<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre> KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING
                  No. 62, November 2008
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Mr. F. Korthals Altes
Leden          Mw. S. Borren MA
               Prof.dr. W.J.M. van Genugten
               Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You
               Mw. dr. P. C. Plooij-van Gorsel
               Prof.dr. A. de Ruijter
               Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
               Prof.dr. A. van Staden
               Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
               Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB Den Haag
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               e-mail aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden van de Commissie
Klimaat, Energie en Armoedebestrijding
Voorzitter          Prof.dr.mr. Jepma
Vice-voorzitter     Prof.dr. L.B.M. Mennes
Leden               Dr. B.S.M. Berendsen
                    Drs. T. Etty
                    Mw. ir. A.N. Papma
                    Prof.dr. A. de Ruijter
                    Prof.mr. N.J. Schrijver
                    Mr. C.G. Trojan
                    Ir. A. van der Velden
Externe deskundigen Prof.dr. J.B. Opschoor
                    Prof.dr.ir. R. Rabbinge
Secretaris          Mw. mr. W.A. van Aardenne
                    Mw. S.M.N. van Schoten (tijdelijk)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>         Inhoudsopgave
         Woord vooraf
I        Inleiding      7
         I.1      De adviesaanvraag        7
         I.2      Aanpak van de AIV        8
II       Adaptatie in ontwikkelingslanden: verantwoordelijkheid en mogelijke kosten 10
         II.1     Inleiding     10
         II.2     De basis van een verantwoordelijkheid van de
                  geïndustrialiseerde landen        13
         II.3     Schattingen van adaptatiekosten          17
III      Adaptatiesteun: financiering en invulling van beleid     20
         III.1    Vormgeving van beleid door de geïndustrialiseerde landen:
                  verschillende componenten         20
         III.2    De diversiteit van initiatieven       22
         III.3    Verantwoording van publieke adaptatiemiddelen
                  afkomstig van donoren         23
         III.4    Bronnen voor de financiering van adaptatie      24
         III.5    De kanaalkeuze ten aanzien van eventuele adaptatiesteun    25
         III.6    Prioriteitstelling    26
         III.7    De rol van lokale adaptatieprogramma’s       27
IV       Klimaat en mondiale energievoorziening           31
         IV.1     Inleiding     31
         IV.2     Energiezekerheid        31
         IV.3     Mogelijk tegenstrijdige belangen         32
         IV.4     Hernieuwbare energie         33
V        Biobrandstof: energie voor de toekomst?           36
         V.1      Inleiding     36
         V.2      Europees biobrandstofbeleid          36
         V.3      Biobrandstof: duurzame energie?           37
         V.4      Mogelijke beleidsconsequenties          39
         V.5      Biobrandstofbeleid in ontwikkelingslanden       42
VI       Samenvatting en aanbevelingen           44
Bijlage I         De adviesaanvraag
Bijlage II        Lijst van gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) heeft het onderhavige advies uit-
gebracht op verzoek van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. De advies-
aanvraag ‘Klimaat, energie en armoedebestrijding’ van 15 maart 2008 is integraal
opgenomen als bijlage I.
Het advies is voorbereid door de gecombineerde commissie Klimaat, Energie en
Armoedebestrijding (KEA) onder voorzitterschap van prof.dr.mr. C.J. Jepma
(Commissie Ontwikkelingssamenwerking – COS) en vice-voorzitterschap van
prof.dr. L.B.M. Mennes (COS). De leden van de commissie waren dr. B.S.M.
Berendsen (COS), drs. T. Etty (Commissie Mensenrechten – CMR), mevrouw ir. A.N.
Papma (COS), prof.dr. A. de Ruijter (voorzitter COS), prof.mr. N.J. Schrijver (CMR),
mr. C.G. Trojan (Algemene Energieraad (AER) en Commissie Europese Integratie –
CEI) en ir. A. van der Velden (COS). Daarnaast hebben prof.dr. J.B. Opschoor en
prof.dr.ir. R. Rabbinge als externe deskundigen deelgenomen. Ook is gesproken met
ir. J.R. Ybema van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN).
Ir. P.A.G. Hassing, plaatsvervangend directeur van de Directie Milieu en Water
(DMW), is opgetreden als ambtelijk contactpersoon. Het secretariaat is gevoerd
door mevrouw mr. W.A. van Aardenne, daarin bijgestaan door mevrouw
S.M.N. van Schoten (tijdelijk staflid) en de stagiairs K. Blaazer en mr. M. Erik.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>I         Inleiding
I.1       De adviesaanvraag
Op 15 maart 2008 vroeg de minister voor Ontwikkelingssamenwerking een advies over
de relatie tussen ‘Klimaat, energie en armoedebestrijding’. Klimaatverandering wordt
nog niet zo lang gezien als een probleem dat wereldwijd duurzame ontwikkeling in de
weg zal staan. Als zodanig leidt dit tot zorgen die additioneel zijn aan die welke in de
Millennium Development Goals (MDGs) worden geadresseerd.
Het vierde Assessment Report van het Intergovernmental Panel on Climate Change
(IPCC)1, uitgebracht in 2007, concludeert onder meer dat klimaatverandering in belang-
rijke mate het gevolg is van menselijk handelen.2 Dit leidt tot emissies van broeikas-
gassen samenhangend met het verbruik van fossiele brandstoffen en van landgebruik.
Klimaatverandering manifesteert zich in onder andere temperatuurverandering, die weer
tot vele andere ongewenste verschijnselen leidt. Vermindering van deze emissies kan
leiden tot geringere temperatuurveranderingen en geringere frequentie en schaal van
andere verschijnselen van klimaatverandering. Zelfs bij een onmiddellijk begin van een
programma van mitigatie, ofwel het verminderen van de uitstoot en het vastleggen van
broeikasgassen (zie hoofdstuk II), zullen de eerstvolgende decennia de temperaturen in
de verschillende delen van de wereld echter alleen nog maar stijgen. Hierdoor zullen de
andere verschijnselen en effecten van klimaatverandering zich in onverminderde mate
voordoen. Dit houdt in dat naast het terugdringen van (de verschijnselen van) klimaat-
verandering ook aanpassing aan de gevolgen daarvan noodzakelijk is, adaptatie (zie
hoofdstuk II en III). Dat wil zeggen dat een geheel aan (infrastructurele) voorzieningen
en ook andere maatregelen tot stand zal moeten komen, niet met het doel om de ver-
schijnselen van klimaatverandering te voorkomen, maar om aan de nadelige, feitelijke
en toekomstige effecten van deze verschijnselen het hoofd te bieden.
De risico’s en gevolgen van klimaatverandering zijn voor verschillende regio’s en daar-
binnen landen heel verschillend en nog omgeven door veel onzekerheden. Het Human
Development Report 2007/2008 geeft aan dat voornamelijk ontwikkelingslanden, en
daarbinnen de armere bevolkingsgroepen, grotere risico’s lopen om negatieve gevolgen
te ondervinden. Ook manifesteert klimaatverandering zich vooral in bepaalde sectoren
1   Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) werd in 1988 opgericht door World
    Meteorological Organization (WMO) en the United Nations Environment Programme (UNEP). Het kreeg
    toen als taak om op basis van beschikbare wetenschappelijk informatie een rapport op te stellen over
    alle aspecten die relevant zijn voor klimaatverandering en de impact ervan en om realistische strate-
    gieën als antwoord hierop te formuleren. Het eerste Assessment Report van het IPCC diende als basis
    voor de onderhandelingen van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC)
    welke in 1992 tijdens de Top in Rio de Janeiro werd ondertekend en in 1994 in werking trad. Het ver-
    drag biedt een omvattend beleidsraamwerk om zaken op het gebied van klimaatverandering te adresse-
    ren. De relatie tussen UNFCCC en het IPCC staat model voor interactie tussen wetenschap en beleids-
    makers.
2   De AIV is zich ervan bewust dat niet alle deskundigen de conclusies van het IPCC inzake klimaatverande-
    ring en de oorzaken daarvan delen. Op grond van het voorzorgmotief is de AIV desondanks van oordeel
    dat we het ons niet kunnen veroorloven in dezen risico’s te nemen.
                                                       7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>zoals landbouw, water, gezondheidssector, natuurlijke hulpbronnen, transport en infra-
structuur en op bepaalde locaties zoals kustgebieden.
Gezien de verstrekkende gevolgen van klimaatverandering dient adaptatie aan klimaat-
verandering urgent een plaats te krijgen in de mondiale, nationale en sectorale plannen
relevant voor ontwikkelingslanden, evenals in het beleid van de geïndustrialiseerde lan-
den. Vroegtijdige en effectieve mitigatie is noodzakelijk om de kosten van adaptatie zo
laag mogelijk te houden.
Zoals gezegd is klimaatverandering in belangrijke mate het gevolg van toenemende
emissies van broeikasgassen. Dit houdt in dat er een relatie is met de omvang en de
groei van het energieverbruik in de wereld en de wijze waarop hierin wordt voorzien. Een
herstructurering van de vraag naar en het aanbod van energie, met de nadruk op duur-
zame energie, is daarom geboden. Een speciaal aspect hierbij is het vergroten van de
toegang tot energie voor de vele honderden miljoenen mensen die daar nu nog van ver-
stoken zijn.
Bovenstaande overwegingen hebben de minister ertoe gebracht de AIV de volgende vra-
gen te stellen:
1. Op welke wijze kan Nederland het meest effectief invulling geven aan de verantwoor-
    delijkheid om de bestrijding van klimaatverandering in ontwikkelingslanden te onder-
    steunen? Op welke wijze kan het principe van ‘de vervuiler betaalt’ toegepast wor-
    den in de Nederlandse samenleving?
2. Klimaatverandering is een relatief nieuw fenomeen voor de politieke agenda van ont-
    wikkelingslanden. Er heeft tot nu toe relatief weinig onderzoek plaatsgevonden over
    waar de effecten van klimaatverandering in de samenleving zullen worden gevoeld.
    Dit maakt het niet eenvoudig om een effectief adaptatiebeleid te voeren. Wat zouden
    voor Nederland, gegeven de beperkte kennis en informatie over adaptatie, de priori-
    teiten moeten zijn om de middelen effectief aan te wenden?
3. Wat is de relatie tussen het klimaatvraagstuk en het vraagstuk van de mondiale
    energiezekerheid voor de 2 miljard energiearme mensen en hoe kan Nederland een
    goede balans vinden tussen mogelijk tegenstrijdige belangen? In hoeverre moeten
    Nederland en andere donoren, omwille van de toekomst, bij de steun aan de 2 mil-
    jard energiearmen uitsluitend focussen op hernieuwbare energie?
Nog een ander aspect van klimaatverandering is dat er een negatieve invloed kan ont-
staan op de veiligheid in de wereld. Bestaande spanningen en instabiliteit kunnen wor-
den vergroot, mogelijkerwijs leidend tot conflicten en grote aantallen milieumigranten.
De AIV heeft in juli 2008 een adviesaanvraag ontvangen van de minister van Defensie
inzake de relatie tussen klimaat en veiligheid. Deze problematiek zal in een afzonderlijk
briefadvies worden behandeld, dat naar verwachting aan het begin van volgend jaar
wordt uitgebracht.
I.2       Aanpak van de AIV
In het hierna volgende advies wordt in hoofdstukken II en III ingegaan op de vragen
1 en 2 van de minister. Daarbij heeft de AIV de meeste aandacht gegeven aan het
onderwerp adaptatie, niet zozeer omdat mitigatie niet belangrijk zou zijn, maar omdat de
vragen van de minister specifiek op adaptatie gericht zijn. Daarnaast worden onder-
                                              8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>werpen als verantwoordelijkheid, ramingen van adaptatiekosten evenals de financiering
daarvan en de ontwikkeling van adaptatiebeleid en -programma’s behandeld.
In hoofdstuk IV en V wordt ingegaan op vraag 3 van de minister. De paradox van de
noodzaak tot mitigatie van klimaatverandering enerzijds en anderzijds de noodzaak van
vergroting van de toegang tot energie voor vele honderden miljoenen arme mensen
wordt besproken. Hierbij wordt ingegaan op de vraag of, omwille van de toekomst, de
steun aan de 2 miljard armen die nu van basisenergievoorzieningen verstoken zijn, men
zich uitsluitend moet richten op hernieuwbare energie, of dat ook andere prioriteiten
hierbij een rol kunnen spelen. In dit verband zullen de mogelijkheden en problemen van
biomassa-energie, en in het bijzonder biobrandstoffen, aan de orde komen.
                                            9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>II        Adaptatie in ontwikkelingslanden:
          verantwoordelijkheid en mogelijke kosten
In dit hoofdstuk gaat de AIV in op de eerste vraag van de adviesaanvraag. Het gaat dan
vooral over:
.   de verantwoordelijkheid van Nederland en andere geïndustrialiseerde landen om de
    ontwikkelingslanden te ondersteunen bij hun pogingen te komen tot een systeem
    van adaptatie aan de nadelige effecten van klimaatverandering; hierbij zal de rol van
    het principe ‘de vervuiler betaalt’ aan de orde komen;
.   een aantal ramingen van de omvang van de kosten van adaptatie in de ontwikkelings-
    landen.
II.1      Inleiding
Tot nu toe heeft in het internationale klimaatbeleid en -onderzoek sterk de nadruk gele-
gen op het verminderen van de uitstoot en het opslaan van broeikasgassen, gewoonlijk
aangeduid met de term mitigatie. Het Kyoto Protocol uit 1997 is bijvoorbeeld primair
daarop gericht, evenals de vroegere 5-jaarlijkse IPCC-assessments. De laatste tijd
groeit echter de aandacht voor adaptatie, het tegengaan van de nadelige effecten van
klimaatverandering.3
Deze toenemende aandacht voor adaptatie is om een aantal redenen begrijpelijk en
terecht. Het probleem is namelijk urgent. In de eerste plaats is klimaatverandering zich
al aan het voltrekken en is daaraan gerelateerde schade nu al vast te stellen. In de twee-
de plaats is het vanwege de grote vertragingen in de reactie van het klimaatsysteem op
emissiereducties zo goed als zeker dat klimaatverandering ook in de toekomst onont-
koombaar zal zijn. Dit temeer omdat mondiaal gezien een trend in de richting van gerin-
gere volumes van jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen nog (lang) niet is gerealiseerd.
In de derde plaats omdat de schade in disproportionele mate lijkt plaats te (gaan)
vinden in de gebieden die het meest kwetsbaar zijn en bovendien historisch gezien het
minst aan het probleem hebben bijgedragen4: de ontwikkelingslanden, en daarbinnen
vaak weer de armste en meest kwetsbare groepen5, wier mensenrechten door klimaat-
verandering onder druk kunnen komen te staan.6
3   IPCC, Climate Change 2007: Impacts, Adaptation and Vulnerability, Contribution of Working Group II to the
    Fourth Assessment Report of the IPCC, Cambridge University Press, Cambridge, p. 6. Zie ook: The
    Economist, ‘Adapt or die’, 13 September 2008, pp. 65-66.
4   Schade zal zich volgens IPCC 2001 en 2007 disproportioneel voordoen in ontwikkelingslanden – een
    gedachte die centraal staat in UNDP 2007 en daar wordt uitgewerkt. UNDP, Human Development Report
    2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided World, Palgrave Macmillan,
    Houndshill, Basingstoke, Hampshire, 2007.
5   Een regionaal gedifferentieerd overzicht van de verwachte gevolgen, is te vinden in UNFCCC, Input by the
    LEG. Least Developed Countries Expert Group Stocktaking Meeting on the Preparation and Implementation
    of National Adaptation Programmes of Action, Bangkok, 3-4 September 2007.
6   Zie hierover ook het recente Oxfam Briefing Paper: Climate Wrongs and Human Rights. Putting people at
    the heart of climate-change policy, 9 September 2008.
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Waar dit advies zich vooral richt op de vraag hoe invulling kan worden gegeven aan
adaptatiebeleid gericht op en samen met de ontwikkelingslanden, wil de AIV hier bena-
drukken dat ook mitigatie in deze landen van het allergrootste belang is.
Ontwikkelingslanden hebben dit ook zelf in het Actieplan van Bali expliciet bepleit. Zoals
in het vervolg van dit advies zal worden betoogd, bestaat er een zeer aanzienlijk mitiga-
tiepotentieel in de ontwikkelingslanden. Hierbij kan ook vaak tegen relatief lage kosten
emissiereductie van broeikasgassen worden gerealiseerd op een wijze die niet strijdig
hoeft te zijn met de invulling van het streven naar duurzame ontwikkeling in de betrok-
ken landen.7 Een voorbeeld van dit grote potentieel is de emissiereductie als gevolg
van een heroriëntering van de landbouw, of de introductie van hernieuwbare energie-
bronnen. Ook CO2-reductie door middel van implementatie van het Clean Development
Mechanism8 (CDM) is hier een voorbeeld van.
   Box 1 : Enkele feiten en overwegingen ten aanzien van mitigatie
   Hoewel in de adviesaanvraag uitsluitend wordt gesproken over adaptatie, is ook mitigatie van
   groot belang in de huidige discussie over klimaat. Hiermee worden klimaatmaatregelen
   aangeduid die ten doel hebben de emissie van broeikasgassen terug te dringen.
   De Nederlandse regering tracht binnen Europa een voortrekkersrol te spelen op mitigatiege-
   bied, wat onder meer blijkt uit haar werkprogramma ‘Schoon en zuinig: Nieuwe energie voor
   het klimaat’, dat in september 2007 werd gepresenteerd. Hierin formuleert de regering de
   doelstelling om in de periode tot 2020 een broeikasgasreductie van 30 procent te bereiken.9
   Ook het energie- en klimaatpakket dat de Europese Commissie in januari 2008 heeft gepre-
   senteerd, laat ambitieuze mitigatiedoelstellingen zien.10 De Europese Unie (EU) wil de uit-
   stoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990 met ten minste 20 procent hebben terug-
   gebracht in 2020. Dit streefpercentage zal zelfs worden verhoogd tot 30 procent indien een
   internationaal klimaatakkoord tot stand zou komen, waarin andere geïndustrialiseerde landen
   een vergelijkbare verplichting zouden aangaan.
7   Voor enkele recente, nuttige suggesties om een betere invulling te geven aan duurzame ontwikkelingscri-
    teria in geval van klimaatprojecten in ontwikkelingslanden, zie: IOB Evaluations, No. 310, Clean and
    sustainable? An evaluation of the Clean Development Mechanism to sustainable development in host
    countries, April 2008.
8   Het CDM is een flexibel instrument uit het Kyoto Protocol, waarmee industrielanden een deel van hun
    reductieverplichting voor broeikasgassen in het buitenland kunnen behalen, zoals in ontwikkelingslanden
    die zelf geen doelstelling voor emissiereductie hebben. Duurzame energie en schone technologieën wor-
    den zodoende in ontwikkelingslanden gestimuleerd, terwijl ook de uitstoot van broeikasgassen wordt ver-
    minderd. Volgens opgave van UNEP/Risoe waren per 11 juni 2008 in totaal 3498 CDM-projecten in de
    pijplijn (exclusief de 82 teruggetrokken/afgekeurde projecten). Daarvan zijn 1080 projecten inmiddels
    geregistreerd en bevinden zich 162 in de registratiefase. De verwachting is dat deze uiteindelijke reeks
    van projecten meer dan 1,5 miljard gecertificeerde emissierechten (CERs; uitgedrukt per ton CO2-eq.) zal
    genereren tijdens de Kyoto-periode 2008 tot 2012. Zie ook: <www.cdmpipeline.org>.
9   Werkprogramma Schoon en zuinig. Nieuwe energie voor het klimaat, 21 september 2007.
10 Mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en
    Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Naar 20-20 in 2020. Kansen van klimaatverandering voor
    Europa, COM(2008) 30 definitief, 23 januari 2008.
                                                       11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>  Het door de Commissie gepresenteerde pakket biedt concrete voorbeelden van de wijze
  waarop de mitigatiedoelstelling zou kunnen worden gerealiseerd. Voordat deze maatregelen
  in werking kunnen treden zullen de voorstellen echter nog door het Europees Parlement en
  de Europese Raad moeten worden goedgekeurd.
  Europa beoogt een voortrekkersrol bij de onderhandelingen over het nieuwe klimaatakkoord
  dat eind 2009 in Kopenhagen tot stand moet komen. Tijdens die klimaattop zal de aandacht
  sterk gericht zijn op de opkomende economische grootmachten India en China die, hoewel
  arm, ook verantwoordelijk zijn voor een aanzienlijk en snel toenemend deel van de mondiale
  uitstoot van broeikasgassen en dus ook zullen moeten worden betrokken in het klimaat-
  akkoord, wil mitigatiebeleid effectief zijn.11 Deze landen zijn echter zeer terughoudend als
  het aankomt op Westerse verlangens in dezen en verdedigen hun recht op economische ont-
  wikkeling en de daarmee gepaard gaande emissies, omdat ook het Westen deze mogelijk-
  heid heeft gehad.
  Ook ontwikkelingslanden, waar belangrijke mitigatiemogelijkheden bestaan, moeten worden
  betrokken in het mitigatiebeleid. Deze doen zich onder meer voor in de landbouwsector. Een
  overstap van klassieke landbouwtechnieken naar geavanceerde landbouw zou de
  (methaan)emissie in grote mate kunnen verminderen. Een dergelijke overstap zou tot stand
  kunnen worden gebracht door het verbeteren van landbeheer, het aanleggen van supplemen-
  taire irrigatie en herinrichting van het bestaande landbouwareaal. Ook kan beter beheer van
  vee en mest de emissies verminderen. Uiteraard zou de Nederlandse regering, ook los van
  wat er in Kopenhagen volgend jaar wordt besloten, deze overwegingen in haar ontwikkelings-
  samenwerkingbeleid kunnen laten doorwerken, door meer te investeren in geavanceerde
  landbouwmethodes in de ontwikkelingslanden.
  De internationale klimaatverdragonderhandelingen over mitigatie in de aanloop naar Kopen-
  hagen verlopen stroef. Dit komt voornamelijk doordat de baten van mitigatie zich pas in de
  (mogelijk verre) toekomst zullen openbaren, terwijl de kosten zich veel eerder manifesteren
  en aanzienlijk zijn. Het klimaat- en energiepakket van de Europese Commissie zal bijvoor-
  beeld in 2020 ongeveer 0,5 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP) (ongeveer 60
  miljard euro) van de Europese Unie gaan kosten.
  Het in 2006 verschenen Stern Review schat de kosten van wereldwijde mitigatiemaatregelen
  op zo’n 1,0 procent BBP (ongeveer één biljoen dollar) in 2050. Deze zijn overigens verwaar-
  loosbaar in vergelijking met de schatting die in ditzelfde rapport wordt gegeven van de totale
  kosten die moeten worden gemaakt wanneer aanvullende mitigatiemaatregelen uitblijven:
  ten minste 5,0 procent van het wereldwijde BBP in 2050.12
  Voorjaar 2008 heeft het Internationaal Monetair Fonds (IMF) de resultaten gepubliceerd van
  een studie over de gevolgen van klimaatverandering voor de wereldeconomie. Voor mitigatie
  is het volgende relevant13:
11 Voor een overzicht van de CO2-uitstoot per land, zie:
   <http://unstats.un.org/unsd/ENVIRONMENT/air_co2_emissions.htm>.
12 Mededelingen van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en
   Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s, Naar 20-20 in 2020. Kansen van klimaatverandering voor
   Europa, COM(2008) 30 definitief, 23 januari 2008, p. 2 en Stern et al., The Stern Review: The Economics
   of Climate Change, 2006.
13 IMF, Climate Change and the Global Economy, Chapter 4 in World Economic Outlook, April 2008,
   Washington DC.
                                                    12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>   Via een modelmatige benadering heeft het IMF de gevolgen nagegaan van verschillende
   (combinaties van) instrumenten (CO2-belasting, handel in emissierechten en combinaties
   hiervan14) voor verschillende landengroepen en de wereldeconomie als geheel. Welke zijn de
   gevolgen van een doelstelling van 40 procent reductie van het emissievolume van 2002, te
   bereiken in 2100? De relevante periode is 2013 tot 2040. Het blijkt dat de verschillende
   geanalyseerde instrumenten kosten met zich meebrengen ten bedrage van ongeveer twee
   procent van het wereld Bruto Nationaal Product (BNP) (netto contante waarde) in 2040
   (‘baseline scenario’). Desalniettemin is dan het wereld-BNP 2040 nog 2,3 maal zo groot als
   in 2007. Het blijkt dat deze schatting valt binnen de reikwijdte van schattingen gepresen-
   teerd door het IPCC in 2007.15
   Mitigatie is in het klimaatbeleid echter slechts één kant van de medaille. Ongeacht de
   schaal van de mitigatiemaatregelen en -kosten die in de komende decennia zullen worden
   genomen ofwel worden gemaakt, zullen adaptatiemaatregelen (en dus ook de daaraan
   verbonden kosten) noodzakelijk blijven door de thans reeds opgetreden klimaatgevolgen. Op
   de langere termijn kan mitigatie echter verdergaande veranderingen in het klimaatsysteem
   een halt toe roepen, waardoor de noodzaak van het nemen van adaptatiemaatregelen zal
   afnemen. Hoewel mitigatie en adaptatie in het huidige klimaatdebat vaak worden gezien als
   twee onafhankelijke strategieën in de strijd tegen klimaatverandering, zijn zij dus in feite
   complementair.16 In een aantal gevallen, zoals bij optimalisatie van landgebruik is er zelfs
   sprake van synergie en dus positieve wederzijdse beïnvloeding. Vanzelfsprekend is deze
   verwevenheid ook terug te zien in de kosten: wanneer geen substantiële mitigatie wordt
   bereikt, zullen de kosten voor adaptatie stijgen. Klimaatbeleid zal dan ook altijd moeten
   bestaan uit zowel mitigatie als adaptatie.
II.2      De basis van een verantwoordelijkheid van de geïndustrialiseerde landen
Op de geïndustrialiseerde landen rust naar geldend internationaal recht een verantwoor-
delijkheid om kwetsbare ontwikkelingslanden te ondersteunen om de gevolgen van
klimaatverandering te bestrijden, en zodoende de kans op daarmee samenhangende
schade te verminderen. Deze verantwoordelijkheid vloeit met name voort uit de algemene
plicht van staten tot samenwerking, het beginsel van gemeenschappelijke maar ver-
schillende verantwoordelijkheden (‘common but differentiated responsibilities’) en het
beginsel van intergenerationele billijkheid, ofwel de plicht rekening te houden met de
belangen van toekomstige generaties. Deze beginselen zijn stevig verankerd in het
internationale recht.
Het gaat hierbij om een algemene plicht tot samenwerking. Deze is reeds verwoord in
het Handvest van de Verenigde Naties (VN), zoals blijkt uit onder meer de titel van
hoofdstuk IX: Internationale economische en sociale samenwerking. Deze algemene
plicht vormt ook de grondslag van de naoorlogse internationale economische orde,
14 Het IMF benadrukt de voordelen van marktconform beleid zoals de eerste twee instrumenten, met een
    voorkeur voor de eerste.
15 IPCC, Climate Change 2007: Mitigation Contribution of Working Group III to the Fourth Assessment Report
    of the IPCC, Cambridge 2007.
16 IPCC, Climate Change 2007: Mitigation Contribution of Working Group III to the Fourth Assessment Report
    of the IPCC, Cambridge 2007, p. 101.
                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>waaronder die van het IMF, de Wereldbank en het GATT. In meer algemene volkenrechte-
lijke zin is deze plicht duidelijk verwoord bij de 25e verjaardag van de VN in een
Verklaring van Beginselen van Internationaal Recht, die alom wordt opgevat als een
gezaghebbende interpretatie van het internationale recht. Deze algemene plicht geldt in
het internationale milieurecht misschien nog sterker dan in andere onderdelen van het
internationale rechtsverkeer. Dat wil niet zeggen dat het object van de verplichting altijd
meteen duidelijk is en dat geldt ook zeker voor de verplichtingen van de niet-partijen
van het Kyoto Protocol bij het VN-klimaatverdrag, waaronder de VS. Toch geldt zelfs voor
de VS de algemene plicht tot samenwerking bij klimaatbeheersing.
Betrekkelijk nieuw en zeker nog niet algemeen aanvaard, is het beginsel ‘de vervuiler
betaalt’ bij het oplossen van milieuproblemen. Dit beginsel komt een aantal malen aan
de orde in de adviezen van de Sociaal-Economische Raad (SER) inzake duurzame ont-
wikkeling. Dit is met name het geval in het advies ‘Our Common Future’ van 198917,
waarin de SER naar aanleiding van het Brundtland-report dit beginsel de beleidsmatige
vertaling noemt van de doelmatigheidsgedachte milieukosten te internaliseren om een
optimale allocatie van beschikbare middelen te bereiken. Tevens komt – aldus de SER –
in dit beginsel de rechtvaardigheidsgedachte tot uiting dat milieuschade aan de verant-
woordelijke wordt toegerekend.
De SER roept in herinnering dat dit beginsel in 1972 door de landen van de OESO18 is
aanvaard, terwijl ook de toenmalige Europese Gemeenschap in een aanbeveling van de
Raad zich voor de toepassing van dit beginsel heeft uitgesproken. Bovendien is het
beginsel ‘de vervuiler betaalt’ formeel neergelegd in het toenmalige EEG-verdrag (artikel
130R). Sinds eind 2007 vormt het een onderdeel van het Verdrag betreffende de wer-
king van de Europese Unie (artikel 191, lid 2).
In het SER-advies ‘Milieu en Ontwikkeling’ van 1993 wordt ingegaan op de relatie milieu
en ontwikkelingssamenwerking. Hier wordt het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ in een
internationale context geplaatst. De SER maakt met verwijzing naar het advies
‘Nationaal Milieubeleidsplan’ (1989) gewag van een bijzondere verantwoordelijkheid van
een land als Nederland ten opzichte van de ontwikkelingslanden, met name in de vorm
van ‘een bijdrage aan een internationale aanpak van bijvoorbeeld het – voornamelijk
door de rijke landen veroorzaakte – klimaatprobleem’.19
In het recente SER-advies ‘Duurzame globalisering: een wereld te winnen’ wordt niet
expliciet op het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ ingegaan. Wel wordt in dit advies de rela-
tie tussen klimaatverandering en de armoedeproblematiek benadrukt. In dit verband
vindt de SER ‘het van groot belang dat klimaatverandering opgenomen wordt in de ont-
wikkelingshulpagenda’.20
17 Sociaal-Economische Raad, Our Common Future, ‘s-Gravenhage, 17 maart 1989, pp. 27-29.
18 Zie hiervoor AIV, De OESO van de toekomst, Advies nummer 54, Den Haag, maart 2007, p. 17.
19 Sociaal-Economische Raad, Milieu en Ontwikkeling, Den Haag, maart 1993, pp. 30-32.
20 Sociaal-Economische Raad, Duurzame Globalisering: Een Wereld te Winnen, Den Haag, juni 2008,
    pp. 61-62.
                                                   14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Naar het oordeel van de AIV kan aan het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ zoals neer-
gelegd in Principe 16 van de Verklaring van Rio de Janeiro uit 1992, inzake milieu en
ontwikkeling, op dit moment nog geen internationaal juridisch bindende werking toe-
gekend worden.21 Een algemene basis voor de verantwoordelijkheid van geïndustria-
liseerde landen om bij te dragen aan terugdringing van klimaatverandering kan worden
gevonden in beginsel 7 van de Verklaring van Rio de Janeiro en in Artikel 3 van de
United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC).22 Artikel 3, lid 1
van dit Verdrag verwoordt het beginsel van de plicht tot bescherming van het klimaat-
systeem ten behoeve van huidige en toekomstige generaties, ‘op basis van billijkheid
en in overeenstemming met de gezamenlijke doch verschillende verantwoordelijkheden’
en mogelijkheden van de verschillende landen. Onder Artikel 3, lid 2, staat het beginsel
dat daarbij rekening dient te worden gehouden met ‘de specifieke behoeften en bijzon-
dere omstandigheden van ontwikkelingslanden, met name die welke bijzonder kwets-
baar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering en/of een onevenredige of
abnormale last zouden moeten dragen’.23
Daarnaast heeft een aantal ontwikkelde landen, waaronder Nederland, zich (op basis
van UNFCCC Artikel 4) verplicht tot het ter beschikking stellen van ‘... nieuwe en aanvul-
lende financiële middelen ter dekking van ... [door] ontwikkelingslanden...te maken
kosten’ ter nakoming van een aantal verplichtingen in de sfeer van dataverzameling,
waaronder gegevens over de kosten van hun mitigatieprojecten (Artikel 4, lid 2 en 3), en
tot het verlenen van bijstand aan ontwikkelingslanden die ‘bijzonder kwetsbaar zijn voor
de nadelige gevolgen van klimaatverandering in de dekking van de kosten van aanpas-
sing aan deze nadelige gevolgen’ (Artikel 4, lid 4).
In het licht van deze bepalingen van het klimaatverdrag, is de AIV van mening dat
Nederland zich terecht (mede)verantwoordelijk voelt voor de toekomst van de aarde en
van haar bewoners. Op grond van deze verantwoordelijkheid, rekening houdend met het
feit dat het probleem van klimaatverandering voornamelijk door de rijke landen is ver-
oorzaakt, en gegeven het verschil in welvaart tussen Nederland en de ontwikkelings-
landen, is hij van mening dat Nederland dan ook bereid moet zijn tot het aangaan van
verplichtingen met betrekking tot financiering van de kosten van adaptatie in ontwikke-
lingslanden. Over de omvang van de uit deze verplichtingen voortvloeiende bijdragen zal
in toekomstige onderhandelingen nader besloten moeten worden. Dit neemt niet weg
dat opkomende economische grootmachten zoals India en China ook verantwoordelijk
zijn voor een aanzienlijk en snel toenemend deel van de huidige mondiale uitstoot van
broeikasgassen en dus ook zullen moeten worden betrokken in het klimaatakkoord.
De AIV is van mening dat met betrekking tot de financiering van adaptatie in ontwikke-
lingslanden reden is tot bezorgdheid vanwege het feit dat ‘…the multilateral aidresponse
to adaptation financing in developing countries…has been characterized by chronic
21 Principe 16 van de Verklaring van Rio de Janeiro uit 1992, inzake milieu en ontwikkeling luidt: ‘Nationale
    autoriteiten zouden zich moeten inspannen om te bevorderen dat milieukosten worden geïnternaliseerd
    en economische instrumenten worden toegepast, er rekening mee houdend dat de vervuiler in beginsel
    de kosten van de verontreiniging behoort te dragen’.
22 Dit betreft het raamverdrag dat in 1992 tijdens de conferentie in Rio de Janeiro voor ondertekening is
    opgesteld. Het belangrijkste doel van het verdrag is het terugdringen van de emissie van broeikasgassen.
23 UNFCCC, 1992, p. 4.
                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>underfinancing, fragmentation and weak leadership’.24 De recente financieel-economi-
sche ontwikkelingen in de geïndustrialiseerde landen zullen naar verwachting deze
situatie niet verbeteren.
In dit verband adviseert de AIV de minister voor Ontwikkelingssamenwerking om zich in
te spannen voor zowel meer duidelijkheid over de verdeling van de financiële bijdragen
op dit terrein, alsook voor het leveren van een adequate bijdrage aan de desbetreffende
financiering.
Voor Nederland kunnen bovengenoemde verplichtingen belangrijke consequenties heb-
ben. De totale HGIS-uitgaven25 zullen hierdoor mogelijk verder moeten stijgen. Hoe dit
uiteindelijk doorwerkt in de totale HGIS-uitgaven zal voorwerp moeten zijn van nadere
politieke besluitvorming.
Tijdens de klimaatonderhandelingen in Accra in augustus 2008 hebben de ontwikke-
lingslanden naar voren gebracht dat zij wensen dat de financiële middelen ten behoeve
van adaptatie en mitigatie beschikbaar komen bovenop de verplichting van 0,7 procent
ODA voor donoren (destijds reeds de zogenaamde 0,1 procent Brundtland-norm
genoemd). Over de wenselijkheid van een dergelijke verhoging voor de donoren, zal in
internationaal verband duidelijkheid moeten worden geschapen.
Een verantwoordelijkheid voor het verlenen van adaptatiesteun is ook af te leiden uit
het opnemen van de faciliteit van een adaptatiefonds in het Kyoto Protocol. Zij komt
daarnaast tot uitdrukking in diverse initiatieven van multilaterale instellingen op het
gebied van adaptatiesteun. Zoals hierboven vermeld, is ondanks de urgentie van het
adaptatievraagstuk, tot dusverre de omvang van de adaptatiesteun wereldwijd beperkt
gebleven. De initiatieven zijn bovendien versnipperd. Zo zijn er wel enkele fondsen
beschikbaar via het Global Environment Facility (GEF)26, dat in 1991 tot stand kwam, en
in Kyoto Protocol-verband, maar deze zijn absoluut onvoldoende om de geraamde adap-
tatiekosten te dekken (zie sectie II.3). Voor het Least Developed Countries (LDC)-
Adaptatiefonds en het Special Climate Change Fund (beide vallen onder het GEF) is bij-
voorbeeld weliswaar in totaal 220 miljoen dollar toegezegd, maar was per eind september
24 UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided
    World, 2007, Chapter 4, pp. 187-188.
25 In de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) worden de buitenlandactiviteiten van ver-
    schillende departementen gebundeld en in samenhang bezien. Het uitgangspunt van de HGIS is het
    bevorderen van samenwerking en afstemming op het gebied van internationale samenwerking. De HGIS
    is daarmee een belangrijk instrument voor een geïntegreerd en coherent buitenlandbeleid. Binnen de
    HGIS wordt onderscheid gemaakt tussen de uitgaven die voldoen aan de criteria voor officiële ontwikke-
    lingssamenwerking (Official Development Assistance, ODA) en andere uitgaven voor internationaal beleid
    (non-ODA). (Kamerbrief HGIS-nota 2009).
26 Het GEF, opgericht in 1991 financiert projecten en programma’s in ontwikkelingslanden die het mondiale
    milieu beschermen. Het GEF helpt ontwikkelingslanden door projecten op het gebied van mitigatie en
    adaptatie. Het GEF-adaptatieprogramma bestaat uit een GEF Trust Fund enerzijds en het Least
    Development Countries Fund en het Special Climate Change Fund anderzijds. Deze twee laatste fondsen
    hebben hun eigen operationele regels en procedures en worden afzonderlijk van het Trust Fonds
    bestuurd.
                                                    16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>2007 slechts 127 miljoen dollar beschikbaar gesteld. In grote lijnen zijn deze fondsen
bedoeld voor het opstellen van zogenaamde National Adaptation Programmes of Action
(NAPAs, zie ook hierna) en daarmee samenhangende kleinere pilots.27
In de Bali-onderhandelingen van december 2007, die waren gericht op het ontwerpen
van een post-Kyoto klimaatregime, is nadrukkelijk van de zijde van de ontwikkelingslan-
den naar voren gebracht dat zij meer verwachten aan adaptatiesteun en financiële en
technologische overdrachten dan ten tijde van het Kyoto-regime. Dit heeft in het zoge-
naamde ‘Actieplan van Bali’ geresulteerd in de tekst dat er met steun van de ontwikkel-
de landen ‘enhanced action on adaptation’ zal komen (Artikel 1.c-i-v), waarbij rekening
zal worden gehouden met de behoeften van die ontwikkelingslanden die bijzonder
kwetsbaar zijn, zoals de minst ontwikkelde landen, kleine eilandstaten en meer in het
bijzonder de landen in Afrika die worden bedreigd door droogte, verwoestijning of over-
stromingen. De mogelijkheid voor ontwikkelingslanden om via het zogenaamde Reduced
Emissions from Deforestation and forest Degradation (REDD)28 mechanisme te worden
gecompenseerd, is mogelijk geworden door de op Bali overeengekomen afspraken. Het
is zelfs niet ondenkbaar dat het onderwerp adaptatiesteun de hefboom wordt om de
opkomende industrielanden (onder meer China, India en Brazilië) en de Verenigde
Staten tot actie inzake het klimaatprobleem aan te zetten.
II.3      Schattingen van adaptatiekosten
Uit de wetenschappelijke literatuur wordt langzamerhand steeds duidelijker dat de
omvang van de adaptatiekosten voor de ontwikkelingslanden weliswaar nog zeer onze-
ker is – temeer omdat de kostenverwachtingen mede afhangen van de huidige en toe-
komstige mitigatie-inspanningen – maar kan oplopen tot miljarden, zo niet tientallen mil-
jarden euro’s per jaar voor deze landen gezamenlijk.
Bij de schatting van de adaptatiekosten is het allereerst van belang duidelijk aan te
geven om welke kosten het gaat. Adaptatie betekent in algemene zin ofwel veranderin-
gen in bestaande processen en infrastructuur (zoals bijvoorbeeld het ophogen van dij-
ken, veranderingen in het gebruik van gewassen, en het aanleggen van irrigatiesyste-
men), waardoor die weliswaar duurder worden maar waardoor een deel van de schade
door klimaatverandering wordt voorkomen, ofwel geheel nieuwe activiteiten of structuren
(op zichzelf staande adaptatieacties). In het laatste geval kunnen de totale kosten van
die activiteiten worden gezien als adaptatiekosten. In het eerste geval zijn slechts de
(eventuele) extra kosten als adaptatiekosten te zien; men spreekt dan van toenemende
kosten, of – soms – van additionele kosten als gevolg van adaptatie. Deze laatst-
genoemde kosten betreffen dus de extra kosten van de proces- of infrastructuur-
27 Volgens Oxfam heeft Nederland in de genoemde fondsen qua toezeggingen aandelen van respectievelijk
    10% en 5%, en is van het eerste aandeel 40% en van het laatste aandeel het gehele bedrag overge-
    maakt.
28 De betaling voor REDD is een nieuwe mogelijkheid die momenteel door de Wereldbank wordt ontwikkeld.
    Landen die met succes hun emissies beperken door verbeterde bescherming van bossen en duurzame
    productiemethoden komen in aanmerking om vergoedingen te ontvangen op basis van de gespaarde
    kooldioxide credits.
                                                  17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>verbetering ten opzichte van de kosten indien er geen klimaatverandering zou zijn (ofwel
de ‘baseline costs’).29
Het GEF gaat ervan uit dat de genoemde ‘baseline costs’ uit reguliere ontwikkelings-
budgetten worden gedekt, maar dat voor de additionele kosten aanvullende faciliteiten
ten opzichte van die ontwikkelingsbudgetten nodig zijn. Hiertoe is onder andere het
LDC-Climate Fund opgericht.
Door de Wereldbank wordt momenteel gewerkt aan een systematische raming van
adaptatiekosten.30 In afwachting van de resultaten daarvan volgt hierna een aantal
andere kostenschattingen. Deze komen ongeveer uit op 30 tot 70 miljard dollar per jaar
(binnen een totale spreiding van ten minste 10 tot 100 miljard dollar). Deze reikwijdte
zal door de AIV in het vervolg van dit advies worden gehanteerd.
a) De Wereldbank neemt in een eerdere studie de omvang van de verwachte ontwikke-
   lingsgerelateerde geldstromen in ontwikkelingslanden (bestaande uit ODA en andere
   ‘concessional finance’, Directe Buitenlandse Investeringen (DBI), en Bruto
   Binnenlandse Investeringen (BBI)) als basis, schat vervolgens welke delen daarvan
   klimaatgevoelig zijn, en berekent dan tot welke additionele kosten van adaptatie dit
   zou kunnen leiden. Deze schatting komt uit op een totaal aan adaptatiekosten in
   ontwikkelingslanden van 9 tot 41 miljard dollar per jaar (waarvan 3 tot 30 miljard
   dollar gerelateerd aan BBI).31
   Het Stern-review uit 200632 geeft een bedrag tussen de 4 en 37 miljard dollar per
   jaar (waarvan 2 tot 30 miljard dollar gerelateerd is aan het BBI). Deze schatting is
   gericht op de structurele ontwikkelingsrelevante kern in lopende financiële stromen.
   Omdat dit ruwe schattingen zijn33, kunnen deze getallen worden afgerond op 10 tot
   40 miljard dollar per jaar.
b) UNDP volgt een soortgelijke logica maar past eigen inschattingen en parameters
   toe, om uit te komen op 44 miljard dollar per jaar tegen 2015 voor het klimaatbe-
   stendig maken van infrastructuur en ontwikkelingsinvesteringen. UNDP voegt daar-
   aan twee componenten toe: de kosten van adaptatie aan klimaatverandering van
29 Zie onder meer: R. Klein, Climate Change, Adaptive Capacity and Sustainable Development, OECD Informal
   Expert meeting on Development and Climate Change, Paris, 13-14 March 2002; E. Nillesen en
   E. van Ierland, Climate Change: Scientific Assessment and Policy Analysis, Bilthoven: RIVM report
   No. 500102003, 2006; A. Wills, Emerging Paradigms of Understanding on Climate Change Adaptation
   Issues: the 360° approach, PPP, UNEP, Nairobi, 15 November 2006.
30 Zie: web.worldbank.org/WBSITE/EXTERNAL/TOPICS/ENVIRONMENT/EXTCC/0.
31 Wereldbank, Clean Energy and Development: Towards an Investment Framework, Washington DC, 5 April
   2006. Zie met name Annex K.
32 Stern et al., The Stern Review: The Economics of Climate Change, 2006.
33 Wereldbank, Clean Energy and Development: Towards an Investment Framework, Washington DC, 5 April
   2006, p. 144.
                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>   armoedebestrijding en die voor versterking van noodhulp.34 De kosten van het kli-
   maatbestendig maken van armoedebestrijding worden geraamd op 40 miljard dollar
   per jaar (circa 0,5 procent van het BNP van lage- en midden inkomens landen); die
   voor rampenbestrijding op 2 miljard dollar per jaar. Het totaal komt neer op ongeveer
   86 miljard dollar per jaar.
c) Oxfam raamt de kosten voor adaptatie in ontwikkelingslanden op ‘... at least 50
   billon each year, and far more if global greenhousegas emissions are not cut fast
   enough’.35 Men baseert dit op de eerder genoemde Wereldbank-raming van 9 tot 41
   miljard dollar, en voegt daar aan toe:
   .      kosten voor ‘community-based’ projecten: 7,5 miljard dollar;
   .      de opgeschaalde kosten op basis van NAPA-voorstellen betreffende urgente en
          onmiddellijke behoeften: 7,5 tot 33 miljard dollar;
   .      een pm-post voor onverwachte en soms nog onbekende gevolgen, en de
          gevolgen van tegenvallende mitigatie.
   Opgeteld komt men tot ten minste 24 tot 81,5 miljard dollar, dus gemiddeld ten
   minste zo’n 50 miljard. Oxfam wijst bovendien op andere ramingen door Niet-
   Gouvernementele Organisaties (NGO’s), die op 100 miljard dollar uitkomen.36
d) Het UNFCCC-secretariaat heeft ten behoeve van de Bali-conferentie een alternatieve
   berekening doen uitvoeren37, die er voor de adaptatiecomponent als volgt uitziet.
   Men komt tot een raming van de vereisten qua financiering in 2030 (niet: 2015) van
   adaptatie ‘in addition to the investment and financial flows needed under a situation
   in which there is no climate change’, voor de vijf sectoren: landbouw (inclusief
   bosbouw en visteelt); watervoorziening; gezondheid; kustzones en (nieuwe) infra-
   structuur. Vergeleken met de eerder gegeven opsomming van relevante sectoren
   zag men dus af van ecosystemen/biodiversiteit. De raming komt uit (voor
   niet-Annex I-landen38, ofwel ontwikkelingslanden die het Kyoto Protocol hebben gerati-
   ficeerd) op 28 tot 67 miljard dollar per jaar, opgebouwd uit 26 miljard dollar voor de
   eerste vier sectoren en 2 tot 41 miljard dollar voor infrastructuur. Deze relatief grote
   spreiding wordt vooral toegeschreven aan onzekerheden bij het klimaatbestendig
   maken van infrastructuur. Dit bedrag correspondeert met 0,06 tot 0,21 procent van
   het mondiale BNP in 2030. UNFCCC veronderstelt dat een kwart tot de helft van het
   totaalbedrag zal worden gefinancierd uit publieke middelen (zie sectie III.4).
34 UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided
   World, 2007, p. 194.
35 Oxfam, Financing Adaptation: why the UN’s Bali Climate Conference must mandate the search for new
   funds, Oxfam Briefing Note, 4 December 2007, p. 1.
36 Oxfam, Adapting to Climate Change: What’s needed in poor countries and who should pay, Oxfam Briefing
   Paper No. 104, May 2007, p. 23.
37 UNFCCC, Report on the Analysis of Existing and Potential Investment and Financial Flows relevant to the
   Development of an Effective and Appropriate International Response to Climate Change, Fourth Workshop,
   Vienna, 27-31 August 2007, Dialogue Working Paper 8, 2007.
38 Onder het Kyoto Protocol zijn de zogenaamde Annex I landen (geïndustrialiseerde landen) een verplich-
   ting tot emissiereductie aangegaan. Tot niet-Annex I landen (ook wel Annex II-landen genoemd) behoren
   de overige landen waaronder ook de ontwikkelingslanden.
                                                     19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>III        Adaptatiesteun: financiering en invulling van beleid
In dit hoofdstuk gaat de AIV in op vraag 2 van de adviesaanvraag hoe Nederland een
effectief adaptatiebeleid kan voeren. Tevens zal de financiering van adaptatiesteun aan
de orde komen en zal worden nagegaan welke de prioriteiten moeten zijn om de
beschikbare middelen effectief te kunnen aanwenden.
III.1      Vormgeving van beleid door de geïndustrialiseerde landen: verschillende
           componenten
Het is tijd dat de geïndustrialiseerde landen duidelijker vorm gaan geven aan hun toe-
komstige adaptatiebeleid ten opzichte van de ontwikkelingslanden. De AIV is van oor-
deel dat Nederland een voortrekkersrol zou moeten vervullen in het creëren van meer
duidelijkheid op dit terrein. Een aantal overwegingen speelt daarbij een rol: Nederland
speelt traditioneel een belangrijke rol in de ontwikkeling van het internationale klimaat-
beleid en meer in het algemeen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Het zal
daarnaast door zijn lage ligging ook zelf aanzienlijke adaptatieprogramma’s moeten ont-
wikkelen.39 Bovendien beschikt Nederland over comparatieve voordelen in de typische
adaptatiesectoren als aanpassing van landbouw en infrastructuur, en waterhuishouding
en kustversterking.
Bij het ontwikkelen van een draagvlak voor adaptatie-initiatieven in kwetsbare ontwikke-
lingslanden speelt mee dat het investeren in adaptatie onder bepaalde omstandigheden
kan worden gezien als een ‘rendabele’ verzekering tegen risico’s op schade en de daar-
mee samenhangende vergroting van armoede. Zo schat UNDP dat in Bangladesh de
kosten van toekomstige rampen in 2050 een gecumuleerde waarde van 5 procent van
het BNP zullen omvatten, wat door effectieve adaptatie zou kunnen worden voor-
komen.40 Het Development Committee van de Wereldbank en het IMF schat dat zonder
adaptatie een zeespiegelstijging van 1 meter in Vietnam 10 procent van de bevolking
zou treffen, 10 procent van het BNP zou kosten en 30 procent van de waterrijke gebie-
den zou verwoesten.41 Met andere woorden, het investeren in adaptatiesteun kan
kosteneffectief zijn. Het is van belang dat dit punt in de beeldvorming goed wordt uitge-
dragen met het oog op het verwerven van draagvlak voor het inzetten van nieuwe
middelen voor adaptatiesteun.
Bij het vormgeven aan adaptatiebeleid meent de AIV dat het zinvol is een onderscheid
te maken tussen verschillende componenten van adaptatiesteun, afhankelijk van de
aard van de klimaatveranderingsprocessen. Een dergelijk onderscheid is nodig om – bij-
voorbeeld met het oog op internationale afspraken voor committeringen – tot een goed
39 Inmiddels is door de zogenaamde ‘Deltacommissie’ een adaptatieplan voor Nederland gepresenteerd.
    Voor de bevindingen van de commissie zie het advies Samen werken met water, september 2008. Zie
    ook het recente rapport van de WRR, Onzekere Veiligheid, nummer 82, oktober 2008.
40 UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided
    World, 2007, p. 176.
41 World Bank, Development Committee, Global Monitoring Report 2008: MDGs and the Environment Agenda
    for Inclusive and Sustainable Development, Washington DC, April 4, 2008, p. 4.
                                                    20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>overzicht te komen van de werkelijke inspanningen van een land op dit terrein. Anders
zou gemakkelijk een deel van die inspanningen verscholen blijven binnen bestaande uit-
gaven in de sfeer van het buitenlands beleid. Hoewel de volgende indeling geen recht
doet aan de complexiteit van begrotingsposten en commiteringen, meent de AIV toch
dat het zinvol is hierbij drie componenten van adaptatiesteun te onderscheiden.
Klimaatverandering zal zich deels manifesteren in de vorm van onder meer een toena-
me van extreme weersomstandigheden, overstromingen, orkanen, plotselinge extreme
droogte, warmte en regenval. Onder omstandigheden kunnen zich hieruit rampen ont-
wikkelen die onmiddellijke humanitaire actie vragen. Programma’s, die hierop gericht
zijn, maken gewoonlijk regulier deel uit van de ontwikkelingssamenwerkingprogramma’s
van bilaterale en multilaterale donoren en lijken derhalve vooralsnog geen nieuwe
beleidskaders te vereisen. Wel is misschien een herschikking binnen bestaande bud-
getten nodig in de richting van meer middelen voor humanitaire hulp, maar dit zal al
naar de aard van de verschijnselen van geval tot geval moeten worden bekeken. De AIV
tekent hierbij aan dat in geval dergelijke herschikkingen groot in aantal en/of omvang
worden, deze binnen de traditionele ontwikkelingssamenwerkinguitgaven of anderszins
gefinancierd zullen moeten worden. Voor het overige is vooral een betere internationale
afstemming bij het verlenen van de humanitaire hulp van belang.
Een tweede component van beleid betreft de geleidelijke veranderingen in de gemiddel-
de waarden van de belangrijkste klimaatvariabelen (bijvoorbeeld temperatuur, regenval
en windsterkte). Deze leiden ertoe dat gebieden geleidelijk verder verdrogen, warmer
worden enzovoort. Waar het gaat om dit soort langzame processen lijkt het niet noodza-
kelijk de bestaande structuren van het buitenlandse en ontwikkelingssamenwerking-
beleid fundamenteel aan te passen. De AIV neemt dan ook aan dat, behoudens uitzon-
deringen, deze aanpassingen aan de gevolgen van langzame klimaatverschuivingen
geaccommodeerd kunnen worden in ontwikkelingssamenwerkingbeleid, dat deels al is
gericht op in velerlei andere opzichten eveneens sterk (en soms zeer snel) veranderen-
de samenlevingen. Voorbeelden van dergelijk impliciet adaptatiebeleid zijn ontwikke-
lingssamenwerkinginspanningen gericht op het aanpassen van landbouwsystemen aan
veranderende droogte- of neerslagpatronen, projecten gericht op het omgaan met verzil-
ting, erosie en dergelijke.
In de derde component zijn nieuwe adaptatie-initiatieven het meest duidelijk zichtbaar.
Dit betreft allereerst het klimaatbestendig maken van de huidige en toekomstige ontwik-
kelingssamenwerkingactiviteiten en het geheel van maatregelen gericht op de opbouw
van adaptatiecapaciteit: dat wil zeggen het geheel aan bekwaamheden, hulpbronnen en
instituties van een land of gebied om effectieve adaptatie te ontwikkelen en te imple-
menteren en dus de schade als gevolg van klimaatveranderingen zoveel mogelijk te
beperken.
Met klimaatbestendig maken wordt bedoeld dat de bestaande ontwikkelingsinspannin-
gen zodanig worden geheroriënteerd, dat sprake is van het op afdoende wijze inbouwen
van de adaptatiecomponent. Daarnaast betreft het de opbouw van en/of de verminde-
ring van het tekort aan adaptatiecapaciteit.42 Net als het klimaatbestendig maken is
ook het versterken van adaptatiecapaciteit nieuw. Deze hangt samen met het niveau
42 UN Office of the High Representative for the LDCs, LLDCs and SIDSs (UNHRLDCs), The Impact of Climate
    Change on Least Developed Countries and Small Island Developing States, UN/UNHRLDCs, New York,
    June 2007.
                                                   21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>van ontwikkeling van een land en/of de specifieke adaptatienoodzaak. Echter, uitein-
delijk is één en ander uitsluitend een gevolg van het verschijnsel klimaatverandering.
De AIV is van oordeel dat nieuwe initiatieven op het gebied van huidige en toekomstige
opbouw van adaptatiecapaciteit (component drie), bij voorkeur tot stand komend in het
kader van het Bali-Akkoord, moeten worden gezien als een nieuw, aanvullend onderdeel
van het ontwikkelingssamenwerking- en het bredere buitenlandse beleid, waaronder het
internationale veiligheids- en wederopbouwbeleid. Voor Nederland kunnen deze interna-
tionale verplichtingen belangrijke consequenties hebben. De totale HGIS-uitgaven zullen
hierdoor mogelijk verder stijgen. Dit is afhankelijk van nadere politieke besluitvorming.
Over de wenselijkheid van een dergelijke verhoging zal eerst in internationaal verband
duidelijkheid moeten worden geschapen. Ook zal nationaal hiervoor draagvlak aanwezig
dienen te zijn.
Voor zover sprake is van adaptatie in de vorm van noodhulp (component één) of van
adaptatie geaccommodeerd in langzame veranderingsprocessen (component twee), kun-
nen deze binnen het op armoedebestrijding gerichte ontwikkelingssamenwerkingbeleid
en binnen het huidige ODA-percentage gefinancierd worden.
De AIV wil hierbij aantekenen dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid
dat, wanneer adaptatiebeleid onvoldoende snel wordt opgezet en uitgevoerd, veel mid-
delen die bestemd zijn voor adaptatiesteun, geabsorbeerd zullen worden door noodhulp,
waardoor ook andere onderdelen van de ODA in het geding komen.
III.2     De diversiteit van initiatieven
De initiatieven die moeten worden genomen in het kader van het klimaatbestendig
maken van de bestaande overdrachten en ondersteunde programma’s alsmede van de
opbouw van adaptatiecapaciteit, zullen naar hun aard zeer divers zijn. Dit is mede
afhankelijk van de door de ontvangende landen gestelde prioriteiten. In een aantal
recente rapporten43 is in dit verband een onderscheid gemaakt tussen de sectoren:
landbouwproductie en voedselzekerheid, water, economische activiteit in kustgebieden,
gezondheid, ecosystemen en biodiversiteit en transport en infrastructuur. Het kan daar-
bij gaan om uiteenlopende doelen, zoals:
.   de verbetering van het kennisniveau en de weerbaarheid van mensen ten aanzien
    van klimaatverandering door gezondheids-, educatief- en sociaal beleid;
.   het bevorderen van de toepassing van juiste technologieën in diverse sectoren;
.   de opbouw en het verbeteren van op klimaatverandering gerichte infrastructuur;
.   de integratie van adaptatiebeleid in de diverse beleid- en bestuurskaders;
.   de ontwikkeling van specifiek op klimaatverandering gerichte financieel-economische
    mechanismen;
.   de bescherming van ecosystemen tegen klimaatveranderingen;
43 Zie onder meer: Huq S. (e.a.) Mainstreaming Adaptation to Climate Change in Least Developed Countries
    (LDCS). IIED, Russell Press, Nottingham 2003. UN Office of High Representative for the LDCs, LLDCs
    and SIDSs (UNHRLDCs), The Impact of Climate Change on Least Developed Countries and Small Island
    Developing States, UN/UNHRLDCs, New York, June 2007; World Bank, Clean Energy and Development:
    Towards an Investment Framework. ESSD Vice Presidency and Infrastructure Vice Presidency, Washington
    DC, 5 April 2006; UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human
    solidarity in a divided World, 2007.
                                                   22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>. de ontwikkeling van ‘early warning’ systemen en het instrueren bij de toepassing
    ervan.
Afhankelijk van de categorie waarop men zich in het opzetten van adaptatiecapaciteit
gaat richten, kan het in diverse gevallen gaan om grote tot zeer grote infrastructurele
projecten die betrekking hebben op omvangrijke gebieden en ecosystemen, zoals groot-
schalige landbouw- en bosbouwsystemen die aangepast zijn aan veranderde omstandig-
heden, watermanagement en op ICT-gebaseerde informatiesystemen. Daarnaast kunnen
ook kleinschalige projecten en programma’s deel uitmaken van de opbouw van adapta-
tiecapaciteit.
Dit soort projecten vraagt veel geld en technologische inzet, maar leent zich naar zijn
aard niet voor de veelal meer gefragmenteerde aanpak van het bilaterale hulpbeleid.
Het ligt daarom in de rede dat geïndustrialiseerde landen een serieuze financiële dan
wel in-kind bijdrage leveren aan het internationale adaptatiefonds dat gekoppeld is aan
het Actieplan van Bali. Gezien de ruwe schattingen van de te verwachten kosten van
adaptatie in de ontwikkelingslanden (30 tot 70 miljard dollar per jaar), zou de jaarlijkse
bijdrage per gecommitteerde partij in de loop van de tijd kunnen oplopen tot een even-
redig (op basis van nog te bepalen criteria) deel van dit bedrag. Ook Nederland zou,
indien daarvoor internationaal voldoende steun en commitment bestaat, zich naar het
oordeel van de AIV op den duur tot een zodanige inspanning moeten committeren (zie
ook hoofdstuk II).
III.3     Verantwoording van publieke adaptatiemiddelen afkomstig van donoren
Zoals hiervoor al werd betoogd, is het niet altijd eenvoudig om de adaptatiekosten en
-baten zodanig te identificeren dat een aparte verantwoording naar adaptatie- en (regu-
liere) ontwikkelingssamenwerkingprojecten te geven is. Dit geldt typisch voor de eerste
twee componenten. Tegelijkertijd is zo’n identificatie wel wenselijk vanuit de opvatting
dat het om nieuwe en additionele kosten gaat. De omvang ervan – ook met het oog op
eventuele internationale afspraken ter zake – moet dus eenduidig kunnen worden
bepaald.44 Dit betekent – op basis van het uitgangspunt dat een deel van de adaptatie-
kosten kan worden opgevangen binnen de traditionele ontwikkelingssamenwerking-
inspanningen – dat voor dit deel van de adaptatie-inspanningen een zorgvuldige toereke-
ningmethodiek is vereist. Hierbij moet worden uitgegaan van geëigende ‘baseline costs’
bij afwezigheid van klimaatverandering.
Wat betreft de inspanningen in de sfeer van de derde component, zal het naar verwach-
ting veel eenvoudiger zijn om de toerekening van de als adaptatiesteun aan te merken
inspanning te bepalen. Vanzelfsprekend is de totale nationale adaptatie-inspanning
gelijk aan de som van de adaptatie-inspanningen afkomstig uit de drie genoemde
componenten.
Wat betreft de bronnen van publieke middelen voor adaptatie kan sprake zijn van een
combinatie van fondsen voor ontwikkelingssamenwerking en middelen voor internationa-
le samenwerking enerzijds en middelen op basis van specifieke mechanismen, zoals
44 Oxfam betoogt bijvoorbeeld in dit verband dat aan de donorzijde de middelen voor adaptatie afzonderlijk
    als ‘compensatory finance’ – schadevergoeding verantwoord moeten worden, dus naast de bestaande
    ODA en wijst erop dat de bereidheid tot participatie in adaptatieprogramma’s een element zal zijn dat in
    eventuele juridische procedures rondom klimaatimpacts een rol kan spelen.
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>emissiegerelateerde heffingen of veiling van emissierechten anderzijds. De AIV vestigt
er de aandacht op dat de laatstgenoemde groep van middelen (via specifieke mecha-
nismen), in de in dit hoofdstuk gehanteerde bronnen45 als private financiering worden
gekwalificeerd, terwijl het hier voornamelijk gaat om extra doelbijdragen vanuit de parti-
culiere sector (ondernemingen en consumenten) gegenereerd door additionele belastin-
gen en andere regelgeving. Het gaat hier – dat wil zeggen met name bij adaptatie – dus
niet om particuliere (binnen- of buitenlandse) investeringen in adaptatieprojecten. In dit
verband is de AIV van mening dat laatstgenoemde component nauwelijks enige omvang
van betekenis zal hebben.46
III.4     Bronnen voor de financiering van adaptatie
In eerste instantie kan de ontwikkeling van adaptatiebeleid in ontwikkelingslanden wor-
den gezien als een zaak van de afzonderlijke staten en gemeenschappen. Wat de finan-
ciering ervan betreft, wordt hier het onderscheid tussen publieke en private financiering,
zoals vermeld in de voorgaande sectie, gehanteerd.
Voor wat betreft het publieke deel is er een verantwoordelijkheid voor de internationale
gemeenschap. Deze is in het Actieplan van Bali ook erkend. Inzake de hoogte van de
bedragen die internationaal beschikbaar moeten worden gesteld, staan we aan het
begin van de onderhandelingen.
Van de omvang van deze financiering zijn, zoals hiervoor werd vermeld, reeds diverse
schattingen gemaakt. De UNFCCC-raming geeft additionele informatie op basis waarvan
een zeer voorzichtige toerekening van deze bedragen aan de private en publieke secto-
ren kan worden gemaakt, die neerkomt op 10 tot 28 miljard dollar voor de private sec-
tor en 18 tot 39 miljard dollar voor de publieke sector. Het Development Committee van
de Wereldbank en het IMF gaat van 28 tot 67 miljard dollar uit (zie ook sectie II.3) en
voegt daaraan toe dat meer dan 80 procent hiervan uit de private sector wordt ver-
wacht. UNFCCC komt voor de wereld als geheel voor nieuwe infrastructuur uit op een
percentage van 75 tot 90 afkomstig uit de private sector.47 Oxfam gaat uit van de nood-
zaak dat het merendeel van de middelen voor adaptatie uit publieke fondsen zal moe-
ten worden gegenereerd. Kortom, de meningen over de verdeling van de bijdragen over
publieke en private bronnen zijn verdeeld.
Wat betreft de verdeling over Annex I- en II-landen, heeft Oxfam een sleutel voorgesteld,
gebaseerd op basis van de UNFCCC-beginselen van verantwoordelijkheid en mogelijk-
heid: de VS en de EU samen zouden meer dan 75 procent dienen te financieren (waar-
van de VS ten minste 40 procent voor hun rekening moeten nemen en de EU ten min-
ste 30 procent). Op basis van het aandeel van Nederland in de mondiale CO2-uitstoot,
45 Zie met name: World Bank Development Committee, Global Monitoring Report 2008: MDGs and the
    Environment Agenda for Inclusive and Sustainable Development, Washington DC, 4 April, 2008; Oxfam,
    Financing Adaptation: why the UN’s Bali Climate Conference must mandate the search for new funds,
    Oxfam Briefing Note, 4 December 2007.
46 Voor een veel optimistischer standpunt in dezen, zie: World Bank, Development and Climate Change;
    A Strategic Framework for the World Bank Group, Washington DC, October 2008, pp. 45-48.
47 UNFCCC, Report on the Analysis of Existing and Potential Investment and Financial Flows relevant to the
    Development of an Effective and Appropriate International Response to Climate Change, Fourth Workshop,
    Vienna, 27-31 August 2007, Dialogue Working Paper 8, 2007.
                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>komt men uit op een schatting van een aandeel in bovengenoemde kosten van iets
minder dan 2 procent.48 Dit percentage is een grove schatting, dat enigszins aan de
hoge kant lijkt te zijn. Het gaat hier om een inschatting van ordes van grootte, bij
gebrek aan internationaal aanvaarde verdelingssleutels.
Combineert men de schattingen tot dusverre van de jaarlijkse adaptatiekosten in ont-
wikkelingslanden – ruwweg tussen de 30 en 70 miljard dollar – met een aandeel van
Nederland in de internationale bijdrage van circa 2 procent, dan resulteert dat in een
verplichting in de orde van grootte van 600 tot 1400 miljoen dollar per jaar. Dit corres-
pondeert met een aandeel in het BNP van circa 0,1-0,2 procent (het BNP van
Nederland in 2007 bedroeg circa 630 miljard dollar). Zou men gemakshalve uitgaan
van een gelijke verdeling over private en publieke bronnen, dan zou het wat de publieke
bijdrage betreft kunnen gaan om circa 300 tot 700 miljoen dollar, oftewel circa 200 tot
450 miljoen euro per jaar. Gezamenlijk met de private sector zou dit neerkomen op
ongeveer 400 tot 900 miljoen euro per jaar.
III.5     De kanaalkeuze ten aanzien van eventuele adaptatiesteun
Wat betreft het kanaal via welk de eventuele adaptatiesteun zou kunnen worden ver-
strekt – anders dan de ondersteuning via de eerste twee componenten, welke via de
reguliere ontwikkelingsbegroting kan lopen – bestaan in beginsel drie mogelijkheden:
bilateraal, via de EU-kanalen of multilateraal (GEF-Bali).
Het is de vraag of het, gegeven de omvang van het probleem, zinvol is om een dergelijk
initiatief primair bilateraal op te zetten, temeer omdat de adaptatiesteun op basis van
de eerste twee componenten naar verwachting via het bilaterale beleid zal moeten wor-
den verstrekt. Ook gezien het mondiale karakter van de problemen en de onderhande-
lingen lijkt er veel voor te zeggen om het grootste deel van de adaptatie-inspanning
vanuit Nederland te laten verlopen via de EU of de multilaterale kanalen.
In feite is een aantal multilaterale initiatieven al in gang gezet. In de (post-)Bali-setting
wordt gedacht aan aanvullende internationale mechanismen (bijvoorbeeld op basis van
de veelbesproken 2 procent heffing op CDM).
Wat de EU betreft is in 2007 door de Europese Commissie reeds een voorstel gelan-
ceerd voor het opzetten van een ‘Global Climate Change Alliance’ (GCCA), een platform
voor dialoog en praktische samenwerking inzake onder andere adaptatie, ‘... in support
of the MDGs’. Weliswaar gaat het hier weer meer om de capaciteit voor planontwik-
keling inzake adaptatie en pilotprojecten, maar de Commissie roept in dit verband de
lidstaten op tot een gezamenlijk op te zetten ‘GCCA financing mechanism’.
Meer recentelijk heeft de EU – onder verwijzing naar bovengenoemd voorstel – een
rapport uitgebracht aan de UNFCCC, waarin de wenselijke benadering inzake adaptatie-
strategieën voor ontwikkelingslanden is gepresenteerd. Hierin stelt de EU zich gecom-
mitteerd te voelen tot het verstrekken van nieuwe en additionele middelen om adapta-
tiekosten te dekken, inclusief die van capaciteitsopbouw.49
48 Oxfam, Adapting to Climate Change: What’s needed in poor countries and who should pay, Oxfam Briefing
    Paper No. 104, May 2007.
49 Zie ook: FCCC/SBI/2008/MISC.4
                                                  25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>De EU lijkt hierdoor het meest voor de hand liggende kanaal voor de organisatie van aan-
vullende adaptatiesteun, ook die uit de afzonderlijke lidstaten.50 Nederland kan de ont-
wikkeling van zo’n mechanisme stimuleren, de ‘terms of reference’ ervan pogen aan te
passen aan de internationale discussie over de omvang en inrichting van adaptatiefond-
sen, en daar (een deel van) zijn adaptatiebijdragen in onderbrengen. Een dergelijke actie
zou ook de nodige draagkracht kunnen opleveren in de richting van andere lidstaten.
Gezien het bovenstaande moet Nederland naar het oordeel van de AIV bij zijn publieke
en private adaptatie-inspanningen in de sfeer van de adaptatie capaciteitsopbouw en
het klimaatbestendig maken van bestaande ontwikkelingsinspanningen dit niet alleen
doen, maar deze laten lopen via nog in ontwikkeling zijnde EU- en ‘(post-)Bali’-kanalen,
afhankelijk van de internationale voortgang hiervan.
III.6     Prioriteitstelling
Uitgaande van eventuele adaptatiesteun, rijst de vraag of en in hoeverre een nadere
prioriteitstelling van te steunen activiteiten wenselijk en mogelijk zou kunnen zijn. Voor
zover de steun zou verlopen via multilaterale kaders – bijvoorbeeld via versterking van
activiteiten, programma’s en fondsen van de EU of in UNFCCC-kader – kan slechts indi-
rect sprake zijn van enige prioriteitstelling, dat wil zeggen voor zover ons land er in
slaagt de eigen prioriteiten in het internationale overleg geaccepteerd te krijgen. Deze
beperking geldt uiteraard niet wanneer sprake is van adaptatiesteun via het bilaterale
kanaal.
De AIV is van mening dat, voor zover Nederland invloed kan uitoefenen op de prioriteit-
stelling van eventuele adaptatiesteun, toetsing aan de onderstaande criteria noodzake-
lijk is. Daarbij geldt het eerste criterium als leidend.
a) De behoeften als aangegeven door de relevante ontwikkelingslanden zelf, onder
    meer in de vorm van (onafhankelijk getoetste) NAPAs (zie box 2);
b) de relevantie van deze behoeften bijvoorbeeld ten aanzien van de armere bevolkings-
    groepen, het aantal betrokken burgers, en de te beschermen economische waarden;
c) het streven naar armoedevermindering (MDG1);
d) de absorptiecapaciteit van de relevante ontwikkelingslanden of -regio’s;
e) de in het internationale samenwerking- en ontwikkelingssamenwerkingbeleid gelden-
    de prioriteiten, bijvoorbeeld inzake sectoren en landen/regio’s, maar ook op het
    gebied van mensenrechten;
f) de relatieve expertise van en/of binnen de Nederlandse samenleving.
De leidende rol van criterium a) vloeit voort uit het internationaal geaccepteerde uit-
gangspunt dat de bestaande strategieën van de betreffende landen, en met name die
ten behoeve van de armere bevolkingsgroepen, in de internationale samenwerking
centraal dienen te staan. Voor Nederland is dit, wat het terrein van klimaat en energie
betreft, conform de Beleidsbrief aan de Tweede Kamer van 16 oktober 2007.51 De aan-
vullende toetsen ten aanzien van eventuele Nederlandse adaptatie-inspanningen aan de
hand van de overige criteria zijn echter evenzeer gewenst. Aansluiting bij de behoeften
50 AIV, Nederland en de Europese Ontwikkelingssamenwerking, advies nummer 60, Den Haag, mei 2008.
51 Beleidsbrief Een Zaak van Iedereen, Investeren in ontwikkeling in een veranderende wereld, 10 oktober
     2007.
                                                    26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>en keuzes van de relevante landen en daarbinnen van de armere groepen, kan immers
leiden tot een lappendeken van prioriteiten, waarmee beleidsmatig moeilijk valt om te
gaan. Bovendien wijst de praktijk uit dat projecten meestal alleen op lange termijn
effectief zijn als lokaal sprake is van voldoende (absorptie)capaciteit in de sfeer van
regelgeving, procesbegeleiding en dergelijke.
Het is bovendien niet wenselijk dat nieuwe, op adaptatie gerichte programma’s zouden
bijdragen aan een versnippering van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerking-
beleid. Daarbij is inmiddels gekozen voor concentratie op een beperkt aantal (36 plus 4
in postconflictsituaties) ontwikkelingslanden52 en beleidsintensiveringen waaronder op
het terrein ‘klimaat, duurzaamheid en energie’. De adaptatiesteun via het bilaterale
kanaal zou zich, naar de mening van de AIV, in beginsel tot deze landen moeten beper-
ken. Wat betreft preferentiële sectoren bij het vergroten van het aanpassingsvermogen
van ontwikkelingslanden, noemt de bovengenoemde Beleidsbrief: landgebruik, voedsel-
productie, water en gezondheid. De AIV acht dit een zinvolle accentuering.
Als laatste criterium ten aanzien van eventuele bilaterale adaptatiesteun stelt de AIV
voor: de relatieve expertise en comparatieve voordelen van en binnen de Nederlandse
samenleving (te denken valt onder meer aan kustbeheer, waterbeheer, en landbouwsys-
teem- en gewasontwikkeling). Een belangrijke overweging daarbij is dat adaptatiesteun
bij voorkeur zal moeten plaatsvinden in publiek-private samenwerkingsverbanden, waar-
bij ook, of zelfs vooral, de private sector in eigen land bijdraagt aan projectontwikkeling
en expertiseverschaffing. Daarbij is het tevens belangrijk dat adaptatiesteun wordt
ingezet voor de versterking van de capaciteit van de private en publieke sectoren in de
relevante ontwikkelingslanden.
III.7    De rol van lokale adaptatieprogramma’s
Voor de financiering van adaptatieprojecten en -maatregelen is het gewenst dat parallel
aan het vormgeven aan de adaptatiesteun, zowel op nationaal, regionaal en mondiaal
niveau, adaptatieprogramma’s worden ontwikkeld teneinde de beschikbare middelen zo
effectief mogelijk te kunnen aanwenden.
Ingevolge het UNFCCC en de daarin erkende speciale positie van de ontwikkelingslan-
den is een programma gestart dat zich onder meer richt op het ontwikkelen van NAPAs.
Deze richten zich op de ‘urgent and immediate needs ... for which further delay could
increase vulnerability or lead to increased costs at a later stage’.53 NAPAs zijn het
resultaat van processen waarin belanghebbende gemeenschappen in staat zijn gesteld
hun behoeftes ter versterking van hun adaptatiecapaciteit te formuleren en in de uitein-
delijke programma’s in te brengen. Op dit moment zijn er bij UNFCCC 33 NAPAs bekend.
De NAPAs, die op basis van een ‘bottom-up’-proces tot stand komen, staan naast de
zogenaamde ‘National Communications’ (NCs) die alle UNFCCC-partijen en dus ook vrij-
wel alle ontwikkelingslanden inbrengen. NCs zijn ‘top down’-berichten van overheden die
(onder andere) hun adaptatiebehoeften ter kennis van de internationale gemeenschap
kunnen brengen conform het UNFCCC. Tot nu toe ingebrachte NCs richten zich ook,
maar dan impliciet op adaptatiebehoeften. NAPAs zijn als regel meer specifiek.
52 De 40 landen vallen in 3 verschillende ‘profielen’ die kaders bieden voor te maken keuzes: (i) versnelde
    MDG-bereiking, (ii) veiligheid en ontwikkeling, (iii) brede relatie (Beleidsbrief aan de Tweede Kamer van
    16 oktober 2007, Een zaak van Iedereen: Investeren in ontwikkeling in een veranderende wereld).
53 Zie: <http://unfccc.int/adaptation/napas/items/2679txt.php>.
                                                          27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Ruim de helft van de in NAPAs vastgestelde activiteiten met prioriteit betreft werkelijke
adaptatieactiviteiten (meestal kleinschalig of van een pilot-karakter); de overige zijn
gericht op capaciteitsontwikkeling. Bovendien gaat het, blijkens onderzoek op basis van
een steekproef onder de 33 NAPAs (zie ook Box 2), in aanmerkelijk meer dan de helft
van de gevallen om ontwikkelingssamenwerkingprojecten met een (incrementele) adap-
tatiecomponent, dan wel om intensivering of uitbreiding van ontwikkelingssamen-
werkingprogramma’s, die ook een adaptief effect hebben. De desbetreffende prioritaire
activiteiten blijken een grote spreiding over sectoren te hebben, met relatief veel priori-
teiten in sectoren als landbouw en waterbeheer.
Vaak ontbreekt echter prioriteitstelling en spelen de NAPAs slechts ten dele in op toe-
komstige behoeften. Juist in het kader van adaptatie is een vooruitziende blik op de
gevolgen van klimaatverandering onontbeerlijk. Huidige aanpassingen hoeven immers
niet noodzakelijkerwijs voldoende bescherming te bieden tegen toekomstige klimaat-
effecten. Een voorbeeld van een NAPA die in toekomstige adaptatiebehoeften voorziet
is het op 3 september 2008 gepresenteerde plan van de Nederlandse Delta-commissie
getiteld ‘Samen werken met water’. Wat ontwikkelingslanden betreft ontbreekt momen-
teel echter internationaal het inzicht hoe en in welke vorm aan bepaalde sectoren/pro-
gramma’s/regio’s prioriteit te geven, waardoor onduidelijk is hoe middelen bestemd
voor adaptatiesteun het meest effectief kunnen worden besteed.
De AIV is van oordeel dat het urgent is in te spelen op de toekomstige behoeften van
ontwikkelingslanden op het gebied van adaptatie in de vorm van NAPAs. Nederland
moet zich actief inzetten voor het ontwikkelen van NAPAs of vergelijkbare beleidsplan-
nen in kwetsbare ontwikkelingslanden die vallen binnen de categorie van de 40 landen
waarop het ontwikkelingssamenwerkingbeleid zich concentreert. De AIV pleit er dan ook
voor om op internationaal niveau een denktank op te zetten die een leidende rol kan
spelen bij het tot stand brengen van de benodigde ‘deltaplannen’ (veelomvattende en
op de lange termijn gerichte masterplannen). Naast nationale NAPAs zou bovendien een
mondiaal adaptatiemasterplan voor ontwikkelingslanden (een soort van mondiale, door
de VN gecoördineerde, NAPA) ontwikkeld moeten worden om een integraal kader te bie-
den voor het bepalen van de omvang en urgentie van de adaptatieproblemen in de
diverse ontwikkelingslanden, om prioriteiten van toekomstige acties te kunnen bepalen
en om de ontwikkeling en toepassing van nationale NAPAs te faciliteren op basis van
technische en economische kennis. De AIV wil er in dit verband op wijzen dat het
eerder genoemde lopende onderzoek van de Wereldbank naar de kosten van adaptatie
mogelijk ook hierop zal ingaan.
    Box 2: Het ontwikkelen van NAPAs
   NAPAs identificeren de meest urgente behoeften van LDC-landen in relatie tot de huidige
   bedreigingen door klimaatverandering.54 De NAPAs omvatten ook reacties op huidige
   klimaatvariabiliteit en zijn gebaseerd op bestaande kennis. UNFCCC stelt ten behoeve van
   NAPA-processen een compendium van methodologieën en een database met ‘best
   practices’ beschikbaar; ook United Nations Environment Programme (UNEP) en UNDP zijn
   zeer actief in het versterken van de voeding van het NAPA-proces. Steun voor de ontwik-
   keling van NAPAs wordt verleend via het GEF-LDC-Fund.
54 Ze spelen daarmee dus slechts ten dele in op toekomstige behoeften, die naar verwachting zullen
    toenemen.
                                                  28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>  Blijkens een analyse van de eerste 21 NAPAs zijn prioriteiten en programma’s voorgesteld
  ten bedrage van 341 miljoen dollar. Een ruwe schatting van deze waarde voor NAPAs in alle
  ontwikkelingslanden tezamen komt uit op zo’n 650 miljoen dollar.55
  Bij de opstelling van NAPAs wordt een zeker stramien gevolgd, op basis van vastgestelde
  richtlijnen. Deze gaan uit van een analyse van de situatie van het desbetreffende land in
  termen van zijn ontwikkeling en de relevante milieu- en klimaatcondities. Op basis daarvan
  volgt een diagnose van de kwetsbaarheid voor klimaatverandering, en een sectorale analyse
  daarvan. Een typische NAPA geeft die analyse voor sectoren als: landbouw, water, gezond-
  heid, bossen, energie, kust- en maritieme hulpbronnen, natuur/biodiversiteit, toerisme,
  infrastructuur, et cetera. Daarbij wordt een en ander ook bezien in termen van trends met
  betrekking tot het klimaat voor zover relevant voor de ontwikkeling in en van het betreffende
  land. Er wordt een analyse gegeven van bestaande adaptatiepraktijken, het bereik daarvan,
  gewenste nieuwe praktijken, en mogelijke barrières voor de implementatie van NAPAs. Op
  basis van deze gegevens volgt dan een articulatie van de adaptatiestrategie (veelal op basis
  van een rangorde van sectoren en van activiteiten, soms aangevuld met een regionale priori-
  teitstelling) waaruit systematisch de meest urgente elementen worden afgeleid. Vervolgens
  geven NAPAs een uitgebreide beschrijving (inclusief budget) van die geselecteerde activitei-
  ten/projecten.
  Van de 33 inmiddels gepubliceerde NAPAs is een bijna willekeurige steekproef van 7 nader
  bezien.56 Van elk geselecteerd land zijn de top-5-prioriteiten geanalyseerd. Daaruit ontstaat
  het volgende beeld:
  .   ruim de helft van de prioriteiten betreft werkelijke adaptatieactiviteiten (alhoewel meestal
      kleinschalig of van een pilotkarakter), de overige betreffen capaciteitsontwikkeling;
  .   in bijna 40 procent is sprake van pure adaptatieprogramma’s, de overige zijn ontwikkelings-
      samenwerkingprojecten met een toenemende adaptatiecomponent;
  .   er is een grote spreiding over sectoren met relatief veel prioriteiten in de sectoren land-
      bouw en waterbeheer57;
  .   in tamelijk veel van de gevallen van daadwerkelijke activiteit is sprake van ‘community-
      based’ of ‘community-involving’ activiteiten.
  NAPAs richten zich op urgente en onmiddellijke behoeften als vastgesteld in overleg met
  belanghebbende groepen, op basis van hun kennis van ‘coping’ en adaptatiestrategieën, en
  gaan dus niet uit van lange termijnontwikkelingen (behalve voor zover daar door die groepen
  reeds gebruik van wordt gemaakt); scenarioanalyses van langetermijnverwachtingen inzake
  klimaateffecten zijn buiten beschouwing gebleven58, hetgeen vanuit een langetermijn-
55 LEG (LDC Expert Group). Input by the LEG to LEG-Stocktaking Meeting on the preparation and
   implementation of NAPAs, Bangkok 3-4 September 2007.
56 Bangladesh is bewust gekozen; daarnaast zijn op aselecte wijze de volgende landen gekozen: Burundi,
   Eritrea, Kiribati, Mauritania, Samoa en Tanzania.
57 UNFCCC’s eigen resumé (2007) van prioritaire activiteiten in NAPAs omvat: voorspelling (weer, rampen),
   waterbeheer, voedselzekerheid, landgebruik en –beheer, kustzonebeheer, gezondheidszorg, capaciteits-
   ontwikkeling en bevordering duurzaam toerisme.
58 UNFCCC, Climate Change: Impacts, Vulnerabilities and Adaptation in Developing Countries, 2007.
                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>  perspectief bezien als ongewenst moet worden beschouwd.59 Het is verder evident dat de
  nadruk in de huidige NAPAs meer ligt op de ontwikkeling van kennis en de toetsing en
  verspreiding daarvan via pilots, dan op daadwerkelijke adaptatieprogramma’s op nationale
  schaal in het licht van geaggregeerde behoeften. De beperkte financieringsmogelijkheden
  onder GEF en het Kyoto Protocol versterken een dergelijke gang van zaken.60
  De LEG (de LDC Expert Group die namens UNFCCC het NAPA-proces begeleidt) heeft – mede
  op basis van bevindingen van UNEP, UNDP en de Wereldbank – een evaluatie verricht van 21
  NAPAs.61 Daaruit vallen als conclusies op:
  .   departementale verkokering als barrière voor integratie van klimaat in ander beleid;
  .   de vermenging van adaptatie- en ontwikkelingselementen in NAPA-prioriteiten (LEG vindt
      het gewenst dat duplicatie met reguliere ontwikkelingsactiviteiten wordt voorkomen);
  .   tevredenheid over de mate waarin NAPAs daadwerkelijk door middel van een proces van
      participatie tot stand zijn gekomen.
59 Lim, B. en E. Spanger-Siegfried (eds), Adaptation Policy Framework for Climate Change: Developing
   Strategies, Policies and Means, UNDP/Cambridge University Press, 2004.
60 UNFCCC, Climate Change: Impacts, Vulnerabilities and Adaptation in Developing Countries, 2007.
61 LEG (LDC Expert Group), Input by the LEG to LEG-Stocktaking Meeting on the preparation and
   implementation of NAPAs, Bangkok, 3-4 September 2007.
                                                     30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>IV       Klimaat en mondiale energievoorziening
IV.1     Inleiding
In dit hoofdstuk gaat de AIV in op vraag 3 van de minister. Deze valt uiteen in drie delen.
Allereerst: wat is de relatie tussen het klimaatvraagstuk en het vraagstuk van de mondia-
le energiezekerheid voor de 2 miljard energiearme mensen? Ten tweede: kan Nederland
een goede balans vinden tussen mogelijke tegenstrijdige belangen? Ten derde: in hoe-
verre moeten Nederland en andere donoren zich omwille van de toekomst, bij de steun
aan de 2 miljard energiearmen uitsluitend richten op hernieuwbare energie?
Bij het beantwoorden van het eerste deel van vraag 3 heeft de AIV vooral gebruik
gemaakt van de analyses en studies van de International Energy Agency (IEA), met
name de jaarlijkse World Energy Outlook.62
De IEA onderscheidt vier categorieën van energieverbruik:
.   mobiliteit (niet elektrisch);
.   huishoudelijk en industrieel gebruik van energie (vooral fossiele brandstof);
.   elektriciteit (huishoudelijk en industrieel);
.   energieopwekking door conversie van brandstoffen.
In het kader van de relatie energie en armoede identificeert de IEA twee doelstellingen
ten aanzien van arme mensen:
.   vergroten van de toegang tot elektriciteit;
.   overgang van biomassa naar moderne brandstoffen, met name voor huishoudelijk
    gebruik (kerosine, LPG, dieselolie).
IV.2     Energiezekerheid
Op dit moment hebben nog zo’n 1,6 miljard mensen in ontwikkelingslanden geen toe-
gang tot elektriciteit.63 De meesten hiervan leven in Zuid-Azië en Sub-Sahara-Afrika. In
deze laatste regio heeft slechts een kwart van de mensen toegang tot moderne energie-
voorzieningen.64 In totaal leeft tachtig procent van de energiearmen in rurale gebieden.65
De IEA verwacht dat dit aantal in 2030 1,4 miljard mensen zal bedragen.
Nu nog zijn er bijna 2,5 miljard mensen voor hun energie voor huishoudelijk gebruik
(met name voor koken en verwarmen) afhankelijk van traditionele biomassa.66 In
landen als Tanzania, Ethiopië, Niger, Mozambique en Zambia geldt dit voor meer dan
62 IEA, World Energy Outlook 2002, Parijs 2002, (ook 2003 tot en met 2007).
63 UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided
    World, 2007, p. 43, en UN-Energy No. 2, Sustainable Bioenergy: A Framework for Decision Makers, April
    2007, p. 43.
64 UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided
    World, p. 44.
65 IEA, World Energy Outlook 2002, Parijs 2002, p. 32.
66 Het gaat hier met name om stro, mest, landbouwafval en houtskool.
                                                    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>75 procent van de bevolking.67 De IEA schat dat het totale aantal zelfs met 0,2 miljard
zal stijgen in de periode tot 2030. In China, Indonesië en Latijns-Amerika is sprake van
afname van het aantal mensen afhankelijk van traditionele biomassa. Elders neemt dit
aantal toe.68 Als achtergrond dient dat volgens de IEA de bevolking van de ontwikke-
lingslanden gedurende deze periode (2000-2030) zal toenemen van 4560 tot 6642
miljoen mensen.69 Deze gebrekkige toegang tot energie heeft een negatieve invloed,
met name op het welzijn van vrouwen en meisjes. Zij besteden vaak veel tijd aan het
verzamelen van brandhout; tijd die bij een betere toegang zou kunnen worden besteed
aan meer productieve of aan recreatieve activiteiten. Daarbij lopen zij nu vaak grote
veiligheidsrisico’s in vooral, maar niet alleen, fragiele staten.
Ook is in dichtbevolkte gebieden de vraag naar traditionele brandstoffen vaak veel gro-
ter dan het aanbod. Dit leidt tot grootschalige ontbossing en landdegradatie, en als
gevolg daarvan, teruglopende landbouwproductie.70
In een andere studie presenteert de IEA een scenario waarin Millennium Development
Goal 1 (50 procent reductie van het aantal zeer armen – minder dan 1 dollar per dag –
in de wereldbevolking in 2015) van het UN Millennium Project is geïncorporeerd. De IEA
berekent dat volgens dit MDG-scenario in 2015 nog bijna 1 miljard mensen verstoken
zal zijn van elektriciteit; al met al een daling van meer dan 500 miljoen mensen ten
opzichte van het referentiescenario in dat jaar.71 Volgens hetzelfde MDG-scenario zal in
2015 het aantal mensen dat traditionele biomassa voor huishoudelijke doeleinden
gebruikt nog steeds meer dan 2,5 miljard bedragen; dit zijn echter wel 700 miljoen
mensen minder dan volgens het referentiescenario.72 Op de vraag over de relatie tus-
sen klimaatverandering en armoedebestrijding komt de AIV aan het slot van dit hoofd-
stuk terug.
IV.3      Mogelijk tegenstrijdige belangen
De AIV heeft het tweede deel van de derde vraag van de minister in eerste instantie
opgevat als een verzoek om een analyse van de (mogelijke) tegenstrijdigheden tussen
de gewenste emissiereducties om te komen tot stabilisatie van de onderweg zijnde kli-
maatveranderingen enerzijds en anderzijds de algemeen erkende prioriteit om te komen
tot een snelle en omvangrijke armoedereductie in ontwikkelingslanden die gepaard zal
gaan met een even snelle en omvangrijke verbetering van de energievoorziening aldaar.
67 UNDP, Human Development Report 2007/2008. Fighting Climate Change: Human solidarity in a divided
    World, 2007, p. 43, en United Nations, UN-Energy No. 2, Sustainable Bioenergy: A Framework for Decision
    Makers, April 2007, p. 44.
68 United Nations, UN-Energy No. 2, Sustainable Bioenergy: A Framework for Decision Makers, April 2007,
    p. 4 en 6; Stephan Slingerland, Lucia van Geuns en Coby van der Linde, ‘Van zwarte naar groene ener-
    gie; Geopolitiek van mondiale energietransitie’, Internationale Spectator, Jaargang 62, nr. 5, mei 2008,
    pp. 259-263 en p. 260.
69 IEA, World Energy Outlook 2006, Parijs 2006, p. 11.
70 Kamerbrief inzake Beleidsnotitie milieu en hernieuwbare energie in ontwikkelingssamenwerking, p. 4.
71 IEA, World Energy Outlook 2006, Parijs 2006, p. 11.
72 IEA, World Energy Outlook 2004, Parijs 2004, p. 36.
                                                       32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Dit punt zal door de AIV in het kader van de beantwoording van het derde deel van
vraag 3 worden behandeld.
Wel zal de AIV hier enkele mogelijke andere tegenstrijdige belangen identificeren. Deze
zijn voornamelijk gerelateerd aan bedreigingen voor de mondiale energievoorziening. De
IEA merkt allereerst op dat de bestaande fossiele energiebronnen voldoende zullen zijn
om de wereld nog zeker dertig jaar van energie te voorzien. De huidige zorgen rond het
wereldwijde energieverbruik concentreren zich dan ook meer op de volgende problemen:
.   energieleveringszekerheid: olie en gas importerende landen worden in toenemende
    mate afhankelijk van een klein aantal exporterende landen (met name die in het
    Midden-Oosten en Rusland). In het Midden-Oosten wordt 80 tot 90 procent van het
    nationaal inkomen verworven uit de export van fossiele brandstof. De vrees bestaat
    dat deze afhankelijkheid door deze landen politiek of economisch zal worden uitge-
    buit. Het veiligstellen van energielevering staat momenteel dan ook hoog op de poli-
    tieke agenda;
.   toegang tot energie: op dit punt verwijst de AIV naar het eerste en derde deel van
    vraag 3 (zie sectie IV.2 en IV.4);
.   toenemende vraag: in de periode tot 2030 zal de vraag naar energie naar verwach-
    ting jaarlijks stijgen met 1,6 procent. De snelle stijging aan de vraagzijde wordt met
    name gedreven door ontwikkelende landen als China en India die te maken hebben
    met snelle economische en demografische groei.73 De World Energy Outlook 2007
    voorspelt dat de vraag in 2030 met 50 procent zal zijn gestegen ten opzichte van
    2007. Het overgrote deel (zo’n 45 procent) van deze vraag zal afkomstig zijn uit
    China en India;74
.   investeringen in de energie-infrastructuur: een uitbreiding van de productie die is
    vereist om aan de groeiende vraag te voldoen, zal naar verwachting van de IEA
    tegen de 20 biljoen dollar gaan kosten;75
.   milieu: fossiele brandstoffen nemen vooralsnog een dominante positie in op de
    energiemarkt en het verbruik hiervan brengt onomstotelijk milieuverontreiniging met
    zich mee. De verwachting bestaat dat de uitstoot van CO2 tot 2030 met 1,7 procent
    per jaar zal toenemen.76 Voor een aanzienlijk deel zal deze CO2-uitstoot worden
    veroorzaakt door ontwikkelingslanden, die terughoudend zijn in het aangaan van
    mitigatieverplichtingen zolang grote vervuilers als de Verenigde Staten het op dit
    punt laten afweten.
IV.4      Hernieuwbare energie
Daarmee dient zich de derde deelvraag van vraag 3 aan, namelijk of Nederland en
andere donoren zich bij de steun aan de 2 miljard energiearmen, met het oog op de
toekomst, uitsluitend zouden moeten richten op hernieuwbare energie.
73 IEA, World Energy Outlook 2002, Parijs 2002, pp. 26 en 28 en IEA, World Energy Outlook 2005, Parijs
    2005, p. 44.
74 IEA, World Energy Outlook 2007, Parijs 2007, p. 3.
75 IEA, World Energy Outlook 2002, Parijs 2002, p. 2.
76 Ibidem, p. 25.
                                                    33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>In dit verband moet allereerst worden geconstateerd dat het energieverbruik per per-
soon per jaar van de bijna twee miljard energiearmen en de daarmee gepaard gaande
CO2-emissie zeer gering is in vergelijking tot de totale CO2-emissie wereldwijd.77
Uitgaande van een basisenergieverbruik van vijftig kWh elektriciteit per persoon per jaar
voor de twee miljard energiearmen komt men op een CO2-emissie van 120 miljoen ton
per jaar.78 Bij het behalen van minimale energiedoelstellingen voor de 2 miljard energie-
armen zal de emissie die hierdoor vrijkomt slechts een zeer klein aandeel uitmaken van
de mondiale emissie; deze bedraagt circa dertig miljard ton CO2 per jaar.
De IEA geeft aan dat er ook sprake is van substitutie van traditionele biomassa door
moderne brandstoffen (voor huishoudelijk gebruik). De extra emissie die gepaard zal
gaan met deze transitie en met het additionele elektriciteitsverbruik, zal volgens een
berekening van de IEA naar verwachting minder zijn dan vier procent van de totale emis-
sie die verwacht wordt voor 2015.79
Het voldoen aan een beperkte basale energiebehoefte van ongeveer vijftig kWh per per-
soon per jaar door toepassing van hernieuwbare energie, heeft nauwelijks invloed op
het bereiken van de wereldwijde klimaatdoelstellingen. Het is dan ook niet effectief om
(op korte termijn) hernieuwbare energie op grote schaal toe te passen ten behoeve van
de energievoorziening van de 2 miljard energiearmen, omdat dit weinig bijdraagt aan het
bereiken van mondiale klimaatveranderingdoelstellingen. Dit neemt niet weg, dat er
afhankelijk van lokale condities en al dan niet door middel van hernieuwbare energie, in
dit opzicht belangrijke mogelijkheden zijn. De eventuele voorkeur voor hernieuwbare
energie hangt af van factoren als:
.   infrastructuur, het bestaan van distributievoorzieningen;
.   bevolkingsdichtheid, in relatie tot de noodzakelijke infrastructuur;
.   mate van ontwikkeling en dus van vraag naar energie, industrialisatie en dergelijke;
.   beschikking over eigen fossiele brandstoffen;
.   infrastructuur voor aanvoer van fossiele brandstoffen;
.   robuustheid, eenvoudige technologie;
.   leveringsgarantie;
.   onafhankelijkheid;
.   een technologisch proces van haasje-over;
.   leefmilieu.
De energievoorziening aan de allerarmsten vraagt daarom om een gedifferentieerde
benadering, niet alleen van land tot land maar ook van regio tot regio. Er is niet één
oplossing die altijd voldoet. Dit hangt met name af van het ontwikkelingspotentieel van
hernieuwbare energie ter plaatse, zoals wind- en zonne-energie.
77 Onderstaande overwegingen zijn voor een belangrijk deel gebaseerd op werk van: Heleen de Coninck,
    groepsleider van de International Energy and Climate Issues groep van de unit Beleidsstudies
    Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), die zelf weer verwijst naar werk van: Shoibal Chakravarty
    (Princeton Environmental Institute), Ananth Chikkatur (Harvard), Steve Pacala (PEI), Robert Socolow (PEI),
    Massimo Tavoni (Fondazione Eni Enrico Mattei (FEEM), Italië).
78 Hierbij is uitgegaan van een kleine elektrische pomp, lamp en koelkast en als gemeenschappelijke voor-
    ziening een school en een kliniek.
79 Energy and Sustainable Development, A Report by the IEA, Energy for Development Conference,
    Netherlands, 2004; Paris, 9 October 2004, p. 32.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Daarnaast wil de AIV ingaan op de eerder in dit hoofdstuk genoemde mogelijke tegen-
strijdige belangen tussen enerzijds gewenste stabilisatie van klimaatverandering en
anderzijds het streven naar armoedevermindering gepaard gaande met hogere emissies
ten gevolge van groter energieverbruik. De AIV ziet dit als een ‘vals dilemma’. Allereerst
kan men verwachten dat het meerdere energieverbruik relatief slechts gering van
omvang zal zijn. Maar zelfs indien dit omvangrijker zou zijn en slechts in beperkte mate
uit hernieuwbare energie zou bestaan, kan de AIV zich niet voorstellen dat dit tot lagere
doelstellingen inzake armoedevermindering in het kader van het Millennium
Development Project zou leiden. De AIV ondersteunt de recente Beleidsnotitie ‘Milieu
en hernieuwbare energie in Ontwikkelingssamenwerking’80 met betrekking tot het bevor-
deren van de introductie van hernieuwbare energie in de allerarmste landen in Afrika.
Wel moet ervoor worden gewaakt dat de inzet op hernieuwbare energie niet de doelstel-
ling van energievoorziening aan de allerarmsten ondergraaft.
80 Kamerbrief inzake Beleidsnotitie milieu en hernieuwbare energie in ontwikkelingssamenwerking,
    10 september 2008.
                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>V        Biobrandstof: energie voor de toekomst?
V.1      Inleiding
In dit hoofdstuk gaat de AIV in op het politieke en publieke debat over het gebruik van
biobrandstoffen. Hierbij zal worden nagegaan wat biomassa en biobrandstoffen kunnen
betekenen voor ontwikkelingslanden.
Onder biobrandstoffen worden alle brandstoffen voor transportmiddelen verstaan die
worden vervaardigd uit biomassa: organisch materiaal, waaruit door middel van diverse
conversietechnologieën, energie en energiedragers (gas, vloeibare brandstoffen, warmte
en/of elektriciteit) kunnen worden geproduceerd. Voorbeelden van biomassa die voor
energieproductie wordt ingezet zijn: reststromen uit de land- en bosbouwsector, afval-
stromen (zoals mest, vetten, slib en oud papier) en voor energiedoeleinden geteelde
gewassen. Uit al deze categorieën van basismateriaal kunnen biobrandstoffen worden
geproduceerd; vrijwel steeds kan de biomassa – al dan niet na omwerking – ook
anderszins in energie worden omgezet.
De AIV maakt een onderscheid tussen eerste, tweede en derde generatie biobrand-
stoffen.
Met de eerste generatie wordt gedoeld op biobrandstoffen geproduceerd uit voedings-
gewassen, zoals maïs, koolzaad, palmolie en suikerriet. De eerste generatie biobrand-
stof heeft in vergelijking met fossiele brandstoffen een geringere CO2 uitstoot: bij riet-
suiker (ethanol) tachtig procent of meer, bij ethanol uit maïs, plantaardige olie, suiker-
bieten of tarwe zo’n dertig procent.81 Daarbij wordt uitgegaan van productie op goede
gronden en zonder vergroting van het mondiale landgebruik. Is dat wel het geval, dan
zijn de positieve CO2-uitstooteffecten aanmerkelijk kleiner.
De zogenoemde tweede generatie biobrandstof wordt niet uit voedingsgewassen gepro-
duceerd, maar voornamelijk uit reststromen (oneetbare delen van voedingsgewassen),
landbouwafvalproducten en houtsnippers. De productie van brandstof uit deze biomas-
sa kan de emissies tot wel negentig procent verminderen ten opzichte van die van fos-
siele brandstof. De technieken die hiervoor zijn vereist, zijn tot op heden veelal nog niet
commercieel beschikbaar voor grootschalige toepassing.
Op de derde generatie biobrandstoffen (biobrandstoffen die rechtstreeks gebruikma-
kend van fotosynthetische reacties in micro-organismen, worden geproduceerd met zeer
hoge efficiëntie) gaat de AIV hier niet op in, omdat de onmiddellijke toepassing nog niet
mogelijk is.
V.2      Europees biobrandstofbeleid
Aanvankelijk werd het gebruik van biobrandstoffen beschouwd als een belangrijke bijdra-
ge aan het oplossen van het mondiale klimaat- en energievraagstuk. Het laatste decen-
nium is het gebruik van biobrandstof dan ook sterk gestegen vanwege de aanhoudende
stijgingen van fossiele brandstofprijzen. Omdat biobrandstof een aantrekkelijke vorm
van duurzame energie lijkt, hebben overheden en de EU bovendien het gebruik ervan
81 OESO, Economic assessment of biofuel support policies, July 2008, p. 8.
                                                  36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>gestimuleerd door het geven van subsidies en door bijmenging te verplichten.
Op 8 mei 2003 is de EU-Richtlijn 2003/30/EG vastgesteld.82 Hierin werd onder meer
vastgelegd dat per eind 2010 5,75 procent van het totale verbruik van diesel en benzine
in de transportsector in de Europese Unie moet bestaan uit biobrandstof. De commu-
nautaire strategie met betrekking tot biobrandstoffen werd in 2006 nader uitgewerkt in
een mededeling van de Europese Commissie.83 Hieruit blijkt dat de Europese
Commissie de bedoeling heeft om de biobrandstoftechnologie verder te ontwikkelen,
onder voorwaarde dat biobrandstoffen duurzaam geproduceerd zijn en een vermindering
van de uitstoot van broeikasgassen tot gevolg hebben. Begin 2007 stelde de Europese
Commissie voor om de bestaande richtlijn met betrekking tot de kwaliteit van benzine
en dieselbrandstof te wijzigen, met het doel de uitstoot van broeikasgassen binnen de
EU verder te reduceren.84 In de Raadsconclusies van 8 en 9 maart 2007 werd het
actieplan ‘Een energiebeleid voor Europa’ gepresenteerd, dat gebaseerd was op de
gelijknamige mededeling van de Commissie uit januari 2007. Hierin is met betrekking
tot ‘Energie-efficiënte en hernieuwbare energie’ (Artikel IV) opgenomen:
.   uiterlijk in 2020 zal twintig procent van het totale EU-energieverbruik moeten
    bestaan uit hernieuwbare energie;
.   uiterlijk in 2020 zal tien procent van het totale EU-verbruik aan benzine en diesel in
    de vervoerssector moeten bestaan uit biobrandstoffen.
V.3       Biobrandstof: duurzame energie?
Op het moment van schrijven van dit advies is er toenemende discussie over de vraag
of deze streefcijfers ten aanzien van biobrandstoffen wel haalbaar zijn en ook of de
neveneffecten bij de productie en verwerking wel zo positief zijn. Zeer recent nog heeft
de regering in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat de 5,75 procent norm
voor biobrandstoffen zal worden teruggebracht tot 3,75 procent voor 2009 en 4 procent
voor 2010. De Nederlandse steun voor de Europese 10 procent doelstelling blijft voor-
lopig gehandhaafd, maar zal – aldus de regering – op de lange termijn afhankelijk zijn
van het evaluatiemoment dat in 2012 zal moeten plaatsvinden.85 Echter, ook op
Europees niveau worden er inmiddels plannen gemaakt om de aanvankelijke doel-
stellingen met betrekking tot biobrandstoffen naar beneden bij te stellen naar
6,5 procent.
De AIV is hiervan voorstander, omdat hij twijfels heeft of de genoemde 10 procent doel-
stelling bereikt kan worden zonder in conflict te komen met duurzaamheideisen ten aan-
zien van de productie van biobrandstoffen. Deze twijfel betreft vooral de productie in
kwetsbare ontwikkelingslanden. Daarbij gelden de volgende overwegingen:
82 Richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Europese Raad Ter bevordering van het gebruik
    van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer, 8 mei 2003.
83 Een EU-strategie voor biobrandstoffen, COM(2006) 34 definitief, 8 februari 2006.
84 Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met
    betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot de invoering een mechanisme
    om de uitstoot van broeikasgassen door het gebruik van brandstoffen voor het wegvervoer te monitoren en
    te verminderen, COM(2007) 18 definitief, 31 januari 2008.
85 Kamerbrief Biobrandstoffendoelstellingen, 13 oktober 2008.
                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Biobrandstoffen zouden in vergelijking met fossiele brandstoffen lagere broeikasgas-
emissies hebben. In de praktijk blijkt dit op basis van ketenanalyse echter niet altijd of
slechts in beperkte mate het geval te zijn. Daarbij speelt een rol dat naar verwachting
de productie op grote schaal van tweede generatie biobrandstoffen om technologische
en commerciële redenen nog wel even op zich laat wachten. Voorlopig zal de productie
van biobrandstoffen gedomineerd blijven door die van de eerste generatie.
Door het gebruik van machines, kunstmest, pesticiden en dergelijke is er volgens ver-
schillende studies gemiddeld tussen de 0,2 en 1,3 liter aardolie nodig om één liter bio-
diesel te kunnen produceren.86 De emissie die wordt veroorzaakt door de productie en
distributie van biomassa en -brandstof, kan de emissiewinst die de biobrandstof ople-
vert ten opzichte van fossiele brandstof tenietdoen, met name bij de productie van bio-
diesel en van ethanol uit maïs.
Ook op het gebied van energievoorziening zijn de mogelijkheden van biobrandstoffen
begrensd zolang in het aanbod van tweede generatie biobrandstoffen geen grote door-
braken worden bereikt. In een recent briefadvies van de Algemene Energieraad inzake
biobrandstoffen wordt gesteld dat niet te verwachten valt dat biomassa in de toekomst
meer dan 10 tot 30 procent van de wereldenergievoorziening zal gaan uitmaken, simpel-
weg vanwege een gebrek aan beschikbaarheid van duurzame biomassa.87 Het areaal
landbouwgrond dat hiervoor is vereist is enorm en binnen Europa maar beperkt voor-
handen. De ‘OECD Environmental Outlook to 2030’ voorspelt dat, wanneer het beleid
inzake biobrandstoffen niet verandert, de landbouwgebieden die nodig zijn voor de ver-
bouwing van grondstoffen voor eerste generatie biobrandstoffen tot 2030 wereldwijd
met 242 procent moeten toenemen, met waarschijnlijk dramatische gevolgen voor de
biodiversiteit.88 De productie van grondstoffen voor biobrandstoffen lijkt vooral belofte-
vol in Zuid-Amerika, waar nog grote hoeveelheden grond beschikbaar zijn, en in zeer
beperkte mate in Afrika. Ook hier moet echter worden opgelet voor het gevaar van
grootschalige boskap en milieuschade en nadelige sociale consequenties als gevolg
van biomassaproductie voor energiedoeleinden. Een groot optimisme in dezen is dus
niet gerechtvaardigd. De AIV vestigt er wel de aandacht op dat er in ieder geval ook nu
al – een weliswaar beperkte – mate van substitutie van fossiele brandstof mogelijk is.
Verder is er – naast de enorme ontwikkelingsmogelijkheden die de productie van bio-
massa voor de ontwikkelingslanden biedt – het risico van de invloed van biobrandstof-
productie op de wereldvoedselvoorziening en -prijzen. Dit risico wordt het meest direct
gelopen door kwetsbare groepen in ontwikkelingslanden en met name vrouwen die sterk
afhankelijk zijn van kleinschalige landbouw. In de laatste drie jaar zijn de voedselprijzen
volgens onderzoek van de Wereldbank met ongeveer 83 procent gestegen.89 Inmiddels
is, mede daardoor, een controverse ontstaan tussen deskundigen over de vraag in hoe-
verre deze stijging verband houdt met de snel toenemende vraag naar energie op basis
van biomassa. In dit verband wees de Food and Agriculture Organization (FAO) recente-
86 M. Katan, R. Rabbinge en W. van Swaaij, ‘Toekomst voor biodiesel is illusie’, Het Financieele Dagblad,
    7 juli 2006.
87 Algemene Energieraad, Briefadvies biobrandstoffen, 10 april 2008, p. 1.
88 OECD, Environmental Outlook to 2030, 2008, p. 11.
89 Wereldbank, Rising Food Prices: Policy Options and World Bank Response, 2008.
                                                    38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>lijk op de verwevenheid van agrarische markten met andersoortige markten zoals die
van biobrandstoffen.90 Deze verwevenheid levert problemen op doordat bijvoorbeeld
landen als de Verenigde Staten en Brazilië (de twee grootste producenten van biobrand-
stof91) in hun beleid vastleggen dat een vaststaand percentage van de voedseloogst
moet worden gebruikt als grondstof voor biobrandstoffen. De voedselmarkt wordt
zodoende kleiner, waardoor weliswaar voedselproducenten in ontwikkelingslanden pro-
fiteren, maar tegelijkertijd ontwikkelingslanden die aangewezen zijn op voedselimporten,
kwetsbaar zijn.
Er bestaan inmiddels grote verschillen in de duiding van de rol van biobrandstoffen bij
de voedselprijsstijgingen. In juli 2008 publiceerde Wereldbankeconoom Donald Mitchell
een rapport waarin dit percentage werd geschat op 75 procent van de totale stijging
tussen januari 2002 en februari 2008.92 OxfamNovib komt in het rapport ‘Another
Inconvenient Truth’ van juni 2008 met dertig procent tot een aanzienlijk lagere schat-
ting.93 OxfamNovib schat dat hiermee het bestaan van ten minste 100 miljoen armen
in gevaar is gebracht.94 De OESO stelt in een recent rapport dat de overheidsmaatrege-
len ter bevordering van biobrandstoffen met name invloed hebben op de prijzen van
tarwe, maïs en plantaardige oliën, die hierdoor tussen de 5 en 19 procent zijn geste-
gen.95 Gewaarschuwd wordt dat: ‘The…proposed EU initiatives could further increase
commodity prices by a similar magnitude.’96
Bovenstaande voorbeelden geven aan dat de invloed van biobrandstofproductie op de
voedselprijzen wel wordt erkend, maar dat de schattingen van de precieze rol sterk uit-
eenlopen. De AIV wil erop wijzen dat het maken van dergelijke schattingen ook zeer las-
tig is, doordat de wereldvoedselprijzen van zeer veel variabelen afhankelijk zijn, maar
dat het onmiskenbaar is dat er effecten van biobrandstofproductie op de wereldvoedsel-
prijzen zijn. Duidelijk is dat de stijgende voedselprijzen meerdere oorzaken hebben,
waaronder de snelle economische groei in onder meer Azië; de groeiende wereldbevol-
king; de stijging van de wereldwijde vleesconsumptie; extreme weersomstandigheden,
het landbouwbeleid in de diverse landen, de lage dollarkoers en wellicht ook speculatie.
V.4       Mogelijke beleidsconsequenties
Het lijkt erop dat de bijdrage die de eerste generatie biobrandstoffen kan leveren aan
de bestrijding van het wereldwijde klimaat- en energieprobleem beperkt is om zowel
90 FAO, Soaring food princes: facts, perspectives, impacts and actions required, April 2008, p. 4.
91 In 2007 waren zij verantwoordelijk voor respectievelijk 48 en 31 procent van de bio-ethanolproductie.
    Zie: OESO, Economic assessment of biofuel support policies, July 2008, p. 8.
92 Donald Mitchell, A note on rising food prices,The World Bank Development Prospects Group, July 2008.
93 OxfamNovib, Briefing Paper No. 114, Another inconvenient truth. How biofuel policies are deepening
    poverty and accelerating climate change, June 2008, p. 3.
94 Idem.
95 OESO, Economic assessment of biofuel support policies, July 2008, p. 9.
96 Idem.
                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>fysieke redenen als redenen in de sfeer van maatschappelijke acceptatie. Hoewel op
Europees niveau inzake biobrandstoffen al recente beslissingen en beleidsplannen zijn
gemaakt, is de AIV van oordeel dat de opzet en uitvoering van het Nederlandse en
Europese beleid ten aanzien van biobrandstoffen bijsturing behoeft. Hierbij zou aller-
eerst een snelle overgang van het gebruik van de eerste naar de tweede generatie bio-
brandstoffen als leidraad moeten dienen.
De verwachte bijdrage van tweede generatie biobrandstoffen aan de internationale kli-
maatverbetering en duurzame energievoorziening is veel groter dan die van de eerste
generatie. Doordat deze worden vervaardigd uit restproducten en landbouwafval hebben
zij geen directe invloed op de voedselmarkt en dus slechts een indirecte invloed op de
voedselprijzen. Bovendien zal de productie ervan geen direct beslag leggen op de
beschikbare landbouwgrond. Hierdoor biedt de productie van biomassa voor tweede
generatie biobrandstoffen ontwikkelingsmogelijkheden voor grote delen van ontwikke-
lingslanden, zonder dat er sprake is van grote risico’s in de zin van aantasting van bio-
diversiteit en milieu, zelfs is denkbaar dat natuurwaarden door dergelijke productie aan-
zienlijk verbeteren. Daarbij is het wel van belang dat er geen verandering in landgebruik
zal plaatsvinden.
Een aantal zaken staat de introductie van tweede generatie biobrandstoffen echter nog
in de weg. De belangrijkste bepalende en/of belemmerende factor zijn momenteel nog
technisch van aard. Om deze binnen aanzienbare tijd te verbeteren is onderzoek en ont-
wikkeling (R&D) van essentieel belang. Evenzeer is het van belang te onderkennen dat
de haalbaarheid, zowel technisch als economisch, van projecten gericht op de inzet van
tweede generatie biobrandstoffen vaak sterk afhankelijk is van locale omstandigheden.
Dit is dus ook van belang bij het opzetten van demonstratie-installaties en andersoortige
experimenten gericht op de introductie van tweede generatie biobrandstoftechnologie.97
De AIV acht het wenselijk dat de ondersteuning van hierop gerichte pilots en demo’s een
onderdeel gaat uitmaken van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid.
Een andere belemmerende factor betreft de kostenstructuur van tweede generatie bio-
brandstoffen. Deze verschilt van die van de eerste generatie. In tegenstelling tot de eer-
ste generatie biobrandstoffenproductie, waarbij grondstofkosten meer dan 70 procent
van de kostprijs uitmaken, bestaat bij de productie van tweede generatie biobrandstof-
fen de kostprijs voor ongeveer 60 procent uit investeringskosten in de installatie. Een
installatie voor tweede generatie biobrandstofproductie vergt dan ook relatief grote
investeringen, terwijl de risico’s aan de opbrengstenkant groot zijn, doordat de biobrand-
stoffenmarkt sterk fluctueert. De AIV is van mening dat het voor de ontwikkeling van
tweede generatie biobrandstoffen van belang is dat er flankerende maatregelen worden
genomen rond de vergroting van de investeringszekerheid (door bijvoorbeeld: investe-
ringssubsidies, risicodragende cofinanciering, versnelde afschrijving en dergelijke) van
(grootschalige) installaties.
De AIV wil in dit kader opmerken dat zonder gerichte steunmaatregelen het tevens goed
mogelijk is dat investeringen in de productie van de benodigde technologie voor tweede
generatie biobrandstoffen uitblijven, doordat de beschikbaarheid van biomassa concur-
rentie ondervindt door meer rendabele toepassing van biomassa in andere sectoren
waaronder de groene stroomsector.
97 Bij ECN is recentelijk een pilotopstelling in bedrijf genomen met een capaciteit van 150 kilogram
    biomassa per uur.
                                                        40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Zolang tweede generatie biobrandstoffen nog niet op grote schaal commercieel beschik-
baar zijn ligt het accent nog op eerste generatie biobrandstofproductie. Op dit terrein
heeft de Europese Commissie op 23 januari 2008 in haar ‘Richtlijnvoorstel hernieuw-
bare energie’ enkele duurzaamheidcriteria opgenomen98:
.   allereerst moet biobrandstof minder CO2 uitstoten dan fossiele brandstof. De
    Europese Commissie neemt hierbij 35 procent reductie als streefcijfer;
.   daarnaast mag de productie gebieden met een grote biodiversiteit of een hoge kool-
    stofvoorraad niet aantasten.
Ook in de Raadsconclusies van 14 maart 2008 wordt het belang van het stellen van
dergelijke criteria onderstreept.99
De ministers Cramer en Koenders hebben in mei 2008 in een brief aan de Tweede
Kamer inmiddels aangegeven hoe zij in de periode tot 2011 invulling denken te geven
aan het beleid voor duurzame ontwikkeling.100 Hierbij wordt ingezet op verduurzaming
van de productie van biobrandstoffen en op versterkte internationale samenwerking op
dit terrein, waarbij ook hier wordt gewezen op de noodzaak van het vastleggen van duur-
zaamheideisen op EU-niveau. Tevens wordt in de Kamerbrief benadrukt dat innovatie
voornamelijk gericht moet zijn op de tweede generatie biobrandstoffen en op nieuwe
gewassen. Het kabinet wil met het vergroten van de duurzaamheid van biobrandstof-
productie ‘de mogelijkheden [van biobrandstoffen] benutten met vermijding van de
mogelijke negatieve effecten en ook de ontwikkelingslanden hierbij steunen’.101
De AIV kan zich vinden in deze doelstellingen. Ook de AIV is van mening dat het beleid,
in het bijzonder waar het de ontwikkelingslanden betreft, primair gericht moet zijn op
het ondersteunen van de productie en toepassing van tweede generatie biobrandstof-
fen. Dit zou een speerpunt dienen te zijn in het Nederlandse ontwikkelingssamen-
werkingbeleid, omdat dit grote mogelijkheden biedt in ontwikkelingslanden voor econo-
mische ontwikkeling en voor versterking van de eigen energievoorziening, voornamelijk
op kleinschalige wijze. Verder kunnen ze goed worden afgestemd op een versterking
van de landbouw- en bosbouwsector in ontwikkelingslanden. Daarnaast sluit deze ont-
wikkeling aan bij de sterke kennis- en handelspositie van Nederland op dit terrein.
Hierdoor wordt de rol van biomassaproductie voor eerste generatie biobrandstoffen ook
in ontwikkelingslanden terecht niet verder door het ontwikkelingssamenwerkingbeleid
ondersteund. Ook zal er minder nadruk hoeven te liggen op de duurzaamheideisen ten
aanzien van biomassa zoals deze nu op Europees niveau worden ontwikkeld. Dit is van
belang omdat de AIV een aantal problemen voorziet bij grootschalige toepassing van dit
soort eisen in het economische verkeer met ontwikkelingslanden. Immers, dit soort
eisen maakt monitorings- validatie- en certificeringsystemen noodzakelijk, waarvan de
praktijk tot dusverre heeft uitgewezen dat deze, om voldoende maatschappelijk draag-
vlak te krijgen, slechts moeizaam en langzaam van de grond kunnen komen. Bovendien
is het riskant van de zijde van de importeurslanden duurzaamheideisen te stellen aan
98   Commission Staff Working Paper, Package of Implementation measures for the EU’s objective on climate
     change and renewable energy for 2020, SEC(2008) 85/3, 23 January 2008, p. 13.
99   Raad van de Europese Unie, Conclusies van het voorzitterschap, 7652/08, 14 maart 2008.
100 Kamerbrief Kabinetsbrede aanpak duurzame ontwikkeling, DGM/BREM2008050615, 16 mei 2008.
101 Idem.
                                                  41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>segmenten van internationaal verhandelde goederen/dienstenstromen, omdat dit
gemakkelijk reacties uitlokt en vragen oproept waarom andere goederen en diensten
niet aan certificering behoeven te worden onderworpen: ‘Waarom biomassa wel en
voedsel niet?’ Daarnaast draagt de introductie van certificering van ingevoerde biomassa
het risico in zich van een respons vanuit exporterende landen niet alleen dat men mon-
diale toepassing eist, maar ook dat men evenzeer certificering verlangt van omgekeerde
handelsstromen naar eigen criteria of certificeringseisen introduceert op andere door
die landen geïmporteerde goederen en diensten. Aldus ontstaan risico’s voor escale-
rend protectionisme.
In dit verband wil de AIV ook verwijzen naar de toets inzake duurzaamheid die gesteld
zou kunnen worden aan CDM-projecten, voor zover deze credits genereren die door de
nationale overheid worden verworven. Tot dusverre is het uitgangspunt onder het Kyoto
Protocol en de Marrakech-akkoorden dat de gastlanden zelf onderzoeken of CDM-projec-
ten op hun grondgebied voldoen aan de nationale doelstellingen inzake duurzame
ontwikkeling. Dit laat evenwel onverlet de mogelijkheid dat CDM-credits importerende
landen hun eigen verantwoordelijkheid nemen in het toepassen van duurzaamheidtoet-
sen op CDM-projecten waarvan de credits door hen worden aangekocht. Op dit laatst-
genoemde terrein ontbreekt een actief en consistent toetsbeleid in de zin dat principes,
criteria en indicatoren voor een dergelijke toetsing niet expliciet zijn, niet transparant,
niet systematisch getoetst en niet gemonitord.102
Gezien het eventuele verwijt van het eenzijdig en selectief opleggen van duurzaamheid-
toetsen en het feit dat de CDM Executive Board geen voorziening heeft voor het monito-
ren van de bijdrage van CDM-projecten aan duurzame ontwikkeling, bepleit de AIV om,
parallel aan de ontwikkeling van een duurzaamheidtoets op biomassa, een dergelijke
toets op te verwerven credits op CDM-projecten te introduceren, bij voorkeur op EU-
niveau.
Indien de bovenstaande aanbevelingen in het Nederlandse en het EU-beleid worden
geïncorporeerd, kunnen de productie en het gebruik van biobrandstoffen niet alleen een
belangrijke positieve rol spelen op het gebied van de internationale klimaatsverbetering
en energievoorziening, maar ook in het bijzonder op het gebied van de economische ont-
wikkeling en stabiliteit, voedselvoorziening en energieveiligheid in ontwikkelingslanden.
V.5      Biobrandstofbeleid in ontwikkelingslanden
Het debat over de toepassing van biobrandstof kan tevens worden bezien in relatie tot
armoedebestrijding. In ontwikkelingslanden kunnen de productie en het gebruik van bio-
brandstoffen namelijk belangrijke mogelijkheden bieden. De biobrandstofmarkt is een
grote en relatief nieuwe afzetmarkt voor de landbouwsector en boeren kunnen momen-
teel profiteren van de grote vraag die er bestaat naar voedingsmiddelen en van de hoge
marktprijzen die hiervoor worden betaald. Zodoende kan de biobrandstofmarkt in ont-
wikkelingslanden als economische motor fungeren. Dit wordt echter voor een aanzienlijk
deel tegengehouden door bijvoorbeeld het EU-beleid van het heffen van invoerbelasting
op bio-ethanol.
De AIV wil er ook op wijzen dat grootschalige biobrandstofproductie ten behoeve van de
export een gevaar kan opleveren voor de lokale voedselzekerheid. Zodra gewassen
102 Zie: IOB-Evaluations No. 310, Clean and Sustainable, Den Haag, April 2008.
                                                   42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>worden ingezet voor biobrandstof kan er namelijk concurrentie ontstaan met de voedsel-
teelt om, onder andere grondgebruik, water en nutriënten. Het opzetten van grootschalige
biobrandstofraffinaderijen heeft tot op heden slechts in Brazilië tot successen geleid.
De AIV wil dan ook benadrukken dat de Braziliaanse situatie uitzonderlijk is. Zo
beschikt het land over zeer grote hoeveelheden bruikbare landbouwgrond, is er geen
sprake van strijdigheid met de voedselvoorziening en heeft het land al zo’n dertig jaar
ervaring met de productie van brandstof uit suikerriet, dat relatief gezien de meest
duurzame vorm van eerste generatie biobrandstof is. Omdat deze omstandigheden
sterk afwijken van die in de meeste ontwikkelingslanden, zou grootschalige productie
van biobrandstoffen elders niet moeten worden nagestreefd. In veel ontwikkelings-
landen bestaan echter al biobrandstofprogramma’s, die veelal op aandringen van geïn-
dustrialiseerde landen tot stand zijn gekomen. Dergelijke programma’s zouden niet
zonder meer moeten worden afgebroken. De nadruk zou in zo’n geval moeten liggen op
het verbeteren van deze programma’s.
De AIV is desondanks van oordeel dat biomassa onder specifieke omstandigheden wel
degelijk mogelijkheden kan bieden voor een aantal ontwikkelingslanden, vooral wanneer
deze op kleine schaal wordt geproduceerd en met het doel om op lokaal niveau energie
op te wekken. Landen die afhankelijk zijn van energie-importen zouden op deze manier
deels in hun eigen energie kunnen voorzien en hun betalingsbalans kunnen verlichten.
De AIV is van mening dat de ontwikkeling en toepassing van biomassaproductie voor
tweede generatie biobrandstoffen een cruciale stap is in het verder ontwikkelen van de
biomassaoptie in de mobiliteitssector. Voor de ontwikkelingslanden biedt dit voorlopig
goede mogelijkheden met vooralsnog beperkte risico’s in termen van duurzaamheid.
Vandaar dat ook in het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid met kracht zou
moeten worden ingezet op het veel verder en sneller tot ontwikkeling en toepassing
brengen van deze optie. Dit zou zoveel mogelijk geïntegreerd moeten worden met een
versterking, binnen het kader van de internationale samenwerking, van het beleid dat
gericht is op bevordering en verbetering van landbouw en bosbouwactiviteiten in ontwik-
kelingslanden en de overdracht van daarop gerichte technologie en kennis. Aldus zou
door de combinatie van landbouw enerzijds en bosbouw anderzijds de deels daarmee
samenhangende productie van tweede generatie biobrandstoffen ook kunnen worden
bijgedragen aan het voorzien in de lokale energiebehoefte.
Wanneer de rol van de ontwikkelingslanden bij de productie en eventueel export van
biomassa voor tweede generatie biobrandstoffen sterk stijgt, kan Nederland hier econo-
misch profijt van trekken door zijn goede positie wat betreft kennis op het gebied van
biomassa en daaraan gerelateerde technologie, alsmede door de sterke positie van de
Nederlandse havens en de Nederlandse verwerkingscapaciteit van biomassa.103
Door de verspreide beschikbaarheid van deze grondstoffen is momenteel de inzameling
van grootschalige hoeveelheden grondstoffen voor tweede generatie biobrandstoffen
logistiek lastig. Nederland zou een voortrekkersrol kunnen vervullen bij het opzetten van
logistieke ketens en productiesystemen voor de grondstoffen waaruit de tweede genera-
tie biobrandstoffen vervaardigd worden; ook zou Nederland mede via ontwikkelings-
samenwerkingbeleid voorop kunnen lopen bij het ondersteunen van de ontwikkeling van
lokale verwerking in ontwikkelingslanden.
103 Algemene Energieraad, Briefadvies biobrandstoffen, 10 april 2008, p. 5.
                                                   43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>VI       Samenvatting en aanbevelingen
Internationaal klimaatbeleid, adaptatie en verantwoordelijkheid
Tot nu toe heeft in het internationale klimaatbeleid en -onderzoek sterk de nadruk gele-
gen op het verminderen van de uitstoot en het vastleggen van broeikasgassen, gewoon-
lijk aangeduid met de term mitigatie. Zelfs bij een onmiddellijk begin van een program-
ma van mitigatie zullen de eerstvolgende decennia de temperaturen in de verschillende
delen van de wereld echter alleen nog maar stijgen waardoor de andere verschijnselen
en effecten van klimaatverandering zich in onverminderde mate zullen voordoen. Dit
houdt in dat naast het terugdringen van (de verschijnselen van) klimaatverandering ook
aanpassing aan de gevolgen daarvan noodzakelijk is, adaptatie. Dat wil zeggen dat een
geheel aan (infrastructurele) voorzieningen en ook andere maatregelen tot stand zal
moeten komen, niet met het doel om de verschijnselen van klimaatverandering te voor-
komen, maar om aan de nadelige, feitelijke en toekomstige effecten van deze verschijn-
selen het hoofd te bieden.
Geconstateerd wordt dat naast mitigatie, adaptatie een zeer urgent probleem is. De
gevolgen van klimaatverandering openbaren zich op dit moment vooral in kwetsbare
ontwikkelingslanden, die het minst hebben bijgedragen aan het probleem. Zij vormen
tegelijk een bedreiging voor het bereiken van de Millennium Development Goals.
Op de geïndustrialiseerde landen rust naar geldend internationaal recht een verantwoor-
delijkheid om kwetsbare ontwikkelingslanden te ondersteunen om de gevolgen van
klimaatverandering te bestrijden en zodoende de kans op daarmee samenhangende
schade te verminderen. Deze verantwoordelijkheid vloeit met name voort uit de algeme-
ne plicht van staten tot samenwerking, het beginsel van gemeenschappelijke maar
verschillende verantwoordelijkheden (‘common but differentiated responsibilities’) en
het beginsel van intergenerationele billijkheid, dat wil zeggen de plicht rekening te
houden met de belangen van toekomstige generaties. Deze beginselen zijn stevig veran-
kerd in het internationale recht.
Het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ is door de landen van de OESO aanvaard en vormt
een onderdeel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Artikel
191, lid 2). Naar het oordeel van de AIV kan aan het beginsel, zoals eveneens is neer-
gelegd in Principle 16 van de Verklaring van Rio de Janeiro uit 1992, inzake milieu en
ontwikkeling, op dit moment geen juridisch bindende werking toegekend worden. Een
algemene basis voor de verantwoordelijkheid van geïndustrialiseerde landen om bij te
dragen aan terugdringing van klimaatverandering kan worden gevonden in beginsel 7
van de Verklaring van Rio de Janeiro, en in artikelen 3 en 4 van de United Nations
Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), waar gerefereerd wordt aan de
plicht tot bescherming van klimaatsystemen ten behoeve van huidige en toekomstige
generaties, ‘op basis van billijkheid en in overeenstemming met de gezamenlijke doch
verschillende verantwoordelijkheden’ en mogelijkheden van verschillende landen.
In het licht van deze bepalingen van het klimaatverdrag, is de AIV van mening dat
Nederland zich terecht (mede)verantwoordelijk voelt voor de toekomst van de aarde en
van haar bewoners. Op grond van deze verantwoordelijkheid, rekening houdend met het
feit dat het klimaatprobleem voornamelijk door de rijke landen is veroorzaakt, en gege-
ven het verschil in welvaart tussen Nederland en de ontwikkelingslanden, is hij van
mening dat Nederland dan ook bereid moet zijn tot het aangaan van verplichtingen met
                                             44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>betrekking tot financiering van de kosten van adaptatie in ontwikkelingslanden. Over de
omvang van de uit deze verplichtingen voortvloeiende bijdragen zal in toekomstige
onderhandelingen nader besloten moeten worden. Dit neemt niet weg dat opkomende
economische grootmachten zoals India en China ook verantwoordelijk zijn voor een aan-
zienlijk en snel toenemend deel van de mondiale uitstoot van broeikasgassen en dus
ook zullen moeten worden betrokken in het klimaatakkoord.
Met betrekking tot de financiering van adaptatie in ontwikkelingslanden is reden tot
bezorgdheid vanwege het feit dat ‘…the multilateral aid response to adaptation financing
in developing countries…has been characterized by chronic underfinancing, fragmentation
and weak leadership’. De recente financieel-economische ontwikkelingen in de geïndus-
trialiseerde landen lijken deze situatie niet te verbeteren. In dit verband adviseert de
AIV de minister voor Ontwikkelingssamenwerking om zich in te spannen voor zowel
meer helderheid over de verdeling van de financiële bijdragen op dit terrein, als het
leveren van een adequate bijdrage aan de desbetreffende financiering.
Schattingen en bronnen van financiering van adaptatiekosten
Bij kosten voor adaptatie kan sprake zijn van additionele kosten voor bestaande proces-
sen en infrastructuur en van op zichzelf staande adaptatiekosten voor nieuwe activitei-
ten. Dit afgezet tegen kosten indien geen klimaatverandering zou zijn opgetreden
(‘baseline costs’). De Wereldbank werkt momenteel aan een systematische raming van
adaptatiekosten. In afwachting hiervan komen adaptatiekosten op grond van verschil-
lende schattingen uit op 30 tot 70 miljard dollar per jaar.
Het ligt in de rede dat geïndustrialiseerde landen een serieuze financiële dan wel in-
kind bijdrage leveren aan het internationale adaptatiefonds dat gekoppeld is aan het
Actieplan van Bali. Gezien de ruwe schattingen van de te hierboven genoemde kosten
aan klimaatverandering in de ontwikkelingslanden zou de jaarlijkse bijdrage per gecom-
mitteerde partij in de loop van de tijd kunnen oplopen naar een evenredig (op basis van
nog te bepalen criteria) deel van dit bedrag. Ook Nederland zou, indien daarvoor inter-
nationaal voldoende steun en commitment bestaat, zich naar het oordeel van de AIV op
den duur tot een zodanige inspanning dienen te committeren.
Op basis van het aandeel van Nederland in de mondiale CO2-uitstoot, komt Oxfam uit
op een schatting van een aandeel in bovengenoemde kosten van iets minder dan 2 pro-
cent. Dit percentage is een grove schatting, dat enigszins aan de hoge kant lijkt te zijn.
Het gaat hier om een inschatting van ordes van grootte, bij gebrek aan internationaal
aanvaarde verdelingssleutels. Bij een gelijke verdeling over publieke en private bronnen
zou het gaan om circa 200 tot 450 miljoen euro per jaar als de publieke bijdrage. Deze
bestaan uit HGIS-uitgaven (ODA en non-ODA). Gezamenlijk met de private sector zou dit
neerkomen op ongeveer 400 tot 900 miljoen euro per jaar. Bij private bronnen gaat het
voornamelijk om extra doelbijdragen vanuit de particuliere sector (ondernemingen en
consumenten) gegenereerd door additionele belastingen en andere regelgeving. Het
gaat dus niet om particuliere (binnen- of buitenlandse) investeringen in adaptatieprojec-
ten. Laatstgenoemde component zal naar mening van de AIV nauwelijks enige omvang
van betekenis hebben.
Mitigatie
Met betrekking tot mitigatie wil de AIV opmerken dat ongeacht de schaal van de mitiga-
tiemaatregelen en -kosten die in de komende decennia zullen worden genomen ofwel
worden gemaakt, adaptatiemaatregelen (en dus ook -kosten) noodzakelijk zullen blijven
door de thans reeds opgetreden klimaatgevolgen. Op de langere termijn kan mitigatie
                                              45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>echter verdergaande veranderingen in het klimaatsysteem een halt toe roepen, waar-
door de noodzaak van het nemen van adaptatiemaatregelen zal afnemen. Hoewel miti-
gatie en adaptatie in het huidige klimaatdebat vaak worden gezien als twee onafhanke-
lijke strategieën in de strijd tegen klimaatverandering, zijn zij dus in feite complemen-
tair. In een aantal gevallen, zoals bij optimalisatie van landgebruik, is er zelfs sprake
van synergie en dus positieve wederzijdse beïnvloeding. Vanzelfsprekend is deze verwe-
venheid ook terug te zien in de kosten: wanneer geen substantiële mitigatie wordt
bereikt, zullen de kosten voor adaptatie stijgen. Klimaatbeleid zal dan ook altijd moeten
bestaan uit zowel mitigatie als adaptatie.
Ook ontwikkelingslanden, waar belangrijke mitigatiemogelijkheden bestaan, moeten wor-
den betrokken in het mitigatiebeleid. Deze doen zich onder meer voor in de landbouw-
sector. Een overstap van klassieke landbouwtechnieken naar geavanceerde landbouw
zou de (methaan)emissie in grote mate kunnen verminderen. Een dergelijke overstap
zou tot stand kunnen worden gebracht door het verbeteren van landbeheer, het aanleg-
gen van supplementaire irrigatie en herinrichting van het bestaande landbouwareaal.
Ook kunnen beter beheer van vee en mest de emissie verminderen. Uiteraard zou de
Nederlandse regering, ook los van wat er in Kopenhagen volgend jaar wordt besloten,
deze overwegingen in haar ontwikkelingssamenwerkingbeleid kunnen laten doorwerken,
door meer te investeren in geavanceerde landbouwmethodes in de ontwikkelingslanden.
Vormgeving van beleid door de geïndustrialiseerde landen: verschillende
componenten
Het is tijd dat de geïndustrialiseerde landen duidelijker vorm gaan geven aan hun toe-
komstige adaptatiebeleid ten opzichte van de ontwikkelingslanden. De AIV is van oor-
deel dat Nederland een voortrekkersrol zou moeten vervullen in het creëren van meer
duidelijkheid op dit terrein. Een aantal overwegingen speelt daarbij een rol: Nederland
speelt traditioneel een belangrijke rol in de ontwikkeling van het internationale klimaat-
beleid en meer in het algemeen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Het zal
daarnaast door zijn lage ligging ook zelf aanzienlijke adaptatieprogramma’s moeten ont-
wikkelen. Bovendien beschikt Nederland over comparatieve voordelen in de typische
adaptatiesectoren als aanpassing van landbouw en infrastructuur, en waterhuishouding
en kustversterking.
Met betrekking tot het vormgeven aan adaptatiebeleid meent de AIV dat het zinvol is
een onderscheid te maken tussen drie verschillende componenten voor adaptatiesteun,
afhankelijk van de aard van de klimaatveranderingsprocessen.
Component 1:
Klimaatverandering zal zich deels manifesteren in de vorm van een toename van extre-
me weersomstandigheden, overstromingen, orkanen, plotselinge extreme droogte,
warmte, regenval, enzovoort. Onder omstandigheden kunnen zich hieruit rampen ontwik-
kelen die onmiddellijke humanitaire acties vragen. Programma’s die hierop gericht zijn
maken gewoonlijk regulier deel uit van de ontwikkelingsprogramma’s van bilaterale en
multilaterale donoren en lijken derhalve vooralsnog geen nieuwe beleidskaders te verei-
sen. Wel is misschien een herschikking binnen bestaande budgetten nodig in de richting
van meer middelen voor humanitaire hulp, maar dit zal al gelang de aard van de ver-
schijnselen van geval tot geval moeten worden bekeken. De AIV tekent hierbij aan dat in
geval dergelijke herschikkingen groot in aantal en/of omvang worden, deze binnen de
traditionele ontwikkelingssamenwerkinguitgaven of anderszins gefinancierd zullen moe-
ten worden. Voor het overige is vooral een betere internationale afstemming van belang.
                                              46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Component 2:
Een tweede component betreft de geleidelijke veranderingen in de gemiddelde waarden
van de belangrijkste klimaatvariabelen (bijvoorbeeld temperatuur, regenval en windsterk-
te). Deze leiden ertoe dat gebieden geleidelijk verder verdrogen, warmer worden enzo-
voort. De AIV neemt aan dat, behoudens uitzonderingen, de gevolgen van langzame
klimaatverschuivingen geaccommodeerd kunnen worden in ontwikkelingssamenwerking-
beleid dat deels al is gericht op in velerlei andere opzichten eveneens sterk (en soms
zeer snel) veranderende samenlevingen.
Component 3:
In de derde component zijn nieuwe adaptatie-initiatieven het meest duidelijk zichtbaar.
Dit betreft allereerst het klimaatbestendig maken van de huidige en toekomstige ontwik-
kelingssamenwerkingactiviteiten en het geheel van maatregelen gericht op de opbouw
van adaptatiecapaciteit.
De AIV is van oordeel dat nieuwe initiatieven op het gebied van huidige en toekomstige
opbouw van adaptatiecapaciteit (component drie), bij voorkeur tot stand komend in het
kader van het Bali-Akkoord, moeten worden gezien als een nieuw, aanvullend onderdeel
van het ontwikkelingssamenwerking- en het bredere buitenlandse beleid, waaronder het
internationale veiligheids- en wederopbouwbeleid. Voor Nederland kunnen deze interna-
tionale verplichtingen belangrijke consequenties hebben. De totale HGIS-uitgaven zullen
hierdoor mogelijk verder stijgen. Dit is afhankelijk van nadere politieke besluitvorming.
Over de wenselijkheid van een dergelijke verhoging zal in internationaal verband duide-
lijkheid moeten worden geschapen. Ook zal nationaal hiervoor draagvlak aanwezig die-
nen te zijn. De AIV wil aantekenen dat rekening moet worden gehouden met de moge-
lijkheid dat wanneer adaptatiebeleid onvoldoende snel wordt opgezet en uitgevoerd,
veel middelen die zijn bestemd voor adaptatiesteun geabsorbeerd zullen worden door
noodhulp, waardoor ook andere onderdelen van de ODA in het geding kunnen komen.
De kanaalkeuze ten aanzien van eventuele adaptatiesteun
Nederland moet naar het oordeel van de AIV bij zijn publieke en private adaptatie-
inspanningen in de sfeer van de adaptatie capaciteitsopbouw en het klimaatbestendig
maken van bestaande ontwikkelingsinspanningen dit niet alleen doen, maar deze laten
lopen via nog in ontwikkeling zijnde EU- en ‘(post-)Bali’-kanalen, afhankelijk van de inter-
nationale voortgang in deze.
Prioriteitstelling
De AIV is van mening dat voor zover Nederland invloed kan uitoefenen op de prioriteit-
stelling van eventuele adaptatiesteun toetsing aan de onderstaande criteria noodzake-
lijk is. Daarbij geldt het eerste criterium als leidend.
a) de behoeften als aangegeven door de relevante ontwikkelingslanden zelf, onder
    meer in de vorm van (onafhankelijk getoetste) NAPAs;
b) de relevantie van deze behoeften bijvoorbeeld ten aanzien van de armere bevolkings-
    groepen, het aantal betrokken burgers, en de te beschermen economische waarden;
c) het streven naar armoedevermindering (MDG1);
d) de absorptiecapaciteit van de relevante ontwikkelingslanden of -regio’s;
e) de in het internationale samenwerking- en ontwikkelingssamenwerkingbeleid gelden-
    de prioriteiten, bijvoorbeeld inzake sectoren en landen/regio’s, maar ook op het
    gebied van mensenrechten;
f) de relatieve expertise van en/of binnen de Nederlandse samenleving.
                                               47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>De adaptatiesteun via het bilaterale kanaal zou zich, naar de mening van de AIV, in
beginsel tot de door Nederland gekozen (36 plus 4 in postconflictsituaties) ontwikke-
lingslanden moeten beperken.
Mondiale en nationale adaptatieprogramma’s
National Adaptation Programmes of Action (NAPAs) identificeren de meest urgente
behoeften van ontwikkelingslanden in relatie tot de huidige bedreigingen door klimaat-
verandering. De NAPAs omvatten ook reacties op huidige klimaatvariabiliteit en zijn
gebaseerd op bestaande kennis.
De AIV is van oordeel dat het urgent is in te spelen op de toekomstige behoeften van
ontwikkelingslanden op het gebied van adaptatie in de vorm van NAPAs. Nederland zou
zich actief moeten inzetten voor het ontwikkelen van NAPAs of vergelijkbare beleidsplan-
nen in kwetsbare ontwikkelingslanden die vallen binnen de categorie van de 40 landen
waarop het ontwikkelingssamenwerkingbeleid zich concentreert. De AIV pleit er dan ook
voor om op internationaal niveau een denktank op te zetten die een leidende rol kan
spelen bij het opzetten van de benodigde ‘deltaplannen’ (veelomvattende en op de
lange termijn gerichte masterplannen). Naast nationale NAPAs zou bovendien een mon-
diaal adaptatie masterplan voor ontwikkelingslanden (een soort van mondiale, door de
VN gecoördineerde, NAPA) ontwikkeld dienen te worden: om een integraal kader te
bieden voor het bepalen van de omvang en urgentie van de adaptatieproblemen in de
diverse ontwikkelingslanden, om prioriteiten van toekomstige acties te kunnen bepalen
en om de ontwikkeling en toepassing van nationale NAPAs te faciliteren op basis van
technische en economische kennis.
Klimaat en mondiale energievoorziening
De AIV identificeert enkele mogelijk tegenstrijdige belangen die spelen op het raakvlak
van klimaat en energie. Deze zijn voornamelijk gerelateerd aan bedreigingen voor de
mondiale energievoorziening. De huidige zorgen rond het wereldwijde energieverbruik
concentreren zich dan ook meer op de volgende problemen: energieleveringszekerheid;
toegang tot energie; de toenemende vraag naar energie; de hoge kosten van de beno-
digde investeringen in de energie-infrastructuur; en tot slot milieuschade door het
gebruik van fossiele brandstoffen.
De AIV stelt vast dat het voldoen aan een beperkte basale energiebehoefte van onge-
veer vijftig kWh per persoon per jaar door toepassing van hernieuwbare energie, nauwe-
lijks invloed heeft op het bereiken van de wereldwijde klimaatdoelstellingen. Het is naar
het oordeel van de AIV dan ook niet effectief om (op korte termijn) hernieuwbare energie
op grote schaal toe te passen ten behoeve van de energievoorziening van de 2 miljard
energiearmen, omdat dit weinig bijdraagt aan het bereiken van mondiale klimaatverande-
ringdoelstellingen. Dit neemt niet weg, dat er afhankelijk van lokale condities en al dan
niet door middel van hernieuwbare energie, in dit opzicht belangrijke mogelijkheden zijn.
De energievoorziening aan de allerarmsten vraagt dan ook om een gedifferentieerde
benadering, niet alleen van land tot land maar ook van regio tot regio.
De mogelijk tegenstrijdige belangen tussen gewenste stabilisatie van klimaatverande-
ring en anderzijds het streven naar armoedevermindering gepaard gaande met hogere
emissies ten gevolge van groter energieverbruik, ziet de AIV als een vals dilemma.
Allereerst kan men verwachten dat het meerdere energieverbruik relatief slechts gering
van omvang zal zijn. Maar zelfs indien dit omvangrijker en slechts in beperkte mate uit
hernieuwbare energie zou zijn, kan de AIV zich niet voorstellen dat dit tot lagere doel-
stellingen inzake armoedevermindering in het kader van het Millennium Development
                                            48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>Project zou leiden. De AIV ondersteunt de recente Beleidsnotitie ‘Milieu en hernieuw-
bare energie in Ontwikkelingssamenwerking’ met betrekking tot het bevorderen van de
introductie van hernieuwbare energie in de allerarmste landen in Afrika. Wel moet
ervoor worden gewaakt dat de inzet op hernieuwbare energie de doelstelling van energie-
voorziening aan de allerarmsten ondergraaft.
Biobrandstof: energie voor de toekomst?
De AIV moedigt het aan dat de Nederlandse en vermoedelijk ook Europese doelstellin-
gen ten aanzien van het gebruik van biobrandstoffen naar beneden worden bijgesteld.
Het is namelijk onzeker of de huidige doelstelling bereikt kan worden zonder in conflict
te komen met duurzaamheideisen ten aanzien van de productie van biobrandstoffen.
Deze zorg betreft vooral de productie van eerste generatie biobrandstoffen in kwetsbare
ontwikkelingslanden. Daarbij geldt de overweging dat eerste generatie biobrandstofpro-
ductie diverse negatieve gevolgen met zich mee kan brengen. Zo kan de emissie die
wordt veroorzaakt door de teelt en distributie van biomassa en -brandstof, de emissie-
winst die de biobrandstof oplevert ten opzichte van fossiele brandstof tenietdoen (met
name bij de productie van biodiesel en van ethanol uit maïs); kan er schade optreden
aan biodiversiteit en kan er negatieve invloed zijn op de wereldvoedselprijzen en voed-
selvoorziening. De bijdrage die de eerste generatie biobrandstoffen kan leveren aan de
bestrijding van het wereldwijde klimaat- en energieprobleem is dan ook begrensd om
zowel fysieke redenen als redenen in de sfeer van maatschappelijke acceptatie.
Hoewel op EU-niveau al recente beslissingen en beleidsplannen inzake biobrandstoffen
zijn gemaakt, is de AIV van oordeel dat de uitgangspunten van het Nederlandse en het
EU-beleid ten aanzien van biobrandstoffen bijsturing behoeven. Hierbij zou allereerst
een snelle overgang van het gebruik van de eerste naar de tweede generatie biobrand-
stoffen als leidraad moeten dienen.
Onderkend moet worden dat de technische en economische haalbaarheid van projecten
gericht op de inzet van tweede generatie biobrandstoffen, afhankelijk is van lokale
omstandigheden. Dit is dus ook van belang bij het opzetten van demonstratie-installaties
en andersoortige experimenten gericht op het introduceren van tweede generatie bio-
brandstof technologie. De AIV acht het wenselijk dat het ondersteunen van hierop
gerichte pilots en demo’s een onderdeel gaat uitmaken van het Nederlandse ontwikke-
lingssamenwerkingbeleid.
De AIV is van mening dat het voor de ontwikkeling van tweede generatie biobrandstoffen
van belang is dat er flankerende maatregelen worden genomen rond het vergroten van
de investeringszekerheid (zoals bijvoorbeeld: investeringssubsidie, risicodragende cofi-
nanciering, versnelde afschrijving en dergelijke) van (grootschalige) installaties.
Nederland zou voorop kunnen lopen met het opzetten van logistieke ketens en productie-
systemen voor de grondstoffen waaruit de twee generatie biobrandstoffen vervaardigd
worden; ook zou Nederland mede via ontwikkelingssamenwerkingbeleid voorop kunnen
lopen bij het ondersteunen van de ontwikkeling van lokale verwerking in onder meer
ontwikkelingslanden.
De AIV is van mening dat het beleid, in het bijzonder waar het de ontwikkelingslanden
betreft, primair gericht moet zijn op het ondersteunen van de productie en toepassing
van tweede generatie biobrandstoffen. Dit zou een speerpunt dienen te zijn in het
Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid, niet alleen omdat deze ontwikkeling
aansluit bij de sterke kennis- en handelspositie van Nederland op dit terrein, maar ook
                                             49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>omdat deze ontwikkeling goed zou kunnen worden afgestemd op een versterking van de
landbouw- en bosbouwsector in ontwikkelingslanden en omdat deze ontwikkeling grote
mogelijkheden biedt in ontwikkelingslanden voor nieuwe economische ontwikkeling en
voor versterking van de eigen energievoorziening, op voornamelijk kleinschalige wijze.
Daarnaast sluit deze ontwikkeling aan bij de sterke kennis- en handelspositie van
Nederland op dit terrein.
Hierdoor wordt de rol van biomassaproductie voor eerste generatie biobrandstoffen ook
in ontwikkelingslanden terecht niet verder door het ontwikkelingssamenwerkingbeleid
ondersteund. Ook zal er minder nadruk hoeven te liggen op de duurzaamheideisen ten
aanzien van biomassa zoals deze nu op Europees niveau worden ontwikkeld. Dit is van
belang omdat de AIV een aantal problemen voorziet bij grootschalige toepassing van dit
soort eisen in het economische verkeer met ontwikkelingslanden. Immers, dergelijke
eisen maken monitorings- validatie- en certificeringsystemen noodzakelijk, waarvan de
praktijk tot dusverre heeft uitgewezen dat deze, om voldoende maatschappelijk draag-
vlak te krijgen slechts moeizaam en langzaam van de grond kunnen komen. Bovendien
is het riskant van de zijde van de importeurslanden duurzaamheideisen te stellen aan
segmenten van internationaal verhandelde goederen/dienstenstromen, omdat dit
gemakkelijk reacties uitlokt en vragen oproept waarom andere goederen en diensten
niet aan certificering behoeven te worden onderworpen: ‘Waarom biomassa wel en
voedsel niet?’ Daarnaast draagt de introductie van certificering van ingevoerde biomas-
sa het risico in zich van een respons vanuit exporterende landen niet alleen dat men
mondiale toepassing eist, maar ook dat men evenzeer certificering verlangt van omge-
keerde handelsstromen naar eigen criteria of certificeringeisen introduceert op andere
door die landen geïmporteerde goederen en diensten. Aldus ontstaan risico’s van esca-
lerend protectionisme.
Mede gezien het eventuele verwijt van het eenzijdig en selectief opleggen van duur-
zaamheidtoetsen voor biobrandstoffen en mede gezien het feit dat de CDM Executive
Board geen voorziening heeft voor het monitoren van de bijdrage van CDM-projecten
aan duurzame ontwikkeling, bepleit de AIV om, parallel aan de ontwikkeling van een
duurzaamheidtoets op biomassa, een dergelijke toets op te verwerven credits op CDM-
projecten te introduceren, bij voorkeur op EU-niveau.
De AIV is desondanks van oordeel dat biomassa onder specifieke omstandigheden wel
degelijk mogelijkheden kunnen bieden voor een aantal ontwikkelingslanden, vooral
indien deze op kleine schaal worden geproduceerd en met het doel om op lokaal niveau
energie op te wekken. Landen die afhankelijk zijn van energie importen zouden op deze
manier deels in hun eigen energie kunnen voorzien en hun betalingsbalans kunnen ver-
lichten. Grootschalige biobrandstofproductie ten behoeve van de export kan echter een
gevaar opleveren voor de lokale voedselzekerheid. Zodra gewassen worden ingezet voor
biobrandstof kan er concurrentie ontstaan met de voedselteelt om onder andere grond-
gebruik, water en nutriënten.
                                            50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Bijlage I</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Buitenlandse
Zaken

VON) Added) 777

Klimaatverandering is een feit. Niets doen omdat er allereerst veel meer onderzoek
nodig is, is geen optie. Dat maakt het uitvoeren van een adaptatiebeleid een onzekere
zaak. Het is daarom nodig om met de beperkte kennis en lopende het onderzoek toch
prioriteiten te stellen en op basis daarvan middelen effectief aan te wenden. Daarbij is
cruciaal de inschatting wat ontwikkelingslanden aan kunnen en hoe dit kan worden
ingebed in bv. PRSP’s en de Parijse agenda. Deze vraag bouwt voort op de analyses

programma’s in Bolivia, Bangladesh en Ethiopië lopen. Het gaat om het hele proces
van benoemen van de effecten, inschatten van de risico’s ervan, bepalen of deze
dragelijk zijn en - zo niet — het uiteenzetten welke aanpassingsmogelijkheden
voorhanden zijn, inclusief de kosteneffectiviteit van deze maatregelen.

Het klimaatvraagstuk speelt zich af tegen de achtergrond dat 2 miljard mensen vragen
om meer en betere vormen van energie, in het bijzonder elektriciteit en (bio-)gas, Het
energiebeleid van de meeste ontwikkelingslanden is er de laatste 2 decennia niet in
geslaagd om de energiesituatie van deze arme mensen te verbeteren. Voor een
percentage van deze 2 miljard mensen is de energiesituatie waarschijnlijk verslechterd:
kost meer tijd en geld, veroorzaakt hoge luchtverontreiniging en er is geen
betrouwbare levering. Het is een reële beperking van hun
ontwikkelingsmogelijkheden.

Energiezekerheid heeft aan geopolitiek belang gewonnen. De concurrentie om
schaarse energiebronnen lijkt nu pas goed op gang gekomen, nu China en India een
grote economische groei doormaken. Daarnaast wordt de olie- en gasmarkt door een
grote volatiliteit gekenmerkt, mede veroorzaakt door extreme weersomstandigheden en
regionale politieke onrust. Snel handelen en een grote koopkrachtige vraag lijken alles
bepalend te worden. Als gevolg waarvan de 2 miljard energiearmen wel eens in de kou
en in het donker kunnen worden gezet.

Een eenvoudige berekening toont aan dat een minimale energiebehoefte van de 2
miljard mensen door middel van fossiele brandstoffen de mondiale emissie met slechts
1% zou doen toenemen. Het lijkt derhalve opportuun om de energievoorziening te
baseren op een “full menu of options” in plaats van uitsluitend te focussen op
hernieuwbare energie. Temeer daar deze laatste vorm van energie nog al eens grotere
investeringen vergt.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Buitenlandse
Zaken

AA) 777

Vragen aan de AIV

De vragen die de regering graag beantwoord zou willen zien, zijn de volgende.

Ik zie

Y

Bert K

Op welke wijze kan Nederland het meest effectief invulling geven aan deze
verantwoordelijkheid? Op welke wijze kan het principe van “de vervuiler
betaalt “toegepast worden in de Nederlandse samenleving?

Klimaatverandering is een relatief nieuw fenomeen voor de politieke agenda
van ontwikkelingslanden. Er heeft tot nu toe relatief weinig onderzoek
plaatsgevonden over waar de effecten van klimaatverandering in de
samenleving zullen worden gevoeld. Dit maakt het niet eenvoudig om een
effectief adaptatiebeleid te voeren. Wat zouden voor Nederland, gegeven de
beperkte kennis en informatie over adaptatie, de prioriteiten moeten zijn om de
middelen effectief aan te wenden?

Wat is de relatie tussen het klimaatvraagstuk en het vraagstuk van de
mondiale energiezekerheid voor de 2 miljard energiearme mensen en hoe kan
Nederland een goede balans vinden tussen mogelijk tegenstrijdige belangen?
In hoeverre moeten Nederland en andere donoren, omwille van de toekomst,
bij de steun aan de 2 miljard energiearmen uitsluitend focussen op
hernieuwbare energie?

met belangstelling uit naar uw spoedige advisering.

/

Loenders

Minis

er voor Ontwikkelingssamenwerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>                                                                      Bijlage II
Lijst van gebruikte afkortingen
AIV     Adviesraad Internationale Vraagstukken
BBI     Bruto Binnenlandse Investeringen
BBP     Bruto Binnenlands Product
BNI     Bruto Nationaal Inkomen
BNP     Bruto Nationaal Product
DBI     Directe Buitenlandse Investeringen
CEI     Commissie Europese Integratie (van de AIV)
CERs    Gecertifiseerde emissierechten
CDM     Clean Development Mechanism
COS     Commissie Ontwikkelingssamenwerking (van de AIV)
CMR     Commissie Mensenrechten (van de AIV)
ECN     Energieonderzoek Centrum Nederland
EU      Europese Unie
FAO     Food and Agriculture Organization
GATT    General Agreement on Tariffs and Trade
GCCA    Global Climate Change Alliance
GEF     Global Environment Facility
HGIS    Homogene Groep Internationale Samenwerking
IEA     International Energy Agency
IMF     Internationaal Monetair Fonds
IOB     Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
IPCC    Intergovernmental Panel on Climate Change
IS      Internationale Samenwerking
KEA     Commissie Klimaat, Energie en Armoedebestrijding (van de AIV)
LDC     Least Developed Countries
MDGs    Millennium Development Goals
NAPA    National Adaptation Programme of Action
NCs     National Communications
NGO’s   Niet Gouvernmentele Organisaties
ODA     Official Development Assistance
OECD    Organisation for Economic Co-operation and Development
OESO    Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OS      Ontwikkelingssamenwerking
REDD    Reduced Emission from Deforestation and forest Degradation
R&D     Research and Development
SIDSs   Small Island Developing States
UN      United Nations
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>UNDP   United Nations Development Programme
UNEP   United Nations Environment Programme
UNFCCC United Nations Framework Convention on Climate Change
VS     Verenigde Staten
VN     Verenigde Naties
WEO    World Energy Outlook
WMO    World Meteorological Organization
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
    september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
    politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
    belang, juli 2008
* Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
*** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
7 Briefadvies ‘VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
8 Briefadvies ‘DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 Briefadvies ‘REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?’, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>