<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                          BRIEFADVIES
                       REACTIE OP DE
        MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007
                  No. 12, November 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof.mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof.jhr.dr. G. van Benthem van den Bergh
                Prof.dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
                Prof.dr. A. de Ruijter
                Prof.dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Drs. T.D.J. Oostenbrink
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden commissie Mensenrechten
Voorzitter      Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Vice voorzitter Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Leden           Mw. dr. K.C.J.M. Arts
                Prof.mr. Th.C. van Boven
                Drs. T. Etty
                Prof.mr. R. Fernhout
                Prof.mr. C. Flinterman
                Mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt
                Mw. mr. C. Hak
                Mr. R. Herrmann
                Drs. T.P. Hofstee
                Prof.dr. M.T. Kamminga
                Mr. F. Kuitenbrouwer
                Mw. dr. B. M. Oomen
                Prof.mr. N.J. Schrijver
                Mw. mr. W.M.E. Thomassen
                Mw. J.M. Verspaget
Secretaris      Drs. T.D.J. Oostenbrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Reactie op de mensenrechtenstrategie 2007
1.        Woord vooraf
Op 6 november presenteerde de regering haar nota Naar een menswaardig bestaan; een
mensenrechtenstrategie voor het buitenlands beleid. De AIV heeft gemeend hierover een
ongevraagd briefadvies te moeten uitbrengen, conform de lijn die in het verleden is ingezet
met reacties op eerdere mensenrechtennotities, laatstelijk in 2001.1 Daarbij heeft de AIV
ervoor gekozen te adviseren op hoofdlijnen.
Het advies werd voorbereid door de Commissie Mensenrechten van de AIV. Deze bestaat uit:
mw. dr. K.C.J.M. Arts, prof.mr. Th.C. van Boven, drs. T. Etty, prof.mr. R. Fernhout, prof.mr.
C. Flinterman, prof.dr. W.J.M. van Genugten (voorzitter), prof.mr. J.E. Goldschmidt, mw. mr.
C. Hak, mr. R. Herrmann, drs. T.P. Hofstee, prof.dr. M.T. Kamminga, mr. F. Kuitenbrouwer,
mw. dr. B.M. Oomen, prof.mr. N.J. Schrijver, prof.mr. W.M.E. Thomassen, mw. mr. H.M. Verrijn
Stuart en mw. J.M. Verspaget. Het secretariaat is gevoerd door drs. T.D.J. Oostenbrink
(secretaris AIV) en de stagiaire mw. S. Hardus.
Dit advies is door de AIV vastgesteld op 22 november 2007.
2.        Enkele belangrijke punten van instemming
De AIV heeft met waardering kennisgenomen van de nota. Het is een document waarin de
regering weidse vergezichten verbindt met vaak concrete doelen en instrumenten ter reali-
sering daarvan en dat spreekt de AIV zeer aan. Veel van hetgeen in de nota staat, heeft
dan ook de steun van de AIV en kan in deze reactie onbesproken blijven.
Voordat de AIV – in paragrafen 3 en 4 – komt met een aantal gedachten en voorstellen ter
verdere aanscherping van het voorgenomen beleid, hecht hij eraan enige zaken uit de nota
te onderstrepen en van enig commentaar te voorzien. Het betreft:
.   De accentuering van de morele plicht als startpunt van actie op het vlak van de rechten
    van de mens. De nota stelt, onder verwijzing naar onder meer de Universele Verklaring
    van de Rechten van de Mens, dat de mensenrechten staan voor een aantal fundamente-
    le waarden die ‘wij niet alleen voor onszelf nastreven, maar ook voor anderen’ en dat het
    ‘deze sterke morele overtuiging [is] die ons aanspoort tot een actiever mensenrechten-
    beleid’ (p. i). Dat wijst op een geëngageerde, principiële opstelling. Tegelijkertijd is het
    begrip moraliteit, zoals in de nota (veelvuldig) gehanteerd, niet identiek aan het klassieke
    ‘opgeheven vingertje’, maar wordt het op diverse plaatsen in de nota verbonden met het
    Nederlandse eigenbelang, onder meer op economisch en veiligheidsgebied.
.   De verbinding van deze morele plicht met geldend nationaal en internationaal recht. De
    nota zoekt op tal van plaatsen aansluiting bij de Nederlandse grondwettelijke verplich-
    ting tot versterking van de internationale rechtsorde (artikel 90), alsook bij de plicht tot
    naleving van internationale verdragen op het terrein van de rechten van de mens, het
    internationale strafrecht, het internationale humanitaire recht en het internationale
    recht in het algemeen. De nota situeert zich daarmee, overigens in lijn met de Mensen-
    rechtennota uit 1979 en latere mensenrechtennotities, in de beste traditie van het
    Nederlandse buitenlandse beleid.
1   Zie AIV, Commentaar op de notitie mensenrechten 2001, advies nummer 23, Den Haag, september 2001.
    Dat advies werd uitgebracht op verzoek van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
                                                      3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>. De notie dat de mensenrechten extra onder druk staan in deze tijd van globalisering,
  van terrorisme en antiterrorismemaatregelen, van het veranderend karakter van conflic-
  ten, van cultuurrelativisme, van internationale georganiseerde misdaad en van onzeker-
  heden die voortkomen uit schaarste aan energiebronnen en klimaatverandering en
  daarom juist nu om extra alertheid en maatregelen vragen. Tegelijkertijd wordt terecht
  gesteld dat schendingen van mensenrechten vaak diepe wortels hebben en dat het
  realiseren van de mensenrechten ‘een zaak van lange adem’ is (p. 6). Daarmee wordt
  getracht recht te doen aan zowel acute noden als aan de noodzaak van structurele,
  duurzame veranderingen, met name op het vlak van de interactie tussen mensen-
  rechten aan de ene kant en vrede en veiligheid en ontwikkeling aan de andere kant. De
  AIV komt op beide onderwerpen terug.
. De notie dat ‘wie recht van spreken’ wil hebben en internationaal geloofwaardig wil zijn,
  bereid moet zijn zichzelf en zijn bondgenoten ‘de maat te nemen’ (p. 6). ‘Het betekent
  dat we moeten kunnen aantonen dat we ons er ook in onze eigen samenleving voor
  inspannen dat mensenrechten worden gerespecteerd’ (p. 4). Om die reden ook moet het
  onderwerp van de mensenrechten niet alleen op de agenda staan ‘van onze gesprekken
  met Soedan, Iran en Sri Lanka, maar ook [van die] met de Verenigde Staten, China en
  de Russische Federatie’ (p. 23). Beide elementen kunnen aan andere staten een alibi
  geven om het niet te nauw te nemen met de mensenrechten. Ook op het punt van ‘de
  bondgenoten’ komt de AIV nog terug.
. Het feit dat de regering mogelijkheden zoekt om binnen de EU een eigen voortrekkersrol
  te blijven spelen en tevens coalities aan te gaan met landen buiten de EU. Terecht –
  want in lijn met staande verdragsrechtelijke verplichtingen en in belangrijke mate
  gestaafd door de praktijk van de afgelopen decennia – wordt als uitgangspunt genomen
  dat de Europese Unie dankzij meer samenwerking ‘een belangrijkere actor [is] geworden
  op het wereldtoneel’, dat ‘gezamenlijke EU-initiatieven meer gewicht [hebben]’ dan de
  initiatieven van de afzonderlijke leden en dat Nederland er ‘door actief en effectief op te
  treden binnen de Unie (…) voor kan zorgen dat het effect van het Nederlandse beleid als
  het ware wordt vermenigvuldigd door het tot EU-beleid te maken’ (p. 10). Daarna echter
  volgt evenzeer terecht het open oog voor de mogelijkheid en wenselijkheid om op ande-
  re momenten een eigen geluid te laten horen en waar nodig de eigen gang te gaan, het-
  zij ‘om dezelfde boodschap te brengen hetzij om bepaalde accenten te leggen’ (p. 24).
  Daarmee ten nauwste samenhangend, onderstreept de AIV de gedachte van de regering
  dat het wenselijk is, om meer dan tot nu toe het geval is en mede ter vermijding van het
  gesloten-blok-karakter dat de EU vaak eigen is, actief in contact te treden ‘met derde
  landen, vooral ook in Afrika, Azië en Latijns-Amerika’ (p. 12). De regering doet op dat
  vlak een aantal behartigenswaardige voorstellen. Wel dient de regering bij dit alles voor
  ogen te houden dat zij datgene wat zij voor zichzelf claimt ook zal moeten gunnen aan
  andere EU-lidstaten.
. Het feit dat een aantal keuzes wordt gemaakt voor specifieke thema’s en rechten –
  doodstraf, marteling, mensenrechten en religie – en voor specifieke kwetsbare groepen:
  vrouwen, kinderen en homoseksuelen. Daarbij valt op dat bij aandacht voor de positie
  van homoseksuelen wel wordt verwezen naar lidstaten van de Raad van Europa (p. 48),
  maar dat verzuimd wordt aan te geven dat het hierbij veelal tevens om lidstaten van de
  EU gaat, hetgeen ook in EU-verband om nadere Nederlandse initiatieven vraagt. Ook had
  het naar de opvatting van de AIV, tegen de achtergrond van ‘Een menswaardig bestaan
  voor eenieder’, voor de hand gelegen de problematiek van rassendiscriminatie – niet in
  de laatste plaats met betrekking tot minderheden als Roma en Sinti , alsook vele andere
  nationale minderheden in evenzovele landen wereldwijd –, alsmede die van migranten,
  vluchtelingen en asielzoekers als prioritair aandachtsgebied te selecteren. Daarbij zij
  erop gewezen dat met name vluchtelingenbeleid deel uitmaakt van het internationale
  (en nationale) mensenrechtenbeleid. Ook was het naar de opvatting van de AIV, gezien
                                              4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>    de breed onderschreven ondeelbaarheid van de burger- en politieke rechten en de eco-
    nomische, sociale en culturele rechten (verder: esc-rechten), van groot belang geweest
    een of enkele esc-rechten in de selectie op te nemen, mede als vertrouwenwekkend sig-
    naal in de richting van ontwikkelingslanden. Tegelijkertijd echter stelt de AIV vast dat bij
    verschillende van de besproken rechten en prioritaire groepen de esc-rechten geïnte-
    greerd aanwezig zijn. Zo wordt bij de rechten van vrouwen onder meer verwezen naar de
    rechten op gezondheid en onderwijs, terwijl bij kinderen uitvoerig wordt stilgestaan bij
    het fenomeen kinderarbeid. Hoewel de keuzes deels ook anders hadden kunnen uitval-
    len, worden zij door de AIV gerespecteerd en wordt voluit onderschreven dat het maken
    van keuzes uit een oogpunt van haalbaarheid en efficiëntie noodzakelijk is, wil de nota
    niet ten onder gaan aan een veelheid van, en daarmee juist gebrek aan, prioriteiten.
    Ook in haar huidige vorm bevat de nota reeds een lange rij van punten van aandacht.
.   Het feit dat de uitwerking van de afzonderlijke onderwerpen steeds wordt doorvertaald
    naar een aantal (doorgaans) concrete maatregelen (‘strategische inzet’), zodat het
    beleid toetsbaar wordt en de regering zich openstelt voor controle vooraf en achteraf.
    Ook wordt doorgaans aangegeven welk instrument en welke actoren – de minister(s), de
    posten, de mensenrechtenambassadeur – het meest aangewezen zijn. Dat maakt de
    nota toetsbaar, waarbij het vanaf nu zal aankomen op verdere operationalisering, tenein-
    de de Staten-Generaal en de NGO-wereld in staat te stellen om na te gaan of en in hoe-
    verre een specifieke strategische inzet ook daadwerkelijk resultaten heeft opgeleverd.
    Diverse van de onder ‘strategische inzet’ genoemde zaken zijn nog rijkelijk open gefor-
    muleerd, bijvoorbeeld waar wordt gesteld dat Nederland ‘in het bilaterale ontwikkelings-
    beleid expliciete aandacht [zal] geven aan de relatie tussen mensenrechten en millen-
    niumdoelen’ (p. 75).
.   Het accentueren van het gegeven dat het opkomen voor de mensenrechten mensen-
    werk is en altijd zal blijven. De AIV denkt daarbij aan mensenrechtenverdedigers of
    VN-mensenrechtenrapporteurs, zoals de onlangs in Pakistan gearresteerde Speciale
    Rapporteur inzake Godsdienstvrijheid, Asma Jahangir, of de vertegenwoordiger van de
    SGVN inzake mensenrechtenverdedigers, Hina Jilani. Ook echter denkt hij aan de per-
    soonlijkheden die aan posten als die van Hoge Commissaris voor de Rechten van de
    Mens van de VN en van Hoge Commissaris inzake de Rechten van Nationale Minderheden
    van de OVSE kleur of juist een gebrek aan kleur kunnen geven.
3.        In debat met de nota
Dat alles gezegd zijnde, wil de AIV nader stilstaan bij een aantal onderwerpen uit de nota.
De keuze is gevallen op onderwerpen en invalshoeken met strategische raakvlakken, het-
geen wellicht kan bijdragen aan de verdere invulling van de plaats van de mensenrechten
in het buitenlandse beleid van de Nederlandse regering.
3.1       Universaliteit
De regering stelt dat na het einde van de Koude Oorlog de universaliteit van de rechten van
de mens breder werd aanvaard dan thans het geval is. Los van hetgeen hiervoor werd opge-
merkt over de actuele bedreigingen van de rechten van de mens, ziet de AIV ook andere
tendenties, zoals ‘de voorzichtige toenadering van China tot de mensenrechten’,2 alsook
het feit dat sinds de Koude Oorlog het aantal staten dat internationale verdragen heeft
geratificeerd spectaculair is gegroeid, dat staten die dat voorheen niet deden zich onder-
werpen aan toezichtprocedures en dat het aantal toezichtprocedures sterk is toegenomen.
2   Zie AIV, Met het oog op China, op weg naar een volwassen relatie, advies nummer 55, Den Haag, april 2007.
                                                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>De AIV vraagt zich verder af bij de Nederlandse waarneming van internationale trends niet
mede aan de orde is, c.q zou moeten zijn, dat het gezag van Nederland als pleitbezorger
van de mensenrechten als gevolg van binnenlandspolitieke ontwikkelingen is afgebrokkeld.
Velen in het buitenland immers zien Nederland niet langer als baken van verlicht-humani-
tair denken en als monument van tolerantie ten opzichte van minderheden. Een groot pro-
bleem in de actuele internationale betrekkingen sinds 11 september 2001 is ook, voor-
zover het gaat om de mensenrechten daarin (in samenhang met andere vraagstukken), de
Amerikaanse houding ten opzichte van de internationale rechtsorde, inclusief de rechten
van de mens. Deze houding werpt op vele terreinen een zware slagschaduw en zet de inter-
nationale samenwerking op het terrein van de mensenrechten onder grote druk. Hetzelfde
kan evenwel ook positief worden geformuleerd: de strijd tegen het terrorisme laat zien hoe
belangrijk het is dat ook westerse staten voortdurend bezig zijn zich te bezinnen op de
plaats van de rechten van de mens in de nationale en internationale verhoudingen.
Terecht stelt de regering dat in 1993 tijdens de Tweede Wereldconferentie Mensenrechten
is vastgelegd dat verschillen in historische, culturele of religieuze achtergronden van staten
weliswaar in acht dienen te worden genomen, maar niet mogen worden gebruikt om schen-
dingen van de rechten van de mens te rechtvaardigen (p. 4). Daaraan kan nog worden toe-
gevoegd dat het document van 1993 eveneens spreekt over de betekenis van ‘nationale en
regionale bijzonderheden’ die niet mogen worden genegeerd. De regering stelt daarbij dat
de universaliteit het uitgangspunt blijft, maar ook dat dat ‘geen standpunt [is] dat van achter
vestingmuren moet worden verdedigd’, integendeel: er dient ‘een levendig debat over plaats
te vinden’, ‘waarvoor telkens actuele argumenten moeten worden gevonden’ (p. 4). Naar de
opvatting van de AIV, stelt de regering eveneens terecht dat ‘cultuurrelativisme op het gebied
van mensenrechten niet te verenigen [is] met de gelijkwaardigheid van individuen, waar ook
ter wereld’, en dat het ‘onder het mom van culturele of religieuze verschillen pretenderen
dat mensenrechten niet van toepassing zijn, haaks [staat] op het principe van universaliteit’
(p. 4). De vraag is echter wat er dan over blijft voor dat ‘levendige debat’, tenzij de regering
met ‘debat’ doelt op de noodzaak eenzijdig uit te leggen hoe het mensenrechtenconcept in
elkaar steekt. Al met al is niet helder waar de Nederlandse regering de grens legt tussen de
claim op universaliteit enerzijds en het terecht in beeld brengen van nationale bijzonderhe-
den van uiteenlopende aard anderzijds. Het gaat daarbij om datgene wat eerder, in lijn met
een AIV-advies terzake, wel is aangeduid met de notie dat universaliteit niet per se uniformi-
teit impliceert.3
De strategienota bevat zelf een interessante casus. Gesteld wordt dat ‘vanuit de islamitische
wereld met name in VN-kader sterk de nadruk [wordt] gelegd op de bescherming van gods-
diensten als zodanig’ en dat dit ‘vanuit mensenrechtenoogpunt (…) onjuist en onwenselijk is’
(p. 37). De casus wordt geïllustreerd met een verwijzing naar de spanningen rondom de
Deense spotprenten, waarbij wordt gesteld dat Nederland zich bij die gelegenheid heeft
gericht op ‘de de-escalatie van de spanningen en op de bescherming van de vrijheid van
meningsuiting’ (p. 37). Echter, zo wordt daaraan toegevoegd, ‘noch vrijheid van menings-
uiting, noch het recht om aan de eigen godsdienst of levensbeschouwing uiting te geven
zijn onbegrensd’, terwijl op ‘iedereen die het vrije woord gebruikt, de verantwoordelijkheid
[rust] de ander niet onnodig te kwetsen en met respect te behandelen’ (idem).4
3   Zie AIV, Universaliteit van de Rechten van de Mens en culturele verscheidenheid, advies nummer 4,
    Den Haag, juni 1998 en de regeringsreactie van 30 oktober 1998.
4   Dit is overigens in lijn met het EVRM, dat in artikel 10 lid 2 bepaalt dat de uitoefening van rechten als de
    vrijheid van meningsuiting ‘plichten en verantwoordelijkheden’ met zich brengt en met de standaardjuris-
    prudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens terzake.
                                                           6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Dat lezende, vraagt de AIV zich af wat wordt bedoeld met deze laatste woorden. Immers in
de discussie rond de Deense spotprenten is evenzeer benadrukt dat de begrenzing van de
vrijheid van meningsuiting daar ligt, waar sprake is van aanzetten tot geweld of discrimina-
tie. Wil de regering de beperking van de vrijheid van meningsuiting verruimen?
Gesteld dat landen als Soedan of China over voorbeelden als het hier genoemde in debat
zouden willen treden met Nederland, met inbegrip van een beroep hunnerzijds op ‘histori-
sche, culturele of religieuze achtergronden’ en ‘nationale en regionale bijzonderheden’ dan
is dat zeer aan te moedigen, maar is het de vraag waar dat debat zou eindigen. De verwij-
zing in de nota naar ieders ‘verantwoordelijkheid voor de wet’ (p. 37), zal ook door Soedan
en China graag worden onderschreven, maar garandeert niet de door Nederland voorgesta-
ne absolute en individuele godsdienstvrijheid. Hetzelfde geldt voor de notie dat ‘het uitein-
delijk aan de rechter [is] om in een concrete situatie te beoordelen op basis van feiten of
het ene recht zo ernstig wordt aangetast dat een beperking van het andere recht gerecht-
vaardigd is’ (p. 37). Dat is echter meer een normatief standpunt dan dat het iets zegt over
de vraag of het model zou kunnen werken in minder rechtsstatelijk georiënteerde landen
als Soedan en China.
Toch dient het onderwerp van de universaliteit van de mensenrechten te worden benaderd
langs de lijnen van de dialoog. Deze benadering van de mensenrechten stoelt op de expli-
ciete erkenning van het dynamische, onderhandelde en meerstemmige karakter van zowel
cultuur als religie. Mensenrechten en cultuur/religie zijn dan geen monolithische en tegen-
gestelde blokken meer, maar uitgangspunten voor een discussie waarvan een aantal
kaders vaststaat. Eleanor Roosevelt zocht in het opstellen van de Universele Verklaring aan-
sluiting bij de Confucianistische, Boeddhistische, Islamitische, traditioneel Afrikaanse en
Joodse filosofische tradities op dit gebied, en kreeg advies van mensen als Mahatma Ghandi.
Zo ook leidt begrip van een gegeven context of cultuur en inzicht in de machtsverhoudingen
tot het zoeken naar aansluiting bij hervormingsbewegingen en progressieve instituties, en
tot effectiever verwezenlijking van de universele rechten. Te denken valt aan mensenrechte-
neducatie voor stamoudsten of projecten die zoeken naar aanknopingspunten voor een
sterkere positie van vrouwen of homoseksuelen in de Sharia. Nederland heeft veel rechts-
antropologische kennis en ervaring die kunnen helpen te komen tot een effectiever beleid
op dit gebied. In dit verband wijst de AIV – mede in relatie tot de noodzaak kinderen in het
onderwijs vertrouwd te maken met de gedachte ‘dat er naast hun traditionele godsdienst of
levensbeschouwing ook andere stromingen zijn en dat mensen gelijkwaardig zijn ongeacht
de stroming waar zij voor kiezen’ (p. 34) – ook op het belang van een actieve Nederlandse
inzet voor een voortvarende uitvoering van de resolutie betreffende mensenrechteneducatie
die de Mensenrechtenraad in september 2007 heeft aangenomen.
De dialoogbenadering die de AIV voorstaat gaat vooral dieper en kiest ook andere kanalen
dan de traditionele interstatelijke fora (multilateraal en bilateraal). Daarnaast blijft de vraag
hoeveel ruimte er voor de Nederlandse regering is om in het kader van het buitenlandse
beleid het thema van de universaliteit te benaderen vanuit een open debat en dialoog en
niet vanachter de vestingmuur van internationaalrechtelijke zekerheden. De AIV onder-
schrijft de noodzaak om de universaliteit verder te bewerkstelligen via debat met inbegrip
van actuele argumenten, maar beseft ook dat die positie politiek gezien gemakkelijk kan
leiden tot het betreden van al te moerassig gebied. Dat is temeer zo indien in de staten
waarmee het debat wordt gevoerd de juridische instituties ontbreken die de afwijkingen van
de universaliteit en het beroep op non-uniformiteit kunnen toetsen en tegenhouden.
                                                 7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>3.2       Ondeelbaarheid van rechten
De regering onderschrijft de ondeelbaarheid van de verschillende categorieën mensenrech-
ten, maar bij de AIV overheerst de indruk, mede gezien de gemaakte selectie voor prioritaire
thema’s, dat in het buitenlandse beleid de burger- en politieke rechten overheersen. Wel
wordt in diverse toelichtingen benadrukt dat ‘ieder recht even relevant [is] voor de menselijke
waardigheid en ontplooiing van het individu’ (p. 5) en dat ‘voor een menswaardig en recht-
vaardig bestaan economische, sociale en culturele rechten even onmisbaar [zijn] als burger-
rechten en politieke rechten’ (p. 70). Dat laatste wordt toegelicht met het (aansprekende)
voorbeeld dat ‘voor een slachtoffer van seksueel geweld goede medische zorg niet minder
prioriteit heeft dan het berechten van de dader’ (eveneens p. 70). Verder benadrukt de
regering (onder meer op p. iv-v) dat burger- en politieke rechten onmisbaar zijn om op het
terrein van esc-rechten vooruitgang te boeken. In de ogen van de AIV geldt echter evenzeer
dat esc-rechten, zoals het recht op voedsel en het recht op adequate gezondheidszorg,
onontbeerlijk kunnen zijn om op een effectieve manier gebruik te kunnen maken van
bepaalde burger- en politieke rechten.
Bij de uitwerking van de ondeelbaarheid van de rechten en het onderstrepen van het afzon-
derlijke belang van de esc-rechten spelen uiteenlopende zaken een rol, waarvan de AIV er
enkele noemt.
Allereerst de verhouding tussen de esc-rechten en de Millenniumdoelen [MDG’s]. De nota
zegt daarover een aantal zeer behartigenswaardige dingen, onder meer met betrekking tot
de inhoudelijke overeenkomsten, de doelstellingen en het feit dat de verschillende MDG’s
een equivalent hebben in de internationale mensenrechtenverdragen (p. 74). Vervolgens
echter worden de verschillen tussen beide terreinen uiteengezet: politiek versus juridisch
bindend, benchmarks en indicatoren (MDG’s) versus de plicht tot non-discriminatie en de
plicht de sociale en economische rechten stapsgewijs volledig te realiseren (ESC-Verdrag).
Hierna wordt gesteld dat het gerechtvaardigd is te concluderen ‘dat de benchmarks in de
MDG’s en de bindende rechten en plichten van de mensenrechtenverdragen elkaar goed
aanvullen en kunnen versterken’ (p. 74).
In de ogen van de AIV is deze benadering verdedigbaar, maar hij wijst erop dat het mogelijk
is met het internationale recht en de daaronder liggende morele en politieke verplichtingen
in de hand tot strengere opvattingen te komen ten aanzien van het karakter van de MDG’s.
De AIV denkt aan de interactie tussen een aantal van de MDG’s en de extraterritoriale wer-
king van de verplichtingen voortvloeiend uit het Handvest van de VN, in combinatie met het
ESC-rechten-Verdrag, aan de discussie in WTO-kader over de toegang tot (goedkopere) medi-
cijnen en aan de implementatie van het Recht op Ontwikkeling, zoals geformuleerd in
1986. Het voert te ver deze lijn in het kader van dit briefadvies verder uit te werken, maar
de conclusie zou zeker zijn dat het mogelijk is aan elk van de afzonderlijke MDG’s – denk
aan de MDG’s over onderwijs, over de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, over
kinder- en moedersterfte, over de verspreiding van dodelijke ziektes, en ‘zelfs’ aan MDG 7
over duurzaam milieu, waaronder toegang tot schoon drinkwater en de verbetering van de
levensstandaard van de meer dan 100 miljoen krottenwijkbewoners die de wereld kent, als-
ook MDG 8 over de plicht tot internationale samenwerking – en zonder afbreuk te doen aan
hun primair politieke karakter een verdergaande mensenrechtelijke onderbouwing te geven.
Zij kunnen immers in belangrijke mate worden gezien als politieke vertalingen van en als
het geven van urgentie aan internationale mensenrechtenverplichtingen.
In de tweede plaats wil de AIV wijzen op de noodzaak bij de ondeelbaarheid van de ver-
schillende soorten rechten telkens weer ‘af te dalen’ naar het grassrootsniveau, omdat esc-
rechten vaak aansluiten bij de meest direct gevoelde behoeften van mensen in partner-
                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>landen. Een manier om mensenrechten en armoedebestrijding aan elkaar te koppelen, die
in de nota geen aandacht krijgt, is legal empowerment en nadruk op toegang tot het recht.
Nederland heeft in het verleden veel ervaring opgedaan met steun aan paralegals (‘blote-
voetenjuristen’) en lokale rechtswinkels, zijnde vaak relatief goedkope programma’s die een
enorme populatie bereiken en deze in staat stellen rechten te verwezenlijken. Een dergelijk
bottom-up-perspectief, in het bijzonder door het ontwikkelen en ondersteunen van een
rights based approach, is ook in lijn met de behoefte om juist de positie van vrouwen te ver-
sterken. Zeker op mensenrechtengebied is het van belang om te bezien wie in een gegeven
context de ‘agenten van verandering’ zijn en hen strategische steun te verlenen. Dit vergt
een actieve zoektocht vanuit de ambassades en de wil om per land – binnen de geschetste
kaders – te bezien waarop de nadruk moet worden gelegd. Het gaat dan om een vrouwen-
organisatie die zich sterk maakt voor toegang tot water, een homobeweging die seksuele
geaardheid bespreekbaar maakt, een inheems volk dat voorzichtig toegang tot hulpbronnen
ter discussie stelt. Daarbij is naast openlijke steun ook materiële ondersteuning vaak wel-
kom, maar tevens informatie en het leggen van contacten tussen soortgelijke bewegingen.
Mensenrechtenbeleid (met inbegrip van het ontwikkelen van behoorlijk bestuur) is vooral
kennisintensief, en vereist dan ook specifieke training van de betrokken ambtenaren en
organisaties.
Naleving van mensenrechten vergt in veel landen ook een cultuuromslag. Het gaat daarbij
om het creëren van een klimaat waarin mensenrechten gedijen. Voorlichting kan een
belangrijke rol spelen in het ervoor zorgen dat mensen, buiten de rechtbanken en de offi-
ciële gremia, een beroep doen op, bijvoorbeeld, het gelijkheidsbeginsel. Te denken valt
hierbij aan voorlichting via de radio en aan toegankelijke vertalingen van relevante instru-
menten; ook op dit gebied heeft Nederland ruime ervaring.
In de derde plaats kan de wederzijdse toenadering tussen de MDG’s en de esc-rechten, in
opwaartse richting, worden gevonden in versterking van het toezicht op de naleving van de
esc-rechten. De nota stelt dat Nederland nauw betrokken is bij de onderhandelingen over
de totstandkoming van een Facultatief Protocol bij het ESC-rechten-Verdrag en daaraan con-
structief meewerkt, en dat dat ‘mede van belang [is] vanuit het oogpunt van een effectief
en geloofwaardig buitenlands beleid’ (p. 70). De AIV juicht het zeer toe dat er op dit vlak
vooruitgang lijkt te worden geboekt, maar constateert dat ons land tot op heden een nogal
terughoudende positie heeft ingenomen ten aanzien van dit Protocol. Naar het oordeel van
de AIV is een actieve rol inderdaad op zijn plaats. Na het van kracht worden van het Protocol
zou het toezichthoudende Comité werk kunnen maken van de concrete toepassing van
eerdere specificaties van de verschillende normen uit het Verdrag, zoals neergelegd in
opeenvolgende General Comments. Ook voor esc-rechten behoort in toenemende mate het
adagium van no right without a remedy te gaan gelden.
Op dit vlak kan de regering lering trekken uit de eerste ervaringen met het Protocol inzake
collectieve klachten onder het ESH. Dit Protocol stelt behalve werkgevers- en werknemers-
organisaties, ook (andere) internationale NGO’s, die voorkomen op een speciaal daartoe
opgestelde lijst van organisaties, in staat klachten in te dienen betreffende de naleving van
het Handvest. Eind 2007 staan er naast werkgevers- en werknemersorganisaties uit de
lidstaten ruim honderd NGO’s op deze lijst, tot nu toe goed voor 44 klachten. De eerste erva-
ringen wijzen erop dat het een manier is om grootschalige problemen efficiënt aan te pakken.
3.3      Mensenrechten en vrede en stabiliteit
De paragraaf over mensenrechten en vrede en veiligheid legt op een aantal plaatsen nogal
stellige verbanden, terwijl er in de praktijk veeleer sprake is van dilemma’s. Bij wijze van
voorbeelden wijst de AIV hierbij op een aantal thema’s.
                                                 9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Een eerste thema is de relatie tussen mensenrechten en terrorismebestrijding. Ten aanzien
van de passages over terrorisme beperkt de AIV zich tot een verwijzing naar twee recente
adviezen op dit terrein. De daarin verwoorde zorgen (met name op het terrein van foltering,
wrede, onmenselijke en vernederende behandeling) verdienen doorlopend de volle aan-
dacht.5 In het bijzonder wijst de AIV in dit verband nog op hetgeen wordt gesteld over
‘derogatie’ binnen vastomlijnde juridische kaders (p. 53). Naar het oordeel van de AIV had
meer uitdrukkelijk moeten worden verwoord dat een aantal basisrechten zoals vrijwaring
van foltering en wrede, onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing onder
geen enkele voorwaarde aan derogatie onderhevig mag zijn, ook niet in tijden van oorlog
(denk aan de behandeling en ondervraging van gedetineerden).6 Tevens is van belang dat
een nadere uitwerking wordt gegeven van hetgeen wordt gezegd over de volkenrechtelijke
grenzen bij het nemen van zelfverdedigingsmaatregelen tegen terroristische groepen
(p. 55). De formulering dat Nederland de uitwerking van die voorwaarden internationaal zal
bevorderen, is naar het oordeel van de AIV te passief en geeft onvoldoende richting aan de
inhoudelijke Nederlandse inbreng daarbij.7
Een tweede thema bij de koppeling tussen mensenrechten en vrede en stabiliteit is het
opkomend rechtsgebied van de transitional justice. In de strategienota worden vrede en
rechtvaardigheid nogal scherp tegenover vervolging en berechting van verdachten gesteld.
De AIV wijst erop dat die tegenstelling niet altijd behoeft te bestaan. De passages over
transitional justice (paragraaf 3.6.2.) wijzen daar ook op. Ook op dat terrein kan Nederland
een voortrekkersrol spelen, zowel vanwege de functie van Den Haag als Legal capital of the
world als vanwege de opgedane ervaring in landen als Zuid-Afrika, Rwanda, Guatemala en
Afghanistan. De AIV onderschrijft de nadruk op het bestrijden van straffeloosheid, maar
tegelijkertijd is het juist voor het bevorderen van vrede en stabiliteit van belang om te bepa-
len welke transitionaljusticemechanismen van toepassing zijn en om aansluiting te zoeken
bij – alweer – de lokale context.
Van belang is ook dit rechtsgebied niet geïsoleerd te beschouwen, maar te koppelen aan de
verwezenlijking van alle mensenrechten. Als alle aandacht, energie en middelen gericht zijn
op het verleden, terwijl het heden gekenmerkt wordt door voortdurend onrecht, schieten
ook de transitionaljusticemechanismen aan hun doel voorbij. Rechtbanken dienen bijvoor-
beeld ook ruimte te hebben voor hun ‘gewone’ taken en voorlichting over transitional justice
kan worden gekoppeld aan mensenrechteneducatie in het algemeen. De AIV onderschrijft
verder de opvatting in de nota dat in het streven naar gerechtigheid ook aan de opvattingen
en belangen van de slachtoffers recht moet worden gedaan door waarheidsvinding en door
erkenning van het recht van slachtoffers op reparatie (rechtsherstel) in materiële en imma-
teriële zin (onder meer p. 65). Afsluitend wenst de AIV te wijzen op het feit dat binnenkort
tezamen met de CAVV zal worden begonnen met het opstellen van een separaat advies
over deze problematiek.
5   Zie AIV, Terrorismebestrijding in Europees en internationaal perspectief, briefadvies nummer 11, Den Haag,
    december 2005 en AIV, Terrorismebestrijding in Mondiaal en Europees perspectief, advies nummer 49,
    Den Haag, september 2006.
6   Zie onder meer J.H. Burgers, Geen deuren open laten staan naar marteling!, in het NJCM-Bulletin, jrg. 32,
    nummer 7, november 2007, pp. 958-967.
7   Nader: de Kamerbrief betreffende het eindverslag internationale deskundigenbijeenkomst inzake mensen-
    rechten en contraterrorisme van 22 juni 2007.
                                                        10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Tot slot van deze paragraaf over ‘mensenrechten en vrede en stabiliteit’, betreurt de AIV het
dat in de passage over kleine wapens en wapenexport (pp. 60-61) niet nader is ingegaan
op het vraagstuk van beperking respectievelijk het verbod van clusterwapens. De link met
de mensenrechten ligt hier voor de hand en er zijn vele initiatieven gaande op dit gebied.
Een duidelijke stellingname van Nederland zou op dit terrein wenselijk zijn geweest.
3.4       De eenheid van regeringsbeleid
In de nota blijft de economische dimensie en de inzet van economische instrumenten en
actoren ter realisering van de mensenrechten onderbelicht. Wel refereert de nota aan de
samenwerking tussen de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Wereld-
bank en wordt uitvoerig ingegaan op de aanpak van kinderarbeid, met inbegrip van het
streven ‘naar het beschikbaar maken van onderwijs en verhoging van de levensstandaard
om de juiste voorwaarden te scheppen voor het uitbannen daarvan’ (p. 45). Bovendien
wordt gesproken over een dialoog tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en het
internationale bedrijfsleven met betrekking tot de rol die het laatste speelt op het vlak van
mensenrechten (p. 76), maar ruim bemeten en helder is dat alles bij elkaar niet. De belang-
rijkste verklaring daarvoor is ongetwijfeld dat de regering voornemens is binnenkort een
nieuwe notitie inzake Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) uit te brengen. De
AIV heeft daar begrip voor en gaat er vooralsnog van uit dat de MVO-nota ook netelige
kwesties zal aansnijden met betrekking tot situaties waarin bedrijven bijdragen aan of zelf
verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen.
Wel vraagt de AIV zich nu reeds af hoe het in de toekomst zal gaan met de coördinatie en
coherentie van het buitenlands beleid, de economische dimensies inbegrepen. De voorlig-
gende nota pleit voor een integratie van mensenrechten in het gehele VN-systeem en in
andere internationale organisaties zoals de Internationale Financiële Instellingen, maar wat
voor het internationale niveau wordt bepleit vindt in de nota geen logisch vervolg voor het
nationale vlak. Hier moet worden gedacht in de richting van de ministeries van Economi-
sche Zaken en Financiën, met betrekking tot de coördinatie van het Nederlandse beleid in
de Wereldbank, het IMF en de regionale ontwikkelingsbanken. Daarnaast hebben ook
ministeries als Justitie en Sociale Zaken te maken met uiteenlopende aspecten van interna-
tionaal mensenrechtenbeleid. Verder kan worden opgemerkt dat Nederland plechtig heeft
beloofd een Nationaal Instituut voor de Rechten van de Mens op te richten. Dat is tot op
heden niet gebeurd en ook dat kan worden gezien als een voorbeeld van het ontbreken van
eenheid van regeringsbeleid.
De eenheid van regeringsbeleid begint in zekere zin reeds binnen het ministerie van Buiten-
landse Zaken zelf. Terecht signaleert de nota dat ‘van het gehele departement een extra
inspanning [zal] worden gevergd wanneer het om mensenrechten gaat’ (p. 24). Los daarvan
presenteerde de minister voor Ontwikkelingssamenwerking onlangs zijn beleidsvoornemens
aan de Tweede Kamer,8 met daarin tal van raakvlakken met de rechten van de mens –
MDG’s, goed bestuur, gelijke rechten en kansen voor vrouwen en meisjes, sexuele en repro-
ductieve gezondheidsrechten, om enkele zaken te noemen – maar in de mensenrechten-
strategie wordt van deze ‘Beleidsbrief’ van OS geen melding gemaakt. Het omgekeerde
geldt overigens ook.
8   Beleidsbrief van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking, getiteld: ‘Een zaak van iedereen’ van
    16 oktober 2007.
                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>4.        Het in praktijk brengen van de mensenrechtenstrategie
De AIV heeft, als gezegd, met waardering kennisgenomen van de nota. Waar het nu echter
op aankomt is het tenuitvoerleggen van de intenties daaruit, waarbij het niet lastig is te
voorspellen dat dat in tal van opzichten een weerbarstige aangelegenheid zal zijn.
Terecht stelt de regering dat het ‘voor een effectief buitenlands beleid van belang [is] om de
bevordering van de internationale rechtsorde en van mensenrechten te bezien in samen-
hang met de andere doelen van dit beleid’ en dat een ‘adequate reactie op de uitdagingen
en dreigingen van onze tijd vraagt om een overtuigde inzet op mensenrechten, zonder deze
samenhang uit het oog te verliezen’ (p. 6). Dat beleid kan betrekking hebben op staten waar-
mee Nederland goede betrekkingen onderhoudt, maar die niet op de lijst staan van ‘de
echte bondgenoten’. Te denken valt aan China, de Russische Federatie en Saoedi-Arabië.
Het is de vraag hoe deze belangenafweging uitpakt en of de regering zich altijd, dan wel in
voor het parlement aanvaardbare mate, aan haar voornemens zal kunnen houden. De vraag
klinkt retorisch, maar is niet zo bedoeld. Tot het tegendeel blijkt gaat de AIV ervan uit dat de
regering met de huidige nota een nieuwe stap wil zetten op dit altijd lastige terrein.
De vraag zal ook zijn hoe ver de bereidheid en de mogelijkheden reiken om de ‘echte’
bondgenoten daadwerkelijk op hun mensenrechtengedrag aan te spreken. De AIV wees
daarop al eerder. In de strategienota worden de Verenigde Staten genoemd, maar er zijn
andere bondgenoten te noemen bij wie de rek snel zal zijn bereikt indien Nederland al te
kritisch wordt. Zo stelt de nota dat er ‘tijdens het eerste jaar van de Mensenrechtenraad
onevenredig veel aandacht werd besteed aan de situatie in het Midden-Oosten, veelal op
ongebalanceerde wijze’ (p. 15). Maar daarmee is nog niet gezegd dat de bilaterale contac-
ten met Israël en andere staten in het Midden-Oosten niet kunnen – en conform de hoofd-
lijn van de nota zouden moeten – worden gebruikt om te spreken over de zware schendin-
gen van de mensenrechten, inclusief esc-rechten, en het internationale humanitaire recht
die in de regio plaatsvinden.
De vraag is ook op welke wijze de regering bij de tenuitvoerlegging van haar beleid optimaal
gebruik kan maken van de posities die zij inneemt in de organen van de internationale
organisaties waarvan ons land deel uitmaakt. Deze zijn alle nodig om op specifieke onder-
delen de mensenrechtenagenda van de Nederlandse regering mede vorm te geven, maar
ze zijn niet gespeend van een grote variëteit aan achtergronden van de leden, van een
forse dosis aan bureaucratie en van onderlinge concurrentie. Dat laatste geldt onder meer
voor de verhouding tussen de EU en de Raad van Europa, het stimulerende/belangwekkende
‘rapport-Juncker’ over de verhouding tussen beide – met de veelzeggende titel A Sole
Ambition for the European Continent9 – ten spijt. Het valt de AIV toch al op dat de mensen-
rechtenstrategie met betrekking tot de Raad van Europa veel aandacht schenkt aan de
specifieke mensenrechtenorganen, en weinig aan de Parlementaire Assemblee en in het
geheel niet aan het Comité van Ministers. Toch behoren de Assemblee en het Comité van
Ministers tot de weinige organen met een mandaat dat zich uitstrekt over de mensen-
rechtensituatie in landen als de Russische Federatie.10
9   Aangeboden aan de Raad van Europa op 11 april 2006.
10 Zie ook AIV, De Raad van Europa: minder en (nog) beter, advies nummer 33, Den Haag, oktober 2003 en
    AIV, De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, advies nummer 40, Den Haag, februari 2005.
                                                    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Verder dient zich de vraag aan in welke mate de regering voornemens is bij staten waarin
mensenrechten op grove wijze worden geschonden en waarin structurele verbeteringen niet
op de korte termijn zijn te verwachten, over te gaan tot ‘bypass’-operaties en tot het recht-
streeks zaken doen met lokale overheden en instanties, langs de lijnen waarvoor in deze
reactie werd gepleit. Ook dat maakt onder bepaalde omstandigheden deel uit van een
gedurfd mensenrechtenbeleid.
Iets vergelijkbaars geldt voor de Responsibility to Protect. Terecht stelt de regering dat ‘het
adagium voor allen zou moeten zijn: wanneer genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuive-
ring of misdrijven tegen de menselijkheid plaatsvinden, is nietsdoen geen optie’ (p. 59).
Maar ook wordt gesteld dat de uitwerking en toepassing van de Responsibility to Protect
‘nog veel politieke wil en inspanning vergen, zoals ook blijkt in een situatie als Darfur’
(p. 3). De onderhavige nota bevat een aantal zeer bruikbare gedachten (pp. 57-59), maar
laat evenzeer zien dat de regering en ook de internationale gemeenschap als geheel nog
zoekende zijn.
5.       Tot slot
In de nu voorliggende strategienota gaat het om de vormgeving van een gezamenlijk buiten-
lands mensenrechtenbeleid voor en namens de Nederlandse regering als geheel. Dat vergt
derhalve coördinatie binnen de Nederlandse regering, maar evenzeer debat over botsende
inzichten met betrekking tot zaken als het optimaal dienen van de nationale Nederlandse
economische en veiligheidsbelangen. Vooralsnog is niet duidelijk of dat debat altijd tot een-
duidige conclusies zal leiden, in lijn met de mensenrechtenstrategie. Daarbij is het naar de
opvatting van de AIV geen alternatief van de regering te vragen dat zij reeds in de huidige
(strategische) nota op landen- of regioniveau aangeeft hoe dat beleid er exact uit gaat zien,
inclusief de weging van economische factoren die daarbij past. Het zou betekenen dat de
regering niet alleen vooraf haar inzet maar ook het beoogde eindresultaat kenbaar maakt,
en dat pleegt in het internationale interstatelijke verkeer niet de beste strategie te zijn. Wel
is van groot belang dat de regering in de voorliggende strategienota een doordacht raam-
werk heeft neergelegd waarbinnen de afwegingen dienen plaats te vinden.
                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
* Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
   Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
    slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
    september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
    politiek geladen context, juli 2007
**   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
     Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>