<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN
     EEN KWESTIE VAN VERANTWOORDELIJKHEID
                   No. 59, December 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof.mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof.Jhr.dr. G. van Benthem van den Bergh
                Prof.dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
                Prof.dr. A. de Ruijter
                Prof.dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Drs. T.D.J. Oostenbrink
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden commissie private militaire bedrijven
Voorzitter          Dhr. A.L. ter Beek
Vice-voorzitter     Prof.dr. A. van Staden
Leden               Prof.mr. Th.C. van Boven
                    Dr. Ph.P. Everts
                    Sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt
                    Lt-gen. b.d. H.W.M. Satter
                    Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
                    Drs. E.P. Wellenstein
Corresponderend lid Prof.dr. M.T. Kamminga
Secretaris          Drs. J.M.D. van Leeuwe
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>       Inhoudsopgave
       Woord vooraf
I      De private militaire industrie    7
       I.1       Afbakening van private inhuur in operatiegebieden       7
       I.2       Wereldwijde toename       8
       I.3       Veelvormig beeld      9
       I.4       Een miljardenmarkt       10
II     Drie perspectieven op private inhuur     12
       II.1      Een meer algemene beschouwing        12
       II.2      Het economische perspectief       12
       II.3      Het politieke en militaire perspectief    14
       II.4      Het juridische en ethische perspectief     16
III    Nederlandse inhuur van PMC’s: casus Afghanistan       24
       III.1     Openbare informatie over inhuur is beperkt      24
       III.2     Juridische aspecten van deze casus      27
       III.3     Nederland is operationeel afhankelijk van PMC’s      28
IV     Beoordeling van de Nederlandse private inhuur in operatiegebieden    30
       IV.1      Diepgaand en breed politiek debat is gewenst      30
       IV.2      Nederland is hoe dan ook verantwoordelijk      30
       IV.3      Een wereldwijde markt       39
       IV.4      De veiligheid van het ingehuurde private personeel      39
       IV.5      Politieke neveneffecten van gijzelingen van privaat personeel 40
       IV.6      Facit     41
V      Samenvatting       42
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 23 mei 2007 heeft de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)
advies gevraagd over de inhuur van civiele dienstverleners in operatiegebieden (zie
voor de adviesaanvraag bijlage I). Hoewel het hier om een oud fenomeen gaat, is
het onderwerp de laatste tijd vooral actueel geworden door de sterk toegenomen
omvang en reikwijdte ervan alsmede de ervaringen daarmee in Irak en Afghanistan.
Uitbesteding en privatisering van militaire taken komen steeds vaker voor.
Gedurende het adviestraject werd de actualiteit van de adviesaanvraag nog eens
onderstreept door het schietincident – en de nasleep ervan – in Bagdad van
16 september 2007, waarbij het Amerikaanse private veiligheidsbedrijf Blackwater
was betrokken en waarbij 17 Irakese slachtoffers vielen.
In Irak is het grootste aantal dienstverleners ooit actief; het zou gaan om ongeveer
180.000 personen. Was de verhouding militairen/private inhuur begin jaren
negentig bij de bevrijding van Koeweit nog 50/1, in Irak is deze thans ongeveer
1/1. Daar en elders verrichten zij werkzaamheden die uiteenlopen van
infrastructurele opdrachten en logistieke ondersteuning tot activiteiten waarbij
geweldgebruik nadrukkelijk tot de mogelijkheden behoort, zoals persoons- en
transportbeveiliging maar ook de bewaking van bases en van gevangenen.
Ook de Nederlandse krijgsmacht maakt steeds meer gebruik van private
dienstverlening. Zo is in Afghanistan de catering van de Nederlandse militaire
kampen en de aanvoer van voeding en brandstof uitbesteed aan particuliere
bedrijven. Voor het lokale vervoer wordt veelvuldig gebruik gemaakt van civiel
luchttransport. Civiele monteurs sleutelen in het operatiegebied aan militair
materieel. Verder voeren gewapende Afghaanse contractanten bewakingstaken uit
rond de Nederlandse bases. Ook werkt Nederland in Afghanistan nauw samen met
een private partij die door de Verenigde Staten (VS) is ingehuurd om de lokale
veiligheidsdiensten op te leiden.
In haar adviesaanvraag over civiele dienstverleners in operatiegebieden heeft de
regering vijf concrete vragen gesteld:
1. Welke diensten kunnen in beginsel wel of juist niet worden gecontracteerd en
   welke randvoorwaarden moet de Nederlandse regering hierbij in acht nemen?
2. In hoeverre kan en moet de Nederlandse regering de juridische en politieke
   verantwoordelijkheid aanvaarden voor het handelen van private dienstverleners
   en de gevolgen hiervan en zou Nederland specifieke wetgeving op dit gebied
   moeten ontwikkelen?
3. Is het aanvaardbaar civiel personeel voor inzet in oorlogsgebieden wereldwijd te
   werven en welke opstelling zou de regering moeten kiezen?
4. Welke zorgplicht voor de veiligheid van civiel personeel mag en moet van de
   Nederlandse regering en haar krijgsmacht worden verwacht?
5. Wat zijn de mogelijke effecten van het gijzelen, en eventueel mishandelen en/of
   doden, van civiel personeel?
Daarbij heeft de regering de AIV verzocht zich te concentreren op de politieke en
ethische aspecten van private dienstverlening tegen de achtergrond van het
volkenrecht. De AIV is echter van mening dat bij het opstellen van een politiek en
ethisch oordeel over de inhuur van private dienstverleners in operatiegebieden het
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>internationale recht op de voorgrond moet worden geplaatst. Deze visie loopt als
rode draad door het advies.
In het rapport wordt vaak verwezen naar de ervaringen van de VS met private
inhuur in operatiegebieden, vooral omdat daar de laatste tijd op dit terrein veel
nieuwe ontwikkelingen hebben plaatsgehad. De AIV hecht eraan te benadrukken dat
de conclusies en aanbevelingen in dit rapport echter zijn toegesneden op de
Nederlandse situatie. Vooruitlopend op wat hierna in het licht zal worden gesteld,
acht de Raad het van groot publiek belang dat de problematiek van het gebruik
door de Nederlandse krijgsmacht van civiele dienstverleners in crisisgebieden een
centrale plaats in de politieke discussie gaat innemen.
Het advies is verder als volgt opgebouwd: hoofdstuk I biedt een inleidende
beschouwing over het thema civiele dienstverlening in operatiegebieden. In
hoofdstuk II wordt de thematiek vanuit drie perspectieven verder uitgewerkt, te
weten het economische, het politiek-militaire alsmede het juridische en ethische.
Vervolgens wordt in hoofdstuk III de concrete Nederlandse private inhuur in
Afghanistan geanalyseerd. Tegen deze achtergrond worden vervolgens in hoofdstuk
IV, dat een beoordeling biedt van de Nederlandse private inhuur, de vijf specifieke
regeringsvragen beantwoord. Het advies wordt afgesloten met een samenvatting.
Het advies is opgesteld door een gecombineerde commissie van de AIV bestaande
uit dhr. A.L. ter Beek (voorzitter), prof.dr. A. van Staden (vice-voorzitter),
prof.mr. Th.C. van Boven, mw.drs. A.C. van Es (gedurende het eerste deel van het
adviestraject), dr. Ph.P. Everts, prof.dr. M.T. Kamminga (corresponderend lid),
sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt, lt-gen. b.d. H.W.M. Satter, mw.mr. H.M. Verrijn Stuart
en drs. E.P. Wellenstein. De commissie werd bijgestaan door de ambtelijke
contactpersonen drs. M.A. Veenendaal en lkol. G. de Gooijer namens het ministerie
van Defensie. Het secretariaat werd gevoerd door drs. J.M.D. van Leeuwe met hulp
van de stagiaires mw. S. Çoker en mw. E. Jansen.
Voor dit advies hebben lkol. G. de Gooijer en lkol. G. van Kuijck van het ministerie
van Defensie een presentatie gehouden over de Nederlandse private inhuur in
Afghanistan. Daarnaast zijn achtergrondgesprekken gehouden met diverse
ambtenaren van de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Defensie. Verder
heeft de commissie gesprekken gehouden met Sir Malcolm Rifkind (non-executive
chairman van de Britse Private Security Company Armorgroup), dhr. C. Beese (chief
administrative officer van Armorgroup) en drs. R.R.K. Hiemstra (directeur Acestes
Public Sector Strategy). De secretaris heeft een gesprek gehad met de heren
L.C. van Dijke (medewerker Public Affairs bij het bouwconcern Volker Wessels),
ing. W. Snijders (directeur van Volker Stevin Materieel bv) en T. Herkemij (voorzitter
van de Logistics Support Group). Prof.dr. T.D. Gill (hoogleraar militair recht aan de
Universiteit van Amsterdam en de Nederlandse Defensie Academie) heeft
schriftelijke vragen van de commissie beantwoord. Daarnaast zijn twee van de
vier permanente commissies van de AIV – de commissie mensenrechten en de
commissie vrede en veiligheid – betrokken bij het opstellen van dit advies. De AIV
is de geraadpleegde personen dankbaar voor hun inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV van 7 december 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I          De private militaire industrie
I.1        Afbakening van private inhuur in operatiegebieden
Sinds het eind van de Koude Oorlog maken westerse krijgsmachten in toenemende mate
gebruik van private bedrijven bij de ondersteuning van militaire operaties. De VS lopen
hierbij voorop, maar ook Nederland schakelt steeds vaker dit soort bedrijven in. Ideeën die
voor Nederland nog niet zo lang geleden slechts in theorie bestonden, worden nu
gaandeweg in praktijk gebracht. Tegen deze achtergrond heeft de regering de AIV advies
gevraagd over de voorwaarden die verbonden moeten zijn aan en de gevolgen van de
inhuur van private dienstverleners.
De adviesaanvraag spreekt daarbij van ‘civiele dienstverleners in operatiegebieden’. Onder
operatiegebieden worden in dit advies ook verstaan de verzamelgebieden en uitvalsbases
in naburige gebieden of landen.
Onder civiele dienstverleners vallen in de eerste plaats bedrijven die zich speciaal hebben
toegelegd op dienstverlening onder de moeilijke en risicovolle omstandigheden in
operatiegebieden, de zogeheten ‘private militaire bedrijven’ of ‘private beveiligingsbedrijven’
(Private Military Companies, PMC’s of Private Security Companies, PSC’s)1.
Het gezaghebbende Geneva Centre for the Democratic Control of Armed Forces (DCAF)
definieert PMC’s als:
    ‘[…] businesses that offer specialised services related to war and conflict, including
    combat operations, strategic planning, intelligence collection, operational and logistic
    support, training, procurement and maintenance.’2
Deze definitie bestrijkt dus tal van diensten die worden aangeboden, uiteenlopend van
onderhoudswerkzaamheden tot gevechtsoperaties. PMC’s leveren dus ook diensten die
voorheen door militairen werden uitgevoerd en/of tot de kerntaken van de krijgsmacht
kunnen worden gerekend. Ondanks de verschillen in terminologie in de literatuur, hanteert
dit advies vanwege de eenduidigheid in het vervolg de algemene term, die ook
internationaal breed ingang heeft gevonden: ‘private militaire bedrijven’ (PMC’s).
Dit advies richt zich in de eerste plaats op de Nederlandse inhuur van PMC’s, omdat de
hierna te behandelen politieke, juridische en ethische vragen vooral op deze organisaties
van toepassing zijn. Maar het advies richt zich mutatis mutandis ook op de inhuur door
Nederland in het kader van militaire operaties van alle overige private bedrijven die zichzelf
niet als PMC of PSC zouden omschrijven, zoals brandstofleveranciers, tentenbouwers of
bouwbedrijven.
1   Vooral de aanhangers van de term Private Security Companies beklemtonen het onderscheid met Private
    Military Companies, omdat de laatste categorie zich volgens hen vooral op meer offensieve, militaire,
    tactieken zou richten, terwijl ‘veiligheidsbedrijven’ zich strikt tot defensieve operaties zouden beperken. In de
    praktijk is dit onderscheid echter niet zo strikt, omdat de activiteiten van de diverse bedrijven in elkaar
    overlopen. Overigens worden ook wel andere omschrijvingen gebruikt, zoals Private Military Contractors en
    Private Military Firms (PMF’s).
2   Geneva Centre for the Democratic Control of Armed Forces, Private Military Companies, DCAF Backgrounder,
    04/2006. Zie voor meer informatie over deze organisatie http://www.dcaf.ch. Dit is overigens niet de enige
    definitie van PMC’s die in de literatuur is te vinden.
                                                            7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De problematiek van de huurlingen (mercenaries) in strikte zin en het optreden van private
legertjes die complete militaire operaties, zoals het plegen van een staatsgreep of het
neerslaan van een rebellie, zelfstandig kunnen uitvoeren op bestelling van een regering of
lokale machthebber, vallen buiten dit advies.
I.2        Wereldwijde toename
De aan het Brookings Institute verbonden Amerikaan P.W. Singer, gaat in zijn
standaardwerk Corporate Warriors: The Rise of the Privatized Military Industry uit 2003
uitgebreid in op de groei van de private militaire industrie sinds begin jaren negentig.
Volgens hem kan de wereldwijd toenemende inhuur van private bedrijven voor de uitvoering
van taken die in het verleden hoofdzakelijk waren voorbehouden aan nationale
krijgsmachten, worden verklaard door drie, samenvallende, ontwikkelingen:3
1. Het gat in de veiligheidsmarkt: veranderingen in vraag en aanbod na de Koude Oorlog.
    Het einde van het Oost-West conflict wekte positieve verwachtingen over samenwerking
    tussen de permanente leden van de Veiligheidsraad en de rol die de Verenigde Naties
    (VN) zou kunnen spelen bij de handhaving van vrede en veiligheid in de wereld.
    Dientengevolge nam het aantal internationale vredesoperaties zienderogen toe. Dit bood
    ruimte aan de opkomende industrie van militaire bedrijven, aanvankelijk in Afrika
    (Angola, Kongo, Sierra Leone), maar niet veel later ook in Europa, in voormalig
    Joegoslavië.
2. De transformatie van oorlogvoering. Door de technologische ontwikkelingen op
    wapengebied beschikken thans ook kleine groepen over grote vuurkracht. De
    voortschrijdende techniek zorgt er anderzijds voor dat het onderhoud van complexe
    wapensystemen alsmede van Informatie en Communicatie Technologie (ICT) in
    toenemende mate door particuliere bedrijven wordt uitgevoerd, ook, als gevolg daarvan,
    in het operatiegebied zelf. In sommige gevallen hebben de VS zelfs de bediening van
    militaire systemen die cruciaal zijn voor gevechtsoperaties in handen van burgers
    gelegd, zoals van de onbemande vliegtuigen Predator en Global Hawk.
3. De kracht van privatisering en de privatisering van macht. In de jaren negentig werd
    privatisering van overheidstaken steeds gebruikelijker. De leidende gedachte daarachter
    – die vooral in de VS school maakte – is de veronderstelling dat alles wat aan voorheen
    traditionele overheidstaken kan worden uitbesteed, daardoor haast per definitie
    efficiënter en effectiever gebeurt. Ook de krijgsmacht kreeg hiermee te maken, vooral
    die van de VS. Zo heeft het Amerikaanse ministerie van Defensie in de periode 1994 –
    2002 meer dan 3.000 van dergelijke contracten met Amerikaanse bedrijven gesloten
    met een geschatte waarde van meer dan $ 300 miljard.4
De AIV is het eens met deze analyse, maar voegt daaraan een vierde verklaring toe die
volgens de Raad in het bijzonder van toepassing is op landen als Nederland:
4. Spanning tussen politieke ambities en militaire mogelijkheden. Na de Koude Oorlog is,
    zeker voor Nederland, de frequentie van militaire inzet voor ‘expeditionaire5
    crisisbeheersingsoperaties’ toegenomen (Cambodja, Bosnië-Herzegovina, Kosovo,
3   P.W. Singer, Corporate Warriors: The Rise of the Privatized Military Industry, Cornell University Press,
    2003, blz. 49-70.
4   Ibid, blz. 15.
5   Expeditionair wil zeggen het uitvoeren van een operatie op relatief grote afstand van de thuisbasis door een
    logistiek grotendeels zelfstandige krijgsmacht.
                                                         8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>    Ethiopië-Eritrea, Irak, Afghanistan). Dergelijke operaties op grote afstand van Nederland
    in landen met een gebrekkige infrastructuur en waar Host Nation Support (HNS) te
    wensen overlaat, doen een extra beroep op logistieke steun.6 Ter voorbereiding op deze
    nieuwe taken (zoals humanitaire interventies en militaire tussenkomst in
    binnenstatelijke conflicten), maar ook gedwongen door aanzienlijke bezuinigingen,
    volgde een ingrijpende (en deels nog gaande) transformatie van de omvang en opbouw
    van de krijgsmacht, waarvan ook de opschorting van de dienstplicht deel uitmaakte.
    Daarbij heeft het huidige expeditionaire optreden tot nieuwe, ongedekte behoeften en
    tekorten geleid, vooral op het gebied van logistieke en technische ondersteuning.
    Daarvoor wordt onder meer een oplossing gezocht in de inhuur van private
    dienstverleners.
I.3       Veelvormig beeld
De grote en groeiende bedrijfstak sinds de jaren negentig is veelvormig van aard, en omvat
veel meer en ook andersoortige aspecten dan wat in het klassieke debat als ‘huurlingen’
(mercenaries) wordt aangeduid. In Irak zouden thans meer dan 180.000 contractors actief
zijn, van wie ongeveer 30.000 gewapende beveiligers. Niemand lijkt precies te weten
hoeveel contractors er in dit land zijn en wat zij daar wel en niet doen, ook het Pentagon
niet.7 Dit is illustratief voor het gebrek aan inzicht in deze ‘industrie’. De AIV constateert
overigens dat over de betrokkenheid van private bedrijven in Afghanistan, waar Nederland
thans vooral actief is, nog minder algemeen bekend is.
Zoals al eerder vastgesteld, vervullen private dienstverleners in Irak en Afghanistan een
veelheid van sterk uiteenlopende diensten. Maar, zo kan men betogen, in de praktijk zijn er
twee duidelijk te onderscheiden types PMC’s: ‘those with guns and those without’. Ofwel
gewapende diensten (security contractors) of logistieke diensten (logistics contractors).8
De betrouwbaarheid en staat van dienst van bedrijven in deze sector lopen sterk uiteen.
Naast bedrijven die zich vakbekwaam, fatsoenlijk en verantwoordelijk gedragen, zijn er
andere waarvoor het tegendeel geldt. Het in opspraak gekomen Amerikaanse bedrijf
Blackwater heeft, mede als gevolg van het al in het voorwoord gememoreerde
schietincident in Bagdad van 16 september 2007, een negatieve uitstraling op de hele
bedrijfstak. Toch zou deze affaire ook het begin kunnen zijn van een serieuze internationale
discussie over de mogelijkheden en beperkingen van dergelijke inhuur. Deze en andere
affaires onderstrepen de politieke, de militaire alsmede de juridische en ethische risico’s
die aan dergelijke inhuur zijn verbonden. Daarop wordt in hoofdstuk II ingegaan.
Even verscheiden als de private aanbieders van militaire diensten zijn de afnemers. Er
bestaat niet zoiets als dé klant: Their customers […] ranged across the moral spectrum
6   NATO policy on contractor support to operations, 12 januari 2007, blz. 1. Zie ook de Prinsjesdagbrief van de
    minister van Defensie, Wereldwijd dienstbaar, 18 september 2007, blz. 6.
7   Schattingen over het aantal lopen wijd uiteen. Zo zag de AIV ramingen van het totaal aantal contractors in
    Irak gedurende het adviestraject groeien van 100.000 naar 180.000, van wie meer dan 100.000 van Irakese
    afkomst zouden zijn. Ook het aandeel gewapende beveiligers daarin is niet duidelijk. Diverse bronnen
    hanteren diverse schattingen uiteenlopend van 10.000 tot 50.000.
8   David Isenberg, Challenges of Security Privatisation in Iraq, in Alan Bryden and Marina Caparini (editors),
    Private Actors and Security Governance, LIT & DCAF, 2006, blz. 155.
                                                         9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>from ‘ruthless dictators, morally depraved rebels and drug cartels’ to ‘legitimate sovereign
states, respected multinational corporations, and humanitarian NGO’s’.9 Eigen onderzoek
van de International Peace Operations Association (IPOA), de Amerikaanse
belangenorganisatie voor PMC’s, concludeert dat nationale regeringen de grootste
gebruikers van diensten van PMC’s (62%) zijn. Andere afnemers zijn de private sector (29%)
en non-gouvernementele organisaties (3%), maar ook individuen (6%).10 Het meest
sprekende voorbeeld van de omvang die private inhuur heeft gekregen is de oorlog in Irak,
maar ook in Kabul zijn op dit moment ten minste 25 verschillende veiligheidsbedrijven
actief.11 ‘Lokale en internationale hulporganisaties, internationale donororganisaties, de
Verenigde Naties, de vredestroepen, diplomatieke vertegenwoordigingen en de aannemers
van bedrijven met wederopbouwcontracten in hun zak maken dankbaar van de privélegers
gebruik’, aldus een lokale waarnemer.12
I.4       Een miljardenmarkt
Behalve dat onduidelijk is hoeveel PMC’s in Irak en Afghanistan werken en hoeveel
personeel zij precies in dienst hebben, geldt ook voor de daarmee gemoeide bedragen dat
dit niet meer dan schattingen zijn. Zo zou het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse
Zaken jaarlijks ongeveer $ 4 miljard uitgeven aan PMC’s in operatiegebieden.13 Ook het
Amerikaanse ministerie van Defensie zou jaarlijks $ 4 miljard aan PMC’s uitgeven.14
Bekend is bijvoorbeeld dat het contract van Kellogg Brown and Root (KBR), tot begin 2007
onderdeel van Halliburton, die bij aanvang van de invasie in Irak de belangrijkste private
partner van de Amerikaanse regering was, sinds 2003 een waarde van meer dan $ 20
miljard heeft. Andere voorbeelden zijn het inmiddels notoire bedrijf Blackwater, dat sinds
2003 aan gezamenlijke contracten ongeveer $ 1,2 miljard heeft binnengehaald. En het
Amerikaanse bedrijf Dyncorp, dat onder andere met honderden contractors in Afghanistan
actief is en waarmee ook Nederlanders aldaar te maken hebben, zou jaarlijks ongeveer
$ 400 miljoen omzetten.
De betrokken belangen zijn immens en daarmee groeit ook de druk uit de industrie op de
politiek. In dergelijke omstandigheden wordt het gebruik niet alleen door de vraag, maar
ook door het aanbod bepaald. De gedachte dringt zich daarbij op aan het ontstaan van een
nieuw ‘militair-industrieel complex’15, waarbij de belangen van de private partijen, de
9   Doug Brooks and Hussein Solomon, From the Editor’s Desk, Conflict Trends, No. 6, juli 2000. Zoals geciteerd
    in Singer 2003, blz. 9.
10 Deze percentages zijn afkomstig van een eigen onderzoek van de Amerikaanse belangenorganisatie van
    PMC’s, de International Peace Operations Association (IPOA), naar de ‘staat van de industrie’ in 2006. State
    of the Peace & Stability Operations Industry Survey 2006, International Peace Operations Association, blz. 11.
11 Linda Polman, ‘De bavianen van Kabul’, Wordt Vervolgd, maandblad van Amnesty International, nummer 6,
    juni 2007, blz. 16.
12 Ibid.
13 Use of Contractors by State Dept. Has Soared, The New York Times, 24 oktober 2007.
14 Panel Faults Army’s Wartime Contracting, The New York Times, 1 november 2007.
15 Deze term werd voor het eerst gebruikt door President Eisenhower tijdens zijn afscheidsspeech aan het
    Amerikaanse volk op 17 januari 1961. Een veelgebruikte term in dit verband is ook ‘ijzeren driehoek’.
                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>militaire bureaucratie en politieke gezagsdragers prevaleren boven het algemene belang.
Het motief voor bedrijven is immers winst. Contractors zijn er in de eerste plaats op uit om
hun aandeelhouders tevreden te stellen en niet om louter een hoger politiek belang te
dienen. Integendeel, de private militaire industrie gedijt juist bij internationale spanningen.
Het is dan ook begrijpelijk dat de laatste tijd een omvangrijke literatuur over de hier kort
aangeduide ontwikkelingen is ontstaan. Daarin zijn ook steeds meer kritische
commentaren te vinden die stellen dat de omvang van de privatisering van de veiligheid en
de afhankelijkheid van PMC’s is doorgeschoten, terwijl van adequaat toezicht op hun
activiteiten geen sprake is.16 Dat neemt echter niet weg dat private dienstverleners in
operatiegebieden niet meer weg te denken zijn. Het komt er dus op aan de inhuur van
PMC’s zo goed mogelijk te reguleren. Daarbij gaat de aandacht speciaal uit naar de
politieke verantwoordelijkheid en de juridische aansprakelijkheid voor deze PMC’s alsmede
naar de controle daarop.
16 Klokkenluiders zijn echter niet populair. P.W. Singer schrijft in het voorwoord van een recente publicatie dat
   zijn ‘controversiële conclusies’ hem niet alleen lucratieve aanbiedingen maar ook twee doodsbedreigingen
   hebben opgeleverd: P.W. Singer, Can’t Win With ‘Em, Can’t Go To War Without ‘Em: Private Military
   Contractors and Counterinsurgency, Policy Paper, The Brookings Institute, nummer 4, september 2007.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>II       Drie perspectieven op private inhuur
II.1     Een meer algemene beschouwing
Voordat de AIV overgaat tot de beantwoording van de vijf concrete vragen uit de
adviesaanvraag van de regering, beschouwt de Raad in dit hoofdstuk het vraagstuk van
private inhuur in operatiegebieden eerst meer algemeen vanuit drie gezichtspunten of
perspectieven, te weten het economische, het politiek-militaire alsmede het juridische en
ethische perspectief. Vanuit elk van deze perspectieven kan men onder omstandigheden
tot verschillende afwegingen komen, bijvoorbeeld ten aanzien van de vijf vragen die de
regering heeft voorgelegd. In werkelijkheid kunnen de drie perspectieven natuurlijk niet los
van elkaar worden gezien. De indeling vangt aan met het economische perspectief, omdat
het argument van de kostenvoordelen vaak wordt gebruikt ter verklaring van het fenomeen
private inhuur.
II.2     Het economische perspectief
Men kan het vraagstuk van de inhuur van private bedrijven voor het verrichten van
bepaalde militaire taken of met militaire operaties samenhangende taken bekijken vanuit
een (puur) economisch/bedrijfseconomisch perspectief. De beslissende criteria hierbij zijn
dan efficiency en effectiviteit. Centrale vragen daarbij zijn: welke taken komen in
aanmerking voor privatisering, respectievelijk kunnen niet of alleen duurder of minder
effectief worden uitgevoerd door het militaire apparaat, hetzij in het algemeen, hetzij in
verband met een specifieke operatie waartoe eerder politiek is besloten.
Zo kan het nuttig of noodzakelijk zijn (extra) private capaciteit in te huren of taken uit te
besteden in gevallen van piekbelasting (zoals ook in het bedrijfsleven niet ongebruikelijk is).
Een andere overweging kan zijn dat het te kostbaar wordt geacht zelf een bepaalde
capaciteit aan te houden, zoals strategisch luchttransport. Ook kan worden geredeneerd
dat door uitbesteding militairen kunnen worden vrijgemaakt voor meer complexe taken
waarvoor niet gemakkelijk een civiele vervanger kan worden gevonden.
In de praktijk zal het vaak niet eenvoudig zijn uit te maken of inhuur van capaciteiten
werkelijk goedkoper zou zijn, wat uiteraard samenhangt met zaken als de kosten van
‘leegloop’ van de eigen capaciteit, de geschatte levensduur van bepaalde investeringen
(bijvoorbeeld van transportvliegtuigen) en/of de kwaliteit van het geleverde product. En
soms heeft men geen keuze, omdat het politieke besluit deel te nemen aan een operatie al
is genomen. In dat geval speelt een kostenafweging een ondergeschikte rol, omdat de
operatie hoe dan ook doorgang moet vinden.
De oorlog in Irak en andere recente conflicten hebben ten aanzien van de inhuur van
PMC’s een aantal ervaringen opgeleverd, die ook in breder verband van toepassing zijn. Om
te beginnen heeft de private markt aangetoond de vraag van overheidszijde in beginsel te
kunnen vullen. Dit bracht de voorzitter van de IPOA ertoe te verklaren dat ‘[…] it is due to
innovative utilization of the private sector that coalition operations in Afghanistan and Iraq
are the best supported, best supplied military operation in history.’ 17
17 Doug Brooks, President of IPOA, JIPO, Volume 3, Number 2, September-October 2007, blz. 4.
                                                     12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Het Pentagon beschouwt PMC’s inmiddels als integraal deel van zijn total force.18 De
Amerikaanse militaire doctrine gaat sinds de jaren negentig meer en meer uit van de
wenselijkheid ten principale van de uitbesteding van zeker de ondersteunende diensten
aan gespecialiseerde private bedrijven (zie hoofdstuk I). Dit past in de filosofie die in het
bedrijfsleven brede ingang heeft gevonden, namelijk dat out-sourcing economische
voordelen biedt. Ook zonder de bekende voorkeur van de voormalige minister van Defensie
Rumsfeld voor een zo ‘slank’ mogelijke krijgsmacht, was de logistieke steun in Irak toch al
in handen van het bedrijfsleven gelegd. De strijdkrachten concentreren zich vooral op de
operationele inzet.
De grootschalige private inhuur in Irak, waarmee – zoals al vermeld – miljarden dollars zijn
gemoeid, heeft echter ook duidelijk gemaakt dat deze methode kwetsbaar is voor
frauduleus gedrag als dit niet nauwgezet door de inhuurder kan worden gecontroleerd.19
Dit geldt te meer als gebruik wordt gemaakt van zogeheten cost-plus-contracten (een
contract met variabele prijs), zoals in Irak maar waarschijnlijk ook in Afghanistan veelal het
geval is. Dit zijn (lange termijn) overeenkomsten waarbij de toegestane of op een andere
manier gedefinieerde kosten worden terugbetaald door de klant samen met een
percentage van deze kosten of een vaste vergoeding. In tegenstelling tot contracten met
vaste prijsafspraken, waarbij het risico voor een groot deel bij de contractor ligt, lopen
dienstverleners bij cost-plus-contracten vrijwel geen financieel risico. Bovendien ontbreken
prikkels om efficiënt te werken. Integendeel, als de PMC een percentage van de kosten
ontvangt, stijgt zijn winst naarmate de gedeclareerde som groter wordt.
Met de mate van inhuur nemen dus ook de financiële risico’s toe en moet de
controleorganisatie evenredig meegroeien. In de VS was dat niet het geval. ‘[…] the
Pentagon’s overworked acquisitions staff has been mismanaging contractors, resulting in
lost time and money and shortchanging the war fighting capabilities of the troops,’ aldus
de comptroller-general van de Amerikaanse Government Accountability Office (GOA) in
September 2006.20 In oktober 2007 heeft het State Department gelijkluidende conclusies
getrokken.21
Daardoor ook kan de voorspelling dat PMC’s voor de lopende conflicten geld zouden
besparen, niet worden bewezen. Zowel het Pentagon als het State Department zijn niet in
staat enige informatie – positief of negatief – te verstrekken over de kosteneffectiviteit van
het gebruik van contractors in Irak in plaats van militaire logistieke eenheden.
Veeleer is de keuze voor een bepaalde omvang en opbouw van de strijdkrachten en de
daarbij behorende investeringsstructuur, die jarenlange gevolgen heeft, beslissend of in een
18 Privateers under fire, The Economist, 22 september 2007, blz. 49.
19 U.S. Says Company Bribed Officers for Work in Iraq, The New York Times, 31 augustus 2007. Zie ook diverse
    Amerikaanse onderzoeksrapporten die sinds het incident met Blackwater van 16 september 2007 zijn
    verschenen.
20 Statement of David Walker, Comptroller-General of the United States Before the Subcommittee on Defense,
    Subcommittee on Appropriations, House of Representatives, DOD Acquisitions Contracting for Better
    Outcomes, 7 september 2006.
21 The New York Times, 24 oktober 2007. Volgens dit artikel zouden bij State Department slechts 17
    compliance officers hebben toegezien op de uitvoering van complexe contracten ter waarde van $ 4 miljard.
                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>zich voordoende concrete situatie meer of minder beroep op inhuur zal moeten worden
gedaan. Die situatie is onvoorzienbaar, maar de eerder gemaakte keuzes kunnen niet meer
worden teruggedraaid, ook als men dat achteraf zou betreuren. Of een andere keuze
uiteindelijk geld zou hebben bespaard, is dan een puur theoretische bespiegeling.
De conclusie is dan ook dat de kosteneffectiviteit noch vooraf noch in een concrete
operationele situatie de doorslag kan geven inzake de mate van civiele inhuur. Nog
afgezien van onvoorzienbare kosten als aansprakelijkheid voor wangedrag van de
contractors, om maar helemaal niet te spreken van immateriële kosten, zoals
reputatieschade door verlies van prestige en gezag. Kortom, behalve een economische
component kent uitbesteding ook politiek-militaire alsmede juridische en ethische
aspecten, die bij besluiten hierover nadrukkelijk ook aan de orde moeten komen. Daarover
gaan de volgende paragrafen.
II.3      Het politieke en militaire perspectief
Ook in politiek en militair-operationeel opzicht hebben de oorlog in Irak en andere recente
conflicten een aantal ervaringen gebracht die mee in beschouwing moeten worden
genomen. Als groot politiek voordeel van PMC’s kan zonder meer worden beschouwd dat zij
regeringen in staat stellen flexibel met hun ambities om te gaan. Bijvoorbeeld bij
piekbelastingen of als bepaalde capaciteiten bij de strijdkrachten geheel ontbreken.
Behalve dat PMC’s een middel zijn om aan politieke ambities uitvoering te geven, kan
daarmee ook aan politieke beperkingen worden ontkomen, bijvoorbeeld bij (politiek)
opgelegde militaire functieplafonds. Ook zo dragen PMC’s bij aan de vergroting van de
flexibiliteit van de inzet. De keerzijde daarvan is echter, dat PMC’s de werkelijke inzet –
bewust of onbewust – aan het oog kunnen onttrekken.22
Dit bemoeilijkt de democratische controle. Om te beginnen doordat vaak niet duidelijk is
hoe de verantwoordelijkheidsrelaties lopen (zie de volgende paragraaf over het juridische
perspectief), in tegenstelling tot de inzet van reguliere militairen, waarbij de politieke
verantwoordelijkheid en juridische aansprakelijkheid wel klip en klaar zijn. Incidenten
waarbij PMC’s zijn betrokken, maar ook slachtoffers onder PMC-personeel, halen minder
vaak het nieuws en blijven vaak buiten de officiële statistieken. Zo is aan het feit dat in Irak
de afgelopen jaren ongeveer 1.000 contractors zijn gedood veel minder ruchtbaarheid
gegeven dan aan het aantal militairen dat is gesneuveld (ongeveer 3.500). Ook het feit dat
niemand nauwkeurig lijkt te weten hoeveel contractors in Irak en Afghanistan rondlopen en
wat zij daar precies doen, draagt aan deze ondoorzichtigheid bij. PMC’s zelf zijn bepaald
niet scheutig met het verstrekken van informatie. Hoe het ook zij, overheidsrapportages en
de media concentreren zich meer op de inzet van militairen en de gevolgen daarvan dan op
de contractors. ‘While private forces make up over 50% of the overall operation on Iraq,
they have been mentioned in only a quarter of one percent of all American media stories
on Iraq.’23
De affaire Blackwater heeft de grote risico’s die aan de inzet van PMC’s zijn verbonden nog
eens onderstreept. Het roekeloze en onverantwoordelijke optreden van sommige PMC’s,
22 Een bekend voorbeeld hiervan is de inzet van het Amerikaanse bedrijf Military Professional Resources
    Incorporated (MPRI) in Bosnië-Herzegovina in 1995, zoals bijvoorbeeld beschreven door Singer, 2003, blz. 5.
23 Singer, september 2007.
                                                     14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>vooral de veiligheidsbedrijven onder hen, die in Irak immuniteit voor de lokale rechtsmacht
genieten, brengt het winnen van de hearts and minds en daarmee zelfs van de hele
counter-insurgency in gevaar.
Maar oorlog verandert alles
Intussen is de Amerikaanse krijgsmacht, althans het parate deel daarvan, voor
grootschalige operaties, ook in hoog-risico-omgevingen, afhankelijk geworden van de inzet
van het bedrijfsleven, in casu de private militaire industrie.24 De ervaringen die hiermee in
de jaren negentig waren opgedaan, leken uit te wijzen dat ook hier sprake zou zijn van een
win-win situatie.
Als er gedurende langere tijd ‘vrede’ is, lijkt de inhuur van PMC’s voor de logistiek van de
gevechtseenheden aantrekkelijker te worden. Het argument is dan, dat private bedrijven
alleen hoeven te worden betaald als men ze nodig heeft, terwijl militair personeel altijd
moet worden doorbetaald, ook als het in de kazerne zit. ‘But war changes everything’,
aldus twee Amerikaanse generaals die nauw bij de logistieke ondersteuning van Irak waren
betrokken.25 Irak heeft aangetoond dat PMC’s in hoog-risico-situaties helemaal niet
dezelfde (logistieke) diensten kunnen uitvoeren als militairen: ‘[…] contractors are better
suited to peacekeeping scenario’s, such as Bosnia, than to war or peace enforcement
situations […] and an insurgency eliminates the idea of secure territory.’ 26
Militaire commandanten hebben verder geen militaire bevelsmacht over PMC’s. Die kunnen
‘nee’ zeggen tegen levensbedreigende opdrachten, of zelfs staken op het gevechtsveld.
Zoals eerder gesteld, behartigen PMC’s in de eerste plaats het aandeelhoudersbelang en
niet het algemeen belang. Deze inherente en fundamentele belangentegenstelling kan
haaks staan op de politieke en militaire doelen van een crisisbeheersingsoperatie en
daaraan ernstige schade toebrengen.27
Een commandant moet zonder enige terughoudendheid over zijn middelen kunnen
beschikken. De gedachte dat contractors onder alle omstandigheden hun werk zullen doen,
is wishful thinking. Of zoals het Nederlandse ministerie van Defensie zelf zegt: ‘Het is van
belang de afhankelijkheid van de civiele inhuur van vliegtuigen te beperken. […] Ook zijn zij
niet altijd beschikbaar of operationeel inzetbaar, bijvoorbeeld bij het optreden in gevaarlijke
gebieden en bij slecht verharde en korte landingsbanen. Ook kleven aan private inhuur
beperkingen met betrekking tot het laadvermogen, speciale vrachten en de gebruikelijke
24 Zie ook het Field Manual ‘Contractors on the Battlefield’ (FM No. 3-100.21) opgesteld door het (US)
    Headquarters Department of the Army, 3 januari 2003. De wijze waarop met PMC’s wordt samengewerkt,
    kreeg vooral vorm in het Logistics Civil Augmentation Program (LOGCAP). Dit was een initiatief van het
    Amerikaanse leger om private contractors in te zetten voor diensten als logistiek, de aanleg van bases en de
    bevoorrading en het onderhoud daarvan, ook gedurende crisistijd.
25 Lieutenant General Paul Kern, commanding general of the Army Material Command from 2001-2004 en
    Major-General Wade McManus, commanding general for the U.S. Army Field Support Group in Rock Island,
    Illinois from 2000-2004. Beiden geciteerd in Dina Rasor and Robert Bauman, Betraying our troops: the
    destructive results of privatizing war, Palgrave MacMillan, New York, 2007, blz. 225.
26 Ibid.
27 Dina Rasor and Robert Bauman, 2007, blz. 8.
                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>ontbindende bepalingen (cursivering AIV) in contracten.’28 Dit specifieke voorbeeld kan
naar alle vormen van civiele dienstverlening worden doorgetrokken.
Een bijkomend probleem van de gescheiden bevelsstructuur is, dat deze twee werelden
langs elkaar heen kunnen leven. Zeker in een dynamische, risicovolle omgeving kan dit
letterlijk levensgevaarlijk zijn. Het is al voorgekomen dat militairen en contractors het vuur
op elkaar hebben geopend (blue on blue).29 Ook gebeurt het regelmatig dat private
konvooien zonder medeweten van de militaire commandant door zijn Area of Responsibility
(AOR) rijden. Dit bemoeilijkt militaire bijstand, mocht het desbetreffende konvooi daar in
geval van nood om verzoeken. Duidelijk moet zijn dat beide partijen precies van elkaars
doen en laten op de hoogte zijn en dat er een gestructureerde informatie-uitwisseling is. De
commando- en informatiestructuur moeten dat mogelijk maken.
II.4      Het juridische en ethische perspectief
De groei van aantal, omvang en aard van activiteiten van PMC’s heeft tevens belangrijke
juridische en ethische implicaties. Kernwoorden zijn ook hier: transparantie,
controleerbaarheid en verantwoordelijkheid. Zij dwingen tot de conclusie dat het inhuren en
optreden van PMC’s belangrijke ethische implicaties kunnen hebben en slechts onder
strikte juridische voorwaarden wenselijk en aanvaardbaar is.
Het volkenrecht over PMC’s
Werknemers van PMC’s maken geen deel uit van de krijgsmacht en vallen niet onder de
militaire discipline en bevelstructuur. Als zij tijdens een gewapend conflict worden ingezet,
zijn zij op grond van het internationaal humanitair recht derhalve geen combattant, maar
burger.30 Het maakt daarbij geen verschil of dit private personeel uitsluitend voor
defensieve dan wel ook voor offensieve taken wordt ingezet. Dit betekent dat contractanten
ook geen recht op de status van krijgsgevangene hebben.31 De Derde Conventie van
Genève kent hierop echter wel een uitzondering waarvan bedrijven gebruik zouden kunnen
maken. Op grond van artikel 4(4) hebben bepaalde burgers die de strijdkrachten
vergezellen, onder wie supply contractors, namelijk wel het recht om als krijgsgevangene te
worden behandeld. Zij moeten dan wel toestemming hebben van de desbetreffende
strijdkrachten, wat moet blijken uit een speciale identiteitskaart. Overigens is de
verstrekking van dergelijke kaarten aan door Nederland in Afghanistan ingehuurde
contractors volgens het ministerie van Defensie op dit moment niet aan de orde.
28 De minister en de staatsecretaris van Defensie, antwoorden op Kamervragen over de beleidsbrief Wereldwijd
    dienstbaar, 22 oktober 2007, blz. 36.
29 United States Government Accountability Office (GOA), Rebuilding Iraq: Actions Still Needed to Improve the
    Use of Private Security Providers, Testimony, 13 juni 2006.
30 Emanuela-Chiara Gillard, Private Militairy/Security Companies: The Status of their Staff and their Obligations
    under International Humanitarian Law and the Responsibilities of States in Relation to their Operations,
    www.icrc.org.
31 Ook huurlingen hebben tijdens een internationaal gewapend conflict volgens artikel 47 van het Eerste
    Protocol bij de Geneefse Verdragen betreffende internationaal humanitair recht, waarbij Nederland partij is,
    geen recht op de status van krijgsgevangene. Maar de definitie van het begrip ‘huurling’ is zo restrictief dat
    PMC’s er niet onder vallen en dit artikel is daarom in dit verband niet aan de orde.
                                                         16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Volkenrechtelijk is over de mogelijke inhuur van PMC’s door staten in conflictsituaties
verder niets geregeld. Een poging om dat wel te doen op een aanverwant terrein, dat van
huurlingen, is weinig succesvol gebleken. Hoewel huurlingen uitdrukkelijk buiten het bestek
van dit advies vallen, wijst de AIV erop dat de Conventie tegen Recruitment, Use, Financing
and Training of Mercenaries van 1989 slechts door 30 landen is geratificeerd, waaronder
nauwelijks westerse staten.32 Ook Nederland is geen partij bij dit verdrag. Algemeen wordt
erkend dat de definiëring van het begrip ‘huurling’ extreem moeilijk is en niet tot een
bruikbaar resultaat heeft geleid. Voor de grenzen aan en voorwaarden van het inhuren van
PMC’s zijn staten dus op hun eigen (en in geval van bondgenootschappelijk optreden hun
collectieve) afbakening aangewezen.
De praktijk in Irak en Afghanistan: PMC’s onder jurisdictie van nationale zendstaten
Opnieuw geldt dat de ervaringen in Irak en Afghanistan leerzaam kunnen zijn. Zo heeft
L. Paul Bremer III als hoofd van de tijdelijke autoriteit in Irak, bij gebrek aan een Status of
Forces Agreement, SOFA (want er was toen geen Iraakse regering) in juni 2004 onder
‘Order-17’ immuniteit ten opzichte van de Irakese jurisdictie voor alle contractors
geregeld.33 In deze order is wel vastgelegd dat het buitenlandse personeel alle Iraakse
wetten moet naleven en dat van de immuniteit kan worden afgezien (waiver). Dat laatste is
echter nooit gebeurd, wegens gebrek aan vertrouwen in het Irakese rechtssysteem.
Ondertussen vallen alle contractors volgens Order-17 onder de ‘exclusieve jurisdictie’ van
de ‘zendstaten’. Over zendstaten staat in deze order dat ‘the sending state shall be the
state of nationality of the individual or entity concerned’ (sectie 4, lid 6). Dat hoeft dus niet
het land van de inhuurder te zijn. Voor de VS zal dit overigens vaker wel het geval zijn dan
voor Nederland.
Iets soortgelijks geldt ook voor Afghanistan, waar een Military Technical Agreement (MTA) is
opgesteld tussen ISAF/NAVO en het interim-bestuur van Afghanistan.34 Daarin staat dat
ISAF ‘and supporting personnel’ (lees de private contractors35) immuniteit genieten van de
rechtsgang in Afghanistan (annex 1, lid 1). ISAF en het ondersteunende personeel vallen
onder de exclusieve jurisdictie van hun respectievelijke zendstaten. Het lokaal ingehuurde
personeel valt daarentegen onder het lokale recht, behalve als betrokkenen in de capaciteit
van hun ingehuurde functie handelen. In het laatste geval zijn ook zij immuun (annex 4,
lid 14 a). Nederland heeft daarbij het voorbehoud gemaakt dat van deze immuniteit
afstand kan worden gedaan.36
32 De 30 landen zijn: Azerbaijan, Barbados, Belarus, Belgium, Cameroon, Costa Rica, Croatia, Cuba, Cyprus,
    Georgia, Guinea, Italy, Liberia, Libyan Arab Jamahiriya, Maldives, Mali, Mauritania, Moldova, New Zealand,
    Peru, Qatar, Saudi Arabia, Senegal, Seychelles, Suriname, Togo, Turkmenistan, Ukraine, Uruguay en
    Uzbekistan. Stand op 16 augustus 2007.
33 Coalition provisional authority order number 17 (revised), 27 juni 2004, blz. 4 sectie 2, lid 1.
34 Military Technical Agreement between the International Security Assistance Force (ISAF) and the Interim
    Administrations of Afghanistan.
35 ‘Contractor support is covered in the MTA with Afghanistan’, Instructions to NAMSA contractors deployed at
    Kandahar Airfield Afghanistan, 9 november 2006.
36 De ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, antwoorden op Kamervragen van lid Pechtold over
    particuliere beveiligingsbedrijven, 7 november 2007.
                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Dit legt dus een bijzondere politieke en morele verantwoordelijkheid op de
troepenzendende staten (TZS) erop toe te zien dat niemand de facto immuniteit geniet en
dat iedereen die een strafbaar feit begaat, kan worden vervolgd. Probleem hierbij is dat de
TZS alleen jurisdictie bezitten over personen die de nationaliteit van deze zendstaat
bezitten en maar in heel beperkte mate over personen met een andere nationaliteit.
Kortweg kunnen in dit verband drie verschillende situaties worden onderscheiden waarin
staten in een bepaalde rechtsverhouding tot PMC’s kunnen staan: (1) ‘troepenzendende
staten’ die PMC’s inhuren, (2) ‘gaststaten’ waar PMC’s opereren en (3) ‘zendstaten’ in het
algemeen, waarvan de contractors de nationaliteit bezitten c.q. de staten vanuit waar de
PMC’s opereren en waar bijvoorbeeld hun hoofdkwartier is gevestigd.
Individuele aansprakelijkheid en gaten in de rechtsvervolging
Voor Nederland levert dat het volgende beeld op in gevallen waar het gastland immuniteit
verstrekt aan zowel de Nederlandse krijgsmacht als aan de door Nederland ingehuurde
private dienstverleners:
    Door Nederland ingezet                          Nederlandse jurisdictie
    Nederlandse militair                            Valt volledig onder Nederlandse straf- en
                                                    tuchtrecht
    Nederlandse contractant in het                  Valt in mindere mate dan Nederlandse militairen
    operatiegebied                                  onder het Nederlandse strafrecht, alleen bij
                                                    ernstiger vergrijpen (zie artt. 3 - 8 van het
                                                    Wetboek van Strafrecht en enkele bepalingen in
                                                    bijzondere wetten)
    Buitenlandse contractant in het                 Valt in heel beperkte mate onder het Nederlandse
    operatiegebied                                  strafrecht, alleen bij zeer ernstige vergrijpen, zoals
                                                    foltering. Valt verder onder het strafrecht van het
                                                    land van zijn nationaliteit.
    Lokale contractant in het                       Valt in heel beperkte mate onder het Nederlandse
    operatiegebied                                  strafrecht, alleen bij zeer ernstige vergrijpen,
                                                    zoals foltering. Valt in beginsel onder het lokale
                                                    strafrecht, maar is daarvoor immuun indien wordt
                                                    gehandeld in uitoefening van de functie.
    Tabel 1: overzicht Nederlandse rechtsmacht ingeval met het gastland immuniteit is
    overeengekomen.37
Aan de hand van dit overzicht, dat onvermijdelijk een ingewikkelde werkelijkheid enigszins
vereenvoudigt, vestigt de AIV er de aandacht op dat gaten in de mogelijke strafvervolging
37 Deze tabel dient enkel ter illustratie van de gaten in de Nederlandse rechtsmacht ingeval met een gastland
    immuniteit is overeengekomen. Het beoogt geen uitputtende weergave te geven van alle gevallen waar het
    Nederlandse recht in het buitenland van toepassing is. Ook houdt de tabel geen rekening met de
    mogelijkheid van universele jurisdictie waaronder contractors in geval van zeer ernstige internationale
    misdrijven (o.a. foltering) kunnen vallen. Voor Nederland betreft dit misdrijven die zijn opgenomen in de Wet
    Internationale Misdrijven (WIM).
                                                         18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>zijn aan te wijzen. In de eerste plaats is de kans dat een Nederlandse militair bij een
misdrijf wordt vervolgd en wordt bestraft groter dan als een (Nederlandse) dienstverlener
hetzelfde delict pleegt. Verder is Nederland voor de vervolging van niet-Nederlandse
contractanten in het inzetgebied afhankelijk van de effectieve toepassing van de specifieke
nationale wetgeving van derde landen. Garanties dat het daarbij tot een vervolging komt,
zijn er niet. Op zijn minst moet de wetgeving van het land van herkomst van de contractor
rekening met deze mogelijkheid houden en moet bovendien een redelijke verwachting
bestaan dat het desbetreffende land in voorkomend geval metterdaad tot vervolging bereid
en in staat is. Het enige rechtsmiddel dat Nederland in dergelijke gevallen bezit, is het
ontslag te eisen van betrokkene en/of het gehele contract met desbetreffende partij te
ontbinden – tenminste, als dit vooraf in het contract is vastgelegd.
Dit beeld is overigens voor alle landen gelijk. Bij nationale wetgeving doet zich namelijk
steeds een aantal specifieke problemen voor:38
• Ontwijkgedrag. Een PMC kan zich eenvoudig aan nationale wetgeving onttrekken door
    zich in een ander land te vestigen. Verder opereren buitenlandse contractors min of
    meer in een juridisch niemandsland tussen drie rechtsystemen in, van het gastland, het
    troepenzendende land en het land van herkomst van de contractant.
• Extraterritoriale jurisdictie. Er is het probleem dat een (door Nederland) ingehuurde
    (buitenlandse) PMC in een operatiegebied in een ander land opereert. En de uitoefening
    van juridisch gezag van hetzij het land dat de troepen heeft uitgezonden, hetzij van het
    land van vestiging van de PMC in een andere, soevereine, staat is op zijn zachtst gezegd
    niet eenvoudig. Hier speelt ook mee dat de verzameling van bewijsmateriaal in het
    buitenland op de plaats delict door nationale onderzoekers uiterst lastig is.
• Complexe materie. Deze industrietak is, met zijn vele uiteenlopende wereldwijde
    activiteiten, moeilijk in nationale wetten te vangen die de talloze mazen effectief
    dichten.
Nationale wetgeving, zeker van een land met de omvang van Nederland, kan dus hooguit
zeer ten dele effectief een industrie reguleren die vrijwel volledig in het buitenland is
gevestigd en die bovendien in het buitenland opereert.39 Een uitzondering hierop vormt in
zekere mate de VS, waar de meeste PMC’s zijn gevestigd en die thans ook verreweg de
meeste PMC’s hebben ingehuurd. Maar ook de VS stuiten hiermee in de praktijk op grote
juridische problemen, zoals hieronder blijkt.
De Amerikaanse situatie
Naar aanleiding van misdragingen door PMC’s in de jaren negentig hebben de VS in 2000
de Military Extraterritorial Jurisdiction Act (MEJA) aangenomen om contractors onder het
VS-rechtssysteem te brengen. Deze wet heeft echter alleen betrekking op contractors die
voor het Pentagon werken. Blackwater, maar ook alle andere PMC’s die in Irak voor het
Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken werken, vallen niet onder de MEJA en zijn
dus in ieder geval de facto immuun en mogelijk zelfs de jure. Maar ook verder is de MEJA
weinig effectief gebleken: volgens het Amerikaanse congreslid Price is de MEJA de
afgelopen jaren slechts eenmaal toegepast, terwijl er anderzijds alleen al voor Irak meer
dan 60 krijgsraadzaken zijn geweest.40
38 Singer, 2003-2004, blz. 534-537
39 Sarah Percy, Regulating the Private Security Industry, Adelpi Paper 384, 2006.
40 David Price (D-NC), Speech: Uphold Accountability for Security Contractors, 3 oktober 2007.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Om hierin verandering te brengen is het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden begin
oktober 2007 akkoord gegaan met een verruiming van de MEJA, zodat deze voortaan
betrekking heeft op alle contractors die door Amerikaanse overheidsinstanties in
operatiegebieden worden ingehuurd. Dit voorstel kent echter wel twee beperkingen: (1) het
heeft alleen betrekking op Amerikaanse onderdanen en (2) het heeft alleen betrekking op
misdrijven waarvoor in de VS minimaal een gevangenisstraf van één jaar geldt.
De MEJA Expansion and Enforcement Act of 2007, zoals deze aanvulling heet, stelt verder
voor dat de FBI in elk operatiegebied een Theater Investigative Unit opricht die ter plekke
onderzoek naar vermeende misdrijven kan verrichten. Het Amerikaanse ministerie van
Justitie moet volgens dit wetsvoorstel het Congres regelmatig op de hoogte stellen van de
stand van zaken.41 Naar verwachting komt de Amerikaanse Senaat op korte termijn met
gelijkluidende voorstellen. Inmiddels is eind oktober 2007 wel besloten dat alle door PMC’s
beveiligde konvooien onder de verantwoordelijkheid van het Pentagon, en dus van de MEJA
uit 2000, vallen.42
Een ander instrument dat de Amerikaanse overheid sinds kort ter beschikking staat om
contractors in het buitenland te vervolgen, is de Uniform Code of Military Justice (UCMJ), de
Amerikaanse krijgstucht. Deze code is sinds het Amerikaanse begrotingsjaar 2007 ook van
toepassing op private contractors die tijdens contingency operaties worden ingezet. Maar
terwijl de wet al eind 2006 is aangepast, heeft het Pentagon tot op heden nog geen
stappen ondernomen om deze wet in de praktijk uit te voeren.43 Op grond van deze nieuwe
wet is nog geen contractant vervolgd. Naar aanleiding van deze wetswijziging in de VS vroeg
het toenmalige Eerste Kamerlid Van Middelkoop in januari 2007 aan de regering ‘na te
gaan of een analoge aanpassing van ons militair strafrecht aanbeveling verdient’. In haar
antwoord verwees de regering naar haar voornemen de AIV hierover advies te vragen.44 Het
voorliggend rapport gaat hierop nader in onder paragraaf IV.2.
Ondertussen werkt de Iraakse overheid hard aan wetgeving om Order-17 ongedaan te
maken en contractors voortaan onder Iraakse wetgeving te laten vallen. Niet bekend is hoe
de reactie van met name de VS hierop zal zijn.
Politieke verantwoordelijkheid en staatsaansprakelijkheid
Volgens de AIV is de verlening van immuniteit aan PMC’s ten opzichte van de jurisdictie van
het gastland, als dit in feite neerkomt op straffeloosheid, niet acceptabel a fortiori waar het
zou gaan om de vervolging van ernstige misdrijven die vallen onder grove schendingen van
de rechten van de mens respectievelijk ernstige schendingen van het internationale
humanitaire recht. Immuniteiten en straffeloosheid op dit gebied vormen inbreuken op het
internationale recht, zoals dat zich de laatste decennia heeft ontwikkeld. De AIV wijst in dit
verband op het beginsel van staatsaansprakelijkheid.
41 MEJA Expansion and Enforcement Act of 2007, aanvaard in het House of Representatives op 4 oktober 2007.
42 U.S. Military to Supervise Iraq Security Convoys, The New York Times, 31 oktober 2007.
43 ‘In turn, while the UCMJ legal change happened in Fall 2006, the Pentagon is yet to issue a guidance on how
    JAG officers [Judge Advocate General’s Corps] should use it in the field.’ Singer, september 2007, blz. 12.
44 Antwoord van de minister van Defensie op vragen van het lid Van Middelkoop inzake toepassing militair
    strafrecht op (werknemers van) particuliere bedrijven, die op contractbasis diensten verlenen aan het leger
    tijdens militaire operaties, 2 februari 2007.
                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>De aansprakelijkheid van de staat mag niet met de politieke verantwoordelijkheid van de
regering worden verward.45 Zo leidt het op zich nemen van politieke verantwoordelijkheid
als gevolg van de complexiteit van de internationale verhoudingen niet altijd tot de
aanvaarding of toerekening van staatsaansprakelijkheid. In hoeverre politieke
verantwoordelijkheid voor het gedrag van ingehuurde dienstverleners ook leidt tot
staatsaansprakelijkheid voor hun eventuele misdragingen, hangt af van de toepasselijkheid
van de hier nader te noemen basisregels.
Daarbij is het uitgangspunt voor staatsaansprakelijkheid dat staten zich niet aan hun
internationaal-rechtelijke verplichtingen kunnen onttrekken door staatstaken te
privatiseren.46 Illustratief is de volgende uitspraak van het VN-Mensenrechtencomite uit
2004:
    ‘The positive obligations on States Parties to ensure Covenant rights will only be fully
    discharged if individuals are protected by the State, not just against violations of
    Covenant rights by its agents, but also against acts committed by private persons or
    entities that would impair the enjoyment of Covenant rights in so far as they are
    amenable to application between private persons or entities.’ 47
Het gemeenschappelijk artikel 1 van de Geneefse verdragen bepaalt dat staten ‘onder alle
omstandigheden’ dienen te verzekeren dat de relevante internationale verdragen worden
gerespecteerd. Dat betekent bijvoorbeeld dat een staat die de bewaking van een militair
object door een private beveiligingsdienst laat verrichten, ervoor dient te zorgen dat de
medewerkers van het bedrijf behoorlijk getraind zijn, dat zij een passende geweldsinstructie
hebben gekregen en dat zo nodig repressief wordt opgetreden tegen schendingen. Door
PMC’s gepleegde schendingen van het internationale recht kunnen aan de inhurende staat
worden toegerekend als het bedrijf (of de particuliere persoon) in kwestie:
a. Als staatsorgaan optreedt, bijvoorbeeld doordat het in de krijgsmacht is
    geïncorporeerd.48 Daarbij gaat het erom dat er sprake is van volledige afhankelijkheid,
    waarbij het bedrijf of de personen als instrument van de staat kunnen worden
    beschouwd.
b. Gemachtigd is om elementen van staatsgezag uit te oefenen, bijvoorbeeld het
    ondervragen van gevangen of het plegen van geweld in het kader van een gewapend
    conflict.49 Daarbij is niet relevant of het desbetreffende gedrag in strijd was met door de
    staat verstrekte instructies.50
45 IGH, 26 februari 2007, par. 378.
46 EHRM, 25 maart 1993, Costello-Roberts versus UK, par. 27.
47 General Comment, No. 31 van het Human Rights Committee, dat toezicht houdt op de naleving van het
    International Covenant on Civil and Political Rights (het zogeheten BUPO-Verdrag). UN
    doc.CCPR/C/21/Rev.1/Add.13, para. 8, 26 mei 2004.
48 Artikel 4 van de Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts, UN General Assembly
    Res. 56/83, 12 December 2001.
49 Artikel 5 van de Articles on Responsibility of States.
50 Artikel 7 van de Articles on Responsibility of States.
                                                         21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>c. Handelt op instructie van de staat of indien het onder zijn controle staat.51 In de
   rechtspraak wordt hier het sleutelbegrip ‘effectieve controle’ gebruikt.52 Per gebeurtenis
   zal worden beoordeeld of het onrechtmatig gedrag van de particulier ingehuurde
   personen of eenheden feitelijk onder de effectieve controle van de staat – de
   krijgsmacht – handelden. Het gaat hier niet om de juridische constructie, want die kan
   als rookgordijn worden gebruikt. Ook een nalaten in te grijpen, kan de staat worden
   aangerekend.
d. De staat door erkenning en adoptie van de onrechtmatige actie van de civiel ingehuurde
   personen of eenheden de verantwoordelijkheid aan zich trekt. Bij deze mogelijkheid
   gaat het ook om gedrag waaruit de erkenning en adoptie van de verantwoordelijkheid
   voor het gedrag van ingehuurde personen kan worden opgemaakt.53 Als dit
   onvoorwaardelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is, mag hieraan ook
   terugwerkende kracht worden toegekend.54
De hier opgesomde basisregels vormen echter een weinig uitgekristalliseerd onderdeel van
het internationale recht en laten ruimte voor interpretatie. Verder kan staats-
aansprakelijkheid ook ontstaan indien de staat verzuimt voldoende maatregelen te nemen
om onrechtmatige handelingen van PMC’s, die met medeweten van de inhurende staat,
worden gepleegd te voorkomen dan wel verzuimt daartegen repressief op te treden. Hoewel
er geleidelijk jurisprudentie op dit gebied ontstaat, zal het oordeel van een internationale
rechter in een concrete situatie sterk afhangen van de feitelijke omstandigheden.
Aangezien het in de hier besproken gevallen gaat om dienstverlening direct verbonden met
de uitoefening van het geweldsmonopolie van de staat, en niet om dienstverlening in het
normale maatschappelijke verkeer, kiest de AIV voor een ruime interpretatie. Dat houdt
volgens de Raad in dat de Nederlandse regering ten opzichte van PMC’s dient uit te gaan
van laagdrempelige staatsaansprakelijkheid. Dit betekent dat de regering als uitgangspunt
zou dienen te nemen dat de Nederlandse staat in laatste instantie internationaal-rechtelijk
aansprakelijk is voor de gevolgen van ernstige vormen van wangedrag van door hem
ingehuurde PMC’s.55
Jurisdictie en procedures voor schadeclaims
Verreweg de meeste crisisbeheersingsoperaties worden in coalitieverband uitgevoerd. Dit
zorgt er mede voor dat de aansprakelijkheid van troepenzendende staten in internationale
operaties voor mogelijke schendingen van de mensenrechten, waaronder die door PMC’s,
complex is. In de praktijk is gebleken dat mogelijke slachtofferclaims tussen wal en het
schip kunnen vallen als de troepenzendende staat naar de Verenigde Naties verwijst en de
51 Artikel 8 van de Articles on Responsibility of States.
52 IGH, 27 februari 2007, par. 397. Het IGH verwijst hier zonder meer naar artikel 8 van de Articles on
   Responsibility of States: Conduct directed or controlled by a State.
53 Interessant is dat de mogelijkheid van artikel 11 van de Articles on Responsibility of States heel dicht ligt bij
   de bovengenoemde politieke verantwoordelijkheid die door een staat kan worden erkend.
54 Dit was het geval in de Hostages case (Diplomatic and Consular Staff case), ICJ Reports 1980.
55 Willem van Genugten, Marie-José van der Heijden en Nicola Jägers, Inzet huurlingen riskant, de Volkskrant,
   13 november 2007.
                                                         22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>volkerenorganisatie deze aansprakelijkheid van de hand wijst.56
Nog steeds bestaat er geen goed claimsysteem voor negatieve gevolgen van het optreden
van VN-troepen tijdens missies. Hoewel op dit gebied sprake is van enige ontwikkeling, is er
nog (lang) geen overzichtelijke en toegankelijke procedure die uniforme regels toepast voor
diverse typen schendingen van mensenrechten of humanitaire normen. Dit claimsysteem
valt nog altijd onder de rechtsmacht van de troepenzendende staten en de mogelijkheid om
compensatie te ontvangen, verschilt sterk van land tot land. Ook in Nederland kan een
civiele schadevergoedingsprocedure tegen de staat worden gevoerd.
Zelfregulering door de private militaire industrie
Zelfregulering houdt in dat de industrie zich vrijwillig conformeert aan een code of conduct
waarin standaarden zijn neergelegd waaraan deelnemende bedrijven zich moeten houden,
zij het alleen op straffe van ‘excommunicatie’. Het idee hierachter is dat dit zin heeft omdat
bedrijven reputatieschade willen voorkomen in een markt waar klanten prijs stellen op een
onberispelijke staat van dienst. Zelfregulering kan een nuttige bijdrage leveren als deze in
het contract als voorwaarde wordt opgelegd. Alleen bedrijven die deze code onderschrijven,
zouden dan moeten worden ingehuurd.
Toch biedt ook dit geen garanties. Immers, Blackwater, een van de agressiefst opererende
PMC’s in Irak, was tot oktober 2007 lid van de Amerikaanse belangenvereniging IPOA en
had de code of conduct hiervan onderschreven.57 Het is dus wenselijk dat in dergelijke
codes een serieus controlemechanisme is ingebouwd dat toeziet op de naleving ervan.
De directeur-generaal van de British Association of Private Security Compagnies (BAPSC)
erkent dat er een limiet is aan wat een dergelijke belangenorganisatie kan doen. Maar, zegt
hij, er is geen silver bullet waarmee de industrie kan worden gereguleerd en ook is het zo
dat een vrijwillige code bij afwezigheid van (internationale) wetgeving een
gedragsverandering kan bewerkstelligen.58 Het is echter allerminst een panacee.
56 EHRM, 2 mei 2007, Behrami versus Frankrijk.
57 IPOA-persbericht dat Blackwater het lidmaatschap van IPOA heeft opgezegd, 12 oktober 2007.
58 Interview with Andrew Bearpark, International Review of the Red Cross, Volume 88, Number 863,
    September 2006.
                                                      23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>III         Nederlandse inhuur van PMC’s: casus Afghanistan
III.1       Openbare informatie over inhuur is beperkt
Ook Nederland huurt in Afghanistan private diensten in, ‘ook die waarbij het gebruik van
geweld niet uitgesloten is’, aldus de regering in haar adviesaanvraag. In dit hoofdstuk wordt
op grond van open bronnen uiteengezet welke taken en functies inmiddels door de
Nederlandse krijgsmacht in het kader van de operaties in Afghanistan worden uitbesteed.59
De openbare informatie over de Nederlandse private inhuur en de private organisaties
waarmee het internationaal samenwerkt, is summier en gefragmenteerd. Op basis hiervan
lijkt de Nederlandse regering, net als die van de VS, niet in staat enige informatie – zowel
positief als negatief – te verstrekken over de kosteneffectiviteit van het gebruik van
contractors in plaats van militaire eenheden.
De AIV beveelt dan ook als eerste aan dat de regering een dergelijk overzicht aanvult,
openbaar maakt en gedurende de operatie steeds actualiseert.
   Taak                            Organisatie/             Aantal personen                 Contractbedrag
                                   Nationaliteit                                            in miljoenen O
   Brandstoftransport uit          Shell61: Brits/          Onbekend, maar                   12 (stand per
   Baluchstan, Pakistan            Nederlands.              naar schatting van               maart 2007).62
   naar Tarin Kowt en                                       de AIV: ten minste
   Deh Rawod.                                               100 personen.
   Gewapende beveiliging
   is sub-contracted.60
  Voedseltransport                  Supreme63:              Onbekend, maar                   71 (Samen met de
  Kaboel/Kandahar                   hoofdkwartieren         naar schatting:                  volgende regel,
  naar Tarin Kowt en                in Zwitserland,         ten minste 100                   stand per maart
  Deh Rawod.                        Dubai en                personen.                        2007).
  Gewapende beveiliging             Duitsland.
  is sub-contracted.
  Catering Kamp Holland             Supreme (zie            3064                             Zie vorige regel.
  (Tarin Kowt).                     hierboven).
59 Het ministerie van Defensie heeft de AIV inzage gegeven in een vertrouwelijk overzicht van civiele
     dienstverlening in Afghanistan.
60 Interview met kolonel J.M. Harts, hoofd J4 (materiële logistiek) van de Directie Operaties van de Defensiestaf
     (DOPS), Carré, 12 -2007, blz. 16.
61 Task Force Uruzgan en zijn logistieke keten, Defensiekrant, 21 juni 2007, blz. 6, http://www.mindef.nl.
62 Zie tabel in de Kamerbrief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie met aanvullende
     informatie over Afghanistan, 24 augustus 2007.
63 Verslag van wetgevingsoverleg over de financiële verantwoording over het jaar 2005, 26 juni 2006,
     blz. 16 en 18 (Kamerstuk 30 550, nr. 10). Zie ook Defensiekrant van 21 juni, blz. 6-7.
64 Defensiekrant, 21 juni 2007.
                                                       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>  Taak                          Organisatie/               Aantal personen                 Contractbedrag
                                Nationaliteit                                              in miljoenen O
 Lokale inhuur65                ?                          ?                                3 (stand per
 personeel.                                                                                 maart 2007).
 Onderhoud                       ?                         ?                                 ?
 helikopters.66
 Onderhoud                       ?                         ?                                ?
 pantserwagen
 type
 Bushmaster.67
 Lokaal                          PANH –                    ?                                42 (Totale kosten
 luchttransport                  Rusland68                                                  luchtsteun voor
 MI-26 helikopter                                                                           ondersteuning
 voor                                                                                       van operaties in
 bevoorrading                                                                               Afghanistan,
 Tarin Kowt en                                                                              stand per sep-
 Deh Rawod.                                                                                 tember 2007).69
 Lokaal lucht-                   PANH –                    ?                                Zie vorige regel.
 transport 2 X                   Rusland
 Antanov AN-12
 transportvliegtuig
 en voor bevoor-
 rading Tarin Kowt.
 Lokaal                         SAFAIR –                   770                              Zie vorige regel.
 luchttransport                 Zuid-Afrika.
 Hercules L-100
 vrachtvliegtuig.
65 Kamerbrief van 24 augustus 2007.
66 Joop Voetelink, De status van contractors bij de ondersteuning van Nederlandse troepen in het buitenland,
    in het themanummer Contractors van het Militair Rechtelijk Tijdschrift, Jaargang C, juli-augustus 2007
    (aflevering 7), blz. 233.
67 Ibid.
68 De Vliegende Hollander, juni 2007, blz. 9. Zie ook de Defensiekrant van 21 juni 2007, blz. 6.
69 De minister en de staatssecretaris van Defensie in antwoorden op Kamervragen over de beleidsbrief
    Wereldwijd dienstbaar, 22 oktober 2007, blz. 37-38. In een eerder antwoord van de minister van Defensie
    aan de vaste commissie voor Defensie schreef de minister dat de civiele inhuur van luchttransport ongeveer
    20% uitmaakt van de financiële raming van de hele operatie in Uruzgan, 26 juni 2007, blz. 3.
70 Meer transport Afghanistan, Defensiekrant, 6 september 2007, blz. 11.
                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>   Taak                             Organisatie/              Aantal personen               Contractbedrag
                                    Nationaliteit                                           in miljoenen O
  Lokaal lucht-                     Voyageur –                672                            Zie vorige regel.
  transport DASH-7                  Canada.
  personen-vervoer.
  Toestel wordt
  voorzien van
  zelfbeschermings-
  middelen.71
  Afghan Security                    Dit betreft              ?                              ?
  Guard (ASG)                        individueel
  voor gewapende                     door
  beveiliging van                    Nederland
  de buitenring                      ingehuurde
  van Tarin Kowt                     Afghanen.73
  en van Deh
  Rawod.
  Beveiliging                        Bedrijf                  ?                              ?
  ambassade en                       onbekend. De
  diplomaten in                      beveiligers
  Kabul.                             hebben echter
                                     allen een
                                     Nederlands
                                     diplomatiek
                                     paspoort.74
   Tabel 2: Nederlandse inhuur van PMC’s in Afghanistan, op basis van open bronnen (voor
   zover door de AIV tot medio december 2007 waargenomen).
Beperking van de tabel
In de tabel zijn geen PMC’s opgenomen waarmee Nederland in het kader van ISAF nauw
samenwerkt, of PMC’s die Nederland samen met andere NAVO-lidstaten door tussenkomst
van NAVO/NAMSA (NATO Maintenance & Supply Agency) inhuurt. In dit verband is het
vermeldenswaard dat de Koninklijke Marechaussee (Militaire Politie, MP) in Uruzgan nauw
samenwerkt met het Amerikaanse Dyncorp, dat door de VS is ingehuurd voor onder meer
71 De Vliegende Hollander, juni 2007.
72 Defensiekrant van 6 september, zie ook Vergroting transportcapaciteit Afghanistan, De Vliegende Hollander,
     nummer 9, oktober 2007, blz. 35.
73 De ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, antwoorden op Kamervragen van lid Pechtold over
     particuliere beveiligingsbedrijven, 7 november 2007. De buitenring ligt op ruim 1 kilometer van de
     binnenring die direct om het kamp ligt. De buitenring is ongeveer 10 kilometer lang en bestaat uit een
     fysieke afscheiding. Landingsstrips liggen binnen de buitenring.
74 Aldus de minister van Buitenlandse Zaken tijdens een Kamerdebat op 13 november 2007.
                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>opleiding en training van Afghaanse veiligheidstroepen.75 Deze organisatie kwam eind
jaren negentig in Bosnië-Herzegovina in opspraak toen verscheidene van haar werknemers
werden beschuldigd van perverse handelingen, illegale wapenhandel en handel in valse
paspoorten. Het onderzoek naar deze beschuldigingen is nooit goed van de grond
gekomen, ten dele omdat het juridische kader ontbrak of vaag was.76
Opmerkingen bij de tabel
De aanvoer van voedsel (klasse 1) en brandstof (klasse 3) in Afghanistan wordt uitgevoerd
door PMC’s. Ofwel door ‘lokaal personeel in dienst van private dienstverleners’, aldus de
regering op 7 november 2007 in antwoord op Kamervragen over particuliere
beveiligingsbedrijven.77 De AIV vraagt zich af of dit antwoord wel helemaal consistent is,
aangezien de regering één alinea daarvoor zegt dat civiel personeel voor zover mogelijk niet
buiten de bases wordt ingezet, omdat er geen sprake van een vaste frontlijn is.
Uitgangspunt daarbij is dat civiele dienstverleners ‘onder zo veilig mogelijke
omstandigheden hun werkzaamheden kunnen verrichten’, aldus de regering.
Volgens de antwoorden van de regering ligt de veiligheid van dit transportpersoneel echter
primair bij de werkgever. ‘Daarbij huren deze bedrijven ook zélf de benodigde beveiliging
van de transporten in’, aldus het hoofd van de materiële logistiek (J4) van de Directie
Operaties van de Defensiestaf.78 Nederland betaalt lokale contractanten voor force
protection.79 Dat betekent dat PMC’s die in opdracht van Nederland (mogelijk samen met
andere ISAF-partners) werken, geweld kunnen toepassen, zonder dat Nederland hierbij
verder op enigerlei wijze is betrokken of daarvan weet heeft. Een dergelijke praktijk staat op
gespannen voet met de politieke verantwoordelijkheid van de minister voor dergelijke
inhuur en met het beginsel van staatsaansprakelijkheid.
III.2     Juridische aspecten van deze casus
Zoals in hoofdstuk II is beschreven, regelt de MTA van ISAF/NAVO immuniteit van lokale
rechtsvervolging voor zowel de militairen als voor de private dienstverleners. Nederlandse
militairen vallen onder het Nederlandse militaire straf- en tuchtrecht, zodat over de
mogelijkheid van vervolging geen onduidelijkheid bestaat. Onduidelijkheid bestaat echter
wel over de mogelijkheid tot rechtsvervolging van private dienstverleners die door de
38 troepenleverende landen van ISAF (waaronder ook een aantal niet NAVO-lidstaten)80 en
door de NAVO/NAMSA worden ingehuurd (zie hoofdstuk II).
75 Defensiekrant, 13 september 2007, blz. 11.
76 Singer, 2003, blz. 525.
77 De ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie, antwoorden op Kamervragen van lid Pechtold over
    particuliere beveiligingsbedrijven, 7 november 2007.
78 Carré 12 -2007, blz. 16.
79 Kolonel H.M.J. van Lamoen e.a., Operationele verwerving, Militaire Spectator, jaargang 176, 11-2007, blz. 484.
80 Stand op 22 oktober 2007, bron NAVO-website.
                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>In diverse Kamerbrieven staat dat Nederlandse militairen reeds bij (dodelijke)
schietincidenten betrokken zijn geweest.81 Deze incidenten worden standaard door de
Koninklijke Marechaussee onderzocht. In haar brief van 7 november 2007 schrijft de
regering dat zich bij particulier veiligheidspersoneel dat de Nederlandse ambassade
bewaakt, tot op heden geen veiligheidsincidenten hebben voorgedaan waarbij door
toedoen van dit personeel slachtoffers zijn gevallen. Zou zich een ernstig incident
voordoen, dan valt dit Nederlandse personeel dat diplomatieke immuniteit geniet, onder
het Nederlandse recht.
Daarentegen is de ASG wel bij geweldsincidenten betrokken geweest, volgens de brief van
7 november. Hierbij geldt als bijzonderheid dat de ASG weliswaar is onderworpen aan het
Afghaanse recht, maar hiervoor immuun is als wordt gehandeld in uitoefening van de
functie. Deze ASG-incidenten zijn ‘volgens de geldende procedures’ in de Nederlandse lijn
gerapporteerd. Op basis van de beschikbare informatie is gebleken dat de betrokken ASG-
leden hebben gehandeld conform de geldende geweldsinstructie, die is gebaseerd op het
recht op zelfverdediging, aldus de regering in genoemde brief van 7 november. De brief
doet verder geen mededelingen over mogelijke slachtoffers of over de vraag of hierbij ook
Nederlandse Marechaussee of het Nederlandse Openbaar Ministerie (OM) zijn betrokken.
Of de overige contractors, waarvoor Nederland politiek verantwoordelijk en mogelijk
juridisch aansprakelijk is, ooit bij geweldsincidenten zijn betrokken, is de AIV niet bekend.
Het gaat hier met name om de brandstof- en voedseltransporteurs die voor hun eigen
bescherming zorgen.
III.3     Nederland is operationeel afhankelijk van PMC’s
Nederland is voor militaire operaties als in Afghanistan operationeel dus afhankelijk van
private inhuur. Hoewel dit al langer bekend was voor het strategische transport – van het
thuisland naar het operatiegebied – blijkt dit in toenemende mate ook te gelden voor de
tactische ondersteuning in het operatiegebied zelf. Behalve dat het onderhoud aan
militaire transportmiddelen (helikopters en Bushmaster) deels door burgerpersoneel
geschiedt (maar wie onderhoudt het materieel als de burgers vanwege het veiligheidsrisico
worden geëvacueerd?) is ook de aanvoer van essentiële goederen als brandstof en
levensmiddelen aan private partijen uitbesteed.
Daarbij stelt Nederland zich formeel op het standpunt dat deze laatste taken in geval van
nood – bijvoorbeeld als private partijen zich vanwege de toenemende risico’s zouden
terugtrekken – militair kunnen worden overgenomen (contingency planning). Maar ons land
lijkt thans niet in staat of bereid uit het bestaande troepencontingent een eenheid van een
zodanige omvang vrij te maken om deze aanvoerlijnen te garanderen, zonder dat de
lopende operatie daardoor (ernstig) wordt gehinderd. Niet voor niets werden in september
2007 juist twee pelotons (ongeveer 80 militairen) extra ingevlogen, die tijdelijk zullen
bijdragen tot de vergroting van de lokale veiligheid. Het huidige aantal militairen in het
inzetgebied is gebaseerd op het uitgangspunt dat de logistiek voor een groot deel aan
private bedrijven wordt uitbesteed. Als Nederland deze logistieke taken zou willen
overnemen, zou het aantal militairen dan ook substantieel moeten worden verhoogd, en
dat ligt politiek gevoelig.
Een dergelijke inhuur kan dus zijn ingegeven om tegemoet te komen aan politieke
bezwaren tegen een als te omvangrijk geziene inzet van militairen. Een ander aspect is dat
81 Zie bijvoorbeeld de Kamerbrief van 24 augustus 2007.
                                                    28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>private inhuur in operatiegebieden uit de Homogene Groep Internationale Samenwerking
(HGIS) wordt bekostigd en niet uit de Defensiebegroting. De HGIS is een
interdepartementale ‘geldpot’ waaruit onder andere crisisbeheersingsoperaties worden
gefinancierd. Zo wordt bijvoorbeeld de uitbesteding van de catering aan het Zwitserse
bedrijf Supreme, die een uitgave vergt van ruim K 71 miljoen, uit dit fonds bekostigd. De
vraag of Supreme echt goedkoper is dan catering volledig door militairen, is om redenen,
zoals uiteengezet in de economische paragraaf II.2, bijna niet te beantwoorden.
Zowel de aard als de omvang van bovengenoemde voorbeelden uit Afghanistan laat zien
dat de problematiek van de inhuur van PMC´s ook voor Nederland het stadium van de
theorie duidelijk voorbij is. Vooral de mate waarin de minister van Defensie daarvoor zijn
politieke verantwoordelijkheid kan nemen in relatie tot de gebrekkige juridische kaders –
met uitzondering van het uitgezonden militaire personeel – vormt hierbij een probleem.
                                              29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>IV        Beoordeling van de Nederlandse private inhuur in
          operatiegebieden
IV.1      Diepgaand en breed politiek debat is gewenst
In paragraaf I.2 werd al kort stilgestaan bij het feit dat de toegenomen afhankelijkheid van
private inhuur mede een direct gevolg is van enerzijds de politieke keuze om expeditionaire
operaties uit te voeren en anderzijds niet alleen van de per definitie beperkte
mogelijkheden van de krijgsmacht, maar ook van de beperkte budgettaire armslag van de
krijgsmacht ten gevolge van eerdere politieke prioriteitstelling. Veel politieke discussie over
de gevolgen van deze ontwikkelingen – die sommigen reeds voor onvermijdelijk houden – is
er in Nederland echter nog niet. Ook de Tweede Kamer heeft het wat deze problemen
betreft bij enkele Kamervragen gelaten.
Een diepergaande en bredere discussie over private dienstverlening in operatiegebieden is
volgens de AIV echter zeer gewenst. Want dit is geenszins een puur technische kwestie.
Hieraan kleven, zoals hierboven is betoogd, een reeks belangrijke vraagstukken over
thema’s als politieke verantwoordelijkheid, staatsaansprakelijkheid, het geweldsmonopolie
van de staat, operationele afhankelijkheid, accountability en de democratische controle in
het algemeen.
In dit verband wijst de AIV ook op het recente voornemen van het kabinet om de komende
tijd verkenningen uit te voeren naar het wenselijke niveau van de defensiebestedingen op
langere termijn, mede in relatie tot het huidige ambitieniveau en in bondgenootschappelijk
perspectief.82 De AIV adviseert daarin nadrukkelijk ook aandacht te besteden aan de
verhouding tussen het ambitieniveau en de inrichting van de krijgsmacht enerzijds en de
daaraan verwante problemen van private inhuur om lacunes op te vangen anderzijds.
Hierbij dienen volgens de AIV ook de ministers van Buitenlandse Zaken en van Justitie,
vanwege de politiek-juridische aspecten daarvan, te worden betrokken. Tot op heden heeft
het ministerie van Buitenlandse Zaken zich grotendeels afzijdig gehouden van de private
inhuur door Defensie en de daarmee samenhangende aspecten. Maar nu Nederland
steeds meer PMC’s inhuurt, wordt de betrokkenheid van Buitenlandse Zaken navenant
relevanter.
Hieronder gaat de AIV vervolgens in op de vijf concrete vragen van de regering.
IV.2      Nederland is hoe dan ook verantwoordelijk
Regeringsvraag 1: Welke diensten kunnen in beginsel wel of juist niet worden gecontracteerd
en welke randvoorwaarden moet de Nederlandse regering hierbij in acht nemen?
Regeringsvraag 2: In hoeverre kan en moet de Nederlandse regering de juridische en politieke
verantwoordelijkheid aanvaarden voor het handelen van civiele dienstverleners en de gevolgen
hiervan en zou Nederland specifieke wetgeving op dit gebied moeten ontwikkelen?
82 De minister en de staatssecretaris van Defensie, Beleidsnotitie Wereldwijd Dienstbaar, 18 september 2007.
    Zie ook de brief van beide bewindspersonen over dit onderwerp van 16 november 2007.
                                                     30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>De AIV beantwoordt beide vragen in samenhang, omdat de vraag welke diensten kunnen
worden gecontracteerd niet los kan worden gezien van de Nederlandse (politieke)
verantwoordelijkheid daarvoor.
Over de vraag in hoeverre de Nederlandse regering de politieke verantwoordelijkheid
draagt voor handelingen van door Nederland ingehuurde private dienstverleners in
operatiegebieden, is het antwoord volgens de AIV duidelijk. Volgens de AIV is de regering
altijd politiek verantwoordelijk voor het handelen van dienstverleners die door haar, of door
een samenwerkingsverband waarvan Nederland deel uitmaakt, worden ingehuurd.
De vraag of Nederland daarvoor ook juridisch verantwoordelijk is, beantwoordt de AIV ook
bevestigend. De Nederlandse staat is in beginsel aansprakelijk, zoals in paragraaf II.4 is
uiteengezet. Dit geldt des te sterker naarmate de toestand in het gastland chaotischer is
en dit zelf geen effectief rechtsstelsel bezit en/of met dit land immuniteit voor lokale
rechtsvervolging is overeengekomen. Iedereen moet voor zijn strafbare daden kunnen
worden vervolgd. Een situatie waarbij bepaalde personen de facto (laat staan de jure)
immuniteit genieten, is niet acceptabel. Dit betekent dat de Nederlandse regering zich
alleen met een PMC dient in te laten, indien zij greep heeft op de wijze waarop het
betrokken bedrijf zijn overeengekomen taak uitvoert. Te meer omdat er, zoals in tabel 1
(paragraaf II.4) is aangetoond, gaten zijn in de mogelijkheid tot rechtsvervolging
(accountability gap).
Uitgangspunt voor de AIV voor het politieke en militaire perspectief op de inhuur van PMC’s
is het behoud van het geweldsmonopolie van de staat. Dit dient niet alleen om de
binnenlandse ordehandhaving te garanderen, maar ook om in het buitenland het collectief
(militair) geweldsgebruik aan banden te leggen en dit de, soms helaas onvermijdelijke,
uitzondering te laten blijven op wat eigenlijk niet is toegestaan. Alleen staten zijn onder
omstandigheden gerechtigd geweld te gebruiken en de staat is en blijft verantwoordelijk en
aansprakelijk voor het door en namens hem uitgeoefende geweld tegen of in een andere
staat. Van die verantwoordelijkheid kan ook niet bij contracten met een PMC afstand
worden gedaan. In dat geval zou sprake zijn van ‘[…] capitalism in uniform and that is a
very risky combination.’ aldus Kamerlid Van Middelkoop in juni 2004.83
Ook de positie van slachtoffers verdient aandacht. Immers, als private contractors immuun
zijn voor de lokale rechtsmacht, kunnen slachtoffers daarop ook geen beroep doen. Het is
niet aanvaardbaar dat waar Nederland gebruik maakt van de diensten van PMC’s en waar
door het handelen (of nalaten) van deze PMC’s slachtoffers vallen, Nederland geen enkele
verplichting zou hebben tegenover deze mensen. Daarbij moet in aanmerking worden
genomen dat volgens de internationale definities van een ‘slachtoffer’ sprake kan zijn,
zonder dat de dader al vervolgd of veroordeeld is.
Als de volkenrechtelijk geboden bescherming manifestly deficient is, moet Nederland volgens
de AIV, waar mogelijk, voorzien in adequate procedures voor een vorm van materiële
schadevergoeding volgens het algemene beginsel dat ‘[…] the payment of claims in a fair
manner was considered to further the rule of law, enhance the reputation [of the
international military forces] and to serve the interests of force protection [of this forces].’84
83 Eimert van Middelkoop, presentatie getiteld Privatisation of warfare tijdens een IKV/Clingendael seminar op
    2 juni 2004. Zie http://www.ikv.nl/detail_page.phtml?page=privatisering.
84 EHMR, 2 mei 2007.
                                                       31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Wat wel, wat niet en criteria daarvoor
Een precieze afbakening van welke diensten wel en van welke diensten niet in het
operatiegebied gebruik kan worden gemaakt, is naar de mening van de AIV niet op
voorhand te geven. Wel constateert de Raad allereerst dat inhuur van private bedrijven
problematischer wordt naarmate deze dichter nadert tot actief geweldgebruik en militaire
kerntaken.
Daarbij moet steeds een politieke afweging worden gemaakt of er sprake is van een
aanvaardbaar risico. Bij een zorgvuldige beoordeling hiervan spelen volgens de AIV in ieder
geval de volgende criteria een rol:
1. het belang van de missie en van de in te huren taken;
2. de handhaving van het geweldsmonopolie van de staat;
3. de veiligheidsrisico’s waaraan het betrokken personeel ter plaatse blootstaat;
4. de mate van operationele afhankelijkheid;
5. mogelijke militaire alternatieven;
6. de juridische inbedding in verband met de staatsaansprakelijkheid;
7. de controlemogelijkheden op de uitvoering van de in te huren taken; en
8. de financieel-economische aspecten.
Het zal overigens in belangrijke mate van de concrete omstandigheden afhangen of de
toepassing van deze toetsingscriteria tot een positieve dan wel een negatieve beslissing
over de inhuur van PMC’s zal leiden.
Offensieve inzet van PMC’s is volgens de AIV op grond van bovenvermelde criteria in elk
geval niet aanvaardbaar. Ook de eventuele inzet van privaat personeel bij het operationele
gebruik van militaire (wapen)systemen85, zou bijvoorbeeld moeten worden uitgesloten.
Daarnaast zijn ook activiteiten als de uitbesteding van strategische planning, de
ondervraging van (krijgs)gevangenen of het integreren van inlichtingen uit diverse
inlichtingenbronnen, risicovol en komen volgens de AIV niet in aanmerking voor
uitbesteding.
Diensten die zich op het eerste gezicht meer lenen voor (gedeeltelijke) uitbesteding, zijn
logistieke ondersteuning, trainingsfaciliteiten en het onderhoud van materieel. Ook hierbij
zijn echter situaties denkbaar waarbij uitbesteding niet gewenst is, bijvoorbeeld in situaties
waarbij de risico’s hoog zijn. In elke situatie moet Nederland zich steeds afvragen of er
sprake is van aanvaardbare risico’s. Dit in het besef dat de regering te allen tijde politiek
verantwoordelijk en de staat in beginsel juridisch aansprakelijk is voor het optreden van
een PMC of een individuele dienstverlener en dat om die reden de controle daarop
gegarandeerd moet zijn.
Gewapende bescherming moet volgens de AIV van geval tot geval aan de hand van
bovengenoemde criteria worden beoordeeld. De AIV adviseert echter hiermee zeer
terughoudend te zijn, zeker zolang over de juridische implicaties daarvan onduidelijkheid
bestaat. Vanuit dit oogpunt plaatst de AIV dan ook vraagtekens bij de inhuur van de Afghan
Security Guard waarvan de leden, zoals gezegd, immuun zijn voor het Afghaanse recht als
zij in uitoefening van de functie handelen en maar zeer beperkt onder de rechtsmacht van
Nederland vallen, omdat zij de Afghaanse nationaliteit bezitten. Overigens kan Nederland
deze immuniteit, zoals ook gesteld, intrekken (waiver).
85 Onder deze typering vallen hier niet de standaard handvuurwapens die PMC’s, die voor beveiligingstaken
     worden ingehuurd, aan hun personeel uitreiken.
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De AIV pleit er in dit kader voor dat de regering zo transparant mogelijk melding maakt van
mogelijke incidenten waarbij ingehuurde contractors zijn betrokken, zoals de al genoemde
geweldsincidenten waarbij de ASG was betrokken. De informatie hierover aan de Staten-
Generaal moet van hetzelfde niveau zijn als de informatie over soortgelijke incidenten
waarbij militairen zijn betrokken.
Informeren van het Parlement
Nu private dienstverlening onlosmakelijk verbonden is geraakt met de militaire missie,
betekent dat volgens de AIV dat deze in de correspondentie met de Kamers ook op gelijk
niveau moet worden behandeld. Gegeven de gevoeligheid van de betrokken problematiek
is het zaak de Staten-Generaal zo vroeg en zo goed mogelijk bij de besluitvorming te
betrekken. Voorkomen moet immers worden dat het beeld ontstaat dat over het militaire
deel wel volledige transparantie wordt betracht en over het private deel niet en dat
hierdoor de democratische controle wordt bemoeilijkt.
De AIV adviseert dan ook al in de toetsingskaderbrief (artikel 100-brief) informatie op te
nemen over de te verwachten private inhuur bij desbetreffende operatie. Daarbij kunnen
bovengenoemde criteria als uitgangspunt worden gehanteerd. Naarmate dit meer de kant
opgaat van gewapende private inzet, zou de informatie gedetailleerder moeten zijn. Voor
gewapende inhuur is volgens de AIV, anders dan nu het geval is, bijvoorbeeld een expliciete
beoordeling door de Tweede Kamer nodig.
Ook de ‘stand van zaken’-brieven die regelmatig over lopende operaties naar de Kamers
worden gestuurd – zoals thans over Afghanistan – zouden structureel aandacht moeten
besteden aan het Nederlandse gebruik van PMC’s, ook als die in bondgenootschappelijk of
coalitieverband worden ingehuurd. Zo zou daarin melding moeten worden gemaakt van
ontwikkelingen met betrekking tot contractors die afwijken van het normbeeld, zoals bij
incidenten. Ook eventuele nieuwe behoeften aan private inhuur in operatiegebieden, die
ten tijde van de artikel 100-brief nog niet konden worden voorzien, kunnen hierin worden
gemeld.
Tijdens deze discussie met de Kamers moet de regering onder andere aantonen dat de
staatsaansprakelijkheid is afgedekt. In dit kader wijst de AIV nog eens op de private inhuur
van de brandstof- en voedseltransporten in het zuiden van Afghanistan, die (mede) in
opdracht van Nederland worden uitgevoerd, maar zich grotendeels buiten de waarneming
van Nederland afspelen. Nederland betaalt lokale contractanten voor gewapende force
protection. Gegeven de grote kans op gewelddadige incidenten in deze gevaarlijke
omgeving moet de regering haar politieke verantwoordelijkheid hiervoor kunnen
waarmaken. Deze lokale contractors zijn zoals gesteld immers immuun voor het lokale
recht zolang zij handelen in hun, Nederlandse, functie.
Inhuur in bepaalde gevallen mogelijk
Met inachtneming van het voorgaande concludeert de AIV dat de inhuur van professionele,
verantwoordelijke en goed gereguleerde PMC’s in bepaalde gevallen inderdaad kan
bijdragen aan de effectiviteit van de militaire operaties en/of de vergroting van de
stabiliteit, waardoor bijvoorbeeld opbouwwerkzaamheden mogelijk worden, zoals Security
Sector Reform (SSR). Want de variant van het inhuren van civiele capaciteiten wanneer
men daarover niet zelf beschikt en deze ook niet van bondgenoten of via de NAVO kan
worden betrokken, biedt een mogelijkheid tot vermindering van de spanning tussen grote
ambities en tekorten in vooral transport- en logistieke capaciteiten. Daarbij moet echter wel
aan strikte voorwaarden worden voldaan.
                                               33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Voorwaarden en afspraken
Bij afwezigheid van internationale verdragen over de inzet van PMC’s en van militaire
jurisdictie over de contractors, kunnen twee, complementaire, wegen worden bewandeld
om tot een toereikend rechtsregime te komen: A) door zelf concrete maatregelen te nemen
op basis van de algemene regels van – laagdrempelig uit te leggen – staatsaansprake-
lijkheid en B) door internationaal te blijven aandringen op regulering van PMC’s. Dit advies
biedt overigens geen uitputtend overzicht van alle mogelijke voorwaarden en afspraken: dat
zou nader moeten worden uitgewerkt. Maar het tracht te formuleren in welke richting de
inhuur van PMC’s zou moeten gaan.
A) Mogelijke concrete maatregelen
Bij het treffen van maatregelen door de Nederlandse regering denkt de AIV in eerste
instantie aan de versterking van bestaande instrumenten, zoals contracten en het
nationale toezicht op de PMC’s, en niet zozeer aan het opstellen van nieuwe wetgeving.
Contracten
Om te beginnen zou Nederland alleen zaken moeten doen met private partijen die begrip
hebben voor de Nederlandse standpunten en die bereid zijn hieraan ten volle mee te
werken en afspraken in het contract vast te leggen. In hoofdstuk III adviseerde de AIV de
regering al om een zo volledig mogelijk overzicht van de Nederlandse civiele inhuur in
operatiegebieden openbaar te maken. Ondanks de op zichzelf begrijpelijke bezorgdheid
van PMC’s over de vertrouwelijkheid van een contract, is de AIV daarbij de mening
toegedaan dat het belang van transparantie en regulering hier de private belangen van
bedrijven overstijgt.
Bij het opstellen van contracten moet de staat rekening houden met het gegeven dat deze
enkel de contractuele relatie met de private dienstverlener betreffen. (Een uitzondering
hierop vormt de ASG waarmee de Nederlandse staat met elk lid afzonderlijk een contract
heeft gesloten.) Het personeel van de contractor heeft geen formele juridische binding met
de inhurende staat, maar staat alleen onder contract bij het desbetreffende bedrijf.86
Zodoende heeft de inhurende staat in juridische zin slechts zoveel zeggenschap over de
contractpartner als in het contract is vastgelegd.
Op zijn minst moet elk contract voldoen aan de voorwaarden die in de codes of conduct
van de Amerikaanse en Britse belangenorganisaties zijn opgenomen en die bij voorkeur
verder door de branche worden aangescherpt.87 Deze voorwaarden houden onder meer in
dat alleen in geval van zelfverdediging gebruik van wapens mag worden gemaakt en dat de
internationale humanitaire en mensenrechtenverdragen moeten worden gerespecteerd.
Daarnaast moeten in het contract specifieke afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld over
de geweldsinstructies of de Rules of Engagement (RoE’s). Over sub-contracting zou moeten
worden opgenomen dat dit alleen na instemming van de inhuurder mogelijk is, maar zeker
niet is toegestaan in geval van gewapende diensten – zoals thans wel het geval is bij de
brandstof- en voedseltransporten. Ook moeten sub-contractors, om voor de hand liggende
redenen, voldoen aan dezelfde minimale eisen als de hoofdcontractant. In het contract
moet tevens speciale aandacht worden geschonken aan de coördinatie met de militairen in
het operatiegebied die de opdrachtgevers zijn. Omgekeerd moeten ook de militairen op de
hoogte zijn van de aanwezigheid en activiteiten van contractors in hun operatiegebied.
86 Voetelink, juli-augustus 2007, blz. 247.
87 Codes of conduct van de Amerikaanse IPOA en de Britse BAPSC.
                                                  34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Gezien de noodzaak van accountability en ook in het licht van de Amerikaanse ervaringen
in Irak, moet het ministerie van Defensie voldoende, speciaal daarvoor opgeleid, personeel
inzetten. Zo kan het, gezien de Nederlandse belangen die in het geding zijn, al was het
alleen maar het gevaar van reputatieschade, gewenst zijn bevoegde Nederlandse
waarnemers (bijvoorbeeld van de Koninklijke Marechaussee)88 mee te sturen met de
hierboven genoemde brandstof- en voedseltransporten.
Ook moeten er vaste slachtoffer- en klachtenregelingen gelden voor personen die door het
optreden van PMC’s benadeeld menen te zijn. Zo zou in het contract moeten staan dat de
PMC in voorkomend geval een intern onderzoek doet en ten volle meewerkt aan onderzoek
door daartoe bevoegde autoriteiten. Zo niet, dan moet het contract kunnen worden
ontbonden.
Versterking Nederlandse juridische capaciteit in het operatiegebied
In recente Amerikaanse voorstellen naar aanleiding van de affaire Blackwater komt verder
het idee van zogeheten Go Teams of een Theater Investigative Unit naar voren. Dit zijn
teams die permanent aanwezig moeten zijn in het gebied waar PMC’s opereren en die zo
nodig snel ter plekke kunnen zijn om onderzoek naar eventuele misdrijven uit te voeren. Zo
wordt getracht de kans te verkleinen dat privaat personeel ongestraft misdrijven kan
plegen.
Dit lijkt de AIV in beginsel ook een goed idee voor Nederland om toe te passen bij
crisisbeheersingsoperaties waarvoor substantieel wordt ingehuurd, zoals in Afghanistan.
Dergelijke permanente teams, die nauw aan de lokale ambassade zouden zijn verbonden,
zouden in dat geval bijvoorbeeld uit leden van de Koninklijke Marechaussee en van het
Openbaar Ministerie kunnen bestaan. Bij hun werkzaamheden zouden zij nauw moeten
samenwerken met de bevoegde plaatselijke autoriteiten, en die tevens kunnen
ondersteunen bij het respecteren van de Rule of Law. Deze teams zouden regelmatig
openbaar verslag van hun bevindingen kunnen doen, bijvoorbeeld in de al aangehaalde
stand van zaken brieven over lopende missies.
Dilemma door rechtsonzekerheid in het gastland
In paragraaf II.4 bleek al dat als private bedrijven immuun voor de jurisdictie van het
gastland zijn, er een accountability gap ontstaat. Dit gat verdwijnt als de contractpartijen
onder de lokale jurisdictie vallen, want dan kan er geen onduidelijkheid over de
rechtsmacht bestaan. In beginsel zouden contractpartijen volgens de AIV dan ook beter
onder de lokale rechtsmacht kunnen vallen. Dat zou betekenen dat voor deze bedrijven en
hun medewerkers – anders dan voor militairen in een Status of Forces Agreement (SOFA) –
geen immuniteit voor het strafrecht van het gastland wordt geregeld.89 Een ongewenst
bijeffect van het feit dat PMC’s in Irak en in Afghanistan immuniteit hebben gekregen, zijn
immers de complexe juridische gevolgen daarvan, die negatief gedrag ook in de hand
hebben gewerkt. In voorkomend geval dienen PMC’s zich aan te melden bij de lokale
machthebbers en vergunningen aan te vragen, bijvoorbeeld voor het dragen van wapens –
die zij alleen zullen mogen gebruiken voor de in het contract overeengekomen taken van
strikt defensieve veiligheidsoperaties. Bij een overtreding dient betrokkene dan ook in
88 Inzet van een PMF zal gepaard gaan met meer inzet van militaire politie, aldus René Hiemstra, Strijdmacht in
    krijtstreep, implicaties van de private militaire industrie voor westerse krijgsmachten, Militaire Spectator,
    nr. 7/8, jaargang 174, 2005.
89 Voetelink, 2007, blz. 246.
                                                           35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>eerste instantie door de lokale autoriteiten te worden vervolgd en, zo nodig, te worden
berecht. Zulks veronderstelt echter wel een redelijk functionerend lokaal rechtssysteem.
Hier speelt dus het dilemma dat ontstaat doordat de rechtszekerheid (rule of law) van het
gastland veelal onder druk staat of geheel afwezig is. Gedacht kan daarbij bijvoorbeeld
worden aan de kans dat door Nederland ingehuurde contractors die van misdrijven worden
verdacht na gevangenneming door het gastland worden gemarteld.90
De randvoorwaarden om op dit gebied met het gastland in zee te gaan, zouden dan ook
scherp geformuleerd moeten worden. Dit ter vergroting van het vertrouwen in de
rechtspleging van het gastland en het treffen van internationale controlemaatregelen. Daar
staat overigens tegenover dat internationaal opererende bedrijven (zoals in de veiligheids-,
maar ook de bouw- en logistieke sector) vaak al veel ervaring hebben met het opereren
onder het lokale strafrecht en dat voor lief nemen. Overigens merkt de AIV hierbij op dat als
de contractors onder de lokale jurisdictie vallen, dit Nederland niet ontslaat van zijn
politieke verantwoordelijkheid en laagdrempelige juridische aansprakelijkheid voor het
handelen van dienstverleners die ons land heeft ingehuurd.
Indien geplaatst voor dit dilemma, moet de regering van geval tot geval een afweging
maken en daarover de Staten-Generaal informeren: kiest zij ervoor de door haar ingehuurde
PMC’s onder de lokale rechtsmacht te plaatsen, of kiest zij ervoor deze PMC’s immuniteit
voor het lokale rechtssysteem te bieden (soms wordt deze keuze voor Nederland gemaakt
door het samenwerkingsverband waaraan Nederland deelneemt, zoals ISAF). In dat laatste
geval kan het probleem rijzen dat schendingen van het lokale of het internationale
humanitaire recht onbestraft dreigen te blijven bij het ontbreken van extraterritoriale
wetgeving van het land dat de troepen heeft gezonden waarvoor de PMC’s werken of van
het land van vestiging van de PMC, of bij het ontbreken van de wil om tot vervolging en
berechting over te gaan. Ook in dat geval zouden Nederlandse Go-teams goede diensten
kunnen bewijzen, bijvoorbeeld door in dergelijke gevallen betrokkenen alsnog voor de
rechter van het zendland te brengen.
Mogelijke verruiming van Nederlandse rechtsmacht
Mocht blijken dat de verkleining van de accountability gap door maatregelen als goede
contractuele afspraken en extra justitiële onderzoekscapaciteit in het gebied niet afdoende
zijn, dan kan worden overwogen of het mogelijk en wenselijk is de rechtsmacht van
Nederlandse rechters over Nederlands PMC-personeel te verruimen, zoals in de VS recent
ook is gebeurd (zie paragraaf II.4). Dergelijke wetswijzigingen betekenen overigens niet dat
daarmee alle problemen worden opgelost, gezien ook de inherente beperkingen die aan de
effectiviteit van nationale wetgeving in dezen zijn verbonden (zie eveneens II.4). Zo bezitten
de meeste werknemers van PMC’s die Nederland thans in Afghanistan inhuurt, geen
Nederlands paspoort.
Als de Nederlandse regering toch tot een wetswijziging zou besluiten, dan komt daarvoor
volgens de AIV in de eerste plaats het Wetboek van Strafrecht in aanmerking. De Raad
heeft lang stilgestaan bij de vraag of in navolging van de Amerikaanse wijziging van de
UCMJ ook de door Nederland ingehuurde contractors onder het Nederlands militair straf-
en tuchtrecht moeten worden geplaatst (zie paragraaf II.4). Uiteindelijk is de AIV op grond
van de volgende overweging tot een afwijzend standpunt gekomen. Het militair straf- en
90 Zie bijvoorbeeld Amnesty International, Afghanistan, Detainees transferred to torture: ISAF complicity?,
    13 november 2007.
                                                      36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>tuchtrecht geldt vooral als aanvulling op het ‘gewone’ strafrecht. In het militaire recht
worden zaken geregeld als ongeoorloofde afwezigheid, de uitvoering van militaire taken en
het opvolgen van militaire bevelen. Het ligt minder voor de hand om hieraan personeel van
particuliere bedrijven te onderwerpen, zij vallen immers niet onder de militaire hiërarchie
(nog afgezien van de vraag of een PMC zou instemmen met een dergelijke constructie).91
Overigens vindt de AIV het raadzaam de mogelijke effecten van de nieuwe wetgeving in de
VS nauwlettend te volgen.
B) Verdere versterking internationale regulering
De beperkingen in de mogelijkheden langs nationale weg de mogelijkheid tot vervolging te
waarborgen van eventuele misdrijven door personeelsleden van particuliere bedrijven
zouden voor Nederland een aansporing dienen te zijn te blijven aandringen op
internationale regelgeving met betrekking tot PMC’s, hoeveel tijd en inspanning het ook zal
vergen dit doel te bereiken. Wat betreft de VN betekent dit dat Nederland meer dan thans
het geval is, aandacht moet geven aan het werk van de VN-werkgroep over het gebruik van
huurlingen, die in 2005 in de plaats is gekomen van de Speciale Rapporteur. Het feit dat
Nederland de VN-Conventie uit 1989 tegen huurlingen – zoals gezegd – niet steunt, wil
volgens de AIV niet zeggen dat deze werkgroep er verder niet toe doet. De AIV wijst in dit
verband bijvoorbeeld op een recent rapport van deze werkgroep uit november 2007, dat
ook uitgebreid op PMC’s ingaat.92 De werkgroep valt bovendien onder de VN-Mensen-
rechtenraad, waarvan Nederland sinds kort vice-voorzitter is. Meer aandacht voor een
werkgroep van een orgaan waarvoor Nederland speciale verantwoordelijkheid draagt, zou
in de rede liggen.
De VN en de NAVO huren regelmatig PMC’s in. Als een van de lidstaten is Nederland
daarvoor medeverantwoordelijk. Ons land moet zich in de VN en in de NAVO /NAMSA
uitspreken over aan PMC’s te stellen eisen, zoals in dit advies is verwoord. Ook deze
organisaties zijn onderworpen aan de aansprakelijkheidsbeginselen. Voorkomen moet
worden dat eventuele misdrijven onbestraft blijven en de slachtoffers geen genoegdoening
krijgen.
Operaties in NAVO-kader
Bij expeditionair optreden (zeker in failed states) hoort eigenlijk een expeditionaire
logistieke capaciteit die in principe niet opgevangen behoort te worden met incidentele
private individuele inhuur. Juist bij operaties van de NAVO, een militair bondgenootschap,
moet de eis gelden dat combined logistic support goed en gezamenlijk is geregeld (en dan
niet alleen door NAMSA als contractant in te huren). Dat kan eigenlijk alleen door in NAVO-
verband te poolen. In de context van de luchtmacht kan daarbij worden gedacht aan
luchttransportcapaciteit (in wording). Tevens is een joint logistic support agency denkbaar,
met inbreng van middelen door de lidstaten. Ook op het gebied van de zeestrijdkrachten
worden logistieke capaciteiten gepooled. Nederland zou de discussie over expeditionaire
logistieke capaciteit in de NAVO verder moeten bevorderen.
91 Zie hiervoor ook Joop Voetelink, blz. 233 alsmede Peter van der Kruit, Noodzakelijke regulering van Private
    Militaire Compagnies: enkele mogelijkheden, blz. 258-259. Beide bijdragen in het themanummer Contractors
    van het Militair Rechtelijk Tijdschrift, juli-augustus 2007.
92 Report of the Working Group on the use of mercenaries as a means of violating human rights and impeding
    the exercise of the right of people to self-determination, A/62/301, 6 november 2007 (intern VN verspreid op
    24 augustus 2007). Hoewel deze werkgroep zich van oorsprong met het fenomeen ‘huurling’ bezig houdt,
    blijkt uit haar rapportages dat zij zich in toenemende mate ook op de ‘groeimarkt’ van PMC’s richt.
                                                            37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Tekenend in dit verband is dat de NAVO thans een plan uitwerkt om civiele
transporthelikopters te huren om het gebrek aan helikoptercapaciteit in ISAF Regional
Command South (RCS) te compenseren.93 De Nederlandse regering moet er daarbij scherp
op toezien dat een mogelijke private inhuur van helikopters niet ten koste gaat van de
veiligheid van de militaire eenheden en dat dit geen operationele beperkingen met zich
brengt. Zo zijn medische evacuaties (medevac) uitgesloten van private inhuur.
De Europese Unie
Verder zou Nederland het vraagstuk van de inhuur van PMC’s in de EU, die zich hiermee tot
op heden niet bezig houdt, moeten agenderen en vervolgens dienen te bevorderen dat de
EU ter zake een standpunt inneemt. Dit is tevens zinvol omdat, volgens een recent
onderzoeksrapport van IPOA, 38% van de hoofdkwartieren van PMC’s in Europa staat.94 In
het verlengde van de EU-gedragscode over wapenexport kan daarbij worden gedacht aan
een EU-gedragscode over gewapende dienstverlening door PMC’s. In deze richting gingen
ook de gedachten van Robert Cooper, Director General for External and Political-Military
Affairs, Council of the European Union, toen hij zich hierover tijdens een bijeenkomst over
PMC’s op persoonlijke titel uitsprak.95 Deze aanbeveling staat ook in bovengenoemd
rapport uit november 2007 van de VN-werkgroep over het gebruik van huurlingen.
De AIV tekent aan, dat voor de noodzakelijke internationale versterking van regulering van
PMC’s een bottom-up-benadering wellicht kansrijker is dan een top-down-aanpak. De AIV
wijst hierbij op een initiatief van het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken samen
met het Internationale Rode Kruis.96 In dit verband komen regelmatig overheidspersoneel
en andere experts bijeen om over PMC’s te praten, waarbij wordt beoogd de bestaande
wetgeving te versterken en allereerst niet-bindende good practices te ontwikkelen.
De AIV beveelt dan ook aan dat Nederland zich bij dergelijke initiatieven aansluit, zeker nu
ons land zelf – zoals hierboven is gebleken – meer dan incidenteel met de onderhavige
problematiek wordt geconfronteerd.
Gevolgen van privatisering voor dienstverlening in operatiegebieden
Nog een slotopmerking bij deze paragraaf. Dit advies beperkt zich tot de inhuur door de
Nederlandse staat van dienstverlening in operatiegebieden. De AIV merkt daarbij op, dat bij
besluitvorming over de privatisering van ondersteunende logistieke diensten in Nederland
(out-sourcing) ook moet worden gekeken naar de mogelijke (personele) gevolgen daarvan
bij uitzendingen. Als bijvoorbeeld het ‘hoger onderhoud’ aan militair materieel in Nederland
wordt uitbesteed, moet er rekening mee worden gehouden dat burgerpersoneel van deze
bedrijven ook in hoog-risico-omgevingen nodig kan zijn om aldaar het materieel te
93 Ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie en voor Ontwikkelingssamenwerking, stand van zaken
    brief over Afghanistan, 24 september 2007.
94 Rapport IPOA 2007, november 2007, blz. 15.
95 Robert Cooper, keynote adress tijdens een bijeenkomst van de Security & Defence Agenda (SDA), The private
    security phenomenon: policy implications and issues, SDA Roundtable report, 7 december 2006, blz. 6.
96 Zie http://www.eda.admin.ch/eda/en/home/topics/intla/humlaw/pse/psechi.html. Tijdens het overleg van
    13-14 november 2006 waren daarbij onder andere overheidsvertegenwoordigers aanwezig van Afghanistan,
    Australië, Canada, Duitsland, Frankrijk, Irak, Oekraïne, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde
    Staten, Zuid-Afrika, Zweden en Zwitserland.
                                                         38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>onderhouden en te repareren. Hetzelfde geldt voor de uitbesteding van catering en
dergelijke. Zoals in hoofdstuk II is betoogd, kennen dergelijke sourcing-besluiten niet alleen
een economische, maar ook een politiek-militaire alsmede een juridische en ethische
component.
IV.3     Een wereldwijde markt
Regeringsvraag 3: Is het aanvaardbaar civiel personeel voor inzet in oorlogsgebieden wereldwijd
te werven en welke opstelling zou de regering moeten kiezen?
De AIV vat deze vraag zo op dat de nadruk wordt gelegd op het woord ‘wereldwijd’.
Internationaal opererende PMC’s betrekken hun personeel inderdaad wereldwijd. Het is
uiteindelijk echter de verantwoordelijkheid van de inhuurder om zeker te stellen dat dit
personeel aan bepaalde minimale criteria voldoet op gebied van opleiding/training/
achtergrond/screening.97 Landen waaruit het ingehuurde personeel afkomstig is, moeten
bovendien over wetgeving beschikken om eventuele vervolging van hun onderdanen
mogelijk te maken. Hierboven adviseerde de AIV daarom dat PMC’s waarmee Nederland
zaken doet, niet zonder instemming van Nederland sub-contracten mogen sluiten, om te
voorkomen dat inhuurder het overzicht en de zeggenschap verliest. Geweldstaken komen in
het geheel niet voor sub-contracting in aanmerking.
PMC’s trachten vaak hun kosten te beperken door personeel uit derdewereldlanden te
betrekken en dit, voor westerse begrippen, zeer laag te betalen. Naar Nederlandse
maatstaven is dit ongewenst, maar voor de betrokkenen betekent het, zou men kunnen
betogen, vaak een redelijk salaris en is de keuze: dit salaris of helemaal geen werk. Dit
geldt ook voor de inhuur (direct of via een lokaal bedrijf) van lokaal personeel. Dat laatste
heeft overigens als bijkomend voordeel dat men ter plaatse (ook) in die zin economisch
profiteert van de Nederlandse aanwezigheid. Dat is een legitieme overweging.
IV.4     De veiligheid van het ingehuurde private personeel
Regeringsvraag 4: Welke zorgplicht voor de veiligheid van civiel personeel mag en moet van de
Nederlandse regering en haar krijgsmacht worden verwacht?
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen een zorgplicht tijdens én na de operatie. In
beide gevallen is het van belang dat de (na)zorg van door Nederland ingehuurd personeel
op een aanvaardbaar niveau ligt. Verzekeringen door de contractpartij moeten hierin
primair voorzien. Indien het in te huren personeel zou worden blootgesteld aan te hoge
veiligheidsrisico’s, dient de Nederlandse regering niet tot inhuur over te gaan.
Tijdens de operatie
Veiligheid is afhankelijk van de risico’s. Naarmate die groter worden, zal Defensie meer zorg
moeten dragen voor veiligheid van contractpartijen, zeker waar het gaat om mensen die
zijn ingehuurd voor niet-gewapende logistieke diensten. Een PSC zal in de regel voor de
eigen veiligheid zorgdragen alsmede voor de installaties of de personen die zij volgens het
contract beveiligen, totdat zij in een echt gevaarlijke situatie terechtkomen. Dan moeten er
procedures zijn om snel militaire bijstand te verlenen.
97 Ook de VN-werkgroep over het gebruik van huurlingen waarschuwt tegen de risico’s van sub-contracting en
    de werving van personeel in arme landen. Zie bijvoorbeeld het rapport van 6 november 2007.
                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Als de risico’s te groot worden, zal het burgerpersoneel eventueel moeten worden
geëvacueerd. Daarom is het juist in scenario’s waarbij sprake is van hoge risico’s van
belang dat ook kan worden beschikt over militaire back-up in transportmiddelen om niet de
gehele operatie in gevaar te brengen.
Zorgplicht na de operatie
Indachtig de discussie van de laatste jaren over zorgplicht tegenover de veteranen, hecht
de AIV eraan om onder de aandacht van de regering te brengen dat ook ten aanzien van
personeel van PMC’s een dergelijke plicht bestaat. Ook contractors hebben immers te
maken met de mogelijke negatieve effecten van operationele inzet.98 Deze
verantwoordelijkheid berust uiteraard allereerst bij de betrokken PMC. Op zijn minst moet
een contractor goed zijn verzekerd tegen ongevallen die worden opgelopen tijdens
uitvoering van het contract, tot uitdrukking komend in (medische) nazorg en, zo nodig, een
schadevergoeding. Nederland moet hierop in de contractfase toezien. Vanzelfsprekend zal
een PMC de kosten daarvan integraal in de offerte verwerken. Naarmate Nederland zijn
verzekeringseisen opschroeft, zal dus ook de contractprijs stijgen. Overigens geldt dat, net
als met het opereren onder het lokale strafrecht, private bedrijven, waaronder ook
verzekeringsbedrijven, al ruime ervaring hebben met het verzekeren van dergelijke risico’s,
ook in gevaarlijke gebieden.
De AIV wijst verder op een ander aspect van nazorg dat betrekking heeft op het risico op
represailles (van bijvoorbeeld de Talibaan) dat het lokaal ingehuurde personeel loopt als
Nederland na afloop van een operatie vertrekt. Als er gerede aanwijzingen zijn dat
voormalig door Nederland ingehuurde personeelsleden (en zijn/haar familie) daardoor in
levensbedreigende situaties terechtkomen, moet Nederland ruimhartig zijn in het
verstrekken van (tijdelijke) verblijfsvergunningen in ons land.
IV.5     Politieke neveneffecten van gijzelingen van privaat personeel
Regeringsvraag 5: Wat zijn de mogelijke effecten van het gijzelen, en eventueel mishandelen
en/of doden, van civiel personeel?
Aannemende dat deze vraag speciaal is gericht op de politieke effecten, komt de AIV tot de
volgende bevinding. Anders dan bij militairen – die immers ook kunnen worden gegijzeld of
bij gevangenneming inhumaan behandeld kunnen worden, maar bij wie eerder het
argument zal worden ingeroepen dat het hier om beroepsrisico’s gaat – zal de gijzeling van
civiel personeel eerder leiden tot verontruste reacties bij het publiek. Dergelijke reacties
zullen onder die omstandigheden ook het politieke draagvlak voor een missie kunnen
ondermijnen.99
Voorjaar 2007 is in Afghanistan een Italiaanse journalist gegijzeld, die vervolgens door Italië
is geruild voor vijf Talibaanstrijders. Nadien is een groep van ongeveer 20 Zuid-Koreanen
gegijzeld, die uiteindelijk ook na bemiddeling zijn vrijgelaten. De Talibaan verkeert
klaarblijkelijk op zijn minst in de overtuiging dat met gijzelingen publicitaire winst valt te
behalen. Het risico is dus reëel en wordt waarschijnlijk steeds groter.
98 Contractors face combat-related stress after Iraq, The New York Times, 5 juli 2007.
99 Zie ook het AIV-advies Maatschappij en Krijgsmacht, advies nummer 48, Den Haag, april 2006.
                                                       40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Eerder in dit advies is gesproken over de wenselijkheid militairen en ingehuurde civiele
medewerkers zoveel mogelijk op dezelfde voet te benaderen wat betreft de aanvaarding
van verantwoordelijkheid voor mogelijke gevolgen van hun handelen. In het licht hiervan
zou het moeilijk te rechtvaardigen zijn, indien regeringen die PMC’s inhuren, ter vermijding
van lastige politieke keuzes, bij voorbaat de verantwoordelijkheid ontkennen of ontlopen
voor het welzijn van civiele medewerkers in situaties waar dezen het slachtoffer kunnen
worden van gijzelingen en andere misdadige acties.
IV.6     Facit
Zoals uit het voorgaande blijkt, is de AIV bij zijn onderzoek ingevolge de adviesaanvraag op
vele grijze gebieden gestoten waar de tegenwoordige situatie onbevredigend is. De veel
indringender ervaringen in de VS hebben schrille onvolkomenheden aan het licht gebracht.
Maar ook het Nederlandse beleid vraagt om verduidelijking en verbetering, zeker wat de
grenzen aan aanvaardbare civiele inhuur en de staatsaansprakelijkheid betreft.
De AIV beveelt aan zijn verschillende voorstellen voor verbeteringen, zo mogelijk, reeds in
de bestaande praktijk in te voeren en bij nieuwe inhuur geen verplichtingen aan te gaan
die daaraan niet voldoen.
                                                41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>V        Samenvatting
Dit advies richt zich vooral op de politieke, juridische en ethische aspecten van de inhuur
van particuliere bedrijven (PMC’s) bij de voorbereiding en uitvoering van militaire operaties
die door nationale krijgsmachten, veelal in internationaal verband, worden uitgevoerd. Het
gaat hierbij om diensten die niet alleen logistieke ondersteuning, bewaking en onderhoud
van wapensystemen betreffen, maar ook training, het verzamelen van inlichtingen en zelfs
deelname aan gevechtsoperaties kunnen inhouden. Door verschillende oorzaken is er
sprake van een groeiend beroep dat krijgsmachten van westerse landen die in
crisisgebieden optreden, op private spelers doen. Te noemen zijn de gevoelde noodzaak tot
interventie in regionale en lokale conflicten, de transformatie van oorlogvoering als gevolg
van wapentechnologische ontwikkelingen, de politieke beweging in de richting van
privatisering van overheidstaken alsmede de knelpunten en tekorten bij moderne
krijgsmachten, vooral op het gebied van logistieke en technische ondersteuning.
Ook de Nederlandse krijgsmacht maakt als actief deelnemer van de ISAF-operatie in
Afghanistan (in de provincie Uruzgan) op relatief ruime schaal gebruik van de diensten van
private bedrijven. De ervaringen die de Verenigde Staten in Irak hebben opgedaan, o.a. met
schietincidenten waarbij het bedrijf Blackwater betrokken was, laten zien dat de
inschakeling van PMC’s tot ontoelaatbare excessen kan leiden. Dit maakt een zorgvuldige
behandeling van de hier nader te schetsen problematiek tot een zaak van groot publiek
belang. Een en ander geldt te meer, aangezien – welk waardeoordeel men ook mag hebben
over het verschijnsel als zodanig – de inhuur van particuliere bedrijven een realiteit is
geworden die moeilijk weg te denken is.
Bij de vaststelling van zijn advies is de AIV gestuit op enkele niet geringe problemen. In de
eerste plaats is sprake van een manifest gebrek aan informatie en transparantie met
betrekking tot aantallen personeel van PMC’s dat wordt ingezet, de taken die worden
vervuld en de bedragen die met de inhuur zijn gemoeid. Zo zouden in Irak thans meer dan
180.000 private dienstverleners zijn, van wie ongeveer 30.000 gewapende beveiligers.
Niemand lijkt echter precies te weten, hoeveel arbeidscontractanten zich in dit land
bevinden en wat zij daar wel en niet doen.
Deze waarneming is bij uitstek ook van toepassing op de bedrijven die Nederland in
Afghanistan heeft gecontracteerd. Ontbreekt het aan gegevens over hoeveel
personeelsleden van PMC’s in Irak en Afghanistan werken, hetzelfde geldt voor de kosten
die met de inhuur van particuliere bedrijven zijn gemoeid. Duidelijk is echter dat een
miljardenmarkt is ontstaan. Het gebrek aan inzicht in de kosten van de inhuur bij specifieke
operaties of taken vormt een van de redenen waarom het bijzonder moeilijk is het veel
gebezigde argument op waarde te schatten dat de inschakeling van PMC’s vanuit
bedrijfseconomisch oogpunt aantrekkelijk is, omdat dit lagere kosten met zich mee zou
brengen. Andere redenen zijn het meten van de ‘leegloop’ van een eigen capaciteit tussen
piekbelastingen, de geschatte levensduur van bepaalde investeringen (bijvoorbeeld van
transportvliegtuigen) en/of de kwaliteit van het geleverde product.
Een tweede probleem vloeit voort uit het feit dat de belangen van nationale krijgsmachten
en PMC’s niet samenvallen. Particuliere bedrijven dienen in de eerste plaats het
aandeelhoudersbelang en niet het algemeen belang in de zin van het welslagen van een
militaire operatie, ongeacht de risico’s die moeten worden gelopen. Aangezien militaire
                                                42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>commandanten geen bevelsmacht over PMC’s hebben, kunnen de laatste weigeren
levensbedreigende opdrachten uit te voeren of zelfs staken op het gevechtsveld. Terwijl een
militaire bevelhebber zonder enige terughoudendheid over zijn manschappen moet kunnen
beschikken, wijzen de ervaringen uit dat in situaties die worden gekenmerkt door hoge
risico’s (als bijvoorbeeld in Irak) particuliere bedrijven niet dezelfde diensten kunnen
uitvoeren als militaire eenheden, zelfs wanneer deze diensten zich beperken tot transport
en logistieke ondersteuning.
De beperkte beschikbaarheid en inzetbaarheid van het betrokken personeel leiden tot de
conclusie dat de afhankelijkheid van PMC’s geen kritische grens mag overschrijden,
waarbij de praktische uitvoerbaarheid van militaire operaties in overwegende mate wordt
bepaald door de vraag of particuliere bedrijven bereid of in staat zijn tot medewerking.
Deze grens is te zien als een algemene randvoorwaarde bij de bepaling van de taken die al
dan niet in aanmerking komen voor out-sourcing.
Er is een derde probleem, misschien het meest weerbarstige. Dit betreft de lacunes in de
bestaande rechtsregelingen (internationaal en nationaal) die relevant zijn voor de
activiteiten van PMC’s. Deze lacunes worden veelal samengevat in de term accountability
gap. Daarbij dient te worden onderkend dat aan PMC’s die in Irak en Afghanistan
werkzaam zijn, immuniteit is verleend ten opzichte van de jurisdictie van het gastland. Dit
schept vooral een probleem met betrekking tot werknemers die behoren tot een andere
nationaliteit dan van het land dat deze werknemers bij militaire operaties inschakelt. Zo
kan Nederland in Afghanistan geen extraterritoriale jurisdictie uitoefenen over
personeelsleden die bijvoorbeeld de Zuid-Afrikaanse nationaliteit hebben. Voor de AIV is
een situatie die in feite neerkomt op straffeloosheid van ernstige vormen van wangedrag,
onaanvaardbaar a fortiori waar het zou gaan om de vervolging van ernstige misdrijven die
vallen onder grove schendingen van de rechten van de mens respectievelijk ernstige
schendingen van het internationale humanitaire recht.
Anderzijds zijn werknemers van PMC’s op grond van hetzelfde internationaal humanitair
recht geen combattant, maar burger, aangezien zij geen deel uitmaken van de krijgsmacht.
Dit betekent dat contractanten geen recht op de status van krijgsgevangene hebben,
behoudens een uitzondering die de Derde Conventie van Genève maakt. Voor het overige
is volkenrechtelijk niets over de inhuur van PMC’s door staten in conflictgebieden geregeld.
Een poging om dat wel te doen op een aanverwant terrein, dat van huurlingen
(mercenaries), is weinig succesvol gebleken.
Een ander probleem wordt gevormd door onduidelijkheid over de grenzen van de
staatsaansprakelijkheid. In hoeverre leidt de – onder alle omstandigheden van kracht
zijnde – politieke verantwoordelijkheid voor het gedrag van ingehuurde dienstverleners ook
tot staatsaansprakelijkheid voor de gevolgen van hun eventuele misdragingen? Door PMC’s
gepleegde schendingen van het internationale recht kunnen aan de inhurende staat
worden toegerekend als het bedrijf of de particuliere personen in kwestie (a) als
staatsorgaan optreedt, (b) gemachtigd is elementen van staatsgezag uit te oefenen, (c)
handelt op instructie van de staat of indien sprake is van controle door de staat en (d) de
staat de aansprakelijkheid aan zich trekt. Overigens zal het sterk van de concrete
omstandigheden afhangen of de toepassing van een of meer van deze grondregels
inderdaad leidt tot de vaststelling van staatsaansprakelijkheid.
                                                 43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Tegen de achtergrond van de geschetste problematiek komt de AIV tot de volgende
conclusies en aanbevelingen:
1. De Nederlandse regering dient van haar kant te komen tot een zo ruim mogelijke
   informatieverschaffing ten aanzien van alle relevante aspecten van de inhuur van
   particuliere bedrijven die in operatiegebieden diensten ten behoeve van de
   Nederlandse krijgsmacht verrichten. Gelet op het feit dat bij deze inhuur een reeks van
   principiële kwesties in het geding is (politieke verantwoordelijkheid en
   staatsaansprakelijkheid, het geweldsmonopolie van de staat, operationele
   afhankelijkheid, de mogelijkheid tot vervolging en bestraffing van ernstige misdrijven en
   democratische controle in het algemeen), acht de AIV ter zake een diepergaande en
   bredere discussie tussen regering en Staten-Generaal noodzakelijk dan tot dusver is
   gevoerd. Aan regeringskant dienen in het licht van het aanwijsbare belang van de
   politieke en juridische dimensie ook de ministers van Buitenlandse Zaken en van
   Justitie actief bij deze discussie te worden betrokken. Wat betreft de
   informatievoorziening aan de Tweede Kamer adviseert de AIV in elke
   toetsingskaderbrief (artikel 100-brief) voortaan gegevens op te nemen over de te
   verwachte private inhuur bij de desbetreffende militaire operatie.
2. Voor de AIV is het begrip ‘aanvaardbaar risico’ ook de sleutel tot het antwoord op de
   vraag welke diensten wel en welke niet aan civiele dienstverleners in operatiegebieden
   kunnen worden uitbesteed. Om voor de hand liggende redenen meent de Raad dat de
   inhuur problematischer wordt naarmate deze dichter nadert tot actief geweldgebruik en
   militaire kerntaken. In het kader van een zorgvuldige beoordeling van de
   aanvaardbaarheid van risico’s beveelt de AIV aan de volgende criteria in acht te nemen:
   (1) de handhaving van het geweldsmonopolie van de staat, (2) het belang van de missie
   en van de in te huren taken, (3) de veiligheidsrisico’s waaraan het betrokken personeel
   ter plaatse blootstaat, (4) de mate van operationele afhankelijkheid, (5) de
   aanwezigheid van militaire alternatieven, (6) de juridische inbedding in verband met de
   staatsaansprakelijkheid, (7) de controlemogelijkheden op de uitvoering van de in te
   huren taken alsmede (8) financieel-economische aspecten. De AIV wil er geen
   misverstand over laten bestaan dat een offensieve inzet van PMC’s op grond van deze
   criteria niet aanvaardbaar is. Ook zou de eventuele inzet van particulier personeel bij
   het operationele gebruik van wapensystemen moeten worden uitgesloten.
3. Ter verkleining van de kans op wangedrag waaraan (medewerkers van) PMC’s zich
   schuldig zouden kunnen maken en om genoegdoening te verlenen aan slachtoffers van
   mogelijke misdrijven die door toedoen van private bedrijven zijn begaan, dringt de AIV er
   bij de regering op aan betere juridische waarborgen te scheppen. Daarbij dienen
   verschillende sporen te worden gevolgd. Allereerst moet langs civielrechtelijke weg naar
   verbeteringen worden gezocht. Elk contract dat door de Nederlandse staat wordt
   gesloten dient minimaal te voldoen aan de voorwaarden die in de gedragscodes van de
   Amerikaanse en Britse belangenorganisaties zijn opgenomen. Dat houdt onder meer in
   dat alleen in geval van zelfverdediging gebruik van wapens mag worden gemaakt en dat
   de internationale humanitaire en mensenrechtenverdragen moeten worden
   gerespecteerd. Daarnaast moeten in het contract specifieke afspraken worden
   gemaakt, bijvoorbeeld over de Rules of Engagement. Over sub-contracting zou moeten
   worden opgenomen dat dit alleen na instemming van de inhuurder mogelijk is en nooit
   mag leiden tot uitbesteding van gewapende diensten. Dit in afwijking van de huidige
   praktijk waarbij de voedsel- en brandstoftransporteurs zelf zorgdragen voor hun
   beveiliging. Verder beveelt de AIV aan dat de Nederlandse regering, min of meer naar
   het Amerikaanse voorbeeld, besluit tot het formeren van permanente teams van
   waarnemers die in gebieden waar PMC’s actief zijn, kunnen worden belast met het
                                               44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   instellen van een onderzoek naar vermeende strafbare feiten die door PMC’s zijn
   gepleegd. Dergelijke teams zouden uit leden van de Koninklijke Marechaussee en van
   het Openbaar Ministerie kunnen bestaan. Bij hun werkzaamheden zouden zij ook nauw
   moeten samenwerken met de bevoegde plaatselijke autoriteiten. Naast goede
   contractuele afspraken en de creatie van extra justitiële onderzoekscapaciteit is te
   overwegen de rechtsmacht van Nederlandse rechters over Nederlands PMC-personeel
   te verruimen, zoals ook onlangs in de VS is gebeurd via de Military Extraterritorial
   Jurisdiction Act. Naar het oordeel van de AIV komt daarvoor een wijziging van het
   Wetboek van Strafrecht het meest in aanmerking. Het rapport staat afwijzend tegenover
   de gedachte de door Nederland ingehuurde arbeidscontractanten te plaatsen onder het
   Nederlands militair straf- en tuchtrecht. Gezien de inherente beperkingen van de
   effectiviteit van wijzigingen van nationale wetgeving (het overgrote deel van de
   betrokken werknemers bezit geen Nederlands paspoort), moet Nederland tevens ijveren
   voor passende internationale regelgeving met betrekking tot het optreden van PMC’s.
   De AIV vindt dat ons land zich dient aan te sluiten bij het initiatief dat het Zwitserse
   ministerie van Buitenlandse Zaken samen met het Internationale Rode Kruis heeft
   genomen. Hoewel dit initiatief in eerste instantie is gericht op versterking van
   bestaande nationale wetgeving en het ontwikkelen van niet-bindende good practices,
   zou het op termijn kunnen leiden tot de opstelling van een of meer internationale
   overeenkomsten. Ook zou Nederland de onderhavige problematiek moeten agenderen
   in het EU-beraad over internationale veiligheidskwesties. In het verlengde van de EU-
   gedragscode over wapenuitvoer kan worden gedacht aan een EU-gedragscode over
   gewapende dienstverlening door PMC’s. Ten slotte dient de Nederlandse regering, met
   het oog op de belangen van mogelijke slachtoffers, een zo ruim mogelijke invulling te
   geven aan het beginsel van de staatsaansprakelijkheid. Naar de mening van de AIV
   impliceert dit dat Nederland alleen in zee dient te gaan met PMC’s, indien het een
   greep heeft op het optreden van dergelijke bedrijven.
De AIV beveelt aan de verschillende voorstellen voor verbeteringen, zo mogelijk, reeds in de
bestaande praktijk in te voeren en bij nieuwe inhuur geen verplichtingen aan te gaan die
daaraan niet voldoen.
                                               45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Ministerie van Defensie

Defensie

y,

rechtsbescherming genieten. Er is echter een grijsgebied waarin varianten denkbaar zijn, zoals
monteurs en beveiligingsbedrijven die kunnen optreden in het achtergebied of dicht bij de frontlijn.

Datum 23 mei 2007
kenmerk HDAB2007009751

2. In hoeverre kan en moet de Nederlandse regering de juridische en politieke
verantwoordelijkheid aanvaarden voor het handelen van civiele dienstverleners en de
gevolgen hiervan en zou Nederland specifieke wetgeving op dit gebied moeten
ontwikkelen?

Civiele dienstverleners worden, anders dan militaire eenheden, ingezet op basis van een contract.
Op grond van (ook namens of door Nederland) gesloten overeenkomsten geniet dit personeel
veelal immuniteit voor de bestaande lokale wetgeving. Met het beschikbare juridische
instrumentarium is het voor Nederland niet altijd mogelijk civiel personeel te vervolgen. De
Verenigde Staten heeft voor dit doel speciale wetten ontwikkeld (“Military Extraterritorial
Jurisdiction Act”).

3. Is het aanvaardbaar civiel personeel voor inzet in oorlogsgebieden wereldwijd te werven en
welke opstelling zou de regering moeten kiezen?
Dienstverleners in operatiegebieden werven over de hele wereld personeel. Dit personeel is vaak
afkomstig uit ontwikkelingslanden, waar veelal sprake is van slechte leefomstandigheden.
Daardoor zou dit personeel eerder bereid kunnen zijn tegen een relatief laag salaris, grote risico's
te aanvaarden.

4. Welke zorgplicht voor de veiligheid van civiel personeel mag en moet van de Nederlandse
regering en haar krijgsmacht worden verwacht?
Civiel personeel is kwetsbaar en de veiligheidsomstandigheden in operatiegebieden kunnen sterk
wisselend zijn. Het is in het belang van de krijgsmacht dat civiel personeel werkzaamheden veilig
kan uitvoeren. De krijgsmacht is een van de actoren die actief en passief kan bijdragen aan een
grotere veiligheid. Dit kan echter ten koste gaan van schaarse operationele capaciteiten.

5. Wat zijn de mogelijke effecten van het gijzelen, en eventueel mishandelen en/of doden, van
civiel personeel?
Met name in Irak is geprobeerd deelnemende landen onder druk te zetten door het publiekelijk
gijzelen en doden van personeel van civiele dienstverleners. Het is niet denkbeeldig dat dit ook
tijdens andere conflicten zal plaatsvinden.

Ik verzoek de AlV om in de loop van 2007 zijn advies te presenteren.

Hoogachtend,
DE MINISTER VAN DEFENSIE,

a A

— J

E. van Middelkoop

</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                                Bijlage II
Lijst met afkortingen
AIV            Adviesraad Internationale Vraagstukken
AOR            Area of Responsibility
ASG            Afghan Security Guard
BAPSC          British Association of Private Security Companies
BUPO           Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
DCAF           Geneva Centre for the Democratic Control of Armed Forces
D-NC           District of North Carolina
DOD            Department of Defense
DOPS           Directie Operaties van de Defensiestaf
EHRM           Europese Hof voor de Rechten van de Mens
EU             Europese Unie
FBI            Federal Bureau of Investigation
FM             Field Manual
GOA            Government Accountability Office
HGIS           Homogene Groep Internationale Samenwerking
HNS            Host Nation Support
ICJ            International Court of Justice
ICRC           International Committee of the Red Cross
ICT            Informatie en Communicatie Technologie
IGH            Internationaal Gerechtshof
IKV            Interkerkelijk Vredesberaad
IPOA           International Peace Operations Association
ISAF           International Security Assistence Force
J4             Materiële logistiek
JAG            Judge Advocate General’s Corps
JIPO           Journal of International Peace Operations
KBR            Kellogg Brown and Root
LOGCAP         Logistics Civil Augmentation Program
MEDEVAC        Medische Evacuatie
MEJA           Military Extraterritorial Jurisdiction Act
MP             Militaire Politie
MPRI           Military Professional Resources Incorporated
MTA            Military Technical Agreement
NAMSA          NATO Maintenance and Supply Agency
NATO           North Atlantic Treaty Organisation
NAVO           Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NGO            Non-Governmental Organisation
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>OM    Openbaar Ministerie
PMC   Private Military Company
PMF   Private Military Firm
PSC   Private Security Company
RCS   Regional Command South
RoE’s Rules of Engagement
SDA   Security & Defence Agenda
SOFA  Status of Forces Agreement
SSR   Security Sector Reform
TZS   Troepenzendende Staten
UCMJ  Uniform Code of Military Justice
UK    United Kingdom
UN    United Nations
US    United States
VK    Verenigd Koninkrijk
VN    Verenigde Naties
VS    Verenigde Staten
WIM   Wet Internationale Misdrijven
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
    september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006 Ë
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
    politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
* Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
*** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>