<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Mr. P.J.A.M. Peters
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden commissie non-proliferatie
Voorzitter      Dhr. A.L. ter Beek
Vice-Voorzitter Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
Leden           Dr. A. Bloed
                Dr. Ph.P. Everts
                Prof. mr. F.J.M. Feldbrugge
                Lt-gen. b.d. G.J. Folmer
                Mw. mr. B.T. van Ginkel
                Dr. P. van Ham
                Mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged
                Prof. dr. K. Koch
                Sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt
                Mw. dr. C.M. Megens
                Lt-gen. b.d. H.W.M. Satter
                Prof. dr. B.A.G.M. Tromp
                Gen. b.d. A.K. van der Vlis
                Drs. E.P. Wellenstein
Secretaris      Drs. J.M.D. van Leeuwe
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>    Inhoudsopgave
    Woord vooraf
I   Het nucleaire non-proliferatieregime: een overzicht           7
    I.1     Inleiding     7
    I.2     Het verdragstelsel      7
            I.2.1    Het Non-proliferatieverdrag       7
            I.2.2    Het Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty         9
            I.2.3    De impasse inzake een Fissile Material Cut-off Treaty    10
    I.3     Andere belangrijke instrumenten van het non-proliferatieregime        11
            I.3.1    Het Amerikaanse Nunn-Lugar initiatief        11
            I.3.2    Het Proliferation Security Initiative    12
            I.3.3    VNVR-resolutie 1540       13
II  De toestand van het non-proliferatieregime           14
    II.1    Inleiding     14
    II.2    Zwakke punten van het Non-proliferatieverdrag          14
    II.3    Multilateral Nuclear Approaches       15
    II.4    De opkomst van niet-statelijke actoren        16
    II.5    De grenzen van multilaterale samenwerking          16
    II.6    Ter illustratie: de posities van de Verenigde Staten en van Iran    18
            II.6.1   De Verenigde Staten      18
            II.6.2   Iran     20
III Nucleaire non-proliferatie en vrede en veiligheid          23
    III.1   Inleiding     23
    III.2   Dreigingsappreciatie (regeringsvraag 1)      23
    III.3   Versterking van het nucleaire non-proliferatieregime (regeringsvraag 2)  26
            III.3.1  Vermindering van de vraag naar nucleaire wapens        27
            III.3.2  Vermindering van het aanbod van nucleaire wapens        31
            III.3.3  Versterking van de handhavingscapaciteit         34
            III.3.4  Verdediging tegen de gevolgen van NBCR-aanslagen        35
    III.4   Beleidsimplicaties voor de EU en voor de Navo (regeringsvraag 3)     36
            III.4.1  De rol van de Europese Unie   36
            III.4.2  De rol van de Navo    38
IV  Aanbevelingen       39
    IV.1    Inleiding     39
    IV.2    De Nederlandse bijdrage (regeringsvraag 4)       39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Bijlage I   Adviesaanvraag
Bijlage II  Gebruikte afkortingen
Bijlage III Het Non-proliferatieverdrag
Bijlage IV  De nucleaire brandstofcyclus en een toelichting op veelgebruikte begrippen
Bijlage V   De dertien concrete ontwapeningsstappen van de
            NPV-toetsingsconferentie uit 2000
Bijlage VI  De staten die in staat worden geacht om in korte tijd een rudimentair
            kernwapen te ontwikkelen
Bijlage VII Council Common Position relating to the 2005 Review Conference, 25 april 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 28 februari 2005 vroeg de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken
(AIV) haar te adviseren over een strategie tegen de verspreiding van nucleaire mid-
delen (zie bijlage I). De regering acht de voortgaande verspreiding van nucleaire,
biologische en chemische wapens alsmede van rakettechnologie een belangrijke
bedreiging voor onze veiligheid. Te meer als dergelijke wapens in handen komen
van risicolanden of van terroristische groeperingen.
In het bijzonder vroeg de regering antwoord op de volgende vier vragen:
1. hoe bedreigend acht de Adviesraad de verspreiding van nucleaire wapens en
   technologie voor de internationale vrede en veiligheid en voor de Nederlandse
   samenleving?
2. uit welke elementen zou een omvattende strategie tegen de verspreiding van
   nucleaire middelen volgens de Adviesraad moeten bestaan om effect te sorteren?
3. welke gevolgen vloeien volgens de Adviesraad uit de verspreiding van nucleaire
   middelen voort voor het huidige Nederlandse veiligheidsbeleid en dat van de
   Navo en de EU? en;
4. welke bijdrage zou Nederland in nationaal en internationaal verband kunnen
   leveren om de verspreiding van nucleaire wapens tegen te gaan?
Eerdere rapporten van de AIV, vooral “De Amerikaanse plannen voor raketverdedi-
ging nader bekeken” (advies nr. 28) en “Preëmptief Optreden” (advies nr. 36), gingen
deels al in op de dreiging die uitgaat van de verspreiding van massavernietigings-
wapens en de noodzaak om het non-proliferatieregime te versterken. Het voor-
liggende advies bouwt hierop voort en komt met nieuwe aanbevelingen om dit
regime te versterken.
Dit advies is als volgt ingedeeld: hoofdstuk I biedt een overzicht van het nucleaire
non-proliferatieregime. Hoofdstuk II gaat in op de actuele toestand van dit regime.
Hoofdstuk III geeft antwoord op de eerste drie regeringsvragen uit de adviesaan-
vraag. Hoofdstuk IV zet alle aanbevelingen nog eens onder elkaar en vormt zo het
antwoord op regeringsvraag 4.
Bij het opstellen van zijn advies heeft de raad zich overeenkomstig de vraagstelling
beperkt tot nucleaire (non-)proliferatie. De regering merkt in haar aanvraag op dat
er ook een dreiging uitgaat van biologische en chemische wapens. Omdat de proli-
feratie daarvan vaak in één adem met de verspreiding van nucleaire middelen
wordt genoemd, hoewel niet terecht gezien de grote verschillen tussen de betrokken
wapens, wordt er in dit advies waar nodig naar verwezen zonder dat daar echter
dieper op in wordt gegaan.
Het advies is opgesteld door de commissie Vrede en Veiligheid van de AIV bestaande
uit dhr. A.L. ter Beek (voorzitter), prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh (vice-
voorzitter), dr. A. Bloed, dr. Ph.P. Everts, prof. mr. F.J.M. Feldbrugge, lt-gen. b.d. G.J.
Folmer, mw. mr. B.T. van Ginkel, dr. P. van Ham, mr. A.P.R. Jacobovits de Szeged,
prof. dr. K. Koch, sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt, mw. dr. C.M. Megens, lt-gen. b.d.
H.W.M. Satter, prof. dr. B.A.G.M. Tromp, gen. b.d. A.K. van der Vlis en drs. E.P.
Wellenstein. De commissie werd bijgestaan door de ambtelijke contactpersonen
drs. P.W.J. Wilke namens het ministerie van Buitenlandse Zaken en ltz1. D.M. van
Weel namens het ministerie van Defensie. Het secretariaat werd gevoerd door
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>drs. J.M.D. van Leeuwe met hulp van dhr. J.D. Kamphuis en de stagiaires mw. S.F. van
den Driest en mw. A.S. Narain.
In het kader van het advies hebben leden van de commissie in oktober 2005 een
bezoek gebracht aan het “International Atomic Energy Agency” (IAEA) en de
“Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty (CTBT) Organisation”, beide gevestigd te
Wenen. Daarnaast verzorgde de plaatsvervangend Permanent Vertegenwoordiger
van Nederland bij de VN (PVVN) in Wenen, mw. drs. G.Chr. Coppoolse, een briefing
over de “Nuclear Suppliers Group”. Ook is in juni 2005 het Navo-hoofdkwartier in
Brussel bezocht. Er zijn verder gesprekken gevoerd met de staf van de Persoonlijke
Vertegenwoordiger voor non-proliferatie van massavernietigingswapens van de
EU-Hoge Vertegenwoordiger. Ten slotte zijn er briefings verzorgd door voormalig
ambassadeur ir. A.J. Meerburg, recent betrokken bij het opstellen van het rapport
over “Multilateral Nuclear Approaches” (MNA’s), voormalig ambassadeur
drs. J. Ramaker, thans Speciale Vertegenwoordiger van de landen die het CTBT
hebben geratificeerd, mr. D.J. Kop, tot voor kort werkzaam op de PVVN te Wenen
en door de AIVD en de MIVD.
De AIV is de geraadpleegde personen en instanties alsmede de personen die de
bezoeken organisatorisch hebben ondersteund, dankbaar voor hun inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV op 13 januari 2006.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>The very existence of nuclear weapons gives rise to the pursuit of them. They are seen as a
source of global influence, and are valued for their perceived deterrent effect. And as long as
some countries possess them (or are protected by them in alliances) and others do not, this
asymmetry breeds chronic global insecurity.1
                  Mohamed ElBaradei, winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede 2005
I        Het nucleaire non-proliferatieregime: een overzicht
I.1      Inleiding
Het nucleaire non-proliferatieregime bestaat uit een stelsel van verdragen, afspraken,
gedragspraktijken, organisaties en normen. Los van elkaar kunnen ze proliferatie niet
voorkomen. Maar als alle elementen in één samenhangende non-proliferatiestrategie
samenkomen, wordt nucleaire proliferatie op zijn minst een stuk moeilijker. Het regime
is dynamisch: de betekenis van verdragen verandert in de loop der jaren, nieuwe
regels, instituties en gedragingen worden gevormd en normen kunnen vervagen. Ook
kunnen staten zich afkeren van bepaalde onderdelen van het regime zonder dat daar-
mee het bestaan(srecht) van het regime als zodanig komt te vervallen, maar waardoor
het wel kan verzwakken.
Dit hoofdstuk biedt in vogelvlucht een overzicht van de bestanddelen van het non-proli-
feratieregime. Daarvoor wordt in paragraaf I.2 eerst ingegaan op de drie verdragen die
door Nederland ook wel als de drie pilaren van het multilaterale nucleaire verdragsstel-
sel worden beschouwd. Het eerste verdrag dat aan de orde komt, is het Non-prolifera-
tieverdrag (NPV), dat als de hoeksteen van het non-proliferatieregime kan worden
beschouwd. In het kader van het NPV wordt ook stilgestaan bij de bijbehorende
Safeguards van de “International Atomic Energy Agency” (IAEA), dat toeziet op naleving
van het NPV, en de “Nuclear Suppliers Group” (NSG), een groep landen die nucleaire
materialen en technologie levert. Het tweede en het derde multilaterale verdrag zijn
respectievelijk het “Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty” (CTBT ofwel het Alomvat-
tend Kernstopverdrag) en het, nog op te stellen, “Fissile Material Cut-off Treaty” (FMCT
ofwel Verdrag over een Totaalverbod op Splijtbaar Materiaal). Daarna worden onder
paragraaf I.3 kort een aantal andere instrumenten van het non-proliferatieregime toege-
licht, zoals het Nunn-Lugar initiatief, het “Proliferation Security Initiative” (PSI) en
resolutie 1540 van de VN-Veiligheidsraad.
I.2      Het verdragstelsel
I.2.1    Het Non-proliferatieverdrag
Het NPV (zie bijlage III) werd mogelijk door de les van de Cuba-crisis uit 1962 dat het
escalatierisico moest worden beperkt. In 1968 kon het Verdrag worden vastgesteld,
waarna het in 1970 van kracht werd. Het NPV steunt op drie uitgangspunten: non-pro-
liferatie, het recht op toegang tot civiele nucleaire technologie, en nucleaire ontwape-
ning. In feite is het Verdrag een afspraak tussen de niet-kernwapenstaten (have not’s)
en de vijf kernwapenstaten (have’s): de have not’s streven geen nucleaire wapens na in
ruil voor technische bijstand bij de opbouw van hun civiele nucleaire industrie en de
1   Mohamed ElBaradei, ‘Towards a safer world’, The Economist, 16 oktober 2003.
                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>belofte van de kernwapenstaten dat zij zullen ontwapenen. Voor veel niet-westerse sta-
ten was het recht op ongeclausuleerd vreedzaam gebruik van nucleaire technologie,
waaronder de assistentie daarbij door technologisch ontwikkelde staten, een belangrij-
ke reden om destijds tot het NPV toe te treden.
Het Verdrag erkent vijf kernwapenstaten: China, Frankrijk, Rusland (opvolgerstaat van
de Sovjet-Unie), het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Behoudens de drie ove-
rige staten die over kernwapens beschikken – India, Pakistan en waarschijnlijk Israël –
hebben alle landen het NPV in de loop der jaren ondertekend en geratificeerd. Als enige
land heeft Noord-Korea dit Verdrag in 2003 eenzijdig opgezegd; begin 2005 stelde het
over enkele kernwapens te beschikken.
Sinds de inwerkingtreding van het NPV geldt dit Verdrag bij uitstek als het normatieve
kader van het internationale nucleaire non-proliferatiebeleid. Het gepercipieerde belang
daarvan is zo sterk dat het wel en wee van dit Verdrag uitstralingseffecten heeft naar
het totale non-proliferatieregime. Staat het NPV onder druk – zoals thans het geval is –
dan is men al snel geneigd te oordelen dat daarmee het hele regime ter discussie
staat.
Tot op heden is het NPV overwegend succesvol geweest. Dat was in 1970 bepaald niet
vanzelfsprekend. Voorspellingen over het aantal kernwapenstaten rond de millennium-
wisseling liepen destijds uiteen van vijftien tot enkele tientallen. Maar in 2000 bleek
het aantal kernwapenstaten tot acht beperkt gebleven. Argentinië, Brazilië, Zuid-Afrika
hadden hun nucleaire wapens of wapenprogramma’s opgegeven en waren tot het NPV
toegetreden. Ook enkele nieuwe staten uit de voormalige Sovje-Unie lieten de kern-
wapens van hun grondgebied verwijderen en ratificeerden het NPV. In 2003 heeft ook
Libië zijn – geheime – kernwapenprogramma opgegeven. Dit was een succes voor de
internationale gemeenschap, zij het ook dat het Libische kernwapenprogramma een
onaangename verrassing bleek. De redenen waarom deze landen van hun wapenpro-
gramma’s afzagen lopen uiteen, maar werden in elk geval mede beïnvloed door het
sterk normatieve karakter dat van het non-proliferatieregime uitgaat en door de interna-
tionale druk om zich daaraan te conformeren.
Het IAEA en het Additioneel Protocol
Het IAEA controleert de naleving van het NPV.2 Dit VN-agentschap, dat in 1957 werd
opgericht, is een direct gevolg van het Atoms for Peace-programma van president
Eisenhower. Behalve dat het toezicht houdt, assisteert het IAEA bij de vreedzame toe-
passing van nucleaire technologie. Het IAEA is, in zijn rol als hoeder van het NPV, in het
bijzonder geïnteresseerd in nucleair materiaal dat geschikt is voor de productie van kern-
wapens (zie bijlage IV).
Sinds de inwerkingtreding van het NPV in 1970 is het IAEA belast met de verificatie
ervan. In 1971 werd hiervoor het algemene “Comprehensive Safeguards” systeem
ingesteld.3 Deze Safeguards gaan uit van goede wil; inspecties zijn afhankelijk van wat
de staten zelf declareren. Maar na afloop van de Tweede Golfoorlog trof men in Irak in
1991 een omvangrijk geheim nucleair wapenprogramma aan, dat Irak jarenlang met
succes buiten de IAEA-Safeguards had weten te houden. Dat vormde aanleiding om in
de jaren daarna aanvullende maatregelen te treffen.
2   Op 10 december 2005 ontvingen het IAEA en zijn Directeur-generaal ElBaradei de Nobelprijs voor de Vrede.
3   INFCIRC/153, te raadplegen op <http://www.iaea.org>.
                                                    8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>In 1997 bereikten de NPV-lidstaten overeenstemming over een Additioneel Protocol, dat
in aanvulling op de bestaande Safeguards door iedere staat afzonderlijk met het IAEA
moet worden vastgelegd.4 Onder het Additioneel Protocol verplicht een staat zich er toe
om gegevens te verstrekken over en inspecteurs toe te laten tot alle onderdelen van de
brandstofcyclus en alle andere locaties waar zich nucleair materiaal kan bevinden. Ver-
der stemt een staat in met inspecties op “alle relevante plaatsen” die slechts 24 uur
van te voren hoeven te worden aangekondigd. Omgevingsmonsters mogen ook rondom
de gedeclareerde locaties worden verzameld. Volgens het IAEA biedt het Additioneel
Protocol daarmee – althans in theorie – een sluitend controlesysteem. Probleem hierbij
is dat, zoals hierboven al werd opgemerkt, nog lang niet alle staten dit protocol hebben
geratificeerd. Weliswaar hebben inmiddels 113 landen het Additioneel Protocol gete-
kend, maar het is maar bij 69 landen in werking getreden, waaronder overigens ook de
kernwapenstaten China, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, doch niet bij Rusland en
de Verenigde Staten.5
De Nuclear Suppliers Group en exportcontroles
Binnen de kaders van het NPV en de IAEA-Safeguards voorziet de “Nuclear Suppliers
Group” (NSG) in exportcontroles op de levering van nucleaire en nucleair gerelateerde
(“dual use”) goederen aan niet-kernwapenstaten. De NSG bestaat uit 45 landen, waar-
onder ook Nederland, en is in 1974 opgericht in reactie op de eerste kernproef van
India in datzelfde jaar. Als een NSG-lid besluit voor een bepaalde levering aan een land
geen exportvergunning te verstrekken, worden alle NSG-landen daarvan in kennis
gesteld. Afgesproken is dat deze daarvoor dan, althans in beginsel, eveneens geen
exportvergunning verstrekken. Een voorwaarde voor levering is dat het ontvangende land
de IAEA-Safeguards naleeft. In de NSG wordt thans de mogelijkheid besproken om als
extra eis te laten gelden dat ook het IAEA Additioneel Protocol moet zijn geratificeerd.
Bij dit mechanisme van exportvergunningen bestaat altijd een zekere mate van span-
ning tussen het veiligheids- en het economische belang. Daarbij kunnen de deelnemen-
de landen de leveringscriteria verschillend interpreteren; er bestaat een verschil tussen
de rekkelijken en de preciezen. Nederland bevindt zich in het kamp van de preciezen,
zonder daarbij overigens het economische belang uit het oog te verliezen.
I.2.2     Het Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty
Het tweede verdrag dat naast het NPV een belangrijke rol in het multilaterale non-proli-
feratieregime speelt, is het “Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty” (CTBT) waarvan
de onderhandelingen in 1996 werden voltooid.6 De voormalige voorzitter van de Joint
Chiefs of Staff, generaal b.d. John Shalikashvili, rapporteerde hierover dat “The main
technical constraints that the test Ban Treaty places on nuclear weapon development
involve the vertical progression from first-generation fission designs and more advanced
fission weapons; to second generation thermonuclear designs with increasingly
sophisticated yield-to-weight ratios; to exotic ‘third generation’ technologies, such as
4   INFCIRC/540, te raadplegen op <http://www.iaea.org>.
5   Stand op 13 oktober 2005. Zie <http://www.iaea.org>.
6   Jaap Ramaker e.a., The Final Test. A History of the Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty Negotiations,
    Austria: Preparatory Commission for the Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty Organisation, 2003.
                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>nuclear explosion-pumped x-ray lasers and enhanced radiation weapons”.7 Landen met
de daarvoor noodzakelijke kennis, materialen en middelen moeten weliswaar in staat
worden geacht een rudimentair (“crude”), eerste-generatiekernwapen, te construeren
en er ook zonder te testen redelijk zeker van te kunnen zijn dat deze werkt, maar “It
would be extremely hard, if not impossible, for additional countries to develop a
thermonuclear weapon, especially a sophisticated one that could be delivered easily
over intercontinental distances”.8 Hoewel het CTBT dus geen definitieve oplossing
tegen de ontwikkeling van kernwapens biedt, levert het een belangrijk aandeel aan een
geïntegreerd multilateraal non-proliferatieregime van elkaar versterkende maatregelen.
Het CTBT is tot heden niet in werking getreden, doordat hiervoor eerst ratificatie is ver-
eist door de 44 staten die in Annex II van het Verdrag zijn vastgelegd. Elf van deze sta-
ten hebben dat nog niet gedaan: China, Colombia, Noord-Korea, Egypte, India, Indonesië,
Iran, Israël, Pakistan, de Verenigde Staten en Vietnam. Noord-Korea, India en Pakistan
hebben het Verdrag tot op heden niet getekend. De kernwapenstaten Frankrijk, Groot-
Brittannië en Rusland hebben zowel getekend als geratificeerd. In totaal hebben thans
176 landen het CTBT getekend waarvan 127,9 waaronder alle EU-lidstaten, het Verdrag
ook hebben geratificeerd.
Door het grote aantal landen dat het CTBT heeft ondertekend is er, ook al is het nog
niet van kracht, wel een internationale norm ontstaan die kernproeven veroordeelt. Als
een land in deze situatie toch tot een kernproef zou besluiten, kan dat alleen ten koste
van een politieke prijs. Dit gegeven verstevigt het non-proliferatieregime en daarbinnen
het moratorium op kernproeven dat thans van kracht is.
In afwachting van de inwerkingtreding van het CTBT wordt door de CTBT-Organisatie een
wereldwijd controlesysteem (“International Monitoring System”, IMS) gebouwd dat deels
al operationeel is. Mogelijke kernproeven worden gesignaleerd door, in de definitieve
configuratie, 321 over de hele wereld verspreide stations, bestaande uit seismologische
meetapparatuur, hydroakoestische boeien, stations die radioactiviteit in de lucht vast-
stellen en stations die geluidsgolven met een lage frequentie opsporen. Indien op basis
van de beschikbare gegevens een vermoeden van een kernexplosie ontstaat, wordt ter
plaatse een inspectie uitgevoerd. Effectieve controle op naleving van het dit Verdrag
lijkt zo verzekerd.10
I.2.3     De impasse inzake een Fissile Material Cut-off Treaty
Het derde verdrag dat het multilaterale non-proliferatiekader zou moeten versterken, is
het nog op te stellen “Fissile Material Cut-off Treaty” (FMCT). Dit Verdrag, waartoe de
Algemene Vergadering van de VN al in 1993 in een resolutie opriep, beoogt een verbod
7   John M. Shalikashvili, Report on the Findings and Recommendations Concerning the Comprehensive Nuclear
    Test Ban Treaty, Washington D.C., januari 2001.
8   Ibid.
9   Stand eind december 2005.
10 Dit was ook de conclusie van het Amerikaanse National Academy of Sciences dat hierover en over de
    vraag of de VS hun bestaande kernwapens zonder te testen up to date kunnen houden, op verzoek van
    Shalikashvili (zie noot 7) in 2002 rapport uitbracht: National Academy of Sciences, Technical issues related
    to the Comprehensive Nuclear Test Ban Treaty, Washington D.C., 2002.
                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>op de productie van wapengeschikt uranium (zie bijlage IV voor een schematisch over-
zicht van de nucleaire brandstofcyclus en een toelichting op de meest gebruikte begrip-
pen).11 In afwachting hiervan hebben Frankrijk, Rusland, de Verenigde Staten en het
Verenigd Koninkrijk een moratorium op de productie daarvan afgekondigd. China, India
en Pakistan hebben dat nog niet gedaan.
Tot op heden is de Ontwapeningsconferentie in Genève echter zelfs niet in staat geble-
ken met de onderhandelingen hierover te beginnen: over het werkprogramma van de
Conferentie als zodanig kan geen overeenstemming worden bereikt.12 Het grote pro-
bleem is verificatie. Technisch is dit uitvoerbaar, maar politiek ligt het moeilijk. Hiervoor
is namelijk ook openheid over de militaire nucleaire faciliteiten van de kernwapenstaten
nodig. Deze zijn tot op heden van IAEA-inspecties uitgesloten.13 In 2004 kondigden de
Verenigde Staten aan dat zij een verifieerbaar FMCT niet langer realistisch achtten. De
vooruitzichten dat dit Verdrag op afzienbare termijn kan worden voltooid, zijn niet gun-
stig. Overigens beschikken de grote kernwapenstaten over dermate grote hoeveelheden
wapengeschikte splijtstoffen dat zij daarmee, ondanks een FMCT, nog steeds nieuwe
bommen zouden kunnen fabriceren.
I.3       Andere belangrijke instrumenten van het non-proliferatieregime
Naast bovenstaande verdragenstructuur bestaat het nucleaire non-proliferatieregime uit
andere elementen die samen tot doel hebben proliferatie te verhinderen. In deze para-
graaf wordt een aantal daarvan nader toegelicht.14
I.3.1     Het Amerikaanse Nunn-Lugar initiatief
Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie werd snel duidelijk dat de nucleaire (en biologi-
sche en chemische) erfenis van dat land een zeer groot proliferatierisico vormt. In reac-
tie hierop ontwikkelden de Verenigde Staten in 1991 het “Cooperative Threat Reduction
Program”15, ook wel Nunn-Lugar programma genoemd, naar de twee Amerikaanse
senatoren die initiatiefnemers van deze wetgeving waren. Dit programma heeft tot doel
de staten van de voormalige Sovjet-Unie te helpen met het controleren, bewaken en
vernietigen van massavernietigingswapens en de splijtstoffen uranium en plutonium.
Daarnaast zijn de Verenigde Staten de grootste sponsor van de “International Science
and Technology Centers” – ook de EU betaalt daaraan mee – waar ongeveer 58.000
11 Resolutie A/RES/48/75[L], 16 december 1993.
12 De Ontwapeningsconferentie bevindt zich op het gebied van ontwapening en non-proliferatie al ruim acht jaar
    in een impasse door een patstelling tussen de deelnemers. In toenemende mate wordt aan de relevantie van
    de Conferentie getwijfeld.
13 Volgens artikel 3 van het NPV zijn de kernwapenstaten vrijgesteld van IAEA-Safeguards. Later hebben de vijf
    erkende wapenstaten op basis van vrijwilligheid hun civiele installaties voor IAEA-inspecties aangeboden.
14 Dit advies beperkt zich tot het nucleaire non-proliferatieregime. Dit maakt vanzelfsprekend deel uit van een
    breder streven om de proliferatie van alle massavernietigingswapens te verhinderen. De VS stellen bijvoor-
    beeld in hun ‘Nuclear Posture Review’ uit december 2001 dat zij de mogelijkheid nadrukkelijk openhouden
    om aanvallen met massavernietigingswapens, dus ook biologische en chemische, met kernbommen te ver-
    gelden. Dit onderstreept alleen maar de noodzaak van non-proliferatie voor àlle massavernietigingswapens.
15 Dit initiatief stond tot 1993 bekend als ‘The Soviet Nuclear Threat Reduction Act’.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>voormalige wapenspecialisten voor civiele programma’s werken.16
In aanvulling hierop ontwikkelden de G8 in 2002 het “Global Partnership Against the
Spread of Weapons and Materials of Mass Destruction”. Ook dit programma richt zich
op het opruimen van gevaarlijke voorraden van nucleaire en chemische wapens en stof-
fen in de voormalige Sovjet-Unie. De G8 hebben in hun actieplan voor non-proliferatie
uit 2004 toegezegd hiervoor tot 2012 US $ 20 miljard te zullen vrijmaken.17 Hoewel
dit streven op de recente G8-bijeenkomst begin juli 2005 in Gleneagles is bevestigd,
bleek tijdens deze bijeenkomst toch ook dat dit fonds nog steeds een tekort van US $ 3
miljard vertoont.
Vergeleken met de jaren negentig, wordt het bovendien steeds moeilijker om in dit
kader alle noodzakelijk geachte programma’s uit te voeren, onder andere door proble-
men in Rusland zelf. Het mede door de toenemende vraag naar Russische energie
steeds zelfbewuster wordende Rusland, wenst in deze kwestie niet langer als junior
partner te worden behandeld.18 Zo is er sprake van een verminderde Russische
bereidheid toegang te verlenen tot de wapenfabrieken waar met nucleair materiaal
wordt gewerkt, om ter plekke de vernietiging van nucleair afval te controleren.
I.3.2      Het Proliferation Security Initiative
Het “Proliferation Security Initiative” (PSI) werd in mei 2003 door president Bush aan-
gekondigd als een praktische aanvulling op bestaande instrumenten om proliferatie
tegen te gaan. Het Amerikaanse initiatief beoogt illegale transporten van proliferatiege-
voelig materiaal te onderscheppen en richt zich op een betere benutting van bestaande
(inter)nationale instrumenten (exportcontrole, verdragen, wetgeving) en een verbetering
van de internationale samenwerking bij opsporing. Het begon met maritieme controles
en wordt thans uitgebreid naar de luchtvaartsector. Op termijn moet het ook op vervoer
over land van toepassing worden.
In totaal zijn ongeveer zestig staten op vrijwillige basis bij het PSI aangesloten, waaron-
der alle EU-lidstaten.19 De grote lijnen van het PSI worden in een kerngroep van zeven-
tien landen besproken, waartoe ook Nederland behoort. Over de intercepties zelf is
weinig bekend. Zo is het onduidelijk hoeveel er sinds 2003 hebben plaatsgehad, of
deze wel of niet succesvol zijn geweest, en wat daarbij precies is aangetroffen. De
Amerikanen zijn daarover erg terughoudend, ook tegenover hun PSI-partners, om (naar
eigen zeggen) toekomstige activiteiten in dit kader niet te compromitteren.
Het PSI is niet wereldomvattend en is hierdoor normatief minder sterk. Zo nemen
landen als China, India en Zuid-Korea er geen deel aan. Mogelijke intercepties in hun
16 Richard G. Lugar, Nunn-Lugar Report, augustus 2005, te raadplegen op <http://www.lugar.senate.gov>.
17 De G8 bestaan uit de 7 rijkste industrielanden Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië, Japan, het Verenigd
    Koninkrijk en de Verenigde Staten plus Rusland. Zie bijvoorbeeld de slotverklaring van de G8 uit Gleneagles,
    juli 2005.
18 Zie bijvoorbeeld Carla Anne Robbins & Alan Cullison, ‘Closed Doors: In Russia, Securing its Nuclear Arsenal
    is an Uphill Battle’, The Wall Street Journal, 26 September 2005.
19 Council of the EU, Non-Proliferation Support of the Proliferation Security Initiative (PSI), Brussels,
    1 June 2004, 10052/04 (Presse 189).
                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>“invloedssferen” worden hierdoor bemoeilijkt.20 Maar wat de Amerikanen in het PSI
aanspreekt, is dat zij, afwijkend van het NPV, niet zijn gebonden aan multilaterale
kaders. The Wall Street Journal vatte dit treffend samen met “There’s no headquarters,
no secretary-general, no talkfests – and perhaps most important of all, no French or
Russian veto”.21 Gevolg hiervan is wel dat binnen deze coalitie uiteenlopende interpre-
taties kunnen bestaan over de toepassing van het internationaal recht, bijvoorbeeld
over wat wel of niet op volle zee is geoorloofd.22
I.3.3      VNVR-resolutie 1540
Resolutie 1540 van de VN-Veiligheidsraad (VNVR) vormt een reactie op de groeiende
dreiging van niet-statelijke actoren op het gebied van proliferatie. Deze resolutie uit
2004 verbiedt staten om niet-statelijke actoren te helpen bij het verkrijgen van NBC-
wapens en overbrengingstechnologie en middelen. Staten worden verder verplicht het
verbod op dergelijke proliferatie wettelijk vast te leggen en maatregelen te treffen die
proliferatie voorkomen.23 Omdat resolutie 1540 er nadrukkelijk op is gericht om NBC-
wapens en technologie uit handen van niet-statelijke actoren als terroristen te houden,
vormt het een aanvulling op het bestaande non-proliferatieregime. Het is tevens de
eerste keer dat het non-proliferatieregime door middel van een resolutie van de
VN-Veiligheidsraad wordt versterkt en niet door langdurige onderhandelingen waarbij alle
VN-lidstaten worden betrokken. Mede hierdoor is resolutie 1540 overigens niet
onomstreden. Pas na verloop van tijd zal blijken hoe krachtig dit instrument werkelijk is.
20 Andrew C. Winner, ‘The Proliferation Security Initiative: The New Face of Interdiction’, The Washington
    Quartely, Spring 2005.
21 The new multilateralism, The Wall Street Journal, 8 januari 2004.
22 Overigens wordt gepoogd de internationaal-rechtelijke kaders voor PSI te verruimen door relevante verdra-
    gen als de “Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Maritime Navigation” (SUA-Verdrag) aan te
    passen en daar ‘echte’ antiterrorisme-instrumenten van te maken. Aanpassingen op dit SUA-Verdrag liggen
    sinds oktober 2005 ter ratificatie voor. Maar de vooruitzichten dat landen als India en Pakistan, maar ook
    Brazilië en Zuid-Afrika deze wijzigingen op korte termijn zullen ratificeren, zijn niet positief. Voorstellen voor
    soortgelijke wijzigingen als bij de SUA-verdragen kunnen ook worden verwacht voor verdragen op het gebied
    van de luchtvaart.
23 Resolutie S/RES/1540, 28 april 2004.
                                                         13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>II        De toestand van het non-proliferatieregime
II.1      Inleiding
In het vorige hoofdstuk is kort een aantal belangrijke elementen van het non-prolifera-
tieregime geschetst. Dit hoofdstuk gaat in op de actuele toestand van dit regime. Eerst
wordt in paragraaf II.2 een aantal zwakke plekken van het NPV aangestipt. Daarna gaat
paragraaf II.3 in op de mogelijkheden van “Multilateral Nuclear Approaches” (MNA’s)
voor de splijtstofcyclus. Paragraaf II.4 behandelt de opkomst van niet-statelijke actoren
op het gebied van proliferatie. Paragraaf II.5 richt zich op recente ontwikkelingen, zoals
de mislukte NPV-toetsingsconferentie van mei 2005 en de, op het gebied van non-pro-
liferatie, mislukte VN-top voor regeringsleiders in september 2005. De toestand van
het non-proliferatieregime wordt ten slotte in paragraaf II.6 geïllustreerd aan de hand
van de posities van de Verenigde Staten en van Iran.
II.2      Zwakke punten van het Non-proliferatieverdrag
Vanaf het moment dat het NPV werd opgesteld, kent het zwakke punten. Sommige
daarvan waren al vanaf het begin duidelijk, andere kwamen pas in de loop van de tijd
aan het licht. Vrijwel alle aanpassingen van het non-proliferatieregime sinds 1970, toen
het NPV van kracht werd, kunnen worden gezien als pogingen om de onvolkomenheden
van het NPV het hoofd te bieden. In een artikel in The Economist zette Mohamed
ElBaradei, Directeur-generaal van het IAEA, de belangrijkste beperkingen van het NPV
nog eens uiteen:24
• het Verdrag, dat in 1968 werd opgesteld, legitimeert de bestaande kernmachten:
    “the early bird gets the nuke”. Andere staten wordt volgens het Verdrag het bezit
    van kernwapens ontzegd;
•   het Verdrag is naar zijn aard dus asymmetrisch. Maar het was destijds nooit
    bedoeld permanent te zijn. Zo hebben de kernmachten in het NPV vastgelegd naar
    volledige ontwapening te zullen streven. Een tijdschema hiervoor ontbreekt echter;
•   het Verdrag verbiedt landen kernwapens te ontwikkelen, maar kent geen strategie
    om landen die weigeren te tekenen, over te halen. Dit vormt een gat in de regelge-
    ving waarvan India, Pakistan en Israël gebruik hebben gemaakt;
•   het Verdrag vertrouwt op de belofte van de lidstaten om nucleair materiaal alleen
    voor vreedzame doelen aan te wenden. Het houdt er geen rekening mee dat het
    recht op de ontwikkeling van een civiele nucleaire industrie kan worden misbruikt
    om een eigen kernwapen te ontwikkelen. Zo is uraniumverrijking volgens het NPV op
    zich niet verboden. Dit geldt ook voor het opwerken (“reprocessing”) van plutonium
    als bijproduct van het gebruik van kerncentrales (zie bijlage IV). Als gevolg hiervan is
    het op zich niet illegaal als staten over voorraden splijtstoffen beschikken die ook of
    bij uitstek geschikt zijn voor kernwapengebruik;
•   nog lang niet alle niet-kernwapenstaten hebben het Additioneel Protocol uit 1997,
    waarmee het IAEA ruimere controlerende bevoegdheden krijgt, geratificeerd;
•   het Verdrag en de bijbehorende Safeguards zijn opgesteld aan de hand van het
    kennisniveau van eind jaren zestig. Maar in de tussentijd heeft de techniek niet stil-
    gestaan: veel van de benodigde hard-ware om een kernbom te construeren wordt
24 Mohamed ElBaradei, ‘Towards a safer world’, The Economist, 16 oktober 2003.
                                                   14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>    bijvoorbeeld ook in de olie-industrie of in de medische wereld gebruikt (“dual use”).
    Exportcontroles worden hierdoor bemoeilijkt.
Een mogelijkheid die ElBaradei in dit artikel niet noemde, maar die wel van belang is, is
dat het Verdrag de mogelijkheid openlaat om met een opzeggingstermijn van drie maan-
den uit het NPV te treden, hetgeen relevant is voor het zogeheten “break-out”-scenario.25
Noord-Korea heeft hiervan in 2003 gebruik gemaakt en lijkt, althans in dit opzicht, dus
legaal te handelen.
II.3      Multilateral Nuclear Approaches
Om de kans te verkleinen dat vreedzaam gebruik van kernenergie tot een dergelijk
“break-out”-scenario leidt, is recentelijk de mogelijkheid van een multilaterale benade-
ring (“Multilateral Nuclear Approaches”, MNA’s) van de proliferatiegevoelige delen van de
splijtstofcyclus weer meer in de belangstelling gekomen. Het multinationale Urenco,
waarvan de Nederlandse vestiging in Almelo staat, is een bescheiden voorbeeld van een
MNA.26 Begin 2005 heeft een groep specialisten op verzoek van de IAEA een rapport
over MNA’s uitgebracht en vijf mogelijke benaderingen gesuggereerd, uiteenlopend van
de versterking van bestaande marktmechanismen op het gebied van splijtstoffen, tot de
ontwikkeling van een splijtstofcyclus die uitgaat van sterkere multilaterale verbanden.27
Cruciaal daarbij is het vraagstuk van de gegarandeerde leveringen van nucleaire brand-
stof. In zijn Nobel-lezing in december 2005 zette ElBaradei zijn plan op dit punt nog eens
uiteen: “My plan is to begin by setting up a reserve fuel bank, under IAEA control, so
that every country will be assured that it will get the fuel needed for its bona fide peaceful
nuclear activities. This assurance of supply will remove the incentive – and the justification
– for each country to develop its own fuel cycle. We should then be able to agree on a
moratorium on new national facilities, and to begin work on multinational arrangements for
enrichment, fuel production, waste disposal and reprocessing”.28
Maar hoewel westerse landen deze op zich wenselijke multinationale aanpak lijken te
omarmen, beschouwen staten van de “Non Aligned Movement” (NAM), waaronder Brazilië,
Egypte en Zuid-Afrika, dergelijke maatregelen thans als een onaanvaardbare inbreuk op
hun recht op het zelf ontwikkelen van vreedzaam gebruik van nucleaire technologie.29
Zij blokkeren voorlopig alle pogingen om hierover in internationaal verband afspraken te
maken.
25 In een “break-out” scenario verwerft een staat een kernwapencapaciteit binnen het NPV en stapt vervol-
    gens uit het Verdrag.
26 Urenco is een Duits, Nederlands en Brits samenwerkingsverband dat zich vooral op de gezamenlijke verkoop
    van verrijkt materiaal richt.
27 INFCIRC/640, Multilateral Approaches to the Nuclear Fuel Cycle: Expert Group Report submitted to the
    Director General of the International Atomic Energy Agency, 22 februari 2005, te raadplegen op
    <http://www.iaea.org>.
28 Mohamed ElBaradei, The Nobel Lecture, Oslo, 10 december 2005.
29 Maar ook niet alle westerse landen bevinden zich al op één lijn ten aanzien van MNA’s. Zo zijn er landen,
    zoals Zweden, die over een eigen verrijkingsindustrie beschikken (en over de economische voordelen daar-
    van) en die nog gereserveerd staan tegenover het idee van MNA’s.
                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>II.4      De opkomst van niet-statelijke actoren
Een substantieel deel van de benodigde hardware om een kernbom te construeren is
tegenwoordig dual use. Bovendien is de illegale handel in verboden en/of dual use
goederen door de voortschrijdende globalisering, die onder meer wordt gekenmerkt
door de sterk verbeterde communicatiemogelijkheden, eenvoudiger geworden. De
opkomst van een steeds groter wordende zwarte markt in nucleaire materialen en goe-
deren is één van de belangrijkste kenmerken van het veranderende landschap op het
gebied van non-proliferatie en ontwapening, aldus ElBaradei tijdens zijn Nobel-lezing.
Proliferatie is niet langer voorbehouden aan staten, maar in toenemende mate spelen
individuele tussenpersonen een bemiddelende rol (brokering) in de handel in strategi-
sche goederen en technologie.30
Brokering houdt in dat tussenpersonen vaak onder valse voorwendsels proliferatiege-
voelige goederen via particuliere kanalen naar het “doelland” sturen, mogelijk via
derde landen. Zo bleek de Pakistaanse atoomgeleerde A.Q. Khan via zijn netwerk van
tussenpersonen lange tijd gevoelige nucleaire (wapen)technologie te hebben geëxpor-
teerd naar landen als Iran, Libië en Noord-Korea.31 Khan lijkt daarbij overigens alleen
op het eerste gezicht als niet-statelijke actor te hebben gehandeld. Het is immers
onwaarschijnlijk dat de Pakistaanse overheid van niets wist en hierbij geen enkele (pas-
sieve) hulp heeft verleend. Khan’s kennis van de technische aspecten, maar vooral ook
van de wijze waarop, en bij wie de noodzakelijke componenten kunnen worden verkre-
gen, laat zien hoe proliferatienetwerken grootschalig kunnen opereren.32
Niet-statelijke actoren kunnen niet alleen medeverantwoordelijk zijn voor de verdere proli-
feratie van nucleaire kennis, materialen en technologie. In een andere gedaante vormen
zij tevens een nieuwe – en volgens velen de belangrijkste – dreiging. Sinds de aanslagen
van 11 september 2001 is de wereld doordrongen van het risico dat terroristen massa-
vernietigingswapens bemachtigen en inzetten. Zie hiervoor ook paragraaf III.2.
II.5      De grenzen van multilaterale samenwerking
Non-proliferatie heeft de meeste kans van slagen als zoveel mogelijk landen zich daar-
bij aansluiten. Door de steeds duidelijker aan de oppervlakte tredende belangentegen-
stellingen tussen verschillende staten ten aanzien van nucleaire non-proliferatie en ont-
wapening, staat de gewenste multilaterale aanpak echter onder druk.
Dat werd in mei 2005 evident toen de zevende NPV-toetsingsconferentie mislukte. De
tegenstellingen tussen een aantal staten bleken zo groot, dat er zelfs geen gemeen-
schappelijke slotverklaring kon worden opgesteld.33 Zelfs het minste waarop werd
30 Gedoeld wordt op militaire, nucleaire, biologische en chemische goederen en technologie.
31 Zie bijvoorbeeld Jaco Alberts e.a., ‘Zakenman wilde delen kernbom leveren’, NRC-Handelsblad, 4 juli 2005.
32 Michael Laufer, ‘A.Q. Khan Nuclear Chronology’, Carnegie Endowment for International Peace Issue Brief,
    Non-proliferation, No. 8, 7 september 2005.
33 Als enige voordeel hiervan zou kunnen worden gezien dat er voor een slottekst geen compromissen zijn
    gesloten die afbreuk doen aan de resultaten van de eerdere toetsingsconferenties uit 1995 en 2000.
    Overigens was dit niet de eerste keer dat er geen slotverklaring kon worden vastgesteld, dit was namelijk
    ook het geval in 1980 en in 1990.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>gehoopt, namelijk een bevestiging van de afspraken van de vorige twee toetsingsconfe-
renties uit 1995 en 2000, waaronder de verwijzing naar de dertien concrete ontwape-
ningsvoorstellen uit 2000 (o.a. het CTBT en het FMCT, zie bijlage V), bleek vooral door
de opstelling van de Verenigde Staten niet haalbaar.
Een bijkomend probleem is dat het beeld van een NPV in crisis lang blijft hangen.
Omdat de volgende toetsingsconferentie pas over vijf jaar wordt gehouden en de eerste
voorbereidende bijeenkomst niet voor 2007 zal zijn, moet de wereld het tot die tijd
doen met een verzwakt NPV met het risico dat het normatieve karakter daarvan verder
afkalft.34
Dit beeld werd in september 2005 bevestigd doordat de VN-top van regeringsleiders
op het gebied van non-proliferatie en ontwapening op een fiasco uitliep. Aanvankelijk
bestond de hoop dat tijdens deze top een voorzichtig begin met de reparatie van de
mislukte NPV-toetsingsconferentie kon worden gemaakt. Maar uiteindelijk is het onder-
werp non-proliferatie twee dagen voor aanvang van de top volledig uit het conceptslot-
document geschrapt, omdat er geen enkel uitzicht op overeenstemming was.35 In reac-
tie hierop stelde de Secretaris-generaal van de VN (SGVN) Annan in zijn toespraak op
de VN-top terecht, zij het ondiplomatiek, dat de wereld “va-banque” speelt met de groei-
ende dreiging van massavernietigingswapens. Volgens Annan is de wereldwijde consen-
sus over het NPV ernstig verzwakt.36
In het kort speelden bij de toetsingsconferentie en bij de VN-top de volgende tegenstel-
lingen een rol:
• Ontwapening: de Verenigde Staten weigerden in de slotverklaring een verwijzing op
    te nemen naar ontwapeningsafspraken uit de twee laatste toetsingsconferenties uit
    1995 en 2000. Verder verlangden de Arabische landen, met name Egypte, dat Israël
    het NPV tekent en ratificeert en afstand van zijn kernwapens doet;
• (Non-)proliferatie: het bleek niet mogelijk in de slotverklaring een uitspraak op te
    nemen dat Iran de IAEA-Waarborgovereenkomst niet heeft nageleefd. Iran wist deze
    westerse eis te blokkeren met verwijzing naar de lopende onderhandelingen met
    Europa over zijn nucleaire programma. Verder konden de lidstaten, vooral door de
    opstelling van China, het niet eens worden over een krachtige veroordeling van
    Noord-Korea, dat zich aan het NPV heeft onttrokken en verklaart over kernwapens te
    beschikken;
• Het recht op civiele nucleaire technologie: westerse landen willen proliferatiegevoelige
    technologieën, zoals uraniumverrijking, meer reguleren. Zij proberen in dit kader bij-
    voorbeeld MNA’s bespreekbaar te maken. NAM-staten stellen onder verwijzing naar
    het NPV daarentegen dat dit een onrechtmatige inperking zou zijn van hun recht om
34 Burkard Schmitt, ‘NPT breakdown’, EU Institute for Security Studies Newsletter, No. 15, juli 2005.
35 In het slotdocument spreken de lidstaten enkel nog hun steun uit voor pogingen om de “International
    Convention for the Suppression of Acts of Nuclear Terrorism” spoedig in werking te laten treden. Maar dit
    was niet nieuw; de tekst van deze conventie was eerder op 13 april 2005 al door de Algemene Vergadering
    van de VN vastgesteld (A/59/PV.91).
36 Kofi Annan, Statement to the 60th Session of the General Assembly, New York, 17 september 2005.
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    een civiele nucleaire industrie op te bouwen. Zolang de kernwapenstaten op het
    gebied van ontwapening geen beterschap tonen, weigeren NAM-landen om MNA’s te
    bespreken of aanvullende verplichtingen als het Additioneel Protocol op zich te
    nemen.
II.6       Ter illustratie: de posities van de Verenigde Staten en van Iran
Ter illustratie van bovenstaande problematiek wordt hier apart aandacht besteed aan
de posities van de Verenigde Staten en van Iran, die op het gebied van non-proliferatie
lijnrecht tegenover elkaar staan.
II.6.1     De Verenigde Staten
De huidige positie van de Verenigde Staten, de politiek belangrijkste kernwapenstaat,
ten aanzien van het non-proliferatieregime wordt vooral bepaald door de onvrede van de
regering-Bush met bestaande multilaterale kaders en de behoefte aan een “onafhanke-
lijke”, op direct resultaat gerichte, benadering van veiligheidspolitiek.37 Deze ontwikke-
ling werd versterkt door de terroristische aanslagen op 11 september 2001. Vanaf dat
moment beschouwt Amerika zichzelf als een land in oorlog waarbij de mogelijke combi-
natie van internationaal terrorisme met een massavernietigingswapen als belangrijkste
dreiging wordt gezien.38
De Verenigde Staten belijden weliswaar steun aan het NPV en aan de norm die daarvan
uitgaat, maar nationale (veiligheids)belangen gaan voor. Zo is Washington sinds 2000
teruggekomen op eerdere nucleaire ontwapeningstoezeggingen.39 Dit kwam tot uiting in
de Amerikaanse weigering om zich bij de laatste NPV-toetsingsconferentie in mei 2005
opnieuw te committeren aan de dertien bij de toetsingsconferentie uit 2000 aanvaarde
ontwapeningsstappen, waaronder de snelle ratificatie van het CTBT. In 2002 hadden de
Verenigde Staten al aan die afspraken getornd door eenzijdig het “Anti-Ballistic Missile”
Verdrag op te zeggen, in 2004 gevolgd door een verklaring dat een verifieerbaar FMCT
niet mogelijk is en dus geen zin heeft. Met dat laatste kwamen de Verenigde Staten
terug op een sinds midden jaren negentig algemeen gedeelde visie dat een (verifieer-
baar) FMCT zowel wenselijk als mogelijk was.
37 Zie ook het advies van de AIV/CAVV, Preëmptief Optreden, advies nummer 36, Den Haag, juli 2004.
38 In zijn speech van 1 juni 2002 wees president Bush op deze dreiging: “The gravest danger to freedom lies
    at the crossroads of radicalism and technology [of weapons of mass destruction]”. Zie George W. Bush,
    Graduation Speech to West Point, United States Military Academy, New York, 1 juni 2002.
39 Het is de vraag in hoeverre de VS zich hiermee aan de strekking van het ontwapeningsartikel, artikel VI, uit
    het NPV houden. De letterlijke tekst van dit artikel luidt: “Each of the Parties to the Treaty undertakes to
    pursue negotiations in good faith on effective measures relating to cessation of the nuclear arms race at an
    early date and to nuclear disarmament, and on a treaty on general and complete disarmament under strict
    and effective international control”. Maar zoals ElBaradei in zijn artikel uit 2003 al opmerkt, het feit dat een
    tijdschema ontbreekt, is een zwak punt. Toch bestaat er wel degelijk een internationale norm die stelt dat
    de kernwapenstaten meer moeten doen dan alleen onderhandelen; de onderhandelingen moeten namelijk
    ook tot resultaat leiden. Zo oordeelde het Internationaal Gerechtshof in Den Haag in 1996 unaniem dat:
    “The legal import of that obligation goes beyond that of a mere obligation of conduct; the obligation involved
    here is an obligation to achieve a precise result – nuclear disarmament in all its aspects – by adoption a
    particular course of conduct, namely, the pursuit of negations on the matter in good faith”. Zie, ook voor
    een onderbouwing van dit oordeel: International Court of Justice, Legality of the Threat or use of Nuclear
    Weapons, 8 juli 1996, <http://www.icj-cij.org>.
                                                         18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Een ander recent voorbeeld van Amerikaans unilateraal handelen is het voornemen van
president Bush om India, hoewel geen NPV-lid, te helpen met de opbouw van een civie-
le nucleaire industrie.40 Als de Amerikaanse Senaat met de hiervoor benodigde wets-
wijzigingen akkoord gaat (die overigens weer afhangen van de onderhandelingen die
hierover nog met India moeten worden gevoerd), betekent dit een radicale koerswijzi-
ging ten opzichte van het beleid om India op nucleair gebied te isoleren, omdat het zich
niet bij het NPV wil aansluiten.41 Duidelijk is dat India niet op één lijn met bijvoorbeeld
Iran of Noord-Korea kan worden geplaatst. India is het grootste democratische land ter
wereld en behoort zeker niet tot de categorie “staten van zorg”. Maar zolang voor de
casus-India geen bevredigende oplossing is gevonden, ondermijnt dit Amerikaanse
initiatief het gezag van het NPV en kan niet meer dezelfde politieke druk worden
uitgeoefend om landen aan de regels daarvan te binden.
De Verenigde Staten gebruiken het NPV “à la carte”, waarbij zij bepalen wie goed of
fout zijn. Niet-NPV lid India wordt “beloond”, terwijl Washington van landen als Iran en
Noord-Korea verlangt dat ze zich aan de letter van het NPV en de IAEA-Safeguards hou-
den en hun beperkingen opleggen die verder gaan dan het NPV vereist. Voldoen zij daar-
aan niet, dan wordt met sancties van de Veiligheidsraad gedreigd. Enerzijds onttrekken
de Verenigde Staten zichzelf, en in relatie met een bevriende mogendheid (India), aan
de implicaties van het NPV, anderzijds vinden zij dat het multinationale NPV niet effec-
tief genoeg is.
De Verenigde Staten zien het non-proliferatieregime, dat steunt op verdragen en interna-
tionale afspraken, als ontoereikend en willen door middel van contra-proliferatiemaatre-
gelen als het “Threat Reduction Program”, het PSI en VNVR-resolutie 1540 de gaten in
het regime vullen. De vraag is of dit mogelijk is als het regime tegelijkertijd wordt onder-
graven, zoals ten aanzien van India dreigt.42 Wel is het zo, dat de Verenigde Staten de
jaarlijks ongeveer J 2 miljard aan (nucleaire, biologische en chemische) contra-prolifera-
tiemaatregelen uitgeven, waarvan ongeveer de helft aan Rusland in het kader van het
Nunn-Lugar-initiatief en van het G8-actieplan.43 Vergeleken hierbij hebben alle Europese
landen en de EU samen de afgelopen jaren slechts ongeveer een achtste aan
40 Alom overheerst het oordeel dat de VS hiertoe uit geostrategische overwegingen hebben besloten: in de VS
    is men er niet gerust op dat China zich op langere termijn vreedzaam zal ontwikkelen en men hoopt in dat
    geval met India een krachtige bondgenoot in de regio te hebben. Overigens is deze deal in India zelf niet
    onomstreden. Tegenstanders in India zijn bang dat India zich zo tot de ‘schoothond’ van Amerika maakt.
41 India heeft het NPV, dat alleen de kernwapenstaten uit 1967 erkent, altijd als bijzonder onrechtvaardig
    beschouwd en vanaf het begin gezegd dat het om die reden het NPV nooit zou tekenen.
42 Zie bijvoorbeeld Peter van Ham, WMD Proliferation and Transatlantic Relations: Is a Joint Western Strategy
    Possible? The Clingendael Institute, april 2004. “[…] one of today’s key political questions: Does the
    gradual shift towards assertive counterproliferation undermine the credibility of the non-proliferation structure
    in general, and the UN in particular? Or does it offer the necessary (coercive) support to strengthen these
    norms?”
43 Niet inbegrepen hierbij zijn de vele miljarden dollars die de VS aan Missile Defence uitgeven.
                                                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>contra-proliferatiemaatregelen besteed: in totaal om en nabij J 24044 miljoen per jaar.
Dit verzwakt de onderhandelingspositie van de EU.
Verder werken de Verenigde Staten en Rusland als gevolg van bilaterale wapenreducties
aan het terugbrengen van het aantal strategische kernwapens van meer dan 10.000 in
1991 tot ongeveer 1.700 à 2.000 in 2012. De laatste afspraken dateren uit 2002,
toen het Verdrag van Moskou werd getekend.45 Hiervan is echter geen verificatie mogelijk
en ook vallen tactische kernwapens er niet onder. Bovendien hoeven niet-operationele
kernwapens volgens deze afspraken niet te worden vernietigd, maar kunnen ze ook
worden opgeslagen (wat in feite ook gebeurt) om te zijner tijd weer in dienst te worden
gesteld. Dit is uiteraard geen echte nucleaire ontwapening; daarvoor zijn immers
concrete, onomkeerbare en verifieerbare stappen nodig.
II.6.2     Iran
De status van het NPV als wereldwijd normatief kader wordt in toenemende mate
bemoeilijkt door het asymmetrische en dus discriminerende karakter ervan. De vijf
erkende kernwapenstaten (en de verdragspartners die door hen worden beschermd,
waaronder Nederland) worden bevoordeeld ten opzichte van landen die hiertoe niet
behoren. Zo erkent de Navo in haar strategie volmondig dat kernwapens een unieke bij-
drage aan afschrikking (deterrence) leveren.46 Ook uraniumverrijking (bijvoorbeeld door
Urenco) geldt in deze landen als een aanvaardbare activiteit.
Het NPV vertegenwoordigt evenwel het beste resultaat dat eind jaren zestig kon worden
bereikt. Het Verdrag codificeerde de toenmalige situatie met als perspectief een kern-
wapenvrije wereld. Maar naarmate de tijd voortschrijdt, wordt steeds duidelijker dat de
asymmetrie tussen de have’s en de have not’s niet eindeloos zal duren.47 India,
Pakistan en Israël hadden zich er al aan onttrokken. Noord-Korea claimt reeds de kern-
wapenstatus en Iran zal mogelijk het volgende kernwapenland zijn.
44 Het getal van J 240 miljoen is gebaseerd op een globaal onderzoek in open bronnen naar uitgaven in het
    verleden. Over het precieze getal is discussie mogelijk, het is namelijk moeilijk om na te gaan wat de ver-
    schillende landen metterdaad aan contra-proliferatie hebben uitgegeven (wat wezenlijk anders is dan heb-
    ben toegezegd). Bovendien hanteren alle 25 EU-lidstaten verschillende criteria over wat wel en niet onder
    contra-proliferatie valt.
45 Amerikaans-Russisch “Strategic Offensive Reductions Treaty”, ook wel Verdrag van Moskou genoemd, uit
    2002.
46 Ter illustratie: de Navo stelt in haar laatste “Strategic Concept” uit 1999 dat “[...] the Alliance’s conventional
    forces alone cannot ensure credible deterrence. Nuclear weapons make a unique contribution in rendering
    the risks of aggression against the Alliance incalculable and unacceptable. Thus they remain essential to
    preserve peace”. En “The supreme guarantee of the security of the Allies is provided by the strategic nuclear
    forces of the Alliance […]”, artikel 46 en 62. Zie ook de doctrine van het Pentagon over de mogelijke inzet
    van nucleaire wapens: Joint Chiefs of Staff, Doctrine for Joint Nuclear Operations (Joint Pub 3-12),
    15 maart 2005.
47 Zie ‘ElBaradei warns on nuclear weapons’, The Press Association 13 december 2005: “Either we continue
    to rely on nuclear weapons, and face the reality that in the next 10-20 years, 20 or 30 countries will have
    nuclear weapons, or each country must cease its nuclear weapons programme and destroy existing nuclear
    arsenals”.
                                                          20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Iran heeft de ambitie om een regionale grootmacht te worden. In dit beeld zou de wens
om ook een kernwapen te verwerven, goed passen. Staten streven immers over het
algemeen naar kernwapens omdat zij zich door hun buurlanden bedreigd voelen, en/of
regionale hegemonie nastreven respectievelijk aanspraak willen maken op het prestige
van een grote mogendheid.
In het geval van Iran geldt dat het nabij de kernmachten India, Israël en Pakistan ligt.
De veiligheid van deze drie niet-NPV landen lijkt beter gegarandeerd dan de veiligheid
van Iran, dat wél tot het NPV is toegetreden. Zoals ook de Navo stelt, gaat van een
kernwapen een unieke afschrikkende werking uit. Iran zal ongetwijfeld de mening zijn
toegedaan, dat de Verenigde Staten Irak niet zouden zijn binnengevallen als Saddam
Hoessein over een atoombom zou hebben beschikt.48
Zo beschouwd is de vermeende wens van Iran om ook over een kernwapen te beschik-
ken, zeker verklaarbaar. Vermeend, want een zogeheten “smoking gun” is tot op heden
niet gevonden. Maar het feit dat Iran jarenlang een geheim nucleair programma had,
dat in 2002 alleen bij toeval is ontdekt, wijst wel in die richting. Daarbij komt dat het
IAEA er de afgelopen jaren niet in is geslaagd om op alle openstaande vragen afdoende
antwoord te krijgen, mede omdat Iran daartoe onvoldoende medewerking heeft ver-
leend.49
Als Iran een kernwapen zou ontwikkelen, zou dat een nieuwe slag zijn voor het reeds
aangetaste normatieve karakter van het NPV. Zeker als dit vervolgens leidt tot een
regionale proliferatiecascade. Een groot aantal staten kan in relatief korte tijd een rudi-
mentair kernwapen fabriceren (zie bijlage VI). Het “High Level Panel on Threats,
Challenges and Change” (HLP) oordeelde in zijn rapport uit december 2004 dat de
mogelijkheid van een nucleaire cascade “thans zeer reëel” is.50
Ten tijde van de vaststelling van dit advies lijkt Iran vastbesloten om op het gebied van
civiele nucleaire industrie geheel zelfvoorzienend te worden, inclusief het bezit van een
volledige – proliferatiegevoelige – verrijkingscapaciteit (zie bijlage IV). Iran beroept zich
daarbij op artikel IV van het NPV dat het vreedzaam gebruik van nucleaire energie zon-
der meer toestaat. In reactie hierop stellen westerse regeringen dat zij het recht van
Iran op een civiel nucleair programma respecteren, maar dat moet worden uitgesloten
dat Iran zich tot een kernwapenstaat ontwikkelt. In de ogen van het Westen kan Iran
het meermaals geschonden vertrouwen in het vreedzame karakter van zijn nucleaire
programma alleen herwinnen door af te zien van een eigen verrijkingscapaciteit. Iraanse
pogingen anderzijds stuiten op hevig verzet van de westerse landen die dreigen Iran
48 O.a. Mark Leonard wijst hierop: “The lesson the Iranians drew from the Iraq war is that the only way to be
    safe from American invasion is to have a nuclear deterrent – and the challenge is to develop it quickly while
    American troops are still bogged down in Iraq”. Zie Mark Leonard, Why Europe will run the 21st century,
    London: Bloomberg 2005.
49 Zie ook de Kamerbrief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 20 september 2005 (Kamerstukken II
    2005/06, 30 300, nr. 3). De minister noemt daarin het IAEA-rapport “verontrustend”.
50 Zie A More Secure World: Our Shared Responsibility. Report of the Secretary-General’s High-Level Panel on
    Threats, Challenges and Change (A/59/565), december 2004. Het HLP werd in november 2003 door SGVN
    ingesteld om te adviseren over hoe de VN ook in de 21ste eeuw relevant kan blijven. Het eindrapport bevat
    onder meer een groot aantal aanbevelingen voor de versterking van het non-proliferatieregime.
                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>wegens eerdere schendingen van de IAEA-Waarborgovereenkomst voor de Veiligheids-
raad te brengen.51
Op 10 januari 2006 werd een nieuwe fase ingeluid toen Iran een abrupt einde maakte
aan de drie jaar lopende onderhandelingen met Europa door de IAEA-zegels in de urani-
umverrijkingsfabriek in Natanz te verbreken en tegelijkertijd aankondigde het onderzoek
naar uraniumverrijking te zullen hervatten.52 In reactie hierop verklaarden de drie
ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk
(E3), die het politieke overleg met Iran de afgelopen periode hebben geleid, twee
dagen later samen met de Hoge Vertegenwoordiger van de EU Solana (E3/EU) dat nu
de tijd is aangebroken om de VN-Veiligheidsraad in te schakelen.53 Tot op heden is
een krachtige veroordeling van Iran uitgebleven, mede omdat de belangen binnen de
IAEA-Bestuursraad uiteenlopen en omdat het onzeker is of en welke actie de Veilig-
heidsraad zou kunnen nemen.54 Iran lijkt dan ook niet erg onder de indruk van de wes-
terse dreigementen. Op zijn beurt dreigt het zich niet langer aan het Additioneel Protocol
te houden en het IAEA de toegang tot zijn nucleaire faciliteiten te ontzeggen.55
In ieder geval heeft Iran met zijn opstelling bereikt dat het thans een factor is waarmee
de wereld rekening houdt. Dit geldt ook voor Noord-Korea, een zelfverklaarde atoom-
macht. Beide landen worden thans, meer dan voorheen het geval was, in het interna-
tionale diplomatieke verkeer serieus genomen. Vanuit het gezichtspunt van beide
landen is dit aanzienlijke politieke winst. Dit zal door andere staten met soortgelijke
mogelijkheden ongetwijfeld met belangstelling worden gevolgd.
51 Zie bijvoorbeeld de resolutie van de IAEA-Bestuursraad (Board of Governors), ‘Implementation of the NPT
    Safeguards Agreement in the Islamic Republic of Iran’, (GOV/2005/77), 24 september 2005.
52 Iran Begins Removal of IAEA Seals at Enrichment-related Locations, Press release 2006/02,
    10 januari 2006, <www.iaea.org>.
53 Statement by Germany, United Kingdom, France, and the EU High Representative on the Iranian nuclear
    issue, Berlijn, 12 januari 2006, <www.ue.eu.int>.
54 Binnen de IAEA-Bestuursraad ligt consensus over verwijzing van Iran naar de VR door de uiteenlopende
    posities en belangen van de diverse lidstaten moeilijk. Zo hebben de VS alle diplomatieke relaties met Iran
    verbroken. Daarentegen heeft Rusland grote economische belangen in Iran en is het bijvoorbeeld betrokken
    bij de opbouw van de Iraanse nucleaire industrie. Terwijl China niet het risico wil lopen dat de olieafvoer uit
    Iran wordt afgesneden (Iran heeft dit argument ook metterdaad gebruikt tegen o.a. India). En de NAM-landen
    stellen uit angst voor een precedentwerking, dat Iran wel degelijk het onvervreemdbare recht heeft om een
    eigen verrijkingscapaciteit op te bouwen.
55 Iran heeft het Additioneel Protocol getekend, maar nog niet geratificeerd. In de tussentijd houdt Iran zich
    aan het Additioneel Protocol (stand op 13 januari 2006).
                                                       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>III       Nucleaire non-proliferatie en vrede en veiligheid
III.1     Inleiding
Uit de vorige hoofdstukken komt naar voren dat het non-proliferatieregime volop in
beweging is. Contra-proliferatie-instrumenten als PSI, VNVR-resolutie 1540 en bilaterale
bijstand aan de voormalige Sovjetrepublieken winnen terrein, terwijl het NPV, dat sinds
de oprichting onverwacht succesvol was, te maken heeft met tegenstellingen die
afbreuk doen aan de norm die daarvan uitgaat.
Dit hoofdstuk gaat in op de gevolgen van nucleaire proliferatie voor vrede en veiligheid.
Het is gestructureerd aan de hand van de eerste drie van de vier concrete vragen uit
de adviesaanvraag; de laatste vraag komt in het slothoofdstuk aan de orde. Paragraaf
III.2 gaat in op de dreigingsappreciatie van nucleaire wapens en technologie voor vrede
en veiligheid. Paragraaf III.3 behandelt de versterking van een nucleair non-proliferatie-
regime. Paragraaf III.4 gaat in op de gevolgen voor het veiligheidsbeleid van de EU en
van de Navo.
III.2     Dreigingsappreciatie (regeringsvraag 1: Hoe bedreigend acht de Adviesraad
          de verspreiding van nucleaire wapens en technologie voor de internationale
          vrede en veiligheid en voor de Nederlandse samenleving?)
Bij de beantwoording van deze regeringsvraag maakt de AIV een tweedeling in statelijke
en niet-statelijke actoren. Daarnaast onderscheidt de AIV nog een andere, afgeleide
dreiging, namelijk het mogelijke gebruik van een radiologische- of vuile bom. Als beper-
king geldt hierbij dat op de vraag hoe bedreigend de verspreiding van nucleaire wapens
en technologie wordt geacht, geen antwoord in absolute termen kan worden gegeven.
Staten en afschrikking
Tijdens de Koude Oorlog hielden de twee machtsblokken Oost en West elkaar nucleair
in evenwicht wat tot uitdrukking kwam in het principe van wederzijdse afschrikking.
Beide rivalen leerden hun les tijdens de Cuba-crisis. Betoogd kan worden dat kernwa-
pens ertoe hebben bijgedragen dat de rivaliteit tussen de beide tegenpolen tijdens
deze periode nooit tot een grootschalig conflict heeft geleid.56 Tussen kernwapensta-
ten is in theorie het principe van afschrikking (“deterrence”) nog altijd van toepas-
sing.57 De AIV stelde hierover in 2002, dat “Afschrikking […] in het algemeen ook ten
opzichte van risicolanden [zal] werken”.58 De AIV blijft ook in dit advies bij dat oordeel.
56 J.G. Siccama, Afschrikking en oorlog, opgenomen in Internationale betrekkingen in perspectief,
    R.B. Soetendorp en A. van Staden (red.), Zutphen, Aula, 1987.
57 De Britse minister van Defensie John Reid stelde recent nog eens dat zolang andere kernwapenstaten die
    een potentiële dreiging voor het VK vormen over nucleaire wapens beschikken, ook het VK vasthoudt aan
    nucleaire afschrikking. Citaat afkomstig uit ‘VK handhaaft nucleaire afschrikking’, Defensiekrant,
    1 december 2005, te raadplegen op <http://www.defensie.nl>.
58 AIV, De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken. Voors en tegens van bouwen aan
    onkwetsbaarheid, advies 28, Den Haag, augustus 2002.
                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Hoe dan ook zijn de veiligheidsrisico’s evident als het aantal kernwapenstaten verder
toeneemt: van kernwapens gaat – nog steeds – een reëel gevaar uit. Iedere nieuwe
kernwapenstaat vergroot immers de kans dat (buur)landen in een desbetreffende regio
vervolgens ook het bezit van een dergelijk wapen zullen nastreven (cascade- of domino-
effect). Deze mogelijkheid is thans het meest actueel in het instabiele Midden-Oosten,
naar aanleiding van de kwestie Iran en in Oost-Azië, waar Noord-Korea heeft verklaard
over meerdere kernwapens te beschikken. Bij een groter aantal kernwapenstaten
neemt de kans op ongelukken en misverstanden toe. Verder zou hierdoor het aantal
mogelijke proliferatiecombinaties ook toenemen en daarmee de risico’s dat niet-statelij-
ke actoren, zoals terroristen, de hand op nucleair materiaal weten te leggen. Ten slotte
zou toename van het aantal kernwapenstaten er ook toe leiden dat de wereld zich
steeds verder verwijdert van één van de hoofddoelstellingen van het NPV, namelijk
nucleaire ontwapening.
Nucleair terrorisme
De Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie, de G8 en het HLP stellen
sinds 11 september 2001 allemaal dat een mogelijke combinatie van terrorisme en
massavernietigingswapens tot de grootste dreigingen van deze tijd hoort. Vooral van
het gebruik van een kernwapen gaat een grote dreiging uit vanwege de onvergelijkbaar
grote gevolgen die bovendien niet of nauwelijks kunnen worden bestreden. Vóór 2001
hadden terroristische groeperingen al aanslagen met massavernietigingswapens uitge-
voerd of pogingen daartoe gedaan. De bekendste is ongetwijfeld de aanslag met het
chemische middel Sarin in de metro van Tokio in 1995. Maar de dreiging daarvan was
nooit zozeer tot de voorgrond doorgedrongen.
Deze dreiging verschilt van de “klassieke” kernwapendreiging, omdat afschrikking niet
lijkt te werken tegen de netwerkachtige structuren van internationale en niet aan een
grondgebied gebonden terroristische organisaties, die aanslagen met catastrofale
gevolgen als belangrijk wapen gebruiken. Van Al-Qaeda is bekend dat het bezit van mas-
savernietigingswapens wordt nagestreefd om deze metterdaad te gebruiken. Intentie is
één van de twee aspecten van dreiging, de andere is capaciteit. Als de intentie dus
aanwezig mag worden verondersteld, rest de prangende vraag wat de potentiële nucle-
aire capaciteiten van het internationaal terrorisme zijn.
Betrouwbare – openbare – inlichtingen over de nucleaire capaciteiten van terreurorgani-
saties zijn schaars. Dat maakt het moeilijk zich hiervan een goed beeld te vormen. Het
wordt echter uitgesloten geacht dat een terroristische organisatie zelf in staat is om de
basiselementen voor een nucleair wapen, zoals hoogverrijkt uranium of plutonium, te
produceren. Maar ook als de benodigde grondstoffen langs illegale weg kunnen worden
verkregen, vereist dit een grote en goed georganiseerde infrastructuur, geen losse orga-
nisatie van afzonderlijke cellen die onderling niet of nauwelijks communiceren. Verder
zijn er grote investeringen mee gemoeid. Een dergelijk project loopt daardoor eerder
kans voortijdig door inlichtingendiensten te worden ontdekt. De meeste experts op het
gebied van nucleaire wapens betwijfelen of Al-Qaeda thans al over de noodzakelijke
kunde en middelen beschikt om zelf een nucleaire bom te maken.59
Vanuit terroristisch perspectief zou het te prefereren zijn om een inzetgereed kernwapen
te verwerven. Vooral Rusland lijkt in dit opzicht kwetsbaar. Het is dan ook van groot
59 Paul Wilkinson, International terrorism: the changing threat and the EU´s response, Chaillot Paper, No. 84,
    oktober 2005.
                                                       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>belang deze route af te snijden, bijvoorbeeld door het uitvoeren van het “Global
Partnership Against the Spread of Weapons and Materials of Mass Destruction” van de
G8. Voorkomen moet worden dat terroristen ooit over een kernwapen kunnen beschikken
of geloofwaardig die indruk kunnen wekken.
De constatering uit het AIVD-jaarverslag 2004, dat eigen onderzoek op het terrein van
de proliferatie van massavernietigingswapens vanwege capaciteitsproblemen beperkt is
gebleven, acht de AIV, gezien het dreigingsbeeld, dan ook niet aanvaardbaar.60 Het is
in dit opzicht een belangrijke verbetering dat de Minister-president, de minister van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Defensie in juli 2005 in
een convenant hebben vastgelegd dat de beide Nederlandse inlichtingendiensten AIVD
en MIVD op de onderzoeksterreinen proliferatie en terrorisme, waar beide diensten hun
eigen onderscheiden verantwoordelijkheid hebben, meer gaan samenwerken.61
De radiologische of vuile bom
Strikt genomen valt de radiologische of vuile bom buiten de vraagstelling van de rege-
ring, want er is daarbij geen sprake van nucleaire wapens of technologie. Een vuile bom
is een (simpel) conventioneel explosief waarop radiologisch materiaal is bevestigd. Dit
advies gaat er echter wel op in, omdat het psychologische effect op de samenleving in
voorkomend geval groot kan zijn.62 In publicaties wordt in aanvulling op de bekende
NBC (Nucleair, Biologisch, Chemisch) afkorting bijvoorbeeld ook wel gesproken over
NBCR-terrorisme waarbij de “R” voor “Radiologisch” staat.
Het feit dat radioactieve stoffen op zich alomtegenwoordig zijn in bijvoorbeeld onder-
zoekscentra, ziekenhuizen en industrie alsmede de eenvoud waarmee een vuile bom
kan worden gemaakt, suggereert volgens het HLP “een hoge mate van waarschijnlijk-
heid dat een dergelijk wapen metterdaad wordt gebruikt”.63 Het radioactieve materiaal
dat hiervoor nodig is, kan relatief eenvoudig op de zwarte markt worden verkregen.
Gezien eerdere pogingen om terroristische aanslagen met massavernietingswapens te
plegen en gezien de terroristische intenties, moet ervan worden uitgegaan dat terroris-
ten leren van eerdere pogingen en dat nieuwe pogingen steeds beter zullen zijn voorbe-
reid. Ten aanzien van radiologische aanslagen kunnen de volgende uitspraken worden
gedaan:
• het is waarschijnlijker dat terroristen een radiologische bom trachten te maken, dan
   een kernwapen, ook al zou het om een rudimentair kernwapen (“crude device”) gaan;
60 AIVD Jaarverslag 2004, d.d. 28 april 2005.
61 Kamerbrief van de Minister-president, minister van Algemene Zaken en van de minister van Binnenlandse
   Zaken en Koninkrijksrelaties en van de minister van Defensie d.d. 8 juli 2005 (Kamerstukken II 2004/05,
   30 070, nr. 6).
62 In plaats van mass-destruction spreekt men wel van mass-disruption. Zie voor een beschrijving van mogelij-
   ke gevolgen bijvoorbeeld Protecting Against the Spread of Nuclear, Biological, and Chemical Weapons. An
   Action Agenda for the Global Partnership, Center for Strategic and International Studies, Volume I: Agenda
   for Action, januari 2003.
63 Zie bijvoorbeeld ook Fareed Zakaria, The Future of Freedom. New York: W.W. Norton 2004, “The
   democratization of technology and information means that most anyone can get his hands on anything.
   […] These same open sources [internet and a good search engine] will, unfortunately, soon help someone
   build a dirty bomb”.
                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>• het is waarschijnlijker dat terroristen bij de inzet van een dergelijk wapen (maar ook
    van een kernwapen64) zullen kiezen voor simpele “overbrengingsmiddelen” die bin-
    nen hun bereik liggen zoals containers, (vracht-)auto´s, menselijke dragers e.d., dan
    voor het gebruik van specifiek aan militairen toegeschreven middelen zoals granaten
    en raketten;
• het is waarschijnlijk dat terroristen hun eventuele aanslagen zullen (blijven) richten op
    civiele en dus makkelijke doelen (“soft targets”) ook al valt in Irak een patroon te
    herkennen van aanslagen op bewaakte en/of beschermde doelen (“hard targets”).65
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten achten de waarschijnlijkheid van een NBCR-aan-
slag in Nederland laag, aldus de regering in december 2005.66 Maar ook al is de feite-
lijke waarschijnlijkheid wellicht gering, Nederland moet hiermee vanwege de aard en de
omvang van de te verwachte gevolgen toch ernstig rekening houden.
III.3      Versterking van het nucleaire non-proliferatieregime (regeringsvraag 2:
           Uit welke elementen zou een omvattende strategie tegen de verspreiding van
           nucleaire middelen volgens de Adviesraad moeten bestaan om effect te sorteren?)
Integrale benadering
Om effect te sorteren tegen de verspreiding van nucleaire middelen moet de strategie
inderdaad alomvattend ofwel integraal zijn. De kracht van het non-proliferatieregime
schuilt in de samenhang van de bestanddelen die los van elkaar proliferatie niet kun-
nen voorkomen. In dit advies over een strategie tegen de verspreiding van nucleaire
middelen sluit de AIV aan bij het non-proliferatiemodel dat het HLP in zijn rapport uit
2004 hanteert.67 Dit model onderscheidt vier niveaus: vraag, aanbod, handhaving en
verdediging.68 Een dergelijk model onderstreept het belang van een integrale aanpak
om (de gevolgen van) proliferatie succesvol te bestrijden en brengt tevens een ordening
aan tussen de uiteenlopende instrumenten. Deze paragraaf volgt verder de indeling:
vraag (III.3.1), aanbod (III.3.2), handhaving (III.3.3) en verdediging (III.3.4).
64 AIV, De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken: voors en tegens van bouwen aan
    onkwetsbaarheid, advies nummer 28, Den Haag, augustus 2002.
65 Een soft target is een niet beschermd dus makkelijk doelwit met een grote kans op burgerslachtoffers, zoals
    het openbaar vervoer, winkelcentra en uitgaansgelegenheden. Dit in tegenstelling tot hard targets zoals
    bewaakte personen, gebouwen of installaties, waar het risico op vroegtijdige ontdekking en mislukking veel
    groter is. De aanslagen in New York, Bali, Madrid en Londen waren gericht op soft targets.
66 Kamerbrief van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 5 december
    2005 (Kamerstukken II 2005/06, 29 754, nr. 60). Overigens hanteert deze Kamerbrief de schrijfwijze
    “CBRN-terrorisme”.
67 Het HLP stelde binnen dit kader ook maatregelen voor om proliferatie tegen te gaan. Om redenen zoals uit-
    eengezet in hoofdstuk II, is tijdens de VN-top in september 2005 met dit deel van het HLP-rapport uitein-
    delijk niets gedaan.
68 Het Carnegie Endowment for International Peace komt in een recente publicatie tot een soortgelijke inde-
    ling, namelijk vraag, aanbod en naleving. Zie G. Perkovich e.a., Universal Compliance: A Strategy for Nuclear
    Security, Washington D.C., maart 2005.
                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>III.3.1  Vermindering van de vraag naar nucleaire wapens
Het NPV en ontwapening
In het NPV hebben alle deelnemende landen, op de kernwapenstaten na, vastgelegd
het bezit van kernwapens niet (langer) na te streven in ruil voor de ontwapening van de
kernwapenstaten en het recht op toegang tot civiele nucleaire technologie. Zoals in
hoofdstuk II is uiteengezet, staat het normatieve karakter van het NPV thans echter
ernstig onder druk.
Om een geloofwaardig NPV te behouden zullen beide partijen, de have’s en de have
not’s, constructief en flexibel met de beschikbare instrumenten moeten omgaan, de
have’s met begrip voor de bezwaren en kritiek van de have not’s. De AIV is het eens
met het HLP en met de SGVN, Kofi Annan, die stellen dat hier een belangrijke rol is
weggelegd voor de kernwapenstaten, die immers over een unieke status en de daarbij
behorende verantwoordelijkheid beschikken. Sleutelstaat zijn zonder twijfel de Verenigde
Staten.
Onomkeerbare ontwapeningsstappen van de kernwapenstaten zijn een eerste vereiste
om de geloofwaardigheid van het non-proliferatiestreven te herstellen. De bilaterale ont-
wapeningsafspraken tussen de Verenigde Staten en Rusland, zoals uiteengezet in para-
graaf II.6.1, voldoen hier niet aan. De 1.700 tot 2.000 operationele kernwapens (nog
afgezien van de tactische kernwapens en de niet-operationele kernwapens die immers
niet meetellen) die in 2012 overgebleven zullen zijn, zijn nog steeds veel meer dan
voor afschrikking nodig is. Bovendien is voor de periode na 2012 niets geregeld. In
voorkomend geval kan het aantal strategische kernwapens weer snel worden uitge-
breid. Omdat beide staten over verreweg de grootste kernwapenarsenalen beschikken,
spelen ze een beslissende rol in de ontwapeningsbesprekingen. Zonder transparante
en ondubbelzinnige stappen van deze beide landen zullen de bilaterale afspraken ook
geen multilateraal vervolg krijgen. Zo vallen China, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk
tot nu toe buiten dit overleg. Ook dat zou moeten veranderen.
Washington erkent echter niet langer de koppeling tussen non-proliferatie en nucleaire
ontwapening die in het NPV ligt besloten. Het Amerikaanse beleid om elke verwijzing
naar eerder gemaakte ontwapeningsafspraken te blokkeren en tegelijkertijd onverkort
op non-proliferatie aan te dringen, kan niet anders worden verklaard. In 2002 stelde de
AIV al: “In dit licht [van de successen van het multilaterale non-proliferatieregime] is de
in de Verenigde Staten aanwezige tendens om verdragen en internationale afspraken
op het vlak van wapenbeheersing af te wijzen die op korte termijn onwelgevallig zijn,
reden tot grote zorg”.69 Dit oordeel is in de tussentijd niet gewijzigd, integendeel.
De AIV adviseert om bij alle geschikte gelegenheden, in alle relevante fora en met
zoveel mogelijk medestanders, de boodschap aan de Verenigde Staten over te brengen
dat een multilaterale aanpak de kern moet blijven vormen van de strategie om succes
te boeken bij het bestrijden van proliferatie. Hoeksteen hiervan is een sterk NPV, maar
voor de geloofwaardigheid van dit Verdrag moeten de Verenigde Staten en Rusland wel
substantiële ontwapeningsinspanningen leveren. Een dergelijk pleidooi hoeft niet tever-
geefs te zijn. In Washington zijn immers meer partijen en groepen actief dan thans in de
69 AIV, De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken: voors en tegens van bouwen aan
    onkwetsbaarheid, advies nummer 28, Den Haag, augustus 2002.
                                                   27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>regering zijn vertegenwoordigd. Het kan zeker niet worden uitgesloten dat een nieuwe
Amerikaanse regering, Republikeins of Democratisch, ten aanzien van non-proliferatie
weer een meer multilateraal gezinde koers gaat varen.
Hoewel het doel van volledige ontwapening waarschijnlijk een illusie is, behoort een dui-
delijke, onomkeerbare verkleining van de bestaande arsenalen zeker tot de mogelijkhe-
den. Ook de EU-lidstaten Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zouden hierop indringend
door Nederland, zo mogelijk samen met gelijkgezinde landen, moeten worden aange-
sproken. Van hen zijn echter pas echte stappen te verwachten als de grote twee, de
Verenigde Staten en Rusland, met een significante reductie het goede voorbeeld hebben
gegeven. Ook op het gebied van de vermindering van de paraatheid van kernwapens
(“hair trigger alert”) zouden deze beide landen het voortouw moeten nemen door hier-
over aanvullende bilaterale en controleerbare afspraken te maken, bijvoorbeeld door de
kernkoppen en de inzetmiddelen fysiek te scheiden. Dit zou de kans op ongelukken en
misverstanden verkleinen.
Voor de drie niet-NPV kernwapenstaten India, Pakistan en Israël geldt dat de relevantie
van het tot nu toe geldend beleid, om bij deze landen op ontwapening aan te dringen
waarna ze als niet-kernwapenstaat tot het NPV zouden kunnen toetreden, onder druk
staat als gevolg van het Amerikaanse aanbod aan India om op nucleair gebied samen
te werken. Zie voor een nadere uitwerking van het geval India paragraaf III.3.2.
Prioriteit geven aan het CTBT
Het CTBT vormt eveneens een belangrijk onderdeel van de multilaterale verdragsstruc-
tuur. Geconstateerd wordt dat er van het CTBT, hoewel nog niet officieel in werking, al
wel een belangrijke internationale norm uitgaat. Voordat het Verdrag van kracht wordt,
moeten echter eerst nog elf staten dit Verdrag ratificeren, waaronder de Verenigde
Staten. President Clinton heeft in 1999 geprobeerd het Verdrag te laten ratificeren,
maar kreeg hiervoor in de Senaat niet de vereiste meerderheid. President Bush, die
tegen dit Verdrag is, heeft hiertoe nooit een poging gedaan.
Net als voor het NPV geldt voor het CTBT, dat de Nederlandse regering bij alle partijen
en groeperingen in Washington de boodschap moet blijven overbrengen dat het CTBT
een zeer belangrijk onderdeel van het non-proliferatieregime vormt. Van de 191 VN-lid-
staten hebben al 176 het Verdrag getekend. Als de Verenigde Staten eenmaal hebben
geratificeerd, moeten zij vervolgens in staat worden geacht om de laatste nog dwarslig-
gende landen naar de onderhandelingstafel te brengen.
Wat het FMCT betreft geldt dat de toekomst er minder hoopvol uitziet. Sinds 1993 is er
op dit vlak niets gebeurd, behalve dan dat een aantal staten een, niet-verifieerbaar,
moratorium op de productie van splijtstoffen heeft afgekondigd. Hoewel het belang van
het FMCT op zich onverminderd is, lijkt het raadzaam om de diplomatieke energie eerst
en vooral op het CTBT te richten.
Iran
Zoals in het vorige hoofdstuk is beschreven, dreigt er een patstelling te ontstaan tus-
sen de westerse landen en Iran over het omstreden recht van Iran om een eigen verrij-
kingscapaciteit op te bouwen. Het Westen is bang dat Iran deze mogelijkheid zal aan-
grijpen om een eigen kernbom te ontwikkelen. Bij deze beoordeling weegt zwaar mee
dat Iran Israël nooit als staat heeft erkend. Zo haalde de pas gekozen Iraanse presi-
dent Ahmadinejad zich eind 2005 de woede van de westerse wereld op de hals door in
                                             28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>korte tijd achter elkaar te verklaren dat Israël van de kaart moet worden geveegd en
dat de Holocaust een verzinsel is. Daarbij komt dat Iran staatssponsor van regionale
terroristische organisaties is.
Er kan niet worden uitgesloten dat Iran binnen of buiten het kader van het NPV toch
zelf nucleair materiaal gaat verrijken. In ieder geval is de aankondiging van Iran op 10
januari 2006, om zijn onderzoeksactiviteiten naar uraniumverrijking in Natanz te zullen
hervatten, in dit opzicht geen goed teken. Als Iran metterdaad uranium zou gaan verrij-
ken zijn de gevolgen moeilijk voorspelbaar maar lopen uiteen van: aanvaarding als
internationaal “fait accompli”; Verwijzing naar de VN-Veiligheidsraad tot; Preventieve
bombardementen door wie dan ook.
Door de ferme uitspraken van de E3/EU – met steun van de Verenigde Staten – van
12 januari 2006 om Iran wegens “Natanz” voor de Veiligheidsraad te brengen is deze
mogelijkheid ontegenzeggelijk dichterbij gekomen. Toch zou dit slechts een eerste stap
zijn. Een algemene verklaring van de Veiligheidsraad dat Iran in het verleden de IAEA-
Waarborgovereenkomst heeft geschonden, overeenkomstig de eerdere IAEA-resolutie
van 24 september 2005, lijkt zeker haalbaar. Maar van een verdergaande veroordeling
door de VR is dat nog geenszins het geval. En van mogelijke economische sancties
mag helemaal niet teveel worden verwacht. Daarvoor lopen de geopolitieke belangen
van de diverse landen te zeer uiteen, vooral op het gebied van energiepolitiek.70 De
enorme olie- en gasreserves bemoeilijken de vorming van consensus over harde, duide-
lijke maatregelen. Nadat Rusland op nieuwjaarsdag 2006 de gaskraan naar de Oekraïne
dichtdraaide, leeft ook in Europa het besef dat Iran over de op een na grootste gas-
reserve ter wereld beschikt. “Will the Europeans, America, Russia and others call Iran
to account, or will they have their own bluff called instead”, zo karakteriseerde The
Economist die week het voornemen om Iran voor de Veiligheidsraad te brengen.71
De optie van preventieve bombardementen zou zeer ongewenst zijn, omdat zij tot nieuwe,
onoverzienbare politieke gevolgen zou leiden. Bovendien is de mogelijkheid niet uit te
sluiten dat een militaire ingreep niet effectief (genoeg) zou zijn en dat Iran de verrijking
daarna weer zou hervatten, en wat dan?72 Een landoorlog is ook gezien de situatie in
Irak, nauwelijks een reële optie.
70 Over de energiepolitiek van Nederland heeft de AIV samen met de Energieraad in december 2005 een
    advies vastgesteld. De belangrijkste aanbeveling daaruit luidt dat de bevordering van energievoorzieningsze-
    kerheid een aparte, nieuwe hoofddoelstelling van het Nederlands buitenlands beleid dient te zijn. Algemene
    Energieraad en AIV, Energiek buitenlands beleid: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    advies 46, december 2005, <www.aiv-advies.nl>.
71 When the soft talk has to stop, The Economist, 14 januari 2006.
72 Zie voor de (militaire) beperkingen van een preventieve aanval op Iraanse nucleaire installaties bijvoorbeeld
    Henry Sokolski & Patrick Clawson (ed.), Getting Ready for a Nuclear-Ready Iran, oktober 2005, te raadple-
    gen op <http://www.strategicstudiesinstitute.army.mil>. Deel III van deze publicatie, getiteld Is There a
    Simple Military or Sanctions Fix? gaat in hoofdstuk 6, Is the Begin Doctrine Still a Viable Option for Israel?
    door Shlomo Brom (een Israëlische generaal b.d.) en in hoofdstuk 7, Strategy for a Nuclear Iran, door
    Thomas Donnelly (fellow van de (neo)conservatieve denktank American Enterprise Institute, AEI) nader in op
    deze mogelijkheid. Volgens deze laatste twee auteurs is een eventuele aanval op de nucleaire faciliteiten
    van Iran onvergelijkbaar met de eerdere Israëlische preventieve aanval op de Iraakse kerncentrale in Osirak
    in 1981.
                                                       29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Het Nederlandse beleid kan er dan ook slechts op gericht blijven om in breder interna-
tionaal verband langs diplomatieke weg oplossingen te vinden voor de tegenstellingen
tussen het Westen en Iran. Hoe dit traject er precies zal uitzien, sinds de E3/EU op 12
januari 2006 verklaarden dat “hun” onderhandelingen met Iran “op een dood spoor zijn
beland”, moet worden afgewacht. Waarschijnlijk zullen de diplomatieke inspanningen
voorlopig met horten en stoten doorgaan, waarbij tekenen van interne verdeeldheid bin-
nen het Iraanse leiderschap de aandacht verdienen. Van mogelijk belang daarbij is dat
het Russische voorstel uit november 2005, om uraniumverrijking in Rusland te laten
plaatsvinden, nog steeds niet definitief van tafel lijkt, hoewel het al verschillende malen
door Iran is verworpen.73 Met dit voorstel heeft Rusland zich aangesloten bij eerdere
voorstellen van de E3/EU met steun van de Verenigde Staten, om Iran een vorm van de
eerder besproken multilaterale nucleaire aanpak aan te bieden. ElBaradei heeft in 2005
bij herhaling op de mogelijkheden van MNA’s gewezen, niet alleen tijdens zijn Nobel-
lezing maar bijvoorbeeld ook tijdens de mislukte NPV-toetsingsconferentie 2005.74
Een verdergaand voorstel is bijvoorbeeld afkomstig van Bennet Ramberg, een deskundi-
ge die tijdens de regering van de vorige president Bush op het Amerikaanse ministerie
van Buitenlandse Zaken werkte. Hij stelt voor om Iran een “proeftijd” te gunnen, waarbij
Iran wel een verrijkingscapaciteit mag ontwikkelen, maar alleen onder strenge en strikt
beperkende voorwaarden, zoals permanent toezicht ter plaatse. Als Iran zich daaraan
niet zou houden, moet dit tot onmiddellijke en duidelijke maatregelen leiden.75 Met dit
voorstel komt Ramberg tegemoet aan het gegeven dat Iran vastbesloten lijkt om een
eigen verrijkingscapaciteit te verwerven. Hij hoopt zo te voorkomen dat Iran daarbij zijn
eigen weg gaat en het NPV buitenspel zet.
Wellicht zijn er nog andere mogelijkheden, maar wat deze ideeën gemeen hebben is het
zoeken naar een diplomatieke uitweg. Alle inspanningen moeten volgens de AIV daarop
gericht blijven. Daartoe is zoveel mogelijk gezamenlijke internationale druk op het
onvoorspelbare regime in Iran nodig.
Mocht dat slagen, dan zal dat mede van invloed zijn op de casus Noord-Korea. Hoewel de
EU zelf niet rechtstreeks aan de zes-landenbesprekingen76 deelneemt, wordt opgemerkt
dat de EU het beleid van de regering Clinton tien jaar geleden financieel steunde.77 Dat
zou, indien dat een oplossing dichterbij zou brengen, opnieuw door de EU moeten
worden overwogen. Nederland zou dat moeten bevorderen.
73 Voorstellen hiertoe werden voor het eerst gedaan tijdens een bezoek van de voorzitter van de Russische veilig-
    heidsraad Ivanov aan Teheran begin november 2005. Hij zou hebben voorgesteld om een Russisch-Iraanse
    joint-venture op het gebied van uraniumverrijking op te richten waarbij de feitelijke verrijking in Rusland zou
    plaatsvinden.
74 Mohamed ElBaradei, Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons, New York, 2 mei 2005, te raad-
    plegen op <http://www.iaea.org>.
75 Bennett Ramberg, ‘Put the mullahs on probation’, International Herald tribune, 4 november 2005.
76 Deze zes landen zijn: China, Japan, Noord-Korea, Zuid-Korea, Rusland en de Verenigde Staten.
77 Volgens de afspraken uit de jaren negentig betaalde de EU mee aan de bouw van een lichtwaterreactor in
    Noord-Korea (Korean Peninsula Energy Development Organization ofwel KEDO). Eind 2005 is besloten het
    KEDO-programma definitief te beëindigen, nadat de betalingen al waren bevroren sinds het moment dat
    Noord-Korea in 2003 uit het NPV stapte.
                                                        30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Kernwapenvrije zones in zowel het Midden-Oosten als de Golf-regio
Het verdient voorts aanbeveling om bestaande initiatieven tot het creëren van kern-
wapenvrije zones in zowel het Midden-Oosten als de Golf-regio te ondersteunen. Grote
delen van de wereld worden immers al bestreken door kernwapenvrije zones.78 Arabi-
sche landen dringen aan op een kernwapenvrij Midden-Oosten waarvan (uiteindelijk)
uiteraard ook Israël deel zou moeten uitmaken. Het feit dat NPV-lid Iran onder grote
internationale druk staat, terwijl niet-NPV-lid en kernwapenstaat Israël met rust wordt
gelaten, versterkt de mening dat het Westen met twee maten meet. Dit komt de geloof-
waardigheid van het NPV niet ten goede. Te denken valt bijvoorbeeld aan het stimuleren
van “second track diplomacy”, die voorbereidend werk kan verrichten om daarmee de
mogelijkheid van een politieke doorbraak open te houden.79
Waar een kernwapenvrij Midden-Oosten slechts in de verre toekomst een mogelijkheid
is, lijken de initiatieven tot een Golf-regio die vrij van massavernietigingswapens (WMD)
is, meer kans van slagen te hebben. Een dergelijk initiatief wordt door diverse Golfsta-
ten ondersteund.80 Aangezien ook Iran en Irak deel van zo'n WMD-vrije Golf zouden uit-
maken – terwijl Israël daar niet bij is betrokken – wordt dit initiatief gezien als een
mogelijke voorloper van een kernwapenvrij Midden-Oosten. Dit alles is natuurlijk nog
theorie. Het is echter belangrijk om te onderkennen dat niet alleen het Westen zich zor-
gen maakt over verdere proliferatie, maar dat de buurlanden van mogelijke drempellan-
den zich tevens bedreigd voelen.
Meer in zijn algemeenheid wijst de AIV erop dat het bij het verminderen van de vraag
naar kernwapens op de achtergrond ook steeds gaat om het mitigeren en voorkomen
van (regionale) spanningen. Zo moet de aandacht voor de door Iran gekozen weg niet
het zicht ontnemen op reële spanningen in de regio die politieke en diplomatieke aan-
dacht vragen. Het ondersteunen van serieuze regionale initiatieven is in dit verband des
te belangrijker omdat het de indruk van westerse druk en betutteling wegneemt.
III.3.2    Vermindering van het aanbod van nucleaire wapens
Multilateral Nuclear Approaches
Westerse staten zouden over het algemeen graag zien dat landen die een eigen civiele
nucleaire industrie opbouwen afzien van een eigen verrijkingscapaciteit en gebruik gaan
maken van MNA’s. Dit is een logische gedachte om het risico op “break-out”-scenario’s
te verkleinen. Mede door de verwikkelingen rond Iran zijn de mogelijkheden van MNA’s
in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Maar terwijl de voordelen op
papier onmiskenbaar lijken, is de praktijk weerbarstig. Zo kwam de EU bij de formulering
van haar gezamenlijke standpunt voor de NPV-toetsingsconferentie 2005 bijvoorbeeld
78 Waaronder Latijns-Amerika (het Verdrag van Tlatelolco – 1967); het zuidelijke deel van de Stille Oceaan
    (Verdrag van Rarotonga – 1985); Zuidoost Azië (Verdrag van Bangkok – 1995); en Afrika (Verdrag van
    Pelindaba – 1996, hetgeen nog niet door alle deelnemende landen is geratificeerd).
79 Bijvoorbeeld via seminars waar academici en overheidsvertegenwoordigers praten over politieke problemen,
    oplossingen aandragen etc., die dan de basis kunnen vormen voor een meer officieel beleidsproces en
    onderhandelingen. Dit informeel aftasten, zonder media, is voor het idee van een kernwapenvrije zone erg
    belangrijk.
80 Zie ‘Gulf leader urges Iran to make region nuclear free’, Agence France-Press, 18 december 2005. Desbe-
    treffende leider is Secretaris-generaal van de Gulf Cooperation Council en sprak bij deze gelegenheid op
    persoonlijke titel.
                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>niet verder dan de volgende zinsnede: “noting the report of the IAEA’s expert group on
multinational approaches to the nuclear fuel cycle and promoting an early start to its
scrutiny by the IAEA” (zie bijlage VII).
De AIV beveelt dan ook aan dat Nederland zich in de EU inspant voor multilaterale
oplossingen voor de proliferatiegevoelige delen van de nucleaire brandstofcyclus.
Maar staten moeten ook zeker weten dat zij er beter van worden als zij afzien van een
eigen verrijkingscapaciteit. Het belang van stimulerende en/of vertrouwenwekkende
maatregelen in dezen mag niet worden onderschat; dreigen met sancties volstaat niet.
Dit is in lijn met (tot dusver weliswaar mislukte) pogingen van de internationale gemeen-
schap om Iran en Noord-Korea te laten afzien van hun nucleaire wapenprogramma’s in
ruil voor economische voordelen en veiligheidsgaranties.81
Brokering
Onder het aanbod van nucleaire wapens wordt ook begrepen het aanbod van nucleaire
kennis en technologie. Exportcontroles op deze gebieden worden in toenemende mate
ontdoken, onder andere door niet-statelijke tussenpersonen.82 De vraag is of bestaan-
de multilaterale instellingen in staat zijn om deze nieuwe uitdaging te lijf te gaan. In dit
kader vraagt dit advies nadrukkelijk de aandacht voor de rol van brokering van prolifera-
tiegevoelige goederen. Nederland is als doorvoerland, ook op het gebied van prolifera-
tie, kwetsbaar gebleken voor dit verschijnsel. Binnen de EU wordt al over dit onderwerp
gesproken.
De AIV adviseert de Nederlandse regering het fenomeen brokering actief te bestrijden
en ook binnen de EU maatregelen voor te stellen die dit tegengaan. Daarbij kan ook
naar de mogelijkheden en beperkingen van VNVR-resolutie 1540 worden gekeken. Dit is
een nieuw instrument waarvan de reikwijdte nog niet geheel duidelijk is. Dat de vijftien
leden van de VN-Veiligheidsraad zich in dezen als internationale wetgever hebben opge-
steld, is een controversieel punt. Veel NAM-landen zetten daarom vraagtekens bij reso-
lutie 1540; zij rapporteren wel, maar niet van harte.
De AIV vraagt zich daarbij af, of de verantwoordelijkheidsverdeling in Nederland ten aan-
zien van de exportcontroleregimes, bijvoorbeeld voor brokering, wel duidelijk genoeg is
geregeld. Volgens een recente takenanalyse van Economische Zaken onder leiding van
prof. mr. Scheltema die de regering op 20 september 2005 naar de Kamer heeft gezon-
den, is er op dit vlak namelijk een scheve verhouding in de verantwoordelijkheidsverde-
ling tussen de direct betrokken ministeries ontstaan. Gesteld wordt dat “Buitenlandse
Zaken bepaalt, Economische Zaken verantwoordelijk is en dat de douane uitvoert”. De
takenanalyse adviseert dan ook om één aanspreekpunt voor het gehele beleid voor
exportcontroleregimes in te stellen. Doordat de besluitvorming en verantwoordelijkheid
(politiek en in rechte) dan in één hand komen zou tevens de bestuurlijke zuiverheid
worden bevorderd, aldus deze analyse.83 De regering heeft tot op heden nog niet op
deze aanbeveling gereageerd.
81 Zie het aanbod van de E3/EU aan Iran van 5 augustus 2005, INFCIRC/651, te raadplegen op
    <http://www.iaea.com>. Zie ook de analyse ‘European Union: Arms policy prefers carrot to stick’, Oxford
    Analytica, 23 november 2005.
82 AIV Jaarverslag 2003, 5 maart 2004.
                                                   32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Gezien het belang van de goede werking van de exportcontroles, adviseert de AIV de
regering om op korte termijn met een standpunt te komen over de aanbeveling van de
commissie-Scheltema om één aanspreekpunt voor het gehele Nederlandse beleid voor
exportcontroleregimes in te stellen.
Proliferation Security Initiative
Het PSI kan een nuttige aanvulling zijn op de bestaande multilaterale kaders om de
exportcontroles te versterken. Het feit dat er zo weinig over de intercepties bekend is,
bemoeilijkt een oordeel hierover. Als één van de zeventien kernlanden investeert
Nederland in dit initiatief, onder andere door het deelnemen aan en het organiseren
van PSI-oefeningen. Maar hoe zinvol of hoe effectief is dit instrument eigenlijk? De AIV
merkt op dat de grens van het PSI in zicht komt als daardoor andere verdragen en inter-
nationale afspraken in de knel komen.
De AIV beveelt aan om de handelwijze ten aanzien van PSI zoveel mogelijk in EU-ver-
band te coördineren en tot een gemeenschappelijke evaluatie van dit initiatief te
komen.
India en de Nuclear Suppliers Group
Het voornemen van de Amerikaanse regering om India te helpen bij de opbouw van zijn
civiele nucleaire industrie, druist in tegen het bestaande non-proliferatieregime. Ook de
Nuclear Suppliers Group werd hierdoor volkomen verrast. De NSG is hierbij verdeeld
tussen de voorstanders (o.a. Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Rusland en
Frankrijk) van zo’n overeenkomst met India en de landen die daar kritisch tegenover
staan (o.a. Duitsland en Nederland). Terwijl de Amerikaanse onderminister voor politieke
zaken, Nicholas Burns, nog met India onderhandelt over de definitieve afspraken, zijn
de hoorzittingen in de Senaat hierover al begonnen. Naar verwachting zal de Senaat
hierover in 2006 een besluit nemen.
Nederland dient zich als lid van de NSG ook te mengen in de formulering van de voor-
waarden die aan India worden gesteld en met gelijkgezinde landen maximale conformi-
teit met het non-proliferatieregime te verlangen. Tot de voorwaarden die aan India moe-
ten worden gesteld, behoren:
1. het scheiden van civiele en militaire nucleaire installaties en programma’s en daar-
    van opgave doen bij het IAEA;
2. het onder IAEA-Safeguards plaatsen van de civiele installaties;
3. tekenen en ratificeren van het Additioneel Protocol;
4. tekenen en ratificeren van het CTBT;
5. de instelling van een moratorium op de opwerking van hoogverrijkt, wapengeschikt
    uranium, in de geest van het op te stellen FMCT, en;
6. samenwerking mag op geen enkele wijze het kernwapenprogramma van India
    bevorderen.
83 Zie het advies van de visitatiecommissie-Scheltema dat als bijlage is gevoegd bij de eindrapportage van de
    takenanalyse van het ministerie van Economische Zaken in het kader van het Programma Andere Overheid
    die door de minister van Economische Zaken naar de Kamer is gezonden, d.d. 20 september 2005
    (Kamerstukken II 2005/06, 29 362, nr. 55).
                                                    33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>De AIV merkt op dat naleving van de eerste drie voorwaarden in feite zou inhouden dat
India zich aan het NPV onderwerpt als ware het een erkende kernwapenstaat. Maar dat
is ook precies de reden dat lang niet iedereen in India gelukkig is met deze deal. Hoe-
wel dit ongetwijfeld van invloed is op de lopende besprekingen tussen New Delhi en
Washington, geldt toch dat hoe strenger de voorwaarden zijn die aan India worden
gesteld, hoe kleiner de kans is dat er een precedentwerking van uitgaat, die tot een
negatieve spiraal leidt. Zo zou de schade nog kunnen worden beperkt.
III.3.3   Versterking van de handhavingscapaciteit
Het derde niveau in een integrale aanpak betreft de versterking van de handhavings-capa-
citeit van het non-proliferatieregime. In de eerste plaats kan hierbij worden gedacht aan
de bereidheid en de mogelijkheden van de VNVR, de eerstverantwoordelijke voor de hand-
having van de internationale vrede en veiligheid, om zijn bevoegdheden te gebruiken en
naleving van de IAEA-Safeguards af te dwingen. Maar geconstateerd wordt dat de VNVR
daarin niet slaagt. Een recent voorbeeld daarvan is de eerder aangehaalde VN-top uit
september 2005, die ten aanzien van non-proliferatie en ontwapening is mislukt mede
door de verdeeldheid van de Veiligheidsraad op dit punt. In een eerder advies uit mei
2005 concludeerde de AIV al dat de VN drastisch moeten hervormen om effectief en
daadkrachtig te reageren op bedreigingen van deze tijd, omdat zij anders hun geloofwaar-
digheid verliezen.84 Onder verwijzing daarnaar gaat dit advies hier verder niet op in.
Tijdige en betrouwbare inlichtingen
Op deze plaats richt dit advies zich op de grote behoefte aan tijdige en betrouwbare
inlichtingen op alle niveaus ter versterking van de handhavingscapaciteit. Zo heeft het
IAEA behoefte aan informatie voor de controle op de naleving van het NPV en de
Safeguards en de CTBT-organisatie voor haar wereldwijde waarschuwingssysteem. Maar
ook de strijd tegen het internationaal terrorisme staat of valt met goede inlichtingen. Bij
dat laatste aspect lijkt echter een paradox te bestaan: want waar eerder in dit advies is
vastgesteld dat voor een succesvolle non-proliferatiestrategie een multilaterale aanpak
noodzakelijk is, blijkt dat inlichtingenverzameling in de kern een aangelegenheid van de
nationale inlichtingendiensten is, en ook blijft. Dit laatste is een hardnekkig verschijn-
sel, waaraan politieke toezeggingen om hierin verbetering aan te brengen, vooralsnog
weinig lijken te kunnen veranderen.
De versterking van de Europese inlichtingencapaciteit en samenwerking tussen opspo-
ringsinstanties is één van de strategische doelen uit het EU-actieplan tegen terrorisme,
dat in maart 2004 na de terroristische aanslagen in Madrid is vastgesteld.85 Thans,
na de aanslagen in Londen in juli 2005, moet echter worden geconstateerd dat dit
Europese actieplan nog steeds niet volledig is uitgevoerd.86 Over terrorismebestrijding
84 AIV, De Hervorming van de Verenigde Naties, het rapport Annan nader beschouwd, advies 41, Den Haag,
     mei 2005.
85 Raad van de Europese Unie, Declaration on Combating Terrorism, Annex I: European Union Strategic
     Objectives to Combat Terrorism, Brussel, 25 Maart 2004.
86 Paul Wilkinson, International terrorism, the changing threat and the EU’s response, Chaillot Paper, No. 84,
     oktober 2005. Illustratief is het commentaar in de media na de aanslagen in Londen, dat de EU geen
     nieuwe anti-terreurmaatregelen moet bedenken, maar eerst de bestaande maatregelen maar eens moet
     gaan uitvoeren. Zie bijvoorbeeld Mark Kranenburg, ‘EU werkt samen tegen terreur, zeker op papier’,
     NRC-Handelsblad, 12 juli 2005.
                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>in Europees en internationaal perspectief is thans een AIV-advies in voorbereiding dat
in de loop van 2006 zal worden voltooid.87
Vooruitlopend op het verschijnen daarvan, adviseert de AIV alvast om er bij alle EU-lid-
staten op aan te dringen hun toezeggingen in het kader van het actieplan snel gestand
te doen. Een maatregel die nog niet volledig is geïmplementeerd, is bijvoorbeeld het
voorstel om verdachte banktransacties “real time” te monitoren. Stuart Levey,
Amerikaans onderminister voor terrorisme en financiële inlichtingen, herinnert in een
recent artikel nog eens aan het belang van dergelijke maatregelen: “Indeed, the very
prospect of such targeted sanctions [financially isolate proliferators of WMD] can serve
as strong deterrent to dangerous activity”.88
Een andere maatregel waaraan kan worden gedacht, en die eerder al door Solana is
voorgesteld, is om voortbouwend op de bestaande inlichtingensamenwerking in het EU
Joint Situation Centre (SITCEN), de hoofden van de inlichtingendiensten van de 25
EU-lidstaten regelmatig officieel bijeen te laten komen in het kader van de bestaande
EU contra-terreurgroep (CTG). Het werk van de CTG zou voor de inlichtingendiensten een
stimulans kunnen zijn om nauwer samen te werken op het gebied van geanalyseerde
inlichtingen (dus niet op het gebied van ruwe brondata, wat het domein blijft van de
nationale diensten). Dit moet ertoe leiden dat het EU SITCEN inlichtingenanalyses pro-
duceert, die de EU beleidsprocessen ondersteunen.89
Wat de samenwerking tussen de Nederlandse inlichtingendiensten betreft, adviseert de
AIV om (non-)proliferatie van massavernietigingswapens en hun verspreidingsmiddelen
gezien de dreiging als een strategisch aandachtsgebied te blijven beschouwen en daar-
aan voldoende capaciteit toe te wijzen. Speciale aandacht moet daarbij uitgaan naar
informatie uit menselijke bronnen (“human intelligence” ofwel humint) en naar voldoende
vertaalcapaciteit.
III.3.4   Verdediging tegen de gevolgen van NBCR-aanslagen
In een integrale aanpak voor de bestrijding van proliferatie past ook de verdediging tegen
de gevolgen van een eventuele NBCR-aanslag. Want een goed voorbereide maatschappij
is beter in staat om de slechtst denkbare scenario’s van de gevolgen van een terroristi-
sche aanslag het hoofd te bieden. Op dit punt is zeker verbetering mogelijk en ook nood-
zakelijk, zo stelt de commissie-Brinkman in haar rapport uit september 2005.90
In dit opzicht kunnen de afspraken in de Kamerbrief van de ministers van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie van 22 april 2005 over de bijdrage van
87 Zie de Adviesaanvraag van de regering aan de AIV over Terrorismebestrijding in Europa en internationaal
    perspectief, verzonden door de minister van Buitenlandse Zaken op 15 juli 2005, te raadplegen op
    <http://www.aiv-advies.nl>.
88 Stuart Levey, ‘Where it Hurts. Starve WMD Proliferators of Financing’, International Herald Tribune,
    24 november 2005.
89 Javier Solana tijdens de presentatie van zijn rapport over terrorisme- en inlichtingensamenwerking,
    8 juni 2004.
90 Veiligheid: Meer samenhang en slagkracht, betere informatie, minder beleidsdrukte. Tussenrapportage van
    de gemengde commissie veiligheid en rechtsorde, Den Haag, 6 september 2005.
                                                       35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Defensie aan nationale veiligheid als een eerste stap worden beschouwd, maar deze
gaan naar mening van de AIV nog niet ver genoeg.91 Beide ministeries overleggen
thans over een nadere invulling van de afspraken uit hun brief van april 2005. Daarbij
verschuift de rol van Defensie van meer algemene bijstand (vangnetconstructie) naar
ondersteuning met specialistische capaciteiten waarover de civiele instanties niet, of
niet in voldoende mate, beschikken. Zo zou Defensie een grotere rol bij de bestrijding
van de gevolgen van NBC-besmettingen gaan spelen door de NBC-bestrijdingscapaciteit
te vergroten en de reactietijden te verkleinen.
De AIV onderschrijft het belang van deze maatregelen en adviseert om, gezien het
dreigingsbeeld, de snelle verwezenlijking hiervan met kracht ter hand te nemen.
De AIV beveelt verder aan dat alle betrokken instanties (politie, brandweer, geneeskundige
diensten, krijgsmacht) regelmatig gezamenlijk oefenen op het vlak van bescherming
tegen de gevolgen van NBC-wapens, zodat de samenwerking wordt gegarandeerd en
daarmee niet te wachten tot alle intensiveringsmaatregelen hun beslag hebben gekregen.
III.4     Beleidsimplicaties voor de EU en voor de Navo (regeringsvraag 3: Welke
          gevolgen vloeien volgens de Adviesraad uit de verspreiding van nucleaire midde-
          len voort voor het huidige Nederlandse veiligheidsbeleid en dat van de Navo
          en de EU?)
De gevolgen van de verspreiding van nucleaire middelen voor het Nederlandse veilig-
heidsbeleid zijn hierboven al aan de orde gesteld, in paragraaf III.3. Deze paragraaf con-
centreert zich op het veiligheidsbeleid van de EU en van de Navo.
Uit slotverklaringen van topontmoetingen tussen regeringsleiders en uit dreigingsanaly-
ses van de EU, de Navo en het HLP kan worden opgemaakt dat het tegengaan van
nucleaire proliferatie één van de topprioriteiten van internationaal beleid is. Maar, zoals
de SGVN recent treffend constateerde, “[…] on the security side, despite a heightened
sense of threat among many we lack even a basic consensus and implementation,
where it occurs, is all too often contested”.92
Proliferatie van massavernietigingswapens is typisch een onderwerp dat alleen in multi-
lateraal verband goed kan worden bestreden. Voor een klein land als Nederland is dit
nog eens extra van belang. Nederland moet zich dan ook in internationale fora sterk
blijven maken voor een multilaterale aanpak van het proliferatieprobleem; ons land
heeft geen alternatief voor het opereren binnen de EU, de Navo en de VN om internatio-
nale uitdagingen het hoofd te bieden.93
91 Kamerbrief van 22 april 2005 van de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van
    Defensie, ‘Defensie en nationale veiligheid’ (Kamerstukken II 2005/06, 29 800 X, nr. 84).
92 Zie Kofi Annan, Note of the Secretary-General transmitting the report of the High-level Panel on threats,
    challenges and change, New York, 2 december 2004 (UN Doc. A/59/565).
93 Zie ook AIV, Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, advies nummer 45, juli 2005.
                                                      36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>III.4.1    De rol van de Europese Unie
De EU heeft in Thessaloniki in december 2003 een Strategie tegen de proliferatie van
massavernietigingswapens vastgesteld. De EU stelt daarin dat een effectieve multilate-
rale aanpak de beste manier is om non-proliferatie te bewerkstelligen.94 Het secretariaat
van de Europese Raad verzendt elk half jaar een voortgangsrapportage aan de EU-lid-
staten over de uitvoering van de deze non-proliferatiestrategie.95
De AIV beveelt de regering aan dit halfjaarlijkse EU-rapport over non-proliferatie voortaan
naar het Nederlandse parlement te sturen.
De AIV adviseert vervolgens de Tweede Kamer om, bijvoorbeeld mede aan de hand van
desbetreffende EU-rapportages, regelmatig met de regering over haar (nucleaire) non-
proliferatiebeleid van gedachten te wisselen.
De EU steunt onder meer de snelle inwerkingtreding van het CTBT, het Additioneel
Protocol van de IAEA en het PSI. Deze initiatieven zijn ook opgenomen in het eerder al
gememoreerde gemeenschappelijke standpunt dat de EU-landen op 25 april 2005 voor-
afgaand aan de NPV-toetsingsconferentie 2005 hadden opgesteld (zie bijlage VII). Dit
document stelt de EU in staat om met één stem te spreken en zich als eenheid te pro-
fileren, ook ten opzichte van de Verenigde Staten.
De AIV beveelt dan ook aan te bevorderen dat de EU bij de Verenigde Staten vaker en
duidelijker aandacht vraagt voor haar non-proliferatiestandpunten, zoals snelle ratificatie
van het CTBT. Stilte is een verkeerd signaal.
De kracht van de EU, namelijk de multinationale aanpak, stelt de Unie verder in staat
als intermediair op te treden tussen de Verenigde Staten en de NAM-landen. Maar haar
kracht is tegelijkertijd ook haar zwakte, want de Unie kan over dit onderwerp alleen
namens haar lidstaten spreken als alle 25 het daarmee eens zijn. De EU verenigt in zich
wijd uiteenlopende nucleaire belangen van kernwapenstaten, niet-kernwapenstaten,
Navo-lidstaten en neutrale landen. Wel kunnen individuele lidstaten zoals Nederland, de
kernwapenstaten Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in EU-verband aanspreken op hun
medeverantwoordelijkheid voor de nucleaire ontwapeningsstrategie, zoals neergelegd in
de dertien concrete ontwapeningsstappen uit 2000.
Gezien de verstrekkende gevolgen van een aanslag met massavernietigingswapens kan
het belang van preventie niet genoeg worden benadrukt. Maar er moet ook boter bij de
vis. De Verenigde Staten besteden, zoals eerder opgemerkt, jaarlijks S 2 miljard aan
NBC contra-proliferatiemaatregelen, terwijl de gehele EU daaraan in totaal nog geen
achtste daarvan besteedt.
De AIV beveelt aan dat de EU-lidstaten en/of de EU extra geld vrijmaken om het non-
proliferatieregime te versterken, zoals de ondersteuning van het G8-initiatief “Global
94 Zie ook Burkard Schmitt (ed.), Effective non-proliferation, the European Union and the 2005 NPT Review
    Conference, Chaillot Paper, No. 77, april 2005.
95 De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Solana, heeft in zijn staf een Persoonlijke Vertegenwoordiger voor
    non-proliferatie van massavernietigingswapens, mw. Giannella. Zij is met de uitvoering van de EU non-
    proliferatiestrategie belast.
                                                       37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Partnership Against the Spread of Weapons and Materials of Mass Destruction”, waar-
van recent is vastgesteld dat het zich ook op de landen buiten de voormalige Sovjet-
Unie mag richten.
Daar waar de uitvoering van dit initiatief stuit op “bestuurlijke problemen” in de
Russische Federatie als gevolg van het weer toenemende zelfbewustzijn van dit grote
land, adviseert de AIV dat Nederland zich, zo mogelijk in het kader van de EU, inspant
om aan oplossingen hiervoor bij te dragen.
III.4.2   De rol van de Navo
Meer nog dan de EU heeft de Navo hier te maken met uiteenlopende politieke belangen
van haar lidstaten. Zo wordt het gemeenschappelijke EU-standpunt, dat voorafgaand
aan de NPV-toetsingsconferentie is vastgesteld, door de Verenigde Staten op diverse
punten niet onderschreven. De dreiging van de proliferatie van massavernietigingswa-
pens staat al sinds 1994 op de agenda van de Navo, maar onderlinge tegenstellingen
staan een duidelijk antwoord in de weg op de vraag hoe de verdragsorganisatie op poli-
tiek en diplomatiek gebied aan non-proliferatie kan bijdragen. Het blijkt onmogelijk een
strategische visie voor de Navo op te stellen over preëmptief optreden in geval van een
mogelijke dreiging van massavernietigingswapens. Dit deed SG-Navo De Hoop Scheffer
verzuchten dat zelfs de beste militaire capaciteiten niet bruikbaar zijn als de politieke
wil om deze te gebruiken ontbreekt.96 Het blijft in dit opzicht vreemd dat de militaire
capaciteiten van de Navo wel voortdurend verder transformeren, bijvoorbeeld in de
vorm van de oprichting en operationeelstelling van de Nato Response Force, maar dat
het strategisch concept uit 1999 ongewijzigd blijft. Idealiter zou, conform artikel 4 van
het Noord-Atlantisch Verdrag,97 (nucleaire) proliferatie als een vast strategisch discussie-
punt op de agenda van de Navo-raad dienen te staan. Hoewel dat om velerlei redenen
thans niet aan de orde is, blijft dat volgens de AIV wel nastrevenswaardig.
Bij ontstentenis van een politieke en diplomatieke rol op het gebied van proliferatie van
massavernietigingswapens, richt de Navo zich vooral op op “Force Protection” om zo
goed mogelijk voorbereid te zijn op de gevolgen van een NBCR-aanval. Eén van de
onderwerpen die de Navo in dit kader bespreekt is “(Theatre) Missile Defence”.
De AIV constateert dat de samenwerking tussen de EU en de Navo op het gebied van
non-proliferatie vrijwel non-existent is vanwege de grote verschillen (van inzicht) tussen
beide organisaties en binnen de Navo zelf.98 Zo beschouwen de Verenigde Staten de
Navo niet als meest geëigende organisatie om proliferatie te bestrijden, maar ook Frankrijk
ligt dwars. Voorshands bestaat er weinig uitzicht op verandering in deze situatie.
96 Citaat afkomstig van Eric R. Terzuolo, ‘Combating WMD proliferation’, NATO Review, herfst 2005.
97 Artikel 4 luidt: “De Partijen zullen onderling overleg plegen telkens wanneer naar de mening van een van
    haar de territoriale onschendbaarheid, politieke onafhankelijkheid of veiligheid van een der Partijen wordt
    bedreigd”. Zie voor het Navo-Verdrag <www.navo.int>.
98 Aldus ook Jamie P. Shea (Director of Policy Planning van de Navo) tijdens een bijeenkomst getiteld Towards
    a more political NATO, Den Haag, 26 september 2005, waar hij één van de sprekers was.
                                                         38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>IV        Aanbevelingen
IV.1      Inleiding
De voorgaande drie hoofdstukken gingen achtereenvolgens in op het nucleaire non-pro-
liferatieregime (hoofdstuk I), de toestand van dit regime (hoofdstuk II) en op de eerste
drie regeringsvragen uit de adviesaanvraag (hoofdstuk III). Dit hoofdstuk plaatst alle
aanbevelingen onder elkaar en vormt zo het antwoord op de laatste regeringsvraag.
IV.2      De Nederlandse bijdrage (regeringsvraag 4: Welke bijdrage zou Nederland in
          nationaal en internationaal verband kunnen leveren om de verspreiding van
          nucleaire wapens tegen te gaan?)
Proliferatie van massavernietigingswapens is één van de belangrijkste dreigingen voor
internationale vrede en veiligheid. Het is van groot belang dat deze dreiging actief wordt
bestreden. Terecht besteedt de regering hier apart aandacht aan in haar begroting voor
2006.99 Ook vroeg de regering de AIV om advies uit te brengen over een strategie
tegen de verspreiding van nucleaire middelen.
In dit advies is het nucleaire non-proliferatieregime gedefinieerd als een integraal stel-
sel van verdragen, afspraken, gedragspraktijken, organisaties en normen, die samen
beogen nucleaire proliferatie te voorkomen, of op zijn minst een stuk moeilijker maken.
Het regime en het denken daarover, zijn voortdurend in beweging. Staten trachten daar-
bij hun nationale belangen en zienswijzen zo goed mogelijk te laten doorklinken.
De afgelopen periode is de verdeeldheid over de werking en de interpretatie van de
diverse non-proliferatie-instrumenten duidelijk naar voren gekomen. Zo is de NPV-
toetsingsconferentie in mei 2005 volledig mislukt net als, op het gebied van non-proli-
feratie, de VN-top voor regeringsleiders van september 2005. Ook is men er nog steeds
niet in geslaagd om blijvende oplossingen voor de gevallen Iran en Noord-Korea te
vinden.
De geloofwaardigheid van het nucleaire non-proliferatieregime is hierdoor ernstig in het
gedrang gekomen, vooral van het NPV dat als de normatieve hoeksteen hiervan geldt.
Maar ondanks het sombere beeld dat hieruit oprijst, bestaat hiervoor geen reëel alter-
natief. De verspreiding van massavernietigingswapens kan alleen in internationaal ver-
band effectief worden bestreden. Nederland moet zich dan ook in internationale fora
sterk blijven maken voor een multilaterale aanpak van dit probleem; Ons land heeft
geen alternatief voor het opereren binnen de EU, de Navo en de VN om proliferatie het
hoofd te bieden. Gegeven de huidige tegenstellingen, zal de versterking van het non-
proliferatieregime voorlopig echter niet anders dan met kleine stapjes gaan.
99 Vaststelling van de begrotingsstaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2006:
    beleidsartikel 2 Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur en
    daaruit operationele doelstelling 3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens en hun over-
    brengingsmiddelen en bevordering van ontwapening.
                                                           39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>In dit kader adviseert de AIV de regering:
1. om een geïntegreerde en multilaterale aanpak als uitgangspunten van nationaal en
     internationaal non-proliferatiebeleid te hanteren;
2. om de halfjaarlijkse EU-rapportages over non-proliferatie voortaan naar het
     Nederlandse parlement te sturen (zie paragraaf III.4.1);
3. om voor het behoud van een geloofwaardig NPV constructief en flexibel met de
     beschikbare instrumenten om te gaan, met begrip voor de bezwaren en kritiek van
     de have not’s (zie paragraaf III.3.1);
4. om bij alle geschikte gelegenheden, in alle relevante fora en met zoveel mogelijk
     medestanders, de boodschap aan de Verenigde Staten over te brengen dat een
     multilaterale aanpak de kern moet blijven vormen van de strategie om succes te
     boeken bij het bestrijden van proliferatie. Hoeksteen hiervan is een sterk NPV,
     maar voor de geloofwaardigheid van dit Verdrag moeten de Verenigde Staten en
     Rusland wel substantiële ontwapeningsinspanningen leveren. Daarna zijn ook de
     EU-lidstaten Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk op hun ontwapeningsverantwoorde-
     lijkheid aan te spreken (zie paragraaf III.3.1);
5. om ter ondersteuning van het CTBT, net als voor het NPV, aan alle partijen en
     groeperingen in Washington en bij alle geschikte gelegenheden de boodschap over
     te brengen dat het een belangrijk en integraal onderdeel van het non-proliferatie-
     regime vormt (zie paragraaf III.3.1);
6. om te bevorderen dat de EU bij de Verenigde Staten bij alle geschikte gelegenhe-
     den duidelijk aandacht vraagt voor haar non-proliferatie en ontwapeningsstand-
     punten (zie paragraaf III.4.1);
7. om ten aanzien van de crisis rond Iran in internationaal verband bij te dragen aan
     het vinden van een diplomatieke uitweg, die is gediend met zoveel mogelijk geza-
     menlijk uitgeoefende druk op het onvoorspelbare regime in Iran (zie paragraaf
     III.3.1);
8. om bestaande initiatieven tot het creëren van kernwapenvrije zones in zowel het
     Midden-Oosten als de Golf-regio te ondersteunen (zie paragraaf III.3.1);
9. om te stimuleren dat de EU, indien dat een oplossing voor Noord-Korea dichterbij
     zou brengen, (financieel) bijdraagt aan het onderhandelingsresultaat, analoog aan
     de situatie halverwege de jaren negentig (zie paragraaf III.3.1);
10. om zich in de EU in te spannen voor multilaterale oplossingen voor de proliferatie-
     gevoelige delen van de nucleaire brandstofcyclus (zie paragraaf III.3.2);
11. om het fenomeen brokering actief te bestrijden en ook binnen de EU maatregelen
     voor te stellen die dit tegengaan (zie paragraaf III.3.2);
12. om te reageren op de eerdere aanbeveling van de commissie-Scheltema om één
     aanspreekpunt voor het gehele Nederlandse beleid voor exportcontroleregimes in
     te stellen (zie paragraaf III.3.2);
                                              40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>13. om de handelwijze ten aanzien van PSI zoveel mogelijk in EU-verband te coördine-
    ren en tot een gemeenschappelijke evaluatie van dit initiatief te komen (zie para-
    graaf III.3.2);
14. om zich als lid van de NSG te mengen in de formulering van de voorwaarden die
    aan India worden gesteld en om met gelijkgezinden landen maximale conformiteit
    met het non-proliferatieregime te verlangen (zie paragraaf III.3.2);
15. om de EU-lidstaten en/of de EU extra geld vrij te laten maken om het non-prolifera-
    tieregime te versterken, zoals de ondersteuning van het G8-initiatief “Global
    Partnership Against the Spread of Weapons and Materials of Mass Destruction”
    dat zich in de eerste plaats richt op het opruimen van gevaarlijke voorraden nucle-
    aire en chemische wapens en stoffen in de voormalige Sovjet-Unie (zie paragraaf
    III.4.1);
16. om, zo mogelijk in het kader van de EU, aan oplossingen bij te dragen voor de
    “bestuurlijke problemen” die in Rusland in toenemende mate een rol spelen bij de
    uitvoering van het G8-initiatief (zie paragraaf III.4.1);
17. om er bij alle EU-lidstaten op aan te dringen hun toezeggingen in het kader van het
    EU-actieplan tegen terrorisme uit maart 2004 gestand te doen (zie paragraaf
    III.3.3);
18. om (non-)proliferatie van massavernietigingswapens en hun verspreidingsmiddelen
    als een strategisch aandachtsgebied van de samenwerkende Nederlandse
    inlichtingendiensten te blijven beschouwen en daaraan voldoende capaciteit toe te
    wijzen (zie paragraaf III.3.3);
19. om de voorgenomen uitbreiding van de NBC-bestrijdingscapaciteit van de
    krijgsmacht met kracht ter hand te nemen (zie paragraaf III.3.4);
20. om alle betrokken instanties regelmatig gezamenlijk te laten oefenen op het vlak
    van bescherming tegen NBCR-aanslagen, zodat de samenwerking en de kwaliteit
    daarvan wordt gegarandeerd (zie paragraaf III.3.4);
21. om er naar te blijven streven proliferatie als een vast strategisch discussiepunt op
    de agenda van de Navo-raad te plaatsen (zie paragraaf III.4.2).
Ten slotte adviseert de AIV de Tweede Kamer:
22. om, bijvoorbeeld mede aan de hand van desbetreffende EU-rapportages (zie aan-
    beveling 2), regelmatig met de regering over haar (nucleaire) non-proliferatiebeleid
    van gedachten te wisselen (zie paragraaf III.4.1).
                                             41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage I
Ministerie van                                                     Ministerie van
Buitenlandse Zaken                                                 Defensie
Postbus 20061                                                      Postbus 20701
2500 EB ‘s-Gravenhage                                              2500 ES ‘s-Gravenhage
Telefoon 070-3486486                                               Telefoon 070-3188188
Aan:
de Voorzitter van de Adviesraad
Internationale Vraagstukken
Mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Uw brief         Uw kenmerk               Ons nummer               Datum
                 DVB/NN-076/05                                     28 februari 2005
Onderwerp
Strategie tegen verspreiding van nucleaire middelen
Inleiding
De voortgaande verspreiding van nucleaire, biologische en chemische wapens baart de
regering onverminderd zorgen. Ondanks internationale afspraken en internationaal
toezicht is de verspreiding van deze wapens en van rakettechnologie uitgegroeid tot
een belangrijke bedreiging van onze veiligheid. De regering acht deze verspreiding des
te bedreigender als deze wapens in handen komen van risicolanden of terroristische
groeperingen.
Op 2 december 2004 bracht het door secretaris-generaal van de Verenigde Naties Kofi
Annan ingestelde High-level Panel on Threats, Challenges and Change (HLP) een rapport
uit met aanbevelingen voor verbetering van het systeem van collectieve veiligheid. In dit
rapport verleent het panel prioriteit (“urgent priority”) aan het tegengaan van de
verspreiding van massavernietigingswapens en doet het hiervoor tal van aanbevelingen.
Bijzonder verontrustend is de vaststelling van het panel dat de kans dat terroristen in
de toekomst kernexplosies kunnen veroorzaken reëel moet worden geacht. Het panel is
voorts ernstig bezorgd over de toekomst van het nucleaire non-proliferatieregime. Het
panel bepleit mede tegen deze achtergrond een versterking van de bevoegdheden van
het International Atomic Energy Agency (IAEA), de totstandkoming van een Fissile
Materials Cut-off-verdrag en bredere deelneming aan het Proliferation Security Initiative
(PSI). Belangrijk is ook dat het panel aandringt op een aanzienlijk actievere rol van de
Veiligheidsraad bij gebleken of vermeende schendingen van het non-proliferatieregime.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Zo zou de Veiligheidsraad volgens het panel collectieve maatregelen moeten nemen in
antwoord op een kernwapenaanval – of de dreiging daarmee – op een niet-kernwapen-
staat.
Mede op grond van de aanbevelingen van het HLP zal secretaris-generaal Annan in
maart aanbevelingen presenteren ten behoeve van de VN-Top van regeringsleiders van
14 tot en met 16 september 2005. De aanbevelingen zijn tevens van belang met het
oog op de in mei a.s. te houden toetsingsconferentie van het nucleair Non-proliferatie
Verdrag (NPV).
Ook om andere redenen vraagt de verspreiding van nucleaire wapens de aandacht van
de regering. De directeur-generaal van het IAEA, Mohammed El Baradei, vroeg in
februari 2004 namelijk eveneens aandacht voor het toenemende gevaar van nucleaire
proliferatie. “If the world does not change course, we risk self-destruction,” stelde hij.
De dreigende verspreiding van nucleaire wapens naar risicolanden is eveneens reden
tot bezorgdheid.
Vragen
Tegen deze achtergrond leggen wij de volgende vragen aan de Adviesraad voor:
1. Hoe bedreigend acht de Adviesraad de verspreiding van nucleaire wapens en
    technologie voor de internationale vrede en veiligheid en voor de Nederlandse
    samenleving? Het ligt voor de hand dat de Adviesraad in het bijzonder aandacht
    besteedt aan de kans dat risicolanden en terroristische groeperingen zullen gaan
    beschikken over nucleaire middelen. Noord-Korea beschikt naar eigen zeggen al over
    kernwapens en beweert het verdrag te hebben opgezegd. Er bestaat voorts twijfel
    aan de intenties van Iran, hoewel dit land zijn verrijkingsactiviteiten voorlopig heeft
    stilgelegd na diplomatiek overleg met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland.
    Positief is daarentegen dat Libië zijn aspiraties op het gebied van massavernietigings-
    wapens inmiddels heeft afgezworen (hoewel de nucleaire vorderingen die Libië had
    gemaakt eveneens te denken geven). Hoe beoordeelt de Adviesraad deze
    ontwikkelingen?
2. uit welke elementen zou een omvattende strategie tegen de verspreiding van
    nucleaire middelen volgens de Adviesraad moeten bestaan om effect te sorteren?
    Daarbij valt zowel te denken aan maatregelen om de verspreiding van nucleaire
    middelen en kennis tegen te gaan (non-proliferatie) als aan passieve en actieve
    maatregelen ter bescherming en verdediging van de eigen samenleving, van
    uitgezonden militaire eenheden en van bevolkingscentra (contraproliferatie). De
    regering zou in dat verband tevens graag beschikken over het oordeel van de
    Adviesraad over de aanbevelingen van het HLP op dit gebied en over de
    uitkomsten van de NPV-toetsingsconferentie van mei a.s..
    Het ligt voorts voor de hand dat de Adviesraad stil staat bij de vraag of de
    strategieën die de Europese Unie en de Verenigde Staten al hebben ontwikkeld om
    de verspreiding van massavernietigingswapens tegen te gaan toereikend moeten
    worden geacht. Zijn nieuwe benaderingen ter versterking van het nucleaire non-
    proliferatieregime in de brede zin van het woord wenselijk? Hoe kunnen risicolanden
    ervan worden weerhouden kernwapens te ontwikkelen of te verwerven? Welk
    verband bestaat tussen het streven naar non-proliferatie en maatregelen op het
    gebied van contraproliferatie? Hoe kan worden voorkomen dat terroristische
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>   organisaties de beschikking krijgen over nucleaire middelen? Is het zinvol de
   verschillende stadia van nucleaire proliferatie in kaart te brengen en voor ieder
   stadium diplomatieke, economische, juridische en militaire tegenmaatregelen te
   ontwikkelen? Welke prioriteiten zouden volgens de Adviesraad in het kader van een
   omvattende strategie moeten worden gelegd?
3. welke gevolgen vloeien volgens de Adviesraad uit de verspreiding van nucleaire
   middelen voort voor het huidige Nederlandse veiligheidsbeleid en dat van de Navo
   en de EU? Daarbij valt onder meer te denken aan het nucleaire afschrikkingsbeleid
   van de Navo en aan de vraag hoe het Europese grondgebied kan worden beschermd
   tegen met kernwapens uitgeruste langeafstandsraketten van risicolanden. Zijn
   beleidsaanpassingen nodig?
4. welke bijdrage zou Nederland in nationaal en internationaal verband kunnen leveren
   om de verspreiding van nucleaire wapens tegen te gaan?
Tot slot
De regering is zich ervan bewust dat de Adviesraad eerder is gevraagd de regering te
adviseren over aanverwante onderwerpen. Het gaat daarbij in het bijzonder om “De
Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken” (no. 28, augustus 2002)
en “Preëmptief optreden” (no. 36, juli 2004). De regering zou het op prijs stellen als de
Adviesraad over de bovenstaande vragen zou adviseren in het licht van de genoemde
ontwikkelingen en van deze eerdere adviezen.
Wij vragen de Adviesraad zijn advies voor de zomer te presenteren, mede met het oog
op de reactie van de regering op de in maart door de secretaris-generaal van de VN te
presenteren aanbevelingen voor de VN-Top van september 2005 en de uitkomst van de
NPV-toetsingsconferentie in mei.
DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN                      DE MINISTER VAN DEFENSIE
(getekend)                                              (getekend)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>                                                                               Bijlage II
Lijst van gebruikte afkortingen
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
AIVD          Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
CBRN          Chemisch, Biologisch, Radiologisch en Nucleair
CTBT          Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty
CTG           Contra Terreurgroep
CVV           Commissie Vrede en Veiligheid
E3            Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (EU3)
EU            Europese Unie
FMCT          Fissile Material Cut-off Treaty
G8            De zeven rijkste industrielanden Canada, Duitsland, Frankrijk, Italië,
              Japan, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten plus Rusland
HLP           High Level Panel
IAEA          International Atomic Energy Agency
IMS           International Monitoring System
KEDO          Korean Peninsula Energy Development Organization
MIVD          Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst
MNA’s         Multilateral Nuclear Approaches
NAM           Non Aligned Movement
NATO          North Atlantic Treaty Organisation
NAVO          Noordatlantische Verdragsorganisatie
NBC           Nucleair, Biologisch en Chemische
NBCR          Nucleair, Biologisch, Chemisch en Radiologisch
NPT           Non Proliferation Treaty
NPV           Non-proliferatieverdrag
NSG           Nuclear Suppliers Group
PSI           Proliferation Security Initiative
PVVN          Permanente Vertegenwoordiging van Nederland bij de Verenigde Naties
SG            Secretaris-generaal
SGVN          Secretaris-generaal van de Verenigde Naties
SUA           Suppression of Unlawful Acts against the Safety of Maritime Navigation
              (SUA-Verdrag)
UN            United Nations
VK            Verenigd Koninkrijk
VN            Verenigde Naties
VNVR          Veiligheidsraad van de Verenigde Naties
VR            Veiligheidsraad
VS            Verenigde Staten
WMD           Weapons of Mass Destruction
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                            Bijlage III
Het Non-proliferatieverdrag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>    Recalling the determination expressed by the Parties to the 1963 Treaty banning nuclear
weapon tests in the atmosphere, in outer space and under water in its Preamble to seek to
achieve the discontinuance of all test explosions of nuclear weapons for all time and to continue
negotiations to this end,
   Desiring to further the easing of international tension and the strengthening of trust between
States in order to facilitate the cessation of the manufacture of nuclear weapons, the liquidation
of all their existing stockpiles, and the elimination from national arsenals of nuclear weapons
and the means of their delivery pursuant to a Treaty on general and complete disarmament
under strict and effective international control,
    Recalling that, in accordance with the Charter of the United Nations, States must refrain in
their international relations from the threat or use of force against the territorial integrity or
political independence of any State, or in any other manner inconsistent with the Purposes of the
United Nations, and that the establishment and maintenance of international peace and security
are to be promoted with the least diversion for armaments of the world's human and economic
resources,
   Have agreed as follows:
                                              ARTICLE I
    Each nuclear-weapon State Party to the Treaty undertakes not to transfer to any recipient
whatsoever nuclear weapons or other nuclear explosive devices or control over such weapons or
explosive devices directly, or indirectly; and not in any way to assist, encourage, or induce any
non-nuclear-weapon State to manufacture or otherwise acquire nuclear weapons or other
nuclear explosive devices, or control over such weapons or explosive devices.
                                             ARTICLE II
    Each non-nuclear-weapon State Party to the Treaty undertakes not to receive the transfer
from any transferor whatsoever of nuclear weapons or other nuclear explosive devices or of
control over such weapons or explosive devices directly, or indirectly; not to manufacture or
otherwise acquire nuclear weapons or other nuclear explosive devices; and not to seek or
receive any assistance in the manufacture of nuclear weapons or other nuclear explosive
devices.
                                             ARTICLE III
   1. Each Non-nuclear-weapon State Party to the Treaty undertakes to accept safeguards, as
set forth in an agreement to be negotiated and concluded with the International Atomic Energy
Agency in accordance with the Statute of the International Atomic Energy Agency and the
Agency's safeguards system, for the exclusive purpose of verification of the fulfilment of its
obligations assumed under this Treaty with a view to preventing diversion of nuclear energy
from peaceful uses to nuclear weapons or other nuclear explosive devices. Procedures for the
safeguards required by this Article shall be followed with respect to source or special
fissionable material whether it is being produced, processed or used in any principal nuclear
facility or is outside any such facility. The safeguards required by this Article shall be applied
on all source or special fissionable material in all peaceful nuclear activities within the territory
of such State, under its jurisdiction, or carried out under its control anywhere.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>   2. Each State Party to the Treaty undertakes not to provide: (a) source or special fissionable
material, or (b) equipment or material especially designed or prepared for the processing, use or
production of special fissionable material, to any non-nuclear-weapon State for peaceful
purposes, unless the source or special fissionable material shall be subject to the safeguards
required by this Article.
     3. The safeguards required by this Article shall be implemented in a manner designed to
comply with Article IV of this Treaty, and to avoid hampering the economic or technological
development of the Parties or international co-operation in the field of peaceful nuclear
activities, including the international exchange of nuclear material and equipment for the
processing, use or production of nuclear material for peaceful purposes in accordance with the
provisions of this Article and the principle of safeguarding set forth in the Preamble of the
Treaty.
     4. Non-nuclear-weapon States Party to the Treaty shall conclude agreements with the
International Atomic Energy Agency to meet the requirements of this Article either individually
or together with other States in accordance with the Statute of the International Atomic Energy
Agency. Negotiation of such agreements shall commence within 180 days from the original
entry into force of this Treaty. For States depositing their instruments of ratification or
accession after the 180-day period, negotiation of such agreements shall commence not later
than the date of such deposit. Such agreements shall enter into force not later than eighteen
months after the date of initiation of negotiations.
                                           ARTICLE IV
   1. Nothing in this Treaty shall be interpreted as affecting the inalienable right of all the
Parties to the Treaty to develop research, production and use of nuclear energy for peaceful
purposes without discrimination and in conformity with Articles I and II of this Treaty.
   2. All the Parties to the Treaty undertake to facilitate, and have the right to participate in. the
fullest possible exchange of equipment, materials and scientific and technological information
for the peaceful uses of nuclear energy. Parties to the Treaty in a position to do so shall also co-
operate in contributing alone or together with other States or international organizations to the
further development of the applications of nuclear energy for peaceful purposes, especially in
the territories of non-nuclear-weapon States Party to the Treaty, with due consideration for the
needs of the developing areas of the world.
                                           ARTICLE V
    Each Party to the Treaty undertakes to take appropriate measures to ensure that, in
accordance with this Treaty, under appropriate international observation and through
appropriate international procedures, potential benefits from any peaceful applications of
nuclear explosions will be made available to non-nuclear-weapon States Party to the Treaty on a
non-discriminatory basis and that the charge to such Parties for the explosive devices used will
be as low as possible and exclude any charge for research and development. Non-nuclear-
weapon States Party to the Treaty shall be able to obtain such benefits, pursuant to a special
international agreement or agreements, through an appropriate international body with adequate
representation of non-nuclear-weapon States. Negotiations on this subject shall commence as
soon as possible after the Treaty enters into force. Non-nuclear-weapon States Party to the
Treaty so desiring may also obtain such benefits pursuant to bilateral agreements.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                             ARTICLE VI
    Each of the Parties to the Treaty undertakes to pursue negotiations in good faith on effective
measures relating to cessation of the nuclear arms race at an early date and to nuclear
disarmament, and on a treaty on general and complete disarmament under strict and effective
international control.
                                            ARTICLE VII
    Nothing in this Treaty affects the right of any group of States to conclude regional treaties in
order to assure the total absence of nuclear weapons in their respective territories.
                                            ARTICLE VIII
    1. Any Party to the Treaty may propose amendments to this Treaty. The text of any
proposed amendment shall be submitted to the Depositary Governments which shall circulate it
to all Parties to the Treaty. Thereupon, if requested to do so by one-third or more of the Parties
to the Treaty, the Depositary Governments shall convene a conference, to which they shall
invite all the Parties to the Treaty, to consider such an amendment.
     2. Any amendment to this Treaty must be approved by a majority of the votes of all the
Parties to the Treaty, including the votes of all nuclear-weapon States Party to the Treaty and all
other Parties which, on the date the amendment is circulated, are members of the Board of
Governors of the International Atomic Energy Agency. The amendment shall enter into force
for each Party that deposits its instrument of ratification of the amendment upon the deposit of
such instruments of ratification by a majority of all the Parties, including the instruments of
ratification of all nuclear-weapon States Party to the Treaty and all other Parties which, on the
date the amendment is circulated, are members of the Board of Governors of the International
Atomic Energy Agency. Thereafter, it shall enter into force for any other Party upon the deposit
of its instrument of ratification of the amendment.
     3. Five years after the entry into force of this Treaty, a conference of Parties to the Treaty
shall be held in Geneva, Switzerland, in order to review the operation of this Treaty with a view
to assuring that the purposes of the Preamble and the provisions of the Treaty are being realised.
At intervals of five years thereafter. a majority of the Parties to the Treaty may obtain, by
submitting a proposal to this effect to the Depositary Governments, the convening of further
conferences with the same objective of reviewing the operation of the Treaty.
                                             ARTICLE IX
    1. This Treaty shall be open to all States for signature. Any State which does not sign the
Treaty before its entry into force in accordance with paragraph 3 of this Article may accede to it
at any time.
    2. This Treaty shall be subject to ratification by signatory States. Instruments of ratification
and instruments of accession shall be deposited with the Governments of the United Kingdom
of Great Britain and Northern Ireland, the Union of Soviet Socialist Republics and the United
States of America, which are hereby designated the Depositary Governments.
    3. This Treaty shall enter into force after its ratification by the States, the Governments of
which are designated Depositaries of the Treaty, and forty other States signatory to this Treaty
and the deposit of their instruments of ratification. For the purposes of this Treaty, a nuclear-
weapon State is one which has manufactured and exploded a nuclear weapon or other nuclear
explosive device prior to 1 January, 1967.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>    4. For States whose instruments of ratification or accession are deposited subsequent to the
entry into force of this Treaty, it shall enter into force on the date of the deposit of their
instruments of ratification or accession.
    5. The Depositary Governments shall promptly inform all signatory and acceding States of
the date of each signature, the date of deposit of each instrument of ratification or of accession,
the date of the entry into force of this Treaty, and the date of receipt of any requests for
convening a conference or other notices.
    6. This Treaty shall be registered by the Depositary Governments pursuant to Article 102 of
the Charter of the United Nations.
                                           ARTICLE X
   1. Each Party shall in exercising its national sovereignty have the right to withdraw from the
Treaty if it decides that extraordinary events, related to the subject matter of this Treaty, have
jeopardized the supreme interests of its country. It shall give notice of such withdrawal to all
other Parties to the Treaty and to the United Nations Security Council three months in advance.
Such notice shall include a statement of the extraordinary events it regards as having
jeopardized its supreme interests.
   2. Twenty-five years after the entry into force of the Treaty, a conference shall be convened
to decide whether the Treaty shall continue in force indefinitely, or shall be extended for an
additional fixed period or periods. This decision shall be taken by a majority of the Parties to the
Treaty.
                                           ARTICLE XI
   This Treaty, the English, Russian, French, Spanish and Chinese texts of which are equally
authentic, shall be deposited in the archives of the Depositary Governments. Duly certified
copies of this Treaty shall be transmitted by the Depositary Governments to the Governments of
the signatory and acceding States.
   IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised, have signed this Treaty.
    DONE in triplicate, at the cities of London, Moscow and Washington, the first day of July,
one thousand nine hundred and sixty-eight.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>                                                                                                    Bijlage IV
THEnucleaire
De     NUCLEAR FUEL        CYCLE
                     brandstofcyclus
       Mining                                              RECOVERED
                                                                                                  WASTES
  URANIUM ORE                                               URANIUM
  Milling the ore                                        Mixed oxide fuel
to produce uranium                                          production
    concentrate:                                          Plutonium and
   “yellow cake”                                         Uranium oxides
       Conversion to uranium dioxide
          or uranium hexafluoride
                         Enrichment of
                          Uranium 235
                                                                               Reprocessing and recycling
           FUEL MANUFACTURE
                                                                                  96% reusable Uranium
                                                                                     1% Plutonium &
                                                                                        3% waste
      Natural               Enriched
      Uranium               Uranium
         Nuclear Power Stations – Electricity Generation
                                                            Used Fuel
                                                             Storage
Bron: The Institution of Electrical Engeneers, The Nuclear Fuel Cycle fact Sheet, Januari 2003,
<www.iee.org/Policy/Areas/EnvEnergy/nucfuelcycl.pdf>.
Het proliferatierisico nader geduid:
                                    Mining
                                 Conversion
       Reactor                   Enrichment               Uranium Bomb
   Reprocessing                                          Plutonium Bomb
Bron: BBC News, In Depth Nuclear Fuel Cycle, 2003,
<http://news.bbc.co.uk/1/hi/in_depth/world/2003/nuclear_fuel_cycle/enrichment/default.stm>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Belangrijke begrippen uit de nucleaire brandstofcyclus toegelicht
Nucleaire brandstofcyclus (Nuclear Fuel Cycle): Alle aspecten van nucleaire brandstof
omvattend vanaf de uraniumwinning tot aan de opslag van radioactief afval.
Yellow cake: De uraniumhoudende delfstoffen worden geconcentreerd tot yellow cake.
Yellow cake bestaat voor meer dan 60% uit uranium. 99% van de delfstoffen blijft als
afval over.
Uranium hexafluoride: Omdat yellow cake niet geschikt is voor gebruik in kerncentrales,
wordt het omgezet in het gasvormige uranium hexafluoride (of in uranium dioxide voor
kerncentrales die geen verrijkt uranium gebruiken). Uranium hexafluoride kan wel wor-
den verrijkt voor gebruik in kerncentrales.
Verrijking (enrichment) Slechts 0,7% van het natuurlijke uranium is geschikt voor kern-
fusie, vooral uranium 235. In de meeste kerncentrales wordt een hogere concentratie
gebruikt. Daarvoor moet uranium (hexafluoride) tot ongeveer 5% worden verrijkt (laag-
verrijkt uranium), bijvoorbeeld door ultracentrifuge of gasdiffusie. Door uranium tot 90%
te verrijken wordt het wapengeschikt (hoogverrijkt uranium) voor een uraniumbom.
Opwerking (reprocessing) Gebruikte brandstofstaven bestaan voor 96% uit uranium, voor
1 % uit plutonium en voor 3% uit afval. Door dit op te werken wordt het radioactieve afval
gescheiden waarna het vervolgens veilig moet worden opgeslagen. Als de gebruikte
brandstof niet zou worden opgewerkt, zou alle 100% als afval moeten worden opgesla-
gen. Het uranium en plutonium kan weer in nieuwe brandstofstaven worden gebruikt. Het
plutonium kan ook worden gebruikt voor een plutoniumbom.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage V
De dertien ontwapeningsvoorstellen van de NPV-toetsingsconferentie uit 2000
Citaat afkomstig uit de slotverklaring
[…]
The Conference agrees on the following practical steps for the systematic and progres-
sive efforts to implement article VI of the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear
Weapons and paragraphs 3 and 4 (c) of the 1995 Decision on “Principles and Objecti-
ves for Nuclear Non-Proliferation and Disarmament”:
1. The importance and urgency of signatures and ratifications, without delay and wit-
   hout conditions and in accordance with constitutional processes, to achieve the
   early entry into force of the Comprehensive Nuclear-Test-Ban Treaty.
2. A moratorium on nuclear-weapon-test explosions or any other nuclear explosions
   pending entry into force of that Treaty.
3. The necessity of negotiations in the Conference on Disarmament on a nondiscrimi-
   natory, multilateral and internationally and effectively verifiable treaty banning the
   production of fissile material for nuclear weapons or other nuclear explosive devices
   in accordance with the statement of the Special Coordinator in 1995 and the man-
   date contained therein, taking into consideration both nuclear disarmament and
   nuclear non-proliferation objectives. The Conference on Disarmament is urged to
   agree on a programme of work which includes the immediate commencement of
   negotiations on such a treaty with a view to their conclusion within five years.
4. The necessity of establishing in the Conference on Disarmament an appropriate
   subsidiary body with a mandate to deal with nuclear disarmament. The Conference
   on Disarmament is urged to agree on a programme of work which includes the
   immediate establishment of such a body.
5. The principle of irreversibility to apply to nuclear disarmament, nuclear and other
   related arms control and reduction measures.
6. An unequivocal undertaking by the nuclearweapon States to accomplish the total
   elimination of their nuclear arsenals leading to nuclear disarmament, to which all
   States parties are committed under article VI.
7. The early entry into force and full implementation of START II and the conclusion of
   START III as soon as possible while preserving and strengthening the Treaty on the
   Limitation of Anti-Ballistic Missile Systems as a cornerstone of strategic stability
   and as a basis for further reductions of strategic offensive weapons, in accordance
   with its provisions.
8. The completion and implementation of the Trilateral Initiative between the United
   States of America, the Russian Federation and the International Atomic Energy
   Agency.
9. Steps by all the nuclear-weapon States leading to nuclear disarmament in a way
   that promotes international stability, and based on the principle of undiminished
   security for all:
      – Further efforts by the nuclear-weapon States to reduce their nuclear arsenals
        unilaterally;
      – Increased transparency by the nuclearweapon States with regard to the nuclear
        weapons capabilities and the implementation of agreements pursuant to article
        VI and as a voluntary confidencebuilding measure to support further progress
        on nuclear disarmament;
      – The further reduction of non-strategic nuclear weapons, based on unilateral
        initiatives and as an integral part of the nuclear arms reduction and
        disarmament process;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>     – Concrete agreed measures to further reduce the operational status of nuclear
        weapons systems;
     – A diminishing role for nuclear weapons in security policies to minimize the risk
        that these weapons will ever be used and to facilitate the process of their total
        elimination;
     – The engagement as soon as appropriate of all the nuclear-weapon States in the
        process leading to the total elimination of their nuclear weapons.
10. Arrangements by all nuclear-weapon States to place, as soon as practicable, fissile
    material designated by each of them as no longer required for military purposes
    under IAEA or other relevant international verification and arrangements for the dis-
    position of such material for peaceful purposes, to ensure that such material
    remains permanently outside military programmes.
11. Reaffirmation that the ultimate objective of the efforts of States in the disarma-
    ment process is general and complete disarmament under effective international
    control.
12. Regular reports, within the framework of the strengthened review process for the
    Non-Proliferation Treaty, by all States parties on the implementation of article VI
    and paragraph 4 (c) of the 1995 Decision on “Principles and Objectives for Nuclear
    Non-Proliferation and Disarmament”, and recalling the advisory opinion of the Inter-
    national Court of Justice of 8 July 1996.
13. The further development of the verification capabilities that will be required to pro-
    vide assurance of compliance with nuclear disarmament agreements for the achie-
    vement and maintenance of a nuclear-weapon-free world.
[…]
(NPT/CONF.2000/28)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                   Bijlage VI
De staten die in staat worden geacht om in korte tijd een rudimentair kernwapen te
ontwikkelen
1.       Algerije
2.       Argentinië
3.       Australië
4.       België
5.       Brazilië
6.       Bulgarije
7.       Canada
8.       Chili
9.       Duitsland
10.      Egypte
11.      Finland
12.      Hongarije
13.      Indonesië
14.      Italië
15.      Japan
16.      Mexico
17.      Nederland
18.      Noorwegen
19.      Oekraïne
20.      Oostenrijk
21.      Polen
22.      Roemenië
23.      Slowakije
24.      Spanje
25.      Taiwan
26.      Turkije
27.      Zweden
28.      Zwitserland
29.      Zuid-Afrika
30.      Zuid-Korea
Bron: Carnegie Endowment for International Peace 2005, <www.ProliferationNews.org>
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                                           Bijlage VII
Council Common Position relating to the 2005 Review Conference, 25 april 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>27.4.2005              EN                          Official Journal of the European Union                                          L 106/33
HAS ADOPTED THIS COMMON POSITION:                                               7. stressing the need to strengthen the role of the UN
                                                                                   Security Council, as final arbiter, in order that it can
                                                                                   take appropriate action in the event of non-compliance
                              Article 1                                            with NPT obligations, in keeping with the Statute of the
                                                                                   International Atomic Energy Agency (IAEA), including
The objective of the European Union shall be to strengthen the                     the application of safeguards;
international nuclear non proliferation regime by promoting the
successful outcome of the 2005 Review Conference of the
Parties to the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear
Weapons (NPT).                                                                  8. drawing attention to the potential implications for
                                                                                   international peace and security of withdrawal from
                                                                                   the NPT. Urging the adoption of measures to
                              Article 2                                            discourage withdrawal from the said Treaty;
For the purposes of the objective laid down in Article 1, the
European Union shall:
                                                                                9. calling for nuclear cooperation to be suspended where
                                                                                   the IAEA is not able to provide adequate assurances
(a) contribute to a structured and balanced review of the                          that a State's nuclear programme is designed exclusively
    operation of the NPT at the 2005 Review Conference,                            for peaceful purposes, until such time as the Agency is
    including the implementation of undertakings of the                            able to provide such assurances;
    States Parties under the said Treaty, as well as the identifi-
    cation of areas in which, and of means through which,
    further progress should be sought in future;
                                                                               10. calling on all States in the region to make the Middle
                                                                                   East into an effectively verifiable zone free of nuclear
(b) help build a consensus on the basis of the framework estab-                    weapons and other weapons of mass destruction and
    lished by the NPT by supporting the Decisions and the                          their delivery systems, in keeping with the Resolution
    Resolution adopted at the 1995 Review and Extension                            on the Middle East adopted at the 1995 Review and
    Conference and the final document of the 2000 NPT                              Extension Conference;
    Review Conference, and shall bear in mind the current
    situation and shall promote inter alia the following
    essential issues, including:
                                                                               11. since security in Europe is linked to security in the
                                                                                   Mediterranean, giving top priority to implementation
      1. undertaking efforts to preserve the integrity of the NPT                  of the nuclear non-proliferation regime in that region;
         and strengthen its implementation;
                                                                               12. acknowledging the importance of nuclear-weapon-free
      2. recognising that the NPT is a unique and irreplaceable
                                                                                   zones for peace and security, on the basis of
         multilateral instrument for maintaining and reinforcing
                                                                                   arrangements freely entered into between the States of
         international peace, security and stability, in that it
                                                                                   the region concerned;
         establishes a legal framework for preventing increased
         proliferation of nuclear weapons and for developing
         further a verification system guaranteeing that non-
         nuclear-weapons States use nuclear energy solely for                  13. stressing the need to do everything possible to prevent
         peaceful purposes, and that it represents the essential                   the risk of nuclear terrorism, linked to possible terrorist
         foundation for the pursuit of nuclear disarmament in                      access to nuclear weapons or materials that could be
         accordance with Article VI thereof;                                       used in the manufacture of radiological dispersal
                                                                                   devices and, in this context, stressing the need for
                                                                                   compliance with obligations under Security Council
      3. working towards universal accession to the NPT;                           Resolution 1540 (2004). Calling for tighter security
                                                                                   for high activity radioactive sources. Supporting G8
                                                                                   and IAEA action in this regard;
      4. stressing the absolute necessity of full compliance with
         all the provisions of the NPT by all States Parties;
                                                                               14. recognising that, in the light of the increased threat of
      5. calling on all States not party to the NPT to pledge                      nuclear proliferation and terrorism, the Proliferation
         commitments to non-proliferation and disarmament                          Security Initiative, the Global Threat Reduction
         and calling on those States to become States Parties                      Initiative and the G8 Global Partnership Initiative
         to the NPT as non nuclear weapon States.                                  should be approved;
      6. recognising that serious nuclear proliferation events
         have occurred since the end of the 2000 Review                        15. calling for universal accession to the Comprehensive
         Conference;                                                               Safeguards Agreements and Additional Protocols;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>L 106/34             EN                          Official Journal of the European Union                                           27.4.2005
   16. recognising that Comprehensive Safeguards Agreements                  26. underlining the importance of continuing international
       and Additional Protocols have a deterrent effect on                       cooperation in order to strengthen nuclear safety, safe
       nuclear proliferation and form today's verification                       waste management and radiological protection and
       standard, and continuing to work for increased detec-                     calling upon States that have not yet done so to
       tability of any violations of Treaty obligations;                         accede to all the relevant conventions as soon as
                                                                                 possible and to implement fully the ensuing
                                                                                 commitments;
   17. working for recognition by the IAEA Board of
       Governors that the conclusion of a Comprehensive
       Safeguards Agreement and an Additional Protocol is                    27. noting that the States Parties to the NPT, may, pursuant
       today's verification standard;                                            to Article IV thereof, have resort to peaceful uses of
                                                                                 nuclear energy, inter alia in the area of production of
                                                                                 electricity, industry, health and agriculture;
   18. highlighting the IAEA's unique role in verifying States'
       compliance with their nuclear Non-proliferation
       commitments and helping them, on request, to
                                                                             28. urging the formulation of guarantees of access to
       tighten up the security of nuclear materials and instal-
                                                                                 nuclear fuel services, or to fuel itself, subject to appro-
       lations, and calling on States to support the Agency;
                                                                                 priate conditions;
   19. recognising the importance of appropriate effective
       export controls, in compliance with Security Council                  29. noting the report of the IAEA's expert group on multi-
       Resolution 1540 (2004) and in accordance with                             national approaches to the nuclear fuel cycle and
       Article III.2 of the NPT;                                                 promoting an early start to its scrutiny by the IAEA;
   20. implementing, at national level, effective export, transit,           30. stressing, while acknowledging the nuclear arms
       transhipment and re-export controls, including appro-                     reductions which have taken place since the end of
       priate laws and regulations for that purpose;                             the cold war, the need for an overall reduction in
                                                                                 nuclear arsenals in the pursuit of gradual, systematic
                                                                                 nuclear disarmament under Article VI of the NPT and
                                                                                 welcoming, in this context, the ratification of the
   21. enacting effective criminal sanctions to deter illegal                    Moscow Treaty by the Russian Federation and the
       export, transit, brokering, trafficking and related                       United States of America in 2002, while stressing the
       financing, in compliance with UNSC Resolution 1540                        need for more progress in reducing their arsenals;
       (2004);
                                                                             31. stressing the need to implement the declarations made
   22. urging the Zangger Committee and the Nuclear                              by the Presidents of Russia and America in 1991 and
       Suppliers Group to share their experience on export                       1992 on unilateral reductions in their stocks of non-
       controls, so that all States can draw on the                              strategic nuclear weapons and calling on all States with
       arrangements of the Zangger Committee and the                             non-strategic nuclear weapons to include them in their
       Nuclear Suppliers Group (NSG) guidelines;                                 general arms control and disarmament processes, with
                                                                                 a view to their reduction and elimination;
   23. pointing up the need to strengthen the (NSG)
       Guidelines at an early date, to adapt them to new
       non-proliferation challenges;                                         32. recognising application of the principle of irreversibility
                                                                                 to guide all measures in the field of nuclear disar-
                                                                                 mament and arms control, as a contribution to the
                                                                                 maintenance and reinforcement of international peace,
   24. calling on the States Parties to the Convention on the                    security and stability, taking these conditions into
       Physical Protection of Nuclear Material to work for                       account;
       rapid conclusion of an amended Convention;
                                                                             33. recognising the importance, from the point of view of
   25. recognising the right of States Parties to the NPT to                     nuclear disarmament, of the programmes for the
       nuclear energy for peaceful purposes, in accordance                       destruction and elimination of nuclear weapons and
       with Article IV thereof, with due regard for Articles I,                  the elimination of fissile material as defined under the
       II and III of the Treaty;                                                 G8 World Partnership;
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>27.4.2005            EN                         Official Journal of the European Union                                          L 106/35
    34. pursuing efforts to secure transparency, as a voluntary                  Convention (BTWC), the Chemical Weapons
        Confidence Building Measure to support further                           Convention (CWC) and the conventions, measures
        progress in disarmament;                                                 and initiatives contributing to conventional arms
                                                                                 control;
    35. since the Comprehensive Nuclear Test Ban Treaty
        (CTBT) forms an essential part of the nuclear disar-                42. calling for universal accession to and effective imple-
        mament and non-proliferation regime and with a                           mentation of the Hague Code of Conduct against
        view to its entry into force as soon as possible,                        Ballistic Missile Proliferation;
        without conditions, calling on States, particularly
        those listed in Annex II, to sign and ratify the said
                                                                            43. working for the resolution of the problems of regional
        Treaty without delay and without conditions and,
                                                                                 instability and insecurity and of the conflict situations
        pending the entry into force of the said Treaty,
                                                                                 which are often at the root of armament programmes.
        calling on all States to abide by a moratorium and to
        refrain from any action contrary to the obligations and
        provisions of the said Treaty. Highlighting the                                               Article 3
        importance of the work of the CTBT Organisation
        Preparatory Commission and actively supporting the              Action taken by the European Union for the purposes of Article
        work of the Special Representative of the States                2 shall comprise:
        which have ratified the Treaty charged with
        promoting universal accession to the Treaty;                    (a) where appropriate, demarches by the Presidency, pursuant
                                                                            to Article 18 of the Treaty on European Union, with a view
    36. appealing again to the Disarmament Conference for the               to promoting the universality of the NPT;
        immediate commencement and early conclusion of a
        non-discriminatory, universally applicable Treaty               (b) demarches by the Presidency, pursuant to Article 18 of the
        banning the production of fissile material for nuclear              Treaty on European Union, with regard to States Parties to
        weapons or other nuclear explosive devices, without                 the NPT, in order to urge their support for the objectives set
        pre-conditions, and bearing in mind the special coordi-             out in Article 2 of this Common Position;
        nator's report and the mandate included therein and,
        pending entry into force of the said Treaty, calling on
                                                                        (c) the pursuit of agreement by Member States on draft
        all States to declare and uphold a moratorium on the
                                                                            proposals on substantive issues for submission on behalf
        production of fissile material for nuclear weapons or
                                                                            of the European Union for consideration by States Parties
        other nuclear explosive devices. The EU welcomes the
                                                                            to the NPT which may form the basis for decisions of the
        action of those of the five nuclear-weapon States which
                                                                            NPT 2005 Review Conference;
        have decreed the relevant moratorium;
    37. calling on all States concerned to take appropriate             (d) Statements by the European Union delivered by the
        practical measures in order to reduce the risk of acci-             Presidency in the General Debate and in the debates in
        dental nuclear war;                                                 the three Main Committees.
    38. pursuing consideration of the issue of security                                               Article 4
        assurances to the non-nuclear-weapon States Parties             This Common Position shall take effect on the date of its
        to the NPT;                                                     adoption.
    39. calling on nuclear-weapon States to reaffirm existing
                                                                                                      Article 5
        security assurances noted by the United Nations
        Security Council in Resolution 984(1995) and to sign            This Common Position shall be published in the Official Journal
        and ratify the relevant protocols on nuclear-weapon-            of the European Union.
        free zones, drawn up following the requisite consul-
        tations, recognising that Treaty-based security
        assurances are available to such zones;                         Done at Luxembourg, 25 April 2005.
    40. stressing the need for general disarmament;
                                                                                                               For the Council
    41. highlighting the importance of universal accession and                                                  The President
        implementation of the Biological and Toxins Weapons                                                    J. ASSELBORN
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
  1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
  2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
  3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
  4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
  5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
  6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
  7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
  8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
  9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
    november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
    rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor de Europese
    Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van bouwen aan
    onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
    strategieën tegen armoede, januari 2003
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inza-
    ke Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor de
     Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005****
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, 10 december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, 13 juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, 9 november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, 9 november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, 15 mei 2003***
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, 28 augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, 12 maart 2004
8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?’, 10 september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, 8 april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
***   Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
**** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>