<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>             DE OESO VAN DE TOEKOMST
                     No. 54, Maart 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij - van Gorsel
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Prof. dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Dr. R.J. van der Veen
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Ledenlijst gecombineerde commissie OESO
Voorzitter          Prof. dr. W.J.M. van Genugten
Leden               Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                    Drs. T. Etty
                    Prof. mr. C. Flinterman
                    Mw. mr. C. Hak
                    Drs. F.D. van Loon
                    Drs. H.C. Posthumus Meyjes
                    Prof. mr. N.J. Schrijver
                    Prof. dr. A. van Staden
                    Drs. P. Stek
Corresponderend lid Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Secretaris          Drs. T.D.J. Oostenbrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>         Inhoudsopgave
         Woord vooraf
I        Inleiding      7
         Oprichting en doelstellingen     7
         Organisatiestructuur en werkwijze       9
         Lidmaatschap       10
         Interne, organisatorische hervormingen    11
II       Sterktes en zwaktes: inherente spanningen in de OESO-ambities 13
III      De toekomst van de OESO: een antwoord op de zes vragen     17
IV       Conclusies en aanbevelingen          27
Bijlage I         Adviesaanvraag
Bijlage II        Lijst met geraadpleegde personen
Bijlage III       Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord Vooraf
Op 7 maart 2006 verzocht de regering de Adviesraad Internationale Vraagstukken
(AIV) te adviseren over de prioritaire werkterreinen van de OESO en de positie van
de organisatie in de internationale institutionele structuur.
In de adviesaanvraag (zie bijlage I) wordt, onder verwijzing naar de sterke toename
van het aantal onderwerpen en de beperkte financiële middelen, gewezen op de
noodzaak te komen tot een herbezinning op de doelstellingen en de activiteiten
van de OESO. Tevens wordt gewezen op de discussies over mogelijke uitbreiding
van het aantal leden. Om inzicht te krijgen in de rol die een – eventueel
uitgebreide – OESO in de internationale institutionele architectuur en voor Nederland
kan vervullen en teneinde bij te dragen aan de Nederlandse standpuntbepaling
over de toekomst van de OESO, verzoekt de regering om in het advies te willen
ingaan op de volgende vragen:
1. Met welke landen, in welk tempo, in welke vorm en eventueel onder welke voor-
    waarden moet de OESO zich uitbreiden?
2. Hoe ziet de AIV, mede in het licht van vraag 1, de positie van de OESO in de
    internationale institutionele architectuur, met name in relatie tot de EU, Wereld-
    bank, IMF, WTO, G-8?
3. Welke zouden, vanuit internationaal perspectief en het belang dat Nederland aan
    internationale samenwerking hecht, de prioritaire werkterreinen en onderwerpen
    zijn die zich bij voorrang lenen voor behandeling door de (uitgebreide) OESO?
4. Hoe beoordeelt de AIV het belang (zowel internationaal als voor Nederland) van
    het behoud van de voor de OESO kenmerkende werkmethoden (soft law,
    benchmarking, peer review, peer pressure)?
5. Welke is volgens de AIV de specifieke toegevoegde waarde van de OESO voor het
    in Nederland te voeren beleid en welke zouden in dat licht de onderwerpen zijn
    waar de OESO zich bij voorkeur op zou moeten richten?
6. Welke veranderingen moet de OESO als organisatie ondergaan om na uitbreiding
    en inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren?
De regering verzocht de AIV aanvankelijk de laatste vraag met voorrang te behan-
delen. Na overleg met de betrokken ambtelijke contactpersonen werd echter duide-
lijk dat dit niet langer noodzakelijk was.
Dit advies is voorbereid in een daartoe ingestelde gecombineerde commissie, die
bestond uit: Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh (AIV/CVV), drs. T. Etty
(CMR), prof. mr. C. Flinterman (CMR), prof. dr. W.J.M. van Genugten (AIV/CMR, voor-
zitter commissie), mw. mr. C. Hak (CMR), drs. F. van Loon (COS), drs. H.C. Posthumus
Meyjes (CEI), prof. mr. N.J. Schrijver (CMR), prof. dr. A. van Staden (AIV/CEI) en
drs. P. Stek (COS). Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen (AIV/CEI) heeft overwegend als
corresponderend lid deelgenomen. De commissie heeft kunnen putten uit de
kennis en ervaring van de ambtelijke contactpersonen van verschillende ministeries,
in het bijzonder drs. P.R. Post en mw. mr. C.M. Dijk van het ministerie van Buiten-
landse Zaken (DES/TO). Het secretariaat is gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink
(secretaris CMR) en de stagiaires B. Groothuis, mw. M.A.M. Suijkerbuijk en
M. Keizer.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>In hoofdstuk I van dit advies wordt kort ingegaan op de ontstaansgeschiedenis en
de historische ontwikkeling van de OESO. Tevens wordt stilgestaan bij discussies
over hervorming van de organisatie en bij de besluitvorming dienaangaande in mei
2006. In hoofdstuk II wordt een sterkte-zwakte-analyse gepresenteerd en worden
enkele spanningen die inherent zijn aan de actuele OESO-ambities, in kaart
gebracht. In hoofdstuk III worden vervolgens de zes vragen uit de adviesaanvraag
van een antwoord voorzien. In hoofdstuk IV tot slot worden de belangrijkste con-
clusies en aanbevelingen op een rij gezet.
Gedurende het adviestraject heeft de AIV gesproken met een aantal deskundigen.
Ook is op 3 en 4 oktober 2006 een bezoek gebracht aan de OESO in Parijs. De AIV
is alle gesprekspartners zeer erkentelijk voor hun bijdragen aan deze advisering
(zie voor de lijst van gesprekpartners: bijlage II).
De AIV heeft dit advies vastgesteld op 9 maart 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I       Inleiding
Oprichting en doelstellingen
In 1947 werd, ter uitvoering van het Marshall-plan, de Organisatie voor Europese
Economische Samenwerking (OEES) opgericht. De achtergrond daarvan was dat de
Verenigde Staten (VS) aan hun grootscheepse hulpverlening de voorwaarde stelden dat
de Europese staten zich aaneen zouden sluiten om de geld- en goederenstromen in
onderling overleg te verdelen, de wederzijdse handel en het betalingsverkeer te liberali-
seren en, meer in het algemeen, samen te werken bij de opbouw van het verwoeste
continent. De OEES was daarmee in die eerste jaren een organisatie van Europese
industrielanden met een markteconomie. Als zodanig werd zij de tegenvoeter van de
COMECON.1 In 1960 werd de wederopbouwtaak als voltooid beschouwd en werd de
OEES omgevormd tot een organisatie die niet langer een exclusief Europese gerichtheid
had, maar zich tevens ten doel stelde bij te dragen aan de groei van de mondiale
economie en de ontwikkeling van de derde wereld. Dit werd de Organisatie voor Econo-
mische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Zij kende in 1960 twintig lidstaten,
tegenover dertig thans.
Oorspronkelijk kreeg de organisatie tot taak beleid te bevorderen dat zij, in de woorden
van artikel 1 OESO-Conventie,2
      de hoogst mogelijke duurzame economische groei en werkgelegenheid alsmede
        een stijgende levensstandaard met behoud van financiële stabiliteit in de
        lidstaten;
      bewerkstelligt, en (…) daarmee bijdraagt aan de ontwikkeling van de wereld-
        economie;
      bijdraagt aan gezonde economische groei in zowel lidstaten als niet-lidstaten
        die zich in een proces van economische ontwikkeling bevinden; en
      bijdraagt aan de expansie van de wereldhandel op een multilaterale, niet-discri-
        minatoire basis in overeenstemming met internationale verplichtingen.
    In artikel 2 OESO-Conventie is bepaald dat deze doelstellingen zullen worden nage-
    streefd door middel van het afzonderlijk en gezamenlijk
      bevorderen van een efficiënt gebruik van economische hulpbronnen;
      op wetenschappelijk en technologisch gebied verder ontwikkelen van deze hulp
        bronnen, het aanmoedigen van onderzoek en het stimuleren van beroeps-
        opleidingen;
      uitvoeren van beleid, gericht op het behalen van economische groei en interne
        en externe financiële stabiliteit en op het vermijden van ontwikkelingen die de
        economieën van de lidstaten en die van andere landen zouden kunnen
        bedreigen;
1  De COMECON (Council for Mutual Economic Assistance), opgericht in 1949 in Moskou, was een econo-
   misch samenwerkingsverband tussen de Oost-Europese communistische landen, dat gezien kon worden als
   een antwoord op het Amerikaanse Marshall-plan. De COMECON is opgeheven in 1991.
2  ‘Convention on the Organisation for Economic Co-operation and Development’, Parijs, 14 december 1960.
                                                    7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>       ondernemen van pogingen om obstakels voor de uitwisseling van goederen en
         diensten en het lopend geldverkeer te reduceren of af te schaffen, en het
         instandhouden en uitbreiden van de liberalisatie van het kapitaalverkeer; en
       bijdragen aan de economische ontwikkeling van lidstaten en niet-lidstaten die
         zich in een proces van economische ontwikkeling bevinden, door het gebruik
         van daartoe geijkte middelen waaronder, in het bijzonder, de toestroom van
         kapitaal naar deze landen, gelet op het belang voor hun economieën van het
         ontvangen van technische bijstand en het verwerven van groeiende export-
         markten.
Om haar doelstellingen te bereiken heeft de OESO in de loop der jaren haar activiteiten
uitgebreid tot vrijwel alle denkbare beleidsonderwerpen op economisch, sociaal en
maatschappelijk terrein. Zij doet dat op verzoek van en gefinancierd door de lidstaten,
en gaat daarbij doorgaans op multidisciplinaire en beleidsvergelijkende wijze te werk.
In de eerste decennia van haar bestaan werd de agenda van de organisatie gedomi-
neerd door informatie-uitwisseling over en vergelijking van het voorgenomen macro-,
meso- en micro-economisch beleid van de lidstaten. Dat maakte het voor de lidstaten
mogelijk om daarmee bij de eigen beleidsvoorbereiding rekening te houden. Op bepaalde
terreinen groeide deze vorm van samenwerking uit tot hechtere vormen van economi-
sche samenwerking en tot ‘beleidsafstemming’. Daarnaast noopten en nopen wijzigin-
gen in de internationale betrekkingen, zoals de toenemende onderlinge afhankelijkheid
van economieën, de mondialisering van geldstromen en het aanvaarden van het con-
cept van de markteconomie in een steeds groter aantal landen, de OESO tot een her-
oriëntatie op haar aanpak en aandachtsvelden. Als verlengstuk van die ontwikkeling is
binnen de OESO, vooral met het oog op (eventuele) toetreding van grote nieuwe staten,
vaak gesproken over de eventuele noodzaak om te komen tot andere vormen van coör-
dinatie en afstemming van beleid dan traditioneel het geval was (denk aan peer
pressure et cetera, waarover verderop in dit advies meer). Tot op heden heeft deze
discussie niet tot grote wijzigingen in de aanpak geleid. Het is ook de vraag of dat wel
noodzakelijk is, voordat duidelijk wordt welke staten (met welke economische oriëntatie
en van welke omvang) formeel willen toetreden of intensiever met de OESO willen
samenwerken (ook daarover later meer in dit advies). Een aanpassing van succesvol
gebleken methoden zou prematuur zijn geweest.
Omdat de lidstaten voortdurend nieuwe prioriteiten stellen, zijn de onderwerpen waar-
mee de OESO zich bezighoudt in de loop van de tijd aan verschuiving onderhevig
geweest. De negen onderwerpen/velden die onder het Central Priority Fund voor
2007/2008 vallen, zijn: consumentenbeleid, onderwijs, migratie, duurzame ontwikke-
ling, houdbare financiering om betaalbare toegang tot water en sanitair te waarborgen,
anticorruptie, financiële deskundigheid, belastingadministratie en de OESO-website.3 De
recentelijk aangetreden SG van de OESO heeft daarbij de onderwerpen migratie, volks-
gezondheid en water tot zijn prioriteiten verklaard.
Verder was het oorspronkelijk vanzelfsprekend dat de lidstaten samen vrijwel de gehele
vrije wereldeconomie omvatten en op basis van dit gegeven en gesteund door een hoge
mate van gelijkgestemdheid aan het werk van de organisatie deelnamen. Mondiale ver-
anderingen die de afgelopen decennia hebben plaatsgevonden, hebben die vanzelfspre-
kendheid echter onder druk gezet. In feite is de huidige discussie over de identiteit van
3   Doc. C(2006)106 van 16 juli 2006.
                                             8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>de OESO ontstaan met de val van de Muur in 1989. De Koude Oorlog gaf de OESO
zowel een duidelijke raison d’être als een sterk intern gevoel van solidariteit. Met het
wegvallen daarvan en met de opkomst van sterke nieuwe economieën is de OESO
gedwongen op zoek gegaan naar een nieuwe identiteit.
Organisatiestructuur en werkwijze
Het hoogste orgaan in de OESO is de Raad, die bestaat uit de relevante ministers of de
permanente vertegenwoordigers van de lidstaten. Beleidsrelevante besluiten worden in
dat forum doorgaans bij consensus genomen. Hierop bestaat sinds mei 2006 echter
een aantal uitzonderingen, waarbij een meerderheid van stemmen de norm is (zie aan
het einde van dit hoofdstuk, onder het kopje ‘Interne, organisatorische hervormingen’).
De meest zichtbare ‘producten’ van de OESO worden geleverd door de 228 (deel)werk-
groepen, (ad-hoc)taakgroepen, stuurgroepen en (vaste) commissies.4 In dit netwerksys-
teem worden onder meer beleidsadviezen, richtlijnen, gedragsprincipes en overzichten
van best practices op velerlei terrein opgesteld.5 Veelal organiseren de commissies per
thema vertrouwelijk overleg tussen lidstaten om meer economische samenwerking en
samenhang te bewerkstelligen. Sommige commissies onderscheiden zich door de aan-
wezigheid van hoge beleidsambtenaren, waardoor het beleid op de desbetreffende ter-
reinen als het ware direct kan worden afgestemd en op efficiënte wijze peer review en
peer pressure kunnen worden uitgeoefend.6
Het secretariaat onder leiding van de SG – de recentelijk aangetreden Mexicaan José
Ángel Gurría – ondersteunt de werkzaamheden van de Raad en de commissies.7 De SG
is de wettige vertegenwoordiger van de organisatie naar de buitenwereld, is verantwoor-
delijk voor de aansturing van de organisatie en is rechtstreeks verantwoording verschul-
digd aan de Raad. Daarnaast waarborgt de SG de institutionele coherentie van de orga-
nisatie en wordt hij geacht bij te dragen aan strategische beleidsdiscussies. De SG zit
de Raad voor en onderhoudt de relaties met lidstaten en niet-lidstaten, alsmede met
andere internationale organisaties. Ook stelt de SG het werkprogramma voor en is hij
samen met de Raad verantwoordelijk voor de uitvoering ervan.8
Het reguliere OESO-budget wordt bijeengebracht door de dertig lidstaten, met de
VS en Japan als de grootste contribuanten. Deel 1 van het budget bestaat uit verplichte,
algemene, jaarlijkse financiële bijdragen van alle leden van de OESO. De hoogte van
4  Nederland bekleedde in 2006 in totaal vijftien voorzitterschappen en was vice-voorzitter van een vijftiental
   andere overlegvormen. In totaal was Nederland in 2006 actief in 196 OESO-overlegvormen. Het totale
   aantal overlegorganen is de laatste twintig jaar nauwelijks toegenomen. Al in 1988 waren er meer dan 200
   commissies et cetera. Anno 2002 waren dat er ongeveer evenveel. Het aantal hoofdcommissies is sinds
   1998 gelijk gebleven. Vier zijn opgeheven en vier nieuwe zijn toegevoegd.
5  C/WPEG(2006)7, ‘A New Governance Structure for the Council and its Standing Committees’, 14 april 2006.
6  Dit advies maakt meer dan gemiddeld gebruik van Engelse termen, zulks ter aansluiting bij het taalgebruik
   in de OESO.
7  C/WPEG(2006)6, SG OESO, ‘The Responsibilities of the Secretary-General’, 14 maart 2006. In totaal heeft
   de OESO ongeveer 2000 medewerkers, deels in vast dienstverband, deels op contractbasis.
8  C/WPEG(2006)6, p. 6.
                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>deze bijdragen is volgens de contributiesleutel gerelateerd aan het Bruto Nationaal pro-
duct (BNP) van een lidstaat. Deel II van het budget bestaat uit een geconsolideerd en
een niet-geconsolideerd deel. Bijdragen aan het geconsolideerde deel zijn niet aan het
BNP van een lidstaat gerelateerd, maar aan het belang dat de lidstaat hecht aan de
activiteit die uit dit deel van het budget zal worden betaald.9 Daarnaast dragen sommi-
ge landen op ad-hocbasis bij aan het niet-geconsolideerde deel.
In de loop der jaren heeft de OESO aan de basis gestaan van een aantal instanties,
waaronder:
 het Internationaal Energie Agentschap (IEA);
 het Nucleair Energie Agentschap (NEA);
 de Club du Sahel;
 het Centrum voor Educatief Onderzoek en Innovatie (CERI); en
 de Europese Conferentie van Ministers van Transport (ECMT).
Deze organisaties zijn weliswaar verbonden met de OESO, maar handelen autonoom en
hebben eigen statutaire bevoegdheden.
Lidmaatschap
In de ruim 45 jaar van haar bestaan is de OESO gegroeid van twintig tot dertig leden.
Vrij snel na de oprichting werden vier nieuwe leden toegelaten, terwijl tussen 1994 en
2000 nog eens zes nieuwe leden tot de organisatie zijn toegetreden.10 Op dit moment
staan zestien staten op de lijst van mogelijke nieuwe leden.11 Het is echter in lang niet
alle gevallen duidelijk of zij ook een formeel lidmaatschap nastreven. Rusland bijvoor-
beeld wil zeker lid worden, maar dat is onzeker wat betreft staten als China, India en
Brazilië. De staten die na 1990 zijn toegelaten, zijn opkomende economieën of bevinden
zich in een transitiefase. Bovendien hebben zij, overeenkomstig de doelstellingen en lid-
maatschapscriteria van de OESO, de ambitie te behoren tot een gemeenschap van sta-
ten die impliciet uitgaan van het rechtsstaatsprincipe en expliciet op de markt georiën-
teerd zijn. Het moge echter duidelijk zijn dat deze dubbele ambitie niet wordt gedeeld
door alle landen die thans op de lijst van mogelijke nieuwe leden staan (zie ook later).
In nauw verband met de lidmaatschapsdiscussie staat het feit dat de OESO te maken
heeft met de zich wijzigende economische krachtsverhoudingen in de wereld. Bij haar
huidige samenstelling dreigt de organisatie steeds minder de belangen en opvattingen
van de grote economische spelers op wereldniveau te weerspiegelen en loopt zij het
9   DSTI/DOT/MTC(2005)1. Voorbeelden zijn de ‘Joint OECD/ECMT Transport Research Centre’ en het ‘Steel
    Committee’. Nederland stond in 2005 op de achtste plaats op de lijst van donoren die vrijwillige bijdragen
    leverden.
10 De oorspronkelijke leden zijn: België, Canada, Denemarken, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Ierland,
    IJsland, Italië, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Turkije, het Verenigd
    Koninkrijk, de Verenigde Staten, Zweden en Zwitserland. Zij werden in de jaren ’60-’70 gevolgd door:
    Australië, Finland, Japan en Nieuw-Zeeland en in de jaren 1994-2000 door: Hongarije, Mexico, Polen,
    Slowakije, Tsjechië en Zuid-Korea.
11 Te weten: Brazilië, Bulgarije, Chili, China, Cyprus, Estland, India, Indonesië, Israël, Letland, Litouwen, Malta,
    Roemenië, Rusland, Slovenië en Zuid-Afrika. Verder worden landen als Argentinië, Egypte, Maleisië, Marokko
    en Singapore gezien als kandidaten voor toetreding op middellange of lange termijn.
                                                         10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>gevaar minder relevant te worden.12 Op dit moment vertegenwoordigen de OESO-leden
nog slechts 60% van het wereld-BNP en dit percentage zakt snel.
Interne, organisatorische hervormingen
De Raad dient zich volgens de OESO-reglementen primair bezig te houden met strategi-
sche keuzes. Gedurende vele jaren zijn pogingen gedaan te komen tot rationalisatie en
prioriteitsstelling van activiteiten. De meeste voorstellen hebben tot op heden echter
weinig resultaat gehad, hoewel op het terrein van budgetbepaling wel vooruitgang is
geboekt. In 2001 is binnen de OESO een nieuwe discussie over hervorming van de
organisatie begonnen.13 Deze omvat onder meer de aanpassing van de besluitvor-
mingsstructuur, de contributieschaal, de flexibilisering van het werkprogramma, een
reflectie op de relatie met niet-lidstaten, de architectuur van het OESO-ontwikkelings-
cluster en een herbezinning op de missie van de organisatie in relatie tot eventuele
verdere uitbreiding van het aantal leden.
Om de discussie over de organisatiestructuur en het lidmaatschap van de OESO te voe-
den en verder vorm te geven is een speciale commissie van alle OESO-leden ingesteld
(genaamd de Conventie). Vanuit deze Conventie is weer een kleinere Werkgroep (de
‘Council Working Party on the Implications of Future Enlargement on OECD Governance’,
kortweg: WPEG) samengesteld, die het debat over de hervormingen moet initiëren. Eén
van de aandachtspunten van de WPEG betreft het vergroten van de slagvaardigheid van
de Raad.14
De inspanningen van de WPEG hebben ertoe geleid dat de Raad in mei 2006 een resolu-
tie over enige veranderingen in de bestuursstructuur heeft aangenomen.15 De beoogde
veranderingen hebben tot doel de slagvaardigheid van de Raad te vergroten door niet-
essentiële zaken van zijn agenda te verwijderen en daardoor voor de Raad tijd en ruimte
te creëren om zich te concentreren op de strategische richting van de organisatie. De
operationele zaken zullen voortaan worden waargenomen door drie Vaste Commissies,
te weten het Executive Committee (ExCo), het Budget Committee (BuCo) en het External
Relations Committee (ErCo). Verder zal de Raad beslissingen over de implementatie van
beleid ten aanzien van niet-leden delegeren aan deze vaste commissies. Ook zullen
beslissingen over de invoering van samenwerkingsprogramma’s met internationale orga-
nisaties en de invoering van beleid ten aanzien van het maatschappelijk middenveld
worden gedelegeerd naar de vaste commissies.
Daarnaast is het krachtens de resolutie van mei 2006 de bedoeling dat de vaste com-
missies de Raad zullen ontlasten door zaken als communicatie en sponsoring op zich
te nemen. Bovendien zullen de vaste commissies de meer administratieve zaken, zoals
kwesties met betrekking tot pensioenregelingen en contributies, overnemen van de
12 Seiichiro Noboru, ‘A Strategy for Enlargement and Outreach. Report by the Chair of the Heads of Delegation
    Working Group on the Enlargement Strategy and Outreach’, 28 februari 2005, p. 3.
13 Zie onder meer het rapport van consultant Peter Nicholson, ‘Maximising the impact of the OECD’,
    15 januari 2003. Hij fungeerde als Speciaal Adviseur van de voormalige SG OESO, Donald J. Johnston.
14 C/WPEG(2006)7, 14 april 2006, p. 3 en pp. 9-10. Na de besluitvorming op Raadsniveau is de WPEG
    opgeheven.
15 C(2006)78/FINAL, 11 mei 2006.
                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Raad. De Raad besloot verder zijn flexibiliteit, effectiviteit en efficiëntie te vergroten
door de toepassing van besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid in plaats van
unanimiteit aanzienlijk uit te breiden. Dat betreft zaken als de hoogte van de jaarlijkse
contributie en andere financiële regelingen, de relaties met niet-lidstaten en internatio-
nale organisaties, besluiten over het voortbestaan van vaste commissies, en andere
organisatorische en managementkwesties.16
16 C/WPEG(2006)7, 14 april 2006, p. 3 en pp. 9-10 en C(2006)78/FINAL, 11 mei 2006.
                                                 12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>II       Sterktes en zwaktes: inherente spanningen in de
         OESO-ambities
In de originele OESO-Conventie zijn de doelstellingen van de OESO in vrij algemene
termen gedefinieerd (zie boven). In de praktijk heeft de OESO zich ontwikkeld tot een
organisatie die vooral functioneert:
 als instrument van internationale ordening op met name sociaal-economisch terrein,
   in een enkel geval via bindende afspraken, maar meestal via soft law en peer
   pressure;
 als denktank en platform voor internationale beleidsvoorbereiding, waarbij de OESO
   in voorkomende gevallen wordt gebruikt als pre-negotiating forum;
 als onderzoeksinstantie met een beoogd a-politiek karakter voor nationale beleids-
   voorbereiding, door middel van veelal multidisciplinair beleidsvergelijkend onderzoek,
   onder meer naar best practices; en
 als organisatie voor de normstelling, berekening en toetsing van de Official
   Development Assistance-gelden (ODA) en als denktank op het terrein van armoede-
   bestrijding in ontwikkelingslanden.
Op basis van recente (interne) rapporten van de OESO zelf en van de gesprekken die
de AIV zowel in Nederland als in Parijs heeft gevoerd, kan worden geconcludeerd dat de
OESO een aantal uitgesproken sterktes en zwaktes kent bij de vormgeving en uitvoering
van dit takenpakket. De AIV noemt de in zijn ogen belangrijkste.
Sterktes
 De OESO is goed in structuurbeschrijving en -analyse van economieën en sectoren.
 Zij is, ondanks het goeddeels ontbreken van bindende instrumenten, goed in het
   geleidelijk doen doorwerken in nationaal beleid van de conclusies die uit deze analy-
   ses kunnen worden getrokken. Vaak krijgen de algemene principes die aan de door-
   werking ten grondslag liggen het karakter van internationale soft law.
 Zij heeft bewezen relevante beleidsvormende en -uitvoerende actoren bij het overleg
   te kunnen betrekken. De organisatie heeft convening power, zowel ten opzichte van
   overheden als ten opzichte van het bedrijfsleven, de vakbeweging en NGO’s.
 Zij is voor deelnemers een weinig ‘bedreigende’ organisatie, in de zin dat zij functio-
   neert op basis van consensus (zie ook bij de zwaktes), slechts een beperkt aantal bin-
   dende instrumenten kent en er geen sprake is van geconditioneerde geldverstrekking.
 Zij is goed op al deze terreinen door de gelijkgestemdheid van de betrokken leden
   (de likemindedness). In het verlengde van deze gelijkgestemdheid liggen de typeren-
   de OESO-methoden van peer review en peer pressure, landenonderzoek, beleidsverge-
   lijking en de ontwikkeling van soft law. Deze activiteiten worden krachtig ondersteund
   door een effectief systeem van statistische dataverzameling. De effectiviteit daarvan
   is nauw verbonden met het feit dat de lidstaten grosso modo hetzelfde denkkader
   hanteren en dezelfde politieke en sociaal-economische uitgangspunten hebben.
 De werkzaamheden van de (deel)werkgroepen, (ad-hoc)taakgroepen, stuurgroepen
   en (vaste) commissies vormen de materiële basis van het functioneren van de
   OESO. Uit onderzoek is gebleken dat het overgrote deel van de overlegstructuren
   goed past bij de hoofdtaak van de organisatie.17 Deze werkzaamheden worden
   ondersteund door een kwalitatief hoogwaardig secretariaat.
17 Zie onder meer het rapport van consultant Peter Nicholson, ‘Maximising the impact of the OECD’,
   15 januari 2003, pp. 22-29.
                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Zwaktes
 De besluitvorming in de OESO, die voor alle belangrijke zaken is gebaseerd op con-
    sensus, maakt verandering op hoofdlijnen uiterst moeizaam. Dat maakt de consen-
    susbesluitvorming tot een zwakte van de OESO. Tegelijkertijd impliceert deze wijze
    van besluitvorming de noodzaak van een goede terugkoppeling naar de achterban,
    hetgeen draagvlak creëert zodra de overeenstemming eenmaal is bereikt. Dat is op
    zichzelf weer aan te merken als een sterkte.
 De huidige samenstelling van de OESO wordt door sommige Aziatische en Latijns-
    Amerikaanse landen en de VS betiteld als eurocentrisch. Andere landen wijzen ech-
    ter op de dominantie van de VS. Door het ontbreken van belangrijke opkomende lan-
    den op de ledenlijst ontbeert de OESO mondiale representativiteit en het vermogen
    tot effectieve uitvoering van een mondiale agenda.
 Er bestaan aanzienlijke financieringsproblemen: de VS nemen weliswaar een aan-
    zienlijk deel van de OESO-budgetten voor hun rekening, maar betalen steevast te
    laat. Tegelijkertijd wensen de VS nauwelijks discussie over een wijziging van de con-
    tributiesystematiek. Ook andere staten – Duitsland en Italië bijvoorbeeld – volgen nu
    die lijn.
 Daaraan gerelateerd: vrijwillige bijdragen hebben zowel voor- als nadelen. Voordelen
    zijn dat deze ‘lucht’ verschaffen op het terrein van financiering en bij donoren leiden
    tot een grotere betrokkenheid bij en interesse in de uitkomsten. Nadelen zijn dat vrij-
    willige bijdragen kortetermijnbeleid in de hand werken, tot versnippering van de acti-
    viteiten leiden en verkeerde stimulansen geven aan degenen wier banen van vrijwilli-
    ge bijdragen afhangen.
 Het functioneren van de (deel)werkgroepen, (ad-hoc)taakgroepen, stuurgroepen en
    (vaste) commissies is tevens een zwakte van de organisatie. Veel werk- en taakgroe-
    pen functioneren op basis van vrijwillige bijdragen die veelal worden gealloceerd door
    één of twee leden die een bepaald onderwerp op de OESO-agenda wensen te heb-
    ben. Daarnaast is er sprake van een onvoldoende systematische evaluatie van de
    effectiviteit van de verschillende commissies en hun sub-organen. Tot slot bepalen
    de werkzaamheden in deze commissiestructuur in hoge mate de zeggenschap over
    het budget (circa 98%), hetgeen leidt tot een zekere inflexibiliteit in het bestedings-
    patroon van de gehele organisatie.
 De beleidsvorming binnen de OESO wordt gekenmerkt door een gebrek aan een
    samenhangend langetermijnperspectief.18 Zou dat perspectief helder(der) zijn, dan
    zou gemakkelijk(er) kunnen worden bepaald waar de meerwaarde van de organisatie
    ligt, welke onderwerpen prioriteit verdienen en welke onderwerpen van de OESO-
    agenda kunnen worden afgevoerd. Tevens kan dan de organisatiestructuur van het
    secretariaat (met zijn vele managementlagen) worden geoptimaliseerd en efficiënter
    worden ingericht.
In deze, niet volledige, opsomming van taken en sterktes en zwaktes van de OESO
wordt, gevoegd bij het debat over de uitbreiding, een aantal inherente spanningen in
het functioneren van de OESO zichtbaar. Zo ligt bij het beleidsvergelijkende wetenschap-
pelijke werk van de organisatie het accent op een technisch-wetenschappelijke benade-
ring en op solide statistische onderbouwing van de bevindingen, maar deze benadering
lijkt zich op het eerste oog niet goed te verdragen met een te grote (en eventueel sterk
toenemende) variatie in politieke systemen en visies tussen de leden. Tegelijkertijd is
18 Op deelterreinen bestaan wel meerjarige strategiedocumenten. Voorbeelden daarvan zijn: ‘Update of the
    “Vision for the Future”: A Global Approach to the Regulation of Agricultural Pesticides’, ENV/JM/PET(2006)16,
    9 oktober 2006, en ‘EPOC’s Strategic Vision’, ENV/EPOC(2005)14/FINAL, 28 februari 2006.
                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>het zo dat, hoe meer men verschilt, hoe belangrijker het wordt dat de verschillen tus-
sen de systemen worden geanalyseerd, met inbegrip van de beleidsconsequenties die
nationaal en internationaal uit de verschillen zouden kunnen of moeten voortvloeien.
Voor de onderzoeksfunctie van de OESO is het van belang dat gegevens over de natio-
nale economische en maatschappelijke structuren van de lidstaten toetsbaar zijn. Om
een goede analyse te kunnen maken is het weliswaar niet noodzakelijk dat deze over-
eenstemmen, maar ze mogen niet zo ver uiteenlopen dat er geen vergelijkende beleids-
conclusies meer kunnen worden getrokken. De OESO hanteert als basiscriterium de
likemindedness. Dit criterium impliceert het toepassen van het rechtsstaatsprincipe
(hoewel deze term noch de term democratie voorkomt in de OESO-Conventie) en het
hebben van een markteconomie, maar gaat ook verder. Het gaat ook om een werkwijze
waarbij beleidsaanpassingen op een vergelijkbare manier tot stand komen en waarbij
maatschappelijke organisaties als de vakbeweging en werkgeversorganisaties een rol
kunnen spelen.
De onderliggende vraag ten aanzien van de onderzoeksfunctie is al met al of de organi-
satie primair moet blijven bij de kernactiviteit van het verrichten van wetenschappelijk
onderbouwde studies, die doorgaans zeer gewaardeerd worden en die zij mede kan ver-
vaardigen doordat de lidstaten aan de OESO gegevens ter beschikking stellen waartoe
private onderzoeksinstituten niet of nauwelijks toegang hebben, of dat zij zich in toene-
mende mate (mede) moet richten op beleidsvoorbereidend en -begeleidend onderzoek
in het kader van de mondialisering.
De lidmaatschapscriteria van de OESO zijn recentelijk opnieuw verwoord door een werk-
groep onder leiding van de Japanse ambassadeur Seiichiro Noboru.19 Zijn rapport
spreekt, naast de al genoemde likemindedness, over significant player, mutual benefit en
global considerations.20 Dit rijtje staat sinds het uitkomen van het rapport te boek als
‘de Noboru-criteria’. Met likemindeness wordt gedoeld op het hanteren van het rechts-
staatsprincipe en het hebben van een open markteconomie.21 Met het criterium signifi-
cant player wordt onder meer bedoeld dat een land moet kunnen aantonen dat het de
capaciteit heeft in de voornaamste OESO-commissies bij te dragen tot leereffecten
binnen en beïnvloeding van gelijkgestemde staten. Een kandidaatlid dient derhalve rele-
vant te zijn voor de organisatie als geheel ten aanzien van een aantal van de belangrijk-
ste onderwerpen. Mutual benefit is een concept dat vereist dat de toetreding van welk
land dan ook tot de OESO niet alleen voordelig zal zijn voor het nieuwe lid, maar ook
voor de huidige leden. En het criterium global considerations, tot slot, betekent onder
meer dat de OESO in termen van importantie en mondiale relevantie baat dient te heb-
ben bij het betrekken van de politiek en economisch belangrijkste landen bij haar werk-
zaamheden. Sommigen zien dit echter eerder als een instrument om de mutual benefit
te bepalen dan als een op zichzelf staand criterium. Het moge verder duidelijk zijn dat
zich bij de praktische toepassing van deze criteria de nodige dilemma’s voordoen. Zo
kan worden gesteld dat staten die de likemindedness van de OESO
19 Zie ‘A Strategy for Enlargement and Outreach, report of the Chair of the Heads of Delegation Working Group
    on the Enlargement Strategy and Outreach’, Ambassador Seiichiro Noboru, 13 mei 2004, pp. 15-19.
20 Ibid., pp. 14-16.
21 Ambassador Seiichiro Noboru spreekt in zijn rapport over ‘democratie’. De AIV geeft de voorkeur aan de
    bredere term ‘rechtsstaat’.
                                                     15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>zouden kunnen versterken, lang niet altijd kunnen worden aangemerkt als significant
players, terwijl een aantal van de opkomende economieën een dominante rol speelt in
het mondialiseringsproces, en als zodanig relevant en interessant is voor de OESO,
maar op het eerste gezicht juist weinig likeminded is.
De inherente spanningen tussen de uiteenlopende invalshoeken zijn evident. Immers,
indien de lidstaten en de SG van de OESO de wens hebben zich sterker te bemoeien
met de ‘begeleiding’ van de mondialisering van de economie en ook de noodzaak
voelen via incorporatie van de grote opkomende economieën in mondiaal-economische
zin relevant te blijven, zal uitbreiding met een aantal niet zonder meer likeminded staten
niet kunnen uitblijven.22 Een dergelijke keuze voor uitbreiding zal echter betekenen dat
de OESO in sterkere mate een politiek karakter krijgt, mede doordat het vermogen om
te functioneren als pre-negotiating forum afhangt van de beschikbaarheid van weten-
schappelijke analyses en van de mogelijkheid soft law zo te formuleren, dat die in ver-
schillende institutionele omstandigheden van toepassing kan zijn. Zolang echter de
inhoudelijke gerichtheid van de organisatie niet helder is, met inbegrip van de vraag of
de organisatie de rol van ‘medemanager van de mondialisering’ wel moet willen, is het
lastig te bepalen hoe ver en in welke richting een eventuele uitbreiding zou moeten
gaan.
Als vermeld in hoofdstuk I, wordt op het ogenblik bezien of een zestiental staten, met
een grote variëteit van politieke achtergronden, in de toekomst lid zou kunnen worden.
Op deze lijst staan acht staten – Bulgarije, Cyprus, Estland, Letland, Litouwen, Malta,
Roemenië en Slovenië – die in de periode 2004-2007 tot de EU zijn toegetreden. Met
hun toelating tot de OESO – waarvan de AIV voorstander is (zie verderop in dit advies) –
zal het aantal EU-landen binnen de OESO nog aanzienlijk toenemen, wat naar verwach-
ting weer tot een reactie zal leiden van sommige niet-Europese OESO-leden, zoals
Australië en Japan. Deze landen neigen er nu al toe een dergelijke ontwikkeling te
compenseren door te eisen dat dan ook landen uit andere regio’s toetreden.
22 Zie onder meer het rapport van ambassadeur J. Julin, ‘Future Direction of the OECD: Report on OECD’s
    Role in Global Architecture’, 24 maart 2003.
                                                   16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>III       De toekomst van de OESO: een antwoord op de
          zes vragen
In het voorafgaande hoofdstuk is gewezen op punten die van grote invloed (kunnen) zijn
op de huidige OESO-werkzaamheden en op de eventuele verdere ambities van de orga-
nisatie. Deze punten zijn tot nu toe in dit advies betrekkelijk neutraal gepresenteerd,
maar nopen uiteindelijk tot fundamentele keuzes. De opvattingen en adviezen van de
AIV ter zake zijn verwerkt in de navolgende beantwoording van de vragen die de rege-
ring aan de AIV heeft voorgelegd.
Vraag 1: Met welke landen, in welk tempo, in welke vorm en eventueel onder welke voor-
waarden moet de OESO zich uitbreiden?
Het is naar de opvatting van de AIV duidelijk dat de OESO zonder incorporatie van de
opkomende economieën gaandeweg minder relevant zal worden. In dat opzicht is het
van belang dat de huidige OESO-lidstaten slechts 60% van het wereld-BNP vertegen-
woordigen en dat dit percentage snel daalt. Om het gezag van de organisatie als
geheel en de interesse van vooral de grote OESO-lidstaten te behouden, is uitbreiding
van de samenwerking met de opkomende economieën in enigerlei vorm essentieel. De
uitdaging voor de OESO is erin gelegen de opkomende significant players in te schake-
len, niet alleen op basis van een à la carte-benadering door deze laatste, maar juist ook
bij de inhoudelijke analyse en aanpak van een reeks van onderwerpen van mondiaal
belang. Daardoor krijgen ook de eerder genoemde criteria van mutual benefit en global
considerations nadere inhoud.
Bij de uitbreiding van de samenwerking kunnen zowel formele toetreding als associatie
– ‘enhanced engagement’, in de OESO-terminologie – aan de orde zijn, maar zij dienen
niet te worden verward. Zo is het naar de opvatting van de AIV gevaarlijk, zoals de VS
lijken te doen, ongeremd te streven naar informele vormen van samenwerking à la
carte. Daarmee wordt de harde kern van de organisatie uitgehold, zeker indien dat om
nationale budgettaire redenen gepaard gaat met een inkrimping van de reguliere begro-
ting ten gunste van ad-hocbijdragen. Om die reden zou naar de opvatting van de AIV
aan de eerder verwoorde vier ‘Noboru-criteria’ voor uitbreiding, een vijfde moeten wor-
den toegevoegd: aanvaarding (en naleving) van het OESO-acquis.
In verband met dit acquis heeft de AIV kennisgenomen van de notitie van het directoraat-
generaal voor juridische zaken van de OESO, als annex toegevoegd aan het Noboru-rap-
port, waarin wordt aangegeven welke OESO-besluiten, -conventies, -aanbevelingen,
 -verklaringen et cetera daartoe zouden moeten behoren. Dat document bevat echter een
reeks van OESO-instrumenten waarvan het naar de opvatting van de AIV de vraag is of zij
tot het acquis moeten worden gerekend, zeker indien ze daarmee zouden gaan gelden als
drempel voor het lidmaatschap. De AIV denkt hierbij bijvoorbeeld aan het besluit van de
Raad met betrekking tot het internationale toerismebeleid en het besluit met betrekking
tot de internationale standaard voor fruit en groente. De AIV pleit ervoor de selectie terug
te brengen tot een beperkt aantal documenten die tezamen een beeld oproepen van dat-
gene waarvoor de OESO in de kern wil staan. De AIV denkt aan de oprichtings-Conventie,
interne procedureregels, financiële besluiten en de belangrijkste conventies, besluiten,
richtlijnen, aanbevelingen, codes en verklaringen op het terrein van klimaatverandering,
                                             17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>maatschappelijk verantwoord ondernemen,23 ontwikkelingssamenwerking (waaronder
acceptatie van de ODA-doelen), liberalisatie van het kapitaalverkeer, belastingen, anti-
corruptie en hervorming van de overheidsfinanciën. Daarnaast kan dan nog steeds een
langere lijst van documenten worden gehanteerd, maar deze zouden naar de opvatting
van de AIV geen deel moeten uitmaken van het acquis als toelatingscriterium. Wel is
het essentieel dat kandidaatleden bereid en (binnen afzienbare termijn) in staat zijn
ook voor die terreinen de statistische gegevens te leveren die voor beleidsvergelijkend
onderzoek op hoofdpunten nodig zijn.
De AIV geeft ten aanzien van de invulling van het acquis zowel een hoofdcriterium, als
enkele voorbeelden ter illustratie, zonder verder uitputtend te kunnen zijn. Waar het om
gaat is dat staten niet alleen in redelijke mate aan de Noburu-criteria moeten voldoen,
maar ook de verplichtingen voortvloeiend uit het acquis moeten aanvaarden (en deze
dus naleven of een proces willen doen aanvangen om deze na te leven) om als volwaar-
dig lid te kunnen worden toegelaten. Een dergelijk toegevoegd criterium is temeer van
belang, omdat een organisatie die vrijwel alleen zou bestaan uit arrangementen à la
carte haar samenhang (en daarmee legitimiteit) verliest. Voor staten die niet aan deze
eisen kunnen of willen voldoen, is de keuze van de associatie (enhanced engagement)
de meest aangewezene.24 In die gevallen kan desgewenst met wederzijds goedvinden
een overgangstermijn worden vastgesteld waarbinnen stapsgewijs wordt toegewerkt
naar een volledig lidmaatschap.
In concreto betekent het voorgaande naar de opvatting van de AIV dat op zo kort moge-
lijke termijn moet worden bepaald welke landen op die voorwaarden zelf wensen toe te
treden en welke landen naar het oordeel van de OESO voor lidmaatschap in aanmerking
komen. Nu is het nog steeds onduidelijk of belangrijke landen als China, India en Indo-
nesië eigenlijk wel prijs stellen op volwaardig lidmaatschap dan wel substantiële uitbrei-
ding van de samenwerking en dat maakt dat de OESO in een weinig sterke positie
verkeert tegenover deze landen.25 Wanneer de keuzes helder zijn, kan – bijvoorbeeld
uitgesmeerd over tien jaar – worden gestreefd naar zowel de toetreding van landen die
dat willen en die aan de criteria voldoen, als naar associatieregelingen met landen die
geen lid willen of mogen worden, maar die om andere redenen voor de OESO van
belang zijn of met de OESO willen samenwerken. Het eerste zou kunnen gelden voor
landen als Brazilië, Zuid-Afrika, Chili, Israël26 en de acht eerder genoemde EU-lidstaten,
het tweede voor bijvoorbeeld China, India en Rusland.
Voor de laatste groep geldt dat deze landen dusdanig grote problemen hebben op het
terrein van de rechtsstaat en/of op economisch vlak, dat naar de opvatting van de AIV
een lidmaatschap vooralsnog niet voor de hand ligt. De lijn die ten aanzien van landen
als China, India en Rusland zou moeten worden gevolgd hangt derhalve nauw samen
23 Denk aan de OESO Guidelines for Multinational Enterprises en de daarin geïncorporeerde ‘mensenrechten-
    conventies’ van de Internationale Arbeidsorganisatie. Doc. C(2000)96/Final, Add. 1.
24 Overigens werkte de OESO anno 2005 al samen met ongeveer zeventig niet-OESO-landen
    (bron: OESO-website).
25 Van Chili, de EU-landen, Rusland en Zuid-Afrika is bekend dat zij wensen toe te treden. Van Brazilië, China,
    India, Indonesië en Israël is dat formeel (nog) niet bekend.
26 Blijkens OESO-informatie van begin februari 2007 zouden Chili en Israël klaar zijn voor toetreding.
                                                         18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>met de politieke en economische ontwikkelingen aldaar. Mochten deze, bezien vanuit
het perspectief van de Noboru-criteria en het daaraan door de AIV toegevoegde vijfde
criterium, anders verlopen dan gewenst, dan kan dat ertoe leiden dat deze niet vanzelf-
sprekend in aanmerking komen voor volledig lidmaatschap – zo zij dit zelf al wensen –
en dat moet worden teruggegrepen op het instrument van een goed uitgewerkte associa-
tieregeling.
Het instrument van de associatieregeling is ook geschikt voor landen die geen lid van de
OESO willen worden, maar wel willen profiteren van de onderzoekswerkzaamheden van
de OESO en van de omgang met de OESO-leden in een ‘niet-agressieve omgeving’.27 De
relatie met deze landen kan worden verdiept door het sluiten van toegesneden overeen-
komsten, waarin financiële afspraken zijn opgenomen – bijvoorbeeld voor de betaling van
lopende onderzoeken –, en waarin wordt beschreven wat het toekomstige werkprogram-
ma en de activiteiten in verschillende commissies en fora zullen zijn en aan welke ver-
plichtingen tot levering van statistische gegevens moet worden voldaan. Het sluiten van
dergelijke overeenkomsten kan worden beschouwd als een eerste stap in de richting
van een langetermijnperspectief naar acceptatie van het acquis en openstelling van het
lidmaatschap.
De positie van de landen die wel lid zijn van de EU maar niet van de OESO, is een bij-
zondere. Deze landen scoren hoog op het element likemindedness, maar soms laag op
elementen als significant player en mutual benefit. De AIV is bekend met het besluit van
het Comité van PV’s in Brussel dat ook alle nieuwe EU-landen lid moeten worden van
de OESO. De AIV is het met de toekomstige toetreding van deze EU-landen ten principa-
le eens. Tegelijkertijd bestaat er bij de AIV enige aarzeling over de opportuniteit en con-
sequenties van een gelijktijdige toetreding van de desbetreffende landen. De AIV
bepleit te bezien of het mogelijk is bij de toetreding van de nieuwe EU-lidstaten tot de
OESO af te spreken dat de EU namens haar lidstaten optreedt in die gevallen waarin
het niet meer gaat om de beoordeling van economische en sociale prestaties van
afzonderlijke lidstaten, maar om het nastreven van doelen die de belangen van die sta-
ten overstijgen.28 In dat verband verwijst de AIV naar de voorbeelden waarbij de EU –
op verdragsrechtelijke grondslag – ‘met één mond spreekt’. Denk aan het multilaterale
handelsoverleg (WTO) – waarbij de Europese Commissie onderhandelingsbevoegd heeft
gekoppeld aan de onmogelijkheid van veto door lidstaten – en het definiëren van multi-
laterale spelregels op het gebied van investeringen, corruptiebestrijding en belasting-
ontduiking.29 Hoewel de AIV zich bewust is van het feit dat bestaande EU-leden niet
graag bereid zullen zijn om hun individuele rechten op te geven, beveelt de AIV toch aan
deze modaliteit te bezien op haalbaarheid, voordat definitief wordt overgegaan tot toela-
ting van de nieuwe EU-lidstaten.30
27 Als voorbeeld kan de onlangs uitgevoerde ‘peer review’ ten aanzien van China op het terrein van het milieu-
    beleid dienst doen.
28 De EU/Europese Commissie is geen lid van de OESO, maar ‘participeert in de werkzaamheden’.
29 Op het terrein van de 1e Pijler is de Europese Commissie competent. Op andere terreinen treedt het voor-
    zitterschap soms op namens de EU (bijvoorbeeld in de FAO).
30 Volgens hetzelfde document zijn niet alle EU-landen al klaar voor het OESO-lidmaatschap. Estland en Slovenië
    zouden echter klaar zijn voor toetreding op korte termijn.
                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Door het hanteren van de unanimiteitsregel is het buitengewoon lastig gebleken hervor-
mingen in de structuur en het functioneren van de OESO te bereiken. Omdat iedere lid-
staat, groot of klein, sociaal-economisch sterk of zwak, in staat is op alle belangrijke
momenten besluitvorming te blokkeren, is de slagkracht van de organisatie gering. Dat
heeft ertoe bijgedragen dat binnen de OESO discussie is ontstaan over de vraag of in
de toekomst niet een variatie in het lidmaatschap mogelijk moet zijn. In dat verband is
wel gesproken over een ‘twee-pijlerstructuur’, een ‘two-tier-system’, een ‘double hub’,
een ‘duaal systeem’ of een ‘meersporenbeleid’. Een dergelijke structuur zou het mak-
kelijker mogelijk maken om de OESO in de toekomst zowel een beleidsvergelijkende
onderzoekstaak als een beleidsvoorbereidende taak ten aanzien van mondiale vraag-
stukken te laten vervullen. In de ene ‘pijler’ – een term die de AIV hier voor het gemak
aanhoudt, maar waaraan hij, anders dan aan de onderliggende gedachte van het ‘scha-
ken op twee borden’, niet is gehecht – zou de denktank- en onderzoeksfunctie ten
behoeve van nationale beleidsvergelijking kunnen worden ondergebracht, terwijl de
andere ‘pijler’ de internationale ‘beleidsvoorbereidende functie’ zou kunnen omvatten.
Voor beide ‘pijlers’ zouden niet alleen verschillende besluitvormingsmechanismen kunnen
gelden, maar ook verschillende soorten lidmaatschappen. Voor landen die interesse heb-
ben in een volwaardig lidmaatschap moet dan worden bezien of zij aan de toelatings-
criteria voldoen, waarna zij volwaardig lid van de OESO kunnen worden en desgewenst
separaat – en wat betreft de EU-lidstaten eventueel groepsgewijs, (zie hiervoor) – kun-
nen meedoen aan activiteiten in het kader van de ordening van de mondialisering. Andere
landen daarentegen zouden alleen in de laatste ‘pijler’ volwaardig kunnen meedoen en
daarnaast kunnen functioneren als betalende afnemers van producten uit de ‘onder-
zoekspijler’.
De voorstanders van een beleidsvoorbereidende rol voor de OESO zien grote voordelen
in het opdelen van de activiteiten in twee ‘pijlers’, ‘tiers’ of ‘sporen’. De tegenstanders
zien daarin echter een formalisering van de al eerder genoemde en bekritiseerde à la
carte-benadering, die in de toekomst zou kunnen leiden tot twee separate organisaties.
Binnen Nederland is de laatste jaren op interdepartementaal niveau met enige regel-
maat gesproken over de toekomst van de OESO, met inbegrip van een eventuele ‘twee-
pijlerstructuur’. De ambtelijke voorstellen daartoe zijn voorgelegd aan de regering, maar
de gedachtevorming daaromtrent heeft tot op heden niet geleid tot beleidsconclusies.
Anno 2007 is het naar het oordeel van de AIV echter van belang dat opnieuw serieus
wordt gekeken naar de voor- en nadelen van een dergelijke structuur.
Ten aanzien van het lidmaatschap, tot slot, zou de AIV nog een enkele opmerking willen
wijden aan een van de kernleden van het eerste uur, de VS. Dit land is de grootste lid-
staat en financier van de OESO. Hoewel niet altijd even duidelijk is welke positie de VS
in het uitbreidingsdebat innemen, lijkt het evident dat uitbreiding van het lidmaatschap
met een aantal grote opkomende economieën van belang is om de interesse van de VS
in de OESO vast te houden. Een indicatie daarvan is de veranderende prioriteitsstelling
van de OESO. Het reguliere budget is onvoldoende om alle werkzaamheden goed te
kunnen vervullen en lidstaten – de VS voorop – geven er steeds meer de voorkeur aan
alleen te betalen voor zaken die zij nuttig achten. Daarmee dragen ook zij bij aan de
budgettaire problemen van de OESO. Deze dienen naar het oordeel van de AIV zorgvuldig
in kaart te worden gebracht. Doel van een dergelijke operatie zou moeten zijn de omvang
van vrijwillige financiering terug te dringen, onder erkenning van het feit dat deze ook posi-
tieve effecten heeft (zie hoofdstuk II), en het reguliere budget te vergroten.31 Dit is ook
31 Een groot deel van het reguliere budget wordt inmiddels besteed aan salarissen en pensioenen. Omdat deze
    laatste steeds stijgen terwijl het budget niet meegroeit, wordt de OESO steeds afhankelijker van vrijwillige bij-
    dragen.
                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>van belang om de greep van de leiding van de organisatie op de richting van de OESO
te verbeteren. Daarnaast dient te worden overwogen leden en geassocieerde leden
meer te laten betalen naarmate zij van meer diensten gebruik maken.
Vraag 2: Hoe ziet de AIV, mede in het licht van vraag 1, de positie van de OESO in de
internationale institutionele architectuur, met name in relatie tot de EU, Wereldbank, IMF,
WTO, G-8?
Uit verschillende studies, zowel van de OESO zelf als van andere organisaties en onaf-
hankelijke deskundigen, is gebleken dat er weinig bewijs is van overlapping of duplica-
tie van werkzaamheden tussen de OESO en andere internationale organisaties.32 Deels
wordt dat probleem voorkomen door deelname van veel van deze organisaties (door-
gaans als waarnemer) aan de OESO-activiteiten. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om VN-
instellingen, de Wereldbank, het IMF en de Europese Commissie. Daarnaast vindt regel-
matig op hoog niveau formeel en informeel overleg plaats en blijken de deelnemers aan
OESO-bijeenkomsten en -overleggen dezelfde personen te zijn als degenen die betrokken
zijn bij de beleidsontwikkeling binnen de andere genoemde organisaties. Geconstateerd
kan worden dat de praktische samenwerking tussen onder meer de Wereldbank, het
IMF en de OESO over de hele linie goed verloopt. Bovendien is er, mede vanwege het
feit dat de OESO vooral op macro-economische en structurele onderwerpen actief is en
beschikt over ruime ervaring met het beleid van de lidstaten en over een uitgebreid net-
werk van beleidsambtenaren, eerder sprake van complementariteit dan van competitie.
De complementariteit met het IMF is vooral een gevolg van het feit dat in de OESO de
contacten tussen de staten relatief informeel zijn en (veelal) niet leiden tot harde uit-
komsten, terwijl het IMF steeds formele beslissingen neemt, vaak met financiële con-
sequenties. De complementariteit met de Wereldbank is zo mogelijk nog duidelijker. Het
Development Assistance Committee (DAC) van de OESO is effectief op ministersniveau,
terwijl donorlanden daarin de dienst uitmaken. Daarentegen heeft de Wereldbank zelf
ruime financiële middelen, ervaring met grootschalige assistentie en goede netwerken
in ontwikkelingslanden.
De door sommigen gesuggereerde gedachte dat de OESO zou kunnen functioneren als
‘secretariaat van de G-8’ is naar de opvatting van de AIV weinig reëel, zolang de OESO
qua samenstelling en functioneren niet is toegesneden op mondiale financieel economi-
sche ontwikkelingen en er daarnaast niet de minste aanwijzing bestaat dat de acht
grote landen die functie uit handen zouden willen geven. Wel kan de OESO vanuit haar
kerntaak (beleidsvergelijkend onderzoek) diensten verrichten voor de G-8 en andere
fora, ter onderbouwing van de vraagstukken waarmee deze in beleidsmatige zin worste-
len. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om onderwerpen als belastingproblematiek (en daar-
mee ook corruptie), wetenschap en technologie, economisch structuurbeleid, milieu,
migratievragen, energiezekerheid en het aanleveren van statistieken. En uit die dienst-
verlening zou, bij gelijktijdige groei van de OESO in meer mondiale richting – zowel in de
vorm van uitbreiding van lidmaatschap als van geformaliseerde associatieakkoorden –
op termijn kunnen voortvloeien dat de organisatie wel kan worden gezien als een kandi-
daat voor vervulling van het secretariaat voor de G-8.
Verder is de OESO naar het oordeel van de AIV nu reeds zeer geschikt voor mondiale
coördinatie op het terrein van ontwikkelingssamenwerking, via het eerder genoemde
DAC. Daarin zijn in de loop van de jaren goede resultaten bereikt, met name op het
32 Zie onder meer het rapport van consultant Peter Nicholson, ‘Maximising the impact of the OECD’,
    15 januari 2003, p. 27.
                                                    21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>vlak van de normstelling en kwaliteitsbewaking van de officiële ontwikkelingshulp.33 De
laatste jaren is het DAC ook nieuwe politieke wegen ingeslagen, waaronder het afspre-
ken van een beleidskader voor de bejegening van fragiele staten, het opzetten van een
wederkerige evaluatie (mutual review) van het ontwikkelingsbeleid van Afrikaanse en
OESO-landen34 en het opstellen van een nieuw memorandum over de relatie tussen het
ontwikkelingssamenwerkings- en mensenrechtenbeleid.35 Bij verdere uitbreiding van
het ledental van de OESO zal er ook druk ontstaan op het DAC om deze landen op te
nemen. In dat geval moet het DAC zich naar de opvatting van de AIV beraden op de
vraag of het een donorgezelschap wil blijven dan wel ook andere vormen van samenwer-
king wil aanvaarden. Hoe de uitkomst daarvan ook zal zijn, in ieder geval moeten landen
die uit een oogpunt van macro-economische coördinatie niet, maar vanuit ontwikkelings-
samenwerkingsoogpunt wel van belang zijn, lid kunnen zijn of blijven van het DAC.
Daarnaast kan de OESO denken aan een grotere rol op het gebied van de mondiale
handel. Onderhandelingen daarover vinden bilateraal plaats, maar vooral ook in het
kader van de WTO. Het ondersteunend apparaat van de WTO is echter te klein om zelf
alle studie- en beleidsvoorbereiding te kunnen verrichten. De uitdaging zou er voor de
OESO in zijn gelegen haar analyses meer mondiaal te maken. Zij wordt immers,
ondanks het feit dat algemeen wordt erkend dat haar werk op handelsgebied van zeer
hoog niveau is, vaak nog geïdentificeerd met de rijke landen; dit in tegenstelling tot bij-
voorbeeld de studies van de UNCTAD en de Internationale Arbeidsorganisatie, die
wereldomvattend zijn. Om dat mogelijk te maken is het echter wel noodzakelijk de grote
opkomende economieën intensiever te betrekken bij de werkzaamheden van de OESO.
Anderzijds mag dan ook van die landen worden verwacht dat zij eventuele uitkomsten
van onderzoeken en studies (gaan) accepteren. Om een dergelijke benaderingswijze
mogelijk te maken is het naar de opvatting van de AIV mogelijk constructies voor over-
leg met deze landen te ontwerpen die nauw aansluiten bij de kernkwaliteiten van de
OESO en die niet noodzakelijkerwijs leiden tot formele uitbreiding van het lidmaatschap.
Vraag 3: Welke zouden, vanuit internationaal perspectief en het belang dat Nederland
aan internationale samenwerking hecht, de prioritaire werkterreinen en onderwerpen zijn
die zich bij voorrang lenen voor behandeling door de (uitgebreide) OESO?
Vraag 5: Welke is volgens de AIV de specifieke toegevoegde waarde van de OESO voor het
in Nederland te voeren beleid en welke zouden in dat licht de onderwerpen zijn waar de
OESO zich bij voorkeur op zou moeten richten?
Deze vragen liggen in elkaars verlengde en worden hier om die reden tezamen genomen.
Het zou de AIV niet moeilijk vallen om, als het ware ‘uit de losse pols’, enkele OESO-
onderwerpen te noemen die voor Nederland, mede gezien zijn multilaterale aspiraties,
van groot belang zijn. Te denken valt aan financiële onderwerpen, milieukwesties,
33 Zo hebben de betrokken ministers zich in 2005 gecommitteerd aan de ‘Paris Decleration on Aid Effective-
    ness’, DCD/DAC/EFF(2005)1/REV3, 11 maart 2005.
34 Zie ‘Development Effectiveness in Africa. Promise and Performace: Applying mutual accountability, a joint
    report by the ECA and the OECD at the request of the NEPAD Heads of State and Government
    Implementation Committee’, Addis Abeba/Paris, oktober 2005.
35 ‘OECD-Action-Oriented Policy Paper on Human Rights and Development’, te verschijnen in 2007.
                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>kwaliteit van volksgezondheid, ontwikkelingssamenwerking, maatschappelijk verant-
woord ondernemen, grenzen aan de marktwerking, et cetera. Daarover gefundeerde uit-
spraken te moeten doen, zou echter betekenen dat de AIV grondige studie zou moeten
maken van de werkzaamheden van alle functionele (deel)werkgroepen, ad-hoc(taakgroe-
pen), stuurgroepen en (vaste) commissies. Deze bevindingen zouden vervolgens
moeten worden gecorreleerd aan bestaand en toekomstig Nederlands beleid rond het
brede spectrum aan onderwerpen waarmee de OESO zich bezighoudt, om tot slot te
kunnen bepalen waar sprake is van overlapping en behoefte aan innovatie. De AIV heeft
gemeend dat een dergelijke studie niet tot zijn mogelijkheden behoort en wellicht zelfs
in het geheel niet doenlijk is.
Verder hebben woorden als ‘prioritaire werkterreinen’, ‘voorrang’ en ‘bij voorkeur’ uiter-
aard ook een keerzijde. Zodra de prioriteiten bekend zijn, valt ook eenvoudiger te bepa-
len wat er moet afvallen. Om te kunnen bepalen om welke zaken dat, vanuit een Neder-
lands perspectief en belang zoals eerder verwoord, zou moeten gaan is evenwel een
exercitie nodig die even complex en ondoenlijk is als de prioriteitsstellingsoperatie.36
De AIV beseft dat de consequentie van deze keuze mogelijk teleurstellend is, maar ziet
geen alternatief. Daarbij komt dat de AIV de mening is toegedaan dat vertegenwoordi-
gers van de verschillende betrokken ministeries zelf in voldoende mate in staat zijn te
bepalen welke zaken voor het Nederlandse beleid het meest van belang zijn. Het onder-
havige advies kan er bovendien toe bijdragen dat de verschillende ministeries zich nog
eens ten principale afvragen wat de actuele betekenis van de OESO voor hun werkterrein
is, en bij welke thema’s zij in de toekomst meer aan de OESO zouden kunnen hebben
dan thans het geval is. Dergelijke aangescherpte periodieke evaluaties van werkzaam-
heden kunnen ertoe bijdragen dat er een permanent kritische houding blijft bestaan
tegenover de (deelactiviteiten van de) commissies, werkgroepen, et cetera. Deze
methodiek zou verder kunnen worden versterkt door de levensduur van commissies en
werkgroepen binnen OESO-verband te koppelen aan een bepaalde periode (‘sunset
clauses’). In een dergelijk systeem kan bijvoorbeeld iedere vier of vijf jaar serieus wor-
den bezien of de desbetreffende activiteiten nog passen bij de prioriteiten van de OESO
en kan vervolgens serieuze besluitvorming over voortbestaan of opheffing plaatsvinden.
Verder heeft de AIV zich nog de vraag gesteld of, gelet op het grote aantal beleidsma-
kers, er mogelijk sprake is van coördinatieproblemen binnen de OESO. Op basis van zijn
gesprekken in Parijs en Den Haag kan de AIV zich niet aan de indruk onttrekken dat de
coördinatie in en tussen de verschillende lidstaten nogal eens te wensen overlaat, met
alle gevolgen van dien voor de OESO. In ieder geval is een sterk ‘eigenaarschap’ van de
OESO van belang. Ook voor Nederland is hier nog winst te boeken, vooral op het terrein
van prioritering van onderwerpen met het oog op de agendabepaling in Parijs. Dat kan
inhoudelijk door de OESO hoger op de nationale agenda te plaatsen, met name wat
betreft de interdepartementale en ministeriële beleidsvoorbereiding – dit alles onder de
gebruikelijke coördinatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken – en de contacten
met het bedrijfsleven en de NGO-wereld, maar ook door gerichte inspanningen om meer
gekwalificeerde Nederlanders op relevante functies binnen het OESO-apparaat te krij-
gen. De recente benoeming van oud-minister De Geus kan daarbij als voorbeeld dienen.
Naar het oordeel van de AIV kan daarbij de coördinatie op commissieniveau heel goed
plaatsvinden door de vakdeskundigen. Wel moet daarbij een sturende rol zijn weggelegd
voor de meest betrokken ministers en hoge ambtenaren.
36 De OESO zelf hanteert ‘Program Implementation Reviews’ en ‘Medium Term Orientations’ om periodiek te
    bezien of de prioriteiten nog juist zijn. Deze mechanismen zijn echter nog weinig sturend.
                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Los van de vraag naar de directe Nederlandse OESO-belangen, is de AIV er verder voor-
al van overtuigd dat het goed is de notie van het eigenbelang enerzijds niet uit het oog
te verliezen, maar anderzijds vooral ook te overstijgen. Die benadering klinkt ook door
in vraag 3 (‘het belang dat Nederland aan internationale samenwerking hecht’). Naar de
opvatting van de AIV is het een groot goed dat de OESO bestaat, zowel wat betreft haar
onderzoekspoot als wat betreft haar mondiale functies en aspiraties, ook als niet in
alle gevallen onmiddellijk duidelijk is in welke mate deze activiteiten de Nederlandse
belangen dienen. Dit zou, in de visie van de AIV, in de toekomst ook op nationaal
niveau beter onder de aandacht moeten worden gebracht (zie ook later).
Vraag 4: Hoe beoordeelt de AIV het belang (zowel internationaal als voor Nederland) van
het behoud van de voor OESO kenmerkende werkmethoden (soft law, benchmarking, peer
review, peer pressure)?
De AIV is in algemene zin zeer te spreken over het instrumentarium dat de OESO in de
ruim 45 jaar van haar bestaan heeft ontwikkeld. Het zijn, kort gezegd, methoden waar-
bij niet wordt gedreigd met sancties, maar veeleer wordt gewerkt met begrippen als vrij-
willige nakoming van de gemaakte afspraken, samenwerking, overtuiging, het aanreiken
van alternatieve gezichtspunten en het systematisch vergelijken van sterktes en zwak-
tes, veelal resulterend in overzichten van best practices. Dat alles wordt gedaan in de
hoop en veronderstelling dat de lidstaten bereid zijn conclusies te verbinden aan de
spiegel die hen wordt voorgehouden, juist ook op het moment dat dit spiegelbeeld min-
der fraai uitvalt dan zij mochten wensen.
Een belangrijke kracht van de OESO is verder dat haar ‘producten’ worden goedgekeurd
door de beleidsmakers en -uitvoerders van de lidstaten, en dat de organisatie, als
gezegd, haar kwalitatief hoogstaande rapporten mede kan vervaardigen omdat de lid-
staten gegevens ter beschikking stellen waartoe particuliere onderzoeksinstituten niet
of nauwelijks toegang hebben. Bij de kwaliteit van de rapporten kan wel nog worden
aangetekend dat de dataverzameling door de OESO weliswaar op een zeer hoog peil
staat, maar nog verder kan worden verbeterd door uniforme financiële en andere data-
registratie en door de toepassing van modernere informatietechnieken.
Eerder heeft de AIV opgemerkt dat binnen de OESO, vooral met het oog op (eventuele)
toetreding van nieuwe landen, de noodzaak bestaat naar de besluitvormingsstructuur
en beleidsprioriteiten te kijken. De oproep van de AIV om een vijfde criterium toe te voe-
gen aan de toelatingseisen (namelijk ‘aanvaarding en (toegroeien naar) naleving van het
acquis’) past in dit kader, maar zou zich naar de opvatting van de AIV niet moeten
beperken tot de nieuwe lidstaten. Ook van de zittende lidstaten mag worden gevraagd
dat zij zich houden aan het acquis. En ook voor hen geldt dat via een striktere toepas-
sing van de klassieke methodes van peer reviews, peer pressure en best practices de
naleving van gemaakte afspraken verder kan worden bevorderd. Daartoe moet naar de
opvatting van de AIV ook het gezag van de Secretaris-Generaal over de interne organi-
satie en in relatie tot de Raad worden versterkt.
Vraag 6: Welke veranderingen moet de OESO als organisatie ondergaan om na uitbreiding
en inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren?
Welke keuze voor uitbreiding de OESO-lidstaten ook maken en welke grotere rol de orga-
nisatie eventueel ook krijgt, c.q. zich toe-eigent, als mondiale actor, het staat voor de
AIV vast dat de OESO haar organisatie hoe dan ook moet aanpassen om de noodzaak
van prioriteitstelling ten aanzien van de grote vraagstukken door de Raad beter tot haar
                                              24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>recht te laten komen. Ongeacht de uitkomst van die discussies moet het huidige
besluitvormingsproces verder worden aangepast, teneinde de slagvaardigheid te vergro-
ten. Het stelsel van gekwalificeerde meerderheid dat sinds kort een zekere rol speelt
(zie hoofdstuk I), moet worden uitgebreid, ook bij een deel van de echt belangrijke
beslissingen.
Van een dergelijke besluitvormingswijze zijn verschillende varianten mogelijk. Gedacht
kan worden aan de invoering van een ‘supermajority rule’ (bijvoorbeeld 80% van de
stemmen). Lidstaten zouden de besluitvorming alleen mogen blokkeren, indien zij aan-
nemelijk kunnen maken dat hun vitale nationale belangen door het meerderheidsbesluit
worden aangetast. Een andere variant is over te gaan tot consensusbesluitvorming voor
een afgebakende lijst van belangrijke onderwerpen en (gekwalificeerde) meerderheids-
besluitvorming voor alle andere onderwerpen. Ook zou de praktijk van consensus
kunnen worden vervangen door een informeel te constateren consensus minus-one
(or two)-formule. De AIV heeft geen voorkeur voor één van deze varianten. Het is naar
zijn oordeel echter van het grootste belang, wil de OESO in de toekomst kunnen blijven
functioneren, dat de consensusregeling tegen het licht wordt gehouden en dat per
beleidsthema kritisch wordt bezien waar deze blokkerend werkt en waar deze als een
pluspunt kan worden aangemerkt (zie de sterkte-zwakte-analyse).
Bij de beantwoording van vraag 5 werd al gesproken over de gewenste versterking van
de rol van de SG van de OESO. Een sterk secretariaat staat of valt met de statuur van
de persoon van de SG. Het is naar het oordeel van de AIV van belang dat een SG zelf
gezag verwerft, door het stellen van goede prioriteiten en het entameren van levens-
vatbare plannen. Om dat te bereiken zijn niet zozeer veranderingen in formele bevoegd-
heden nodig, als wel persoonlijke kwaliteiten waarmee dat gezag op inhoudelijke
gronden wordt afgedwongen.
Een sterker management zou ook goed zijn voor de gemengde overlegstructuren en
andere vormen van samenwerking tussen overheden en private sector – bedrijfsleven
en NGO’s –, met als één van de belangrijkste doelstellingen de ontwikkeling van soft
law in de context van economische mondialisering. Zonder onmiddellijk te belanden in
de sfeer van verplichtende vormen van toezicht, is op dat vlak naar de opvatting van de
AIV via de klassieke OESO-methoden van peer review, peer pressure en best practices
nog een wereld te winnen. Dat laatste geldt naar het inzicht van de AIV ook voor ver-
sterking van de externe relaties en communicatie en het beter uitdragen van succes-
sen, door middel van wetenschappelijke seminars, brede publieksgerichte voorlichtings-
bijeenkomsten en onderwijs.
Ter afronding: de OESO van de toekomst
Uitgaande van de principes waarop het lidmaatschap van de OESO thans stoelt kan een
uitbreiding van activiteiten op het mondiale vlak gevolgen hebben voor de effectiviteit
en het gezag van de organisatie op haar traditionele werkterrein en haar verhouding tot
andere internationale organisaties. Als gezegd, ligt bij het beleidsvergelijkende weten-
schappelijke werk van de organisatie het accent op een technisch-wetenschappelijke
benadering en op solide statistische onderbouwing van de bevindingen. Deze benade-
ring kan onder druk komen te staan bij een grotere variatie in politieke systemen en
visies tussen de leden en een grotere rol op het terrein van mondialisering. Tegen dat
risico kan naar de opvatting van de AIV echter worden ingebracht dat er analytisch wel-
iswaar een tegenstelling bestaat tussen deze uitgangspunten, maar dat beide dimen-
sies fundamenteel zijn voor het voortbestaan van de organisatie en alleen al om die
reden een plaats verdienen in de beschouwingen over de te volgen koers. Waar het
                                            25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>afzien van een rol als ‘beleidsvoorbereider’ van het proces van mondialisering nog
denkbaar is en in feite openstaat ter vrije keuze, is dat niet het geval met de noodzaak
van het incorporeren van de grote opkomende economieën in de onderzoekswerkzaam-
heden van de OESO. Dit laatste kan de OESO alleen negeren op straffe van groeiende
irrelevantie.
                                             26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>IV        Conclusies en aanbevelingen
In dit hoofdstuk passeren de belangrijkste conclusies en aanbevelingen de revue.
Uitbreiding en taken
De vraag naar de uitbreiding kan naar de opvatting van de AIV niet los worden gezien
van het toekomstige takenpakket en de ambities van de OESO. Dit brengt de AIV tot de
volgende conclusies en aanbevelingen:
 De OESO zal zonder incorporatie in enigerlei vorm van de grote opkomende econo-
    mieën snel minder relevant worden.
 Op korte termijn moet worden bepaald welke landen die zelf hebben aangegeven
    lid te willen worden, op basis van het voldoen aan de vier ‘Noboru-criteria’
    (likemindedness, significant player, mutual benefit en global considerations) en het
    daaraan door de AIV toegevoegde vijfde criterium – aanvaarding en (toegroeien naar)
    naleving van het OESO-acquis in de vorm van de voornaamste onderliggende conven-
    ties, regelingen en principes – daadwerkelijk voor het lidmaatschap in aanmerking
    komen, respectievelijk met welke landen die geen lid willen worden dan wel daar-
    voor (nog) niet in aanmerking komen, een vorm van associatie moet worden aange-
    gaan. Het eerste zou kunnen gelden voor landen als Brazilië, Chili, Israël en Zuid-
    Afrika. Desgewenst kan, met wederzijds goedvinden, een overgangstermijn worden
    vastgesteld waarbinnen stapsgewijs wordt toegewerkt naar een volledig lidmaat-
    schap van deze landen. Het tweede zou kunnen gelden voor bijvoorbeeld China,
    India en Rusland. Voor deze laatste landen geldt dat ze dusdanig grote problemen
    hebben op het terrein van de rechtsstaat en/of op economisch vlak dat een lidmaat-
    schap naar de opvatting van de AIV vooralsnog niet voor de hand ligt.
 De AIV heeft kennisgenomen van het EU-besluit dat de acht laatst toegetreden
    EU-landen lid moeten worden van de OESO. De AIV is het daarmee eens, maar heeft
    wel enige zorg over de consequenties van gelijktijdige toetreding. De AIV acht het
    gewenst op het moment van toetreding van deze nieuwe EU-lidstaten af te spreken
    dat de Europese Commissie in OESO-kwesties op het terrein van de eerste (econo-
    mische) EU-pijler namens de EU-lidstaten optreedt.
 In de visie van de AIV is het riskant een te groot aantal informele vormen van
    samenwerking à la carte te accepteren, omdat daarmee de harde kern van de orga-
    nisatie zal worden aangetast. Een essentieel onderdeel van het (bredere) acquis dat
    tevens moet gelden voor geassocieerde leden betreft de bereidheid tot het aanleve-
    ren van de vereiste statistische gegevens.
 Door de combinatie van intensivering van de samenwerking met grote landen die
    evenwel geen lid van de OESO willen of kunnen worden en de wens een grotere
    invloed te hebben op mondialiseringsterrein, loopt de OESO het risico geleidelijk aan
    politieker te worden. Tegen die achtergrond beveelt de AIV de regering aan de voor-
    en nadelen van een ‘twee-pijlerstructuur’ opnieuw te laten verkennen. In de ene
    ‘pijler’ kan de denktank- en onderzoeksfunctie ten behoeve van nationale beleidsverge-
    lijking worden ondergebracht, terwijl de andere de internationale beleidsvoorbereiden-
    de functie kan omvatten. Voor beide ‘pijlers’ kunnen niet alleen verschillende besluit-
    vormingsmechanismen gelden, maar ook verschillende soorten lidmaatschappen.
Internationale architectuur
De vraag over de positie van de OESO in de internationale institutionele architectuur
(met name in relatie tot de EU, de Wereldbank, het IMF, de WTO en de G-8) heeft de
AIV vooral praktisch benaderd. De conclusies en aanbevelingen luiden:
                                              27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre> De positie van de OESO staat in algemene zin niet ter discussie. Integendeel: de
    organisatie wordt zeer gewaardeerd.
 Vaak blijken de deelnemers aan OESO- bijeenkomsten tevens actief binnen andere
    organisaties, hetgeen natuurlijkerwijs zorgt voor de nodige afstemming. In algemene
    zin wordt geconstateerd dat de praktische samenwerking tussen de genoemde orga-
    nisaties goed verloopt. Er is eerder sprake van complementariteit dan van competitie.
 Op het terrein van de monetaire beleidscoördinatie heeft de OESO naar de opvatting
    van de AIV geen echt voordeel ten opzichte van bijvoorbeeld de Wereldbank en het
    IMF. Evenmin is dit het geval ten opzichte van bijvoorbeeld de G-8.
 Los van de ‘klassieke taken’ van de OESO bestaat bij velen de wens de organisatie
    een rol te laten spelen als ‘medemanager’ van de mondialisering. De AIV stelt vast
    dat er voor een sturende rol op dat vlak weinig ruimte lijkt, terwijl het niet reëel is te
    denken dat een instantie als de G-8 de OESO als haar secretariaat zal willen accep-
    teren. Wel kan de OESO vanuit haar kerntaak – beleidsvergelijkend onderzoek –
    belangrijke diensten verrichten voor andere organisaties en fora, als de G-8.
 Op een aantal deelterreinen van mondiale coördinatie ziet de AIV een belangrijke rol
    weggelegd voor de OESO, zoals bij het overleg over ontwikkelingssamenwerking (in
    het DAC), op het terrein van de belastingproblematiek (en daarmee ook corruptie),
    wetenschap en technologie, economisch structuurbeleid, milieu, migratievragen,
    energiezekerheid en het aanleveren van statistieken.
Prioritaire werkterreinen
De vraag naar de prioritaire werkterreinen en onderwerpen die zich bij voorrang lenen
voor behandeling door de (uitgebreide) OESO en de vraag naar de specifieke toegevoeg-
de waarde van de OESO voor het door Nederland te voeren beleid liggen in elkaars ver-
lengde en zijn door de AIV in samenhang beantwoord. De conclusies en aanbevelingen
luiden als volgt:
 De beleidsvorming binnen de OESO kenmerkt zich door een gebrek aan een samen-
    hangend langetermijnperspectief.
 Om gefundeerde uitspraken te kunnen doen over de prioriteiten, zou de AIV een
    grondige studie moeten maken van alle materiële OESO-werkzaamheden en deze
    bevindingen moeten correleren aan bestaand en toekomstig Nederlands beleid rond
    het brede spectrum van onderwerpen waarmee de OESO zich bezighoudt. Pas daarna
    kan worden bepaald waar sprake is van overlapping en behoefte aan innovatie. De
    AIV heeft gemeend dat hij niet het geschikte orgaan is om een dergelijke studie te
    verrichten.
 Dit advies kan er wel toe bijdragen dat de verschillende ministeries zich nog eens
    grondig afvragen wat de actuele betekenis van de OESO voor hun werkterrein is en
    bij welke thema’s zij in de toekomst meer aan de OESO kunnen hebben dan thans
    het geval is. Bovendien kunnen periodieke evaluaties en koppeling van de levens-
    duur van commissies en werkgroepen aan ‘sunset clauses’ bijdragen aan een perma-
    nent waakzame houding: waarom werken ministeries mee aan de OESO, wat krijgen
    ze daarvoor terug en wat hebben ze ervoor over?
 De AIV constateert dat een sterk ‘eigenaarschap’ van de OESO ook in Nederland van
    belang is. Hij beveelt daarom aan na te gaan in hoeverre de OESO hoger op de
    nationale agenda kan belanden. Dit kan onder meer door goede interdepartementale
    en ministeriële beleidsvoorbereiding, het onderhouden van contacten met het
    bedrijfsleven en de NGO-wereld en het bevorderen van de benoeming van gekwalifi-
    ceerde Nederlanders in de OESO.
                                             28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>OESO-methoden
De vraag hoe de AIV het belang van het behoud van de voor OESO kenmerkende werk-
methoden beoordeelt, leidt tot de volgende conclusies en aanbevelingen:
 De AIV is zeer te spreken over het instrumentarium dat de OESO in de ruim 45 jaar
   van haar bestaan heeft ontwikkeld (kernwoorden: peer pressure, peer reviews, best
   practices en soft law). Het zijn methoden waarbij niet wordt gedreigd met sancties,
   maar veeleer wordt gewerkt met begrippen als vrijwillige naleving van de gemaakte
   afspraken, samenwerking, overtuiging, het aanreiken van alternatieve gezichtspun-
   ten en het systematisch vergelijken van sterktes en zwaktes.
 Een belangrijke kracht van de OESO blijft dat haar ‘producten’ worden aanvaard door
   de beleidsmakers en -uitvoerders van de lidstaten, en dat zij haar kwalitatief hoog-
   staande rapporten mede kan vervaardigen omdat de staten gegevens ter beschik-
   king stellen waartoe particuliere instituten niet of nauwelijks toegang hebben.
Organisatorische veranderingen
De vraag welke veranderingen de OESO als organisatie moet ondergaan om na uitbrei-
ding en inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren leidt tot de navolgende
conclusies en aanbevelingen:
 Het huidige besluitvormingsproces moet verder worden aangepast, teneinde de slag-
   vaardigheid te vergroten. Het stelsel van besluitvorming bij gekwalificeerde meerder-
   heid (inclusief consensus minus one or two) moet worden uitgebreid, ook bij echt
   belangrijke beslissingen, zij het met een open oog voor de positieve zijden van con-
   sensus.
 De toelatingseisen moeten worden herzien. De oproep van de AIV het criterium ‘aan-
   vaarding en naleving van het acquis’ toe te voegen aan de vier ‘Noboru-criteria’ past
   in dit kader.
 Het gezag van de SG over de interne organisatie en in relatie tot de Raad moet wor-
   den versterkt. Het is van belang dat een SG zelf gezag verwerft, onder meer door
   het stellen van goede prioriteiten. Het doel van de versterking van de positie van de
   SG moet zijn de aansturing van de werkzaamheden verder te verbeteren en om tot
   een betere prioriteitstelling te komen ten aanzien van de grote vraagstukken waar-
   mee de OESO zich bezighoudt.
 De OESO kent een aantal verdragen met dwingende vormen van toezicht. De AIV
   pleit er niet voor het stelsel van verplichtende vormen van toezicht uit te breiden.
   Wel is de AIV van opvatting dat de OESO via de klassieke methoden van peer
   reviews, peer pressure en best practices, mits strikter toegepast en uitgewerkt, de
   naleving van gemaakte afspraken verder kan bevorderen. Ook is nog vooruitgang te
   boeken bij de versterking van de externe relaties en communicatie en het beter uit-
   dragen van successen.
                                              29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Ministerie van

Buitenlandse Zaken

Daarnaast is er twijfel ontstaan over de relevantie van de OESO. Niet alleen omdat de
OESO niet langer aan alle belangrijke economieën onderdak biedt, maar ook vanwege
ontwikkelingen in andere fora die (deels) overlappende of vergelijkbare
werkzaamheden verrichten als de OESO. Bijkomend probleem is dat de Lidstaten
minder bereid zijn de reguliere begroting adequaat te laten groeien, maar wel via de
vrijwillige bijdragen specifieke activiteiten door de OESO te laten uitvoeren. Deze

toenemende à la carte benadering vereist mogelijk een herziening van de gebruikelijke

werkmethoden.

Momenteel wordt uitbreiding van het aantal leden overwogen. De Lidstaten en het
Secretariaat van de OESO hebben in 2004 en 2005 vastgesteld dat als de OESO
relevant wil zijn en blijven zij actieve relaties moet onderhouden en in ieder geval
uiteindelijk moet worden uitgebreid met belangrijke (opkomende) economieën zoals
China, India, Rusland en Brazilië. Onderdeel van de discussie over toetreding is dat
andere, veelal kleinere, landen het lidmaatschap hebben aangevraagd (waaronder de
Baltische landen, Slovenië, Cyprus, Malta en Israël).

Onzeker is of met de toetreding c.q. het aanhalen van banden met minder
gelijkgezinde landen als China en Rusland de huidige functies (instrument van
internationale ordening, denktank voor internationale beleidsvoorbereiding, denktank
met een apolitiek karakter voor nationale beleidsvoorbereiding, normstellende
organisatie voor de besteding van ODA-middelen en denktank op het terrein van
armoedebestrijding en globalisering) op dezelfde of betere wijze invulling kunnen
krijgen. Daarnaast mag de vraag gesteld worden in hoeverre werkzaamheden van de
OESO, bijvoorbeeld op gebieden als beleidsvoorbereiding, beleidsvergelijking,
normstelling en dergelijke niet deels zijn overgenomen door andere instellingen (EU,
IFI’s, VN, gespecialiseerde VN organisaties en Wereldbank). Uitbreiding van de
OESO met de grote opkomende economieën lijkt de organisatie de mogelijkheid te
bieden een grotere bijdrage te leveren aan de internationale ordening die een
globaliserende wereld nodig heeft. Ook hierbij kan echter de vraag gesteld worden of
deze functie niet al elders plaatsvindt (VN, G8). Een bezinning op prioritaire
werkterreinen en onderwerpen van de OESO is derhalve opportuun.

Teneinde inzicht te verkrijgen in de rol die een -uitgebreide- OESO in de
internationale institutionele architectuur en voor Nederland kan vervullen en om bij te
dragen aan de Nederlandse standpunt bepaling over de toekomst van de OESO,
verzoek ik u in uw advies met name in te willen gaan op de volgende vraagpunten:

1. Met welke landen, in welk tempo, in welke vorm en eventueel onder welke
voorwaarden moet de OESO zich uitbreiden?

DA) )) 177
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Ministerie van

Buitenlandse Zaken

2. Hoe ziet de AIV, mede in het licht van vraag 1, de positie van de OESO in de
internationale institutionele architectuur, met name in relatie tot de EU,
Wereldbank, IMF, WTO, G8?

3. Welke zouden, vanuit internationaal perspectief en het belang dat Nederland
aan internationale samenwerking hecht, de prioritaire werkterreinen en
onderwerpen zijn die zich bij voorrang lenen voor behandeling door de
(uitgebreide) OESO?

4. Hoe beoordeelt de AIV het belang (zowel internationaal als voor Nederland)
van het behoud van de voor OESO kenmerkende werkmethoden (soft law,
benchmarking, peer review, peer pressure)?

5. Welke is volgens de AIV de specifieke toegevoegde waarde van de OESO
voor het in Nederland te voeren beleid en welke zouden in dat licht de
onderwerpen zijn waar de OESO zich bij voorkeur op zou moeten richten?

6. Welke veranderingen moet de OESO als organisatie ondergaan om na
uitbreiding en inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren?

Aangezien de discussie over de interne hervorming van de OESO momenteel in Parijs
gaande is, wil ik u, met het oog op de Nederlandse inbreng in OESO-overleg eind april
en eind mei, verzoeken de beantwoording van de laatste vraag over de benodigde
organisatieveranderingen met spoed te behandelen.

Ik zie met belangstelling uit naar uw spoedige advisering.

TEEN) 7) 324

Afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de
Voorzitter van de Eerste Kamer.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

—

Dr. B.R. Bot
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>                                                                                    Bijlage II
Lijst met geraadpleegde personen
In Nederland
-  Drs. J.A. Boer
   Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de OESO
-  Mr. R. Bekker
   Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Secretaris-generaal
-  Drs. M.A. Brouwer
   Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directeur Directie Effectiviteit en Kwaliteit
-  Mw. mr. C.M. Dijk
   Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Economische en Ecologische Samen-
   werking
-  Drs. J.A.M. Klaver
   Vereniging VNO/NCW
-  Mw. dr. M. de Kwaasteniet
   Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directeur Generaal Directie Economische en
   Ecologische Samenwerking
-  Drs. P.R. Post
   Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Economische en Ecologische Samen-
   werking
-  Drs. A.J.E.G. Renique
   Vereniging VNO/NCW, Secretaris Onderwijszaken
-  Mr. R. van Rijssen
   Ministerie van Economische Zaken, Directeur Directie Handelsbevorderingen
-  Mr. W.L.E. Quaedvlieg
   Vereniging VNO/NCW, Secretaris Internationale Zaken
In Parijs
-  Mw. G.B. Andersson
   Ambassadeur van Zweden bij de OESO
-  Drs. J.A. Boer
   Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de OESO
-  Dhr. L. Boonekamp
   Hoofd van de afdeling Handel en Markten, secretariaat OESO
-  Dhr. B. Cabras
   Ambassadeur van Italië bij de OESO
-  Dhr. J.P. Cotis
   Hoofd Econoom bij de OESO
-  Dhr. S. Cutts
   Plaatsvervangend Directeur OESO
-  Dhr. J. Evans
   Adviescommissie Vakbond aan de OESO
-  Dhr. R. Hecklinger
   Plaatsvervangend Secretaris-generaal OESO
-  Mw. O. Honkatukia
   Hoofdadministrateur – Secretariaat van de Secretaris-generaal van de OESO
-  Dhr. S. Kitajima
   Ambassadeur van Japan bij de OESO
-  Dhr. D.J. Kraan
   Project Manager Budget en Publieke Uitgaven, secretariaat OESO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>- Dhr. D. Manske
  Hoofdadministrateur – Adviescommissie Handel en Industrie aan de OESO
- Dhr. O. Merk
  Consultant inzake regionaal concurrentievermogen en bestuur
- Dhr. P. van den Noord
  Hoofd Econoom, Algemene Economische Beoordeling, secretariaat OESO
- Dhr. D. Pilat
  Hoofd van de afdeling Wetenschap en Technologie Beleid, secretariaat OESO
- Dhr. M. Primmer
  Waarnemend Manager Communicatie - Adviescommissie Handel en Industrie aan de
  OESO
- Dhr. J.P. Reid
  Plaatsvervangend Permanente Vertegenwoordiger van de VS bij de OESO
- Dhr. J. Schuijer
  Adviseur Strategisch Programmeren
- Drs. N. Taouati
  Tweede Ambassade Secretaris Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de
  OESO
- Dhr. T. Vant
  Secretaris-generaal – Adviescommissie Handel en Industrie aan de OESO
- Drs. J. Verheul
  Plaatsvervangende Permanente Vertegenwoordiger OESO
- Dhr. R. Visser
  Hoofd van de afdeling Milieu, Gezondheid en Veiligheid, secretariaat OESO
- Drs. Ph.A. de Waal
  Ambassaderaad Nederland OESO
- Dhr. W.J. Wiersema
  Eerste Ambassade Secretaris Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging bij de
  OESO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>                                                                           Bijlage III
Lijst met afkortingen
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
BBP           Bruto Binnenlands Product
BNP           Bruto Nationaal Product
BuCo          Budget Committee
CEI           Commissie Europese Integratie van de AIV
CERI          Centrum voor Educatief Onderzoek en Innovatie
CMR           Commissie Mensenrechten van de AIV
COS           Commissie Ontwikkelingssamenwerking
COMECON       Council of Mutual Economic Assistance
CVV           Commissie Vrede en Veiligheid van de AIV
DAC           Development Assistance Committee
ECMT          Europese Conferentie van Ministers van Transport
ErCo          External Relations Committee
EU            Europese Unie
ExCo          Executive Committee
G-8           Groep van 8 (de acht grootste industrielanden en Rusland)
G-20          Groep van 20 (ontwikkelingslanden met speciale interesse in landbouw)
IEA           Internationaal Energie Agentschap
IMF           Internationaal Monetair Fonds
NEA           Nucleair Energie Agentschap
NGO           Niet-Gouvernementele Organisatie
ODA           Official Development Assistance
OECD          Organisation for Economic Co-operation and Development
OEES          Organisatie voor Europese Economische Samenwerking
OESO          Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
SG            Secretaris-Generaal
VS            Verenigde Staten
WPEG          Council Working Party on the Implications of Future Enlargement on
              OECD Governance
WTO           World Trade Organisation
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
  1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
  2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
  3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
  4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
  5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
  6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
  7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
  8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
  9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
    november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
    rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
    de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
    bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
    strategieën tegen armoede, januari 2003
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005****
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003**
**    Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
**** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre> 6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
 7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
 8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
 9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>