<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>         BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN
               NAUWERE SAMENWERKING
                   No. 53, Februari 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof. mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof. jhr. dr. G. van Benthem van den Bergh
                Mw. drs. A.C. van Es
                Prof. dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij - van Gorsel
                Prof. dr. A. de Ruijter
                Prof. dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Dr. R.J. van der Veen
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden van de werkgroep Benelux
Voorzitter Prof. dr. J.Q.Th. Rood
Leden      Mw. prof. dr. M.G.W. den Boer
           Dr. W.F. van Eekelen
           Mr. F. Korthals Altes
           Drs. J. Schotte (buitenlid)
           Mw. mr. M.G. Wezenbeek-Geuke
Secretaris Mw. dr. S. Volbeda
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>         Inhoudsopgave
         Woord vooraf
I        Inleiding en adviesvragen        7
II       Het Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie           11
III      De samenwerking in het kader van de Benelux Economische Unie
         en de prioriteiten voor de toekomst      16
IV       De Benelux politieke samenwerking          21
V        De instellingen van de Benelux-samenwerking           26
VI       De toekomst van de Benelux: conclusies en aanbevelingen             34
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Lijst met geraadpleegde personen
Bijlage III      Lijst met afkortingen
Bijlage IV       Historisch overzicht
Bijlage V        Lijst van Benelux-regelgeving
Bijlage VI       Overzicht van actieve werkgroepen van het Secretariaat-Generaal
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord Vooraf
De Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV) heeft op 11 oktober 2006
een aanvraag ontvangen voor een advies over de Benelux-samenwerking. De reden
voor deze adviesaanvraag is het in 2010 verstrijken van het eerste tijdvak van het
verdrag dat aan de Benelux Economische Unie ten grondslag ligt. Onderhandelin-
gen over de (wijze en vorm van) voortzetting van de Benelux-samenwerking zullen
naar verwachting in het voorjaar van 2007 beginnen. Om deze reden is de AIV ver-
zocht het advies begin februari aan te bieden. De adviesaanvraag is opgenomen in
bijlage I.
Dit advies is voorbereid door een gemengde werkgroep onder voorzitterschap van
prof.dr. J.Q.Th. Rood, lid van de Commissie Europese Integratie (CEI) en de leden
mr. F. Korthals Altes (voorzitter van de AIV), mw. prof.dr. M.G.W. den Boer,
dr. W.F. van Eekelen en mw. mr. M.G. Wezenbeek-Geuke (leden CEI) en het buitenlid
drs. J. Schotte, tot voor kort werkzaam bij het Secretariaat-Generaal van de
Benelux. De ambtelijk contactpersonen zijn mr. M. van Rossum en dhr. B. Bruijn
(DWM/WE). Het secretariaat is gevoerd door mw. dr. S. Volbeda, daarin bijgestaan
door de stagiair(e)s mw. E. van der Bijl en dhr. M. Keizer.
Ter voorbereiding van het advies heeft de werkgroep met een aantal deskundigen
gesproken. De lijst van geraadpleegde personen is in bijlage II opgenomen. De AIV
is zeer erkentelijk voor hun bijdrage en wil hen graag bedanken voor hun bereid-
willigheid hun inzichten met de werkgroep te delen.
Het advies is vastgesteld op 2 februari 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>I         Inleiding en adviesvragen
De aanleiding voor dit advies is het in 2010 verstrijken van het eerste tijdvak van het
vigerende Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie.1 Blijkens de advies-
aanvraag heeft het kabinet reeds besloten de Benelux-samenwerking voort te zetten.
Als reden voor dit besluit wordt gewezen op de praktische meerwaarde van deze
samenwerking in het kader van de Benelux Economische Unie (BEU) en het gegeven
dat de Benelux een platform biedt voor de Benelux politieke samenwerking (BPS).
In de adviesaanvraag zijn de volgende vragen gesteld:
1. De AIV een oordeel willen geven over de toegevoegde waarde van de samenwerking
    in Benelux-verband op beide terreinen?
2. Welke zouden de prioritaire werkterreinen en onderwerpen zijn die zich bij voorrang
    lenen voor Benelux-samenwerking?
3. Welke veranderingen moet de BEU als organisatie ondergaan om na de inhoudelijke
    prioritering effectief te kunnen functioneren?
4. Welke rol ziet de AIV weggelegd voor de Benelux-organen, zoals de Raadgevende
    Interparlementaire Benelux-Raad en het Benelux-Gerechtshof?
5. Zou de AIV, naar aanleiding van de bevindingen die u doet op basis van vraag één
    tot en met vier, een advies willen geven over het meest geschikte volkenrechtelijke
    kader om de Benelux-samenwerking voort te zetten?
Daarbij werd opgemerkt dat gezien het ambtelijke onderzoek dat hiernaar wordt
gedaan, voor de vragen twee, drie en vijf een kort antwoord van de kant van de AIV vol-
staat. Een uitgebreider antwoord wordt opportuun geacht voor de vragen één en vier.
Het voorliggende advies richt zich dan ook met name op de meerwaarde van de Benelux
als samenwerkingsverband, in het bijzonder binnen het Europese krachtenveld, en de
rol van de BEU-instellingen in het kader van deze samenwerking. Een antwoord op deze
vragen veronderstelt echter naar de mening van de AIV ook inzicht in de onderwerpen
en de prioritaire werkterreinen van de Benelux-samenwerking (vraag twee van de advies-
aanvraag). Het takenpakket van de Benelux bepaalt immers mede de rol van de instel-
lingen en de aanpassingen die ten aanzien van de inrichting en de bevoegdheden van
de instellingen mogelijk noodzakelijk zijn.
Een tweede overweging hierbij is dat de Benelux een samenwerkingsverband in voortdu-
rende verandering is. Deze constatering vormde ook het uitgangspunt van het rapport
van het Comité van Wijzen van 1995.2 Op basis van dit rapport stelde het Comité van
Ministers, het hoogste politieke orgaan in de Benelux, in 1995 de nieuwe taakstelling
van het Secretariaat-Generaal van de Benelux vast.3 In het rapport van het Comité van
1   Dit werd ondertekend op 3 februari 1958 en is van kracht sinds 1 november 1960. Zie voor de volledige
    verdragstekst de webpagina < http://www.benelux.be/nl/rgm/rgm_unieverdrag.asp>.
2   Raad van de Economische Unie, Advies van de Raad van de Benelux Economische Unie aan het Comité
    van Ministers betreffende de uitvoering van het Rapport van het Comité van Wijzen “De Benelux, opnieuw
    bezien”, R (95) 4, Brussel, 9 november 1995.
3   Dit rapport werd goedgekeurd door het Comité van Ministers op 20 november 1995.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Wijzen werd opgemerkt dat de oorspronkelijke taken en doestellingen van de BEU gere-
aliseerd waren, dan wel overgenomen in het kader van de Europese integratie. Het
comité trok daaruit de conclusie dat de Benelux-samenwerking, die op tal van terreinen
een Europese voortrekkersrol had gespeeld – een rol die ook in belangrijke mate de oor-
spronkelijke doelstelling van de samenwerking samenvat – sterk aan betekenis had inge-
boet. Tegelijkertijd werd ook toen al geconstateerd dat de organisatie nieuwe taken op
zich had genomen, in het bijzonder op het vlak van ondersteuning van praktische vormen
van samenwerking zoals grensoverschrijdende samenwerking en het interne veiligheids-
beleid.
Anno 2007 is de Benelux nog immer een organisatie die qua taken en functies in bewe-
ging is. Het terrein van de economische integratie is nog sterker het domein van de
Europese Unie (EU) geworden. In antwoord daarop heeft de organisatie zich verder aan-
gepast en nieuwe werkterreinen toegevoegd. Een blik op de toekomst vereist dan ook
inzicht in dit transformatieproces, waarbij een belangrijke vraag is of en in hoeverre de
BEU-samenwerking dienstbaar kan zijn aan de samenwerking binnen het brede verband
van de EU. Vandaar dat in dit advies ook ruim aandacht wordt geschonken aan de vraag
welke de prioritaire werkterreinen van de Benelux-samenwerking zouden moeten zijn, of
de huidige samenwerking een meerwaarde heeft en of er wellicht nieuwe onderwerpen
zijn waarop samenwerking in BEU-verband opportuun is. Deze kritische bezinning op het
takenpakket is temeer gewenst omdat, zoals ook in 1995 werd opgemerkt, de geloof-
waardigheid en kwaliteit van de samenwerking (en de publieke zichtbaarheid ervan)
gediend zijn met het afstoten van die taken en werkterreinen, die geen meerwaarde
(meer) hebben.
Het takenpakket zoals uitgevoerd in het kader van de BEU-samenwerking moet in de
ogen van de AIV overigens duidelijk worden onderscheiden van de politieke samen-
werking tussen de partners (de BPS). De BEU-samenwerking vloeit voort uit het Verdrag
tot instelling van de Benelux Economische Unie. De BPS staat daar los van en wordt dan
ook separaat in dit advies besproken.
Wat betreft de plaatsbepaling van de Benelux is de AIV er in dit advies van uitgegaan,
dat het functioneren van deze organisatie moet worden bezien binnen het bredere
kader van de multilaterale, regionale en bilaterale relaties, zoals die zich manifesteren.
Dit betekent dat de samenwerking op diverse niveaus kan worden geanalyseerd.
– Ten eerste, binnen het bredere verband van de Europese samenwerking, waarbij de
    samenwerking zowel in het kader van de BEU (voortrekker) als in die van de BPS
    (coalitie) een rol speelt.
– Ten tweede, op het niveau van de Benelux als exclusief samenwerkingsverband
    tussen de drie verdragspartners: een vorm van samenwerking die mede haar unici-
    teit ontleent aan de expliciete erkenning ervan in artikel 306 van het EG-verdrag4.
– Ten derde, als kader waarbinnen met de Benelux-(buur)landen wordt samengewerkt
    (dit wordt ook wel aangeduid als de Benelux-plus).
– Ten vierde, als ondersteunend bij de vele vormen van bilaterale samenwerking die
    zich tussen de lidstaten voordoen.
– Tot slot kan worden gewezen op de betrekkingen tussen de Benelux en andere
    regionale samenwerkingsverbanden, zoals de Noordse Unie,5 de Baltische
4   Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG), dit werd van kracht op 1 januari 1958.
5   Denemarken, Finland, Noorwegen, IJsland en Zweden.
                                                    8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>    landen6 en de Visegradlanden7.
Steeds dient de vraag aan de orde te zijn, of samenwerking in BEU- dan wel BPS-ver-
band, tussen de drie partnerlanden een toegevoegde waarde heeft. Deze vraag speelt
naar de mening van de AIV in het bijzonder bij de mogelijke rol van de Benelux ten aan-
zien van bilaterale vormen van samenwerking.
De AIV is het met de regering eens dat voortzetting van de Benelux-samenwerking
gewenst is. Ook de AIV ziet, zoals in het vervolg van dit advies zal worden uiteengezet,
een meerwaarde in de Benelux-samenwerking, zowel praktisch als politiek. Tegelijkertijd
is er in de visie van de AIV ook reden voor zorg over de doelmatigheid van de huidige
Benelux-samenwerking. Waar in het verleden de Benelux binnen het kader van het ver-
drag een duidelijke missie kende, lijkt de organisatie anno 2007 een samenwerkings-
verband te zijn geworden dat op zoek is naar een eigen plaats en rol. Positief is het
vermogen van de organisatie zich aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Tegelijkertijd maakt het functioneren van de organisatie echter de indruk een optelsom
van deelbeslissingen te zijn, met als resultaat versnippering van het takenpakket en
van de inzetbare capaciteit, hetgeen de relatieve onzichtbaarheid van de Benelux als
organisatie in de hand werkt.
Ten dele is deze situatie een gevolg van de veranderingen waaraan in het bijzonder de
BEU-samenwerking onderhevig is (geweest). De AIV is echter ook van mening dat de
gesignaleerde problemen het gevolg zijn van een gebrek aan politieke betrokkenheid en
strategische sturing vanuit de lidstaten. Naar de mening van de AIV heeft het daaraan
de afgelopen periode ontbroken en is er onvoldoende sprake geweest van een door de
lidstaten uitgedragen visie op de Benelux als praktisch en politiek samenwerkings-
verband.
Het besluit tot voortzetting van de Benelux-samenwerking – een besluit dat de AIV,
zoals reeds opgemerkt, ondersteunt – kan in de visie van de AIV dan ook alleen beteke-
nis hebben indien dit zich van de kant van de lidstaten vertaalt in een actievere politie-
ke (en ambtelijke) betrokkenheid bij en een meer heldere inhoudelijke aansturing van
de samenwerking. Bij afwezigheid daarvan zal, zo is de overtuiging van de AIV, de Bene-
lux als samenwerkingsverband verder aan betekenis inboeten en de geconstateerde
potentiële meerwaarde ervan niet kunnen worden benut.
Overigens zijn de omstandigheden waaronder de Benelux-samenwerking moet opereren
er ook niet eenvoudiger op geworden. Te denken valt dan aan de verdere federalisering
van België en het gegeven dat op een aantal essentiële aspecten van de Europese inte-
gratie overeenstemming tussen de drie Benelux-landen recentelijk moeilijk, zoniet
onmogelijk, bleek te zijn. Juist in het licht hiervan is dan ook, zo meent de AIV, een
intensivering van deze samenwerking noodzakelijk. De in dit advies door de AIV gefor-
muleerde aanbevelingen zijn er dan ook mede op gericht de politieke betrokkenheid op
het niveau van de verdragspartners te versterken en te verzekeren.
De opzet van dit advies is als volgt. In hoofdstuk II worden kort de geschiedenis, de
taken en de instellingen van de Benelux besproken. In hoofdstuk III wordt ingegaan op
6   Estland, Letland en Litouwen.
7   Hongarije, Tsjechië, Polen en Slowakije.
                                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>de praktische samenwerking in het kader van de BEU, waarbij de prioritaire werkterrei-
nen van deze samenwerking worden geïdentificeerd. Hoofdstuk IV gaat in op de beteke-
nis van de politieke samenwerking tussen de Benelux-landen. In hoofdstuk V wordt het
functioneren van de instellingen en organen van de Benelux-samenwerking besproken,
in het bijzonder de vraag welke aanpassingen noodzakelijk zijn met het oog op hun
functioneren. In het laatste hoofdstuk worden de conclusies en aanbevelingen samen-
gevat, waarbij ook wordt ingegaan op de vorm die de door de AIV voorgestelde ver-
dragswijziging zou moeten krijgen.
                                           10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>II      Het Verdrag tot instelling van de Benelux
        Economische Unie
Het oorspronkelijke verdrag
De Benelux bestaat meer dan 60 jaar: op 5 september 1944 werden in Londen de
handtekeningen gezet onder het Verdrag tot instelling van een Douane-Unie door de
regeringen in ballingschap van Nederland, België en Luxemburg. Het doel van het
samenwerkingsverband was het bewerkstelligen van vrij verkeer van personen, goede-
ren en diensten. Dit doel werd in het verdrag omschreven als ‘De meest gunstige voor-
waarden scheppen voor de totstandkoming van een economische unie’.
De eerste stap was het vrijmaken van het goederentransport en het hanteren van een
uniform tarief voor goederen van buiten de Benelux. Deze vrijhandelsovereenkomst
werd op 1 januari 1948 van kracht.
Tussen 1948 en 1958 werd de samenwerking tussen de Benelux-landen stap voor stap
uitgebreid. Zo kwam in 1953 een gemeenschappelijke handelspolitiek tot stand en
werd in 1954 het kapitaalverkeer in grote mate geliberaliseerd. Alle overeenkomsten en
protocollen werden in 1958 samengebracht in het Verdrag tot instelling van de Benelux
Economische Unie. Dit verdrag trad op 1 november 1960 in werking en het is nog altijd
de grondslag voor de huidige Benelux-samenwerking. In 2010 loopt het verdrag af. Met
het oog op de voorgenomen verlenging en wijziging is het noodzakelijk dat de besluit-
vorming hierover op zijn laatst in 2008 wordt afgerond. Dit betekent dat de onderhande-
lingen daarover in het voorjaar van 2007 beginnen en de ambtelijke voorbereiding daar-
van reeds in februari 2007 een aanvang zal nemen.
Vanuit Europees perspectief is het bestaansrecht van de Benelux erkend door middel
van een machtigingsclausule in artikel 306 van het EG-verdrag. Dit artikel bepaalt dat
er geen beletselen zijn voor het bestaan en de voltooiing van de regionale unies tussen
België en Luxemburg (BLEU), alsmede tussen die van België, Nederland en Luxemburg
(Benelux), voor zover de doelstellingen van die regionale unies niet bereikt zijn door toe-
passing van het EG-verdrag. Dit betekent dat deze unies in een geprivilegieerde positie
verkeren ten opzichte van andere vormen van samenwerking tussen de lidstaten van de
EU. Deze machtigingsclausule voor de Benelux is ook opgenomen in de ontwerptekst
voor het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa.
Van douane-unie via economische unie naar een belangengemeenschap
De Benelux-samenwerking heeft in de loop van de tijd diverse veranderingen ondergaan,
zonder dat het verdrag uit 1960 is gewijzigd.
Aanvankelijk was de samenwerking gericht op het wegwerken van de belemmeringen
aan de grenzen en de totstandbrenging van het vrije verkeer van personen, goederen en
diensten tussen de drie landen. Nog vóórdat het BEU-verdrag in werking trad werden
alle personencontroles aan de binnengrenzen van de Benelux afgeschaft en tegelijker-
tijd een gemeenschappelijk beleid aan de buitengrenzen opgelegd. Met het vrij verkeer
van arbeidskrachten werd een gemeenschappelijke Benelux-arbeidsmarkt tot stand
gebracht. Ook de controles in het wegverkeer werden tot het strikte minimum beperkt.
Dit was voor die tijd een spectaculair resultaat.
                                             11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Parallel daarmee werd meer en meer aandacht geschonken aan beleidscoördinatie op
een aantal vlakken. Zo werden de nationale regelgevingen inzake merkenrecht vervan-
gen door een éénvormige Benelux-wetgeving. Enkele jaren later volgde een soortgelijk
initiatief voor tekeningen en modellen.8 In dit kader werden twee gemeenschappelijke
bureaus opgericht: het Merkenbureau en het Bureau voor Tekeningen en Modellen.
Daarnaast werd een Benelux-Gerechtshof opgericht, dat in 1974 van start ging (zie over
de instellingen verder de laatste paragraaf van dit hoofdstuk, alsmede hoofdstuk V).
Als eerste initiatiefnemer van internationale economische integratie in Europa vervulde
de Benelux een voortrekkersrol voor de Europese integratie. De verworvenheden van de
Benelux hebben vaak voor Europese ontwikkelingen model gestaan en met succes: veel
van de taken van de Benelux zijn op tal van gebieden door de later opgerichte Europese
Gemeenschap (EG) overgenomen. Dit betrof allereerst de handelspolitiek en de douane-
unie. Maar ook latere samenwerking die door de Benelux is geïnitieerd, zoals de Schen-
gensamenwerking,9 is voortgezet in het grotere verband van de EU. Bij de inwerkingtre-
ding van het Verdrag van Amsterdam in 1999 werden de Schengenakkoorden bij de EU
ondergebracht. Europese vooruitgang in bepaalde sectoren betekent dus dikwijls ofwel
stopzetting van de Benelux-samenwerking, ofwel voortzetting ervan in Europees kader.
De Benelux heeft zich steeds aan de veranderende politiek-maatschappelijke context
aangepast. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw richtte de Benelux zich
op nieuwe – niet in het EG-verdrag vermelde – beleidsterreinen zoals milieu, natuurbe-
scherming, infrastructuur, ruimtelijke ordening, energie en toerisme. Zo werden visies
voor de ruimtelijke ordening uitgewerkt voor het westelijk deel en voor het middelste
deel van de Nederlands-Belgische grens. Meer op hoofdlijnen van het beleid werd een
dergelijke visie ook ontwikkeld voor het gehele Benelux-gebied.
Vele van deze nieuwe terreinen lenen zich goed voor een voortzetting van de grensover-
schrijdende samenwerking. Deze samenwerking is steeds meer als kerntaak naar voren
gekomen. Milieu, verkeer, infrastructuur, ruimtelijke ordening, natuurbehoud en land-
schapsbescherming worden niet langer door de partnerlanden ingevuld met de rug naar
elkaar toe. Een nieuwe tendens daarbij is dat er bovendien steeds meer aan de Benelux-
buitengrenzen wordt samengewerkt met aangrenzende regio’s in Duitsland en Frankrijk.
In 1995 leidde een diepgaande bezinning op de toekomst van de BEU tot een aanpas-
sing van de kerntaken van de Benelux en tot reorganisatie van het Secretariaat-Gene-
raal. De samenwerking werd rond vijf grote aandachtspunten gebundeld:
1. politieke samenwerking en overleg omtrent Europese vraagstukken;
2. grensoverschrijdende samenwerking;
3. voltooiing van de interne markt en voortzetting van de economische samenwerking
    op geëigende terreinen;
4. vrij verkeer van personen en overleg op het gebied van justitie, politie en immigratie;
5. cultuur, onderzoek, onderwijs en opleiding.
8   Verdrag inzake merken werd getekend op 19 maart 1962, het Verdrag inzake tekeningen en modellen op
    25 oktober 1966.
9   Samenwerking voor vrij verkeer van personen tussen België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk,
    Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, Spanje, IJsland en Zweden. Schengen
    is de naam van een plaats in Luxemburg, waar de eerste akkoorden zijn ondertekend op 14 juni 1985
    door de landen van de Benelux, plus Frankrijk en Duitsland.
                                                    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>In samenhang met deze veranderingen zijn veel van de op deze terreinen werkzame
comités en werkgroepen opgeheven of, indien dat zonder verdragswijziging niet moge-
lijk was, op non-actief gesteld, terwijl voor de bovengenoemde vijf aandachtsgebieden
nieuwe comités werden gevormd.
Regelmatig worden nieuwe (deel-)taken aan het bovenstaande palet toegevoegd. Voor-
beelden zijn de nauwere politiesamenwerking, met name inzake ordehandhaving en
misdaadbestrijding, waaronder drugshandel en -toerisme. Hiervoor werd op 8 juni 2004
een nieuw Benelux-verdrag ondertekend.10 Ook de samenwerking op het gebied van de
bestrijding van de grootschalige grensoverschrijdende belastingfraude is nieuw. Daar-
naast trad op 1 september 2006 het nieuwe Benelux-Verdrag inzake de intellectuele
eigendom11 in werking. Verder is er de grensoverschrijdende samenwerking op het
gebied van dringende medische hulpverlening, waarvoor de juridische basis nog in voor-
bereiding is. Een volledig overzicht van Benelux-regelgeving is opgenomen in bijlage V.
De instellingen van het verdrag
Comité van Ministers en de Ministeriële Werkgroepen en Comités
Het oorspronkelijke verdrag voorziet in de instelling van een Comité van Ministers als
hoogste orgaan.12 Het bestaat uit de ministers van Buitenlandse Zaken, Economische
Zaken en Financiën van de drie lidstaten. Andere ministers kunnen deelnemen wanneer
dat voor de agenda relevant is. Elk half jaar rouleert het voorzitterschap: België is voor-
zitter in de eerste helft van 2007, Luxemburg in de tweede helft van dat jaar en Neder-
land in de eertse helft van 2008 en zo verder. In de jaren zestig is besloten deze
ministersvergaderingen ook te houden op het niveau van regeringsleiders, net als in de
EU. Hierbij tekent de AIV aan dat het College van Ministers sinds 1982 noch in de
samenstelling van regeringsleiders, noch in die van ministers van Buitenlandse Zaken
bijeen is gekomen in Benelux-verband. Daarnaast zijn er ministeriële werkgroepen die
bindende beslissingen kunnen nemen en zijn er op ambtelijk niveau comités en bijzon-
dere comités13 die politieke prioriteiten nader uitwerken.
De Raad van de Economische Unie en ambtelijke comités
Deze raad (REU) coördineert de werkzaamheden van de verschillende ambtelijke
comités, kan voorstellen doen aan het Comité van Ministers en ziet toe op de uitvoe-
ring van de besluiten van het Comité van Ministers door de ambtelijke comités.14
Het College van Secretarissen-Generaal en het Secretariaat-Generaal
Het College van Secretarissen-Generaal bestaat uit de Secretaris-Generaal (de SG) en
twee adjunct-SG’s. Zij vertegenwoordigen de drie nationaliteiten en geven leiding aan
het Secretariaat-Generaal (het SG) dat gevestigd is in Brussel. Het ondersteunt het
10 Het Verdrag inzake grensoverschrijdend politieel optreden. Dit wordt ook wel het Verdrag van Senningen
    genoemd.
11 Dit verdrag werd ondertekend op 25 februari 2005.
12 Artikelen 15a en 16-22 van het BEU-verdrag.
13 Artikelen 15d en 28-32 van het BEU-verdrag.
14 Artikelen 15c en 25-27 van het BEU-verdrag.
                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Comité van Ministers, de ministeriële werkgroepen, de raad, de comités en de bijzonde-
re comités.15 Sinds 1975 heeft het College van SG’s initiatiefrecht.
De Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad
Deze raad wordt afgekort aangeduid als IPBR, maar wordt ook wel het Benelux-Parle-
ment genoemd. De IPBR adviseert het Comité van Ministers16 en bespreekt onder meer
het jaarverslag van dit comité. De raad bestaat uit 21 Nederlandse, 21 Belgische en 7
Luxemburgse parlementsleden. Zij zijn gegroepeerd naar politieke kleur en niet naar
nationaliteit. De IPBR komt drie keer per jaar bijeen in een van de drie hoofdsteden.
Als internationaal parlementair orgaan van een intergouvernementele organisaties heeft
de IPBR slechts consultatieve en adviserende bevoegdheden. Daadwerkelijke controle
berust bij de nationale parlementen.
Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE)
Deze Benelux-organisatie is gevestigd in Den Haag en is in de plaats gekomen van het
Benelux-Merkenbureau en het Benelux-Bureau voor Tekeningen en Modellen.17 Het
BBIE vervult voor de drie Benelux-landen wat betreft merken enerzijds en tekeningen en
modellen anderzijds een vergelijkbare functie als een nationaal merken- en modellenbu-
reau. Na registratie van een merk, tekening of model verkrijgt de houder van de inschrij-
ving het uitsluitende recht op zo’n merk, tekening of model. Het BBIE biedt de mogelijk-
heid ook andere domeinen van het intellectuele eigendomsrecht bij de organisatie
onder te brengen.
Het Benelux-Gerechtshof (BG)
In 1974 is het BG ingesteld.18 Het vervult twee taken: (a) de uitleg van gemeenschap-
pelijke rechtsregels en (b) de Benelux-ambtenarenrechtspraak.
     Ad a. de uitleg van gemeenschappelijke rechtsregels
     Het hof heeft tot taak een eenvormige interpretatie van gemeenschappelijke rechts-
     regels van de drie landen die ofwel bij verdrag ofwel bij beschikking van het Comité
     van Ministers zijn aangeduid als behorend tot de interpretatiebevoegdheid van het
     BG.19 Op dit moment gaat het daarbij vooral om de intellectuele eigendomsrechten
     (waarvoor het BBIE bevoegd is voor de registratie van merken, tekeningen en
     modellen), de Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekeringen voor Motorvoertuigen,
     het personenvervoer, vogelbescherming en dwangsommen.
15 Artikelen 15e en 33-39 van het BEU-verdrag.
16 Artikelen 15d, 23 en 24 van het BEU-verdrag.
17 Beide ingesteld op basis van de artikelen 15f en 40 van het BEU-verdrag. De samenvoeging is inge-
   voerd op 1 september 2006.
18 Verdrag voor de Instelling van een Hof van Justitie voor de Benelux. Dit verdrag is ondertekend in 1965 en
   trad op 1 januari 1974 in werking. Het blijft even lang van kracht als het BEU-verdrag (artikel 16.3).
19 Artikel 1.1. Statuut Benelux-Gerechtshof.
                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>    Ad b. de ambtenarenrechtspraak
    In deze functie heeft het BG een rechtsprekende taak inzake ambtenarengeschillen
    voor het SG en het BBIE.
Het BG kent geen eigen rechters, maar wordt gevormd door een college van hetzij
negen, hetzij drie rechters uit de hoogste rechterlijke instanties van de Benelux-landen
(voor Nederland de Hoge Raad) die bijeenkomen afhankelijk van de frequentie waarmee
zich zaken aandienen.20 Ook de advocaten-generaal worden gekozen uit de leden van
het openbaar ministerie van de hoogste rechterlijke instanties.
Zaken kunnen ofwel door prejudiciële procedures, waarbij nationale rechtscolleges inter-
pretatievragen over Benelux-rechtsregels voorleggen aan het BG, ofwel rechtstreeks aan
het BG worden voorgelegd. Dit laatste speelt met name in ambtenarenzaken.
De Economische en Sociale Raad voor Advies en het College van Scheidsrechters
De Economische en Sociale Raad voor Advies, die het Comité van Ministers kan advi-
seren,21 leidt een slapend bestaan, evenals het College van Scheidsrechters.22 Dit
college wordt ook wel het Hof van Arbitrage genoemd. Het heeft tot taak op verzoek
van één of meer van de partijen geschillen te beslechten tussen de verdragsluitende
staten over de toepassing van het BEU-verdrag en van overeenkomsten die betrekking
hebben op de doelstelling ervan, indien het Comité van Ministers er niet in slaagt daar-
voor een oplossing te bewerkstelligen.23 Dit betekent dat de landen van de Benelux
unilateraal onderlinge geschillen voor het college ter (bindende) beslechting kunnen
brengen als het Comité van Ministers in een bemiddelende rol niet tot een oplossing
kan komen.
Voorts kan het Comité van Ministers aan dit college advies vragen over rechtsvragen
met betrekking tot de bepalingen van het BEU-verdrag en van overeenkomsten die
betrekking hebben op de doelstelling ervan.24 In dit laatste geval gaat het om niet-bin-
dend juridisch advies over de interpretatie van de verdragsteksten.
20 Artikelen 3.1. en 5.1. Statuut Benelux-Gerechtshof.
21 Artikelen 15h en 54 van het BEU-verdrag.
22 Artikelen 15g en 41-53 van het BEU-verdrag.
23 Artikelen 41 en 44 van het BEU-verdrag.
24 Artikel 52 van het BEU-verdrag.
                                                    15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>III      De samenwerking in het kader van de Benelux
         Economische Unie en de prioriteiten
         voor de toekomst
In hoofdstuk II is opgemerkt dat de BEU-samenwerking in het verleden reeds enkele
malen is aangepast aan de veranderende maatschappelijke context. De ervaring leert
dat een dynamische invulling van een takenpakket dat op een beperkt aantal inhoude-
lijk samenhangende sectoren is gericht, essentieel is om vlot te kunnen inspelen op
nieuwe ontwikkelingen. Een vaak gehoorde kritiek op het huidige takenpakket van de
Benelux is dat er, mede door de grote diversiteit, te weinig focus is op de belangrijkste
prioriteiten van de samenwerking en dat politieke sturing ontbreekt.
Het is moeilijk te zeggen hoe het takenpakket van de Benelux er over enkele jaren zal
moeten uitzien. Wanneer wordt teruggegrepen op de herijking van de taakstelling van
1995-1996 kan worden vastgesteld dat sindsdien heel wat nieuwe taken zijn toege-
voegd. Het Comité van Wijzen, dat deze reorganisatie heeft voorbereid, heeft bijvoor-
beeld niet voorzien dat anno 2006 interne veiligheid zo’n belangrijke sector van de BEU-
samenwerking zou zijn, terwijl andere taken die indertijd in het pakket waren opgenomen
inmiddels hun relevantie hebben verloren. Voorbeelden hiervan zijn de samenwerking
inzake de handelspolitiek met betrekking tot strategische goederen en antidumping.
De verlenging van het BEU-verdrag is in dit verband een goed moment om te bezien of
het gewenst is dat de Benelux ook in de toekomst een laboratoriumfunctie voor verdere
Europese samenwerking vervult. Het gaat daarbij om het realiseren van (grensover-
schrijdende) projecten waarvoor de EU nog niet gereed is, eventueel in samenwerking
met (buur)landen (Benelux-plus).
Onder de vlag van de praktische BEU-samenwerking valt, zoals reeds opgemerkt, een
tamelijk bont palet van taken. De vraag is of al deze taken relevant zijn en of het func-
tioneren van de organisatie gediend is met een opschoning en/of reorganisatie. Een
duidelijke doelgerichtheid zou ook het vergroten van de zichtbaarheid wel eens kunnen
vergemakkelijken. Op grond van de gesprekken met deskundigen is het de AIV duidelijk
geworden dat in dit kader de toegevoegde waarde van de Benelux vooral bestaat op het
terrein van de grensoverschrijdende samenwerking, waarbij de politiesamenwerking een
prominente plaats inneemt.25
De AIV meent dat de Benelux zich dient bezig te houden met samenwerking op gebieden
waar:
– duidelijk sprake is van een behoefte aan grensoverschrijdende samenwerking;
– de Benelux gezien haar expertise, kennis en ervaringen uit het verleden een aanwijs-
    bare meerwaarde heeft;
– en/of te verwachten is dat de EU zich op langere termijn met samenwerking op het
    betrokken gebied zal bezighouden;
25 De Raad voor Openbaar Bestuur is bezig met een onderzoek naar knelpunten in grensoverschrijdende
    samenwerking die in het kader van het BEU-verdrag plaatsvindt bij Nederlandse, Belgische en (in het
    verband van Benelux-plus) ook Duitse decentrale overheden. Daarbij nemen zij ook het functioneren van
    het SG onder de loep. Eind 2007 verwacht de Raad hierover advies uit te brengen.
                                                    16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>– terwijl tegelijkertijd niet te verwachten is dat op korte termijn samenwerking in EU-
    verband tot stand komt.
Met inachtneming van deze criteria pleit de AIV er voor een beperkt aantal kerntaken te
benoemen. Deze zouden echter niet in het toekomstige Benelux-verdrag zelf, maar in
een politieke verklaring daaraan moeten worden toegevoegd. Op deze wijze kan ruimte
worden gelaten nieuwe kerntaken zonder verdragswijziging op te nemen en oude af te
stoten. Het Comité van Ministers moet bevoegd zijn om dergelijke wijzigingen door te
voeren. Via het jaarlijks vast te stellen werkprogramma kunnen vervolgens de prioriteiten
binnen die kerntaken worden aangepast aan nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen.
Hieronder werkt de AIV een drietal prioriteiten uit, die de basis vormen voor de toekom-
stige BEU-samenwerking: (1) interne veiligheid, (2) ruimtelijk ordening en (3) interne
markt.
Ad 1.     Samenwerking inzake interne veiligheid
Samenwerking inzake interne veiligheid – in de ruime zin van het woord – is de laatste
jaren uitgegroeid tot een nieuwe kerntaak van de Benelux. De samenwerking heeft een
uitgesproken operationeel karakter. In eerste instantie gaat het daarbij om het terrein
van Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ), maar daarnaast ook over voedselveiligheid,
controles in het wegvervoer, bestrijding van fiscale fraude enzovoort. Externe veiligheid,
in de zin van gezamenlijk militair optreden is buiten de kaders van het BEU-verdrag ont-
wikkeld, al wordt in deze bi- of trilaterale samenwerking met België en Luxemburg wel
de Benelux als naam gebruikt.26
De operationele samenwerking inzake politie, justitie en immigratie – die reeds langer
onderwerp van Benelux-samenwerking vormt – is daarmee in een stroomversnelling
terecht gekomen. Intussen zijn het zogenoemde Verdrag van Senningen27 en dat van
26 Er bestaat een vergaande bilaterale samenwerking tussen België en Luxemburg. Nederland werkt samen
    met België samen met betrekking tot de marineopleiding in Den Helder (onder leiding van de Admiraal
    Benelux). Veder vormden België en Luxemburg in 1996 de Benelux Deployable Air Task Force (DATF).
    Deze luchtmachtsamenwerking, waaraan ook Nederland deelneemt, past in een breder voornemen van
    de EU om door middel van bi- en multilaterale samenwerking gespecialiseerde taakgroepen te vormen.
    Andere voorbeelden zijn de Belgisch-Portugese DATF, de Spaans-Italiaanse Amphibious Force en de
    Frans-Spaanse Air Group.
27 Dit is het Verdrag inzake grensoverschrijdend politieel optreden, 8 juni 2004. Dit is een overeenkomst
    inzake de samenwerking op het terrein van politie, justitie en immigratie tussen de ministers van Justitie
    van België, Nederland en Luxemburg, de ministers van Binnenlandse Zaken van België en Nederland en
    de minister van de Force publique van Luxemburg’ (Zie: Benelux Almanak 2005). Deze politiesamenwer-
    king gaat over zaken als verbetering van de informatie-uitwisseling, gemeenschappelijke analyse van de
    grensoverschrijdende misdaad, voortzetting van de operationele uitwerking, zoals gemengde patrouilles,
    gezamenlijke oefeningen, gemeenschappelijke opleidingen, samenwerking inzake verbindingsofficieren,
    gemeenschappelijke politiecentra in de grensgebieden, verbinding van de telecommunicatiemiddelen,
    gezamenlijke aankopen, logistieke samenwerking, operationele acties in de grensgebieden (bijvoorbeeld
    inzake drugslaboratoria en -toerisme, ramkraken en inbraken met geweld, afvaltransporten of vuurwerk).
                                                       17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Prüm28 tot stand gekomen, alsmede het Memorandum van overeenstemming tussen de
nationale crisiscentra van de drie Beneluxlanden29. Een reeks nieuwe deelsectoren is
aan de samenwerking toegevoegd, waaronder drugsbeleid, grensoverschrijdende
samenwerking bij rampen en ongevallen, het interne veiligheidsbeleid30 en bestrijding
van belastingfraude31.
De Benelux-samenwerking loopt op deze terreinen vooruit op de samenwerking in de EU
en een snelle inhaalbeweging van de EU op dit vlak zit er de komende jaren, naar de
mening van de gehoorde deskundigen, niet in. Naar het oordeel van de AIV liggen hier
kansen om de laboratoriumfunctie van de Benelux of de Benelux-plus de komende jaren
verder uit te bouwen.
De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken van de Benelux-landen hebben
recent besloten om de samenwerking inzake interne veiligheid nog verder te versterken.
Daarbij ligt het in de bedoeling om in Benelux-verband een pragmatische veiligheidsstra-
tegie op te stellen, met speciale aandacht voor de verschillende (Euregionale) grens-
gebieden van de Benelux, en ook voor de grensstreken met Duitsland en Frankrijk.
Daarbij is de AIV zich bewust dat in bepaalde gevallen de samenwerking tussen Neder-
land en Duitsland verder gaat dan die in de Benelux.32
28 Het Verdrag van Prüm inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder
   ter bestrijding van terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie is een Benelux-
   initiatief en werd op 27 mei 2005 ondertekend niet alleen door België, Luxemburg en Nederland, maar
   ook door Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk en Spanje en staat (inmiddels) open voor de andere lidstaten
   van de Unie. Zie Raadsdocument 10900, 7 juli 2005.
29 Dit in 2006 ondertekende memorandum gaat over crisisbeheersing en rampenbestrijding voor bijstand in
   spoedeisende omstandigheden en de aanstelling van verbindingsofficieren. Dit omvat onder meer de
   opzet en beschikbaarstelling van beveiligde netwerken van databanken met betrekking tot de kritieke
   infrastructuur in de Belgisch-Nederlandse en de Belgisch-Luxemburgse grensstreek, de afstemming van
   de nucleaire urgentieplannen, de bevordering van de grensoverschrijdende inzet van brandweerkorpsen.
30 Voorbeelden zijn de veterinaire samenwerking en de samenwerking inzake voedselveiligheid. Dit gaat over
   nauwere afstemming bij de preventie en bestrijding van ziekten, zoals vogelgriep en de gekkekoeienziekte
   en met name over het verbeteren van de traceerbaarheid van vlees van het productiebedrijf tot de ver-
   bruiker. Voor de toekomst wordt gewerkt aan gemeenschappelijke vleeskwaliteitslabels en het creëren
   van gemeenschappelijke strategische reserves van verschillende vaccins. Een ander voorbeeld zijn geza-
   menlijke campagnes voor verkeersveiligheid, samenwerking bij controles in het wegverkeer en overleg
   over bijvoorbeeld nucleaire transporten. Tot slot is de samenwerking Euro Controle Route (ECR). Deze is
   gericht op de verkeersveiligheid, de naleving van de sociale reglementering en een eerlijke concurrentie.
   De Benelux-landen zijn deze samenwerking in 1999 gestart met Frankrijk en Duitsland, terwijl nu ook Ier-
   land, Oostenrijk, Polen, Spanje en het Verenigd Koninkrijk deelnemen. Daarnaast zijn er negen landen
   die belangstelling tonen en mogelijk zou dat kunnen leiden tot integratie in de EU-verdragen.
31 Dit betreft zaken als de strijd tegen de ontduiking van de btw-heffing bij het leasen van voertuigen over
   de grens (de btw-carrouselfraude), het misbruik in de telecommunicatie (onder meer met vooraf betaalde
   telefoonkaarten) en de fraude bij verkoop op afstand. Zo is dankzij het Parallel Warning System, dat werd
   opgezet om frauduleuze fiscale praktijken inzake btw en accijnzen bij transport van minerale olie tussen
   de Benelux-landen te bestrijden, deze vorm van fraude sinds 2005 geheel weggewerkt. Tot voor kort
   omvatte deze fraude jaarlijks vele miljoenen euro’s.
32 Dit is bijvoorbeeld het geval bij de grenscontroles in de Euregio Maas-Rijn.
                                                       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Bij de recente herstructurering van het Senningenoverleg inzake JBZ hebben de bevoeg-
de bewindslieden van de drie landen uitdrukkelijk bepaald dat het secretariaat wordt
gevoerd door het SG van de Benelux. Op deze wijze wordt de verbinding gelegd tussen
de activiteiten van de verschillenden werkgroepen en vindt een meer centrale kennisop-
bouw plaats. Als neutrale partner kan het SG de respectievelijke standpunten bij de
voorbereiding van nieuwe operationele arrangementen of beleidsafspraken op elkaar
afstemmen. Het SG moet halfjaarlijks over de voortgang rapporteren.
Tot slot moeten hier ook de vorderingen inzake het gemeenschappelijk Benelux-visum-
beleid worden vermeld: de drie landen vertegenwoordigen elkaar bij het afgeven van
visa in meer dan 90 landen en meer dan 110 buitenlandse posten.33
Ad 2.     Samenwerking inzake ruimtelijke ordening
Ruimtelijke ordening is een onderwerp dat zich bij uitstek leent voor grensoverschrijden-
de samenwerking. Zeker gezien de dichtheid van de infrastructuur, de intensiteit van
het verkeer, het economisch belang van de vervoerssector, de ecologische en de
milieubelangen is systematisch overleg over en afstemming van het beleid op voor-
noemde terreinen een voor de hand liggende zaak.
Hierbij wordt niet alleen gezocht naar afstemmingsmogelijkheden van nationale en
gewestelijke beleidsontwikkelingen, maar bovendien wordt systematisch gestreefd naar
ruimtelijke samenhang in een aantal grensgebieden. Dit is een innovatie in Europa. Het
concept van de geïntegreerde ruimtelijke benadering wordt in een drietal grensgebieden
toegepast: in het westelijke grensgebied tussen Vlaanderen en Zuidwest-Nederland, in
het oostelijke grensgebied tussen Nederland, Vlaanderen, Wallonië en Noord-Rijnland-
Westfalen en in het zuidelijke grensgebied tussen Wallonië en Luxemburg. Daarnaast
wordt ook voor het Maasstroomgebied (Waals-Nederlands-Vlaams Maasoverleg) een
soortgelijke geïntegreerde benadering gevolgd.34
De Benelux heeft gaandeweg een aantal juridische instrumenten ontwikkeld die deze
ruimtegebonden grensoverschrijdende samenwerking ondersteunen en die de uiteenlo-
pende bestuursculturen en regelgeving aan weerszijden van de grens hanteerbaar
maken. Te weten:
 het formele Benelux-overlegkader dat de samenwerking tussen landen, gewesten en
    gemeenschappen regelt via een aantal comités (van Ruimtelijke ordening, Verkeer
    en Vervoer, Natuurbescherming en Publiekrechtelijke Grensoverschrijdende Samen-
    werking) en comités die bevoegd zijn voor de vier grensgebieden;
 de Benelux-Overeenkomst Natuurbehoud en Landschapsbescherming (deze regelt de
    samenwerking rond natuurbeschermingsprojecten in de grensstreek, gericht op part-
    ners van zowel centrale als decentrale overheden);
 de Benelux-Overeenkomst Publiekrechtelijke Grensoverschrijdende Samenwerking
    tussen Decentrale Publieke Instanties, zoals provincies en gemeenten (het SG
33 Tevens is er een gemeenschappelijk terugkeerbeleid voor afgewezen asielzoekers en illegalen.
34 Er zijn verschillende proefprojecten opgezet voor afstemming van de ecologische structuur in het grens-
    gebied van Vlaanderen en Nederland. In het oostelijke grensgebied (met Duitsland) loopt een aantal pro-
    jecten rond stedelijke ontwikkeling, openbaar vervoer en goederenvervoer. De Waals-Nederlandse
    samenwerking in het stroomgebied van de Maas betreft de bouw van een vierde sluis bij Ternaaien en
    de waterverdeling over de Vlaamse en de Nederlandse wateren. In het zuidelijke grensgebied ten slotte
    wordt gewerkt aan een grensoverschrijdend Ecologisch en Landschappelijk Basisplan.
                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>    fungeert hiervoor als aanspreekpunt voor lokale overheden en helpt hen bij het
    opzetten van concrete projecten).
Het SG heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot expertisecentrum voor grensover-
schrijdende samenwerking. Het neemt als deskundige deel aan onder andere het Rijn-
Schelde-Delta-overleg. De AIV acht vooral de inzet van de verdragsrechtelijke en organi-
satorische expertise van het SG van belang. Grensoverschrijdende samenwerking op
die terreinen kan slechts slagen indien er voldoende kennis aanwezig is over de struc-
tuur, de organisatie en de bevoegdheden in het buurland.
Ad 3.      Samenwerking inzake de interne markt
Ook al is de economische integratie in de EU vergevorderd, toch is zij nog lang niet vol-
ledig. Zakendoen over de grens wordt nog steeds belemmerd door nationale barrières,
zoals verschillen in vergunningen en in technische en administratieve regelgeving.
Wat niet onmiddellijk mogelijk is in Europees verband, kan soms wel worden uitgewerkt
in de Benelux. Zo gezien vervult de Benelux een rol als experimentele voortrekker, met
bijzondere aandacht voor thema’s waarbij zich mogelijkheden voordoen en waarbij ver-
der kan worden gegaan dan de EU. Deze verdieping van de samenwerking kan velerlei
vormen aannemen, onder meer met betrekking tot de elektriciteitsmarkt,35 maar ook
is nauwere samenwerking denkbaar ten aanzien van de problematiek van de grensar-
beiders, de volksgezondheid, en het toenemende grensoverschrijdende verkeer van
zorgverstrekkers en patiënten.
Conclusie
Los van de directe betekenis van de BEU-samenwerking wijst de AIV op de laboratorium-
functie van deze samenwerking. Voorbeelden daarvan zijn de overeenkomsten van
Schengen en Senningen. Deze laboratoriumfunctie is via de samenwerking van de Bene-
lux-plus direct verbonden met het concept van de nauwere samenwerking in de EU en
vindt ook een rechtvaardiging in de zogenoemde machtigingsclausule in artikel 306 van
het EG-verdrag. Naast deze functie in de richting van de nauwere samenwerking in de
EU kan de Benelux-samenwerking in praktische zin ook dienstbaar zijn in het kader van
de uitvoering van EU-regelgeving ten aanzien van onderlinge afstemming, verdergaande
harmonisatie en het delen van ervaringen uit de praktijk. Wel vindt de AIV dat de taken
beperkt moeten worden tot de kerntaken Interne Veiligheid, Ruimtelijke Ordening en
Markt. Dat betekent dat taken die hier niet in passen, moeten worden afgestoten.
35 In 2005 beslisten de ministers van Energie van de drie Beneluxlanden, Frankrijk en Duitsland tot instel-
    ling van het Pentalateral Energy Forum. Dit is een forum van netbeheerders, toezichthouders en de over-
    heid met het doel de verbindingen tussen de elektriciteitsnetwerken van de betrokken landen te verbete-
    ren. Het SG voert het secretariaat van dit forum. De Europese Commissie neemt als waarnemer deel
    aan het overleg. Er wordt gedacht aan de oprichting van eenzelfde forum voor de gasmarkt.
                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>IV       De Benelux politieke samenwerking
Naast de praktische samenwerking die voortvloeit uit het Verdrag tot instelling van de
Benelux Economische Unie heeft zich een vorm van politieke samenwerking ontwikkeld
tussen de Benelux-partners. Deze wordt aangeduid als de Benelux politieke samenwer-
king. Deze heeft betrekking op het gezamenlijke, externe optreden van de Benelux-lid-
staten op internationaal niveau. Het belangrijkste aspect van de BPS betreft de geza-
menlijke standpuntbepaling in de aanloop naar besluitvorming in de EU. Deze samen-
werking is erop gericht om door middel van onderlinge consultatie en afstemming van
standpunten de invloed van de drie landen op de besluitvorming binnen de EU te ver-
groten. De BPS kan echter ook andere internationale fora betreffen, zoals de Verenigde
Naties (VN), andere regionale samenwerkingsverbanden,36 dan wel samenwerking op
het niveau van de bilaterale posten (onder andere waarneming en onderlinge bijstand).
De AIV stelt vast dat de intensiteit van deze samenwerking in de tijd nogal wisselend is
geweest, afhankelijk van de agenda en de betrokken personen. Periodes van intensieve
samenwerking op het Europese vlak, waarbij de drie met gezamenlijke initiatieven
komen, werden afgewisseld door (soms langdurige) periodes waarin niet of nauwelijks
sprake was van bijzondere samenwerking, laat staan van afstemming van standpunten
op Europese dossiers of van spraakmakende voorstellen.37 In dit verband merkt de AIV
op dat over de huidige staat van de BPS niet altijd positief wordt geoordeeld.38 Het
overleg zou te weinig gestructureerd zijn en de politieke sturing van de BPS zou te
gering zijn, mede als gevolg van verschillen in opvatting over de koers van verdere Euro-
pese integratie. Voorbeelden hiervan zijn het conflict over de stemweging tijdens de
onderhandelingen over het Verdrag van Nice, de irritatie aan Nederlandse kant over de
Belgisch-Luxemburgse steun voor een meer onafhankelijk Europees veiligheids- en
defensiebeleid en het Nederlandse ‘nee’ tegen het Verdrag tot instelling van een
grondwet voor Europa. Uiteindelijk zouden de Benelux-partners, zo is een veelgehoorde
mening, onvoldoende bereid zijn om de eigen opvattingen ondergeschikt te maken aan
een gemeenschappelijk standpunt.
De politieke samenwerking tussen de landen van de Benelux vindt plaats buiten het
formele kader van het Benelux-verdrag en de daarop berustende instellingen. Het gaat
36 Bijvoorbeeld de samenwerking in de Noordse Unie, tussen de Baltische landen en tussen de Visegrad-
   landen.
37 Zie voor een poging tot periodisering onder andere J.W. Brouwer, Nederlands-Belgische samenwerking in
   Benelux en Europa, Internationale Spectator, jaargang 57, 2003, pp. 466-471. Als belangrijke initiatieven
   kunnen worden genoemd: de leidende rol van de Benelux-landen bij de totstandkoming van de Verdragen
   van Rome en op het gemeenschappelijke memorandum in het kader van de Europese Conventie (i.e.
   Benelux-memorandum, Een evenwichtig institutioneel kader voor een uitgebreide, meer efficiënte en trans-
   parante Unie, 5 december 2002). Daar tegenover zet Brouwer de periode 1974-1995, waarin de verhou-
   dingen tussen de drie zich niet onderscheiden van de relaties met andere EU-lidstaten.
38 Zie in dit verband bijvoorbeeld: Luk Van Langenhove en Jan Wouters, De Vlaamse positie ten aanzien van
   de Benelux naar aanleiding van de vernieuwing van het Benelux-verdrag, Onderzoeksrapport van UNU-
   CRIS en het Instituut voor Internationaal Recht, K.U. Leuven, in opdracht van Internationaal Vlaanderen,
   juni 2006, pp. 94-109.
                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>derhalve niet om samenwerking van de Benelux als organisatie, maar om politieke
samenwerking tussen een groep van gelijkgezinde landen. De samenwerking is, afge-
zien van de afspraak van het regelmatige vooroverleg in de aanloop naar EU-besluitvor-
ming, dan ook niet geïnstitutionaliseerd of geformaliseerd en het SG van de Benelux
speelt hierin ook geen rol. De vaste momenten in de BPS betreffen het vooroverleg op
het niveau van de premiers voorafgaand aan de Europese Raad en op het niveau van
de ministers van Buitenlandse Zaken voor iedere bijeenkomst van de Raad Algemene
Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB). Dit zijn de zogeheten Benelux-ontbijten, die
(bijna) maandelijks plaatsvinden. Daarnaast vindt, indien opportuun, vooroverleg plaats
voorafgaande aan Europese vakraden. Dit overleg kan in het algemeen qua besluitvor-
ming en agendavoering als tamelijk informeel en ad hoc worden getypeerd. De doelstel-
ling van dit overleg is elkaar te informeren over de wederzijdse standpunten en, waar
mogelijk, tot onderlinge afstemming dan wel gezamenlijke standpunten te komen. Van
enige verplichting hiertoe is geen sprake. In die zin kan dit overleg in de huidige vorm
niet worden beschouwd als een exclusieve coalitie binnen het grotere EU-verband.
Naast dit reguliere vooroverleg moet worden gewezen op de opstelling van gemeen-
schappelijke memoranda, de zogeheten Benelux-memoranda. Deze worden niet vaak
opgesteld. Echter, wanneer er grond is om gezamenlijk een standpunt uit te werken,
hebben deze meer dan eens serieuze invloed op de EU-besluitvorming gehad. Recente
voorbeelden van dergelijke memoranda zijn die over migratie en ontwikkeling, de uitbrei-
dingsstrategie van de EU, de rol van de EU ten aanzien van de externe aspecten van
energie, en de omgang met Hamas als lid van de Palestijnse regering.39 Door in een
vroegtijdig stadium gezamenlijk op te treden hebben de Benelux-landen deze zaken op
de agenda van de EU kunnen krijgen en hebben zij op de Europese besluitvorming
invloed uitgeoefend. In dit verband moet ook het Benelux-memorandum inzake de Euro-
pese Conventie en het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa worden ver-
meld, waarmee de Benelux-partners in samenspraak met andere kleinere lidstaten in
bepaalde fasen van de besluitvorming richtinggevend zijn geweest.40
De opstelling van deze documenten vond plaats buiten het kader van de Benelux als
formele organisatie. Het waren de hoofdsteden in samenwerking met de Permanente
Vertegenwoordigingen bij de EU (PV’s-EU) die in deze zaken bepalend waren. Daarnaast
is duidelijk dat de standpunten zoals door de Benelux-landen ingenomen in een
gemeenschappelijk memorandum, een beperkte reikwijdte hebben. Dit bleek bijvoor-
beeld tijdens de onderhandelingen over het ‘grondwettelijk verdrag’: het weerhoudt de
Benelux-landen er niet van om een eigen lijn uit te zetten. Dit onderstreept het niet-bin-
dende karakter van de BPS in haar huidige vorm.
De AIV is van mening dat het gebruik van Benelux-memoranda als instrument van de
BPS moet worden ondersteund. De adviesraad juicht een meer frequent gebruik van dit
instrument toe, zoals de laatste jaren al te zien was. Naar de mening van de AIV ver-
dient dit instrument in het bijzonder ondersteuning, omdat in de praktijk blijkt dat de
drie landen via dergelijke memoranda werkelijk invloed hebben kunnen uitoefenen op
39 Benelux-paper, Migratie en ontwikkeling, Brussel, 8 mei 2006; Benelux non-paper, Contacts with the new
    Palestinian Government (2006); Benelux position paper, Energy Security and Foreign Policy (2006); Draft
    Benelux Position on Enlargement, 12 juni 2006.
40 Benelux-memorandum, Een evenwichtig institutioneel kader voor een uitgebreide, meer efficiënte en
    transparante Unie, 5 december 2002.
                                                     22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>de Europese agenda en besluitvorming. De andere EU-landen – niet in de laatste
plaats de recent toegetreden landen – verwachten in dit opzicht ook een actieve
opstelling van de Benelux-landen en blijken open te staan voor voorstellen en ideeën
die via deze documenten naar voren worden gebracht.
De vraag is nu of het moment van vernieuwing van het Benelux-verdrag zou dienen te
worden aangegrepen om tot verdere intensivering en institutionalisering van de BPS te
komen. Dit vraagstuk heeft meerdere dimensies. Naast de intensivering en institutiona-
lisering van het reguliere overleg in EU-verband speelt ook de kwestie of de BPS in het
toekomstige Benelux-verdrag zou moeten worden verankerd en of de Benelux-instellin-
gen – het SG in het bijzonder – een rol moet vervullen bij het initiëren, voorbereiden en
uitwerken van de BPS. In het kader van de lopende discussie over de toekomst van de
Benelux-samenwerking zijn over dit onderwerp verschillende meer of minder vergaande
voorstellen gedaan. Deze variëren van een bevestiging van de status als natuurlijke
partners die tot uitdrukking komt in een right of first refusal, hetgeen inhoudt dat de
landen gehouden zijn eerst elkaar te consulteren alvorens met een standpunt naar
buiten te komen, tot de oprichting van een Europacel binnen het SG, of een ‘zachte
institutionalisering’ van het politieke overleg in de vorm van regulier overleg op diverse
ambtelijke en politieke niveaus met actieve betrokkenheid van het SG over de (politieke)
prioriteiten van de Benelux-samenwerking.41
De AIV is voorstander van intensivering van de BPS. Versterking en intensivering ervan
ligt in het logische verlengde van het Europese krachtenveld zoals dat zich de afgelo-
pen jaren heeft gemanifesteerd. Intensieve politieke samenwerking tussen de Benelux-
landen heeft daarbinnen een meerwaarde, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Hier kan het rapport van het Comité van Wijzen uit 1994 worden geciteerd, waarin
werd gesteld dat in antwoord op de ontwikkelingen in Europa en de wereldeconomie de
Benelux-landen hun belangen het beste konden verdedigen ‘door, voor zover mogelijk,
gemeenschappelijke dan wel vergelijkbare posities in te nemen bij de belangrijke (Euro-
pese) dossiers’.42
De noodzaak hiertoe is anno 2007 slechts dringender. Daarbij moet in de ogen van de
AIV vooral worden gewezen op het effect dat de uitbreiding heeft op het vermogen van
afzonderlijke lidstaten invloed uit te oefenen op de Europese agenda en besluitvor-
ming. De uitbreiding van 15 tot 27 lidstaten heeft een geheel nieuwe dynamiek in het
onderhandelingsspel teweeggebracht, waarbij in het bijzonder groepsvorming tussen
(grote) landen vermelding verdient.43 In dit spel staan kleinere landen als de Benelux-
41 Zie onder meer het eerder genoemde rapport van de Vlaamse overheid (Luk Van Langenhove en
    Jan Wouters, De Vlaamse positie ten aanzien van de Benelux naar aanleiding van de vernieuwing van
    het Benelux-verdrag, Onderzoeksrapport van UNU-CRIS en het Instituut voor Internationaal Recht,
    K.U. Leuven, in opdracht van Internationaal Vlaanderen, juni 2006). Zie ook: College van Secre-
    tarissen-Generaal, Discussienota over de toekomst van de Benelux, Brussel, 27 juni 2005 en I.G.C.
    Janssen, Benelux: closer cooperation within the European Union? Shaker Publishing, Maastricht,
    2006.
42 Comité van Wijzen, De Benelux opnieuw bezien, Resumé met conclusies en aanbevelingen, (geen
    datum, informele uitgave van het SG-Benelux), p. 6.
43 Zie over de Nederlandse zorgen ten aanzien van tendensen tot directoriumvorming tussen de
    grote landen onder andere: Bernard Bot, Met overtuiging en berekening; van zuiver naar realistisch
    multilateralisme. In: Internationale Spectator, jaargang 60, 2006, pp. 547-551.
                                                      23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>lidstaten zoveel sterker wanneer zij gezamenlijk optreden. Dit laatste temeer daar de
Benelux-landen door de buitenwereld sterk als eenheid worden gepercipieerd en mede
op basis van die reputatie een meer dan evenredige invloed (kunnen) uitoefenen. Dit
laatste geldt, zoals reeds opgemerkt, in het bijzonder voor het instrument van de Benelux-
memoranda. Het feit dat deze teksten als discussiestuk in de EU worden gebruikt en dat
delen ervan als EU-standpunt zijn aanvaard, is een belangrijke indicatie van de invloed
die de drie landen door gezamenlijk op te treden, kunnen uitoefenen in de EU. In het ver-
lengde daarvan is er de overweging dat binnen de EU van vandaag meer ruimte bestaat
voor nauwere samenwerking en dat daar ook een grotere behoefte aan is. De Benelux-
landen kunnen gezamenlijk een voortrekkersrol spelen, zoals ook eerder, als uitvloeisel
van de zogeheten laboratoriumfunctie in de BEU-samenwerking, het geval is geweest.
De AIV benadrukt dat het gezamenlijk optrekken in EU-verband niet alleen relevant is
met het oog op lopende beleidsdossiers, maar vooral ook ten aanzien van de toekom-
stige vormgeving van de EU. De recente perikelen rond de Europese grondwet doen in
dit verband niet af aan het gegeven dat de drie landen van oudsher een drijvende
kracht achter het Europese integratieproces zijn geweest en zich traditioneel als pleit-
bezorgers van de communautaire methode hebben opgesteld. Een opstelling waaraan,
in de visie van de AIV, een blijvende behoefte blijft bestaan.44
De AIV is zich ervan bewust dat het bij dit pleidooi niet kan gaan om een exclusief part-
nerschap. In de EU treden wisselende coalities op, waarbij de samenstelling per onder-
werp anders kan zijn. Die realiteit van de Europese integratie en het gegeven dat ook
de drie Benelux-landen in dit spel de nodige (onder-)handelingsvrijheid wensen te
behouden, verzetten zich derhalve tegen de gedachte een consultatieplicht tussen de
drie landen (verdragsmatig) vast te leggen en ook tegen de idee van een right of first
refusal. De AIV is voorstander van een meer positieve benadering, die tot uitdrukking
zou moeten komen in een praktijk waarbij de Benelux-landen elkaar op Europees
niveau bij voorrang zouden dienen te consulteren (right of privilege). Dat zou hoe dan
ook het geval moeten zijn ten aanzien van onderwerpen die zowel op EU-niveau als in
het kader van de BEU-samenwerking aan de orde zijn, zoals de politiesamenwerking.
In de visie van de AIV is derhalve intensivering van de politieke samenwerking in EU-
kader gewenst. Ten eerste zal een gemeenschappelijke Benelux-inbreng in het spel van
Europese coalitievorming het relatieve gewicht van elk van de partners vergroten. Hier-
bij mag ook worden gewezen op het gezamenlijk stemgewicht van de drie Benelux-lan-
den. Dit is gelijk aan dat van een grote EU-lidstaat. Ten tweede, ook in die gevallen
waarin geen overeenstemming kan worden bereikt, is het nuttig elkaars standpunten te
kennen en daarmee rekening te houden tijdens het verdere verloop van de onderhan-
delingen. De AIV kan zich hierbij overigens niet aan de indruk onttrekken dat soms té
gemakkelijk wordt gesteld dat een gemeenschappelijke positie niet mogelijk is, omdat
de drie partners het onderling niet eens zijn. Juist dan zou een extra inspanning nodig
zijn om standpunten te verzoenen, mede omdat anders het bereiken van consensus
binnen de EU moeilijk zal blijken te zijn. De Benelux-landen zouden derhalve het enga-
gement moeten aangaan om, niet alleen in dossiers waar de standpunten vanaf het
begin reeds dicht bij elkaar liggen, maar ook in moeilijker dossiers, op elkaar afgestem-
de posities na te streven. Dit engagement zou volgens de AIV door middel van een
44 Zie recente advisering van de AIV hierover in AIV-advies nr. 52, Europa een prioriteit!, november
    2006 en het AIV-briefadvies nr. 10, De band van de Nederlandse burger met de EU, december
    2005.
                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>politieke verklaring bij het toekomstige Benelux-verdrag tot uitdrukking kunnen worden
gebracht.
Pleidooien om het SG, dan wel het College van SG’s van de Benelux, een rol te geven
in het proces van de BPS worden door de AIV niet ondersteund. De politieke samen-
werking speelt zich af tussen de hoofdsteden en tussen de PV’s-EU en raakt op hoofd-
lijnen vraagstukken en terreinen die niet vallen onder de BEU-samenwerking. Gegeven
de bij de hoofdsteden en binnen de PV’s aanwezige deskundigheid inzake de EU-dos-
siers en het bredere Europese speelveld, ligt de primaire verantwoordelijkheid voor de
onderlinge afstemming betreffende EU-aangelegenheden op dit niveau. De AIV ziet daar-
bij ten aanzien van het proces van Europese coalitie- en besluitvorming ook geen meer-
waarde van separaat of aanvullend Benelux-overleg van het SG. Los van het ontbreken
van de daartoe benodigde expertise en personele capaciteit, zou dergelijk overleg voor-
al tot duplicatie en vertraging kunnen leiden. Dit laatste weegt zwaar binnen een EU
waar snelheid en flexibiliteit binnen de besluitvorming steeds belangrijker worden.
Dit laat onverlet dat er raakvlakken bestaan tussen activiteiten van de Benelux-organisa-
tie en de EU. Eerder is gewezen op de laboratoriumfunctie van de Benelux op het terrein
van onder andere het interne veiligheidsbeleid. Een vraag is dan of initiatieven in het
verband van de Benelux, of in dat van de Benelux-plus, dienstig kunnen zijn aan het
proces van Europese integratie. Afgezien daarvan meent de AIV dat daar waar in de
Benelux sprake is van verdergaande samenwerking verwacht mag worden dat de Bene-
lux-landen in de EU met een gezamenlijk standpunt op het betreffende terrein kunnen
komen, c.q. dit nastreven.
Conclusie
De BPS heeft, ook in haar huidige relatief lichte vorm, in de visie van de AIV een meer-
waarde binnen het bredere kader van de EU. In het kader van de uitbreiding van de EU,
de tendens tot groepsvorming binnen de Unie en de daarbij meer nadrukkelijke opstel-
ling van de grote landen, de noodzaak tot vroegtijdige coalitievorming en de groeiende
behoefte aan vormen van nauwere samenwerking, is naar de mening van de AIV voort-
zetting en intensivering van de BPS noodzakelijk en moeten daarin ook zeker de onder-
werpen van de BEU-samenwerking op de agenda staan. Dit te meer omdat in het verle-
den is gebleken dat de Benelux-landen door gezamenlijk op te treden de eigen invloed
op de Europese besluitvorming hebben kunnen vergroten. Met het oog op de noodzake-
lijk geachte intensivering van de BPS wordt in het slothoofdstuk van dit advies een
aantal aanbevelingen gedaan.
                                            25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>V         De instellingen van de Benelux-samenwerking
In vervolg op de analyse van het takenpakket heeft de AIV de vraag aan de orde gesteld
welke rol de Benelux als organisatie bij het uitvoeren van die taken kan vervullen. Daar-
bij is een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het functioneren van de instellingen
met een voornamelijk adviserende, registratieve of rechtsprekende opdracht (de IPBR,
het BG, het BBIE, de Economische en Sociale Raad van Advies en het College van
Scheidsrechters) en anderzijds de eigenlijke overlegstructuren van de Benelux met een
eerder beleidsmatig en/of uitvoerend karakter. Deze overlegstructuren zijn op politiek
niveau: het Comité van Ministers en de ministeriële werkgroepen, en op ambtelijk
niveau: de Raad van de Economische Unie, de ambtelijke comités en het SG van de
Benelux. Voor de aanbevelingen wordt verwezen naar hoofdstuk VI.
De AIV wijst er in dit hoofdstuk op dat binnen de Benelux voorzieningen zijn getroffen
om in de praktijk van het Benelux-overleg rekening te kunnen houden met de federalise-
ring van België, in die zin dat wanneer dat opportuun is de gewesten en de gemeen-
schappen, zowel op ministerieel niveau als in de ambtelijke organen, aan het overleg
kunnen deelnemen, omdat zij op bepaalde terreinen verdragsbevoegd zijn geworden.
Dit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Nederlandse provincies. De nieuwe situatie in
België houdt echter ook een gevaar in, zo werd de AIV door Belgische gesprekspartners
verzekerd, namelijk dat de drie lidstaten van de Benelux niet langer ieder met een stem
spreken. Daarom hecht de AIV eraan dat onverkort wordt vastgehouden aan de soeve-
reiniteit van de Belgische federatie als verdragspartij. Dit betekent dat langs de daartoe
ontworpen kanalen de gewesten en de gemeenschappen samen tot één standpunt en
één gedragslijn moeten komen in de onderhandelingen met de andere lidstaten.
Het functioneren van de adviserende en justitiële instellingen van de Benelux
In deze paragraaf worden achtereenvolgens aan de orde gesteld de IPBR, het BG, het
BBIE, de Economische en Sociale Raad voor Advies en het College van Scheidsrechters.
De Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad
Ten aanzien van het functioneren van de IPBR meent de AIV dat deze instelling meer
oog moet hebben voor het eigen raadgevende karakter. De IPBR is immers geen parle-
mentair orgaan dat over volwaardige parlementaire bevoegdheden beschikt en zal deze
bevoegdheden ook niet kunnen krijgen. Ten aanzien van de raadgevende functie zijn de
volgende zaken dan van belang.
1. De transparantie. Het Comité van Ministers is verplicht verslag uit te brengen over
    zijn activiteiten en antwoord te geven op eerdere aanbevelingen van de IPBR. In het
    geval dat aanbevelingen niet worden opgevolgd, heeft de IPBR erop aangedrongen
    dat het Comité van Ministers daarover uitleg geeft.
2. De aanwezigheid van politiek verantwoordelijke bewindslieden bij de bespreking van
    politiek gevoelige onderwerpen, zoals de uitdieping van de Westerschelde, de kwaliteit
    van het Maaswater en de IJzeren Rijn.
3. Het IPBR is een uniek forum voor ontmoetingen van parlementariërs uit de drie lan-
    den. Dit persoonlijk contact draagt bij tot consensusvorming over zaken die om een
    gemeenschappelijke oplossing vragen.
4. De Benelux wordt door de buitenwereld gezien als model voor nauwere samen-
    werking en de IPBR heeft een voortrekkersrol gespeeld in dit kader. Deze rol heeft
    ook betekenis voor coalitievorming in de uitgebreide EU.
                                              26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De IPBR heeft zelf aangegeven in de uitoefening van zijn rol meer de nadruk te willen
leggen op een projectmatige aanpak, echter zonder deze uit te werken. De AIV wil zeker
niet treden in de parlementaire bevoegdheid om de eigen werkwijze te regelen, maar
zou zich kunnen voorstellen dat het Comité van Ministers in aanvulling op het jaarver-
slag ook het jaarprogramma bespreekt in de IPBR. De werkzaamheden zouden boven-
dien zo kunnen worden ingericht, dat de plenaire zittingen thematisch worden opgezet,
waarbij ook relevante nationale parlementariërs worden uitgenodigd.
In het recente verleden is het aantal commissies van de IPBR opgeschoond. De AIV is
van oordeel dat vaker een evaluatie moet plaatsvinden van het aantal commissies en
hun taken en stelt voor dit met een zekere regelmaat te doen.
De vraag van toekenning van een formeel initiatiefrecht aan het IPBR vindt de AIV wei-
nig relevant. Bestaande procedures geven voldoende mogelijkheden relevante ideeën
in debatten, of via parlementaire vragen, naar voren te brengen. Wel is daarbij een
goede terugkoppeling naar de nationale parlementen en hun commissies van belang.
Zeker wanneer samenwerking in het bredere kader van de Benelux-plus op de agenda
staat, beveelt de AIV aan parlementariërs uit àlle betrokken landen in de IPBR uit te
nodigen.
Het Benelux-Gerechtshof
Het BG heeft sedert 1974 uitspraak gedaan in 165 zaken, waarvan 37 ambtenarenza-
ken en 128 prejudiciële zaken. Uit gegevens, die het BG aan de AIV heeft verstrekt,
volgt dat bij wijze van korte kenschets kan worden gesteld dat het merendeel van de
zaken uit België komt (52%), een merkenzaak is (45%), afkomstig is van rechtscolleges
(59%), enkel schriftelijk verloopt (55%) en Nederlands als procestaal heeft (76%).
Op grond van artikel 16.3 van het Statuut Benelux-Gerechtshof blijft dit statuut even
lang van kracht als het BEU-verdrag. Op verzoek van de president van het BG zijn in
2003 en 2004 twee preadviezen uitgebracht met het oog op de reflecties over de
voortzetting van het BEU-verdrag van 1958 en de mogelijke verlenging van het Statuut
Benelux-Gerechtshof.45 In beide preadviezen wordt een zekere terughoudendheid uitge-
sproken over mogelijkheden om het aantal gebieden waarvoor het BG bevoegd is uit te
breiden, met uitzondering van uitbreiding op het gebied van andere intellectuele eigen-
domsrechten, zoals het octrooirecht. Immers, met betrekking tot het merkenrecht geldt
dat de taak van het BG ten aanzien van geharmoniseerde aspecten van het EU-merken-
recht aanzienlijk is beperkt,46 terwijl in het kader van het European Patent Litigation
Agreement (EPLA) een Europees Octrooihof in oprichting is en het BG in de behoefte
45 Zie J. Erauw, H. Vanhees en P. Taelman, Preadvies over het Benelux-Gerechtshof, Gent 2004. Zie
   ook D.W.F. Verkade, Preadvies betreffende enige vragen omtrent de toekomst van het Benelux-
   Gerechtshof, 2003.
46 HvJEG 4 november 1997, Jur. 1997, I-6013: de zaak Evora/Dior. In dit arrest bepaalde het HvJEG
   dat het BG moet worden aangemerkt als hoogste rechterlijke instantie in de zin van artikel 234
   van het EG-verdrag en prejudiciële vragen bij het HvJEG terecht moeten komen en niet bij het BG.
   Zie ook Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten
   PbEG L 195/16 van 2 juni 2004.
                                                  27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>aan een regionaal gerecht van eerste aanleg zou kunnen voorzien.47
Verder wordt in de beide genoemde preadviezen en in een artikel van de president van
het BG,48 een lans gebroken voor het vervangen van de huidige – lange – rechtsgang in
geval van beroepen tegen inschrijvingen van merken, modellen en tekeningen door een
rechtstreeks beroep op het BG.49 Het bezwaar tegen de huidige rechtsgang is niet
alleen de duur, maar vooral het feit dat nationale rechters in vergelijkbare beroepszaken
tot heel verschillende uitspraken komen. Door een rechtstreeks beroep op het BG moge-
lijk te maken zou een meer uniforme rechtspraktijk worden bewerkstelligd. Daarnaast
zou de doorlooptijd kunnen worden verkort door dergelijke beroepen te laten behandelen
in kleinere, speciale kamers. Dit kan worden gemodelleerd naar het beroep van een (wei-
gering van) inschrijving door het Europees Merkenbureau bij het Europese gerecht van
eerste aanleg en cassatie bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
(HvJEG).50 De AIV is voorstander van deze mogelijkheid van rechtstreeks beroep. Deze
taak zou dan wel, zoals voorgesteld, moeten worden neergelegd bij een speciale kamer.
De werkzaamheden van de kamer in eerste aanleg zijn dan die van een feitenrechter,
hetgeen meebrengt dat de kamer waarschijnlijk ook behoefte zal hebben aan een (meer
uitgebreid) secretariaat. In dat verband zou er, om redenen van efficiëntie, ook naar
moeten worden gestreefd de kamer uit niet meer dan drie leden te laten bestaan. Voorts
is het naar de mening van de AIV niet nodig deze leden slechts te rekruteren uit de
hoogste rechtscolleges van de lidstaten; ook leden van lagere rechtscolleges zouden
voor benoeming in aanmerking moeten komen. Ten slotte zou de AIV ervóór zijn dat ook
experts op het gebied van het merken- en modellenrecht voor benoeming als lid van de
kamer in aanmerking komen, op een manier die te vergelijken is met de benoeming van
rechters-plaatsvervanger in Nederland.
47 Gezien de huidige problemen bij de totstandkoming van een gemeenschapsoctrooi lijkt het onwaar-
     schijnlijk dat een Europees octrooi op korte termijn tot stand zal komen. Mede met het oog daarop
     is in het kader van de Europese octrooiorganisatie een ontwerpovereenkomst tot stand gekomen
     tot oprichting van een Europees octrooihof. Het hof zou bestaan uit een hof van beroep en een
     gerecht van eerste aanleg, dat op zijn beurt een aantal regionale divisies zou hebben.
48 Ivan Verougstraete, Een toekomst voor het Benelux-Gerechtshof, Bijblad Industriële Eigendom,
     2005, pp. 87-91.
49 Thans bestaat bij bezwaar tegen de inschrijving van een merk, model of tekening, of tegen de
     weigering daarvan, de mogelijkheid van beroep bij de gerechtshoven van Brussel, Den Haag of
     Luxemburg en van cassatie bij de hoogste rechterlijke instantie. Daarbij kunnen deze rechterlijke
     instanties steeds prejudiciële vragen stellen aan het BG. Het BG zou, met uitsluiting van de
     bevoegde nationale cassatie-instanties, als cassatierechter kunnen fungeren van de uitspraken van
     de hoven Den Haag, Brussel en Luxemburg. Een nadeel van dit voorstel is dat wanneer een voor-
     ziening tegen een uitspraak van een hof van beroep niet enkel schending van de Benelux-rechtsre-
     gels aanvoert, onduidelijk is of het BG ten aanzien van deze materie bevoegd is. De AIV is niet
     vóór deze suggestie. Zie ook: I. Veroughstraete, Een toekomst voor het Benelux-Gerechtshof,
     Bijblad Industriële Eigendom, 2005, pp. 90-91; D.W.F. Verkade, Preadvies betreffende enige vragen
     omtrent de toekomst van het Benelux-Gerechtshof, 2003, pp. 14-19; J. Erauw c.s. Preadvies over
     het Benelux-Gerechtshof, Gent 2004, pp. 18-20; M.C. Janssens en V. Vanovermeire, Benelux na
     2010, pp. 85-86.
50 Het BG zou in deze structuur de functie van cassatierechter vervullen, naar analogie met de rechts-
     gang bij de Europese rechterlijke instanties met betrekking tot beroepsprocedures betreffende de
     (weigering van) inschrijving van een merk of model. In die opzet is dan ook geen sprake van het
     vervallen van een cassatiemogelijkheid.
                                                    28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>In verband met mogelijke uitbreiding van de bevoegdheden van het hof op het gebied
van intellectuele en industriële eigendomsrechten zijn ook stemmen opgegaan om het
BG op termijn de bevoegdheid te verlenen op te treden als regionale divisie van het op
te richten Europese Octrooihof. De AIV is voorstander van deze suggestie. Ook deze
activiteiten zouden kunnen worden ondergebracht in een speciale (kleinere) kamer,
eventueel met gespecialiseerde rechters. Ook wordt wel voorgesteld de interpretatiebe-
voegdheid van het BG uit te breiden tot gebieden die zich in de nabije toekomst en op
basis van het huidige advies onderscheiden als mogelijke kerntaken van Benelux-
samenwerking. Daarbij kan met name worden gedacht aan gebieden waarop de Bene-
lux een laboratoriumfunctie zou kunnen hebben ten aanzien van Europese ontwikkelin-
gen, zoals politiesamenwerking, migratiebeleid en energiebeleid. De AIV meent dat
deze mogelijkheid serieus onderzoek verdient.
Ten aanzien van de bevoegdheden van het BG is ook wel de gedachte geopperd het hof
bevoegdheid te geven inzake geschillen tussen niet alleen de verdragsluitende staten
onderling, maar ook over geschillen tussen hen en regionale autoriteiten. Geschillen tus-
sen de verdragsluitende staten behoren nu te worden voorgelegd aan het College van
Scheidsrechters. Dit is tot nu toe vrijwel nooit voorgekomen, met als gevolg dat dit col-
lege een slapend bestaan leidt. Daar niet verwacht mag worden dat deze situatie zich
zal wijzigen, is er dus geen reden deze taak aan het BG toe te delen, dat daar overigens
ook niet voor is toegerust. Bovendien zou de bevoegdheid van het hof zich uit te spre-
ken over geschillen tussen zijn ‘oprichters’, de geloofwaardigheid van diens rechtspraak
in geschillen tussen de ‘rechtssubjecten van deze oprichters’ kunnen aantasten.
Geschillen tussen de verdragsluitende staten en regionale autoriteiten zouden in België
kunnen spelen, waar na de federalisering van het staatsbestel, de gewesten en de
gemeenschappen zelf verdragen mogen sluiten. Er zijn evenwel ook nadelen verbonden
aan de toekenning van rechtsmacht aan de ‘gewone’ rechter inzake de interpretatie
van verdragen en supranationale overeenkomsten. De AIV meent dat in elke nieuw te
sluiten overeenkomst moet worden vastgelegd of het BG deze rol dient te spelen.
Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom
Bij het BBIE staan op dit moment bijna een miljoen merken en meer dan 16.000 teke-
ningen en modellen geregistreerd.51 Er werken circa 100 mensen.52 De instellingen
worden volledig gefinancierd door de vergoedingen die bedrijven betalen voor de
registratie van hun merk, tekening of model. In 2005 boekte het BBIE een winst van
K 5.131.000.53
Algemeen wordt gesteld dat het bureau goed functioneert en alert reageert op nieuwe
uitdagingen. Voorbeelden daarvan vormen de mogelijkheden tot elektronisch depot en
de snelle behandelingstermijn. De totstandkoming van het Europese Gemeenschaps-
merk als gevolg van de inwerkingtreding van Verordening 40/94 inzake het Gemeen-
schapsmerk54 en dienovereenkomstige oprichting van het Europees merken- en model-
lenbureau in Alicante (in 1996) heeft vooralsnog geen spectaculaire daling van het
51 Bron: webpagina BBIE, <http://www.boip.int>.
52 Ter vergelijking: bij het Benelux SG werken 60 mensen.
53 Deze winst was uitzonderlijk hoog vanwege de invoering in dat jaar van de domeinnaam ‘.eu’.
54 OJ L 011, 14.1.1994, p. 1.
                                                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>aantal merkdepots bij het Benelux-Merkenbureau tot gevolg gehad.55 De verwachting is
dat dit anders zal zijn met betrekking tot de inschrijving van modellen, nu op 1 april
2003 Verordening 6/2002/EG betreffende het Europese Gemeenschapsmodel56 in
werking is getreden57 en er geen groot verschil bestaat tussen de kosten van inschrij-
ving van een Europees en een Benelux-model.
Zeker nu het nieuwe Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom nog maar kort
geleden (1 september 2006) in werking is getreden, lijkt er geen aanleiding substantië-
le wijzigingen voor te stellen met betrekking tot de werkzaamheden van deze Benelux-
organisatie.
De Economische en Sociale Raad voor Advies en het College van Scheidsrechters
De eerstgenoemde organisatie speelt in de praktijk sinds jaren geen rol van betekenis
(meer) en kan naar de mening van de AIV worden opgeheven. Ook het College van
Scheidsrechters is vrijwel nooit actief geweest, eenvoudig omdat de lidstaten geen
onderlinge geschillen hebben voorgelegd. Dat sluit echter niet uit dat zich dit in de toe-
komst kan voordoen. Mede omdat de kosten van het instandhouden van deze slapende
instelling verwaarloosbaar zijn, is de AIV van mening dat het beter is deze mogelijkheid
open te houden en door deze instelling als zodanig te handhaven.58
De overlegstructuren van de Benelux en de rol van het Secretariaat-Generaal
Grosso modo kan de huidige institutionele overlegstructuur als volgt worden beschreven.
Het Comité van Ministers, de ministeriële werkgroepen en comités
Het Comité van Ministers is het hoogste beslisorgaan van de BEU. Het is samenge-
steld uit leden van de regeringen van België (federale regering), Nederland en Luxem-
burg. De minister van Buitenlandse Zaken is voorzitter van de delegaties, terwijl daar-
naast ook de ministers van Economische Zaken en van Financiën er formeel deel van
uitmaken. Andere leden van deze regeringen of van de gewest- of gemeenschapsrege-
ringen van België kunnen aan vergaderingen van het Comité van Ministers deelnemen
in functie van de agenda.
Er is niets bepaald met betrekking tot de frequentie van de vergaderingen van het
Comité van Ministers. Het Comité van Ministers heeft sinds 1982 niet meer in formeel
verband vergaderd, hetgeen in de ogen van de AIV tekenend is voor het lage niveau van
politieke sturing door de lidstaten van de Benelux gedurende de tweede helft van haar
55 Uit statistieken, gepubliceerd op de webpagina van het BBIE, blijkt dat het aantal merken en model-
    lendepots sedert 1997 min of meer stabiel bleef rond de 23.000 depots, met een uitschieter naar
    30.685 in 2005.
56 PbEG 5.1.2002, p. L 3/1.
57 Het aantal inschrijvingen van een Benelux-model daalde van 2013 in 2004 tot 1238 in 2005.
    Inschrijving van een merk bij het Europese Merkenbureau is echter voor meer lokaal of regionaal
    werkende merken dikwijls ook niet gunstig, omdat het merk dan in de hele EU moet gelden.
    Wanneer bijvoorbeeld een merk in Estland wordt aangevallen, dan moet het merk ook dáár worden
    verdedigd, anders vervalt de inschrijving, inclusief die in de Benelux. Om deze reden is in 2006
    een toename waar te nemen van Benelux-inschrijvingen.
58 Zie hierover ook de voorgaande paragraaf over het BG.
                                                    30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>bestaan. In hoofdstuk VI heeft de AIV aanbevelingen geformuleerd die erop gericht zijn
in het bijzonder de frequentie van het overleg te intensiveren.
Het BEU-verdrag voorziet in de mogelijkheid tot overleg in vaktechnische ministeriële
werkgroepen. Zo zijn voor het overleg op terreinen als verkeer, ruimtelijke ordening of
personenverkeer afzonderlijke ministeriële werkgroepen opgericht.
De (bijzondere) comités en de werkgroepen bestaan uit ambtenaren van de diverse
ministeries, waaronder de gewesten en de gemeenschappen in België, op basis van de
bevoegdheden van deze ministeries.59 Onder de meeste van deze (bijzondere) comités
en werkgroepen zijn een veelheid aan subcomités en subwerkgroepen actief.
De Raad van de Economische Unie en de ambtelijke comités
De REU is het hoogste ambtelijke orgaan van de Benelux. Hij is samengesteld uit de
voorzitters van de nationale delegaties van de commissies. Hoge ambtenaren van de
ministeries van Buitenlandse Zaken van de drie landen – voor Nederland en België zijn
dat de secretarissen-generaal – zitten de REU voor. De belangrijkste bevoegdheden van
de Raad zijn ten eerste uitvoering geven aan de beslissingen van het Comité van Minis-
ters en ten tweede de voorbereiding van de dossiers van het Comité van Ministers. De
raad vervult dus een coördinerende en intermediaire rol tussen het Comité van Minis-
ters en de andere comités.
Bij de eerdere herijking werd bepaald dat de REU moet toezien op de implementatie
van de door het Comité van Ministers uitgestippelde richtlijnen en aan dat comité moet
rapporteren. Deze rapportage moet gebeuren op basis van kwartaalverslagen van de
SG over de voortgang en de resultaten van de samenwerking. De REU vervult zodoende
een centrale rol ten aanzien van de aansturing, coördinatie en monitoring.
Hoewel de raad een centrale rol heeft in de aansturing, constateert de AIV dat de raad
slechts in een afgeslankte vorm om de twee à drie jaar bijeenkomt, hetgeen de AIV, uit
oogpunt van aansturing en monitoring, onvoldoende lijkt. Bovendien constateert de AIV
dat ook de samenstelling van de REU niet aansluit bij de (potentiële) rol en het taken-
pakket van de Benelux-samenwerking, in het bijzonder in het licht van de laboratorium-
functie en de relatie met de EU (het gezamenlijk optrekken in de EU-besluitvormings-
kaders). In dit verband stelt de AIV voor dat de samenstelling van de REU wordt
aangepast aan deze veranderde taken, door niet de secretarissen-generaal van de
betrokken ministeries van de drie Benelux-landen, maar de directeuren-generaal Europe-
se Samenwerking in de raad te benoemen en tegelijkertijd de vergaderfrequentie te ver-
hogen. Op deze wijze kan de REU zijn taak als schakel tussen de BEU-samenwerking en
de EU-samenwerking zowel in politieke als praktische zin beter gestalte geven.
De REU laat zich bijstaan door een coördinatiecomité, dat in de praktijk de activiteiten
van de Benelux op de voet volgt en daarbij nauw samenwerkt met het SG. Dit advise-
rende comité bestaat uit de nationale coördinatoren (ambtenaren van de ministeries
van Buitenlandse Zaken die op nationaal vlak bevoegd zijn voor de Benelux-samenwer-
king). Dit coördinatiecomité is evenwel niet voorzien in het BEU-verdrag, maar zou in de
visie van de AIV wel een institutionele verankering behoeven.
59 Zie bijlage VI.
                                            31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Momenteel is een negentigtal overlegorganen – raden, directiecomités, comités, bijzon-
dere comités, subcomités, werkgroepen, subwerkgroepen, enz. – in de Benelux-struc-
tuur actief. Slechts een deel daarvan is officieel bij het Benelux-verdrag van 1958 inge-
steld. Een ander deel is het product van de ontwikkelingen die zich in de Benelux sinds
1958 hebben voorgedaan. Bij het opnemen van nieuwe taken zijn regelmatig nieuwe
overlegorganen gecreëerd. Sommige daarvan zijn door middel van ministeriële beschik-
kingen geformaliseerd, andere zijn in de praktijk ingesteld zonder verdere formalisering.
Naast de actieve commissies en werkgroepen bestaat formeel nog een aantal overleg-
organen die in de praktijk niet meer werkzaam zijn. De AIV meent dat er een kritische
evaluatie van dit geheel aan overlegorganen nodig is in het licht van de kerntaken als
vermeld in hoofdstuk III.
Het College van Secretarissen-Generaal en het Secretariaat-Generaal
Het SG is de administratieve spil in de BEU-samenwerking, onder verantwoordelijkheid
van het College van SG’s. Dat laatste college bestaat uit een (de) SG en twee adjunct-
SG’s en is zodanig samengesteld dat de drie nationaliteiten van de lidstaten vertegen-
woordigd zijn. De AIV wil het profiel van dit college verhogen. In dat verband dient de
SG vaker gebruik te maken van zijn/haar initiatiefrecht en het voortouw te nemen bij
de opstelling van een jaarlijks werkprogramma. Daartoe zou het politieke profiel van de
SG verhoogd moeten worden in overeenstemming met de voorgestelde versterking van
zijn/haar positie. Ook wil de AIV in dit verband de zittingstermijn beperken tot vijf jaar,
met mogelijkheid van eenmalige verlenging. Tevens is een meer heldere taakverdeling
tussen de drie SG’s noodzakelijk.
Het Secretariaat-Generaal begeleidt de overlegorganen van de BEU, zowel op het amb-
telijke als op het beleidsniveau en levert deze inhoudelijke, administratieve en logistie-
ke ondersteuning. Er werken circa 60 mensen. In de praktijk verschilt de rol die het SG
speelt per werkterrein. Soms is die rol de ambtelijke procesbegeleiding, alsmede het
faciliteren van de vergaderingen (voorbereiding van de agenda, notuleren, uitnodiging
van relevante deskundigen, verzenden van vergaderstukken, verzorgen van simultane
vertaling etc.). Hierbij horen ook zaken als de bewaking van de voortgang van de actie-
punten en het opmaken van (juridische) teksten. Ook speelt het SG een rol als onaf-
hankelijk intermediair tussen de belanghebbenden van de drie landen. In andere geval-
len vervult het SG vooral een rol als expertisecentrum. Dit doet zich met name voor bij
grensoverschrijdende samenwerking, zeker wanneer het gaat om grote projecten in de
ruimtelijke ordening. In dergelijke gevallen moeten complexe overlegstructuren, regelge-
ving en verschillen in bestuursculturen worden overwonnen. Daarbij vormt het SG
tevens het collectieve geheugen van de samenwerking.
Het SG vervult derhalve een aantal verschillende rollen, zoals die van facilitator, secre-
tariaat en procesbeheerder. De vraag moet worden gesteld of het SG deze rollen in de
toekomst moet blijven vervullen. Bij deze kwestie speelt ook de vraag of het SG een
romporganisatie moet worden, welke als een flexibele projectorganisatie de samenwer-
king moet faciliteren op concrete onderwerpen. In dit verband zijn de uitkomsten van
de komende interdepartementale studie naar de SG als organisatie van belang evenals
de uitkomsten van de eerder genoemde studie van de Raad van Openbaar Bestuur.
Beide adviezen waren ten tijde van de vaststelling van dit advies nog niet beschikbaar.
Conclusies
De regering heeft zich uitgesproken de Benelux-samenwerking voort te zetten. De AIV
onderschrijft de meerwaarde van de BEU-samenwerking en van de BPS in de voorgaande
hoofdstukken. Dat betekent echter dat enerzijds er een grotere politieke betrokkenheid
                                             32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>en sturing vanuit de lidstaten nodig zal zijn, maar anderzijds dat de instellingen van de
Benelux daarbij aangepast moeten worden.
De AIV meent dat de aanpassingen die in 1995-1996 op een informele wijze zijn doorge-
voerd, hebben geleid tot een zekere afslanking en flexibilisering van de overlegstructuur.
Deze structuur moet opnieuw worden aangepast aan de huidige omstandigheden en de
eerder geformuleerde kerntaken. Daarbij is het van belang dat deze aanpassing zodanig
vorm krijgt dat niet telkens een nieuwe verdragswijziging nodig is wanneer nieuwe kern-
taken zich aandienen en oude verdwijnen.
Naar de mening van de AIV is de verlenging van het Benelux-verdrag het moment waar-
op het huidige, complexe netwerk van overlegorganen kan worden afgeslankt en omge-
vormd tot een meer flexibele overlegstructuur, die in de toekomst kan meebewegen
met de ontwikkelingen in de taakstelling van de Benelux en waarbij de eerder geformu-
leerde kerntaken en prioriteiten maatgevend zijn.
                                             33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>VI         De toekomst van de Benelux: conclusies en
           aanbevelingen
In de adviesaanvraag is de AIV gevraagd een oordeel te geven over de toegevoegde
waarde van de Benelux-samenwerking op praktisch (BEU) en politiek (BPS) terrein. Naar
de mening van de AIV heeft de Benelux-samenwerking op de beide genoemde terreinen
een duidelijke meerwaarde. Om die reden staat de raad, zoals in de inleiding van dit
advies reeds is gesteld, positief tegenover voortzetting van de Benelux-samenwerking
en steunt hij het kabinet in zijn besluit deze samenwerking voort te zetten. Gesteld is
dat de Benelux in de buitenwereld enerzijds als voorbeeld en rolmodel wordt erkend,
en anderzijds als machtsfactor wordt gezien. Die betekenis zou bij de niet-voortzetting
verloren gaan.60
Terug naar de meerwaarde. De AIV meent dat deze vooral tot uitdrukking komt in het
bredere kader van de Europese samenwerking. Daarbij gaat het primair, maar niet
alleen, om de politieke samenwerking in de Benelux. In het verleden is immers geble-
ken dat de drie landen door onderlinge afstemming van standpunten en door gezamen-
lijk initiatieven te nemen – onder andere via de Benelux-memoranda – een meer dan
evenredige invloed op de Europese besluitvorming en agenda hebben kunnen uitoefe-
nen en zo hun positie binnen de EU hebben kunnen versterken. Daarbij hebben zij kun-
nen profiteren van het gegeven dat de buitenwereld de Benelux-landen, mede op grond
van hun reputatie als voorlopers en grondleggers van de Europese integratie en hun
geschiedenis van nauwe samenwerking in het kader van het BEU-verdrag, als een
natuurlijk samenwerkingsverband zien; vaak sterker dan in de drie Benelux-landen zelf
het geval is. Feitelijk is de Benelux daarmee binnen de EU het enige als effectief
beschouwde regionale samenwerkingsverband. Dit is een bijzondere positie, die vanaf
het begin van het Europese integratieproces ook formeel erkend is in de vorm van de
eerder genoemde machtigingsclausule. Dit betekent tevens dat de politieke samenwer-
king in EU-verband niet los kan worden gezien van de BEU-samenwerking. Die laatste
fungeert, in de ogen van de AIV, evident als platform voor de politieke samenwerking.
De AIV concludeert dan ook dat de BPS, ook in haar huidige lichte vorm, een toege-
voegde waarde heeft in het bredere kader van de EU. Met betrekking tot de toekomst
ervan – en in het bijzonder dan de vraag of versterking van de BPS noodzakelijk is –
moet, zo meent de AIV, deze samenwerking vooral worden bezien in het kader van het
Europese krachtenveld. De AIV voert in dit verband de volgende overwegingen aan voor
voortzetting en waar mogelijk intensivering van de BPS.
1 Allereerst heeft de uitbreiding van de EU onvermijdelijk het effect van verlies van
    machtspositie voor de afzonderlijke lidstaten. Hechtere trilaterale samenwerking en
    afstemming kan binnen een steeds grotere Unie dienen als middel ter compensatie
    van dit machtsverlies. Een aanvullend argument hierbij is de toenemende noodzaak
    tot vroegtijdige coalitievorming binnen de huidige EU. Door gebruik te maken van
    een beproefd en erkend verband als de Benelux-samenwerking kunnen de drie
    landen in dit immer complexe spel een voorsprongpositie verwerven.
2 Daarnaast wijst de AIV op de meer manifeste samenwerking tussen de grote landen.
    Ook deze ontwikkeling dwingt de kleinere en middelgrote landen tot actievere
    samenwerking om hun belangen te verdedigen. In dit proces is hechte(re) samen-
60 Zie hierover: I.G.C. Janssen, Benelux: Closer cooperation within the European Union?, Shaker
    Publishing, Maastricht, 2006.
                                                  34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>    werking in Benelux-verband voor de hand liggend, ook in relatie tot de andere kleinere
    lidstaten.
3. Tot slot is er de overweging dat in de Unie van 27 of meer landen nauwere samen-
    werking onontkoombaar wordt. Het Benelux-verband kan hierbij een voortrekkersrol
    spelen; een rol die het ook in het verleden heeft vervuld.
Bij het onderkennen van deze meerwaarde van de BPS is de AIV zich ervan bewust dat
de politieke samenwerking tussen de Benelux-landen de afgelopen jaren niet altijd
gemakkelijk is geweest. In sommige opzichten lijken de divergerende krachten zelfs
sterker te zijn geworden.61 Niettegenstaande deze constatering meent de AIV dat in
antwoord op de beschreven ontwikkelingen in het Europese krachtenveld een grotere
inzet op politieke samenwerking de positie van de drie Benelux-landen ten goede zal
kunnen komen.
Het positieve oordeel ten aanzien van de Benelux-samenwerking geldt ook de samen-
werking in het kader van de BEU. Deze samenwerking heeft een duidelijke evolutie
doorgemaakt, waarbij het accent is komen te liggen op het interne veiligheidsbeleid en
de samenwerking inzake grensoverschrijdende kwesties. Naar de mening van de AIV
speelt de BEU op deze terreinen een waardevolle rol. Dit geldt in het bijzonder voor het
SG, dat in deze samenwerking een belangrijke initiërende, ondersteunende en soms
sturende functie vervult. Vooral op het terrein van de grensoverschrijdende samenwer-
king functioneert het als expertisecentrum. Voortzetting en stroomlijning van deze acti-
viteiten verdient naar de mening van de AIV dan ook aanbeveling, zij het dat de uitkom-
sten van het eind 2007 verwachte advies van de Raad van Openbaar Bestuur over de
knelpunten in de grensoverschrijdende samenwerking voor decentrale overheden en de
rol van het SG daarin, daarbij in ogenschouw moeten worden genomen.
Daarnaast wil de AIV de potentiële rol van de BEU als voortrekker van samenwerking in
breder EU-verband benadrukken. In het verleden heeft de BEU-samenwerking niet alleen
een laboratoriumfunctie vervuld ten aanzien van de economische samenwerking, maar
ook wat betreft de Verdragen van Schengen en Senningen. Deze functie is via de Bene-
lux-plus-arrangementen direct verbonden met het concept van de nauwere samenwer-
king en vindt ook een rechtvaardiging in de genoemde machtigingsclausule in het EG-
Verdrag. Door in BEU-verband op de prioritaire werkterreinen initiatieven te nemen, kan
de Benelux ook in de toekomst een belangrijke aanzet geven tot nauwere samenwer-
king binnen de EU. Het gegeven dat de Benelux-landen grenzen aan Duitsland en Frank-
rijk betekent dat zij in het bijzonder via de Benelux-plus-samenwerking het nodige poli-
tieke gewicht kunnen genereren in het bredere Europese verband. Naast deze functie
richting de EU, kan de Benelux-samenwerking in praktische zin ook dienstbaar zijn in
het kader van de uitvoering van EU-regelgeving.
De conclusie van de AIV is dan ook dat de Benelux-samenwerking in zowel politieke als
praktische zin een meerwaarde heeft; een meerwaarde die ook moet worden bezien
tegen de achtergrond van ontwikkelingen in het kader van de EU.
Kritiek
Tegelijkertijd is de AIV kritisch over het huidige functioneren van de BEU en de BPS en
meent hij derhalve dat aanpassing en stroomlijning van zowel de BEU en haar instellin-
gen als de huidige praktijk van politieke samenwerking noodzakelijk zijn, teneinde de
61 Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van Irak, het Europese Defensie- en Veiligheidsbeleid,
    visie op de toekomst van Europa en het grondwettelijk verdrag.
                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>meerwaarde van de Benelux ook in de toekomst te kunnen benutten.
Deze kritiek is in de voorgaande hoofdstukken reeds onder woorden gebracht en
betreft in het bijzonder de volgende elementen.
1. Het ontbreekt de BEU-samenwerking aan een duidelijke missie en strategie, met als
   logisch complement daarvan dat het huidige takenpakket focus en coherentie ont-
   beert. Deze situatie is de resultante van het aanpassingsproces dat de BEU heeft
   doorgemaakt als gevolg van het ontstaan en de ontwikkeling van de EU. Vooral op
   het economisch terrein is de organisatie in belangrijke mate door de EU ingehaald.
   Onderstreept het huidige takenpakket het aanpassingsvermogen van de BEU, tege-
   lijkertijd lijken taken toch vooral de resultante van ad-hoc- en deelbeslissingen.
   Daarbij is niet altijd duidelijk waarom deze taken onder de BEU zouden moeten
   vallen, of de organisatie over de noodzakelijke bevoegdheden en capaciteiten
   beschikt, en of er geen alternatieven zijn voor de samenwerking in BEU-verband. In
   combinatie met de proliferatie van overlegorganen en het ten dele niet, of niet lan-
   ger, functioneren van via het verdrag ingestelde organen, levert dit het beeld op van
   een organisatie die te weinig richting en visie heeft.
2. Het ontbreekt de BEU-samenwerking aan de vereiste zichtbaarheid binnen de lidsta-
   ten. Dit is vooral spijtig waar de BEU zich in toenemende mate richt op terreinen die
   voor burgers en bestuurders binnen de lidstaten direct relevant zijn. Het College van
   SG’s en het SG hebben in deze een belangrijke rol te spelen. Grotere zichtbaarheid
   van de BEU is, zo meent de AIV, vooral gediend met een sterkere politieke en
   publieke profilering van het College van SG’s, onder andere door een actievere
   opstelling van dit college richting de lidstaten. In dit verband wijst de AIV ook op de
   rol van de IPBR in samenhang met de rol van nationale parlementen.
3. Ten aanzien van de BPS stelt de AIV dat de potentiële betekenis onvoldoende wordt
   benut. De samenwerking blijkt in de praktijk tamelijk ongestructureerd te verlopen
   en te zeer afhankelijk te zijn van ad-hocgebeurtenissen en persoonlijke verhoudin-
   gen. Van een consultatievoorrang van de Benelux-partners ten opzichte van elkaar
   lijkt in de dagelijkse praktijk in ieder geval geen sprake te zijn. Juist met het oog op
   het bredere Europese krachtenveld is de AIV dan ook voorstander van intensivering
   en versterking van deze samenwerking.
4. Er bestaat een gebrek aan politieke en ambtelijke sturing van zowel de BEU als de
   BPS. In de BEU-samenwerking komt dit tot uitdrukking in het gegeven dat de verant-
   woordelijke politieke en ambtelijke gremia zeer onregelmatig bijeenkomen, met als
   gevolg dat de agendavoering en programmering van activiteiten reactief en ad hoc
   is. Hierbij speelt ook een tamelijk terughoudende opstelling van het College van
   SG’s.
Met het oog op de voortzetting van de BEU en de BPS doet de AIV de volgende
aanbevelingen
Ten aanzien van het takenpakket van de BEU-samenwerking
– Intensiveer de BEU-samenwerking en benoem in een politieke verklaring bij het toe-
   komstige verdrag, maar niet in het verdrag zelf, de kerntaken interne veiligheid,
   ruimtelijke ordening en markt.
– Beperk de BEU-samenwerking niet tot de drie Benelux-partnerlanden, maar laat
   ruimte voor bilaterale projecten of samenwerkingsprojecten die slechts enkele deel-
   gebieden van Benelux betreffen.
– Versterk de laboratoriumfunctie van de BEU-samenwerking en laat ruimte voor
   samenwerking waarin ook de buurlanden (of buurregio’s) van de Benelux deelnemen
                                              36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>   (de Benelux-plus).62
– Versterk zo mogelijk de BEU-samenwerking van de Benelux met andere regionale
   landengroepen, zoals bijvoorbeeld de Noordse Unie, de Baltische staten of de Vise-
   gradlanden, vooral in aanloop naar nauwere samenwerking in de EU.
– Investeer in het vergroten van de zichtbaarheid van de organisatie door de concrete
   projecten die de burgers aanspreken te ondersteunen met een goed publiciteits-
   beleid.
Ten aanzien van de BPS
– Hoewel de AIV geen voorstander is de BPS in het vernieuwde verdrag vast te leggen,
   meent hij wel dat het moment van verdragsverlenging zou moeten worden aangegre-
   pen om in een politieke verklaring de betekenis van de BPS te onderstrepen. In zo’n
   verklaring moet tot uitdrukking worden gebracht dat er tussen de drie landen – op
   grond van gemeenschappelijke historie en nauwe banden – een bijzondere lotsver-
   bondenheid bestaat. Tevens moet in deze verklaring worden vastgelegd dat de drie
   landen elkaar zien als natuurlijke partners binnen het grotere verband van de EU en
   van de wereldgemeenschap en dat zij er naar streven om tot een zo groot mogelijke
   afstemming van standpunten en optreden te komen. Een dergelijke tekst onder-
   streept niet alleen de door de AIV gewenste politieke binding van de partnerlanden
   aan de BPS, maar vormt ook een bevestiging naar de buitenwereld van de blijvende
   betekenis van deze samenwerking.
– Intensiveer de BPS op zowel politiek als ambtelijk niveau. Continueer het frequente
   overleg tussen de ministers-presidenten en ministers van Buitenlandse Zaken (inclu-
   sief de staatssecretarissen verantwoordelijk voor EU-aangelegenheden) en bereidt
   dit voor met duidelijke en tijdige agendavoering. Dit betekent dat op het niveau van
   de PV’s-EU en, afhankelijk van het onderwerp, dat van directoraten-generaal (DG’s)
   en beleidsdirecties, regelmatiger overleg tussen de Benelux-landen moet plaatsvin-
   den. Standaard moet daarbij de vraag aan de orde komen wat de mogelijkheden zijn
   voor onderlinge afstemming (de genoemde consultatievoorrang). Betrek hierin zo
   nodig ook de vakdepartementen, zeker op terreinen waar BEU-samenwerking is of
   wordt ontwikkeld. Het lijkt de AIV in dit verband evident, dat de Benelux-landen
   elkaar consulteren daar waar de samenwerking verdergaat dan die in het kader van
   de EU.
– Leg de verantwoordelijkheid voor de coördinatie bij de PV-EU en het ministerie van
   Buitenlandse Zaken, zoals dat nu in het kader van de BEU-samenwerking ook al het
   geval is. Onderzoek daarbij of de bestaande (inter-)departementale coördinatiestruc-
   tuur versterking behoeft.
– Maak ruimer gebruik van het instrument van het Benelux-memorandum als middel
   tot strategische agendavoering en beïnvloeding van de EU-besluitvorming. Stel syste-
   matisch de vraag of het gebruik van dit instrument opportuun is. Dit moet onder-
   deel zijn van het regulier overleg, zeker in de aanloop naar belangrijke Europese
   beleidsontwikkeling, zoals verdragsherziening of uitbreiding.
– Vergroot de wederzijdse kennis van elkaars standpunten en beleid door regelmatiger
   uitwisseling van ambtenaren, zowel op het niveau van de PV’s-EU als bij de betrok-
   ken ministeries, in het bijzonder Buitenlandse Zaken (deze detachering staat overi-
   gens los van de door de AIV bepleite detachering van nationale ambtenaren bij het
   SG als onderdeel van de flexibilisering van dit secretariaat).
62 De AIV is zich er overigens van bewust dat in bepaalde gevallen de bilaterale samenwerking
   tussen Nederland en Duitsland verder gaat dan die in de Benelux. Dit is bijvoorbeeld het geval bij
   de grenscontroles in de Euregio Maas-Rijn.
                                                  37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Verleen het SG geen eigen rol in het kader van de BPS, maar stel in het jaarlijks werk-
programma van het SG de vraag aan de orde of de Benelux op specifieke beleidsterrei-
nen een voortrekkersrol kan spelen als bedoeld in artikel 306 van het EG-verdrag.
Versterk de BPS ook met het oog op samenwerking buiten het kader van de EU. Inten-
siveer de samenwerking binnen andere internationale gremia en betrek daarin zonodig
de bilaterale posten en consulaten. Onderzoek of gemeenschappelijke consulaten en
andere vormen van samenwerking tussen de bilaterale posten mogelijk zijn, bijvoor-
beeld wat betreft huisvesting.
Ten aanzien van de rol van de instellingen
– Vereenvoudig de institutionele structuur van de Benelux, vooral door afschaffing van
   die instellingen en organen die niet langer functioneel of actief zijn.
– Vergroot de flexibiliteit van de Benelux als organisatie door haar om te vormen tot
   een meer projectgerichte organisatie, die haar expertise ook extern kan betrekken,
   bijvoorbeeld door detachering van nationale ambtenaren bij het SG. Neem in het
   toekomstige verdrag geen lijst van taken op, maar benoem de kerntaken in een poli-
   tieke verklaring en voeg in een bijlage de prioritaire werkterreinen toe. Hetzelfde kan
   gedaan worden ten aanzien van de comités en werkgroepen.
– Geef het Comité van Ministers de bevoegdheid om in de toekomst de ambtelijke
   overlegstructuur in overeenstemming met het vastgestelde takenpakket in te richten
   en evalueer dit takenpakket en de overlegstructuur regelmatig.
Het Comité van Ministers
– Het Comité van Ministers dient zorg te dragen voor de (politieke) betrokkenheid en
   strategische aansturing van de Benelux-samenwerking door de drie lidstaten. Zorg
   voor frequenter en regelmatiger overleg tussen de ministers van Buitenlandse Zaken
   als eerstverantwoordelijken voor de Benelux-samenwerking. Dit dient mede gericht
   te zijn op het totstandbrengen van een door de lidstaten uitgedragen visie op de
   Benelux als praktisch en politiek samenwerkingsverband. Daarnaast dient sprake te
   zijn van een duidelijke politieke (en ambtelijke) betrokkenheid, die zich vertaalt in
   een heldere inhoudelijke aansturing van de samenwerking.
– Versterk de continuïteit van de samenwerking door het voorzitterschap van het
   Comité van Ministers en de daaronder ressorterende gremia aan te passen door:
   1. het voorzitterschap van een kalenderjaar in te voeren;
   2. de voorzitter jaarlijks in overleg met de SG een werkprogramma te laten maken;
   3. dit ter goedkeuring aan het Comité van Ministers voor te leggen;
   4. de uitvoering ervan te evalueren aan de hand van het jaarverslag dat in samen
         werking met het SG wordt opgesteld en
   5. het werkprogramma en het jaarverslag te bespreken in de IBPR.
   Dit betekent dat op het niveau van het Comité van Ministers tweemaal per jaar een
   bijeenkomst in BEU-kader (waarop besluiten worden genomen over taakstelling en
   overlegstructuren) moet plaatsvinden.
– Geef het Comité van Ministers uitdrukkelijk de bevoegdheid om de (in de politieke
   verklaring op te nemen) kerntaken van de Benelux zo nodig aan te passen. Geef
   hen ook bevoegdheid tot aanpassing van de uitwerking daarvan in prioritaire werk-
   terreinen (zoals op te nemen in een bijlage bij die politieke verklaring).
De ministeriële comités
– Stel de ministeriële comités samen uit vertegenwoordigers van de regeringen van
   de partnerlanden, met inbegrip van de gewesten en de gemeenschappen voor Bel-
   gië. De ministeriële comités moeten rapporteren aan het Comité van Ministers en
   moeten binnen de in het werkprogramma aangegeven prioriteiten functioneren.
                                            38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>De Raad van de Economische Unie (REU)
– Laat de REU een belangrijke aansturende en coördinerende rol spelen ter voorberei-
   ding van de bijeenkomsten van het Comité van Ministers.
– tel met het oog op het leggen van de gewenste verbanden tussen de BPS en de
   BEU de REU niet langer samen op het niveau van de SG’s, maar op dat van de
   DG’s Europese Samenwerking.
– Ondersteun de REU door het eerder genoemde coördinatiecomité (bestaande uit de
   nationale Benelux-coördinatoren) en versterk zonodig dit comité.
De ambtelijke comités en werkgroepen
– Vervang de bestaande complexe structuur van (bijzondere) ambtelijke comités en
   werkgroepen door een beperkt aantal comités. De bestaande relevante overlegorga-
   nen kunnen in deze nieuwe structuur een plaats krijgen (zie voorts onder Comité
   van Ministers dat de bevoegdheid moet krijgen om comités en werkgroepen in te
   stellen en op te heffen, waarbij de geformuleerde kerntaken en het jaarprogramma
   richtinggevend moeten zijn).
De Secretaris-Generaal
– Beperk de benoeming tot maximaal twee termijnen van vijf jaar.
– Verhoog het profiel van de SG in samenhang met de aanbeveling om de positie van
   de SG te versterken. De SG heeft initiatiefrecht (maar zou dat vaker mogen gebrui-
   ken) en moet jaarlijks in samenspraak met de voorzitter van het Comité van Minis-
   ters een werkprogramma opstellen, vast te stellen door het Comité van Ministers.
   De SG voert dat werkprogramma uit en moet daarover jaarlijks rapporteren.
– De taakverdeling tussen de SG en de twee adjunct-SG’s (ten aanzien van de onder-
   werpen als genoemd in het werkprogramma) moet onderling worden overeengeko-
   men op basis van expertise.
De Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad
– Continueer de adviserende taak van de IPBR en richt deze advisering op de opstel-
   ling en uitvoering van het werkprogramma van het SG.
– Richt de plenaire vergaderingen van de IPBR thematisch in aan de hand van het
   werkprogramma en zorg voor systematische terugkoppeling naar de nationale parle-
   menten van de drie lidstaten.
– Stel zonodig comités en werkgroepen in voor bepaalde tijd voor de uitvoering van
   het werkprogramma.
– Vergroot de transparantie. Het Comité van Ministers is verplicht om verslag uit te
   brengen over de activiteiten en antwoord te geven op eerdere aanbevelingen van de
   IPBR.
– Bespreek politiek gevoelige onderwerpen in aanwezigheid van politiek verantwoorde-
   lijke bewindslieden.
– Versterk de forumfunctie van de IPBR door bij een concreet onderwerp betrokken
   nationale woordvoerders (zonodig ook van betrokken (buur)landen waar het Benelux-
   plus betreft) aan het overleg te laten deelnemen.
– Evalueer regelmatig het aantal commissies en voorkom wildgroei.
Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom
Zeker nu het nieuwe Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom nog maar kort
geleden (1 september 2006) in werking is getreden, lijkt er geen aanleiding substantië-
le wijzigingen voor te stellen met betrekking tot de werkzaamheden van deze Benelux-
organisatie.
                                            39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Het Benelux-Gerechtshof
– Beperk het aantal gebieden waarover het BG prejudiciële vragen moet beantwoorden,
   bijvoorbeeld door een kritische evaluatie van de verschillende Benelux-bepalingen
   waarin het BG bevoegd is. Dit geldt ook ten aanzien van nieuwe overeenkomsten.
– Wees terughoudend met de verlening aan het BG van bevoegdheid inzake geschillen
   tussen de staten en andere regionale autoriteiten (zoals die ontstaan zijn door de
   federalisering van België).
– Maak het BG beroepsinstantie voor beslissingen van de directeur-generaal van het
   BBIE tot inschrijving van een merk of model. Deze zaken kunnen worden afgehan-
   deld in kleinere kamers met minder rechters, opdat de behandelingstermijn kan
   worden verkort.
– Verleen het BG geen bevoegdheid als cassatierechter voor beslissingen van nationale
   hoven van beroep.
– Laat het BG de bestaande taak als ambtenarenrechter voor de Benelux-ambtenaren
   behouden, met dien verstande dat er ook in een enkelvoudige beroepsmogelijkheid
   moet worden voorzien.
De Economische en Sociale Raad voor Advies en het College van Scheidsrechters
– Hef de Economische en Sociale Raad voor Advies, die een slapend bestaan leidt, op.
– Laat het College van Scheidsrechters voortbestaan, opdat er een instantie is waar
   de verdragsluitende landen zich toe kunnen wenden, mochten zich (in de toekomst
   alsnog) geschillen voordoen.
Ten aanzien van de internationale rechtspositie
– Stel de internationale rechtspositie aan de orde in de onderhandelingen over het
   nieuwe Benelux-verdrag. Daarbij moet de vraag ter tafel liggen of het SG van de
   Benelux de status van een internationale instelling kan worden verleend en of het
   College van SG’s een diplomatieke status kan verkrijgen. Deze maatregel, die
   invloed heeft op de salariëring en pensioenvoorziening, heeft mede tot doel de ver-
   deling van de staf over de drie nationaliteiten evenwichtiger te maken en de organi-
   satie flexibeler te maken. Daarbij zou, met het oog op onderlinge vergelijkbaarheid
   van de Benelux-organisaties, gekeken kunnen worden naar het Protocol Privileges
   en Immuniteiten van het BBIE.63
Ten aanzien van de naamgevingen
– Noem het toekomstige verdrag eenvoudig het Benelux-verdrag en spreek naar analo-
   gie van de EU-instellingen van het Benelux-Parlement, de Benelux-Raad enzovoorts.
   Let er daarbij op dat afgeleide wetgeving onverkort van kracht blijft en ook dat arti-
   kel 306 van het EG-verdrag zijn geldigheid blijft behouden.
Ten aanzien van de juridische vormgeving van het toekomstige verdrag
– Juridisch gezien kunnen vier opties worden overwogen naar aanleiding van het
   aflopen van het huidige verdrag:
   1. stopzetting (conform artikel 99 van het BEU-verdrag);
   2. stilzwijgende verlenging (conform artikel 99 van het BEU-verdrag);
   3. aanpassing/aanvulling van het verdrag;
   4. opstelling van een volledig nieuw verdrag.
63 Dit protocol is gehecht aan het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom, dat op 1 februari 2007
   in werking is getereden.
                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>– Enerzijds hebben de drie landen zich uitgesproken voor voortzetting. Anderzijds leidt
  de wens om het bestaande verdrag aan te passen aan de nieuwe activiteiten en
  overlegstructuren, alsmede aan de nieuwe Belgische staatsstructuur ertoe dat stil-
  zwijgende verlenging geen optie is. Opstelling van een volledig nieuw verdrag, ter
  vervanging van het bestaande, zou veruit de meeste tijd vergen. Bovendien is dat
  een weg die niet zonder juridische voetangels is, omdat het schrappen van bepaal-
  de artikelen van het bestaande verdrag tot onverwachte juridische gevolgen zou
  kunnen leiden in het afgeleide recht (in protocollen en/of ministeriële besluiten die
  gebaseerd zijn op specifieke artikelen van het verdrag).
– De AIV is bijgevolg voorstander van een aanpassing/aanvulling van het bestaande
  verdrag door middel van een wijzigingsprotocol, gecombineerd met een politieke ver-
  klaring, om de voorgestelde veranderingen in het bestaande verdrag door te voeren.
                                           41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>BIJL AGEN</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Buitenlandse
Zaken

bem) ad

Teneinde inzicht te verkrijgen in de meerwaarde van Benelux-samenwerking voor
Nederland verzoek ik u in uw advies met name in te willen gaan op de volgende
vraagpunten:

1, De Benelux landen werken samen op praktisch (BEU) en politiek (BPS)
terrein. Zou de AIV een oordeel willen geven over de toegevoegde waarde van
de samenwerking in Benelux-verband op beide terreinen?

2. Welke zouden de prioritaire werkterreinen en onderwerpen zijn die zich bij
voorrang lenen voor Benelux-samenwerking?

3. Welke veranderingen moet de Benelux Economische Unie als organisatie
ondergaan om na de inhoudelijke prioritering effectief te kunnen functioneren?

4. Welke rol ziet de AIV weggelegd voor de Benelux-organen, zoals de
Raadgevende Interparlementaire Beneluxraad en het Benelux Gerechtshof?

5. Zou de AIV, naar aanleiding van de bevindingen die u doet op basis van vraag
1 t/m 4, een advies willen geven over het meest geschikte volkenrechtelijke
kader om de Benelux-samenwerking voort te zetten?

Op de vragen 2, 3 en 5 kan, gezien het ambtelijke onderzoek dat hiernaar gedaan
wordt, met een kort antwoord worden volstaan. U wordt verzocht uitgebreider in te
gaan op vraag | en 4.

Het eerste tijdvak van het Benelux-verdrag loopt in 2010 af. Gezien de eventueel
benodigde nationale ratificatieprocedures om wijzigingen in de samenwerking aan te
brengen, dienen de onderhandelingen te zijn afgerond eind 2007. Het ziet er naar uit
dat de lidstaten in het voorjaar van 2007 zullen beginnen met onderhandelen. Derhalve
zie ik uw advies liefst tegen 1 februari 2007 tegemoet.

Afschrift van deze brief zend ik aan de Voorzitter van de Tweede Kamer en de
Voorzitter van de Eerste Kamer.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

_
a .

Dr. B.R. Bot
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                                        Bijlage II
Lijst met geraadpleegde personen
Mr. W.J.M. Davids               President van de Hoge Raad
Dhr. T.R. Doesburg              Eerste Kamerlid (PvdA), Europese Zaken en Benelux
Drs. D.J. Eppink                Lid van het Kabinet van de vice-voorzitter van de Europese Commissie
Prof. Mr. Ch. Gielen            Partner, NautaDutilh Amsterdam en Hoogleraar Intellectueel
                                Eigendomsrecht, Rijksuniversiteit Groningen
Dhr. J. Graff                   Ambassadeur van Luxemburg in Den Haag
Drs. B.M.J. Hennekam            Secretaris-Generaal van de Benelux
H. Hovens                       Koninklijke Marechaussee en Nederlandse Defensie Academie
Prof. dr. B.J.S. Hoetjes        Buitengewoon hoogleraar Regiobestuur in Internationaal
                                Perspectief, Universiteit Maastricht en Haagse Hogeschool
Mr. C. Janssen                  Juridische afdeling van het Bureau voor de Intellectuele Eigendom
Mw. I.G.C. Janssen MA LLM       Consultant, Cabinet Stewart European Affairs
Dhr. M. Lebrun                  Lid van het Waalse parlement
Mr. F.J.F.M. de Nerée Babberich Voorzitter van de Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad
                                en Tweede Kamerlid (CDA)
Mr. drs. M.E.C. van der Plas    Hoofd Juridische afdeling van de Permanente Vertegenwoordiging
                                van Nederland bij de Europese Unie
Drs. P. Reijnders               Ambassaderaad Politiële en Justitiële Samenwerking, Nederlandse
                                Ambassade Brussel
Drs. W. van de Rijt             Hoofdadministrateur, Raadssecretariaat, DG Justitie en Binnenlandse Zaken
Dr. H.O.Chr. R. Ruding          Bestuursvoorzitter Centre of European Policy Studies, Brussel en
                                oud-minister van Financiën
Mw. M. Schommer                 Ambassadeur, Permanente Vertegenwoordiging van Luxemburg bij de
                                Europese Unie
Baron Ph. de Schoutheete        Directeur Europa Programma, Koninkrijk Instituut voor Internationale
de Tervarent                    Betrekkingen en oud-ambassadeur bij de EG van België
Dhr. E.L. Simon                 Directeur-generaal van het Bureau voor de Intellectuele Eigendom
Mw. mr. C. van Steijn           Hoofd beleidsafdeling Taakveld Vreemdelingenwetgeving,
                                Koninklijke Marechaussee
Mr. L. Strikwerda               Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en bij het Benelux-Gerechtshof
Mr. drs. M. Vidal               Onderzoeker, Instituut voor Internationaal Recht, Katholieke Universiteit
                                Leuven en auteur van de Vlaamse evaluatie van de Benelux
Dr. J. de Vries                 Universitair docent Planologie, Universiteit van Amsterdam en
                                Ruimtelijk Planbureau (RPD)
Prof. dr. J. Wouters            Gewoon hoogleraar Internationaal Recht en Internationale Organisaties,
                                Katholieke Universiteit Leuven en auteur van de Vlaamse evaluatie
                                van de Benelux
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                        Bijlage III
Lijst met afkortingen
AIV                Adviesraad Internationale Vraagstukken
BBIE               Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom
Benelux            Samenwerkingsverband tussen België, Nederland en Luxemburg
Benelux-plus       Samenwerking tussen de Benelux-landen en hun (buur)landen
BLEU               Belgisch-Luxemburgse Economische Unie
BEU                Benelux Economische Unie
BG                 Benelux-Gerechtshof
BPS                Benelux politieke samenwerking
Btw                Belasting over de toegevoegde waarde
CEI                Commissie Europese Integratie (van de AIV)
CITA               International Motor Vehicle Inspection Committee (Contrôle et
                   Information du Trafic sur les Autoroutes)
DATF               Deployable Air Task Force
DG                 Directoraat-generaal
DWM/WE             Afdeling West-Europa van de Directie West- en Midden-Europa,
                   ministerie van Buitenlandse Zaken
ECR                Euro Contrôle Route
EG                 Europese Gemeenschap
EPLA               European Patent Litigation Agreement
EU                 Europese Unie
HvJEG              Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
IPBR               Raadgevende Interparlementaire Benelux-Raad
IRU                International Road Transport Union
JBZ                Justitie en Binnenlandse Zaken
PV                 Permanente Vertegenwoordiging
RAZEB              Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen
REU                Raad van de Economische Unie
SG                 Secretariaat-Generaal van de Benelux (het) of
                   Secretaris-Generaal van de Benelux (de)
TISPOL             Traffic Information System Police (European Traffic
                   Police Network)
VN                 Verenigde Naties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                                               Bijlage IV
Historisch overzicht
1830    Splitsing van het Koninkrijk der Nederlanden in het Koninkrijk België en het
        Koninkrijk der Nederlanden.
1839    Onafhankelijkheid van het Groothertogdom Luxemburg (Luxemburg blijft
        verbonden met het Koninkrijk der Nederlanden tot 1890 door de Personele
        Unie van de Koning-Groothertog)
1890    Splitsing van het Koninkrijk der Nederlanden in het Groothertogdom
        Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.
1921    Oprichting van de BLEU (Belgisch-Luxemburgse Economische Unie).
1930    Oslo Conventie tussen België, Nederland, Luxemburg en de Scandinavische
        landen voor het bevriezen van tarieven.
1932    Ouchy Conventie tussen België, Nederland en Luxemburg voor verlaagde
        tarieven.
1944    Vrijhandelsovereenkomst tussen België, Nederland en Luxemburg, getekend
        door de drie regeringen in ballingschap op 5 september in Londen (dit is de
        douane-unie).
1958    Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie (hierin is de vrijhan-
        delsovereenkomst van 1944 opgenomen). Dit verdrag werd van kracht in
        1960.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Bijlage V     Lijst van de Benelux-regelgeving
(bron: webpagina <http://www.benelux.be/nl/rgm/rgm_lst_overeenkomsten.asp>
 Intentieverklaring 2006                            Benelux-verbindingsofficieren
 Memorandum van overeenstemming Rampen van 1 juni 2006            Memorandum van
                                                    overeenstemming van 1 juni 2006
                                                    inzake de samenwerking op het
                                                    terrein van de beheersing van crises
                                                    met mogelijke grensoverschrijdende
                                                    gevolgen
 Uitvoeringsafspraak van 1 juni 2006                Uitvoeringsafspraak van 1 juni 2006
                                                    op grond van artikel 26, derde lid,
                                                    ingevolge het Verdrag inzake
                                                    grensoverschrijdend politieel
                                                    optreden
 Verdrag van 25 februari 2005                       inzake de Intellectuele Eigendom
 Verdrag van 8 juni 2004                            tussen het Koninkrijk België, het
                                                    Koninkrijk der Nederlanden en het
                                                    Groothertogdom Luxemburg inzake
                                                    grensoverschrijdend politieel
                                                    optreden
 Intentieverklaring van 29 april 2004               over de samenwerking tussen de
                                                    verbindingsofficieren van de Benelux
 Overeenkomst van 26 september 2003                 op het gebied van de jeugd
 Eenvormige wet van 20 juni 2002                    inzake tekeningen of modellen
 Eenvormige wet van 11 december 2001                op de merken
 Overeenkomst van 24 juni 1996                      tussen het Koninkrijk België, het
                                                    Groothertogdom Luxemburg en het
                                                    Koninkrijk der Nederlanden ter
                                                    uitvoering van het Europees verdrag
                                                    inzake sociale zekerheid van 14
                                                    december 1972 met bijlage en van
                                                    een administratieve schikking ter
                                                    uitvoering van het Europees verdrag
                                                    inzake sociale zekerheid
 Memorandum van overeenstemming van 4 juni 1996 inzake de samenwerking op het
                                                    terrein van politie, justitie en
                                                    immigratie tussen de Ministers van
                                                    Justitie van België, Nederland en
                                                    Luxemburg, de Ministers van
                                                    Binnenlandse Zaken van België en
                                                    Nederland en de Minister van de
                                                    Force Publique van Luxemburg
 Overeenkomst van 12 september 1986                 grensoverschrijdende samenwerking
                                                    tussen territoriale
                                                    samenwerkingsverbanden of
                                                    autoriteiten met het Protocol van 22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                  september 1998 tot aanvulling van de
                                  Benelux-Overeenkomst van 12
                                  september 1986 (inzake
                                  grensoverschrijdende samenwerking
                                  tussen territoriale
                                  samenwerkingsverbanden of
                                  autoriteiten)
Overeenkomst van 8 juni 1982      natuurbehoud en
                                  landschapsbescherming
Overeenkomst van 26 november 1973 het boetebeding
Overeenkomst van 26 november 1973 de agentuurovereenkomst
Overeenkomst van 26 november 1973 houdende eenvormige wet
                                  betreffende de dwangsom
Overeenkomst van 29 december 1972 inzake commorientes
Protocol van 16 maart 1971        tot wijziging van de Benelux-
                                  Overeenkomst inzake de metrologie
Overeenkomst van 9 december 1970  inzake wapens en munitie
Overeenkomst van 10 juni 1970     op het gebied van de jacht en
                                  vogelbescherming, zoals gewijzigd
                                  door het Protocol van 20 juni 1977
Overeenkomst van 11 maart 1970    de metrologie
Overeenkomst van 11 maart 1970    houdende een ontwerp van
                                  eenvormige wet inzake gevaarlijke
                                  werktuigen
Verdrag van 3 juli 1969           houdende eenvormige wet
                                  betreffende het internationaal
                                  privaatrecht
Overeenkomst van 29 april 1969    de administratieve en strafrechtelijke
                                  samenwerking op het gebied van de
                                  regelingen die verband houden met
                                  de verwezenlijking van de
                                  doelstellingen van de Benelux
                                  Economische Unie en drie
                                  aanvullende protocollen
Verdrag van 26 september 1968     de tenuitvoerlegging van rechterlijke
                                  beslissingen in strafzaken
Verdrag van 25 oktober 1966       inzake tekeningen of modellen
Overeenkomst van 24 mei 1966      de verplichte
                                  aansprakelijkheidsverzekering inzake
                                  motorrijtuigen
Verdrag van 27 juni 1962          de uitlevering en de rechtshulp in
                                  strafzaken met Protocol betreffende
                                  de burgerrechtelijke
                                  aansprakelijkheid voor ambtenaren
                                  die optreden op het grondgebied van
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>                               een andere partij en met het Protocol
                               van 11 mei 1974 tot aanvulling en
                               wijziging van het Verdrag aangaande
                               de uitlevering en de rechtshulp in
                               strafzaken
Verdrag van 19 maart 1962      inzake merken
Verdrag van 16 maart 1961      de samenwerking inzake de regeling
                               van in-, uit- en doorvoer
Overeenkomst van 11 april 1960 de verlegging van de
                               personencontrole naar de
                               buitengrenzen van het Benelux-
                               gebied met het Protocol van 18
                               augustus 1982 tot wijziging van de
                               Overeenkomst van 11 april 1960
                               (inzake de verlegging van de
                               personencontrole naar de
                               buitengrenzen van het Benelux-
                               gebied)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                          Bijlage VI
Overzicht van actieve werkgroepen van het SG
– Comité voor het Verkeer
– Bijzondere Comité voor het Personenverkeer
– Bijzondere Comité voor de Ruimtelijke Ordening
– Bijzondere Comité voor het Leefmilieu, Natuurbehoud en Landschapsbescherming
– Bijzondere Comité voor de Kwaliteitsverklaringen in de Bouw
– Bijzondere Comité voor de Grensoverschrijdende samenwerking
– Bijzondere Comité Grenspark ‘De Zoom-Kalmthoutse Heide’
– Directiecomité Interne markt:
   Werkgroep Interne Markt
   Subwerkgroepen voor respectievelijk: Intellectuele Eigendom, Energie,
    Normalisatie, Openbare aanbestedingen, Regionaal Economisch Beleid,
    Handelspolitiek, Middenstand
– Senningenoverleg: werkgroepen Politie, Rampenbeheersing, Justitie,
   Drugsbeleid, enz.
– Werkgroep Volksgezondheid
– Werkgroep Hormonen
– Werkgroep Sociale Zekerheid Grensarbeiders
– Werkgroep Jeugdbeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
  1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
  2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
  3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
  4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
  5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
  6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
  7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
  8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
  9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
    van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van der tig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
    november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
    rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
    de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
    bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
    strategieën tegen armoede, januari 2003
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
     slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
     september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005****
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, oktober 2006
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003**
**    Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
**** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre> 6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
 7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
 8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
 9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>