Ontwikke-
lingsdeskundigen in te stellen; een voorstel waarvan het effectieve nut overigens niet erg
duidelijk wordt uitgewerkt. De voorstellen op het terrein van humanitaire hulp verdienen in
de visie van de AIV steun. Op het terrein van systeembrede coherentie op het gebied van
milieu stelt de SGVN voor een beter geïntegreerde structuur te creëren. De regering acht
deze voorstellen van belang, maar te beperkt. De AIV onderschrijft deze stellingname.
Tot slot
De AIV onderstreept de wenselijkheid optimaal het thans ontstane momentum voor hervor-
mingen te benutten. Het zestigjarige bestaan van de organisatie, de politieke statuur van
de Secretaris-Generaal en de kwaliteit van de voorstellen in zijn rapport In Larger Freedom
scheppen een unieke mogelijkheid daartoe. In deze wereld, die wordt geconfronteerd met
nieuwe bedreigingen én grote uitdagingen, bestaat nu een kans om te bereiken dat in alle
activiteiten van de VN een meer daadkrachtige en samenhangende strategie wordt gevolgd
waarbij ontwikkeling, vrede en veiligheid en de rechten van de mens hand in hand gaan.
Dat is de winst van de voorstellen van de SGVN en die winst verdient het om te worden
verzilverd. Aldus kan de Verenigde Naties een nieuwe kans krijgen.
                                              32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>                                                                                       Bijlage I
De Voorzitter van de Adviesraad                  Ministerie van Buitenlandse Zaken
Internationale Vraagstukken                      Directie Verenigde Naties en
Mr. F. Korthals Altes                            Financiële Instellingen (DVF)
Postbus 20061                                    Bezuidenhoutseweg 67
2500 EB Den Haag                                 2594 AC Den Haag
Datum           19 april 2005                    Behandeld     Kanta Adhin
Kenmerk         DVF/CI – 108/05                  Telefoon      070-3484863
Blad            1/3                              Fax           070-3486167
Bijlage(n)                                       E-mail        dvf-ci@minbuza.nl
Betreft         VN-hervormingen
C.c.
Mede namens de ministers van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking wend ik mij tot u
met betrekking tot het thema “De VN-hervormingen” waarover in het werkprogramma van de
Adviesraad Internationale Vraagstukken voor 2005 het volgende staat: “Naar verwachting zal
de SG VN begin 2005 uit de aanbevelingen van het High-level Panel dat eind 2004 aan hem
zal worden aangeboden een selectie maken en voorbereidingen treffen met het oog op besluit-
vorming in de AVVN van 2005. Een tijdig (brief)advies van de AIV is nodig, nog voor de zomer
2005, dat aangeeft welke elementen gekozen door de SG VN van blijvende waarde zullen zijn
voor de Nederlandse multilaterale inzet en hoe deze kunnen worden verankerd in de VN en in
het beleid van Nederland en de EU.”
Het betreffende rapport van de Secretaris-Generaal van de VN – “In larger freedom: towards
development, security and human rights for all” - is op 21 maart jl. uitgekomen. Met het oog
op bovenstaande verzoek ik uw raad zijn visie te geven op het rapport en daarbij bijzondere
aandacht te geven aan een drietal hieronder te noemen onderwerpen. Bij uw advisering kunt u
ook betrekken de zienswijze van de Nederlandse regering op het rapport van het High-level
Panel (“A more secure world: our shared responsibility”), alsmede op het rapport van het UN
Millennium Project Team (“Investing in Development – A Practical Plan to Achieve the Millenni-
um Development Goals”), die op 25 februari jl de Tweede Kamer is toegegaan. Mij is bekend
dat uw raad zich op eigen initiatief buigt over laatstgenoemd rapport.
Voorts zijn bij uw raad ook in behandeling twee adviesaanvragen die raakvlakken hebben met
de onderhavige materie, te weten de “Positionering van Nederland in de nieuwe EU, NAVO en
de VN” en “Strategie tegen proliferatie van massavernietigingswapens en de traditionele ontwa-
peningsfora”.
Bij uw advisering ten aanzien van de onderhavige aanvraag verzoek ik u bijzondere aandacht te
besteden aan:
1. versterking van de rol van de VN als het geëigende forum ter bespreking en behandeling
    van wereldwijde problemen en daaraan gekoppeld een sterkere positie van de Secretaris-
    Generaal als degene die aandacht vraagt voor dergelijke problemen en de internationale
    agenda terzake helpt formuleren vanuit de notie van het algemeen belang. Welke aankno-
    pingspunten ziet uw raad in het onderhavige rapport om dit punt verder te voeren?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>2. verbetering van de effectiviteit van de VN-ontwikkelingsinstellingen. In zijn rapport doet de
    Secretaris-Generaal een aantal aanbevelingen voor de kortere termijn, die overigens beperk-
    ter zijn dan hetgeen reeds is vastgelegd in de resolutie van de AVVN over de Triennial
    Comprehensive Policy Review of Operational Activities for Development of the United
    Nations system (A/RES/59/250) en aansluiten bij door Nederland en gelijkgezinde landen
    gedane voorstellen op dit punt. Voor de langere termijn worden drastische hervormingen
    voorgesteld, met name een hergroepering van alle instellingen tot “tightly managed enti-
    ties”, die zich onderscheidenlijk bezighouden met ontwikkeling, het milieu en humanitaire
    actie (par. 197 van het SG-rapport). Graag verneem ik de visie van uw raad hierop.
3. De rol van het maatschappelijk middenveld en de private sector. In het kader van de nood-
    zaak voor collectieve actie om de hedendaagse dreigingen het hoofd te bieden, benadrukt
    de Secretaris-Generaal het belang van de rol van een actief maatschappelijk middenveld en
    een dynamische private sector, naast de rol van staten en intergouvernementele organisa-
    ties, maar gaat daar nauwelijks nader op in. Ook hierop zou ik graag de visie van de raad
    vernemen.
Zoals in het werkprogramma aangegeven, zou een tijdig advies nog voor de zomer op prijs wor-
den gesteld, met het oog op de in september a.s. te houden top voorafgaand aan de 60-ste
AVVN (14-16 september 2005). De Tweede Kamer heeft reeds verzocht in verband met een
voorgenomen algemeen overleg in juni a.s., uiterlijk 1 juni te worden geïnformeerd over de
Nederlandse inzet voor de Top.
Mede namens mijn ambtgenoten van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking zie ik met
belangstelling uit naar uw spoedige advisering.
Afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de Voorzitter van de
Eerste Kamer.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Dr. B. R. Bot
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage III
Lijst van veel gebruikte afkortingen
AIV            Adviesraad Internationale Vraagstukken
AVVN           Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
CAVV           Commissie van Advies Inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
CEI            Commissie Europese Integratie (van de AIV)
CMR            Commissie Mensenrechten (van de AIV)
COS            Commissie Ontwikkelingssamenwerking (van de AIV)
CVV            Commissie Vrede en Veiligheid (van de AIV)
DVF/CI         Directie Verenigde Naties en Internationale Financiële Instellingen/Coördinatie
               en Institutionele Zaken
ECOSOC         Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties
EU             Europese Unie
FAO            Food and Agriculture Organization
HCRM           Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens
HIV/AIDS       Human Immunodeficiency Virus/Acquired Immune Deficiency Syndrome
HLP            High Level Panel on Threats, Challenges and Change
HV             Handvest van de Verenigde Naties
ICC            International Criminal Court
MRC            Mensenrechten Commissie van de VN
NAVO           Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NGO            Niet-Gouvernementele Organisatie
ODA            Official Development Assistance
OVSE           Organisatie voor Samenwerking en Veiligheid in Europa
SGVN           Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties
UN             United Nations
UNDP           United Nations Development Programme
UNEP           United Nations Environment Programme
UNESCO         United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization
UNICEF         United Nations Children's Fund
VN             Verenigde Naties
VR             Veiligheidsraad van de Verenigde Naties
VS             Verenigde Staten van Amerika
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>                                                                                                        Bijlage III
Briefadvies
REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen we de Millennium Doelen?
April 2005
Woord vooraf
In januari 2005 heeft het UN Millennium Project Team het rapport Investing in Development. A
Practical Plan to Achieve the Millennium Development Goals uitgebracht, naar de voorzitter ook
het Sachs-rapport geheten.1 De Secretaris-Generaal van de VN beschouwt dit rapport evenals
dat van het High Level Panel als belangrijke uitgangspunten voor zijn aanbevelingen voor de
VN-top van staatshoofden en regeringsleiders in september 2005 te New York.2 Verwacht mag
worden dat deze drie rapporten zowel tijdens de voorbereiding als tijdens de VN-top zelf een
niet te onderschatten betekenis zullen hebben. De AIV heeft daarom met belangstelling kennis
genomen van de reactie van de regering op het Sachs- en het HLP-rapport.3
Dit briefadvies spitst zich toe op het Sachs-rapport, en wordt nu uitgebracht omdat daarover in
de komende weken debatten gevoerd zullen worden in de Tweede Kamer. Het heeft evenwel
een voorlopig karakter aangezien de AIV over het rapport van de SG een afzonderlijk advies
voorbereidt en daarin zal, voor zover nodig, nader worden ingegaan op aspecten samenhan-
gend met de Millennium Developments Goals (MDG’s).
De werkgroep die dit briefadvies heeft voorbereid, bestond geheel uit leden van de Commissie
Ontwikkelingssamenwerking van de AIV en stond onder voorzitterschap van drs. H.A.J. Kruijssen.
Tevens namen deel drs. F.D. van Loon, mr. G.H.O van Maanen, prof. dr. L.B.M. Mennes,
mw. ir. A.N. Papma, dr. L. Schulpen, en prof. dr. S. van Wijnbergen, redactioneel bijgestaan
door mw. drs. J.A. Nederlof.
1. Waardering
De AIV heeft grote waardering voor de wervende daadkracht van het rapport. De MDG’s zijn vijf
jaar geleden niet in steen gebeiteld om onderwerp te worden van studies en conferenties, maar
om met kracht en creativiteit te worden nagestreefd en binnen afzienbare tijd te worden gereali-
seerd. Het rapport is vanuit deze geest geschreven. Het is een gedreven pleitnota geworden met
als doel het politieke klimaat te scheppen voor een veelheid van acties die effectief bijdragen
aan de vermindering van armoede. Sterker nog: uitgaande van het gegeven dat in de politiek
sommige profetieën ‘self fulfilling’ zijn als ze maar op de juiste toon worden gebracht, claimt het
rapport niet alleen dat het politieke kader reeds aanwezig is en de financiële middelen tegen
relatief lagere kosten kunnen worden opgebracht, maar ook dat de meeste voorstellen binnen
afzienbare tijd uitvoerbaar zijn.4 Dat is stimulerend. De AIV wil er echter op wijzen, dat de
MDG’s als zodanig tussentijdse doelen zijn, en geen einddoelen. Ze zijn graadmeter voor de
1   Zie voor het rapport: <http://unmp.forumone.com/eng_full_report/MainReportComplete-lowres.pdf>. Verwij-
    zingen in dit advies zijn naar het volledige rapport en naar de overeenkomstige pagina’s in de Overview.
2   High Level Panel on Threats, Challenges and Change: A more secure world: our shared responsibility.
    A/59/565, 29 november 2004. Zie: <http://www.un.org/secureworld/report.pdf.>. Rapport van de Secreta-
    ris-Generaal van de Verenigde Naties: In larger Freedom: towards development, security and human rights
    for all. A/59/2005, 21 maart 2005. Zie: <http://www.un.org/largerfreedom/report-largerfreedom.pdf>.
3   Kamerstuk 26150, nr. 17 van 25 februari 2005.
4   De Secretaris-Generaal schetst in zijn samenvattende rapport de huidige realiteit. Hij constateert dat van de
    afspraken in Monterrey en Johannesburg nog niet veel is terechtgekomen: ’….this has been promised but
    not delivered. That failure is measured in the rolls of the dead – and on it are written millions of new names
    each year’. Paragraaf 32, p. 12.
                                                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>mate waarin de internationale gemeenschap zich daadwerkelijk inzet voor een structurele ver-
mindering van de armoede in het algemeen, en van de ongelijkheid tussen en binnen landen in
het bijzonder. De MDG’s en de daarmee verbonden programma’s bieden een uitgelezen moge-
lijkheid om het proces van realisering van de meest basale mensenrechten te meten. Het jaar
2015 is een tussenstation: zolang nog aanzienlijke delen van de wereldbevolking in armoede
leven en hun de mogelijkheid voor een menswaardig leven wordt onthouden, zal een extra
inspanning ook daarna wereldwijd nodig blijven. Want zelfs als de MDG’s volledig worden waar-
gemaakt, zijn in 2015 armoede en honger nog maar voor de helft weggewerkt. Overigens moet
een relativering worden aangebracht bij het presenteren van cijfers op mondiaal niveau. Bij het
meten van de voortgang heeft de hoge economische groei van China en India namelijk verhul-
lende effecten ten aanzien van de op alle fronten stagnerende situatie in Sub-Sahara Afrika.
Daarnaast is het de vraag of het opschuiven vanuit de categorie van extreme armoede van
1 US$ per dag naar de naastgelegen categorie van 2 US$ per dag wel voldoende verbeterin-
gen oplevert.5 Kortom, op mondiaal niveau is sprake van een gedeeltelijke verbetering, maar
daar staat de verdieping van de armoede in achterblijvende delen van de wereld zoals
Sub-Sahara Afrika tegenover.
Het is duidelijk, dat de schrijvers van het rapport hebben geworsteld met enkele dilemma’s.
Sterke nadruk wordt gelegd op het nemen van verantwoordelijkheid, zowel door de ontwikke-
lingslanden als door de internationale donorgemeenschap. De vraag hoe de hier en daar in het
rapport bepleite externe sturing in ontwikkelingsprocessen zich daarmee verhoudt, komt niet
altijd goed uit de verf. De AIV wil benadrukken dat ‘local ownership’ en duurzame ontwikkeling
onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en dat donoren niet even ‘in het gat moeten springen’
als het in hun ogen niet snel genoeg gaat. Een nationaal gedragen ontwikkeling impliceert dat
de private sector en het maatschappelijk middenveld voluit betrokken zijn. Het Sachs-rapport
geeft aan het eerste wel aandacht, het tweede blijft te veel onderbelicht.
Een tweede dilemma betreft de enorme diversiteit van het armoedeprobleem versus de nood-
zaak tot het stellen van prioriteiten. Een veelheid van instrumenten wordt beschreven, maar
onderbelicht blijft welke keuze nu gemaakt moet worden omdat die op de korte termijn het
meest effect heeft voor de realisering van de MDG’s. De aanbeveling ten aanzien van de zoge-
naamde ‘quick wins’ en de ‘fast track’ landen suggereert snelle resultaten, maar onderschat de
complexiteit van de problemen.
Een derde dilemma speelt bij de financiering. De toename van ODA-middelen is dringend ver-
eist en de internationale gemeenschap moet haar verplichtingen ten aanzien van de 0,7% BNP
zo snel mogelijk nakomen. Het Sachs-rapport stelt dat ook met zoveel woorden, al wordt het
groeitempo na een eerste sprong in 2006 in het traject daarna tot 2015 getemporiseerd. Maar
tegelijkertijd is ook duidelijk dat de realisering van de MDG’s alleen mogelijk is als de nationale
besparingen en de buitenlandse investeringen worden gestimuleerd. De inzet van ODA zou, zo
meent de AIV, mede gericht moeten worden op capaciteitsvergroting in de ontwikkelingslanden,6
5   S. Chen en M. Ravallion: How have the world’s poorest fared since the early 1980s? in: Policy Research
    Paper 3341, World Bank, Washington DC, 2004, p. 23. Daarin wordt aangegeven, dat tussen 1984 en
    2001 circa 390 miljoen mensen in plaats van 1 dollar per dag 2 dollar per dag, zijn gaan verdienen, maar
    ‘… they are still poor by the standards of middle-income developing countries’.
6   In zijn rapport zegt de Secretaris-Generaal hierover: ‘In follow-up to the March 2005 Paris High-level Forum
    on Aid Effectiveness, donor countries should set, by September 2005, timetables and monitorable targets
    for aligning their aid delivery mechanisms with partner countries’ Millennium Development Goals-based
    national strategies’, paragraaf 53, p. 17.
    Vervolg voetnoot 6 »
                                                         2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>en ODA zou daarbij als hefboom ingezet moeten worden voor genoemde nationale besparingen
en buitenlandse investeringen.
In de volgende paragrafen wil de AIV elementen uit het Sachs-rapport onder de loep nemen die
van bijzonder belang zijn voor succes in de strijd tegen armoede. De AIV betrekt hierbij het
Nederlandse beleid, met name zoals neergelegd in de nota Aan Elkaar Verplicht en de rappor-
tage van de Nederlandse regering over de achtste Millennium Development Goal.7 De AIV
maakt een keuze voor die onderwerpen die in samenhang met het actuele Nederlandse beleid
de meeste internationale nadruk behoeven.
2. Goed bestuur en veiligheid
In eerdere adviezen is aangegeven hoe de AIV de relatie ziet tussen goed bestuur, veiligheid en
ontwikkeling.8 Een integrale benadering is noodzakelijk, omdat in dit complexe veld de verschil-
lende elementen elkaar nodig hebben om gerealiseerd te worden. Het categoriseren en het
daaraan verbinden van gescheiden middelen en fondsen is, in de visie van de AIV, onnodig en
maakt een integrale benadering lastiger te realiseren.
Het Sachs-rapport is geschreven vanuit de invalshoek van armoedevermindering en noemt
goed bestuur en veiligheid voorwaarden voor ontwikkeling. De AIV vindt dit begrijpelijk, maar wil
wijzen op het risico dat op deze manier de noodzakelijke flexibiliteit onder druk komt te staan.
Immers, het hanteren van condities kan in feite inhouden dat nogal wat landen buiten het
bereik van de internationale hulpverlening komen. Erger nog: die staten lijken versneld in een
neerwaartse spiraal te komen waaraan enorme regionale en mondiale veiligheidsrisico’s, en
dus ontwikkelingsrisico’s, zijn verbonden. Tegen deze achtergrond wil de AIV enkele opmerkin-
gen maken.
Het rapport stelt dat hulp bij voorkeur gegeven zou moeten worden aan landen met goed
bestuur.9 In landen die nog geen goed bestuur hebben doordat de (financiële) middelen daar-
voor ontbreken moet volgens het rapport worden geïnvesteerd in programma’s ter verbetering
van het bestuur, de rechtspraak, mensenrechten en de ontwikkeling van de private sector.
Massieve investeringen in armoedevermindering dienen in dergelijke landen vooralsnog achter-
wege te blijven. Algemeen wordt gesteld dat de effecten van hulp op armoedevermindering voor
een belangrijk deel afhangen van de mate waarin die hulp economische groei stimuleert. Aan
    » vervolg voetnoot 6
    In het op 12 april 2005 uitgekomen rapport van de Wereldbank Global Monitoring Report 2005 wordt een
    analyse gemaakt van de absorptiecapaciteit van hulpgelden. Ten opzichte van Aziatische landen steken de
    landen van Sub-Sahara Afrika ongunstig af. Terwijl de vijf grootste Aziatische landen onmiddellijk een ver-
    dubbeling van de hulp kunnen absorberen, wordt over de landen van Sub-Sahara Afrika gezegd ‘Overall
    (they) have the capacity to use additional aid productively if they continued and strenghtened their reforms’.
    <http://web.worldbank.org/WBSITE/EXTERNAL/TOPICS/GLOBALMONITORINGEXT/0,,cotentMDK:20445926~
    page PK:64022011~piPK:292245~theSitePK:278515,00.html>.
7   Kamerstuk: 29234, nr. 1, oktober 2003 en Kamerstuk 040182, 25 mei 2004, met bijlage. Het achtste
    Millennium Doel beoogt: ‘Develop a global partnership for development’.
8   AIV-advies nummer 30: Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking, april 2003;
    AIV-advies nummer 34: Nederland en crisisbeheersing, drie actuele aspecten, maart 2004 en
    AIV/CAVV-advies nummer 35: Falende Staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004.
9   Sachs-rapport, p. 110. Overview p. 35. Zie ook het rapport van de Secretaris-Generaal, paragraaf 36, p. 13:
    ‘…..the Millennium Development Goals will not work in practice unless supported by States with transpa-
    rent, accountable systems of governance, grounded in the rule of law, encompassing civil and political as
    well as economic and social rights, and underpinned by accountable and efficient public administration’.
                                                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>recent onderzoek zijn indicaties te ontlenen dat hulp effectiever is in landen met goed bestuur.
Maar ook is vastgesteld dat in landen waarin het beleid zich onder invloed van hulp verbeterde
en stabiliteit werd bereikt, de economische groei daarna door hulp effectief wordt gestimuleerd.
Tevens blijkt dat hulp significante positieve effecten op de kwaliteit van het beleid heeft, mits
tevens maatregelen worden getroffen op het gebied van veiligheid en naleving van mensen-
rechten. De aanbeveling in het Sachs-rapport om in een aantal fast track landen (extra MDG-
gericht) te investeren, kan volgens de AIV dan ook alleen van toepassing zijn op die landen die
aan het criterium van goed bestuur voldoen, dan wel een objectief verifieerbaar beleid voeren
ter verbetering van dat bestuur. In landen die dat niet hebben, zal deze ontwikkelingsfinancie-
ring een nauwelijks traceerbaar effect hebben op armoedevermindering. Donoren zouden erop
moeten toezien dat hun hulp daadwerkelijk bijdraagt aan de verbetering van bestuur, en dat de
voorwaarden vervuld zijn voor een effectieve aanpak van het armoedeprobleem. Hieronder dient
uitdrukkelijk begrepen te worden het scheppen van een zodanige infrastructuur en het nemen
van maatregelen, opdat de economie in het betreffende ontwikkelingsland (verder) tot ontwik-
keling komt en buitenlandse investeringen worden aangetrokken.
Het Sachs-rapport veronderstelt voorts dat ontwikkelingshulp een belangrijke bijdrage kan leve-
ren zowel voor conflictpreventie, conflictbeheersing als post-conflictopbouw. Geconcludeerd
wordt onder meer dat snel optreden en positieve impulsen in de vorm van meer hulp beter
werken dan sancties. Onderzoek wijst echter uit dat hulp voor armoedevermindering alleen in
post-conflictsituaties effectief is, en dan nog met name als die op grote schaal en voor een
periode van 4 tot 7 jaar wordt verstrekt.10 Een relativering van de aanbeveling in het rapport
lijkt de AIV derhalve op zijn plaats. In landen waarin de politieke instabiliteit en economische
kwetsbaarheid groot zijn, is hulp gericht op armoedebestrijding weliswaar niet direct effectief,
maar kan onder bepaalde omstandigheden en mits specifiek gericht wel degelijk bijdragen aan
betere voorwaarden voor stabiliteit en (latere) economische groei. De AIV bepleit dat dergelijke
bestedingen, zeker voor die donoren die niet aan ODA-norm voldoen, een complement vormen
op hun ODA-uitgaven die op het realiseren van de MDG’s gericht zijn.
3. Voorrang voor Afrika
Het Sachs-rapport geeft speciale aandacht aan Afrika. Het recent uitgekomen rapport van de
door de Britse regering ingestelde Afrika-Commissie sluit zich hierbij aan.11 Sachs stelt vast
dat de achterstand van dit continent aan diverse oorzaken ligt en vindt daarbij het tekortschie-
ten van het goed bestuur van minder betekenis. De AIV vindt deze motivering voor de huidige
stagnatie in Afrika niet overtuigend.12 De in het rapport genoemde oorzaken blijken volgens
diverse onderzoeken namelijk geenszins zo uniek Afrikaans, dat zij de achterblijvende situatie
kunnen verklaren.13 Bovendien blijken de in het rapport genoemde factoren lang niet die impor-
tantie te hebben, waardoor het ontbreken van goed bestuur zou kunnen worden gerelativeerd.
10 P. Collier en A. Hoeffler: Conflicts, in: B. Lomborg (ed), Global Crises, Global Solutions, Cambridge University
     Press, UK, 2004, pp. 129-156. De studie is gebaseerd op een analyse van burgeroorlogen in lage inko-
     menslanden in de periode 1965 tot 1999.
11 Report of the Commission for Africa: Our common interest. Maart 2005. zie:
     <http://www.commissionforafrica.org/english/report/thereport/cfafullreport.pdf>. Zie ook de speciale
     aandacht die het rapport van de Secretaris-Generaal heeft voor Sub-Sahara Afrika en met name voor de
     bestrijding van HIV/Aids, box 4, pp. 23 en 24.
12 Zie in dit kader ook AIV-advies nummer 17: De worsteling van Afrika. Veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling,
     januari 2001; AIV/CAVV-advies nummer 35: Falende Staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004.
13 Sachs-report p. 148 en verder. Overview p. 32. Genoemd worden vijf oorzaken: ‘very high transport costs
     and small markets; low-productivity agriculture; very high disease burden; a history of adverse geopolitics;
     very slow diffusion of technology from abroad’.
                                                          4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Het lijkt derhalve volgens de AIV meer aan te komen op een combinatie van oorzaken. Goed
bestuur en stabiliteit moeten veel meer nadruk krijgen als sleutelfactoren voor succes of falen
in Afrika.14
Van de andere in het rapport genoemde oorzaken verdient HIV/Aids prompte en bijzondere aan-
dacht. Door het ontbreken van (het besef van de noodzaak van) adequate programma’s ter
voorkoming van infectie, de behandeling van geïnfecteerden en de aanpak van de sociale en
economische gevolgen van deze armoedeziekte, dreigt Afrika decennia teruggeworpen te wor-
den. Tenzij deze catastrofe wordt bedwongen, zal iedere duurzame verbetering op het gebied
van de MDG’s illusoir zijn. De situatie rond HIV/Aids vindt de AIV zelfs zo ernstig dat het negeren
of in onvoldoende mate opzetten van coherente programma’s ter bestrijding ervan, een negatieve
indicator moet gaan vormen voor goed bestuur. De AIV beveelt aan de bestrijding van HIV/Aids
tezamen met het bevorderen van good governance een veel hogere prioriteit te geven. Initiatieven
zoals door Nederland ontplooid tijdens het EU-voorzitterschap, moeten internationaal sterk worden
bevorderd.
4. Vergroting van de kapitaalstromen naar ontwikkelingslanden
Het Sachs-rapport heeft als belangrijkste boodschap dat armoede uit te bannen is, mits genoeg
geld beschikbaar wordt gesteld voor grootschalige investeringen zoals capaciteitsontwikkeling,
infrastructuur, onderwijs en gezondheidszorg. De politieke bereidheid om de voorgestelde veran-
deringen uit te voeren wordt vóórondersteld en komt derhalve als prealabele doelstelling niet ter
sprake, evenmin als de capaciteit van landen in het Zuiden om deze geldstromen te absorbe-
ren. De AIV wil hierbij een enkele opmerking maken.
Financiering en de wijze waarop deze gelden bijeen gebracht kunnen worden, zijn een centraal
onderwerp van het rapport. Terecht gaat het rapport uit van de Monterrey-consensus. Daar
werd onder meer vastgesteld dat het vergroten van de capaciteit van economieën om de eigen
besparingen productief te gebruiken het startpunt dient te zijn. Niet alleen zijn de eigen bespa-
ringen - zelfs in de armste landen - de belangrijkste bron van investeringen, maar het nationaal
treffen van maatregelen voor een effectiever gebruik daarvan is een eerste voorwaarde voor
productieve absorptie van besparingen van buitenaf.15 Daarnaast moeten allerlei nationale bar-
rières voor buitenlandse investeringen worden weggenomen. De AIV meent dat deze aspecten
in de komende maanden van internationaal overleg bijzondere aandacht verdienen. Het rapport
gaat er vanuit dat de voor investering beschikbare binnenlandse besparingen met 4% van BNP
zullen toenemen. Dat lijkt de AIV niet realistisch voor meerdere landen.16 Daarnaast kan er
niet aan voorbijgegaan worden dat zeker in landen met een relatief groot hulpvolume die exter-
ne hulp een negatieve effect kan hebben op de nationale besparingen.
14 Het rapport van de Afrika-Commisie stelt: ‘Africa’s history over the last fifty years has been blighted by two
    areas of weakness. These have been capacity – the ability to design and deliver policies; and accountability
    – how well a state answers to its people.’, p. 12. Daarnaast legt dit rapport de nadruk op verbetering van
    onderwijs- en gezondheidssystemen, hulp aan kinderen, verbeterde irrigatiesystemen, grotere handel binnen
    het continent en op het realiseren van grote infrastructurele werken. De donoren zouden hun hulp tenmin-
    ste moeten verdubbelen, de schulden 100% kwijtschelden, handelsbelemmeringen (voor katoen en suiker)
    wegnemen, extra investeren in hoger onderwijs en de bestrijding van HIV/Aids en drie miljard dollar op jaar-
    basis bijdragen aan veiligheid (o.a. peacekeeping missies).
15 Het Nederlandse initiatief om de samenwerking van publieke en private partijen voor de ontwikkeling van de
    financiële sector binnen OS te stimuleren is hierop gericht.
16 In het Global Monitoring Report 2005 van de Wereldbank wordt in voetnoot 6 opgemerkt dat voor
    Sub-Sahara Afrika een verdubbeling van de groei naar 7% nodig is om de MDG’s te halen. Het wordt
    onwaarschijnlijk geacht dat een dergelijke groei ook maar kan worden benaderd.
                                                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Het rapport geeft nogal wat aandacht aan de publieke sector, en zodoende aan verhoging van
de belastingopbrengsten of verschuivingen binnen het overheidsbudget.17 Zeker zo belangrijk,
en ook het rapport geeft daaraan nadrukkelijk aandacht, is een beter gebruik van besparingen
in de private sector. In feite wordt daarmee onderstreept dat die sector een belangrijke, aanja-
gende functie heeft voor ontwikkeling. Voor het dekken van de financieringsbehoefte die over-
blijft na optimaal gebruik van binnenlandse middelen komen volgens het rapport alleen ODA-
giften in aanmerking, omdat de armste landen zich geen schulden kunnen veroorloven.18 Dit
lijkt voorbij te gaan aan het feit, dat er meer wegen zijn waarlangs externe besparingen een
arm land kunnen bereiken en daar kunnen bijdragen aan ontwikkeling. Directe investeringen
door buitenlandse bedrijven (Foreign Direct Investment, FDI) zijn voor de armste ontwikkelings-
landen weliswaar minder belangrijk dan voor de middeninkomenslanden, maar zij zouden gesti-
muleerd moeten worden omdat ze het direct productief vermogen bevorderen, niet leiden tot
een slechtere schuldenpositie en de belastingbasis van het ontvangende land versterken.19
Verschillende ideeën zijn de laatste jaren geopperd om nieuwe bronnen te vinden voor de
financiering van een hogere ODA. Zo heeft de Britse regering de International Financing Facility
(IFF) voorgesteld. Het is een plan om de internationale kapitaalmarkten te gebruiken ter ver-
hypothekering van toekomstig ODA-geld van rijke landen. Zodoende kan een veel groter bedrag
aan ODA-geld eerder beschikbaar komen. Het rapport vindt dit een betere benadering dan het
introduceren van nieuwe internationale belastingen.20 Desondanks is de AIV van mening dat
aan IFF belangrijke nadelen kleven, zoals rente- en andere operationaliseringskosten, en de
afnemende stabiliteit van toekomstige ODA-stromen. In feite gaat het om een schijnverhoging.
De AIV verwacht bovendien dat ernstige bezwaren tegen IFF zullen worden aangevoerd door
Eurostat.
Benodigde gelden
Het rapport berekent ook de ODA-stroom die nodig is om de MDG’s te realiseren.21 Ten
behoeve van gerichte MDG-investering is een groei nodig, lopende van 0,23% in 2002 via
0,44% in 2006 naar 0,54% in 2015. Binnen de 0,7%-norm moet dan 0,16% beschikbaar zijn
voor activiteiten die niet direct op het behalen van de MDG’s gericht zijn, zoals bijvoorbeeld vei-
ligheid en milieu in het Clean Development Mechanism. De AIV zet vraagtekens bij deze stelling
omdat het gegoochel met cijfers en het werken met gemiddelden afleidt van de harde verplich-
ting om 0,7% BNP aan ODA bij te dragen.22 Bovendien zal een compartimentering binnen
ODA de integrale aanpak van veiligheid en ontwikkeling in de weg staan.
17 De voorstellen van het Verenigd Koninklijk en de G-7 voor schuldvermindering aan multilaterale financiële
     instellingen passen in deze categorie.
18 De stelling dat de armste landen zich geen schulden kunnen veroorloven lijkt plausibel, maar komt in feite
     neer op het uitsluiten van krediet. Een dergelijke opstelling is een doodvonnis voor economische ontwikke-
     ling. Een van de doelstellingen van het beleid dient te zijn dat er zodanige maatregelen worden genomen
     dat de kredietwaardigheid van deze landen worden hersteld.
19 Wereldbank: Global monitoring report 2005 (voetnoot 6): ‘For most Sub-Saharan countries, the prospects
     of attracting FDI are constrained. Costs as a share of lost sales are two to three times larger in Kenya,
     Tanzania and Zambia than in China and Brazil.’
20 Ook het rapport van de Secretaris-Generaal ziet de positieve kanten van de IFF als mogelijkheid om de ODA
     op korte termijn te verhogen, maar benadrukt dat andere, aanvullende en structurele maatregelen nodig
     zijn, paragraaf 31, p. 17.
21 Sachs-rapport, p. 251; Overview, p. 57. Het rapport van de Secretaris-Generaal hanteert overeenkomstige
     cijfers. Paragraaf 48, p. 16.
22 Wereldbank: Global Monitoring Report 2005 geeft in voetnoot 6 aan dat met alle toezeggingen die tot nu
     toe zijn gedaan, het hulpvolume in 2010 niet boven 0,32% uitkomt, hetgeen lager is dan aan het begin
     van de negentiger jaren (van de vorige eeuw).
                                                          6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>De afzonderlijke lidstaten van de EU moeten hun toezeggingen in het kader van de Barcelona-
afspraken over hun ODA-prestaties aanpassen, in die zin dat de voor ieder land overeengeko-
men minimumnorm van 0,39% per 2006 wordt verhoogd naar 0,44% 2006 voor MDG-gerela-
teerde activiteiten.23
5. Het multilaterale kanaal
Het Sachs-rapport wijdt harde woorden aan hulp via multilaterale en bilaterale donoren. De
kwaliteit wordt laag genoemd.24 In Nederland zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de
effectiviteit van de Nederlandse ontwikkelingshulp voor armoedevermindering. Daaruit blijkt dat
bepaalde Internationale Financiële Instellingen (IFI’s), met name de Wereldbank en regionale
ontwikkelingsbanken, het relatief goed doen.25 Weliswaar wordt in de nota Aan elkaar verplicht
gesteld, dat er voordelen verbonden zijn aan hulp via IFI’s en andere multilaterale instellingen,
maar in feite daalt de Nederlandse hulp via die instellingen (onder meer door de motie-Ferrier).
De AIV betreurt dat en beveelt aan een verhoging van de Nederlandse middelen aan de IFI’s te
heroverwegen. Meer middelen voor andere VN-instellingen zouden pas aan de orde zijn, zodra
die instellingen de kwaliteit en effectiviteit van hun optreden hebben verhoogd.
In het rapport worden tevens aanbevelingen gedaan om op VN-niveau tot betere afstemming te
komen, bijvoorbeeld door meer samenwerking vanuit het Algemeen Secretariaat van de VN (UN
Development Group). De AIV zal hierop terugkomen in zijn advies inzake het rapport van de
Secretaris-Generaal. Wel wil de Raad aantekenen dat een toename van bureaucratie vermeden
moet worden omdat die vrijwel nooit gepaard gaat met een verbeterde output. De AIV geeft er
de voorkeur aan om juist vanwege local ownership en een effectieve inzet van middelen, de
afstemming en samenwerking op het niveau van landen te laten plaatsvinden en niet, althans
veel minder, op het niveau van de hoofdkwartieren van de multilaterale instellingen.
Daarnaast moet de geweldige last die niet of slecht gecoördineerde donoracties opleveren voor
ontwikkelingslanden, zo snel mogelijk worden verminderd. De veel voorkomende praktijk dat
bilaterale donoren wel onderling overleggen maar dat de multilateralen zich daarbij niet aanslui-
ten, zal doorbroken moeten worden. Het ligt daarbij voor de hand dat ook de private sector en
particuliere donoren bij een dergelijk verbreed overleg worden betrokken. Vanzelfsprekend mag
een dergelijk overleg niet betekenen dat voorbijgegaan wordt aan de eigenheid van ieder van
de actoren, en dat gezamenlijke uitvoering de uitkomst van dat overleg zou moeten zijn.
6. De niet-statelijke actoren
Door de nadruk op het belang van goed bestuur krijgen overheden volop aandacht in het
Sachs-rapport. In vergelijking daarmee komen de niet-statelijke actoren er bekaaid vanaf. Het
maatschappelijk middenveld doet volgens het rapport zijn werk als ‘countervailing power’ bij de
realisatie, handhaving en naleving van de mensenrechten.26 Deze rol wordt echter verder niet
23 Zie ook de Nota van de Commissie van 12 april 2005 (COM(2005) 133 final
    (<http://europa.eu.int/comm/development/body/tmp_docs/communication_mdgs_financing_for_develop-
    ment_12_04_2005_en.pdf#zoom=100>), waarin bepleit wordt een algemene ODA-verhoging in te voeren
    van 0,44% in 2006, via een tussenstation van 0,51% in 2010, teneinde uiterlijk in 2015 0,7% door iedere
    lidstaat te bereiken.
24 Sachs-rapport, p. 196 en verder. Overview, p. 38 en verder.
25 Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO): Effectiviteit en coherentie van ontwikkelingssamenwerking,
    nr. 1, Den Haag, 2003, pp. 45-46.
26 In het rapport van de Secretaris-Generaal: ‘Not only is civil society an indispensable partner in delivering
    services to the poor at the scope required by the Millennium Development Goals but it can also catalyse
    action within countries on pressing development concerns, mobilizing broad-based movements and creating
    grass-roots pressure to hold leaders accountable for their commitments’, paragraaf 38, p. 13.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>uitgewerkt. De AIV is van mening dat de rol van het maatschappelijk middenveld in het streven
naar en borgen van de MDG’s in de praktijk veelzijdiger is. Al ver vóór de Social Summit in
Kopenhagen in 1995 heeft het maatschappelijk middenveld deelonderwerpen van de MDG’s
met nationale en wereldomspannende campagnes (mede) op de politieke agenda’s weten te
houden.27 Tevens draagt het maatschappelijk middenveld direct bij aan de MDG’s door hulp-
programma’s uit te voeren in zwakke of falende staten of in landen die grote problemen (zoals
HIV/Aids) niet kunnen of willen agenderen; kortom in staten waarmee een relatie op overheids-
niveau niet mogelijk is, doen organisaties uit het maatschappelijk middenveld aan institutionele
capaciteitsopbouw en –versterking op lokaal niveau in de landen in het Zuiden. Dit vergroot de
kans op rechtvaardiger verdeling van publieke middelen.
De private sector krijgt op nogal wat plaatsen in het rapport aandacht. De AIV vindt dit belang-
rijk omdat armoedevermindering uiteindelijk voor een belangrijk deel neerkomt op het creëren
van mogelijkheden om voldoende inkomen te verwerven in de formele en informele private sec-
tor. De AIV verwijst naar een aanzienlijke gedocumenteerde praktijk, die groei van de (formele,
maar ook de informele) private sector als motor van de economie in kaart brengt. Het rapport
laat zeer aansprekend zien dat de problemen van het platteland en van de verstedelijkte omge-
ving alleen oplosbaar zijn als royaal voorzieningen worden getroffen op het gebied van infra-
structuur, opleiding en training van kader en van goed bestuur. De ‘markt’ zal zonder bedoelde
maatregelen aan de structurele oplossing van de probleemsituaties geen bijdrage kunnen leve-
ren. Deze analyse lijkt er daarbij vanuit te gaan, dat de overheid, geleid en gesteund door de
internationale ontwikkelingswereld en veel ODA, in staat zal zijn die investeringen te doen en te
implementeren. Het is niet makkelijk voorbeelden te geven van landen waar dit recept succes-
vol was. De AIV ziet meer succesvolle voorbeelden in landen waar de overheid ruimte gaf aan
het bedrijfsleven, waardoor kapitaal en initiatief toestroomde en de publieke sector versterkt
kon worden. Te denken valt bijvoorbeeld aan China, India en Ghana. De prioriteit voor het ver-
sterken van het ondernemingsklimaat wordt ook onderschreven in het Global Monitoring Report
2004 van de Wereldbank.28
Over de informele sector zwijgt het Sachs-rapport, terwijl dáár zich juist de armoede concen-
treert die conform de MDG’s gehalveerd moet worden. Er wordt ook geen aandacht besteed
aan microkrediet/microfinanciering, hoewel de effectiviteit van deze instrumenten voor de infor-
mele sector inmiddels in brede kring bekend is. Zozeer zelfs dat de VN en de UNDP, de
opdrachtgevers van het Millennium Project, dit jaar tot Jaar van het Microkrediet hebben uitge-
roepen. De AIV acht deze omissie een pijnlijk voorbeeld van gebrek aan coördinatie binnen het
VN-systeem zelf.
7. Aanbevelingen
1. De MDG’s bieden concrete indicaties (benchmarks) waarop inspanningen ten behoeve van
     armoedevermindering kunnen worden beoordeeld. Het gaat om inspanningen voortvloeiend
     uit de internationaal aanvaarde rechten van de mens. Monitoring van de voortgang dient
     zich daarom niet te beperken tot het mondiale macro-niveau, maar zich vooral te richten op
     de mate van realisering op het niveau van landen en doelgroepen. Op al deze niveaus zullen
     consequenties moeten worden getrokken voor de relevante actoren: internationaal, natio-
     naal en lokaal, overheid, maatschappelijk middenveld zowel als bedrijfsleven.
27 Bijvoorbeeld over kinderarbeid, noodzaak van educatie, reproductieve rechten, betaalbare medicijnen,
    schuldverlichting, voldoende hulpgelden en rechtvaardige handel.
28 In het rapport van de Secretaris-Generaal staat in paragraaf 37, p. 13: ’…without dynamic, growth-oriented
    economic policies supporting a healthy private sector capable of generating jobs, income and tax revenues
    over time, sustainable economic growth will not be achieved’.
                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>2. Voor het bereiken van de MDG’s op nationaal niveau is de opstelling van nationale plannen
   en het creëren van uitvoeringscapaciteit essentieel. Het ter beschikking stellen van (meer)
   ODA-middelen ten behoeve van de MDG’s is alleen effectief als aan dat vereiste is voldaan.
3. De ontwikkeling van de financiële sector moet meer prioriteit krijgen. ODA moet daarom
   mede ingezet worden als hefboom ter verbetering van het ondernemersklimaat in ontwikke-
   lingslanden.
4. De ODA-doelstelling (0,7%) moet onverkort gehandhaafd blijven. De streefcijfers voor MDG-
   gerichte groei van ODA, zoals opgenomen in het Sachs-rapport, moeten door de EU en de
   afzonderlijke lidstaten als minimumnorm overgenomen worden. Recente voorstellen van de
   Europese Commissie zouden op dit punt moeten worden aangescherpt. Nationale OS-
   begrotingen moeten MDG-gericht worden opgesteld, zodat prestaties eenvoudig gevolgd
   kunnen worden, en discussie over andere ontwikkelingsrelevante activiteiten een duidelijke
   financiële markering krijgen.
5. MDG-gerichte ODA van overheid tot overheid is alleen effectief als er sprake is van goed
   bestuur en van voldoende stabiliteit in het betrokken ontwikkelingsland. In situaties waarin
   daaraan niet wordt voldaan, kan hulp aan de bevolking geboden worden via noodhulp en
   steun via NGO’s. Activiteiten gericht op conflictpreventie of conflictbeheersing kunnen de
   condities scheppen waaronder realisering van de MDG’s worden veilig gesteld.
6. Prioriteit voor Afrika, en met name voor goed bestuur en de bestrijding van HIV/Aids, moet
   duidelijker worden aangezet. In dit kader stelt de AIV een aanvullend criterium voor goed
   bestuur voor, namelijk de mate waarin een regering bereid en in staat is om de HIV/Aids-
   epidemie in eigen land aan te pakken. De prioriteit voor Afrika moet zich overigens niet
   vertalen in een vast percentage ODA voor dit werelddeel.
7. Internationale donorcoördinatie en donorsamenwerking moet zich bij voorkeur concentreren
   op het landenniveau, en niet op het niveau van hoofdkwartieren van multilaterale
   instellingen.
                                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
1     EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
2     CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte
      mogelijkheden, april 1998
3     DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen,
      april 1998
4     UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE
      VERSCHEIDENHEID, juni 1998
5     EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
6     HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
7     COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP,
      november 1998
8     ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
9     NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen
      Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10    DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE
      IN DE JAREN NEGENTIG: van onveilige zekerheid naar onzekere
      veiligheid, september 1999
11    HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS,
      september 1999
12    DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig
      lidstaten, januari 2000
13    HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14    ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15    EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16    DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17    DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18    GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19    EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en
      subnationale overheden, april 2001
20    EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST
   OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN
   RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese
   Unie en de IGC 2004, november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid,
   inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN
   EUROPA IN 2003: rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN:
   voors en tegens van bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA
   AFRIKA: een analyse van strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING,
   april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen,
   april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer
   legitimiteit en slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot
   achterstelling?, september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en
   de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, 10 december 1997
Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, 13 juli 1999
Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, 9 november 2000
Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, 15 mei 2003***
Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, 28 augustus 2003
Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, 12 maart 2004
Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE
VOLKEN. Van impasse naar doorbraak?’, 10 september 2004
Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen we de Millennium Doelen?,
8 april 2005
***     Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)
        en de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>