<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>       DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN
           INTERNATIONALE ORGANISATIES
                   No. 51, Oktober 2006
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Prof. dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Dr. R.J. van der Veen
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden commissie Maatschappelijk Actoren
Voorzitter    Prof. dr. W.J.M. van Genugten
Leden         Dr. A. Bloed
              Drs. T. Etty
              Mw. mr. C. Hak
              Prof. dr. M.T. Kamminga
              Drs. H. Kruijssen
              Mw. dr. B.M. Oomen
Secretaris    Drs. T.D.J. Oostenbrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>        Inhoudsopgave
        Woord vooraf
I       Inleiding en begripsafbakening      7
II      Deelname van NGO’s, bedrijfsleven en bedrijven in internationale organisaties 11
        II.1    Verenigde Naties      11
                II.1.1   NGO’s      11
                II.1.2   Het bedrijfsleven    19
        II.2    De Wereldhandelsorganisatie (WTO)      20
        II.3    De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) 22
        II.4    De EU en andere relevante organisaties    24
                II.4.1   De EU      24
                II.4.2   Raad van Europa      28
III     Knelpunten      30
IV      Algemene observaties en specifieke aanbevelingen       36
        IV.1    Verenigde Naties      38
        IV.2    De WTO       40
        IV.3    Wereldbank en IMF        40
        IV.4    EG/EU      41
        IV.5    Raad van Europa       42
Bijlage         Gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
In 2005 heeft de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) advies uitgebracht
over de voorstellen van de Secretaris-Generaal van de VN (SGVN) voor hervorming
van zijn organisatie.1 In dat advies werd kort ingegaan op de relatie tussen de VN
en het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven en werd aangegeven dat
de AIV over dit onderwerp nader wenste te adviseren. In haar reactie op het advies
gaf de regering aan het met de AIV eens te zijn dat NGO’s en bedrijfsleven binnen
de Verenigde Naties (VN) een wezenlijke rol spelen op vele terreinen. Tegelijkertijd
constateerde de regering dat de discussies over de rol van maatschappelijke acto-
ren binnen de VN stroef verlopen en zich lijken toe te spitsen op accreditatieproce-
dures. De regering constateerde dat daarmee een kans werd gemist om de belang-
rijke rol van maatschappelijke actoren in mondiale kwesties voor het voetlicht te
brengen en verzocht de AIV het voorgestelde nadere advies uit te brengen. Daar de
regering en de AIV het over de vervolgadvisering eens waren, is geen separate
adviesaanvraag meer geformuleerd, maar is uitgegaan van hetgeen de minister
reeds schreef in zijn eerdere adviesaanvraag:
    ‘De SGVN benadrukt het belang van de rol van een actief maatschappelijk mid-
    denveld en een dynamische private sector, naast de rol van staten en intergou-
    vernementele organisaties, maar gaat daar nauwelijks nader op in. Ook hierop
    zou ik graag de visie van de raad vernemen.’
Deze open vraagstelling – en de afwezigheid van de gebruikelijke subvragen – heeft
geleid tot het uitbrengen van dit enigszins beschouwelijke en opiniërende advies
over de rol van maatschappelijke actoren in het werk van internationale organisaties.
Intussen heeft de voorzitter van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
(AVVN) in mei 2006 twee speciale adviseurs aangesteld om de relatie tussen de
AVVN en de maatschappelijke organisaties verder uit te diepen. Tegen die achter-
grond ontving de AIV in de zomer van 2006 het verzoek de advisering alsnog zo
spoedig mogelijk af te ronden, zodat deze een rol kan spelen in het onderzoeks-
traject van beide experts.
Het advies is voorbereid in een daartoe ingestelde subcommissie, die bestond uit:
Dr. A. Bloed (CVV), drs. T. Etty (CMR), prof. dr. W.J.M. van Genugten (CMR, voorzitter
subcommissie), mw. mr. C. Hak (CMR), prof. dr. M.T. Kamminga (CMR),
drs. H. Kruijssen (COS) en mw. dr. B.M. Oomen (CMR). Prof. dr. P.R. Baehr
(tot 1 januari 2006 lid CMR) heeft als deskundige meelezer opgetreden. De daartoe
ingestelde subcommissie heeft kennis kunnen nemen van uitgebreide internationale
documentatie op dit terrein en heeft ook kunnen putten uit de kennis en ervaring
van mw. drs. K. Adhin (ambtelijk contactpersoon DVF/PJ). De AIV heeft verder
dankbaar gebruik gemaakt van een voorstudie van de hand van dr. Nicola Jägers,
verbonden aan de Universiteit van Tilburg. Het secretariaat is gevoerd door drs.
T.D.J. Oostenbrink (secretaris CMR) en mw. M. Suijkerbuijk (stagiaire).
1   Zie: AIV, De hervormingen van de Verenigde Naties: het rapport Annan nader beschouwd, advies
    nummer 41, Den Haag, mei 2005.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>In hoofdstuk I van dit advies wordt, naast enkele inleidende opmerkingen over de
hedendaagse betekenis van maatschappelijke actoren voor het werk van internatio-
nale organisaties, ingegaan op de begrippen die in dit advies worden gehanteerd.
In hoofdstuk II wordt meer specifiek gekeken naar wat NGO’s en het bedrijfsleven
(kunnen) betekenen binnen een aantal geselecteerde internationale organisaties.
Daarbij gaat veel aandacht uit naar de VN, als grootste mondiale organisatie, maar
ook naar organisaties als de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de
Wereldhandelsorganisatie. Tevens wordt aandacht besteed aan twee andere voor
Nederland belangrijke organisaties: de Europese Unie (EU) en de Raad van Europa.
In hoofdstuk III wordt nader ingegaan op enige knelpunten in de hedendaagse dis-
cussie over de rol van maatschappelijke actoren, waaronder zaken als hun repre-
sentativiteit, legitimiteit en verantwoordingsplicht. Het advies wordt afgerond met
een aantal algemene observaties en specifieke conclusies (hoofdstuk IV).
De AIV heeft dit advies vastgesteld op 13 oktober 2006.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I          Inleiding en begripsafbakening
Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO’s)
De proliferatie van (netwerken van) niet-statelijke actoren en de evolutie van niet-state-
lijke deelname in internationale organisaties zijn onderdeel van een bredere ontwikke-
ling die vaak wordt gevat onder de term ‘multi-layered governance’. Governance is door
de ‘Commission on Global Governance’ omschreven als:
    ‘The sum of the many ways that individuals and institutions, public and private,
    manage their common affairs...is a continuing process through which conflicting or
    diverse interests may be accommodated and cooperative action may be taken... It
    includes formal institutions and regimes empowered to enforce compliance, as well
    as informal arrangements that people and institutions either have agreed to, or
    perceive to be, in their interest.’2
De groeiende rol van NGO’s in internationale organisaties is een weerspiegeling van
deze ontwikkeling in de richting van een andere internationale machts- en invloedsstruc-
tuur. Daarbij wordt de rol die de NGO-wereld speelt op het terrein van informatievoorzie-
ning en expertise en soms ook op het vlak van deelnemer aan toezichthoudende proce-
dures door veel staten in toenemende mate geaccepteerd. Wel zijn de verschillen
tussen de te bespreken internationale organisaties – en binnen organisaties soms
weer per deelgebied – aanzienlijk. Daarbij kan grosso modo worden vastgesteld dat de
NGO-deelname het verst is doorgevoerd op plaatsen waar organisaties opereren op – of
nadrukkelijk raken aan – het terrein van de mensenrechten en het minst waar het gaat
om economische, financiële en veiligheidsbelangen.
NGO’s zijn niet meer weg te denken uit de internationale orde. Daarbij dient echter niet
te worden vergeten dat het voor NGO’s uit tal van landen lastig is een internationale rol
te vervullen. Veel landen zijn nog altijd niet (in)gesteld op de aanwezigheid van NGO’s,
laat staan dat ze deze zullen toestaan of stimuleren internationaal te opereren, hetzij
op het terrein van de rechten van de mens, hetzij daarbuiten. Dergelijke staten grijpen
in feite elke gelegenheid – zoals de aanslagen van september 2001 en de nasleep
daarvan3 – aan om ‘hun’ NGO-sector te breidelen en om te verhinderen dat deze een
rol speelt in de sfeer van ‘global governance’.
Daarnaast roepen NGO’s soms ook kritiek op door het eigen functioneren. Deels komt
dat door hun gebrekkige representativiteit en legitimiteit (zie hoofdstuk III), deels door
hun wijze van opereren in internationale fora. De ervaring leert dat NGO’s regelmatig
een curieuze agendavoering hanteren, veel vergadertijd gebruiken voor interventies,
eenvoudigweg inhoudelijke kwaliteit missen of op agressieve wijze opereren.4
2   Zie: Report of the Commission on Global Governance, Our Global Neigbourhood, Oxford: Oxford University
    Press, 1995, p. 2.
3   Zie: International Council on Human Rights Policy, Human Rights Implications of September 11th,
    Genève, 2002.
4   Een bekend voorbeeld van dat laatste zijn acties van sommige NGO’s die strijden tegen genetisch gemodifi-
    ceerde organismen, waarbij deze soms gebruikmaken van e-mailbombardementen en bedreigingen.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De VN kennen thans meer dan 2.700 NGO’s met een formele consultatieve status, van
Amnesty International tot de National Rifle Association of America. Naast deze organi-
saties met een formele status bij de VN zijn er echter nog veel meer NGO’s actief,
waarbij de schattingen, mede afhankelijk van gehanteerde definities, uiteenlopen van
enkele duizenden tot vele tienduizenden. Zo stelde de SGVN in een rapport uit 2002
dat er aan het begin van het nieuwe millennium ruim 37.000 NGO’s waren.5 De ‘Union
of International Organisations’ kwam in 2004 op een totaal van 51.509 NGO’s.6 In de
periode na de Tweede Wereldoorlog, maar vooral sinds de jaren negentig van de vorige
eeuw, is het aantal NGO’s sterk gegroeid. Redenen daarvoor waren onder meer het
einde van de Koude Oorlog, waardoor meer ruimte voor maatschappelijke organisaties
ontstond, de ‘ontdekking’ door NGO’s van ontwikkelingsdoelen in Afrika en Latijns-Ame-
rika en de rol van massamedia en internet. De geografische reikwijdte en proliferatie
van NGO’s is dus al met al een recent verschijnsel.7
De toegenomen rol van NGO’s binnen de VN heeft zich in het bijzonder gemanifesteerd
bij de opeenvolgende wereldconferenties vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw,
zoals de ‘Earth Summit’ in Rio (1992), de Wereldconferentie Mensenrechten (1993), de
Vierde Wereldvrouwenconferentie (1995), de Habitat-conferentie (1996), de Conferentie
inzake de Uitbanning van Landmijnen (1997) en de Wereldtop inzake Duurzame Ontwik-
keling (2002). Bij deze conferenties drukten NGO’s nadrukkelijk hun stempel op de
onderhandelingen en de uitkomst, direct door het formuleren van concrete voorstellen
en indirect door druk uit te oefenen op statenpartijen. Vaak waren zij ook opgenomen in
nationale delegaties. NGO’s werden vaak gezien als partners in de onderhandelingen.
Dit fenomeen is ook terug te zien in bijvoorbeeld de onderhandelingen over, en de uit-
eindelijke inhoud van, het Statuut voor het Internationale Strafhof (ICC). Artikel 12 (2)
noemt uitdrukkelijk NGO’s als bron van informatie voor de aanklager, naast onder ande-
re staten en intergouvernementele organisaties. Daarnaast kunnen zij soms instrumen-
teel zijn, bijvoorbeeld wanneer het Strafhof actief is in nog voortdurende conflictsituaties.
De praktijk leert nu al dat NGO’s dan onmisbare schakels vormen tussen de verschil-
lende organen van het Hof en de slachtoffers en getuigen in de landen waar onderzoek
of vervolging door de aanklagers gaande is (bijvoorbeeld in Sudan/Darfur). In die geval-
len lijkt het Strafhof zelfs een grote afhankelijkheid van NGO’s te ontwikkelen, waarbij
de vraag kan worden gesteld of de voor een eerlijk proces vereiste transparantie en
controleerbaarheid waaraan partijen in een strafproces moeten voldoen, ook voor de rol
van NGO’s kan worden gegarandeerd.
Intussen zijn er vele pogingen gedaan om te definiëren wat een NGO exact is. Eén daar-
van is de definitie, zoals gehanteerd in ‘the European Convention on the Recognition of
the Legal Personality of International Non-Governmental Organisations’:
    ‘(…) associations, foundations and other private institutions which satisfy the follo-
    wing conditions: a) have a non-profit-making aim of international utility; b) have been
    established by an instrument governed by the internal law of a Party; c) carry on
5   UN Doc. A/57/387, Strengthening the United Nations: An Agenda for Further Change, 9 september 2002.
6   Yearbook of International Organizations (2005/2006). De databank is te raadplegen op:
    <http://www.uia.org/statistics/organizations/types-2004.pdf>.
7   De geschiedenis van NGO’s gaat ongeveer twee eeuwen terug. Als eerste NGO wordt vaak de ‘Abolist Society’
    in Groot-Brittannië genoemd, die zich tegen de slavernij verzette.
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    their activities with effect in at least two States; and d) have their statutory office in
    the territory of a Party and the central management and control in the territory of
    that Party or of another Party.’8
Dit is een handzame definitie, maar in het buitenlands beleid behoeft deze niet steeds
te worden aangehaald en kan worden volstaan met het gebruik van de generieke term
NGO, in de zekerheid dat deze mondiaal tot weinig misverstanden aanleiding geeft.
Daarbij denkt de AIV dat het goed is bij het gebruik van de term NGO de volgende
zaken scherp voor ogen te houden, omdat deze het spreken over de rol van NGO’s
vergemakkelijken en preciseren.
In feite kunnen er twee belangrijke rollen van NGO’s worden onderkend:9
   De rol van NGO’s bij het ontwikkelen van internationale regels (bijdrage aan het
    normatieve raamwerk). Gesteld kan worden dat veel belangrijke internationale instru-
    menten niet tot stand zouden zijn gekomen zonder de inbreng van NGO’s.
   De rol van NGO’s bij het voeren van campagnes tegen schendingen van internationa-
    le regels en het aandringen op naleving van die regels. Hier kan een verdere onder-
    verdeling worden gemaakt tussen (i) NGO’s die zich bezighouden met de uitvoering
    in het veld en (ii) NGO’s in de rol van deelnemer aan toezichthoudende procedures.
Verder kan bij NGO’s onderscheid worden gemaakt tussen:
   Organisaties die opkomen voor het eigenbelang (zoals ledenorganisaties die speci-
    fieke belangen behartigen of bepaalde groeperingen vertegenwoordigen, inclusief
    organisaties die het bedrijfsleven vertegenwoordigen en beroepsgerelateerde organi-
    saties); en
   organisaties die optreden als behartiger van meer algemene belangen (zoals organi-
    saties die zijn gericht op de realisering van brede doelstellingen in de sfeer van
    bijvoorbeeld humanitaire hulpverlening, mensenrechten, milieu en ontwikkeling).
Daarnaast bestaat er nog een veelheid aan invloedrijke religieuze organisaties, acade-
mische organisaties, sociale bewegingen en campagnenetwerken. Naast echte NGO’s
is in de internationale arena nog een veelheid aan quasi-NGO’s actief. Het gaat daarbij
bijvoorbeeld om organisaties die zijn opgericht door staten ter behartiging van hun
belangen (zogenaamde GONGO’s: Government-Operated NGO’s)10, QUANGO’s (Quasi
NGO’s) of meer hybride organisaties als het Internationale Rode Kruis, organisaties van
inheemse volken en instellingen als de Interparlementaire Unie. Deze organisaties
nemen als het ware een plaats in tussen NGO’s en staten. Ook zijn er NGO’s die feite-
lijk werken voor bepaalde bedrijven (BONGO’s: Business-Operated NGO’s).
Binnen de NGO-wereld is het onderscheid tussen de verschillende soorten NGO’s en
8   Zie voor de tekst van het verdrag: <http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/Html/124.htm>.
9   Zie voor een uitgebreidere onderverdeling onder meer: IOB, Evaluation of Nine Non-Governmental Human
    Rights Organisations, deelstudie van Tod Landman en Meghna Abraham in de context van de evaluatie van
    het Nederlandse mensenrechtenbeleid, 2006. Zie ook: M. Glasius, M. Kaldor en H. Anheier, Global Civil
    Society 2005/6, London-Thousand Oaks-New Delhi: Sage Publications, 2006.
10 Over de bedenkelijke rol van dergelijke organisaties heeft de AIV zich al eerder uitgesproken. Zie: AIV,
    Commentaar op de notitie mensenrechten 2001, advies nummer 23, Den Haag, september 2001,
    pp. 13 en 14, en AIV, De Verenigde Naties en de Rechten van de Mens, advies nummer 38, Den Haag,
    september 2004, p. 23.
                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>quasi-NGO’s vaak wel duidelijk. Dat laat onverlet dat de diversiteit aan belangen die
worden nagestreefd in de praktijk met grote regelmaat voor problemen zorgt. Alertheid
op de achtergronden van NGO’s blijft daarom geboden. De AIV komt hierop terug in
hoofdstuk III.
In verband met de onderscheiden functies wijst de AIV tot slot van deze opsomming nog
op een interessante ontwikkeling. De laatste tijd zijn er nogal wat NGO’s die zich aan-
vankelijk uitsluitend bezighielden met ontwikkeling en/of hulpverlening (zoals OXFAM en
Artsen Zonder Grenzen), maar die zich genoodzaakt hebben gezien om in voorkomende
gevallen tevens in actie te komen tegen misstanden waarmee zij bij hun werk in het
veld werden geconfronteerd. Hun oorspronkelijke neutraliteit is daarmee onder druk
komen te staan.
Bedrijfsleven
Het bedrijfsleven heeft meer en meer een internationaal karakter gekregen en laat zijn
invloed gelden in de internationale betrekkingen en in internationale organisaties. Daar-
bij valt op dat de aandacht in de publiciteit aanvankelijk (en ook nu nog wel) vooral uit-
ging naar de negatieve aspecten van de rol van bedrijven (denk aan milieuschade en
schendingen van de rechten van de mens (over die laatste nader in hoofdstuk III)),
terwijl bijvoorbeeld de opstellers van gedragscodes in de ILO en OESO van een ander,
positiever, uitgangspunt uitgingen. Inmiddels wordt het accent binnen diverse ministe-
ries en internationale organisaties in toenemende mate gelegd op de positieve rol die
bedrijven kunnen spelen bij de realisering van de doelstellingen van internationale orga-
nisaties. De activiteiten van bedrijven genereren werkgelegenheid en welvaart, noodza-
kelijk voor economische en ontwikkelingsdoelstellingen. Bovendien bieden bedrijven
ondersteuning bij ontwikkeling door het verschaffen van middelen en kennis. Een recen-
te accentuering van deze positieve rol van bedrijven is te vinden in het bekende Global
Compact (zie hierna) en in de plaats die aan bedrijven wordt toebedeeld bij de realise-
ring van de Millenniumdoelstellingen (‘partnerships’). In feite wordt met dat laatste het
dubbelzijdige signaal afgegeven dat zonder de inspanningen van bedrijven de
Millenniumdoelstellingen nimmer kunnen worden waargemaakt, alsook dat het niet aan-
gaat om in dezen al te zeer te vertrouwen op staten en hun internationale organisaties.
De term ‘bedrijfsleven’ is veelomvattend. In het kader van het onderhavige advies wordt de
term gebruikt als verzamelbegrip voor bedrijven en organisaties van werkgevers en werk-
nemers die deze bedrijven nationaal en internationaal vertegenwoordigen. Daar waar wordt
gesproken over bedrijven, gaat het over nationale en internationale ondernemingen.11
In veel documenten en discussies wordt gemakshalve gesproken over ‘maatschappelijke
actoren’, zonder onderscheid te maken tussen NGO’s en bedrijfsleven. Een verklaring
daarvoor kan zijn dat de gezamenlijke maatschappelijke actoren nogal eens worden aan-
geduid met de Engelse term civil society. De AIV geeft er de voorkeur aan de verschillen-
de componenten van deze aanduiding begripsmatig uit elkaar te houden. Hij gebruikt zelf
in dit advies de onderscheiden termen ‘NGO’s’ (inclusief informele netwerken zonder
juridische status) en ‘bedrijfsleven’ c.q. ‘bedrijven’. Slechts af en toe zullen de bredere
termen civil society en ‘maatschappelijk middenveld’ worden gebruikt. Verder heeft dit
advies geen betrekking op bijvoorbeeld de rol die nationale parlementen spelen ter
controle op het handelen van hun overheden in dezelfde internationale organisaties.
11 Daarnaast kan men denken aan massamedia, stichtingen die particulier geld beheren (zoals de Bill &
    Melinda Gates Foundation), de Cruyff Foundation, de Van Leer Foundation en pensioenfondsen.
                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>II       Deelname van NGO’s, bedrijfsleven en bedrijven in
         internationale organisaties
In dit hoofdstuk komen de volgende internationale organisaties aan de orde: 1) De
Verenigde Naties; 2) De Wereldhandelsorganisatie; 3) De Wereldbank en het Internatio-
naal Monetair Fonds. Ook wordt aandacht besteed aan de Europese Unie en de Raad van
Europa.
II.1     Verenigde Naties
II.1.1   NGO’s
In juni 2004 verscheen een intussen gezaghebbend rapport over de relatie tussen de
civil society en de VN: We the Peoples: civil society, the United Nations and global
governance,12 beter bekend als het Cardoso-rapport, genoemd naar de vroegere
Braziliaanse President Fernando Cardoso, onder wiens leiding het rapport werd
opgesteld. Het rapport dient samen met de reactie daarop van de SGVN13 als leidraad
voor (in het bijzonder het VN-deel van) het onderhavige advies.
Het Cardoso-rapport gaat uit van een nieuw soort multilateralisme dat niet slechts zou
duiden op betrekkingen tussen staten maar ook op deelname door andere actoren
(aangeduid als ‘constituencies’). In het licht van de globalisering moet, aldus het rap-
port, het verbeteren van deze deelname de VN helpen om de wensen van burgers te
horen en een breder draagvlak te creëren voor de activiteiten en inspanningen van de
organisatie.
Het Cardoso-rapport signaleert dat er op dat vlak een lange weg is te gaan en dat de
relatie tussen de VN en de NGO-wereld in de loop der jaren nogal onder druk is komen
te staan. Zo is er een reeks praktische problemen, zoals het onvermogen de groeiende
aantallen NGO’s fatsoenlijke huisvesting en vergaderfaciliteiten te verstrekken bij grote
internationale conferenties en het restrictieve klimaat waarin NGO’s moeten werken als
gevolg van door de VN aangescherpte veiligheidsmaatregelen sinds 11 september
2001. Maar, aldus het rapport, naast de praktische problemen is er ook een groeiend
verzet onder lidstaten tegen inmenging van niet-statelijke actoren, terwijl NGO’s op hun
beurt – bijna per definitie, want inherent aan de rol die zij spelen – teleurgesteld zijn
over de geringe invloed die zij al met al kunnen uitoefenen.
NGO’s hebben de afgelopen zes decennia niettemin een forse bijdrage geleverd aan het
normatieve raamwerk van de VN. Ook de AIV heeft zich over het belang van de bijdrage
van NGO’s op het terrein van ontwikkeling, milieu en mensenrechten verscheidene
malen uitgesproken.14 De voorbeelden van dergelijke inbreng zijn legio. Gedacht kan
worden aan de druk van NGO’s om verwijzingen naar mensenrechten op te nemen in
12 Zie: UN Doc. A/58/817, 11 juni 2004.
13 Zie: UN Doc. A/59/354, Report of the Secretary-General in response to the Report of the Panel of Eminent
    Persons on United Nations-Civil Society Relations, 13 september 2004.
14 Zie onder meer: AIV, Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, advies nummer
    11, Den Haag, september 1999, en AIV, advies nummer 38, op. cit.
                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>het Handvest van de VN, de grote rol die NGO’s hebben gespeeld bij de creatie van de
post van Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens, de totstandkoming van het
verdrag van Ottawa inzake het verbod op het gebruik, de aanleg van voorraden, de
productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging van deze
wapens of de oprichting van het Internationale Strafhof.
Veel NGO’s hebben een consultatieve status verkregen bij de VN en andere internationa-
le en regionale organisaties. Het is tegenwoordig dus niet zozeer de vraag of NGO’s wor-
den erkend en mogen lobbyen et cetera – al is er op dat vlak vooral binnen de internatio-
nale financiële en economische organisaties voor hen nog een wereld te winnen – maar
veeleer of zij ook daadwerkelijk een rol mogen spelen in toezichthoudende procedures.
De functie van NGO’s binnen de toezichthoudende procedures van de VN is met name
op het terrein van mensenrechten relatief sterk ontwikkeld.15 Zo zijn de organen die
toezicht houden op de naleving van de mensenrechtenverdragen bij de bespreking van
de periodieke statenrapporten steeds explicieter gebruik gaan maken van informatie
van NGO’s in zogenoemde schaduwrapportages. Aan de hand van dergelijke schaduw-
rapportages kunnen NGO’s aantonen in hoeverre door de lidstaten verstrekte informatie
juist en volledig is. Dit is, zo wijst de ervaring uit, van groot belang voor de voortgang
in de implementatie en feitelijke naleving van de verdragen, ook omdat staten vaak
verzuimen tijdig hun rapporten in te dienen. Naast het gebruik van de schaduwrappor-
tages gaan leden van de toezichthoudende comités zelf actief op zoek naar informatie
bij NGO’s en krijgen deze soms ook de mogelijkheid om de comités toe te spreken. Op
het nationale niveau spelen NGO’s vaak ook een belangrijke rol in de follow-up van de
aanbevelingen waarmee de toezichthoudende organen de rapportagecyclus afsluiten.
Bij sommige van de mensenrechtenverdragen is de rol van NGO’s nog verder geëvolu-
eerd. Zo kunnen zij slachtoffers vertegenwoordigen in de individuele klachtenprocedu-
res onder enkele van de internationale mensenrechtenverdragen. Daarnaast kennen
sommige van deze verdragen een onderzoeksprocedure, waarbij het toezichthoudende
comité een onderzoek kan instellen als het betrouwbare informatie ontvangt met
gegronde indicaties van ernstige of systematische schendingen van de verdragen.
Informatie van NGO’s is vaak aanleiding geweest voor het starten van dergelijke onder-
zoeksprocedures en gaande het onderzoek hebben NGO’s de comités vaak van infor-
matie voorzien.16 Ook bij de toezichthoudende procedures gebaseerd op het VN-Hand-
vest – 1503-procedure, werkgroepen, thematische rapporteurs en landenrapporteurs –
wordt veelvuldig een beroep gedaan op informatie uit niet-gouvernementele bronnen.
Al deze NGO-rollen hebben soms een formele basis en zijn soms in de praktijk zo
gegroeid, al dan niet (reeds) gevolgd door formalisering. Verder kan worden vastgesteld
dat NGO’s vooral, maar niet alleen, op mensenrechtengebied dergelijke rollen spelen.
Een voorbeeld op een ander vlak betreft de Conventie van Aarhus betreffende ‘Access
to Information, Public Participation in Decision-making and Access to Justice in
15 Zie: Ineke Boerefijn, Alex van Gans en Rolanda Oostland, ‘De rol van niet-gouvernementele organisaties in
    de toezichtprocedures op basis van VN-mensenrechtenverdragen’, in: C. Flinterman en W. van Genugten
    (eds), Niet-statelijke actoren en de rechten van de mens; gevestigde waarden, nieuwe wegen, Den Haag:
    Boom Juridische Uitgevers, 2003, pp. 121-133.
16 Ibidem, pp. 130-132.
                                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Environmental Matters’.17 Deze geeft, zoals de titel van de Conventie al zegt, NGO’s
het recht op informatie en op inspraak bij besluitvorming, maar ook op toegang tot de
rechter inzake milieuaangelegenheden.
Economische en Sociale Raad (ECOSOC)
De permanente deelname van NGO’s in de VN is gebaseerd op artikel 71 van het VN-
Handvest waar wordt gesteld dat:
    ‘the Economic and Social Council may make appropriate arrangements for
    consultations with Non-Governmental Organizations which are concerned with
    matters within its competence’.18
Dit artikel is verder uitgewerkt in ECOSOC-resolutie 1996/31, waarin eisen worden gesteld
aan de organisatiestructuur van NGO’s. Om in aanmerking te komen voor consultatieve
status moet een NGO onder meer beschikken over ‘a democratically adopted constitution’
en ‘representative structure and […] appropriate mechanisms of accountability’.
De mogelijkheid van consultatie bestaat dus formeel alleen binnen ECOSOC en (tien
functionele en vijf regionale) subsidiaire organen en geldt voor NGO’s actief op de werk-
terreinen van ECOSOC (te weten: internationale economische, sociale of culturele aan-
gelegenheden, waaronder onderwijs, gezondheidszorg en mensenrechten).19 Daarbij
wordt een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën. De eerste, algemene, catego-
rie betreft NGO’s die actief zijn rond alle thema’s die in de ECOSOC worden behandeld.
Dit zijn vooral internationale NGO’s met een brede geografische spreiding. Zij hebben
het recht om niet alleen schriftelijke mededelingen te verspreiden maar ook om zelf het
woord te nemen en onderwerpen voor de agenda voor te stellen. Ten tweede is er de
bijzondere categorie van NGO’s die zich bezighouden met een beperkt aantal beleids-
domeinen van de ECOSOC. Deze organisaties mogen alleen schriftelijke stukken
verspreiden. Ten slotte bestaat er een derde categorie (genaamd: the Roster) voor tech-
nische organisaties met een vaak beperkt activiteitendomein. Zij kunnen niet op eigen
initiatief verklaringen laten circuleren en mogen enkel de vergaderingen bijwonen. Zij
kunnen wel het verzoek krijgen een bijdrage te leveren. Deze laatste NGO’s zijn, in
tegenstelling tot de eerste twee categorieën, niet verplicht om elke vier jaar te rappor-
teren over hun werkzaamheden ter ondersteuning van de VN.20
Bij gebrek aan een algemeen aanvaarde regeling wordt artikel 71 van het VN-Handvest
vaak gezien als het fundament van NGO-activiteiten in de internationale betrekkingen in
brede zin. Hoewel veel NGO’s het functioneren van ECOSOC bij de selectie van NGO’s
17 Conventie van 25 juni 1998.
18 Naast permanente raadgevende status kent de VN ook de voorziening waarbij een ‘eenmalige deelname’
    kan worden verzekerd (bijvoorbeeld bij Wereldconferenties).
19 Het recht op deelname moet worden onderscheiden van een zgn. partnerschap met het ‘Department for
    Public Information’ (DPI) van de VN. Dit betreft NGO’s die informatie over het werk van de VN kunnen
    verschaffen. Momenteel zijn er 1533 NGO’s verbonden aan het DPI.
20 Zie voor een uitgebreide beschrijving van de rol en positie van NGO’s ook: Leon Gordenker en Thomas
    G. Weiss, ‘NGO’s, The UN and Global Governance’, Third World Quarterly, Journal of Emerging Areas,
    Vol. 16, No. 3, september 1993, pp. 357-579.
                                                       13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>voor een consultatieve status als te politiek ervaren, is het wel het enige Handvest-
artikel waarop NGO-deelname kan worden gebaseerd.
NGO-deelname binnen ECOSOC is het meest tot ontwikkeling gekomen in de voormali-
ge Commissie voor de Rechten van de Mens. Ondanks druk van sommige staten om
de NGO-deelname te ‘stroomlijnen’, zijn de rechten van NGO’s bij de oude Commissie
vooralsnog gehandhaafd bij de nieuw ingestelde Mensenrechtenraad, maar een ‘zeker
bezit’ zijn deze rechten zeker niet. NGO-deelname staat regelmatig ter discussie, zoals
ook blijkt uit de toenemende wens van staten om de consultatieve status van NGO’s
die zich kritisch over lidstaten hebben uitgelaten enkele jaren op te schorten.21 Naar
het inzicht van de AIV is het nu juist de tijd om de mogelijkheden van de NGO-rol verder
uit te diepen. Gedacht kan worden aan het betrekken van NGO’s bij de interactieve
dialoog met de Speciale Rapporteurs. Niet alleen kunnen de Rapporteurs gebruik
maken van de aangeboden kennis (zoals ook nu al vaak het geval is), ook kunnen via
de Rapporteurs bepaalde onderwerpen nog eens onder de aandacht van de Mensen-
rechtenraad worden gebracht. Verder moeten NGO’s naar de opvatting van de AIV
structureel en systematisch worden betrokken bij het jaarlijkse onderzoek naar de
mensenrechtensituatie in de lidstaten van de Raad (peer review).
Algemene Vergadering (AVVN)
De consultatieve status van NGO’s strekt zich niet uit tot de AVVN, met de kantteke-
ning dat een klein aantal hybride organisaties, zoals het Internationale Rode Kruis, wel
de status van waarnemer heeft. De vraag of er voor de AVVN een formele vorm van
overleg met de NGO-wereld in het leven moet worden geroepen is een terugkerend
punt van discussie.22
Het Cardoso-rapport geeft aan hoe de bestaande VN-procedures op het terrein van
accreditatie van NGO’s kunnen worden verbeterd. Het voorstel is om de procedures
terug te brengen tot één algemene procedure. De beoordeling van aanvragen moet dan
worden ondergebracht bij de AVVN in plaats van de ECOSOC. De AIV onderschrijft de
stelling van het Cardoso-rapport dat ‘there is little logic for the United Nations to
recognize civil society input into the Economic and Social Council but resist similar
input to the General Assembly committees that discuss the same subjects’. De nieuwe
accreditatieverleningen zouden moeten plaatsvinden op grond van aanbevelingen door
het VN-Secretariaat op basis van een inhoudelijke beoordeling van het werk van de des-
betreffende NGO’s. Vooral de beoordeling door het VN-Secretariaat zou, naar analogie
van de bestaande procedure binnen de Raad van Europa, naar de opvatting van de AIV
een verbetering zijn, omdat dat eens te meer onderstreept dat de bijdrage van NGO’s
niet beperkt is tot ECOSOC-kwesties. Deze algemene procedure zou dan tevens de
basis zijn voor NGO-toegang tot andere VN-organen dan ECOSOC.23 Het is de AIV
21 Zie onder meer: M. Kamminga, ‘What makes an NGO ‘legitimate’ in the Eyes of States?’, nog te verschijnen
   in: A. Vedder (ed.), Legitimizing NGO Involvement in International Policymaking and Politics. In dat
   artikel worden de voorbeelden gegeven van de klachten van de VS tegen de International Lesbian and Gay
   Organisation (1994), Soedan tegen Christian Solidarity International (1999) en Cuba tegen de International
   Council for the Associations for Peace in the Continents (2000). Deze klachten hebben geleid tot opschor-
   ting van de consultatieve status.
22 Dit werd in 1995 ook al voorgesteld door de ‘Commission on Global Governance’.
23 Dit is ook erkend in het Cardoso-rapport, op. cit. Zie onder andere para 122 en Voorstel nr. 19.
                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>bekend dat de EU zich een voorstander heeft getoond van een rol voor de AVVN bij het
stroomlijnen en versterken van het accreditatieproces en de AIV roept de Nederlandse
regering op die lijn met kracht te blijven volgen.
Los van de procedure met betrekking tot consultatieve status, wordt in het Cardoso-
rapport ook ingegaan op de gewenste inhoudelijke samenwerking tussen de AVVN en
de niet-gouvernementele sector. Zo zou de AVVN op reguliere basis op zoek moeten
gaan naar de input van ‘actors besides central Governments’ en naar bijdragen van
‘high-level independent experts’. Tevens zouden ‘participation arrangements’ moeten
worden gemaakt ‘in collaboration with the relevant constituency networks’.24 Ook in
het verleden hebben de AVVN en haar commissies al (informele) inbreng gezocht en
gekregen van de zijde van NGO’s, bedrijven en onafhankelijke universitaire experts.25
Dit gebeurde bijvoorbeeld in panels, rondetafelbijeenkomsten, bijeenkomsten die inter-
nationale conferenties voorbereiden, speciale sessies en in de ‘high-level dialogue’ van
de AVVN. In zijn reactie op het Cardoso-rapport heeft de SGVN de eventuele deelname
van NGO’s aan de plenaire vergaderingen van de AVVN echter voor zich uit geschoven.
Hij bepleit een accreditatie bij de belangrijkste commissies. Verder stelt hij dat vooraf-
gaand aan grote bijeenkomsten hoorzittingen moeten worden georganiseerd met
NGO’s die specifieke kennis hebben met betrekking tot de kwesties die aan de orde
zullen komen. Maar ook dat is in feite al staande praktijk. De AIV onderschrijft dergelij-
ke initiatieven, maar is tevens van mening dat zulke hoorzittingen de ontwikkeling naar
verdergaande deelname niet moeten remmen. Zolang er echter geen overeenstemming
is over het formaliseren van de rol van NGO’s, moeten voorstellen ter intensivering van
de informele contacten tussen NGO’s en de (commissies van de) AVVN, met inbegrip
van hoorzittingen, worden ondersteund.
Als gemeld heeft de voorzitter van de AVVN in mei 2006 twee speciale adviseurs aan-
gesteld om de relatie tussen de AVVN en maatschappelijke actoren (civil society) verder
uit te diepen. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat op korte termijn veranderingen moe-
ten worden doorgevoerd in de context van het bestaande raamwerk, terwijl op de
langere termijn kan worden gedacht aan het uitwerken van meer formele relaties tussen
de maatschappelijke actoren en de AVVN. Wat betreft de korte termijn stellen de advi-
seurs voor dat er in het raamwerk van het bestaande informele overleg periodieke bij-
eenkomsten worden georganiseerd tussen maatschappelijke actoren en de voorzitters
van de belangrijkste commissies van de AVVN. Tevens kan in dat verband worden
gedacht aan een openbare ’briefing’ door de voorzitter van de AVVN voorafgaande aan
belangrijke bijeenkomsten, zoals het begin van de jaarlijkse AVVN-vergadering. De twee
speciale adviseurs zien daarbij een belangrijke rol weggelegd voor de voorzitter van de
AVVN in nauwe samenwerking met de SGVN. Verder zou er een post in het leven moe-
ten worden geroepen om de voorzitter van de AVVN te assisteren bij de contacten met
maatschappelijke actoren. Hoewel onder lidstaten weerstand bestaat tegen dit idee om
bij het Secretariaat een contactpersoon voor deze organisaties aan te stellen op het
niveau van onder-Secretaris-Generaal, is een dergelijke post naar de opvatting van de
24 Ibidem, Voorstel nr. 6.
25 Dergelijke hoorzittingen vinden plaats voorafgaand aan de ‘high-level meetings’, voor het eerst in juni 2005
    voorafgaand aan de ‘High-level Summit’ van september 2005. Tweehonderd organisaties en duizend waar-
    nemers kwamen bijeen om het rapport In larger Freedom van de Secretaris-Generaal te bespreken. Hoor-
    zittingen zijn sindsdien ook gehouden betreffende HIV/AIDS, Internationale Migratie en Ontwikkeling en de
    Minst Ontwikkelde Landen.
                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>AIV van groot belang, zowel uit een oogpunt van coördinatie als om het belang dat de
VN hechten aan contacten met de NGO’s en het bedrijfsleven sterk te onderstrepen. In
dit licht moet ook de financiering van de, door de NGO-wereld zeer gewaardeerde,
‘United Nations Non-Governmental Liaisons Service (NGLS)’ veilig worden gesteld.
Verder moeten er hoorzittingen worden opgenomen als onderdeel van het werkprogram-
ma van de commissies. Hiervoor zullen richtlijnen moeten worden opgesteld, ook met
het oog op evenredige vertegenwoordiging van NGO’s uit ontwikkelingslanden. Tot slot
moeten voldoende tijd en middelen beschikbaar worden gesteld om actieve deelname
aan deze hoorzittingen te bevorderen.26
Veiligheidsraad (VR)
De thema’s waarmee de VR zich bezighoudt zijn lang gezien als de exclusieve aangele-
genheid van staten, in tegenstelling tot de kwesties waarmee ECOSOC is belast. De
contacten van de VR met NGO’s zijn dan ook niet in formele teksten neergelegd en de
bijeenkomsten van de VR zijn alleen toegankelijk voor de delegaties van lidstaten. De
informele contacten tussen de VR en de NGO-wereld zijn echter sinds het einde van de
Koude Oorlog sterk toegenomen. De VR ziet zich geconfronteerd met andersoortige
conflicten en dreigingen en dientengevolge andere werkzaamheden. Dit vereist meer
kennis van plaatselijke gemeenschappen en culturen, kwetsbare groepen et cetera, en
dat zijn terreinen waarop, ook naar het inzicht van de VR, NGO’s belangrijke informatie
kunnen verschaffen.
Vanaf 1990 is een aantal ontwikkelingen waar te nemen die de contacten met NGO’s
deden toenemen. Allereerst is de frequentie van de bijeenkomsten en het aantal zaken
waarmee de VR zich bezighoudt enorm gegroeid. Ten tweede is de werkdruk op de
vaak kleine delegaties van de tien gekozen leden van de VR enorm toegenomen door
de vele nieuwe kwesties. Informele partnerschappen en nauwe samenwerking met
NGO’s konden aldus enig tegenwicht bieden aan de permanente leden. Ten derde nam
de erkenning van de belangrijke rol van NGO’s in de internationale gemeenschap in
deze periode sterk toe. NGO’s zijn vaak al actief in het veld en blijven dat ook nadat de
VN zijn vertrokken. Bovendien is de rol van NGO’s bij het informeren van het publiek
steeds groter geworden. Ten slotte doet zich in het bijzonder ook bij de VR, met zijn
systeem van permanente leden en veto’s, een legitimiteitsprobleem gelden. De kritiek
op de VR, met zijn toenemend aantal bijeenkomsten achter gesloten deuren en met de
dominante opstelling van enkele van zijn kernleden, heeft bij velen als tegenreactie
opgeroepen – en het besef doen groeien – dat interactie met NGO’s van groot belang
kan zijn in het streven naar een meer legitieme en in de praktijk meer effectieve VR.
Dat de VR en NGO’s daarbij onderscheiden verantwoordelijkheden en rollen hebben
spreekt voor de AIV vanzelf.27
Als gezegd zijn de informele contacten van de VR met NGO’s het afgelopen decennium
toegenomen. Zij beslaan vooral de volgende terreinen: mensenrechten en humanitaire
26 Zie voor deze passage: Johna L. Løvald and Rezlan Ishar Jenie, United Nations: The Relationship between
   Member States and civil society, including non-governmental organizations. Report to the President of the
   60th General Assembly, 5 juli 2006.
27 Zie ook: AIV, Terrorismebestrijding in mondiaal en Europees perspectief, advies nummer 49, Den Haag,
   september 2006, hoofdstuk III.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>zaken,28 vrede en veiligheid,29 en het algemene VR-beleid.30 In 1992 zijn voor het
eerst bijeenkomsten georganiseerd volgens de zogenoemde Arria-formule (genoemd
naar de toenmalige ambassadeur van Venezuela die dit initieerde). Tijdens deze infor-
mele bijeenkomsten kan een lid van de VR de andere leden uitnodigen voor een
briefing over een bepaald onderwerp door een buitenstaander. Ondanks aanvankelijk
protest van de vijf permanente leden nemen ook deze landen nu deel aan deze bijeen-
komsten. De bijeenkomsten vinden gemiddeld één keer per maand plaats en worden
vaak op hoog niveau bezocht en gesteund. Het Secretariaat houdt rekening met de
bijeenkomsten, waardoor ze een interessante mengeling van formaliteit en informaliteit
laten zien. Hoewel dit proces in oorsprong niet tot doel had NGO-deelname te bevorde-
ren, heeft het in de praktijk wel zo gewerkt en geleid tot een beperkte openstelling van
de VR naar de buitenwereld.31 Zeker in humanitaire crises richt de VR zich steeds
vaker, direct of indirect, tot NGO’s en worden contacten met de civil society en tijdens
veldmissies aangemoedigd.32 De teleurstelling over het uiteindelijke resultaat van de
flinke inspanning die veel NGO’s aan dergelijke bijeenkomsten (proberen te) leveren is
waar te nemen, maar dat hoort naar de opvatting van de AIV bij dergelijke processen.
Commissie voor Vredesopbouw
Eén van de hervormingsvoorstellen van de SGVN bij gelegenheid van de zestigste ver-
jaardag van de VN betrof het instellen van een Commissie voor Vredesopbouw.33 De
taal over NGO-deelname in de resolutie betreffende de nieuwe Mensenrechtenraad34
28 Onder andere Amnesty International, Human Rights Watch en Oxfam onderhouden contacten met de VR.
    Zo werd in april 2005 een bijeenkomst georganiseerd over de mensenrechtensituatie in Haïti, waaraan
    Amnesty International deelnam.
29 In september 2005 heeft de VR een open debat georganiseerd over ‘The role of civil society in conflict
    prevention and the peaceful settlement of disputes’ waar twee vertegenwoordigers van het ‘Global
    partnership for the Prevention of Armed Conflict’ (GPPAC) hebben gesproken. Zie voor concrete suggesties:
    GPPAC, Reader, UN, Regional Organisations and Civil Society Organisations en Conference Report: From
    Reaction to prevention: Civil Society forging Partnerships to prevent Violent Conflict and Building Peace,
    19-21 juli, UN Headquarters, New York. Zie ook verslag van de bijeenkomst op 5 september 2006, ‘Getting
    the Peacebuilding Commission off the Ground: how to include Cicil Society on the Ground’, Friedrich-Ebert-
    Stiftung en GPPAC, New York, 2006.
30 In 1995 werd de ‘NGO Working Group on the Security Council’ opgericht. Deze werkgroep komt gemiddeld
    vier keer per maand bijeen en is een centraal punt van contact tussen de VR en NGO’s.
31 In 1996 werd een bijeenkomst georganiseerd waarbij ook NGO’s en vertegenwoordigers van andere VN-
    organen, zoals ECOSOC, werden uitgenodigd (‘Somavia-formule’, genoemd naar de initiator de ambassa-
    deur van Chili). Dit initiatief stuitte op veel kritiek en is sindsdien niet meer herhaald.
32 Zie bijvoorbeeld UN Doc. S/RES/1325 van 31 oktober 2000 over de discussies over de positie van de
    vrouw ten tijde van gewapend conflict; en UN Doc. S/2006/507 van 19 juli 2006 en bijvoorbeeld de
    presentatie van de acteur G. Clooney en nobelprijswinnaar E. Wiesel over Sudan (Dafur) tijdens de recente
    zitting van de VR op 14 september 2006.
33 Zie: AIV, De hervormingen van de Verenigde Naties: het rapport Annan nader beschouwd, advies nummer
    41, Den Haag, mei 2005, op. cit., paragraaf IV.2.
34 Zie: UN Doc. A/RES/60/180, 30 december 2005. Daarin wordt gesteld: ‘…encourages the Commission to
    consult with civil society, including women’s organizations and the private sector engaged in peacebuilding
    activities as appropriate’.
                                                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>ontbreekt in de AVVN-resolutie over de Commissie voor Vredesopbouw. De achtergrond
van deze zwakkere formuleringen ligt in de grondslag van de Commissie voor Vredes-
opbouw. De onderhandelingen over de instelling en mandaatsbepaling riep bij veel lid-
staten sterke soevereiniteitssentimenten op en maakte het onmogelijk een steviger
mandaat – met inbegrip van de door de AIV sterk bepleite mogelijkheid tot ingrijpen in
de voorfase van een conflict – en een sterke positie van NGO’s te bereiken. Echter, de
AIV is van oordeel dat de Commissie voor Vredesopbouw, wil zij ook effectief kunnen
functioneren in situaties van naoorlogse vredesopbouw, nauw zal moeten samenwerken
met NGO’s, omdat deze over de kennis en ervaring in het veld beschikken.35
De relatie tussen de NGO-wereld en de VN-Veiligheidsraad moet naar de opvatting van
de AIV ten principale worden versterkt. Zeker gezien de groeiende nadruk binnen de VR
– en binnen de VN in het algemeen – op conflictpreventie en vredesopbouw, terreinen
waar maatschappelijke organisaties veel expertise bezitten en derhalve een belangrijke
rol kunnen spelen, ligt een dergelijke versterking voor de hand. Daarnaast kan worden
gedacht aan het feit dat de Raad zich niet alleen bezighoudt met vraagstukken van
vrede en veiligheid in engere zin, maar ook in toenemende mate met kwesties op het
vlak van de bescherming van de rechten van de mens. Dit doet zowel de werklast als
de behoefte aan specifieke expertise groeien, en vraagt om een andere benadering dan
het ad hoc inschakelen van dergelijke expertise. De AIV onderschrijft dan ook het
voorstel uit het Cardoso-rapport om de contacten tussen de VR en de civil society te
versterken door de NGO-deelname aan de Arria-bijeenkomsten – zie hierboven – uit te
breiden en nader te faciliteren.36 De NGO-rol van deelnemer aan toezichthoudende
procedures kan verder worden versterkt door implementatie van het voorstel van de
SGVN om NGO’s te betrekken bij de evaluatie van afgeronde vredesmissies.
Internationale Arbeidsorganisatie (ILO)
De ILO (1919) wordt vaak genoemd als hét voorbeeld van gecombineerde statelijke en
niet-gouvernementele deelname in een internationale organisatie. De tripartiete struc-
tuur van de ILO betekent dat representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties
formeel op gelijke voet met staten opereren. Artikel 24 van de ILO-constitutie spreekt
over de mogelijkheden van deze organisaties om klachten in te dienen over de niet-
naleving van ILO-Conventies. Zo spelen werkgevers- en werknemersorganisaties een
belangrijke rol bij de supervisie inzake de naleving van verdragen. Voor NGO’s is in
dezen geen formele status weggelegd, maar ze kunnen zich informeel wenden tot zowel
de lidstaten als de werknemers- en werkgeversorganisaties. Hoewel deze beperking wel
is bekritiseerd,37 neemt de samenwerking met NGO’s die werkzaam zijn op de terreinen
waarop de ILO actief is wel toe. Inmiddels heeft de ILO een lijst opgesteld met onge-
veer 150 NGO’s die toegang hebben tot (een deel van) de besprekingen. Meer in alge-
mene zin is al opgemerkt dat NGO’s internationaal (met name op mensenrechten-
35 Zie onder meer: AIV, Falende Staten, een wereldwijde verantwoordelijkheid, advies nummer 35, Den Haag,
    mei 2004, p. 45 en voetnoot 27.
36 Bij de officiële installatiebijeenkomst waren namens de SGVN vijf NGO’s aanwezig.
37 Bijvoorbeeld door Virginia Leary, ‘The ILO: A Model for Non-State Participation?’, in: Th.C. van Boven (eds),
    The legitimacy of the United Nations: towards a enhanced legal status of non-State actors, Utrecht: SIM,
    1997; Menno T. Kamminga, ‘The Evolving Status of NGO’s under International Law: A Threat to the Inter-
    State System?’, in: Philip Alston (ed), Non-State Actors and Human Rights, Oxford: Oxford University Press,
    2005, pp. 100-101.
                                                       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>gebied) een groeiend aantal mogelijkheden tot deelname in toezichthoudende procedu-
res hebben. Dit is binnen de ILO weliswaar formeel niet het geval, maar in de praktijk
bestaan daartoe wel mogelijkheden. Naast het al genoemde artikel 24 van het ILO-
Statuut, opent artikel 26 de mogelijkheid voor een lidstaat een klacht in te dienen
wegens schending van een conventie door een andere lidstaat (mits beide partij zijn bij
het desbetreffende verdrag). De in te stellen onderzoekscommissie zal in dat geval
werkgevers- en werknemersorganisaties horen. Voor werknemers- en werkgeversorgani-
saties is ook een rol weggelegd bij de Commissie inzake de vakverenigingsvrijheid en
vrijheid van collectief onderhandelen. Zij kunnen een klacht indienen tegen een staat
ongeacht of deze partij is bij de desbetreffende conventies. In het bijzonder werkne-
mersorganisaties nemen in dat verband nog wel eens de rol op zich van verdedigers
van specifieke belangen, zoals de rechten van de mens, in een supervisieprocedure
derhalve die niet openstaat voor reguliere NGO’s.
II.1.2     Het bedrijfsleven
Het Cardoso-rapport gaat ook uitgebreid in op de betekenis van het bedrijfsleven en
bedrijven voor de VN. De kern van de redenering is dat het aangaan van zogenoemde
partnerschappen met bedrijven de VN kan helpen bij het verwezenlijken van hun doel-
stellingen. In de VN is er in toenemende mate aandacht voor zowel de positieve als de
negatieve aspecten van de rol van bedrijven. Zo is veel werk verricht op het terrein van
de verantwoordelijkheden van bedrijven voor schendingen van mensenrechten,38 maar
lijkt de nadruk nu in toenemende mate te verschuiven naar de positieve bijdrage die
bedrijven kunnen leveren aan de realisering van de doelstellingen van de VN.39 Als
gezegd, is het besef gegroeid dat de welvaart en werkgelegenheid die bedrijven genere-
ren onontbeerlijk zijn voor mondiale ontwikkeling.40 De AIV heeft eerder gewezen op het
belang van bedrijven bij het bereiken van de Millenniumdoelstellingen.41 Intussen zijn
er vele partnerschappen tussen de VN en bedrijven tot stand gekomen op terreinen als
38 Zie onder meer: Norms on the Responsibility of Transnational Corporations and Other Enterprises with
    Regard to Human Rights, UN Doc. E/CN.4/Sub.2/2003/12/Rev.2 (2003) en Report of the High
    Commissioner on Human Rights on the Responsibilities of Transnational Corporations and Related Business
    Enterprises with Regard to Human Rights, UN Doc. E/CN.4/2005/91, 15 februari 2005.
39 Zie hiervoor de website ‘The UN & Business’, <http://www.UNorg/partners/business/index.asp> en
    <http://www.UNorg/unfip>. Verder is een groot aantal VN-documenten verschenen over de positieve aspecten
    van partnerschappen tussen de VN en het bedrijfsleven. Het betreft onder meer: Towards Global
    Partnership, UN Doc. A/Res/22/215, 6 maart 2001; Cooperation between the United Nations and All
    Relevant Partners, in particular the Private Sector, UN Doc. A/56/323, 9 oktober 2001; In Larger Freedom:
    Towards Development, Security and Human Rights for All, report of the Secretary-General, UN Doc.
    A/59/2005, 21 maart 2005. In april 2005 is de Amerikaan John Ruggie benoemd tot ‘Special Representative
    of the Secretary-General on the issue of human rights and transnational corporations and other business
    enterprises’. Volgens zijn mandaat dient hij onder andere de internationale mensenrechtenstandaarden te
    identificeren waaraan bedrijven zijn gebonden. In zijn interim-rapport (UN Doc. E/CN.4/2006/97 van
    20 februari 2006) legt hij sterk de nadruk op de verantwoordelijkheden van staten in dezen. Ook hier is de
    verschuiving van aandacht naar de meer positieve bijdrage die bedrijven kunnen leveren, waar te nemen.
40 Zie ook: AIV, Private Sector Ontwikkeling en Armoedebestrijding, advies nummer 50, Den Haag, oktober
    2006.
41 Zie: AIV, Reactie op het Sachs-Rapport: hoe halen wij de millenniumdoelen?, briefadvies nummer 8,
    Den Haag, april 2005.
                                                         19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>het assisteren van kleine ondernemingen in ontwikkelingslanden, het faciliteren van
buitenlandse investeringen aldaar, milieuaangelegenheden en gezondheidszorg.42
In 2000 werd het Global Compact opgericht, waarbinnen op vrijwillige basis bedrijven
maar ook NGO’s met VN-organen samenwerken ter promotie van tien principes op het
terrein van mensenrechten, arbeid, het milieu en de bestrijding van corruptie.43 Naast
het integreren van de tien principes in het werk van bedrijven streeft dit initiatief ernaar
een katalysator te zijn van activiteiten die de doelstellingen van de VN ondersteunen.
Bij aanvang namen hieraan vijftig bedrijven deel, nu zijn er ruim 3.000 deelnemers,
waarvan ongeveer 2.500 bedrijven.
Het niet-bindende karakter en het streven naar constructieve samenwerking van het
Global Compact maakt het onderschrijven van de principes aantrekkelijk voor bedrijven.
Er is echter ook veel kritiek op het vrijblijvende karakter van het initiatief. Sommige van
de aangesloten bedrijven hebben een slechte reputatie op het vlak van het respecteren
van mensenrechten of het milieu. Om te voorkomen dat het Global Compact wordt mis-
bruikt voor pr-doeleinden heeft de VN in 2005 integriteitregels opgesteld. Zo kunnen
bedrijven die niet voldoen aan de eis om regelmatig te rapporteren over de vooruitgang
die zij hebben geboekt met betrekking tot de principes, op een openbaar toegankelijke
lijst terechtkomen. Momenteel staan er 912 bedrijven op deze lijst.44
II.2      De Wereldhandelsorganisatie (WTO)
De WTO is een intergouvernementele organisatie in de klassieke zin van het woord. In
eerste aanleg was de WTO vooral een verzameling handelsafspraken tussen de lidsta-
ten en was van een zelfstandig beleid, zoals dat het geval is bij sommige andere inter-
nationale organisaties, nauwelijks sprake. De uitkomst van de Uruguay-onderhande-
lingsronde was in feite dat de Wereldhandelsorganisatie veranderde van een
diplomatiek onderhandelingsplatform in een juridisch-getinte organisatie. Dit laatste
komt vooral tot uiting in de feitelijke onmogelijkheid voor lidstaten om een zaak bij de
WTO te blokkeren. Waar voorheen een lidstaat de mogelijkheid had een veto uit te spre-
ken tegen een beslissing, kan nu enkel en alleen op basis van unanimiteit worden voor-
komen dat het orgaan voor geschillenbeslechting een uitspraak doet. Hierdoor neemt
ook de kans toe dat een panel of het Beroepslichaam van de WTO wordt geconfron-
teerd met argumenten die buiten het strikte WTO-recht vallen, zoals argumenten ont-
leend aan internationaal erkende mensenrechten of de bescherming van het milieu.
Een WTO-lidstaat zal immers alle mogelijkheden aangrijpen om zichzelf te verdedigen.
Bovendien kan, meer in het algemeen, worden gesteld dat er een groeiende verweven-
heid is van WTO-recht met andere delen van het internationale recht. De WTO is geen
‘self-contained regime’. Geschillen die worden beslecht kunnen bovendien fundamente-
le invloed hebben op andere terreinen, zoals de voedselveiligheid en werknemers- en
vakbondsrechten. Met het oog hierop is het naar de opvatting van de AIV van groot
42 Voor voorbeelden zie de website van ‘The United Nations Fund for International Partnerships’,
    <http://www.UNorg/unfip>.
43 Zie: <http://www.globalcompact.org>.
44 Zie: <http://www.globalcompact.org/ParticipantsAndStakeholders/non_communicating.html>. (gegevens van
    14 september 2006). Een uitzondering op de rapportageplicht kan worden gemaakt voor kleine en middel-
    grote bedrijven en bedrijven die de capaciteit missen om aan de verplichting te voldoen.
                                                       20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>belang dat de specifieke (mensenrechten- en andere) expertise van NGO’s binnen de
WTO wordt aangewend, zowel in de onderhandelingen als in de geschillenbeslechting-
procedures.
Het WTO-oprichtingsverdrag schept wel mogelijkheden voor een eigenstandige relatie
met NGO’s:
    ‘The General Council may make appropriate arrangements for consultation and
    co-operation with non-governmental organizations concerned with matters related to
    those of the WTO.’45
In beginsel is deze bepaling verstrekkender dan het soortgelijke artikel 71 in het VN-
Handvest, waarin wordt gesproken van ‘consultatie’, terwijl in het WTO-artikel tevens
wordt gesproken over samenwerking (‘coöperatie’).
Hoewel niet-statelijke actoren strikt genomen geen toegang hebben tot de onderhande-
lingen of het WTO-geschillenbeslechtingsysteem,46 is het bekend dat bedrijven indirect
substantiële toegang hebben tot de WTO en dat veel zaken voor het geschillenbeslech-
tingsysteem door lidstaten aanhangig worden gemaakt op aandrang van en ten behoeve
van bedrijven.47
Daarnaast is door het besluit van het WTO-Beroepslichaam om WTO-panels en het
Beroepslichaam zelf toe te staan zogenoemde amicus curiae bijdragen van NGO’s in
ontvangst te nemen, een nadere stap gezet op het pad van de NGO-toegang. Vooral
NGO’s actief op het terrein van het milieu en organisaties die bedrijfsbelangen beharti-
gen, maar in toenemende mate ook mensenrechten-NGO’s, maken gebruik van deze
mogelijkheid om hun expertise aan de panels en het Beroepslichaam beschikbaar te
stellen of om anderszins te interveniëren. In verband met het toezicht kan verder wor-
den gedacht aan een grotere rol voor NGO’s bij het zogenoemde ‘Trade Policy Review
Mechanism’ van de WTO, waarbinnen het handelsbeleid van leden van de organisatie
wordt doorgelicht. Zoals gebruikelijk is bij de rapportageprocedures bij mensenrechten-
verdragen, zouden NGO’s ten minste schaduwrapporten moeten kunnen indienen ten-
einde de WTO van extra informatie te voorzien.
In de Doha-onderhandelingsronde heeft de EU zich een voorstander getoond van amicus
curiae interventies door NGO’s. De EU heeft een voorstel ingediend om een artikel hier-
over toe te voegen aan het WTO-oprichtingsverdrag, waarop de Afrikaanse Groep en India
hebben gereageerd met voorstellen die de acceptatie van amicus curiae interventies juist
45 Zie: Artikel V, para 245.
46 Zie hiervoor: Guidelines for Arrangements on Relations with Non-Governmental Organizations
    (Doc/WT/L/162, 1996), waarin wordt gesteld dat ‘there is currently a broadly held view that it would not be
    possible for NGO’s to be directly involved in the work of the WTO or its meetings’ (paragraaf VI).
47 Een bekend voorbeeld is de zogenoemde ‘Bananen-zaak’ (WT/DS27) waar onder andere de Verenigde
    Staten het Europese importbeleid van bananen aanvochten ten behoeve van de multinational Chiquita. Zie
    voor een overzicht van dergelijke zaken: Gregory C. Shaffer, Defending Interests: Public-Private Partnerships
    in WTO litigation, Washington DC: Brookings Institution Press, 2003.
                                                        21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>zouden verbieden.48 Overeenstemming is op dit punt niet bereikt en met de stagnatie
in de Doha-onderhandelingsronde is ook deze discussie tijdelijk gestopt. Vooralsnog
zullen NGO’s wel kunnen blijven optreden als amicus curiae, maar de beslissing of deze
bijdragen zullen worden geaccepteerd blijft willekeurig en de kans op werkelijke invloed
is, gezien de praktijk dusver, niet erg groot.
Tot slot heeft de WTO de afgelopen jaren gehoor gegeven aan de roep om meer demo-
cratische controle49 en transparantie in de richting van de NGO-wereld en op dat vlak
een aantal belangrijke stappen gezet. Zo is er een omvangrijke website opgezet door
middel waarvan het WTO-secretariaat zogenoemde ‘position-papers’ van NGO’s ver-
spreidt, organiseert het secretariaat een jaarlijks symposium waaraan NGO’s kunnen
deelnemen en mogen NGO’s deelnemen aan de tweejaarlijkse Ministeriële Conferenties.
In dat verband wordt NGO’s ook de gelegenheid geboden om parallelle bijeenkomsten te
organiseren, tenzij hun vertegenwoordigers deel uitmaken van nationale delegaties.
II.3      De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF)
De Wereldbank en het IMF hebben in de loop der jaren hun werkzaamheden ver voorbij
hun originele mandaten zien groeien. De grote impact van deze instellingen op het
beleid van ontwikkelingslanden en transitielanden – denk aan de impact van macro-eco-
nomische adviezen en eisen van het IMF – en de besluitvormingsprocedures waarin de
Westerse landen, ook na de in Singapore overeengekomen herziening van 17 septem-
ber 2006, een overwicht hebben, zorgen voor veel kritiek van NGO’s. Het feit dat de
regering van het gastland de deelname van NGO’s aan de vergadering in Singapore
vrijwel onmogelijk heeft gemaakt, versterkt dergelijke kritiek slechts.50
Sinds het begin van de jaren tachtig en vooral vanaf de jaren negentig heeft de Wereld-
bank echter een breed scala aan deelnemingsvormen ontwikkeld, met zowel NGO’s als
bedrijven. Daarbij heeft de bank zich een groot voorstander getoond van publiek-private
samenwerking (‘partnerships’) om sociaal-economische doelstellingen, met name op
het vlak van de Millenniumdoelstellingen, te realiseren. Daartoe zijn ook de contacten
met NGO’s en bedrijven in het veld verder geïntensiveerd. Tevens speelt de Wereldbank
vaak een faciliterende rol, door zorg te dragen voor financiële ondersteuning van NGO’s
die werken op terreinen waarop ook de Wereldbank actief is. Ten slotte spelen NGO’s
(en bedrijven) een rol binnen de Wereldbank in het raamwerk van consultatie en dia-
loog. Vanaf 1995 is er een vrij intensieve dialoog met NGO’s in het kader van de
IMF/WB ‘Highly Indebted Poor Countries Initiative for Debt Relief’. Bovendien startten
beide instellingen in 1999 met hun ‘Poverty Reduction Strategy Papers’ (PRSP’s). De
PRSP’s worden door nationale overheden van ontwikkelingslanden vaak in een breed
consultatieproces met het nationale maatschappelijk middenveld en internationale
donoren zoals het IMF en de Wereldbank opgesteld, maar het is lang niet altijd duidelijk
op welke wijze de keuzes in dergelijke consultaties daadwerkelijk totstandkomen.
48 Zie voor het EU-voorstel: EU/TN/DS/W/1. Zie voor de voorstellen van de Afrikaanse Groep en India:
    TN/DS/W/15 en TN/DS/W/18.
49 Ter versterking van de democratische controle wordt gewerkt aan het instellen van een Assemblee,
    bestaande uit parlementariërs uit de lidstaten van de WTO.
50 Zie echter ook: John Vandaele, Het recht van de rijkste, hebben andersglobalisten gelijk?, Antwerpen:
    Houtekiet, 2005, pp. 319-326. Daarin wordt gewezen op de paradox dat hoe democratischer een interna-
    tionale organisatie is, hoe onbelangrijker deze wordt ervaren (en omgekeerd).
                                                        22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Tevens moet worden aangetekend dat het de bedoeling is dat dergelijke dialogen pri-
mair plaatsvinden tussen het maatschappelijk middenveld en het desbetreffende land
en niet direct met de Wereldbank of het IMF zelf.51
In vergelijking met andere internationale economische organisaties heeft de Wereld-
bank derhalve vergaande stappen gezet wat betreft materiële NGO-deelname.52 Dit is
voornamelijk te verklaren uit het feit dat de Bank zich is gaan bezighouden met onder-
werpen als armoede, gender en milieu, terreinen waarop NGO’s van oudsher actief zijn
en een plaats hebben verworven. Ter illustratie: de NGO-deelname in projecten van de
Wereldbank bedroeg in 1990 21%, in 2003 was dit 72%.53 De consultatie van en
samenwerking met NGO’s is niet gebaseerd op een bepaling uit het oprichtingsverdrag
van de Wereldbank, maar op een serie interne beleidsstukken en heeft geleid tot een
aantal institutionele aanpassingen en tot verbetering van de kwaliteit van de contacten
met de NGO-wereld.54
Ook spelen NGO’s een rol binnen toezichthoudende procedures van de Wereldbank. In
1993 is het ‘Inspection Panel’ (IP) opgericht. Hier kunnen (twee of meer) mensen die
schade ondervinden, of denken te zullen ondervinden, van activiteiten van de Wereld-
bank een klacht deponeren. De betwiste activiteiten moeten in strijd zijn met het beleid
van de Wereldbank. Behalve de slachtoffers zelf kunnen NGO’s namens de slachtoffers
een klacht indienen. Met de oprichting van het IP is de Wereldbank de eerste internatio-
nale economische organisatie die in de sfeer van het toezicht ruimte heeft gecreëerd
voor NGO’s.55
Vergeleken met de Wereldbank zijn de relaties van het IMF met maatschappelijke actoren
nog weinig ontwikkeld. In de ‘Articles of Agreement’ is geen bepaling opgenomen
betreffende contacten met NGO’s en bedrijven. Het officiële standpunt van het IMF is dat
de primaire verantwoordelijkheid voor de contacten met de civil society bij de lidstaten
berust. Desalniettemin heeft het IMF de laatste jaren enkele stappen gezet om de rela-
tie met de NGO-wereld en bedrijven te verbeteren en zijn de instrumenten daartoe sterk
51 Zie hiervoor ook: AIV, Pro-poor growth in de bilaterale partnerlanden in Sub-Sahara Afrika: een analyse van
    strategieën tegen armoede, advies nummer 29, Den Haag, januari 2003.
52 Zie voor een overzicht van de verschillende activiteiten de website van de Wereldbank:
    <http://www.worldbank.org>.
53 Zie de ‘background note’ over de relatie tussen de Wereldbank en civil society op de website
    <http://www.worldbank.org/civilsociety>.
54 De documenten over NGO-deelname (‘operational policies’, ‘bank procedures’ en ‘good practices’) hebben
    altijd een relatie tot specifieke activiteiten. Aanspreekpunt binnen de Wereldbank is het ‘civil society team’,
    bestaande uit zeven medewerkers. De eerste formele contacten zijn van 1981. Het betrof toen de oprich-
    ting van een comité waar het beleid van de Bank met NGO’s werd besproken. De feitelijke contacten zijn
    sinds 1995 geïntensiveerd.
55 Zie recentelijk: Maartje van Putten, Policing the World; Accountability Mechanisms for Multilateral Financial
    Institutions and Private Financial Institutions, Tilburg/Montreal: Tilburg University & McGill University, 2006.
                                                           23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>uitgebreid.56 Het IMF is meer en meer betrokken geraakt bij kwesties van sociale en
economische ontwikkeling en regulering van financiële markten. Vooral de bemoeienis
met de schuldenproblematiek, via de structurele aanpassingsprogramma’s en IMF-
interventies bij grote financiële crises, zijn aanleiding geweest tot veel kritiek en heb-
ben de roep om niet-statelijke deelname doen toenemen. De vooral informele ad hoc
contacten zijn sinds de jaren negentig toegenomen, maar er is geen permanent forum
waarbinnen deze plaatsvinden. Wel heeft NGO-druk geleid tot meer transparantie bij het
IMF. Veel documenten zijn nu openbaar. Ook is er een ‘External Relations Department’
opgericht met een ‘NGO liaison officer’. In 2001 werd verder het ‘Independent Evaluation
Office’ (IEO) opgericht. Het IEO voert onafhankelijke en systematische evaluaties uit
van het beleid van het IMF. In beperkte mate heeft het IMF zich tot het maatschappelijk
middenveld gewend voor expertise, vooral van economische onderzoeksinstituten, om
informatie van lidstaten te verifiëren en om het begrip en de steun voor het Fonds te
vergroten.57
NGO’s spelen geen rol bij de toezichthoudende procedures binnen het IMF. De evaluatie
van het beleid door het IMF zelf is toegenomen, maar in tegenstelling tot de Wereld-
bank kent het IMF geen systeem van verantwoording en toezicht waarbinnen NGO’s
een rol kunnen spelen. Bovendien kan in meer algemene zin worden opgemerkt dat de
aandacht van NGO’s voor het werk van het IMF in vergelijking met de aandacht voor
andere internationale organisaties nog beperkt is gebleven, mede vanwege gebrek aan
capaciteit en deskundigheid.58
II.4       De EU en andere relevante organisaties
Nederland heeft te maken met internationale organisaties en fora als de EU, de OESO,
de OVSE, de Benelux, de WEU, de NAVO, de Raad van Europa en de G8 en, in losser
verband, met regionale organisaties in andere werelddelen. De AIV heeft er uiteraard
voor gekozen niet elk van deze organisaties tegen het licht te houden, ook al omdat
veel ontwikkelingen daarbinnen identiek verlopen, maar zich te concentreren op de EU
en de Raad van Europa.
II.4.1     De EU
Binnen de EU bestaat er weliswaar geen algemene juridische basis voor formele con-
sultatie van NGO’s en bedrijven en het bedrijfsleven, maar de invloed van deze actoren
is wel groot. Deze vindt zowel plaats binnen formele structuren als de ‘Intergroepen’
van het Parlement (voor bijvoorbeeld Welfare, Aging, Health, en Friends for Israël,
Friends for Tibet, et cetera)59 als in de vorm van intensieve en levendige dialogen met
56 Het uitgangspunt voor de contacten van het IMF met de civil society is de ‘Guide for Staff Relations with
    Civil Society’, 2003. De contacten zijn het intensiefst met economische onderzoekscentra en het bedrijfs-
    leven, met name het bankwezen.
57 Jan Aart Scholte, Civil Society Voices and the International Monetary Fund, Ottawa: North-South Institute,
    2002, pp. 36-37.
58 Jan Aart Scholte, op. cit., pp. 13-14.
59 De genoemde formalisering blijkt onder meer uit het feit dat het Europees Parlement vergaderzalen en
    tolken beschikbaar stelt.
                                                        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>NGO’s en bedrijven – binnen de EU vaak ‘lobbygroeperingen’ genoemd.60 Deze sociale
dialoog geeft bijvoorbeeld organisaties als UNICEF (Europese werkgevers), EVV (Europe-
se vakverenigingen) en COPA-COCECA (federatie van Europese boerenorganisaties) de
mogelijkheid om kwesties waarmee zij bezig zijn op Europees niveau aan te kaarten en
deze eventueel in Europese regelgeving omgezet te krijgen. Naast het intensieve lobby-
werk van het bedrijfsleven hebben netwerken van NGO’s die een breed scala aan belan-
gen vertegenwoordigen een hoge vlucht genomen in Europa. Gedacht kan worden aan:
CONCORD (een netwerk van ontwikkelings-NGO’s), het ‘Sociaal Platform’ (een netwerk
van NGO’s gericht op sociale zaken), BEUC (een netwerk van NGO’s die zich bezighou-
den met consumentenzaken) en de ‘Civil Society Contact Group’ (een netwerk van
NGO’s die actief zijn op de terreinen milieu, sociale ontwikkeling, vrouwen, cultuur,
mensenrechten en gezondheid).61 Dergelijke coalities zijn van belang, zowel vanwege
hun samengebundelde slagkracht en effectiviteit als vanwege hun grotere legitimiteit.
In het Verdrag van Nice is de rol van het raadgevende Europees Economisch en Sociaal
Comité (EESC) als ‘brug’ tussen Europa en het maatschappelijk middenveld versterkt.
Naast het contact met het maatschappelijk middenveld via het EESC is er echter een
veelheid aan NGO-contacten met de diverse Europese instellingen. Met name de
dialoog met de Commissie is goed op gang gekomen, zowel formeel als informeel. In
dit kader heeft de Europese Commissie het ‘Partnerschap voor Europese Vernieuwing’
gelanceerd.62 Het beleid inzake de deelname door maatschappelijke organisaties is
verder ontwikkeld in diverse documenten,63 alsook via de ‘Algemene Beginselen en
Minimumnormen voor Raadpleging van de Betrokken Partijen’ welke een algemeen
kader voor raadplegingen door de Commissie scheppen.64 De beginselen en minimum-
normen gelden voor belangrijke beleidsvoorstellen van de Commissie waarvoor een
effectenbeoordeling vereist is en voor het opstellen van groenboeken. Voor andere
raadplegingen worden de diensten van de Commissie aangemoedigd om de beginselen
en normen te hanteren.65 De beginselen en normen zijn niet bindend.
60 Hieronder wordt verstaan: personen en organisaties die activiteiten verrichten die erop zijn gericht de
    beleidsbepaling en de besluitvorming van de Europese instellingen te beïnvloeden. Zij doen dit ten behoeve
    van organisaties van verschillende aard, zoals consultancybureaus inzake openbare aangelegenheden,
    advocatenkantoren, NGO’s, studiecentra, bedrijfslobby’s of beroepsverenigingen.
61 Zie: http://www.concordeurope.org>; <http://www.socialplatform.org; http://www.beuc.org> en
    <http://eurostep.antenna.nl/detail_page.phtml?page=about_others_cscg>.
62 Zie: COM (2005) 12.
63 Zie onder andere: ‘Plan D: Democracy, Dialogue and Debate’, oktober 2005; ‘Europees transparantie
    initiatief’, november 2005; ‘White Paper on Communication policy’, februari 2006.
64 De algemene beginselen voor raadpleging zijn: deelname, openheid, verantwoordingsplicht, doelmatigheid
    en samenhang. In concreto gaat het erom te verzekeren dat de Commissie breed overleg voert en dat haar
    raadplegingen doorzichtig, efficiënt en coherent zijn. De vijf minimumnormen spitsen zich toe op verschillen-
    de aspecten van het raadplegingproces, te weten: duidelijkheid omtrent het voorwerp, doelgroepen, publi-
    catie, termijnen, ontvangstbevestiging en feedback. Zie: COM(2002) 704.
65 Sinds 2003 zijn er ruim honderd voorstellen gedaan en 26 groenboeken aangenomen waarop de minimum-
    normen van toepassing waren.
                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De diensten van de Commissie hebben verschillende vormen van contact met de NGO-
wereld tot stand gebracht. Zo houdt het Directoraat-Generaal Werkgelegenheid, Sociale
Zaken en Gelijke Kansen tweejaarlijkse bijeenkomsten met NGO-vertegenwoordigers.
Verder is er een uitgebreide dialoog ontstaan tussen de NGO-wereld en het Directoraat-
Generaal Handel. In 1999 werden vertegenwoordigers van maatschappelijke organisa-
ties toegevoegd aan de EU-delegatie bij de Ministeriële WTO-Conferentie in Seattle en
maakten NGO-vertegenwoordigers onderdeel uit van nationale delegaties. Deze praktijk
werd herhaald in Doha (2001), Cancún (2003) en Hong Kong (2005).
De eerste stappen zijn gezet om de transparantie, zowel wat betreft het beleid van de
Commissie als de input van niet-statelijke actoren, te vergroten.66 De Commissie past
geen systeem van accreditatie toe maar beschikt wel over een databank waarin, op
basis van vrijwilligheid, informatie wordt opgenomen over maatschappelijke organisaties
(CONECCS). Dit maakt inzichtelijk wie precies invloed probeert uit te oefenen op het
beleid van de Commissie. Eén van de uitgangspunten van de Commissie in haar con-
tacten met belanghebbenden is het aanmoedigen van zelfregulering.67 In haar ‘Groen-
boek Europees Transparantie-Initiatief’ stelt de Commissie voor een registratiesysteem
in te voeren voor lobbyisten en lobbyende organisaties. Als stimulans kan de lobbyist
na registratie automatisch worden geïnformeerd over vraagstukken waarvoor deze zich
interesseert. Verder zou er een gemeenschappelijke gedragscode of een stel gemeen-
schappelijke minimumvoorschriften moeten worden ontwikkeld voor deze lobbyisten.68
Daarnaast stelt de Commissie voor om een sterker zelfregulerend systeem van toezicht
en disciplinaire maatregelen bij incorrecte registratie en/of overtreding van de gedrags-
code in het leven te roepen. Dit zijn naar de opvatting van de AIV aan te moedigen ini-
tiatieven, mits althans, zoals ook de Commissie voorstaat, het registratiesysteem wordt
‘gevuld’ op basis van vrijwilligheid en de code/voorschriften worden ontwikkeld door de
belanghebbenden zelf. Daarbij heeft de Europese Commissie al laten weten dat, mocht
dit niet voldoende werken, eventueel nadere regelgeving zal worden opgesteld.
Verder staat – uiteraard – vooral het Europees Parlement open voor niet-statelijke
inbreng. Anders dan de Commissie hanteert het Parlement wel een systeem van
accreditatie.69 Bovendien kent het Parlement een bindende gedragscode voor alle aan-
vragers van accreditatie. Overtreding van deze gedragscode kan leiden tot intrekking
van de accreditatie.70
66 Zie: Verordening (EG) nr. 1049/2001, waarin het kader is vastgelegd voor de toegang tot niet-gepubliceerde
    documenten van EU-instellingen en organen, voor de openstelling van databanken met informatie over
    raadgevende organen en deskundigengroeperingen die advies verstrekken aan de Commissie, en voor raad-
    plegingen van belanghebbenden voorafgaand aan het lanceren van wetgevingsvoorstellen. In november
    2005 is het ’Europees Transparantie-Initiatief’ gelanceerd (SEC(2005)1300) waarbij de benadering van
    transparantie nog eens volledig wordt doorgelicht. Dit initiatief bestrijkt een breed scala aan onderwerpen
    (zie het Groenboek Europees Transparantie-Initiatief COM(2006)194) waarvan met name de evaluatie van
    regelgeving omtrent de toegang tot documenten voor dit advies van belang is.
67 Groenboek Europees Transparantie-Initiatief (ETI), op. cit., p. 9.
68 Ibidem, p. 10.
69 Wie meer dan vijf dagen per jaar (fysieke) toegang tot de instelling nodig heeft kan een pas verkrijgen. De
    namen van geaccrediteerde lobbyisten worden in een register bijgehouden. In dit register staat verder geen
    informatie over de organisatie die zij vertegenwoordigen.
70 Artikel 3 van bijlage IX bij het Reglement van Orde van het Europees Parlement.
                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De contacten tussen de NGO-wereld en de Commissie en het Parlement staan in schril
contrast met de toegang tot de Raad. Op ad-hocbasis zijn maatschappelijke organisaties
in het verleden wel eens uitgenodigd om bijeenkomsten van de Raad bij te wonen. Er
bestaat echter geen raamwerk voor contacten met de Raad.
Wat betreft de rol van NGO’s bij toezichthoudende procedures kan worden gesteld dat
de EU, althans op papier, aanzienlijke mogelijkheden biedt voor NGO-deelname. Ten
eerste kunnen NGO’s op grond van artikel 230 (4) van het EG-Verdrag handelingen van
de Europese Commissie, de Raad, het Parlement en de Centrale Bank aanvechten voor
het Europese Hof van Justitie (EHJ). Ten tweede kan een NGO zich op basis van artikel
232 (3) EG ook tot het EHJ wenden indien een EG-instantie nalaat een besluit te
nemen. Deze wegen staan echter alleen open voor een NGO die door (het uitblijven
van) de handeling rechtstreeks en individueel geraakt is. Dit zal zelden het geval zijn,
omdat het EHJ het criterium van individueel belang zeer strikt uitlegt.71
Een derde manier voor NGO’s om binnen de EU actief te zijn is het recht om zich te
voegen bij een aanhangig rechtsgeding (artikel 40 van het Statuut van het EHJ). Dit
voegingsrecht gaat verder dan amicus curiae interventies. NGO’s hebben het recht om
geschreven stukken te ontvangen en mondelinge bijdragen te leveren, relevant bewijs
aan te dragen en processtukken te ontvangen. Dit recht komt toe aan elke NGO die
aannemelijk maakt belang te hebben bij de beslissing van het EHJ. Dit is vrij breed uit-
gelegd door het Hof. Ook algemene belangen die door NGO’s worden behartigd kunnen
hieronder vallen. Het recht van voeging is beperkt tot procedures tussen burgers en
EG-instanties.
In het algemeen kan worden gesteld dat zowel NGO’s als het bedrijfsleven een grote
rol spelen in de totstandkoming van EU-beleid. De mate van toegang tot de verschillen-
de instellingen is echter erg verschillend en gefragmenteerd. Vanuit de NGO-wereld is
behoefte getoond aan een meer gestructureerde samenwerking met alle instanties
door een juridische grondslag te formuleren voor de dialoog.72 Deze situatie zou zijn
bereikt met de inwerkingtreding van het Verdrag tot Vaststelling van een Grondwet voor
Europa, waarin een grote rol was weggelegd voor het maatschappelijk middenveld. In
Titel VI, artikel 1-47 is het belang van participatieve democratie erkend:
1. ‘De instellingen bieden de burgers en de representatieve organisaties langs passen-
    de wegen de mogelijkheid hun mening over alle onderdelen van het optreden van de
    Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.
2. De instellingen voeren een open, transparante en regelmatige dialoog met represen-
    tatieve organisaties en met het maatschappelijk middenveld.
3. Ter wille van de samenhang en de transparantie van het optreden van de Unie
    pleegt de Commissie op ruime schaal overleg met de betrokken partijen.
71 Zie: Hof van Justitie 15 juli 1963, Plaumann & Co. V. de Commissie, nr. 25/62, Jur. H.v.J., 1963, (205)
   232. Zie ook de zaak Greenpeace v. de Commissie, C-321/95 P (1998) ECR I-1651. Deze strikte interpre-
   tatie is vaak bekritiseerd. Zie onder andere de Advocaat-Generaal in zijn conclusies bij de zaak C-50/00
   P. Unión de Pequeños Agricultores van 21 maart 2002.
72 Zie onder ander de act4europe campagne, <www.act4europe.org>.
                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>4. Wanneer ten minste één miljoen burgers van de Unie, afkomstig uit een significant
    aantal lidstaten, van oordeel zijn dat inzake een aangelegenheid een rechtshande-
    ling van de Unie nodig is ter uitvoering van de Grondwet, kunnen zij het initiatief
    nemen de Commissie te verzoeken binnen het kader van de haar toegedeelde
    bevoegdheden een passend voorstel daartoe in te dienen. De procedures en voor-
    waarden voor de indiening van een dergelijk burgerinitiatief, met inbegrip van het
    minimumaantal lidstaten waaruit de burgers die het verzoek indienen, afkomstig
    dienen te zijn, worden bij Europese wet vastgesteld.’
Deze bepaling kan worden beschouwd als een mijlpaal in de ontwikkeling naar partici-
patieve democratie binnen de EU. De verdere ontwikkeling daarvan is echter onzeker
nu onduidelijk is op welke wijze alsnog tot verdragswijziging kan worden gekomen.
II.4.2    Raad van Europa
In de Raad van Europa is het belang van actieve maatschappelijke actoren reeds lang
onderkend. NGO’s hebben substantieel bijgedragen aan de ontwikkeling van het norma-
tieve raamwerk, zijn op tal van manieren betrokken bij de praktische uitvoering van
projecten van de Raad en spelen een belangrijke rol in de toezichtprocedures van het
Europese Hof voor de Rechten van de Mens, het Europees Sociaal Handvest (ESH) en
bijvoorbeeld het Europees Comité tegen Racisme en Intolerantie (ECRI). De deelname
reikt van consultatie tot nauwe samenwerking en kan naar de opvatting van de AIV
dienen als goed voorbeeld. De accreditatieprocedure, waarbij het secretariaat van de
Raad van Europa een eerste onderzoek doet en vervolgens voorstellen doet om NGO’s
toe te laten, kan dienen als een niet-gepolitiseerd voorbeeld voor andere organisaties,
zoals de VN. Het belang dat binnen de Raad van Europa wordt gehecht aan NGO-deel-
name bleek nog eens in 2003, toen de consultatieve status voor internationale NGO’s
– al in 1952 in het leven geroepen – werd vervangen door de status van participant.73
Ruim 400 organisaties bezitten deze status. Deze werd eveneens in 2003 aangevuld
met de status van partnerschap voor nationale NGO’s.74 Verder zijn sinds de jaren
negentig diverse programma’s ontwikkeld ter ondersteuning van maatschappelijke
actoren in de nieuwe lidstaten.
NGO-deelname heeft binnen de Raad van Europa ook een vergaande juridische vorm
gekregen. Artikel 34 van het EVRM stelt dat het Europese Hof in Straatsburg klachten
in ontvangst mag nemen van ‘ieder natuurlijk persoon, iedere niet-gouvernementele
organisatie of iedere groep van personen’ die beweert het slachtoffer te zijn van een
schending van het Verdrag of een van de Protocollen daarbij door een staat die daarbij
partij is. Daarnaast is er een rol voor NGO’s weggelegd om op te treden als amicus
curiae.75
Bij het ESH bestaat sinds 1995 een collectieve klachtprocedure, waarbij behalve werk-
gevers- en werknemersorganisaties ook internationale NGO’s die voorkomen op een
speciaal daartoe door het secretariaat opgestelde lijst van organisaties, een klacht
mogen indienen betreffende de naleving van het Handvest. Deze NGO’s hebben op
deze wijze een klachtrecht verworven dat niet gekoppeld is aan de voorwaarde – zoals
73 Comité van Ministers, resolutie (2003)8.
74 Comité van Ministers, resolutie (2003)9.
75 Artikel 36(2) van het EVRM en artikel 61 (3)-(5) Rules of the Court.
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>gebruikelijk in mensenrechtenverdragen – dat zij zelf slachtoffer zijn van een schending
van een of meer artikelen uit het desbetreffende verdrag. Medio 2006 stonden er
naast werkgevers- en werknemersorganisaties uit de lidstaten, ruim zestig NGO’s op
deze lijst. Naast het collectieve klachtrecht kent het ESH aan werkgevers- en werk-
nemersorganisaties ook een bijzondere plaats toe bij de verplichte rapportage over de
implementatie van de verdragsverplichtingen, waar staten geacht worden de reactie
van nationale organisaties (aangesloten bij internationale organisaties van werkgevers
en werknemers) aan de rapportage toe te voegen.76
De ontwikkeling binnen de Raad van Europa toont opnieuw aan dat in het bijzonder in
het kader van de bescherming van de rechten van de mens de rol van NGO’s als deel-
nemer aan toezichthoudende procedures sterk tot ontwikkeling is gekomen. Een verge-
lijkbare ontwikkeling is te zien in de context van de Amerikaanse Conventie van de
Rechten van de Mens, waar NGO’s eveneens toegang hebben tot de klachten-
procedure77 en verreweg de meeste zaken aandragen. Ook het (nieuwe) Afrikaanse
Hof voor de Rechten van de Mens78 en de Mensenrechtencommissie van de Afrikaanse
Unie kunnen klachten ontvangen van NGO’s.79 Ook hier brengen NGO’s de meeste
zaken aan.
Het belang dat binnen de Raad van Europa wordt toegekend aan NGO-deelname is ook
zichtbaar via het werk dat wordt gedaan ten behoeve van de versterking van de juridi-
sche status van NGO’s. De Raad van Europa kent het enige bindende internationale
instrument inzake NGO’s: de al genoemde ‘European Convention on the Recognition of
the Legal Personality of International Non-Governmental Organisations’. Nederland
heeft dit verdrag getekend, maar de ratificatieprocedure is nog niet afgerond.80 Verder
is er in mei 2006 een ontwerp-aanbeveling gepresenteerd betreffende onder andere de
rechtspersoonlijkheid van NGO’s, hun management, aansprakelijkheid en hun eigen
transparantie.81 Dit is een uitwerking van de Fundamental Principles on the Status of
NGO’s uit 2002, bedoeld als leidraad voor staten die hun nationale wetgeving ten
aanzien van NGO’s willen – of in de ogen van de Raad – nog moeten aanpassen.
76 Artikel 23 van het ESH.
77 ‘Any person or group of persons, or any nongovernmental entity legally recognized in one or more member
    states of the Organization, may lodge petitions with the Commission containing denunciations or complaints
    of violation of this Convention by a State Party’ (artikel 44).
78 Mits statenpartijen deze bevoegdheid erkennen.
79 Zie: artikel 5, lid 3 van het Protocol waarbij het Hof is opgericht: ‘The Court may entitle relevant Non
    Governmental Organizations (NGO’s) with observer status before the Commission (…) to institute cases
    directly before it (…).’
80 De Tweede Kamer van de Staten-Generaal heeft het Verdrag aanvaard op 20 juni 2006. Er wordt naar
    gestreefd om de behandeling in de Eerste Kamer nog voor november 2006 af te handelen.
81 ‘Preliminary Draft Recommendation on the Legal Status of Non-Governmental Organisations in Europe’,
    30 mei 2006, CJ-S-ONG (2006) 1, rev.
                                                         29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>III       Knelpunten
Met de groeiende rol van niet-statelijke actoren nemen ook de kritiek en de verantwoor-
delijkheden toe. Vooropgesteld moet worden dat staten, bedrijven en NGO’s naar hun
aard principieel verschillende entiteiten zijn en dat ook hun rollen en functies derhalve
verschillen. Het is uiteindelijk de taak van regeringen en de daarop van toepassing zijn-
de controlemechanismen als parlementen, om de complexe en vaak ingrijpende interna-
tionale besluitvorming tot een goed einde te brengen. NGO’s en bedrijven kunnen daar-
bij een belangrijke signaal- en informatievertrekkende functie vervullen, maar kunnen
niet in de plaats treden als medebesluitvormer. Dit is het geval omdat deze organisaties
een democratische legitimatie missen en het soms onduidelijk (niet-transparant) is wat
hun onderliggende doelstelling is. In die zin streven zij niet altijd het welslagen van
onderhandelingen na, wat wel het uitgangspunt voor betrokken statenpartijen moet zijn.
Deze moeten bovendien verantwoording afleggen voor al dan niet bereikte resultaten.
Een grotere rol voor NGO’s in de internationale betrekkingen en internationale organisa-
ties doet daarom bij sommige staten steeds weer (en steeds meer) de vraag rijzen naar
de legitimiteit van (de acties van) deze organisaties. De AIV heeft zich in deze context
afgevraagd of sommige NGO’s een deel van deze problemen niet over zichzelf afroepen
en hecht eraan een aantal aspecten nader te behandelen.
Punten van kritiek
Er zijn nogal wat NGO’s die, zodra zij zichzelf een grotere rol toemeten dan bijvoorbeeld
die van aangever van achtergrondinformatie, in de ogen van staten niet goed in staat
zijn een afweging tussen verschillende deelbelangen te maken. In dit licht zou een té
grote rol in de internationale betrekkingen en in internationale organisaties per definitie
niet legitiem zijn en zou er ook sprake zijn van zelfoverschatting. Omdat NGO’s en
bedrijven, anders dan bijvoorbeeld bestuurs- en politieke organen, niet tot taak hebben
om alle relevante belangen in hun besluitvorming te betrekken en deze vanuit algemene
gezichtspunten af te wegen, zou dit tot bescheidenheid moeten leiden bij het vellen van
oordelen die het eigen expertisegebied overstijgen.
De AIV onderkent dit probleem. Anderzijds wijst hij erop dat een dergelijke opstelling van
NGO-zijde juist ook kan leiden tot kruisbestuiving tussen verschillende normenstelsels
en organisaties en daarmee uiteindelijk tot beter gefundeerde beslissingen. Dergelijke
processen zijn bijvoorbeeld zichtbaar op het terrein van ontwikkeling en milieu en men-
senrechten en economische liberalisatie. Bovendien is het de vraag hoe groot dat
gevaar van zelfoverschatting van de zijde van NGO’s in de praktijk is. NGO’s weten dat
zij door hun ‘concullega’s’ effectief zullen worden gecorrigeerd, zodra zij de plank mis-
slaan. En voor NGO’s is de betrouwbaarheid van cijfers en de geloofwaardigheid van
argumentaties nog altijd één van de belangrijkste voorwaarden tot effectief functioneren.
Ook is er de vraag naar de legitimiteit van het handelen: namens wie spreekt een NGO
eigenlijk?82 NGO’s kunnen hun legitimiteit in het algemeen niet baseren op het argu-
ment dat zij (een deel van) het volk vertegenwoordigen dan wel op andere wijze demo-
cratisch gelegitimeerd zijn. Het is een gegeven dat de meeste NGO’s geen legitimiteit
kunnen claimen op basis van representativiteit. De principiële vraag naar de legitimiteit
82 Er zijn NGO’s die bestaan uit één persoon met een goed computernetwerk en organisaties die een achter-
    ban hebben die grootschalig is te noemen.
                                                    30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>kan daarom naar de opvatting van de AIV beter worden benaderd vanuit de idee dat
NGO’s bepaalde waarden of belangen vertegenwoordigen, veeleer dan bepaalde (groe-
pen van) personen. Dat laat onverlet dat die waarden of belangen veel aanhang kunnen
hebben, welke zich onder meer kan uiten in brede steun voor de desbetreffende NGO.
Anderzijds kan de legitimiteit van de rol van NGO’s in het aandragen en behartigen van
ideeën worden ondermijnd, wanneer hun aanpak niet kan rekenen op substantiële
steun. In zekere zin zijn NGO’s ‘zelf-legitimerend’.83 Door het vraagstuk van de legitimi-
teit op deze wijze te benaderen, kan naar de opvatting van de AIV in concrete gevallen
worden nagegaan of een vorm van NGO-betrokkenheid bij en inbreng in internationale
besluitvorming ook bijdraagt aan de legitimiteit van de internationale organisaties zelf
of deze, anderzijds, verzwakt.
Een andere legitimiteitskwestie betreft de onevenwichtige spreiding van NGO’s over de
wereld. De meeste NGO’s zijn afkomstig uit Westerse landen, terwijl een aanzienlijk
deel van de NGO’s uit arme landen – op zich al geringer in aantal – alleen kan bestaan
bij de gratie van fondsen uit het rijke Noorden. Uit cijfers blijkt verder dat NGO’s uit ont-
wikkelingslanden daarnaast vaak specifieke moeilijkheden ondervinden bij het vervul-
len van een rol in internationale organisaties.84 Daarbij kan de kanttekening worden
geplaatst dat, mede als gevolg van technologische ontwikkelingen, veel NGO’s die aan-
vankelijk uit het Westen of het Noorden kwamen, zich hebben ontwikkeld tot wereldwijd
opererende organisaties. Deze hebben weliswaar hun hoofdkantoor vaak in een
Westers land maar hun activiteiten beperken zich niet tot dat gebied. Niettemin is het
een feit – en knelpunt – dat organisaties uit ontwikkelingslanden zelf verhoudingsgewijs
weinig deelnemen aan internationale overlegstructuren en te weinig in de gelegenheid
zijn daar hun specifieke kennis en visies in te brengen. Voor het Cardoso-panel was dit
aanleiding om te pleiten voor de instelling van een fonds ‘to enhance the capacity of
civil society in developing countries to engage in United Nations processes and part-
nerships’.85 Daarbij gaat het om veel meer dan alleen financiële bijstand. Het Cardoso-
rapport spreekt ook over briefings en trainingen, het opbouwen van netwerken en ande-
re vormen van steun. In zijn reactie op het Cardoso-rapport stelt de SGVN dat het
eveneens belangrijk is dat op lidstaatniveau de dialoog met de NGO-wereld wordt uitge-
breid. Aan zijn voorstel om NGO-deelname ‘in het veld’ te stimuleren, onder andere
door het instellen van een fonds om lokale NGO-capaciteit te vergroten, wordt intussen
gewerkt.86 Dat zal naar verwachting bijdragen aan een grotere internationale deelname
door NGO’s uit ontwikkelingslanden en tegelijkertijd een ander belangrijk punt van
kritiek op NGO’s helpen ontzenuwen. Nu worden zeer veel NGO’s direct of indirect gefi-
nancierd door regeringen of andere organisaties uit Westerse landen. Dat maakt hen in
83 Nader daarover en over andere legitimiteitsvragen: W.J.M. van Genugten, R.A.J. van Gestel, J.E.J. Prins en
    A.H. Vedder, NGO’s als ‘nieuwe toezichthouders’ op de naleving van mensenrechten door multinationale
    ondernemingen, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers, 2004.
84 Het aantal Afrikaanse NGO’s dat een consultatieve status bij ECOSOC heeft bedroeg in 2004 11% van het
    totaal. Dit is een aanzienlijke toename in vergelijking met de 4% in 1996. In totaal is 30% van de NGO’s
    met consultatieve status afkomstig uit een ontwikkelingsland. Met name het Aziatisch continent is onder-
    vertegenwoordigd. UN Doc. A/59/354, op. cit., para 20.
85 UN Doc. A/58/817, op. cit., voorstel 27.
86 UN Doc. A/59/354, op. cit., para 47 en UN Doc. A/61/1, Report of the Secretary-General on the work of
    the Organization, 16 augustus 2006, para 208.
                                                         31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>de ogen van veel machthebbers in arme landen echter bij voorbaat minder betrouwbaar
en tast de legitimiteit van deze NGO’s aan.
Ten aanzien van de toenemende rol van bedrijven in de internationale orde kunnen
eveneens legitimiteitsvragen worden gesteld. Deze lopen echter nauwelijks parallel met
de drie invalshoeken die hiervoor ten aanzien van NGO’s aan de orde zijn gesteld, maar
hebben vooral te maken met het primaire doel van bedrijven: het maken van winst. De
legitimiteitsvragen die dan rijzen hebben te maken met de vraag in hoeverre bedrijven
winst mogen maken onder gelijktijdige beschadiging van algemene belangen – zoals die
van een duurzaam milieu of het respecteren van internationaal erkende mensen-
rechten, waaronder de fundamentele arbeidsrechten van de ILO – en met de vraag in
hoeverre van bedrijven kan worden verlangd dat zij bovenop datgene wat tot de kern-
taak van bedrijven behoort (het brengen van werkgelegenheid et cetera) ook extra
investeren in de samenleving waarin zij opereren. Het is hier niet de plaats om deze
problematiek uitgebreid te bespreken. Volstaan wordt met een verwijzing naar het feno-
meen van het maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarin is de gedachte geïn-
corporeerd dat bedrijven zich niet kunnen beperken tot het economisch functioneren,
maar zich ook moeten bezighouden met zaken als duurzaamheid, ontwikkeling, milieu
en respect voor de rechten van de mens. Dit concept wordt door bedrijven ook wel
samengevat als de bereidheid zich te houden aan lokale wetgeving. De AIV is echter
van opvatting dat dit niet altijd voldoende is, zeker wanneer lokale wetgeving op
gespannen voet staat met internationale normen, of wanneer de nationale wetgeving
belangrijke lacunes vertoont danwel het toezicht op naleving ervan niet of onvoldoende
functioneert.
In de loop der jaren is steeds duidelijker geworden dat bedrijven zich niet aan interna-
tionaalrechtelijke verplichtingen op het terrein van de rechten van de mens kunnen ont-
trekken. Terwijl bedrijven zich aanvankelijk op het standpunt stelden dat zij vrij zouden
zijn zichzelf al dan niet aan deze primair tot staten gerichte rechtsnormen te houden, is
intussen uitgekristalliseerd dat een dergelijke vrijheid niet bestaat,87 zeker wanneer de
normen behoren tot het dwingende internationale recht.88 In de woorden van de
onlangs overleden H.G. Schermers:
    ‘Er is een ontwikkeling in het volkenrecht die mensenrechten maakt tot dwingend
    recht (ius cogens). Dit betekent dat de rechten zich ontwikkelen tot algemene rechts-
    beginselen die overal en door iedereen dienen te worden gerespecteerd. Ook onder-
    nemingen zijn daaraan gebonden.’89
Deze ontwikkeling wordt niet alleen zichtbaar in de ‘Tripartite Declaration of Principles
Concerning Multinational Enterprises and Social Policy’ van de ILO, maar ook in de
‘Guidelines for Multinational Enterprises’ van de Organisatie voor Economische Samen-
87 Zie: P. Muchlinkski, ‘Human Rights and Multinationals’, International Affairs 2001, pp. 31-47.
88 Zie bijvoorbeeld: Nicola Jägers, Corporate Human Rights Obligations: In Search of Acccountability,
    Antwerpen/Oxford/New York: Intersentia, 2002; en W.J.M. van Genugten, ‘The Status of Transnational
    Corporations in International Public Law’, in: Asbjørn Eide, Helge Ole Bergesen and Pia Rudolfson Goyer
    (eds), Human Rights and the Oil Industry, Antwerpen/Groningen/Oxford: Intersentia, 2000, pp. 71-89.
89 H.G. Schermers, ‘Onderneming en Mensenrechten’, Civis Mundi, 41e jaargang, nr. 1, januari 2002
    (themanummer ‘Internationale dimensies van maatschappelijk verantwoord ondernemen’), p. 44.
                                                        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>werking en Ontwikkeling (OESO), die onder andere bepalen dat ondernemingen ‘should
(…) respect the human rights of those affected by their activities consistent with the
host government’s international obligations and commitments’.90 Verder verwijst het
hiervoor genoemde Global Compact met zoveel woorden naar de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens en die verklaring behoort weer grotendeels tot het inter-
nationale gewoonterecht. Tot slot kan in dit verband worden gewezen op het groeiend
aantal ‘International Framework Agreements’, die de laatste jaren zijn afgesloten
tussen bedrijven en internationale sectororganisaties van de vakbeweging (chemie,
bouw, metaal, et cetera). De rechtstreekse betrokkenheid van het bedrijfsleven en
bedrijven bij de bescherming van de rechten van de mens in dergelijke kaders (ILO,
OESO en Global Compact) neemt aldus een dubbele vorm aan: aan de ene kant wil
men graag maatschappelijk verantwoord ondernemen; aan de andere kant is dit geen
aangelegenheid à la carte en mag van bedrijven worden verwacht dat deze de hierge-
noemde codes en verklaringen, en de daarin verdisconteerde mensenrechten, expliciet
onderschrijven en naleven.
Verantwoording en (zelf-)regulering
De toegenomen rol van NGO’s binnen internationale organisaties roept ook vragen op
betreffende de (on)mogelijkheid om deze actoren ter verantwoording te roepen, bijvoor-
beeld in geval van (vermeende) misstappen. Denk aan het ernstig ordeverstorend
optreden van sommige NGO’s tijdens bijeenkomsten van internationale organisaties
als de WTO en het IMF of het doen van onvoldoende geverifieerde beweringen. In alge-
mene zin kan worden gesteld dat naarmate de betekenis van NGO’s toeneemt, de
eisen die aan deze organisaties worden gesteld betreffende zuiverheid van optreden
en het afleggen van verantwoording evenredig toenemen.91
In reactie op een voorstel terzake van het Cardoso-panel, stelt de SGVN dat lidstaten
wellicht een gedragscode zouden kunnen opstellen om te verzekeren dat NGO’s zich
verbinden aan de doelstellingen van de VN.92 Vergelijkbare pleidooien zouden zijn te
houden – en zijn ook wel gehouden – rond onderwerpen als de betrouwbaarheid van
informatie, de inzet van niet-gewelddadige middelen, et cetera. De laatste jaren zijn
NGO’s zelf al druk doende met dit proces van zelfreflectie en regulering.93 Zo hebben
elf van de grootste NGO’s op het terrein van mensenrechten, ontwikkeling en milieu
onlangs het ‘International Non Governmental Organisations Accountability Charter’
getekend met daarin afspraken over onder andere verslaglegging en transparantie.94
90 Zie: <www.oecd.org/daf/investment/guidelines>.
91 Zie onder meer de stellingname van Greenpeace met betrekking tot de Brent Spar en de kritiek op de
    werkwijze van Foster Parents Plan in Nederland.
92 UN Doc. A/59/354, op. cit., para 34.
93 Zie: Hugo Slim ‘By What Authority? The Legitimacy and Authority of Non-Governmental Organisations’, The
    Journal of Humanitarian Assistance, 10 maart 2002, <http://www.jha.ac/articles/a082.htm>; V.C. Colling-
    wood en H.L.C. Logister, ‘State of the Art: Addressing the INGO ‘Legitimacy Deficit’, Political Studies Review,
    Vol. 3, 2005, pp. 175-192.
94 Zie: <http://www.oxfam.org/en/files/INGO_accountability_charter_0606>.
                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Binnen Europa is verder waar te nemen dat het door de Europese Commissie aange-
moedigde zelfreguleringbeleid ertoe heeft geleid dat diverse Europese koepelorganisa-
ties op vrijwillige basis gedragscodes hebben aangenomen. Echter, vooralsnog bestrij-
ken de vrijwillige gedragscodes op de totale Europese lobbygemeenschap bezien, nog
maar een bescheiden deel.95
De nadruk op zelfregulering en, daarmee, op het afzien van – of: verbod op – regulering
van bovenaf, is van belang om het proces van niet-gouvernementele inbreng zo transpa-
rant mogelijk te houden. NGO’s kunnen zonder restricties worden aangemoedigd op uit-
eenlopende terreinen codes aan te nemen. Duidelijk dient echter te zijn dat hier geen
taak ligt voor (organisaties van) staten om als waakhond op te treden. Wel kan het zo
zijn dat staten handelend moeten optreden als het systeem van zelfregulering tekort-
schiet. Dat kan bijvoorbeeld door aan NGO’s, al dan niet tijdelijk, hun consultatieve
status te ontnemen of hun de toegang tot bijeenkomsten te ontzeggen.
Ook bij bedrijven dient naar de opvatting van de AIV zelfregulering het uitgangspunt te
zijn. De proliferatie van vrijwillige gedragscodes toont ook aan dat zelfregulering een
hoge vlucht heeft genomen.96 Anderzijds kan worden gesteld dat een exclusief vertrou-
wen op het mechanisme van zelfregulering in de praktijk niet altijd afdoende is
gebleken.97 Initiatieven in de context van de VN om te komen tot een meer bindende
vorm van regulering van bedrijven98 zijn evenwel op grote weerstand van staten en het
bedrijfsleven gestuit en hebben nog niet tot nadere resultaten geleid.
Dat doet wel de vraag rijzen waarom in de ogen van de AIV ten aanzien van NGO’s kan
worden volstaan met zelfregulering en waarom bij bedrijven, naast het uitgangspunt van
de zelfregulering, tevens het instrument van de bindende regelgeving nodig zou zijn. De
kern van dit onderscheid heeft te maken met de vraag of NGO’s en bedrijven zich op
enigerlei wijze schuldig kunnen maken aan schending van het internationale recht zonder
dat daarbij marktwerkingsmechanismen, zoals in dit advies uiteengezet, als correctie-
middel kunnen worden aangewend. Ten aanzien van NGO’s zijn de AIV geen situaties
bekend waarbij de correctiemiddelen van het Internet, de dreiging van dalende leden-
aantallen, of het risico van verlies aan geloofwaardigheid niet zouden werken. Daar komt
bij dat een roep om regulering van bovenaf juist die staten in de kaart zou spelen die
geneigd zijn ‘hun’ NGO’s aan te pakken, en dan is het naar de opvatting van de AIV zaak
dergelijke NGO’s niet op voorhand te belasten met de voortdurende dreiging van ingrij-
pen van bovenaf. Mochten er al lacunes zijn in de beschreven zelfreguleringsmechanis-
men, dan wegen de voordelen van het wegwerken daarvan naar de opvatting van de AIV
niet op tegen het risico van gelegaliseerde staatsinterventie. Daarnaast bestaan ook in
de huidige situatie al voldoende mogelijkheden om op grond van overeengekomen crite-
ria te komen tot nadere maatregelen, zoals tijdelijke intrekking van accreditatie.
95 Groenboek ETI, op. cit., p. 9.
96 Voor een overzicht van dergelijke initiatieven op het terrein van de rechten van de mens:
    http://www.business-humanrights.org. Zie daar onder andere John G. Ruggie, Human Rights Policies and
    Management Practices of Fortune Global 500 Firms: results of a survey, 1 september 2006.
97 Jägers, op. cit., 2002, pp. 132-136.
98 Zie supra noot 37.
                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Als gezegd gaat deze redenering ook goeddeels op ten aanzien van bedrijven. Meer dan
NGO’s echter hebben (specifieke) bedrijven mogelijkheden tot het maken van gebruik
van hun machtspositie, zonder daarbij effectief te kunnen worden gecorrigeerd. Denk
aan bedrijven die voor hun inkomsten niet afhankelijk zijn van consumenten, alsook aan
bedrijven die opereren binnen de territoria van falende staten of in regio’s waartoe
NGO’s geen of slechts matig toegang hebben. Daar komt bij dat veel bedrijven thans
weliswaar zelfregulerende codes kennen waarin onder meer wordt gerefereerd aan
respect voor de rechten van de mens, maar dat deze vaak nogal open zijn gesteld en
amper of niet ingaan op specifieke rechten. Bovendien hebben sommige bedrijven nu
eenmaal de neiging om, in het kader van het streven naar winstmaximalisatie, hun
grenzen op te zoeken, bijvoorbeeld op het vlak van kinderarbeid, het niet toestaan van
vakbonden, het inschakelen van slecht controleerbare veiligheidsdiensten of ongelijke
behandeling van verschillende groepen werknemers. Die grenzen zijn niet per se de
grenzen zoals getrokken in het internationale recht door de terzake ingestelde toezicht-
houdende comités en gerechten. Om er aan bij te dragen dat bedrijven zich niet kunnen
ophouden in het grijze gebied tussen normen op basis van zelfregulering en datgene
wat die normen krachtens geldend nationaal en internationaal geschreven-, gewoonte-
en rechtersrecht inhouden, kan het nodig zijn aan te dringen op aanvullende bindende
regelgeving. Deze kan dan worden benut zodra de zelfregulering faalt.
                                            35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>IV        Algemene obser vaties en specifieke aanbevelingen
In dit hoofdstuk formuleert de AIV allereerst een aantal algemene observaties. Deze
zijn bedoeld als referentiekader. Vervolgens wordt per internationale organisatie aange-
geven welke stappen de regering naar de opvatting van de AIV zou moeten zetten ter
versterking van de rol van NGO’s en bedrijven in deze organisaties. De AIV hecht
belang aan de volgende algemene observaties:
   Met de groeiende rol van niet-statelijke actoren nemen ook de kritiek en de verant-
    woordelijkheden toe. Vooropgesteld moet worden dat staten, bedrijven en NGO’s
    naar hun aard principieel verschillende entiteiten zijn en dat hun rollen en functies
    dienoverenkomstig van elkaar verschillen. Het is uiteindelijk de taak van regeringen
    en de daarop van toepassing zijnde controlemechanismen als parlementen, om de
    complexe en vaak ingrijpende internationale besluitvorming tot een goed einde te
    brengen. NGO’s en bedrijven kunnen daarbij een belangrijke signaal- en informatie-
    vertrekkende functie vervullen, maar mogen niet optreden als medebesluitvormer.
   De organisaties die in dit advies aan de orde zijn gekomen, hebben in de loop der
    jaren hun werkterrein flink zien groeien. In veel gevallen hadden zij al een breed
    mandaat, terwijl zij daarnaast, vaak in het licht van nieuwe maatschappelijke ontwik-
    kelingen, kwesties hebben aangepakt die voorbij hun oorspronkelijke mandaten
    reiken. Om de vele doelstellingen te realiseren zijn de (extra) kennis en/of middelen
    waarover de NGO-wereld en bedrijven beschikken in toenemende mate onontbeerlijk
    gebleken. Veel staten onderkennen dat inmiddels.
   Er bestaan nauwelijks verplichtingen in het internationale recht om NGO’s en andere
    maatschappelijke actoren te consulteren of anderszins in te schakelen. Er is echter
    wel een trend in die richting waar te nemen. Het beeld van internationale organisa-
    ties als raamwerk voor intergouvernementeel overleg verschuift daardoor naar een
    beeld waarbij verschillende actoren met elkaar wedijveren en samenwerken. Daarbij
    is duidelijk dat NGO-deelname op het terrein van de rechten van de mens en het
    milieu tot de verworvenheden behoort, terwijl deze op financieel-economisch en
    veiligheidsgebied in ontwikkeling is.
   De expertise die NGO’s, het bedrijfsleven en bedrijven te bieden hebben, kunnen
    bijdragen aan het versterken van internationale organisaties in plaats van deze te
    ondermijnen. Competente inbreng van niet-statelijke entiteiten vergroot en verbetert
    ook de output van staten vis-à-vis andere staten.
   Betrokkenheid van NGO’s en bedrijven bij internationale besluitvormingsprocessen
    kan, nog meer dan thans het geval is, bijdragen aan het vergroten van de legitimi-
    teit van internationale organisaties. Het kan de afstand tot de burger verkleinen en
    bijdragen aan een draagvlak voor besluitvorming. De bijdrage van NGO’s aan inter-
    nationale organisaties ligt vooral in het verstrekken van (aanvullende) kennis, het
    transparanter maken van internationale betrekkingen, het vragen van aandacht voor
    waarden die de belangen van afzonderlijke staten overstijgen en het vervullen van
    specifieke rollen in het toezicht op de naleving van het internationale recht. Dat laat-
    ste zou kunnen worden aangeduid als een volwaardige erkenning van de rol van
    countervailing power die NGO’s in beleidsmatige zin al decennia lang (trachten te)
    spelen.
   Naarmate hun positie steviger wordt, hebben NGO’s vaker moeten ervaren dat hun
    legitimiteit ter discussie wordt gesteld. Dat is wellicht niet zozeer een Nederlands
    verschijnsel, als wel een van dictatoriaal geregeerde landen, waarin alle middelen
    worden aangewend om het werk van NGO’s te ondermijnen. Het is daarbij van
    belang onder ogen te zien dat niet alle NGO’s, opererend in internationale organisa-
                                              36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>    ties, op verantwoorde wijze handelen. Om geloofwaardigheid en steun, en daarmee
    legitimiteit, te winnen zouden deze organisaties minder het eigen NGO-ego moeten
    laten spreken en vaker gezamenlijk moeten optreden.99 Dat coalitievorming moet
    worden aangemoedigd is overigens een besef dat in NGO-kringen steeds breder
    leeft.
   Er wordt wel beweerd dat een NGO-rol in internationale organisaties nationale demo-
    cratische processen zou ondermijnen.100 NGO’s zouden zich in deze redenering tot
    hun nationale overheid moeten wenden, die vervolgens de desbetreffende belangen
    internationaal zou moeten behartigen. Staten hanteren echter eigen agenda’s. Als
    onderwerpen op nationaal niveau geen prioriteit hebben, zal dat ook zo zijn op inter-
    nationaal niveau. Daarom hebben (gezaghebbende) NGO’s in de ogen van de AIV
    het recht voor dergelijke belangen op te komen.
   In dit advies is steeds gekeken naar twee NGO-rollen: hun bijdragen aan het tot-
    standkomen van normen en hun rol bij de implementatie van en het toezicht op de
    naleving van internationale regels. Daarbij valt op dat NGO’s met name toegang
    hebben tot mensenrechtenorganen, maar veel minder tot andere organisaties en
    beleidsvelden. Deels is de relatief grote NGO-deelname in mensenrechtenorganen
    het gevolg van de bijzondere aard van de rechten van de mens. De promotie en
    bescherming van de mensenrechten is principieel ondenkbaar zonder de actieve
    deelname van (groepen) individuen, zijnde de dragers van de rechten vis-à-vis de
    staten die de standaarden hebben opgesteld. Vergelijkbare argumentaties doen
    intussen echter opgeld op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld dat van de interna-
    tionale milieubescherming. NGO’s hebben ook daar vergaande deelnamemogelijk-
    heden verworven. In dit advies is enkele malen verwoord waarom de deelname van
    NGO’s en, in voorkomende gevallen, bedrijven zich ook zou moeten uitstrekken tot
    andere terreinen dan mensenrechten en milieu. NGO’s en bedrijven kunnen naar de
    mening van de AIV op het werkterrein van bijvoorbeeld de internationale financiële en
    economische instellingen en dat van de VR eveneens een waardevolle rol vervullen.
   Het Cardoso-rapport onderkent de betekenis van niet-statelijke actoren voor de
    internationale orde. Desalniettemin is het rapport door NGO’s flink bekritiseerd,
    onder meer omdat het spreekt over coalities en partnerschappen zonder duidelijk te
    maken welke organisaties precies worden bedoeld. De AIV deelt die kritiek en is van
    opvatting dat het belangrijk is steeds een duidelijk onderscheid te maken tussen
    het NGO-veld en het bedrijfsleven/bedrijven, gezien hun (goeddeels) onderscheiden
    doelstellingen en de uiteenlopende taken waarop elk van beide kan worden aange-
    sproken. Bovendien bestaat bij een al te losse omgang met het concept ‘partnership
    governance’ – zoals het geval is in het Cardoso-rapport – het gevaar dat de ver-
    wachtingen ten aanzien van NGO’s en bedrijven de aandacht zullen afleiden van de
    plichten en verantwoordelijkheden van de staten. Dat gevaar moet naar de opvatting
    van de AIV serieus worden genomen. Het pleidooi dat in dit advies wordt gehouden
    voor een grotere rol voor NGO’s en bedrijven mag niet leiden tot een evenredig
    ontlasten van de kernactor van de internationale rechtsorde bij uitstek, de staat.
Mede op basis van deze algemene observaties formuleert de AIV een aantal specifieke
aanbevelingen, gericht op de internationale organisaties die in dit advies aan de orde
zijn gesteld.
99    Zie ook Voorstel nr. 23 uit het Cardoso-rapport, op. cit.
100 In het verleden onder andere naar voren gebracht door John Bolton, de huidige ambassadeur van de VS
      bij de VN: John R. Bolton, ‘Should We Take Global Governance Seriously?’, Chicago Journal of International
      Law, Vol. 1, No. 2, Fall 2000.
                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>IV.1     Verenigde Naties
  De AIV is van opvatting dat de Nederlandse regering bij in gang zijnde en toekomst-
   ige hervormingen van de VN (bijvoorbeeld van de Mensenrechtenraad) steeds dient
   te waken voor behoud en waar mogelijk versterking van de bestaande NGO-deel-
   name. Daarbij komt het aan op het bieden van tegenwicht tegen staten die een
   dergelijke rol liever niet zien, en op het voorkomen dat bestaande praktische proble-
   men op het vlak van de NGO-deelname worden opgelost met principiële inperkingen
   van hun bevoegdheden. Deze deelname staat binnen de VN weliswaar formeel niet
   op de tocht, maar een zekerheid is zij evenmin.
  In het Cardoso-rapport wordt sterk de nadruk gelegd op het ‘netwerkkarakter’ van
   de VN, in plaats van op de rol van de VN als de opsteller van regels en standaarden
   en de supervisie daarover. Deze benadering kan naar de opvatting van de AIV een
   verzwakking van de VN inhouden. Juist de rol van de VN als hoeder van het interna-
   tionale recht dient naar de opvatting van de AIV te worden versterkt. Dat vereist
   veeleer een krachtiger zelfbewustzijn als zelfstandig opererende organisatie dan de
   positie van ‘netwerkbeheerder’.
  Binnen de VN zijn de NGO-rollen tot nu toe het meest tot ontwikkeling gekomen bin-
   nen de ECOSOC. Wel is er groeiende kritiek op de wijze van besluitvorming over de
   consultatieve status van NGO’s en de accreditatiepraktijk. Het Cardoso-rapport
   geeft aan hoe de procedure zou kunnen worden verbeterd. De belangrijkste aanbe-
   veling op dat vlak – het terugbrengen van de nu bestaande procedures van de VN
   tot één algemene procedure die wordt ondergebracht bij de AVVN – wordt door de
   AIV onderschreven. De kern van deze procedure zou moeten bestaan uit een inhou-
   delijke beoordeling van het werk van NGO’s door het VN-Secretariaat. Vooral dat
   laatste, naar analogie van de bestaande procedure binnen de Raad van Europa, zou
   naar de opvatting van de AIV een positieve verandering zijn. De EU heeft zich hier-
   van een voorstander getoond en de AIV roept de Nederlandse regering op die lijn
   met kracht voort te zetten.
  De AIV erkent de noodzaak te komen tot een betere inhoudelijke samenwerking tus-
   sen de AVVN en de niet-gouvernementele sector. Ook in het verleden hebben de
   AVVN en haar commissies al inbreng gezocht en gekregen van de zijde van NGO’s
   en onafhankelijke universitaire deskundigen. Dat moet naar de opvatting van de AIV
   worden voortgezet. De SGVN bepleit in zijn reactie op het Cardoso-rapport een
   accreditatie bij de belangrijkste commissies en stelt verder voor dat voorafgaand
   aan grote bijeenkomsten hoorzittingen worden georganiseerd met NGO’s. De AIV
   onderschrijft dergelijke initiatieven, maar is tevens van mening dat zulke hoorzittin-
   gen de ontwikkeling naar verdergaande deelname niet moeten remmen. Zolang hier-
   over echter geen overeenstemming is bereikt, moeten voorstellen ter intensivering
   van de informele contacten tussen de NGO’s en (commissies van) de AVVN worden
   ondersteund.
  De AIV stelt vast dat de follow-up die intussen aan het Cardoso-rapport wordt gege-
   ven zich vooral lijkt te concentreren op procedurele aspecten van NGO-deelname.
   Dit is naar de opvatting van de AIV een gemiste kans. Van belang is vooral de mate-
   riële waarde van NGO’s te integreren in de werkzaamheden van de verschillende VN-
   organen. Dit geldt bijvoorbeeld ook als het gaat om complexe zaken als herstel van
   de rechtsstaat en algehele wederopbouw in situaties waarbij de VR is betrokken.
   Betere procedures zijn welkom, maar daarnaast gaat het vooral om het beter benut-
   ten van het inhoudelijke potentieel van NGO’s.
  De onlangs ingestelde Mensenrechtenraad biedt naar het inzicht van de AIV moge-
   lijkheden om de NGO-rollen verder uit te diepen. Gedacht kan worden aan intensive-
   ring van de betrokkenheid van NGO’s bij het werk van de Speciale Rapporteurs en
                                              38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>  bij het jaarlijkse onderzoek naar de mensenrechtensituatie in de lidstaten van de
  Raad.
 De relatie tussen de NGO-wereld en de VR moet naar de opvatting van de AIV ten
  principale worden versterkt. Zeker gezien de groeiende nadruk binnen de VR op con-
  flictpreventie en vredesopbouw kunnen maatschappelijke organisaties een belangrij-
  ke rol spelen. Daarnaast houdt de VR zich in toenemende mate bezig met kwesties
  op het vlak van de bescherming van de rechten van de mens, hetgeen zowel de
  werklast als de behoefte aan specifieke deskundigheid doet toenemen. De AIV
  onderschrijft verder het voorstel uit het Cardoso-rapport om de contacten tussen de
  VR en de maatschappelijke actoren te versterken door de deelname aan de Arria-bij-
  eenkomsten uit te breiden en nader te faciliteren. Daarnaast kan de rol van NGO’s
  op het terrein van vrede en veiligheid verder worden versterkt door uitvoering van het
  voorstel van de SGVN om NGO’s te betrekken bij de evaluatie van afgeronde vredes-
  missies.
 De AIV dringt er verder bij de regering op aan dat NGO-deelname ook binnen het
  werk van de Commissie voor Vredesopbouw een belangrijke plaats krijgt. Dit is
  vooral van belang gezien de rol en ervaring van NGO’s in post-conflictgebieden en
  met processen van (weder)opbouw van de rechtsstaat. Ook moet ruimte worden
  gecreëerd voor vertegenwoordigers van gemeenschappen in post-conflictgebieden en
  voor onafhankelijke analyse van dergelijke conflicten. Verder moet de Commissie,
  naar de opvatting van de AIV, in een vroeg stadium veldmissies kunnen ondernemen
  om vertegenwoordigers van gemeenschappen ter plaatse te kunnen betrekken in het
  proces van vredesopbouw.
 Ten aanzien van de VN en hun relaties met de NGO-wereld in het algemeen – en dus
  los van de afzonderlijke deelorganen van de VN – wijst de AIV nog op de noodzaak
  binnen de VN één orgaan verantwoordelijk te maken voor het contact met NGO’s. De
  idee om bij het Secretariaat een contactpersoon voor deze organisaties aan te stel-
  len op het niveau van Onder-Secretaris-Generaal wordt dan ook gesteund. Een derge-
  lijke post is van groot belang, zowel uit een oogpunt van coördinatie als ter onder-
  streping van het belang dat de VN hechten aan contacten met de NGO-wereld. In dit
  licht moet ook de financiering van de United Nations Non-Governmental Liaisons
  Service (NGLS), door de NGO-wereld zeer gewaardeerd, veilig worden gesteld.
 In recente VN-rapporten en -documenten wordt ingegaan op de rol die bedrijven kun-
  nen spelen bij de realisering van de doelstellingen van de VN. De AIV steunt die lijn
  ten volle. Dat daarbij gewaakt moet worden voor een vermenging van verantwoorde-
  lijkheden moge voor zich spreken, maar dient naar de opvatting van de AIV voortdu-
  rend te worden onderstreept. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat
  bedrijven niet altijd in positieve zin bijdragen aan realisering van de doelstellingen
  van de VN, alle aandacht voor het fenomeen van het maatschappelijk verantwoord
  ondernemen en vrijwillige gedragscodes ten spijt. Daarom moet erop worden gelet
  dat initiatieven als het Global Compact niet enkel worden gebruikt voor pr-doelein-
  den. Zelfregulering moet naar het oordeel van de AIV als uitgangspunt worden aan-
  gemoedigd. Indien dat niet goed werkt kan de weg naar meer bindende regulering
  echter aangewezen zijn, al was het maar met het oog op bedrijven die niet zijn
  onderworpen aan het kritische bereik van het Internet en de dienovereenkomstige
  macht van consumenten en hun organisaties.
 Wat betreft de ILO signaleert de AIV dat de samenwerking tussen de klassieke ILO-
  actoren en algemene NGO’s verder kan worden versterkt. Werknemers- en werkge-
  versorganisaties zijn reeds ILO-breed actief en nemen een groot deel van de maat-
  schappelijke inbreng voor hun rekening. De samenwerking met NGO’s kan echter
  nog worden verbeterd en versterkt, met name ten aanzien van ILO-gerelateerde
                                              39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>   activiteiten die geheel of gedeeltelijk buiten het traditionele blikveld van de werk-
   gevers- en werknemersorganisaties vallen.
IV.2     De WTO
  Met haar zeer effectieve, dwingende sanctiemechanisme neemt de WTO een bijzon-
   dere plaats in binnen het internationale recht. Tevens neemt, gezien recente ontwik-
   kelingen rondom de geschillenbeslechtingssystematiek, de kans toe dat een panel
   of het Beroepslichaam wordt geconfronteerd met argumenten die buiten het strikte
   WTO-recht vallen, zoals argumenten ontleend aan internationaal erkende mensen-
   rechten of de noodzakelijke bescherming van het milieu. Bovendien kan, meer in het
   algemeen, worden gesteld dat er een groeiende verwevenheid is van WTO-recht met
   andere delen van het internationale recht. Dat maakt de samenwerking met gespe-
   cialiseerde NGO’s in de ogen van de AIV eens te meer gewenst en noodzakelijk.
  Geschillenbeslechting ten aanzien van handelskwesties kan ook fundamentele
   invloed hebben op andere terreinen, zoals de voedselveiligheid en werknemers- en
   vakbondsrechten. Ook met het oog hierop is het naar de opvatting van de AIV van
   groot belang dat de specifieke (mensenrechten- en andere) expertise van NGO’s
   binnen de WTO wordt aangewend, zowel in de onderhandelingen als in de geschil-
   lenbeslechtingprocedures. Dit zal ook bijdragen aan meer transparantie van de WTO
   en aan betere kennis bij het bredere publiek over deze organisatie. De AIV dringt er
   bij de Nederlandse regering op aan dat zij zich inzet voor het formeel vastleggen van
   de mogelijkheid van amicus curiae interventies door NGO’s binnen de WTO-geschillen-
   beslechtingprocedures. Op basis van een nader vast te stellen procedure kan een
   lijst worden opgesteld van streng geselecteerde, voor de WTO-geschillen-beslechting
   relevante NGO’s. Raadpleging van deze organisaties moet vervolgens
   worden aangemoedigd.
  De Nederlandse regering moet zich, samen met de EU, naar de opvatting van de AIV
   blijven inzetten voor grotere openheid binnen de WTO. De zittingen van WTO-panels
   en het Beroepslichaam zouden naar de opvatting van de AIV als regel openbaar
   moeten zijn, met als uitzondering de mogelijkheid om gevoelige zaken achter geslo-
   ten deuren te behandelen.
  Ten slotte is naar de opvatting van de AIV een grotere rol voor NGO’s gewenst bij
   het zogenaamd ‘Trade Policy Review Mechanism’ van de WTO. Zoals gebruikelijk is
   bij de rapportageprocedures bij mensenrechtenverdragen zouden NGO’s tenminste
   schaduwrapporten moeten kunnen indienen teneinde de WTO van extra informatie
   te voorzien.
IV.3     Wereldbank en IMF
  In de jaren tachtig zijn de Wereldbank en het IMF begonnen met het consulteren van
   NGO’s, zowel in de vorm van algemene discussiefora als in het kader van bijvoor-
   beeld het IMF/WB ‘Highly Indebted Poor Countries Initiative for Debt Relief’. Veel
   van die consultaties vinden echter niet rechtstreeks plaats met de Wereldbank of
   het IMF zelf, maar tussen het maatschappelijk middenveld en de overheden van de
   landen in kwestie. De AIV is van opvatting dat daaraan geleidelijk verandering in
   moet komen en beveelt de regering aan daartoe stappen te ondernemen.
  Vergeleken met andere internationale economische organisaties, waaronder het
   IMF, heeft de Wereldbank aanzienlijke stappen gezet wat betreft NGO-deelname. Dit
   is voornamelijk te verklaren uit het feit dat de Bank zich is gaan bezighouden met
   onderwerpen als armoede, gender en het milieu, terreinen waarop NGO’s van
                                             40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>   oudsher expertise bezitten. Daarnaast heeft de Bank haar samenwerking met bedrij-
   ven geïntensiveerd, onder meer ter realisering van het Wereldbankaandeel in de
   Millenniumdoelstellingen. Van belang is verder dat NGO’s in Wereldbankkader een
   rol spelen in toezichthoudende procedures, waarbij met name kan worden gedacht
   aan het ‘Inspection Panel’. Vergeleken met de Wereldbank zijn de relaties van het
   IMF met maatschappelijke actoren onderontwikkeld, al heeft ook het IMF de laatste
   jaren enkele stappen gezet om de betrekkingen met de NGO-wereld en bedrijven te
   verbeteren. Deze contacten zijn vooral in de jaren negentig toegenomen, maar er is
   geen permanent forum waarbinnen deze plaatsvinden. Wel heeft NGO-druk geleid tot
   meer transparantie bij het IMF: veel documenten zijn nu openbaar en ook is er een
   ‘External Relations Department’ opgericht, dat op zijn beurt een contactpersoon
   voor de NGO-wereld heeft. De AIV beveelt de regering aan binnen het IMF te bevor-
   deren dat deze beginnende trend de komende jaren wordt doorgetrokken.
  De AIV constateert dat NGO-deelname, overigens deels door optreden van eigen
   vertegenwoordigers, aan de jaarlijkse vergaderingen van de Wereldbank en het IMF
   steeds moeizamer verloopt. Door de keuze van (onbereikbare) vergaderoorden, strin-
   gente veiligheidseisen en het toewijzen van afgezonderde vergaderruimtes aan
   NGO’s, wordt ook het functioneren van bonafide NGO’s echter zeer moeilijk
   gemaakt. De ervaringen dienaangaande tijdens de bijeenkomst in september 2006
   in Singapore zijn daarbij tekenend. Naar het oordeel van de AIV moet de Nederland-
   se regering zich sterk blijven maken voor een effectieve toegang van NGO’s tot de
   jaarlijkse vergaderingen van beide financiële instellingen.
  Op het vlak van het toezicht, tot slot, kent het IMF onder meer een ‘Independent
   Evaluation Office’. Dit Office wendt zich bij tijd en wijle tot onder meer economische
   onderzoeksinstituten, bijvoorbeeld ter verificatie van informatie, maar NGO’s spelen
   binnen de procedures van het Office nauwelijks een rol. De AIV beveelt de Neder-
   landse regering aan om na te gaan hoe daarin, in het licht van de teneur van het
   onderhavige advies, verandering kan komen.
IV.4     EG/EU
  De NGO-wereld kan naar de opvatting van de AIV een belangrijke rol vervullen bij het
   verbinden van het nationale met het Europese. Het tij om zich in te zetten voor niet-
   gouvernementele deelname binnen de EU is gunstig, ook al omdat ‘het engagement
   om belanghebbenden meer kansen te geven het beleid van de EU actief mee vorm
   te geven’ behoort tot de Strategische Doelstellingen 2005-2009. Naar het inzicht
   van de AIV rust mede op de Nederlandse regering de taak ervoor te zorgen dat de
   desbetreffende (fraaie) voornemens ten volle in praktijk worden gebracht.
  De Europese Commissie heeft voorgesteld een registratiesysteem in te voeren voor
   lobbyisten en lobbyende organisaties. Verder zou er een gemeenschappelijke
   gedragscode of een stel gemeenschappelijke minimumvoorschriften moeten worden
   ontwikkeld voor deze lobbyisten. Daarnaast roept de Commissie op te komen tot
   een sterker (zelfregulerend) systeem van toezicht en stelt zij disciplinaire maatrege-
   len in het vooruitzicht bij incorrecte registratie en/of overtreding van de gedragsco-
   de. De AIV beveelt de regering aan deze tweevoudige lijn te steunen.
  Meer in algemene zin moet de ontwikkeling naar deelname aan het democratisch
   proces binnen de EU worden gestimuleerd door het formuleren van een juridische
   grondslag voor niet-statelijke participatie. Nu het onduidelijk is op welke wijze wordt
   omgegaan met het door Frankrijk en Nederland afgewezen Verdrag tot vaststelling
   van een Grondwet voor Europa, staat wellicht ook de verdere ontwikkeling naar par-
   ticiperende democratie op de tocht. De AIV adviseert de regering na te gaan of dit
   punt apart kan worden geregeld.
                                              41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>IV.5     Raad van Europa
   Ten aanzien van de versterking van de NGO-deelname in de Raad van Europa en de
    inzet van de Nederlandse regering daarbij heeft de AIV op dit moment weinig te
    wensen. Zo is Nederland, zij het na lang aarzelen, partij geworden bij de collectieve
    klachtenprocedure onder het Europese Sociale Handvest. Verder heeft de Raad van
    Europa, tot nu toe als enige internationale organisatie, een juridisch bindend instru-
    ment inzake de erkenning van de rechtspersoonlijkheid van NGO’s aangenomen.
    Nederland heeft dat Verdrag wel getekend, maar de ratificatieprocedure nog niet
    afgerond. De AIV heeft echter kennisgenomen van het voornemen van de regering
    het Verdrag nog voor 22 november 2006 in de Eerste Kamer te behandelen en
    rekent erop dat de procedure dan tot een goed einde wordt gebracht.
Slotopmerking
Voor internationale organisaties is het belangrijk om ‘naar buiten gericht’ te blijven.
Hier kunnen NGO’s en bedrijfsleven/bedrijven een belangrijke rol spelen, onder meer
door internationale organisaties te helpen bij het identificeren van de belangrijke kwes-
ties die moeten worden aangepakt, door hen te blijven wijzen op het esoterische en
soms navelstaarderige karakter van hun aanpak van sommige problemen, en door
bijvoorbeeld tendensen tot bureaucratisering te hekelen. Verder zijn zowel NGO’s als
bedrijfsleven en bedrijven van vitaal belang om de mondiale politiek en de weidse ver-
gezichten van internationale organisaties te verbinden met het lokale en regionale
leven van alledag.
                                            42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Bijlage</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                                   Bijlage I
Gebruikte afkortingen
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
AVVN          Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
Benelux       Samenwerking van België, Nederland en Luxemburg
BEUC          Bureau Européen des Unions de Consommateurs
BONGO         Business-Operated Niet-Gouvernementele Organisatie
CMR           Commissie Mensenrechten (van de AIV)
CONCORD       European NGO Confederation for Relief and Development
CONECCS       Consultation, the European Commission and Civil Society
COPA-COCEGE Committee of Professional Agricultural Organisations in the European Union-
              General Confederation of Agricultural Co-operatives in the European Union
COS           Commissie Ontwikkelingssamenwerking (van de AIV)
CVV           Commissie Vrede en Veiligheid (van de AIV)
DPI           Department for Public Information
DVF/PJ        Directie Verenigde Naties en Internationale Financiële Instellingen,
              afdeling Politieke en Juridische Zaken van het ministerie van
              Buitenlandse Zaken
ECOSOC        Economic and Social Council of the United Nations
ECRI          Europees Comité tegen Racisme en Intolerantie
EESC          Europees Economisch en Sociaal Comité
EG            Europese Gemeenschap
EHJ           Europese Hof van Justitie
ESH           Europees Sociaal Handvest
EU            Europese Unie
EVRM          Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
EVV           Europese Vakverenigingen
G8            Group of eight
GONGO         Government-Operated Niet-Gouvernementele Organisatie
GPPAC         Global Partnership for the Prevention of Armed Conflict
Groenboek ETI Groenboek Europees Transparantie Initiatief
ICC           International Criminal Court
IEO           Independent Evaluation Office
ILO           International Labour Organisation
IMF           Internationaal Monetair Fonds
IOB           Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
IP            Inspection Panel (van de Wereldbank)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>IVBPR  Internationaal Verdrag Inzake Burger- en Politieke Rechten
NAVO   Noord Atlantische Verdragsorganisatie
NGLS   Non-Governmental Liaisons Service
NGO    Niet-Gouvernementele Organisatie
OESO   Organisation for Economic Co-operation and Development
OVSE   Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
PRSP   Poverty Reduction Strategy Paper
SGVN   Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties
UNICEF United Nations Children’s Emergency Fund
VN     Verenigde Naties
VR     Veiligheidsraad van de Verenigde Naties
WB     Wereldbank
WEU    West-Europese Unie
WTO    World Trade Organisation
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
  1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
  2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
  3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
  4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
  5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
  6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
  7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
  8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
  9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
    november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
    rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
    de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
    bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
    strategieën tegen armoede, januari 2003
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005****
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003***
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
***   Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
**** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>