<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>             INZET VAN DE KRIJGSMACHT
        WISSELWERKING TUSSEN NATIONALE EN
           INTERNATIONALE BESLUITVORMING
                        No. 56, Mei 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij - van Gorsel
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Prof. dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Dr. R.J. van der Veen
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden gecombineerde commissie besluitvorming
militaire operaties
Voorzitter       Gen. b.d. A.K. van der Vlis
Leden            Dhr. A.L. ter Beek
                 Prof. Jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                 Dr. A. Bloed
                 Dr. W.F. van Eekelen
                 Dr. Ph.P. Everts
                 Prof. mr. F.J.M. Feldbrugge
                 Lt.-gen. b.d. G.J. Folmer
                 Mw. mr. B.T. van Ginkel
                 Mr. J.S.L. Gualthérie van Weezel
                 Dr. P. van Ham
                 Prof. dr. K. Koch
                 Mr. F. Korthals Altes
                 Sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt
                 Drs. J. Ramaker
                 Lt.-gen. b.d. H.W.M. Satter
                 Prof. dr. B.A.G.M. Tromp
                 Drs. E.P. Wellenstein
Secretaris       Drs. G.W.F. Vigeveno
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>       Inhoudsopgave
       Woord vooraf
I     Inleiding     7
II    Nederland en crisisbeheersingsoperaties        9
III   Ervaringen met artikel 100-procedure        10
IV    Het al dan niet invoeren van een grondwettelijk instemmingsrecht voor
      militair optreden buiten de landsgrenzen       15
V     De werkingssfeer van artikel 100: alleen crisisbeheersingsoperaties
      of ook collectieve verdediging?       19
VI    Uitzondering in verband met geheimhouding of acute dreiging      23
VII   Vooraf geformeerde multinationale eenheden: NATO Response Force
      en EU-battlegroups       26
VIII   Samenvatting en conclusies        34
Bijlage I        Vervolgadviesaanvraag
Bijlage II       Relevante artikelen uit de Grondwet
Bijlage III      Relevante bepalingen uit internationale verdragen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Bij brief van 27 december 2006 hebben de ministers van Buitenlandse Zaken en
Defensie zich tot de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gewend met het
verzoek een vervolgadvies uit te brengen over de nationale en internationale
besluitvorming bij de inzet van de krijgsmacht (zie bijlage I). Daarbij wordt meer
specifiek aandacht gevraagd voor uitzending in het kader van de ‘NATO Response
Force’ (NRF) en de EU-battlegroups. De concrete aanleiding tot deze adviesaanvraag
werd gevormd door het rapport “Inzet met instemming – De rol van de Tweede
Kamer bij het uitzenden van militairen” (juni 2006) van de werkgroep NRF van de
Tweede Kamer, die onder voorzitterschap van het Kamerlid Van Baalen stond. Deze
breed samengestelde werkgroep stelt voor in de Grondwet vast te leggen dat de
inzet van de Nederlandse krijgsmacht buiten de landsgrenzen de toestemming van
de Tweede Kamer behoeft. Tevens worden in het rapport voorstellen gedaan om de
Kamer eerder en nauwer te betrekken bij de internationale besluitvorming over de
inzet van de NRF of battlegroups. De adviesaanvraag van 27 december 2006
verzoekt de AIV de implicaties van het voorgestelde nader te bestuderen en daarop
commentaar te geven, als aanloop tot de opstelling van de regeringsreactie op het
werkgroeprapport.
De AIV had zich reeds in zijn advies van maart 2004 met als titel “Nederland en cri-
sisbeheersing: drie actuele aspecten” (advies nr. 34) gebogen over de besluitvorming
bij militaire operaties. Een aantal aanbevelingen van dit advies werd in de regerings-
reactie van 11 juni 2004 overgenomen. Ook de Tweede Kamerwerkgroep heeft AIV-
advies nr. 34 in haar overwegingen betrokken. Vier van de opstellers van het AIV-
advies zijn gehoord door de Kamerleden die in de werkgroep zitting hadden.
Ter voorbereiding van het onderhavige advies werd een gecombineerde commissie
samengesteld onder voorzitterschap van generaal b.d. A.K. van der Vlis, tevens lid
van de permanente Commissie voor Vrede en Veiligheid (CVV). De andere CVV-leden
die deel uitmaakten van de gecombineerde commissie waren: dhr. A.L. ter Beek,
prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh, dr. A. Bloed, dr. Ph.P. Everts, prof. mr.
F.J.M. Feldbrugge, lt.-gen. b.d. G.J. Folmer, mw. mr. B.T. van Ginkel, mr. J.S.L.
Gualthérie van Weezel, dr. P. van Ham, prof. dr. K. Koch, sbn. b.d. R.M. Lutje
Schipholt, drs. J. Ramaker, lt.-gen. b.d. H.W.M. Satter, prof. dr. B.A.G.M. Tromp en
drs. E.P. Wellenstein. Tot de gecombineerde commissie traden voorts toe mr. F.
Korthals Altes, de AIV-voorzitter en dr. W.F. van Eekelen, lid van de permanente
Commissie Europese Integratie.
Als ambtelijke contactpersonen fungeerden drs. F.C. van Beuningen en mr. R.J.
Gabriëlse van het ministerie van Buitenlandse Zaken en drs. S.J.G. Reyn en M.W.M.
Waanders van het ministerie van Defensie. Het secretariaat van de commissie werd
gevoerd door drs. G.W.F. Vigeveno, daarin bijgestaan door de CVV-secretaris,
drs. J.M.D. van Leeuwe.
Bij de werkzaamheden, die zich van januari tot en met mei 2007 uitstrekten,
werden de Nederlandse permanente vertegenwoordiging bij de NAVO (dr. H.W. van
Santen) en bij de EU (drs. A.J. Molenaar) geraadpleegd over de procedures in deze
twee fora. De griffier van de werkgroep NRF van de Tweede Kamer, drs. T.J.E.
van Toor, gaf een nadere toelichting op het rapport “Inzet met instemming”.
De AIV stelde het advies vast op 11 mei 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>I        Inleiding
De ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie vragen naar het oordeel van de AIV over
de conclusies en aanbevelingen van het rapport “Inzet met instemming – De rol van de
Tweede Kamer bij het uitzenden van militairen” (juni 2006), opgesteld door de werkgroep
NRF van de Tweede Kamer.1 De adviesaanvraag van de bewindslieden (bijlage I) vestigt
allereerst de aandacht op het centrale punt van het rapport van de Tweede Kamerwerk-
groep, te weten de aanbeveling om in artikel 100 van de Grondwet als vereiste op te nemen
dat de Tweede Kamer met iedere inzet van de krijgsmacht buiten de landsgrenzen moet
instemmen, dus ook als het gaat om eigen of bondgenootschappelijke verdediging. Tevens
wordt het voorstel gereleveerd om, vooruitlopend op een grondwetswijziging, deze en ande-
re aanbevelingen direct te effectueren.
Gevraagd wordt naar “de gevolgen” die de conclusies en aanbevelingen van de werkgroep
hebben “voor de uitzending van Nederlandse militairen en voor de Nederlandse deelname
aan internationale militaire operaties, zoals van de VN, de NAVO, de EU of andere interna-
tionale verbanden, waarbij, in sommige gevallen, ook de verdediging van het eigen grondge-
bied of de bijstandsverplichting van het Noord-Atlantische Verdrag in het geding kunnen
zijn.”
Met betrekking tot de ‘NATO Response Force’ (NRF) en EU-battlegroups wordt meer speci-
fiek gevraagd of “de vereiste parlementaire instemming gevolgen zou kunnen hebben voor
de beoogde snelle inzet en slagvaardig optreden van deze NAVO- en EU-eenheden” en hoe
“te voorkomen dat het verkrijgen van parlementaire instemming een vertragende factor is
bij de voorbereidingen voor de werkelijke uitzending van militairen”. Ook wordt gevraagd
naar “het oordeel van de AIV over de conclusies en aanbevelingen van de werkgroep NRF
ten aanzien van de verstrekking van informatie aan en de betrokkenheid van het parlement
op opeenvolgende momenten in het besluitvormingsproces van NAVO en EU”. Daarbij wordt
opgemerkt dat de besprekingen in de NAVO dan wel de EU veelal het karakter hebben van
een “informeel, dynamisch proces van onderhandelingen en overleg” en dat het kan gaan
om “informatie die op grond van regelgeving binnen de betreffende organisatie als geheim
of vertrouwelijk wordt aangemerkt”.
Met recht spreken de ministers in hun brief van een “vervolgadviesaanvraag”. In maart
2004 bracht de AIV reeds het advies “Nederland en crisisbeheersing: drie actuele
aspecten” uit, dat voor een belangrijk deel aan deze problematiek is gewijd. Zoals in dit
advies nr. 34 wordt geconstateerd, kenmerkt de materie zich door moeilijke dilemma’s;
dilemma’s tussen de noodzaak van snel en slagvaardig militair optreden en de vereisten
van zorgvuldige democratische controle en maatschappelijk draagvlak. Dilemma’s ook
tussen de wens het laatste woord te hebben als het gaat om de inzet van de eigen
krijgsmacht en de noodzaak om in Europees en NAVO-kader over een effectief militair
instrumentarium te beschikken. Dit soevereiniteitsdilemma komt extra scherp naar voren
bij vooraf geformeerde, snel inzetbare multinationale eenheden, zoals de NRF en de EU-
battlegroups. De geheimhouding die militaire planning vaak omringt, verdraagt zich ook niet
altijd even goed met het openbare karakter van de parlementaire behandeling. Ook hier ligt
een dilemma dat bijvoorbeeld op zeer concrete wijze naar voren kwam bij de verzoeken van
de Tweede Kamer om inzage in de ‘Rules of Engagement’ en in MIVD-rapporten in verband
met de uitzending naar Uruzgan in Zuid-Afghanistan. Deze verschillende dilemma’s vormen
de rode draad in het onderhavige rapport.
1   Kamerstukken 30 162, nrs. 2-5 <http://parlando.sdu.nl>.
                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Het eerder uitgebrachte advies en vooral het daarin vervatte hoofdstuk III “Nationale
besluitvormingsprocedures over deelname aan internationale militaire verbanden” is, naar
het oordeel van de AIV, nog steeds zeer relevant voor de huidige discussie. De aanbevelin-
gen in het onderhavige rapport grijpen dan ook op veel punten terug op advies nr. 34.
De gedachte van een formeel parlementair instemmingsrecht is niet nieuw. In 1994 vroeg
de motie-Van Middelkoop c.s. reeds om vastlegging van een formeel parlementair instem-
mingsrecht, in de Grondwet of op andere wijze.2 In die periode is hierover tussen regering
en parlement uitvoerig gedebatteerd. Veel argumenten zijn derhalve al uitgewisseld. Dit
leidde uiteindelijk tot de grondwetswijziging die haar beslag kreeg in het jaar 2000. Deze
grondwetswijziging introduceerde weliswaar geen formeel instemmingsrecht, maar wel in
artikel 100 een recht op informatie vooraf, dat de Staten-Generaal de gelegenheid geeft
zich uit te spreken over een besluit tot uitzending voordat het wordt uitgevoerd.
Tijdens de parlementaire behandeling van de grondwetswijziging in 1998 toonde het toen-
malige Tweede Kamerlid Van Middelkoop zich tevreden over deze poging van de regering
om “de strekking” van zijn motie te honoreren en beschouwde hij het resultaat als een
“materieel instemmingsrecht of afkeuringsrecht”.3 Met het nieuwe artikel 100 werd aan de
parlementaire controle achteraf op dit terrein een vorm van “controle vooraf” toegevoegd,
aldus Van Middelkoop.
De verwarrende gang van zaken in december 2005 rond de uitzending naar Uruzgan deed
de gedachte van een formeel instemmingsrecht weer opleven. De motie-Van Aartsen-Bos
van 2 februari 2006 vroeg vervolgens aan de werkgroep NRF “helderheid” te scheppen.4
Daarmee werd het mandaat van de werkgroep, die al enige tijd bezig was, uitgebreid. Dit
leidde tot het voorliggende rapport “Inzet met instemming”.
Dit rapport en de daarop gebaseerde adviesaanvraag roeren zowel meer algemene vraag-
stukken aan, die op alle vormen van uitzending betrekking hebben zoals het voorgestelde
instemmingsrecht en bepalingen over de reikwijdte daarvan, als meer specifieke punten in
relatie tot vooraf geformeerde multinationale eenheden, vooral de ‘NATO Response Force’
en de EU-battlegroups. Alvorens in te gaan op de voorstellen voor een grondwetswijziging
wordt eerst in hoofdstuk II de actieve Nederlandse rol bij vredesoperaties geschetst en wor-
den in hoofdstuk III de ervaringen met de huidige regeling besproken. Het functioneren van
de huidige regeling is immers een belangrijk element bij de vraag of er aanleiding is tot een
grondwetswijziging. Vervolgens worden in de hoofdstukken IV, V en VI diverse aspecten van
de voorgestelde grondwetswijziging besproken alsook bepaalde maatregelen die, vooruit-
lopend op een grondwetswijziging, direct zouden worden geëffectueerd. In hoofdstuk VII
wordt ingegaan op de nationale en internationale besluitvorming over de inzet van de NRF
en battlegroups, waarna in hoofdstuk VIII conclusies worden getrokken.
Het onderwerp is, behalve een veiligheidsvraagstuk, ook in belangrijke mate een staatkundig
vraagstuk. In dit advies worden derhalve ook staatsrechtelijke aspecten aangestipt (met
name in hoofdstuk IV). Aangezien de adviesaanvraag gewag maakt van de mogelijkheid dat
aan de Raad van State zal worden gevraagd nader op deze aspecten in te gaan, beperkt de
bespreking van staatsrechtelijke aspecten zich tot enkele hoofdlijnen.
2   Kamerstuk 23 591, nr. 2.
3   Handelingen 40-3247.
4   Kamerstuk 27 925, nr. 203.
                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>II         Nederland en crisisbeheersingsoperaties
Ons land heeft de afgelopen jaren actief bijgedragen aan uiteenlopende crisisbeheersings-
operaties, waarmee zowel vrede handhavende als vrede opleggende missies worden aange-
duid. Met deze bijdragen werd op zeer concrete wijze inhoud gegeven aan de opdracht van
de Grondwet aan de regering om de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevor-
deren (artikel 90).5 Grote delen van de wereld kenmerken zich door instabiliteit. Het aantal
landen dat in staat en bereid is als exporteurs van stabiliteit op te treden is daarentegen
beperkt. De vraag naar kwalitatief hoogwaardige vredestroepen zoals Nederland die kan
leveren, overtreft dan ook verre het aanbod.
In een tijdperk van groeiende internationale vervlechting heeft instabiliteit in de ene regio
al gauw gevolgen voor andere regio’s. Zo kan veraf snel dichtbij komen. Het is dan ook in
ons belang bronnen van instabiliteit tijdig aan te pakken, voordat de gevolgen ons eigen
werelddeel bereiken. Dit is ook het uitgangspunt van de Europese veiligheidsstrategie van
december 2003:
     “With the new threats, the first line of defence will often be abroad.”6
Nieuwe dreigingen en grensoverschrijdende problemen kunnen alleen door een gezamenlij-
ke benadering in internationaal kader doeltreffend worden bestreden en aangepakt. Neder-
land heeft dan ook belang bij effectieve multilaterale organisaties die in staat zijn stabilise-
rend op te treden en orde te scheppen. Het ligt op onze weg hieraan te blijven bijdragen. Dit
werd in de laatste Troonrede als volgt verwoord:
    “Als sterk, welvarend en vrij land hebben wij een belangrijke internationale verantwoor-
    delijkheid. Conflicten en noden in de wereld vergen een actieve opstelling van Neder-
    land. Samen met andere landen zijn wij drager van de internationale rechtsorde.”
In de regeringsverklaring die minister-president Balkenende op 1 maart 2007 aflegde naar
aanleiding van het aantreden van het nieuwe kabinet, onderstreepte hij het belang van
vredesmissies:
    “Nederland blijft bereid een actieve bijdrage te leveren aan het bevorderen van een
    goede internationale rechtsorde. We hebben vertrouwen in de lopende vredesmissies,
    in het bijzonder die in Afghanistan. Onze militairen voeren op voortreffelijke wijze hun
    taken uit. Hun werk komt ons allemaal ten goede. Het werken aan politieke stabiliteit en
    wederopbouw daar, draagt ten slotte ook bij aan onze veiligheid hier.”
Anders dan de verdediging van het eigen en bondgenootschappelijk gebied, is deelname
aan crisisbeheersingsoperaties in wezen vrijwillig. Het is een keuze die men zelf maakt.
Parlementair en maatschappelijk draagvlak zijn dan minder vanzelfsprekend dan in geval
van agressie tegen ons land of tegen een NAVO-bondgenoot. Bij deelname aan een crisis-
beheersingsoperatie is het dan ook van belang dat deze op een zo groot mogelijk en duur-
zaam politiek en maatschappelijk draagvlak kan steunen. Dat geldt des te meer voor
gevaarlijke missies, waarbij van Nederlandse militairen wordt gevraagd risico’s voor eigen
leven te lopen. Ook voor de uitgezonden militairen zelf is het belangrijk te weten dat volks-
vertegenwoordiging en samenleving achter hen staan. Voor een meer gedetailleerde
beschouwing over het vraagstuk van politiek en maatschappelijk draagvlak zij verwezen
naar het AIV-advies “Maatschappij en Krijgsmacht” van april 2006 (advies nr. 48).
5   Artikel 90 van de Grondwet: “De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.”
6   A Secure Europe in a Better World. European Security Strategy, goedgekeurd door de Europese Raad op
    12 december 2003 te Brussel.
                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>III         Ervaringen met artikel 100-procedure
De afgelopen decennia kreeg ons land steeds meer te maken met crisisbeheersingsoperaties,
eerst vooral VN-vredesoperaties (UNIFIL, UNTAC etc.) en later onder andere ook operaties in
het kader van de NAVO (SFOR, ISAF) en van ad hoc-coalities (Enduring Freedom, SFIR).
Gaandeweg ontstond de praktijk dat de regering bij deelname aan missies van te voren de
Staten-Generaal raadpleegt, in de eerste plaats de Tweede Kamer. De rol van de Staten-
Generaal bij de uitzendingen van militairen werd verder vergroot door de invoering in het
jaar 2000 van het nieuwe artikel 100 van de Grondwet.7 Het eerste lid van dit artikel ver-
plicht de regering de Staten-Generaal “vooraf”8 inlichtingen te verstrekken over de inzet van
de krijgsmacht ten behoeve van de internationale rechtsorde, waarmee op alle soorten
vredesoperaties wordt gedoeld. Daarmee werden de algemene verantwoordingsplicht van
de regering jegens het parlement en de informatieplicht van artikel 68 van de Grondwet9
aangescherpt met betrekking tot operaties ten behoeve van de internationale rechtsorde.
Het gaat daarbij overigens om de inzet van eenheden, niet om de uitzending van individuele
militairen.
De spelregels werden nader uitgewerkt in het herziene Toetsingskader van juli 2001.10 Zo
ontstond wat nu de artikel 100-procedure wordt genoemd. In deze herziene versie van het
Toetsingskader zijn ook de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Besluitvorming
Uitzending (TCBU), die in september 2000 rapport uitbracht, meegenomen. De artikel
100-procedure staat borg voor nauwe betrokkenheid van de Staten-Generaal bij Nederlandse
deelname aan zowel klassieke vredesoperaties als meer robuuste stabilisatieoperaties. De
procedure heeft doorgaans goed gewerkt. De intensieve discussie tussen regering en
Tweede Kamer die aan uitzending van militaire eenheden voorafgaat, komt de kwaliteit en
7   Artikel 100 van de Grondwet:
    “Lid 1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter beschikking
    stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde. Daaronder is
    begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de inzet of het ter beschikking stellen van de krijgs-
    macht voor humanitaire hulpverlening in geval van gewapend conflict.
    Lid 2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtingen verhinde-
    ren. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.”
8   Memorie van Antwoord van de regering aan de Eerste Kamer in het kader van de grondwetswijziging, 12 mei
    2000 (Kamerstuk 26 243, nr. 165a):
    “De regering wijst erop dat artikel 100, eerste lid, inhoudt dat de inlichtingen over de inzet of het ter
    beschikking stellen van de krijgsmacht worden verstrekt voordat er sprake is van daadwerkelijke uitvoering
    van het besluit en bovendien op een zodanig moment dat er eveneens sprake kan zijn van daadwerkelijk
    overleg tussen regering en Staten-Generaal. Dit betekent dat elk van beide Kamers tijdig beschikt over
    inlichtingen inzake het genomen besluit hetgeen ertoe kan leiden dat er een debat wordt gevoerd waarin
    moties kunnen worden aangenomen. Van dergelijke moties zal de regering zich ernstig rekenschap geven en
    zij zal daaraan niet lichtvaardig voorbij kunnen gaan.”
9   Artikel 68 van de Grondwet:
    “De ministers en de staatssecretarissen geven de Kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering
    mondeling of schriftelijk de door één of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in
    strijd is met het belang van de Staat.”
10 Kamerstuk 23 591, nr. 7.
                                                           10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>zorgvuldigheid van de besluitvorming ten goede. De procedure dwingt alle partijen de voor-
genomen deelname aan een operatie goed te doordenken en zaken als het mandaat, de
bevelsstructuur, de afspraken met bondgenoten, de benodigde bewapening etc. zorgvuldig
af te wegen. In die zin is lering getrokken uit de gebeurtenissen in Srebrenica en worden de
aanbevelingen van de TCBU in praktijk gebracht. In zijn vergelijkende studie van negen
Europese landen onderstreept Marc Houben het grote nut voor regering en parlement van
het Toetsingskader, dat bijdraagt aan een meer gestructureerd debat en aan de “thoroughness
of the preparation of the decision”.11 Op grond van de afspraken in het Toetsingskader
worden lopende operaties voorts ook eens per jaar geëvalueerd. Na afloop vindt een slot-
evaluatie plaats.12
Bij de toepassing van de artikel 100-procedure hebben zich in wezen slechts twee onduide-
lijkheden voorgedaan. Bij de uitzending naar Uruzgan legde de regering in december 2005
aan de Staten-Generaal een ‘voornemen’ in plaats van een ‘besluit’ voor. Dit was strijdig
met de uitleg die de regering zelf altijd aan artikel 100 had gegeven. Zo stelde de regering
bij de behandeling van de grondwetswijziging begin 1998:
    “De regering stelt vast dat de verstrekking van inlichtingen aan de Kamers over de inzet
    van de krijgsmacht op grond van artikel 100, eerste lid, geen betrekking heeft op een
    voornemen maar op een besluit van de regering.”13
Met de aanvaarding van de motie-Van Aartsen-Bos (2 februari 2006) wees de Tweede
Kamer de regering er dan ook op dat op grond van de artikel 100-procedure aan de Staten-
Generaal een volwaardig kabinetsbesluit dient te worden voorgelegd. De regering onder-
schreef deze lezing van de procedure. Naar het oordeel van de AIV kan op dit punt geen
onduidelijkheid meer bestaan.
De andere onduidelijkheid hield verband met het onderscheid tussen een drietal verschil-
lende taken (‘doelomschrijvingen’) van de krijgsmacht, dat door de grondwetswijziging van
2000 werd geïntroduceerd. In artikel 97, eerste lid, van de Grondwet14 werden toen aan de
krijgsmacht drie soorten taken toebedeeld:
– “verdediging” (dit slaat zowel op eigen verdediging als op NAVO- en WEU-verplichtingen);
– “bescherming van de belangen van het Koninkrijk”;
– “handhaving of bevordering van de internationale rechtsorde”.15
De verplichting tot voorafgaande informatie op grond van artikel 100 geldt alleen voor de
derde doelomschrijving, waar alle soorten crisisbeheersingsoperaties en vredesoperaties
onder vallen.
11 Marc Houben, International Crisis Management. The Approach of European States, Routledge, 2005, blz. 78.
12 Voor een voorbeeld van een eindevaluatie, zie die van de Nederlandse stabilisatieoperatie in al-Muthanna,
    Zuid-Irak, Kamerstuk 29 521, nr. 17.
13 Memorie van Antwoord, 16 februari 1998, Kamerstuk 25 367, nr. 226b.
14 Artikel 97 van de Grondwet:
    “Lid 1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk, alsmede ten
    behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale rechtsorde, is er een krijgsmacht.
    Lid 2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.”
15 Vóór de grondwetswijziging van 2000, kende de Grondwet slecht één doelomschrijving voor de krijgsmacht,
    namelijk “de bescherming van de belangen van de Staat”, een formulering die nog doorklinkt in de tweede
    doelomschrijving van het huidige artikel 97.
                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>In de herfst 2001 ontstond discussie over de Nederlandse deelname aan Enduring Free-
dom in Afghanistan, de Amerikaanse operatie tegen Al Qaeda en het daarmee gelieerde
Taliban-regime in antwoord op 11 september 2001. De Nederlandse bijdrage, aanvankelijk
alleen schepen en vliegtuigen, stond in het teken van artikel 51 van het VN Handvest (indi-
viduele en collectieve zelfverdediging)16 en van artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag,
dat door de NAVO-Raad op 12 september 2001 van toepassing werd verklaard. Dit was
duidelijk een geheel andere situatie dan het klassieke scenario van een Sovjet-invasie dat
men bij de oprichting van de NAVO voor ogen had. De bijstandsclausule van artikel 5 werd
daarmee als het ware een stukje opgerekt.
Het gevolg was dat de Nederlandse bijdrage binnen de eerste doelomschrijving van de
krijgsmacht viel. Hierdoor zou de uitzending, formeel bezien, niet onder de artikel 100-pro-
cedure vallen. De toenmalige minister van Defensie, De Grave, gaf al vrij snel toe dat hier
sprake was van een situatie die tussen de categorieën van de Grondwet in viel. De regering
zegde daarom toe de Staten-Generaal “in de geest van artikel 100” te zullen informeren.
De discussie laaide opnieuw op toen de regering in februari 2005 besloot ook grondtroepen
(‘special forces’) aan Enduring Freedom bij te dragen (250 man, commando’s en mariniers).
Ook in dit geval werd door de regering “in de geest van artikel 100” gehandeld. Een aantal
Tweede Kamerleden wees erop dat er inmiddels niet minder dan vier jaar waren verstreken
sedert de aanslagen van 11 september 2001. Had de operatie na de val van het Taliban-
regime (november/december 2001) niet veeleer het karakter van een stabilisatieoperatie
gekregen, zo vroegen zij zich af, in welk geval artikel 100 volledig van toepassing zou zijn. In
een brief aan de Kamer d.d. 10 maart 2005 beargumenteerde de regering dat in haar ogen
het recht op zelfverdediging van toepassing bleef.17
De AIV heeft zich in zijn advies van 2004 reeds gebogen over de vraag wat te doen bij
samenloop van de doelstellingen voor de inzet van de krijgsmacht die worden genoemd in
de Grondwet. Toen werd geconcludeerd dat in dergelijke situaties toepassing van de artikel
100-procedure “de aangewezen weg is”. Deze keuze ligt voor de hand wanneer de operatie
in significante mate de kenmerken van een artikel 100-operatie vertoont, zo werd toen
gesteld. “Significant” betekent niet per se “dominant”, aldus het advies.18 Dit is nog steeds
het oordeel van de AIV. Bij grensgevallen dient de regering de artikel 100-procedure toe te
passen. Indien de regering dit uitgangspunt ten aanzien van grensgevallen consequent toe-
past, is naar het oordeel van de AIV, de tweede onduidelijkheid in de huidige regeling even-
eens weggenomen.
De Grondwet opent in het tweede lid van artikel 100 een uitzonderingsmogelijkheid op de
algemene regel van voorafgaande informatie in het eerste lid. Indien “dwingende redenen”
daartoe nopen, kunnen de Staten-Generaal ook later (“zo spoedig mogelijk”) worden geïn-
formeerd. Dit kan dus tijdens de operatie zijn of zelfs achteraf. De Memorie van Toelichting
bij artikel 100 geeft de volgende uitleg over het tweede lid:
    “Te denken valt aan (nood)situaties, waarbij op zeer korte termijn tot de daadwerkelijke
    inzet moet worden overgegaan. Te denken valt voorts aan een militaire interventie die
16 Dat artikel 51 van het Handvest (recht op individuele en collectieve zelfverdediging) in dit geval van toepas-
    sing was, werd bevestigd door resolutie 1368 van de VN Veiligheidsraad, aangenomen op 12 september
    2001. Voor de tekst van artikel 51 zie bijlage III.
17 Kamerstuk 27 925, nr. 166.
18 Nederland en crisisbeheersing: drie actuele aspecten, AIV-advies nr. 34, maart 2004, blz. 35.
                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>    alleen zinvol kan zijn indien zij onaangekondigd en onder strikte geheimhouding
    geschiedt, bijvoorbeeld indien er sprake is van direct gevaar in levensbedreigende situ-
    aties en waarin met spoed of onder strikte geheimhouding moet worden gehandeld. In
    dergelijke gevallen – in acute noodsituaties – zal zelfs het voorafgaand verstrekken van
    inlichtingen onmogelijk kunnen zijn.”19
Tijdens de behandeling van de grondwetswijziging in de Tweede Kamer op 13 januari 1998
noemde de toenmalige minister van Defensie, Voorhoeve, drie voorbeelden van “nood-
situaties”, waarin de Staten-Generaal niet vooraf zouden worden geïnformeerd:
– arrestaties van gezochte oorlogsmisdadigers;
– een gijzeling (in het buitenland) waarbij Nederlanders zijn betrokken (“een soort Entebbe-
    scenario”, aldus Voorhoeve);
– de evacuatie van Nederlanders uit een land waar zich “zeer bedreigende omstandig-
    heden” voordoen.20
Bij het gebruik van de uitzonderingsmogelijkheid in artikel 100, tweede lid, wordt in de
eerste plaats gedacht aan “speciale operaties”, een begrip dat wordt uitgewerkt in een brief
van de minister van Defensie, De Grave, van 23 augustus 2000.21 Speciale operaties worden
uitgevoerd door kleine eenheden van het Korps Commandotroepen en/of het Korps
Mariniers. Het gaat hierbij, volgens de brief, om:
    “bijzondere inlichtingenverzameling, bijzondere aanhoudingen, aanvallen op geselec-
    teerde doelen, militaire steunverlening aan bondgenoten, evacuatie van landgenoten uit
    levensbedreigende situaties en internationale terreurbestrijding.”
De brief benadrukt ook “de noodzaak tot strikte geheimhouding” bij dit soort operaties.
Wanneer er mededelingen aan de Staten-Generaal worden gedaan, zal dit veelal op basis
van vertrouwelijkheid moeten geschieden.
Regering en parlement zijn het erover eens dat spaarzaam gebruik dient te worden
gemaakt van de uitzondering in artikel 100, tweede lid. In de praktijk is het gebruik van
deze clausule tot nu toe inderdaad restrictief geweest, restrictiever dan de geciteerde
opsomming van voorbeelden in de brief van minister De Grave doet vermoeden. De niet voor-
af gemelde operaties betroffen meestal kleinschalige speciale operaties ter ondersteuning
van een meer omvangrijke reguliere Nederlandse bijdrage aan een internationale missie. Zo
werden ter voorbereiding van de uitzending van een Nederlands detachement naar Uruzgan
verkenningen uitgevoerd door Nederlandse ‘special forces’. ‘Special forces’ werden ook
ingezet ter ondersteuning van het Nederlandse detachement in Zuid-Irak. De reeds
genoemde (pogingen tot) arrestatie van oorlogsmisdadigers in Bosnië hingen eveneens
samen met een bredere reguliere vredesoperatie. Een operatie die wegens het spoedeisen-
de karakter pas op de dag zelf werd gemeld betrof de beveiliging door commando’s van de
Nederlandse ambassade (residentie) in Ivoorkust in combinatie met de evacuatie van de
aldaar aanwezige Nederlandse burgers in november 2004.22
19 Memorie van Toelichting, Kamerstuk 25 367, nr. 3.
20 Handelingen 40-3272.
21 Kamerstuk 26 800 X, nr. 46.
22 Kamerstuk 29 878, nr. 1.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>De Tweede Kamer heeft de regering bij diverse gelegenheden aan de tand gevoeld over de
wijze waarop gebruik is gemaakt van de uitzondering in artikel 100, tweede lid. Enkele frac-
ties vonden het onjuist dat de regering zelf mag bepalen wanneer van de uitzondering
gebruik wordt gemaakt. Er was in hun ogen behoefte aan nadere vastlegging van de daarbij
te hanteren criteria. Dit standpunt werd niet breed gedeeld. De meeste fracties toonden
zich tevreden over de gang van zaken. Na een lang en indringend debat op 16 en 17 juni
2004 concludeerde het toenmalige Kamerlid Rouvoet het volgende:
    “de minister van Defensie heeft wat mij betreft buiten twijfel gesteld dat alle bijzondere
    operaties en iedere inzet van speciale eenheden aan de Kamer zijn gemeld, zoals dat
    behoort, waar nodig langs de vertrouwelijke weg. Ook dat is volwaardige parlementaire
    controle.”23
De adviesaanvraag werpt de vraag op of “een verschil van inzicht” tussen regering en parle-
ment omtrent deelname aan een internationale operatie, niet het risico met zich brengt
“dat de voorspelbaarheid van Nederland bij internationale partners en bij de betrokken
internationale organisaties in het gedrang kan komen”. Deze vraag heeft primair betrekking
op de NRF en de EU-battlegroups en wordt derhalve in hoofdstuk VII besproken. NRF en
battlegroups zijn tot op heden nog niet onder gevechtsomstandigheden ingezet. Wat de
operaties betreft waarmee wel ervaringen bestaan, valt te constateren dat een situatie
waarbij de regering op grond van een parlementaire positiebepaling gedwongen werd terug
te komen op een internationale toezegging, zich nog nooit heeft voorgedaan.
23 Handelingen 85-5496.
                                              14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>IV        Het al dan niet invoeren van een grondwettelijk
          instemmingsrecht voor militair optreden buiten de
          landsgrenzen
Hoewel formeel bezien artikel 100 van de Grondwet een verplichting behelst om de Staten-
Generaal vooraf te informeren, wordt vaak gesteld dat dit in de praktijk – materieel bezien –
in de buurt komt van een instemmingsrecht. De parlementaire praktijk heeft zich de afgelo-
pen jaren inderdaad in die richting ontwikkeld. Alvorens tot uitzending van militaire eenhe-
den over te gaan, pleegt de regering zich ervan te vergewissen dat hiervoor voldoende
steun is, in ieder geval in de Tweede Kamer. Het is inmiddels ook gebruikelijk dat de woord-
voerders aan het slot van het Tweede Kamerdebat over een artikel 100-brief, in de derde
termijn, expliciet namens hun fractie steun uitspreken voor de uitzending (c.q. hun steun
onthouden).
In het rapport “Inzet met instemming” wordt voorgesteld om artikel 100, eerste lid, om te
zetten in een formeel instemmingsrecht (van de Tweede Kamer) voor elk optreden “buiten
de landsgrenzen”24, dus ook als het gaat om NAVO-verplichtingen. De term “toestemmings-
vereiste” geeft, volgens prof. dr. L.F.M. Besselink, een betere aanduiding van hetgeen wordt
bedoeld.25 Naar analogie met de totstandkoming van wetten zou men ook van een ‘mede-
beslissingsrecht’ kunnen spreken, dat zich in dit geval tot de Tweede Kamer zou beperken.
In de adviesaanvraag wordt gevraagd naar “de gevolgen” van dit voorstel.
De Tweede Kamerwerkgroep ziet het voorgestelde als de formalisering van “de gegroeide
politieke praktijk, waarbij de Tweede Kamer een feitelijk instemmingsrecht heeft
verkregen”.26 Dit is tot op zekere hoogte het geval in relatie tot de operaties die nu onder
artikel 100 vallen. Het voorgestelde zou evenwel de werkingssfeer (“reikwijdte”) van artikel
100 uitbreiden tot bondgenootschappelijke verdediging. Dit is duidelijk een nieuw element,
dat verder in hoofdstuk V wordt besproken. Maar ook in relatie tot artikel 100-operaties
mag men het verschil tussen de huidige regeling en een formeel medebeslissingsrecht niet
onderschatten. De keuze van de bewoordingen van artikel 100 hield juist nauw verband
met dit onderscheid. Bij de grondwetsherziening ter uitvoering van de motie-Van
Middelkoop streefde de regering ernaar “zo veel mogelijk aan de wensen van de Kamer
tegemoet te komen … met inachtneming van de constitutionele verhoudingen tussen
regering en Staten-Generaal”.27 Zo kwam men uit bij de huidige procedure, waarin de
Staten-Generaal vooraf worden geïnformeerd en wel op een zodanig tijdstip dat zij de
gelegenheid hebben zich uit te spreken. In deze constructie wordt het besluit door de
regering genomen, die daarvoor dus ook de volle verantwoordelijkheid draagt. Met de
verwijzing naar de bestaande constitutionele verhoudingen doelde de regering op het
uitgangspunt ‘de regering regeert, het parlement controleert’. Dit komt veelvuldig naar
24 Blz. 69.
25 Bijlage bij rapport “Inzet met instemming”, blz. 44.
26 Blz. 69.
27 Brief ministers Van Mierlo en Voorhoeve aan de Tweede Kamer, 17 januari 1995, Kamerstuk 23 591, nr. 3.
                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>voren zowel in de schriftelijke als de mondelinge behandeling van de grondwetswijziging.28
Ook de doctrine van het dualisme werd door de regering in dit verband genoemd.
De destijds gekozen constructie geeft, zoals gezegd, de Staten-Generaal de kans hun positie
te bepalen en kenbaar te maken. Belangrijk daarbij is dat de regering de Staten-Generaal
niet voor voldongen feiten plaatst en bij toezeggingen in internationaal kader een voorbe-
houd maakt in verband met de parlementaire behandeling. In de regel zal de regering zich
schikken naar het oordeel van de (Tweede) Kamer. Ook dat is onderdeel van de bestaande
constitutionele verhoudingen. Mocht de regering de neiging hebben de zienswijze van de
Kamermeerderheid te negeren, dan kan deze meerderheid een motie van wantrouwen
indienen en de betrokken ministers of het hele kabinet tot aftreden dwingen. De Staten-
Generaal hebben in ons stelsel het laatste woord.
Ons staatsbestel kent diverse voorbeelden van gedeelde bevoegdheden van regering en
parlement, hetgeen het beeld van een strikte scheiding tussen de taken van regering en
parlement (regeren versus controleren) nuanceert. Zo hebben de Staten-Generaal een
medebeslissingsrecht bij nationale en ook internationale regelgeving (wetten en verdragen)
en bijvoorbeeld ten aanzien van de goedkeuring van de Rijksbegroting. Dit zijn echter zaken,
waarvan de motivering en de verwachte werking op voorhand uitvoerig bediscussieerd en
gewogen kunnen worden. De inzet van de krijgsmacht is een andersoortig besluit. Op mili-
tair gebied is het soms nodig onmiddellijke actie te nemen, waar leven of dood van kunnen
afhangen. In regelgeving is dat niet te vatten, hoe zorgvuldig men het Toetsingskader ook
hanteert. Het is beleid van een geheel ander en eigen karakter.
Men kan tegenwerpen dat er in ieder geval één uitzondering is op de staatsrechtelijke traditie
die de inzet van de krijgsmacht primair bij de uitvoerende macht legt. Dat is de grondwets-
wijziging van 1922. Tot op dat moment was oorlog verklaren volgens de Grondwet een
prerogatief van de Koning, zij het vanaf 1848 onder ministeriële verantwoordelijkheid. In
1922 werd bepaald dat oorlog verklaren (later “in oorlog verklaren”) de toestemming van de
Staten-Generaal, bijeen in verenigde vergadering, behoeft. Deze bepaling, die in iets gewij-
zigde vorm in het huidige artikel 96 is terug te vinden,29 is echter nooit toegepast, met
name omdat oorlog verklaren niet past in de moderne volkenrechtelijke opvattingen. Deze
grondwetsbepaling is dan ook duidelijk verouderd.30
28 De regeringsvisie wordt als volgt samengevat in de Memorie van Antwoord d.d. 12 mei 2000 in het kader van
    de behandeling van de grondwetswijziging in tweede lezing door de Eerste Kamer, Kamerstuk 26 243,
    nr. 165a: “Het uitgangspunt van de regering bij de uitvoering van de motie-Van Middelkoop berust op de
    bestaande constitutionele verhoudingen waarin de regering regeert en het parlement controleert. De rege-
    ring stelt voorts met instemming vast dat de genoemde leden dit uitgangspunt aanduiden als de juiste con-
    stitutionele verhoudingen, bekennen zich tot een normatief dualisme en spreken tevens van een wenselijk
    dualisme. De regering acht het genoemde instemmingsrecht met een dergelijk dualisme onverenigbaar en
    bovendien onwenselijk. De Staten-Generaal kunnen in ons constitutionele bestel hun controlerende taak niet
    in vrijheid uitoefenen indien zij formeel gaan delen in de bestuursverantwoordelijkheid.”
29 De belangrijkste grondwetsartikelen zijn opgenomen in bijlage II.
30 Voor een nadere beschouwing over de grondwetswijziging van 1922 en het huidige artikel 96 zie L.F.M.
    Besselink, “Van constitutionele beslissingsmacht tot vermeende politieke zeggenschap: parlementaire
    betrokkenheid bij de deelname van de Nederlandse krijgsmacht aan internationale militaire operaties”,
    in M. van Damme red. De Grondwet en het inzetten van strijdkrachten, Antwerpen, 2005.
                                                         16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Een meer specifiek punt is dat het door de werkgroep beoogde instemmingsrecht zich zou
toespitsen op de Tweede Kamer. Naast het algemeen onderschreven politieke primaat van
de Tweede Kamer, kan de tijdsdruk op de besluitvorming tijdens crisissituaties een overwe-
ging zijn geweest om de procedure tot de Tweede Kamer te beperken. De tijdsklem in crisis-
situaties zal zich inderdaad des te sterker doen gevoelen als beide Kamers formeel en volg-
tijdelijk hun instemming moeten geven. Een andere overweging kan zijn dat de Eerste
Kamer de afwikkeling van de artikel 100-procedure in de praktijk grotendeels (niet hele-
maal) aan de Tweede Kamer overlaat. De gang van zaken op dit moment is dat de Eerste
Kamer aan de hand van het schriftelijke verslag van de behandeling in de Tweede Kamer
bekijkt of er aanleiding is om de voorgenomen uitzending van militairen in de Eerste Kamer
te bespreken, wat doorgaans niet nodig wordt geacht.
Naast praktische aspecten die verband houden met de tijdsdruk, zijn er echter ook over-
wegingen van staatsrechtelijke aard die in de beschouwing moeten worden betrokken. Feit
is namelijk dat alle bestaande voorbeelden van een formeel medebeslissingsrecht in ons
staatsbestel betrekking hebben op beide Kamers. In de meeste gevallen krijgt dit mede-
beslissingsrecht gestalte via de wetgevingsprocedure. Zo vindt de goedkeuring van de Rijks-
begroting en van verdragen plaats door aanvaarding van een daartoe strekkend wetsvoor-
stel. Zelfs een zeer concrete aangelegenheid als het verlenen van toestemming voor het
huwelijk van de Koning, dient, op grond van artikel 28 van de Grondwet, bij wet te geschie-
den. Het rapport van de Tweede Kamerwerkgroep geeft niet aan hoe het beoogde formele
instemmingsrecht in concreto vorm zou moeten krijgen. Daarbij wordt wellicht gedacht aan
een procedure die voortbouwt op de huidige artikel 100-procedure, al of niet af te ronden
met een plenaire stemming. Het is kennelijk niet de bedoeling de voorgestelde goedkeuring
via de wetgevingsprocedure te laten verlopen, aangezien men met de toestemming van de
Tweede Kamer wil volstaan. Een medebeslissingsrecht van alleen de Tweede Kamer zou
een nieuwe figuur zijn in ons staatsrecht, die weliswaar snellere goedkeuring mogelijk
maakt dan een procedure via beide Kamers, maar tegelijkertijd vragen van constitutionele
aard oproept in relatie tot ons tweekamerstelsel.
Een gedeelde bevoegdheid bij de inzet van de krijgsmacht roept voorts de vraag op naar de
implicaties voor de verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit en voor de controleren-
de taak van de Staten-Generaal. Opmerkelijk is dat door de introductie van een formeel
instemmingsrecht het regeringsbesluit niet langer het karakter heeft van een echt besluit
maar van een voorstel, dat aanvaard of verworpen kan worden. Daarmee wordt het besluit
dus tot voornemen, iets waarvan de Tweede Kamer blijkens de aanvaarding van de motie-
Van Aartsen-Bos niet gediend was. In het rapport “Inzet met instemming” wordt voorts
gesteld dat “dit instemmingsrecht geen beperking inhoudt van de controlerende taak van
de Tweede Kamer, aangezien deze controle zich dan richt op de uitvoering van het besluit
waarmee de Kamer heeft ingestemd”.31 Toch zal, naar het de AIV voorkomt, de formeel
gegeven instemming met zich brengen dat de Tweede Kamer zich waarschijnlijk minder vrij
zal voelen het verdere verloop van de operatie en het Nederlandse aandeel daarin aan
kritiek te onderwerpen. Zoals eerder opgemerkt is in de discussie over de grondwetswijziging
in de jaren 1996-2000 veelvuldig naar voren gebracht dat de regering moet kunnen rege-
ren en dat het parlement vrij moet blijven om de regering vanuit een onafhankelijke positie
te controleren en te bekritiseren. De vrijheid van de Staten-Generaal daartoe zal afnemen,
indien zij gaan deelnemen aan concrete besluiten tot de inzet van de krijgsmacht en daar-
voor medeverantwoordelijkheid dragen. In de visie van de AIV is het dan ook zeer de vraag
of een dergelijke verstrengeling van verantwoordelijkheden tussen regering en parlement,
31 Blz. 70.
                                               17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>de uitoefening van hun respectieve taken bij de inzet van de krijgsmacht ten goede zal
komen. Men zal immers willen vermijden dat de regering uiteindelijk minder slagvaardig
kan regeren en dat de Staten-Generaal minder scherp gaan controleren.
Men kan ten slotte ook de blik over de grens richten om antwoorden te zoeken op de vraag
naar “de gevolgen” van een formeel instemmingsrecht. Dit levert echter geen eenduidig
beeld op. Elk land heeft zijn eigen staatkundige en ook militaire traditie.32 Zo kenmerken
het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zich door een relatief sterke positie van de uitvoerende
macht in de besluitvormingsketen. Veel van onze andere Europese partners hebben regelin-
gen waarbij de regering het parlement of een commissie van het parlement dient te raad-
plegen bij de uitzending van militairen. In de meeste van deze landen is het even ondenk-
baar als in Nederland dat de regering de zienswijze van het parlement zou negeren. In
Duitsland is het medebeslissingsrecht van het parlement formeel bij wet geregeld (‘Parla-
mentsbeteiligungsgesetz’). Sinds kort is dit ook in Spanje het geval. In Zweden en Denemar-
ken liggen de basisregels vast in de grondwet. In Finland is bij wet geregeld dat de regering
de parlementscommissie voor buitenlandse zaken dient te raadplegen. Of er een correlatie
bestaat tussen militair activisme en een sterke positie van de uitvoerende macht valt niet
met zekerheid te stellen. Ook het omgekeerde is niet echt aan te tonen. Zo zou het onjuist
zijn de terughoudende Duitse opstelling ten aanzien van deelname aan vredesoperaties
hoofdzakelijk in verband te brengen met de relatief sterke positie van de Bondsdag bij de
goedkeuring van uitzendingen. Deze terughoudendheid heeft tevens te maken met histori-
sche factoren, die in feite ook ten grondslag liggen aan de Duitse regeling zelf en aan de
Duitse conceptie van een ‘Parlamentsarmee’.
32 Het rapport “Inzet met instemming” geeft in hoofdstuk 2.3 een goede beschrijving van de parlementaire
    goedkeuringsprocedures in de belangrijkste partnerlanden. Voor aanvullende informatie zie Marc Houben,
    International Crisis Management. The Approach of European States, Routledge, 2005.
                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>V          De werkingssfeer van artikel 100: alleen crisis-
           beheersingsoperaties of ook collectieve verdediging?
De uitbreiding van de werkingssfeer van artikel 100 van de Grondwet is het meest opvallen-
de nieuwe element in de voorstellen van de Tweede Kamerwerkgroep, ook de adviesaan-
vraag wijst op dit punt. In hoofdstuk III zijn reeds de drie doelomschrijvingen van de krijgs-
macht besproken, die in artikel 97, eerste lid, zijn neergelegd. Terwijl het huidige artikel 100
alleen van toepassing is op de derde doelomschrijving voor de inzet van de krijgsmacht,
zou het grondwettelijk vast te leggen instemmingsrecht een ruimere werkingssfeer krijgen
en betrekking hebben op elke inzet “buiten de landsgrenzen”. Het begrip landsgrenzen
doelt op alle delen van het Koninkrijk, dat wil zeggen met inbegrip van de Nederlandse
Antillen en Aruba.33
“Vooruitlopend op de wijziging van de Grondwet” stelt de Tweede Kamerwerkgroep tevens
voor een aantal aanbevelingen direct te effectueren, waaronder de aanbeveling om de artikel
100-procedure alvast toe te passen op “alle vormen van inzet…. buiten het grondgebied van
het Koninkrijk”,34 dus ook op NAVO-verdediging.35 Men kan zich de vraag stellen op welke
wijze deze en andere beoogde aanscherpingen van de huidige regeling van kracht zouden
moeten worden, in afwachting van een grondwetswijziging. Uiteraard zal een debat tussen
regering en Kamers moeten plaatsvinden over het rapport van de werkgroep en de nog op
te stellen regeringsreactie daarop. Denkbaar is dat, naar analogie met de behandeling van
het TCBU-rapport, aan het slot van zo’n debat per motie wordt aangegeven welke aanbeve-
lingen van het rapport worden overgenomen. In aanbeveling 14 van het rapport36 wordt
gesteld dat de nieuwe regels met betrekking tot informatievoorziening vervolgens zouden
moeten worden vastgelegd in een bijlage bij het reglement van orde van de Tweede Kamer.
Naar het de AIV voorkomt zal men niet kunnen volstaan met een wijziging van het regle-
ment van orde van de Tweede Kamer, dat immers alleen de Kamer bindt, maar zou in ieder
geval ook het Toetsingskader, dat nog uitgaat van de gangbare, meer beperkte interpretatie
van artikel 100, moeten worden aangepast.
De adviesaanvraag vestigt nadrukkelijk de aandacht op het feit dat de voorstellen van de
Tweede Kamerwerkgroep bondgenootschappelijke verdediging omvatten. Ook wordt de
gedachte gereleveerd om deze en andere bepalingen direct te effectueren, zonder te wachten
op een grondwetswijziging.
33 “De handhaving van de onafhankelijkheid en de verdediging van het Koninkrijk” zijn, op grond van het Statuut
    voor het Koninkrijk der Nederlanden (1954), Koninkrijksaangelegenheden.
34 Blz. 70.
35 Bijstandsclausule in artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag: “The Parties agree that an armed attack against
    one or more of them in Europe or North America shall be considered an attack against them all and consequently
    they agree that, if such an armed attack occurs, each of them, in exercise of the right of individual or collective
    self-defence recognised by Article 51 of the Charter of the United Nations, will assist the Party or Parties so
    attacked by taking forthwith, individually and in concert with the other Parties, such action as it deems necessary,
    including the use of armed force, to restore and maintain the security of the North Atlantic area.”
36 Blz. 71.
                                                          19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Wellicht heeft in de werkgroep van de Tweede Kamer de gedachte meegespeeld dat na het
beëindigen van de Koude Oorlog de verdedigingstaak van de krijgsmacht sterk aan relevantie
heeft ingeboet. Op dit moment zijn inderdaad scenario’s van een aanval door reguliere
legers tegen Nederland of een NAVO-bondgenoot onwaarschijnlijk. Zoals in hoofdstuk II al is
aangegeven voltrekken zich echter snelle veranderingsprocessen in de wereld die ook van
invloed zijn op de geostrategische verhoudingen. De geschiedenis leert dat het per definitie
moeilijk is toekomstige risico’s juist te voorspellen. De niet voorziene gebeurtenissen aan
het einde van de jaren tachtig in de vorige eeuw zijn daarvan een goed voorbeeld. Ook heb-
ben zich ‘nieuwe’ dreigingen aangekondigd. Grootschalige terroristische aanslagen hebben
hun intrede gedaan. De proliferatie van massavernietigingswapens al dan niet in samen-
hang met de ontwikkeling van langeafstandsraketten is een andere zorgelijke ontwikkeling.
Dit alles pleit voor het behoud van een zekere flexibiliteit in de procedures, ermee rekening
houdend dat ook de verdedigingstaak weer actueel kan worden.
Het huidige artikel 100, zoals nader uitgewerkt in het Toetsingskader, betreft “vrijwillige
uitzendingen”, dat wil zeggen “missies waarvoor geen verplichting bestaat uit hoofde van
het WEU- of NAVO-verdrag”. Meer dan crisisbeheersingsoperaties vormt de verdediging van
eigen en bondgenootschappelijke gebied nog steeds een relevante kerntaak van de rege-
ring, die daartoe het oppergezag over de krijgsmacht heeft. Bij de zorg voor de nationale
veiligheid moet men bovendien niet alleen in territoriale termen denken, maar ook aan de
bescherming van eigen burgers waar ook ter wereld. Dit alles raakt zeer direct de eigen ver-
antwoordelijkheid van de uitvoerende macht.
Ook de tweede doelomschrijving van artikel 97, de “bescherming van de belangen van het
Koninkrijk” speelt in deze discussie een rol. Het is de doelomschrijving waarover de gedach-
ten aanvankelijk het minst uitgekristalliseerd waren. Tijdens de behandeling van de grond-
wetswijziging in eerste en tweede lezing (1998 en 2000) heeft senator Jurgens lang doorge-
vraagd over de betekenis van de “bescherming van de belangen van het Koninkrijk”.37
Naast binnenlands gerichte taken zoals de militaire bijstand aan de politie kwamen uit deze
debatten uiteindelijk ook meer internationaal gerichte voorbeelden naar voren, zoals de
onderschepping van drugstoevoer door de Koninklijke Marine in de Caribische Zee en de
evacuatie van eigen burgers uit conflictlanden (de wijze waarop het Verenigd Koninkrijk de
eigen burgers uit het door oorlog geteisterde Sierra Leone evacueerde, werd toen als voor-
beeld genoemd). Het door minister Voorhoeve genoemde ‘Entebbescenario’ zou, in de visie
van de AIV, op dit moment ook onder de categorie “bescherming van de belangen van het
Koninkrijk” vallen. Tegen de achtergrond van de toegenomen dreiging van terrorisme valt
niet uit te sluiten dat commandotroepen op grote afstand moeten worden ingezet om
Nederlandse gijzelaars te (helpen) bevrijden.
Het voorgaande kan niet los worden gezien van de introductie in het rapport van de werk-
groep van de Tweede Kamer van het criterium “buiten de landsgrenzen”. Alle hier genoem-
de voorbeelden en risico’s betreffen situaties die zich grotendeels buiten de landsgrenzen
afspelen. Het nieuwe instemmingsrecht zou hierop van toepassing zijn, zij het dat bij acute
noodsituaties zoals een gijzeling gebruik kan worden gemaakt van de uitzonderingsclausule
van artikel 100, tweede lid, die ook in de visie van de Tweede Kamerwerkgroep zou worden
gehandhaafd (zie hoofdstuk VI). Toch houdt een eventuele hantering van dit criterium voor
de regering een aanzienlijke beperking in van de handelingsvrijheid bij de inzet van de
krijgsmacht in het kader van de hier besproken doelstellingen. Dit criterium, dat eerder
herinneringen oproept aan de traditionele territoriale verdediging, past slecht bij de nu
37 Handelingen 22-1064 (1998) en 32-1510 (2000).
                                                 20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>algemene opvatting dat in strategische zin veraf steeds dichterbij komt. Ook in relatie tot de
verdediging van de Antillen en Aruba kan men vraagtekens zetten bij de werkbaarheid van
het criterium “buiten de landsgrenzen”, niet in de laatste plaats wegens het feit dat de ver-
dediging van de eilanden door marine en luchtmacht, in voorkomend geval, ver buiten de
eigen grenzen en de eigen territoriale wateren zou beginnen. De AIV is dan ook van mening
dat het geografische criterium “buiten de landsgrenzen” niet past in de huidige strategische
ontwikkelingen en het tijdig nemen van verdedigingsmaatregelen kan compliceren. De rege-
ring zal daardoor sneller geneigd zijn gebruik te maken van de uitzonderingsclausule in arti-
kel 100, tweede lid, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.
In dit verband is het ook noodzakelijk stil te staan bij de vraag hoe een parlementair
instemmingsrecht zich verhoudt tot de verschillende verdragsverplichtingen aangaande
(militaire) bijstand in het kader van de uitoefening van het collectieve recht op zelfverdedi-
ging. Daarbij gaat het in de eerste plaats om artikel 5 van het uit 1949 stammende Noord-
Atlantische Verdrag. Ook de adviesaanvraag stelt de bijstandsverplichting van het Noord-
Atlantische Verdrag aan de orde. Daarnaast is nog steeds het WEU-verdrag, zoals gewijzigd
in 1954, van kracht. Het WEU-verdrag bevat (toevallig ook in artikel 5) een sterkere bij-
standsclausule dan het Noord-Atlantische Verdrag.38 Artikel 5 van het WEU-verdrag ver-
plicht de verdragspartijen alle militaire en andere hulp te verlenen die in hun vermogen ligt,
wanneer één van de verdragspartijen (een tiental Europese landen) wordt aangevallen. Het
WEU-verdrag moet daarom worden gezien als een belangrijke verworvenheid van het Euro-
pese integratieproces. Een wat minder krachtig geformuleerde versie van artikel 5 was
opgenomen in het inmiddels gestrande Europese grondwettelijke verdrag39 dat daarnaast
ook een clausule over solidariteit in de strijd tegen het terrorisme bevatte.40 De AIV gaat
ervan uit dat het WEU-verdrag gehandhaafd wordt, zolang er geen gelijkwaardige garantie in
de EU-verdragen is opgenomen.41 Artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag heeft in
zoverre een ander karakter dat, als gevolg van een clausulering in de tekst, aan de lidstaten
wordt overgelaten om te bepalen op welke wijze zij uitvoering geven aan de verplichting tot
bijstand. Juridisch bezien zijn de lidstaten alleen verplicht enigerlei actie te nemen; in welke
vorm wordt opengelaten. Dit hoeft dus niet per se militaire actie te zijn, al duidt de verwij-
zing in artikel 5 naar het recht op collectieve zelfverdediging op grond het VN Handvest wel
degelijk op een militaire context. De ruimte die er in volkenrechtelijk opzicht is voor een
38 Artikel 5 van het Gewijzigde Verdrag van Brussel (WEU-verdrag): “If any of the High Contracting Parties should
    be the object of an armed attack in Europe, the other High Contracting Parties will, in accordance with the
    provisions of Article 51 of the Charter of the United Nations, afford the Party so attacked all the military and
    other aid and assistance in their power.”
39 Artikel I-41, lid 7 van het niet geratificeerde Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa:
    “If a Member State is the victim of armed aggression on its territory, the other Member States shall have
    towards it an obligation of aid and assistance by all the means in their power, in accordance with Article 51
    of the United Nations Charter. This shall not prejudice the specific character of the security and defence
    policy of certain Member States. Commitments and cooperation in this area shall be consistent with
    commitments under the North Atlantic Treaty Organisation, which, for those States which are members of it,
    remains the foundation of their collective defence and the forum for its implementation.”
40 Zie bijlage III.
41 Voor een bespreking van de verschillende Europese bijstandsclausules zie Willem van Eekelen, From Words
    to Deeds. The Continuing Debate on European Security, Centre for European Policy Studies, Brussel, 2006,
    blz. 168-173.
                                                          21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>nationale afweging, zal in de praktijk veelal beperkter zijn, omdat er binnen het bond-
genootschap sprake is van een sterke politieke committering tot wederzijdse verdediging,
stoelend op een langjarige militaire samenwerking.
Om een beroep op artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag te effectueren moeten diver-
se stappen worden gezet. De Noord-Atlantische Raad zal artikel 5 van toepassing moeten
verklaren en er zal op zo’n moment binnen de NAVO militaire planning in gang worden
gezet. Ook zal een nationaal besluit nodig zijn over de aard en omvang van de te leveren
bijdrage. Het rapport “Inzet met instemming” wijst op dit laatste en verbindt hieraan de
conclusie dat de Tweede Kamer bij deze nationale afweging dient te worden betrokken.42
Het volkenrecht schrijft niet voor hoe een staat zich intern moet organiseren om aan zijn
verdragsverplichtingen te voldoen. De verdragspartijen zijn vrij om parlementaire goedkeu-
ring in hun nationale besluitvorming op te nemen. Wel is het goed te constateren dat een
geratificeerd verdrag zowel regering als parlement bindt. Het parlement zal dus net zo min
als de regering militaire steun in het kader van de uitvoering van artikel 5 van het WEU-ver-
drag kunnen weigeren. Weigering zou een schending van het verdrag betekenen. Bij een
beroep op artikel 5 van het Noord-Atlantische Verdrag ligt dat anders. Dan is er meer ruim-
te voor een nationale afweging, althans volkenrechtelijk bezien. Politiek is dat nog maar de
vraag. Het feit dat de NAVO een hecht gestructureerde organisatie is, speelt hierbij ook een
belangrijke rol. Indien de Noord-Atlantische Raad constateert dat er sprake is van een
“armed attack” tegen een lidstaat, zal van de overige bondgenoten een solidaire opstelling
worden verwacht. Binnen de NAVO zullen op zo’n moment verdedigingsmaatregelen worden
voorbereid. Van een dergelijke situatie zal een sterk politiek verplichtende werking uitgaan.
Dit zal de ruimte voor een nationale afweging, die er op grond van de verdragstekst is, in de
praktijk waarschijnlijk inperken. Dit geldt te meer indien in antwoord op de geconstateerde
agressie wordt besloten de ‘NATO Response Force’ in te zetten. Deze stap ligt voor de hand,
aangezien de NRF het meest parate deel van de NAVO-strijdkrachten vormt. Zoals in hoofd-
stuk VII wordt besproken is dit een vooraf geformeerde strijdmacht, hetgeen de opties nog
meer beperkt.
In de visie van de AIV pleit dit alles voor handhaving van het onderscheid dat thans in de
Grondwet wordt gemaakt, tussen verdediging en de bescherming van nationale belangen
enerzijds en de bevordering van de internationale rechtsorde (vredesoperaties e.d.) ander-
zijds. Zoals reeds gesteld in hoofdstuk III ware bij grensgevallen de artikel 100-procedure
toe te passen. Dat de eerste en tweede doelomschrijving van de krijgsmacht buiten artikel
100 blijven, betekent overigens niet dat militaire activiteiten die binnen deze doelomschrij-
vingen passen, niet aan de Staten-Generaal zouden moeten worden gemeld. De algemene
verantwoordings- en informatieplicht van ministers op grond van met name artikel 68 van
de Grondwet43 is altijd van toepassing. Ook de gegroeide praktijk van de afgelopen jaren en
herhaalde toezeggingen van successievelijke kabinetten wijzen in de richting van een maxi-
male inspanning om de Staten-Generaal goed te informeren, zo enigszins mogelijk vooraf.
42 Blz. 70.
43 Zie bijlage II.
                                                22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>VI        Uitzondering in verband met geheimhouding of
          acute dreiging
De adviesaanvraag stelt de vraag aan de orde hoe de noodzaak van snel en slagvaardig
optreden zich verhoudt tot de voorgestelde nieuwe parlementaire procedures. Tevens wordt
de kwestie van geheimhouding aan de orde gesteld.
De mate van geheimhouding en snelheid die bij militaire acties moeten worden betracht,
hangen sterk af van het scenario en de aard van de operatie. Factoren die daarbij een rol
spelen zijn onder meer het geweldsniveau en de vraag of het gaat om de openingsfase van
een militair ingrijpen (‘initial entry’), dan wel een latere fase (‘follow-on operations’). Zo zal
het initiëren van luchtbombardementen waarbij men een tactische verrassing wil bereiken,
geheel andere eisen aan de geheimhouding stellen dan bijvoorbeeld de deelname aan een
langlopende VN-vredesoperatie. De factor tijd kan op vele manieren een rol spelen en niet
alleen bij operaties in het hogere deel van het geweldsspectrum. Vluchtelingencrises die als
gevolg van gewelddadige conflicten ontstaan, kunnen plotseling dramatische wendingen
nemen. Men denke bijvoorbeeld aan de Koerden van Noord-Irak, die eind maart 1991 mas-
saal op de vlucht sloegen voor de opmars van het Iraakse leger. Nederland leverde later
een bijdrage aan het contingent ‘UN guards’ dat de situatie hielp stabiliseren.
Het merendeel van de internationale operaties waaraan ons land de afgelopen 20 jaar
heeft bijgedragen, had te maken met stabilisatie na een periode van hevige gevechten en
met de naleving van een (vaak nog wankele) vredesregeling. Mede hierdoor was er in de
meeste gevallen ook volop tijd voor grondig overleg met de (Tweede) Kamer. Wanneer dat
nodig was, bleek het mogelijk de artikel 100-procedure in de tijd aanzienlijk te comprime-
ren. Zo verkreeg de eerste uitzending in het kader van ISAF (een infanteriecompagnie voor
de beveiliging van Kaboel ter ondersteuning van de zojuist geïnstalleerde overgangsrege-
ring) in zeer korte tijd de instemming van de Tweede Kamer: op 11 december 2001 ging de
kennisgeving naar de Staten-Generaal, op 21 december 2001 nam het kabinet het besluit
en ging de artikel 100-brief naar beide Kamers. De volgende dag, op 22 december, werd tij-
dens gecombineerd overleg met de vaste Tweede Kamercommissies voor Buitenlandse
Zaken en Defensie het groene licht gegeven voor de operatie.44
In de meeste gevallen was het geen enkel probleem de Staten-Generaal ruim van informa-
tie te voorzien via openbare kanalen (artikel 100-brief, nadere schriftelijke vragen, open-
baar debat etc.). Discussie is er wel geweest over de vraag of bepaalde militair gevoelige
informatie in openbare vorm dan wel via vertrouwelijke briefings moest worden verstrekt.
De Tweede Kamer heeft op principiële gronden een voorkeur voor openbare informatie. Het
rapport “Inzet met instemming” verwijst in dit verband45 naar de eerdere aanbeveling van
het TCBU-rapport dat stelt: “Het gebruik van vertrouwelijke briefings dient zo veel mogelijk te
worden vermeden”.46 In sommige gevallen zullen vertrouwelijke briefings en vertrouwelijke
inzage echter de enige oplossingen zijn. Concrete voorbeelden waren de verzoeken in het
kader van de uitzending naar Uruzgan om inzage in de ‘Rules of Engagement’ en in MIVD-
44 Kamerstuk 27 925, nr. 42.
45 Blz. 71.
46 Rapport Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen (TCBU), Kamerstuk 26 454, nrs. 7–8.
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>rapporten. Uiteindelijk werd op vertrouwelijke basis aan de fractieleiders en woordvoerders
inzage in deze documenten verschaft.
Het valt op dat in Duitsland het instrument van de vertrouwelijke briefing veel meer dan in
Nederland als een vast onderdeel van de procedure wordt gezien, dit naar tevredenheid
van zowel de Bondsregering als de Bondsdag, aldus het rapport “Inzet met instemming”.47
Doordat de commissies voor Buitenlandse Zaken en Defensie van de Bondsdag via beslo-
ten overleg al in een vroeg stadium bij de gedachtevorming worden betrokken, is de Bonds-
dag beter in staat om de formele goedkeuringsprocedure vervolgens snel te doorlopen, het-
geen van belang is in spoedeisende situaties, aldus een aantal Duitse parlementariërs.48
Naast deelname aan de ‘follow-on’-fase van een operatie, is het echter ook denkbaar dat
Nederland in bepaalde situaties bereid zal zijn in het voorste gelid op te treden. Zo deden
bij de luchtoperatie rond Kosovo Nederlandse F-16’s mee aan de eerste luchtgevechten.
Nu was de interventie in Kosovo niet in alle opzichten kenmerkend voor een ‘initial entry’-
operatie. Aan de interventie ging een zeer lange periode van ‘coercive diplomacy’ vooraf.
Tussen de ‘Activation Order’ van de Noord-Atlantische Raad op 13 oktober 1997 en het
begin van de luchtcampagne lag een uitzonderlijk lange periode. Op 30 januari 1998 werd
aan de Secretaris-Generaal van de NAVO de bevoegdheid gedelegeerd om het startsein
voor de militaire operaties te geven. Daadwerkelijk begon de luchtcampagne pas op
24 maart 1998. Er zullen zich ongetwijfeld ook crises voordoen met een meer hectisch
verloop. In het geval van Kosovo werden NAVO-begrippen als ACTWARN en ACTORD in feite
meer als politieke drukmiddelen gehanteerd dan in hun traditionele militaire betekenis, het-
geen aangeeft dat de NAVO-procedures in elke crisis waarschijnlijk weer anders zullen
worden toegepast. De operaties van de afgelopen 20 jaar zijn dus niet in alle opzichten
maatgevend. Bij de verdere uitwerking van nationale procedures is het derhalve van belang
niet alleen af te gaan op de ervaringen met de uitzending van militairen in de afgelopen
jaren, maar ook rekening te houden met de mogelijkheid dat crises geheel anders zullen
verlopen en hogere eisen zullen stellen in termen van geheimhouding en/of snelheid.
Al met al kan worden geconstateerd dat er binnen de huidige artikel 100-procedure zeker
mogelijkheden zijn om knelpunten in de sfeer van geheimhouding en/of tijdsdruk te verlich-
ten. De vlotte behandeling van de eerste ISAF-uitzending is hiervan een goed voorbeeld. De
wijze waarop in Duitsland het instrument van de vertrouwelijke briefing wordt gehanteerd, is
ook een interessant voorbeeld. Dit soort praktische oplossingen zijn van belang omdat hier-
door wordt vermeden dat te vaak gebruik moet worden gemaakt van de uitzondering in arti-
kel 100, tweede lid. Naar het oordeel van de AIV blijft het wel noodzakelijk deze uitzonde-
ringsclausule te handhaven. Men moet altijd rekening blijven houden met de mogelijkheid
dat zich situaties zullen voordoen die onmiddellijke actie vergen en/of waarbij absolute
geheimhouding geboden is. Het voorbeeld van de arrestatie van oorlogsmisdadigers is
reeds in hoofdstuk III genoemd. Uit aanbeveling 19 van het rapport “Inzet met instemming”
valt af te leiden dat, ook in de visie van de Tweede Kamerwerkgroep, bij opneming van een
instemmingsrecht in artikel 100, de uitzondering van artikel 100, tweede lid, zou worden
gehandhaafd. Naar het oordeel van de AIV is dit inderdaad noodzakelijk.
Er zijn dwarsverbanden met de kwestie van de werkingssfeer van artikel 100 zoals besproken
in het vorige hoofdstuk. Indien elk optreden buiten de landsgrenzen onder het instemmings-
recht valt, dus ook als het gaat om NAVO-verdediging of nationale belangen zoals de
47 Blz. 36.
48 Bijlage bij rapport “Inzet met instemming”, blz. 34.
                                                        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>evacuatie van eigen burgers, wordt de betekenis van de uitzonderingsclausule des te groter.
De regering zal dan sneller geneigd zijn gebruik te maken van de uitzonderingsclausule.
Indien daarentegen de werkingssfeer van artikel 100 ongewijzigd blijft, zal het gebruik van
de uitzondering zich waarschijnlijk kunnen beperken tot kleine acties van commando’s en
mariniers, zoals in de afgelopen jaren.
Meer in het algemeen moet worden opgemerkt dat als de te doorlopen goedkeuringsproce-
dures te omslachtig worden, dit uiteindelijk tot gevolg kan hebben dat het voor ons land
moeilijker wordt in het voorste gelid mee te doen. Nederland zal zich dan meer op de ver-
volgfasen moeten richten, zoals stabilisatie en wederopbouw. Dit zijn op zichzelf belangrijke
taken, die ook goed aansluiten bij de Nederlandse ontwikkelingstraditie, maar onze krijgs-
macht is qua training en uitrusting ook op zwaardere taken berekend. In advies nr. 34 heeft
de AIV juist betoogd dat Nederland ook bereid moet zijn deel te nemen aan crisisbeheer-
singsoperaties in het hogere deel van het geweldsspectrum en aan ‘initial entry’:
   “De AIV is van mening dat Nederland niet alleen aan ‘follow on’-operaties hoort bij te
   dragen, maar ook aan ‘initial entry’-operaties… De AIV beveelt inzet van de Nederlandse
   krijgsmacht aan op die terreinen waar de hoogwaardige samenstelling het beste tot zijn
   recht komt. Dat is in operaties die een hoge graad van geoefendheid en kwaliteit van
   middelen vereisen… Deze kwaliteiten zijn met name vereist bij de inzet in complexe
   situaties, die zich vooral zullen voordoen op de hogere niveaus van het gewelds-
   spectrum.”49
49 Blz. 22 van het AIV-advies.
                                              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>VII                 Vooraf geformeerde multinationale eenheden:
                    NATO Response Force en EU-battlegroups
Het rapport “Inzet met instemming” gaat uitvoerig in op zowel de ‘NATO Response Force’
als de EU-battlegroups. De adviesaanvraag van de regering vraagt naar het oordeel van de
AIV over “de conclusies en aanbevelingen van het rapport” op dit punt, waaronder meer
specifiek de voorstellen om de Tweede Kamer eerder en nauwer in de verschillende stadia
van de internationale besluitvorming te betrekken. De adviesaanvraag spreekt daarbij zorg
uit over de mogelijkheid dat parlementaire goedkeuringsprocedures een “vertragende
factor” zullen vormen bij de beoogde snelle inzet, hetgeen de vraag aan de orde stelt naar
de inpassing van de nationale parlementaire procedures in de internationale besluitvormings-
trajecten. Voorts wordt in de adviesaanvraag de vraag opgeworpen of “een verschil van
inzicht” tussen regering en parlement omtrent deelname aan een internationale operatie niet
het risico met zich brengt “dat de voorspelbaarheid van Nederland bij internationale part-
ners en bij de betrokken internationale organisaties in het gedrang kan komen”.
Het betreft actuele vraagstukken aangezien de eerste twee EU-battlegroups op 1 januari
2007 ‘fully operational’ werden: de één samengesteld door Nederland, Duitsland en Fin-
land, de andere door Frankrijk en België. De battlegroup waaraan ons land deelneemt telt
2000 man, waarvan 750 uit Nederland (de omvang van battlegroups schommelt tussen de
1500 en 2000 man). Deze strijdkrachten hebben de eerste zes maanden van dit jaar ‘high
readiness duty’, wachtdienst zou men kunnen zeggen. Na deze periode van zes maanden
zullen weer andere combinaties van landen ‘stand-by’ staan. Vanaf 2005 was er reeds
sprake van een ‘initial operational capability’.
De NRF werd in 2006 ‘fully operational’ en werkt eveneens met zesmaandelijkse roulatie-
schema’s. Eind 2003 was er reeds een ‘initial operational capability’. De NRF is groter van
omvang, gemiddeld zo’n 20.000 à 25.000 man, waardoor ook een groter aantal landen
tegelijkertijd deelneemt. Daardoor heeft de NRF meer het karakter van een echte multi-
nationale strijdmacht.
Nederland heeft vanaf het begin steeds aan de NRF bijgedragen. In de eerste helft van dit
jaar nemen Nederlandse marineschepen aan de NRF deel; in de tweede helft van het jaar
zowel schepen als vliegtuigen. In de eerste helft van 2008 zal Nederland ‘op wacht staan’
met 3150 man, 2400 daarvan grondtroepen onder leiding van het Nederlands-Duitse leger-
korpshoofdkwartier.50 Dit onderstreept dat het geenszins om een theoretisch vraagstuk
gaat.
De achterliggende gedachte is dat men een strijdmacht vooraf moet formeren, wil men, als
een crisis uitbreekt, snel kunnen ingrijpen. Anders gaat er te veel tijd verloren met het bij-
eenbrengen van de benodigde eenheden uit verschillende landen, in NAVO-terminologie het
‘force generation’-proces. Het concept van de NRF en battlegroups levert dus belangrijke
tijdwinst op. De ‘force generation’-fase is al achter de rug. Belangrijk voordeel is ook dat de
eenheden reeds op elkaar zijn ingespeeld en dat zaken als commandovoering al geregeld zijn.
Vooral in VN-kader blijkt steeds weer dat met het bij elkaar sprokkelen van de benodigde
eenheden en het uitwerken van alle arrangementen veel tijd is gemoeid.
50 Brief ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie aan de Staten-Generaal, 19 januari 2006, Kamerstuk
    29 521, nr. 22.
                                                    26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De NRF kan zowel voor crisisbeheersingsoperaties als ter verdediging worden ingezet. Tot
op heden zijn onderdelen van de NRF alleen ingezet voor militair relatief lichte taken, zoals
humanitaire hulp na de aardbeving in Kashmir. De NRF is echter bij uitstek geschikt voor
zware crisisbeheersingstaken, waaronder ‘initial entry’.
De battlegroups zijn bestemd voor de ‘Petersbergtaken’, die uiteenlopende crisisbeheer-
singsoperaties omvatten (“humanitarian and rescue tasks, peacekeeping tasks and tasks
of combat forces in crisis management, including peacemaking”, aldus het huidige EU-ver-
drag).51 De zeer snel op touw gezette operatie Artemis in de Ituri provincie van de Democra-
tische Republiek Congo, de eerste autonoom uitgevoerde EU-operatie, was een belangrijk
referentiekader bij de ontwikkeling van het battlegroupconcept.52 Het concept geeft tevens
uitdrukking aan de ambitie van Europa om een meer volwaardige rol op militair gebied te
spelen, mede met het oog op situaties waarin de Verenigde Staten geen actie zouden willen
ondernemen. Een battlegroup zou ook op verzoek van de Secretaris-Generaal van de VN
kunnen fungeren als voorhoede van een VN-operatie (‘lead in’-functie). Ook de NRF kan een
‘lead in’-rol vervullen. Gelet op de relatief kleine omvang van de battlegroups zijn er beper-
kingen aan de taken die zij zonder versterkingen op zich kunnen nemen.
De toewijzing van eenheden geschiedt anderhalf à twee jaar van te voren. Dat geldt zowel
in NAVO- als in EU-kader. Aan de ‘wachtdienst’ gaat een intensieve periode van gezamenlijk
oefenen vooraf. Op het moment dat de wachtdienst ingaat, moet men een hoge staat van
paraatheid hebben bereikt, die het mogelijk maakt in geval van een crisis snel in te grijpen.
Als het brandalarm gaat, moet de brandweer meteen kunnen uitrukken. De werkelijkheid is
iets ingewikkelder. Formeel hebben de lidstaten namelijk het laatste woord over de inzet
van hun eigen strijdkrachten. Het moment dat troepen onder direct bevel van een NAVO-
commandant worden geplaatst (‘transfer of authority’), is het sluitstuk van een besluitvor-
mingsproces, dat zowel internationale als nationale dimensies omvat. Dat laatste houdt
voor Nederland in dat de artikel 100-procedure moet zijn afgerond, althans wat betreft ope-
raties ter bevordering van de internationale rechtsorde. De NAVO is nu eenmaal niet op
supranationale leest geschoeid en dat geldt evenmin voor de tweede pijler van de EU. Nog
afgezien van de nationale zeggenschap over de eigen militairen, wordt bovendien ook nog
het collectieve besluit van de NAVO dan wel de EU bij consensus genomen. De NAVO telt 26
leden en de EU 27. Consensusvorming in organisaties met een dergelijke omvang is geen
eenvoudige opgave. In sommige situaties kunnen ‘constructieve onthouding’ of formules
die daarop neerkomen, uitkomst bieden. Zo was Griekenland tegen het NAVO-ingrijpen in
Kosovo in 1999 en heeft daaraan ook geen strijdkrachten bijgedragen, maar de Griekse
vertegenwoordiger verzette zich in de NAVO-Raad53 niet tegen het gezamenlijke besluit.
Indien de overgrote meerderheid voor een bepaalde militaire actie is, lijkt het overigens
onwaarschijnlijk dat Nederland daar totaal andere ideeën over zal hebben. Omgekeerd,
indien Nederland sterke bedenkingen heeft ten aanzien van een voorgenomen militaire
actie, zal het waarschijnlijk niet het enige land zijn met twijfels. Ook bij de keuze van in te
51 Zie bijlage III.
52 Voor een gedetailleerde bespreking van het battlegroupconcept zie Gustav Lindstrom,
    Enter the EU battlegroups, Chaillot paper 97, februari 2007.
53 Voluit de Noord-Atlantische Raad. De NAVO-Raad komt minstens één keer per week bijeen op het niveau van
    de Permanente Vertegenwoordigers. In crisistijd zal de NAVO-Raad bijna elke dag vergaderen. De NAVO-Raad
    pleegt ook een aantal keer per jaar op ministerieel niveau bijeen te komen.
                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>zetten middelen kan er enige ruimte zijn voor nationale voorkeuren. Zo is de NRF een vrij
grote strijdmacht: het zal niet altijd nodig zijn de complete NRF uit te zenden. De battle-
groups zijn kleiner, maar er staan er wel altijd twee gereed. Er is dus enige speling voor
landen die meer of minder bereid zijn deel te nemen. Men zou ook verwachten dat bij het
besluit tot inzet sterker zal worden geluisterd naar de landen die de troepen leveren waarmee
het besluit zal worden uitgevoerd. In de meeste situaties zullen immers niet alle lidstaten
geroepen zijn om mee te doen. Dat geldt vooral voor de battlegroups, die in de praktijk door
slechts één tot vier landen worden samengesteld. Het collectieve besluit van de 27 EU-landen
moet derhalve door een relatief klein aantal lidstaten worden uitgevoerd. Het ligt voor de
hand dat hun stem zwaarder zal wegen.
Formeel is het derhalve een bevoegdheid van de lidstaten om hun troepen al of niet aan
een militaire actie te laten meedoen. Ook Nederland stelt zich op dit standpunt. Het toewij-
zen van eenheden aan de NAVO dan wel de EU mag, in de visie van de AIV, echter niet als
vrijblijvend worden gezien. Wil men een effectief instrument creëren, dan kan het niet zo
zijn dat de lidstaten van een volledige keuzevrijheid uitgaan. Wat de AIV betreft is een ‘opt
out’ alleen gerechtvaardigd indien buitengewoon gewichtige nationale overwegingen in het
geding zijn. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn als een lidstaat zijn troepen tegelijkertijd
nodig heeft voor de verdediging van overzeese gebieden. Men kan daarbij denken aan een
Falkland-scenario. Ook valt te denken aan specifieke nationale gevoeligheden zoals de
Duitse terughoudendheid ten aanzien van vredesoperaties waarbij Duitse militairen in
botsing zouden kunnen komen met Israëlische soldaten.
NRF en battlegroups zijn zeer nuttig als kader om het peil van training en paraatheid op
te vijzelen. Maar het gaat om meer dan een militair transformatieproces. De bedoeling is
immers een gezamenlijk instrument te creëren voor snelle inzet in crisissituaties. Reeds
in het AIV-advies nr. 34 werd benadrukt dat de toewijzing van eenheden aan de NRF (de
battlegroups bestonden toen nog niet) verplichtingen schept. Vanuit deze gedachtegang
werd aanbevolen “bewuster stil te staan” bij het moment van de toewijzing.54 “Een
inhoudelijke discussie met de Staten-Generaal lijkt op dat moment al geboden”, aldus
advies nr. 34. De AIV is nog steeds van oordeel dat de toewijzing in sterke mate als politiek
verplichtend moet worden beschouwd. Een weigering om, op het moment dat het erop
aankomt, toegewezen eenheden mee te laten doen aan een operatie (‘opt out’), zou forse
reputatieschade opleveren. Een intensievere discussie tussen regering en parlement over
de toewijzing kan bijdragen aan een bewustere afweging en aanvaarding van de
consequenties die hieraan vastzitten.
Het rapport “Inzet met instemming” gaat uitgebreid in op advies nr. 34 en acht – met de
AIV – “een goede gedachtewisseling tussen Kamer en regering over de toewijzing van een-
heden … van belang”.55 Maar het rapport lijkt toch minder betekenis aan de toewijzing toe
te kennen dan het AIV-advies. Het werkgroeprapport constateert dat “de meest politiek
relevante aspecten die verband houden met de (eventuele) inzet van Nederlandse eenheden”
op dat moment nog niet bekend zijn.56 Voorts wordt de aandacht gevestigd op het probleem
van de “trechterbesluitvorming”: naarmate de bondgenootschappelijke besluitvorming
verder voortschrijdt, wordt het voor de Kamer steeds moeilijker om nee te kunnen zeggen.
54 Blz. 33 AIV-advies.
55 Blz. 73.
56 Blz. 72.
                                                 28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>“Dit kan ertoe leiden dat de Kamer, wanneer een concreet besluit tot inzet voorligt, zich
voor een voldongen feit geplaatst voelt en zich gecommitteerd voelt het besluit van de rege-
ring te steunen. De Kamer is desalniettemin gehouden altijd haar eigen verantwoordelijkheid
te nemen in het licht van de laatste stand van zaken”, aldus het rapport.57 Dit raakt de kern
van het genoemde soevereiniteitsdilemma. Het rapport zoekt de oplossing in nauwere
betrokkenheid van de Kamer in het voortraject: “een vergroting van de transparantie van
de besluitvorming en het informeren van de Kamer in een zo vroeg mogelijk stadium
kunnen tegenwicht bieden aan deze trechterbesluitvorming”.
Het ligt inderdaad in de rede de Staten-Generaal in een zo vroeg mogelijk stadium te infor-
meren. De AIV blijft bij zijn oordeel dat de toewijzing in dit verband een zeer belangrijk
moment is. Afgezien van de toewijzing, is het zeker ook van belang het parlement goed te
informeren in de periode dat een crisis zich daadwerkelijk voordoet. Pas dan is het immers
duidelijk in welke regio onder welke omstandigheden inzet wordt overwogen.
De informatieverschaffing aan de Staten-Generaal over de toewijzing is op dit moment goed
geregeld. Op aanbeveling van de AIV pleegt de regering in de brief die de toewijzing meldt,
alvast die elementen van het toetsingskader na te lopen waarover al iets kan worden
gezegd. De aanbeveling van de AIV betrof de NRF, maar inmiddels heeft de regering deze
handelwijze ook toegepast op de battlegroups. Veel elementen van het Toetsingskader die
bij VN-operaties vaak vraagtekens oproepen, zijn bij NRF en battlegroups van meet af aan
goed geregeld: bevelsstructuur, planningcapaciteit voor het opstellen van een gedegen ope-
ratieplan, bewapening, deelname van andere landen, Nederlandse invloed op de politieke
besluitvorming etc. Ten aanzien van andere aandachtspunten, zoals risico’s, inzetgebied en
financiële gevolgen, zal echter pas duidelijkheid ontstaan als een besluit tot inzet aan de
orde is.
Met de informatieverschaffing aan het parlement over de inzet van NRF en battlegroups
tijdens een majeure crisis bestaat nog geen ervaring. Op dit punt komt het rapport “Inzet
met instemming” met een aantal voorstellen, waar de adviesaanvraag specifiek de aan-
dacht voor vraagt. Heel concreet vraagt de adviesaanvraag “op welk moment” het parle-
ment dient te worden geïnformeerd over Nederlandse militaire deelname aan dergelijke
internationale militaire operaties. De meeste stappen in de NAVO- en EU-procedures zijn
overigens dezelfde bij de inzet van NRF en battlegroups als bij ‘gewone’ operaties. Het
enige belangrijke verschil is dat bij NRF en battlegroups een aantal zaken sneller kunnen
worden afgehandeld. De conclusies die in dit hoofdstuk worden getrokken ten aanzien van
het scharnier tussen nationale en internationale procedures, hebben dan ook betrekking
op alle crisisbeheersingsoperaties van deze twee internationale organisaties.
Een preliminaire kanttekening is dat internationaal overleg met betrekking tot de aanpak van
een crisis een fluïde proces is, dat zich vaak in verschillende fora tegelijk afspeelt. Zo zullen
parallel aan het overleg in de NAVO of de EU waarschijnlijk ook discussies plaatsvinden in de
VN Veiligheidsraad. Het rapport “Inzet met instemming” bepleit dat meer informatie over de
aanloop tot de internationale gedachtevorming in de NAVO en de EU aan de Kamer wordt
verstrekt. Zoals gesteld in de adviesaanvraag bestaan de inlichtingen die de regering kan
verstrekken over deze voorfase van het internationale overleg “in hoofdzaak uit sondages,
hele en halve voorstellen, aftastende suggesties en andere elementen die, tezamen
genomen, een informeel, dynamisch proces van onderhandelingen en overleg vormen, ter
voorbereiding van de uiteindelijke besluitvorming.” De AIV kan dit beeld bevestigen. Het is
57 Blz. 72.
                                                29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>dan ook de vraag of het zinvol is te proberen nauwgezet te definiëren en codificeren op
welk moment welke informatie naar de Staten-Generaal zou moeten gaan. Elke crisis zal
weer anders verlopen. Er zijn minder vaste patronen dan de handleidingen en ‘flow charts’
suggereren. Zo wordt het moment genoemd waarop de NAVO-Raad, via het Militair Comité,
aan SACEUR vraagt om inzetopties uit te werken. Dit zou een eerste moment zijn dat aan
het parlement moet worden gemeld.58 Dit kan in sommige situaties inderdaad voor de
hand liggen. Het staat echter niet vast dat dit altijd een even duidelijk herkenbaar moment
zal zijn: opties kunnen zowel in het politieke als in het militaire deel van het NAVO-
hoofdkwartier worden uitgewerkt. In feite is het moment dat de NAVO-Raad een keuze
maakt uit verschillende militaire opties significanter. Het is bovendien denkbaar dat het
uitwerken van opties wordt overgeslagen.
De procedures in de EU zijn iets anders, maar verschillen niet wezenlijk. In de EU ligt de
hoofdrol bij het Politiek en Veiligheidscomité en bij de Raad van Ministers (Raad Algemene
Zaken en Externe betrekkingen – Razeb). In de aanloop tot de besluitvorming in de EU
pleegt men een ‘Crisis Management Concept’ op te stellen. Dit document wordt genoemd in
het werkgroeprapport.59 Het moment dat het Politiek en Veiligheidscomité de opstelling van
zo’n document gelast, is echter minder significant dan de latere goedkeuring van dit docu-
ment door de Razeb. Belangrijk, zeker in juridisch opzicht, is ook het moment dat de Raad
besluit tot een ‘joint action’ (gemeenschappelijk optreden) op grond van artikel 14 van het
EU-verdrag.60 Het document van de ‘joint action’ geeft tevens de commandostructuur aan.
Dit document wordt altijd gepubliceerd, zodat zich hier geen problemen met vertrouwelijk-
heid voordoen. Het equivalent van de eerdergenoemde uitwerking van militaire opties door
SACEUR zijn overigens in EU-kader de ‘Military Strategic Options’.
Gelet op het voorgaande komt de AIV tot de conclusie dat het niet zinvol is om te proberen
de informatieverschaffing aan de Staten-Generaal te codificeren aan de hand van procedu-
rele stappen in internationale fora. De AIV acht het juister de verstrekking van dit soort
informatie zo veel mogelijk te koppelen aan de kennisgeving in het kader van de artikel
100-procedure. Het gaat immers om het moment dat Nederlandse deelname in beeld komt.
In deze kennisgeving deelt de regering aan het parlement mee dat wordt onderzocht of een
Nederlandse bijdrage aan een internationale crisisbeheersingsoperatie wenselijk en moge-
lijk is. Het kan in sommige situaties voor de hand liggen om de timing van de notificatiebrief
te laten aansluiten bij het moment dat in NAVO- of EU-kader wordt besloten tot het uitwer-
ken van militaire plannen (op basis van opties dan wel meer gericht). Maar er kan ook aan-
leiding zijn dit eerder te doen, bijvoorbeeld als er al in de VN een uitvoerige discussie heeft
plaatsgevonden. Indien bij de bespreking van opties in de NAVO of EU nog geen sprake is
van Nederlandse deelname, is het logisch te wachten met de notificatie. In ieder geval zou
het goed zijn de notificatiebrief wat meer inhoud te geven dan tot nu toe en daarbij een
stand van zaken te geven van de gedachtevorming in de relevante internationale fora.
De NAVO- en EU-regels met betrekking tot vertrouwelijkheid kunnen in sommige situaties
zeker beperkingen opleggen. Dit zal per geval verschillen. Hierover kunnen geen algemene
uitspraken worden gedaan. Wel valt op te merken dat waar het gaat om informatie over een
zeer prille fase van de gedachtevorming, naast het aspect van de militaire geheimhouding,
ook rekening zal moeten worden gehouden met diplomatieke gevoeligheden. Men denke
58 Blz. 73, aanbeveling 19.
59 Blz. 73.
60 Zie bijlage III.
                                                30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>bijvoorbeeld aan de positie van landen die toestemming moeten geven voor het gebruik
van hun grondgebied bij de operatie. In dat soort situaties is het instrument van de vertrou-
welijke briefing, zoals reeds besproken in hoofdstuk VI, de aangewezen weg.
De adviesaanvraag werpt de vraag op wat “de consequenties zouden kunnen zijn voor de
nationale en internationale besluitvorming” indien het parlement op basis van de verstrekte
informatie over voorfasen van de gedachtevorming in de NAVO of EU (bijvoorbeeld de
eerdergenoemde bestudering van militaire opties) zich reeds politiek uitspreekt over een
beoogde NAVO- of EU-missie, dan wel de Nederlandse deelname daaraan. Het ligt echter
niet in de rede dat de (Tweede) Kamer in dit stadium een formele uitspraak doet. Dit
geschiedt immers pas aan het einde van de artikel 100-procedure in de zogeheten derde
termijn. Naar aanleiding van de verstrekte informatie over voorfasen van de internationale
besluitvorming kan in beginsel een debat plaatsvinden waarin eventuele twijfels aan parle-
mentaire kant reeds tot uiting worden gebracht. Voor de regering is het alleen maar nuttig
om dit alvast te weten. Zij kan hiermee rekening houden bij het verdere traject. Dat een
debat in het Nederlandse parlement invloed kan hebben op de discussies in andere parle-
menten en vice versa is inherent aan een samenwerkingsverband van democratieën.
In het rapport “Inzet met instemming” wordt meer in het bijzonder stilgestaan bij de zitting
van de NAVO-Raad of de Razeb die het besluit neemt tot inzet van de NRF respectievelijk
de battlegroups.61 Over de Nederlandse standpuntbepaling te dien aanzien zou vooroverleg
moeten plaatsvinden met de Kamer. De adviesaanvraag wijst nadrukkelijk op dit voorstel.
Bij een bespreking van deze gedachte dient men goed voor ogen te hebben op welke zitting
van de NAVO-Raad of de Razeb wordt gedoeld. In spoedsituaties kan het zijn dat alles in
één keer moet worden besloten, maar onder normale omstandigheden zal het goedkeu-
ringsproces uiteenvallen in verscheidene stappen, die goed worden beschreven in het werk-
groeprapport.62 Belangrijke momenten zijn de zitting van de NAVO-Raad die de ‘initiating
directive’ uitvaardigt, en de zitting die de ‘execution directive’ uitgeeft. In de daartussen
gelegen periode, die in het rapport63 wordt omschreven als “de fase van operationele
planning”, worden een operatieconcept en vervolgens het eigenlijke operatieplan opgesteld
en worden ook de landenbijdragen nader ingevuld. De artikel 100-brief kan het beste
tijdens deze periode worden aangeboden, wanneer eenmaal duidelijk is welke bijdrage van
Nederland wordt verwacht. Bij de keuze van het juiste moment voor de artikel 100-brief
gaat het er immers om dat de belangrijkste elementen van het Toetsingskader inclusief de
van Nederland gevraagde bijdrage bekend zijn. In de tussentijd zal Nederland met betrek-
king tot de deelname van eigen troepen een voorbehoud moeten maken onder verwijzing
naar de nog met het parlement te voeren discussie. Ook Duitsland en diverse andere lan-
den zullen dit doen. Het gestelde in dit hoofdstuk over de keuze van het juiste tijdstip voor
de artikel 100-brief onder de huidige regeling geldt ook voor de formele goedkeuringsproce-
dure die ingevolge van een nieuwe grondwetswijziging van kracht zou worden.
Bij de EU wordt door het rapport64 eveneens een “fase van operationele planning” onder-
scheiden met daarin als belangrijk eerste moment de ‘Initiating Military Directive’, die
61 Blz. 73, aanbevelingen 20 en 21.
62 Blz. 54 e.v. Behalve het rapport zelf zijn ook de daarbij gevoegde bijlagen buitengewoon informatief, waaron-
    der vooral de verslagen van gesprekken met deskundigen in Brussel.
63 Blz. 54.
64 Blz. 56.
                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>voortbouwt op het eerdergenoemde ‘Crisis Management Concept’. Daarna zullen een
operatieconcept (‘concept of operations’) en vervolgens het operatieplan (‘operations plan’)
worden opgesteld met de daarbij behorende personele invulling. Dit alles moet uitmonden
in een door de Razeb te nemen “decision to launch the operation”. De artikel 100-procedure
kan het beste tijdens deze fase van operationele planning in gang worden gezet, wanneer
de militaire bijdrage die ons land zou moeten leveren, duidelijk is.
In de visie van de AIV is het essentieel dat de parlementaire procedures worden afgerond
voordat de NAVO of de EU het formele definitieve besluit neemt in de vorm van een
‘execution directive’ (NAVO-term) of ‘decision to launch’ (EU-term). Deze conclusie geldt in
beginsel voor alle crisisbeheersingsoperaties van de NAVO en de EU waaraan ons land
deelneemt. Het bekend maken van een ‘opt out’ na lancering van de operatie zou een
uiterst problematische situatie en forse reputatieschade opleveren.65 De adviesaanvraag
vraagt hoe te voorkomen dat het verkrijgen van parlementaire instemming een
“vertragende factor” vormt bij de uitzending van militairen. Een belangrijk deel van het
antwoord daarop is dat de artikel 100-procedure moet worden voltooid in de fase van de
operationele planning van de NAVO c.q. de EU en niet pas na het definitieve besluit van
de organisatie om de operatie te starten. Voorts is het van belang, zoals gezegd, het
parlement in een vroeg stadium van de crisis te informeren over het feit dat deelname van
Nederlandse troepen aan de orde is, waartoe een meer inhoudelijke notificatiebrief kan
dienen, waar nodig aangevuld met vertrouwelijke briefings. Naarmate het parlement beter
op de hoogte is, zal het de eigenlijke artikel 100-brief sneller kunnen behandelen. In
hoofdstuk VI is de instemming met een missie naar Kaboel in december 2001 reeds als
voorbeeld genoemd om aan te geven dat bij spoedeisende situaties de artikel 100-
procedure redelijk snel kan worden doorlopen.
Het voorstel in aanbeveling 19 van het werkgroeprapport om tussen regering en parlement
aan de vooravond van de beslissende zitting van de NAVO-Raad of de Razeb vooroverleg te
houden gaat uit van de veronderstelling dat de besluitvorming zich in die ene zitting con-
centreert. Dit zal alleen bij grote spoed het geval zijn. Dan is het inderdaad van belang om
vooroverleg te houden om te voorkomen dat eventuele bezwaren aan parlementaire kant
pas naar voren komen op een moment dat internationaal het besluit al genomen is. De
regering kan dan het gevoelen van de Kamer meenemen bij haar inbreng in de NAVO of EU.
Het kan evenwel niet de bedoeling zijn daarmee het Nederlandse standpunt bij voorbaat
helemaal vast te leggen. Dit zou de buitenlandspolitieke armslag van de regering te zeer
inperken. Er kunnen immers in het overleg met de bondgenoten/partners nieuwe feiten
naar voren komen die van belang zijn voor de Nederlandse positiebepaling, bijvoorbeeld
welke andere landen wel of niet meedoen. Onder normale omstandigheden zal de interna-
tionale besluitvorming echter, zoals aangegeven, in fasen verlopen. Dan kan, zoals door de
AIV wordt aanbevolen, de artikel 100-procedure worden afgehandeld vóór het definitieve
NAVO- of EU-besluit. Vooroverleg met betrekking tot zittingen van de NAVO-Raad of de Razeb
is dan minder noodzakelijk.
De aanbeveling van de AIV met betrekking tot de timing van de artikel 100-brief sluit nauwer
aan bij de praktijk dan men wellicht zou denken. Het is namelijk reeds de gangbare praktijk
dat de artikel 100-brief voor de ‘execution directive’ c.q. de ‘decision to launch’ wordt inge-
diend. Ook het parlementaire debat met de zogeheten derde termijn vindt doorgaans, zij het
niet altijd, daarvoor plaats. Het is vanzelfsprekend makkelijker om de nationale procedures
65 De Nederlandse vertegenwoordiger bij het Politiek en Veiligheidscomité van de EU wees hier reeds op in een
    gesprek met de werkgroep Van Baalen (bijlage werkgroeprapport, blz. 19).
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>op tijd af te ronden bij operaties die lang van te voren worden gepland. Dit was bijvoorbeeld
het geval met operatie Althea, waarmee de EU de taak van de NAVO in Bosnië overnam. De
artikel 100-brief voor de Nederlandse deelname aan Althea werd op 1 oktober 2004 bij de
Staten-Generaal ingediend. Op 17 november 2004 vond het overleg tussen regering en Twee-
de Kamer plaats met aan het slot de derde termijn. Op 25 november nam de Razeb de ‘deci-
sion to launch operation’. Het besluit over deelname aan ISAF III in Zuid-Afghanistan, waar
Nederland van december 2005 tot begin februari 2006 mee worstelde, werd toch nog ruim-
schoots voor de ‘execution directive’ van de NAVO-Raad op 28 juli 2006 afgerond. In een
spoedsituatie zoals aan het einde van de luchtcampagne rond Kosovo (juni 1999) ziet men
echter dat de besluitvorming in Brussel, in New York en in de hoofdsteden grotendeels
gelijktijdig moet plaatsvinden. Toen moest binnen een paar dagen een stabilisatiemacht
voor Kosovo worden opgezet (KFOR). Het debat in de Tweede Kamer dat het groene licht
gaf voor de Nederlandse deelname, vond plaats één dag nadat de NAVO de ‘execution
directive’ uitvaardigde. Wel hadden daarvoor al debatten plaatsgevonden die de regering
een indicatie gaven van de opvattingen in de Kamer.
Tot slot wordt de aandacht gevestigd op de samenloop van bilaterale en multilaterale
dimensies. Bijdragen aan de NRF en de battlegroups berusten ook op bilaterale afspraken.
Dit geldt vooral voor de battlegroups, die gezamenlijk door een klein aantal landen aan de
EU plegen te worden aangeboden. Nederland bouwt daarbij voort op zijn langjarige militaire
samenwerking met Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het kader van de huidige battle-
group wordt, behalve met Duitsland, nu ook met Finland nauw samengewerkt.66 Begin vol-
gend jaar zal het Duits-Nederlandse ‘high readiness’ hoofdkwartier de landcomponent van
de NRF aansturen. Zonder Nederlandse deelname is er geen functionerend hoofdkwartier
dat door Duitsland kan worden gebruikt en omgekeerd. Hier is dus sprake van een hoge
mate van wederzijdse afhankelijkheid. In de eerste helft van 2009 zullen Britse en Neder-
landse amfibische strijdkrachten aan de NRF meedoen67 en in de eerste helft van 2010
zullen zij een EU-battlegroup vormen.68 De Britse en Nederlandse mariniers oefenen al
decennia lang regelmatig samen. Maar zij kunnen ook heel goed los van elkaar opereren.
Hier ligt een verschil met het volledig geïntegreerde Nederlands-Duitse hoofdkwartier. Het
zal duidelijk zijn dat een afwijkende Nederlandse positiebepaling bij daadwerkelijke inzet de
bilaterale relaties onder druk kan zetten. Ook de Tweede Kamerwerkgroep onderkent dit.69
Een dergelijke situatie moet men duidelijk vermijden. Als zich een crisis aftekent die tot
inzet kan leiden, zal, naast het multilaterale overleg, dan ook nauw bilateraal overleg met
de betrokken partnerlanden geboden zijn.70
66 Persberichten als zou Finland eind vorig jaar een voorbehoud hebben gemaakt bij eventueel optreden van de
    battlegroup in Afrika zijn onjuist. De Finse regering had wel in een nota aan het eigen parlement aangegeven
    dat inzet van een battlegroup in Afrika onderdeel zou moeten zijn van een grotere operatie. Het Finse parle-
    ment gaf echter aan het niet zinvol te achten vooraf voorwaarden te stellen.
67 Brief ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie aan de Staten-Generaal, 18 december 2006, Kamerstuk
    29 521, nr. 35.
68 Brief ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie aan de Staten-Generaal, 10 juli 2006, Kamerstuk
    21 501-02, nr. 693.
69 Blz. 72.
70 De vele parallellen tussen de discussie in Nederland en die in Duitsland komen goed naar voren in een
    ‘Diskussionspapier’ van de Stiftung Wissenschaft und Politik: Christian Mölling, EU-Battlegroups. Stand und
    Probleme der Umsetzung in Deutschland und für die EU, maart 2007.
                                                          33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>VIII             Samenvatting en conclusies
Algemeen
De aanleiding tot de adviesaanvraag werd gevormd door het rapport “Inzet met instem-
ming” opgesteld door een werkgroep van de Tweede Kamer onder leiding van het Kamerlid
Van Baalen. Dit rapport stelt voor artikel 100 van de Grondwet te herzien en daarin vast te
leggen dat de uitzending van militaire eenheden de goedkeuring van de Tweede Kamer
behoeft. Tevens worden aanscherpingen van de bestaande afspraken over informatie-
verstrekking aan de Staten-Generaal voorgesteld, die nu reeds zouden kunnen worden
ingevoerd, vooruitlopend op de beoogde grondwetswijziging. De adviesaanvraag van de
regering d.d. 27 december 2006 vraagt de AIV de implicaties van het voorgestelde nader te
bestuderen en daarop commentaar te geven, als aanloop tot de nog op te stellen regerings-
reactie op het werkgroeprapport.
Ervaringen met de procedure op basis van het huidige artikel 100 Grondwet
Allereerst heeft de AIV zich gebogen over de vraag of het functioneren van de huidige rege-
ling tekortkomingen vertoont, die zouden kunnen worden verholpen door een grondwetswij-
ziging of anderszins. Geconstateerd wordt dat de huidige procedures, gebaseerd op het in
2000 ingevoerde artikel 100 en op het herziene Toetsingskader van 2001, goed werken en
dat deze zich ontwikkelen in de richting van een materieel instemmingsrecht. De intensieve
discussie tussen regering en parlement die aan de uitzending van militairen vooraf gaat,
komt ook de kwaliteit en zorgvuldigheid van de besluitvorming ten goede. De AIV is dan ook
van mening dat het huidige artikel 100 aan zijn doel heeft beantwoord.
Bij de toepassing van de artikel 100-procedure hebben zich slechts twee onduidelijkheden
voorgedaan. Bij de uitzending naar Uruzgan legde de regering aan het parlement een ‘voor-
nemen’ in plaats van een echt besluit voor. De motie-Van Aartsen-Bos wees de regering
erop dat, op grond van de geldende regeling, aan het parlement een volwaardig kabinetsbe-
sluit dient te worden voorgelegd. De regering onderschreef deze lezing van de artikel 100-
procedure. Naar het oordeel van de AIV kan er op dit punt geen onduidelijkheid meer
bestaan.
De andere onduidelijkheid die zich voordeed, betrof de uitzending van Nederlandse militai-
ren in het kader van Enduring Freedom, een operatie die werd gestart onder artikel 51 van
het VN Handvest (recht op zelfverdediging), maar gaandeweg de kenmerken van een stabili-
satieoperatie ging vertonen. Hierdoor was er sprake van een grensgeval. Zoals reeds
gesteld in advies nr. 34 is de AIV van oordeel dat bij grensgevallen de artikel 100-procedure
dient te worden toegepast. Indien de regering dit uitgangspunt consequent hanteert, is ook
de tweede onduidelijkheid in de huidige procedure weggenomen.
Voorgestelde herziening van artikel 100
Het rapport “Inzet met instemming” stelt voor om de actieve informatieplicht van het huidi-
ge artikel 100, eerste lid, om te zetten in een toestemmingsvereiste voor iedere inzet van
de krijgsmacht “buiten de landsgrenzen”. Centraal in de adviesaanvraag van de regering
staat de vraag naar de implicaties van dit voorstel, waarbij ook nadrukkelijk de aandacht
wordt gevestigd op het aspect van de bondgenootschappelijke verdediging. Aan deze vraag-
stelling kleven verschillende dimensies.
Het voorgestelde roept ten eerste een aantal complexe staatkundige vragen op. Een for-
meel instemmingsrecht van alleen de Tweede Kamer, zoals voorgesteld in het rapport, zou
                                               34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>een nieuwe figuur zijn in ons staatsrecht. Onze Grondwet kent alleen medebeslissingsrecht
van beide Kamers. In de meeste gevallen krijgt dit medebeslissingsrecht gestalte via de
wetgevingsprocedure. Een medebeslissingsrecht van beide Kamers op basis van de wetge-
vingsprocedure zou weliswaar meer in overeenstemming zijn met onze staatkundige traditie,
maar kan weer andere, meer praktische bezwaren oproepen. Een formele en volgtijdelijke
behandeling door beide Kamers zal relatief veel tijd in beslag nemen. Dit kan vertragend
werken. Het wordt dan bijvoorbeeld moeilijker de parlementaire procedure te voltooien voor-
dat de NAVO of de EU het definitieve besluit neemt de operatie te starten, zoals aanbevolen
in hoofdstuk VII.
Bij de keuze van de bewoordingen van het huidige artikel 100 heeft de regering zich des-
tijds bij de grondwetsherziening laten leiden door het streven zo veel mogelijk aan de wen-
sen van het parlement tegemoet te komen, binnen de bestaande constitutionele verhoudin-
gen zoals gekenschetst door het adagium de regering regeert, het parlement controleert. In
de gekozen opzet hebben de Staten-Generaal de gelegenheid vooraf hun positie te bepalen
en kenbaar te maken. De regering zal zich in de regel schikken naar het oordeel van het
parlement. Het parlement heeft immers staatsrechtelijk de mogelijkheid zijn zienswijze te
laten prevaleren. In ons staatsbestel hebben de Staten-Generaal het laatste woord.
In de constructie van het huidige artikel 100 is het de regering die het besluit tot inzet van
de krijgsmacht neemt en daarvoor de verantwoordelijkheid draagt. De Staten-Generaal heb-
ben daarbij een controlerende rol, niet alleen achteraf maar in dit geval ook nadrukkelijk
vooraf. Bij een formeel medebeslissingsrecht zal er veeleer sprake zijn van een gedeelde
verantwoordelijkheid. Het regeringsbesluit krijgt daardoor meer het karakter van een voor-
stel dat aanvaard of verworpen kan worden. Daarmee wordt het besluit dus tot voornemen,
iets waarvan de Tweede Kamer blijkens de aanvaarding van de motie-Van Aartsen-Bos niet
gediend was. Doordat er in wezen sprake is van een gezamenlijk besluit zal de Tweede Kamer
zich waarschijnlijk ook minder vrij voelen het verloop van de militaire operatie en het Neder-
landse aandeel daarin aan kritiek te onderwerpen. In de visie van de AIV is het dan ook zeer
de vraag of een dergelijke verstrengeling van verantwoordelijkheden tussen regering en par-
lement, de uitoefening van hun respectieve taken bij de inzet van de krijgsmacht ten goede
zal komen. Men zal immers willen vermijden dat de regering uiteindelijk minder slagvaardig
kan regeren en dat de Staten-Generaal minder scherp gaan controleren.
De praktijk van de afgelopen 20 jaar creëert gewoonterecht dat, in samenhang met het in
2000 ingevoerde artikel 100, de positie van de Staten-Generaal bij de uitzending van mili-
tairen heeft versterkt. Zo evolueert ons staatsrecht op een wijze die het kenmerk is van
levend recht. De AIV ziet op dit moment dan ook geen concrete aanleiding tot een nieuwe
grondwetswijziging met alle complicaties van dien. De AIV geeft de voorkeur aan een bena-
dering waarbij op gezette tijden het Toetsingskader en de daarin beschreven procedures in
het licht van de ervaringen worden bijgesteld. Zo zou de hierboven geschetste verkeersregel
– bij twijfel geldt de artikel 100-procedure – in een herzien Toetsingskader kunnen worden
vastgelegd.
De voorstellen van de Tweede Kamerwerkgroep zouden het onderscheid dat de huidige arti-
kelen 97 en 100 van de Grondwet maken tussen een drietal doelomschrijvingen van de
krijgsmacht, vervangen door een nieuwe systematiek. In deze nieuwe systematiek wordt de
werkingssfeer van artikel 100 uitgebreid tot alle operaties “buiten de landsgrenzen” (soms
wordt de formulering “buiten het grondgebied van het Koninkrijk” gehanteerd wat op het-
zelfde neerkomt). Deze aanduidingen omvatten bondgenootschappelijke verdediging en bij-
voorbeeld ook operaties om Nederlandse burgers uit gevaarlijke situaties in het buitenland
te redden. Meer dan bij vredesoperaties is hier, in de visie van de AIV, een kerntaak van de
                                                35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>uitvoerende macht, namelijk de zorg voor de nationale veiligheid, in het geding. Dit raakt
zeer direct de eigen verantwoordelijkheid van de regering. Het criterium “buiten de lands-
grenzen” past, in de visie van de AIV, ook niet in een tijdperk waarin ver weg snel dichtbij
kan komen. Nog afgezien van bondgenootschappelijke verdediging kan het nodig zijn dat
de krijgsmacht voor de bescherming van het Koninkrijk en zijn burgers buiten de landsgren-
zen c.q. territoriale wateren optreedt. Dit geldt in het bijzonder voor de luchtstrijdkrachten
en de marine, die ook bij verdedigingstaken bijna altijd buiten het eigen luchtruim c.q. kust-
wateren zullen opereren. Het criterium “buiten de landsgrenzen” kan derhalve het nemen
van tijdige verdedigingsmaatregelen compliceren en zal een frequenter gebruik van de uit-
zonderingsclausule in artikel 100, tweede lid, in de hand werken. In de visie van de AIV
pleit dit alles voor handhaving van het onderscheid dat thans in de Grondwet wordt
gemaakt tussen verdediging en de bescherming van nationale belangen enerzijds en de
bevordering van de internationale rechtsorde (vredesoperaties e.d.) anderzijds.
De adviesaanvraag stelt de vraag aan de orde hoe de noodzaak van snel en slagvaardig
optreden zich verhoudt tot de voorgestelde nieuwe parlementaire goedkeuringsprocedures.
Tevens wordt de kwestie van geheimhouding aan de orde gesteld. Naar de mening van de
AIV dienen de nationale procedures rekening te blijven houden met operaties die strikte
geheimhouding en/of onmiddellijke actie vergen (“acute noodsituaties” zoals het destijds in
de debatten over de grondwetsherziening werd omschreven). Indien zou worden besloten
tot aanpassing van het huidige artikel 100, dan zal het derhalve nodig zijn de uitzonderings-
clausule in het tweede lid van dit artikel, te handhaven. Tot op heden is spaarzaam gebruik
gemaakt van deze uitzonderingsclausule. Dit dient ook in de toekomst het uitgangspunt te
blijven.
Het snel veranderende internationale beeld maakt het moeilijk precies te voorspellen onder
welke omstandigheden de krijgsmacht in de toekomst zal worden ingezet. De besluitvor-
ming in internationale organisaties zal ook niet altijd volgens een vast patroon verlopen. Dit
pleit voor nationale procedures die voldoende flexibel zijn om in zeer uiteenlopende scena-
rio’s te kunnen worden toegepast.
Nationale en internationale besluitvorming rond de inzet van NATO Response
Force en EU-battlegroups
Het rapport “Inzet met instemming” gaat uitvoerig in op zowel de ‘NATO Response Force’
als de EU-battlegroups. De adviesaanvraag van de regering vraagt naar het oordeel van de
AIV over de conclusies en aanbevelingen van het rapport op dit punt, waaronder meer
specifiek de voorstellen om de Tweede Kamer eerder en nauwer in de verschillende stadia
van de internationale besluitvorming te betrekken. De adviesaanvraag spreekt daarbij zorg
uit over de mogelijkheid dat parlementaire goedkeuringsprocedures tot vertraging van de
inzet zullen leiden, hetgeen de vraag opwerpt naar de inpassing van nationale parlementaire
procedures in de internationale besluitvormingstrajecten.
De toewijzing van Nederlandse eenheden aan de NRF of de EU-battlegroups is daarbij een
belangrijk eerste moment. De AIV is van oordeel dat de toewijzing een politieke verplichting
schept. Onze bondgenoten en partners moeten ervan op aan kunnen dat eenheden die aan
deze formaties zijn toegewezen, niet op het laatste moment daaraan worden onttrokken.
Dit zou het aanzien van ons land als betrouwbare bondgenoot schaden. Daarom werd in
AIV-advies nr. 34 reeds benadrukt dat de toewijzing van eenheden in de dialoog tussen
regering en Staten-Generaal als een belangrijke stap moet worden beschouwd. De eigen
troepen alsnog onthouden op het moment dat het erop aan komt (een zogeheten ‘opt out’),
is alleen denkbaar indien buitengewoon gewichtige nationale overwegingen zich tegen deel-
name verzetten.
                                                36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Heel concreet vraagt de adviesaanvraag “op welk moment” het parlement zou moeten wor-
den geïnformeerd over Nederlandse militaire deelname aan dergelijke internationale militai-
re operaties. De aanbevelingen die de AIV in antwoord op deze vraag doet, zijn niet alleen
van toepassing op de inzet van de NRF en battlegroups, maar op alle crisisbeheersingsope-
raties van de NAVO of EU waaraan ons land deelneemt. Men kan daarbij een onderscheid
maken tussen de informatie over de vroege fase van de internationale gedachtevorming en
de fase waarin, nationaal en internationaal, het groene licht voor de operatie wordt gegeven.
Er zijn diverse momenten in de beginfase van de NAVO- en EU-besluitvorming genoemd die
aan de Tweede Kamer of beide Kamers zouden moeten worden gemeld, bijvoorbeeld het
moment dat aan SACEUR wordt gevraagd militaire opties uit te werken. De AIV komt tot de
slotsom dat het niet zinvol is om te proberen de informatieverschaffing aan de Staten-Gene-
raal te codificeren aan de hand van procedurele stappen in internationale fora. De AIV acht
het juister de verstrekking van dit soort informatie zo veel mogelijk te koppelen aan de ken-
nisgeving, de eerste stap in de artikel 100-procedure. Het gaat immers om het moment dat
Nederlandse deelname in beeld komt. Zodra een Nederlandse bijdrage aan de orde komt,
zou de Staten-Generaal een kennisgeving moeten toegaan. Deze notificatiebrief, die tot nu
toe zeer summier pleegt te zijn, zou meer informatie moeten geven over de stand van de
internationale gedachtevorming c.q. besluitvorming. De melding dat militaire opties door
internationale militaire staven worden bestudeerd, kan daar onderdeel van zijn, afhankelijk
van de eisen met betrekking tot vertrouwelijkheid. Anders kan dit soort informatie worden
verstrekt via een vertrouwelijke briefing aan de desbetreffende Kamercommissie.
Onder normale omstandigheden zal de besluitvorming in de NAVO of de EU een hele reeks
stappen omvatten en zullen ook de hoogste organen van de NAVO respectievelijk de EU
zich meerdere keren over een voorgenomen operatie buigen. Parlementaire procedures die-
nen, in de visie van de AIV, te worden voltooid voordat de NAVO-Raad of de Razeb een
definitief besluit neemt, dat wil zeggen voor de ‘execution directive’ in NAVO-kader c.q. voor
de ‘decision to launch the operation’ in EU-kader. Daarna nog ‘nee’ zeggen zou leiden tot
een zeer problematische situatie. De artikel 100-brief kan daarom het beste worden inge-
diend op het moment dat de militaire planning zodanig ver gevorderd is, dat duidelijk is
welk aandeel daarin van Nederland wordt verwacht. Het criterium is immers of er voldoende
informatie beschikbaar is om de elementen van het Toetsingskader na te lopen.
Indien de operatie een zodanig spoedeisend karakter heeft dat de besluitvorming in de
NAVO-Raad of de Razeb zich in één zitting concentreert, hetgeen zeer ernstige omstandig-
heden veronderstelt, dan ligt het in de rede dat de regering vooroverleg voert met het parle-
ment over de deelname van Nederlandse troepen.
De Nederlandse inbreng in de NRF en battlegroups bouwt voort op de nauwe langjarige mili-
taire samenwerking met vooral Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het kader van de
battlegroups wordt nu, behalve met Duitsland, ook met Finland samengewerkt. Naast de
multilaterale dimensie is hier derhalve ook een belangrijke bilaterale dimensie in het geding.
Dit is in het bijzonder het geval met het volledig geïntegreerde Nederlands-Duitse hoofd-
kwartier. Vermeden moet worden dat Nederland en Duitsland andere conclusies trekken ten
aanzien van de inzet van hun gezamenlijk ingebrachte bijdragen aan NRF of battlegroup.
Dit geldt ook in relatie tot de Brits-Nederlandse bijdragen in de vorm van amfibische strijd-
krachten en de samenwerking met Finland in het kader van de battlegroup. Als zich een
crisis aftekent die tot inzet kan leiden, zal, naast het multilaterale overleg, dan ook nauw
bilateraal overleg met de betrokken partnerlanden geboden zijn.
                                                 37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Voor de regering staat voorop dat recht wordt gedaan aan de noodzaak van tijdig en doeltreffend
militair optreden in internationaal verband, mocht daartoe worden besloten, terwijl de betrokkenheid
van het parlement bij de besluitvorming blijft gewaarborgd. De conclusies en aanbevelingen van de
werkgroep NRF kunnen gevolgen hebben voor de verhouding tussen regering en parlement bij de
uitzending van militairen. Dit noopt tot een nadere beschouwing van de procedure van besluitvorming
en de praktijk van overleg tussen parlement en regering, zoals deze zich hebben ontwikkeld sinds de
invoering van het Toetsingskader. In dit licht legt de regering aan de AIV de volgende vragen voor
nader advies voor:

e _ Welke gevolgen zullen de conclusies en aanbevelingen van de werkgroep NRF naar het
oordeel van de AIV hebben voor de uitzending van Nederlandse militairen en voor de
Nederlandse deelname aan internationale militaire operaties, zoals van de VN, de NAVO, de
EU of andere internationale verbanden, waarbij, in sommige gevallen, ook de verdediging van
het eigen grondgebied of de bijstandsverplichting van het Noord-Atlantisch Verdrag in het
geding kunnen zijn. Op welk moment dient, naar het oordeel van de AIV, het parlement te
worden geïnformeerd over Nederlandse militaire deelname aan dergelijke internationale
militaire operaties. Daarbij dient te worden aangetekend dat de werkgroep NRF zich niet
aansluit bij de aanbeveling van de AIV uit het advies ‘Nederland en crisisbeheersing — drie
actuele aspecten’ om een zwaarder politiek gewicht toe te kennen aan de fase van toewijzing.
Zou zich een verschil van inzicht openbaren tussen regering en parlement omtrent deelname,
ontstaat dan niet het risico dat de voorspelbaarheid van Nederland bij internationale partners
en bij de betrokken internationale organisaties in het gedrang kan komen?

e _ Wordt de inzet van NRF of EU-Battlegroups overwogen - alsmede een Nederlandse bijdrage
daaraan - op welke wijze zou dan kunnen worden voorkomen dat het verkrijgen van
parlementaire instemming een vertragende factor is bij de voorbereidingen voor de werkelijke
uitzending van militairen? Zou het vereiste van parlementaire instemming gevolgen kunnen
hebben voor de beoogde snelle inzet en slagvaardig optreden van deze NAVO- en EU-
eenheden?

* De werkgroep NRF gaat ervan uit dat de regering bij besluitvorming in de NAVO en de EU
over de onplooiing van de NRF, respectievelijk de EU-Battlegroups het voorbehoud maakt dat
het parlement nog moet instemmen met Nederlandse deelname. Tevens stelt de werkgroep
NRF dat de regering het parlement vooraf dient in te lichten over de opstelling van de
regering in de vergadering van de NAR respectievelijk de RAZEB waarin besloten zal worden
over de ontplooiing van de NRF dan wel de EU-Battlegroups, op een zodanig moment dat
tussen de regering en het parlement hierover kan worden overlegd. De werkgroep NRF
beveelt verder aan dat “de regering de Kamer inlichtingen verstrekt voordat de NAR besluit
tot het geven van een opdracht aan SACEUR om verschillende strategische opties uit te
werken dan wel een operatieplan te ontwikkelen”. Met betrekking tot de EU-Battlegroups
beveelt de werkgroep NRF aan dat “de regering de Kamer deze inlichtingen verstrekt voordat
het PVC dan wel de RAZEB besluit dat de militaire staf van de EU een Crisismanagement
Concept dient op te stellen” (rapport werkgroep NRF, punt 4.3.5). De inlichtingen die regering
kan verstrekken, in de fasen van overleg zoals hiervoor aangegeven, bestaan in hoofdzaak uit
sondages, hele en halve voorstellen, aftastende suggesties en andere elementen die. tezamen
genomen, een informeel, dynamisch proces van onderhandelingen en overleg vormen, ter
voorbereiding van de uiteindelijke besluitvorming. Het kan daarbij ook gaan om informatie
die op grond van regelgeving binnen de betreffende organisatie als geheim of vertrouwelijk
wordt aangemerkt. Wat zouden, naar het oordeel van de AIV. de consequenties kunnen zijn
voor de nationale en internationale besluitvorming indien het parlement op grond van de op
dat moment beschikbare informatie zich politiek uitspreekt over een beoogde NAVO- of EU-
missie, dan wel de Nederlandse deelname daaraan? Wat is het oordeel van de AIV over de
hierboven genoemde conclusies en aanbevelingen van de werkgroep NRF ten aanzien van de
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>verstrekking van informatie aan en de betrokkenheid van het parlement op opeenvolgende
momenten in het besluitvormingsproces van NAVO en EU?

Het wordt op prijs gesteld indien u de regering hieroyer in mei zou kunpen adviseren. Deze
vervolgadviesaanvraag zal in afschrift aan de Tweed Kamer worden gezonden.

if

ff
E

De Minister van Buitenlandse Zaken / De Minister van Defensie

(s Feat An

Dr. B.R. Bot ~ G.J. Kamp
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage II
Relevante artikelen uit de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, zoals
thans van kracht
Artikel 68
De ministers en de staatssecretarissen geven de kamers elk afzonderlijk en in verenigde
vergadering mondeling of schriftelijk de door één of meer leden verlangde inlichtingen
waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat.
Artikel 90
De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.
Artikel 96
1. Het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de
   Staten-Generaal.
2. De toestemming is niet vereist, wanneer het overleg met de Staten-Generaal ten gevolge
   van een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken.
3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
4. Het bepaalde in het eerste en het derde lid is van overeenkomstige toepassing voor een
   verklaring dat een oorlog beëindigd is.
Artikel 97
1. Ten behoeve van de verdediging en ter bescherming van de belangen van het Koninkrijk,
   alsmede ten behoeve van de handhaving en de bevordering van de internationale
   rechtsorde, is er een krijgsmacht.
2. De regering heeft het oppergezag over de krijgsmacht.
Artikel 100
1. De regering verstrekt de Staten-Generaal vooraf inlichtingen over de inzet of het ter
   beschikking stellen van de krijgsmacht ter handhaving of bevordering van de internatio-
   nale rechtsorde. Daaronder is begrepen het vooraf verstrekken van inlichtingen over de
   inzet of het ter beschikking stellen van de krijgsmacht voor humanitaire hulpverlening in
   geval van gewapend conflict.
2. Het eerste lid geldt niet, indien dwingende redenen het vooraf verstrekken van inlichtin-
   gen verhinderen. In dat geval worden inlichtingen zo spoedig mogelijk verstrekt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>                                                                                       Bijlage III
Relevante bepalingen uit internationale verdragen
Artikel 51, Handvest van de Verenigde Naties, juni 1945
Nothing in the present Charter shall impair the inherent right of individual or collective self-
defence if an armed attack occurs against a Member of the United Nations, until the
Security Council has taken measures necessary to maintain international peace and
security. Measures taken by Members in the exercise of this right of self-defence shall be
immediately reported to the Security Council and shall not in any way affect the authority
and responsibility of the Security Council under the present Charter to take at any time
such action as it deems necessary in order to maintain or restore international peace and
security.
Bijstandsclausule in artikel 5, Noord-Atlantisch Verdrag, april 1949
The Parties agree that an armed attack against one or more of them in Europe or North
America shall be considered an attack against them all and consequently they agree that,
if such an armed attack occurs, each of them, in exercise of the right of individual or
collective self-defence recognised by Article 51 of the Charter of the United Nations, will
assist the Party or Parties so attacked by taking forthwith, individually and in concert with
the other Parties, such action as it deems necessary, including the use of armed force, to
restore and maintain the security of the North Atlantic area.
Artikel 6, Noord-Atlantisch Verdrag, zoals gewijzigd bij de toetreding van
Griekenland en Turkije in oktober 1951
For the purpose of Article 5, an armed attack on one or more of the Parties is deemed to
include an armed attack:
1. on the territory of any of the Parties in Europe or North America, on the Algerian
    Departments of France, on the territory of Turkey or on the islands under the jurisdiction
    of any of the Parties in the North Atlantic area north of the Tropic of Cancer;
2. on the forces, vessels, or aircraft of any of the Parties, when in or over these territories
    or any other area in Europe in which occupation forces of any of the Parties were
    stationed on the date when the Treaty entered into force or the Mediterranean Sea or
    the North Atlantic area north of the Tropic of Cancer.
Artikel 5, Gewijzigde Verdrag van Brussel (WEU-verdrag) van oktober 1954 (deze
bepaling stamt overigens uit het oorspronkelijke verdrag van maart 1948)
If any of the High Contracting Parties should be the object of an armed attack in Europe,
the other High Contracting Parties will, in accordance with the provisions of Article 51 of
the Charter of the United Nations, afford the Party so attacked all the military and other aid
and assistance in their power.
Artikelen uit het vigerende Verdrag betreffende de Europese Unie (deze bepalingen
stammen deels uit het Verdrag van Amsterdam van oktober 1997, deels uit het Ver-
drag van Nice van december 2000):
Artikel 14
1. The Council shall adopt joint actions. Joint actions shall address specific situations
    where operational action by the Union is deemed to be required. They shall lay down
    their objectives, scope, the means to be made available to the Union, if necessary their
    duration, and the conditions for their implementation.
2. If there is a change in circumstances having a substantial effect on a question subject
    to joint action, the Council shall review the principles and objectives of that action and
    take the necessary decisions. As long as the Council has not acted, the joint action
    shall stand.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>3. Joint actions shall commit the Member States in the positions they adopt and in the
    conduct of their activity.
4. The Council may request the Commission to submit to it any appropriate proposals
    relating to the common foreign and security policy to ensure the implementation of a
    joint action.
5. Whenever there is any plan to adopt a national position or take national action pursuant
    to a joint action, information shall be provided in time to allow, if necessary, for prior
    consultations within the Council. The obligation to provide prior information shall not
    apply to measures which are merely a national transposition of Council decisions.
6. In cases of imperative need arising from changes in the situation and failing a Council
    decision, Member States may take the necessary measures as a matter of urgency
    having regard to the general objectives of the joint action. The Member State concerned
    shall inform the Council immediately of any such measures.
7. Should there be any major difficulties in implementing a joint action, a Member State
    shall refer them to the Council which shall discuss them and seek appropriate solutions.
    Such solutions shall not run counter to the objectives of the joint action or impair its
    effectiveness.
Artikel 17
1. The common foreign and security policy shall include all questions relating to the
    security of the Union, including the progressive framing of a common defence policy,
    which might lead to a common defence, should the European Council so decide. It shall
    in that case recommend to the Member States the adoption of such a decision in
    accordance with their respective constitutional requirements.
    The policy of the Union in accordance with this Article shall not prejudice the specific
    character of the security and defence policy of certain Member States and shall respect
    the obligations of certain Member States, which see their common defence realised in
    the North Atlantic Treaty Organisation (NATO), under the North Atlantic Treaty and be
    compatible with the common security and defence policy established within that
    framework.
    The progressive framing of a common defence policy will be supported, as Member
    States consider appropriate, by cooperation between them in the field of armaments.
2. Questions referred to in this Article shall include humanitarian and rescue tasks, peace-
    keeping tasks and tasks of combat forces in crisis management, including peacemaking.
3. Decisions having defence implications dealt with under this Article shall be taken without
    prejudice to the policies and obligations referred to in paragraph 1, second subparagraph.
4. The provisions of this Article shall not prevent the development of closer cooperation
    between two or more Member States on a bilateral level, in the framework of the
    Western European Union (WEU) and NATO, provided such cooperation does not run
    counter to or impede that provided for in this title.
5. With a view to furthering the objectives of this Article, the provisions of this Article will
    be reviewed in accordance with Article 48.
Artikelen uit het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, aangeno-
men door de Europese Raad op 18 juni 2004, maar nooit in werking getreden (afge-
wezen door referenda in Frankrijk en Nederland):
Artikel I-41, lid 7
7. If a Member State is the victim of armed aggression on its territory, the other Member
    States shall have towards it an obligation of aid and assistance by all the means in their
    power, in accordance with Article 51 of the United Nations Charter. This shall not
    prejudice the specific character of the security and defence policy of certain Member
    States.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>    Commitments and cooperation in this area shall be consistent with commitments under
    the North Atlantic Treaty Organisation, which, for those States which are members of it,
    remains the foundation of their collective defence and the forum for its implementation.
Artikel I-43 (bekend als de solidariteitsclausule)
1. The Union and its Member States shall act jointly in a spirit of solidarity if a Member
    State is the object of a terrorist attack or the victim of a natural or man-made disaster.
    The Union shall mobilise all the instruments at its disposal, including the military
    resources made available by the Member States, to:
    (a) – prevent the terrorist threat in the territory of the Member States;
          – protect democratic institutions and the civilian population from any terrorist
            attack;
          – assist a Member State in its territory, at the request of its political authorities, in
            the event of a terrorist attack;
   (b) – assist a Member State in its territory, at the request of its political authorities, in
            the event of a natural or man-made disaster.
2. The detailed arrangements for implementing this Article are set out in Article III-329.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
* Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
   Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre> 5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
 6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
 7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
 8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
 9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>