<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Mr. F. Korthals Altes
Vicevoorzitter Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Leden          Mw. S. Borren MA
               Mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You
               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
               Prof.dr. A. de Ruijter
               Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
               Prof.dr. A. van Staden
               Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
               Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB DEN HAAG
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               e-mail aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>               Commissie Vrede en Veiligheid
Voorzitter     Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Vicevoorzitter Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
Leden          Drs. D.J. Barth
               Mw. dr. I. Duyvesteyn
               Dr. Ph.P. Everts
               Lt-gen. b.d. G.J. Folmer
               Mw. mr. B.T. van Ginkel
               Mw. dr. M. de Goede
               Mr. J.S.L. Gualthérie van Weezel
               Dr. P. van Ham
               Prof.dr. K. Koch
               Sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt
               Mw. dr. C.M. Megens
               Mw. mr. C.F. Meindersma
               Drs. J. Ramaker
               Lt-gen. b.d. H.W.M. Satter
Toegevoegd lid Dr. W.F. van Eekelen
Secretaris     Drs. M.W.M. Waanders
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
          Woord vooraf
          Inleiding     7
I         De veiligheidscontext tot 2020         8
          I.1      Interstatelijke conflicten      9
          I.2      Massavernietigingswapens         9
          I.3      Fragiele staten     11
          I.4      Grensoverschrijdende criminaliteit      11
          I.5      Terrorisme       12
          I.6      Digitale aanvallen     13
          I.7      Verspreiding van kleine wapens       14
          I.8      Piraterij    14
          I.9      Schaarste van voedsel, water, grondstoffen en energie   15
          I.10     Gewijzigde veiligheidscontext      17
II        Kernvragen voor de NAVO          19
          II.1     Artikel 5     19
          II.2     Artikel 4     20
          II.3     Mondiale reikwijdte?       20
          II.4     Relatie met Rusland      22
          II.5     Relatie met de EU      23
          II.6     Relaties met andere internationale spelers   25
          II.7     Uitbreiding van de NAVO        26
          II.8     (Non-)proliferatie van massavernietigingswapens en ontwapening 27
          II.9     Publieke steun      29
          II.10    Hervormingen binnen de NAVO         30
          II.11    Solidariteit en lastenverdeling    31
III       Conclusies en aanbevelingen          32
          Tot besluit     43
Bijlage I          Adviesaanvraag
Bijlage II         Overzicht gebruikte begrippen
Bijlage III        Overzicht gebruikte afkortingen
Bijlage IV         Overzicht geraadpleegde personen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
De regering heeft de AIV op 18 juni 2009 gevraagd advies uit te brengen over
de herziening van het Strategisch Concept van de NAVO. Een nieuw Strategisch
Concept moet een gezamenlijk antwoord geven van de 28 lidstaten op de vraag
wat de hoofddoelstellingen van de NAVO in de voorzienbare toekomst zijn. Welke
betekenis hebben de oorspronkelijke doelstellingen uit 1949 voor de NAVO aan
het begin van de 21ste eeuw, rekening houdend met de evolutie die zich sinds
het vorige Strategisch Concept van 1999 heeft voltrokken en de actuele en de te
verwachten veiligheidsdreigingen?
In dit advies wordt ingegaan op de belangrijkste veiligheidsrisico’s die thans
zijn waar te nemen, de uitdagingen waar de NAVO zich voor gesteld ziet en de
uiteenlopende veiligheidspolitieke belangen binnen het bondgenootschap. Op basis
van deze analyse worden voorstellen gedaan voor de inzet van de Nederlandse
regering bij de onderhandelingen over een nieuw Strategisch Concept.
In de adviesaanvraag heeft de regering de volgende onderzoeksvragen gesteld:
• Welke betekenis hebben de oorspronkelijke doelstellingen van de NAVO in
   de 21ste eeuw, rekening houdend met de actuele veiligheidsdreigingen en de
   evolutie die zich sinds 1999 heeft voltrokken?
• Wat moeten het doel en de reikwijdte van eventueel verdere NAVO-uitbreiding
   zijn?
• Hoe kan nader invulling gegeven worden aan de relaties met partners
   (individuele landen, formele partnerschappen en internationale organisaties)?
• Welke hervormingen zijn noodzakelijk om de NAVO effectief te kunnen laten
   functioneren in de nieuwe context?
• Hoe zou het expeditionaire profiel van de NAVO-strijdkrachten verder kunnen
   worden vergroot?
• Op welke wijze zou het principe van burden sharing in de breedste zin van het
   woord (het delen van troepenbijdragen, financiële lasten en operationele risico’s)
   kunnen worden geoptimaliseerd, met name bij expeditionaire operaties?
• Welke rol kan de NAVO spelen op het gebied van wapenbeheersing, ontwapening
   en non-proliferatie?
• Welke rol kan Nederland bij dit alles spelen?
De inleiding begint met een karakterisering van de functie van het Strategisch
Concept van de NAVO. Vervolgens wordt een aantal belangrijke gebeurtenissen
in de internationale veiligheidscontext sinds het verschijnen van het laatste
Strategisch Concept uit 1999 geschetst.
In hoofdstuk I, Veiligheidscontext tot 2020, worden de actuele en toekomstige
veiligheidsrisico’s geïnventariseerd en wordt een inschatting gemaakt van hun
betekenis in de komende vijf tot tien jaar. Niet elk veiligheidsrisico ontwikkelt zich
tot een dreiging of noopt tot militair optreden. Wel moeten deze risico’s een plek
krijgen op de veiligheidsagenda van de NAVO onder hetzij collectieve verdediging,
hetzij out of area operaties, hetzij politieke dialoog.
In hoofdstuk II, Kernvragen voor de NAVO, staan de belangrijkste uitdagingen voor
de NAVO in de komende vijf tot tien jaar centraal. Allereerst komen de reikwijdte
van Artikel 5 en de wenselijkheid van een intensievere politieke consultatie over
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>veiligheidskwesties binnen de NAVO aan de orde. Voorts wordt ingegaan op de
reikwijdte van het NAVO-optreden, de samenwerking met andere internationale
spelers, de mogelijke uitbreiding van de NAVO, en de rol van de NAVO bij (non-)
proliferatie van massavernietigingswapens en ontwapening. Ten slotte komen
de publieke steun, de hervormingen binnen de NAVO, en de solidariteit en
lastenverdeling aan de orde.
In hoofdstuk III, Conclusies en aanbevelingen, zet de AIV de kernpunten uiteen die
als richtsnoer zouden moeten fungeren voor de inzet van de Nederlandse regering
bij de onderhandelingen over een nieuw Strategisch Concept van de NAVO. Deze
kernpunten worden nader uitgewerkt bij de beantwoording van de vragen uit de
adviesaanvraag van de Nederlandse regering.
Het advies is opgesteld door de Commissie Vrede en Veiligheid bestaande uit
prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve (voorzitter), lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings (vicevoorzitter),
drs. D.J. Barth, mw. dr. I. Duyvesteyn, dr. Ph.P. Everts, lt-gen. b.d. G.J. Folmer,
mw. mr. B.T. van Ginkel, mw. dr. M. de Goede, mr. J.S.L. Gualthérie van Weezel,
dr. P. van Ham, prof.dr. K. Koch, sbn. b.d. R.M. Lutje Schipholt, mw. dr. C.M.
Megens, mw. mr. C.F. Meindersma, drs. J. Ramaker, lt-gen. b.d. H.W.M. Satter,
alsmede dr. W.F. van Eekelen van de Commissie Europese Integratie. De commissie
werd bijgestaan door de ambtelijke contactpersonen mw. drs. E. Schouten namens
het ministerie van Buitenlandse Zaken en kol. J.N. Zijlstra namens het ministerie
van Defensie. Het secretariaat werd gevoerd door drs. M.W.M. Waanders met
hulp van de stagiaires mw. A. de Boer, drs. J.J. van Blaaderen, mw. B.A. Kuiper-
Slendebroek en D.A. Wegen. Een woord van dank gaat uit naar de vorige secretaris,
drs. J.M.D. van Leeuwe, die het begin van dit adviestraject heeft ondersteund.
Voor dit advies heeft de AIV gesproken met een aantal deskundigen en is ook
een bezoek gebracht aan het NAVO-hoofdkwartier en het EU-Raadssecretariaat in
Brussel. In bijlage IV is een overzicht van geraadpleegde personen opgenomen. De
AIV is hen zeer erkentelijk voor hun inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV van 29 januari 2010.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inleiding
Het Strategisch Concept beoogt een gemeenschappelijke basis te verschaffen voor de
doelen, de prioriteiten en de middelen van het NAVO bondgenootschap in relatie tot de
politieke context en de veiligheidsrisico’s in de komende vijf tot tien jaar. Als zodanig
heeft het een drievoudige functie:
- het verwoordt een politieke consensus, die door de lidstaten wordt gedragen;
- het vormt een uitgangspunt voor de planning en inzet van de NAVO-strijdkrachten;
- het vormt een instrument van publieke diplomatie ten opzichte van andere spelers op
    het gebied van internationale veiligheid.
Het laatste Strategisch Concept dateert uit 1999 en was gebaseerd op de ervaringen
met de crises op de Balkan, maar was ten dele al achterhaald voordat het werd vast-
gesteld, met name op het punt van de relatie tussen de NAVO en de Europese Unie als
gevolg van het nieuwe Europese Veiligheids en Defensiebeleid (EVDB).1 Sindsdien is het
bondgenootschap gegroeid van 16 tot 28 lidstaten en is het niet mogelijk gebleken een
nieuw Strategisch Concept op te stellen dat rekening hield met de grote veranderingen
in de veiligheidscontext als gevolg van de terroristische aanvallen op de Verenigde
Staten op 11 september 2001, de oorlog in Irak en het optreden van de NAVO in Afgha-
nistan. Wel werden tussentijdse aanpassingen vastgelegd in ministeriële communiqués
en in de politieke richtlijnen van de Top van Riga in november 2006. Op de NAVO-Top van
Straatsburg/Kehl in april 2009 werd besloten tot een nieuw Strategisch Concept in de
verwachting dat consensus mogelijk zou zijn, mede gezien de nieuwe multilaterale bena-
dering van de Verenigde Staten en de terugkeer van Frankrijk in de militaire structuren
van de NAVO.
Uit analyses van wereldwijde strategische trends en veiligheidsrisico’s komt grote onze-
kerheid en veranderlijkheid in de komende decennia op tal van terreinen naar voren.2
Onzekerheden over de negatieve kanten van de mondialisering, de effectiviteit van inter-
nationale veiligheidsinstellingen en de opkomst van niet-statelijke actoren zijn ook van
invloed op het NAVO-bondgenootschap. Vanwege die onzekerheid en veranderlijkheid
geeft de AIV de voorkeur aan een kernachtig Strategisch Concept met een korte horizon
van vijf tot tien jaar.
Het strategisch concept moet de kerntaken van de NAVO in een onvoorspelbare wereld
beschrijven en politieke richtlijnen geven voor toekomstig handelen van het bondgenoot-
schap. De vertaling van deze richtlijnen naar concrete maatregelen en actuele stand-
punten – zoals force planning, afspraken over de hervorming van hoofdkwartieren en
institutionele aanpassingen – kan geschieden in later op te stellen, ondersteunende
documenten met een korte tijdshorizon.
Het Strategisch Concept kan tevens dienen om bij een breed publiek begrip en steun te
verkrijgen voor de relevantie en taken van de NAVO in de gewijzigde veiligheidsomstan-
digheden.
1   The Alliance’s Strategic Concept, NAVO-Top Washington D.C., (April 1999).
2   NATO Allied Command Transformation, Multiple Futures Project: Navigating towards 2030 (April 2009).
                                                      7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>I         De veiligheidscontext tot 2020
Uit Nederlands perspectief gezien is een aantal veranderingen in de veiligheidscontext
van groot belang. Het nieuwe Strategisch Concept zal daarmee rekening moeten
houden:
1. De bedreiging van de territoriale integriteit en onafhankelijkheid van de lidstaten is
    sinds 1989 sterk afgenomen, hoewel hierover nog een groot verschil in perceptie
    bestaat tussen de oude lidstaten en de nieuwe lidstaten uit Centraal- en Oost-Europa,
    maar ook Noorwegen, die Rusland meer als bedreiging zien.
2. De trend van globalisering – het wereldwijde proces van wederzijdse economische,
    politieke en sociaal-culturele beïnvloeding – heeft zich sinds 1999 onmiskenbaar
    doorgezet. Dit proces wordt aangejaagd door de snelle ontwikkeling en brede ver-
    spreiding van informatie- en communicatietechnologie en door de sterk toegenomen
    mogelijkheden op het gebied van transport. Veel ‘nieuwe’ veiligheidsvraagstukken,
    waaronder de verspreiding van terrorisme en de mogelijkheid van digitale aanvallen,
    hangen nauw samen met dit proces van globalisering.
3. De samenhang tussen interne en externe veiligheid is sterker geworden, onder
    andere als gevolg van catastrofaal terrorisme, fragiele staten, internationaal georgani-
    seerde misdaad, illegale immigratie en vluchtelingenstromen.
4. Een ruimere definitie van het veiligheidsbegrip omvat niet alleen de veiligheid van de
    staat, maar ook human security. Daaronder worden bestaansveiligheid en daarvoor
    wezenlijke grondrechten van de mens begrepen.
5. De relatie tussen veiligheid en ontwikkeling heeft meer aandacht gekregen. In het
    kader van OESO/DAC wordt erkend dat zonder veiligheid geen evenwichtige ontwikke-
    ling plaats kan vinden, maar ook omgekeerd dat zonder ontwikkeling geen duurzame
    veiligheid mogelijk is. Nederland heeft zich evenals een aantal bondgenoten ingezet
    voor een comprehensive approach in fragiele staten en regio’s, die naast militaire
    veiligheid ook de samenhang met diplomatie en ontwikkelingssamenwerking beklem-
    toont. Hiervoor is samenwerking tussen internationale organisaties onderling en ook
    met NGO’s onontbeerlijk.
6. Een groeiend aantal crisisbeheersingsoperaties van de VN, de NAVO en de EU wordt
    gekenmerkt door militaire inzet te midden van de bevolking waartussen de irregulier
    optredende tegenstander zich verschuilt (war amongst the people). Bij haar expeditio-
    nair optreden wordt de NAVO veelvuldig geconfronteerd met asymmetrische dreigingen
    zoals terroristische aanslagen, confrontaties met opstandelingen en georganiseerd
    crimineel geweld.
Het Strategisch Concept moet gebaseerd zijn op een zorgvuldige inschatting van
mogelijke veiligheidsrisico’s in de komende vijf tot tien jaar, en uitgaan van gedeelde
nationale belangen en visies van de inmiddels 28 lidstaten. De bovengenoemde punten
betreffen meer dan de kerntaken van de NAVO en vragen ook veel aandacht van de EU,
de VN en andere instellingen.3 De ervaring heeft tevens geleerd dat de NAVO alleen
effectief kan optreden wanneer de lidstaten doordrongen zijn van de urgentie van
bepaalde veiligheidsrisico’s en bereid en in staat zijn om aan deze risico’s gezamenlijk
het hoofd te bieden. Daarbij zij opgemerkt dat de NAVO slechts één instrument is van
regeringen om gezamenlijk op te treden. Lang niet alle nieuwe veiligheidsrisico’s vragen
om NAVO-inzet. De afweging welke taken de NAVO moet uitvoeren en welke beter in
3  Zie ook AIV-advies nummer 45, Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, Den Haag, juli 2005.
                                                   8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>andere verbanden kunnen worden aangepakt, al dan niet met ondersteuning van de
NAVO, komt in dit advies aan de orde. Dat geldt ook voor de gevolgen van de verbreding
van het veiligheidsbegrip in relatie tot de doelstellingen van de NAVO.
I.1       Interstatelijke conflicten
De kans op een grootschalig interstatelijk conflict binnen het Euro-Atlantische verdrags-
gebied is dit decennium afgenomen. Ofschoon de relatie met Rusland de afgelopen ja-
ren werd gekenmerkt door enkele ernstige incidenten, zijn de meeste veiligheidsexperts
het erover eens dat van een militaire dreiging van Rusland jegens het bondgenootschap
thans geen sprake is. Dat neemt niet weg dat veel landen die voorheen tot de Sovjet-
invloedssfeer behoorden, zorgen over hun politieke onafhankelijkheid en territoriale inte-
griteit houden.4
Buiten het Euro-Atlantische verdragsgebied moet rekening worden gehouden met de
mogelijkheid van escalatie van (latente) regionale conflicten, met name in het Midden-
Oosten, de Kaukakus en Centraal-Azië, Zuid-Oost Azië en Afrika. Een conventionele
militaire confrontatie tussen staten op grote schaal lijkt thans echter niet waarschijnlijk,
hoewel dit risico vooral in het Midden-Oosten niet kan worden uitgesloten. De machts-
verschuivingen tussen grote mogendheden vormen voorts een potentiële bron van
conflicten, bijvoorbeeld de opkomst van China als een grote mogendheid naast de Ver-
enigde Staten. In de Stille Oceaan hebben de Verenigde Staten een belangrijke militaire
aanwezigheid in verband met de bestaande veiligheidsgaranties aan Japan, Zuid-Korea
en Taiwan. Naar verwachting breidt China zijn militaire macht in de Stille Oceaan uit.5
Voorts wedijveren grote mogendheden met elkaar bij het veiligstellen van de toevoer
van energie en andere grondstoffen in conflictrijke regio’s als het Midden-Oosten, Afrika,
Centraal en Zuid-Oost Azië.6 Ook de spanningen tussen India en Pakistan, en India en
China, verdienen de aandacht. Dit is geen uitputtende lijst. De ervaring leert immers dat
plotseling nieuwe conflicten kunnen oplaaien uit lang smeulende, latente spanningen.
De AIV is van mening dat de collectieve verdediging van het eigen grondgebied de
kerntaak van de NAVO is en moet blijven. Daarom is ook bij een sterk verminderde
veiligheidsdreiging van het eigen grondgebied aandacht voor Artikel 5-scenario’s gewenst.
I.2       Massavernietigingswapens
Kernwapens
Krachtens het Nucleaire Non-Proliferatie Verdrag (NPV) uit 1968 kent de wereld op dit
moment vijf erkende kernwapenstaten: de Verenigde Staten, Rusland, het Verenigd
Koninkrijk, Frankrijk en China. Daarnaast beschikken India, Pakistan, Noord-Korea en
Israël de facto over kernwapens. Vooral de uitbreiding van deze lijst met Pakistan en
India na de kernwapenproeven van deze landen aan het eind van de jaren negentig van
4   Zie ook Gazeta Wyborcza, An open letter to the Obama Administration from Central and Eastern Europe
    (15 July 2009).
5   Zie ook AIV-advies nummer 55, Met het oog op China: op weg naar een volwassen relatie, Den Haag, april
    2007.
6   United States National Intelligence Council, Global Trends 2025: Transformed World (November 2008),
    Ministerie van Defensie, Strategische Kennis Agenda (november 2008).
                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>de vorige eeuw, heeft de vraag doen rijzen naar de uiteindelijke levensvatbaarheid van
het huidige non-proliferatiestelsel. Sedertdien heeft Noord-Korea in 2003 eenzijdig het
NPV opgezegd. Het kondigde begin 2005 aan over enkele kernwapens te beschikken en
heeft deze vervolgens in oktober 2006 en in mei 2009 ook getest.7 Ook het nucleaire
programma van Iran zou kunnen resulteren in een nieuwe de facto kernwapenstaat. Een
kernwapenwedloop in het Midden-Oosten respectievelijk een conflict met Israël kan in
dat geval niet worden uitgesloten.
Anderzijds kan ook enige vooruitgang worden geconstateerd met betrekking tot het
bestaande non-proliferatieregime met het Internationaal Atoomenergie Agentschap
(IAEA) als belangrijkste instrument. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie hebben
Wit-Rusland, Oekraïne en Kazachstan de kernwapensystemen op hun grondgebied
ontmanteld en zijn als niet-kernwapenstaten tot het NPV toegetreden. Na het einde van
het apartheidsregime heeft ook Zuid-Afrika zijn kernwapeninfrastructuur ontmanteld en
het land voor IAEA-inspecties opengesteld. Brazilië en Argentinië hadden eerder al de
proliferatiegevoelige elementen van hun nucleaire programma’s beëindigd. Recent heeft
ook Libië zijn beginnend kernwapenprogramma beëindigd en IAEA-inspectie toegelaten.
De stabiliteit op de lange termijn en de geloofwaardigheid van het huidige nucleaire non-
proliferatieregime blijven echter voortdurende zorg en aandacht vragen.8
Chemische en biologische wapens
De proliferatie van chemische en biologische wapens kent een andere dynamiek dan die
van nucleaire wapens. Het is niet erg waarschijnlijk dat het komende decennium veel meer
staten dan nu het geval is gaan beschikken over chemische en biologische wapens. Het
gevaar dat terroristische organisaties over deze wapens kunnen gaan beschikken, blijft
echter niet denkbeeldig. Waar kernwapens bijzonder moeilijk te produceren zijn, geldt dit
voor chemische en biologische wapens minder. De ingrediënten van chemische en biolo-
gische wapens zijn gemakkelijk verkrijgbaar, omdat ze ook veelvuldig gebruikt worden voor
civiele toepassingen. Het Chemisch Wapenverdrag (CWC) uit 1997, het Biologisch Wapen
Verdrag (BWC), dat verificatiebepalingen ontbeert, en de VN-Veiligheidsraad Resolutie
1540 (2004) kunnen dit gevaar van proliferatie slechts in geringe mate indammen.9
Overbrengingsmiddelen
Het komende decennium zal het aantal landen dat beschikt over overbrengingsmiddelen
voor massavernietigingswapens, toenemen. Naar verwachting zullen Iran, Noord-Korea,
India, Pakistan en Syrië hun ballistische raketprogramma’s voortzetten en verdergaan
met de ontwikkeling van geavanceerde rakettechnologie. Een belangrijke reden voor
landen om dergelijke programma’s te initiëren is de strategische waarde van overbren-
gingsmiddelen voor massavernietigingswapens in onderhandelingen met andere landen.
Noord-Korea is hiervan het duidelijkste voorbeeld.
De AIV stelt vast dat massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen een
belangrijk veiligheidsprobleem blijven. In paragraaf II.8 wordt nader op de nucleaire
problematiek ingegaan.
7   Zie ook AIV-advies nummer 47, Het nucleaire non-proliferatieregime: het belang van een geïntegreerde en
    multilaterale aanpak, Den Haag, januari 2006.
8   United States National Intelligence Council, Global Trends 2025: Transformed World (November 2008).
9   S.J. van der Meer, ‘Proliferatie van massavernietigingswapens: Vooruitzichten en betekenis voor de
    Nederlandse krijgsmacht’, Militaire Spectator Nr. 11/2009.
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>I.3       Fragiele staten
Fragiele staten zijn landen waar de centrale regering niet in staat of niet bereid is
basisfuncties als waarborging van openbare orde, veiligheid en mensenrechten alsmede
ontwikkeling en armoedebestrijding te vervullen. Het begrip ‘fragiel’ heeft betrekking op
zwakke staatsvorming. Het probleem is het ernstigst in Afrika ten zuiden van de Sahara,
alsmede Centraal-Azië. Van de negentien meest fragiele staten in de wereld liggen de
meeste op het Afrikaanse continent. Voorts zijn er ook nog zogenoemde ‘schurkenstaten’
waar sterk onderdrukkende regimes de scepter zwaaien. De problemen in deze staten
kunnen gemakkelijk overslaan naar buurlanden en zo regionale instabiliteit veroorzaken.
Gewelduitbarstingen, criminaliteit, vluchtelingenstromen en economische crises kunnen
directe grensoverschrijdende gevolgen hebben, soms ook voor verafgelegen landen.10
De NAVO heeft dit decennium haar verantwoordelijkheden met militaire operaties in fra-
giele staten, zoals Bosnië, Kosovo en Afghanistan, geografisch uitgebreid. Ook ernstige
en grootschalige mensenrechtenschendingen kunnen een reden zijn tot internationaal
ingrijpen. De NAVO dient bij te dragen aan de naleving van de internationale verdragen
inzake mensenrechten en de handhaving van het humanitaire oorlogsrecht door ten eer-
ste zelf in alle operaties het goede voorbeeld te geven en ten tweede, waar mogelijk en
gewenst, internationale verbanden voor de handhaving van mensenrechten en internatio-
naal strafrecht de nodige steun te verlenen.11
De huidige fragiele staten en ‘schurkenstaten’ zullen ook in de komende tien jaar
voortdurende aandacht van de internationale gemeenschap vergen. De mogelijke
veiligheidsrisico’s die uitgaan van dergelijke staten zijn terrorisme, regionale conflicten,
grensoverschrijdende criminaliteit, piraterij en verstoring van de toegang tot energie en
grondstoffen. Voorts veroorzaken interne conflicten vaak grote stromen vluchtelingen, die
buurlanden in hun voegen doen kraken.12
De AIV is van mening dat genoemde veiligheidsrisico’s kunnen nopen tot internationaal
ingrijpen met een mogelijke rol voor de NAVO.
I.4       Grensoverschrijdende criminaliteit
Zuid-Amerika, het Caribisch gebied, Centraal-Azië en delen van Zuid-Oost Azië hebben te
kampen met grootschalige georganiseerde criminaliteit, zoals de internationale drugs-
handel. Deze netwerken hebben ook verbindingen met zware, georganiseerde misdaad
in Europa en Noord-Amerika en met andere vormen van internationale georganiseerde
criminaliteit, zoals mensenhandel en witwassen.
10 Minister van Buitenlandse Zaken en minister voor Ontwikkelingssamenwerking, beleidsnota Veiligheid en
    ontwikkeling in fragiele staten: Strategie voor de Nederlandse inzet 2008-2011, Den Haag, 7 november
    2008.
11 De AIV brengt binnen afzienbare tijd een advies uit over de Responsibility to Protect.
12 Zie ook AIV-advies nummer 35, Falende Staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid, Den Haag, mei
    2004, AIV-advies nummer 60, Nederland en de Europese Ontwikkelingssamenwerking, Den Haag, mei
    2008 en AIV-advies nummer 64, Crisisbeheersingsoperaties in Fragiele Staten: de noodzaak van een
    samenhangende aanpak, Den Haag, maart 2009.
                                                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>Niet zelden ook zijn de betrekkingen tussen de georganiseerde criminaliteit en de over-
heid in sommige gebieden zeer hecht. Internationale bestrijding van georganiseerde
criminaliteit is daarom, direct of indirect, gebaat bij verhoging van de kwaliteit van het
overheidsbestuur in de betrokken landen.
Georganiseerde criminaliteit, radicalisering en terrorisme staan niet op zichzelf maar
kunnen elkaar versterken. Zij kunnen leiden tot een bedreiging van vitale infrastructuur
en daarmee gepaard gaande (internationale) maatschappelijke ontwrichting. De nauwe
samenhang tussen deze veiligheidsrisico’s, waarbij de interne en externe veiligheid in
het geding zijn, vergen politieke consultatie binnen de NAVO en met andere internatio-
nale spelers.13
De AIV merkt op dat de NAVO andere internationale verbanden zoals de EU en de VN
dient te ondersteunen bij de bestrijding van internationale criminaliteit, maar dat dit geen
kerntaak van het bondgenootschap is.
I.5        Terrorisme
De VN-Veiligheidsraad heeft terrorisme gedefinieerd als:
    ‘Criminal acts, including against civilians, committed with the intent to cause
    death or serious bodily injury, or taking of hostages, with the purpose to provoke a
    state of terror in the general public or in a group of persons or particular persons,
    intimidate a population or compel a government or an international organization to
    do or to abstain from doing any act.’14
De motieven voor terroristische aanslagen kunnen zeer divers zijn, maar zijn in veel geval-
len terug te voeren op conflicten tussen ideologieën, nationalistische tegenstellingen of
religieus extremisme. De aanslagen van 11 september 2001 lieten de omvang en drei-
ging van het internationaal terrorisme zien. De internationale netwerkstructuur met apart
opererende cellen vormt een grote dreiging voor zowel westerse als niet-westerse staten.
De aanslagen in London en Madrid maakten daarnaast ook duidelijk dat er een parallelle
tendens was naar een vorm van home-grown terrorisme, waarbij de groeperingen zich
weliswaar lieten inspireren door Al Qaida, maar daar geen directe relaties mee onderhiel-
den. Eveneens lijkt bij voortduring sprake te zijn van een tendens naar transnationalise-
ring van terroristische netwerken. Ook separatistisch georiënteerde terroristische bewe-
gingen, zoals de ETA, hebben veel internationale relaties.15
De meeste slachtoffers van terroristische aanslagen vallen in islamitische landen, ge-
tuige het relatief grote aantal aanslagen en slachtoffers in bijvoorbeeld Irak, Afghanistan,
Pakistan, India en Indonesië. Hoewel de meeste terroristische aanslagen gepleegd
13 De omvang van de illegale wereldhandel in drugs was in 2005 322 miljard dollars, aldus het jaarverslag
    van het United Nations Office on Drugs and Crime. Dit was meer dan het BNP van 88% van de landen in
    de wereld.
14 VN-Veiligheidsraadresolutie 1566, 8 oktober 2004.
15 Marc Sageman, ‘The Next Generation of Terror’, Foreign Policy (March/April 2008). E. Bakker, ‘Jihadi
    terrorists in Europe’, Clingendael Security Paper Nr. 2/2006. E. Bakker en L. Boer, ‘The Evaluation of
    Al-Qaedaism: Ideolgy, terrorists and appeal’, Clingendael Security Paper Nr. 4/2007.
                                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>worden met conventionele wapens, bestaat de vrees dat terroristische organisaties, in-
dien mogelijk, ook gebruik zullen maken van massavernietigingswapens. Een groot risico
gaat uit van mogelijk gebruik van een radiologisch wapen of vuile bom (dirty bomb) bij
terroristische aanslagen. De betrekkelijke eenvoud waarmee zo’n wapen kan worden ver-
vaardigd, maakt het een aantrekkelijk wapen voor terroristen.
Terrorisme vindt een voedingsbodem in zowel democratische als autocratische staten
en kan zich snel ontwikkelen, vooral in landen waar het centrale staatsgezag zwak is. De
bestrijding van home-grown terrorisme is weliswaar allereerst een zaak van interne veilig-
heid en valt dus onder verantwoordelijkheid van nationale instanties. Voor de bestrijding
van internationaal opererende terroristische netwerken is echter een multinationale aan-
pak vereist, met inbegrip van samenwerking tussen de inlichtingendiensten.16
Toekomstige conflicten zullen zeer waarschijnlijk een hybride karakter hebben. Dit
wil zeggen dat ze gekenmerkt worden door dreigingen van statelijke en niet-statelijke
actoren, die zich bedienen van reguliere en/of irreguliere strijdmethoden, inclusief
terrorisme. Het NAVO-bondgenootschap wordt ook in toenemende mate geconfronteerd
met terroristische strijdmethoden bij expeditionair optreden.
De AIV is van mening dat de NAVO als militair bondgenootschap niet de eerst aangewezen
organisatie is om het probleem van diverse soorten terrorisme te bestrijden. Dat is vooral
de taak van de politie, justitie en inlichtingendiensten in de desbetreffende landen. Dit sluit
niet uit dat de aard en omvang van de terroristische dreiging kunnen leiden tot NAVO-inzet
‘out of area’.
I.6      Digitale aanvallen
Moderne economieën zijn zeer afhankelijk van vitale infrastructuur op het gebied van
transport, energievoorziening en communicatie, vooral ook het internet. De snelle groei
van open netwerkstructuren als het internet heeft naast economische innovatie en
groei ook nieuwe kwetsbaarheden aan het licht gebracht.17 Door middel van information
operations en hacking kunnen samenlevingen ontregeld worden.18
Hacking en de manipulatie van communicatienetwerken, ook wel aangeduid als
cyber warfare, vormen een reëel veiligheidsrisico voor de ICT-infrastructuur van de
krijgsmachten van NAVO-landen. Dit vereist omvangrijke beschermingsmaatregelen en
noodvoorzieningen, die niet afhankelijk zijn van private open netwerkstructuren. Omdat
er een duidelijke relatie is tussen cyber warfare en operaties in de ruimte, hebben deze
voorzieningen ook betrekking op satellieten die op relatief eenvoudige wijze in de ruimte
kunnen worden gebracht en als mobiele data-link kunnen fungeren.
16 Zie ook AIV-advies nummer 49, Terrorismebestrijding in mondiaal en Europees perspectief, Den Haag,
    september 2006.
17 Manuel Castells, The Rise of the Network Society (1996). Ministerie van Defensie, Strategische Kennis
    Agenda (november 2008).
18 Dit overkwam Estland enkele jaren geleden na een controverse met Rusland over verplaatsing van een
    Russisch oorlogsmonument en Georgië tijdens het gewapend conflict met Rusland in augustus 2008.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>De AIV beveelt daarom aan in het nieuwe Strategisch Concept het verminderen van
de kwetsbaarheid van de ICT-infrastructuur van de NAVO en (de krijgsmachten van) de
lidstaten, als doelstelling op te nemen. Nationale overheden, en dus ook Nederland,
hebben hier echter ook een eigen verantwoordelijkheid.
I.7         Verspreiding van kleine wapens
De snelle verspreiding van goedkope zogenaamde kleine wapens vergroot de instabiliteit
in veel landen en ondermijnt het kwetsbare (centrale) gezag in fragiele staten. Volgens
ramingen circuleren wereldwijd 650 miljoen kleine en lichte handvuurwapens, één per
tien personen.19 In de legale en illegale wapenhandel worden jaarlijks vele miljarden
omgezet.
Schattingen van dodelijke slachtoffers die samenhangen met het gebruik van handvuur-
wapens, variëren tussen de 52.000 en 184.000 per jaar; in verreweg de meeste geval-
len betreft dit jonge mannen en kinderen.20 Het ruime aanbod van kleine wapens ver-
groot ook de kans op gewapend geweld, vooral in fragiele en falende staten. Zij vormen
tevens een veiligheidsrisico voor NAVO-militairen tijdens crisisbeheersingsoperaties.
Er is nog geen effectieve aanpak van dit probleem, hoewel verschillende VN-organen en
werkgroepen zich met wapenbeheersing en ontwapening bezighouden.21 Gebrek aan
beperkende nationale wetgeving in enkele NAVO-landen, met name de Verenigde Staten,
vormt een ernstig obstakel voor een doeltreffende aanpak.22
De AIV beveelt aan ook in NAVO-verband het belang van nieuwe internationale verdragen
tegen de verspreiding van zogenaamde kleine wapens te agenderen.
I.8         Piraterij
De dreiging van piraterij is een terugkerend fenomeen. De modus operandi van de
piraten verschilt per regio. In Zuid-Oost Azie was het de piraten vooral te doen om het
schip en de lading, en is vooral veel (dodelijk) geweld gebruikt tegen de bemanning. Voor
de kust van Somalië gaat het vooral om het verkrijgen van losgeld en hebben de piraten
er derhalve belang bij de bemanning in leven en de lading in tact te houden.
19 Small Arms Survey, Yearbook 2008: Risk and Resilience, Cambridge University Press.
20 Small Arms Survey, Yearbook 2009: Shadows of War, Cambridge University Press. Zie ook Geneva
    Declaration, Report: Global Burden of Armed Violence (September 2008). In totaal vallen er 740.000
    slachtoffers per jaar door geweld met wapens; het merendeel hiervan is door moord (490.000).
21 UN Office for Disarmament Affairs, UN Conference on Illicit Trade in Small Arms and Light Weapon (SALW)
    in All its Aspects (2001), UN Programme of Action Implementation Support System, UN Institute for
    Disarmament Research.
22 Het is vooral lastig kleine wapens te traceren, de wapenstromen in kaart te brengen en deze vervolgens
    te controleren. Daarom heeft de Algemene Vergadering van de VN het initiatief genomen voor een
    International Instrument to Enable States to Identify and Trace, in a Timely and Reliable Manner, Illicit Small
    Arms and Light Weapons.
                                                        14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Piraterij vormt een ernstig probleem voor de commerciële scheepvaart op belangrijke
doorvoerroutes en voor de humanitaire hulpverlening. Door maritieme samenwerking
tussen landen in de regio kan het probleem beheersbaar blijven, zoals bijvoorbeeld de
samenwerking tussen Indonesië, Singapore en Maleisië in de Straat van Malakka laat
zien. De oplossing van dit probleem moet echter vooral op land worden gevonden; het
is in feite een symptoom van een fragiele staat zonder een goed functionerende rechts-
staat en met een slechte economische situatie. In een dergelijke situatie kunnen pira-
tenbendes uitgroeien tot internationale criminele organisaties.
Piraterij kan ook als katalysator fungeren voor internationale samenwerking. Zo dragen
verschillende internationale organisaties (EU, NAVO) en staten (Rusland, China, India,
e.a.) thans bij aan de bestrijding van piraterij voor de kust van Somalië. De rechtsgrond-
slag voor het optreden tegen piraterij is gelegen in het VN-Zeerechtverdrag en in verschil-
lende VN-Veiligheidsraadresoluties.23
De AIV is van mening dat de EU beter is toegerust om in samenwerking met de landen uit
de regio de oorzaken van piraterij aan te pakken. De NAVO kan wel ondersteuning bieden
aan piraterijbestrijding op zee, maar het behoort niet tot de kerntaak.
I.9       Schaarste van voedsel, water, grondstoffen en energie
De groei van de wereldbevolking en van de consumptie per capita in de snelgroeiende
economieën vergroten de vraag naar energie, grondstoffen, landbouwgrond en zoet
water. Dit vergroot de economische competitie tussen de grote mogendheden en heeft
vooral effect op Afrika en het Midden-Oosten.
Er is sprake van schaarste aan landbouwgrond en/of water in ongeveer 21 landen met
een totaal van 600 miljoen inwoners. Als gevolg van de bevolkingsgroei zullen in 2025
naar verwachting ongeveer 36 landen met 1,4 miljard inwoners in deze categorie vallen.
Het ontbreken van toegang tot stabiele watervoorraden bereikt in veel gebieden in de
wereld een kritische grens en zal naar verwachting verergeren als gevolg van verdere ver-
stedelijking.24
Ook de klimaatverandering zal de schaarste aan water en voedsel doen toenemen. Voor-
al de landen in Sub-Sahara Afrika zullen hieronder te lijden hebben. Door de relatieve
schaarste zal water steeds vaker een strategische hulpbron worden, waarmee invloed
op de geopolitieke machtsverhoudingen uitgeoefend kan worden. Schaarse toegang tot
water kan bij gevolg uitgroeien tot een bron van conflict tussen staten of zelfs binnen
staten en samenlevingen.25
23 Bibi van Ginkel, Jort Hemmer, Susanne Kamerling en Frans-Paul van der Putten, ‘Pioneering for Solutions to
    Somalian Piracy: Facing the challenge, seizing the opportunity’, CSCP Policy Brief No. 3 (August 2009).
    Minister van Justitie en minister van Defensie, Kamerbrief Juridische aspecten van piraterij (23 maart
    2009).
24 United States National Intelligence Council, Global Trends 2025: Transformed World (November 2008).
25 Peter Schwartz and Douglas Randall, The Pentagon, An Abrupt Climate Change Scenario and Its
    Implications for United States National Security (October 2003).
                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Anderzijds toont onderzoek naar conflicten over water aan dat schaarste en klimaatver-
andering ook tot meer interstatelijke samenwerking kunnen leiden.26
Ook de schaarste aan mineralen kan politieke instabiliteit en crises veroorzaken. De
schaarste aan grondstoffen heeft vooral betrekking op fosfaat, lood, tin en zogenoemde
zeldzame aardmetalen, waarvan de voorraden die momenteel economisch rendabel ge-
exploiteerd kunnen worden, op basis van toenemend verbruik in de komende decennia
zullen afnemen. Dit leidt tot hogere grondstoffenprijzen, hogere recyclingkosten en con-
flicten over mijnbouwrechten.27 Daarnaast voeren landen waaronder China een grond-
stoffenpolitiek die de vrije markt in mineralen verstoort. Bij gevolg worden grondstoffen
naast een zaak van handelspolitiek meer en meer een zaak van machtspolitiek.
De vraag naar fossiele brandstoffen neemt toe, onder meer door de snel groeiende
economieën in Azië. De vraag naar energie zal tot 2035 waarschijnlijk met meer dan
50% groeien; meer dan 80% van deze toename zal voor rekening komen van fossiele
brandstoffen. Hierdoor ontstaan rivaliserende aanspraken op energievoorraden. Ook
verstoringen in de aanvoer kunnen een bedreiging vormen.28
De zekerheid van energievoorziening kan ook onder druk komen als landen zoals
Rusland hun controle over energiebronnen en aanvoerlijnen als politiek dwangmiddel
gebruiken. In fragiele staten zoals Nigeria kunnen etnisch en politiek geweld alsmede
criminaliteit de olieproductie ernstig bedreigen. Ook terrorisme en piraterij kunnen
de energieproductie of -aanvoer over land of zee ernstig belemmeren. China en India
breiden hun marines sterk uit. Dit kan weer leiden tot toenemende spanning en
rivaliteit, maar biedt ook mogelijkheden voor meer multinationale samenwerking bij de
bescherming van belangrijke vaarroutes en choke points.29
Er is niet één bepalende factor voor de invloed van energieschaarste op de
internationale veiligheid en stabiliteit. De strategische omgeving, bilaterale betrekkingen,
werking van de markt, de verschillende actoren (de producenten, de consumenten
en de verantwoordelijken voor het transport) en hun percepties hebben elk invloed
op de veiligheidssituatie. Niet eerder geëxploiteerde energiebronnen kunnen leiden
tot een wedloop (Spratly eilanden en de Noordpool). Vanwege de strategische ligging
van deze gebieden en mogelijke territoriale aanspraken, kunnen ze gevolgen hebben
voor de regionale stabiliteit. Opslag van olie en gas en differentiatie van aanvoerlijnen
zal de gevoeligheid voor plotseling optredende verstoringen en politieke chantage
verminderen.30
26 Zie ook AIV-advies nummer 66, Demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking, Den Haag,
    juli 2009 en AIV-briefadvies nummer 14, Klimaatverandering en veiligheid, Den Haag, januari 2009.
27 HCSS, Scarcity of Minerals: A strategic security issue, The Hague (January 2010) en A.M. Diederen, Global
    Resource Depletion: Metal Minerals Scarcity and the Elements of Hope (June 2009).
28 Zie ook AIV/AER-advies nummer 46, Energiek Buitenlands Beleid: energievoorzieningszekerheid als nieuwe
    hoofddoelstelling, Den Haag, december 2005; International Energy Agency, World Energy Outlook 2005 en
    ministerie van Defensie, Strategische Kennis Agenda (november 2008).
29 United States National Intelligence Council, Global Trends 2025: Transformed World (November 2008).
30 Zie ook AIV-briefadvies nummer 14, Klimaatverandering en veiligheid, Den Haag, januari 2009.
                                                       16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>De AIV beveelt aan in het nieuwe Strategisch Concept op te nemen dat de NAVO
regelmatig op grond van Artikel 4 van het Noord-Atlantisch Verdrag consultaties verricht
over internationale spanningen die uit de geschetste schaarstevraagstukken kunnen
voortvloeien, respectievelijk vitale belangen van de bondgenoten raken, en hoe deze
kunnen worden aangepakt.
I.10     Gewijzigde veiligheidscontext
Bovenstaande inventarisatie van veiligheidsrisico’s toont onzekerheid en verandering
op tal van terreinen. Daarnaast ontstaat meer samenhang tussen interne en externe
veiligheid. Niet elk omschreven risico ontwikkelt zich overigens tot een dreiging of noopt
tot militair optreden. De geschetste risico’s vormen tezamen wel de veiligheidsagenda
van de NAVO, die in de concentrische cirkels van onderstaande figuur een plaats kunnen
krijgen. Veiligheidsrisico’s zijn aan verandering onderhevig en kunnen derhalve bewegen
van de kern naar de periferie en omgekeerd.
Collectieve verdediging tegen een gewapende aanval is en blijft de kerntaak van de NAVO
en wordt om die reden in de binnencirkel geplaatst. Fysieke agressie van buitenlandse
oorsprong tegen een NAVO-bondgenoot wordt hiertoe gerekend evenals een omvangrijke
terroristische aanval op bondgenootschappelijk grondgebied. Bij een terroristische
aanval is de exogene aard en omvang ervan bepalend voor de vraag of sprake is van
een Artikel 5-situatie dan wel van een louter binnenlands veiligheidsprobleem. Evenzo
zouden andere dan de genoemde internationale conflictoorzaken een zeer bedreigende
omvang voor de vitale veiligheidsbelangen van de NAVO-lidstaten kunnen krijgen.
In de tweede concentrische cirkel (out of area operaties) worden interstatelijke conflic-
ten buiten het Euro-Atlantische verdragsgebied alsmede veiligheidsoperaties in fragiele
staten gesitueerd die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van NAVO-lidstaten. De
mogelijke veiligheidsrisico’s die uitgaan van fragiele staten – zoals terrorisme, regionale
conflicten, grensoverschrijdende criminaliteit, piraterij en verstoring van de toegang tot
energie en grondstoffen – kunnen derhalve aanleiding zijn voor crisisbeheersingsoperaties
met een rol voor de NAVO.
Cirkeldiagram      De veiligheidsagenda van de NAVO
                                     Collectieve verdediging
                                     Out of area operaties
                                     Politieke dialoog
                                                 17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>De NAVO is een bondgenootschap dat door intensieve politieke dialoog consensus tracht
te bereiken over gemeenschappelijke veiligheidsproblemen die de territoriale integriteit
of veiligheidsbelangen direct of indirect kunnen bedreigen. Veel van de in dit hoofdstuk
beschreven veiligheidsrisico’s vallen enkel in de buitencirkel (politieke dialoog). De
dialoog hierover, zowel binnen de NAVO als met strategische partners (volgens Artikel
4 van het Noord-Atlantisch Verdrag), moet onder meer resulteren in een duidelijke
afbakening van de reikwijdte en de (on)mogelijkheden van militair optreden, zowel wat
betreft de taken van de NAVO op eigen bondgenootschappelijk grondgebied (Artikel 5)
als optreden out of area. De buitencirkel omsluit de twee binnencirkels, wat betekent
dat ook sprake is van politieke dialoog in de twee binnencirkels. Zoals gezegd zijn
veiligheidsrisico’s aan verandering onderhevig; zij kunnen bewegen van de buitencirkel
naar een van de binnencirkels en omgekeerd.
                                             18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>II        Kernvragen voor de NAVO
Het nieuwe Strategisch Concept moet ingaan op belangrijke vragen, zoals de actuele
betekenis van Artikel 5 en Artikel 4 van het Noord-Atlantisch Verdrag, de reikwijdte van
het NAVO-optreden, de samenwerking met andere internationale spelers, de mogelijke
uitbreiding van de NAVO, en de rol van de NAVO bij (non-)proliferatie van massavernieti-
gingswapens en ontwapening. In dit hoofdstuk worden de kernvragen en uitdagingen die
in dit verband voor de NAVO rijzen, in kaart gebracht.
II.1      Artikel 5
    ‘The Parties agree that an armed attack against one or more of them in Europe or
    North America shall be considered an attack against them all and consequently
    they agree that, if such an armed attack occurs, each of them, in exercise of
    the right of individual or collective self-defence recognised by Article 51 of the
    Charter of the United Nations, will assist the Party or Parties so attacked by taking
    forthwith, individually and in concert with the other Parties, such action as it deems
    necessary, including the use of armed force, to restore and maintain the security of
    the North Atlantic area’.31
Sinds haar oprichting heeft de NAVO de veiligheid van Europa en Noord-Amerika succes-
vol met elkaar weten te verbinden. Artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag – dat stelt
dat een aanval op één van de staten door de anderen zal worden opgevat als een aanval
op allemaal – is de hoeksteen van het bondgenootschap.32 De Verklaring inzake Bond-
genootschappelijke Veiligheid, die bij het 60-jarig jubileum van de NAVO is aangenomen,
bevestigt dat collectieve verdediging de hoeksteen van het bondgenootschap blijft.33 In
hoofdstuk III wordt hierop nader ingegaan.
De ‘nieuwe’ veiligheidsvraagstukken leiden tot verbreding van het begrip veiligheid.
Daardoor is het niet langer evident wanneer Artikel 5 van toepassing is.34 Zo is de bond-
genootschappelijke solidariteit wel van toepassing verklaard op de Verenigde Staten na
de terreuraanslagen van 11 september 2001, maar werd Artikel 5 niet ingeroepen na
enigszins vergelijkbare, zij het kleinere aanslagen in Madrid (maart 2004) en Londen (juli
2005). De reikwijdte van Artikel 5 werd opnieuw onderwerp van discussie na de digitale
aanvallen (cyber attacks) op Estland in juli 2007. De NAVO moet op dit punt politieke
keuzes maken die ook van invloed zijn op de militaire force planning.
31 Article 5 of the North Atlantic Treaty, Washington D.C., 4 April 1949.
32 Artikel 5 heeft overigens een discretionair element. Het is ter beoordeling aan de lidstaten zelf wat zij
    noodzakelijk achten om bij te dragen aan de collectieve verdediging in het algemeen en in specifieke
    gevallen.
33 Declaration on Alliance Security issued by the Heads of State and Government participating in the meeting
    of the North Atlantic Council in Strasbourg/Kehl on 4 April 2009.
34 Zie ook de bespreking van de Caroline-criteria in het AIV-advies nummer 36, Preëmptief optreden,
    Den Haag, juli 2004.
                                                      19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Over de vraag wat de dekking van de ‘Artikel 5-verzekeringspolis’ precies inhoudt, wordt
binnen het bondgenootschap verschillend gedacht. Zo onderhandelde Polen, in ruil voor
plaatsing van eenheden voor het Amerikaanse raketschild, in 2008 met de Verenigde
Staten over aanvullende veiligheidsgaranties. Blijkbaar was Artikel 5 voor Polen geen vol-
doende veiligheidsgarantie (meer) en wilde het een ‘aanvullende verzekering’ afsluiten.35
De AIV adviseert vast te houden aan collectieve verdediging als de hoeksteen van de
NAVO.
II.2      Artikel 4
    ‘The Parties will consult together whenever, in the opinion of any of them, the
    territorial integrity, political independence or security of any of the Parties is
    threatened.’36
De uiteenlopende opvattingen over de veiligheidspolitieke uitdagingen waar de NAVO
zich voor geplaatst ziet, onderstrepen de wenselijkheid van een intensievere politieke
consultatie over veiligheidskwesties, zoals in Artikel 4 van het Noord-Atlantisch Verdrag
bedoeld is. De AIV constateerde in 2005 echter dat de NAVO als politiek strategisch
raamwerk voor bondgenootschappelijke consultatie op een minder stevig fundament
staat dan de NAVO als raamwerk voor militaire samenwerking.37 Met name Frankrijk is
lange tijd terughoudend geweest ten aanzien van een transatlantische veiligheidsdialoog
binnen de NAVO, omdat zo’n dialoog ten koste zou kunnen gaan van het EVDB. Met een
Amerikaanse regering die het belang van multilaterale samenwerking onderschrijft en een
Franse regering die zich weer als een volwaardige bondgenoot opstelt sinds de terugkeer
van Frankrijk in de militaire structuur van de NAVO, ontstaan nieuwe kansen te komen
tot een transatlantische dialoog over alle onderwerpen van internationale veiligheid die
de territoriale integriteit of veiligheidsbelangen van de lidstaten direct of indirect bedrei-
gen, zoals diverse vormen van agressie, internationale instabiliteit en verspreiding van
wapens. Ook de territoriale integriteit en veiligheidsbelangen van niet-lidstaten kunnen
onder Artikel 4 worden besproken.
De AIV adviseert in het nieuwe Strategisch Concept het belang van een breder gebruik van
Artikel 4 te benadrukken, waaronder meer aandacht voor informeel overleg.
II.3      Mondiale reikwijdte?
Wat wordt onder mondiale reikwijdte precies verstaan? Mondiale taken, mondiale moge-
lijkheden tot optreden, mondiale beïnvloeding, of mondiale uitbreiding van het lidmaat-
schap? De NAVO hanteert een tweedeling van operaties: operaties in het kader van de
collectieve verdediging, zoals vastgelegd in Artikel 5 van het NAVO-verdrag, en overige
operaties die bekend staan als non-Article 5 Crisis Response Operations. Hieronder res-
sorteren onder meer conflictpreventie, vredeshandhavende, vredesafdwingende, vredes-
opbouwende en humanitaire activiteiten.
35 Ko Colijn, ‘Van ‘Plenty of Nothing’ naar ‘I will Survive’: Bij de 60ste verjaardag van een bondgenootschap’,
    Internationale Spectator Nr. 3/2009.
36 Article 4 of the North Atlantic Treaty, Washington D.C., 4 April 1949.
37 AIV-advies nummer 45, Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, Den Haag, juli 2005.
                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>NAVO-lidstaten hebben uiteenlopende dreigingspercepties en opvattingen hoe deze
dreigingen te bestrijden. Er wordt verschillend aangekeken tegen het vraagstuk van
collectieve verdediging en de rol van de NAVO in het komende decennium. Zo zien de
Verenigde Staten de NAVO primair als een breed samenwerkingsplatform om terrorisme
en andere (nieuwe) veiligheidsrisico’s die een potentiële bedreiging voor hun nationale
veiligheid of vitale belangen vormen, wereldwijd aan te pakken. In Amerikaanse ogen
kunnen het eigen grondgebied en de eigen bevolking thans niet effectief worden
verdedigd zonder out of area operaties. Daarom hoort expeditionair optreden buiten
het verdragsgebied vooral ten dienste te staan van collectieve verdediging en de
bondgenootschappelijke veiligheid. De NAVO moet in die visie een breed spectrum van
veiligheidstaken bestrijken.38
Door de Europese bondgenoten wordt verschillend gedacht over de wenselijkheid de
NAVO een mondiale reikwijdte te geven. Het Verenigd Koninkrijk is van mening dat de
mondiale aard van de nieuwe dreigingen, de NAVO geen andere keuze laat dan buiten
het Euro-Atlantisch verdragsgebied op te treden.39 Andere West-Europese landen zijn
echter terughoudender. De Nederlandse regering kiest weliswaar voor een wereldwijde
benadering van oude en nieuwe veiligheidsvraagstukken, maar beargumenteert dit
door de wereldwijde activiteit als volgt op eigen grenzen en daarmee grondgebied te
betrekken:
    ‘In deze tijden van globalisering mogen we niet onze ogen sluiten en hopen dat
    conflicten elders hun weg naar onze grenzen niet zullen vinden. Daarom zijn we
    wereldwijd actief voor vrede en veiligheid.’40
Zo meent Duitsland dat bij mogelijke inzet van NAVO-militairen buiten het verdragsgebied
een overtuigende relatie met de verdediging van het eigen grondgebied moet worden
aangetoond. Noorwegen acht het wenselijk meer evenwicht tussen NAVO-operaties ‘out
of area’ en binnen het verdragsgebied tot stand te brengen, waarbij het ook aandacht
vraagt voor het draagvlak onder de bevolking van lidstaten voor de activiteiten van de
NAVO. De AIV merkt op dat de meeste Europese landen een middenpositie innemen
tussen de Verenigde Staten die een uitbreiding van NAVO-taken voorstaan, onder meer
ten aanzien van terrorisme, energievoorzieningszekerheid en cyber defence, en de
nabuurstaten van Rusland binnen de NAVO die de nadruk leggen op nationale veiligheid
en de klassieke verdedigingstaak van de NAVO.
Een bezinning op de geografische, politieke en militaire reikwijdte van het bondgenoot-
schap is dus op zijn plaats. De NAVO is dit decennium opgetreden ver van het eigen
grondgebied en heeft bij deze operaties ook intensief samengewerkt met niet-NAVO-
lidstaten. De AIV stelt vast dat het accent daarbij is verschoven van collectieve verdedi-
ging als kerntaak naar collectieve veiligheid. Dit roept de vraag op welke prioriteiten de
NAVO nu moet stellen in de vele veiligheidsvraagstukken die zich voordoen. Moet de
nadruk (blijven) liggen op verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied of
38 Zie ook het rapport van Daniel Hamilton e.a., Alliance Reborn: An Atlantic Compact for the 21st Century,
    the Washington NATO Project (February 2009).
39 Zie ook het rapport van het Britse House of Commons, The future of NATO and European defence
    (March 2008).
40 Ministerie van Buitenlandse Zaken, Memorie van Toelichting bij de begroting voor het jaar 2010, p. 29.
                                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>verder opschuiven naar het (preventief) aanpakken van veiligheidsrisico’s ver van het
eigen grondgebied? Het betreft hier ook de keuze tussen nadruk op een regionale of
mondiale reikwijdte van de NAVO. Met name de nieuwe NAVO-lidstaten kiezen veelal voor
de eerste optie41, terwijl Nederland en een aantal andere lidstaten tenderen naar de
tweede opvatting.42
De NAVO is een bondgenootschap met een afgebakend verdragsgebied. Het is echter
geen regionale organisatie in de zin van het VN-Handvest. De belangrijkste taak en
verantwoordelijkheid van het bondgenootschap is de collectieve verdediging conform
Artikel 51 van het Handvest. Daarnaast vervult de NAVO door zijn omvang en door de
verwevenheid van interne en externe veiligheid tevens een rol in een breder geografisch
kader. De NAVO kan door middel van Artikel 4 van het Noord-Atlantisch Verdrag bijdragen
tot de aanpak van wereldwijde wapenbeheersings- en andere veiligheidsvraagstukken.
De kern van de NAVO is de verplichting van Artikel 5, de verdediging tegen fysieke
agressie van buiten tegen de leden. Artikel 4, dat politieke consultatie voorschrijft,
beslaat wel in principe alle veiligheidsvragen die door de leden van belang worden
geacht. Dat artikel is weliswaar ruimer dan Artikel 5, maar minder verplichtend, en
maakt de NAVO nog geen mondiale organisatie. De NAVO wordt op haar beurt sterk
beïnvloed door mondiale veiligheidsvraagstukken en machtsverschuivingen buiten het
eigen gebied. Dat betekent volgens de AIV niet dat de NAVO daarmee een mondiale
organisatie is of moet trachten te worden. Het bondgenootschap moet geen mondiale
politieagent willen zijn, die overal ter wereld de veiligheid kan handhaven.
De AIV adviseert de regering in het bondgenootschap duidelijk te verwoorden dat met
mondiale reikwijdte in elk geval niet wordt bedoeld dat de NAVO verantwoordelijkheid
moet nemen voor de mondiale veiligheid, want dat is niet mogelijk. Het bondgenootschap
kan onder omstandigheden wel handelend optreden bij de preventie van crises of in
antwoord op een acute crisissituatie. Ook kan de NAVO een militaire bijdrage leveren aan
de stabilisering en wederopbouw van sommige fragiele staten. Ten slotte kan de NAVO
ondersteuning bieden aan crisisbeheersingsoperaties van de VN, de EU en de Afrikaanse
Unie (AU), onder meer op het gebied van Security Sector Reform. De AIV adviseert om voor
out of area operaties duidelijke criteria te hanteren, zoals aanbevolen in hoofdstuk III.
II.4      Relatie met Rusland
De nieuwe secretaris-generaal van de NAVO, Anders Fogh Rasmussen, heeft bij zijn
aantreden aangekondigd dat de relatie met Rusland bijzondere aandacht vraagt.43
Daarvoor is inderdaad een aantal redenen. Er zijn belangrijke gemeenschappelijke
punten op de agenda’s van Rusland en de NAVO. Rusland is een nucleaire mogendheid
en een permanent lid van de VN-Veiligheidsraad met vetorecht. Het Westen en Rusland
41 ‘An open letter to the Obama Administration from Central and Eastern Europe’, Gazeta Wyborcza,
    15 July 2009.
42 Minister en staatssecretaris van Defensie, beleidsnota Wereldwijd Dienstbaar, Den Haag (18 september
    2007). The Washington NATO Project, Alliance Reborn: An Atlantic Compact for the 21st Century
    (February 2009).
43 Toespraak Anders Fogh Rasmussen, NATO and Russia. A New Beginning, Carnegie Endowment Brussels,
    18 September 2009.
                                                    22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>hebben elkaar onder meer nodig om belangrijke veiligheidsvraagstukken met betrekking
tot Iran en Noord-Korea aan te pakken. Rusland grenst aan Centraal Azië en heeft
invloed in het Midden-Oosten. Ook is het van belang met Rusland te overleggen over de
juiste aanpak van terrorisme. Verder zijn veel Europese NAVO-landen voor een belangrijk
deel afhankelijk van Rusland voor hun energievoorziening (met name gas).
De nabuurstaten van Rusland binnen de NAVO hebben door hun geografische ligging en
recente historische ervaringen een andere perceptie van de (latente) veiligheidsrisico’s
die uitgaan van Rusland dan de Verenigde Staten en West-Europa. Rusland heeft
inzake Zuid-Ossetië en Abchazië het principe van de onschendbaarheid van nationale
grenzen geschonden. Er zijn voorts zorgen over de rechtsstatelijkheid en democratie
van Rusland. Voor de nabuurstaten van Rusland binnen de NAVO geldt de collectieve
verdediging van het eigen grondgebied als hoogste prioriteit. Om die reden verlangen
deze landen harde veiligheidsgaranties die alleen de NAVO, en in het bijzonder de
Verenigde Staten, kunnen bieden. In dit verband wordt gesteld dat het ‘nieuwe Europa’
de ‘oude NAVO’ wil behouden.
De beste manier om met Rusland een veiligheidsdialoog te voeren is te praten vanuit
een duidelijke NAVO-agenda met als uitgangspunt dat Rusland geen exclusieve eigen
invloedssfeer kan worden toegestaan, die afbreuk zou kunnen doen aan de onafhanke-
lijkheid van zijn nabuurstaten.44 Probleem is echter dat de Europese NAVO-landen geen
eenduidig beleid voeren ten aanzien van Rusland, omdat individuele landen zich in ster-
ke mate laten leiden door hun economische betrekkingen met Rusland. Dit bemoeilijkt
een gemeenschappelijke opstelling van de NAVO in haar dialoog met Rusland. De NAVO-
Rusland Raad blijft het meest geschikte forum voor deze dialoog.
Het lijkt in het belang van Rusland een zakelijke verstandhouding met de NAVO en de
EU te houden en onderliggende spanningen niet ernstig en blijvend te vergroten. Ook al
staat het land niet positief tegenover beide organisaties, het heeft goede betrekkingen
met de lidstaten nodig voor stabiliteit en economische betrekkingen. Uitbreiding van de
NAVO met Oekraïne en Georgië zou een zware wissel trekken op de relatie met Rusland.
De Russische bezwaren tegen de toetreding van deze landen mogen echter niet
de doorslaggevende factor zijn bij toekomstige besluitvorming daaromtrent.
De AIV acht het van groot belang in het nieuwe Strategisch Concept de nadruk te leggen
op een constructieve relatie met Rusland. De AIV is van mening dat een herbevestiging
en concretisering van de bondgenootschappelijke veiligheid en solidariteit in het nieuwe
Strategisch Concept, gebaseerd op Artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag, kan
bijdragen tot een meer open en constructieve opstelling van het ‘nieuwe Europa’ ten
opzichte van Rusland.
II.5     Relatie met de EU
De NAVO en de EU hebben vergelijkbare democratische uitgangspunten en belangen.
Beide organisaties nemen hun besluiten op veiligheidsgebied op basis van consensus.
In enkele crisisbeheersingsgebieden zijn zij beide aanwezig. De politieke aansturing
in de NAVO berust bij de Noord-Atlantische Raad die op alle niveaus – permanente
vertegenwoordigers, ministers en regeringsleiders – vergadert onder leiding van de
secretaris-generaal. In de EU ligt de aansturing bij het Politiek en Veiligheidscomité op
44 In overeenstemming met het ‘Charter van Parijs voor een Nieuw Europa’, 21 november 1990.
                                                   23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>ambassadeursniveau met daarboven de Raad van Ministers van Buitenlandse Zaken,
die sedert de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wordt voorgezeten door
de Hoge Vertegenwoordiger, tevens eerste vicepresident van de Europese Commissie.
De verwachting is dat de EU hierdoor meer coherent zal kunnen optreden en beter zal
kunnen bijdragen aan de opbouw van staatsstructuren en de sociaal-economische
ontwikkeling in door gewelddadige conflicten verscheurde samenlevingen.
De EU heeft in 2003 al een Veiligheidsstrategie aanvaard, die zich onder meer richt op
uitvoering van de zogenoemde Petersbergtaken.45 In december 2008 zijn hier conflictpre-
ventie en de ontwapening van combattanten bij gekomen. In het Verdrag van Lissabon
zijn deze taken in Artikel 10 A omschreven als ‘handhaving van de vrede, voorkoming
van conflicten en versterking van de internationale veiligheid, overeenkomstig de doel-
stelling en de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, de beginselen van
de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, met inbegrip
van de doelstellingen betreffende de buitengrenzen’.
De EU heeft inmiddels 23 grotendeels civiele crisisbeheersingsoperaties uitgevoerd,
veelal van kleinschalige omvang. De EU beschikt over een Operatiecentrum dat geschikt
is voor kleinschalige operaties met een civiel-militair karakter en steunt bij militaire
operaties hetzij op een nationaal hoofdkwartier van een lidstaat hetzij op een NAVO-
hoofdkwartier en verbindingsysteem. Voor de voorzienbare toekomst geldt zowel voor
de NAVO als de EU dat zonder een bijdrage van de Verenigde Staten grotere militaire
operaties onmogelijk zijn. Enige taakverdeling zal van geval tot geval moeten worden
bekeken, maar men kan de EU niet het recht ontzeggen voorzieningen te treffen voor
autonome operaties. In de Verklaring van Washington46 (1999) onderschrijft de NAVO
overigens de mogelijkheid van zelfstandig militair optreden door de EU in situaties
waarin het bondgenootschap als geheel niet wil optreden.
De samenwerking tussen de EU en de NAVO is sinds 2003 verankerd in de permanente
EU-NAVO regelingen, beter bekend als de ‘Berlijn-plus’ overeenkomst. Deze omvat afspra-
ken over consultaties in tijden van crisis en het voorkomen van onnodige duplicatie, en
bevat tevens een veiligheidsovereenkomst voor de uitwisseling van informatie (security
agreement). ‘Berlijn-plus’ is echter vooral gericht op de militaire aspecten van samenwer-
king. Voor samenwerking tussen een EU civiele missie en een NAVO militaire operatie in
hetzelfde gebied, zoals in Kosovo en Afghanistan, bestaat geen vast kader. Aangezien
beide organisaties elkaar hier extra kunnen steunen, zal vooral daaraan gewerkt moeten
worden.47
Periodiek komen de permanente Noord-Atlantische Raad en het Politiek en Veiligheids-
comité van de EU bijeen, maar de consultaties beperken zich tot Bosnië als enige geval
waar de ‘Berlijn-plus’ regeling van toepassing is. Voormalig NAVO secretaris-generaal De
Hoop Scheffer vestigde herhaaldelijk de aandacht op de gebrekkige samenwerking.
45 Petersbergtaken: humanitaire taken of evacuatiemaatregelen, vredeshandhaving, en gevechtstaken in het
    kader van crisisbeheersing, inclusief acties voor het herstel van de vrede.
46 Article 9a of the Declaration of the Washington Summit issued by the Heads of State and Government
    participating in the meeting of the North Atlantic Council in Washington, D.C., on 24th April 1999.
47 Toespraak Jaap de Hoop Scheffer bij het High-level seminar on relations between the European Union and
    NATO, 7 juli 2008.
                                                       24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Soms is de relatie te velde beter, maar voor de toekomst is dringend verbetering gebo-
den. Daarnaast speelt dat voor de Verenigde Staten de NAVO het belangrijkste forum is
voor overleg met Europa, maar dat zij inmiddels ook de veiligheidsrol van de EU ten volle
omarmen. Zo nemen de Verenigde Staten deel aan civiele missies van de EU, bijvoor-
beeld in Kosovo.
Kernprobleem is dat er geen afspraken en structuren zijn om de politieke besluitvorming
in de NAVO Raad en de Raad voor Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB) van
de EU goed op elkaar af te stemmen.48 Het is derhalve nodig te werken aan een kader
voor afstemming. Onderwijl zou bijvoorbeeld een maandelijks overleg kunnen plaatsvinden
tussen de voorzitters van de NAVO Raad en de Raad Buitenlandse Zaken (RZB) van de EU.
De bilaterale problemen tussen Cyprus – dat wel lid is van de EU, maar niet van de NAVO
en ook geen veiligheidsovereenkomst met de NAVO heeft gesloten – en Turkije – dat wel
lid is van de NAVO, terwijl de toetredingsonderhandelingen tot de EU moeizaam verlopen –
leiden ertoe dat formele samenwerking tussen beide organisaties verhinderd wordt. Hoewel
vooralsnog niet duidelijk is hoe en waar nieuwe verbindingen tussen beide organisaties te
leggen zijn, is het van belang overeenstemming te bereiken over de comparatieve voordelen
van beide organisaties, die als kader kunnen dienen voor nadere onderlinge afspraken.49
De AIV is van mening dat zich met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon
nieuwe kansen voordoen om de coördinatie en samenwerking met de EU op een hoger
plan te brengen. Tevens dient het Strategisch Concept nauw afgestemd te worden op de
Europese Veiligheidsstrategie.50
II.6      Relaties met andere internationale spelers
Het is niet doenlijk scherp af te bakenen welke internationale organisaties voor welke
veiligheidsvraagstukken en regio’s verantwoordelijk zijn. Er zijn diverse dwarsverbanden
en overlappingen. Het is ook moeilijk maar wel wenselijk te bepalen welke instrumenten
(politiek, diplomatiek, economisch, ontwikkelingssamenwerking, militair, humanitair) en
internationale organisaties in welke omstandigheden het geschikst zijn. De ervaringen in
de Balkan en Afghanistan hebben bijvoorbeeld geleerd dat de NAVO andere internationale
organisaties nodig heeft om de civiele- en wederopbouwaspecten van een crisisbeheer-
singsoperatie te integreren met de militaire aspecten. In situaties waar een breed 3D-
perspectief nodig is kan de NAVO daarin niet zelfstandig voorzien. Strategische samen-
werking met de VN en de EU alsmede betere contacten met bijvoorbeeld de Afrikaanse
Unie en China zijn nodig om te komen tot effectieve samenwerking ten aanzien van de
comprehensive approach in fragiele staten.
De AIV stelt vast dat de NAVO andere internationale organisaties en/of landen nodig heeft
om te komen tot effectieve samenwerking ten aanzien van de comprehensive approach in
fragiele staten.
48 Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is de RAZEB gesplitst in de Raad Algemene Zaken
    (RAZ) en de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ). De RBZ werkt het externe optreden van de Europese Unie
    uit conform de door de Europese Raad vastgestelde strategische lijnen.
49 Zie ook AIV-advies nummer 45, Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, Den Haag, juli 2005.
50 European Security Strategy, A Secure Europe in a Better World (December 2003) en Report on the
    Implementation of the European Security Strategy: Providing Security in a Changing World (December 2008).
                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>II.7     Uitbreiding van de NAVO
De NAVO heeft sinds 1990 een snelle uitbreiding ondergaan en telt thans 28 lidstaten.
Hierdoor is het oorspronkelijke Noord-Atlantisch gebied aanzienlijk vergroot en zou thans
beter van een Euro-Atlantisch gebied kunnen worden gesproken. Dit proces heeft een
grijze zone in Midden-Europa voorkomen en samen met de uitbreiding van de Europese
Unie geleid tot een grotere saamhorigheid en stabiliteit. Het aantal landen dat eveneens
zou willen toetreden is beperkt, maar roept problemen op. Macedonië voldoet aan de
eisen voor lidmaatschap, maar wacht op instemming van Griekenland waarmee het een
geschil heeft over de naam van het land. Bosnië-Herzegovina en Montenegro hebben
het (kandidaat-) lidmaatschap aangevraagd, evenals Georgië en Oekraïne. Een bruikbaar
kader om de lidmaatschapsaspiraties van individuele landen te toetsen wordt gevormd
door de aandachtspunten uit de NAVO-uitbreidingsstudie uit 1995:
• een functionerend democratisch bestel in combinatie met een (sociale)
    markteconomie;
• democratische politiek-militaire relaties en structuren;
• de gelijke behandeling van minderheden in eigen land;
• een commitment tot vreedzame oplossing van conflicten;
• een commitment tot bevordering van goede betrekkingen met nabuurstaten, die alle
    landen in het Euro-Atlantische gebied ten goede komen, zowel NAVO-lidstaten als niet-
    NAVO-lidstaten;
• de bereidheid en mogelijkheid met militaire middelen bij te dragen aan NAVO-
    operaties.51
De AIV voegt hier aan toe dat het kandidaat-lid duidelijk moet zijn gecommitteerd aan
de uitvoering van de internationale verdragen inzake de rechten van de mens en het
internationale humanitaire recht en strafrecht.
De discussie over toetreding van Georgië en Oekraïne stelt de NAVO voor belangrijke
vragen:
1. Wat is het democratisch gehalte en de rechtsstatelijkheid van beide landen? Staten
    die willen toetreden tot de NAVO moeten immers aan minimumvereisten voldoen van
    democratische rechtsstatelijkheid.
2. Zal een proces van toetreding tot (nog) meer instabiliteit in beide landen leiden en
    wat betekent dit voor hun interne en externe veiligheid? Georgië kampt met twee
    regionale afscheidingen (Abchazië en Zuid-Ossetië) en een Russische troepenmacht
    op zijn grondgebied. Oekraïne is politiek zeer verdeeld in een pro-Russische stroming
    en een pro-westerse stroming.52 Activiteiten van Rusland komen de stabiliteit van
    deze buurlanden niet ten goede.
Uitbreiding van de NAVO met landen buiten het Euro-Atlantisch verdragsgebied, waar-
onder Japan, Zuid-Korea, Australië en Nieuw-Zeeland ligt niet voor de hand. Dan zou de
NAVO immers een bondgenootschap van vier continenten worden dat tevens de veilig-
heidsvraagstukken in het Verre Oosten zou moeten aanpakken. Het bereiken van over-
eenstemming tussen alle lidstaten over gemeenschappelijk ervaren veiligheidsproble-
men die om een gezamenlijke aanpak vragen, zou in dat geval nog moeilijker worden.
51 Study on NATO Enlargement (September 1995).
52 Zie ook AIV-advies nummer 61, De samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland: een zaak van
    wederzijds belang, Den Haag, juli 2008.
                                                 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De AIV adviseert tot een behoedzame uitbreidingsstrategie die vasthoudt aan de
aandachtspunten uit de bovenvermelde NAVO-uitbreidingsstudie uit 1995.
II.8     (Non-)proliferatie van massavernietigingswapens en ontwapening
De NAVO treedt niet op als actor in wereldwijde fora voor wapenbeheersing en non-proli-
feratie van massavernietigingswapens. De belangrijkste reden hiervoor is dat het bond-
genootschap als zodanig geen diplomatieke rol speelt en zich vooral met de militaire as-
pecten bezighoudt. De NAVO komt wel in beeld wanneer het om raketverdediging gaat en
de militaire bescherming tegen de dreiging van chemische, biologische en radiologische
wapens. Deze militaire aspecten hebben grote politieke betekenis.
Kernwapens
Men onderscheidt twee functies van kernwapens: een politieke, namelijk de afschrikkende
en weerhoudende werking, en een militaire, namelijk de inzet van kernwapens mocht de
afschrikking falen. Ten tijde van de Koude Oorlog werden de kernwapens van de NAVO
vooral gezien als afschrikking van massale agressie met conventionele wapens tegen
Europese NAVO-leden en hebben zij zeer waarschijnlijk een oorlogsvoorkomend effect ge-
had. Het afschrikkingsevenwicht functioneerde in de Koude Oorlog in een bipolaire situ-
atie met twee supermachten. Het huidige wereldbestel verschilt daar aanzienlijk van en
is minder stabiel. Het aantal kernwapenstaten is toegenomen. Vooral de situatie in het
Midden-Oosten baart zorgen. In dat licht is de beperking van het aantal kernwapenstaten
en de aantallen kernwapens van groot belang.
In het nieuwe strategisch concept dient volgens de AIV de betekenis van kernwapens
voor de NAVO-strategie te worden verminderd. Deze hebben niet meer zo’n grote rol als
in de tijd van de Koude Oorlog tussen Oost en West, ook al blijft de feitelijke wederzijdse
nucleaire afschrikking bestaan. De Verenigde Staten en Rusland hebben opeenvolgende
afspraken gemaakt over een forse vermindering van het aantal kernkoppen aan beide
zijden. Ook is de rol van tactische (niet-strategische) kernwapens – zo hier nog behoefte
aan bestaat – thans veel kleiner dan in de oude NAVO-strategie van flexible response.
Terzijde kan worden opgemerkt dat er nog vele duizenden tactische kernwapens uit de
oude voorraden van de toenmalige Sovjet-Unie op ontmanteling wachten en dat deze als
zodanig een risico vormen dat in samenwerking met Rusland moet worden opgelost.
Het is thans onwaarschijnlijk dat Rusland of andere staten de NAVO-leden met kern-
wapens zullen bedreigen, al kan een kernwapendreiging in theorie niet geheel worden
uitgesloten, gezien bijvoorbeeld de kans op een toekomstige bedreiging met mogelijke
Iraanse kernwapens. De vraag doet zich voor of de NAVO voor de thans voornamelijk
theoretische dreiging van agressie met kernwapens tegen Europese bondgenoten nog
het inmiddels kleine aantal Amerikaanse, Britse en Franse kernwapens in Europa nodig
heeft.
Het streven naar kernwapenvermindering en uiteindelijk algehele kernontwapening is
versterkt door de langetermijnvisie van president Obama op een kernwapenvrije wereld,
                                              27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>waar velen zich achter hebben geschaard.53 Ook in Nederland gaan thans vergelijkbare
stemmen op van gezaghebbende personen.54 Op de kortere termijn van vijf tot tien jaar,
waar dit advies over het strategisch concept van de NAVO zich op richt, kan een aantal
NAVO-leden bijdragen in deze richting leveren. De AIV meent dat het aantal kernwapens
allereerst via bilaterale onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en Rusland, ver-
der aanzienlijk moet worden verminderd. Overeenstemming tussen de Verenigde Staten
en Rusland over verdere reducties van kernkoppen en hun overbrengingsmiddelen zou
een belangrijke stimulans zijn voor het Non-Proliferatie Verdrag.
Het debat over de rol van kernwapens, hun aantallen, en de noodzaak en wenselijkheid
van hun aanwezigheid in Europese landen moet NAVO-breed worden gevoerd en niet
worden vernauwd tot een Nederlands vraagstuk, te weten of nog resterende kernwapens
die mogelijk ook in Nederland zijn opgeslagen naar de Verenigde Staten moeten worden
teruggebracht. Die vraag moet in goed overleg met de bondgenoten worden beantwoord.
Nederland zou zich kunnen aansluiten bij eerdere voorstellen van andere NAVO-landen.55
De onderhandelingen met de Verenigde Staten zouden erop gericht moeten zijn te komen
tot beëindiging of in elk geval vermindering van de aanwezigheid van kernwapens op
het grondgebied van niet-kernwapenstaten. Daarbij moet uiteraard mede in aanmerking
worden genomen in hoeverre zulk een wijziging een bijdrage kan zijn tot multilaterale
vermindering van alle tactische kernwapens in Europa, ook in Rusland. Ook de vraag of
de bondgenootschappelijke solidariteit betekent dat op dit punt lasten ook symbolisch
gespreid moeten blijven, kan door Nederland in het bondgenootschap aan de orde
worden gesteld.
De rol van kernwapens kan worden ingeperkt tot nucleaire afschrikking, uitsluitend ten-
einde andere staten ervan te weerhouden hun massavernietigingswapens tegen leden
van het bondgenootschap in te zetten. In het kader van het non-proliferatiebeleid zou
men nog een stap verder kunnen gaan door deze afschrikking te beperken tot afschrik-
king van alleen het gebruik van nucleaire wapens.56 Zo’n beperking tot massavernie-
tigingswapens of nucleaire wapens, waartoe de drie NPV kernwapenstaten binnen de
NAVO zich zouden kunnen bekennen, houdt een versterking in van het internationale
streven de verdere verspreiding van kernwapens tegen te gaan, maar zou, zoals gezegd,
eerst onderwerp van nader bondgenootschappelijk overleg moeten zijn.
53 Toespraak president Barack Obama te Praag, 5 April 2009. Zie: <http://www.whitehouse.gov/the_press_
    office/Remarks-By-President-Barack-Obama-In-Prague-As-Delivered/>. Zie ook de artikelen van Henry
    Kissinger/George Shultz/William Perry/Sam Nunn, A World Free of Nuclear Weapons en Toward a Nuclear-
    Free World in de Wall Street Journal van respectievelijk 4 January 2007 en 15 January 2008. Douglas
    Hurd/Malcolm Rifkind/David Owen/George Robinson, Start worrying and learn to ditch the bomb, Times,
    30 June 2008; Helmut Schmidt/Richard von Weizsäcker/Egon Bahr/Hans-Dietrich Genscher, Toward a
    nuclear-free world: a German view, International Herald Tribune, 9 January 2009.
54 Ruud Lubbers/Max van der Stoel/Hans van Mierlo/Frits Korthals Altes, Op naar een kernwapenvrije
    wereld. NRC Handelsblad, 23 november 2009. Zie ook Ko Colijn, De Bende van Vier, die kernwapens wil
    afschaffen, kan uitgroeien tot een Bende van Bendes, Vrij Nederland, 23 november 2009, p. 7.
55 Zo bepleit Duitsland in het bondgenootschappelijk overleg over een nieuw Strategisch Concept de terug-
    trekking van nog resterende kernwapens op Duits grondgebied.
56 In dit verband wordt ook wel gesproken over core deterrence.
                                                      28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>De vraag voor de langere termijn is, of het mogelijk kan worden gemaakt de wereld
vrij te maken van alle nucleaire bewapening, dus ook die van China, Pakistan, India,
Israël, Noord-Korea, in de toekomst mogelijkerwijs Iran, en eventuele andere, al dan niet
erkende of bekende kernwapenstaten. Tijdens de komende NPV-Toetsingsconferentie
in mei 2010 zou die vraag centraal moeten staan. De NAVO, met name de drie
lidstaten die tevens kernwapenstaten zijn, en de EU en hun lidstaten hebben daarin
een duidelijke bijdrage te leveren. De AIV realiseert zich overigens dat een volledig
kernwapenvrije wereld veel meer vereist dan het overreden van officiële en niet-
officiële kernwapenstaten om hun arsenalen op te geven. Zo zal een door alle landen
geaccepteerd betrouwbaar inspectiesysteem nodig zijn, met inbegrip van de controle op
het civiele gebruik van kernenergie, dat veelal als een inbreuk op de soevereiniteit wordt
opgevat. De ervaring met bestaande, aanmerkelijk minder vergaande systemen toont
aan hoe moeilijk dat is. Ook kan de kennis om kernwapens te maken niet ongedaan
gemaakt worden.
II.9       Publieke steun
In veel NAVO-landen, waaronder Nederland, bestaan zorgen over het maatschappelijk
draagvlak voor militaire operaties out of area.57 De AIV stelde in 2006 dat vijf politieke
en sociale factoren de voornaamste verklaring vormen voor publieke steun aan de
internationale inzet van militairen te weten:
1. Legitimiteit: de mate waarin politieke handelingen van gezagsdragers door burgers
    als gerechtvaardigd en juist worden ervaren en gelegitimeerd zijn door rechtsgeldige
    besluiten van internationale organisaties als VN en NAVO;
2. Belangen en waarden: de doelstellingen die met het militaire optreden worden
    beoogd;
3. Succes: het verwachte of bereikte resultaat van een militaire operatie;
4. Leiderschap: als deel van de kwaliteit van het besluitvormingsproces om aan te tonen
    waarom militaire inzet nodig is;
5. Kosten: waaronder vooral het risico op slachtoffers oefenen een negatieve invloed uit
    op de steun aan militaire operaties.58
Ten aanzien van het risico van slachtoffers (punt 5) gaf de Nederlandse samenleving bij
de huidige missies evenwel blijk van bereidheid een eenmaal begonnen missie niet te
willen beëindigen wegens het vallen van slachtoffers. Voorts speelt risk sharing een be-
langrijke rol bij het maatschappelijk draagvlak voor militaire operaties en de solidariteit
tussen lidstaten. Voor het behoud van publieke steun voor de internationale inzet van
militairen is het ook van belang achteraf verantwoording af te leggen over deze inzet.
De AIV is van mening dat de bevordering van publieke steun voor de activiteiten van de
NAVO in het nieuwe Strategisch Concept een belangrijke rol moet spelen. Het Strategisch
Concept – maar uiteraard nog meer het daarop stoelende concrete beleid – moet daarom
een breed publiek duidelijk kunnen maken waar de NAVO voor staat.
57 Opinieonderzoek van onderzoeksbureau TNS/NIPO onder de Nederlandse bevolking dat uitgevoerd is in
    december 2009 wijst uit dat een meerderheid (60%) van de ondervraagden voorstander is van toekomstige
    militaire operaties van de NAVO buiten het Europese grondgebied (Persbericht Atlantische Commissie,
    12 januari 2010).
58 AIV-advies nummer 48, Maatschappij en Krijgsmacht, Den Haag, april 2006, p. 28.
                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>II.10    Hervormingen binnen de NAVO
De NAVO heeft de organisatiestructuur niet of nauwelijks aangepast aan de uitbreiding
van het aantal lidstaten en de uitbreiding van haar takenpakket out of area. Hervormin-
gen binnen de NAVO-organisatie zijn daarom nodig ter verbetering van de besluitvorming,
daadkracht, doelmatigheid en solidariteit binnen het bondgenootschap. Hervormingen
kunnen betrekking hebben op de structuur en werkwijze van het hoofdkwartier in Brussel,
de NAVO-commandostructuur en de Force Structure. Sommige landen zijn van mening
dat er eerst een herzien strategisch concept moet zijn, alvorens over aanpassing van het
hoofdkwartier kan worden gesproken. Nederland en andere landen zijn – terecht – van
mening dat beide trajecten parallel moeten verlopen.
De laatste aanpassing van de NAVO-commandostructuur had plaats na de Top van Praag
in 2002.59 Verdere aanpassingen zijn de afgelopen jaren wel onderwerp van discussie
geweest, maar nationale belangen hebben een verdere rationalisatie vooralsnog tegen-
gehouden.
De NATO Response Force (NRF), die werd opgericht na de Top van Praag, heeft een
positieve rol gespeeld bij de transformatie naar een meer expeditionaire krijgsmacht
in met name de nieuwe NAVO-lidstaten. Deze transformatie moet naar de mening van
de AIV met kracht worden voortgezet en is van belang voor zowel Artikel 5 als non-
Article 5 Crisis Response Operations. Succesvolle inzet in complexe non-Article 5 Crisis
Response Operations draagt ook bij tot het onderling vertrouwen om in voorkomend
geval Artikel 5 operaties aan te kunnen. De NRF is een unieke capaciteit waarmee snel
opgetreden kan worden in zeer uiteenlopende crisissituaties (van natuurrampen tot een
escalerend conflict). De inzet is vooralsnog echter beperkt gebleven tot het verlenen van
humanitaire hulp bij orkaan Katrina en de aardbeving in Pakistan in 2005. Bovendien
heeft de grote vraag naar troepen in lopende crisisbeheersingsoperaties geleid tot
problemen met de personele bezetting van de NRF.
Bij de NAVO-Top van Straatsburg/Kehl van april 2009 hebben de regeringsleiders en
staatshoofden van de NAVO het belang van een snel inzetbare, geloofwaardige NRF, able
to respond to new and unpredicted crisis for either collective defence or crisis response
operations beyond Alliance borders, herbevestigd.60
De effectiviteit van de NAVO wordt vooral bepaald door het proces van politieke
consultatie, gericht op het bereiken van consensus. De AIV is van mening dat het
consensusprincipe niet moet worden gezien als een recht op veto, maar als bereidheid
om te worden overtuigd door de meerderheid indien men een minderheidsstandpunt
inneemt en er geen wezenlijke nationale belangen op het spel staan.
Het nieuwe Strategisch Concept moet naar de mening van de AIV een samenhangende
visie op de aard van toekomstige missies en de mogelijke bijdrage van de NRF aan die
missies bevatten.
59 Prague Summit Declaration issued by the Heads of State and Government participating in the meeting of
    the North Atlantic Council in Prague on 21 November 2002.
60 Strasbourg/Kehl Summit Declaration issued by the Heads of State and Government participating in the
    meeting of the North Atlantic Council in Strasbourg/Kehl on 4 April 2009.
                                                      30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>II.11     Solidariteit en lastenverdeling
De NAVO is gebaseerd op het principe van solidariteit bij de verdediging van het bond-
genootschappelijk grondgebied en bij overeengekomen andere NAVO-taken. Deze soli-
dariteit moet zich ook vertalen in een eerlijke lastenverdeling. Het gaat hierbij zowel om
operationele en financiële lastenverdeling (burden sharing en cost sharing) als om de
bereidheid risico’s te delen bij militaire inzet (risk sharing). In de internationale beoorde-
ling van risk sharing is vooral de bereidheid om met grondtroepen bij te dragen aan
crisisbeheersingsoperaties bepalend.
Van oudsher bestaat een verschil tussen de Verenigde Staten en de Europese bondge-
noten, waarbij de Amerikanen op militair gebied de zwaarste lasten dragen. Vooral het
gegeven dat het defensiebudget van de meeste Europese NAVO-landen ver onder de 2%-
norm ligt, is in de Verenigde Staten onderwerp van voortdurende kritiek. Naar aanleiding
van met name de ISAF-operatie in Afghanistan is er opnieuw discussie ontstaan, ook
tussen de Europese landen over een eerlijke onderlinge lastenverdeling, de politieke
samenhang en de solidariteit binnen het bondgenootschap.
Het debat over lastenverdeling is altijd politiek – wat is binnen de bestaande verhoudin-
gen wenselijk en (nog) politiek aanvaardbaar als het gaat om de lastenverdeling – en
de vaststelling ervan is geen exacte wetenschap. Dat laatste wordt overigens vaak wel
gesuggereerd, bijvoorbeeld door de defensie-uitgaven van de NAVO-lidstaten tegen elkaar
af te zetten. Uitgaven, zowel in relatieve als in absolute zin, zeggen veel, maar lang niet
alles. Minstens zo relevant is de wijze waarop het geld wordt besteed en de bereidheid
de beschikbare middelen in voorkomende gevallen ook metterdaad in te zetten.
Het mechanisme van common funding is thans slechts zeer beperkt van toepassing en
dan nog vooral voor infrastructuur in de lidstaten zelf. Dit kan worden verbreed naar de
versterking van operationele capaciteiten, bijvoorbeeld de opbouw van facilitaire voor-
zieningen zoals basiskampen en de inzet van transportcapaciteit in operatiegebieden.
Daardoor kan het voor landen ook aantrekkelijker worden deel te nemen aan crisis-
beheersingsoperaties.
Lastenverdeling wordt bij de NRF bezien over een langere periode waarbij landen aan
sommige rotaties meer en aan andere minder bijdragen. Bij de inzet van de NRF draaien
de deelnemende landen zelf volledig op voor de kosten, volgens het principe van costs
lie where they fall.
De AIV beveelt aan het common funding-mechanisme voor crisisbeheersingsoperaties en
de NRF uit te breiden om tot een betere lastenverdeling te komen.61
61 Nederland heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend de kosten van de NRF die niet vooraf door
    de lidstaten kunnen worden begroot, de zogeheten variabele kosten, voor common funding in aanmerking
    moeten komen.
                                                   31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>III      Conclusies en aanbevelingen
In de inleiding van dit rapport werd een pleidooi gehouden voor een kernachtig
Strategisch Concept met een horizon van vijf tot tien jaar. Dat vraagt om duidelijke
keuzes ten aanzien van de kerntaken van de NAVO in het komende decennium en de
verhouding tot andere internationale organisaties. De AIV ziet de volgende kernpunten
in het overleg over een nieuw Strategisch Concept zowel voor Nederland als voor de
kansen op een succesvolle afronding van de onderhandelingen hierover:
1. een herwaardering van Artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag op een wijze die de
    bondgenootschappelijke solidariteit onderstreept, maar tegelijk rekening houdt met
    de veranderende veiligheidssituatie en nieuwe dreigingen;
2. criteria voor expeditionair optreden buiten het verdragsgebied op basis van de
    belangen van lidstaten, de volkenrechtelijke legitimatie, een samenhangende civiel-
    militaire aanpak, alsmede de omvang en capaciteiten van de beschikbare militaire
    eenheden van de lidstaten;
3. nadruk op intensivering van de politieke dialoog over veiligheidskwesties;
4. verbetering van de samenwerking tussen de NAVO en de EU binnen een
    comprehensive approach;
5. een veiligheidsdialoog en mogelijke samenwerking met Rusland;
6. de rol van de NAVO bij wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie.
Deze kernpunten worden behandeld bij de concrete beantwoording van de door de
regering gestelde vragen.
Regeringsvraag
Welke betekenis hebben de oorspronkelijke doelstellingen van de NAVO in de 21ste
eeuw, rekening houdend met de actuele veiligheidsdreigingen en de evolutie die zich
sinds 1999 heeft voltrokken?
In het vorig hoofdstuk is gewezen op de discussie over de reikwijdte van Artikel 5 van
het Noord-Atlantisch Verdrag. Wanneer is er sprake van een gewapende aanval op een
bondgenoot en kan de bijstand van andere NAVO-lidstaten ingeroepen worden? Omdat
Artikel 5 de hoeksteen is van de collectieve verdediging en de bondgenoten concrete
veiligheidsgaranties verlangen, heeft blijvende concentratie op dit artikel de voorkeur.
Het gevaar van een sterke verruiming van de functionele en geografische reikwijdte van
het bondgenootschap is dat deze in de praktijk niet goed zou werken vanwege militaire
tekortkomingen en complexe politieke situaties die de NAVO niet met militaire middelen
alleen kan wijzigen.
Wat moet onder armed attack uit Artikel 5 worden verstaan? Het is niet goed mogelijk
vooraf een sluitende, exclusieve lijst te maken van dergelijke gevallen, omdat de aard
daarvan in de voorzienbare toekomst snel kan veranderen en het bondgenootschap
dan naar bevind van zaken moet kunnen oordelen. De Noord-Atlantische Raad kan het
beste de ‘jurisprudentie’ inzake agressie tegen de leden verder ontwikkelen al naar
gelang de praktijk daartoe aanleiding geeft. Voorop moet staan dat Artikel 5 gaat over
een gewapende aanval, dat wil zeggen een fysieke agressie van buitenlandse oorsprong
tegen een lidstaat die zijn veiligheid, territorium, bevolking, essentiële staatsinstellingen
of vitale belangen daardoor bedreigd ziet. Bij een ernstige dreiging van agressie moet de
Noord-Atlantische Raad van geval tot geval, en waarschijnlijk snel, bepalen of Artikel 5
zich voordoet.
                                               32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>De AIV concludeert dat de Artikelen 5 en 4 van het Noord-Atlantisch Verdrag centraal be-
horen te staan. Artikel 5, de verplichting tot collectieve verdediging bij een (omvangrijke
terroristische) aanval op bondgenootschappelijk grondgebied, blijft de hoeksteen van het
bondgenootschap, ook al is er thans geen actuele dreiging van grootschalige militaire
agressie jegens de NAVO-leden. Het lijkt niet zinvol en bovendien onhaalbaar de bewoor-
dingen van dit artikel te wijzigen. Wel kunnen in het Strategisch Concept hieraan enige
overwegingen worden toegevoegd.
Invulling van de collectieve verdediging van het eigen grondgebied
Herbevestiging van Artikel 5 in het nieuwe Strategisch Concept is op zichzelf echter niet
voldoende. Een geloofwaardige invulling van de collectieve verdediging van het eigen
grondgebied is vereist om de solidariteit tussen de NAVO-lidstaten zichtbaar te maken.
Voor de oude leden van de NAVO is er meer behoefte aan politieke consultaties en aan
gezamenlijk optreden in crisisbeheersingsoperaties. Voor de nieuwe leden is er echter
behoefte aan concretisering van de veiligheidsgarantie, bijvoorbeeld door een vorm van
contingency planning. Wil men echter tegelijkertijd een constructieve relatie met Rusland
bevorderen, dan zal een dergelijke contingency planning alleen generiek kunnen zijn,
omdat zij anders als provocerend zal worden opgevat. Daarom zal de door de NAVO voor
de nieuwe dreigingen gehanteerde stelling dat onze strijdkrachten flexibel en mobiel
moeten zijn, algemeen gemaakt moeten worden en ook voor Artikel 5-scenario’s moeten
gelden. Dergelijke strijdkrachten zijn dan ook in staat snel bijstand te verlenen. Die
flexibiliteit en mobiliteit kunnen in militaire oefeningen worden aangetoond en bevorderd.
Een tweede vraag betreft de toepasselijkheid van Artikel 5 op grootschalige terroristische
aanvallen of aanwijzingen daartoe, evenals andere niet-militaire dreigingen die onze
maatschappij kunnen ontwrichten. Hier zou aansluiting gezocht kunnen worden bij de
solidariteitsclausule in het Verdrag van Lissabon, die de bereidheid uitspreekt om op
verzoek van de betrokken staat hulp te verlenen bij terroristische aanvallen en andere
calamiteiten. De rol van de NAVO buiten het verdragsgebied is door verschillende
oorzaken gegroeid. De VN bleken op enkele cruciale momenten niet in staat conflicten
tot een einde te brengen en beschikten niet over de middelen om mandaten tot
vredeshandhaving tijdig kracht bij te zetten. In Afghanistan zijn de NAVO-operaties door de
VN-Veiligheidsraad gemandateerd, maar de aanvankelijke reden van inroeping van Artikel
5 betrof de terroristische aanvallen op Amerikaans grondgebied. Ingrijpen in Afghanistan
tegen de Taliban werd gebaseerd op de bescherming die de Taliban-regering bood aan
Al-Qaeda en Osama bin Laden.
Criteria voor expeditionaire taken buiten het verdragsgebied
Bij crisisbeheersingsoperaties van de NAVO buiten het verdragsgebied, en in het
bijzonder de ISAF-missie in Afghanistan, treden regelmatig meningsverschillen aan
het licht tussen lidstaten over de doelstellingen en de effectiviteit van een missie.62
Dit is een reden om scherpere eisen te stellen aan het besluitvormingsproces inzake
NAVO-operaties out of area. Dit is mogelijk door de volgende aspecten te hanteren als
toetsingskader voor NAVO-besluitvorming:
62 Ko Colijn, ‘Van ‘Plenty of Nothing’ naar ‘I will Survive’: Bij de 60ste verjaardag van een bondgenootschap’,
    Internationale Spectator Nr. 3/2009.
                                                        33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>• een aantoonbare relatie met de veiligheid of vitale belangen van de NAVO-lidstaten
    (uitgezonderd de inzet van NAVO-militairen bij humanitaire noodsituaties);
• volkenrechtelijke legitimatie;
• een samenhangende civiel-militaire aanpak (comprehensive approach) onder civiele
    leiding van de VN of de EU;
• overeenstemming over haalbare doelstellingen van militair optreden;
• omvang en kwaliteit van de aangeboden militaire capaciteiten in overeenstemming
    met de geplande duur en aard van een operatie.
De AIV adviseert de NAVO niet uit te bouwen tot een mondiale veiligheidsorganisatie.
Behoedzaamheid bij het aanvaarden van taken buiten het verdragsgebied is niet alleen
geboden vanwege het risico van overstretch, maar ook omdat het NAVO-label door
de in een conflict betrokken partijen niet in alle gevallen als constructief zal worden
beoordeeld. Dit laat onverlet dat veiligheidsrisico’s buiten het verdragsgebied een
zodanige relatie met de veiligheid of vitale belangen van de NAVO-lidstaten kunnen
hebben, dat NAVO-inzet nodig is.
Intensivering van de politieke dialoog over veiligheidskwesties (Artikel 4)
Door een herwaardering van Artikel 4 moet meer convergentie van standpunten inzake
veiligheidsrisico’s en de rol van de NAVO tot stand gebracht worden, ook om Europese
invloed te kunnen behouden. Zo is het van belang in transatlantisch kader te kunnen
spreken en besluiten over veiligheidsvraagstukken die niet onder Artikel 5 vallen,
maar wel een (potentiële) dreiging vormen voor NAVO-lidstaten, zoals bijvoorbeeld
grootschalige verstoring van de energievoorziening of ontwrichting van een samenleving
na een digitale aanval.
Als forum voor transatlantische dialoog over veiligheidsvraagstukken heeft de NAVO
sinds het einde van de Koude Oorlog aan belang ingeboet. Het overleg binnen de NAVO
heeft een accentverschuiving laten zien van politieke naar militaire aspecten. Deze ver-
schuiving is voor een deel te begrijpen, omdat de NAVO in de afgelopen twintig jaar een
aantal crisisbeheersingsoperaties heeft uitgevoerd. De ervaring met NAVO-operaties in
met name Kosovo en Afghanistan heeft echter geleerd dat een militaire strategie alleen
niet voldoende is en steeds deel uit moet maken van een veelomvattende aanpak die
aandacht heeft voor diplomatieke, politieke, militaire, economische, ontwikkelingssamen-
werking en humanitaire instrumenten en die wordt aangeduid als de comprehensive
approach.
Onder de Amerikaanse president Obama krijgt de politieke dialoog over veiligheidskwesties
binnen de NAVO nieuwe kansen. Deze dialoog is tevens nodig omwille van het maat-
schappelijk draagvlak in de lidstaten voor de activiteiten van de NAVO. Ten slotte moet
de politieke dialoog een opmaat vormen voor verbetering van de coördinatie en
samenwerking met andere internationale spelers, in het bijzonder de Europese Unie.
Nieuwe dreigingen zoals digitale aanvallen, piraterij, grootschalige verstoring van de
energievoorziening en fragiele staten
Het denken over de betekenis van nieuwe dreigingen als digitale aanvallen, piraterij en
energievoorzieningszekerheid voor de NAVO staat nog in de kinderschoenen. Digitale
aanvallen kunnen ‘in extremis’ samenlevingen ontwrichten of de ICT-infrastructuur
van krijgsmachten ontregelen. De NAVO-lidstaten en hun krijgsmachten moeten
vanzelfsprekend beschermingsmaatregelen nemen tegen mogelijke digitale aanvallen
                                              34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>op militaire doelen. Indien digitale aanvallen een samenleving zo in haar vitale functies
ontwrichten dat de nationale veiligheid in het geding komt, is NAVO-consultatie op grond
van Artikel 4 noodzakelijk en kunnen de leden besluiten tot maatregelen om elkaar
direct bij te staan.
De dreiging van piraterij op strategische zeeroutes vormt een complex probleem, waarbij
veiligheidsbelangen (gijzeling van opvarenden, transport van strategische goederen),
commerciële belangen (vrije scheepvaart), humanitaire aspecten (bescherming
voedseltransporten) en energiebelangen (doorvoer van olie) om voorrang strijden. Deze
verscheidenheid van belangen bemoeilijkt de totstandkoming van een samenhangende
internationale aanpak van het piraterijprobleem.
De AIV concludeert dat de dreiging van piraterij buiten het kader van Artikel 5 valt, maar
regelmatige consultaties over de internationale aanpak ervan wenselijk zijn op grond van
Artikel 4. Piraterij is in feite een symptoom van een fragiele staat; de oplossing van dit
probleem moet vooral op het land worden gevonden. De AIV is van mening dat de EU en
de VN beter zijn toegerust om de oorzaken van piraterij aan te pakken. De NAVO kan wel
ondersteuning bieden aan piraterijbestrijding op zee, met maritieme en complementaire
militaire capaciteiten (bijv. verkenningsvliegtuigen). De AIV merkt verder op dat
samenwerking met Rusland, China en India bij de bestrijding van piraterij voor de kust
van Somalië tevens als katalysator kan fungeren voor bredere maritieme samenwerking
in de toekomst. De AIV verwacht over dit onderwerp binnen afzienbare tijd afzonderlijk te
adviseren.
Onzekerheden over de energievoorziening vormen een internationaal veiligheidsrisico.
Allereerst kunnen grote energieproducerende landen hun energieleveranties inzetten
als politiek dwangmiddel. Verder kunnen ook niet-statelijke actoren (bijv. terroristen)
de energieaanvoer over land en zee verstoren. Ten aanzien van de bescherming van
kwetsbare energie-infrastructuur en aanvoerroutes over land (pijpleidingen) en zee
(choke points) is sprake van een gedeeld internationaal veiligheidsbelang. Strategisch
beleid inzake energievoorzieningszekerheid wordt in belangrijke mate gedicteerd door
nationale, economische belangen. Opslag van olie en gas alsmede differentiatie van
aanvoerlijnen zal de gevoeligheid voor plotseling optredende verstoringen en politieke
chantage verminderen. Indien de onderbreking van de energieaanvoer een crisissituatie
met implicaties voor de nationale veiligheid tot gevolg heeft, is politieke consultatie
binnen de NAVO geboden, alsmede met relevante andere partners. De NAVO-lidstaten
kunnen dan besluiten tot het nemen van (veiligheids)maatregelen om aan de crisis het
hoofd te bieden.
De huidige fragiele staten en zogenaamde ‘schurkenstaten’ zullen ook in de komende
tien jaar voortdurende aandacht van de internationale gemeenschap vergen. De
mogelijke veiligheidsrisico’s die uitgaan van dergelijke staten zijn terrorisme, regionale
conflicten, grensoverschrijdende criminaliteit, piraterij en verstoring van de toegang
tot energie en grondstoffen. Ook kan sprake zijn van ernstige en grootschalige
mensenrechtenschendingen. Voorts veroorzaken interne conflicten vaak grote stromen
vluchtelingen. De AIV is van mening dat genoemde veiligheidsrisico’s kunnen nopen tot
internationaal ingrijpen met een mogelijke rol voor de NAVO.
                                              35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Regeringsvraag
Wat moeten het doel en de reikwijdte van eventueel verdere NAVO-uitbreiding zijn?
De uitbreiding van de NAVO van 16 naar 28 lidstaten in de afgelopen tien jaar
onderstreept het succes van het bondgenootschap als hoeder van de collectieve
veiligheid in Europa en Noord-Amerika. Het doel van eventueel verdere NAVO-uitbreiding
is tweeledig:
• Europese landen die aan de in 1995 opgestelde voorwaarden voldoen, in staat
    stellen aansluiting te zoeken bij het bondgenootschap;63
• versterking van de collectieve veiligheid en stabiliteit van het Euro-Atlantisch
    verdragsgebied.
De besluitvorming over uitbreiding van de NAVO met nieuwe Europese landen conform
Artikel 10 van het Noord-Atlantisch Verdrag geschiedt case-by-case. Pas wanneer er
sprake is van consensus tussen de lidstaten over de vraag of een kandidaat-lidstaat aan
de overeengekomen voorwaarden voldoet en daadwerkelijk kan bijdragen aan versterking
van de bondgenootschappelijke veiligheid, zal tot uitbreiding worden overgegaan. De
discussie over toetreding van Oekraïne en Georgië tot de NAVO heeft in het recente
verleden slechts verdeeldheid gezaaid.64 Nederland heeft belang bij versterking van de
interne cohesie binnen het bondgenootschap. De AIV is van mening dat de toetreding
van Oekraïne en Georgië thans niet wenselijk is, omdat deze landen niet aan de
aandachtspunten uit de NAVO-uitbreidingsstudie uit 1995 voldoen en toetreding de
stabiliteit in hun regio niet zou bevorderen. De Russische bezwaren tegen de toetreding
van deze landen mogen echter niet de doorslaggevende factor zijn bij toekomstige
besluitvorming daaromtrent.
Uitbreiding van de NAVO met landen buiten het Euro-Atlantisch verdragsgebied is niet
wenselijk, omdat dit een verruiming van de reikwijdte van Artikel 5 naar andere regio’s
met zich zou meebrengen met thans niet te voorziene gevolgen voor de samenhang in
het bondgenootschap.
Regeringsvraag
Hoe kan nader invulling worden gegeven aan de relaties met partners?
Verbetering van de samenwerking tussen NAVO en EU binnen de comprehensive approach
Door de toename van militaire operaties ‘out of area’ en de gelijktijdige ontwikkeling van
een Gemeenschappelijk Veiligheids en Defensiebeleid (GVDB)65 moeten de NAVO en de
EU hun activiteiten beter op elkaar afstemmen. De kwesties die binnen de NAVO aan
de orde (moeten) komen, worden veelal ook in EU-verband besproken. Positief is dat
sinds het aantreden van president Sarkozy de complementariteit van NAVO en EVDB een
belangrijke plaats in het Franse veiligheidsbeleid heeft gekregen en dat tegelijkertijd de
Verenigde Staten het belang van een sterk EVDB hebben onderkend.
63 Study on NATO Enlargement (September 1995).
64 Zie ook AIV-advies nummer 61, De samenwerking tussen de Europese Unie en Rusland: een zaak van
    wederzijds belang, Den Haag, juli 2008, pp. 35-36.
65 Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon heet het Europees Veiligheids en defensiebeleid
    (EVDB) voortaan Gemeenschappelijk Veiligheids en Defensiebeleid (GVBD).
                                                     36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>De AIV adviseert dat beide organisaties zich richten op hun comparatieve voordelen. Het
belangrijkste voordeel van de NAVO is haar geïntegreerde commando- en communicatie-
systeem met ingewerkte hoofdkwartieren en haar omvangrijke expertise op het gebied
van de planning, organisatie en uitvoering van grootschalige en complexe militaire ope-
raties. De EU onderscheidt zich van de NAVO door haar civiele capaciteiten en financiële
middelen voor de opbouw van staatsstructuren en sociaal-economische ontwikkeling in
door oorlog verscheurde samenlevingen. Civiele capaciteiten worden eveneens geleverd
door onder meer de VN, de Wereldbank en NGO’s. De civiele capaciteiten van de EU
worden voor een belangrijk deel geleverd door de ‘civiele expert pools’ die door verschil-
lende landen zijn of worden opgebouwd. Als de gewenste samenwerking tussen NAVO en
EU niet werkt, zal de NAVO worden gedwongen om enige civiel-militaire planningscapaci-
teit zelf te ontwikkelen en eveneens gebruik te maken van de ‘civiele expert pools’ van
de landen, bijvoorbeeld bij inzet van politietrainers.
De zogenaamde Berlijn-plus regeling waarbij NAVO middelen ter beschikking worden
gesteld aan EU-geleide operaties is in Bosnië weliswaar effectief gebleken, maar heeft
daarbuiten geen toepassing gevonden. De regeling is aan herziening toe, omdat het in
de toekomst vooral van belang is dat de NAVO en EU zij aan zij optreden in het kader
van de comprehensive approach. Wegens het Cyprus-probleem wordt door Turkije een
blokkade opgeworpen binnen de NAVO en door Cyprus en Griekenland binnen de EU.
Oplossing van dit vraagstuk zou voor beide organisaties een belangrijk winstpunt zijn. De
AIV beveelt aan, dat Nederland in het kader van de VN, de EU en de NAVO aandringt op
nieuwe diplomatieke initiatieven om de geschilpunten inzake Cyprus en Turkije tot een
oplossing te brengen.
Ondanks deze kwestie bestaan mogelijkheden tot betere samenwerking. Zo zien we
in Kosovo dat de samenwerking tussen de NAVO-stabilisatieoperatie (KFOR) en de EU-
missie op het gebied van politie en justitie (EULEX) goed verloopt ondanks institutionele
blokkades. De verklaring hiervoor is in dit geval dat beide missies beschikten over
duidelijke mandaten, die complementair zijn. In Afghanistan wordt de effectiviteit van het
gezamenlijk optreden van NAVO en EU echter gehinderd door het ontbreken van formele
arrangementen voor civiel-militaire samenwerking tussen beide organisaties.
Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is het be-
lang van de EU als veiligheidspartner van de NAVO verder toegenomen. Beide organisa-
ties hebben geen andere keuze dan nauwer met elkaar samen te werken. Er is behoefte
aan nieuwe initiatieven om te komen tot een verbeterde samenwerking in crisisgebieden
alsmede meer samenwerking bij de ontwikkeling van schaarse capaciteiten. De AIV geeft
de volgende voorstellen in overweging:
a. Het is belangrijk dat de secretaris-generaal van de NAVO en de nieuwe Hoge
    Vertegenwoordiger van het Buitenlands Beleid van de EU, en tevens eerste
    vicepresident van de Europese Commissie, een nieuw coördinatiemechanisme voor
    de planning en uitvoering van gecombineerde EU-NAVO-operaties in crisisgebieden
    overeenkomen. Dit coördinatiemechanisme dient onder meer te voorzien in duidelijke
    afspraken over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de NAVO en
    de EU in het kader van de comprehensive approach. De deskundigheid en financiële
    middelen die bij de Europese Commissie aanwezig zijn, spelen daarin een grote rol.
    De gecombineerde functie van Hoge Vertegenwoordiger van het Buitenlands Beleid en
    eerste vicepresident van de Europese Commissie biedt niet alleen kansen voor een
    meer coherente politiek van de EU, maar ook voor een betere coördinatie tussen de
    NAVO en de Europese Commissie. Met inachtneming van de comparatieve voordelen
    van beide organisaties en de geldende besluitvormingsprocedures, moeten de NAVO
                                              37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>    en de EU zo in staat worden gesteld nauwer samen te werken in crisisgebieden en zo
    onnodige duplicatie en versnippering van activiteiten te voorkomen.
b.  Nederland heeft, met de twintig andere landen die zowel van de NAVO als de EU lid
    zijn, belang bij meer wederzijdse consultatie en samenwerking op capaciteitengebied.
    Nederland dient zich sterk te maken voor uitbreiding van formele consultaties en
    gezamenlijke capaciteitenprojecten tussen het Europees Defensie Agentschap (EDA)
    en de NAVO.
c.  In een tijd dat Europese defensiebudgetten onder druk staan als gevolg van de
    financieel-economische crisis is het ‘poolen’ van schaarse militaire capaciteiten een
    bruikbaar instrument. Deze capaciteiten moeten ten dienste staan van NAVO-, EU- en
    nationale operaties.
d.  Alle landen die zowel lid zijn van de NAVO als de EU dienen te worden aangemoedigd,
    één permanente militaire vertegenwoordiger voor beide organisaties aan te stellen.
    Dit zal de besluitvorming en coördinatie tussen de NAVO en de EU verbeteren, in het
    bijzonder in crisisgebieden waar beide organisaties actief zijn.
e.  Een gezamenlijke studie naar het concept van het Provincial Reconstruction Team
    (PRT) gericht op de mogelijkheden militaire en civiele capaciteiten van de NAVO en de
    EU in crisisgebieden te integreren.
f.  De ontwikkeling van een gezamenlijk EU-NAVO pre-deployment trainingsprogramma,
    dat op termijn kan uitgroeien tot een EU-NAVO School voor Vredesopbouw.
g.  Periodieke high-level EU-NAVO oefeningen, waaraan onder meer de secretaris-generaal
    van de NAVO, de Hoge Vertegenwoordiger van het Buitenlands Beleid van de EU en de
    regeringsleiders van de Troika van het EU-voorzitterschap deelnemen.
h.  Een gezamenlijke EU-NAVO Conflictpreventie Taakgroep met een permanent secre-
    tariaat dat inlichtingen over conflictgebieden analyseert en strategieën voor conflict-
    beheersing ontwikkelt.66
Relatie met de VN
De praktijk wijst uit dat de NAVO bereid is een verzoek van de VN-Veiligheidsraad om
deel te nemen aan een internationale crisisbeheersingsoperatie die niet onder Artikel 5
van het NAVO-Verdrag valt, in overweging te nemen. De aspecten uit het eerdergenoemde
toetsingskader voor out of area operaties van de NAVO dienen gehanteerd te worden bij
de besluitvorming hierover. Het succes van crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten
is in belangrijke mate afhankelijk van de samenwerking met de VN bij de totstandkoming
en implementatie van een comprehensive approach van veiligheid en ontwikkeling. De
NAVO staat dus in een bijzondere relatie tot de VN.67
Relatie met Rusland
De AIV adviseert om, ondanks de zorgen over de rechtsstatelijkheid, de rechten van
de mens en de democratie van Rusland, een constructieve veiligheidsdialoog in de
NAVO-Rusland Raad te zoeken. Deze dialoog kan bijdragen aan het herstel van het
wederzijds vertrouwen en waar mogelijk praktische samenwerking bij uiteenlopende
veiligheidsvraagstukken, van ontwapening en non-proliferatie tot een gezamenlijke
66 Een aantal voorstellen is ontleend aan een discussiepaper van Tomas Valasek & Daniel Korski, Closer
    NATO-EU Ties: Ideas for the Strategic Concept, November 2009.
67 Zie ook AIV-advies nummer 64, Crisisbeheersingsoperaties in Fragiele Staten: de noodzaak van een samen-
    hangende aanpak, Den Haag, maart 2009.
                                                      38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>aanpak van terrorisme en piraterij. De AIV is van mening dat de NAVO-Rusland Raad
een forum dient te zijn waar zowel onderlinge meningsverschillen worden uitgesproken
als over de aanpak van gemeenschappelijke veiligheidsproblemen wordt overlegd.
Grotere eenstemmigheid tussen de NAVO-lidstaten onderling is een voorwaarde voor een
vruchtbare dialoog met Rusland.
De recente voorstellen van president Medvedev voor een nieuw bindend Europees
veiligheidsverdrag verdienen nadere bestudering, maar vallen op door hun concentratie
op statelijke, ‘harde’ veiligheid terwijl het Westen steeds de band met ‘zachte’ veiligheid
als mensenrechten, rechtsstaat en democratie heeft benadrukt. Bovendien lijken de
Russische voorstellen voor een nieuw Europees veiligheidsverdrag zich te richten
tegen de NAVO als organisatie. Voor het bondgenootschap zal uitgangspunt moeten
blijven wat in het Handvest van Parijs van 1990 en de Gedragscode van Boedapest
is overeengekomen, met name dat landen hun eigen toekomst mogen bepalen met
inbegrip van de bondgenootschappen waarvan zij lid willen worden.
Regeringsvraag
Welke hervormingen zijn noodzakelijk om de NAVO effectief te kunnen laten
functioneren in de nieuwe context?
Regeringsvraag
Hoe zou het expeditionaire profiel van de NAVO-strijdkrachten verder kunnen worden
vergroot?
In de afgelopen jaren is binnen de NAVO veel gesproken over ingrijpende aanpassingen
van de NAVO-commandostructuur, maar resultaten zijn vooralsnog uitgebleven. Nationale
belangen van de afzonderlijke lidstaten staan een verdere rationalisatie van de NAVO-
structuren in de weg. De AIV is van mening dat de uitkomst van de discussie over het
Strategisch Concept direct gevolgen moet hebben voor de hervorming van de militaire
en civiele organisatie van de NAVO. Zo moet het expeditionaire profiel van de NAVO-
strijdkrachten verder worden vergroot, zowel voor inzet bij de collectieve verdediging van
het eigen grondgebied als voor out of area operaties.
Het voorstel voor een herziene NRF, dat in juni 2009 door de NAVO-ministers van
Defensie is goedgekeurd, dient te worden geïmplementeerd. Het verbeteren van de
interoperabiliteit behoeft hierbij bijzondere aandacht. De AIV is van mening dat het nieuwe
Strategisch Concept een samenhangende visie op de aard van toekomstige missies en
de mogelijke bijdrage van de NRF aan die missies moet bevatten. Nederland zou zich bij
de besprekingen over een nieuw Strategisch Concept sterk moeten maken voor het
beschikbaar stellen van de NRF als strategische reserve voor omvangrijke missies.
Duidelijke keuzes ten aanzien van de kerntaken van de NAVO en de aard van toekom-
stige missies moeten in het nieuwe Strategisch Concept zijn beslag krijgen. De militaire
vertaling van deze keuzes naar concrete maatregelen, zoals de aanpassing van het
expeditionaire profiel van de strijdkrachten en de verdere omvorming naar uitzendbare
hoofdkwartieren, moet daarna geschieden in aparte documenten. De beantwoording van
de vraag hoe zou het expeditionaire profiel van de NAVO-strijdkrachten verder kunnen
worden vergroot, is dan aan de orde.
                                               39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Regeringsvraag
Op welke wijze zou het principe van burden sharing in de breedste zin van het
woord kunnen worden geoptimaliseerd, met name bij expeditionaire operaties?
De AIV is van mening dat solidariteit en proportionaliteit als uitgangspunten in het
Strategisch Concept moeten worden opgenomen. Het mechanisme van common funding
is thans slechts in zeer beperkte gevallen van toepassing en dan nog vooral voor infra-
structuur in de lidstaten zelf. De AIV beveelt aan dit mechanisme voor crisisbeheersings-
operaties en de NRF uit te breiden teneinde tot een betere lastenverdeling te komen.
Daardoor kan het voor landen ook aantrekkelijker worden deel te nemen aan crisisbe-
heersingsoperaties en de NRF. De EU beschikt over het Athena-mechanisme voor de
financiering van gemeenschappelijke kosten van militaire operaties. Een nadere vergelij-
king van de NAVO- en EU-mechanismen van common funding is naar de mening van de
AIV op zijn plaats. Naast financiële lastenverdeling is vooral de bereidheid om risico’s te
delen bij militaire inzet van belang.
Regeringsvraag
Welke rol kan de NAVO spelen op het gebied van wapenbeheersing, ontwapening en
non-proliferatie?
De AIV is van mening dat het aantal strategische en tactische kernwapens aanzienlijk
dient te worden verminderd, allereerst via bilaterale onderhandelingen tussen de
Verenigde Staten en Rusland. Het debat over de rol van kernwapens, hun aantallen, en
de noodzaak en wenselijkheid van hun aanwezigheid in Europese landen moet echter
NAVO-breed worden gevoerd. Daarmee dient verdere beperking van tactische kernwapens
in geheel Europa (inclusief Rusland) te worden bereikt en uiteindelijk een Europa dat vrij
is van tactische kernwapens.
Uit een oogpunt van geloofwaardigheid, en daarmee samenhangend van proportiona-
liteit, kan in het nieuwe Strategisch Concept de nucleaire afschrikking worden beperkt
tot een antwoord op een dreiging of inzet van massavernietigingswapens, te weten van
biologische, chemische of nucleaire wapens en hun overbrengingsmiddelen. Het nieuwe
Strategisch Concept zou echter nog een stap verder kunnen gaan door de afschrikkings-
strategie van de NAVO te beperken tot het weerhouden van andere kernwapenstaten hun
nucleaire strijdmiddelen in te zetten tegen lidstaten van het bondgenootschap of daar-
mee te dreigen. Een dergelijke beperking, waartoe de drie NPV kernwapenstaten binnen
de NAVO zich zouden kunnen bekennen, houdt een versterking in van het internationale
streven de verdere verspreiding van kernwapens tegen te gaan.
Nederland dient een stimulerende rol te spelen door periodieke consultaties binnen het
bondgenootschap te bevorderen over een breder terrein van wapenbeheersing, ontwape-
ning en non-proliferatie, zowel met betrekking tot kernwapenreducties als met betrekking
tot de versterking van de bestaande regimes ten aanzien van chemische en biologische
wapens en hun overbrengingsmiddelen en de daarop betrekking hebbende exportcon-
troleregimes. Een wereld vrij van kernwapens is een door Nederland te onderschrijven
doelstelling, die echter buiten de termijn van het nieuwe Strategisch Concept valt en pas
is te realiseren als er een betrouwbaar wereldwijd inspectiesysteem is gevestigd.
                                             40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Regeringsvraag
Welke rol kan Nederland bij de totstandkoming van het nieuwe Strategisch Concept
van de NAVO spelen?
In het verleden is Nederland binnen de NAVO altijd een pleitbezorger geweest van een
constructieve transatlantische relatie. Naar het oordeel van de AIV moet Nederland de
transatlantische relatie nu meer plaatsen in samenhang met de groeiende rol van de
Europese Unie. Meer in concreto zou Nederland zich moeten inspannen voor afstemming
tussen het NAVO Strategisch Concept en de Europese Veiligheidsstrategie van 2003, die
geamendeerd is in december 2008 en ook verdere aanpassing behoeft.
In politieke zin is weinig in de wereld haalbaar als de Verenigde Staten en de EU niet sa-
menwerken. Onder de meer multilateraal ingestelde president Obama zal dat makkelijker
zijn dan onder zijn voorganger, hoewel in Washington zeker zal worden aangedrongen op
het nemen van meer verantwoordelijkheid en het aanbieden van meer militaire capaci-
teiten door de Europeanen. Zonder Amerikaanse steun zijn grootschalige militaire opera-
ties de komende tien jaar ondenkbaar.
De EU heeft vergeleken met de NAVO niet alleen het voordeel over een breed palet van
politieke instrumenten te beschikken, maar ook over een buitenlands- en veiligheids-
beleid dat rechtstreekse contacten met de regeringen van andere landen en met interna-
tionale organisaties mogelijk maakt. Door het Verdrag van Lissabon beschikt de EU over
een eigen diplomatieke dienst68, die niet alleen optreedt namens de Europese Commis-
sie, zoals in het verleden, maar namens alle instellingen van de EU. Dit zal de rol van de
EU als mondiale speler versterken.
Naar het zich laat aanzien zal een aantal onderwerpen in de onderhandelingen over een
nieuw Strategisch Concept niet eenvoudig tot een positieve uitkomst leiden:
• Hoe kan voorkomen worden dat de gebrekkige samenwerking tussen de NAVO en
    de EU verlammend werkt op de mogelijkheden van beide organisaties effectief op
    te treden in crisisbeheersingsoperaties? Nederland zou zich in beide organisaties
    moeten inzetten om samen met andere bondgenoten en partners een oplossing van
    de Cyprus-kwestie te bevorderen.
• Hoe kunnen de nabuurstaten van Rusland binnen de NAVO op een geloofwaardige
    wijze worden gesteund zonder de relatie met Rusland negatief te beïnvloeden?
• Is het mogelijk de negatieve effecten van de temporisering van de uitbreiding met
    voormalige Sovjet-republieken te compenseren met andere vormen van samenwerking
    met deze landen?
• Is het mogelijk de rol van kernwapens in het nieuwe concept te omschrijven in
    de (nieuwe) betekenis van het weerhouden van andere (kernwapen)staten hun
    massavernietigingswapens of, nog een stap verder, hun nucleaire strijdmiddelen in te
    zetten tegen lidstaten van het bondgenootschap of daarmee te dreigen?
• Zijn er mogelijkheden te komen tot coalitions of the willing binnen de NAVO waardoor
    het ontbreken van consensus kan worden omzeild? Eenzelfde vraag kan worden
    gesteld ten aanzien van de ‘permanent gestructureerde samenwerking’ in de EU die
    met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon mogelijk wordt.
Gezien de omvang van zijn krijgsmacht is Nederland aangewezen op militaire samen-
werking met partners bij crisisbeheersingsoperaties. De Nederlandse krijgsmacht heeft
68 De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO).
                                                41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>bewezen goed inpasbaar te zijn in grotere internationale verbanden en daarin leiding-
gevende functies te kunnen vervullen. In Afghanistan wordt het Nederlandse optreden
inzake de comprehensive approach ten voorbeeld gesteld. Binnen de NAVO loopt
Nederland in de voorhoede bij de transformatie van strijdkrachten naar een
expeditionaire krijgsmacht die inzetbaar is voor zowel collectieve verdedigingstaken als
crisisbeheersingsoperaties buiten het Euro-Atlantisch verdragsgebied. Nederland dient
opnieuw het belang te onderstrepen van interoperabiliteit, flexibiliteit en mobiliteit van
de strijdkrachten voor de mogelijkheden om in verschillende scenario’s op te treden.
Daarmee zou een deel van de zorgen van de nabuurstaten van Rusland binnen de NAVO
kunnen worden ondervangen. Verder zou Nederland een kritische evaluatie van het
besluitvormingsproces binnen de NAVO moeten bepleiten en daarbij in het bijzonder
aandacht vragen voor het hanteren van criteria voor NAVO-besluitvorming over deelname
aan crisisbeheersingsoperaties ‘out of area’. Ten slotte is het naar de mening van
de AIV belangrijk dat de NAVO terugkeert naar een brede politieke dialoog over alle
onderwerpen die de veiligheidsbelangen van de lidstaten direct of indirect bedreigen. In
die zin wordt Artikel 4 van het Noord-Atlantisch Verdrag even belangrijk als Artikel 5 en
zelfs meer actueel.
                                             42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Tot besluit
In Nederland leeft de wens bij te dragen tot beter internationaal beleid van verscheidene
organisaties en verbanden. Die wens komt voort uit idealen en belangen. Nederland
wenst de internationale rechtsorde te bevorderen; dat is zelfs een grondwettelijke taak.
Nederland is voorts als zestiende economie en negende exportnatie een belangrijke
economische speler. Om zowel ideële als materiële redenen heeft ons land een groot
belang bij vreedzame, rechtsordelijke en stabiele ontwikkelingen in de wereld. Nederland
moet een positie van invloed nastreven en verdienen om geloofwaardig mee te praten en
te beslissen in internationale overlegfora. Daarvoor is het van belang dat ons land bereid
is samen met onze partners risico’s te delen in het internationaal veiligheidsbeleid. De
toegevoegde waarde van deze risk sharing mag niet worden onderschat.
Nederland heeft door zijn militaire bijdragen aan crisisbeheersingsoperaties van de
NAVO, de EU en de VN in de afgelopen tien jaar internationaal de nodige goodwill
opgebouwd. Tegelijkertijd constateert de AIV dat de stelling dat Nederlandse militaire
bijdragen aan de bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit ook een
Nederlands belang dienen, momenteel minder bijval krijgt in de samenleving. Dit vraagt
om duidelijke publieksdiplomatie van leidende politici om het draagvlak voor een actief
buitenlands beleid te versterken.
Een van de voorwaarden voor succesvolle publieksdiplomatie bij Nederlandse deelname
aan NAVO-taken is een helder Strategisch Concept dat politiek door de lidstaten wordt
gedragen. Een tweede voorwaarde is dat bij NAVO-inzet buiten het verdragsgebied het
in dit advies genoemde ‘NAVO-toetsingskader’ wordt gehanteerd en de relatie met de
veiligheid of vitale belangen van de eigen regio duidelijk wordt gemaakt. Bij Nederlandse
deelname is het van wezenlijk belang dat voldoende draagvlak bij de volksvertegenwoor-
diging en in de samenleving aanwezig is. Alleen een als noodzakelijk en legitiem ervaren
inzet van de Nederlandse krijgsmacht kan op brede steun van de bevolking rekenen.69
Voor al het voorgaande geldt, dat de Nederlandse regering en volksvertegenwoordiging
er goed aan zouden doen steeds opnieuw de dialoog met de samenleving te zoeken.
Enerzijds behoren leidende politici duidelijk uiteen te zetten wat de verantwoordelijk-
heden van Nederland zijn als lid van de NAVO, de EU en de VN in specifieke actuele
vraagstukken. Anderzijds moeten zij steeds goed luisteren naar diverse stemmen uit de
samenleving alsmede de ontwikkeling van de publieke opinie. Het nieuwe Strategisch
Concept van de NAVO zou dan ook brede steun van de volksvertegenwoordiging, politieke
partijen en de publieke opinie moeten genieten. Ten slotte is de AIV van mening dat het
nieuwe Strategisch Concept in de toekomst slechts betekenis kan krijgen als gevolg van
daadwerkelijk handelen.
69 De AIV merkt op dat het criterium dat voor uitzending van militairen voldoende draagvlak in de samen-
    leving aanwezig moet zijn, zoals verwoord in het Toetsingskader voor de besluitvorming over uitzending
    van Nederlandse militairen uit 1995, ten onrechte in latere versies van het Toetsingskader verdwenen is.
                                                      43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>               Bijlage I
Adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Daarbij komt dat niet alleen de wereld is veranderd, maar ook de NAVO zelf. Het
bondgenootschap is sinds 1999 met 12 leden uitgebreid tot een totaal van 28
leden, die afhankelijk van hun geschiedenis en hun geografische ligging niet
allemaal dezelfde accenten leggen. Evenzeer van belang bij de herziening van het
Strategisch Concept is daarom in deze nieuwe samenstelling een gezamenlijk
antwoord te geven op de vraag wat de core business van de NAVO is. Er dient een
nieuw evenwicht gevonden te worden tussen de door sommige bondgenoten
benadrukte collectieve verdediging van het eigen grondgebied en het door andere
bondgenoten bepleite optreden ver buiten het verdragsgebied. Daarbij blijft het in
de afgelopen jaren opgebouwde trans-Atlantische ‘acquis’ van waarde. Eén van de
uitgangspunten van het nieuwe Strategisch Concept zou de Comprehensive
Political Guidance kunnen zijn, die in 2006 door de NAVO-top in Riga is aanvaard.

Tegen deze algemene achtergrond luiden de specifieke onderzoeksvragen als
volgt:

1. Wat?
= Welke betekenis hebben de oorspronkelijke doelstellingen van de NAVO in de
21ste eeuw, rekening houdend met de actuele veiligheidsdreigingen en de
evolutie die zich sinds 1999 heeft voltrokken, met name ten aanzien van:
- de toegenomen omvang en diversiteit van de alliantie;
- de gewijzigde aard van conflicten;
- de gewijzigde aard van het militair optreden;
- expeditionaire operaties ver van huis;
- nieuwe dreigingen zoals cyber defence, piraterij en
energievoorzieningszekerheid.

2. Met wie?
= Wat moeten het doel en de reikwijdte van eventueel verdere NAVO-uitbreiding
zijn?

* Hoe kan nader invulling worden gegeven aan de relaties met partners

(individuele landen, formele partnerschappen en internationale organisaties)?

In het bijzonder:

- hoe zou de relatie met landen als Australië en Japan zich verder moeten
ontwikkelen?

- moet de NAVO invulling geven aan zijn relatie met Rusland?

- hoe kunnen de NAVO en de EU hun relaties verbeteren en op welke
deelterreinen dienen zij samen te werken en/of elkaar aan te vullen in het
kader van de comprehensive approach?

3. Hoe?

* Welke hervormingen zijn noodzakelijk om de NAVO effectief te kunnen laten
functioneren in de nieuwe context?

* Hoe zou het expeditionaire profiel van de NAVO-strijdkrachten verder kunnen
worden vergroot?

* Op welke wijze zou het principe van burden sharing in de breedste zin van het
woord (het delen van troepenbijdragen, financiële lasten en operationele
risico's) kunnen worden geoptimaliseerd, met name bij expeditionaire
operaties?

* Welke rol kan de NAVO spelen op het gebied van wapenbeheersing,
ontwapening en non-proliferatie?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>4. Nederland
» _ Welke rol kan Nederland bij dit alles spelen?

Wij zien uw advies met veel belangstelling tegemoet.

Pal
De Minister van Defensie De Minister van Buiterilandse Zaken
Mallid a
Fl a wt te
E. van Middelkoop DAS, MJM. Verhagen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                                 Bijlage II
Overzicht gebruikte begrippen
3D                          Diplomacy, Defence, Development.
Berlijn Plus regeling      Algemeen kader voor een beroep op de NAVO bij EU
                            geleide operaties.
Burden sharing             Materiële, financiële en personele lastenverdeling tussen
                           bondgenoten bij militaire inzet alsmede de bereidheid
                           risico’s te accepteren.
Choke points               Knelpunten op belangrijke transportroutes, voornamelijk
                           op zee (Straat van Malakka, Golf van Aden, Suez-kanaal).
Common funding             Financiering van infrastructuur en/of (onderdelen van)
                           operaties uit een gezamenlijk fonds.
Comprehensive approach     Geïntegreerde benadering van veiligheidsproblemen,
                           waarbij politieke, militaire en civiele activiteiten in
                           samenhang worden beschouwd.
Core deterrence            Nucleaire afschrikking die uitsluitend gericht is tegen
                            nucleair bewapende staten.
Costs lie where they fall  Principe waarbij iedere lidstaat de kosten voor militaire
                           inzet bij operaties voor eigen rekening neemt.
Digitale aanval            Aanval met digitale communicatietechnologie gericht
                           tegen vitale logistieke, communicatie- of energie-
                           infrastructuur.
Fragiele staat             Land waarbij de centrale regering niet in staat of
                           niet bereid is basisfuncties als openbare orde,
                           armoedebestrijding, ontwikkeling, veiligheid en
                           mensenrechten te vervullen.
Force planning             Het planningsproces dat de NAVO moet verzekeren van
                            de beschikbaarheid van voldoende adequaat uitgeruste
                            strijdkrachten om de taken van het bondgenootschap
                            te kunnen uitvoeren. (Er bestaat geen door de NAVO
                            goedgekeurde definitie van dit begrip)
Force structure            De NAVO machtsstructuur bestaande uit troepen en
                            militaire capaciteiten die door de lidstaten ter beschikking
                            van de NAVO zijn gesteld alsmede de politieke en militaire
                            bevelsstructuur waarmee deze worden aangestuurd. (Er
                            bestaat geen door de NAVO goedgekeurde definitie van dit
                            begrip)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Globalisering             Wereldwijd proces van wederzijdse economische, politieke
                          en sociaal-culturele beïnvloeding.
Hacking                   Toegang forceren tot digitale informatiesystemen.
Information operation     Gecoördineerd en gericht inzetten van
                          informatietechnologie voor sabotagedoeleinden.
Irreguliere strijdmethode Strijd tegen een militair en technologisch superieure
                          tegenstander met guerrillatactieken.
Kleine wapens             Small Arms and Light Weapons (SALW), individueel
                          draagbare wapens die kogels afschieten of granaten
                          lanceren zoals machinegeweren, granaatwerpers en
                          pistolen.
Massavernietigingswapen   Wapen dat uitgerust is met een nucleaire, biologische,
                          chemische of radiologische lading die bij gebruik veel
                          slachtoffers maakt.
Militaire reikwijdte      Militaire inzetmogelijkheden.
NATO Response Force       Snelle interventiemacht van de NAVO die bij internationale
                          crises kan worden ingezet.
Out of area               Geografische aanduiding voor expeditionaire inzet
                          van NAVO-strijdkrachten buiten het Euro-Atlantische
                          verdragsgebied.
 Proliferatie             Verspreiding van massavernietigingswapens en in het
                          bijzonder van nucleair materiaal dat voor militaire
                          doeleinden kan worden gebruikt.
Strategisch Concept       Politieke en militaire strategie van de NAVO voor de
                          voorzienbare toekomst.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>                                                                        Bijlage III
Overzicht gebruikte afkortingen
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
AU            Afrikaanse Unie
BWC           Biologisch Wapenverdrag
CWC           Chemisch Wapenverdrag
EDA           Europees Defensie Agentschap
EU            Europese Unie
EULEX         European Union Rule of Law Mission in Kosovo
EVDB          Europees Veiligheids en Defensiebeleid
GVDB          Gemeenschappelijk Veiligheids en Defensiebeleid
IAEA          Internationaal Atoomenergie Agentschap
ISAF          International Security Assistance Force
KFOR          Kosovo Force
NAVO          Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NGO           Non-gouvernementele organisatie
NPV           Non-Proliferatie Verdrag
NRF           NATO Response Force
OESO          Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OESO/DAC      Development Assistance Committee van de OESO
PRT           Provincial Reconstruction Team
RAZEB         Raad voor Algemene Zaken en Externe Betrekkingen
RBZ           Raad Buitenlandse Zaken
VN            Verenigde Naties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>                                                                               Bijlage IV
Overzicht geraadpleegde personen
NAAM                                  FUNCTIE
Ambassadeur mw. dr. P. Andréani       Permanent Vertegenwoordiger van Frankrijk bij de
                                      NAVO
Ambassadeur U. Brandenburg            Permanent Vertegenwoordiger van de
                                      Bondsrepubliek Duitsland bij de NAVO
Ambassadeur dr. I.H. Daalder          Permanent Vertegenwoordiger van de Verenigde
                                      Staten van Amerika bij de NAVO
Lt-gen. P.J.M. Godderij               Directeur Internationale Militaire Staf bij de NAVO
Drs. T.P. Hofstee                     Oud-ambassadeur in Moskou
Drs. K.J.R. Klompenhouwer             Commandant der Civiele Operaties (EVDB) en
                                      directeur Civil Planning and Conduct Capacity bij
                                      het Raadssecretariaat van de EU
Ambassadeur mw. dr. M. de Kwaasteniet Nederlands Vertegenwoordiger bij het Politiek
                                      en Veiligheidscomité van de EU, Permanent
                                      Vertegenwoordiger WEU
Lt-gen. A.D. Leakey CMG CBE           Directeur-Generaal EU Militaire Staf bij het
                                      Raadssecretariaat van de EU
Prof.dr. J.G. van der Linde           Directeur Clingendael International Energy
                                      Programme en hoogleraar Geopolitiek en
                                      Energiemanagement, Rijksuniversiteit Groningen
Ambassadeur mr. F.A.M. Majoor         Permanent Vertegenwoordiger van Nederland bij
                                      de NAVO
Drs. A.J. Molenaar                    Nederlands Vertegenwoordiger bij de Politiek-
                                      militaire Groep van de Raad van de EU
Lt-gen.drs. A.G.D van Osch            Permanent Militair Vertegenwoordiger van
                                      Nederland bij de NAVO en de EU
Ambassadeur drs. H.A. Schaper         Permanent Vertegenwoordiger van Nederland bij
                                      de VN en oud-Permanent Vertegenwoordiger bij de
                                      NAVO
Dr. J.P. Shea                         Directeur Beleidsplanning in het kabinet van de
                                      Secretaris-Generaal van de NAVO
Ir.drs. J. van der Veer               Vicevoorzitter van de Groep van Experts voor de
                                      herziening van het NAVO Strategisch Concept
Drs. J.T. Versteeg                    Plv. Permanent Vertegenwoordiger van Nederland
                                      bij de NAVO
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 Europa inclusiEf, oktober 1997
 2 convEntionElE wapEnbEhEErsing: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DooDstraf En DE rEchtEn van DE mEns; recente ontwikkelingen, april 1998
 4 univErsalitEit van DE rEchtEn van DE mEns En culturElE vErschEiDEnhEiD, juni 1998
 5 Europa inclusiEf ii, november 1998
 6 humanitairE hulp: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 commEntaar op DE critEria voor structurElE bilatEralE hulp, november 1998
 8 asiElinformatiE En DE EuropEsE uniE, juli 1999
 9 naar rustigEr vaarwatEr: een advies over betrekkingen tussen turkije en de Europese unie, juli 1999
10 DE ontwikkElingEn in DE intErnationalE vEilighEiDssituatiE in DE jarEn nEgEntig:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 hEt functionErEn van DE vn-commissiE voor DE rEchtEn van DE mEns, september 1999
12 DE igc 2000 En Daarna: op weg naar een Europese unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 humanitairE intErvEntiE, april 2000**
14 EnkElE lEssEn uit DE financiëlE crisEs van 1997 En 1998, mei 2000
15 EEn EuropEEs hanDvEst voor gronDrEchtEn?, mei 2000
16 DEfEnsiE-onDErzoEk En parlEmEntairE controlE, december 2000
17 DE worstEling van afrika: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 gEwElD tEgEn vrouwEn: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEn gElaagD Europa: de verhouding tussen de Europese unie en subnationale overheden, april 2001
20 EuropEsE militair-inDustriëlE samEnwErking, mei 2001
21 rEgistratiE van gEmEEnschappEn op hEt gEbiED van goDsDiEnst of ovErtuiging, juni 2001
22 DE wErElDconfErEntiE tEgEn racismE En DE problEmatiEk van rEchtshErstEl, juni 2001
23 commEntaar op DE notitiE mEnsEnrEchtEn 2001, september 2001
24 EEn convEntiE of EEn convEntionElE voorbErEiDing: de Europese unie en de igc 2004,
   november 2001
25 intEgratiE van gEnDErgElijkhEiD: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 nEDErlanD En DE organisatiE voor vEilighEiD En samEnwErking in Europa in 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEn brug tussEn burgErs En brussEl: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese unie, mei 2002
28 DE amErikaansE plannEn voor rakEtvErDEDiging naDEr bEkEkEn: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 pro–poor growth in DE bilatEralE partnErlanDEn in sub–sahara afrika: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEn mEnsEnrEchtEnbEnaDEring van ontwikkElingssamEnwErking, april 2003
31 militairE samEnwErking in Europa: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEn brug tussEn burgErs En brussEl: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese unie, april 2003
33 DE raaD van Europa: minder en (nog) beter, oktober 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>34 nEDErlanD En crisisbEhEErsing: drie actuele aspecten, maart 2004
35 falEnDE statEn: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 prEëmptiEf optrEDEn, juli 2004**
37 turkijE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese unie, juli 2004
38 DE vErEnigDE natiEs En DE rEchtEn van DE mEns, september 2004
39 DiEnstEnlibEralisEring En ontwikkElingslanDEn: leidt openstelling tot achterstelling?,
    september 2004
40 DE parlEmEntairE assEmblEE van DE raaD van Europa, februari 2005
41 DE hErvormingEn van DE vErEnigDE natiEs: het rapport annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE invloED van cultuur En rEligiE op ontwikkEling: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 migratiE En ontwikkElingssamEnwErking: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE niEuwE oostElijkE buurlanDEn van DE EuropEsE uniE, juli 2005
45 nEDErlanD in DE vEranDErEnDE Eu, navo En vn, juli 2005
46 EnErgiEk buitEnlanDs bElEiD: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
    december 2005***
47 hEt nuclEairE non-prolifEratiErEgimE: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
    aanpak, januari 2006
48 maatschappij En krijgsmacht, april 2006
49 tErrorismEbEstrijDing in monDiaal En EuropEEs pErspEctiEf, september 2006
50 privatE sEctor ontwikkEling En armoEDEbEstrijDing, oktober 2006
51 DE rol van ngo’s En bEDrijvEn in intErnationalE organisatiEs, oktober 2006
52 Europa EEn prioritEit!, november 2006
53 bEnEluX, nut En nooDzaak van nauwErE samEnwErking, februari 2007
54 DE oEso van DE toEkomst, maart 2007
55 mEt hEt oog op china: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 inzEt van DE krijgsmacht: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 hEt vn-vErDragssystEEm voor DE rEchtEn van DE mEns: stapsgewijze versterking in een
    politiek geladen context, juli 2007
58 DE financiën van DE EuropEsE uniE, december 2007
59 DE inhuur van privatE militairE bEDrijvEn: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 nEDErlanD En DE EuropEsE ontwikkElingssamEnwErking, mei 2008
61 DE samEnwErking tussEn DE EuropEsE uniE En ruslanD: een zaak van wederzijds
    belang, juli 2008
62 klimaat, EnErgiE En armoEDEbEstrijDing, november 2008
63 univErsalitEit van DE rEchtEn van DE mEns: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 crisisbEhEErsingsopEratiEs in fragiElE statEn: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
    maart 2009
65 transitional justicE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEmografischE vEranDEringEn En ontwikkElingssamnEwErking, juli 2009
*   Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
    Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
*** Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
1 briefadvies uitbrEiDing EuropEsE uniE, december 1997
2 briefadvies vn-comité tEgEn foltEring, juli 1999
3 briefadvies hanDvEst gronDrEchtEn, november 2000
4 briefadvies ovEr DE toEkomst van DE EuropEsE uniE, november 2001
5 briefadvies nEDErlanDs voorzittErschap Eu 2004, mei 2003****
6 briefadvies rEsultaat convEntiE, augustus 2003
7 briefadvies ‘van binnEngrEnzEn naar buitEngrEnzEn - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
8 briefadvies ‘DE ontwErp-DEclaratiE inzakE DE rEchtEn van inhEEmsE volkEn.
   van impasse naar doorbraak?’, september 2004
9 briefadvies ‘rEactiE op hEt sachs-rapport: hoe halen wij de millennium Doelen?’, april 2005
10 briefadvies DE Eu En DE banD mEt DE nEDErlanDsE burgEr, december 2005
11 briefadvies tErrorismEbEstrijDing in EuropEEs En intErnationaal pErspEctiEf,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 briefadvies rEactiE op DE mEnsEnrEchtEnstratEgiE 2007, november 2007
13 briefadvies EEn ombuDsman voor ontwikkElingssamEnwErking, december 2007
14 briefadvies klimaatvEranDEring En vEilighEiD, januari 2009
15 briefadvies oostElijk partnErschap, februari 2009
16 briefadvies ontwikkElingssamEnwErking: nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie
      voor Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>