<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>        HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR
              DE RECHTEN VAN DE MENS
           STAPSGEWIJZE VERSTERKING IN EEN
                 POLITIEK GELADEN CONTEXT
                        No. 57, Juli 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij - van Gorsel
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Prof. dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Dr. R.J. van der Veen
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden commissie VN-Verdragsmechanismen
Voorzitter    Prof. mr. C. Flinterman
Leden         Mw. dr. K.C.J.M. Arts
              Prof. mr. Th.C. van Boven
              Drs. T. Etty
              Prof. mr. R. Fernhout
              Prof. dr. W.J.M. van Genugten
              Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt
              Mw. mr. C. Hak
              Mr. R. Herrmann
              Drs. T.P. Hofstee
              Prof. dr. M.T. Kamminga
              Mr. F. Kuitenbrouwer
              Mw. dr. B.M. Oomen
              Prof. mr. N.J. Schrijver
              Mw. prof. mr. W.M.E. Thomassen
              Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
              Mw. J.M. Verspaget
Secretaris    Drs. T.D.J. Oostenbrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>       Inhoudsopgave
       Woord vooraf
I      Context     7
II     Het systeem nader bekeken         13
III    Opties voor herziening van het VN-verdragssysteem      16
IV     De relatie van het verdragssysteem met de Mensenrechtenraad 21
V      Samenvatting, conclusies en aanbevelingen         24
Bijlage I    Adviesaanvraag
Bijlage II   Overzicht van ratificaties en klachtenprocedures
Bijlage III  Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 3 juli 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de Adviesraad Internatio-
nale Vraagstukken (AIV) verzocht om een advies over de ontwikkelingen binnen het
systeem van de Verenigde Naties (VN) op het terrein van de rechten van de mens.
In dat verband werd bijzondere aandacht gevraagd voor de plannen met betrekking
tot de verdragsmechanismen en het voorgenomen systeem van Universal Periodic
Review (zie bijlage I voor de adviesaanvraag).
Dit advies is voorbereid door de plenaire vergadering van de Commissie Mensen-
rechten (CMR) van de AIV. De volgende personen namen hieraan deel: mw. dr.
K.C.J.M. Arts, prof. mr. Th.C. van Boven, drs. T. Etty, prof. mr. R. Fernhout, prof. mr.
C. Flinterman (voorzitter advisering), prof. dr. W.J.M. van Genugten, mw. prof. mr.
J.E. Goldschmidt, mw. mr. C. Hak, mr. R. Herrmann, drs. T.P. Hofstee, prof. dr. M.T.
Kamminga, mr. F. Kuitenbrouwer, mw. dr. B.M. Oomen, prof. mr. N.J. Schrijver,
mw. prof. mr. W.M.E. Thomassen, mw. mr. H.M. Verrijn Stuart en mw. J.M. Verspaget.
Het secretariaat is gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink (secretaris CMR) en de
stagiaires mw. E. Jansen, mw. M. Suijkerbuijk en dhr. Th. Schut. Tijdens het advies-
traject heeft de AIV ook een beroep kunnen doen op de kennis en ervaring van de
ambtelijke contactpersonen drs. J.J.H. Geeven en drs. S. van der Meer (DMV/MR).
In de aanvraag wordt onder meer gewezen op de door de (voormalig) Secretaris-
Generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, in 2002 voorgestelde hervormings-
agenda, de nieuw ingestelde VN-Mensenrechtenraad en de hervormingsvoorstellen
van het kantoor van de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens (HCRM) op
het terrein van de verdragsmechanismen. Meer in het bijzonder wordt verwezen
naar het op 14 maart 2006 gepresenteerde Concept paper on the High Commisioner’s
proposal for a Unified Treaty Body.1 Dit voorstel voorziet in het zoveel mogelijk
samenvoegen van de bestaande verdragscomités. Daarbij wordt aangetekend dat het
hierbij om een eerste opzet gaat, waarbij nog veel nader moet worden gepreciseerd.
Verder benadrukt de adviesaanvraag dat het van belang is dat de hervorming van
het systeem van VN-verdragscomités niet achterblijft, temeer ook omdat dit een
belangrijk instrument vormt in de nationale tenuitvoerlegging van internationale
mensenrechtennormen. Ook wordt het van belang geacht te bezien hoe de nieuwe
Mensenrechtenraad zich tot het huidige systeem van verdragscomités verhoudt en
wat de relatie tussen de rapportages van de verschillende verdragscomités en het
systeem van de Universal Periodic Review, zoals voorzien door de nieuwe Mensen-
rechtenraad, zou moeten zijn. De regering benadrukt dat een dergelijke omvangrij-
ke herziening van het systeem van verdragsorganen verstrekkende consequenties
heeft. Daarbij wordt onder meer gewezen op het risico dat, bij het versterken van
de coherentie tussen de verschillende organen, waardevolle elementen van de
afzonderlijke verdragscomités verloren gaan.
De minister van Buitenlandse Zaken verzoekt de AIV concreet een visie te ontwik-
kelen op de hervorming van het systeem van verdragscomités en stelt daarbij de
volgende vijf vragen:
1   UN Doc. HRI/MC/2006/CPR.1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>1. Tegen welke problemen lopen zowel de verdragscomités als de rapporterende
    landen aan in relatie tot de voornaamste doelstellingen van de verdragscomités,
    namelijk controle op de tenuitvoerlegging van internationale mensenrechten-
    normen?
2. In hoeverre komen de thans lopende initiatieven (betere coördinatie van werk-
    zaamheden, regulier overleg tussen voorzitters, e.d.) tegemoet aan de proble-
    men waar de verdragscomités mee kampen?
3. Welke opties zijn er voor verdergaande hervormingen en wat zijn de voor- en
    nadelen van de geïdentificeerde opties? Welke optie geniet uw voorkeur en waar-
    om? Hoe kan de optie van uw voorkeur het beste worden gerealiseerd? Is er
    wellicht een onderscheid te maken tussen oplossingen op korte en op lange
    termijn? (De meer vergaande opties vergen meer tijd, maar dat mag op zichzelf
    geen reden zijn om ze af te wijzen).
4. Ik vraag u specifiek aandacht te besteden aan de voor- en nadelen die gepaard
    gaan met oprichting van een Unified Standing Treaty Body, zoals voorgesteld
    door de HCRM.
5. Hoe ziet uw Raad de relatie tussen de verdragsorganen (in de huidige vorm en
    in de door uw Raad voorgestelde opzet) en de nieuwe Mensenrechtenraad, in het
    bijzonder in het kader van de Universal Periodic Review?
Omdat over de gestelde problematiek in de vragen 1 en 2 al uitvoerige documenta-
tie beschikbaar is, wordt aangegeven dat deze vragen kort kunnen worden beant-
woord. Een meer uitvoerige beantwoording van de vragen 3 tot en met 5 wordt op
prijs gesteld. Vlak na de ontvangst van de adviesaanvraag bleek de tijdsplanning in
VN-kader ten aanzien van de onderhavige problematiek gewijzigd. Hierdoor verloor
de advisering goeddeels haar spoedeisend karakter. De AIV heeft toen besloten
voorrang te geven aan twee (andere) adviesaanvragen.
In dit advies wordt eerst in hoofdstuk I, de context geschetst waarin het verdrags-
systeem van de VN opereert. Daarbij wordt ook op hoofdlijnen ingegaan op de hui-
dige problemen met dit systeem. In hoofdstuk II wordt nader ingegaan op het ver-
dragssysteem en wordt aangegeven welke pogingen tot op heden zijn ondernomen
om het systeem te herzien. In hoofdstuk III wordt ingegaan op de beschikbare
opties voor hervormingen. In dat verband zal een oordeel worden gegeven over
lopende initiatieven, nieuwe voorstellen, uitdagingen en alternatieven en wordt
gekeken naar realisatiemogelijkheden. In hoofdstuk IV wordt vooral ingegaan op de
relatie tussen de verdragsorganen en de Mensenrechtenraad, met name waar het
gaat om het implementeren van de voorstellen terzake van de inmiddels aanvaarde
Universal Periodic Review. Het advies wordt afgesloten met een samenvatting en
een aantal conclusies en aanbevelingen.
Het advies is door de AIV vastgesteld op 6 juli 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I         Context
Zoals aangegeven in het ‘Woord vooraf’ heeft de regering aan de AIV een vijftal vragen voor-
gelegd. De eerste twee hebben betrekking op de bestaande verdragsmechanismen en op
de voorstellen voor hervormingen die tot op heden zijn gelanceerd. De derde vraag verzoekt
om een oordeel over voorliggende opties en vraag 4 vraagt specifieke aandacht voor één
van die voorstellen: de Unified Standing Treaty Body. Vraag 5 tot slot raakt aan ‘de buiten-
kant’ van de verdragsorganen, meer in het bijzonder hun relatie met de Mensenrechten-
raad en de op te zetten Universal Periodic Review.
De AIV realiseert zich dat het risico bestaat dat advisering over versterking van de bestaan-
de verdragmechanismen uitmondt in hetzij een herhaling en becommentariëring van eerder
gedane voorstellen, hetzij het aanreiken van andere ‘technische oplossingen’ die als voor-
deel zouden hebben dat zij nieuw zijn, maar waarvan wellicht eveneens van tevoren valt te
voorspellen dat zij niet de gewenste effecten zullen hebben.2 Daarom lijkt het de AIV ver-
standig in dit hoofdstuk een schets te geven van de complexe context waarin de verdrags-
mechanismen opereren en van de invloed daarvan op het functioneren van de mechanis-
men zelf, vooraleer over te gaan op advisering over veranderingen op de korte en lange ter-
mijn. Deze inleiding verschaft tevens een kader voor bespreking van de verhouding tussen
de verdragsorganen en de Mensenrechtenraad en de problemen die daarbij om aandacht
vragen. Bij de bespreking van die laatste vraag komen dan tevens de staten aan de orde
waarover de verdragsorganen geen toezicht kunnen uitoefenen: te weten staten die ervoor
hebben gekozen geen partij te worden bij de belangrijkste mensenrechtenverdragen.
De Nederlandse regering heeft zich in de afgelopen decennia, doorgaans met volle overtui-
ging en koersvast, ingezet voor het totstandkomen en de versterking van verdragsmecha-
nismen op het terrein van de rechten van de mens.3 In opeenvolgende mensenrechtennoti-
ties is als reden aangevoerd: ‘Mensenrechten zijn (…) universeel; zij gelden voor iedereen,
overal en altijd. In de loop der jaren is (…) steeds duidelijker geworden dat mensenrechten
juist vanwege deze universele werking een legitieme zorg van de internationale gemeen-
schap zijn’.4 Het patroon van deze inspanningen ter versterking van de verdragsmechanis-
men zou kunnen worden samengevat als de wens geleidelijk aan een groot deel van het
toezicht op de naleving van de rechten van de mens te laten bestrijken door uit onafhanke-
lijke experts bestaande verdragsorganen en op die wijze de politieke component in het stelsel
2   Over deze problematiek is eerder geadviseerd. Zie hiervoor onder meer: Adviescommissie Mensenrechten en
    Buitenlands Beleid (ACM), Mensenrechtenverdragen onder VN-toezicht, advies nummer 7, Den Haag, juli
    1988 en ACM, VN Toezicht op mensenrechten, advies nummer 22, Den Haag, oktober 1996. Zie ook AIV, Het
    functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, advies nummer 11, Den Haag, september
    1999 en AIV, De Verenigde Naties en de Rechten van de Mens, advies nummer 38, Den Haag, september
    2004.
3   Zie onder meer: Hilde Reiding, The Netherlands and the Development of International Human Rights
    Instruments, Intersentia, Antwerpen, maart 2007.
4   Ministerie van Buitenlandse Zaken, Notitie Mensenrechtenbeleid 2001.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>van toezicht en controle op de naleving van de rechten van de mens terug te dringen.5 De
AIV merkt dat op voorhand aan als de juiste richting van denken, maar doet dat in het
besef dat die benadering in haar uitwerking niet zonder complicaties is. Toezicht op de
naleving van de rechten van de mens door verdragsorganen is complementair aan politieke
(en andere) procedures en instrumenten, zoals die van de Mensenrechtenraad.
Een belangrijke verworvenheid van de afgelopen decennia is dat de mensenrechtennormen
goeddeels zijn uitgekristalliseerd. Deze precisering van de normen is te danken aan een
kerngroep van staten die op een bepaald moment besluit het ontwerpen van een verdrag
ter hand te nemen (later al dan niet gevolgd door andere staten), aan de pressie van NGO’s
en aan de verdragscomités met hun ‘jurisprudentie’ en General Comments. De toepassing
van mensenrechtenverdragen in concrete gevallen is evenwel geen eenvoudige syllogisti-
sche aangelegenheid. Er zijn voortdurend redenen waarom staten van opvatting zijn dat
bepaalde normen anders dienen te worden geïnterpreteerd dan lijkt afgesproken. Men
denke aan de spanning tussen het martelverbod en het opleggen van traditionele lijfstraffen
als amputaties, aan het verbod op discriminatie van vrouwen en de toepassing van bijvoor-
beeld islamitisch recht, en aan het inroepen van het algemeen belang ter rechtvaardiging
van een inperking van de vrijheid van meningsuiting. Het zou te eenvoudig zijn dergelijke
kwesties af te doen als ‘toepassingsvragen’. Zij raken aan de wortels van de verdragen en
het verdragsstelsel en zorgen er tevens voor dat de nationale politieke systemen en opvat-
tingen interfereren met de (semi-)rechterlijke toepassing van internationale verdragen waar-
op dit advies betrekking heeft. Het nadenken over de interactie tussen de verdragsrechtelijke
normenstelsels en nationale praktijken alsook over verdere aanpassingen van de normen-
stelsels aan de uitdagingen van de tijd is per definitie een proces dat nimmer ophoudt. Het
nadenken daarover behoort tot de essentiële taken van de verdragscomités. Mede om die
reden laten sommige verdragsstaten zich bij het doen van voordrachten voor leden van de
comités niet of nauwelijks leiden door de hooggestemde eisen die op papier aan de leden
worden gesteld - zoals ‘hoog zedelijk aanzien’ en ‘erkende bekwaamheid op het gebied van
de rechten van de mens’ (artikel 28 lid 2 van het Internationale Verdrag inzake Burger- en
Politieke Rechten (IVBPR)) - maar veeleer door de vraag hoe deze comitéleden nationale
belangen optimaal kunnen dienen.
Ratificaties en klachtenprocedures
Vele staten zijn intussen partij geworden bij internationale mensenrechtenverdragen, in
sommige gevallen met vergaande voorbehouden of verklaringen. Een klein aantal staten
heeft echter zelfs voor dat laatste niet gekozen en heeft zich geheel afzijdig gehouden. Al
met al geven de aantallen ratificaties bij de mensenrechtenverdragen een gemengd beeld
te zien. Bij het Verdrag inzake de Bescherming van Migrerende Werknemers en hun
Gezinnen zijn tot nu toe slechts 37 staten partij, waaronder geen van de Westerse staten.
Daarentegen zijn er bij het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en
5   Het gaat daarbij naast de VN-verdragen inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en Burger- en
    Politieke Rechten (IVESCR en IVBPR, 1966) om de internationale conventies over de Uitbanning van
    Rassendiscriminatie (CERD, 1965), Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie tegen Vrouwen (CEDAW,
    1979), Foltering en andere Wrede, Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CAT, 1984), de
    Rechten van het Kind (CRC, 2002) en de Rechten van Migrerende Werknemers en hun Gezinnen (CMW,
    1990). Ook functioneert sinds kort een nieuw Subcomité inzake Preventie op basis van het Protocol bij het
    VN-Verdrag tegen Foltering. Daaraan is door de AVVN in december 2006 nog een tweetal nieuwe verdragen
    toegevoegd: het op 13 december 2006 aanvaarde Verdrag inzake Personen met een Handicap en het op
    20 december 2006 aanvaarde Verdrag inzake Onvrijwillige Verdwijningen.
                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>het Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten 156 respectievelijk 160 ratificaties. Met
name het aantal statenpartijen bij het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het
Verdrag inzake de Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen is indrukwek-
kend, te weten respectievelijk 193 en 185. De vraag rijst echter wat deze getallen werkelijk
betekenen, hoe het toezicht op de naleving is geregeld en welke veranderingen dankzij de
(ratificatie van) verdragen tot stand zijn te brengen of reeds zijn gebracht. Sommige staten
zijn immers louter partij geworden vanwege internationale druk of vanuit het oogpunt van
windowdressing; vaak ook hebben staten de individuele klachtmogelijkheden niet geaccep-
teerd (zie bijlage II voor nadere gegevens). Bovendien speelt het probleem van de onbe-
kendheid bij de burgers. Daar waar staten individuele klachtmogelijkheden wel hebben
erkend, worden deze procedures slechts in bescheiden mate gebruikt. Zo is de individuele
klachtenprocedure van het IVBPR in de 31 jaren van zijn bestaan ongeveer 1550 keer6
gebruikt, hetgeen neerkomt op zo’n 50 klachten per jaar. Deze aantallen steken nog positief
af bij die van bijvoorbeeld de individuele klachtenprocedure van het Verdrag inzake de
Uitbanning van Rassendiscriminatie: in totaal 35 klachten over een reeks van 24 jaren. Wat
ook de oorzaken zijn van dit tot nu toe relatief geringe gebruik (zeker in vergelijking met
bijvoorbeeld de individuele klachtenprocedure onder het EVRM), de potentiële kracht ervan
wordt, indien afgezet tegen de talrijke schendingen waartegen zij theoretisch zouden kun-
nen worden gebruikt, kennelijk nog niet mondiaal ervaren. Opvallend is bijvoorbeeld dat uit
28 van de 109 landen die het individuele klachtrecht van het IVBPR hebben erkend,7 nog
niet één klacht is ontvangen. De verklaring zou kunnen zijn dat in die landen niets is aan te
merken op de rechten van de mens wat zich leent voor een internationale klacht, maar dat is
niet waarschijnlijk. Onbekendheid met de klachtenprocedures, de juridische niet-bindendheid
van de ‘uitspraken’ van verdragscomités en de relatief hoge kosten die aan het indienen van
een klacht zijn verbonden, lijken eerder een rol te spelen.
Tevens bestaat het gevaar dat Westerse landen, denkend vanuit de wijze waarop daar juri-
dische procedures kunnen worden benut om ‘recht te halen’, vrij automatisch redeneren
dat deze wijze van werken overal ter wereld kan worden toegepast. Het is een benadering
die in feite ook ten grondslag ligt aan de wens om het aantal staten dat individuele klach-
tenprocedures heeft aanvaard, gestaag te laten groeien. Op zichzelf is deze redenering
juist. Tegelijkertijd dient de betekenis ervan naar de opvatting van de AIV te worden gerelati-
veerd, zolang niet tevens systematisch in kaart wordt gebracht wat de praktische betekenis
is van deze ‘toegang tot het recht’. Wat betekent toegang tot een klachtenprocedure voor
iemand zonder geld - of voor iemand die op zijn best cliënt is in een patronagenetwerk en
daarmee dus kwetsbaar en afhankelijk - , zonder juridische kennis van zaken dan wel assis-
tentie ter zake, in een land dat op papier de klachtenprocedure erkent, maar het gebruik
ervan in de praktijk tegenwerkt? Hoe verloopt het gebruik van zo’n klachtenprocedure in
staten als Azerbeijdzan, Burkina Faso of Guinea, gesteld al dat zij internationale klachtenpro-
cedures hebben erkend? In een land als Nederland is men gewend te denken in termen van
mondige individuen, onderlegde advocaten en desnoods het starten van juridische procedu-
res voor het halen van recht. Waar men hier erkent dat een gang naar een internationale
rechter of semi-rechter mogelijk moet zijn en soms tot onwelgevallige uitspraken kan leiden,
kan worden geconstateerd dat een dergelijke erkenning in veel staten goeddeels afwezig is.
De mensenrechten worden door de burgers van dergelijke staten veelal gezien als te berei-
ken ideaal en niet als een juridisch hanteerbaar instrument.
6   Dit getal is inclusief de lopende procedures.
7   Hierbij zij nog aangetekend dat ook lang niet alle Westerse landen (zoals de Verenigde Staten en het
    Verenigd Koninkrijk) het individuele klachtrecht onder het IVBPR hebben erkend.
                                                         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Rapportageverplichtingen
Het nadenken over verbetering van de bestaande verdragsmechanismen moet naar het
oordeel van de AIV worden geleid door de intentie door te dringen tot het alledaagse niveau
waarop de rechten van de mens worden geschonden, ofwel: tot het leveren van een bijdra-
ge aan de realisering van de rechten van de mens voor, uiteindelijk, ‘eenieder ter wereld’.
Daarbij doet zich het probleem voor dat het meestal staten zelf zijn die de mensenrechten-
problemen veroorzaken waarover zij ten overstaan van de internationale toezichthoudende
comités moeten rapporteren en verantwoording afleggen en dat staten niet graag een
nadere begrenzing van hun soevereiniteit aanvaarden. In dat verband werd aanvankelijk
vaak een beroep gedaan op artikel 2 lid 7 van het Handvest van de Verenigde Naties, dat
de VN verbiedt ‘tussenbeide te komen in aangelegenheden die wezenlijk onder de nationa-
le rechtsmacht van een staat vallen’. Het is in dat licht nauwelijks opmerkelijk te noemen
dat staten probeerden essentiële informatie achter te houden en stelden dat bepaalde
zaken, hoewel objectief relevant voor de beoordeling van de mensenrechtensituatie, politiek
van karakter waren en daarom niet ter beoordeling aan de toezichthouder dienden te
worden voorgelegd.
Ter reparatie van dergelijke gebreken in het rapportagesysteem hebben zich in de afgelo-
pen decennia belangrijke veranderingen voorgedaan, zoals de praktijk van verdragscomités
die voorzien in officieuze consultaties van nationale en internationale NGO’s, die tevens
schaduwrapportages publiceren en andere relevante informatie verstrekken. In de loop der
jaren heeft het rapportagesysteem zich op die wijze ontwikkeld tot een veel betekenisvoller
instrument dan aanvankelijk werd gedacht (meer daarover in hoofdstuk II).
Ook valt in dat verband te denken aan onderzoeksprocedures in CAT en het Facultatief
Protocol bij het CEDAW, die beide toezichthoudende comités de mogelijkheid verschaffen
om, gebaseerd op betrouwbare informatie met serieuze aanwijzingen betreffende
systematische of grove mensenrechtenschendingen in een verdragsstaat die de procedure
heeft aanvaard, deze staat om informatie en commentaar te verzoeken en één of meer
leden aan te wijzen om een vertrouwelijk onderzoek in te stellen. Sommige andere ver-
dragscomités hebben de afgelopen jaren in urgente gevallen tot een bijzonder onderzoek
besloten en in enkele gevallen, met instemming van de betrokken verdragspartij, één of
meer van hun leden afgevaardigd voor het brengen van een bezoek, ook al voorziet het des-
betreffende verdrag niet in een dergelijk mandaat. Dergelijke aanscherpingen betekenen
echter tegelijkertijd dat het internationale recht voor veel staten nog dichterbij komt en te
bedreigend wordt, waardoor deze staten op hun beurt verscherpt reageren met het argu-
ment dat iets ‘te politiek’ is om te worden behandeld door een verdragscomité of stellen
dat de margin of appreciation ruimer is dan de verdragscomités lijken toe te staan. Ook
heeft in een enkel geval een staat gereageerd met het opzeggen van een verdrag8 of met
een - vaker voorkomend - materieel tegenwerken van comités, bijvoorbeeld door te laat of in
het geheel niet mee te werken aan de verplichte rapportages. Op deze wijze veroorzaakt
elke actie voor versterking haar eigen reactie; het is daarom aan de staten die een verstevi-
ging van de verdragsmechanismen wensen om te komen met voorstellen die dergelijke
problemen het hoofd bieden. Daarbij spelen op de achtergrond ook vragen en noties als de
behoefte tot verwerving van verdere erkenning van de universaliteit van de rechten van de
mens en het voortdurende debat over het recht op bemoeienis met beleid en praktijk ter
8   Ook in Nederland speelt af en toe de discussie over het opzeggen van verdragen die als onwelgevallig worden
    beschouwd bij het maken van nieuw beleid. Tot op heden heeft dat echter niet tot concrete stappen geleid.
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>zake door nationale en internationale NGO’s.9 Deze aspecten worden in dit advies niet
nader uitgewerkt, maar zij spelen wel een rol op de achtergrond bij het formuleren van de
meer concrete aanbevelingen.
Los van politieke en aanverwante obstakels die versterking van de verdragsmechanismen
in de weg staan, is het van belang voor ogen te houden dat een aantal problemen rond de
mechanismen andere oorzaken heeft. Het is een gegeven dat de afgelopen decennia de
mensenrechtenverdragen los van elkaar tot stand zijn gekomen, dat elk verdragscomité zijn
eigen eisen stelt en dat organisatorische en inhoudelijke coördinatie tussen de verschillen-
de comités slechts langzaam op gang is gekomen. Veel problemen zijn terug te voeren op
serieus te nemen praktische oorzaken: van staten worden regelmatig rapportages ver-
wacht, ook als hun overheidsapparaat niet beschikt over specialisten op alle deelterreinen
die door de mensenrechtenverdragen worden bestreken; de plenaire behandeling van rap-
portages kost veel van de toch al geringe vergadertijd; de ondersteuning door het Kantoor
van de HCRM is te gering en de overlap tussen verschillende verdragsorganen leidt tot
duplicatie van rapporten. Dergelijke praktische problemen hebben al enige tijd de aandacht,
bijvoorbeeld blijkend uit de discussie over betere afstemming tussen de verschillende ver-
dragscomités. Ook in dit advies zal de AIV ter zake een aantal suggesties doen.
Realisering op nationaal niveau
Het is naar de opvatting van de AIV van groot belang voor ogen te houden dat de rechten
van de mens op nationaal niveau moeten worden gewaarborgd en dat het functioneren van
de verdragsmechanismen eerst en vooral moet worden beoordeeld op de mate waarin het
daartoe bijdraagt. Daarbij is het volgens de AIV zaak de gehele rapportagecyclus in beeld te
houden, met idealiter een uitsplitsing per verdrag en per te beoordelen staat. De AIV denkt
daarbij onder meer aan de volgende aspecten:
· Werkt het desbetreffende verdrag door in de nationale rechtsorde, op constitutioneel
    niveau en, belangrijker, in de rechtspraktijk van alledag? Kan er een rechtstreeks beroep
    op worden gedaan, maar ook: zijn er signalen dat dat beroep wordt tegengewerkt? En,
    als er krachtens de constitutie van de staat in kwestie transformatiewetgeving nodig is,
    is deze tot stand gebracht en waar zitten eventuele lacunes en barrières?
· Via welke kanalen wordt de feitelijke toegang tot het recht, met inbegrip van de normen uit
    het verdrag dat aan de orde is, nationaal vormgegeven? Door slachtoffers rechtstreeks,
    door advocaten, para-legals, kerken, NGO’s, vakbonden, vrouwengroepen? Wat is effec-
    tief, gezien de lokale cultuur en gegeven de lokale politieke, sociale en economische
    situatie?
· Hoe verloopt de interactie tussen de nationale staat en het internationale toezichthou-
    dende orgaan? Is de staat gediend van adviezen of juist niet? Hoe verloopt de binnen-
    landse communicatie met de verschillende betrokken ministeries en het parlement? Is
    er, bezien vanuit het perspectief van de slachtoffers dan wel de preventie van schendin-
    gen, behoefte aan technische advisering en verdere bewerktuiging, of veeleer aan repri-
    mandes?
· Hoe ziet de follow-up ten aanzien van de bevindingen en aanbevelingen van de verdrags-
    comités eruit? Hoe kan worden voorkomen dat bij de staat in kwestie het gevoel ont-
    staat dat deze na een periodieke rapportage weer voor een fors aantal jaren klaar is?
    Wordt de overheid van de staat in kwestie door een parlement en maatschappelijke
9   Zie hiervoor ook: AIV, De rol van NGO’s en bedrijven in internationale organisaties, advies nummer 51,
    Den Haag, oktober 2006.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    organisaties zoals NGO’s en Nationale Mensenrechteninstituten ter verantwoording
    geroepen voor het gevoerde beleid en hoe wordt met eventuele kritiek op het doorvoeren
    van aanbevelingen van verdragsorganen omgegaan?
Interactie met niet-verdragsmechanismen
Het hierboven beschreven beeld wordt nog ingewikkelder wanneer men in aanmerking
neemt dat de voormalige Commissie voor de Rechten van de Mens (nu de
Mensenrechtenraad) in de loop der jaren een groot aantal bijzondere procedures of mecha-
nismen in het leven heeft geroepen op basis van een uit 1967 daterend mandaat vervat in
ECOSOC-resolutie 1235 (XLII). De op grond van dit mandaat gecreëerde werkgroepen en
rapporteurs richten zich òf op de mensenrechtensituatie in een specifiek land (landen-
rapporteurs) òf op bepaalde praktijken die in veel landen voorkomen en die als ernstige
inbreuken op de rechten van de mens moeten worden aangemerkt (thematische rappor-
teurs). Deze publieke procedures werden in 1970 aangevuld met de vertrouwelijke procedure
op grond van ECOSOC-resolutie 1503 (XLVIII). Daarnaast speelde de VN-Sub-Commissie
jarenlang een eigen rol op dit terrein.10 Los daarvan kennen de VN nog vele andere actoren
op, of met grote relevantie voor, het terrein van de rechten van de mens. Zo verrichten het
VN-Secretariaat, en meer in het bijzonder het Kantoor van de HCRM, veel inspanningen op
dat vlak. Daarnaast zijn de Veiligheidsraad, VN-organen als het Kinderfonds (UNICEF), het
Ontwikkelingsprogramma (UNDP) en Gespecialiseerde Organisaties, zoals de Internationale
Arbeidsorganisatie (ILO), de Organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (UNESCO),
de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), en de internationale financiële instellingen, de
speciale straftribunalen en het permanente Internationale Strafhof te noemen. Hun activi-
teiten hebben tal van consequenties voor de rechten van de mens.11
10 Zie voor meer details over deze procedures ook twee adviezen van de (toenmalige) Adviescommissie
    Mensenrechten Buitenlands Beleid (ACM), De rol van de Sub-Commissie ter Voorkoming van Discriminatie en
    Bescherming van Minderheden, advies nummer 20, Den Haag, 1996 en ACM, VN-Toezicht op
    Mensenrechten, advies nummer 22, Den Haag 1996. Zie ook recente besluitvorming in de
    Mensenrechtenraad over een nieuw in te stellen ‘Human Rights Council Advisory Committee’ (UN Doc.
    A/HCR/5, L.2 van 18 juni 2007).
11 Zie: Theo van Boven, ‘Urgent Appeals on Behalf of Torture Victims’, in Mélanges en hommage au Doyen
    Gérard Cohen-Jonathan, Bruylant, Brussel, (2004), pp. 1637-1652. Hij omschreef dit complexe en
    onoverzichtelijke geheel als: ‘…the United Nations system comes across like a quagmire of standards,
    procedures and mechanisms developed in an incremental way in order to respond to political aspirations and
    socio-humanitarian needs rather than resulting from a coherent vision and planned strategy. The United
    Nations approach comes across like a roadmap through a land full of hilly obstacles and unexpected
    ravines’.
                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>II       Het systeem nader bekeken
In het vorige hoofdstuk is kort stilgestaan bij de rapportageverplichting van staten, die in
alle mensenrechtenverdragen is neergelegd en volgens welke staten periodiek aan het des-
betreffende verdragsorgaan moeten rapporteren. Deze verplichting tot rapportage heeft
evident bijgedragen aan de steeds verdere versteviging van internationale én nationale
aanspreekbaarheid van een groot aantal staten op naleving van mensenrechten, aan de ver-
dere versterking van de aandacht voor de mensenrechten op nationaal niveau en binnen
de VN en aan de ontwikkeling van een internationaal normatief raamwerk. Daarbij heeft
vooral de toegenomen kwaliteit van de concluding observations en recommendations van
de verdragsorganen een rol gespeeld. In veel gevallen hebben deze direct invloed gehad op
de ontwikkeling van nieuwe wetgeving, beleidsontwikkeling en programma’s. In die zin
vervult het rapportagestelsel een aantal met elkaar verband houdende functies:12
· initial review, het in eerste instantie doorlichten van nationale wetgeving en praktijk;
· monitoring, het nauwlettend volgen en in kaart brengen van relevante ontwikkelingen,
    zowel op nationaal niveau als op het niveau van de toezichthoudende comités;
· policy formulation, het formuleren van beleidsmaatregelen die nodig zijn om aan
    verdragsverplichtingen uitvoering te geven;
· public scrutiny, het afleggen van verantwoording tegenover de eigen burgers, de belang-
    hebbende nationale maatschappelijke organisaties en de internationale samenleving,
    die gepresenteerd wordt in de verdragscomités;
·   evaluation, het op waarde schatten van ontwikkelingen vergeleken met vorige rapporten
    en van al dan niet bereikte doelstellingen;
·   acknowledging problems, het signaleren van gebreken en knelpunten welke verbetering
    behoeven;
·   information exchange, het vergaren en uitwisselen van informatie die verdragspartijen,
    maatschappelijke organisaties en toezichthoudende comités in staat stelt aan een leer-
    proces deel te nemen.
Het primaire doel van de rapportageverplichtingen onder het verdragssysteem is om, door
middel van een constructieve dialoog met statenpartijen, in een niet-gepolitiseerde sfeer bij
te dragen aan het versterken van de bescherming en het uitdragen van de mensenrechten
op nationaal niveau. De effectiviteit van het rapportagestelsel staat of valt dan ook met een
vruchtbare wisselwerking tussen het nationale en internationale niveau. Wanneer het inter-
nationale toezicht oppervlakkig, te laat of onvoldoende is, zal de politieke stimulans ontbre-
ken om op het nationale vlak veel tijd en energie te investeren in de voorbereiding van de
rapporten. Omgekeerd, wanneer de rapporten op nationaal niveau het resultaat zijn van
een plichtmatige bureaucratische exercitie, dan is nauwelijks de voorwaarde aanwezig om
tot een constructieve dialoog op het internationale vlak te geraken.
In de praktijk kan worden geconstateerd dat het huidige verdragssysteem, met name door
de periodiciteit van het toezicht en versterking van de controle op de follow-up, invloed heeft
gekregen op nationaal niveau. Staten worden daardoor actief aangespoord de naleving van
12 Zie onder meer ‘The Purposes of Reporting’ van Philip Alston, in het Manual on Human Rights Reporting,
    New York, 1991, pp. 13-16, en UN Doc. HRI/MC/2007/2, Report of a brainstorming meeting on reform of the
    Human Rights Treaty Bodies, Triesenberg, Liechtenstein, July 2006.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>hun verplichtingen op het terrein van de mensenrechten en fundamentele vrijheden te eer-
biedigen en te bevorderen, en bevinden zich in de verdediging indien zij hun rapportagever-
plichtingen niet nakomen. Het rapportageproces draagt verder bij tot nationale discussies
op gouvernementeel en niet-gouvernementeel niveau. Het proces verschaft voorts NGO’s,
nationale mensenrechteninstituten en andere maatschappelijke organisaties een platform
om aandacht te vragen voor hun belangen en heeft bovendien de publieke aanspreekbaar-
heid van regeringen op mensenrechtengebied bevorderd.
Het toezicht door verdragsorganen heeft, hoewel niet juridisch bindend, voorts in individu-
ele gevallen, waar staten het individuele klachtrecht hebben erkend, geleid tot verschillen-
de vormen van genoegdoening voor personen wier rechten waren geschonden. Ook heeft
de quasi-jurisprudentie van de verdragsorganen, die in toenemende mate wordt gebruikt
door nationale rechterlijke instanties en tribunalen, bijgedragen aan het ontwikkelen van
een internationaal normatief raamwerk.
Anderzijds staat het verdragssysteem, met name de rapportageprocedures, onder de men-
senrechtenverdragen onder grote druk. Daarvoor is in hoofdstuk I al een aantal oorzaken
aangegeven, zoals de grote achterstanden in de verplichte rapportages, de overlappingen in
rapportageverplichtingen en de verschillende werkmethodes van de comités. Aan deze oor-
zaken kan een aantal andere worden toegevoegd, zoals de toename van het aantal toe-
zichthoudende organen;13 de toegenomen werkdruk van comités als gevolg van het sterk
toegenomen aantal verdragspartijen; de daaruit voortvloeiende consequenties voor de
werkzaamheden van het Kantoor van de HCRM op personeels- en financieel terrein en het
gebrek aan publiek profiel van het systeem. Dit laatste is toe te schrijven aan het feit dat
het verdragssysteem vooral bekend is op regeringsniveau en bij gespecialiseerde juristen
en NGO’s. Omdat zowel de AIV als de (voormalige) Adviescommissie Mensenrechten
Buitenlands Beleid al eerder uitgebreid over deze en andere sterke en zwakke punten heeft
geadviseerd, is er in dit advies voor gekozen de bovengenoemde aspecten slechts te signa-
leren en niet nader uit te werken.
Initiatieven om te komen tot hervormingen
De roep om hervormingen is niet van recente datum.14 Al in 1988 concludeerde de door de
Secretaris-generaal van de VN (SGVN) aangestelde onafhankelijke expert Philip Alston dat
het VN-verdragssysteem een kritisch punt had bereikt.15 Alston kwam tot de conclusie dat
het VN-verdragssysteem in zijn huidige vorm op den duur onhoudbaar zou blijken te zijn en
formuleerde een groot aantal (vooral technische) aanbevelingen tot verbetering. Sindsdien
is geprobeerd via kleine stapsgewijze hervormingen en aanpassingen het systeem beter te
laten functioneren. Zo is gepoogd, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van de rappor-
tages, de rapportages op nationaal en internationaal niveau te rationaliseren via:
· onderlinge verwijzingen (cross-referencing) in de statenrapporten onder verschillende
    verdragen;
· structurele coördinerende voorzieningen binnen nationale ambtelijke diensten;
· verbetering van coördinatie tussen verdragscomités onderling en tussen deze comités
    en Gespecialiseerde Organisaties en andere instellingen;
13 In 1970 bestond er één comité; binnenkort gaat het om tien.
14 Zie onder meer UN Doc. A/50/170, 26 February 1996, para. 7 en bijvoorbeeld Amnesty International, United
    Nations: proposals to strengthen the Human Rights Treaty Body System, London, September 2003.
15 Zie UN Doc. A/44/668.
                                                     14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>· de mogelijke invoering van een enkelvoudig, alle verdragen omvattend rapport per land
    in plaats van het uitbrengen van een reeks van rapporten krachtens afzonderlijke ver-
    dragen.
In zijn rapport van 2002, Strengthening the United Nations, stelde de SGVN voor de ver-
schillende rapportageverplichtingen van staten onder mensenrechtenverdragen te laten
samenvallen in de vorm van één rapportage die door de verschillende comités zou moeten
worden besproken. Deze suggestie stimuleerde de discussie over verdere harmonisatie van
de werkzaamheden van de verdragsorganen. Tijdens een bijeenkomst in Liechtenstein in
2003 (waar uitgebreid werd gesproken over de wenselijkheid van één alomvattend rapport
per land) werd echter duidelijk dat een dergelijk voorstel geen politieke meerderheid zou
krijgen.16 Harmonisatie werd weliswaar positief beoordeeld, maar de specificiteit van de
verschillende verdragen mocht niet verloren gaan. Een consolidatie van de rapportage-pro-
cedures, laat staan van de comités zelf, leek daartoe niet gewenst. De SGVN zocht vervol-
gens naar nieuwe wegen. In 2005 lanceerde hij een tweetal strategieën: één voor de mid-
dellange termijn, die inzette op harmonisatie, sterkere betrokkenheid van landen en
gestroomlijnde rapportages en één vanuit een langetermijnvisie, waarbij de idee van een
Unified Treaty Bodies System werd gelanceerd.17 Dit laatste idee werd nader uitgewerkt in
het Strategische Management Plan 2006-2007 van de HCRM en in haar voorstellen te
komen tot een enkelvoudig permanent verdragsorgaan (Single Unified Standing Treaty
Body).18 Op deze voorstellen wordt in het volgende hoofdstuk nader ingegaan.
16 Zie UN Doc. HRI/ICM/2003/6, verslag Malbun Meeting, Liechtenstein, May 2003.
17 Zie UN Doc. A/59/2005, In Larger Freedom: Towards Development, Security and Human Rights for All,
    March 2005, para 147.
18 Zie UN Doc. HRI/MC/2006/CRP.1 van 14 maart 2006, pp. 13-17. Zie ook: UN Doc. A/59/2005/Add.3.
                                                  15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>III        Opties voor herziening van het VN-verdragssysteem
Het is duidelijk dat de huidige verdragsorganen, zoals die in de loop der jaren op ad-hoc-
basis zijn ontwikkeld, anno 2007 nog lang niet als een effectief, geïntegreerd en ondeel-
baar systeem functioneren. Sommige knelpunten, die al in de jaren negentig van de vorige
eeuw zijn geconstateerd, zijn ook nu nog onverminderd aan de orde. Alle pogingen om tot
substantiële verbetering en versterking van het VN-verdragssysteem te komen hebben tot
op heden onvoldoende opgeleverd. Ook de discussies over de voorstellen van de HCRM op
dit terrein verlopen moeizaam, wat overigens niet zo verwonderlijk is, gegeven de prioriteit
die is toegekend aan het op gang brengen van de Mensenrechtenraad. Er bestaat een drin-
gende noodzaak om maatregelen te nemen, want niets doen is ook naar de opvatting van
de AIV geen optie. Bij de nadere beschouwing van de verschillende opties, neemt de AIV
allereerst de lange termijn als uitgangspunt en beziet hij vooral het voorstel om te komen
tot één enkelvoudig permanent verdragsorgaan.
Lange termijn
In maart 2006 deed de HCRM het voorstel om te komen tot één enkelvoudig permanent
verdragsorgaan (Single Unified Standing Treaty Body) in plaats van de huidige verdrags-
organen. Zij benadrukt daarin dat het vanuit het oogpunt van de mensenrechten van groot
belang is dat een hervorming van het verdragssysteem leidt tot een versterking van de
kwaliteit, de effectiviteit en het gezag daarvan en dat wordt voorkomen dat het systeem
bezwijkt onder de werklast. Ter consolidatie en versterking van het systeem stelt de HCRM
voor te streven naar een geïntegreerd verdragsorgaan, dat in verschillende modellen zou
kunnen werken. Het meest vergaand is één enkelvoudig orgaan. Andere varianten zijn
denkbaar, zoals een enkelvoudig orgaan met ‘kamers’, die de onderscheiden functies van
de verschillende verdragsorganen vorm kunnen geven.19
Naast de bovengenoemde argumenten van de HCRM wordt door voorstanders van een
enkelvoudig verdragsorgaan vaak nog een aantal andere genoemd. Zo kan een enkelvoudig
verdragsorgaan het voordeel hebben dat de mensenrechtensituatie in een bepaald land op
een samenhangende wijze kan worden beoordeeld aan de hand van geïntegreerde rappor-
tages. Op die wijze kan ook een consistente benadering worden gehanteerd ten aanzien
van de interpretatie van bestaande verdragsnormen. Indien wordt gekozen voor een vorm
waarbij de leden van het enkelvoudig verdragsorgaan op permanente basis en voltijds wor-
den benoemd, ontstaat een kwalitatief hoogwaardig orgaan, dat altijd beschikbaar is en dat
op ieder gewenst moment actie kan ondernemen in situaties van ernstige schendingen.
Een ander argument is dat het functioneren van een enkelvoudig verdragsorgaan dat toe-
zicht houdt op de naleving van alle mensenrechten, de zichtbaarheid en het gezag van dat
orgaan vergroot en de toegankelijkheid voor rechthebbenden vergemakkelijkt. Daarnaast
kan een hoger publiek profiel de kans op een betekenisvolle dialoog tussen het verdrags-
orgaan en de betrokken statenpartijen vergroten en kan aan NGO’s en andere organisaties
de mogelijkheid worden geboden om substantiëlere bijdragen te leveren aan de discussies
over de naleving van verdragsverplichtingen. Dit laatste geldt ook voor de mogelijke samen-
werking met andere VN-organen en instellingen op het terrein van de rechten van de mens
en met bijvoorbeeld Gespecialiseerde Organisaties. Deze samenwerking is momenteel
gefragmenteerd en weinig gestructureerd en draagt daarmee te weinig bij aan een efficiënt
toezicht.
19 Het voorstel van de HCRM spreekt van ‘Chambers along functional lines’, along ‘treaty lines’, along ‘thematic
    lines’ en along ‘regional lines’.
                                                   16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Er kleeft evenwel ook een aantal serieuze bezwaren aan het voorstel. De AIV noemt er
enkele.
Het eerste bezwaar is van algemene aard, namelijk het huidige politieke klimaat. De zojuist
afgesloten onderhandelingen over de werkwijze en methodes van de nieuw ingestelde
Mensenrechtenraad hebben aangetoond dat er een groot risico bestaat dat hetgeen in het
verleden aan verworvenheden is bereikt, gemakkelijk verloren gaat in het huidige internatio-
naal-politieke krachtenveld. Met name de recent gevoerde discussies over de Universal
Periodic Review (zie hierover hoofdstuk IV), de gedragscode voor rapporteurs en de afspra-
ken over de landenresoluties geven aanleiding tot zorg.
Met betrekking tot de verdragsorganen is het voorts onduidelijk of de voorgestelde samen-
voeging van de bestaande zeven (en in de toekomst tien) verdragsorganen tot één orgaan
inderdaad in de praktijk tot een oplossing van de problemen zal leiden. Een derde over-
weging betreft de verscheidenheid en specificiteit van de mensenrechten, zoals die in het
huidige systeem van verdragen tot uitdrukking komen. Om recht te doen aan de specifieke
belangen, noden en omstandigheden van (bepaalde) groepen rechthebbenden is er in de
loop der jaren voor gekozen verschillende verdragen (rassendiscriminatie, discriminatie van
vrouwen, rechten van kinderen et cetera) te sluiten. Het zal buitengewoon lastig, zo niet
onmogelijk, zijn om in een enkelvoudig verdragsorgaan alle relevante aspecten op een ade-
quate wijze te bestrijken. Uiteraard is het opzetten en laten functioneren van één verdrags-
orgaan verder een complexe en kostbare taak (voor de HCRM), maar dat geldt ook voor het
ondersteunen van de huidige verdragsstructuur die in de toekomst (na de recente aanvaar-
ding van twee nieuwe verdragen met eigen toezichtmechanismen) nog gecompliceerder zal
worden.20
Naar het oordeel van de AIV zullen de juridische complicaties van een enkelvoudig ver-
dragsorgaan het grootste obstakel zijn. De huidige verdragsorganen zijn in overwegende
mate onafhankelijk en autonoom in de uitoefening van hun toezichthoudende taak; hun
mandaat berust op het desbetreffende verdrag waarbij zij zijn opgericht (alleen het ESC-
comité is opgericht op basis van een resolutie). Zij rapporteren weliswaar aan de AVVN,
maar deze heeft niet de bevoegdheid de verdragscomités inhoudelijk te instrueren of te
corrigeren. Juridisch gezien zijn de verdragscomités niet ondergeschikt aan de AVVN, maar
organen sui generis. De HCRM stelt onder meer voor te bezien of amendementen op de
huidige verdragen mogelijk zijn. Als zulke amendementen niet mogelijk blijken te zijn, zou
kunnen worden overwogen te kiezen voor aanvullende protocollen bij de bestaande men-
senrechtenverdragen. De AIV is evenwel van oordeel dat de juridische route in beide geval-
len moeilijk, onzeker en in elk geval tijdrovend zal zijn. Ook worden aanzienlijke risico’s
voorzien bij het onderhandelen over wijzigingen van verdragen omdat een aantal staten zal
inzetten op een (onvermijdelijke) lange herzieningsperiode. De moeizame onderhandelingen
en besluitvorming over de hervormingsagenda van de Mensenrechtenraad gelden daarbij
als een serieuze waarschuwing. Verder zijn tot dusverre ook de reacties op het voorstel van
de HCRM van vele statenpartijen, verdragsorganen, NGO’s en deskundigen overwegend
negatief getoonzet; het is dus maar zeer de vraag of er op dit moment voldoende politieke
wil bestaat om versterkingen van het systeem te introduceren.
Samenvattend komt de AIV tot de conclusie dat het voorstel voor het creëren van een
enkelvoudig permanent verdragsorgaan ook op de lange termijn, zo het al haalbaar zou
20 Tijdens de tweede zitting van de Mensenrechtenraad in november 2006, heeft Canada een resolutie
    ingediend met het voorstel een analyse van sterke en zwakke aspecten van de verschillende voorstellen te
    laten maken (UN Doc. A/HRC/2/L.40/Rev.1). Er is nog geen zicht op de resultaten van die studie.
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>zijn, niet gewenst is. Het is, vooral om politieke, praktische en juridische redenen, niet
realistisch om op dit punt vergaande resultaten te verwachten. Daarom is het naar het oor-
deel van de AIV van belang voor de korte- en middellange termijn te bezien op welke wijze
de weg kan worden geplaveid naar een steeds verdergaande en verbeterde samenwerking
tussen de bestaande verdragsorganen.
Korte- en middellange termijn
Gegeven de conclusie dat een enkelvoudig verdragsorgaan zelfs op de lange termijn proble-
matisch dan wel ongewenst is vanwege de praktische, politieke en juridische bezwaren en
de zorg om het verlies van de specificiteit, is het te overwegen een aantal minder vergaan-
de opties van samenvoeging te onderzoeken, die wellicht wel haalbaar zijn en als verbete-
ring kunnen worden aangemerkt.
Als voorbeeld kan worden gedacht aan samenvoeging van het Mensenrechtencomité en
het Comité inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. Op die wijze zou aan de
ondeelbaarheid van alle mensenrechten ook op institutionele wijze gestalte worden gege-
ven. Een andere mogelijkheid is de samenvoeging van het Mensenrechtencomité en het
Anti-Foltercomité. Het is duidelijk dat het mandaat van het Anti-Foltercomité voor een deel
samenvalt met dat van het Mensenrechtencomité. Ook hier zullen zich juridische en andere
complicaties voordoen, maar die zijn minder verstrekkend dan bij het creëren van een
enkelvoudig verdragsorgaan. Zo zou ECOSOC, op basis van bepalingen van het ESC-verdrag,
het Mensenrechtencomité kunnen mandateren het toezicht op de naleving van het ESC-ver-
drag uit te oefenen.
Een ander voorstel betreft de klachtenprocedures. Vanaf 2008, wanneer alle comités in
Genève zullen vergaderen, zullen alle klachten onder de bestaande klachtenprocedures bin-
nenkomen bij het Kantoor van de HCRM. In die zin fungeert het Kantoor als gemeenschap-
pelijke ‘postbus’ en zal het gaan fungeren als secretariaat van alle verdragscomités. Het is
wenselijk te bezien of de werkgroepen binnen de verschillende comités die zich met de
behandeling van klachten bezighouden in dezelfde periode kunnen vergaderen om het
wederzijdse voordeel nog groter te maken. Omdat de tot op heden ingediende klachten rela-
tief beperkt in aantal zijn gebleven, is het interessant te bezien of een dergelijke werkwijze
en het publicitair nadrukkelijker presenteren van het Kantoor van de HCRM als gemeen-
schappelijke ‘postbus’ zouden kunnen bijdragen aan een betere zichtbaarheid van het sys-
teem, meer duidelijkheid voor de klager, een betere behandeling van klachten en een dui-
delijker ‘jurisprudentie’. Op lange termijn zou dat mogelijk zelfs kunnen leiden tot de instel-
ling van een gemeenschappelijke ‘klachtenkamer’.21
De huidige comités kunnen voorts de inspanningen om te komen tot verdere harmonise-
ring, coördinatie en integratie van de verschillende aspecten van hun mandaten verder
intensiveren, onder handhaving van de specificiteit van de verschillende functies die zij
hebben. Dit kan in de eerste plaats door het waar mogelijk harmoniseren van de verdrags-
procedures (rapportage, individuele klachten en onderzoek) als zodanig. In dat verband
gaat het niet alleen om de werkmethoden, maar ook over op elkaar afgestemde en door
elkaar geïnspireerde interpretaties van mensenrechtennormen.
21 In dat verband zou ook lering kunnen worden getrokken uit de ervaringen en opzet van het toezicht op de
    naleving van verdragen in bijvoorbeeld de Internationale Arbeidsorganisatie en in de sfeer van het internatio-
    naal milieurecht. Zie onder meer Anne F. Bayefsky, The UN Human Rights Treaty System in the 21st Century,
    Kluwer Law International, Den Haag/Londen/Boston, 2000.
                                                        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Om hun werkzaamheden behoorlijk te kunnen uitvoeren dienen verdragscomités een strak-
ke regie over hun agenda te voeren. Daarmee kan worden voorkomen dat de nog steeds
groeiende achterstand in de behandeling van ingediende landenrapporten problemen blijft
opleveren. Voor deze onwenselijke situatie, waarbij onvoldoende recht wordt gedaan aan
staten die hun verdragsverplichtingen nauwgezet nakomen, terwijl anderzijds als het ware
een premie wordt gegeven aan landen die niet of met grote vertraging rapporteren, moet
een oplossing worden gevonden. Omdat dit probleem in de toekomst nog in omvang en
complexiteit zal toenemen door het steeds grotere aantal verdragen dat rapportages ver-
eist, is het dringend noodzakelijk de al door de comités in gang gezette processen om rap-
portageprocedures te stroomlijnen verder te vervolmaken. In dit opzicht wijst de AIV op de
recentelijk door de verdragscomités overeengekomen richtlijnen voor een gemeenschappe-
lijk kerndocument (common core document), waarin basisinformatie over een land en infor-
matie over de naleving van gelijkwaardige bepalingen in verschillende mensenrechtenver-
dragen door rapporterende staten moet worden opgenomen; staten dienen daarnaast kor-
tere op specifieke verdragen gerichte rapporten aan dit gemeenschappelijk kerndocument
toe te voegen. Op die wijze kan de rapportagelast van staten worden verlicht; het is dan wel
van belang dat statenpartijen dergelijke nieuwe richtlijnen ook daadwerkelijk naleven.22
Wanneer daarnaast behoefte bestaat aan hulp op dit terrein, kan het Kantoor van de
HCRM, met gebruikmaking van onder andere de expertise van comités, steun verlenen in
de vorm van zogenaamde adviserende diensten. Door het organiseren van trainingsbijeen-
komsten over rapportage en de directe assistentie aan sommige verdragspartijen en door
harmonisatie en verduidelijking van handleidingen kan zo een verdere bijdrage worden gele-
verd aan een verbetering van het systeem. Om de interne samenhang van het verdragssys-
teem verder te verbeteren is het voorts noodzakelijk dat wordt gekomen tot een vergaande
organisatorische en inhoudelijke coördinatie tussen de verdragscomités.23 De comités heb-
ben nog vaak de neiging langs elkaar heen te werken, terwijl elk comité in hoge mate zijn
eigen methoden hanteert, met aantoonbare overlap en gebrek aan samenhang tot gevolg.
Een aanzet tot een oplossing ligt voorts in het verder intensiveren van het aantal bijeen-
komsten van de voorzitters van de verdragsorganen (chairpersonsmeetings). Momenteel
ontmoeten deze elkaar één keer per jaar. Dat zou vaker moeten gebeuren, bijvoorbeeld
samenvallend met de reguliere zittingen van de Mensenrechtenraad. Deze bijeenkomsten
kunnen zowel op inhoudelijk terrein (bijvoorbeeld door het in de toekomst entameren van
gezamenlijke General Comments en recommendations en door gezamenlijk gebruik te
maken van het urgent appeals system) als op procedureel terrein een belangrijker rol
vervullen dan thans het geval is. Door dit forum verder te versterken zou de ambtelijke
ondersteuning ervan mogelijk op de lange termijn ook een bureaufunctie kunnen gaan
vervullen die kan bijdragen aan de gewenste verdere harmonisatie en integratie van de
werkzaamheden van de verschillende verdragscomités.
22 Zie ook: W.J.A. Vandenhole, ‘Versterking van de VN-Comités voor de mensenrechten’, in NJCM-Bulletin,
     jrg. 32, nummer 4, juni/juli 2007, pp. 442-458.
23 Ditzelfde probleem speelt overigens bij de samenwerking tussen de landen- en thematische rapporteurs en
     de verdragscomités. Er is soms wel en soms in het geheel geen sprake van informatie-uitwisseling en coör-
     dinatie.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Om deze laatste suggesties te realiseren is het noodzakelijk de rol van het Kantoor van de
HCRM verder te versterken.24 Het verlenen van adequate secretariële en financiële onder-
steuning voor de activiteiten van de verdragsmechanismen dient een kerntaak te zijn. Van
een alert en goed functionerend Kantoor van de HCRM mag worden verwacht dat discre-
panties in het werk van de verdragscomités worden gesignaleerd en dat deze onder de
aandacht worden gebracht van de voorzitters van de comités. Daarnaast ligt er een grote
rol voor het Kantoor op het terrein van de versterking van de samenwerking met andere rele-
vante actoren zoals de al genoemde Gespecialiseerde Organisaties en VN-organen als de
Veiligheidsraad, nationale mensenrechteninstituten en NGO’s.25 De rol van NGO’s met
betrekking tot de verdragsorganen is, bijvoorbeeld door het publiceren van schaduwrappor-
tages en het verstrekken van relevante informatie, van cruciaal belang. Hoewel de meeste
verdragen formeel niet voorzien in consultaties van nationale en internationale NGO’s, func-
tioneert dit in de praktijk in alle comités; dit wordt door velen als positief ervaren, mede
omdat het leidt tot verbreding van kennis en inzicht van de leden van de verdragsorganen.26
Tot slot is het van belang dat wordt gestreefd naar het ontwikkelen van een effectieve rela-
tie met de nieuw ingestelde Mensenrechtenraad. Er zal intensief gebruik moeten worden
gemaakt van de mogelijkheden om tijdens de Mensenrechtenraad onderwerpen die de
verdragsorganen betreffen, aan de orde te stellen. Dat kan bijvoorbeeld door de informatie
van de onderscheiden verdragsorganen op substantiële wijze te betrekken bij de werkzaam-
heden in het algemeen en het nieuw in te stellen systeem van periodieke beoordelingen
(Universal Periodic Review System) in het bijzonder (hierover in het volgende hoofdstuk
nader). Dat kan door een rapportage in de vorm van een compilatie van rapporten en aan-
bevelingen van Speciale Rapporteurs, werkgroepen en verdragsorganen en NGO’s.27 Een
dergelijke compilatie zou moeten worden opgesteld door het Kantoor van de HCRM.
Door op deze wijze de samenwerking te bevorderen zullen de huidige verdragsorganen in
de toekomst steeds nader tot elkaar komen, zowel wat betreft hun werkmethoden als wat
betreft hun uitleg en toepassing van de mensenrechtennormen. Hoewel daarmee het eigen
profiel van de onderscheiden verdragsorganen wellicht enigszins zal worden ingeperkt,
worden de kwaliteit, de effectiviteit en de autoriteit van het verdragssysteem als geheel
versterkt. Dit kan naar de opvatting van de AIV alleen maar ten goede komen aan een betere
naleving van de rechten van de mens op nationaal niveau, zijnde, als gezegd, het funda-
mentele doel van het internationale toezicht.
24 Zie onder meer Sir Nigel Rodley, ‘United Nations Human Rights Treaty Bodies and Special procedures of the
    Commission on Human Rights - Complementary or Competition’, Human Rights Quarterly 25 (2003),
    pp. 882-908.
25 Bertrand G. Ramcharan, The United Nations High Commissioner for Human Rights: The Challenges of
    International Protection, Martinus Nijhoff, The Hague/London/New York, 2002.
26 Het is een formele praktijk van het Comité inzake Economische Sociale en Culturele Rechten en het Comité
    voor de Rechten van het Kind en het Vrouwencomité om vooraf hoorzittingen te organiseren. Het
    Mensenrechtencomité en het Comité tegen Rassendiscriminatie doen dat op informele basis.
27 Het Kantoor van de HCRM is een paar jaar geleden gestart met het maken van dergelijke compilaties.
                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>IV       De relatie van het verdragssysteem met de
         Mensenrechtenraad
In de adviesaanvraag wordt een specifieke vraag gesteld over de relatie tussen de verdrags-
organen en de nieuwe Mensenrechtenraad, in het bijzonder in het kader van het Universal
Periodic Review System. Op deze relatie gaat de AIV in dit hoofdstuk kort nader in.
Het Universal Periodic Review System
In de resolutie waarmee de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2006 de
Mensenrechtenraad instelde werd tevens neergelegd dat de Mensenrechtenraad
      ‘… shall (…) undertake a Universal Periodic Review, based on objective and reliable
      information, of the fulfilment by each State of its human rights obligations and
      commitments in a manner which ensures universality of coverage and equal treatment
      with respect to all States; the review shall be a cooperative mechanism, based on an
      interactive dialogue, with the full involvement of the country concerned and with
      consideration given to its capacitybuilding needs; such a mechanism shall complement
      and not duplicate the work of treaty bodies (…).’28
Het werd aan de Mensenrechtenraad overgelaten om tijdens zijn eerste zittingsjaar het
mechanisme van Universal Periodic Review (UPR) verder uit te werken. De Mensenrechten-
raad is daarin, na moeizame onderhandelingen, op de valreep op 18 juni 2007 geslaagd
door het bij consensus aannemen van Resolutie A/HCR/5/L.2 inzake de Institutionbuilding
of the United Nations Human Rights Council. In een bijlage bij deze resolutie zijn de uit-
gangspunten en modaliteiten van het UPR-mechanisme neergelegd. Enkele belangrijke
aspecten daarvan worden hier kort belicht en van commentaar voorzien.
De UPR zal plaatsvinden op een zeer ruime normatieve basis en heeft betrekking op het
hele spectrum van burger- en politieke, economische, sociale en culturele rechten, inclusief
het recht op ontwikkeling: staten zal de mensenrechtenmaat worden genomen op basis van
het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de mensenrechten-
verdragen waarbij zij partij zijn, eenzijdige verklaringen (zoals de pledges bij de kandidatuur
voor de Mensenrechtenraad) en verplichtingen voortvloeiend uit het internationale humani-
taire recht. Dat betekent dat niet in alle gevallen dezelfde maatstaf kan of zal worden gehan-
teerd: staten hebben immers een verschillend ratificatiepatroon van mensenrechtenverdra-
gen. De AIV komt hierop nog terug.
De UPR zal voorts zijn gebaseerd op dialoog en samenwerking; het gaat om een ‘coöpera-
tief mechanisme’, gebaseerd op ‘een interactieve dialoog’ en met de ‘volledige betrokken-
heid van de staat in kwestie’. Daarnaast zal de UPR complementair moeten zijn aan de
bestaande mensenrechtenmechanismen (zoals de verdragsorganen), niet nadelig moeten
zijn voor het optreden van de Mensenrechtenraad in urgente mensenrechtensituaties en
moeten verzekeren dat alle belanghebbenden, inclusief NGO’s en nationale mensenrechen-
instituten kunnen deelnemen aan de UPR. Een belangrijk doel van de UPR is het verbete-
ren van de concrete situatie van de rechten van de mens. Alle VN-lidstaten, om te beginnen
28 UN Doc. A/RES/60/251, 3 April 2006.
                                                 21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>de leden van de Mensenrechtenraad, komen in aanmerking voor een ‘inspectie’ op basis
van de UPR.29
De UPR zal worden gebaseerd op door de staat verstrekte informatie; daarnaast zal het
Kantoor van de HCRM een compilatie maken van informatie, die onder andere in de rappor-
ten van verdragsorganen over de desbetreffende staat is opgenomen. Voorts zal het
Kantoor een compilatie maken van door NGO’s aangedragen informatie. De Mensenrechten-
raad heeft ervoor gekozen de UPR te laten uitvoeren door een Werkgroep bestaande uit alle
leden van de Mensenrechtenraad; een groep van drie rapporteurs, gekozen uit de leden
van de Mensenrechtenraad, bereidt de toetsing door de Werkgroep voor. Het is hierbij van
belang te benadrukken dat de toetsing door peers, vertegenwoordigers van andere staten,
gebeurt.
De resultaten van de toetsing worden voor verdere actie voorgelegd aan de Mensenrechten-
raad. In het rapport dat door de Mensenrechtenraad wordt vastgesteld kunnen aanbevelin-
gen aan de desbetreffende staat worden opgenomen; daarbij dient te worden aangegeven
welke aanbevelingen de instemming van de desbetreffende staat hebben. Bij de andere
aanbevelingen wordt het commentaar van de staat vermeld. Er is ten slotte voorzien in
enkele follow-up maatregelen, waarbij de besproken staat primair verantwoordelijk is voor
de uitvoering van aangenomen aanbevelingen.
De AIV ziet ervan af het nu overeengekomen UPR-mechanisme uitvoerig te becommentariëren.
Op papier lijkt, mede in het licht van de diep verdeelde inzichten over de invulling van het
UPR-systeem die het afgelopen jaar in de Mensenrechtenraad naar voren zijn gebracht, een
redelijk effectief systeem te zijn gecreëerd, maar het is tevens evident dat de implementatie
daarvan in de praktijk (het gaat om 192 zeer verschillende staten) vele politieke en andere
hoofdbrekens zal gaan opleveren. In algemene zin acht de AIV het wel een belangrijke stap
vooruit dat in beginsel elke lidstaat van de VN zich moet onderwerpen aan een mensen-
rechtentoets door andere staten, ook al had de AIV graag gezien dat er in de beoordelings-
fase ook een rol voor onafhankelijke experts en/of gerenommeerde NGO’s zou zijn wegge-
legd geweest. Tot zijn spijt constateert de AIV echter dat dit niet haalbaar is gebleken.
In de context van dit advies zal de AIV, gezien de adviesaanvraag, slechts ingaan op de rela-
tie tussen de verdragsorganen en de UPR. In het UPR-systeem, zoals hiervoor op hoofdlijnen
beschreven, is reeds aangegeven dat de rapporten van de verdragsorganen, in het bijzon-
der de concluding observations, General Comments en recommendations, zullen worden
opgenomen in de documentatie over de staat die aan een mensenrechtentoets in het
kader van de UPR wordt onderworpen. Dat is erg belangrijk, maar het betekent dat niet
voor alle landen een gelijke hoeveelheid informatie kan worden aangeleverd, omdat niet
alle landen alle verdragen hebben geratificeerd.
De Werkgroep c.q. de Mensenrechtenraad zou in het kader van de UPR-dialoog met een
staat en in het licht van hogergenoemde informatie, waar relevant, onder andere de volgen-
de vragen moeten voorleggen: waarom de desbetreffende staat bepaalde VN-mensen-
rechtenverdragen niet geratificeerd heeft, waarom hij voorbehouden gemaakt en/of
gehandhaafd heeft, waarom hij zijn rapportageverplichtingen niet nakomt, welke maatrege-
len hij heeft genomen ter implementatie van de concluding observations, waarom de staat
bepaalde facultatieve toezichtprocedures (zoals de individuele klachtenprocedure en de
29 Voorlopig is voorzien in een UPR-cyclus van vier jaar. Dit impliceert dat op basis van een VN-ledental van 192,
    ieder jaar 48 staten zullen moeten worden beoordeeld.
                                                        22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>onderzoeksprocedure) nog niet aanvaard heeft, hoe de staat de naleving van uitspraken
voor individuele klachten door verdragsorganen geregeld heeft, et cetera. De UPR-dialoog
met staten levert op die wijze een unieke mogelijkheid op het verdragssysteem, in het bij-
zonder het toezicht op de naleving van de rechten van de mens door onafhankelijke des-
kundigen, verder te versterken, onder meer door de bevordering van universele ratificatie
van VN-mensenrechtenverdragen en universele aanvaarding van individuele klachtenproce-
dures en andere procedures van toezicht, daarmee rechtdoende aan de oproepen van de
AVVN en belangrijke internationale conferenties, zoals de Wereldconferentie inzake de
Rechten van de Mens (Wenen, 1993).
Tegelijkertijd realiseert de AIV zich dat staten met een magere ratificatiegraad op deze
manier weliswaar in het defensief worden gedrukt, maar dat het tevens de vraag is of het
UPR-systeem daarin daadwerkelijk en substantieel verandering zal kunnen brengen. Voor
die staten gelden dan echter het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens als de belangrijkste normatieve basis voor de beoordeling, terwijl voor feitelijke
informatie over schendingen in een aantal gevallen tevens een beroep kan worden gedaan
op de bevindingen van de niet-verdragsmechanismen als de Bijzondere thematische en lan-
denrapporteurs. Mede om de hierboven genoemde redenen is de AIV tot de conclusie geko-
men dat het van groot belang is dat Nederland zijn aanbod om als één van de eerste lan-
den onderwerp te worden van de UPR, gestand doet. Op die wijze kan ook een precedent
worden gecreëerd voor toekomstige discussies in deze context.
Verdragsorganen en de Mensenrechtenraad: andere aspecten
De Mensenrechtenraad zal in de komende jaren het belangrijkste, politieke VN-forum zijn
waarin de rechten van de mens in hun volle breedte aan de orde kunnen worden gesteld.
Het is daarom van het grootste belang dat de verdragsorganen een optimale toegang heb-
ben tot de Mensenrechtenraad. Eerder in dit advies heeft de AIV bepleit dat de verdrags-
organen toewerken naar een geïntegreerd(er) en geharmoniseerd(er) systeem van verdrags-
organen. De (roterende) voorzitter van de bijeenkomst van voorzitters van de verdragsorga-
nen zou tenminste één keer per jaar met de Mensenrechtenraad in debat moeten kunnen
gaan over problemen en onderwerpen die alle verdragsorganen aangaan. Daarnaast
beveelt de AIV aan dat de voorzitters van de verschillende verdragsorganen eveneens één
keer per jaar de gelegenheid hebben in debat te gaan met de Mensenrechtenraad over
zaken die in het bijzonder van belang zijn op grond van hun specifieke mandaat.
De AIV benadrukt ten slotte de wenselijkheid van het streven naar betere samenwerking en
synergie tussen de verdragsorganen en de thematische rapporteurs en landenrapporteurs
van de Mensenrechtenraad. De rapporteurs hebben in vele gevallen mandaten die gedeel-
telijk overlappend zijn met die van een of meer verdragsorganen. Zo zouden zij een bijdrage
kunnen leveren aan het oproepen van staten de concluding observations van verdragsorga-
nen of hun uitspraken in individuele zaken na te leven. Omgekeerd zijn de door rapporteurs
verzamelde informatie en analyses daarvan van direct belang voor de toezichthoudende
verdragsorganen en daarmee ook voor de hierboven beschreven UPR.
                                                23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>V         Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
In dit advies heeft de AIV zich op verzoek van de regering gebogen over een vijftal vragen
omtrent het VN-verdragssysteem op het terrein van de rechten van de mens.
Het signaleren van de problemen
De eerste vraag betreft problemen waartegen zowel de verdragscomités als de rapporteren-
de landen aanlopen in relatie tot de belangrijkste doelstelling van de verdragscomités,
namelijk het uitoefenen van toezicht op de tenuitvoerlegging van internationale mensen-
rechtennormen door nationale staten. De verworvenheden en zwakheden van het verdrags-
systeem van de VN op het terrein van de rechten van de mens zijn op hoofdlijnen beschre-
ven in het eerste hoofdstuk. De AIV komt aan de hand van die observaties tot een aantal
aanbevelingen en conclusies. De belangrijkste zijn:
· Het is van belang constant aandacht te schenken aan de interactie tussen de verdrags-
    rechtelijke normenstelsels en nationale praktijken, alsook aan verdere aanpassingen
    van de normenstelsels aan de uitdagingen van de tijd.
· Een belangrijke vraag is hoe het toezicht op de naleving is geregeld en welke veranderin-
    gen dankzij de verdragen tot stand zijn te brengen of reeds zijn gebracht. Sommige sta-
    ten zijn partij geworden vanwege internationale druk in plaats van politieke wil. Vaak
    hebben staten individuele klachtmogelijkheden niet geaccepteerd, en waar wel geaccep-
    teerd wordt er weinig gebruik van gemaakt, mede door onbekendheid bij de burger, de
    juridische niet-bindendheid van ‘uitspraken’ van verdragscomités en de relatief hoge
    kosten die aan het indienen van een klacht verbonden zijn.
· Het zijn de staten zelf die de mensenrechtenproblemen veroorzaken waarover zij ten
    overstaan van de internationale toezichthoudende comités moeten rapporteren en ver-
    antwoording moeten afleggen. Dit heeft tot gevolg dat staten soms onwillig zijn dat te
    doen waardoor grote achterstanden in rapportages zijn ontstaan, dat zij proberen essen-
    tiële gegevens achter te houden, en stellen dat bepaalde zaken, hoewel uiterst relevant
    voor de beoordeling van de mensenrechtensituatie, politiek van karakter zijn en daarom
    niet ter beoordeling aan de toezichthouder hoeven te worden voorgelegd.
    Schaduwrapportages van NGO’s vormen terzake een belangrijk tegenwicht.
· Mensenrechtenverdragen zijn in de afgelopen decennia los van elkaar tot stand geko-
    men; de verschillende verdragscomités stellen elk hun eigen eisen. Het is wenselijk de
    organisatorische en inhoudelijke coördinatie tussen de verschillende comités verder te
    versterken.
· Veel problemen zijn terug te voeren op serieus te nemen praktische oorzaken: het grote
    aantal rapportages dat van de staten wordt verwacht, te weinig vergadertijd en te grote
    werkdruk van veel comités; een te geringe ondersteuning van de zijde van het Kantoor
    van de HCRM; overlap tussen verschillende verdragsorganen leidt tot duplicatie en te
    late indiening van rapporten; en de plenaire besprekingen van rapportages doen soms
    afbreuk aan de effectiviteit van de behandeling.
· Het is naar de opvatting van de AIV van groot belang steeds voor ogen te houden dat de
    rechten van de mens op nationaal niveau moeten worden gewaarborgd. Het functione-
    ren van de verdragsmechanismen dient eerst en vooral te worden beoordeeld op de
    mate waarin zij daaraan bijdragen.
Initiatieven tot hervormingen
Na de signalering van deze problemen binnen het huidige systeem heeft de AIV zich gebo-
gen over de vraag in hoeverre de tot nu toe gedane voorstellen daarop een passend ant-
woord vormen.
                                               24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Om deze vraag te beantwoorden heeft de AIV een korte schets gegeven van de oorspronke-
lijke doelstellingen van het VN-verdragssysteem en is hij nader ingegaan op de sterke en
zwakke punten van de huidige mechanismen. Vervolgens is een kort overzicht gegeven van
de initiatieven tot verbetering van het systeem. In dat verband wordt onder meer gewezen
op het rapport van de SGVN van 2002, Strengthening the United Nations, waarin wordt
voorgesteld de verschillende rapportageverplichtingen van staten onder de mensenrechten-
verdragen te laten samenvallen in de vorm van één rapportage die door de verschillende
comités zou moeten worden besproken. In 2005 lanceerde de SGVN een tweetal strate-
gieën: één voor de middellange termijn, met als doel meer harmonisatie, sterkere betrok-
kenheid van landen en gestroomlijnde rapportages en één vanuit een langetermijnvisie,
waarbij de idee van een Unified Treaty Bodies System werd gelanceerd.
De HCRM heeft die voorstellen nader uitgewerkt en kwam in 2006 met het voorstel over te
gaan tot een systeem van een Single Unified Standing Treaty Body. De discussies over deze
voorstellen van de HCRM verlopen zeer moeizaam, terwijl sommige knelpunten in het ver-
dragssysteem onverminderd aan de orde zijn. De AIV concludeert dat de thans lopende ini-
tiatieven (nog) niet geleid hebben tot een substantiële bijdrage aan de oplossing van de
problemen van het verdragssysteem.
Een enkelvoudig verdragsorgaan?
De derde vraag waar de AIV zich over heeft gebogen, is de vraag welke opties er voor
verdergaande hervormingen zijn en wat de voor- en nadelen van de geïdentificeerde opties
zijn.
Niets doen is, concludeert de AIV, geen optie. Bij het bespreken van de mogelijke acties
heeft de AIV in dit advies allereerst de lange termijn als uitgangspunt genomen.
Lange termijn
Het meest vergaande voorstel betreft één enkelvoudig permanent verdragsorgaan, waarop
verschillende varianten denkbaar zijn, bijvoorbeeld een enkelvoudig orgaan met daaronder
‘kamers’. Een enkelvoudig verdragsorgaan kan het voordeel hebben dat mensenrechten op
een samenhangende wijze kunnen worden beoordeeld aan de hand van geïntegreerde rap-
portages. Er kan een meer consistente benadering worden gehanteerd ten aanzien van de
interpretatie van de bestaande verdragsnormen. Indien er wordt gekozen voor een vorm
waarbij leden van het verdragsorgaan op permanente basis en voltijds worden benoemd,
ontstaat een kwalitatief hoogwaardig orgaan dat altijd beschikbaar is en dat ook actie kan
ondernemen in situaties van ernstige schendingen. Tevens worden de zichtbaarheid en het
gezag van dat orgaan vergroot en wordt de toegankelijkheid voor rechthebbenden verge-
makkelijkt. Dat hogere publieke profiel zal de kans op een intensieve dialoog tussen het
verdragsorgaan, de betrokken statenpartijen, NGO’s en andere VN-organen vergroten. Dat
is ook noodzakelijk omdat de samenwerking op dit moment gefragmenteerd, weinig
gestructureerd en weinig efficiënt is.
De AIV constateert dat het huidige internationaal-politieke klimaat aanleiding geeft tot grote
zorg. De eerste reacties op de voorstellen van de HCRM waren negatief en de zojuist afge-
sloten onderhandelingen over de werkwijze en methodes van de nieuw ingestelde Mensen-
rechtenraad hebben aangetoond, dat er een groot risico bestaat dat hetgeen in het verle-
den is bereikt aan verworvenheden, gemakkelijk verloren kan gaan in het huidige politieke
krachtenveld. Het is daarnaast bepaald niet zeker of de voorgestelde samenvoeging van de
bestaande zeven (en in de toekomst tien) verdragsorganen tot één orgaan inderdaad in de
praktijk een oplossing van de problemen zal geven. Het is voorts onduidelijk of bij de
oprichting en uitwerking van het enkelvoudige verdragsorgaan de specifieke belangen en
                                               25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>omstandigheden van de verschillende groepen rechthebbenden (zoals vrouwen,
kinderen en gehandicapten) wel gewaarborgd blijven. Het zal ook zeer lastig zijn om in een
enkelvoudig systeem alle relevante aspecten recht te doen.
Samenvattend komt de AIV tot de conclusie dat het voorstel voor het creëren van een
enkelvoudig permanent verdragsorgaan ook op de lange termijn, zo het al haalbaar zou
zijn, niet gewenst is. Daarom is het naar het oordeel van de AIV van belang voor de korte en
middellange termijn te bezien op welke wijze de weg kan worden geplaveid naar een steeds
verdergaande samenwerking tussen de bestaande verdragsorganen.
Korte- en middellange termijn
De AIV is van oordeel dat er op korte- en middellange termijn een aantal veranderingen
moet worden overwogen. De huidige comités moeten de inspanningen voor verdere harmo-
nisering, coördinatie en integratie van de verschillende aspecten van hun mandaten verder
intensiveren. Ook kan worden gedacht aan: het nastreven van een optimale expertise, inzet
en onafhankelijkheid van de leden van de verdragsorganen; het harmoniseren van de pro-
cedures en de werkmethodes; het vergroten van het aantal bijeenkomsten van de voorzit-
ters; het ontwikkelen van een effectieve relatie met de Mensenrechtenraad en het verster-
ken van de samenwerking met andere relevante actoren via het Kantoor van de HCRM.
Daarnaast kan ook worden gedacht aan een tweetal meer ingrijpende voorstellen met
betrekking tot klachtenprocedures. Deze zijn:
· De samenvoeging van het Mensenrechtencomité en het Comité inzake Economische,
    Sociale en Culturele Rechten. Op die wijze zou aan de ondeelbaarheid van alle mensen-
    rechten ook op institutionele wijze gestalte worden gegeven. Een andere mogelijkheid is
    de samenvoeging van het Mensenrechtencomité en het Anti-Foltercomité. Het is duide-
    lijk dat het mandaat van het Anti-Foltercomité voor een deel samenvalt met dat van het
    Mensenrechtencomité. In beide gevallen zullen zich weliswaar ook juridische en andere
    complicaties voordoen, maar die zijn minder verstrekkend van aard dan bij het creëren
    van een enkelvoudig verdragsorgaan.
· Alle klachten onder de bestaande klachtenprocedures zullen vanaf 2008, wanneer alle
    comités in Genève zullen vergaderen, binnenkomen bij het Kantoor van de HCRM. In die
    zin fungeert het Kantoor als gemeenschappelijke ‘postbus’ en zal het gaan fungeren als
    secretariaat van alle verdragscomités. Het is wenselijk te bezien of de werkgroepen bin-
    nen de verschillende comités die zich met de behandeling van klachten bezighouden, in
    dezelfde periode kunnen vergaderen om het wederzijdse voordeel nog groter te maken.
    Omdat de tot op heden ingediende klachten beperkt in aantal zijn gebleven is het inte-
    ressant te bezien of een dergelijke werkwijze en het publicitair nadrukkelijker presente-
    ren van het Kantoor van de HCRM als gemeenschappelijke ‘postbus’ zouden kunnen
    bijdragen aan een betere zichtbaarheid van het systeem, meer duidelijkheid voor de
    klager, een betere behandeling van klachten en een duidelijker jurisprudentie. Op de
    lange termijn zou dat mogelijk zelfs kunnen leiden tot de instelling van een gemeen-
    schappelijke ‘klachtenkamer’.
Het Universal Periodic Review System
Tot slot gaat de AIV in op de relatie tussen de nieuwe Mensenrechtenraad en het systeem
van Universal Periodic Review, waarover op 18 juni 2007 besluitvorming heeft plaatsgevon-
den. De AIV ziet er in dit stadium vanaf het nu overeengekomen UPR-mechanisme uitvoerig
te commentariëren. Wel gaat hij in op enkele belangrijke aspecten; daarbij concentreert hij
zich op de relatie tussen de verdragsorganen en dit nieuwe mechanisme.
De UPR zal plaatsvinden op een zeer ruime normatieve basis en heeft betrekking op het
hele spectrum van burger- en politieke, economische, sociale en culturele rechten, inclusief
                                               26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>het recht op ontwikkeling, eenzijdige verklaringen (zoals de pledges bij de kandidatuur voor
de Mensenrechtenraad) en verplichtingen voortvloeiend uit het internationale humanitaire
recht. De keuze voor deze normatieve basis betekent echter dat niet in alle gevallen dezelfde
maatstaf kan of zal worden gehanteerd: staten hebben onder meer een verschillend ratifi-
catiepatroon van mensenrechtenverdragen.
De UPR zal worden gebaseerd op door de staat verstrekte informatie. Daarnaast zal het
Kantoor van de HCRM een tweetal compilaties van informatie maken, die onder andere in
de rapporten van verdragsorganen en van NGO’s en nationale Mensenrechteninstituten
over de desbetreffende staat zijn opgenomen. De UPR zal worden uitgevoerd door een
Werkgroep bestaande uit alle leden van de Mensenrechtenraad. Een groep van drie rappor-
teurs, gekozen uit de leden van de Mensenrechtenraad, bereidt de toetsing door de
Werkgroep voor. De resultaten van de toetsing worden voorgelegd aan de Mensenrechten-
raad voor verdere actie. In het rapport dat door de Mensenrechtenraad wordt vastgesteld,
kunnen aanbevelingen aan de desbetreffende staat worden opgenomen. Daarbij dient te
worden aangegeven welke aanbevelingen de instemming van de desbetreffende staat heb-
ben. Bij de andere aanbevelingen wordt het commentaar van de staat vermeld. Er is ook
voorzien in enkele follow-up maatregelen, waarbij de besproken staat primair verantwoorde-
lijk is voor de uitvoering van de aangenomen aanbevelingen.
Op papier lijkt, mede in het licht van de diep verdeelde inzichten over de invulling van het
UPR-systeem die het afgelopen jaar in de Mensenrechtenraad naar voren zijn gebracht, een
redelijk effectief systeem te zijn gecreëerd, maar het is tevens evident dat de implementatie
daarvan in de praktijk (het gaat om 192 zeer verschillende staten) vele politieke en andere
hoofdbrekens zal gaan opleveren. In algemene zin acht de AIV het wel een belangrijke stap
vooruit dat in beginsel elke lidstaat van de VN zich moet onderwerpen aan een mensen-
rechtentoets door andere staten, ook al had de AIV graag gezien dat er in de beoordelings-
fase een (bescheiden) rol voor onafhankelijke experts en/of gerenommeerde NGO’s wegge-
legd zou zijn geweest. Tot zijn spijt constateert de AIV echter dat dit niet haalbaar is gebleken.
Naar het oordeel van de AIV dient in het UPR-systeem serieus rekening te worden gehou-
den met de rapporten van de verdragsorganen, in het bijzonder de concluding observations
en General Comments or Recommendations. Dat is belangrijk, maar het betekent dat niet
voor alle landen een gelijke hoeveelheid informatie kan worden aangeleverd, omdat niet
alle landen alle verdragen hebben geratificeerd. Daarom dient de Werkgroep in het kader
van de UPR-dialoog met een staat onder andere, waar relevant, de volgende vragen voor te
leggen: waarom de desbetreffende staat bepaalde VN-mensenrechtenverdragen niet gerati-
ficeerd heeft, waarom hij voorbehouden gemaakt en/of gehandhaafd heeft, waarom hij zijn
rapportageverplichtingen niet nakomt, welke maatregelen de staat heeft genomen ter
implementatie van de concluding observations, waarom de staat bepaalde facultatieve toe-
zichtprocedures (zoals de individuele klachtenprocedure en de onderzoeksprocedure) nog
niet aanvaard heeft, hoe de staat de naleving van uitspraken voor individuele klachten door
verdragsorganen geregeld heeft, et cetera. De UPR-dialoog met staten kan op die wijze een
unieke mogelijkheid opleveren om het verdragssysteem op het terrein van de rechten van
de mens te versterken. Tegelijkertijd realiseert de AIV zich dat staten met een magere ratifi-
catiegraad op deze manier weliswaar in het defensief worden gedrukt, maar dat het tevens
de vraag is of het UPR-systeem daarin werkelijk verandering zal kunnen brengen. Voor die
staten gelden dan echter het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens als de belangrijkste normatieve basis voor de beoordeling, terwijl voor feitelijke
informatie over schendingen in een aantal gevallen tevens een beroep kan worden gedaan
op de bevindingen van de niet-verdragsmechanismen als de Bijzondere thematische en
landenrapporteurs. Mede om de hierboven genoemde redenen is de AIV tot de conclusie
                                                 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>gekomen dat het van groot belang is dat Nederland zijn aanbod om als één van de eerste
landen onderwerp te worden van de UPR, gestand doet. Op die wijze kan ook een prece-
dent worden gecreëerd voor toekomstige discussies in deze context.
Verdragsorganen en de Mensenrechtenraad: Slotopmerkingen
De Mensenrechtenraad zal in de komende jaren het belangrijkste politieke VN-forum zijn
waarin de rechten van de mens in hun volle breedte aan de orde kunnen worden gesteld.
Het is daarom van het grootste belang dat de verdragsorganen een optimale toegang tot de
Mensenrechtenraad hebben. In een geïntegreerd en geharmoniseerd systeem van verdrags-
organen zou de (roterende) voorzitter van de bijeenkomst van voorzitters van verdragsorga-
nen minstens één keer per jaar met de Mensenrechtenraad in debat moeten kunnen gaan
over problemen en onderwerpen die alle verdragsorganen aangaan. Daarnaast beveelt de
AIV aan dat de voorzitters van de verschillende verdragsorganen eveneens één keer per jaar
de gelegenheid hebben in debat te gaan met de Mensenrechtenraad over zaken die in het
bijzonder van belang zijn vanuit hun specifieke mandaat. Tot slot benadrukt de AIV de
wenselijkheid van synergie tussen de verdragsorganen en de thematische rapporteurs van
de Mensenrechtenraad. De thematische rapporteurs hebben in vele gevallen mandaten die
gedeeltelijk overlappend zijn met die van één of meer verdragsorganen. Thematische rap-
porteurs zouden een bijdrage kunnen leveren aan het oproepen van staten de concluding
observations van verdragsorganen of hun uitspraken in afzonderlijke zaken na te leven.
Omgekeerd zijn de door thematische rapporteurs verzamelde informatie en analyses van
direct belang voor de toezichthoudende verdragsorganen en daarmee ook voor de hierboven
beschreven UPR.
                                              28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>the High Commisioner 's proposal for a Unified Treaty Body
(HRI/MC/2006/CPR.1) gepresenteerd dat voorziet in het zoveel mogelijk
samenvoegen van de bestaande verdragscomité’s. Een dergelijke omvangrijke
herziening van het systeem van verdragsorganen heeft echter verstrekkende
consequenties. Hoewel het streven naar grotere efficiëntie door Nederland
onderschreven wordt, is het van belang dat bij het versterken van de coherentie
tussen de verschillende organen geen waardevolle elementen van de afzonderlijke

verdragscomité’s verloren gaan.

De problemen waarmee de afzonderlijke verdragscomité’s kampen zijn
genoegzaam bekend en worden door de verdragscomité’s zelf onderkend. De
verdragscomité’s beschikken in de praktijk over te weinig capaciteit en
administratieve ondersteuning, waardoor de behandeling van rapportages
vertraging oploopt. Landen rapporteren, mede als gevolg van de rapportagelast,
bovendien vaak veel te laat. Dit alles resulteert in achterstanden die in feite de
effectiviteit van het instrumentarium ondergraven. Niet alleen organisatorisch,
maar ook inhoudelijk is de noodzaak van betere samenwerking evident. De
verdragscomité’s werken langs elkaar heen, ieder verdragscomité hanteert zijn
eigen methoden en er bestaat een risico van overlap tussen de verdragscomité’s

enerzijds en een gebrek aan samenhang anderzijds.

De verdragscomité’s zelf werken al een aantal jaren aan praktische verbeteringen.
Tot op heden zijn deze verbeteringen echter niet afdoende gebleken om de
geconstateerde problemen daadwerkelijk op te lossen. Er is derhalve voldoende
aanleiding voor een extra inspanning om het systeem effectiever en efficiënter te
laten functioneren. De vraag dringt zich daarbij op welke vorm een dergelijke
inspanning zou moeten hebben. Zoals gezegd heeft OHCHR inmiddels een
ontwerp paper gepubliceerd waarin de optie van een zogenaamd ‘unified standing
treaty body’ wordt uitgewerkt. Daarbij is aangetekend dat het hierbij om een eerste
opzet gaat, waarbij veel nog nader moet worden gepreciseerd, maar de contouren

van een mogelijke optie zijn hiermee wel geschetst.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Alhoewel het belang van een hervorming van het systeem waarin de zeven
bestaande verdragscomité’s functioneren door VN-lidstaten wordt onderschreven,
is het paper van OHCHR in eerste instantie terughoudend ontvangen en lijkt het
vooralsnog vooral vragen op te roepen. OHCHR is nadrukkelijk verzocht ook
alternatieve benaderingen uit te werken. OHCHR heeft daarop toegezegd
aanvullende studies te zullen produceren waarin ook alternatieve opties zullen
worden betrokken. Het paper is ter toetsing van de juridische implicaties aan de

Legal Advisor in New York voorgelegd.

Nederland zal in EU-verband op korte termijn een visie op de hervorming van het
systeem van verdragscomité’s moeten ontwikkelen. In dit licht zou ik uw Raad de
volgende vragen willen voorleggen:

L Tegen welke problemen lopen zowel de verdragscomité’s als de
rapporterende landen aan in relatie tot de voornaamste doelstellingen
van de verdragscomité’s, namelijk controle op de tenuitvoerlegging van
internationale mensenrechtennormen?

2. In hoeverre komen de thans lopende initiatieven (betere coördinatie van
werkzaamheden, regulier overleg tussen voorzitters e.d.) tegemoet aan
de problemen waar de verdragscomité’s mee kampen?

3. Welke opties zijn er voor verdergaande hervormingen, en wat zijn de
voor- en nadelen van de geïdentificeerde opties? Welke optie geniet uw
voorkeur en waarom? Hoe kan de optie van uw voorkeur het beste
worden gerealiseerd? Is er wellicht een onderscheid te maken tussen
oplossingen op korte en op lange termijn? (de meer vergaande opties
vergen meer tijd, maar dat mag op zichzelf geen reden zijn om ze af te
wijzen).

4. Ik vraag u specifiek aandacht te besteden aan de voor- en nadelen die
gepaard gaan met oprichting van een Unified Standing Treaty Body,
zoals voorgesteld door OHCHR. (zie para V van paper OHCHR).

5. Hoe ziet uw Raad de relatie tussen de verdragsorganen (in de huidige

vorm en in de door uw Raad voorgestelde opzet) en de nieuwe
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Mensenrechtenraad, in het bijzonder in het kader van de universal

periodic review?

Op de vragen 1 en 2 kan, gezien de reeds beschikbare documentatie hierover! ‚ met
een kort antwoord worden volstaan. U wordt verzocht uitgebreider in te gaan op de
vragen 3 t/m 5. Gezien de verdere tijdsplanning waarbij lidstaten mogelijk tijdens
een van 4 t/m 8 december te houden intergouvernementele bijeenkomst om een
reactie zal worden gevraagd, zie ik uw advies, indien mogelijk vóór 1 november

2006, met belangstelling tegemoet.

Dr. B.R. Bot

' Ik wijs uw Raad in dit licht graag op het rapport dat uitkomst was van de Expert Workshop on
Reform of United Nations Human Rights Treaty Monitoring Bodies, gehouden in Nottingham in
februari 2006.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                                                Bijlage II
Overzicht van ratificaties en klachtenprocedures
Verdragspartijen en aantallen te laat ingediende rapportages
Verdragen               27 juni 2007            21 oktober 1996      juni 1988
                        Verdrags- Te late      Verdrags- Te late     Verdrags- Te late
                        partijen  rapportages  partijen  rapportages partijen  rapportages
Internationaal Verdrag
inzake economische,     156       213          135       124         91        169
sociale en culturele
rechten
Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten    160       89           135       126         87        54
en politieke rechten
Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning    173       485          148       415         124       170
van alle vormen van
rassendiscriminatie
Verdrag inzake uitban-
ning van alle vormen    185       247          154       197         94        57
van discriminatie tegen
vrouwen
Verdrag tegen foltering
en andere wrede,
onmenselijke of         144       170          99        82          37        n.v.t.
vernederende behande-
ling of bestraffing
Verdrag inzake de
rechten van het kind    193       103          187       73          n.v.t.    n.v.t.
Verdrag inzake de
Bescherming van de      37        27           7         onbekend    n.v.t     n.v.t
Rechten van Migrerende
Werknemers en hun
Familie
Totaal                  1048      1334         865       1017        433       450
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Individueel klachtrecht en aantal uitspraken per Comité
Facultatieve                 Verdrags-     Totaal aantal Ontvankelijk Niet ontvankelijk
Protocollen                  partijen      uitspraken
                             1996     2007 1996    2007  1996   2007  1996    2007
Eerste Facultatief
Protocol bij het             89       109  4181    1042  207    572   211     470
Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en
politieke rechten
Tweede Facultatief
Protocol bij het             29       60   _       1     _      1     _       _
Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en
politieke rechten
Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning         23       51   5       35    4      21    1       13
van alle vormen van
rassendiscriminatie
(declaratie artikel 14)
Verdrag tegen foltering
en andere wrede,             37       61   132     196   4      141   9       55
onmenselijke of ver-
nederende behandeling
of bestraffing
(declaratie artikel 22)
Facultatief Protocol bij
het Verdrag inzake           n.v.t    88   n.v.t   13    n.v.t  7     n.v.t.  6
uitbanning van alle
vormen van discrimi-
natie tegen vrouwen
Totaal                       178      369  436     1287  215    742   221     544
1   Gegevens per april 1996.
2   Gegevens per mei 1995.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                                                     Bijlage III
Lijst met afkortingen
ACM            Adviescommissie Mensenrechten en Buitenlands Beleid
AIV            Adviesraad Internationale Vraagstukken
AVVN           Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
CAT            Verdrag tegen Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of
               Bestraffing (Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or
               Degrading Treatment or Punishment)
CEDAW          Verdrag inzake de Uitbanning van Discriminatie jegens Vrouwen
               (Convention on the Elimination of Discrimination against Women)
CMR            Commissie Mensenrechten van de AIV
CMW            Verdrag inzake de Bescherming van de Rechten van Migrerende Werknemers
               en hun Familie (Migrant Convention on the Protection of the Rights of All
               Migrant Workers and Members of Their Families)
CRC            Verdrag inzake de Rechten van het Kind
               (Convention on the Rights of the Child)
ECOSOC         Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties
               (Economic and Social Council)
ESC-comité     VN-Comité inzake Economische Sociale en Culturele Rechten
EVRM           Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
FAO            Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties
               (Food and Agricultural Organisation)
HCRM           Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens
CERD           Verdrag inzake de Uitbanning van Rassendiscriminatie
               (Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination)
ILO            Internationale Arbeidsorganisatie (International Labour Organization)
IVBPR          Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten
IVESCR         Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten
MRR            Mensenrechtenraad
NGO’s          Niet-Gouvernementele Organisaties
SGVN           Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties
UNDP           Ontwikkelingssamenwerkingsprogramma van de Verenigde Naties
               (United Nations Development Programme)
UNESCO         Organisatie voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur van de Verenigde Naties
               (United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization)
UNICEF         Kinderfonds van de Verenigde Naties
               (United Nations International Children’s Emergency Fund)
UPR            Universal Periodic Review
UVRM           Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
VN             Verenigde Naties
WHO            Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
* Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
   Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
    slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
    september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
**   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
     Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>