<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                          BRIEFADVIES
                EEN OMBUDSMAN VOOR
         ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
                  No. 13, December 2007
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter      Mr. F. Korthals Altes
Vice-voorzitter Prof.mr. F.H.J.J. Andriessen
Leden           Dhr. A.L. ter Beek
                Prof.jhr.dr. G. van Benthem van den Bergh
                Prof.dr. W.J.M. van Genugten
                Drs. H. Kruijssen
                Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
                Prof.dr. A. de Ruijter
                Prof.dr. A. van Staden
                Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris      Drs. T.D.J. Oostenbrink
                Postbus 20061
                2500 EB Den Haag
                telefoon 070 - 348 5108/6060
                fax 070 - 348 6256
                e-mail aiv@minbuza.nl
                www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden commissie Ombudsman
Voorzitter          Prof.dr. A. de Ruijter
Leden               Prof.mr. R. Fernhout
                    Prof.dr.mr. B. de Gaay Fortman
                    Drs. H. Kruijssen
                    Mw. ir. A.N. Papma
                    Ir. A. van der Velden
Corresponderend lid Prof.mr. N.J. Schrijver
Secretaris          Mw. mr. W.A. van Aardenne
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 30 augustus 2007 heeft de regering een aanvraag voor een briefadvies gericht
aan de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) over een Ombudsman in de
intergouvernementele betrekkingen tussen ontwikkelingssamenwerkingspartners.
De AIV heeft ter voorbereiding van dit advies een commissie samengesteld onder
voorzitterschap van prof.dr. A. de Ruijter. In de Commissie hadden de volgende
leden van de AIV zitting: prof.mr. R. Fernhout, prof.dr.mr. B. de Gaay Fortman,
drs. H. Kruijssen, mw. ir. A.N. Papma, prof.mr. N.J. Schrijver (corresponderend lid),
ir. A. van der Velden. Als ambtelijke contactpersoon trad op mw. drs. D.J. Roelofs.
Het secretariaat werd gevoerd door mw. mr. W.A. van Aardenne, bijgestaan door
stagiaire mw. S. Hardus.
Voor dit advies is een aantal ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken
en mw. dr. M.J.A. van Putten geraadpleegd. De AIV is de geraadpleegde personen
dankbaar voor hun inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV op 7 december 2007.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
1.        Inleiding
Op 30 augustus 2007 is door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan de AIV
advies gevraagd of een Ombudsman1 als element van wederzijdse verantwoording een rol
zou kunnen spelen in de intergouvernementele betrekkingen tussen ontwikkelingspartners
en welke die rol zou kunnen zijn. Daarnaast is de vraag voorgelegd hoe deze Ombudsman
zou moeten worden opgezet, als de AIV in beginsel meerwaarde zou zien in een dergelijk
instrument.
De minister heeft gevraagd om vóór 2008 een briefadvies op te stellen. De AIV heeft zich
dan ook bij de beantwoording van de door de minister gestelde vraag moeten beperken. Er
wordt in het advies eerst een beknopte schets gegeven van de uitgangssituatie. Ook wor-
den eventuele problemen aangestipt waarvoor een Ombudsman uitkomst zou kunnen bie-
den.2 Vervolgens wordt een mogelijke oplossingsrichting aangegeven.
Allereerst dient te worden vastgesteld dat in de intergouvernementele betrekkingen diverse
soorten van bilaterale humanitaire en ontwikkelingshulp mogelijk zijn, al dan niet in de vorm
van internationale overeenkomsten. Zo kan er budgetsteun of sectorale steun verleend wor-
den op basis van een akkoord. Er kan een Memorandum of Understanding worden afgeslo-
ten tussen een groep van donoren en het betrokken OS-land. Nederland kan de leiding heb-
ben als donor, maar er kan ook sprake zijn van een silent partnership agreement.3 Er kan
bijvoorbeeld ook bilateraal geoormerkte steun worden verleend aan een land via VN-organi-
saties, zoals het United Nations Development Program (UNDP) of via Internationale Financiële
Instellingen (IFI’s), zoals de Wereldbank (WB). Daarnaast financiert Nederland (internationa-
le) niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) die via lokale NGO’s allerlei activiteiten in OS-
landen uitvoeren. In dit geheel van OS-relaties tussen partners, zoals overheden, donoren,
internationale organisaties, NGO’s en andere uitvoerende instanties, worden afspraken
gemaakt en overeenkomsten gesloten over financiering en uitvoering van de hulp. Deze
bepalen wat de doelstelling van de overeenkomst is en op welke wijze uitvoering zal plaats-
vinden. Ook bepaalt de vorm of het een juridisch verbindende verplichting schept voor
staten (of internationale organisaties) of dat het slechts politiek en moreel verbindend is
voor regeringen, ministers, lagere autoriteiten of internationale organisaties.
Door allerlei omstandigheden kunnen in deze relaties tussen partijen in partnerschappen
zaken misgaan. Dit kan zijn oorzaak hebben in slechte planning, slechte uitvoering, gebrek
aan tijdige impactevaluatie, kwade wil of ongelijke machtsverhoudingen, waardoor onder
meer ownership niet is verzekerd. Direct en indirect kan dit negatieve invloed hebben op de
1   De term Ombudsman komt uit Zweden ter aanduiding van de vrouw of man die het mandaat heeft (van het
    parlement) om het ambtelijk apparaat te onderzoeken. De mandaatsduiding (en dus de gender neutraliteit)
    komt ook duidelijk naar voren in het Deense woord ter aanduiding van dezelfde functie: ombudsmand.
2   Zie ook Alan Fowler, Discussion Brief, Enhancing Accountability in Development Co-operation, Introducing an
    Ombudsman, 19 June 2007.
3   Zo’n overeenkomst wordt gesloten tussen één of meerdere donoren, meestal in dezelfde sector, waarbij één
    donor de uitvoerende taken op zich neemt en optreedt namens de andere donor (de silent donor). De leiden-
    de donor rapporteert regelmatig over de voortgang aan de silent donor.
                                                       5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>kwaliteit en effectiviteit van de verleende hulp. Het gaat hierbij veelal niet om duidelijke
contractbreuk, maar veeleer om het grijze gebied van miscommunicatie, mismanagement,
geschonden vertrouwen, niet nakomen van gerechtvaardigde, gewekte verwachtingen of
negatieve en onvoorziene effecten van verleende hulp.
De vraag die voorligt is, of in dit geheel van afspraken en procedures die de betrekkingen
tussen partners regelen en van invloed zijn op de kwaliteit en effectiviteit van de hulp, een
Ombudsman, een element van wederzijdse verantwoording kan brengen. Daarbij is de AIV
ervan uitgegaan dat het om problemen gaat, die zich kunnen voordoen:
   a. tussen partijen die contractueel in intergouvernementele betrekkingen met elkaar
       zijn verbonden. Deze contractuele relatie moet breder worden opgevat dan uitslui-
       tend “relaties tussen staten” vanwege de wijze waarop hulp via verschillende kanalen
       (multilateraal, bedrijfslevenprogramma, NGO) bilateraal wordt verleend;
   b. bij ontvangers van de hulp of andere belanghebbenden (stakeholders), die door niet
       behoorlijk handelen van partijen ernstig getroffen (dreigen te) worden in hun
       belangen.
Het is duidelijk dat a. de contractuele relatie tussen partijen een andere is dan b. tussen
partijen en derden. In dit advies zal voor beide categorieën worden bekeken of een
Ombudsman, die gekenmerkt wordt door onafhankelijkheid, een rol kan spelen als element
van wederzijdse verantwoording, in de vorm van een bemiddelings- en/of klachten-
mechanisme.
Om de vraag van de minister goed te kunnen beantwoorden, zal allereerst worden vast-
gesteld welk samenwerkingsverband aan de relatie ten grondslag ligt. Welke problemen
kunnen zich in dit samenwerkingsverband voordoen, waarvoor een Ombudsman uitkomst
zou kunnen bieden? Vervolgens wordt bekeken welke mechanismen er momenteel in het
samenwerkingsverband bestaan voor wederzijdse verantwoording in de vorm van een
bemiddelings- en/of klachtenmechanisme.
Als er in het samenwerkingsverband behoefte zou zijn aan een Ombudsman, hoe zou het
er dan uit moeten zien en aan welke voorwaarden zou het ten minste moeten voldoen?
Relevant daarbij is wat een Ombudsman zou moeten onderzoeken en toetsen. Er moet enig
referentiekader zijn van wat “goed” is en wat “fout” is. Welke normen of regels zijn of wor-
den geschonden? Wat die normen of regels zijn kan per sector verschillen. Zijn er echter
bepaalde basisregels, algemeen aanvaarde beginselen van behoorlijk handelen, die voor
iedereen in de keten gelden? Om welke regels gaat het dan?
Als laatste komt de vraag aan de orde of een Ombudsman meerwaarde heeft en als dit het
geval is, hoe het geïntroduceerd zou kunnen worden. De AIV komt daarbij tot de conclusie
dat een Ombudsman in de vorm van een extern onafhankelijk klachtenmechanisme binnen
het samenwerkingsverband van de Verklaring van Parijs meerwaarde kan hebben, als het
onder de juiste voorwaarden wordt ingesteld. De AIV heeft daarbij de vraag van de minister
gefaseerd beantwoord. Eerst wordt de Nederlandse situatie onder de loep genomen. Het is
immers van belang om te kijken of het eigen huis op orde is en na te gaan wat er nationaal
gedaan kan worden, alvorens internationaal voorstellen te doen. Tevens wordt voorgesteld
om parallel aan nationale initiatieven, met gelijkgezinden binnen de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) een pilot op te zetten om in praktijk
de veronderstelde meerwaarde te onderzoeken.
                                                6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>2.        Versterking van de samenwerking tussen donoren op OS-terrein;
          de Verklaring van Parijs
Internationaal komt de nadruk binnen ontwikkelingssamenwerking steeds meer te liggen op
samenwerking tussen donoren en hulpontvangende landen op basis van de in 2005 tot
stand gekomen Verklaring van Parijs over de effectiviteit van de hulp.4 Het betreft een part-
nerschapsovereenkomst, waarbij partijen afspraken hebben gemaakt over het aangaan van
verplichtingen en het afleggen van wederzijdse verantwoording. Aan donorzijde hebben de
WB, het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de VN, de regionale ontwikkelingsbanken en
de leden van het Development Assistance Committee (DAC) zich aan deze afspraken
gecommitteerd. Inmiddels is de Verklaring door meer dan honderd landen en internationale
organisaties onderschreven. In deze Verklaring hebben partnerlanden en donoren duidelij-
ke afspraken vastgelegd over vergroting van de effectiviteit van de hulp en verbetering van
de openbare financiën. De landen en organisaties die deelnemen zijn met elkaar zesenvijftig
partnerschapsverplichtingen overeengekomen. De Verklaring bevat twaalf indicatoren die
inmiddels zijn aangevuld met concrete doelen (te behalen in 2010), die donoren moeten
aanzetten tot betere afstemming van hun hulp met nationale procedures (alignment) en
onderlinge harmonisatie. In het vervolgtraject richt de OESO zich voornamelijk op de moni-
toring van de afspraken. De WB speelt een belangrijke rol op landenniveau.
Uitgangspunten van de Verklaring zijn:
• Developing countries exercise leadership over their development policies and plans
    (ownership);
• Donors base their support on countries’ development strategies and systems
    (alignment);
• Donors co-ordinate their activities and minimize the cost of delivering aid
    (harmonization);
• Developing countries and donors orient their activities to achieve the desired results
    (managing for results);
• Donors and developing countries are accountable to each other for progress in
    managing aid better and in achieving development results (mutual accountability).
De AIV heeft besloten bij de beantwoording van de vragen van de minister het samenwer-
kingsverband in het kader van de Verklaring van Parijs centraal te stellen. Het is gezien het
aantal landen, internationale organisaties en IFI’s, die zich aan dit beleid hebben verbonden,
het meest brede en verstrekkende akkoord op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.
Eventuele uitkomsten van de advisering kunnen wellicht in een later stadium ook relevant zijn
voor het hervormingsproces van de VN in het kader van “Delivering as One”.5
4   Paris Declaration on Aid Effectiveness, Ownership, Harmonisation, Alignment, Results and Mutual
    Accountability, High Level Forum, Paris, 2005.
5   Binnen de VN zijn momenteel hervormingen op ontwikkelingsterrein aan de gang op basis van het rapport
    van het High Level Panel on Systemwide Coherence. De belangrijkste aanbeveling van het panel is dat de
    VN in alle landen volgens het beginsel “Delivering as One” zou moeten gaan werken. Dit betekent dat de
    VN-organisaties in het veld voortaan worden samengebracht met één leider, één budget en één gezamenlijk
    programma dat in nauw overleg met het land zelf wordt opgesteld en waar mogelijk in één kantoor. In acht
    landen is inmiddels een “Delivering as One” proefproject gestart: Albanië, Kaapverdië, Mozambique,
    Pakistan, Rwanda, Tanzania, Uruguay en Vietnam. Hoewel op dit moment niet kan worden overzien wat de
    uitkomst van het proces zal zijn, is duidelijk dat men ook binnen het VN-systeem naar grotere harmonisatie
    en coherentie in samenwerking streeft. In tegenstelling tot de samenwerking in het kader van de Verklaring
    van Parijs zijn hier echter nog geen bindende afspraken over gemaakt.
                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>3.        Problemen die zich voor kunnen doen, waarvoor een Ombudsman uitkomst
          zou kunnen bieden
Zoals reeds is aangegeven wordt uitgegaan van de samenwerking in het kader van de
Verklaring van Parijs. In elke samenwerkingsvorm kunnen zich problemen voordoen, zowel
tussen partners als tussen partners en derden. Bij deze problemen zullen steeds de Verkla-
ring van Parijs en het samenwerkingscontract op basis waarvan uitvoering van de hulp
plaatsvindt, de basis vormen voor behandeling van klachten.
Op basis van de Verklaring van Parijs zijn tussen een aantal gelijkgezinde donoren, zoals
Canada, Denemarken, Finland, Ierland, Nederland, Noorwegen, Zweden en het Verenigd
Koninkrijk, afspraken gemaakt over hoe gezamenlijke financieringsakkoorden/overeenkom-
sten eruit zouden moeten zien. In het kader van deze zogenaamde Joint Financing
Arrangements (JFA) vindt financiering plaats van de begroting, de Poverty Reduction Strategy
(PRS), of sector programma’s. Ook kan op basis van zo’n JFA financiering plaatsvinden van
een Multi Donor Trust Fund. In deze gezamenlijke financieringsakkoorden is de grondslag
voor wederzijdse samenwerking en verantwoording vastgelegd. Zowel de Template for Joint
Financing Arrangements, als de Guide for Negotiating Joint Financing Arrangements of the
Sector Wide Approach (SWAp)6 zijn informatief in dit verband.
Centraal staat steeds het beginsel dat het ontwikkelingsland leiderschap heeft over zijn
ontwikkelingsbeleid en plannen (ownership). Er kunnen zich echter diverse problemen voor-
doen. Enerzijds kunnen landen door verkeerd gebruik van donormacht impliciet worden
gedwongen beslissingen te nemen waar zij niet achter staan. Anderzijds bestaat het risico
dat ownership leidt tot uitsluiting of bevoordeling van bepaalde groepen. Daarnaast bestaat
de mogelijkheid dat partijen gezamenlijk soms een verkeerde inschatting van de situatie
ter plaatse maken en de verkeerde instrumenten inzetten, c.q. de goede instrumenten
verkeerd hanteren.
Er kunnen zich ook problemen voordoen als een of meer landen plotseling besluiten hun
hulp te beëindigen zonder evaluatie van de impact van deze beëindiging voor ontvangers
van de hulp. Een hele structuur van onderwijs en gezondheidszorg kan ineenstorten als
niet behoorlijk wordt uitgefaseerd of overgedragen. Het is ook mogelijk dat een beperkte
groep slachtoffer wordt van een dergelijk besluit.
Eveneens kan zich het probleem voordoen, dat een bepaalde groep beter wordt door uitvoe-
ring van de hulp, ten nadele van een andere groep. Te denken valt aan de situatie die zich
voordoet bij de aanleg van een stuwdam. Een grote groep van de bevolking vaart hier wel
bij, echter een kleine groep kan gedwongen ontheemd raken. In dit geval zou een adequate
vangnetconstructie ontwikkeld moeten worden. Gebeurt dit niet, dan is de laatste groep
direct slachtoffer van de hulp. Er heeft dan geen of onvoldoende onderzoek naar sociale
gevolgen van beleid plaatsgevonden, dan wel is er onvoldoende aandacht besteed aan
mitigerende maatregelen (Social Impact Assessment).
Ook is denkbaar, dat door bepaalde ontwikkelingen - hoe goed bedoeld ook - het milieu
ernstige of blijvende schade ondervindt. Er heeft dan geen of onvoldoende onderzoek naar
milieuaspecten en mogelijke mitigatie plaatsgehad (Environmental Impact Assessment).
Het zou denkbaar zijn dat juist daar waar tweeden (contractsluitende partijen) of derden
getroffen (dreigen te) worden bij het aangaan, het uitvoeren of het beëindigen van de hulp,
6   Directie Juridische Zaken, Modellen Juridische Relaties, Joint Financing Arrangements (sectorale benadering).
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>een Ombudsman oplossing zou kunnen bieden. Zo’n instrument zou klachten kunnen
behandelen die binnen het kader van de Verklaring van Parijs en het contract vallen, doch
niet binnen een strikt juridisch kader. Het zou kunnen beoordelen of belangen bij het aan-
gaan, de uitvoering of de beëindiging van het contract behoorlijk zijn afgewogen en of even-
tueel de adequate (overgangs- of mitigerende) maatregelen zijn getroffen.
4.         Instrumenten die in het kader van de Verklaring van Parijs ter beschikking
           staan voor het afleggen van wederzijdse verantwoording in de vorm van een
           bemiddelings- en/of klachtenmechanisme
De Verklaring van Parijs kent geen extern onafhankelijk klachtenmechanisme. Er is ook
geen inspectie-/klachtenmechanisme, zoals bijvoorbeeld sommige IFI’s die kennen.7 De
OESO scoort goed op het gebied van transparantie, participatie en evaluatie in het Global
Accountability Report8 van One World Trust; echter zwak op het gebied van klachten en
reacties.9
De meeste internationale organisaties beschikken over een of andere vorm van een intern
bemiddelings- en/of klachtenmechanisme, waarbij de onafhankelijkheid zoveel mogelijk
gegarandeerd is. Zij hebben niet altijd aanvullend daarop een externe onafhankelijke klach-
tenprocedure. Bij ongelijke machtsverhoudingen van partijen is het zeer de vraag of een
intern klachtenmechanisme voldoende is en een extern onafhankelijk mechanisme voor
bemiddeling en/of geschillenbeslechting niet de voorkeur zou hebben. De kans, dat door een
intern mechanisme problemen onder het tapijt worden geveegd en zaken rooskleuriger wor-
den voorgesteld, is zeker aanwezig. Ook is het de vraag of bij een intern klachtenmechanisme
de stem van de stakeholder voldoende wordt meegenomen en gehoord. Daarnaast is de
kennis, die door een extern onafhankelijk mechanisme wordt opgebouwd voor een lerende
organisatie van wezenlijk belang.
Internationale Financiële Instellingen zoals de WB, de International Finance Corperation
(IFC)/Multilateral Investment Guarantee Agency (MIGA) en de Asian Development Bank
(ADB), kennen inmiddels hun eigen inspectie/klachtenmechanisme. Het gaat in het kader
van dit briefadvies te ver om de verschillende mechanismen, die elk hun voor- en nadelen
kennen, te behandelen. Een aardig voorbeeld is echter het gefaseerde bemiddelings- en
geschillenbeslechtingsmechanisme van IFC/MIGA. Op basis hiervan kan elk(e) individu,
groep, gemeenschap, entiteit, of andere partij die door de sociale en/of milieu-impact van
een IFC of MIGA-project direct wordt getroffen, een klacht indienen bij de Compliance Advisor
Ombudsman (CAO). Het gaat daarbij zowel om actuele als potentiële klachten. Klachten
mogen ook ingediend worden door vertegenwoordigers van hen die direct worden getroffen
door een project, op voorwaarde dat zij rechtsgeldig aantonen dat zij hen wettelijk vertegen-
woordigen. Een klacht is niet ontvankelijk als deze malafide of bagatel is of met het oog-
merk van concurrentievervalsing wordt ingediend. Wel kan een vraagteken gezet worden bij
de onafhankelijkheid van het mechanisme, gezien de positionering hoog in de organisatie.
7   Maartje van Putten, Policing the World, Accountability Mechanisms for Multilateral Financial Institutions and
    Private Financial Institutions, 2006.
8   One World Trust; 2006 Global Accountability Report, Holding Power to Account, p. 7.
9   One World Trust; 2006 Global Accountability Report, Holding Power to Account, Table 2, p. 21. “Do they have
    the capabilities to create a safe channel for staff, partners, affected communities and the public at large to
    file complaints for non-compliance with organizational policies and other commitments and do they offer
    them a response”.
                                                           9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>5.        Voorwaarden waaraan een Multilaterale Ombudsman zou moeten voldoen
Een Ombudsman in intergouvernementele betrekkingen tussen OS-partners onderscheidt
zich van een Nationale Ombudsman in die zin dat het niet opereert in een eenzijdige
verhouding klager versus nationale overheid, maar dat het vaak zal moeten functioneren in
een veelheid van OS-relaties. Het onderzoek naar aanleiding van een klacht zal betrekking
hebben op zowel de rol van de ontvangende staat als die van de donoren (coördinerende
en silent) en eventuele andere betrokken actoren. De Ombudsman zal moeten bepalen of
de gedraging waarover wordt geklaagd, uitsluitend valt toe te rekenen aan het ontwikke-
lingsland waaraan ownership toekomt10, dan wel ook aan de donoren en eventuele andere
betrokkenen. Hierbij kan tevens de vraag aan de orde komen of en in hoeverre het ontwik-
kelingsland daadwerkelijk ownership heeft over zijn ontwikkelingsbeleid.
De bemiddeling door de Multilaterale Ombudsman en de hiermee verbonden bevindingen,
conclusies en eventuele aanbevelingen zullen vaak gericht zijn op een veelheid van betrok-
ken actoren. Van belang is dat de Multilaterale Ombudsman toegang heeft tot alle relevan-
te documentatie en alle betrokkenen kan horen. Voorwaarde voor goed functioneren van
het instrument is bovenal dat het vertrouwen geniet van alle partners. Dit stelt strenge
eisen aan de instelling en positionering van de Ombudsman.
Het is niet de bedoeling dat de Multilaterale Ombudsman de rol van nationale instituties
(Parlement, Justitie, Nationale Ombudsman etcetera) op zich neemt of in plaats daarvan
optreedt. Het kan wel aan de hand van klachten signaleren dat nationale instituties niet
behoorlijk functioneren en aanbevelingen voor verbetering doen.
De International Ombudsman Association (IOA) geeft in de IOA Code of Ethics11 de volgen-
de ethische principes aan, waaraan een Ombudsman moet voldoen: onafhankelijkheid,
neutraliteit en onpartijdigheid, vertrouwelijkheid en informaliteit.
Om effectief te zijn zou het mechanisme daarnaast ten minste aan de volgende voorwaar-
den dienen te voldoen:
• operationeel zijn in het betrokken OS-land;
• eenvoudig van opzet, kwalitatief hoogwaardig en slagvaardig zijn;
• het vertrouwen genieten van alle OS-partners;
• laagdrempelig en gemakkelijk toegankelijk zijn;
• mondelinge en schriftelijke mogelijkheid tot klagen bieden (dit eerste is in landen met
    een sterke orale traditie zeer belangrijk);
• de bevoegdheid hebben om al dan niet op eigen initiatief te kunnen onderzoeken en
    aanbevelingen te kunnen doen;
• de toegang hebben tot alle relevante documentatie en de mogelijkheid hebben alle
    betrokkenen te kunnen horen;
• een bemiddeling/mediation- en, indien noodzakelijk, geschillenprocedure hebben.
10 In zo’n geval zal de Ombudsman de klager niet ontvankelijk verklaren en door verwijzen naar de Nationale
    Ombudsman van het ontvangende land.
11 Zie: International Ombudsman Association, IOA Code of Ethics, www.ombudassociation.org.
                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>6.          De toetsingsnormen van een Multilaterale Ombudsman
Zoals reeds aangegeven, is het uitgangspunt de samenwerking op grond van de Verklaring
van Parijs en het contract dat tussen partijen wordt gesloten. Bij de Ombudsman zou
geklaagd kunnen worden over niet behoorlijk handelen tussen partijen en/of richting derden
bij aangaan, uitvoering of beëindiging van het OS-contract.
Het gaat hierbij niet om een strikte rechtmatigheidstoets, maar om een behoorlijkheids-
toets, met inbegrip van bedoelde en onbedoelde neveneffecten. Behoorlijkheid valt in ver-
schillende onderdelen uiteen. Daartoe behoort onder andere (zoals hierna onder d. aange-
geven) dat verwachtingen die door het sluiten van een overeenkomst of het maken van een
afspraak zijn gewekt, worden gehonoreerd. Het OS-contract en de Verklaring van Parijs
vormen dan ook de eerste grondslag voor de toetsing. Daarnaast kan het referentiekader
voor behoorlijk handelen bestaan uit:
a. De uit diverse contracten, akkoorden en verdragen naar voren komende fundamentele
     beginselen op het terrein van de Internationale Rechten van de Mens en de Beginselen
     van Goed Bestuur12, inclusief anti-corruptiebeleid.
Het UNDP Report Governance for Sustainable Development 1997, noemt als de kernkarak-
teristieken van Goed Bestuur de in onderstaande box beschreven karakteristieken.
    Core Characteristics of Good Governance
    UNDP Report, Governance for Sustainable Human Development, 1997.
    Par ticipation – All men and women should have a voice in decision-making, either directly or through
    legitimate intermediate institutions that represent their interests. Such broad participation is built on
    freedom of association and speech, as well as capacities to participate constructively.
    Rule of law – Legal frameworks should be fair and enforced impartially, particularly the laws on
    human rights.
    Transparency – Transparency is built on the free flow of information. Processes, institutions and
    information are directly accessible to those concerned with them, and enough information is
    provided to understand and monitor them.
    Responsiveness – Institutions and processes try to serve all stakeholders.
    Consensus orientation – Good governance mediates differing interests to reach a broad consensus
    on what is in the best interests of the group and, where possible, on policies and procedures.
    Equity – All men and women have opportunities to improve or maintain their well-being.
    Ef fectiveness and ef ficiency – Processes and institutions produce results that meet needs while
    making the best use of resources.
    Accountability – Decision-makers in government, the private sector and civil society organisations are
    accountable to the public, as well as to institutional stakeholders. This accountability differs
    depending on the organisation and whether the decision is internal or external to an organisation.
    Strategic vision – Leaders and the public have a broad and long-term perspective on good
    governance and human development, along with a sense of what is needed for such development.
    There is also an understanding of the historical, cultural and social complexities in which that
    perspective is grounded.
12 De WB, Governance Matters, Worldwide Governance Indicators, 1996 – 2006 noemt als de zes dimensies
     van Governance: Voice and Accountability; Political Stability and Absence of Violence; Governance
     Effectiveness; Regulatory Quality; Rule of Law; Control of Corruption.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>b. Het bereiken van de Millennium Development Goals (MDGs). Internationaal staat het
    bereiken van de MDGs centraal. Samenwerkingsverbanden die in dit verband geen of
    nauwelijks effect sorteren of het tegendeel bereiken, zijn dus op de verkeerde weg.
c. Een ander belangrijk beginsel lijkt het “do no harm”- beginsel. Hoe goed de interventie
    ook bedoeld is, er moet als neveneffect geen ernstige schade optreden voor derden, de
    directe leefomgeving en/of het milieu.
d. Ook kunnen beginselen van zorgvuldigheid en van materiële en formele behoorlijkheid13
    in overweging worden genomen:
    Materiële behoorlijkheid: verbod van misbruik van bevoegdheid, redelijkheid, evenredig-
    heid, coulance, rechtszekerheid (waaronder de gerechtvaardigde, gewekte verwachtingen),
    gelijkheid en motivering;
    Formele behoorlijkheid: onpartijdigheid/onvooringenomenheid, hoor en wederhoor,
    motivering, fair play.
7.        Mechanismen voor wederzijdse verantwoording
In het geheel van ontwikkelingsrelaties binnen de OESO bestaan veel mechanismen om de
wederzijdse verantwoordelijkheid en effectiviteit van de hulp te waarborgen. Er is de 2006
Survey on Monitoring the Paris Declaration, een nulmeting, op basis waarvan de voortgang
op indicatoren van de Verklaring van Parijs wordt gemonitord. In 2008 zal een tussenbalans
worden opgemaakt en in 2010 moeten de gestelde doelen zijn gehaald.
Er zijn de Performance Assessment Frameworks (PAFs). Dit zijn afspraken op landenniveau,
op basis waarvan in het betreffende land indicatoren worden gemonitord. Deze zijn per land
verschillend. Een PAF heeft twee doelen: (a) het voor alle partners mogelijk maken voor-
uitgang te monitoren en wanneer noodzakelijk beleid en implementatie aan te passen;
(b) meer specifiek, het bieden van een basis voor het maken van keuzes over de verdeling
van donorgelden.
Verder zijn er de Poverty Reduction Strategies (PRSs). In een PRS staat hoe een land de
millenniumdoelen wil verwezenlijken en welke sociale en economische maatregelen hier-
voor nodig zijn. Het is de bedoeling dat parlementen en maatschappelijke organisaties
meepraten over de invulling van de plannen en bovendien de uitvoering in de gaten hou-
den. De WB, het IMF en bilaterale donoren hebben beloofd deze plannen als basis te
nemen voor hun eigen programma’s. De belangrijkste principes van PRS-programma’s zijn:
participatie, prioriteiten stellen en ownership.
Daarnaast zijn er de gezamenlijke evaluaties. Deze moeten nagaan of de hulp impact heeft,
juist wordt besteed en of ontvangende landen en donoren zich behoorlijk en volgens de
afgesproken regels gedragen. Zo zijn er de peer reviews tussen donoren, waarbij “gelijken”
elkaars beleid beoordelen op sterke en zwakke punten wat betreft implementatie en toe-
passing. De donoren leren op deze wijze van elkaar, maar het blijft een evaluatie tussen
peers en dat is niet vergelijkbaar met een extern onafhankelijk mechanisme. Hetzelfde
geldt voor het African Peer Review Mechanism (APRM) 14, een multilateraal instrument op
13 De Nederlandse Nationale Ombudsman, Behoorlijkheidswijzer, Den Haag, 2004.
14 Het APRM heeft als mandaat te verzekeren dat beleid en praktijk van deelnemende landen in overeenstem-
    ming zijn met overeengekomen normen en waarden op het gebied van politiek, economie en maatschappelijk
    verantwoord ondernemen zoals neergelegd in de Declaration on Democracy, Political, Economic and
    Corporate Governance, 9 March 2003, Ajuba, Nigeria.
                                                   12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>basis waarvan leden van de Afrikaanse Unie zich vrijwillig onderwerpen aan zelf-monitoring.
Een ander mechanisme voor wederzijdse verantwoordelijkheid is het samenwerkings-
verband van de Economic Commission for Africa (ECA) en de OESO/DAC; de Mutual Review
of Development Effectiveness in Africa.15 De twee organisaties hebben op verzoek van het
New Partnership for Africa’s Development (NEPAD) in 2005 gezamenlijk een rapport voor-
bereid. Het rapport geeft de voornaamste committeringen die voor Afrika gedaan zijn in de
context van relevante internationale fora en de G8. In het rapport worden prestatie-indicato-
ren voor 2007 gegeven. Deze behelzen een forse monitorinspanning waarmee al in 2006
moest worden begonnen. De Mutual Review is een tweejaarlijks proces van dialoog tussen
Afrika en de OESO/DAC leiders en beleidsmakers over uitvoering op ontwikkelingsterrein.
8.        De meerwaarde van een Multilaterale Ombudsman
Gezien de veelheid van reeds bestaande monitoring- en evaluatiemechanismen binnen de
OESO, is de vraag gerechtvaardigd of een Multilaterale Ombudsman op het gebied van
wederzijdse verantwoording meerwaarde zou hebben. De AIV is van oordeel dat deze vraag
onder voorwaarden positief beantwoord kan worden. Het belangrijkste argument daarvoor is
dat op dit moment een extern onafhankelijk klachtenmechanisme voor bemiddeling en/of
geschillenbeslechting bij de OESO ontbreekt. Voordelen van een dergelijk mechanisme zijn:
• Zo’n klachtenmechanisme kan als het onder de juiste voorwaarden wordt ingesteld en
    functioneert, op het terrein van early warning, maar ook in latere stadia van ontwikke-
    lingsprocessen een belangrijke rol vervullen. Het kan tijdig signaleren wanneer donoren
    of partnerlanden zich niet aan gemaakte afspraken in het kader van de Verklaring van
    Parijs en het contract houden of deze verkeerd uitvoeren. Ook voor derden, die door niet
    behoorlijk handelen van partijen ernstig getroffen (dreigen te) worden, is zo’n instrument
    van belang.
• Het instrument heeft meerwaarde omdat het optreedt binnen meervoudige relaties en
    gedurende het gehele proces actief is.
• Extern onderzoek van een klacht zal veelal objectiever zijn, dan interne klachtenbehan-
    deling.
• Een extern onafhankelijk klachtenmechanisme zal het lerend vermogen van de OESO en
    de lidstaten vergroten. Er kan op deze wijze een norm worden ontwikkeld, dan wel
    verbeterd, waaraan ontwikkelingspartners dienen te voldoen.
De AIV is hierbij uitgegaan van een gefaseerd bemiddelings-/geschillenbeslechtings-
instrument voor wederzijdse verantwoordelijkheid, dat geen bindende besluiten kan nemen.
De conclusies van het onderzoek en de eventuele aanbevelingen worden door de Multilatera-
le Ombudsman gepubliceerd. Op de betrokken partijen rust de verplichting om publiek te
maken wat met de aanbevelingen wordt gedaan.
15 Development Effectiveness in Africa, Promise of Performance; Applying Mutual Accountability in Practice,
    Senior Level Meeting, 6-7 December 2005.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>9.         Nederland en de opzet van de Multilaterale Ombudsman
De AIV is van mening dat, alvorens internationaal activiteiten te gaan ontplooien, het goed
is om te bekijken of het eigen huis op orde is.
Degenen die direct worden of zijn getroffen door niet behoorlijk handelen van de Neder-
landse overheid in OS-relaties kunnen klagen bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en
vervolgens bij de Nederlandse Nationale Ombudsman. De Nationale Ombudsman treedt
echter alleen op in de klager versus nationale overheid relatie en is niet bevoegd in relaties
waar andere (donor)staten bij betrokken zijn.
In de diverse door Nederland gesloten akkoorden komen als belangrijke opties, als er pro-
blemen in de samenwerking ontstaan, naar voren:
• communicatie en dialoog;
• de optionele regels voor arbitrage van het Permanente Hof van Arbitrage;
• stopzetting van de hulp.
Als eerste zou Nederland in al zijn ontwikkelingsrelaties als prioriteit een voorwaarde kun-
nen stellen, dat binnen iedere entiteit waarmee wordt samengewerkt een
klachten/bezwaarprocedure bestaat voor tweeden en derden en dat deze ook daadwerke-
lijk werkt. Concreet kan Nederland dat nastreven voor alle multilaterale organisaties (voor
een groot deel bestaan deze reeds), donoren, NGO’s en anderen die financiering in de vorm
van ODA ontvangen.
De AIV is daarnaast van mening dat een Multilaterale Ombudsman voor donoren, partner-
landen, ontvangers van de hulp en direct getroffen derden, een belangrijke leemte op het
gebied van wederzijdse verantwoording zou kunnen vervullen, als er niet behoorlijk wordt
gehandeld in het samenwerkingsverband op basis van de Verklaring van Parijs en het finan-
cieringscontract. De praktijk is echter vaak weerbarstiger dan de theorie. Nederland zou
dan ook aan de hand van een pilot kunnen toetsen, of en welke problemen zich voor kun-
nen doen en of een Multilaterale Ombudsman hier inderdaad een constructieve oplossing
met meerwaarde zou kunnen bieden.
De AIV geeft in overweging om in een land waarin Nederland een actieve rol als leidende
donor vervult in het kader van de samenwerking van de Verklaring van Parijs met gelijk-
gezinden zo’n pilot op te zetten. Het is dan wel van belang dat er in dat land reeds een
Nationale Ombudsman aanwezig is.16 Dit om te voorkomen dat een multilaterale
Ombudsman de rol van Nationale Ombudsman op zich neemt.
Gedacht wordt aan de instelling van een Multilaterale Ombudsman cq. Ombudsman-panel
bestaande uit drie personen. Het partnerland en de donoren zouden elk één vertrouwens-
persoon aan kunnen wijzen. Deze twee samen wijzen vervolgens een derde vertrouwens-
persoon aan, die aan de ethische voorwaarden (onafhankelijkheid, neutraliteit en onpartij-
digheid, vertrouwelijkheid en informaliteit) van een Multilaterale Ombudsman voldoet en
het vertrouwen geniet van alle ontwikkelingspartners. Dit panel van drie personen zou
vervolgens voor vier jaar door de ontwikkelingspartners kunnen worden benoemd. Na twee
jaar zou een mid-term review kunnen worden gehouden. Na vier jaar zou een eindevaluatie
16 Diverse Afrikaanse landen kennen reeds een Nationale Ombudsman. Zie African Ombudsman Association,
     Strategic Plan 2003-2006.
                                                   14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>moeten bezien of de Multilaterale Ombudsman de toegevoegde waarde heeft gehad, die
men er oorspronkelijk van verwachtte.
De Multilaterale Ombudsman dient aan al de in dit briefadvies gestelde voorwaarden te
voldoen. Klachten zouden mondeling en schriftelijk bij het secretariaat van de Multilaterale
Ombudsman kunnen worden ingediend door elk(e) individu, groep of gemeenschap, entiteit
of andere partij die direct door het samenwerkingsverband tussen donoren en ontvangende
overheid op basis van het contract in het kader van de uitvoering van de Verklaring van
Parijs wordt getroffen. Een lichte niet-juridische procedure van klachtenbehandeling en
eventueel eigen onderzoek zou hier het beste passen. Een klacht is niet ontvankelijk als
deze malafide of bagatel is of met het oogmerk van concurrentievervalsing wordt ingediend.
De Multilaterale Ombudsman dient voldoende statuur te hebben om effectief te kunnen
opereren. Ook dient het instituut over voldoende financiële middelen te beschikken om
eventueel expertonderzoek wanneer dit noodzakelijk mocht zijn, mogelijk te maken. De
praktijk leert dat eigen onderzoek nagenoeg altijd nodig is. De functie is zonder meer duur.
Het secretariaat van een Multilaterale Ombudsman zou bijvoorbeeld kunnen worden geleid
door een vrijgestelde ambtenaar van de OESO en dient duidelijk onafhankelijk in het
partnerland te zijn gevestigd. Ter informatie zouden kopieën van de klachten kunnen wor-
den gestuurd aan een bureau binnen het hoofdkantoor van de OESO. Ook zou de klachten-
procedure nationaal in het partnerland bekend gesteld dienen te worden.
Het zou in dit stadium puur gaan om te kijken:
- welke problemen doen zich voor;
- kan de Ombudsman voor intergouvernementele betrekkingen tussen ontwikkelings-
    partners een oplossing bieden bij bemiddeling- en geschillenbeslechting tussen het
    partnerland en donoren en tussen partijen en derden;
- kan de Ombudsman naleving van de Verklaring van Parijs helpen bevorderen en wat zijn
    de leereffecten;
- het in kaart brengen van de (im)materiële baten en lasten.
De conclusies en aanbevelingen van een Multilaterale Ombudsman zouden ook in de peer
reviews meegenomen kunnen worden. Op deze wijze wordt het leereffect van het instru-
ment versterkt.
De AIV geeft er in dit stadium de voorkeur aan deze voorstellen niet verder uit te werken.
De minister wilde beantwoording in de vorm van een briefadvies vóór 2008. De AIV is
uiteraard gaarne bereid voorstellen en voorwaarden voor een dergelijke pilot verder uit te
werken, mocht de minister dit relevant achten.
                                                15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Ministerie van

Buitenlandse Zaken
Aan de Voorzitter van
de Adviesraad Internationale Vraagstukken Directie Effectiviteit en Kwaliteit
Mr. F. Korthals Altes Bezuidenhoutseweg 67
Postbus 20061 2594 AC Den Haag
2500 EB Den Haag
Datum 3augustus 2007 Auteur Antoinette Gosses
Kenmerk DEK/BA-123/07 Telefoon 070-3487392
Blad 1/2 Fax 070-3484093
Bijlage(n) ah.gosses@minbuza.nl
Betreft Adviesaanvraag Ombudsman www.minbuza.nl
Ce.

Jeet flee Korten … AUzr

Alle samenlevingen kennen naast formele ook traditionele vormen van bemiddeling bij
conflicten. In Europa is in dit verband vooral het instituut van ombudsman (hier verder
‘ombud’ genoemd) bekend. De belangrijkste kenmerken van het instituut ‘ombud’ zijn
haar onafhankelijkheid en transparante werkwijze. Of de adviezen bindend zijn
varieert van situatie tot situatie maar zeker is dat het instituut aan gezag wint naarmate
haar uitspraken meer bindend zijn.

In ontwikkelingssamenwerking bestaan allerlei afspraken en procedures die
betrekkingen tussen partnerlanden regelen en in banen leiden. Maar de verhoudingen
zijn niet gelijkwaardig en het zijn en blijven de donoren die hun wensen opleggen aan
hun ontwikkelingspartners, ondanks alle uitspraken over ownership. Het zou getuigen
van volwassenheid in de relaties tussen ontwikkelingspartners als beide partijen bereid
zouden zijn ter verantwoording geroepen te worden over allerlei aspekten van de
relatie die onduidelijk zijn, vragen oproepen of zelfs wrevel opwekken. Een ombud-
achtig instrument zou in deze lakune kunnen voorzien maar zou wel aangepast moeten
worden aan het terrein van intergouvernementele betrekkingen.

Tegen deze achtergrond vraagt de regering aan de Adviesraad Internationale
Vraagstukken een briefadvies over de wenselijkheid van een ombud-achtig instrument
dat het element van wederzijdse verantwoording brengt in de betrekkingen tussen
partnerlanden. Het verzoek is om uw vooral te richten op de politieke aspekten en
mogelijke implicaties van de introductie van een dergelijk instrument.

ENEN) aaan dd) 377
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Ministerie van
Buitenlandse Zaken

Vragen

1.

Wat zou de rol kunnen zijn van een dergelijke instrument in de
intergouvernementele betrekkingen tussen partners?

Kenmerk van een ombud-instituut is haar onafhankelijkheid waarbij meteen de
vraag van de souvereiniteit van de partijen om de hoek komt kijken.

Als de Raad in beginsel meerwaarde ziet in het instrument hoe zou het
moeten worden opgezet?

Ik verzoeke AIV om nog in 2007 zijn advies te presenteren.

De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking

EN) aaan dd)”
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
    september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
    politiek geladen context, juli 2007
* Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
*** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>