<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                EUROPA EEN PRIORITEIT!
                  No. 52, November 2006
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Prof. dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Dr. R.J. van der Veen
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden van de werkgroep die het advies heeft voorbereid
Voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden      Prof. dr. J.W. de Beus
           Mw. prof. dr. M.G.W. den Boer
           Drs. H.J. Brouwer
           Mw. dr. M. Bulk
           Dr. W.F. van Eekelen
           Mr. E. Jansen
           Prof. mr. P.J.G. Kapteyn
           Mw. mr. N.W. Meuter-Dikkers
           Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
           Drs. H.C. Posthumus Meyjes
           Mr. W.L.E. Quaedvlieg
           Prof. dr. J.Q.Th. Rood
           Prof. dr. A. van Staden
           Prof. dr. A. Szász
           Mr. F.A.H. Vigeveno
           Drs. E.P. Wellenstein
           Mw. mr. M.G. Wezenbeek-Geuke
           Prof. mr. J.W. de Zwaan
Secretaris Mw. dr. S. Volbeda
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>        Inhoudsopgave
I       Inleiding      5
II      Gezonde financiën         8
        II.1     Inleiding     8
        II.2     De inkomstenkant van de EU-begroting      8
        II.3     De uitgavenkant van de EU-begroting     10
III     De burgers       11
        III.1    De publieke opinie     11
        III.2    De reactie van de Nederlandse regering en het parlement     12
        III.3    Takenpakket, bestuurlijke inrichting en uitbreiding van de EU   13
        III.4    Betrek burgers bij Europa    16
IV      Prioriteiten in het bestaande beleid     18
        IV.1     Inleiding     18
        IV.2     De Interne Markt en de economische en sociale waarden      19
        IV.3     De Economische en Monetaire Unie      20
        IV.4     De externe concurrentiepositie    21
V       Nieuwe beleidsprioriteiten      23
        V.1      Een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid     23
        V.2      Een gemeenschappelijk intern en extern veiligheidsbeleid     25
        V.3      Een Europees energiebeleid    27
VI      Slagvaardigheid        30
        VI.1     Inleiding     30
        VI.2     Momenten waarop verdragswijzigingen aan de orde zijn       31
        VI.3     Terug naar de Verklaring van Laken     31
        VI.4     Prioritaire verbeteringen   32
        VI.5     Andere mogelijkheden voor verbetering       36
VII     Aanbevelingen        39
Bijlage          Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>I         Inleiding
De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) heeft dit advies op eigen initiatief
opgesteld. Het doel van het onderhavige advies is een concrete bijdrage te leveren aan
de formulering van het Nederlandse beleid ten aanzien van de Europese Unie (EU) na
de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 22 november 2006. In het bijzonder wil de
AIV bijdragen tot de discussie over politieke prioriteitstelling voor de taken van de EU
en de noodzakelijke hervorming van de Europese instellingen. Dit om de EU in staat te
stellen de haar gestelde taken naar behoren te kunnen uitvoeren.
Daarmee plaatst de AIV dit advies in de context van de Nederlandse koers na de nega-
tieve uitslag van het referendum over het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor
Europa1 in de aanloop naar de vergaderingen van de Europese Raad in 2007. In de
Troonrede 2006 wordt gesteld: ‘Voor onze veiligheid, onze welvaart, de bescherming
van het milieu en de energievoorziening op de langere termijn hebben wij elkaar als
Europeanen nodig. Daaraan werken krijgt prioriteit boven discussies over de inrichting
van de Europese Unie.’2 Deze visie klinkt ook door in de Staat van de Unie
2006-2007.3 De door de Europese Raad afgekondigde periode van reflectie is met een
jaar verlengd tot juni 2007.4 De AIV zal in dit advies onder meer ingaan op de wense-
lijkheid van deze stelling.
Feitelijk is de stand van zaken na het referendum inmiddels als volgt. De Europese
Commissie heeft haar initiatief om de dialoog over Europa te verbeteren voortgezet.5 In
Nederland is intussen een aantal onderzoeken gepubliceerd over de wensen van de
burger. De regering heeft een verslag van een internetonderzoek uitgebracht, waaraan
ruim 100.000 mensen hebben deelgenomen.6 Bovendien wordt er in Deel A van de
1   Dit wordt ook wel het ‘Grondwettelijk Verdrag’ genoemd. Het is ondertekend in Rome op 29 oktober 2004
    door alle staatshoofden en regeringsleiders van de Unie en die van de kandidaatlidstaten (Slotakte). Het
    Verdrag is gepubliceerd op 16 december 2004 in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-reeks,
    nr. 320). Het is pas rechtsgeldig na ratificatie door alle lidstaten (artikel IV-447, lid 2). Indien viervijfde van
    de lidstaten het Verdrag twee jaar na ondertekening hebben bekrachtigd en eenvijfde daarbij moeilijkheden
    ondervindt moet de Europese Raad de kwestie bespreken (artikel IV-443 lid 4). Nederland en Frankrijk
    hebben besloten dit Verdrag niet te ratificeren, vijftien lidstaten hebben het Verdrag wel geratificeerd, één
    lidstaat heeft de procedure daartoe gestart en zeven hebben dat nog niet gedaan.
2   Troonrede 2006, Staatscourant nr. 182, dinsdag 19 september 2006.
3   Staat van de Unie 2006-2007, Kamerstuk 99760, nr. 1, Sdu Uitgevers, Den Haag 2006, pp. 5-7. Zie
    ook: Notitie kabinetsanalyse Europese bezinningsperiode, Kamerstuk 30303, nr. 20, 19 mei 2006.
4   Europese Raad, Conclusies van het voorzitterschap, (OR. En) 10633/06, Brussel, 16 juni 2006,
    paragraaf 47. Zie ook de Kamerbrief Verslag Europese Raad 15-16 juni 2006, DIE-948/06, 20 juni 2006.
5   De bijdrage van de Commissie voor de periode van bezinning en daarna: Plan D voor democratie, dialoog
    en debat, Mededeling van de Commissie, COM(2005) 494. Zie ook: Kamerbrief inzake Nederland in de
    Europese bezinningsperiode en verder, DIE-756/05, 7 november 2005, Kamerstuk 30303. nr. 18.
6   Nederland in Europa, van droom naar daad, ministerie van Buitenlandse Zaken, 19 mei 2006. Het onder-
    zoek bestond uit een kwantitatief en een kwalitatief deel en de uitkomsten zijn gecorrigeerd om de repre-
    sentativiteit te verhogen. Er hebben 128.059 mensen deelgenomen.
                                                           5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>bijlage bij de Staat van de Unie 2006-2007 uitgebreid ingegaan op de ontwikkelingen in
de publieke opinie over Europa.7
De AIV stelt vast dat in de EU brede steun bestaat voor de gedachte dat het bereiken
van concrete beleidsresultaten door middel van EU-projecten die rechtstreeks de zorgen
en problemen van Europese burgers aanpakken, de beste manier is het geschokte ver-
trouwen in de Europese integratie te herstellen. De AIV verwijst in dit verband naar het
document van de Europese Commissie, A Citizens’ Agenda, Delivering Results for
Europe’.8 Uitgangspunt van dit document is dat Europese burgers op bepaalde terreinen
méér optreden van de EU willen zien. Voorbeelden zijn het scheppen van werkgelegen-
heid, de kanalisering van de mondialisering, de strijd tegen het terrorisme en de georga-
niseerde misdaad, alsmede het bevorderen van duurzame ontwikkeling en solidariteit.9
De AIV is het met deze aanpak eens. Voor een belangrijk deel weerspiegelt het onder-
havige advies de opvatting dat het dichten van de kloof tussen de verwachtingen die
burgers van de EU hebben enerzijds en de – achterblijvende – feitelijke beleidspresta-
ties van de EU anderzijds, prioriteit verdient. Niettemin wenst de AIV bij deze aanpak
drie principiële kanttekeningen te plaatsen.
De eerste is dat de EU een solide financiële basis nodig heeft. De AIV stelt vast dat de
discussie over de financiering van de Unie voor velen is versmald tot de vraag ‘Betaalt
Nederland naar verhouding niet te veel?’ De AIV stelt zich nadrukkelijk op het stand-
punt dat een structurele verbetering van de financiële grondslag van de EU noodzakelijk
is, wil de EU met succes aan de haar gestelde taken kunnen werken. Op deze proble-
matiek wordt in hoofdstuk II ingegaan.
De tweede is dat een intensivering van het optreden van de EU op de bovengenoemde
terreinen gepaard moet gaan met de institutionele uitrusting die daarvoor nodig is. De
discussie over de prioritaire taken van de EU moet hand in hand gaan met die over
institutionele hervorming van de instellingen.
De derde is dat die institutionele uitrusting een grotere zogenaamde ‘inputlegitimiteit’
behoeft. Uitgaande van burgers en hun betrokkenheid bij Europese samenwerking is
het relevant een onderscheid te maken tussen input- en outputlegitimiteit van openbaar
bestuur.10 Van de eerste vorm van legitimiteit is sprake indien en voor zover bur-
gers het gevoel hebben deel te hebben aan het besluitvormingsproces, zich daarin op
een goede wijze vertegenwoordigd weten en zelf over reële mogelijkheden beschikken
daarop invloed uit te oefenen. De tweede vorm betreft de uitkomst van het proces, de
legitimiteit die ontstaat indien het gevoerde beleid metterdaad leidt tot oplossingen van
de maatschappelijke problemen. Beide vormen van legitimiteit zijn essentieel voor het
verwerven van het vertrouwen van burgers.
7   Europese Tijden, bijlage bij de Staat van de Unie 2006-2007, Sdu Uitgevers, Den Haag 2006, pp. 5-43.
8   Europese Commissie, A Citizens’ Agenda, Delivering Results for Europe, COM (2006) 211 final,
    10 May 2006.
9   Op cit: p. 2.
10 Van Staden, A. The Right to Govern: The Democratic Legitimacy of the European Union, Clingendael
    Institute, November 2003.
                                                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De Adviesraad trekt hieruit de conclusie dat het Nederlandse beleid niet alleen gericht
moet zijn op het verkleinen van de delivery gap, maar evenzeer moet werken aan
verruiming van de mogelijkheden voor burgers de koers van het Europese beleid, zowel
direct als indirect, te bepalen. Dit advies is nadrukkelijk te zien als vervolg op het brief-
advies De EU en de band met de Nederlandse burger, dat op 13 december 2005 door
de AIV is uitgebracht.11 Stond in dit briefadvies de vraag centraal hoe de betrokkenheid
en verbondenheid van de burger verbeterd kunnen worden, in het onderhavige advies
wordt vooral de vraag voor het voetlicht gebracht wat de EU moet doen en welke instru-
menten zij nodig heeft om dat uit te voeren.
Veelal zijn hiervoor wijzigingen in het Verdrag van Nice nodig hetgeen, zo leert de prak-
tijk, veel tijd zal kosten. Daarom wordt door de AIV tevens een aantal handreikingen
gedaan van maatregelen die vooruitlopend op een verdragswijziging tot verbetering van
de huidige situatie kunnen leiden.
Het bovenstaande leidt tot de volgende vraagstellingen:
1. Welke verbeteringen zijn er nodig ten aanzien van de financiering van de Unie?
2. Wat verwachten Nederlandse burgers van de EU?
3. Welke taken dient de EU op dit moment in het Nederlandse belang en met steun
    van de Nederlandse bevolking met voorrang op zich te nemen?
4. Zijn de huidige instrumenten voldoende om deze taken naar behoren uit te voeren?
    a. Welke verdragsaanpassingen zouden de effectiviteit van de EU en haar maat-
         schappelijk draagvlak verhogen? Welke verdragswijzigingen verdienen prioriteit
         om in 2009 (het jaar van nieuwe Europese verkiezingen en een nieuwe
         Commissie) in werking te kunnen treden?
     b. Welke verbeteringen kunnen in afwachting van verdragsaanpassingen, nu al
         worden ingevoerd?
Dit advies is voorbereid door de Commissie Europese Integratie (CEI) van de AIV, onder
voorzitterschap van prof. mr. F.H.J.J. Andriessen, de vice-voorzitter prof. dr. A. van
Staden en de leden prof. dr. J.W. de Beus, mw. prof. dr. M.G.W. den Boer, drs. H.J.
Brouwer, mw. dr. M. Bulk, dr. W.F. van Eekelen, mr. E. Jansen, prof. mr. P.J.G. Kapteyn,
mw. mr. N.W. Meuter-Dikkers, drs. H.C. Posthumus Meyjes, mr. W.L.E. Quaedvlieg,
prof. dr. J.Q.Th. Rood, prof. dr. A. Szász, mr. F.A.H. Vigeveno, mw. mr. M.G. Wezenbeek-
Geuke, prof. mr. J.W. de Zwaan, aangevuld met mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel van de
AIV en de heer drs. E.P. Wellenstein van de Commissie Vrede en Veiligheid (CVV). Het
secretariaat is gevoerd door mw. dr. S. Volbeda, daarin bijgestaan door de stagiaires
dhr. B. Groothuis, mw. M. Kersten en mw. E. van der Bijl. Als ambtelijk contactpersoon
is de heer A.P. den Hartog MA (DIE/IN) betrokken geweest.
In de voorbereiding is op 19 mei 2006 een rondetafelgesprek gevoerd met een aantal
externe deskundigen. Daar hebben prof. dr. J.L.M. Pelkmans (hoogleraar Economie,
Europa College Brugge) en drs. Th.J.A.M. de Bruijn (Permanent Vertegenwoordiger voor
Nederland bij de EU) een inleiding gehouden.
In het nabije verleden heeft de AIV verschillende adviezen uitgebracht waarin onderde-
len van de problematiek die in dit advies aan de orde komen, in een andere of min of
meer analoge context zijn besproken. Waar relevant wordt naar de betreffende adviezen
verwezen.
Dit advies is vastgesteld door de AIV op 3 november 2006.
11 Kamerstuk 30300 V, nr. 88.
                                              7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>II         Gezonde financiën
II.1       Inleiding
‘Is de Unie te duur?’ is een van de vragen die bij vele burgers spelen.12 Het budget
van de EU is jaarlijks circa 105 miljard euro (2005), ofwel circa 1% van het bruto natio-
nale inkomen (BNI) van de gezamenlijke lidstaten.13 De taken zijn natuurlijk zeer
verschillend, maar de EU-begroting is bijvoorbeeld aanmerkelijk kleiner dan die van een
lidstaat als Nederland, en bedraagt als percentage van het BNI slechts een fractie van
de collectieve uitgaven van de lidstaten, die ettelijke tientallen procenten van hun BNI
belopen.14 Wanneer deze gegevens worden afgezet tegen de economische en handels-
politieke waarde die het EU-lidmaatschap met zich meebrengt, concludeert de AIV dat
Europa niet te duur is. In hoofdstuk IV wordt nader ingegaan op de economische en
handelspolitieke waarde van de Unie.
De financiering van de Unie leidt bij voortduring tot ernstige wrijvingen, tot op het
niveau van de regeringsleiders. In ons land lijkt daarbij de betekenis van het Unie-lid-
maatschap vaak te worden versmald tot onze nettobijdrage en de kosten van de verga-
derplaats van het Europees Parlement (EP). Daarom wordt in het onderstaande nader
ingegaan op de financiële basis van de Unie.
II.2       De inkomstenkant van de EU-begroting
Sinds het Verdrag van Rome is de problematiek van de eigen middelen aan de orde.
De EEG ging van start met een verdeelsleutel voor de bijdragen van de lidstaten, maar
beoogde deze te vervangen door eigen middelen, met name door ontvangsten uit het
gemeenschappelijk douanetarief.15 Op voorstel van de Commissie en na raadpleging
van het EP stelde de Raad in 1970 eenstemmig het eerste besluit daartoe vast, dat
daarna nog ratificatie behoefde in alle lidstaten. Zo is de procedure nog steeds.
Het lag voor de hand behalve de douanerechten ook de later ingevoerde landbouw-
heffingen bij invoer, die qua aard immers ook een zuiver gemeenschapsinstrument zijn,
als ‘eigen middelen’ aan te merken. Voor zover nodig zouden deze middelen aangevuld
worden tot een maximum van één procentpunt BTW. Dit was voor de meeste lidstaten
een nieuwe vorm van indirecte belasting, waarvan bepaalde kenmerken, zoals de grond-
slag, intussen geharmoniseerd waren. Het was de bedoeling dat dit instrument de
EEG-financiën zou loskoppelen van de begrotingen van de lidstaten. Van die nog altijd
12 Deze vraag is overduidelijk in het door Frankrijk verworpen burgerinitiatief om het Europees Parlement voor-
    taan niet meer (ook) in Straatsburg, maar alleen nog in Brussel te laten vergaderen.
13 Europese Rekenkamer, Jaarverslag over het begrotingsjaar 2005, bijlage I, Financiële gegevens over de
    instellingen van de EU, oktober 2006.
14 Zie voor een nadere onderbouwing: Staat van de Europese Unie 2005-2006, pagina 31, en Algemene
    Rekenkamer, Rijk verantwoord 2005, paragraaf 2.2, Financieel Jaarverslag van het Rijk 2005, Kamerstuk
    30550, nr. 2, 17 mei 2006.
15 EEG-Verdrag, artikel 201 (dit komt overeen met artikel 269 van het EG-Verdrag).
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>geldende verdragsdoelstelling is vijftig jaar later niets gerealiseerd, integendeel, men is
er steeds verder van verwijderd geraakt.
De ontsporing van het systeem van eigen middelen van de EU vindt haar oorsprong in
de ondoordachte oplossing die de Europese top op persistent aandringen van het
Verenigd Koninkrijk (VK) in 1984 aanvaardde. Het VK was in die tijd één van de minder
welvarende lidstaten en trok inderdaad weinig profijt van de landbouwuitgaven, die toen
nog 80% van de totale EEG-begroting omvatten. In plaats van een nieuw en billijker sys-
teem, werd een willekeurige permanente korting van 66% op de nettobetaling van het
VK toegekend, een korting die door de andere lidstaten gezamenlijk moet worden opge-
bracht. Het uitgangspunt van de nettobetaling was een precedent dat tot op heden
doorwerkt. Ernstiger nog was dat geen rekening werd gehouden met de nadien sterk
veranderende uitgavenstructuur van de Gemeenschap, die een groeiend deel van haar
begroting aan regionale, structuur- en cohesiefondsen besteedt, terwijl het VK intussen
een van de meest welvarende lidstaten is geworden.
Sedertdien zijn er meermalen verdere ad hoc ingrepen in het systeem van ‘eigen mid-
delen’ geweest. Bijvoorbeeld in 1999 werden sommige grote betalers intussen al vrijge-
steld van het meebetalen aan de Britse rebate, ten koste van andere lidstaten. Neder-
land was, na de invoering van de cohesiefondsen in Edinburgh in 1992 en het
versoberen van met name het zuivelbeleid, van een comfortabele netto-ontvanger netto-
betaler geworden. Daarop bedong ons land dat het in plaats van 10% perceptie-
kosten16, die de lidstaten al sinds 1970 op de geïnde douanerechten en landbouw-
heffingen mogen inhouden, voortaan 25% mocht inhouden, vooral omdat de Rotterdamse
haven een relatief groot deel van de inkomsten uit douanerechten leverde. In Londen pro-
beerde ons land eind 2005 (vergeefs) dat percentage nog verder op te voeren. Begrijpe-
lijkerwijze kwam België daartegen in opstand, want waarom zou het voor de Antwerpse
haven dan niet een vergelijkbaar percentage krijgen? In het eindcompromis verwierf
Nederland alsnog een korting op de bijdrage die wordt berekend naar rato van het
nationaal inkomen (BNI) van de lidstaten. Daarmee is het punt bereikt waarop iedere
component van de EU-financiering in functie van nettoposities ad hoc kan worden
gewijzigd.
Van een ‘systeem van eigen middelen’ is door al deze wijzigingen dus geen sprake
meer. Bovendien bestaat het leeuwendeel van de EU-inkomsten intussen uit de BNI-
component: zo’n 70% van de EU-begroting komt uit gewone begrotingsbijdragen of
‘afdrachten’. Wanneer de politieke compromissen worden gesloten in de vorm van
ronde getallen en zonder specificatie, vervagen bovendien de oorspronkelijke cijfermatige
onderbouwingen van de begroting. Op deze wijze werd dit onsamenhangende dossier
voor zeven jaar getekend, totdat in 2013 de Financiële Perspectieven opnieuw moeten
worden vastgesteld. Maar in 2008 staat al een herziening van de financiële situatie
van de EU geprogrammeerd. Niet duidelijk is wat er precies met deze herziening wordt
bedoeld, zodat het alles of niets kan betekenen en het juist daardoor het zaad in zich
draagt voor nieuwe conflicten.
Zoals Nederland na de triomfantelijke successen op de Berlijnse top van 1999 heeft
ervaren (1,3 miljard per jaar binnengehaald!), kan het in de Europese financiën snel
verkeren. Als het uitgavenpatroon van de EU verandert, veranderen niet de regels voor
de EU-middelen, dus dat slaat neer in de uiteenlopende nettoposities.
16 Dit zijn kosten van administratie en inning.
                                                9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>II.3      De uitgavenkant van de EU-begroting
De uitgaven van de EU worden beheerst door de Financiële Perspectieven, die telkens
voor zeven jaar worden vastgesteld en waarmee ook het EP moet instemmen. Deze
staan geheel los van besluiten over ‘eigen middelen’, maar door de samenhang tussen
die twee zaken komen besluiten over eigen middelen telkenmale op de agenda als er
weer nieuwe Financiële Perspectieven moeten worden vastgesteld, zoals laatstelijk op
de Europese Raad te Londen, in december 2005.
De met zoveel moeite tot stand gebrachte Financiële Perspectieven 2007-2013 zijn
geen verplichtingen of zelfs autorisaties van EU-uitgaven; die autorisaties komen name-
lijk van de jaarlijkse EU-begrotingen en kunnen pas op grond van onderliggende regel-
geving tot bestedingen leiden. De Perspectieven zijn daarmee op de keper beschouwd
slechts budgetplafonds per categorie van uitgaven. De EU-begroting is overigens de
enige overheidsbegroting ter wereld waarvan de uitgavenkant de inkomstenkant
bepaalt: er mag namelijk per saldo geen tekort en geen overschot zijn. Wat over is,
krijgen de lidstaten terug en een tekort moet uit het ‘eigenmiddelen-systeem’ aangevuld
worden. Nettoposities van de lidstaten zullen daarbinnen steeds verschuiven als men
vasthoudt aan een systeem zoals het huidige dat de facto is gebaseerd op afdrachten
uit de nationale begrotingen. Dat zal telkens weer tot nieuwe onenigheid kunnen leiden.
De AIV acht het, bij alle onvrede over het ‘Grondwettelijk Verdrag’ en zo kort na de
verhitte discussies over de Financiële Perspectieven 2007-2013, niet het moment te
pleiten voor een nieuw financieringssysteem door middel van Europese belastingen.
Die problematiek kan beter even in de politieke luwte worden gehouden. Maar om latere
impasses en politieke schade te voorkomen zou een nader onderzoek door een gezag-
hebbend panel van deskundigen uit de lidstaten dringend nodig zijn.
Aanbevelingen 1 en 2
      De AIV acht het van belang dat de overdracht van middelen aan de EU ten principale
      buiten de nationale begrotingen komt. Alleen dan is het mogelijk om de discussie
      over de inzet van EU-beleid, inclusief de toekenning van middelen, te voeren zonder
      vermenging met telkens weer verschuivende belangen inzake de inkomstenkant van
      de EU-begroting.
      De Europese Raad zou een gezaghebbend panel deskundigen uit de lidstaten
      opdracht moeten geven zich te buigen over een passend systeem van ‘eigen midde-
      len’ voor de EU dat onafhankelijk is van de nationale begrotingen. Dit moet zijn
      beslag krijgen op zeer korte termijn, namelijk vóór 2008, wanneer de eerder
      genoemde financiële herziening op de agenda van de Raad zal staan.
                                              10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>III        De burgers
III.1      De publieke opinie
Het referendum over de ‘Grondwet voor Europa’ van 1 juni 2005 bracht in Nederland
een breed gevoelde scepsis aan het licht over Europese integratie. Decennia lang had
de meerderheid van de bevolking een positief of neutraal oordeel over Europa. Dat legiti-
meerde Nederlandse politici een Europees beleid te voeren op betrekkelijke afstand van
de burgers. Dit beleid werd vormgegeven met hulp van ambtenaren, belanghebbenden
en deskundigen, maar met geringe betrokkenheid van de burgers. De Euroscepsis bleek
naast geïnformeerde kritiek, ook te bestaan uit een mengeling van weerzin, achterdocht,
protest en onwetendheid. Een meerderheid bleek tegenstander te zijn geworden, tenmin-
ste van het Europa zoals dat in het ‘Grondwettelijk Verdrag’ vorm was gegeven. Tegelijk
echter verklaarde de kiezer geen tegenstander te zijn van voortgaande samenwerking in
Europa, al werd niet duidelijk hoe deze gestalte zou moeten krijgen.
Vooral sinds het revolutionaire jaar 1989, toen de Koude Oorlog eindigde, is er veel ver-
anderd in Europa. De verdere liberalisering van de Europese markt, de invoering van de
Tweede Pijler voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en
de Derde Pijler voor het beleid van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ), de monetaire
eenwording en invoering van de euro en de grootschalige uitbreiding door de toetreding
van tien landen op 1 mei 2004 zijn voorbeelden daarvan. Deze veranderingen, die
gepaard zijn gegaan met een reeks verdragswijzigingen, vormden de aanzet tot de
Verklaring van Laken17 en de instelling van de Europese Conventie18 om de Europese
instellingen te hervormen en de besluitvorming te stroomlijnen.
Uit de verschillende opiniepeilingen19 is inmiddels naar voren gekomen dat de klachten
17 De Europese Raad van Laken (15 december 2001) heeft een Verklaring over de toekomst van de Europese
    Unie (Verklaring van Laken) aangenomen, waarin de Unie zich ertoe verplicht democratischer, transparanter
    en doelmatiger te worden. In deze verklaring wordt een zestigtal kwesties in verband met de toekomst van
    de Unie opgesomd, die de volgende vier thema's betreffen: de verdeling en de omschrijving van de
    bevoegdheden, de vereenvoudiging van de verdragen, de institutionele structuren en de weg naar een
    Grondwet voor de Europese burgers. Om deze kwesties te bespreken en de mogelijkheden te onderzoeken,
    voorzag de Verklaring in het bijeenroepen van een Conventie over de toekomst van Europa.
18 De Europese Conventie heeft zich, overeenkomstig de Verklaring van Laken, met name op vier kwesties
    gericht: de verdeling van de bevoegdheden, de vereenvoudiging van de verdragen, de rol van de nationale
    parlementen en het statuut van het Handvest van de grondrechten. Haar werkzaamheden werden op 10 juli
    2003 afgerond, nadat een akkoord was bereikt over een voorstel voor een Europese Grondwet. Op 18 juni
    2004 heeft de Intergouvernementele Conferentie, in de samenstelling van de staatshoofden en regerings-
    leiders, een akkoord bereikt over de door de Conventie opgestelde ontwerp-Grondwet: het Verdrag tot vast-
    stelling van een grondwet voor Europa.
19 Anker Solutions, NederlandinEuropa.nl, Amsterdam, mei 2006; Jos de Beus, Het grote Europese gedrang,
    VDE-Europalezing 2006, Amsterdam, april 2006; Kees Aarts en Henk van der Kolk (red.), Nederlanders in
    Europa, Bert Bakker, Amsterdam 2005; Anker Solutions, Kom maar naar de camping! Tijd voor een reality
    check, Amsterdam, september 2005; Centraal Planbureau/Sociaal en Cultureel Planbureau, Europese
    tijden, Den Haag, september 2005 (bijlage bij de Staat van de Europese Unie 2005-2006); Hans Vollaard
    en Bartho Boer (red.), Euroscepsis in Nederland, Utrecht, Lemma, 2005; Europese Commissie, The
    European Consititution: post-referendum survey in The Netherlands, 2005.
                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>en zorgen van Nederlandse burgers over Europa veranderlijk en grillig zijn. De eerste
metingen tonen een beeld van maatschappelijke somberheid samenhangend met een
minder optimistisch beeld van de economische ontwikkeling. Daarentegen geeft de
Eurobarometer uit de zomer van 2006 voor Nederland een opwelling van optimisme te
zien over de binnenlandse en Europese politiek die iets te maken lijkt te hebben met
het herstel van consumenten- en producentenvertrouwen.20 Samenvattend kan worden
gesteld dat de burgers een reeks voorwaarden stellen aan het Europabeleid en dat het
belangrijk is daarop in te gaan wil dit beleid voldoende draagvlak krijgen. De voorwaar-
den zijn:
- de deelname aan de EU moet voldoende nationale beleidsruimte laten voor Neder-
   landse vrijheden, rechten en gebruiken;
- een nieuw verdrag moet bijdragen aan versterking van het democratisch gehalte van
   de Europese politiek;
- de euro en de EMU moeten zodanig worden vormgegeven en functioneren, dat het
   Nederlandse en het algemene Europese concurrentievermogen in de nieuwe wereld-
   economie structureel versterkt worden;
- het Europese economische beleid moet bepaalde grenzen stellen aan het aandeel-
   houderskapitalisme en de polarisatie van inkomens- en vermogensverhoudingen,
   waarbij Nederlandse sociale verworvenheden en publieke goederen moeten worden
   gerespecteerd;
- een verdere uitbreiding van de EU mag niet ten koste gaan van de verworvenheden
   van, en de samenhang in, de EU; en
- de financiële bijdrage van Nederland aan de EU moet in een redelijke verhouding
   staan tot die van andere landen in de EU.
III.2      De reactie van de Nederlandse regering en het parlement
De Nederlandse regering heeft na het referendum als volgt gereageerd.
1. Monitoring: de regering wil het buitenlandse en Europese beleid van Nederland voe-
    den door regelmatig te meten wat er leeft onder de bevolking.21
2. Onderwijs: conform de aanbeveling die de AIV in december 2005 deed, is in een
    Kamerbrief aangegeven dat Europa in het onderwijs beter op de kaart gezet zal gaan
    worden.22
3. Reflectie: de regering wil ruim de tijd nemen voor komende verdragswijzigingen om
    rekening te kunnen houden met belangrijke politieke ontwikkelingen in de buurlan-
    den, zoals de Franse presidentsverkiezingen in 2007.
4. Subsidiariteitstoets: de Eerste en de Tweede Kamer hebben besloten nieuwe initia-
    tieven van de Europese Commissie en/of de Europese Raad stelselmatig en tijdig te
    bekijken vanuit een Nederlands gezichtspunt en te toetsen op subsidiariteit, oppor-
    tuniteit, proportionaliteit en uitvoerbaarheid, en om de afstemming met Europese
20 Simon Kuper, ‘Holland’s Crowded House’, Financial Times, Weekend, 26-27 August 2006. Hij verwijst naar:
    Europese Commissie, Eurobarometer 65, The Netherlands, Brussels, June 2006.
21 Atzo Nicolaï, Nederland Europa, van droom naar daad, ministerie van Buitenlandse Zaken, Den Haag,
    19 mei 2006.
22 Notitie Europa in het Nederlandse onderwijs, Kamerbrief van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
    Wetenschappen en van het ministerie van Buitenlandse Zaken, 7 september 2006, Kamerstuk 30303,
    nr. A, Eerste Kamer, KST100769.
                                                    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>     organen aan te vullen met een samenwerking met andere lidstaten op zowel het
     niveau van regeringen en ministeries, als het niveau van parlementen en partijen.
     Belangrijk is dat hierdoor de politisering op gang komt (zie ook punt 6).
5. Zakelijke en resultaatgerichte verbetering van de Europese economische politiek.
     Het nationale belang is gediend met (effectief) Europees beleid op gebieden als
     handelsovereenkomsten, toezicht op mededinging, verbetering van de Interne Markt,
     bescherming van milieu en consumenten, en – het laatste doch niet het minste –
     bevordering van onderwijs- en onderzoek in het kader van mondiale concurrentie en
     vooruitgang.
6. Politisering: de regering streeft ernaar om de verdediging van Nederlandse belangen
     in de politieke arena meer zichtbaar te maken voor de burger.
De AIV is van mening dat de regering onvoldoende ingaat op de werkelijke zorgen van
de burgers. Veel burgers zijn immers nog steeds voorstander van Europese samenwer-
king, ook op een aantal gebieden waarop thans nog onvoldoende sprake is van samen-
werking. De erkenning dat burgers concrete resultaten verwachten, vereist naar de
mening van de AIV dat de Unie op een zodanige wijze wordt ingericht en toegerust dat
zij in staat is deze resultaten te leveren. Voor zover burgers vanwege de hiervoor gesig-
naleerde afstand tot het Europese beleid, de noodzaak voor veranderingen niet (meer)
voldoende inzien, zal deze door de regering aan hen moeten worden uitgelegd opdat de
veranderingen op hun instemming kunnen rekenen. De AIV meent dan ook dat in aan-
vulling op de bovenstaande reactie van de regering in elk geval de volgende aspecten
van de Europese integratie nadere aandacht behoeven: het takenpakket, de inrichting
en de uitbreiding.
Volgens de AIV is op deze drie terreinen op afzienbare termijn een goed beredeneerd
en herkenbaar Nederlands beleid nodig; een beleid dat een balans aanbrengt tussen
internationale betrokkenheid en nationaal draagvlak.
III.3     Takenpakket, bestuurlijke inrichting en uitbreiding van de EU
Takenpakket
De vraag of de EU moet streven naar meer of minder taken is een van de twistpunten
in de nationale en internationale discussie. Uit onderzoek23 blijkt dat Nederlandse
burgers weliswaar veel ongenoegen hebben over de EU, maar anderzijds wel degelijk in
substantiële zaken actie van de EU verwacht. Het gaat dan om het verzekeren van
veiligheid, gecoördineerd optreden bij een internationale crisis, het bevorderen van
werkgelegenheid en het bieden van sociale bescherming. Dit betekent dat Europese
samenwerking geboden is op terreinen als terrorismebestrijding, asiel en migratie, het
buitenlands- en defensiebeleid, en het energiebeleid. Echter, onderzoek geeft ook aan
dat deze steun in algemene termen is gesteld, voorwaardelijk is en moet rekenen op
terughoudendheid als het om overdracht van nationale bevoegdheden gaat.
Bij concrete voorstellen voor het aanpakken op EU-niveau van nieuwe onderwerpen
moet in het belang van de burgers steeds op de volgende vragen een bevredigend ant-
woord kunnen worden gegeven. Is er een Nederlands belang/een Nederlandse prioriteit
in het geding? Is de huidige situatie van Europese samenwerking niet bevredigend? Is
er steun voor bij de andere lidstaten? Is het bestuurlijk uitgewerkt (met inachtneming
van de eisen van opportuniteit, proportionaliteit en subsidiariteit)? Leidt een nieuwe
23 Zie voetnoot 19.
                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>maatregel tot verbetering voor Nederland en is dat spoedig of pas veel later zichtbaar?
Gaat het voorstel de bestaande taken en financiële armslag van de EU te buiten? En:
kan de EU de taakuitbreiding wel aan?
Bestuurlijke inrichting
De AIV meent dat een les uit het referendum is dat de nog altijd grote steun van het
Nederlandse volk voor het Europese lidmaatschap nodeloos op de proef wordt gesteld
door de Unie initiatieven te laten afkondigen (zoals de Europese kenniseconomie en het
Europese sociale model) zonder haar de instrumenten te verschaffen deze te kunnen
uitvoeren.24 De AIV is het dan ook niet eens met de regering25 dat het werken aan
onze veiligheid, onze welvaart, de bescherming van het milieu en de energievoorziening
prioriteit zou moeten hebben bóven discussies over de verbetering van de inrichting van
de Unie. Het een kan niet zonder het ander.
Aanbeveling 3
      Een stroomlijning van de bestuurlijke inrichting is nodig om de Unie slagvaardiger te
      maken. Alleen dan hebben de eerdergenoemde acties kans van slagen. Nieuwe
      beleidsinitiatieven en verbetering van de inrichting van de Unie moeten dus hand in
      hand gaan.
In de actuele Nederlandse verkiezingsprogramma’s begint zich voorzichtig een consen-
sus af te tekenen op het terrein van de werking van de Unie.26 Zo stellen vrijwel alle
partijen dat zij af willen van de unanimiteitsregel, althans dat zij een belangrijke uitbrei-
ding willen geven aan besluitvorming via gekwalificeerde meerderheid in plaats van via
unanimiteit. In het buitenlandbeleid (de Tweede Pijler) wil men waar mogelijk meerder-
heidsbesluitvorming, maar voor het defensiebeleid wil men unanimiteit behouden. Daar-
bij willen de meeste partijen grotere zeggenschap voor het EP. Wel willen alle partijen
dat de subsidiariteitstoets wordt toegepast en er goed wordt nagedacht over de verde-
ling van taken tussen de Unie en de lidstaten om onnodige inmenging in nationale aan-
gelegenheden te voorkomen. Toch willen de meeste partijen juist een verdergaande
Europese samenwerking op de terreinen van de JBZ-agenda, asiel- en immigratie, veilig-
heid en energie. Ook willen veel partijen hervorming van de EU-financiën, zij het op
verschillende manieren. Tot slot zijn vrijwel alle partijen het eens over het beter laten
functioneren van de Interne Markt, de EMU en meer Europese samenwerking ter verbe-
tering van de internationale concurrentiepositie.
Het maatschappelijk middenveld en met name de werkgeversorganisatie VNO-NCW heeft
verklaard dat betere regelgeving in de Europese besluitvorming ‘absoluut prioritair’ moet
zijn.27 Zij stelt dat het essentieel is het draagvlak voor Europa bij de bevolking te
24 Ook de Commissievoorzitter bepleit dit. Zie zijn toespraak op 16 oktober 2006 in Londen (Hugo Young
    Lecture, Speech/06/602) en zijn onderhoud met de Franse minister-president (Speaking Points 20060925).
25 Zie: Troonrede 2006, Staatscourant nr. 182, dinsdag 19 september 2006.
26 Zie: verkiezingsprogramma’s 2006. Zie ook: Wilmer Heck en Michèle de Waard, ‘Nederland trekt zich niet
    op de terpen terug. Politieke partijen zijn kater na het ‘nee’ tegen de Europese Grondwet te boven’, NRC
    Handelsblad, 24 augustus 2006.
27 VNO-NCW, Rondje Europa, actuele onderwerpen in het kader van het Finse voorzitterschap van de Europese
    Unie (1 juli 2006 - 1 januari 2007). Zie hierin paragraaf 1.4, Wat dient de agenda voor de toekomst te
    zijn?, pp. 9-10.
                                                         14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>versterken en dat het Europabeleid van Nederland zich zou moeten beperken tot zaken
die een duidelijk grensoverschrijdend karakter hebben, zoals het macro-economische
beleid, de voltooiing van de Interne Markt, hervormingen ten behoeve van groei en
werkgelegenheid, het tegengaan van protectionisme en de Nederlandse positionering in
wereldhandelsvraagstukken.
Uitbreiding
Over de uitbreiding heeft de AIV al eerder geadviseerd ten aanzien van Turkije en de
oostelijke buurlanden van de Unie.28 Voortgaande dialoog is nodig over de toelating
van kandidaatlidstaten: met de eigen burgers over de aangegane, respectievelijk toe-
komstige verplichtingen en met de kandidaten over hoe zij denken te voldoen aan de
gestelde criteria. Dit is geen eenvoudige opgave, zelfs niet voor de langere termijn. Het
gaat immers niet alleen om aanpassing van de economische structuur aan de vrije-
markteconomie, maar ook om overname van het Europese acquis, de democratische
rechtsstaat en het waardenstelsel.
In de praktijk blijkt de institutionele verankering van al deze veranderingen een groot
struikelblok te zijn. Niet verwonderlijk, want het gaat om een zéér ingrijpend verande-
ringstraject. In dit verband bepleit de AIV de mogelijkheden voor differentiatie in het lid-
maatschap te onderzoeken, want in feite bestaat dat al geruime tijd. Een voorbeeld is
de Schengen-overeenkomst, waaraan het overgrote deel van de landen van de EU deel-
neemt, maar waarin ook landen van buiten de EU participeren. Aan de EMU nemen
evenmin alle landen van de EU deel, terwijl de tien landen die in 2004 lid werden, toe-
treden op het moment waarop elk land afzonderlijk daarvoor klaar is.29 Verder wordt in
de toetredingsonderhandelingen van Turkije de discussie over de uitsluiting van vrij ver-
keer van werknemers gevoerd, hetgeen de facto neerkomt op een aangepaste vorm
van lidmaatschap.
Zonder formeel lid te zijn, hebben Noorwegen, IJsland en Liechtenstein deel aan de
Interne Markt door hun toetreding tot de Europese Economische Ruimte. Aldus hebben
zij toch een zekere, zij het een indirecte en beperkte, invloed bij de totstandkoming van
de relevante regelingen.30
Ook wordt wel geopperd dat aspirant lidstaten hun ambitie bijvoorbeeld eerst in een
affiliated membership31 gehonoreerd zouden kunnen zien of bijvoorbeeld ‘traps-
gewijs’32 zouden kunnen toetreden. Een land zou dan in eerste instantie een ‘beperkt’
28 AIV-advies no. 44, De nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie, juli 2005, Kamerstuk buza
    050288; AIV-vervolgadvies no. 37, Turkije: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie en Adden-
    dum: De opstelling van de Europese Unie ten aanzien van Turkije van 1963 tot juni 2004, juli 2004,
    Kamerstuk 040261. Zie ook de Regeringsreactie op AIV-advies no. 44, De nieuwe oostelijke buurlanden
    van de Europese Unie, 8 november 2005, Kamerstuk 23987, nr. 55.
29 Slovenië zal als eerstvolgende lidstaat toetreden tot de EMU op 1 januari 2007.
30 In dit verband wordt wel gesproken van decision shaping in plaats van decision making.
31 F.H.J.J Andriessen, Naar een Continentale Unie: keerpunt?, Dr. Sicco L. Mansholtlezing, Vereniging Europese
    Journalisten Nederland, 15 mei 1996.
32 J. de Zwaan, Trapsgewijs toetreden, Internationale Spectator, nr. 6, juni 2006, pp. 289-290.
                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>lidmaatschap krijgen: eerst GBVB/EVDB33, daarna JBZ en pas daarna deel uit maken
van de Interne Markt met alle aanverwante (economische) beleidsterreinen. Een andere
volgorde is ook denkbaar. Belangrijk is staande te houden dat landen die voldoen aan
alle daaraan gestelde voorwaarden, uiteindelijk volwaardig lid van de Unie kunnen wor-
den, waarbij in het verleden gedane beloften moeten worden nagekomen.
De AIV stelt vast dat er in feite al verschillende vormen van lidmaatschap bestaan en
dat er daarover een meer open discussie mogelijk moet zijn ten aanzien van landen die
het EU-lidmaatschap nastreven. In het verlengde hiervan zou ook met de buurlanden
van de Unie een meer open gesprek mogelijk moeten zijn over deelname aan specifieke
beleidsterreinen.
De ‘nauwere samenwerking’ conform het Verdrag van Nice, hetgeen al mogelijk is vanaf
acht van de vijfentwintig lidstaten verdient in dit verband ook nadere studie (zie ook
paragraaf 5.2, aanbeveling 15 en paragraaf 6.4, aanbeveling 28).
Aanbeveling 4
      De AIV constateert dat met het oog op de verscheidenheid tussen landen die het EU-
      lidmaatschap ambiëren, te gemakkelijk onderscheiden vormen van lidmaatschap op
      voorhand worden verworpen. Een discussie daarover zou een goede aanvulling zijn op
      het Europese nabuurschapsbeleid; een beleid waarin nu iedere vorm van lidmaat-
      schap wordt afgewezen.34
III.4     Betrek burgers bij Europa
De AIV is teleurgesteld dat Europa in de verkiezingscampagne niet de prioriteit krijgt die
het zou moeten krijgen. Nu dermate diepgaande tegenstellingen aan het licht zijn getre-
den over hoe het verder moet met Europa, is de AIV van oordeel dat de politiek van de
kiezers een duidelijker mandaat zou moeten krijgen over de verdere ontwikkeling van
Europese integratie. Het ontbreken van een duidelijke prioriteit voor de betekenis van
Europa kan alleen maar negatieve gevolgen hebben voor het optreden van regering en
parlement in de voor ons liggende cruciale periode. Zowel de te verwachten aanzetten
van het Duitse voorzitterschap van de EU vanaf januari 2007, als de komende herzie-
ning van de structuur van de financiering van de EU, naast de politieke agenda in een
aantal lidstaten (waaronder Frankrijk), onderstrepen de noodzaak van een duidelijke
stellingname van Nederland.35 Indien genoemde zaken al niet een politieke prioriteit
zijn in de verkiezingscampagnes, rechtvaardigt een programmatische opstelling van de
meeste politieke partijen wèl een dergelijke prioriteitstelling van de desbetreffende
33 Gemeenschappelijk buitenlands en defensiebeleid/Europees veiligheids- en defensiebeleid. Een voorbeeld is
    de praktijk in de West Europese Unie, waar landen vooruitlopend op lidmaatschap alvast een plaats aan de
    onderhandelingstafel krijgen.
34 AIV-advies no. 44, De nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie, juli 2005, Kamerstuk
    buza 050288.
35 Zonder zich te willen spiegelen aan een buitenlands voorbeeld tel quel, is opvallend dat in de Franse verkie-
    zingscampagne rond het presidentschap het lot van Europa een belangrijke rol speelt. Het gaat hier niet
    zozeer om de door de meest opvallende pretendenten ingenomen posities, als wel het feit dat blijkbaar zo’n
    standpunt omtrent de Franse positie naar de Franse kiezer ‘onmisbaar’ is. Zou dit niet eveneens voor de
    Nederlandse kiezer gelden?
                                                     16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Tweede Kamerfracties. Gezien de behoefte van de burgers aan duidelijkheid en per-
spectief, acht de AIV het van groot belang dat bij de komende kabinetsformatie met
deze behoefte aan duidelijke stellingname terdege rekening wordt gehouden.
Aanbeveling 5
     De discussie over de toekomst van Europa moet veel sterker worden gepolitiseerd
     dan nu het geval is. Daarbij gaat het niet alleen om de invoering van de subsidiari-
     teitstoets door het parlement, maar ook om het centraal stellen van de verdere rich-
     ting en ontwikkeling van Europese integratie in het komende regeringsprogramma.
De AIV is van oordeel dat de legitimiteit van het besluitvormingsproces moet worden
verbeterd door burgers betere mogelijkheden te geven instemming met, of afwijzing
van, een bepaalde koers kenbaar te maken en dat oordeel van invloed te doen zijn op
daaropvolgende besluitvorming.
De AIV heeft in eerdere adviezen al gewezen op het belang van Europese partijvorming
voor grotere herkenbaarheid van de Europese politiek.36 Hij heeft daarbij gewezen op
de voorstellen van het EP om bij de verkiezingen van 2009 een deel van het Parlement
via Europese lijsten te laten kiezen en deze voorstellen ondersteund. Bovendien is
sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht de mogelijkheid voorzien van
financiële steun voor Europese partijvorming. Van deze mogelijkheid zou naar de
mening van de AIV meer gebruik dienen te worden gemaakt om de herkenbaarheid van
Europese partijen te vergroten.
Verder zouden de lijstaanvoerders van de grote Europese politieke partijen bereid moeten
zijn zich kandidaat te stellen voor het voorzitterschap van de Europese Commissie.37
Een en ander zou ertoe moeten leiden dat er voor Europese verkiezingen door daad-
werkelijke Europese partijen campagne wordt gevoerd waarbij de kiezer de facto stemt
voor de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie.
De lidstaten en de voorzitter van de Europese Commissie zouden er bij de samenstelling
van de Europese Commissie naar kunnen streven dat de Commissie wat betreft de poli-
tieke signatuur van haar leden een reflectie vormt van het resultaat van de Europese
verkiezingen.
Het EP zou erop kunnen toezien dat het door de Commissie gepresenteerde werkpro-
gramma eveneens rekening houdt met de uitkomst van de Europese verkiezingen. Het
in het Verdrag van Maastricht aan het EP toegekende recht om de Europese Commissie
te verzoeken voorstellen te doen (artikel 192) ligt in het verlengde hiervan, al moet
worden vastgesteld dat er tot dusverre nauwelijks gebruik van is gemaakt.38
36 Zie AIV-advies no. 12, De IGC 2000 en daarna, op weg naar een Europese Unie van 30 lidstaten, januari
    2000, pp. 18-19 en 27-28 en AIV-advies no. 5, Europa Inclusief II, november 1998, pp. 26-28.
37 Eveneens aanbevolen in AIV-advies no. 12, De IGC 2000 en daarna, op weg naar een Europese Unie van
    30 lidstaten, januari 2000, pp. 7 en 19 en in AIV-advies no. 5, Europa Inclusief II, november 1998, p. 25.
38 De AIV heeft een soortgelijke aanbeveling gedaan in het AIV-advies no. 12, De IGC 2000 en daarna, op
    weg naar een Europese Unie van 30 lidstaten, januari 2000, p. 27.
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>IV       Prioriteiten in het bestaande beleid
IV.1     Inleiding
Het is onvermijdelijk dat de invulling van het takenpakket en de eventuele verbreding
daarvan ten koste gaat van de nationale beleidsruimte. Een zeker ongenoegen daar-
over is duidelijk gebleken in de voorafgaande analyse van de beleving van de burgers.
De AIV acht het noodzakelijk, dat kritisch wordt nagegaan òf en, zo ja, in hoeverre bij
de overdracht van bevoegdheden die in het verleden heeft plaatsgevonden rekening is
gehouden met de daaruit voortvloeiende beperking van de nationale speelruimte. In het
kader van dit advies kan een dergelijke uitputtende onderneming niet worden uitge-
voerd, maar de Europese Commissie heeft inmiddels consequent de evaluatie ervan ter
hand genomen. In dit hoofdstuk zal enkel worden nagegaan of met dit aspect voldoen-
de rekening is gehouden voor enkele onderdelen van bestaand beleid die van wezenlijk
belang zijn voor de behartiging van Nederlandse en bovennationale belangen in Euro-
pees verband.
Hieronder worden de kosten en de baten van het tillen van beleidsonderwerpen naar
het Europese niveau vergeleken. Het verlies aan nationale bevoegdheden wordt als
kosten gezien, omdat er één beleid wordt gevoerd voor alle lidstaten en de nationale
beleidsruimte daardoor wordt beperkt. Er kan dan minder goed worden ingespeeld op
nationale omstandigheden zoals uiteenlopende economische ontwikkelingen en uiteen-
lopende voorkeuren (bijvoorbeeld ten aanzien van sociale zekerheid). Daar staan baten
tegenover, zoals onder meer de toenemende invloed van beleid buiten de nationale
landsgrenzen, de toegenomen efficiëntie, kostenbesparing, grotere beschikbaarheid,
meer keuzemogelijkheden, en een gelijk speelveld voor de concurrentie.
De vraagstelling wat de Nederlandse burger van de EU verwacht en welke taken de EU
op dit moment met voorrang op zich moet nemen in het Nederlandse belang.
Naar het oordeel van de AIV zou de EU in ieder geval – en met voortvarendheid – de
volgende taken in de komende periode op zich moeten nemen:
- de voltooiing van de Interne Markt;
- de voltooiing van de EMU;
- de verbetering van de internationale concurrentiepositie;
- de verdere ontwikkeling van het GBVB;
- de regulering van de immigratie;
- de handhaving van de interne en externe veiligheid;
- de zekerstelling van energievoorziening; en
- een betere inrichting van de EU.
Dit hoofdstuk gaat verder in op de eerste drie onderwerpen, welke deel zijn van het
bestaande beleid van de EU, maar nadrukkelijk aandacht verdienen. In hoofdstuk V zal
vervolgens worden ingegaan op een drietal nieuwe beleidsprioriteiten voor de EU. Het
gaat om intensivering van bestaand beleid (de regulering van de immigratie en de hand-
having van de interne en externe veiligheid), dan wel om een voor de EU nieuw beleids-
terrein (de zekerstelling van de energievoorziening). Alleen op het GBVB zal niet verder
                                             18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>worden ingegaan, maar wordt verwezen naar eerdere AIV-adviezen ter zake.39 Wel komt
het GBVB zijdelings ter sprake in paragraaf V.1 over het asiel- en immigratiebeleid.
In het zesde hoofdstuk komt de verbetering van de inrichting van de Unie aan bod,
waarbij concreet wordt ingegaan op verdragswijzigingen en wat in afwachting daarvan
alvast kan worden gedaan zonder wijziging van de bestaande verdragen.
Voorafgaand aan de uitwerking van een drietal prioritaire beleidsterreinen in hoofdstuk V
wil de AIV duidelijk stellen dat naast de nieuwe beleidsprioriteiten ook het bestaande
beleid permanent om actie vraagt. Zo zijn de voltooiing van de Interne Markt en de
Economisch Monetaire Unie (EMU) van niet te onderschatten belang voor de verbetering
van de internationale concurrentiepositie van de EU en van Nederland. Burgers zien
hier voor de EU een belangrijke taak weggelegd.
IV.2       De Interne Markt en de economische en sociale waarden
De voltooiing van de Interne Markt blijft van enorm belang voor de economie en het
bedrijfsleven. Zij biedt directe voordelen voor burgers, zoals een ruime keuze aan
goederen en diensten en, niet onbelangrijk voor het goed functioneren van de Interne
Markt, een goede consumentenbescherming. Belangrijke recente verworvenheden van dit
samenspel zijn bijvoorbeeld de totstandkoming van één standaard voor gsm en voor
tv-kanalen en de verlagingen van de prijzen voor bijvoorbeeld vliegtickets en tele-
communicatie.
Bij de aandacht voor de voltooiing van de Interne Markt hoort ook het uitdragen van het
waardenbestel van Europa, dat leidt tot een ander sociaal en economisch model dan
bijvoorbeeld de Verenigde Staten. Burgers hechten daaraan: het vormt de basis voor
duurzame economische groei.
De breed gedragen waarden van de EU, zoals vrede en veiligheid gebaseerd op vrijheid
en democratie, betekenen dat er voor burgers ruimte is geschapen voor economische,
sociale, burgerlijke en politieke vrijheden en rechten. Burgers hechten aan deze verwor-
venheden van een sociaal Europa, dat staat voor solidariteit, duurzaamheid en mens-
waardigheid. Deze waarden liggen ten grondslag aan het respect voor de mensenrechten
en de bescherming van de persoonlijke vrijheid.
Deze waarden moeten niet alleen naar buiten toe maar ook naar de eigen burgers wor-
den uitgedragen. In het huidige tijdsgewricht, waarin de diversiteit van burgers sterk is
toegenomen, is een permanente dialoog over dit onderwerp nodig: met de verschillende
maatschappelijke groeperingen en met de diverse nationaliteiten die in de EU wonen.
Vooral is het belangrijk de identiteit van Europa te versterken en daarmee de grootscha-
lige onverschilligheid en onwetendheid tegen te gaan.40 Om dat te bereiken, zou bij
Europese, maar ook nationale maatregelen moeten worden aangegeven op welke wijze
39 Zie onder meer AIV-advies no. 27, Een brug tussen burgers en Brussel, naar meer legitimiteit en slagvaar-
    digheid voor de Europese Unie, mei 2002, p. 34 (Kamerstuk 020297) en AIV-advies no. 32, Een brug
    tussen burgers en Brussel, naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor de Europese Unie, Vervolgadvies,
    april 2003 (Kamerstuk 03000111).
40 Van Staden, A. The Right to Govern: The Democratic Legitimacy of the European Union, Clingendael Institute,
    November 2003.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>deze aan bovengenoemde waarden zijn gekoppeld.
Aanbeveling 6
     In de visie van de AIV moet de EU de breed gedragen waarden zoals vrede, veilig-
     heid, vrijheid en democratie, meer uitgesproken in haar beleid uitdragen en de nood-
     zaak van een sociaal Europa duidelijk maken.
‘Europa’ heeft via vergaande economische integratie een belangrijke bijdrage geleverd
aan de naoorlogse welvaartsstijging. Becijferd is dat alleen al het handelsbevorderende
effect van integratie heeft geresulteerd in een inkomensstijging van 10%.41 De toena-
me is nog groter als hier andere positieve effecten bij worden opgeteld, zoals de toege-
nomen concurrentie door Europese mededingingsregels en meer efficiëntie door de
komst van de euro en de integratie van de financiële sector.
Tegelijkertijd is de economische integratie van Europa nog lang niet volledig en wordt
het grensoverschrijdende economische verkeer nog steeds belemmerd door nationale
barrières, zoals verschillen in nationale vergunningen, technische regelgeving en natio-
nale monopolies. Dit speelt bijvoorbeeld in de dienstensector (de assepoester van de
Interne Markt), maar ook de energiesector is nog maar pas begonnen zich tot een
markt om te vormen. In vrijwel alle lidstaten stuit de verdere integratie op het punt van
de diensten op wijdverbreide weerstand. Toch is de dienstensector goed voor meer dan
70% van het BNI van de EU. De commerciële diensten omvatten ongeveer de helft
daarvan en het is vooral in dit laatste segment dat de groei van de werkgelegenheid
wordt gerealiseerd.
Aanbeveling 7
     Gezien het grote belang voor de economische groei beveelt de AIV de regering aan
     een gerichte publicitaire inspanning te doen om het economisch belang van verdere
     dienstenliberalisering voor de burgers duidelijk voor het voetlicht te brengen.
IV.3     De Economische en Monetaire Unie
De nakoming door de deelnemende landen van de verplichtingen die voortvloeien uit
de Economische en Monetaire Unie, is duidelijk voor verbetering vatbaar. Daarvoor is
van groot belang dat het (inmiddels aangepaste) Stabiliteits- en groeipact, dat de EMU-
landen in budgettair opzicht bij de les moet houden, onverkort wordt gehandhaafd.42
Essentieel is dat in budgettair opzicht in goede tijden wordt geconsolideerd.
Weliswaar ziet de AIV dat internationale vergelijking tussen de lidstaten een discipline-
rende werking heeft, maar acht een verbetering van de effectiviteit waarmee aangegane
verplichtingen kunnen worden afgedwongen noodzakelijk om op termijn de monetaire
41 CPB, Macro-economische verkenningen 2006, Opbrengsten en kosten van Europa, pp. 152-153. Het CPB
   geeft aan dat Europeanen niet alleen profiteren van economische integratie via de Interne Markt, maar ook
   van de coördinatie van beleid door de EU. Coördinatie helpt verspilling te voorkomen door overlap van
   beleidsinspanningen of ongewenste interacties tussen overheden (race to the bottom). De omvang hiervan
   is moeilijk in te schatten.
42 Zie onder meer de Financial Times van 28 juli 2006. Daarin merkte de Duitse minister van Economische
   Zaken op dat de economische beleidscoördinatie in het eurogebied ‘deeply unsatisfactory’ is. De president
   van de ECB noemde het tijdens zijn persconferentie op 3 augustus ‘of crucial importance that euro area
   governments avoid pro-cyclical policies and step up the pace of fiscal consolidation’.
                                                     20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>stabiliteit te handhaven. Dat zou bovendien het publieke draagvlak voor de Europese
integratie ten goede komen. In paragraaf VI.5 wordt nader ingegaan op het functioneren
van de ‘methode van open coördinatie’; zie ook aanbeveling 32.
Aanbeveling 8
     De AIV wijst op het belang van een effectieve beleidsmatige ondersteuning van de
     gemeenschappelijke munt in aanvulling op de voltooiing van de Interne Markt.
IV.4     De externe concurrentiepositie
De externe concurrentiepositie van de EU43 wordt in hoge mate bepaald door de Inter-
ne Markt, de gemeenschappelijke munt en het open handels- en investeringsbeleid.
Deze factoren liggen geheel binnen de bestaande beleidmarges van de EU, al blijkt in
de praktijk dat lidstaten ook op deze terreinen zeer terughoudend kunnen zijn om
Europese beleidsinitiatieven te steunen. Ten aanzien van de eerstgenoemde drie facto-
ren blijft het Lissabonproces (bij de thans geldende taakverdeling tussen de lidstaten
en de Unie) de beste strategie voor Europa om het hoofd te bieden aan huidige en
toekomstige economische problemen met behoud van het Europese sociale model. De
uitvoering van de Lissabonhervormingen ligt hoofdzakelijk bij de lidstaten; de Europese
bijdrage aan de uitvoering beperkt zich voornamelijk tot de methode van open coördinatie
en is afhankelijk van peer pressure. Hoewel ervoor moet worden gewaakt dat de
Lissabonagenda realistisch blijft, moet zoveel mogelijk worden vastgehouden aan de
oorspronkelijke doelstellingen en tijdslimieten, zodat er druk blijft op het politieke pro-
ces. Eén van de voorstellen die de werkgroep onder leiding van oud-premier Kok bij zijn
evaluatie van de Lissabonagenda heeft gedaan, is het opstellen van een jaarlijkse lijst
van de prestaties van de EU-landen.
Het Europese interne en externe beleid krijgt gestalte mede op basis van het waarden-
bestel dat ten grondslag ligt aan de EU. Dit waardenbestel beïnvloedt bijvoorbeeld het
beleid op aspecten van duurzaamheid (milieubeleid, ontwikkelingsbeleid en sociaal
beleid). Dergelijk beleid kan ingrijpende gevolgen hebben voor de internationale concur-
rentiepositie van de EU. De AIV bepleit daarom dat de EU over dit waardenbestel en het
daaruit voortvloeiende beleid een intensieve dialoog voert met belangrijke handels-
partners.
Aanbeveling 9
     Om de uitdagingen van de mondialisering het hoofd te bieden, is volgens de AIV
     verdere economische integratie van Europa essentieel, inclusief de verdere integratie
     van de nieuwe lidstaten in het verband van de EU.
Aanbeveling 10
     De AIV stelt voor dat de regering bevordert dat in de toekomst vergelijkingen van de
     lidstaten worden gepubliceerd over het behalen van de Lissabondoelstellingen.
Zaken als efficiënte allocatie, schaalvoordelen, innovatie, investeringsprikkels en
gemakkelijke verbreiding van nieuwe technologieën zijn van belang voor Europese bedrij-
ven om hun positie op de wereldmarkt te behouden en uit te bouwen. Anderhalf miljard
goedkope arbeidskrachten uit opkomende markten zijn bezig de wereldmarkt te
43 De AIV verwacht binnenkort een adviesaanvraag over dit onderwerp met betrekking tot de opkomende
    markten in Azië.
                                                   21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>betreden. In 1980 werkte 70% van de werknemers in de wereld in markten die nog
geen toegang hadden tot de wereldmarkt; in 2001 was dat nog maar 10%. Europa als
geheel heeft de laatste twee decennia kans gezien zijn positie op de wereldmarkt te
behouden. De totale productie steeg in die tijd met 40%. Daarbij valt op dat problemen
met het concurrentievermogen van de EU niet algemeen zijn, maar geconcentreerd in
bepaalde lidstaten en bepaalde gebieden en sectoren daarbinnen.
Aanbeveling 11
      Wat betreft het handelsbeleid van de EU pleit de AIV ervoor om de versterking van het
      multilaterale rechtssysteem van de WTO centraal te blijven stellen en er strikt op toe
      te zien dat eventuele bilaterale en regionale akkoorden die de EU sluit, verenigbaar
      zijn met de WTO-regels.
Mondialisering brengt voor burgers ingrijpende veranderingen teweeg die rechtstreeks
van invloed zijn op hun vermogen het bestaande welvaartsniveau te handhaven, ten
volle van hun pensioen te genieten en een goede toekomst voor hun kinderen te verze-
keren. Verhoging van de concurrentiekracht van Europa als geheel is een middel om het
hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de mondialisering. De verhoging van de
Europese concurrentiekracht kan van burgers offers vragen in termen van verlies van
arbeidsgarantie, verlies van invloed op economische beslissingen en wegvloeiing van
economische activiteit naar andere Europese lidstaten. Het feit dat deze offers nodig
zijn, wordt niet veroorzaakt door een autonoom en oncontroleerbaar ‘voortduwende’
Europese Unie, maar doordat mondialisering samenwerking in Europees verband nodig
maakt. Op nationale regeringen rust de taak burgers uit te leggen dat een effectieve
concurrentie binnen de Europese Unie samen met een werkzaam handelsbeleid hen
wapent tegen de negatieve gevolgen van mondialisering.
Aanbeveling 12
      De AIV adviseert de regering de burgers beter voor te bereiden op de onvermijdelijke
      en dikwijls omvangrijke veranderingen die de mondialisering met zich meebrengt.
Het Europese globalisation adjustment fund,44 dat de Commissie heeft voorgesteld, kan
wellicht een nuttige, zij het in de context van alle veranderingen die door mondialisering
worden teweeggebracht beperkte, functie vervullen. Daarbij is het wel van belang dat
het gericht is op de facilitering van veranderingen en scholing in de veranderende
arbeidsmarkt en niet op het behoud van bestaande structuren. De AIV vindt wel dat er
studie moet worden gemaakt hoe dit fonds en de beschikbare middelen ervoor zich ver-
houden tot de bestaande instrumenten, zoals sociale, regionale en structuurfondsen
alsmede de financieringen door de Europese Investeringsbank.
In het vorenstaande zijn kernpunten van het Europabeleid aangegeven. Dat neemt niet
weg dat op tal van andere terreinen, zoals milieu, bescherming van privacy en consumen-
tenbescherming de kosten-batenanalyse eveneens in het voordeel van de burgers uitvalt.
44 Proposal for a regulation of the European Parliament and of the Council establishing the European
    Globalisation Adjustment Fund, Brussels, COM(2006) yyyfinal, zie ook: Press release IP/06/245, 1 March
    2006 en MEMO/06/99, 1 March 2006. In het voorstel wordt een maximum bedrag van K 500 miljoen per
    jaar genoemd.
                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>V         Nieuwe beleidsprioriteiten
V.1       Een gemeenschappelijk asiel- en immigratiebeleid
Politieke instabiliteit vertaalt zich vaak in plotselinge grote migratiestromen; daarnaast
kan gebrek aan economische vooruitzichten ook tot migratie aanleiding geven, zeker
wanneer beide verschijnselen elkaar versterken. Het eerste heeft zich in het laatste
decennium van de vorige eeuw voorgedaan in de Balkan en het laatste is actueel in de
toenemende stroom migranten die zich aandient op de Canarische Eilanden, het
Iberisch Schiereiland, Italië en Malta.
Asiel en immigratie zijn gevoelige beleidsterreinen, waarmee de lidstaten van de EU
meer en meer te maken krijgen, ook al omdat de implicaties ervan op andere terrei-
nen, zoals voorzieningen voor huisvesting, onderwijs, medische en sociale bijstand,
dikwijls groot zijn. Daarbij zijn de grondrechten in het geding.
Vanuit het perspectief van de Unie houden de beleidsterreinen asiel en immigratie ten
nauwste verband met de functionering van de Interne Markt. Zoals de gemeenschappe-
lijke handelspolitiek als externe dimensie van het goederen- en dienstenverkeer kan
worden aangemerkt, zo kunnen asiel en immigratie worden beschouwd als onderdeel
van de externe dimensie van het vrij verkeer van personen.
Tussen de lidstaten wordt over deze zaken van oudsher samengewerkt op bilaterale of
multilaterale (bijvoorbeeld Benelux) basis. In Europa is de samenwerking op het gebied
van asiel en immigratie vooral op gang gekomen door de uitvoeringsovereenkomst van
Schengen van 1990, die in 1995 in werking trad. Naar voorbeeld van deze samenwer-
king zijn asiel en immigratie opgenomen in de zogenaamde Derde Pijler (JBZ) van het
Verdrag van Maastricht (dat overigens al in 1993 in werking is getreden).
Binnen de EU is het concrete beleid vooral ontwikkeld sedert de inwerkingtreding van
het Verdrag van Amsterdam (in mei 1999), toen onder andere asiel en immigratie wer-
den ‘gecommunautariseerd’ en het Schengen-acquis in zijn geheel werd geïntegreerd in
het acquis van de Europese Unie. Sedertdien is de juridische invulling vormgegeven in
het Programma van Tampere. In een tijdsbestek van vijf jaar is daarin het programma
van Titel IV van (het Derde deel van) het EG-Verdrag juridisch ingevuld, zij het vaak met
besluiten met een beperkte of zelfs minimale reikwijdte; zeker inzake asiel. Naast de
materiële invulling van het begrip ‘vluchteling’, betreffen zij in het bijzonder procedurele
aspecten, zoals de behandeling van asielverzoeken en de behandeling van de asielzoe-
ker en zijn gezinsleden.45
Met betrekking tot immigratie46 valt, naast een aantal maatregelen inzake de bestrijding
van illegale immigratie, slechts te wijzen op een beperkt aantal algemene besluiten,
45 Zie voor de concrete onderwerpen de opsommingen in artikel 63, leden 1 en 2, EG-Verdrag.
46 Zie artikel 63, leden 3 en 4, EG-Verdrag.
                                                 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>zoals de Gezinsherenigingsrichtlijn47 en de Richtlijn inzake langdurig ingezetenen.48 De
AIV concludeert dat in het verloop van vijf jaar weliswaar over alle onderwerpen beslui-
ten zijn genomen, maar dat de juridische invulling traag verloopt en de uitvoering te
wensen overlaat.
Het beleid ten aanzien van uitzetting van migranten valt onder de aanpak van illegale
immigratie, iets wat tot het terrein van Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken
(PJSS) behoort en dus niet is gecommunautariseerd. De AIV betreurt het dat van de
plannen om de lasten gezamenlijk te dragen in de Unie zeer weinig is terechtgekomen.
Als opvolger van de Conclusies van Tampere beschikt de EU inmiddels over het Haags
Programma van november 2004,49 dat is geïmplementeerd door het Actieplan van de
Raad en de Commissie van juni 2005.50 Uit de inhoud van beide documenten blijkt
dat het voor de toekomst, dat wil zeggen de periode tot 2010, duidelijk gaat om een
tweede fase waar wat betreft asiel de nadruk niet meer ligt op minimumnormen, zoals
eerder nog wel het geval was, maar op het belang van een werkelijk Gemeenschappe-
lijk Europees Asielsysteem. Wat betreft immigratie komen nu onderwerpen aan de orde
zoals legale migratie en voorzieningen op het gebied van integratie.
In dit Programma wordt ook zeer nadrukkelijk de externe dimensie van het gemeen-
schappelijk asiel- en immigratiebeleid genoemd. Die externe dimensie komt tot uitdruk-
king in het sluiten van overeenkomsten met derde landen inzake ‘terugkeer en over-
name’ van illegale onderdanen. Hier raakt het gemeenschappelijk asiel- en immigratie-
beleid aan het GBVB (de Tweede Pijler), de ontwikkelingssamenwerking en het handels-
politieke beleid. De behoefte aan een gemeenschappelijk optreden op het gebied van
asiel en immigratie vraagt bovendien om beleidscoherent optreden van de Unie.51
Het voorgaande zou ook tot gevolg moeten hebben dat het toelatingsbeleid van vreem-
delingen, dat tot dusver een zuiver nationale aangelegenheid is,52 meer voorwerp van
Europees overleg wordt. De noodzaak daarvan wordt aangetoond door de eenzijdige
legalisering door Spanje, Italië en Frankrijk van vele tienduizenden illegale immigranten
in 2005/2006. Immers, zodra een lidstaat verblijfsrecht aan een onderdaan uit derde
landen verleent, verkrijgt deze met zijn gezin door de werking van de Interne Markt toe-
gang tot andere lidstaten om daar – onder voorwaarden die te maken hebben met het
bezit van eigen middelen en het hebben van een ziektekostenverzekering – een nieuw
47 Richtlijn van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, Pb L 251/12 van
    3 oktober 2003.
48 Richtlijn van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen
    van derde landen, Pb L 16/44 van 23 januari 2004.
49 Pb EU C 53/1 van 3 maart 2005.
50 Pb EU C 198/1 van 12 augustus 2005.
51 Artikel 3, tweede alinea, EU-Verdrag.
52 Ook het ‘Grondwettelijk Verdrag’ beschouwde het als een nationale bevoegdheid: artikel III-267 lid 5.
                                                    24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>bestaan op te bouwen. In zijn briefadvies Van binnengrenzen naar buitengrenzen53 is
de AIV uitvoerig op de hier beschreven problematiek ingegaan. De daar gedane aanbe-
velingen hebben helaas weinig aan actualiteit ingeboet. Op dit terrein wil de AIV nu een
stapje verder gaan dan zijn eerdere advisering. Daarbij wijst de Raad op het belang
voor de Europese burgers van een gezamenlijke Europese aanpak.
Aanbeveling 13
      De Nederlandse regering moet streven naar meer regelgevende bevoegdheden voor
      de Unie op het gebied van toelating van vreemdelingen, leidend tot een volwaardig
      en communautair asiel- en immigratiebeleid. Een potentieel succesvolle Europese
      aanpak is volgens de AIV: de instelling van een Europees asielagentschap; een
      consultatiemechanisme bij voorgenomen legalisering van illegale immigranten; het op
      Europees niveau onaantrekkelijk maken van het in dienst nemen van illegalen; en de
      communautisering van het uitzettingsbeleid.54
Het huidige asiel- en immigratiebeleid is sterk gericht op uitsluiting en heeft een defen-
sief karakter. Dat heeft grote nadelen, omdat een dergelijk beleid de criminaliteit in de
kaart speelt, die gebruik maakt van het feit dat voor velen die toegang tot de EU zoe-
ken – om welke reden dan ook – alleen nog de niet-officiële weg openstaat. Het geeft
verder aanleiding tot mensonterende situaties.
Aanbeveling 14
      Er is naar de mening van de AIV alle reden voor de Nederlandse regering om zich in
      te spannen voor een asiel- en immigratiebeleid dat mede uitgaat van het opnemen
      (inclusion) in plaats van een beleid dat alleen het uitsluiten (exclusion) voorop stelt.
      Er zou studie moeten worden gemaakt hoe zo’n beleid moet worden geformuleerd.
V.2       Een gemeenschappelijk intern en extern veiligheidsbeleid
Evenals het asiel- en migratiebeleid valt het veiligheidsbeleid sinds de inwerkingtreding
van het Verdrag van Maastricht op 1 november 1993, onder de samenwerking op het
terrein van JBZ. Op 1 mei 1999, ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag van
Amsterdam, werd naast het asiel- en migratiebeleid ook de controle van de buitengrenzen
overgeheveld naar de Eerste Pijler.55 De aanslagen van 11 september 2001 alsmede de
aanslagen in Madrid (11 maart 2004) en die in Londen (7 juli 2005) hebben indirect
forse impulsen gegeven aan de verdere ontwikkeling van het JBZ-instrumentarium. In
november 2004 werd door het Haags Programma de bestrijding van het terrorisme en
de uitwisseling van data op basis van het zogeheten beschikbaarheidsbeginsel56
53 AIV-Briefadvies no. 7, Van binnengrenzen naar buitengrenzen, ook voor een volwaardig Europees asiel- en
   migratiebeleid in 2009, maart 2004.
54 Ook zou het opheffen van de bestaande beperkingen beroep in te stellen tegen handelingen van de instel-
   lingen inzake visa, asiel, immigratie e.d. aanbeveling verdienen. Zie artikel 68 EG-Verdrag, dat beroep
   alleen openstelt voor rechters in laatste aanleg.
55 Dit is de communautaire dimensie van de Europese Unie.
56 Dit beginsel houdt in dat bepaalde gegevens welke toegankelijk zijn voor de autoriteiten van de lidstaat die
   deze gegevens beheert, ook ter beschikking moeten worden gesteld aan de daarmee vergelijkbare bevoeg-
   de autoriteiten van de andere lidstaten en van Europol. Zie: Europese Unie, Algemeen Verslag 2005,
   Politie- en douanesamenwerking, webpagina: <http://europa.eu/generalreport/nl/2005/rg81.htm>.
                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>toegevoegd aan het Programma van Tampere.
Uit een evaluatie van het Programma van Tampere, die werd gepubliceerd in de zomer
van 2004, komt naar voren dat de lidstaten overwegend matig presteren in het nako-
men van de toegezegde verplichtingen op het JBZ-terrein; de JBZ-Raad wil een dergelij-
ke evaluatie van de Commissie en de lidstaten herhalen in 2007.57
Voorstellen voor de oprichting van een Europees Openbaar Ministerie, en voor de com-
munautarisering van drie agentschappen (de Europese Politiedienst, Europol; de Euro-
pese Politieacademie, CEPOL en het Europese Agentschap voor Beheer van de Opera-
tionele Buitengrenzen, FRONTEX), zullen de komende jaren hechtere samenwerking
tussen een beperkt aantal lidstaten vergen. Het Verdrag van Prüm, het Verdrag van
Enschede en het Verdrag van Senningen58 laten zien dat politie en justitie op kleinere
schaal bereid zijn grensoverschrijdend en operationeel vergaand samen te werken op
terreinen van crisisbeheersing, handhaving van de openbare orde en criminaliteitsbe-
strijding. Deze Verdragen zijn intergouvernementeel, maar men kan zich afvragen of der-
gelijke zaken niet veel beter als ‘nauwere samenwerking’ in het kader van het
Unie-Verdrag kunnen worden aangepakt.
De AIV is van oordeel dat de EU zich terecht heeft ingezet voor meer samenwerking op
het gebied van veiligheid en politie tegen de achtergrond van de latente bedreiging van
de veiligheid. Uit de ontstaansgeschiedenis van de ontwerp-Grondwet blijkt dat consen-
sus is verkregen omtrent een grotere handelingsbevoegdheid van de Unie op dit terrein,
zij het met inachtneming van nationale autonomie en differentiatie. Recent heeft de
Europese Commissie een voorstel gedaan om het terrein van de interne veiligheid, dat
wil zeggen PJSS, over te hevelen naar de Eerste Pijler. Deze overheveling is mogelijk
door gebruik te maken van een passerelle of overgang in een verdrag waar hoofdstuk
VI nader licht op werpt. Het is dan ook te betreuren dat onlangs in Tampere de meer-
derheid van de lidstaten zich tegen de ideeën van de Commissie ter zake heeft ver-
zet.59 Het wekt verbazing dat lidstaten die overigens hechten aan het ‘Grondwettelijk
Verdrag’ dat tot een dergelijk beleid zou hebben verplicht, er tegen waren.
57 Council of the European Union, Conclusions, Justice and Home Affairs, Luxembourg, 5-6 October 2006,
    13068/06 (Presse 258), Press Release 2752nd Council Meeting, zie webpagina:
    <http://www.eu2006.fi/news_and_documents/conclusions/vko42/en_GB/1161023606535_1/>.
58 Het Verdrag van Prüm inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder
    ter bestrijding van terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie werd op 27 mei
    2005 ondertekend door België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Spanje en staat
    open voor de andere lidstaten van de Unie. Zie Raadsdocument 10900, 7 juli 2005. Het Memorandum
    van Senningen is een overeenkomst inzake de samenwerking op het terrein van politie, justitie en immigratie
    tussen de ministers van Justitie van België, Nederland en Luxemburg, de ministers van Binnenlandse Zaken
    van België en Nederland en de minister van de Force publique van Luxemburg en is op 4 juni 1996 onder-
    tekend. Zie Benelux Almanak 2005. Het Verdrag van Enschede betreft politiële samenwerking tussen
    Nederland en Duitsland. Het Verdrag is ondertekend op 7 juni 2006, maar nog niet in werking getreden.
    Zie: Traktatenblad 2005-86 en 2005-241.
59 Informele JBZ-Raad in Tampere, 21 en 22 september 2006, zie hierover de Kamerbrief, Kamerstukken II
    22 112, nr. 464, p. 11.
                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 15
       De AIV bepleit dat de regering zich inspant om het aantal landen dat deelneemt aan
       verdragen als die van Prüm en Enschede uit te breiden zodat deze verdragen aan-
       hangig kunnen worden gemaakt onder de Nice-clausule voor nauwere samenwerking.
       Dit houdt in dat de AIV op het standpunt blijft staan dat de regering moet nastreven
       de overeenstemming die op het punt van het intern en extern veiligheidsbeleid was
       verkregen, alsnog op korte termijn in een verdragsrechtelijke regeling om te zetten.
V.3        Een Europees energiebeleid
Daar waar wordt gesproken over versterking en uitbreiding van de huidige taken van de
Europese Unie wordt energiebeleid genoemd in het kader van het thema veiligheid van
de energievoorziening.60 In die zin raakt het rechtstreeks aan de interne en externe
veiligheid van de Unie: zij wordt immers geconfronteerd met het onloochenbare feit
dat zij in sterk toenemende mate en tot in lengte van jaren afhankelijk zal zijn van de
invoer van energie van buitenaf.
In het advies Energiek buitenlandsbeleid: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofd-
doelstelling van buitenlandsbeleid, dat de AIV samen met de Algemene Energieraad
heeft uitgebracht,61 is omstandig ingegaan op de grote veranderingen die zich op de
internationale energiemarkt voltrekken en waarvan de Unie, en dus ook Nederland, de
weerslag ondervindt. In het voorliggende advies wordt dit gegeven nader uitgewerkt in
de richting van het door Nederland in Europees verband te voeren beleid. Dat voor ons
land vitale belangen op het spel staan gezien zijn betekenis als producent en als con-
sument, alsmede als centraal gelegen doorvoerland van energie, behoeft geen nader
betoog.
Onder de huidige en voorzienbare omstandigheden is te verwachten dat de kosten van
het ontbreken van een gezamenlijk optreden van de lidstaten op energiegebied geleide-
lijk zullen oplopen, vooral in de relatie met de grote leverancierlanden. Immers, schaal-
voordelen, zowel economische als strategische, kunnen dan niet worden gerealiseerd.
Pogingen van lidstaten om op eigen kracht met de gewijzigde omstandigheden om
te gaan, zullen steeds vaker onvoldoende, ineffectief en wellicht ook onderling tegen-
strijdig blijken te zijn.
Van bijzonder belang in dit verband is de relatie met Rusland. De AIV acht het gewenst,
zoal niet noodzakelijk, met dat land een institutioneel of ten minste contractueel kader
na te streven, al of niet voortbouwend op het enkele jaren geleden door de EU (maar
nog niet door Rusland) geratificeerde Energiecharter.62 Dit om vorm te geven aan het
wederzijds belang van zekerheid van aanvoer en van afzet, en aan wederzijdse investe-
ringsmogelijkheden.
60 Europese Raad van Brussel, Conclusies van het voorzitterschap, 22 en 23 maart 2006, 7775/1/06, REV1,
    CONCL1.
61 AER/AIV-advies no. 46, Energiek buitenlands beleid: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstel-
    ling, december 2005, Kamerstuk 29023, nr. 26.
62 Energy Charter Treaty and the Energy Charter Protocol on energy efficiency and related environmental
    aspects, van kracht sinds 16 april 1998 (Beslissing Raad en Commissie 98/181/EC), zie webpagina
    <http://europa.eu/scadplus/leg/en/lvb/l27028.htm>.
                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>De recente ernstige problemen van alle in de Russische Federatie opererende niet-
Russische energiebedrijven onderstrepen de wenselijkheid van een duidelijk juridisch
kader inzake handel en investeringen, voorbouwend op de beginselen die op de G8-Top,
op initiatief van president Poetin zelf, in juli 2006 zijn overeengekomen. Zo’n kader
moet reciprociteit in de relaties tot uitgangspunt hebben. Om dat resultaat te bereiken
zal een gemeenschappelijk EU-standpunt van de lidstaten onontbeerlijk zijn. De vernieu-
wing van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Rusland,
die in 2007 afloopt, kan de opstap vormen tot het sluiten van een dergelijke overeen-
komst, die overigens een wijdere strekking dan het energiebeleid moet hebben.63 Na
de recente ontmoeting van de Europese Raad met president Poetin onderstreept de AIV
zijn eerdere aanbeveling ‘dat het voor de energiezekerheid van de Unie op de lange ter-
mijn van groot belang is dat de EU als geheel deze materie in de relatie met Rusland
vanuit een strategisch gezichtspunt beziet en hieraan prioriteit geeft bij de verdere
uitwerking van de overeengekomen economische ruimte met Rusland’. Daarmee wordt
het energiebeleid dus in een veel breder kader geplaatst.
Aanbeveling 16
     De AIV bepleit dat met volle Nederlandse inzet wordt gewerkt aan de opbouw van een
     EU-brede consensus over de grote lijnen van een geharmoniseerde en gecoördineerde
     energiepolitiek, waarbij alle aspecten – milieu, besparing, duurzaamheid, leverings-
     zekerheid, verbetering van de werking van de interne markt – in onderlinge samen-
     hang worden bezien, uiteraard in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven.
De discussie, die recent in brede kring wordt gevoerd over de koolstofemissie en de
samenhang met klimaatverandering en de gevolgen voor de economische groei,64
onderstreept ten volle het belang van deze aanbeveling. De AIV stelt dat de energie-
zekerheid gezien moet worden in het licht van het bredere en urgente kader van milieu-
behoud, klimaatverandering en economische groei, gezien de verbondenheid van deze
thema’s. Met instemming ziet de AIV dat premier Blair en minister-president
Balkenende65 in hun kwaliteit als lid druk uitoefenen op de Europese Raad om de
Europese Commissie te verzoeken zo vroeg mogelijk in 2007 (dat wil zeggen uitermate
snel) met voorstellen te komen voor gerichte maatregelen waaronder verdergaande
reductie van de koolstofemissie.
Tegelijkertijd dienen vanzelfsprekend de bestaande bilaterale relaties met producerende
landen niet te worden veronachtzaamd. Die relaties kunnen zo nodig in breder verband
worden gebracht. Nederland moet in dezen de energievoorzieningszekerheid bevorde-
ren, ook in het geval het voorgestelde EU-beleid nog op zich laat wachten. Het feit dat
het Verdrag geen juridische grondslag bevat voor een dergelijk beleid – inclusief de
63 AIV-advies no. 44, De nieuwe oostelijke buurlanden van de Europese Unie, juli 2005, Kamerstuk buza
    050288.
64 Sir Nicolas Stern, Review on the Economics of Climate Change, Cambridge University Press, werd gepre-
    senteerd op 30 oktober 2006; Europees Milieuagentschap, Greenhouse gas emission trends and
    projections in Europe 2006, EEA report no 9/2006, gepresenteerd op 27 oktober 2006; World Wild Life
    Fund, Living Planet Report 2006, gepubliceerd op 23 oktober 2006; Europese Commissie, Progress
    towards achieving the Kyoto targets, COM(2006) 658. Daarnaast draagt ook de presentatie van de film
    An Inconvenient Truth van Al Gore (op 11 oktober 2006) bij aan het gevoel van urgentie.
65 Brief van minister-president Balkenende en eerste minister Blair aan de voorzitter van de Europese Raad,
    Vanhanen, 19 oktober 2006.
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>externe aspecten – is weliswaar een fundamentele handicap, maar behoeft zinvolle en
resultaatgerichte samenwerking niet uit te sluiten. Dat het bijvoorbeeld ook zonder zo’n
grondslag mogelijk is met derde landen te onderhandelen is aangetoond op het punt
van de landingsrechten in de luchtvaart. Het door de Europese Commissie in maart
2006 gepresenteerde Groenboek66 biedt voor een dergelijke benadering een alleszins
bruikbaar, zij het vooralsnog bescheiden, uitgangspunt. De AIV wijst er ten slotte op dat
in de ontwerp-Grondwet de consensus ter zake door alle betrokken regeringen is beves-
tigd.67
Van groot belang is het besef van een gezamenlijk belang van de lidstaten. Is dit onvol-
doende aanwezig, dan zal het ondoenlijk blijken de ingesleten gewoonten van een strikt
nationale benadering van het energievraagstuk te doorbreken. Het formuleren van vage
doelstellingen en beloften, zonder een ander besluitvormingsmodel dan dat van de zo-
geheten open coördinatie, zal naar de stellige overtuiging van de AIV geen oplossing
bieden. Wel is het dan noodzakelijk om een specifieke rechtsgrondslag in de verdragen
te scheppen voor het voeren van een adequaat Europees energiebeleid (zie aan-
beveling 23).
Het nastreven van een Europees energiebeleid zal moeten worden gecompleteerd met
maatregelen die het mogelijk maken in crisissituaties adequaat te handelen en deze
zoveel mogelijk te voorkomen. In dit verband kan worden gedacht aan:
- diversificatie naar herkomst, niet alleen voor olie, maar ook voor gas, onder meer
   door gebruik te maken van LNG-havenfaciliteiten en -opslag;
- de ontwikkeling van een mechanisme van hulp en bijstand tussen lidstaten in geval
   van onderbreking van energieleveranties en
- de organisatie van internationale bescherming van maritieme aanvoerroutes tegen
   blokkades of andere belemmeringen, met mogelijkheden voor snelle reactie.
De AIV onderschat geenszins de moeilijkheid van het bereiken van een Europese con-
sensus over dit brede veld van onderwerpen en belangen. Mocht die consensus niet
bereikbaar blijken, dan moet volgens de AIV de regering actief en op korte termijn
streven naar samenwerking van een beperkt aantal lidstaten. Vooral met die welke zijn
gelegen in de noordwest hoek van het continent.
In de hoofdstukken IV en V kon uiteraard geen uitputtende evaluatie worden gegeven
van de wenselijkheid van overdracht van bepaalde bevoegdheden op specifieke terrei-
nen aan de EU. De AIV vertrouwt echter wel te hebben aangetoond hoezeer het belang
van de burgers en het Nederlandse belang gebaat zijn met een verstandige (op oppor-
tuniteit, subsidiariteit en proportionaliteit getoetste) overdracht aan de EU binnen een
adequaat besluitvormingskader. Daarbinnen moet een lidstaat (of groep van lidstaten
die dezelfde mening is toegedaan) effectief invloed kunnen uitoefenen en zal de uitwer-
king moeten plaatsvinden onder een méér intensieve democratische controle dan nu
het geval is.
Deze taakintensiveringen, respectievelijk -uitbreiding (energie), zou de regeringen moe-
ten inspireren en de burgers moeten motiveren om nieuw elan aan het integratieproces
te geven.
66 Europese Commissie, Een Europese strategie voor duurzame, concurrerende en continu geleverde energie
   voor Europa, Groenboek, COM(2006) 105 definitief, 8 maart 2006.
67 Grondwet voor Europa, artikel III-256.
                                                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>VI       Slagvaardigheid
VI.1     Inleiding
Het bereiken van concrete beleidsresultaten in de EU op terreinen als genoemd in het
voorgaande hoofdstuk vereist een drastische verbetering van de slagvaardigheid van de
Unie, waarbij tegelijkertijd het draagvlak voor de Unie wordt vergroot door een grotere
betrokkenheid van burgers bij de beleidsvorming.
In de huidige situatie is de EU genoodzaakt te leven met ingewikkelde besluitvormings-
procedures en een gecompliceerde bestuurspraktijk, die het resultaat is van een histo-
risch gegroeide situatie en die geheel niet meer past in een Unie van 27 lidstaten. Zo
zijn de diverse beleidsterreinen ondergebracht in drie Pijlers, die elk een eigen besluit-
vormingsregime kennen.68 Daardoor is de rol van de Raad, de Commissie en het EP in
elke Pijler anders, wat de effectiviteit en de coördinatie van de besluitvorming, alsmede
de transparantie daarvan voor de burger niet ten goede komt.
Taken aan de Unie toedelen, maar haar de bestuurlijke slagvaardigheid onthouden om
deze uit te voeren, leidt tot frustraties bij burgers en tot een op den duur catastrofaal
verlies van vertrouwen in de EU. Juist gezien het gebrek aan inputlegitimiteit, waarin de
burger zich te weinig betrokken weet omdat hij te weinig invloed heeft op het Europese
beleid, waarschuwt de AIV ervoor om verwachtingen te wekken ten aanzien van Europese
samenwerking en harmonisatie zonder de EU de daarvoor benodigde instrumenten te
verstrekken.
De belangrijkste verbeteringen kunnen alleen door wijziging van het EU- en EG-Verdrag
tot stand worden gebracht. Veel van deze verbeteringen waren voorzien in de Grondwet
voor Europa, zoals de afschaffing van de Pijlerstructuur, het vereenvoudigen van besluit-
vormingsprocedures en instrumenten. Dit zou de besluitvorming een stuk overzichtelij-
ker hebben gemaakt. In de discussie door zowel regeringsleiders als nationale parle-
menten worden verscheidene gedachten uit dit Verdrag naar voren gebracht.
Voorbeelden zijn de invoering van de subsidiariteitstoets, het in de openbaarheid laten
plaatsvinden van wetgevende beraadslagingen van de Raad en de erkenning van het
burgerinitiatief als krachtig politiek signaal aan het adres van de Commissie.
In het onderstaande geeft de AIV eerst aan op welk moment verdragswijzigingen aan de
orde zijn. Voorts gaat de AIV in op de onderwerpen die op basis van de Verklaring van
Laken in ieder geval aan de orde moeten komen in een discussie over verdragswijzi-
ging. Daarna wordt ingegaan op die verbeteringen welke noodzakelijk zijn voor het berei-
ken van concrete beleidsresultaten op de terreinen en in de gebieden die in het vooraf-
gaande hoofdstuk als prioritair zijn bestempeld. Daarbij zal ook aandacht worden
besteed aan enkele verbeteringen die zonder verdragswijziging zijn in te voeren. Tot slot
brengt de AIV enkele aandachtspunten naar voren die wellicht minder prioritair zijn,
maar die hij juist voor burgers van belang acht.
68 Zie voor een korte uitleg bijvoorbeeld de webpagina’s van de EU:
    <http://europa.eu/abc/eurojargon/index_nl.htm> en
    <http://europa.eu/scadplus/glossary/eu_pillars_nl.htm>.
                                                       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>VI.2     Momenten waarop verdragswijzigingen aan de orde zijn
In een discussie over de toekomst van de EU loopt men onvermijdelijk op tegen de vraag
wanneer verdragswijzigingen aan de orde zullen zijn. Hoewel duidelijk is dat de regering
het ‘Grondwettelijk Verdrag’ geen tweede maal aan het parlement zal voorleggen, kan
men er in Europa ook niet omheen dat reeds vijftien en binnenkort wellicht zestien lid-
staten deze Grondwet voor Europa hebben geratificeerd. Bovendien zal in de toekomst
een aantal verdragsbepalingen moeten worden aangepast na de toetreding van Bulga-
rije en Roemenië op 1 januari 2007.
Op het moment dat na de toetreding van de zevenentwintigste lidstaat een nieuwe
Commissie aantreedt zal het aantal Commissieleden moeten worden beperkt. Hoewel
dat in beginsel pas aan de orde zal zijn wanneer in 2009 een nieuwe Commissie in
functie treedt, kan niet worden uitgesloten dat de huidige Commissie om welke reden
dan ook gedwongen zal zijn eerder af te treden. Dan zou er dus een nieuwe regeling
moeten zijn.69
In dat geval zouden in de desbetreffende toetredingsverdragen naast de door toetre-
ding noodzakelijke aanpassingen ook andere verdragswijzigingen kunnen worden mee-
genomen. Naar verwachting zullen nieuwe toetredingsverdragen echter pas ver na 2009
worden gesloten.
De AIV acht het daarentegen noodzakelijk dat deze aanpassingen zo spoedig mogelijk
in werking kunnen treden. Daartoe is het noodzakelijk dat de (Europese) politieke partij-
en de voorgenomen verdragsaanpassingen in 2009, het jaar waarin de Europese verkie-
zingen worden gehouden en een nieuwe Commissie moet worden benoemd, tot inzet
maken van hun verkiezingscampagnes (tenzij de aanpassingen al voor die tijd gereali-
seerd zijn). Dit zal bijdragen tot de gewenste politisering van het Europa-debat en de
betrokkenheid van burgers vergroten.
Aanbeveling 17
     De AIV pleit er voor met de meningsvorming over verdragsaanpassingen niet te wach-
     ten, ook al zal vóór de Franse presidentsverkiezingen van 2007 niet veel voortgang
     kunnen worden geboekt ten aanzien van de belangrijkste institutionele vragen. Tegelij-
     kertijd mag juist van Nederland en Frankrijk worden verwacht dat zij alternatieve
     oplossingen voor de ontstane impasse aandragen. Deze moeten een rol spelen in de
     discussie tussen de lidstaten die zich, na afloop van de reflectieperiode in 2007, zal
     ontwikkelen over de voortzetting van het hervormingsproces in 2008. De noodzakelijke
     verdragsaanpassingen zouden voor de politieke partijen inzet van de Europese verkie-
     zingen moeten zijn.
VI.3     Terug naar de Verklaring van Laken
Het valt niet te verwachten dat hervorming van de EU mogelijk zal zijn los van de con-
text van de Grondwet voor Europa en evenmin dat een beperkt aantal door Nederland
wenselijk geachte verbeteringen te realiseren zou zijn door voor te stellen enkele daar-
op toegesneden bepalingen er uit te lichten. De vijftien lidstaten, die het ‘Grondwettelijk
Verdrag’ hebben geratificeerd, zullen er immers weinig voor voelen mee te werken aan
een oplossing die dit door alle regeringen getekende Verdrag zonder meer naar de
69 Verdrag van Nice, artikel 4 lid 2 van het Protocol betreffende de uitbreiding van de EU.
                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>prullenmand verwijst. Ook zullen zij niet bereid zijn een soort selectie à la carte te
accepteren, omdat bijna ieder onderdeel van het Verdrag het resultaat is van een uitruil
van concessies waarbij meerdere artikelen (met betrekking tot verschillende onderwer-
pen) tegelijkertijd zijn aanvaard.
Bij besprekingen over de ontstane impasse in 2007 is het daarom raadzaam van
Nederlandse zijde een standpunt in te nemen dat enig begrip bij bovengenoemde lid-
staten zou kunnen wekken. Dat zou mogelijk zijn door aan te knopen bij de Verklaring
van Laken, die uiteindelijk tot de opstelling van het ‘Grondwettelijk Verdrag’ heeft
geleid.
In deze Verklaring stelde de Europese Raad een drietal thema’s voor hervorming van
de EU aan de orde, die ook na de referenda in Frankrijk en Nederland relevant zijn
gebleven en nog steeds op brede instemming aanspraak kunnen maken. Dit zijn:
- een betere verdeling en omschrijving van de bevoegdheden;
- de vereenvoudiging van de (juridische) instrumenten;
- meer democratie, transparantie en efficiëntie in de Europese Unie.
Erkenning dat het ‘Grondwettelijk Verdrag’ op deze punten waardevolle regelingen
bevat, behoeft Nederland geen al te grote moeite te kosten.
Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met de eerder bereikte overeen-
stemming over de uitwerking daarvan in het ‘Grondwettelijk Verdrag’, waarbij duidelijk
wordt gemaakt dat de ambitie wordt opgegeven om in aansluiting op de Verklaring van
Laken een ‘Grondwet’ vast te stellen.
Een dergelijk Nederlands standpunt brengt met zich mee dat de bestaande opzet van
het EU- en EG-Verdrag wordt gehandhaafd en dat daarin alleen die wijzigingen worden
aangebracht, die rechtstreeks voortvloeien uit bovenvermelde thema’s van de Verkla-
ring van Laken en hetgeen in onderhandelingen daarover was overeengekomen in de
ontwerp-Grondwet.
Aanbeveling 18
     Nederland moet bereid zijn het gesprek aan te gaan over een herziening van het EU-
     en EG-Verdrag op basis van de eerder vermelde thema’s uit de Verklaring van Laken.
VI.4    Prioritaire verbeteringen
Het standpunt dat er met Nederland te praten valt over een herziening van het Unie- en
EG-Verdrag op basis van de eerder vermelde thema’s uit de Verklaring van Laken houdt
in dat de regering aangeeft op welke punten zij in het licht van de hierboven gestelde
beleidsprioriteiten verdragswijziging onontbeerlijk vindt. Zonder overigens daarmee wijzi-
gingen uit te sluiten op andere voor deze thema’s relevante punten.
Nederland moet de volgende drie verdragswijzigingen nastreven inzake democratie:
Aanbeveling 19
     Geef het Europees Parlement medewetgevende bevoegdheid (codecisie) voor alle
     meerderheidsbesluiten waarop de codecisieprocedure nog niet van toepassing is,
     zoals het landbouwbeleid;
                                             32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 20
      Stel het Europees Parlement op gelijke voet met de Raad voor de begrotings-
      procedure: schaf het onderscheid tussen ‘verplichte’ en ‘onverplichte’ uitgaven af.
Aanbeveling 21
      Versterk bovendien de rol van nationale parlementen en voer de door hen uit te
      oefenen subsidiariteits- en proportionaliteitscontrole in.
Het verdient aanbeveling de mogelijkheid te onderzoeken in hoeverre in afwachting van
verdragswijzigingen op bovengenoemde terreinen reeds voortgang kan worden geboekt
door middel van afspraken of andere arrangementen. Zo heeft de Europese Raad van
juni 2006 besloten de nationale parlementen actiever te steunen bij de toetsing van
subsidiariteit (inclusief proportionaliteit en opportuniteit). Ook heeft de Commissie toe-
gezegd alle voorstellen en documenten in het kader van raadplegingen rechtstreeks
aan de nationale parlementen beschikbaar te stellen en hun opmerkingen voortkomend
uit de subsidiariteitstoets zorgvuldig te overwegen.
Meer in het algemeen zij opgemerkt dat het zowel de Raad als de Commissie en het
EP vrijstaat zich te verbinden tot een bepaalde gedragslijn bij de uitoefening van hun
bevoegdheden en dit vast te leggen in een interinstitutioneel akkoord (IIA, artikel 251
van het EG-Verdrag). Al meerdere keren is van een dergelijke akkoord gebruik gemaakt
om de slagvaardigheid van de Unie te vergroten, met name op het gebied van de
begroting, de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en de redactie van communau-
taire wetgeving.
In een IIA zou bijvoorbeeld kunnen worden afgesproken het EP medezeggenschap te
verlenen bij alle meerderheidsbesluiten waarop de codecisieprocedure in het
EG-Verdrag nog niet van toepassing is, zoals in het bijzonder op het terrein van de
gemeenschappelijk landbouwpolitiek. Op dezelfde wijze zou kunnen worden afgespro-
ken dat de Raad in de begrotingsprocedure aan de door het EP voorgestelde wijzigin-
gen met betrekking tot de verplichte uitgaven dezelfde gevolgen zal verbinden als aan
de parlementaire amendementen met betrekking tot de onverplichte uitgaven, opdat
het Parlement op gelijke voet als de Raad aan de begrotingsprocedure kan deelnemen.
Vanzelfsprekend moeten de Raad en het EP als wetgevende macht hierbij betrokken
zijn, maar ook de Commissie moet van de partij zijn omdat zij het recht van initiatief
heeft.
Inzake efficiëntie moet Nederland een aantal verdragswijzigingen nastreven (zie de aan-
bevelingen 22, 24, 25 en 26).
Aanbeveling 22
      Breidt het aantal gevallen waarin gekwalificeerde meerderheidsbesluiten kunnen
      worden gerealiseerd uit.
De AIV heeft zich afgevraagd of het, in afwachting van een verdragswijziging ter zake,
mogelijk zou zijn om een aantal unanimiteitsvoorschriften middels een IIA om te zetten
in meerderheidsbesluiten. De AIV is echter tot een negatieve conclusie gekomen,
omdat daarmee buiten het Verdrag de bestaande besluitvormingsprocedures worden
                                               33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>veranderd. Een dergelijk akkoord mag immers geen wijziging of aanvulling van de bepa-
lingen van het Verdrag inhouden.70
Wel zou in een IIA een procedure kunnen worden afgesproken om onder bepaalde
omstandigheden de voorzitter van de Raad op te dragen een minderheid in de Raad
ertoe te bewegen zich te onthouden van stemming, indien besluitvorming over een
onderdeel van het door de Europese Raad en het EP op voorstel van de Commissie
vastgestelde meerjarenprogramma bij herhaling niet tot stand komt doordat de ter zake
vereiste unanimiteit in de Raad niet wordt bereikt.
In zo’n geval zou bijvoorbeeld de volgende procedure kunnen gelden:
   wanneer de voorzitter, na onderzoek van de situatie in overleg met de presidenten
   van Parlement en Commissie, vaststelt:
    -     dat een gekwalificeerde meerderheid in de Raad het ontwerp steunt;
    -     dat ook steun van een meerderheid in het Parlement bestaat; en
    -     dat verdere technische aanpassingen op initiatief van de Commissie geen
          uitkomst bieden;
   heroverwegen de leden van de Raad, die het voorstel niet steunden, op verzoek van
   de voorzitter hun positie. Dit om te bezien of zij door stemonthouding de besluit-
   vorming over dit onderdeel van het meerjarenprogramma alsnog mogelijk kunnen
   maken. Daarbij brengen zij de voorzitter zo snel mogelijk op de hoogte van het resul-
   taat van deze heroverweging.
Aanbeveling 23
      Maak méér gebruik van Interinstitutionele Akkoorden om zonder formele verdragswij-
      ziging effectiever te kunnen optreden, bijvoorbeeld in begrotingszaken of bij steun-
      onthouding in langdurig controversiële zaken.
Aanbeveling 24
      Stel de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie in.
Uit hetgeen is gesteld in de hoofdstukken IV en V met betrekking tot de bestaande en
met voorrang uit te voeren taken van de Unie blijkt duidelijk dat de externe dimensie
van het Uniebeleid fundamenteel is voor de verdere integratie. Helaas behoort deze
beleidsdimensie tot de minst ontwikkelde van de aan de Unie toegedeelde bevoegd-
heden. Dit rechtvaardigt de instelling van de minister van Buitenlandse Zaken.
Op het terrein van de buitenlandpolitiek geldt de regel van de unanimiteit onverkort.
Zelfs moet unaniem worden beslist of de uitvoering van beleid op dit terrein met meer-
derheid kan worden beslist. Dat maakt de Unie veelal handelingsonbekwaam, ondanks
dat er op dit terrein meer dan eens grote Europese belangen op het spel staan. Indien,
zoals in het voorgaande is gebleken, de kosten- batenanalyse positief uitvalt voor ver-
dergaande communautarisering, zou dat voor de buitenlandpolitieke aspecten daarvan
eveneens moeten gelden. Deze gedachte vindt overigens enige steun in de programma’s
70 Vergelijk hetgeen in de verklaring nummer 3 bij het Verdrag van Nice is vastgelegd: ‘Wat de betrekkingen
    tussen de instellingen betreft, kunnen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie IIA’s sluiten wan-
    neer het, in het kader van de plicht tot loyale samenwerking, nodig blijkt de toepassing van de bepalingen
    van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap te vergemakkelijken. Die akkoorden mogen
    geen wijziging of aanvulling van de bepalingen van het Verdrag inhouden en kunnen slechts met instem-
    ming van de drie instellingen tot stand komen.’ (cursivering AIV).
                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>van sommige belangrijke politieke partijen die de unanimiteitsregel lijken te relativeren.
Op dit punt blijft de AIV bij zijn eerdere standpunt dat de oplossing voor coördinatie-
problemen op het terrein van de externe betrekkingen veeleer moet worden gezocht in
versterking van de samenwerking tussen de Hoge Vertegenwoordiger en de Europese
Commissaris belast met de externe betrekkingen. Dit kan onder meer tot gezamenlijke
initiatieven leiden.71 Wanneer de Hoge Vertegenwoordiger daarop gebaseerde voorstel-
len doet op terreinen waarop hij een mandaat heeft, zou de Raad daarover met gekwali-
ficeerde meerderheid van stemmen moeten beslissen.
Aanbeveling 25
       Vervang het huidige vereiste van een drievoudige gekwalificeerde meerderheid van
       stemmen in de Europese Raad en in de Raad door dat van een tweevoudige meer-
       derheid.
Aanbeveling 26
       Het onder de communautaire procedure brengen van de Politiële en Justitiële
       Samenwerking in Strafzaken.
Ook op de voorgaande twee gebieden moet een verdragswijziging worden nagestreefd.
Interessant is in dit verband de mededeling van de Commissie van 28 juni 2006 waarin
zij in het kader van de uitvoering van het Haagse programma de toepassing van de pas-
serelle van artikel 42 van het EU-Verdrag aan de orde stelt.72 Hierbij is een aantal
zaken van belang die hieronder concreet worden aangegeven.
    De materie die via de passerelle kan worden ‘gecommunautariseerd’ wordt bepaald
    door de inhoud van Titel VI van het EU-Verdrag: de samenwerking in de Derde Pijler.
    Het gaat dus in essentie om PJSS. Het gedeelte van het EG-Verdrag waarheen de
    onderwerpen van de Derde Pijler worden overgebracht, is Titel IV van het Derde Deel
    van het EG-Verdrag. De besluitvormingsprocedure om deze overdracht te realiseren is
    een zware. De procedure vergt een unaniem Raadsbesluit, alsmede goedkeuring
    overeenkomstig de nationale grondwettelijke bepalingen van de lidstaten. In de
    meeste gevallen zal dit neerkomen op een formele goedkeuring door nationale parle-
    menten. Een laatste punt betreft het feit dat de Raad zelf zal moeten aangeven
    welke stemprocedures gelden na de overdracht van onderwerpen naar Titel IV. Het te
    transfereren onderwerp komt derhalve niet automatisch te vallen onder de
    werking van de codecisieprocedure. Daarbij wordt nog daargelaten dat artikel 67
    van het EG-Verdrag te lezen is in samenhang met het Besluit van de Raad van
    22 december 2004, waarin staat dat niet alle onderwerpen van Titel IV onder het
    bereik van die procedure vallen.
71 Zie AIV-advies no. 27, Een brug tussen burgers en Brussel, naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
     de Europese Unie, mei 2002, p. 34 (Kamerstuk 020297) en AIV-advies no. 32, Een brug tussen burgers
     en Brussel, naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor de Europese Unie, vervolgadvies, april 2003, pp.
     24-25 (Kamerstuk 03000111).
72 Ingevolge artikel 42 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie kan de Europese Raad ‘met een-
     parigheid van stemmen op initiatief van de Commissie of van een lidstaat en na raadpleging van het
     Europees Parlement besluiten dat optreden op in artikel 29 genoemde gebieden onder Titel IV van het
     voornoemde Verdrag valt, waarbij hij de desbetreffende stemprocedures vaststelt. Hij beveelt de lidstaten
     aan dit besluit overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen aan te nemen.’
                                                        35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>De Nederlandse regering heeft naar aanleiding van de mededeling van de Commissie
laten weten dat Nederland zich constructief zal opstellen. De regering is echter voor
een benadering waarin per onderwerp wordt bezien of toepassing van de passerelle
van artikel 42 van het EU-Verdrag al dan niet in combinatie met artikel 67, tweede lid,
EG-Verdrag wenselijk is.73
Aanbeveling 27
      Pas de passerelle in de Derde Pijler toe als serieuze mogelijkheid ter verbetering van
      de besluitvormingsprocedure op de beleidsterreinen van asiel- en immigratie en van
      interne en externe veiligheid.
De in hoofdstuk V beschreven prioriteiten op de terreinen van asiel- en immigratie en
van de interne en externe veiligheid liggen gevoelig ten aanzien van identiteit en natio-
naliteit. De terughoudendheid ten aanzien van vergaande, dwingende communautaire
verplichtingen is dan ook begrijpelijk. Om die reden is òfwel de unanimiteitsregel in de
besluitvorming onderdeel van het systeem òf een zware institutionele procedure. Hier
wordt verwezen naar de verdragsrechtelijke ‘nauwere samenwerking’ die reeds ter
sprake kwam en die in het verleden – zij het in iets andere context – tot belangrijke
resultaten heeft geleid (zoals de Schengenovereenkomst en de EMU). Het is begrijpe-
lijk – tegen de achtergrond van het klassieke denken over vormen van differentiatie –
dat de procedure van de besluitvorming over ‘nauwere samenwerking’ gecompliceerd
is. Acht lidstaten moeten het wensen en dat is met 25 of 27 lidstaten een goede ver-
houding. Maar unanieme besluitvorming acht de AIV in dit geval overdreven. Versoepe-
ling van de procedure voor ‘nauwere samenwerking’ is gewenst. Niet ten opzichte van
de eis dat de doelstelling niet strijdig mag zijn met de verdragsdoelstellingen, maar wel
dat het oordeel van de Europese Commissie daaromtrent voldoende zou moeten zijn.
Aanbeveling 28
      Verbeter de regeling met betrekking tot ‘nauwere samenwerking’ door het laten
      vervallen van de unanimiteitseis.
In tegenstelling tot de andere prioritaire beleidsterreinen voor de EU voor de komende
periode, is dat van een Europees energiebeleid nieuw. De andere zijn te zien als inten-
siveringen van bestaand beleid. Beleid op deze terreinen is gebaseerd op bestaande
verdragsrechtelijke bepalingen. Een dergelijke verdragsrechtelijke basis voor een Euro-
pees energiebeleid bestaat nog niet. Voor een volwaardig en adequaat energiebeleid is
derhalve een verdragsbasis nodig.
Aanbeveling 29
      De AIV beveelt aan een specifieke rechtsgrondslag in de verdragen te scheppen voor
      het voeren van een Europees energiebeleid.
VI.5      Andere mogelijkheden voor verbetering
A. Subsidiariteitstoets
Het Samenwerkingsverband van de Europacommissies van nationale parlementen en
vertegenwoordigers van het Europarlement (COSAC) heeft een aantal onderwerpen
genoemd waar nationale parlementen de subsidiariteitstoets zouden moeten toepas-
73 Kamerstukken II 22 112, nr. 464, p. 9 e.v. Zie ook NJB van 29 september 2006, p. 1983.
                                                    36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>sen.74 Dit is een toetsing van Commissievoorstellen binnen een termijn van zes weken
met betrekking tot de vraag of het betrokken punt door de EU moet worden geregeld of
door de lidstaten zelf. Er wordt ter zake reeds een proef genomen met spoorwegvoor-
stellen.75
De AIV tekent aan dat in het verleden de wenselijkheid van een Europese regeling
meestal wel aanwezig was, maar dat problemen juist ontstonden bij de vertaling ervan
in nationale maatregelen. Behalve de subsidiariteit is namelijk ook de proportionaliteit
in het geding in zowel de richtlijn zelf als de nationale uitwerking van de lidstaten. De
vraag ligt voor of de richtlijn en de uitwerking ervan door de lidstaten in redelijke ver-
houding staat tot het probleem en niet overdreven gedetailleerd of ingrijpender is dan
nodig. Als gevolg van hetzij de richtlijn zelf, hetzij nationale aanscherping van een Euro-
pese (kader)richtlijn, hetzij onvoldoende afweging in het nationale kabinet van de bij de
uitvoering in het geding zijnde belangen, ontstaat dikwijls ongenoegen.
Het belang van de subsidiariteitstoets van Commissievoorstellen ligt volgens de AIV
vooral in de vroegtijdige betrokkenheid van nationale parlementariërs.76 De gedachte
is dat de betrokken parlementariërs, door een vroegtijdige politisering van het debat,
ook belangstelling blijven tonen voor het vervolgtraject van de onderhandelingen en,
zonodig, tijdig het betrokken maatschappelijk middenveld kunnen raadplegen. Het
wekelijkse overleg met bewindslieden over de Brusselse agenda zal dan een meer sub-
stantiële inhoud krijgen en doorwerken in de Nederlandse inbreng in ‘Brussel’. In ieder
geval wordt daarmee voorkomen dat parlementariërs en burgers het gevoel krijgen pas
in de slotfase met de inhoud van een richtlijn te worden geconfronteerd. Belangrijk is
wel dat er geen strikte catalogus van competenties van de EU wordt opgesteld. Om dat
te voorkomen moet ervoor worden gewaakt dat door een te nauwe omschrijving van
taken de Unie niet meer kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen. Overigens moet wor-
den bedacht dat de subsidiariteitstoets alleen van belang is voor die beleidsterreinen,
waar de EU en de nationale overheid bevoegdheid delen. Op deze terreinen zou de
inzet van parlementaire commissies zich niet alleen moeten richten op het tegenhou-
den van EU-regelgeving, maar ook moeten aangeven waar en waarom een Europese
regel wenselijk is en onder welke voorwaarden. De AIV betreurt dat recent de subsidia-
riteitsvraag vooral in negatieve zin is besproken en wordt gezien als een mogelijkheid
voor ‘minder’ Europa.
Aanbeveling 30
      De AIV beveelt aan de subsidiariteitstoets alleen te gebruiken om vast te stellen of de
      wens (dan wel de noodzaak) bestaat tot gemeenschappelijk handelen, welke ruimte
      er blijft voor nationale autonomie, en of de voorgestelde regeling probleemoplossend
      en voldoende duurzaam kan zijn (beoordeling van opportuniteit, subsidiariteit en
      proportionaliteit).
74 Letterlijk staat in het Verdrag van Maastricht (1997, Tbr. 1998, 11, artikel II lid 5) dat de COSAC elk voor-
    stel moet bestuderen ‘dat betrekking heeft op de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en
    rechtvaardigheid en dat rechtstreeks van invloed zou kunnen zijn op de individuele rechten van de mens.’
    Zie webpagina: <http://www.eerstekamer.nl/9324000/d/259/w25922trb11.pdf?noframes=1>.
75 Further integration of the European rail system: third railway package, COM(2004) 140 final, 3.3.2004.
76 AIV-briefadvies no. 10, De EU en de band met de Nederlandse burger, december 2005,
    Kamerstuk 30300 V, nr. 18.
                                                       37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>B. Erkenning van het burgerinitiatief
Het voorstel uit het ‘Grondwettelijk Verdrag’ tot invoering van een burgerinitiatief met
een miljoen (elektronisch in te zenden) handtekeningen had de betrokkenheid van de
burgers moeten vergroten, de Commissie moeten aansporen het initiatief serieus te
overwegen en regeringen moeten dwingen hun standpunten dienaangaande te
verdedigen.
Aanbeveling 31
     De AIV beveelt de mogelijkheid tot instelling van een burgerinitiatief aan. Dit moet
     dan wel als een krachtig signaal aan de Commissie worden opgevat, ook wanneer
     het niet formeel is vastgelegd in een verdrag.
C. Het functioneren van de ‘methode van open coördinatie’
Voor veel beleidsterreinen die nog niet rijp zijn voor formele EU-regelgeving en waar har-
monisatie strikt genomen wenselijk zou zijn, rest weinig anders dan zogenaamde open
coördinatie. De praktijk leert dat zelfs indien lidstaten formele verplichtingen zijn aan-
gegaan, van de coördinatieverplichting wordt afgeweken, met als gevolg aantasting van
het vertrouwen in de overheid. Het niet-respecteren van de afspraken in het Stabili-
teits- en groeipact is hiervan een geruchtmakend voorbeeld.
Aanbeveling 32
     Coördinatie zonder enige vorm van afdwingbaarheid verdient volgens de AIV geen
     aanbeveling. Programmering, notificatie van of consultatie bij beleidsvoornemens, en
     ‘naming and shaming’ zijn onontbeerlijk om projecten van importantie enige mate
     van geloofwaardigheid te geven.
D. Invoering van een toets op de administratieve lasten van EU-wetgeving
Voor het vergroten van het draagvlak voor de EU is ook van belang dat er geen onnodig
gecompliceerde of kostbare wet- en regelgeving door de EU wordt ingevoerd. Om dit te
voorkomen is een toets op de administratieve lasten van wet- en regelgeving vereist.
Bij de vormgeving daarvan op het niveau van de Europese Commissie kan het Neder-
landse Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal) als ijkpunt dienen. Aldus
kan de verdere deregulering in de EU onder toezicht komen te staan van een onafhan-
kelijke instantie. De invoering van een dergelijk toets is mogelijk zonder verdragswijzi-
ging. De Nederlandse regering heeft zich tijdens de Conventie en het Nederlandse voor-
zitterschap in 2004 reeds ingezet voor de invoering van de toets.
Aanbeveling 33
     De AIV beveelt aan volgens het model van het Nederlandse Actal een onafhankelijke
     toets in te voeren op de administratieve lasten voortvloeiend uit wetgevingsvoorstellen
     van de Commissie.
                                             38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>VII               Aanbevelingen
In het voorgaande heeft de AIV zeker geen blauwdruk van de toekomstige EU willen en
kunnen geven. Daarvoor is het proces van Europese eenwording te zeer in beweging en
te divers, zowel conceptueel als wat betreft het takenpakket. Nationale identiteit en
toenemende mondialisering lijken niet met elkaar in overeenstemming te brengen. De
machtsverhoudingen in Europa veranderen, Nederland is niet meer ‘het kleinste van de
grote landen’ en ook de publieke opinie in ons land wordt weinig gemotiveerd door aan-
sprekende Europese kwesties, hoewel de toekomst van het Europese continent en
daarmee van Nederland in het geding is. Daarom heeft dit advies meer het karakter
van een interim-advies: géén pas op de plaats, omdat daar geen tijd voor is, maar wel
een aansporing tot actie voor de komende ontwikkelingen, ten opzichte waarvan Neder-
land hoe dan ook een standpunt zal moeten bepalen. Daarbij moeten de burgers cen-
traal staan: in het verstaan van hun ambities, in het vertalen daarvan naar Europees
beleid via processen van participatie en politisering, in versterkte samenhang van par-
lement en regering in het Europese integratieproces, in het organiseren van een meer
effectieve Europese politisering door het vormen van echte Europese politieke partijen
en door verdergaande democratisering van de Unie. Daartoe doet de AIV de volgende
aanbevelingen.
Uit hoofdstuk II, Gezonde financiën:
Aanbeveling 1
     De AIV acht het van belang dat de overdracht van middelen aan de EU ten principale
     buiten de nationale begrotingen komt. Alleen dan is het mogelijk om de discussie
     over de inzet van EU-beleid, inclusief de toekenning van middelen, te voeren zonder
     vermenging met telkens weer verschuivende belangen inzake de inkomstenkant van
     de EU-begroting.
Aanbeveling 2
     De Europese Raad zou een gezaghebbend panel deskundigen uit de lidstaten
     opdracht moeten geven zich te buigen over een passend systeem van ‘eigen midde-
     len’ voor de EU dat onafhankelijk is van de nationale begrotingen. Dit moet zijn
     beslag krijgen op zeer korte termijn, namelijk vóór 2008, wanneer de eerder
     genoemde financiële herziening op de agenda van de Raad zal staan.
Uit hoofdstuk III, De burgers:
-    over de bestuurlijke inrichting (paragraaf III.3):
Aanbeveling 3
     Een stroomlijning van de bestuurlijke inrichting is nodig om de Unie slagvaardiger te
     maken. Alleen dan hebben de eerdergenoemde acties kans van slagen. Nieuwe
     beleidsinitiatieven en verbetering van de inrichting van de Unie moeten dus hand in
     hand gaan.
-    over de uitbreiding (paragraaf III.3):
Aanbeveling 4
     De AIV constateert dat met het oog op de verscheidenheid tussen landen die het EU-
     lidmaatschap ambiëren, te gemakkelijk onderscheiden vormen van lidmaatschap op
     voorhand worden verworpen. Een discussie daarover zou een goede aanvulling zijn
     op het Europese nabuurschapsbeleid; een beleid waarin nu iedere vorm van lidmaat-
     schap wordt afgewezen.
                                              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>-    over het betrekken van burgers (paragraaf III.4):
Aanbeveling 5
     De discussie over de toekomst van Europa moet veel sterker worden gepolitiseerd
     dan nu het geval is. Daarbij gaat het niet alleen om de invoering van de subsidiari-
     teitstoets door het parlement, maar ook om het centraal stellen van de verdere rich-
     ting en ontwikkeling van Europese integratie in het komende regeringsprogramma.
Uit hoofdstuk IV, Prioriteiten in het bestaande beleid:
-    over de Interne Markt en de economische en de sociale waarden (paragraaf IV.2):
Aanbeveling 6
     In de visie van de AIV moet de EU de breed gedragen waarden zoals vrede, veilig-
     heid, vrijheid en democratie, meer uitgesproken in haar beleid uitdragen en de nood-
     zaak van een sociaal Europa duidelijk maken.
Aanbeveling 7
     Gezien het grote belang voor de economische groei beveelt de AIV de regering aan
     een gerichte publicitaire inspanning te doen om het economisch belang van verdere
     dienstenliberalisering voor de burgers helder voor het voetlicht te brengen.
-    over de Economische en Monetaire Unie (paragraaf IV.3):
Aanbeveling 8
     De AIV wijst op het belang van een effectieve beleidsmatige ondersteuning van de
     gemeenschappelijke munt in aanvulling op de voltooiing van de Interne Markt.
-    over de externe concurrentiepositie (paragraaf IV.4):
Aanbeveling 9
     Om de uitdagingen van de mondialisering het hoofd te bieden, is volgens de AIV
     verdere economische integratie van Europa essentieel, inclusief de verdere integratie
     van de nieuwe lidstaten in het verband van de EU.
Aanbeveling 10
     De AIV stelt voor dat de regering bevordert dat in de toekomst vergelijkingen van de
     lidstaten worden gepubliceerd over het behalen van de Lissabondoelstellingen.
Aanbeveling 11
     Wat betreft het handelsbeleid van de EU pleit de AIV ervoor om de versterking van
     het multilaterale rechtssysteem van de WTO centraal te blijven stellen en er strikt op
     toe te zien dat eventuele bilaterale en regionale akkoorden die de EU sluit, verenig-
     baar zijn met de WTO-regels.
Aanbeveling 12
     De AIV adviseert de regering de burgers beter voor te bereiden op de onvermijdelijke
     en dikwijls omvangrijke veranderingen die de mondialisering met zich meebrengt.
Uit hoofdstuk V, Nieuwe beleidsprioriteiten:
-    over het asiel- en immigratiebeleid (paragraaf V.1):
Aanbeveling 13
     De Nederlandse regering moet streven naar meer regelgevende bevoegdheden voor
     de Unie op het gebied van toelating van vreemdelingen, leidend tot een volwaardig
     en communautair asiel- en immigratiebeleid. Een potentieel succesvolle Europese
     aanpak is volgens de AIV: de instelling van een Europees asielagentschap; een
     consultatie-mechanisme bij voorgenomen legalisering van illegale immigranten; het
                                              40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>     op Europees niveau onaantrekkelijk maken van het in dienst nemen van illegalen; en
     de communautisering van het uitzettingsbeleid.
Aanbeveling 14
     Er is naar de mening van de AIV alle reden voor de Nederlandse regering om zich in
     te spannen voor een asiel- en immigratiebeleid dat mede uitgaat van het opnemen
     (inclusion) in plaats van een beleid dat alleen het uitsluiten (exclusion) voorop stelt.
     Er zou studie moeten worden gemaakt hoe zo’n beleid moet worden geformuleerd.
-    over het interne en externe veiligheidsbeleid (paragraaf V.2):
Aanbeveling 15
     De AIV bepleit dat de regering zich inspant om het aantal landen dat deelneemt aan
     verdragen als die van Prüm en Enschede uit te breiden zodat deze verdragen aan-
     hangig kunnen worden gemaakt onder de Nice-clausule voor nauwere samenwerking.
     Dit houdt in dat de AIV op het standpunt blijft staan dat de regering moet nastreven
     de overeenstemming die op het punt van het intern en extern veiligheidsbeleid was
     verkregen, alsnog op korte termijn in een verdragsrechtelijke regeling om te zetten.
-    over het energiebeleid (paragraaf V.3):
Aanbeveling 16
     De AIV bepleit dat met volle Nederlandse inzet wordt gewerkt aan de opbouw van
     een EU-brede consensus over de grote lijnen van een geharmoniseerde en gecoördi-
     neerde energiepolitiek, waarbij alle aspecten – milieu, besparing, duurzaamheid,
     leveringszekerheid, verbetering van de werking van de interne markt – in onderlinge
     samenhang worden bezien, uiteraard in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven.
Uit hoofdstuk VI, Slagvaardigheid:
-    over momenten waarop verdragswijzigingen aan de orde zijn (paragraaf VI.2):
Aanbeveling 17
     De AIV pleit er voor met de meningsvorming over verdragsaanpassingen niet te
     wachten, ook al zal vóór de Franse presidentsverkiezingen van 2007 niet veel voort-
     gang kunnen worden geboekt ten aanzien van de belangrijkste institutionele vragen.
     Tegelijkertijd mag juist van Nederland en Frankrijk worden verwacht dat zij alternatieve
     oplossingen voor de ontstane impasse aandragen. Deze moeten een rol spelen in de
     discussie tussen de lidstaten die zich, na afloop van de reflectieperiode in 2007, zal
     ontwikkelen over de voortzetting van het hervormingsproces in 2008. De noodzakelij-
     ke verdragsaanpassingen zouden voor de politieke partijen inzet van de Europese
     verkiezingen moeten zijn.
-    over teruggrijpen op de Verklaring van Laken (paragraaf VI.3):
Aanbeveling 18
     Nederland moet bereid zijn het gesprek aan te gaan over een herziening van het EU-
     en EG-Verdrag op basis van de eerder vermelde thema’s uit de Verklaring van Laken.
-    over prioritaire verbeteringen (paragraaf VI.4) stelt de AIV:
Aanbeveling 19
     Geef het Europees Parlement medewetgevende bevoegdheid (codecisie) voor alle
     meerderheidsbesluiten waarop de codecisieprocedure nog niet van toepassing is,
     zoals het landbouwbeleid.
                                              41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 20
    Stel het Europees Parlement op gelijke voet met de Raad voor de begrotingsproce-
    dure: schaf het onderscheid tussen ‘verplichte’ en ‘onverplichte’ uitgaven af.
Aanbeveling 21
    Versterk de rol van nationale parlementen en voer de door hen uit te oefenen subsi-
    diariteits- en proportionaliteitscontrole in.
Aanbeveling 22 Breidt het aantal gevallen waarin gekwalificeerde meerderheidsbesluiten
    kunnen worden gerealiseerd uit.
Aanbeveling 23
    Maak méér gebruik van Interinstitutionele Akkoorden om zonder formele verdrags-
    wijziging effectiever te kunnen optreden, bijvoorbeeld in begrotingszaken of bij steun-
    onthouding in langdurig controversiële zaken.
Aanbeveling 24
    Stel de minister van Buitenlandse Zaken van de Unie in.
Aanbeveling 25
    Vervang het huidige vereiste van een drievoudige gekwalificeerde meerderheid van
    stemmen in de Europese Raad en in de Raad door dat van een tweevoudige meer-
    derheid.
Aanbeveling 26
    Het onder de communautaire procedure brengen van de Politiële en Justitiële
    Samenwerking in Strafzaken.
Aanbeveling 27
    Pas de passerelle in de Derde Pijler toe als serieuze mogelijkheid ter verbetering van
    de besluitvormingsprocedure op de beleidsterreinen van asiel- en immigratie en van
    interne en externe veiligheid.
Aanbeveling 28
    Verbeter de regeling met betrekking tot ‘nauwere samenwerking’ door het laten
    vervallen van de unanimiteitseis.
Aanbeveling 29
    De AIV beveelt aan een specifieke rechtsgrondslag in de verdragen te scheppen voor
    het voeren van een Europees energiebeleid.
-   over andere mogelijkheden voor verbetering (paragraaf VI.5):
Aanbeveling 30
    De AIV beveelt aan de subsidiariteitstoets alleen te gebruiken om vast te stellen of de
    wens (dan wel de noodzaak) bestaat tot gemeenschappelijk handelen, welke ruimte
    er blijft voor nationale autonomie, en of de voorgestelde regeling probleemoplossend
    en voldoende duurzaam kan zijn (beoordeling van opportuniteit, subsidiariteit en pro-
    portionaliteit).
                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Aanbeveling 31
    De AIV beveelt de mogelijkheid tot instelling van een burgerinitiatief aan. Dit moet
    dan wel als een krachtig signaal aan de Commissie worden opgevat, ook wanneer
    het niet formeel is vastgelegd in een verdrag.
Aanbeveling 32
    Coördinatie zonder enige vorm van afdwingbaarheid verdient volgens de AIV geen
    aanbeveling. Programmering, notificatie van of consultatie bij beleidsvoornemens, en
    ‘naming and shaming’ zijn onontbeerlijk om projecten van importantie enige mate
    van geloofwaardigheid te geven.
Aanbeveling 33
    De AIV beveelt aan volgens het model van het Nederlandse Actal een onafhankelijke
    toets in te voeren op de administratieve lasten voortvloeiend uit wetgevingsvoorstellen
    van de Commissie.
                                            43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                Bijlage
Gebruikte afkortingen
EMU          Economische en Monetaire Unie
EP           Europees Parlement
EU           Europese Unie
GBVB         Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
IIA          Interinstitutioneel Akkoord
JBZ          Justitie en Binnenlandse Zaken
PJSS         Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken
VK           Verenigd Koninkrijk
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
  1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
  2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
  3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
  4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
  5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
  6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
  7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
  8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
  9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
    november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
    rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
    de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
    bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
    strategieën tegen armoede, januari 2003
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005****
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003***
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
***   Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
**** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>