<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter		   Mr. F. Korthals Altes
Vicevoorzitter Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Leden 			      Mw. S. Borren MA
			            Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You
			            Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
			            Prof.dr. A. de Ruijter
			            Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
			            Prof.dr. A. van Staden
			            Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
			            Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
			            Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris 		  Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB DEN HAAG
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
				           e-mail aiv@minbuza.nl
				           www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden van de schrijfgroep Ontwikkelingsagenda na 2015
Voorzitter		      Prof.dr. R. van der Hoeven
Leden			          Mw. prof.dr. K.C.J.M. Arts
			               Dr. B.S.M. Berendsen
			               Mw. S. Borren MA
			               Mw. dr. N. Tellegen
			               Ir. A. van der Velden
Extern deskundige Dhr. F.A.J. Baneke
Secretaris		      Mw. mr. D.E. van Norren
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
     Woord vooraf   5
     Samenvatting en belangrijkste aanbevelingen    8
A:   Geleerde lessen   14
		   A.I     De millenniumverklaring en de MDG’s   14
			          A.I.1   Verklaringen in de aanloop naar de MDG’s    14
			          A.I.2   Van Verklaring naar Doelen   15
			          A.I.3   MDG-toppen van 2005 en 2010   17
			          A.I.4   In hoeverre zijn de MDG’s bereikt?   18
		   A.II    Zijn de MDG’s een werkbaar concept gebleken?   22
			          A.II.1  Algemene kritiek    22
			          A.II.2  Meten van armoede    26
			          A.II.3  Indicatoren en andere valkuilen van doelgerichte benaderingen   27
		   A.III   Waar de MDG’s aan voorbijgaan   28
			          A.III.1 Niet genoemde thema’s   28
			          A.III.2 Thema’s die beter uitgediept moe(s)ten worden    31
			          A.III.3 Ontbrekende doelgroepen   33
			          A.III.4 Reactie van de VN op de kritiek op de acht doelen    35
		   A.IV    Wat hebben de MDG’s betekend voor beleid in ontwikkelings-
   		        en donorlanden?   35
			          A.IV.1  Hoe zijn de MDG’s gebruikt in ontwikkelingslanden?   35
			          A.IV.2  Hebben de MDG’s invloed gehad op het donorbeleid?   37
		   A.V     MDG’s na 2015?   40
			          A.V.1   Conclusies geleerde lessen   40
			          A.V.2   MDG’s in perspectief: afschaffen?   42
			          A.V.3   Doorgaan met de huidige MDG-systematiek?    43
			          A.V.4   Een post-2015-systeem voor internationale samenwerking   44
B:   Naar een andere benadering: een mondiale ontwikkelingsagenda   47
     Inleiding   47
		   B.I     Actuele ontwikkelingen   47
			          B.I.1   Mondialisering op een kruispunt   47
			          B.I.2   Handels- en financiële systemen    48
			          B.I.3   Nieuwe technologie   49
			          B.I.4   Demografische ontwikkeling    50
			          B.I.5   Conclusies   52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>		         B.II       Thema’s en uitdagingen voor ontwikkeling   53
			                   B.II.1     Capaciteitenbenadering    54
			                   B.II.2     Duurzaamheid en klimaat    54
			                   B.II.3     Het meten van welzijn   56
			                   B.II.4     Groei en ongelijkheid   58
			                   B.II.5     Conclusies   59
		         B.III      Onderbelichte thema’s: welke (overige) prioriteiten?   60
                      B.III.1    Gender   60
                      B.III.2    Veiligheid en ontwikkeling: een samenhangende aanpak    63
                      B.III.3    Voedselzekerheid   64
                      B.III.4    Infrastructuur    65
                      B.III.5    Conclusies   66
		        B.IV        Conceptuele onderbouwing voor mondiale samenwerking   67
			                   B.IV.1     Mensenrechtenbenadering   67
			                   B.IV.2     Mondiale publieke goederen    71
			                   B.IV.3     ‘Global Commons’   74
			                   B.IV.4     Conclusies   76
		        B.V         Naar vernieuwde ‘Global Governance’    77
			                   B.V.1      ‘Global governance’ en netwerksamenleving    77
			                   B.V.2      Mondiale financiering   80
			                   B.V.3      Conclusies   81
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Lijst van gebruikte afkortingen
Bijlage III      Officiële lijst MDG’s
Bijlage IV       G20 Seoul Development Consensus for Shared Growth
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
In 2000 werd in New York door alle leden van de Verenigde Naties (VN) de
Millennium Verklaring aanvaard. Daarop gebaseerd werden met de Millennium
Ontwikkelingsdoelen ofwel Millennium Development Goals (MDG’s) meetbare ontwik-
kelingsdoelen afgesproken voor het jaar 2015.
Op 18 november 2010 heeft de regering de AIV verzocht om een advies uit te bren-
gen met als doel haar in staat te stellen haar positie te bepalen in het debat over de
ontwikkelingsagenda post-2015 (voor de aanvraag: zie annex I). In de aanvraag wordt
expliciet gesteld, dat de adviesaanvraag geen betrekking heeft op het Nederlandse
beleid ten aanzien van de MDG’s in de periode 2011-2015. De AIV is daarentegen
gevraagd om in de vorm van een verkenning de regering inzicht te verschaffen in de
sterktes en zwaktes van de huidige benadering en om de contouren van een even-
tuele nieuwe benadering te schetsen voor zover die thans reeds duidelijk worden in
nationale en internationale discussies en publicaties, zowel vanuit het perspectief
van ontwikkelingslanden als vanuit dat van donoren. De regering voorziet de moge-
lijkheid om na deze verkenning een meer gedetailleerd vervolgadvies aan te vragen.
Gaandeweg is de AIV echter tot de conclusie gekomen, dat toch een voorschot moest
worden genomen op de concrete invulling van de voorgestane nieuwe benadering
voor de periode na 2015.
De kernvraag die de regering stelt, is: wat is de waarde geweest van de Millennium
Verklaring en het concept van de MDG’s in termen van ontwikkeling? Zij formuleert
daarbij de volgende deelvragen:
A1. Is de Millennium Verklaring in voldoende mate geslaagd in het adresseren van de
     problemen die ontwikkeling remmen of blokkeren?
A2. Heeft de Millennium Verklaring bijgedragen aan de focus op armoede?
A3. Wat zijn de voor- en nadelen van de voor de doelstellingen gekozen formuleringen?
     Kan bij de nadelen ook worden ingegaan op zaken die in de afgelopen tien jaar
     onderbelicht zijn gebleven?
A4. In hoeverre heeft het concept van de MDG’s het beleid van de donoren beïnvloed
     in termen van beslissingen over de allocatie van middelen en de keuzes van
     thema’s en sectoren? In hoeverre hebben ontwikkelingslanden invloed uit kunnen
     oefenen op besluitvorming van donoren? In hoeverre zijn de Millennium Verklaring
     en de MDG’s een gezamenlijk proces geweest van de staten die de Verklaring
     hebben getekend?
A5. De doelen zijn universeel geformuleerd. In hoeverre heeft dat een landenspeci-
     fieke invulling in de weg gestaan? In hoeverre heeft dit gevolgen gehad voor het
     eigenaarschap van ontwikkelingslanden van het eigen ontwikkelingsproces?
A6. Heeft het concept van de MDG’s bijgedragen aan een grotere beleidscoherentie
     voor ontwikkeling en coördinatie van de hulp? Indien er een bijdrage was, hoe
     groot is die geweest?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>A7. Wat is de invloed geweest van het concept van de MDG’s op de ontwikkeling en de
      uitvoering van de ontwikkelingsagenda in donorlanden en partnerlanden?
A8. In hoeverre heeft de Millennium Verklaring mobiliserend gewerkt in financiële zin
      (de norm van 0,7%)?
De regering stelt ook dat het internationale krachtenveld in de afgelopen tien jaar
aanzienlijk is veranderd en constateert dat zich diverse crises voorgedaan hebben,
die onderling verweven zijn. De regering vraagt zich af of alle ontwikkelingslanden
voldoende gewicht in de schaal hebben kunnen leggen om sturing te geven aan hun
beleid in de context van grensoverschrijdende crises en merkt op dat voor een aantal
ontwikkelingslanden de beleidsruimte eerder lijkt af dan toe te nemen. De regering
vraagt zich daarom af of de ontwikkelingsdoelen niet (nog) meer in relatie moeten
worden gezien met mondiale uitdagingen zoals veiligheid, rechtsorde, gezondheid,
milieu, water en klimaat, handel en kennisontwikkeling. Daarom verzoekt zij de AIV
een objectieve studie uit te voeren naar de opkomende thema’s in het internationale
denken over ontwikkeling en hiermee het kabinet inzicht te verschaffen in de moge-
lijke contouren van een nieuwe internationale ontwikkelingsagenda. Een agenda die
inspireert en mobiliseert en tegelijkertijd gebaseerd is op consensus tussen Noord en
Zuid. Daarbij formuleert de regering de volgende deelvragen:
B1. Welke ideeën leven er thans internationaal over ontwikkeling en het ontwik-
      kelingsproces? Is het de inschatting van de Raad dat dergelijke ideeën als
      startpunt(en) kunnen dienen voor een nieuwe mondiale ontwikkelingsagenda
      (waarom wel/niet)? Of is de Raad van mening dat de huidige benadering (eventu-
      eel met aanpassingen) moet worden voortgezet?
B2. In hoeverre zouden kwesties die samenhangen met interdependenties, zoals de
      verdeling van en toegang tot mondiale publieke goederen, een uitgangspunt kun-
      nen zijn voor het formuleren van ontwikkelingsdoelen na 2015? En wat is dan de
      plaats van ontwikkelingssamenwerking daarin?
Het voorliggende advies is voorbereid door een gecombineerde commissie bestaande
uit prof.dr. R. van der Hoeven (COS, voorzitter), mw. prof.dr. K.C.J.M. Arts (CMR), drs.
F.A.J. Baneke (extern deskundige), dr. B.S.M. Berendsen (COS), mw. S. Borren MA (AIV/
COS), mw. dr. N. Tellegen (COS) en ir. A. van der Velden (COS). Het secretariaat is
gevoerd door mw. mr. D.E. van Norren (secretaris) en drs. T.D.J. Oostenbrink (in de
eindfase) met ondersteuning van de stagiaires mw. S.R. Airoldi, mw. J.C. McCall,
mw. L.M. van Paaschen en mw. D. Zevulun. Prof.dr. W.J.M. van Genugten (AIV/CMR),
prof.dr. N.J. Schrijver (CMR) en leden van de COS hebben in verschillende stadia van
de voorbereiding van dit advies nuttig commentaar gegeven. Ook is met een aantal
deskundigen gesproken. Het gaat onder meer om: prof.dr. B. de Gaaij Fortman, prof.
dr. I. Kaul, drs. K. van Kesteren, drs. L. van Troost, dr. J. Vandemoortele, prof.dr. M. Sent,
drs. C. Rhebergen, drs. R. Swinkels en drs. H. van der Vegt.
In vergelijking met andere adviezen van de AIV, is de opbouw van dit advies iets an-
ders vanwege de vraagstelling van de regering. Het advies bestaat, naast een woord
vooraf, uit een samenvatting, met een korte indicatie hoe de regeringsvragen beant-
woord zijn en uit twee substantiële delen: A en B.
Deel A behandelt de vraag van de regering over de geleerde lessen. De achtergronden
en het tot stand komen van de MDG’s alsmede wat de MDG’s bereikt hebben worden
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>behandeld in het eerste hoofdstuk. In antwoord op een aantal regeringsvragen wordt
in hoofdstuk II aangegeven of de MDG’s een werkbaar concept zijn (geweest). Hoofd-
stuk III bespreekt een groot aantal thema’s waarvan velen vinden dat ze in de MDG’s
zijn veronachtzaamd of onderbelicht. Hoofdstuk IV gaat in op de vraag wat de MDG’s
hebben betekend voor het beleid in ontwikkelingslanden en in donorlanden. Hoofd-
stuk V behandelt dan de vraag wat de opties na 2015 zijn, als de termijn van de
MDG’s afloopt.
In deel B wordt de regeringsvraag naar een nieuwe ontwikkelingsbenadering behan-
deld. In hoofdstuk I schetst de AIV recente mondiale ontwikkelingen die relevant
zijn voor ontwikkelingsbeleid en voor de positionering van ontwikkelingsdoelen na
2015. In hoofdstuk II gaat de AIV in op thema’s en uitdagingen voor ontwikkeling. In
hoofdstuk III wordt aandacht besteed aan enkele onderbelichte thema’s en vervolgens
wordt in hoofdstuk IV een onderbouwing geschetst van mondiale ontwikkelingen. Tot
slot gaat hoofdstuk V in op nieuwe vormen van ‘global governance’ en op de discussie
over mondiale publieke goederen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Samenvatting en belangrijkste aanbevelingen
In dit advies geeft de AIV een antwoord op de vragen van de Nederlandse regering en
formuleert hij de kern van de analyse van de strategische waarde van de Millennium
Verklaring uit het jaar 2000 en de voor- en nadelen van de Millennium Development
Goals (MDG’s).1 Deel A behandelt de geleerde lessen en wat deze zouden moeten
betekenen voor een post-2015-systeem. Deel B gaat in op een nieuwe ontwikkelings-
benadering. De AIV stelt de regering voor een nieuwe internationale consensus na te
streven over een vernieuwde strategie voor ontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking
na het jaar 2015, het voorlopige eindjaar van de MDG’s.
Volgens de AIV is de Millennium Verklaring nog steeds actueel en benoemt de verklaring
een aantal belangrijke voorwaarden om tot ontwikkeling te komen. De voortgangsverkla-
ringen van 2005 en 2010 hebben daar een aantal belangrijke onderwerpen aan toege-
voegd, onder andere op het gebied van gender en sociale zekerheid (vraag A1).
In de operationalisering van de Millennium Verklaring is een aantal kwantitatieve doelen
(MDG’s) geformuleerd, die bereikt moeten zijn in 2015. Deze doelen zijn onderverdeeld
in subdoelen met meetbare indicatoren. De overeengekomen doelen zijn inkomen
(MDG1), universele deelname in basisonderwijs (MDG2), gelijke participatie van meisjes
en jongens (MDG3, later uitgebreid tot een meeromvattend doel voor gendergelijkheid),
kindersterfte (MDG4), moedersterfte (MDG5), besmettelijke ziekten (MDG6) en een
duurzaam leefmilieu (MDG7). Als laatste en onder druk van de ontwikkelingslanden werd
toegevoegd mondiaal partnerschap (MDG8) betreffende Official Development Assistance
(ODA), schuldverlichting, een fair handels- en financieel systeem, extra aandacht voor
kwetsbare landen en toegang tot medicijnen en nieuwe technologie. Thema’s die niet
in doelen werden omgezet, zijn vrede en veiligheid, mensenrechten en goed bestuur, de
speciale positie van Afrika en ‘global governance’ (vragen A1 en A3).
De MDG-systematiek heeft succes gehad in de communicatie van een ingewikkelde ont-
wikkelingsproblematiek naar het grotere publiek, maar leidt in vele gevallen niet tot het
bereiken van de doelen zelf. Dit is mede veroorzaakt door de beperkte operationalisering
van de doelen voor de ontwikkelde landen (MDG8) en het niet nakomen van de interna-
tionale toezeggingen, zoals die voor ODA en hervorming van het handels- en financieel
systeem.
Een sterk punt van de MDG’s is dat deze aanleiding kunnen geven tot een substantiële
discussie waarom bepaalde doelen wel gehaald zijn en andere niet, en wie daarvoor verant-
woordelijk gesteld kunnen worden.
De AIV hecht veel waarde aan de Millennium Verklaring en constateert met anderen dat
in het proces waarmee de verklaring vertaald werd in concrete doelen een aantal belang-
rijke thema’s niet geoperationaliseerd is, ofwel doordat er geen internationale consen-
sus over was, ofwel doordat het moeilijk was om de gestelde problematiek in concrete
doelen om te zetten.
Naast het niet opnemen van een aantal belangrijke thema’s is een andere veelgehoorde
kritiek op de MDG-systematiek, dat een onderliggende economische theorie over
1   Zie bijlage II voor lijst met afkortingen.
                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>ontwikkelingsprocessen met structurele veranderingen ontbreekt en dat een theoreti-
sche onderbouwing van de keuzes afwezig is. Verder zijn doelen niet juist geformuleerd
of geïnterpreteerd voor achtergestelde werelddelen, die meer moeten doen om ze te
behalen zonder extra financiële middelen. Kritiek is er ook op het ontbreken van eniger-
lei verwijzing naar de rol, die verwezenlijking van mensenrechten speelt in het nastreven
van de MDG’s. Zowel burger- en politieke rechten als economische, sociale en culturele
mensenrechten (onderwijs, werk en gendergelijkheid) zijn van belang voor het vervullen
van de doelen. De MDG’s doen geen recht aan een holistische visie op duurzaamheid.
Daarnaast is er kritiek op de indicatoren die aan de (sub)doelen werden toegevoegd.
Deze meten uitsluitend kwantiteit en geen kwaliteit. De indicatoren hebben voorts geen
oog voor de (inkomens)ongelijkheid in de wereld zowel binnen landen als tussen landen
(vraag A3).
In voortgangsrapporten over de MDG’s wordt gemengd bericht over de vooruitgang. Op
één doel (toegang tot veilig drinkwater) is meer vooruitgang dan gepland; ook is ar-
moede afgenomen sinds 2000, maar het aantal mensen met honger is gestegen tot
een miljard. De vraag of alle vooruitgang sinds 2010 kan worden toegeschreven aan de
strategie van MDG’s, kan niet volledig wetenschappelijk beantwoord worden. Wel kan
men constateren dat in een meerderheid van de landen sinds de invoering van de MDG’s
in 2000 slechts 20% van de trends om de doelen te bereiken versneld zijn. 80% van de
voortgangstrajecten is constant gebleven of zelfs vertraagd (vraag A1).
Het is onduidelijk in hoeverre de MDG’s bijgedragen hebben tot vermindering van de ar-
moede. Studies tonen aan dat het behalen van het MDG-doel om armoede te halveren
en de specifieke formulering daarvan grotendeels kan worden toegeschreven aan de
vermindering van armoede in China en in mindere mate in India, trends die echter al
ingezet hadden voordat de MDG’s geformuleerd waren. De MDG’s hebben zeker bijgedra-
gen tot meer aandacht aan de verschillende dimensies van armoede, maar hebben ook
het begrip armoede verschraald doordat ze soms beleid verkokeren en geen vermelding
maken van structurele veranderingen en sociale processen, die noodzakelijk zijn om aan
armoede te ontkomen (vraag A2).
De invloed van MDG’s op het werkelijke donorbeleid geeft een gemengd beeld te zien:
donoren benoemen de MDG’s naast hun eigen prioriteiten in plaats van ze als leidraad
te nemen, de hulp is niet significant toegenomen en donorcoördinatie lijkt niet langs de
lijnen van de MDG-systematiek te verlopen. Ook wordt te weinig de relatie tussen beno-
digde middelen voor ontwikkeling en de MDG’s gelegd. De MDG’s staan min of meer los
van de 0,7%-norm hoewel deze wel genoemd is in MDG8 (vraag A4).
Het is moeilijk na te gaan wat de MDG’s hebben betekend voor de beleidsontwikkeling in
ontwikkelingslanden. Donorafhankelijke landen zijn geneigd te zeggen wat de donor wil
horen. Sommige ontwikkelingslanden hebben een eigen invulling gegeven door doelen
toe te voegen zoals voor mensenrechten of extra relevante indicatoren zoals voor ziekten
die in hun werelddeel voorkomen. Voor het beleid in de armere landen overheersen nog
steeds de Poverty Reduction Strategies (PRSP’s) die in het algemeen wel selectief verwij-
zen naar de MDG’s, maar ondanks vernieuwingen door velen toch ook als donorgestuurd
worden beschouwd (vragen A5 en A7).
De veranderingen in ‘global governance’, zoals een grotere rol voor de G20, is eerder het
resultaat van de financiële crisis dan dat de MDG’s hiertoe een eerste aanzet gaven. Ook
bevinden de onderhandelingen over een non-discriminatoir handelssysteem zich in een
impasse sinds de wereldtop in Doha. Enige vorderingen werden bereikt in het mitigeren
                                               9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>van de schuldenlast van sommige landen. De klimaatproblematiek vraagt om veel inten-
sievere samenwerking dan thans overeengekomen in het post-Kyotoregime. Alles bijeen-
genomen is het nagestreefde mondiale partnership nog ver te zoeken (vragen A6 en A7).
Een doelstelling die absoluut niet gehaald is, is de afgesproken verhoging van de ontwik-
kelingshulp. Deze is als percentage van BNP wel gestegen tot 2005 maar daarna weer
afgenomen, lager dan in 1990 en ver weg van de internationale doelstelling van 0,7%
BNP (vraag A8).
Sinds het jaar 2000 hebben zich ook grote veranderingen voorgedaan in de vorm van
economische-, financiële- en voedselcrises, die de internationale orde op zijn grondvesten
hebben doen schudden. Daarnaast speelt een verschuiving in de internationale krachts-
verhoudingen en zien we de opkomst van economieën die zichzelf manifesteren als do-
nor, maar waarvan ook nog een aanzienlijk deel van de bevolking in armoede leeft. Een
groot deel van de ‘armen’ leeft in middeninkomenslanden en niet in ‘arme’ landen. De
AIV vindt het belangrijk dat nieuwere inzichten over ontwikkeling in ogenschouw worden
genomen om de volledigheid en actualiteit van de Millennium Verklaring en de MDG’s na
te gaan (vraag B1).
Na bestudering van de voordelen en de tekortkomingen van de huidige MDG’s op basis
van de belangrijke ontwikkelingen in de maatschappij na 2000 en op basis van de
nieuwere inzichten in het ontwikkelingsdenken, concludeert de AIV dat het noodzakelijk is
om tot een andere invulling van de MDG-systematiek te komen. Tegelijkertijd acht hij het
ook onverantwoord om radicaal te breken met deze systematiek, die gebaseerd was op
een belangrijke internationale consensus over een ontwikkelingsagenda.
In dit advies doet de AIV daarom suggesties voor een post-2015-systeem voor internationale
samenwerking (hierna genoemd het ‘post-2015-systeem’), dat de positieve aspecten van
de MDG’s zoveel mogelijk tracht te behouden. Daarbij wordt echter meteen aangetekend
dat een van de grootste tekortkomingen van de huidige MDG-systematiek is, dat deze in
eerste instantie een door donoren gedreven proces is geweest. Pas in een laat stadium
werden ook verplichtingen voor de ontwikkelde landen opgenomen, zoals MDG8, maar
zonder duidelijke indicatoren zoals voor de andere doelen.
Wellicht de zwaarstwegende aanbeveling van dit advies is daarom ook om als aanloop naar
een post-2015-systeem een consultatief proces te bevorderen met landen in verschillende
fasen van ontwikkeling alsmede met het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven.
In een dergelijk proces moeten de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen
duidelijk gemaakt worden, om hen daarop aan te kunnen spreken. Om die reden is de
AIV in dit advies dan ook terughoudend met het voorstellen van een alomvattende blauw-
druk voor een post-2015-systeem en verwijst hij naar de Millennium Verklaring als een te
handhaven basis voor de strategie van de toekomst. Hierin moeten dan wel de nieuwe
elementen uit de Verklaringen van 2005 en 2010 geconsolideerd worden.
Een consultatief proces over het post-2015-systeem moet bij voorkeur geleid worden door
een prominent persoon uit een opkomend land. Dit is van groot belang voor een mondiale
acceptatie en daarmee voor het welslagen van het vervolg van de MDG’s in een verbe-
terde systematiek. Nederland kan hier een actieve rol in spelen.
Dit inachtnemend vat de AIV hieronder de voornaamste thema’s en gevonden tekortko-
mingen van de huidige Millennium Verklaring en MDG-systematiek alsook de contouren
van een mogelijk post-2015-systeem samen.
                                             10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>De AIV constateert een wat ambivalente houding ten opzichte van de MDG’s. Omdat de
MDG’s geen dominante theoretische onderbouwing hebben, zijn ze nooit bedoeld als een
politiek van ‘one size fits all’. Desondanks zijn de MDG’s toch voor velen een mantra
voor allesomvattend ontwikkelingsdenken en een one-size-fits-all geworden. Doelen
werden daardoor verabsoluteerd en in die logica gold dan: wat niet in de doelen stond
zou daarom niet meer belangrijk zijn. Dit heeft geleid tot de reactie dat iedere zichzelf
respecterende groep zijn aandachtsveld bij de MDG’s wilde onderbrengen. Met deze
fixatie om maar alles onder de MDG’s te brengen is (te) veel aandacht voor detail ont-
staan, soms ten koste van het besef dat duurzame en participatieve economische groei
met een bewuste politiek van structurele veranderingen en herverdeling net zo goed kan
bijdragen aan sociale vooruitgang als directe aandacht voor de sociale sector.
Om tot een beter post-2015-systeem te komen vindt de AIV het belangrijk om de kritiek-
punten van de huidige MDG’s en de recente mondiale ontwikkelingen in aanmerking te
nemen, alsmede na te gaan in hoeverre een aantal nieuwere of tot nu toe onderbelichte
thema’s in ontwikkelingsdenken nopen tot aanpassingen (vraag B1).
Voortgaande globalisering, de recente mondiale ontwikkelingen en speciaal de financieel-
economische crisis van 2008-2009 nopen na 2015 tot verbeteringen van de huidige
internationale handels en financiële systemen.
Wat nieuwe vormen van ontwikkelingsdenken betreft, constateert de AIV allereerst dat
een post-2015-systeem meer gestoeld zou moeten zijn op de capaciteitenbenadering van
Nobelprijswinnaar Amartya Sen, die ten grondslag lag aan de Millennium Verklaring.
Deze theorie stelt dat ontwikkeling gelijk staat aan meer vrijheid. Sen onderscheidt vijf
essentiële vrijheden: (1) politieke- en burgervrijheden, (2) sociale- en (3) economische
mogelijkheden, (4) transparantie in bestuur en economisch leven en (5) beschermende
vrijheden (sociale zekerheid en rechtshandhaving).
De AIV onderschrijft deze benadering van Sen, temeer daar uit de subjectieve welzijns-
theorie blijkt dat mensen deze vrijheden desgevraagd noemen als bepalend voor hun geluk.
Hiertoe kan een post-2015-systeem bijdragen, waarin welvaart beter gemeten wordt,
terugdringen van ongelijkheid binnen landen nagestreefd wordt en dat meer aandacht
geeft aan mensenrechtenprincipes, vrede en veiligheid en effectieve staatsinstellingen –
elementen die in de huidige MDG’s ontbreken.
In een post-2015-systeem zou een basisniveau van veiligheid als voorwaarde voor ontwik-
keling moeten worden opgenomen. De opbouw of hervorming van de veiligheidssector
(SSR) is essentieel voor het versterken van het niveau van veiligheid en zou derhalve
een onlosmakelijk onderdeel moeten vormen van een post-2015-systeem voor fragiele
staten. Een cluster over vrede en veiligheid kan ook indicatoren bevatten voor vroege
signalering van conflicten.
De discussies over duurzaamheid moeten ertoe leiden dat een post-2015-systeem lange-
termijnstreefcijfers voor een duurzaam leefmodel moet bevatten met een ‘rolling agenda’
die de voortgang elke 5 of 10 jaar meet en, op basis van deze meting, leidt tot regelma-
tige bijstelling van de strategie. Het post-2015-systeem wordt zo een ‘dashboard’ met
indicatoren voor duurzaamheid, voor deze generatie en de volgende.
Drie principes uit de mensenrechtenbenadering zijn bijzonder relevant en zouden meege-
nomen moeten worden in een post-2015-systeem: non-discriminatie, participatie en
verantwoording. Daarnaast is verwijzing naar algemene mensenrechtenverdragen van
belang met het oog op naleving van andere relevante mensenrechtenverplichtingen.
                                              11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Hoewel in een ideale wereld een expliciete en mondiaal onderschreven mensenrechten-
benadering zou moeten gelden, is dit volgens de AIV vooralsnog politiek onhaalbaar voor
een post-2015-MDG-systeem. Toch zijn er mogelijkheden om in dezen enigszins recht te
doen aan de rechtenbenadering. De AIV stelt daarom voor dat:
1) het aanloopproces naar een post-2015-strategie zoveel mogelijk participatief zal zijn
    (met inbegrip van een rol voor de meest belanghebbende gemarginaliseerden);
2) de bovengenoemde drie principes opgenomen worden in de methodiek voor het
    nastreven van elk onderdeel van de post-2015-strategie; en
3) wereldwijd onderschreven mensenrechten verankerd blijven door expliciet te verwij-
    zen naar akkoorden van wereldtoppen en de relevante VN-mensenrechtenverdragen
    zoals de Internationale Verdragen voor Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) en
    voor Economische Sociale en Culturele rechten (IVESCR) alsook naar de Universele
    Verklaring van de Rechten van de Mens.
De genderbenadering, die stelt dat gelijkheid tussen man en vrouw onontbeerlijk is voor
een evenwichtige ontwikkeling, noopt tot het opnemen van genderspecifieke indicatoren
voor alle doelstellingen alsmede het onderbrengen hiervan in een apart aandachtsveld voor
gender. Ook het benoemen van genderspecifieke dimensies in nieuwe ‘doelenclusters’
voor bijvoorbeeld vrede en veiligheid (geweld tegen vrouwen) en effectief bestuur (vrou-
wenparticipatie in het beheer van onze samenleving) achten wij noodzakelijk.
Eén van de taken van ‘global governance’ ligt op het terrein van de mondiale publieke
goederen: goederen die iedereen aangaan en waarvan niemand kan of mag worden uit-
gesloten (vraag B2). Het begrip mondiale publieke goederen raakt echter aan het begrip
verantwoordelijke soevereiniteit. Opkomende en zich ontwikkelende landen zijn daarom
beducht voor een aantasting van nationale soevereiniteit, terwijl ontwikkelde landen vre-
zen dat zij veel van de mondiale publieke goederen zouden moeten financieren. De AIV
vindt dat, hoewel de discussie over mondiale publieke goederen met de nodige voorzich-
tigheid gevoerd moet worden, er een duidelijk verband gelegd moet worden tussen MDG’s
en mondiale publieke goederen, omdat zij met elkaar gemeen hebben dat ook niemand
van de MDG’s uitgesloten kan en mag worden. De MDG’s kunnen zo ook bijdragen tot de
totstandkoming van een ‘global social floor’ ofwel een nastrevenswaardig mondiaal over-
een te komen bestaansminimum, waarvan de wenselijkheid tijdens de recente wereldcri-
sis nog eens aangetoond is, zoals ook erkend in de MDG-top van 2010.
Bij de financiering van mondiale publieke goederen dient onderscheid gemaakt te wor-
den tussen financiering van sociaal georiënteerde mondiale publieke goederen (met de
0,7% ODA-norm als leidend beginsel) en de financiering van overige publieke goederen,
waarvoor andere nationale middelen naast ODA, en innovatieve internationale financie-
ringsmethoden gemobiliseerd zullen moeten worden.
Recente theorieën, zoals over de ‘commons’ van Nobelprijswinnares Östrom, die zeven
principes ontwikkelde voor effectief lokaal bestuur (over ‘common resource pools’),
kunnen een rol spelen in het management van mondiale publieke goederen en vormen
een goede leidraad voor een post-2015-systeem, mits deze ideeën en principes worden
doorgetrokken naar ‘global governance’.
De (her)nieuwde discussies over ‘global governance’ vormen een goede leidraad voor het
post-2015-systeem. De AIV vindt het belangrijk in de voorbereidingen daartoe aan te
sluiten bij de door de G20 voorgestelde ontwikkelingsagenda, zoals vervat in de Seoul-
Verklaring van 2010. Daarbij moet tevens rekening worden gehouden met de nieuwe,
snelgroeiende netwerksamenleving die horizontaal opereert en zich niet verticaal
                                             12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>(‘top-down’) laat besturen. Internationale samenwerking is een multiactoraangelegen-
heid geworden. Multilaterale instellingen zouden wellicht een grotere rol kunnen spelen
in de coördinatie en aansturing daarvan.
Meer gedetailleerde aanbevelingen aangaande een post-2015-systeem zijn vervat in hoofd-
stuk A.V en specifiek in sectie A.V.4.
                                            13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>A         Geleerde lessen
In A.I geeft de AIV een overzicht van de geschiedenis van de totstandkoming van de
Millennium Verklaring en de Millennium Development Goals (MDG’s) en van de stand van
zaken op dit moment. In A.II wordt bezien of de MDG’s een werkbaar concept gebleken
zijn en in hoofdstuk A.III wordt aandacht besteed aan enkele omissies. In hoofdstuk A.IV
bekijkt de AIV wat de MDG’s hebben betekent voor het beleid in ontwikkelings- en donor-
landen en in hoofdstuk A.V. trekt de AIV een aantal conclusies uit geleerde lessen.
A.I       De Millenniumverklaring en de MDG’s
A.I.1     Verklaringen in de aanloop naar de MDG’s
Om aan het wereldwijde armoedeprobleem het hoofd te bieden nam de internationale
gemeenschap verenigd in de Verenigde Naties in 2000 de Millennium Verklaring aan,
een jaar later uitmondend in een achttal MDG’s.
De MDG’s vormen een uitkristallisatie van eerder overeengekomen doelen van internatio-
nale conferenties in de jaren ’90, die grotendeels niet gehaald werden, zoals2: de
wereldtop voor onderwijs in Jomtien (1990), de wereldtop voor kinderen in New York
(1990) naar aanleiding van het Kinderrechtenverdrag, de milieutop in Rio de Janeiro
(1992), de mensenrechtentop in Wenen (1993), de wereldtop over bevolking en ontwik-
keling in Caïro (1994), de sociale top in Kopenhagen (1995), de internationale vrouwen-
conferentie in Beijing (1995), Habitat II (‘human settlements’-top) in Istanbul (1996)
en de wereldvoedseltop in Rome (1996).3 De OESO Commissie voor Ontwikkelingshulp
(DAC) formuleerde hierop haar ontwikkelingsdoelen (1996). De verklaring ‘Shaping the
21st century: the contribution of development cooperation’ was de eerste poging om tot
een synthese te komen van de doelen in de verschillende wereldtoppen. Deze lijst
– vastgesteld door de rijke landen (in tegenstelling tot de wereldtoppen die een mondiaal
karakter hadden) – richtte zich voornamelijk op meetbare armoedecriteria (minder dan
1$ per dag), sociale ontwikkeling en duurzaam milieu en distantieerde zich van de
rechtenbenadering en emancipatoire ontwikkeling.4 De lijst is minder veelomvattend dan
de latere MDG’s. Gender werd weggelaten op aandringen van Japan en omgezet in gelijk
onderwijs voor allen. Met name het Verenigd Koninkrijk met Zweden, Noorwegen,
Duitsland en Nederland (Utstein-groep van vrouwelijke ministers) zorgde ervoor dat ont-
wikkelingsdoelen voor gender op de wereldagenda bleven. Zij hadden aanvankelijk echter
weinig resonantie in ontwikkelingslanden, de Wereldbank en het IMF.5
2   Voor een volledig overzicht, zie M. Loewe, ‘The Millennium Development Goals: Chances and Risks,
    German Development Institute, discussion paper 6/2008, Bonn 2008, p. 3.
3   De doelen haken ook aan bij eerdere internationale mensenrechtenverdragen zoals het Internationaal
    Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (1966), de OESO 0,7% BNP voor
    ontwikkelingssamenwerking afspraak van 1970, het Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van
    Discriminatie van Vrouwen (1981), het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989).
4   A. Saith, ‘From Universal Values to Millennium Development Goals: Lost in Translation’, Development and
    Change 37 (6), Institute of Social Studies, 2006, pp. 1169-1170.
5   D. Hulme, ‘The Millennium Development Goals (MDG’s), A short history of the world’s biggest promise’,
    BWPI Working Paper 100, September 2009, pp. 15-25.
                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Het VN-secretariaat zag het initiatief als een poging van rijke landen om de VN-agenda te
beheersen en kwam met een eigen lijst. In de aanloop tot het nieuwe millennium vroe-
gen vele civiele netwerken (zoals de vrouwen- en vredesbewegingen, kerken en Jubilee
2000) om een ontwikkelingsvisie van wereldleiders tijdens de Millenniumtop in 2000. In
het concept van VN-Secretaris-Generaal (SGVN) Kofi Annan sneuvelde wederom gender-
gelijkheid, ditmaal door een alliantie van het Vaticaan met conservatieve Islamitische
landen (Soedan, Iran, Libië en anderen): de zogenoemde ‘unholy alliance’. Ook reproduc-
tieve gezondheid en moedersterfte haalden het niet. Gezondheidsdoelen werden slechts
summier opgenomen, vanwege de politieke strijd om reproductieve gezondheidsrechten,
terwijl de UNDP in een rapport van 1997 hier juist uitgebreid aandacht aan besteed had.
Er kwam voornamelijk een focus op HIV/AIDS. Economische groei, alhoewel niet voort-
vloeiend uit de verklaringen van de wereldtoppen, kreeg veel aandacht alsook de technologie-
ontwikkeling. Druk uit de ontwikkelingslanden en het maatschappelijk middenveld leidde
tot doelen voor de rijke landen met betrekking tot handelstoegang, schuldkwijtschelding
en ODA, en tot een oproep aan de farmaceutische industrie om aidsmedicijnen goedko-
per te maken. Een aparte sectie besteedde aandacht aan Afrika en de ontwikkeling van
de agrarische productiviteit.6
In een niet eerder vertoonde eensgezindheid lanceerden de leiders van het IMF, de OESO,
de VN en de Wereldbank in 2000 de verklaring: ‘A better world for all: Progress towards
the International Development Goals’, die gebaseerd was op de eerder genoemde OESO-
ontwikkelingsdoelen. Deze volgde voor een groot deel Annan’s conceptverklaring, maar
voegt hier kinder- en moedersterfte aan toe. HIV/AIDS-bestrijding werd uitgebreid met
andere ziekten, uit vrees dat anders gezondheidsbudgetten onevenwichtig zouden wor-
den. Een paragraaf werd opgenomen over de speciale noden van kleine eilandstaten en
‘landlocked’ ontwikkelingslanden naar aanleiding van eerdere conferenties hierover.7
Op 8 september 2000 werd de Millennium Verklaring aanvaard. De Verklaring is geba-
seerd op zes fundamentele waarden: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, tolerantie, respect
voor de natuur en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid8 en is helder opgebouwd in
acht hoofdstukken: 1) preambule, 2) vrede, veiligheid en ontwapening, 3) ontwikkeling en
uitbannen van armoede, 4) bescherming van gemeenschappelijk leefmilieu, 5) mensen-
rechten, democratie en goed bestuur, 6) bescherming van de kwetsbaren, 7) tegemoet-
komen aan de bijzondere behoeften van Afrika, 8) versterking van de Verenigde Naties.
A.I.2     Van Verklaring naar Doelen
In september 2001 werd tijdens de Algemene Vergadering van de VN het rapport van de
SGVN ‘Roadmap Towards the Implementation of the Millennium Declaration’, met een
achttal MDG’s, vastgesteld. De nieuwe Amerikaanse president Bush stond sceptisch
tegenover dit VN-initiatief, maar ‘9/11’, de behoefte aan ‘soft power’ en zijn relatie met
de gastheer van de volgende top (de Mexicaanse president), brachten hem tot andere
6   Idem, pp. 25-31. Gerefereerd wordt aan ‘We the Peoples: the role of the United Nations in the 21st
    Century’.
7   Idem, pp. 32-36.
8   A. Sumner, M. Tiwari, ‘After 2015: International Development Policy at a Crossroads, Rethinking
    international development series’, Palgrave/McMillian, 2009, p. 47.
                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>gedachten.9 De MDG’s werden dan ook pas in 2002 door de VS geaccepteerd tijdens
de Monterrey-top (Mexico) over de financiering voor ontwikkeling. Dit heet voortaan de
‘Monterrey consensus’. Tot 2005 bleven de VS zich echter in de praktijk verzetten tegen
de MDG’s.10 Uitvloeisel van de Millennium Verklaring was onder meer de aanname van
de Verklaring van Parijs voor de effectiviteit van de hulp in 2005.
Belangrijk voor het begrip van het proces dat geleid heeft tot de MDG’s is het feit dat de
doelen voortkwamen uit de Westerse trend gericht op ‘results-based management’ en
‘accountability’ van ontwikkelingsbeleid, vastgelegd in de OESO-ontwikkelingsdoelen. Dit
werd gekoppeld aan een meer visionair streven naar ‘Human Development’ afkomstig uit
de koker van de UNDP en neergelegd in de Millennium Verklaring.11
Inhoudelijk zag de VN zich voor het probleem gesteld hoe de ontwikkelingsdoelen van
de OESO te verenigen met de eigen Millennium Verklaring. De SGVN had immers de
eerstgenoemde mede ondertekend, maar diende tegelijkertijd rekening te houden met
de 189 lidstaten. Tijdens een vergadering in 2001 onder leiding van de Wereldbank
tussen donoren, ontwikkelingslanden en multilaterale instellingen werden de beide sets
doelen geïntegreerd. Een werkgroep van OESO/DAC, Wereldbank, IMF en UNDP werkte
de doelen verder uit. Zeer problematisch bleek daarbij het onderwerp klimaatbevordering
(MDG7) en de bijdrage van de rijke landen (MDG8: global partnership), waarover politiek
nog zwaar werd onderhandeld. De doelstelling over een duurzaam leefmilieu (MDG7)
werd uitgebreid met onder andere biodiversiteit en een aantal nieuwe indicatoren.12
MDG8 mondde uiteindelijk uit in zeven doelen en 17 indicatoren, maar zonder deadline.
Daarmee werd dit het meest uitgebreide, maar minst specifieke of meetbare doel.
Opnieuw haalde reproductieve gezondheid het niet, ditmaal op instigatie van de VS-President.
Als compromis werd onder moedersterfte (MDG5), de ‘contraceptiveprevalence rate’ opge-
nomen als indicator. De druk van de vrouwenbeweging en bredere genderlobby behaalde
echter wel een succes in de benoeming van MDG3 als ‘gendergelijkheid’ en – alhoewel
de benaming van het doel ‘gelijkheid in toegang tot primair onderwijs’ bleef – werden twee
indicatoren toegevoegd die niet in de Verklaring voorkomen: participatie van vrouwen in het
economisch leven (buiten de landbouwsector) en in de politiek (aantal zetels in het parle-
ment). Dit verklaart de enigszins onlogisch gestructureerde MDG3.
Daarnaast werd om technische redenen een aantal onderwerpen veranderd van doel tot
indicator, zoals veilig drinkwater (met toevoeging van sanitatie onder MDG7) en aids-
weeskinderen (MDG6).13
9  D. Hulme, ‘The Millennium Development goals (MDG’s), A short history of world’s biggest promise’, BWPI
   Working Paper 100, September 2009, pp. 42-43.
10 Idem, p. 42. De VS-stelling was dat ‘dit een product was van het VN-secretariaat, niet geratificeerd door
   lidstaten’.
11 D. Hulme, ‘Governing Global Poverty? Global Ambivalence and the Millennium Development Goals’ Brooks
   World Poverty Institute, Institute for Development Policy and Management, University of Manchester,
   May 2009.
12 D. Hulme, ‘The Millennium Development Goals (MDG’s), A short history of world’s biggest promise’, BWPI
   Working Paper 100, September 2009, p. 10.
13 Idem, pp. 36-43.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Het belangrijkste verschil met de Millennium Verklaring bestaat verder uit de volgende
thema’s uit de Verklaring, die niet opgenomen werden onder de MDG’s: ‘vrede, veiligheid
en ontwapening; mensenrechten, democratie en goed bestuur; (niet expliciet) de kwets-
baren; bijzondere behoeften van Afrika; hervorming van de VN’ (zie hoofdstuk A.III ‘Waar
de MDG’s aan voorbijgaan’).
Uiteindelijk werden als leidende doelen vastgesteld:
1. verminderen van armoede en honger;
2. alle meisjes en jongens naar de lagere school;
3. het bevorderen van gelijkheid van mannen en vrouwen en de positieverbetering van
    vrouwen;
4. het verminderen van kindersterfte;
5. de verbetering van de gezondheid van moeders;
6. de bestrijding van HIV/AIDS, malaria en andere dodelijke ziektes;
7. het waarborgen van een duurzame leefomgeving;
8. een mondiaal partnership voor ontwikkeling.
Naast deze (hoofd)doelen bevatten de MDG’s subdoelen en indicatoren, welke laatste
voortdurend onderhevig zijn aan een verhit debat, omdat statistieken en daarmee de
haalbaarheid van de doelen verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Zo zijn de
subdoelen van MDG1 geleidelijk aangepast: ten eerste ten opzichte van de Millennium
Verklaring, ten tweede ten opzichte van een eerdere universele verklaring over het terug-
dringen van armoede (voedseltop Rome 1996), die een halvering van armoede in abso-
lute getallen nastreeft (door slechts te reppen over een halvering van de proportie armen
in MDG1), en ten derde ten opzichte van de tijdspanne (door resultaat te meten over
een periode beginnende in 1990 in plaats van in 2000). Al deze aanpassingen leveren
een rooskleuriger beeld en zo kon bijvoorbeeld de gunstige ontwikkeling van de armoede
in China in de jaren ‘90 worden meegenomen en had Oost-Azië vanwege groei in China
in 1999 MDG1 al een jaar vóór de vaststelling van de MDG’s gehaald.14 Yale filosoof
Pogge schat dat al deze aanpassingen hebben geleid tot een streefcijfer in 2015, dat
neerkomt op een feitelijke reductie van het aantal armen in 2015 met slechts 19% in
plaats van 50%.
A.I.3    MDG-toppen van 2005 en 2010
Tijdens de Wereldconferentie in 2005 werd wederom de ambitie uitgesproken door
regeringen van zowel donor- als ontwikkelingslanden om de MDG’s te behalen in 2015.
Daarnaast werd afgesproken dat alle landen in 2006 nationale ontwikkelingsstrategieën
voor het behalen van de MDG’s zouden formuleren. De volgende onderwerpen kwamen
aan de orde: ontwikkeling, terrorisme, vredesopbouw en handhaving, ‘responsibility to
protect’, mensenrechten, democratie en rechtsstaat, hervorming van de VN, milieu,
internationale gezondheid, humanitaire hulp en update van het Handvest van de VN.15
Ook werden enige MDG’s uitgebreid zoals MDG5 (moedersterfte) met reproductieve
gezondheid (een compromis, omdat reproductieve rechten niet werden opgenomen).16
14 T. Pogge, ‘The First United Nations Development Goal: a cause for celebration’, Journal of Human
    Development and Capabilities, vol. 5(3), November 2004, pp. 337-397.
15 Algemene Vergadering van de VN, Resolutie 60/1 ‘2005 World Summit Outcome’, 24 oktober 2005.
16 MDG5b leest: ‘achieve by 2015 universal access to reproductive health’.
                                                    17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>De grote weerstand van de VS in een eerder stadium werd daarmee overwonnen, dank-
zij een sterke lobby die teruggreep op de Conferentie voor Bevolking en Ontwikkeling in
Caïro in 1994, waar 179 landen hadden afgesproken dat universele toegang tot repro-
ductieve rechten gerealiseerd moest zijn in 2015.17 Daarnaast werden ook toegevoegd:
een subdoel voor werkgelegenheid en ‘decent work’ (MDG1), een subdoel voor univer-
sele toegang tot behandeling tegen HIV/AIDS (MDG6), en een subdoel voor de verminde-
ring van verlies aan biodiversiteit (MDG7) (zie tabel in Bijlage III).18
De Verklaring van 2010 heeft meer de vorm van een voortgangsrapportage voor de
MDG’s en is derhalve in termen van strategie van minder belang. Zij doet door de nogal
onkritische optimistische opening geen urgente oproep om tot betere resultaten te ko-
men. Nauwelijks komt het tekortschieten van de ontwikkelde landen aan de orde, zoals
in de handelspolitiek, coherentie van beleid en toegezegde ontwikkelingshulp (ODA).
De originele Millennium Verklaring van 2000 is daarom nog steeds relevant en de
hoeksteen van het beleid voor de toekomst. De vertaling naar de MDG’s kan echter
veel vollediger; in feite is alleen opvolging gegeven aan paragraaf 19 van de Verklaring.
Daarnaast laat overigens ook de Millennium Verklaring zelf een aantal belangrijke onder-
werpen liggen, die echter deels door de 2010-Verklaring worden aangevuld, zij het vaak
in summiere bewoordingen. Deze worden behandeld in hoofdstuk A.III.
A.I.4     In hoeverre zijn de MDG’s bereikt?
Volgens de VN19 zijn er belangrijke vorderingen gemaakt in de strijd tegen armoede die
met de MDG’s werd ingezet.20 Daarbij moeten echter enige relativerende kanttekeningen
worden geplaatst. De extreme armoede21 is tussen 1990 en 2005 afgenomen van 1,8
miljard tot 1,4 miljard mensen (MDG1). Dit is echter vooral te danken aan de ontwikkeling
in China.22 Een meerderheid van de kinderen wordt thans ingeschreven in het basis-
onderwijs (MDG2). Niet iedereen maakt het echter af en 72 miljoen kinderen wereldwijd,
vooral meisjes, gaan nog steeds niet naar school. Slechts in 53 landen gingen net zo
veel meisjes als jongens naar het basis- en voortgezet onderwijs (MDG3).23
17 F.G. Abrejo, B.T. Shaikh, S. Saleem, ‘ICPD to MDGs: Missing links and common grounds’, Reproductive
    Health Journal, vol. 5(4), September 2008, p. 3.
18 In bijgevoegde Bijlage III is een overzicht van de MDG’s opgenomen alsook de indicatoren voor het meten
    van vooruitgang (met in cursief diegenen die na 2001 zijn toegevoegd).
19 UNSG, ‘Keeping the promise; a forward-looking review to promote an agreed action agenda to achieve the
    Millennium Development Goals by 2015’, Report of the Secretary-General, UN General Assembly 64th
    session, February 2010, pp. 4-9.
20 Zie bijvoorbeeld de ‘scorekaart van het Centre for Global Development in Washington
    <http://www.cgdev.org>, geraadpleegd 16 maart 2011.
21 Minder dan $1,25 per dag.
22 In Afrika waren er 92 miljoen meer mensen die op een dollar per dag leefden en in West-Azië 8 miljoen
    meer (1990-2005).
23 Van de 171 landen met beschikbare data.
                                                       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Vrouwen worden onevenredig zwaar getroffen door armoede. Het aantal vrouwen met
een betaalde baan buiten de agrarische sector is toegenomen tot gemiddeld 41% van
alle vrouwen wereldwijd in 2008.24 Voor vrouwen is het echter nog altijd moeilijk om
hogere posities te verwerven. Wereldwijd zijn slechts 1 op de 4 senior officials of mana-
gers vrouw. Het aantal vrouwen in nationale parlementen is van 11% in 1995 gestegen
tot 19% in 2010.25
Het aantal kinderen dat sterft voor het vijfde jaar is afgenomen van 12,5 miljoen tot 8,8
miljoen per jaar (MDG4)26 en volgens andere bronnen zelfs tot 7,7 miljoen.27
Zeer weinig voortgang werd gemaakt met moedersterfte (MDG5). Er sterven nog steeds
vrijwel net zoveel vrouwen door zwangerschap en geboorte, als 15 jaar geleden.28 Er is
wel voortgang geboekt in het aantal geboorten dat door een professional wordt begeleid.
De anti-aidsstrijd boekte succes: 200.000 minder mensen stierven aan deze ziekte tus-
sen 2004 en 2008 en 800.000 minder mensen raakten besmet tussen 1996 en 2008
(MDG6).29 De statistieken ontbreken of dit voor malaria ook geldt. Deze ziekte claimde
800.000 doden in 2008.30
Met de zorg voor de planeet ging het iets beter. De ontbossing nam af: 3,3 miljoen
hectare minder bos werd gekapt; 31% van het land is nog bebost (32% in 1990, MDG7).
De biodiversiteit neemt nog steeds af; 17.000 planten- en dierensoorten worden bedreigd
24 In Noord-Afrika en Zuid- en West-Azië, zijn de statistieken minder positief: slechts 20% van betaalde
    banen buiten de agrarische sector wordt bekleed door vrouwen. UN, ‘The Millennium Development Goals
    Report 2010’, New York, p. 22.
25 Idem, pp. 24-25.
26 Van 99 naar 72 per 1000 (1990-2008). UNSG, ‘Keeping the promise; a forward-looking review to promote
    an agreed action agenda to achieve the Millennium Development Goals by 2015’, Report of the Secretary-
    General, UN General Assembly 64th session, February 2010, pp. 4-9.
27 J. Knoll Rajaratnam, J.R. Marcus, A.D. Flaxman, H. Wang, A. Levin-Rector, L. Dwyer, M. Costa, A.D. Lopez,
    C.J.L. Murray, ‘Neonatal, Postneonatal, Childhood, and Under-5 Mortality for 187 Countries, 1970-2010:
    A Systematic Analysis of Progress Towards Millennium Development Goal 4’, 375 The Lancet no. 9730,
    5 June 2010, pp. 1988-2008.
28 Moedersterfte blijft hoog: 450 op 100.000 geboorten in 2005. Dit is nauwelijks minder dan in 1990,
    toen betrof het 480 op 100.000.
29 2 miljoen mensen stierven aan Aids (2008; de piek was in 2004 met 2,2 miljoen); 2,7 miljoen mensen
    raakten besmet met HIV in 2008 (ten opzichte van 3,5 miljoen op de top in 1996). UN, ‘The Millennium
    Development Goals Report 2010’, New York, p. 40.
30 UNSG, ‘Keeping the promise; a forward-looking review to promote an agreed action agenda to achieve the
    Millennium Development Goals by 2015’, Report of the Secretary-General, UN General Assembly 64th
    session, February 2010, p. 8.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>met uitsterving.31 Daarnaast dreigt klimaatverandering het armoedeprobleem te verer-
geren (droogte, overstroming). De CO2-uitstoot nam toe met 35% in de periode 1990 tot
2007.32 Wat betreft toegang tot veilig drinkwater loopt de wereld vóór op schema. Als de
huidige trends doorzetten zal in 2015 circa 86% van de bevolking in ontwikkelingsregio’s
toegang hebben tot verbeterde drinkwaterbronnen.33
De voortgang op het gebied van toegang tot elementaire sanitaire voorzieningen verloopt
daarentegen minder goed. Naar verwachting hebben in 2015 2,7 miljard mensen geen
toegang tot verbeterde sanitaire voorzieningen (2,6 miljard in 2008).34 In de afgelopen
10 jaar is het aantal sloppenwijkbewoners in ontwikkelingslanden afgenomen van 39%
tot 33% van de stedelijke bevolking in 2010. Daarnaast hebben 200 miljoen sloppen-
wijkbewoners toegang gekregen tot verbeterde woningen en sanitaire en watervoorzienin-
gen. In absolute getallen is het aantal sloppenwijkbewoners echter aan het groeien. Het
aantal stadsbewoners levende in sloppenwijkcondities wordt geschat op 828 miljoen,
vergeleken met 657 miljoen in 1990 en 767 miljoen in 2000.35
Ook worden deze deelresultaten overschaduwd door het feit dat het aantal zeer arme
mensen dat honger lijdt nog steeds toeneemt, dat de CO2-uitstoot niet naar beneden
gaat en dat minstens een half miljoen mensen per jaar omkomt door kleine wapens.36
De financiële hulp blijft minder dan de overeengekomen 0,7% BNI voor verreweg de
meeste donoren (MDG8).37 Wel is de hulp van niet-DAC-donoren en van private fondsen
toegenomen. De schattingen hierover lopen uiteen.38 De afgelopen tien jaar hebben
ontwikkelingslanden wel betere toegang tot markten van rijkere landen gekregen. In
2008 was bijna 80% van de invoer vanuit de minst ontwikkelde landen (LDC’s) naar
rijkere landen vrij van invoerheffingen (vergeleken met 70% in 2000).39 Daarnaast is de
schuldenlast van ontwikkelingslanden verlicht door betere schuldbeheersing, de uitbrei-
31 Ontbossing is alarmerend hoog (5,2 miljoen hectare per jaar in de laatste 10 jaar tegen 8,3 miljoen in de
    10 jaar ervoor); UN, ‘The Millennium Development Goals Report 2010’, New York, pp. 52-57.
32 UN, ‘The Millennium Development Goals Report 2010’, New York, pp. 52-57.
33 Er bestaat echter een grote tegenstelling tussen toegang tot veilig drinkwater op het platteland en in
    steden: 8 van de 10 mensen (wereldwijd) zonder toegang tot water leven op het platteland. UN, ‘The
    Millennium Development Goals Report 2010’, New York, pp. 58-59.
34 Zie de ‘Statement on the Right to Sanitation’, aangenomen door het VN-verdragscomité Economische,
    Sociale en Culturele Rechten op 19 november 2010 in UN Doc. E/C.12/2010/1.
35 UN, ‘The Millennium Development Goals Report 2010’, New York, p. 63.
36 Joris Voorhoeve, ‘Negen plagen tegelijk’, Contact, 2011.
37 Het 0,7% BNI-doel is in 2009 slechts door vijf landen gehaald, namelijk Denemarken, Luxemburg, Neder-
    land, Noorwegen en Zweden. UN, ‘The Millennium Development Goals Report 2010’, New York, p. 67.
38 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
    Retooling Global Development’, New York, May 2010, pp. 54-55.
39 Exclusief olie en wapens. UN, ‘MDG 8 The Global Partnership for Development at a Critical Juncture: MDG
    Gap Task Force Report 2010’, New York, p. 36.
                                                     20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>ding van handel en in sommige gevallen schuldverlichting. De mondiale financiële crisis
heeft echter een negatief effect gehad op de handel voor vrijwel alle ontwikkelingslanden.
De tegenvallende inkomsten beïnvloedden de externe schuldenlast, maar deze last zal
zeer waarschijnlijk onder de historisch hoge cijfers van voor 2000 blijven.40
Naast absolute armoede telt relatieve armoede. Op wereldschaal is de ongelijkheid
spectaculair toegenomen: de ratio van het gemiddelde inkomen in de rijkste landen in
verhouding tot dat in de armste landen is tussen 1980 en 2007 gestegen van 60:1 naar
116:1 ($43.503 versus $374 BNI per capita in 2007).41 De vooruitgang op dit punt is
mede bemoeilijkt door de financieel-economische crises van de afgelopen jaren. Zo is
het aantal mensen met honger sinds 1995 gestegen tot meer dan een miljard (het hoog-
ste niveau ooit) en het aantal mensen met onvoldoende voedingsstoffen tot meer dan
2 miljard mensen. Circa 28% van de werkenden zou sinds de financieel-economische
crises minder verdienen dan de armoedegrens (MDG1).42 Eén op de vier kinderen onder
de leeftijd van vijf in ontwikkelingslanden heeft een te laag gewicht; in Zuid-Azië is dit
zelfs 46% (MDG4).43 Ook is het aantal jongeren zonder arbeidsperspectief en mensen
die in precaire arbeidsomstandigheden werken sinds de crisis weer toegenomen.44
Kan alle vooruitgang die gemeld wordt, worden toegeschreven aan de strategie van
MDG’s? De vraag of er zonder de MDG’s net zoveel vooruitgang zou zijn geboekt als met
is begrijpelijk en legitiem, maar kan helaas niet volledig wetenschappelijk beantwoord
worden. In de meerderheid van de landen kan men slechts in 20% van de MDG’s een
verbeterde trend constateren ten opzichte van de pre-MDG-periode.45
De MDG’s lenen zich echter wel tot een discussie over de vraag waarom bepaalde
doelen wel en andere niet gehaald zijn en tot de vraag wie verantwoordelijk gesteld kan
worden voor het niet bereiken van de gestelde doelen. Hier gaat de AIV in de volgende
hoofdstukken op in.
40 UN, ‘The Millennium Development Goals Report 2010’, New York, pp. 68-70.
41 T. Pogge, ‘Politics as usual: what lies behind the Pro-Poor Rhetoric’, Cambridge: Polity Press, 2010, p. 96.
42 21,2% in 2008 plus een geschatte 7% extra in 2009. UNSG, ‘Keeping the promise; a forward-looking
    review to promote an agreed action agenda to achieve the Millennium Development Goals by 2015’, Report
    of the Secretary-General, UN General Assembly 64th session, February 2010, p. 5.
43 UN, ‘The Millennium Development Goals report 2010’, New York, p. 13.
44 ILO, ‘Global Employment Trends 2011’, Geneva 2011.
45 S. Fukuda-Parr, J. Greenstein, ‘How should MDG implementation be measured: faster progress or meeting
    targets?’ International Policy Center for Inclusive Growth, No 63, May 2010, p. 11.
                                                        21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>A.II      Zijn de MDG’s een werkbaar concept gebleken?
De Millennium Verklaring was sturend voor het internationale ontwikkelingsdebat. Er
ontstond een nieuwe consensus tussen IMF/Wereldbank en de VN, waarbij de eerstge-
noemden ook armoededimensies opnamen in de structurele aanpassingsprogramma’s.
Er ontstond nadruk op ‘menselijke ontwikkeling’ in plaats van eenzijdig groeidenken.
Ontwikkelingsbeleid werd meer uitkomstgedreven met meetbare doelen. Coherentie werd
op de agenda gezet, in termen van coördinatie met andere beleidsterreinen van donoren
en in het streven naar donorcoördinatie en het prioriteren van het beleid van ontwikke-
lingslanden zelf. Het principe van gezamenlijke verantwoordelijkheid werd aanvaard en
de noodzaak voor een wereldwijd raamwerk voor ontwikkeling (MDG8). Het groeiende
belang van het maatschappelijk middenveld werd erkend door zijn participatie in interna-
tionale conferenties.46
Toch wordt over het belang van de MDG’s uiterst verschillend gedacht.
A.II.1 Algemene kritiek
Samenvattend zijn er vier scholen rond de MDG’s: de optimisten, die de doelen zien als
een vehikel voor transformatie van de menselijke conditie (zoals Sachs, leider van het
Millennium Project, Pronk, Vandemoortele), de strategische realisten, die de MDG’s zien
als essentieel om politiek commitment te bereiken (zoals Fukuda-Parr, Jolly), de scep-
tici, die vinden dat de MDG’s goed bedoeld maar weinig doordacht zijn (zoals Clemens,
Easterly, WRR) en de radicale critici, die de MDG’s zien als een afleidingsmanoeuvre om
de ‘echte’ vraagstukken van toenemende wereldwijde ongelijkheid te omzeilen en gender-
gelijkheid niet te prioriteren (onder andere Antrobus, Eyden, Saith, Pogge, UNCTAD).47
Deze vier scholen worden hier kort beschreven.
Optimisten
Oud-minister Pronk noemt zes voordelen van de MDG’s als sluitstuk van 40 jaar ontwik-
kelingssamenwerking.48 De doelen zijn:
1. gericht op vrijwel alle relevante aspecten van armoede en niet eenzijdig gefocust op
    inkomensarmoede;
2. wereldwijd, maar toch zo specifiek dat ze op landenniveau uitgevoerd kunnen worden;
3. gericht op resultaten (output in plaats van de 0,7% inputdiscussie);
4. directe armoedebestrijding in tegenstelling tot indirect, zoals ‘trickle-down’ van econo-
    mische groei of ‘safety nets’ om de negatieve effecten van groei te compenseren;
5. precies en kwantificeerbaar in plaats van vage beloften;
6. ambitieus: de wereld heeft nooit in een tijdsbestek van 15 jaar de armoede gehal-
    veerd (ook al is dit als doel niet in overeenstemming met het recht van iedereen op
    een minimum bestaan).
46 M. Loewe, ‘The Millennium Development Goals: Chances and Risks’, German Development Institute,
    discussion paper 6/2008, Bonn 2008, pp. 12-13.
47 D. Hulme, ‘The Millennium Development goals (MDG’s): A Short History of the World’s Biggest Promise’,
    BWPI Working Paper 100, September 2009, p. 4.
48 J. Pronk, ‘Collateral damage or calculated default? The Millennium Development Goals and the Politics of
    Globalisation’, Inaugural address as Professor of the Theory and Practice of International Development at
    the Institute of Social Studies, The Hague 11 December 2003, pp. 3-4.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Pronk ziet dan ook als voordeel van de MDG’s dat er geen excuus is voor het niet behalen;
doelen vragen om actie en verantwoording.49
Loewe50 voegt hier nog aan toe dat er meer hulp is gegenereerd in het nieuwe
millennium. Dit zou deels komen doordat de doelen goed te begrijpen zijn voor het
grote publiek en de waardering voor ontwikkelingssamenwerking doet toenemen. Het
belangrijkste argument voor handhaving van de doelen is echter dat dit de eerste maal
is dat alle actoren het eens zijn over een set doelstellingen. Easterly noemt dit overigens
de fundamentele zwakte van de MDG’s.51
Jan Vandemoortele, UNDP-onderhandelaar bij de totstandkoming van de MDG’s, blijft de
MDG’s een goed concept vinden dat gehandhaafd moet worden na 2015, echter wel met
een aantal wijzigingen in structuur en implementatie.52 Het voornaamste daarvan is dat
bij toezicht van de MDG’s rekening moet worden gehouden met ongelijkheden binnen
landen (waarbij verbetering van het laagste bevolkingssegment zwaarder zou moeten
wegen dan verbetering van hogere segmenten). Het opnemen van de welvaartsverdeling
binnen landen komt tegemoet aan het bezwaar dat nationale indicatoren weinig zeggen
over het lot van de allerarmsten. Meting naar doelgroep (gender, etniciteit, ruraal-urbaan,
regionaal) wordt ook door anderen aangedragen als noodzakelijke extra indicator.53 De
meer fundamentele kritiek dat MDG’s geen theoretische onderbouwing hebben, is echter
voor Vandemoortele weinig relevant, aangezien dat volgens hem nooit de opzet van de
MDG’s was geweest.
Strategische realisten
Volgens Fukuda-Parr heeft de Millennium Verklaring ertoe geleid dat partnerschappen
met het maatschappelijk middenveld en de private sector in ontwikkelingssamenwer-
king op de agenda gezet zijn, alhoewel zij over de uitwerking niet altijd even enthousiast
is.54 Ook heeft zij met haar collega Greenstein55 kritiek op het behalen van de doelen:
niet het 100% behalen ervan moet centraal staan, maar de voortgang die gemaakt is
met het behalen ervan (sommige hebben immers een slechtere uitgangssituatie) én de
voortgang na 2000 vergeleken met die ervoor. Gebaseerd op trends sinds 1990
49 Idem, pp. 44-45.
50 M. Loewe, ‘The Millennium Development Goals: Chances and Risks’, German Development Institute,
    discussion paper 6/2008, Bonn 2008.
51 W. Easterly, ‘The Tragedy of the Millennium Development Goals’, Aidwatch, July 2009.
52 J. Vandemoortele, ‘Taking the MDGs Beyond 2015: Hasten Slowly’, DSA/EADI/Action Aid Policy Forum,
    June 2009.
53 S. Jahan, ‘The Millennium Development Goals Beyond 2015’, New York, April 2009.
54 S. Fukuda-Parr, ‘Are MDGs priority in development strategies and aid programmes, only a few are!’,
    International Poverty Centre, Working Paper 48, October 2008, pp. 7 en 12. De Millennium Verklaring
    stelt: ‘meer ruimte geven aan het bedrijfsleven, niet-gouvernementele organisaties en de brede
    samenleving in het algemeen om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelen’ (paragraaf 30).
55 S. Fukuda-Parr, J. Greenstein, ‘How should MDG implementation be measured: faster progress or meeting
    targets?’ International Policy Center for Inclusive Growth, No 63, May 2010.
                                                        23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>constateren Fukuda-Parr en Greenstein dat van de 24 indicatoren waarvoor voldoende
data beschikbaar waren, er slechts vijf zijn die na 2000 in meer dan de helft van de lan-
den een versnelde verbetering te zien geven. Dus geen versnelde verbetering in 80% van
de MDG’s.56 Met andere woorden: de meeste landen zitten op de trend die zij al hadden
vóór de MDG’s of zitten daaronder. De versnelde progressie is groter, wanneer er geke-
ken wordt naar de minst ontwikkelde landen (op 13 indicatoren) en naar Sub-Sahara
Afrika (op 16 indicatoren).
Leo en Barmeier57 hebben een voortgangsindex geconstrueerd, die een realistischer beeld
geeft van de ontwikkeling van de MDG’s. Zo presteren de minst ontwikkelde landen beter
in termen van vooruitgang op de geselecteerde MDG-indicatoren dan de midden-
inkomenslanden. Daarnaast is er een verwaarloosbare (positieve) correlatie tussen
MDG-vooruitgang en economische groei (BNP), per capita BNP groei en per capita hulp
(ODA). Ook de relatie met de institutionele ontwikkeling van een land lijkt slechts beschei-
den positief: sommige maken goede MDG-voortgang, ondanks zwakke instituties; alle
zwakke MDG-performers hebben echter ook zwakke instituties.58
Sceptici
Hoewel Easterly de MDG’s ziet als een succes in ‘global consciousness raising’, argu-
menteert hij dat ze een mislukking zijn waar het gaat om het vertalen van die hernieuwde
bewustwording in het behalen van de doelen. De trends, zelfs vóór de economische
crisis, zijn negatief. Juist de laatste mondiale crisis of recessie brengt een fundamentele
zwakte in de MDG’s aan het licht, namelijk dat het behalen hiervan afhangt van de
wereldwijde en nationale economische groeiperspectieven. Dit leidt tot de volgende
vraag: hoe kan je iemand verantwoordelijk houden voor iets waar hij geen controle over
heeft? En: hoe kan je een verantwoordelijke aanwijzen als een collectief van 189 regerin-
gen verantwoordelijk is? Easterly’s stelling is dat een overeenkomst geen tanden heeft
als iedereen het erover eens is. Sociale veranderingen, zoals algemeen kiesrecht, eman-
cipatie van minderheden en vrouwenrechten, kwamen alleen tot stand door te identifice-
ren wie verantwoordelijk was voor de bestaande onrechtvaardigheid, waarom die situatie
onrechtvaardig was en wat noodzakelijk was om te doen. Deze analyse ontbreekt echter
in de MDG’s.59 Ook vindt Easterly dat de doelen vooral oneerlijk zijn voor veel landen in
Afrika60 en andere landen met lage inkomens, doordat ze merendeels zijn geformuleerd
in termen van de kloof tot het einddoel (in plaats van de uitgangspositie).
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zegt in zijn rapport van
vorig jaar61 het volgende over de MDG’s: ‘De MDG’s zijn echter voor het grootste deel
56 Idem, p. 11.
57 B. Leo, J. Barmeier, ‘Who are the MDG Trailblazers? A new MDG Progress Index’, Center for Global
    Development, Working Paper 222, Washington, August 2010.
58 Gemeten aan de ‘Country Policy and Institutional Assessments (CPIA)’ van de Wereldbank.
59 W. Easterly, ‘The tragedy of the Millennium Development Goals’, Aidwatch, July 2009.
60 W. Easterly, ‘How the MDGs are Unfair to Africa’, Brookings Global Economy and Development, Working
    Paper 14, Washington, November 2007.
61 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), ‘Minder pretentie, meer ambitie, ontwikkelings-
    hulp die verschil maakt’, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2010, p. 122.
                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>statische doelen, sterk gericht op het wegnemen van aanwezige nood. Ze zeggen niets
over de middelen, de strategie en onderliggende mechanismen voor het bereiken van de
doelen en over de vermogens van samenlevingen om zich te ontwikkelen. In die zin zijn
ze weinig ontwikkelingsgerelateerd. Economische groei is niet als (finaal of intermediair)
doel opgenomen in de MDG’s en belangrijke vraagstukken als de transformatie van de
productieve sectoren worden niet eens genoemd. In de omschrijving van MDG8 wordt
weliswaar de noodzaak van een fair handelssysteem genoemd, maar dat is slechts een
heel beperkt onderdeel van het tot stand brengen van een productieve economische
sector. De MDG’s zijn wervend maar ook problematisch: ze halen de aandacht af van
structurele veranderingen en versterking van de landbouw en de productieve sectoren.
Er kleven bovendien andere nadelen aan. De targets zijn niet alleen arbitrair, het zijn
ook mondiale doelen die vervolgens doorvertaald worden naar elk afzonderlijk land. ‘Dit
probleem heeft alles te maken met het feit dat de donoren een zwaar stempel hebben
gedrukt op het formuleren van de doelen. Hoe dat spoort met het breed aangehangen
idee van ‘ownership’ op het terrein van ontwikkeling, is een niet opgehelderde vraag.’
Radicale critici
Wellicht de grootste kritiek op de MDG’s is dat deze geen sociaaleconomische on-
derbouwing hebben. Een groep van critici gaat verder en is van mening dat de MDG’s
de ongebreidelde markteconomie ongemoeid laten en alleen als lapmiddel fungeren
om enkele ongewenste neveneffecten te bestrijden, zoals armoede. Fundamentele
machtsverhoudingen in de wereld worden zo ongemoeid gelaten, evenals vraagstukken
van verdeling; de stemmen van de armen en arme landen worden niet of onvoldoende
gehoord. Volgens deze critici wordt het fenomeen van spectaculair stijgende inkomens-
verschillen tussen landen en binnen landen als gevolg van marktliberalisering hierdoor
volkomen ontkend en niet aangepakt. In deze gedachtegang zouden de MDG’s versto-
rend werken en niet zo onschuldig zijn als ze lijken. Wie kan er immers bezwaar hebben
tegen minder armoede, kinder- of moedersterfte? Door zich te richten op deze beperkte
doelen wordt de aandacht afgeleid van belangrijkere structurele oorzaken van armoede.
De MDG-agenda bepaalt zo welke vooruitgang in de wereld wordt gemeten en verandert
daarmee stilzwijgend de richting van het denken over ontwikkeling en de aansturing van
ontwikkelingssamenwerking. Kort gezegd: hulp + technologische middelen + lokaal goed
bestuur = armoedebestrijding. Dit komt in de plaats van transformatie van onrechtvaar-
dige economische structuren.62
Volgens Saith hebben de MDG’s daarom de definitie van armoede verengd tot absolute
armoede63 en de verworvenheden van het begrip relatieve armoede, dat de afgelopen
decennia opgeld deed, ingeruild voor een uiterst simplistische benadering.64 In deze op-
tiek maken de MDG’s de armen tot hulpeloze ontvangers en kunnen zij hun emancipatie
niet bereiken via het opeisen van rechten. De MDG’s zijn een slap aftreksel van de vele
verklaringen van de jaren negentig van de vorige eeuw en van de internationale verwor-
venheden van de afgelopen 40 jaar: ‘Minimum Development Goals’. In deze redenering
houden de MDG’s de structurele armoede juist in stand, omdat zij de fundamenten van
de maatschappij en de schaduwzijden daarvan in stand houden. De MDG’s lijken te
62 A. Saith, ‘From Universal Values to Millennium Development Goals: Lost in Translation’, Development and
   Change 37 (6), Institute of Social Studies, 2006, p. 1189.
63 Idem, p. 1197.
64 Amartya Sen: ‘In een algemeen welgesteld land heb je meer inkomen nodig om voldoende goederen te
   kopen om dezelfde sociale functie te realiseren’, in ‘Vrijheid is Vooruitgang’, uitgeverij Contact, 2000, p. 91.
                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>impliceren dat onderontwikkeling een probleem is van ontwikkelingslanden, dat los staat
van de economische dynamiek van ontwikkelde landen.
Deze kritiek wordt gedeeltelijk ook geuit door de UNCTAD, die de huidige MDG’s een
‘lack of a more inclusive strategy of economic development’ noemt. UNCTAD pleit voor
nationale ontwikkelingsprogramma’s met economische diversificatie, werkgelegenheid en
technologische ontwikkeling en hernieuwde nadruk op productieve investeringen, belas-
tingheffing, sociaaleconomisch beleid en hervorming van de internationale ‘governance
architecture’.65
Daarnaast zijn er vele mensenrechtendeskundigen, die de niet-verwijzing naar mensen-
rechten een grote gemiste kans vinden. Een belangrijk vertegenwoordiger hiervan is de
voormalige Speciale Rapporteur buitengerechtelijke executies van de VN, Philip Alston.66
A.II.2 Meten van armoede
Het criterium voor armoede leidt tot veel discussie en kritiek. De door de Wereldbank
geïntroduceerde norm van $1 per dag is volgens Pogge onvoldoende om een minimum-
bestaan te garanderen. Dit komt doordat de Wereldbank niet uitgaat van nominale wis-
selkoersen maar de PPP (‘Purchasing Power Parity’ ofwel koopkrachtvergelijking) in 2005
berekent. Zo rekent men iemand die in India in 2005 van $0,40 per dag moest rond-
komen als niet arm, omdat dit bedrag in 2005 PPP gelijk is aan $1,25. De prijzen voor
voedsel zouden in alle arme landen hoger zijn dan de PPP’s suggereren, gemiddeld meer
dan 50%.67 Pogge toont aan dat de koopkracht van $1,25 per dag onvoldoende is om
het minimum aan voedsel te kopen, nog daargelaten het feit dat het armoedecriterium
ook rept over voldoende kleding, onderdak, water, et cetera.
Daarnaast heeft Pogge bezwaar tegen de armoedegrens en de manier van updates van
de Wereldbank. Uit zijn analyse volgt dat het armoedecriterium successievelijk naar
beneden is bijgesteld. Het $1-criterium uit 1985 komt overeen met $1,85 in 2005 PPP.
Het is hierdoor dat men op een ‘absurd laag bedrag’ is uitgekomen dat nog geen kwart
van de voedselbehoefte kan dekken.68 Het updaten van het armoedecriterium heeft ook
tot gevolg dat de verandering die wordt gemeten in de armoede in de wereld er rooskleu-
riger uitziet: hoe lager de armoedegrens wordt getrokken, hoe beter het resultaat. Pogge
toont aan dat er bij een armoedegrens van $2,50 geen enkele verbetering is opgetreden
in de periode 1981-2005.69
65 UN Conference on Trade and Development (UNCTAD), ‘Follow-up to the Millennium Summit and prepara-
    tions for the high-level plenary meeting of the General Assembly on the Millennium Development Goals:
    New development paths. Reconnecting the Millennium Development Goals to the Development Agenda:
    an UNCTAD perspective’, Geneva, June 2010.
66 Zie onder andere P. Alston, ‘Ships passing in the night: the current state of the human rights and
    development debate seen through the lens of the Millennium Development Goals’, Human Rights
    Quarterly 27(3), August 2005, pp. 755-829.
67 T. Pogge, ‘Politics as Usual: What Lies Behind the Pro-Poor Rhetoric’, Cambridge: Polity Press, 2010, p. 68.
68 Idem, pp. 65-66.
69 Idem, p. 62 en tabel 3.2.
                                                       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>A.II.3      Indicatoren en andere valkuilen van doelgerichte benaderingen
Aan de bovengenoemde (fundamentele) kritiek op de MDG’s kan nog een aantal alge-
mene bezwaren van doelgerichte benaderingen (‘results-based management’) worden
toegevoegd: doelen, gericht op kwantiteit, meten geen kwaliteit en kunnen deze onder-
graven (zoals: wel naar school gaan maar geen kwalitatief goed onderwijs krijgen). Eng
geformuleerde indicatoren kunnen overheden ook aanzetten om bijvoorbeeld mensen
naar school te sturen zonder dat er leraren of lesmateriaal zijn, uitsluitend om op het
oog de desbetreffende MDG te behalen. Dit is niet het beoogde maar wel het mogelijke
gevolg van ‘results-based management’, die ook kwaadwillend gebruikt kunnen worden.
De indicatoren hebben voorts geen oog voor de ongelijkheid in de wereld, die zowel
binnen landen als tussen landen mondiaal toeneemt. Zo kan men de allerarmsten links
laten liggen en de mensen net onder de armoedegrens helpen om aan MDG1 te vol-
doen, of kan China in zijn eentje MDG1 voor heel Azië vervullen, terwijl andere Aziatische
landen nog steeds grote aantallen mensen in armoede herbergen.
Bovendien kan de kortetermijnplanning om de doelen te halen de duurzaamheid er-
van ondergraven (wie betaalt voor de kinderen op school na 2015?). Het behalen van
de doelen negeert de onderlinge samenhang, wat juist de grote verworvenheid van de
wereldconferenties is. Met andere woorden: welk effect heeft het behalen van het ene
doel op het andere gehad of op parameters die niet als doel zijn geformuleerd? Het niet
behalen van de doelen kan het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking ondergraven
(aan wie ligt het?). Met andere woorden: zijn de doelen wel realistisch gesteld? Landen
die met de grootste problemen kampen kunnen voortgang maken, maar toch de doe-
len niet behalen en daarmee imagoschade oplopen; de uitgangssituaties lopen teveel
uiteen.
Jolly argumenteert daarom om niet te kijken naar het wel of niet behalen van doelen,
maar naar hoe die doelen gefunctioneerd hebben als katalysator voor verandering en
bewustwording en waarom sommige landen de doelen niet gehaald hebben (vanwege
zowel interne als externe factoren, zoals mondiale crises).70
In de MDG-context wordt de verantwoordelijkheid voor de resultaten bij ontwikkelings-
landen gelegd, terwijl MDG8 geen meetbare steun of eerlijke handelsregels van rijke
landen vergt.71 Wereldwijd doelen stellen en per land uitvoeren is in dit opzicht niet
effectief. Planning op basis van incomplete statistieken is een ander gevaar net als
irrelevante statistieken die geen impact meten (bijvoorbeeld het percentage land dat
opzij gezet is als natuurreservaat).72 Verder is het meten per land verraderlijk in die zin,
dat landen met veel inwoners in armoede (India) net zo zwaar tellen als een klein landje
(Malediven); dit betekent dat een inwoner in India relatief minder gewicht krijgt dan een
van de Malediven; dit is strijdig met het principe dat alle mensen gelijk zijn.73
70 R. Jolly, ‘Global Goals, The UN Experience’, Background Paper Human Development Report, 2003.
71 UN, ‘MDG 8 The Global Partnership for Development at a Critical Juncture: MDG Gap Task Force Report
    2010’, New York.
72 M. Loewe, ‘The Millennium Development Goals: Chances and Risks’, German Development Institute,
    discussion paper 6/2008, Bonn 2008, pp. 14-18.
73 S. Alkire, M. Santos, ‘Acute Multidimensional Poverty: a new index for developing countries’, OPHI working
    paper No 38, July 2010, p. 8.
                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Tot slot is niet aangetoond dat het sturen op resultaat ook de juiste prikkels geeft voor het
politieke establishment van ontvangende landen voor betere ontwikkeling. Onderzoek op
basis van een aantal ‘Poverty Reduction Strategies’ kon geen significante invloed vinden
op nationale doelstellingen; voor wereldwijde doelstellingen is het nog moeilijker aan te
tonen dat hiervan een positieve werking uitgaat op nationale politici.74 Een onderzoek van
het Institute of Development Studies over de impact van ‘transparancy and accountability
initiatives’ concludeert dat meer transparantie niet noodzakelijkerwijs tot betere verant-
woording leidt, omdat het zeer complexe initiatieven betreft en omdat men rekening moet
houden met vele factoren die het succes bepalen, waaronder machtsrelaties.75
A.III      Waar de MDG’s aan voorbijgaan
De MDG’s zijn bedoeld als overkoepelend begrip voor alle dimensies van armoede,
een kristallisatie of samenvatting van de wereldproblematiek in zijn geheel. Een groep
critici heeft echter van meet af aan gewezen op de verkeerde formulering van de
MDG’s. Hoewel tijdens verschillende internationale conferenties en bijeenkomsten na
de vaststelling van de MDG’s de doelen werden uitgebreid en nieuwe doelen werden
toegevoegd, bleef de kritiek bestaan. Essentiële thema’s, zoals duurzaamheid, groei en
werkgelegenheid, ongelijkheid, kennis en technologie, demografie, vrede en veiligheid,
infrastructuur, en mensenrechten maken geen expliciet onderdeel uit van de MDG’s. Ook
worden thema’s als voedselzekerheid, klimaat, gender en ‘global governance’ niet ge-
noeg uitgediept in de geformuleerde doelen. Critici denken dat deze belangrijke thema’s
het behalen van de MDG’s kunnen frustreren. Delen van de maatschappelijke beweging
hebben zich zelfs geheel afgekeerd van de MDG’s, omdat zij de genderanalyse en milieu-
effecten van economische groei missen; zij pleiten voor een agenda van transformatie.
Hieronder zal kort worden ingegaan op de niet genoemde doelen en de doelen die vol-
gens critici beter uitgediept dienen te worden.
In deel B zal verder worden ingegaan op de vraag hoe deze niet genoemde thema’s of
thema’s die beter uitgediept moe(s)ten worden, mede in het licht van recente ideeën
over ontwikkeling en over ‘global governance’, een rol kunnen spelen in een vernieuwd
ontwikkelingsdenken.
A.III.1          Niet genoemde thema’s
Duurzaamheid, groei en werkgelegenheid
Gore pleit voor een nieuw ontwikkelingsparadigma waarin de productiviteit van het individu
en duurzaamheid centraal staan.76 Zijn argument hiervoor is dat de financiële crisis het
einde inluidt van 60 jaar ontwikkelingstheorie en de ‘winter’ van de Kondratieff-curve
(periode van creatieve destructie vanwege ‘deflationary depression’). Hierna zal het
‘voorjaar’ van innovativiteit doorbreken. De crisis moet niet alleen gezien worden als een
uitvloeisel van mankementen in het financiële systeem, maar ook als uiting van wereld-
74 David Booth, Director of the Africa Power and Politics Programme (APPP), Overseas Development Institute
    (ODI), Society for International Development SID-lezing, 13 December 2010.
75 Institute of Development Studies (IDS), ‘Review of Impact and Assessment of Transparency and Accoun-
    tability Studies’, prepared by Gregory Barrett, Richard Calland, Ruth Carlitz, Anuradha Joshi, Rosemary
    McGee, Andrés Mejía Acosta and the Society for Participatory Research in Asia (PRIA), October 2010.
76 C. Gore, ‘The Global Development Cycle, MDG’s and the Future of Poverty Reduction’, 12th EADI General
    Conference, Geneva, June 2008.
                                                        28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>wijde systematische scheefgroei: toenemende ongelijkheden binnen en tussen landen77,
gebrek aan democratie in internationale verhoudingen en ecologische grenzen aan de
groei. De financiële zeepbel is mede ontstaan door gebrek aan geaggregeerde vraag, dat
wil zeggen: consumenten zijn te weinig koopkrachtig. Het antwoord hierop kan niet al-
leen in termen van armoedebestrijding volgens de MDG’s gevonden worden, maar dient
ingebed te worden in een wereldwijde sociaaleconomische transformatie, waarin werk-
gelegenheid en productiviteit van het individu centraal staan. Energietransitie en streven
naar duurzaamheid moeten hierin verdisconteerd worden, omdat het ernaar uitziet dat
wij het moment van de ‘peak-oil’ zullen bereiken.78
Ongelijkheid
De MDG’s schenken geen aandacht aan de ongelijkheid binnen landen. Toch kan een
vermindering van ongelijkheid in inkomens en toegang tot essentiële sociale diensten
bijdragen tot een snellere realisatie van de MDG’s.79 UNICEF bijvoorbeeld toont in een
recente studie aan dat het zich richten op de allerarmste groepen een kostenefficiënte
methode is om de doelen te halen, in tegenstelling tot het idee dat dit juist duurder
zou zijn. Voor de gezondheidsdoelen werd berekend dat deze focus ook goedkoper is.80
UNDP concludeert dat landen waar inkomensongelijkheid daalde en waar krachtige
nationale groei optrad in sectoren waarin de armsten waren geconcentreerd, het meeste
succes hadden met ‘poverty reduction’.81 MDG-architect Vandemoortele stelt zelfs dat
zolang groeiende ongelijkheden binnen landen worden veronachtzaamd de MDG’s ‘mis-
sion impossible’ zullen zijn.82
De vraag is voorts of er moet worden gekeken naar de armste landen in de wereld of
naar de positie van de armste mensen binnen die landen en wereldwijd. Zoals Sumner
onder andere duidelijk maakt, is er een nieuwe ontwikkelingssituatie ontstaan met grote
groepen armen in middeninkomenslanden (960 miljoen ofwel 72% van de armen).83
Kennis en technologie
Kennis is een goed voorbeeld van een publiek goed, aangezien kennis gedeeld kan
worden door veel mensen tegelijkertijd en het moeilijk is om er exclusief bezit over te
behouden. Daarnaast is kennis een mondiaal publiek goed, aangezien de verspreiding
77 Idem, p. 11: 1% rijken (50 miljoen) beschikken over hetzelfde inkomen als 57% (2,7 miljard) van de minst
    verdienenden. Slechts 17% valt in de categorie middeninkomen.
78 Idem, p. 13.
79 J. Vandemoortele, ‘Taking the MDGs Beyond 2015: Hasten Slowly’, DSA/EADI/Action Aid Policy Forum,
    June 2009.
80 UN Girls’ Education Initiative (UNICEF), ‘Narrowing the Gaps to meet the Goals’, New York, September
    2010, p. 7.
81 UN Development Group (UNDG), ‘Beyond the Midpoint, Achieving the Millennium Development Goals’,
    New York 2010, p. 25 en Annex 2.1.
82 J. Vandemoortele, 2011,‘The MDG Story: Intention Denied’ in Development and Change, Vol 42 , No 1,
    pp. 1-21.
83 A. Sumner, The New Bottom Billion, The Broker, issue 23, December 2010.
                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>ervan niet stopt bij nationale grenzen. Intellectueel eigendom en ‘common knowledge’,
bestaande uit reeds bestaande en beschikbare kennis in het publieke domein, hebben
belangrijke grensoverschrijdende gevolgen. Kennis is namelijk cruciaal voor het bereiken
van andere ‘global public goods’(GPG’s). Zo kan kennis bijdragen tot de beheersing van
overdraagbare ziektes, het beheren van ‘global commons’, het bereiken van een open
handelssysteem en het nastreven van financiële stabiliteit.84 Echter vooral door het on-
vermogen kennis te absorberen verwijdt de kenniskloof tussen rijke landen en de meeste
arme landen zich, en wordt de mogelijkheid kleiner om de ontwikkelingskloof te dichten.
Daarnaast begrenst het mechanisme van intellectuele eigendomsrechten de beschikbaar-
heid van kennis voor de ontwikkeling van andere GPG’s, en veranderen daarmee sommige
elementen van kennis van een publiek goed in een privaat goed.85 Nieuwe informatie-
technologie geeft nieuwe mogelijkheden en uitdagingen voor kennis overdracht.
Demografie
Demografische veranderingen worden op langere termijn zichtbaar en vormen een grote
uitdaging voor de mensheid en ontwikkeling in de 21e eeuw. Onevenwichtige bevolkings-
opbouw, veroorzaakt door dalende sterftecijfers en hoge geboortecijfers, kan het beha-
len van MDG’s in de weg staan. Snelle veranderingen in de samenstelling van de bevol-
king, zoals de afhankelijkheidsratio of vergrijzing, kunnen een negatieve dan wel posi-
tieve uitwerking hebben op de economische groei (demografisch dividend). Daarnaast
kunnen demografische trends onder andere invloed hebben op werkgelegenheid, vrede
en veiligheid, urbanisatie, milieu en armoede in een land.86
Vrede en veiligheid
Conflicten en geweld zijn belangrijke oorzaken van het niet halen van de MDG’s. Geen
van de fragiele staten met lage inkomens heeft enig MDG behaald en voortgang is er
langzaam. In conflictenlanden zijn meer mensen ondervoed en gaan minder mensen
naar school. Conflictlanden kennen een hogere kindersterfte, minder schoon drinkwater,
enzovoort. Door de communale spanningen en de enorme toevoer van kleine wapens
neemt ook huiselijk geweld toe. Om effectief te zijn in fragiele staten zijn, naast geld, be-
trouwbare data nodig voor vooral werkgelegenheid, veiligheid van burgers en toegang tot
rechtspraak. Sommigen pleiten daarom voor indicatoren voor deze zaken. Ook zouden
indicatoren nodig zijn voor vredesopbouw, institutieopbouw (waaronder hervorming van
de veiligheidssector) en geweldspreventie.
Infrastructuur in Afrika
Voor Afrika is het cruciaal dat het gebrek aan fysieke infrastructuur wordt aangepakt
(wegen, spoorwegen, elektriciteit, havens, telefoon, internet enzovoort). Critici menen dat
investeren in sociale sectoren weinig zin heeft als niet eerst de voorwaarden voor bedrijvig-
heid worden gecreëerd. De MDG’s zouden de aandacht voor cruciale infrastructuur heb-
ben afgeleid. In de MDG’s wordt naast water en sanitatie slechts aandacht besteed aan
informatietechnologie (ICT), op welk terrein dankzij particuliere investeringen inderdaad
vooruitgang wordt geboekt.
84 International Taskforce on Global Public Goods, ‘Meeting Global Challenges: International Cooperation in
    the National Interest’, Stockholm 2006, p. 65.
85 Idem, pp. 67-68.
86 AIV, ‘Demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking’, advies nummer 66, Den Haag,
    juli 2009.
                                                     30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Mensenrechten en goed bestuur
Mensenrechten en de MDG’s zouden nauw met elkaar verbonden moeten zijn.87 De
Millennium Verklaring verwijst in hoofdstuk vijf naar het belang van mensenrechten,
maar uiteindelijk zijn in de MDG’s zelf geen verwijzingen naar mensenrechten opgeno-
men. Omdat armoede vaak het gevolg is van discriminatie, menen verschillende critici
dat het non-discriminatie- en het gelijkheidsbeginsel moeten worden opgenomen in een
post-2015-systeem. Volgens hen zouden de meest kwetsbare en armste mensen hier-
van kunnen profiteren.88
Mondiale publieke goederen
Alhoewel in de MDG-literatuur niet direct wordt ingegaan op mondiale publieke goederen,
wordt door sommigen bepleit dat dit een betere benadering zou zijn dan de MDG’s.
In hoofdstuk B.IV.2 zal hier nader op worden ingegaan.
A.III.2     Thema’s die beter uitgediept moe(s)ten worden
Voedselzekerheid
Een van de subdoelen van MDG1 behelsde het terugdringen van honger. In de bestrijding
van honger speelt voedselzekerheid ook een grote rol. Volgens de FAO89 zijn wereldwijd
één miljard mensen ondervoed en hebben 2 miljard mensen een tekort aan essentiële
voedingsstoffen. De Wereldbank maakt zich ongerust over hogere voedselprijzen, die
het aantal mensen onder de armoedegrens doen toenemen. Doelstelling 1C van de
MDG’s besteedt aandacht aan honger (kinderen met ondergewicht en mensen die niet
voldoende nutriënten binnen krijgen), maar dit is niet voldoende omdat het geen aan-
dacht besteedt aan de oorzaken ervan. Met groei van de wereldvoedselproductie is het
steeds meer een kwestie van verdeling en regiospecifieke voedselzekerheid geworden.
Verwaarlozing van landbouw in vele ontwikkelingslanden heeft ertoe geleid dat het
aanbod van voedsel niet de verhoogde vraag naar voedsel (ten gevolge van bevolkings-
groei en veranderde consumptiepatronen) kon bijhouden. Voedselonzekerheid is ook
toegenomen doordat meer landen voedsel zijn gaan invoeren en doordat de prijs van
granen en ander essentieel voedsel onderhevig is geworden aan grotere fluctuaties.
Deze prijsvolatiliteit is niet alleen het gevolg van droogte en overstromingen maar vol-
gens sommigen ook van toegenomen speculatie op grondstoffenmarkten.
Klimaat
De veranderingen van het klimaat hebben directe gevolgen voor armoede. Als klimaatver-
anderingen en de gevolgen niet worden bestreden of gemitigeerd, kan armoede onmoge-
lijk worden uitgebannen. Daarom wordt vaak beargumenteerd dat beide uitdagingen
87 Bij nagenoeg alle MDG’s is sprake van een inhoudelijke overlap met internationaal erkende rechten van
    de mens. Bijvoorbeeld het recht op onderwijs (art. 25(1) Universele Verklaring van de Rechten van de
    Mens) met MDG2. Zie voor een overzicht: UNDP ‘Human Rights and the Millennium Development Goals,
    Making the Link’, New York 2007, p. 11. Zie verder paragraaf B.IV.1.
88 Rapport van het ‘Seminar on Human Rights and the Millennium Development Goals’, gehouden te Den
    Haag, ministerie van Buitenlandse Zaken, 25-26 mei 2009, p. 26.
89 Food and Agricultural Organisation of the UN (FAO), ‘The State of Food Security in the World: Addressing
    food insecurity in protracted crises’, Rome, 2010, p. 9.
                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>tegelijkertijd aangepakt kunnen worden.90 Kleinschalige arbeidsintensieve aanpak op
het gebied van water, energie, duurzame landbouw en productie kan uitkomst bieden. Dit
biedt een win-winsituatie: mensen die in armoede leven krijgen een duurzaam inkomen
en bevorderen oplossingen voor deze kwesties. Verwacht wordt dat klimaatveranderingen
via meer extreme droogte, overstromingen en stormen, vooral ontwikkelingslanden zullen
treffen – en dan in het bijzonder die bevolkingsgroepen die het minst weerbaar zijn.91
Gender
Hoewel MDG3 stelt gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen en de positie
van vrouwen te versterken, benadrukken critici dat de invulling van deze doelstelling
onvolledig is. Volgens Amnesty International voldoen de MDG’s op dit moment niet aan
alle verplichtingen die staten al zijn aangegaan om discriminatie van vrouwen tegen
te gaan.92 Thema’s die aanvankelijk ontbraken in de MDG’s zijn het Verdrag inzake de
Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen dat in 1981 werd opgesteld
en één van de belangrijkste internationale documenten is in de strijd tegen discriminatie
van vrouwen93 alsook het Beijing-Platform voor Actie van 1995, met 12 actiepunten, waar-
onder seksuele en reproductieve rechten en de uitbanning van geweld tegen vrouwen.94
De keuze van de drie indicatoren om de voortgang van MDG3 (bevordering van gelijkheid
tussen mannen en vrouwen) te meten, is nogal willekeurig: onderwijsparticipatie, toegang tot
betaald werk buiten de agrarische sector en het aantal vrouwelijke parlementszetels. Zo wordt
bijvoorbeeld niet de kwaliteit of voltooiing van het onderwijs gemeten. Vooral meisjes verlaten
vaak voortijdig de school.95 De indicator ‘betaald werk buiten de agrarische sector’ maakt
geen onderscheid tussen de verschillende types werkgelegenheid waarin vrouwen werken.
Ook vormt in veel ontwikkelingslanden de niet-agrarische sector slechts een klein percentage
van de totale werkgelegenheid.96 Het aantal zetels in het parlement heeft uitgewezen niet
altijd ‘empowerment’ van vrouwen in gang te kunnen zetten.97
90 E. Solheim, ‘Climate, Conflict and Capital’, in: Poverty in Focus; The MDGs and Beyond: Pro-Poor Policy in
     a Changing World, International policy Centre for inclusive Growth, No 19, January 2010, p. 24.
91 N. Stern, ‘The Economics of Climate Change’, The Stern Review, Cambridge University Press, 2007.
92 Amnesty International, ‘From Promises to Delivery. Putting Human Rights at the Heart of the Millennium
     Development Goals’, London, 2010, p. 16.
93 Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen 1981. Landen die partij zijn
     geworden bij het Verdrag moeten actieve stappen ondernemen om discriminatie tegen te gaan, door
     middel van onder andere het verwijderen van discriminerende wetgeving en het instellen van een bescher-
     mingsmechanisme ter bestrijding van discriminatie van vrouwen.
94 Zie punt 3 over toegang tot gezondheidszorg en aanverwante voorzieningen en punt 4 over uitbanning van
     geweld tegen vrouwen.
95 N. Jones, R. Holmes, J. Espey, ‘Progressing Gender Equality Post-2015: Harnessing the Multiplier Effects
     of Existing Achievements’, IDS Bulletin, Vol. 41, No 1, January 2010, p. 115.
96 UN, ‘Inter-Agency and Expert Group on MDG Indicators, 6th Gender Indicators Sub-group meeting’,
     New York, 2005, <http://www.wiego.org/IAEGGenderSubgroupMinutes26Sep2005.doc>.
97 R. Johnson, ‘Not a sufficient condition: the limited relevance of the gender MDG to the women’s
     progress’, Gender and Development, Vol. 13 (1) 2005, p. 60.
                                                        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>‘Global governance’
MDG8 heeft tot doel ‘to develop a global partnership for development’. Dit achtste doel
is laat in het proces bijgeschreven, vooral op aandrang van ontwikkelingslanden, die ook
een vorm van verantwoording van de donorlanden opgenomen wilden zien in termen van
ODA, handels-, financierings- en schuldenbeleid, om zo nog enige coherentie in het interna-
tionale systeem aan te brengen. MDG8 heeft echter nooit de noodzakelijke vormen van
‘global governance’ waargemaakt. Het is een cluster geworden, waarin allerlei doelen en
targets terecht gekomen zijn die op het laatste moment zijn toegevoegd; daardoor is de
oorspronkelijke opzet die sommige landen en speciaal de ontwikkelingslanden MDG8
toedachten, namelijk een doel om coherentie in het beleid van ontwikkelde landen af te
dwingen en een meetbare aansprakelijkheid (‘accountability’) tot stand te brengen van
ontwikkelde landen in het bereiken van de MDG’s, nooit echt van de grond gekomen. Zo
er al sprake is van een verbetering van ‘global governance’, is dat eerder te danken aan
de reactie op de financiële crisis dan dat het een uitvloeisel is van een grote inspanning
om MDG8 te verwezenlijken.
A.III.3     Ontbrekende doelgroepen
In algemene zin richten de MDG’s zich niet specifiek op de meest kwetsbare groepen in
de maatschappij, met uitzondering van vrouwen. Behalve vrouwen kan een aantal andere
kwetsbare groepen genoemd worden, omdat deze ook vaak onevenredig getroffen worden
door armoede.
De Wereldbank heeft aangegeven dat mensen met een functiebeperking circa 10% van
de wereldbevolking uitmaken en tegelijkertijd ongeveer 20% van de armen in de wereld.98
De tweede Speciale Rapporteur inzake Gehandicapten van de Commissie Sociale
Ontwikkeling merkte op dat armoede en functiebeperkingen vaak met elkaar verband
houden.99 Voor deze groep mensen is extra aandacht noodzakelijk – die nog steeds
maar minimaal gegeven wordt – in de (inter)nationale ontwikkelingssamenwerkings-
agenda van armoedebestrijding.100 Ook de MDG’s schenken geen specifieke aandacht
aan mensen met een (functie)beperking. In de programma’s en het beleid gebaseerd
op de MDG’s wordt deze groep mensen dus veelal buiten beschouwing gelaten.101 De
laatste jaren is er echter vanuit de VN – met name de speciale VN Rapporteur voor
Gehandicapten – aandacht geschonken aan het belang van een volledige opname van
de belangen van mensen met een functiebeperking binnen de MDG’s.102 Daarbij is ge-
bleken dat het grootste probleem ten opzichte van mensen met een functiebeperking is,
98    A. Elwan, ‘Poverty and Disability: A Review of the Literature’, Social Protection Discussion Paper
      No 9932, 1999, World Bank.
99    Rapport van de Secretaris-Generaal, ‘Mainstreaming Disability in the Development Agenda’, ECOSOC,
      20 November 2009, UN doc. E/CN.5/2010/6, p. 4.
100 Idem, pp. 17-18.
101 Algemene Vergadering van de VN, rapport van de SGVN, ‘Realizing the MDGs for persons with
      disabilities through the implementation of the World Programme of Action concerning Disabled Persons
      and the Convention on the Rights of Persons with Disabilities’, 27 July 2009, UN doc. A/64/180, p. 3.
102 Er zijn belangrijke resoluties over aangenomen, waaronder Resolutie 2008/21 van de ECOSOC.
                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>dat zij het slachtoffer zijn van stigma’s en vooroordelen.103
De Millennium Verklaring roept staten op de rechten van minderheden te respecte-
ren.104 In werkelijkheid blijken inheemse volken en minderheden onzichtbaar te zijn
binnen de MDG’s, wegens het gebrek aan gegevens over hun ontwikkeling en situatie.105
‘Desk reviews’ van het ‘United Nations Permanent Forum on Indigenous Issues’ laten
zien dat inheemse volken in zeer beperkte mate zijn opgenomen in nationale MDG-
rapporten en -evaluaties.106 Hetzelfde geldt voor minderheden.107
Inheemse volken zijn achtergesteld door het verlies aan land en natuurlijke hulpbronnen
door kolonisatie, veelvuldige discriminatie, marginalisatie en het gebrek aan vermogen
om hun eigen leven te leiden.108 Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij 15% van arm-
sten van de wereldbevolking uitmaken tegen 5% van de wereldbevolking in zijn geheel.109
Toegang tot adequate zorg en onderwijs van inheemse volken ligt onder het nationaal
gemiddelde en deze groeperingen zijn vooral kwetsbaar voor de achteruitgang van het
milieu.110 Veel van de rijkste mineraalbronnen bevinden zich op territoria van de inheemse
volken. De landonteigening van inheemse volken vormt een groot probleem.111 Ook
andere groeperingen van minderheden op basis van nationaliteit, religie, taal en etnische
achtergrond zijn disproportioneel armer door discriminatie, geweld en uitsluiting.112
103 J.E. Groce, J-P. Trani, ‘Millennium Development Goals and People with Disabilities’, The Lancet,
     Vol. 374, 28 November 2009, p. 1800.
104 Millenniumverklaring 2000, Deel V: ‘… strengthen the capacity of countries to implement the principles
     and practices of democracy and respect for human rights, including minority rights’.
105 C. Doyle, ‘Indigenous Peoples and the Millennium Development Goals –‘sacrificial lambs’ or equal
     beneficiaries?’, The International Journal of Human Rights, Vol. 13, No 1, February 2009, p. 44. VN
     Mensenrechtenraad, ‘Rapport van de Onafhankelijke Deskundige inzake Rechten van Minderheden’ Gay
     MacDougall, 2 februari 2007, UN Doc. A/HRC/4/9, p. 17.
106 De deskreviews zijn te vinden op <http://www.un.org/esa/socdev/unpfii>.
107 VN Mensenrechtenraad, ‘Rapport van de Onafhankelijke Deskundige inzake Rechten van Minderheden’,
     Gay MacDougall, 2 februari 2007, UN Doc. A/HRC/4/9, p. 17.
108 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘State of the World’s Indigenous Peoples’, UN
     doc. ST/ESA/328, p. 21.
109 W.J.M. van Genugten, ‘Protection of Indigenous Peoples on the African Continent: Concepts, Position
     Seeking, and the Interaction of Legal Systems’, American Journal of International Law, Vol. 104, No 1,
     2010, pp. 29-65.
110 UN Permanent Forum on Indigenous Issues, ‘Indigenous People and the MDGs: Inclusive and Culturally
     Sensitive Solutions’, UN Chronicle Partnership for Development, Vol. XLV, No 1, 2008.
111 R.L. Barsh, ‘Is the Expropriation of Indigenous People’s Land GATT-able?’, Review of European
     Community & International Environmental Law, Vol. 10, Issue 1, April 2001, pp. 13-26.
112 VN Mensenrechtenraad, ‘Rapport van de Onafhankelijke Deskundige inzake Rechten van Minderheden’
     Gay MacDougall, 2 februari 2007, UN Doc. A/HRC/4/9, p. 7.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>De Verklaring van de VN over de Rechten van Inheemse Volken (2007) kent zowel indi-
viduele als collectieve rechten. Het garanderen van het recht op zelfbeschikking, en het
daaruit voortvloeiende recht op een volwaardige en effectieve deelname aan besluitvor-
mingsprocessen, behoren tot de sleutelelementen voor een duurzame vooruitgang van
inheemse volken.113 Het Permanente Forum voor inheemse volken van de VN stelt dat
deze, om de MDG’s in 2015 te behalen, moeten worden ondersteund door een mensen-
rechtelijke benadering van ontwikkeling, waarin universaliteit, gelijkheid, participatie en
verantwoordelijkheid centraal staan.114 Daarnaast vergt het werken met inheemse volken
aan de MDG’s een benadering die is gebaseerd op respect voor hun cultuur, wereldvisies,
ervaringen en opvattingen inzake ontwikkeling. Het Forum stelt daarom voor om inheemse
volken volledig en effectief te laten participeren in het opstellen, implementeren en moni-
toren van MDG-programma’s en projecten die hun aangaan.115
A.III.4     Reactie van de VN op de kritiek op de acht doelen
In het laatste rapport van 2010 van de SGVN wordt niet ingegaan op de (fundamentele)
kritiek op de MDG’s. Het rapport stelt dat de doelen haalbaar zijn en dat de tekort-
komingen in voortgang geheel en al te wijten zijn aan gebrek aan politieke wil, onvol-
doende middelen, gebrek aan focus en verantwoordelijkheid en onvoldoende interesse
in duurzame ontwikkeling.116 Wel gaat het rapport in op deelonderwerpen, die niet als
zodanig genoemd zijn in de MDG’s, zoals geweld tegen vrouwen, armoede onder in-
heemse bevolkingen, vluchtelingen, ongelijkheid, ‘equitable growth’, vrede en veiligheid,
landbouwproductie, ‘good governance’ en mensenrechten, klimaat en de rol van maat-
schappelijke organisaties en het bedrijfsleven. Aan het concept van de MDG’s als zoda-
nig (onrealistische niet-haalbare doelen met nadruk op kwantitatieve prestaties) wordt
niet getornd; wel lijken de VN al op weg naar een MDG-plusagenda door niet genoemde
doelen te incorporeren in de rapportage.
A.IV      Wat hebben de MDG’s betekend voor beleid in ontwikkelings- en
          donorlanden?
A.IV.1      Hoe zijn de MDG’s gebruikt in ontwikkelingslanden?
In hoeverre zijn de MDG’s omarmd door de ontwikkelingslanden die hulp ontvangen?
Veel regionale organisaties gaven aandacht aan de MDG’s, vooral in aanloop naar de
top in 2010.117
113 UN Permanent Forum on Indigenous Issues, ‘Indigenous People and the MDGs: Inclusive and Culturally
      Sensitive Solutions’, UN Chronicle Partnership for Development, Vol. XLV, No 1, 2008.
114 Zie tevens hoofdstuk B.IV.1 ‘Mensenrechtenbenadering’.
115 UN Permanent Forum on Indigenous Issues, ‘Report of the International Expert Group Meeting on the
      Millennium Development Goals, Indigenous Participation and Good Governance’, fifth session, New York
      2006, par. 62.
116 UNSG, ‘Keeping the promise; a forward-looking review to promote an agreed action agenda to achieve
      the Millennium Development Goals by 2015’, Report of the Secretary-General, UN General Assembly
      64th session, February 2010, par. 5 en 116.
117 Zie voor een overzicht van alle regio’s bijvoorbeeld ‘Economic Commission for Latin America and the
      Carribbean, regional reports’ op <http://www.eclac.org>.
                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Yansane118 signaleert een scepsis ten aanzien van de MDG’s bij Afrikaanse landen. Hij
plaatst dit in het kader van een lange rij initiatieven die bedoeld zijn om Afrika te steu-
nen in ontwikkeling, maar gefaald hebben (zoals het VN ‘System wide Special Initiative
for Africa’, 1996, en ook diverse toezeggingen op VN-, G8- en G20-niveau gedurende het
afgelopen decennium). De MDG’s werden gezien als weer een nieuwe donorstrategie,
die zeker zou falen. Enthousiasme in Afrika voor de MDG’s wordt niet aangemoedigd
door het feit dat de MDG’s voor dit continent onmogelijk haalbaar zijn met de huidige
economische groei (7% groei is nodig om de armoede met de helft te reduceren) en het
huidige niveau van de hulp (de hulp had verdubbeld moeten worden van 2005-2010 om
de doelen te halen volgens de ‘Commission for Africa’ en het Millennium Project).119
Anderen stellen dat nationale prioriteiten verdrongen worden door MDG’s; zoals de prio-
riteit die Rwanda wilde geven aan secundair en tertiair beroepsonderwijs, en de prioriteit
die Tanzania wilde geven aan kleinschalige irrigatie om het lot van boeren te verbeteren;
donoren besloten tot grootschalige dammen, omdat dit een positief effect op het GDP
zou hebben en dus MDG1 dichterbij zou brengen.120
In een aantal gevallen blijken ontwikkelingslanden de statistieken rond MDG’s te
manipuleren of geven ze een eigen interpretatie aan de doelen. In sommige Latijns-
Amerikaanse landen bijvoorbeeld werden achtergestelde inheemse bevolkingen uitge-
sloten van ‘household surveys’ en interviews met als resultaat een positiever beeld
van de armoede in de statistieken.121 Reductie van HIV/AIDS, MDG6, wordt in veel
Latijns-Amerikaanse landen gezien als uitsluitend gerelateerd aan homoseksualiteit,
waardoor vrouwen die slachtoffer zijn van geweld en met HIV zijn besmet, niet aan bod
komen. Soms zijn de MDG’s zelfs debet aan verkeerde beleidsbeslissingen (dan wel
rechtvaardigen ze bestaande keuzes): in Honduras is geweld tegen vrouwen de tweede
doodsoorzaak, maar heeft het ministerie van gezondheid alleen een programma voor
moedersterfte, MDG5.122
Veel landen passen de MDG’s aan de lokale omstandigheden aan door toevoeging van
doelstellingen, ‘targets’ of indicatoren.123 Zo behaalde Thailand in 2000 al het doel
om het aantal mensen dat leeft in armoede te halveren ten opzichte van het gekozen
basisjaar 1990. Hierna besloot het land om een MDG-Plus-agenda op te stellen, waarin
de meest belangrijke problemen met betrekking tot ontwikkeling van het land naar
voren kwamen. Deze MDG-Plus-agenda bevat ambitieuzere doelen dan de internationale
118 K. Yansane, ‘An African Perspective of the Millennium Development Goals (MDGs): from scepticism to
       leadership and hope,’ Committee for Development Policy, March 2005.
119 Idem, p. 8.
120 Y. Subasat, ‘After 2015: Promoting Pro-Poor Policy after the MDGs’, EADI Conference, June 2009, p. 3.
121 Idem, p. 3. Gerefereerd wordt aan S. Damman, ‘Indigenous Vulnerability and the Process Towards the
       Millennium Development Goals – Will a Human Rights-Based Approach Help?’ International Journal on
       Minority and Group Rights, Vol. 14, No 4 2007, pp. 489-539.
122 Idem, p. 4.
123 UN Development Group (UNDG), ‘Beyond the Midpoint, Achieving the Millennium Development Goals’,
       New York, January 2010, Annex 1.2, p. 135.
                                                     36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>MDG’s. Het doel van de halvering van de armoede werd bijvoorbeeld aangescherpt: het
aandeel van mensen die leven in armoede moest worden teruggebracht beneden de 4%
in 2009.124
In vrijwel alle landen waar de VN aanwezig is, blijken de MDG’s vermeld te worden in
planningdocumenten, maar het is vaak onduidelijk hoe adequaat de implementatie is.
De VN concluderen bijvoorbeeld dat in acht van de tien landen de MDG’s voorkomen
in de ‘Poverty Reduction Strategy Papers’ (PRSP’s), waarbij aangetekend wordt dat de
PRSP’s door velen als een donorgestuurd proces beschouwd worden, speciaal in de
armste landen. In ongeveer de helft van de lage-inkomenslanden is meer financiering
voor de MDG-sectoren gealloceerd of toegezegd. In de minst ontwikkelde landen is ook
de bewustwording over de MDG’s het grootst.125 In Afrika krijgen de MDG’s de meeste
aandacht, zoals blijkt uit publicaties van ministeries van financiën en debatten van het
parlement.
Een verdere analyse van 22 PRSP’s126 van ontwikkelingslanden geeft aan dat de
MDG’s een hoog normatief sturend effect hebben. Maar wel met selectieve targets, met
nadruk op economische groei (in een minderheid ‘pro-poor’), sociale sectoren (basis-
onderwijs, gezondheid, sanitatie) en (niet in de MDG’s voorkomende) governance (rule
of law, decentralisatie, corruptiebestrijding). Onderbelicht zijn de MDG’s inzake honger,
gendergelijkheid (onderwijs, politieke representatie), reproductieve rechten en ‘decent
work’. En genegeerd zijn (niet in de MDG’s genoemde) ‘equity’ (gelijkheid van inkomen),
geweld tegen vrouwen, mensenrechten (minderheden, migranten), participatie, democra-
tische governance en partnerschappen met maatschappelijke organisaties en de private
sector. Ethische thema’s (menselijke waardigheid en gelijkheid) die ten grondslag liggen
aan de Millennium Verklaring maar niet doorgetrokken zijn in de MDG’s, ontbreken in
de PRSP’s. Fukuda-Parr concludeert dan ook dat de PRSP’s voornamelijk gebaseerd zijn
op het denken van de jaren tachtig van de vorige eeuw (inkomensgroei met flankerend
armoedebeleid) en dat deze het ‘moderne’ denken negeren (multidimensionale armoede
veroorzaakt door gebrek aan stem en toegang alsmede kwetsbaarheid voor externe
schokken).127 Ook zijn totale kostenplaatjes – afgezien van specifieke begrotingen –
vaak afwezig, omdat deze ‘needs assessments’ controversieel zijn.128
A.IV.2      Hebben de MDG’s invloed gehad op het donorbeleid?
In hoeverre hebben donoren zich laten leiden door de MDG’s? Multilaterale instellingen,
de UNDP voorop – maar ook de Wereldbank, UNICEF, de WHO, de FAO en andere – heb-
ben veel bijgedragen aan conceptualisatie, implementatie en monitoring van de MDG’s.
124 UN Development Programme (UNDP), ‘Thailand Millennium Development Goals Report 2004’,
      New York, p. 7.
125 UN Development Group (UNDG), ‘Making the MDGs Matter: a country perspective’, Report of UNDG
      Survey, New York, June 2005, pp. 4-5.
126 S. Fukuda-Parr, ‘Are the MDGs priority in development strategies and aid programmes? Only a few are!’,
      International Poverty Centre, working paper 48, October 2008.
127 Idem, p. 13.
128 Idem, p. 10.
                                                     37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>De hulp van traditionele donoren is echter niet significant toegenomen sinds het bestaan
van de MDG’s. Wel is de hulp van niet-DAC-donoren en van private fondsen toegenomen.
De schattingen hierover lopen uiteen.129 De DAC-donoren haalden bij lange na niet de
0,7%-norm; gemiddeld werd minder dan de helft gegeven (0,31% BNI). Hierbij inbegre-
pen is ook de hulp aan Afghanistan ($4,8 miljard) en Irak ($9,9 miljard) die verreweg het
meeste ontvingen. Ethiopië was de derde ontvanger ($3,3 miljard in 2008). Hulp aan de
minst ontwikkelde landen bedroeg slechts 0,09% BNI (2008).130 Anderzijds zou men
voorzichtig kunnen zeggen dat de MDG-agenda heeft bijgedragen tot het op peil houden
van hulp, ook in tijden van crises.
Een analyse van 20 beleidsdocumenten131 van bilaterale hulporganisaties laat zien dat
de MDG’s gedeeltelijk zijn overgenomen, wisselend per donor. Weinig prioriteit wordt
gegeven aan moeder- en kindsterfte. Ondergerepresenteerd zijn ook werkgelegenheid,
honger, gender en aanpalende millenniumthema’s als sociale integratie en technologie.
In tegenstelling tot de PRSP’s krijgt milieubescherming (anders dan sanitatie) veel aan-
dacht alsmede democratische governance; in recentere donorbeleidsdocumenten ook
klimaatverandering. Vrede en veiligheid krijgen veel aandacht; alhoewel niet deel uitma-
kend van de traditionele ontwikkelingsagenda reflecteert dit de behoefte – in elk geval bij
129 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
     Retooling Global Development’, New York, May 2010, pp. 54-55.
130 UN, ‘Millennium Development Goal 8: The Global Partnership for Development at a Critical Juncture,
     MDG Gap Task Force Report 2010’, New York 2010, p. x.
131 S. Fukuda-Parr, ‘Are the MDGs priority in development strategies and aid programmes? Only a few are!’,
     International Poverty Centre, working paper 48, October 2008, p. 11-13.
                                                    38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>de donorlanden – om dit thema uit de Millennium Verklaring in het beleid te betrekken.
MDG8-doelstellingen worden voornamelijk genoemd in MDG-rapportages met referenties
naar internationale onderhandelingen: Doha (handel), Parijs-Verklaring (donorcoördinatie)
en HIPC (Heavily Indebted Poor Countries) (schuldkwijtschelding). De ‘needs assessment’
voor de MDG’s, oftewel het ramen van beschikbare en benodigde middelen voor het
behalen van de doelen, gebeurt per land afzonderlijk. Als onderdeel van het ontwik-
kelingsbeleid berekenen landen zelf de behoeften en de middelen, vaak in overleg met
de donorgemeenschap. De berekening van hoeveel het op mondiaal niveau kost om de
MDG’s te bereiken is een lastige uitdaging, waarvoor verschillende benaderingen
mogelijk zijn:132 per inkomensgroep, per thema of per regio. Zo heeft bijvoorbeeld het
UN Millennium Project berekend dat het geraamde MDG-financieringstekort voor alle
lage-inkomenslanden in 2006 $73 miljard en in 2010 $89 miljard bedroeg en dat het in
2015 $135 miljard zal bedragen.133
De Europese Unie
De Europese Unie (EU) zou volgens sommigen een voortrekkersrol moeten spelen in het
formuleren van een nieuw ontwikkelingsparadigma.134 De Europese Commissie formu-
leerde een 12-punts actieplan om de MDG’s te ondersteunen.135 De EU is de grootste
donor en heeft zich gebonden aan het streven naar effectiviteit van de hulp.136 De EU
is daarnaast zelf een toonbeeld van regionale samenwerking en steun aan zwakkere lid-
staten, ook al gaat dit niet altijd zonder slag of stoot. De MDG’s zijn ontwikkeld door de
VN (voornamelijk UNDP). Als de EU de taak op zich zou nemen om een concept te formuleren
voor een vervolgbeleid, dan acht de AIV consultatie van meet af aan met ontwikkelings-
partners van het grootste belang. Een andere mogelijkheid is de instelling van een
Europese ‘like-minded’-groep samen met een aantal belangrijke ontwikkelingspartners.
Hierin zou Nederland een belangrijke rol kunnen spelen en bepleiten dat de VN hiervoor
zo snel mogelijk een commissie of ‘task force’ instelt.
Nederland
In een recent rapport van de Algemene Rekenkamer over verantwoording van de uitgaven
aan ontwikkelingssamenwerking wordt geconcludeerd dat de Nederlandse beleidspriori-
teiten, begrotingsartikelen en MDG’s grotendeels los van elkaar staan. Over de MDG’s
wordt verantwoording afgelegd in het Jaarverslag Ontwikkelingssamenwerking, maar dit is
132 UN, ‘Millennium Development Goal 8: The Global Partnership for Development at a Critical Juncture,
     MDG Gap Task Force Report 2010,’ New York 2010, pp. 3-4.
133 UN Millennium Project, ‘Investing in development: a practical plan to achieve the Millennium
     Development Goals’, New York 2005.
134 F. Bourguignon et alia, ‘Millennium Development Goals at Mid-point: where do we stand and where do
     we need to go?’, Summary of paper for the joint European Commission initiative ‘Mobilising European
     Research for Development Policies’, European Report on Development, September 2008.
135 European Commission, ‘A Twelvepoint EU action plan in support of the Millennium Development Goals,
     a communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European Economic
     and Social Committee and the Committee of the Regions’, Brussels, 21 April 2010.
136 ‘EU Code of Conduct on Complementarity and Division of Labour’.
                                                   39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>niet eenduidig te vertalen naar de begroting en het beleid.137 Er blijkt dus een spanningsveld
te bestaan tussen nationale beleidsprioriteiten van de donor en internationale doelstel-
lingen. De Algemene Rekenkamer beveelt aan een scherp onderscheid te maken tussen
thema’s die op resultaten gestuurd worden, en de benodigde strategie en de kanalen
c.q. condities in welk kader de samenwerking plaatsvindt. Ook merkt de Algemene
Rekenkamer op dat resultaatverplichtingen en inspanningsverplichtingen niet hetzelfde
zijn. Onderscheid is tevens nodig tussen interne monitoring (ten behoeve van lerend
vermogen) en verantwoording aan het parlement (en het publiek).
De AIV adviseert de Nederlandse regering om parlementaire verantwoording over de
begroting af te leggen gespecificeerd per hulpontvangend land in het kader van landen-
specificiteit en ‘ownership’ en om daarnaast in de begroting een staat op te nemen van
thematische uitgaven, gespecificeerd per MDG.
A.V       MDG’s na 2015?
In dit hoofdstuk formuleert de AIV een aantal aanbevelingen voor de mogelijke inzet van
Nederland bij het proces naar een, na te streven, internationale consensus over een ont-
wikkelingsstrategie na 2015. De argumentatie in dit hoofdstuk is gebaseerd op de
appreciatie en kritiek op de MDG’s, zoals de AIV die geanalyseerd heeft in de vorige hoofd-
stukken en die hieronder in sectie A.V.1 kort is samengevat, alsmede (vooruitlopend op
deel B van dit advies) op actuele mondiale ontwikkelingen, en op ‘global governance’-ver-
eisten en nieuwe thema’s, zoals geanalyseerd in deel B van dit advies. Drie opties worden
nader bekeken: afschaffen (A.V.2), doorgaan met het huidige systeem (A.V.3), of hervormen
en het introduceren van een vernieuwde systematiek voor de MDG’s (A.V.4).
A.V.1     Conclusies geleerde lessen
De Millennium Verklaring, die aan de MDG’s voorafging, is nog steeds actueel in het be-
noemen van een aantal belangrijke voorwaarden om tot ontwikkeling te komen. De voort-
gangsverklaringen van 2005 en 2010 hebben daar nog een aantal belangrijke onder-
werpen aan toegevoegd, onder andere op het gebied van gender en sociale zekerheid.
Een aantal van de elementen uit de Millennium Verklaring vond concrete vertaling in de
operationalisering door middel van kwantitatieve doelen, subdoelen en targets: de MDG’s.
De voornaamste voordelen van de MDG’s zijn: een verbreding van het armoedebegrip;
gericht op output (resultaten) en niet op input (financiering); een wereldwijd normstellend
kader voor diverse actoren in ontwikkelingssamenwerking; en internationale consensus.
De MDG-systematiek heeft succes gehad in de communicatie van een ingewikkelde
ontwikkelingsproblematiek met het grotere publiek, maar geconstateerd moet worden
dat de meeste doelen in 2015 niet bereikt zullen zijn. Dit is mede veroorzaakt door de
beperkte operationalisering van de doelen voor de ontwikkelde landen (MDG8) en het
niet nakomen van de internationale toezeggingen, zoals die voor ODA (enkele uitzon-
deringen, waaronder Nederland, daargelaten) en het ontbreken van hervorming van het
handels- en financieel systeem.
De MDG-systematiek is door een aantal landen nooit van harte omarmd, omdat het
proces tot de formulering en vaststelling van de doelen en targets in eerste instantie
137 Algemene Rekenkamer, ‘Basis voor een goede verantwoording over ontwikkelingssamenwerking’,
      Den Haag, maart 2010, p. 18.
                                               40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>gedreven werd door donorlanden. Sommige Afrikaanse landen zagen de MDG’s in het
licht van een lange rij van initiatieven voor dat continent die veelal gefaald hadden en
vaak niet tot grotere hulpbedragen geleid hadden.
Een aantal onderwerpen van de originele Millennium Verklaring van 2000 zijn niet of
onvoldoende in de MDG’s opgenomen (sommige hiervan zijn inmiddels opgenomen in de
vervolgverklaringen van 2005 en 2010), maar zijn wel van belang voor een post-2015-
systematiek, zoals voedselzekerheid, demografie, infrastructuur in Afrika, vrede en veilig-
heid, ongelijkheid, duurzaamheid, groei en werkgelegenheid, mensenrechten en kennis.
Ook is de inzet voor een aantal doelen veel te gering geweest, zoals die van klimaat,
gender en ‘global governance’.
Belangrijke kritiek op de MDG-systematiek is ook dat zowel een onderliggende econo-
mische theorie alsook een theoretische onderbouwing van de keuzes ontbreekt. Verder
houden de MDG’s geen rekening met wat achtergestelde werelddelen meer of minder
dan andere moeten doen om ze te behalen. Ook geven de doelen weinig inzicht in de
voortgang van landen. Het bepalen van wereldwijde doelen om deze vervolgens per land
te doen uitvoeren, is onvoldoende effectief en prikkelend gebleken.
De keuze van het jaar 1990 voor de nulmeting van de MDG’s geeft bovendien een te
rooskleurig beeld van wat bereikt is. De effecten van de financieel-economische crisis
van 2008 zijn moeilijk te schatten. Aan de ene kant heeft de crisis de implementatie van
de MDG’s bemoeilijkt, aan de andere kant was de crisis ook de uitkomst van een falend
mondiaal financieel systeem. De vraag of er net zoveel vooruitgang zou zijn geboekt zon-
der dat de MDG’s gehanteerd zouden zijn, is begrijpelijk en legitiem, maar kan moeilijk
wetenschappelijk beantwoord worden. Slechts bij twintig procent van de indicatoren van
de MDG’s kan een versnelde trend sinds 2000 geconstateerd worden.
Ondanks deze kritiek vindt de AIV dat indicatoren en het meten daarvan nuttig zijn als
beleidsinstrument en dat de ‘nulmetingen’, zoals gedaan in de MDG’s, daarom behou-
den moeten worden. De AIV is echter ook van mening dat sommige bestaande indica-
toren, zoals voor onderwijs en water, aanvulling behoeven, zodat ook kwaliteit gemeten
wordt. De AIV adviseert ook om de indicatoren te verbreden naar onderwerpen zoals
ongelijkheid, welzijn, duurzaamheid en mensenrechtenprincipes en naar doelgroepen,
zoals gender.
Het is moeilijk na te gaan wat de MDG’s precies betekend hebben voor de beleidsontwik-
keling in ontwikkelingslanden. Donorafhankelijke landen zijn vaak geneigd te zeggen wat
de donor wil horen. Sommige ontwikkelingslanden hebben een eigen invulling gegeven
door doelen toe te voegen, zoals voor mensenrechten of extra relevante indicatoren,
zoals voor speciale ziekten. Voor het beleid in de armere landen overheersen nog steeds
de PRSP’s, die in het algemeen wel selectief verwijzen naar de MDG’s, maar ondanks
vernieuwingen door velen toch ook als ‘donor driven’ worden beschouwd en te weinig
gericht op multidimensionale aspect van armoede. De MDG’s hebben tot op heden niet
kunnen voorkomen dat bepaalde onderwerpen nog steeds ondergerepresenteerd blijven,
zoals: honger, gendergelijkheid, werkgelegenheid en reproductieve rechten. Verder wordt
‘ownership’ niet bevorderd door het stellen van doelen die onrealistisch zijn (Afrika).
Om meer recht te doen aan het eigen beleid van ontwikkelingslanden is het meten van
voortgang van nationale doelen minstens even belangrijk als het behalen van de MDG’s.
Flexibiliteit bij het invullen van clusters van doelen per land kan hiertoe bijdragen. Ook is
het belangrijk nationale doelen te aggregeren en deze dan af te zetten tegen de
                                                41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>mondiale doelen. Een duidelijke verbinding tussen nationaal beleid en MDG’s moet
worden aangebracht.
De mate van inzet voor MDG’s zal over het algemeen niet van boven af kunnen worden
afgedwongen, al gaat er wel ‘peer pressure’ uit van het niet-behalen van indicatoren
(‘naming and shaming’). Een effectievere manier om steun voor MDG’s af te dwingen is
daarom een bottom-upstrategie. De huidige beter geïnformeerde (netwerk)samenleving
kan daarin een grote rol spelen.
Om verbinding tussen nationaal beleid en de MDG’s te verbeteren is het noodzakelijk de
ontwikkelingslanden en opkomende economieën prominent te betrekken in de totstand-
koming van een nieuwe strategie. Het welslagen van het post-2015-systeem hangt in
hoge mate af van dit consultatieve proces.
De MDG-agenda en de Parijse Agenda voor hulpeffectiviteit verdienen een nadere kop-
peling om donorharmonisatie te bevorderen; er moet een limiet gesteld worden aan het
aantal coördinatiemechanismen binnen de Parijse Agenda voor hulpeffectiviteit; uitvoe-
ring op partnerlanden niveau is het belangrijkste. De AIV bepleit daarom een relatie te
leggen tussen de Parijse Agenda voor de vergroting van hulpeffectiviteit en de donorhar-
monisatie rond de landenspecifieke MDG-thema’s. Internationale arbeidsverdeling op
landen en op thema’s is gewenst. Onderzocht dient te worden hoe partnerlanden hier
tegenover staan.
Als de EU de taak op zich zou nemen om een concept te formuleren voor een vervolg-beleid,
is betrokkenheid van meet af aan van ontwikkelingspartners van het grootste belang. De AIV
beveelt aan in eerste instantie te komen tot een Europese like-mindedgroep met een
aantal belangrijke ontwikkelingspartners. Hoewel – als eerder opgemerkt – de EU de groot-
ste donor is en een gezamenlijk EU-standpunt waarschijnlijk uiteindelijk meer politiek
gewicht in de schaal zal werpen, heeft een groep van gelijkgezinde landen het voordeel van
grotere flexibiliteit. Dit vergroot de kans dat ontwikkelingslanden in een vroeg stadium
worden betrokken. Hierin zou Nederland een belangrijke rol kunnen spelen. Nederland
kan daarna met andere landen bepleiten dat de VN hiervoor zo snel mogelijk een com-
missie of ‘taskforce’ instelt met deelname van ontwikkelingslanden.
Een punt dat belangrijk is voor een aantal donorlanden, waaronder Nederland, is hoe
de MDG’s, die thematisch zijn gegroepeerd, te coördineren met een landenspecifiek
beleid. De AIV adviseert de regering (in navolging van advies nummer 69 van de AIV) om
parlementaire verantwoording over de begroting af te leggen gespecificeerd per hulpont-
vangend land in het kader van landenspecificiteit en ‘ownership’ en om daarnaast in de
begroting een staat op te nemen van thematische uitgaven gespecificeerd per MDG.
A.V.2     MDG’s in perspectief: afschaffen?
De MDG’s hebben een brede internationale discussie teweeggebracht en hebben daar-
door geleid tot een grotere bewustwording en verduidelijking van standpunten in het
ontwikkelingsdebat. Er is veel fundamentele en gedetailleerde kritiek geformuleerd. De
meest gehoorde kritiek is dat de MDG’s een voorbeeld zijn van donorship in plaats van
ownership. De AIV vindt deze kritiek in sommige gevallen terecht.
Ook is de AIV van mening dat het de MDG’s ontbreekt aan een solide onderbouwing van
en visie op een ontwikkelingsproces met noodzakelijke structurele veranderingen. Terwijl
sommigen dat een zwakte vinden, vinden anderen dat een sterkte: juist omdat er geen
theoretische onderbouwing is hoeven de MDG’s niet te leiden tot een politiek van
                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>‘one-size-fits-all’, waartegen bijvoorbeeld de WRR terecht bezwaar aantekent. Ondanks
het feit dat de MDG’s niet opgesteld waren als een ‘one-size-fits-all development approach’,
hebben velen, speciaal in de donorgemeenschap, soms bij gebrek aan beter, de MDG’s
toch omarmd als een mantra voor ontwikkeling. De doelen werden zo verabsoluteerd en
wat niet in de doelen stond werd als niet belangrijk beschouwd. Dit leidde dan weer tot
een reactie dat iedere zich zelf respecterende groep toch beslist zijn aandachtsveld ook
bij de MDG’s wilde onderbrengen. In de voorgaande hoofdstukken wordt daar een aantal
voorbeelden van gegeven. Met de fixatie om maar alles onder de MDG’s te brengen, is
het velen ontgaan dat duurzame economische groei met een bewuste politiek van struc-
turele veranderingen en herverdeling net zo goed kan bijdragen tot sociale vooruitgang
als directe aandacht voor de sociale sector.
Moeten we de MDG’s nu maar geheel afschaffen? De AIV vindt van niet, en wel om een
aantal belangrijke redenen. De voornaamste reden is dat de MDG’s bedoeld waren als
een mondiale consensus om ontwikkelingsinspanningen meer doelgericht en multidi-
mensionaal te maken door targets te stellen en daarmee verantwoording te creëren.
Als we nu de MDG’s zouden afschaffen komen we er te gemakkelijk van af, speciaal de
ontwikkelde landen die toch al veel minder met verantwoording te maken hadden. Er is
algemene overeenstemming over het feit dat MDG8 (mondiaal partnership), dat pas laat
in het proces toegevoegd is, weinig neerlegt op het bordje van de ontwikkelde landen.
De AIV vindt dan ook dat een belangrijk element van evaluatie van de MDG’s in 2015
zou moeten zijn de beantwoording van de vraag hoe mondiaal partnership zich daadwer-
kelijk ontwikkeld heeft en wat voor lessen daaruit getrokken dienen te worden voor een
verbetering daarvan.
Wat de overige doelen betreft constateert de AIV dat de MDG-systematiek, speciaal in de
latere jaren, in een aantal opzichten zeker positief heeft gewerkt. De belangrijkste plus-
punten zijn een aanzet tot een wereldwijde consensus, communiceerbaarheid, universele
indicatoren en het opbouwen van statistische gegevens in de vorm van zogenaamde
‘nulmetingen’ en meetbare resultaten. Het tijdpad (2015) heeft ongetwijfeld extra druk
gegenereerd op de inspanningen van verschillende donoren en lokale autoriteiten.
Helaas is niet eenduidig vast te stellen of dit slechts heeft geleid tot een verschuiving
van prioriteiten dan wel tot een absolute vergroting van de hulpinspanning of tenminste
het tegengaan van verkleining van de hulpinspanning.
A.V.3      Doorgaan met de huidige MDG-systematiek?
De AIV vindt dus per saldo dat het niet verstandig is om de MDG-systematiek radicaal af te
schaffen. Dat betekent echter geen aanbeveling tot ongewijzigde voortzetting van het huidige
systeem. Een zeer ongewenst scenario zou zijn in 2015 te constateren dat niet alle MDG’s
gehaald zijn om dan vervolgens een nieuwe periode vast te stellen om de nog niet behaalde
doelen te bereiken. De kritiek, zoals in de vorige hoofdstukken weergegeven, is te groot om te
opteren voor ongewijzigde voortzetting. Een belangrijke factor en wellicht een van de belang-
rijkste factoren die voor een veranderde aanpak pleiten, is dat het wereldbeeld er nu er heel
anders uitziet dan aan het einde van de vorige eeuw, toen de MDG’s geformuleerd werden.
De wereld komt net uit een grote recessie en financiële crisis, veroorzaakt in de geïndus-
trialiseerde landen, die ertoe geleid heeft dat op vele plaatsen in ontwikkelingslanden
armoede is toegenomen en een aantal sociale doelstellingen nog minder bereikt kon
worden. De Wereldbank spreekt van een terugval van een aantal jaren. De wereldcrisis
samen met de enorme groei die enkele ontwikkelingslanden hebben doorgemaakt, heeft
ook het geopolitieke krachtenveld sterk veranderd. Ten tijde van dit schrijven ontrollen
zich ontwikkelingen in de Arabische regio waarvan de gevolgen op dit moment nog niet
                                                43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>te overzien zijn, maar die mogelijk ook invloed zal hebben op een nieuwe consensus over
ontwikkeling.
Om het kort te zeggen: het zijn niet meer de G7 van de westerse landen, of de G8 met
Rusland erbij, die bijeenkomen om internationale coördinatie te bespreken, maar het is
de G20, met een aantal ontwikkelingslanden als lid, waar getracht wordt internationale
consensus te bereiken. Dit is een heel andere configuratie dan in de aanloop naar de
Millennium Verklaring eind jaren negentig van de vorige eeuw, waar het DAC-secretariaat
van de OESO een van de drijvende instellingen was bij de formulering van de Millennium
Verklaring en de daaruit afgeleide MDG’s. Nederland bevindt zich nu in een wat andere
positie dan toen, mede omdat het geen (vast) lid is van de G20. Ook een groeiend aan-
tal ontwikkelingsfinancieringen loopt inmiddels buiten de DAC om.
De G20 zijn onlangs tot een akkoord gekomen over een nieuwe ontwikkelingsagenda
(‘Seoul Development Consensus for Shared Growth’, zie Bijlage IV). Deze consensus
bevat zes (G20) ‘Development Principles’. Een van deze beginselen is ‘principle 6 on
outcome orientation’ met een focus op ‘targeting, monitoring and accountability’. De AIV
meent dat zoveel mogelijk aanhaken bij deze consensus de kansen op mondiale
consensus over een nieuwe systematiek aanmerkelijk kan vergroten.
Een andere overweging is dat de groei van India en China en andere ontwikkelingslanden
ertoe geleid heeft dat de verdeling van armoede in de wereld er anders begint uit te
zien.138 Arme mensen wonen niet alleen in arme landen. Een groot gedeelte van de
armen in de wereld woont thans in middeninkomenslanden of ‘emerging economies’.139
Er ontstaat een situatie met aan de ene kant een groep armen in arme landen, groten-
deels in Afrika, en een groep armen in snel groeiende landen naast een groeiende
middenklasse. Dit impliceert dat niet langer voorbijgegaan kan worden aan kwesties van
inkomensverdeling en verdeling van toegang tot sociale diensten als men serieus streeft
naar een mondiale doelstelling om armoede te verminderen en toegang tot sociale dien-
sten te verbeteren. Er zijn dus belangrijke argumenten om de huidige MDG-systematiek
niet radicaal overboord te gooien, maar wel drastisch te veranderen.
A.V.4     Een post-2015-systeem voor internationale samenwerking
De AIV adviseert de regering om in te zetten op een sterk aangepast systeem. Even
belangrijk is het om via een ander aanloopproces te streven naar internationale consen-
sus en ‘ownership’ van de internationale ontwikkelingsagenda. De AIV hecht veel waarde
aan het voorstel dat ontwikkelingslanden zelf hun eigen ontwikkeling bepalen binnen een
kader van internationaal overeengekomen menselijke waardigheid. Hij heeft ook, net als
de WRR, geargumenteerd dat de tijden van een ‘one-size-fits-all’-sjabloon van ontwikke-
ling tot het verleden behoren.
Met inachtneming van dit alles vindt de AIV dan ook dat, om de situatie post-2015 voor
te bereiden, een proces in gang gezet moet worden waarin alle ruimte wordt gelaten
voor verschillende ontwikkelingsmodellen en waarin ontwikkelingslanden en speciaal de
mensen in ontwikkelingslanden (waar het eigenlijk allemaal om gaat) volledig bij be-
trokken zijn. Dit is anders dan het aanloopproces naar de Millennium Verklaring en de
138 R.J. van der Veen, ‘Waarom Azië rijk en machtig wordt’, KIT publishers: Amsterdam, 2010.
139 A. Sumner, ‘The New Bottom Billion’, The Broker, issue 23, December 2010.
                                                   44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>MDG’s, dat tamelijk ‘donorgestuurd’ is verlopen. Wel moeten donoren, zoals Nederland,
laten weten wat hun eigen inzet is bij zo’n proces – dat is een van de doeleinden van dit
AIV-advies.
De AIV vindt het dan ook belangrijk om zo spoedig mogelijk een internationaal proces
van consultatie en consensusbuilding in gang te zetten. Een belangrijke verworvenheid
van de MDG’s die gekoesterd en versterkt moet worden, is immers een internationale
consensus over ontwikkeling. Welke indicatoren daarin precies worden gebruikt, is min-
der belangrijk dan het participatieve proces zelf. De AIV beveelt daarom aan: de zo spoe-
dig mogelijke instelling van een internationale Commissie, die in een participatief proces
invulling geeft aan een toekomstige systematiek als opvolger van de huidige Millennium
Verklaring/MDG-systematiek, met een mogelijk vernieuwde set MDG’s, en ervoor te zorgen
dat deze participatieve benadering ook na 2015 wordt voorgezet.
De oorspronkelijke opzet van de bestaande MDG’s was deze te formuleren in de geest
van de capaciteitentheorie van Amartya Sen: ‘vrijheid is vooruitgang’, een multidimensio-
nale kijk op wat armoede is (zie sectie B.II.1). Helaas zijn niet alle vrijheden consequent
opgenomen in de huidige MDG’s. Het meten van ontwikkeling is gebaat bij incorporatie
van zoveel mogelijk vrijheden van de capaciteitentheorie in de nieuwe MDG-systematiek.
Dit betekent naast opname van sociale zekerheid, ook het meten van veiligheid en
incorporatie van de mensenrechtenbenadering van ontwikkeling (waaronder participatie,
non-discriminatie, verantwoording) in alle activiteiten om de doelen te bereiken. Omdat
politieke rechten gevoelig zullen liggen in een wereldwijde consensusbenadering, kan
ingezet worden op institutieopbouw; een effectieve staat is immers onontbeerlijk voor
ontwikkeling, zeker in fragiele staten.
De AIV acht het wenselijk dat de nieuwe gedachten, zoals vermeld in de ‘2010 MDG-
review’ over een ‘global social floor’ – een internationaal erkend bestaansminimum –
een rol spelen in dit proces en bij de herijking van de MDG’s. Nederland kan zich hiervoor
inzetten. De crisis heeft aangetoond hoe nodig een dergelijke ‘global social floor’ is. De
snelle groei in sommige ontwikkelingslanden en de snelheid waarmee financiële instel-
lingen weer de crisis te boven gekomen zijn, hebben een grote groep mensen140 de
overtuiging gegeven dat een ‘global social floor’ mogelijk is en niet op louter financiële
gronden afgewezen mag worden. De AIV beveelt dan ook aan dat een nieuw systeem van
MDG’s zo mogelijk een goed gedefinieerd en internationaal erkend bestaansminimum zal
bevatten – wellicht een taak voor een subcommissie van deskundigen.
De AIV ziet zijn advies als een Nederlandse aanzet voor een discussie, waarbij de stem
en de mening van de mensen in ontwikkelingslanden en hun regeringen sterk moeten
meetellen. Als we de ontwikkelingshulp immers bezien in het licht van ‘ownership’ en
van het recht op een sociaal minimum, is het, onder voorwaarden, aan de ontvanger van
ontwikkelingsgelden om te bepalen hoe deze middelen zullen worden ingezet.
Een aantal praktische adviezen – sommige al hierboven genoemd en andere als voor-
schot op deel B hiernavolgend – die door Nederland ingebracht kunnen worden in een
vormgeving van het post-2015-systeem.
1. Leg de nadruk op de procesbenadering van het behalen van het nieuwe
     post-2015-systeem.
2. Zie af van streefdatums (geen nieuw ‘2015’), maar meet voortgang op intervallen
140 Social Protection Floor Advisory Group (ILO), <http://www.ilo.org/public/english/protection>.
                                                    45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>    van vijf à tien jaar. Herijk in een ‘rolling’-proces de strategie naar aanleiding van de
    resultaten. Neem duurzame streefcijfers op.
3.  Houd niet per se vast aan de ‘M’ van Millennium. Deze is uitgewerkt na 2015. Sluit
    zo mogelijk aan bij de terminologie van de G20 en de Seoul-verklaring om internatio-
    nale consensus te vergemakkelijken.
4.  Spreek van ‘acties’ of ‘strategie’ en ‘indicatoren’, niet meer van ‘doelen’.
5.  Beperk de bestaande acht doelen tot maximaal vier of vijf clusters van doelen,
    bijvoorbeeld door gezondheidsdoelen samen te voegen; handhaaf de tot nu toe over-
    eengekomen en ingevulde indicatoren en nulmetingen.
6.  Voeg maximaal twee of drie (clusters van) doelen bij, zoals vrede en (sociale) veilig-
    heid alsmede effectief bestuur om recht te doen aan de alom gevoelde hiaten, met
    name de objectieve capaciteitenbenadering en de mondiale publieke goederen, en
    maak een verbinding tussen de MDG’s en de mondiale publieke goederen.
7.  Veranker mensenrechten en gender-issues door i) deze als ‘cross-cutting issues’ in
    alle onderdelen op te nemen, onder andere door meting naar doelgroep, zoals gen-
    der, etniciteit, ruraal-urbaan, regionaal, ‘bottom-top quintiles’ (non-discriminatieprin-
    cipe); ii) door verwijzingen in het post-2015-systeem naar sleutelconventies op het
    gebied van mensenrechten die mondiaal zijn onderschreven, en akkoorden zoals die
    van Caïro en Beijing; iii) door te bepalen dat alle programma’s van aanpak moeten
    voldoen aan de beginselen van participatie, non-discriminatie en accountability.
8.  Zorg ervoor dat donoren zich organiseren rond een nieuwe systematiek volgens de
    efficiëntiebeginselen van de Parijse Agenda (taakverdeling en minder eigen nationale
    prioriteiten) en maak zo mogelijk een duidelijke koppeling met MDG-thema’s.
9.  Beschrijf in iedere vernieuwde doelstelling acties voor donorlanden, ontvangende
    landen en andere actoren, en maak de rol en verantwoordelijkheden van de ver-
    schillende actoren (overheden, parlementen, private sector, vakbonden en NGO’s)
    duidelijk.
10. Neem een aantal indicatoren van demografische ontwikkeling op ter wille van
    regelmatige analyse en monitoring van de voortgang van ontwikkelingsprocessen,
    maar bestempel demografische ontwikkelingen nooit als een doelstelling. Handhaaf
    doelstellingen en indicatoren met betrekking tot het gebruik van anticonceptiva en
    geef aandacht aan vergrijzing.
11. Voortgaande globalisering, de recente mondiale ontwikkelingen en de financieel
    economische crisis van 2008-2009 nopen een post-2015-systeem tot verbeteringen
    van de huidige internationale handels- en financiële systemen.
                                                46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>B        Naar een andere benadering: een mondiale ontwikkelingsagenda
		
Inleiding
In antwoord op de regeringsvraag of de ontwikkelingsdoelen niet nog meer in relatie moeten
worden gezien met mondiale uitdagingen en de regering inzicht te verschaffen in de
mogelijke contouren van een nieuwe internationale ontwikkelingsagenda, geeft de AIV in
deel B van zijn advies een overzicht van een aantal belangrijke ontwikkelingsthema’s die
nationaal en internationaal weerklank hebben gevonden en een beschouwing in hoeverre
deze relevant zijn voor een post-2015-systeem. Het eerste hoofdstuk gaat kort in op
(actuele) mondiale ontwikkelingen op het gebied van globalisering, handel en financiële
systemen, technologie en demografie. Deze ontwikkelingen beïnvloeden de context voor
een post-2015-systeem. Dit wordt gevolgd door een hoofdstuk met thema’s en uitdagin-
gen over wat ontwikkeling is (of zou moeten zijn), die als basis kunnen dienen voor een
post-2015-systeem. Dit wordt gevolgd door een hoofdstuk met een aantal onderbelichte
thema’s die ook als prioritair beschouwd moeten worden in een post-2015-systeem. Een
van de conclusies die uit de discussie van deze thema’s naar voren komt, is dat grotere
mondiale samenwerking noodzakelijk is om de toekomstige uitdagingen het hoofd te
bieden. Hoofdstuk vier behandelt daarom een conceptuele onderbouwing voor mondiale
samenwerking, waarin onder andere nader wordt ingegaan op mensenrechten, mondiale
publieke goederen en de noodzaak voor aandacht voor ‘global commons’ management.
Het laatste hoofdstuk behandelt de nieuwe uitdagingen voor ‘Global Governance’.
B.I      Actuele ontwikkelingen
Hoofdstuk B.I gaat kort in op de mondiale ontwikkelingen en de consequenties daar-
van, om zodoende de discussie over ‘Global Governance’ en de toekomst van de
MDG’s in een breder perspectief te plaatsen. De ‘World Economic and Social Survey
2010’ (WESS-rapport)141 van de VN, het ‘Global Monitoring Report 2010’ van de
Wereldbank142 en het ‘World Urbanization Prospects’ rapport van de VN143 geven hier-
van een goed overzicht. Naast analyse van trends bevat dit hoofdstuk aanbevelingen
voor een nieuw te zoeken mondiale consensus.
B.I.1      Mondialisering op een kruispunt
De mondialisering staat op een kruispunt. De belofte van vrede en welvaart na het
beëindigen van de Koude Oorlog is niet waargemaakt en in plaats daarvan worstelen wij
met een voedsel-, energie-, financiële- en klimaatcrisis en een groot aantal conflicten. Na
1992 daalde overigens het aantal grote gewapende conflicten wel (van 50 per jaar
141 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
      Retooling Global Development’, New York, May 2010.
142 Wereldbank, ‘Global Monitoring Report 2010: The MDGs after the Crisis’, Washington 2010.
143 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Urbanization Prospects 2009 Review’,
      New York, 2010.
                                                   47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>tot ongeveer 30 en ook per conflict vallen er minder doden).144 Het gaat thans in grote
meerderheid om binnenlandse oorlogen, de fragielestatenproblematiek.
De VN constateert vijf trends: een belangrijke verschuiving in de mondiale economie
door de snelle economische groei van ontwikkelingslanden in Azië, met als gevolg ‘multiple
engines of growth’; toenemende inkomensongelijkheid (maar met afname armoede,
voornamelijk in China); bevolkingsgroei en urbanisatie; grote druk op de natuurlijke leef-
omgeving en biodiversiteit; en een economisch proces dat bestaat uit niet-gereguleerde
‘global value chains’, gedomineerd door internationale bedrijven. De aansturing van het
mondiale systeem is zwak. Er bestaat een spanningsveld tussen besluitvorming op na-
tionaal niveau en op mondiaal niveau, dat alleen maar zal toenemen als geen adequate
maatregelen genomen worden.145 De AIV onderschrijft deze analyse van de VN.
De Millennium Verklaring constateerde al dat marktgroeistrategieën alleen niet voldoen-
de zijn om armoede te bestrijden; goede (overheids)instellingen en sociaal beleid zijn
onontbeerlijk. Met de MDG’s kwam daarom opnieuw aandacht voor menselijke ontwikke-
ling en armoedebestrijding, vaak via verhoging van de begrotingsallocatie voor de soci-
ale sectoren. Kernelementen van het structurele aanpassingsbeleid uit de vorige eeuw
bleven echter deel uitmaken van het (donor)beleid, waardoor de gevolgen van externe
schokken op werkgelegenheid en inkomen niet opgevangen konden worden. Veel landen
zijn mede daarom niet meer ‘on-track’ met de MDG’s. Ook bleef voor een aantal landen de
ruimte om hun eigen (industrie)beleid te bepalen beperkt, door onder andere intellectuele
eigendomsbepalingen, internationale handelsregels, de toegenomen rol van buiten-
landse investeringen en particuliere geldstromen, die macro-economische stabilisatie
bemoeilijkten.146
B.I.2      Handels- en financiële systemen
De internationale handel nam de afgelopen decennia toe, grotendeels door een snelle
groei van intermediaire producten, veelal binnen zogenoemde ‘global value chains’ van
multinationaal opererende bedrijven. Daarnaast hebben de handelsstromen een grote
volatiliteit getoond. Handelsonderhandelingen liepen vast in de Doha-ronde van de WTO;
de institutionele structuur van de WTO heeft hiermee zijn zwakheid getoond. De armere
ontwikkelingslanden zagen zich geconfronteerd met door de WTO opgelegde beperkingen
voor het subsidiëren van eigen industrie, met handelstarieven en bescherming van intel-
lectueel eigendom en per saldo met weinig ruimte voor eigen beleid. Er is meer ruimte
nodig voor een ‘common but differentiated approach’ (gedifferentieerde aanpak naar
ontwikkelingsniveau).
144 Dat wil zeggen conflicten waarin jaarlijks meer dan 1000 slagvelddoden vallen. The Human Security
      Centre, ‘The Human Security Report – War and Peace in the 21st Century’,
      <http://www.humansecurityreport.info> (University of British Columbia, Canada), 2005. Een update van
      het Human Security Report, dat de gegevens van 1946-2002 aanvulde tot 2005, verscheen op
      20 december 2006.
145 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
      Retooling Global Development’, New York, May 2010, hoofdstuk 1.
146 Idem.
                                                     48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>De ‘MDG8 Gap taskforce’ van de VN147 adviseert dan ook om tot een zo snel mogelijke
afronding van de Doha-onderhandelingen te komen met voldoende flexibiliteit en hulp
voor versterking van handel en productie in ontwikkelingslanden en om vergroting van
protectionisme als antwoord op crises te voorkomen. Ook bepleit het rapport van de
taskforce de afschaffing van alle landbouwsubsidies in 2013, zoals eerder werd over-
eengekomen en volledige ‘duty free en quota free’ markttoegang voor minst ontwikkelde
landen om werkgelegenheid te creëren, alsmede versimpeling van ‘rules of origin’.148
De AIV sluit zich hierbij aan en onderschrijft tevens het belang van stimulering van handel
tussen ontwikkelingslanden en grotere regionale integratie onder andere door het
beslechten van onderlinge tarifaire en infrastructurele belemmeringen.
Financiële markten hebben de afgelopen jaren in plaats van ontwikkeling te bevorderen
de beleidsruimte van ontwikkelingslanden verder ingeperkt. Dit kwam onder meer door
opheffing van beperkingen van het kapitaalverkeer en integratie in de wereldmarkt met
als gevolg grote volatiliteit. Financiële instrumenten (derivaten) kwamen steeds verder
los te staan van de ‘echte’ productiesector en voedden onder meer kortetermijnkapitaal-
bewegingen en speculatie met als gevolg volatiliteit in kapitaalmarkten. Zelfregulering
heeft niet gewerkt en geleid tot kostbare crises. De G20 hebben daar maar ten dele een
antwoord op gevonden. De volatiliteit van kapitaalstromen is veel groter dan die van han-
delsstromen. Het beleid van liberalisatie van kapitaalmarkten in ontwikkelingslanden,
ingesteld door het IMF, heeft hen aan te grote risico’s blootgesteld. Weliswaar hebben zij
grotere toegang tot financieringsbronnen verkregen, maar macro-economische sturing is
moeilijker geworden. De grote dollarreserves die daarvoor opgebouwd moesten worden,
leidden feitelijk tot een kapitaalstroom van ontwikkelingslanden naar ontwikkelde lan-
den.149 De AIV is het eens met de analyses van de VN en de Wereldbank en constateert
dat het internationale financiële systeem geleid heeft, naast meer toevloed van buiten-
lands kapitaal, tot grotere volatiliteit waar vooral de ontwikkelingslanden en de mensen
in ontwikkelingslanden door getroffen worden. Een nieuwe financiële structuur is daarom
zeer gewenst en een belangrijke voorwaarde voor ontwikkeling en zou daarom onderdeel
moeten vormen van een post-2015-systeem.
B.I.3      Nieuwe technologie
Ondanks de crisis is vooruitgang gemaakt met de verspreiding van informatie- en com-
municatietechnologie (ICT), waarbij 68% van de wereldbevolking nu een mobiele telefoon
heeft (57% in ontwikkelingslanden). Ook het gebruik van internet is in de afgelopen jaren
toegenomen; aan het eind van 2008 maakte 23% van de wereldpopulatie gebruik van
internet (1,6 miljard mensen). Het percentage is echter veel hoger in rijke landen.150
De crisis heeft wel een negatieve impact op investeringen gehad. Ook toegang tot snel
internet blijft nog een probleem in ontwikkelingslanden. Liberalisering van de ICT-markt
kan het gebruik van telecom en ICT significant goedkoper maken.
147 UN, ‘Millennium Development Goal 8: The Global Partnership for Development at a Critical Juncture,
      MDG Gap Task Force Report 2010’, New York 2010.
148 Idem, pp. xii-xiii.
149 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
      Retooling Global Development’, New York, May 2010, hoofdstuk 5.
150 UN, Millennium Development Goals report 2010, New York, p. 72.
                                                   49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>De AIV vindt dat een post-2015-systeem aandacht moet besteden aan de absorptie-
capaciteit en toegankelijkheid van nieuwe technologie in ontwikkelingslanden en aan het
verbeteren van kennisoverdracht, iets waar het huidige MDG-systeem maar nauwelijks
aan toekomt. De AIV realiseert zich dat aan toegankelijkheid van kennis en kennisover-
dracht belangrijke vragen kleven op het vlak van de intellectuele eigendom. Dit is onder
andere de ingewikkeldheid van veel van de regels en de juridische infrastructuur die
nodig is om het systeem van intellectuele eigendom te laten functioneren, ondanks het
feit dat intussen tal van specifieke afspraken zijn gemaakt voor ontwikkelingslanden. Het
is nodig om het systeem van intellectuele eigendom te laten functioneren op een wijze
die recht doet aan de notie van ‘kennis als mondiaal publiek goed.’151
De ‘International Task Force on Global Goods’ onderschrijft hierom twee initiatieven. Ten
eerste: versterking van het ‘common knowledge’-platform door middel van internationale
partnerships gericht op verbetering van wereldwijde onderzoek- en informatiemogelijk-
heden. Ten tweede streeft de Task Force ernaar om nadelen van TRIP’s (Trade-Related
Aspects of Intellectual Property Rights) voor ontwikkelingslanden te verzachten.152 Een
manier om dit te bereiken zou zijn het sluiten van een nieuwe internationale overeen-
komst153, die de overdracht van wetenschappelijke kennis en technologische informatie
aan ontwikkelingslanden vergemakkelijkt. Daarnaast zullen rijkere landen zich op basis
van deze overeenkomst inzetten om arme landen te ondersteunen in hun capaciteit om
kennis te verwerven, verspreiden en genereren om zo het ontbrekende absorptievermogen
van de ontwikkelingslanden te verkleinen.
B.I.4       Demografische ontwikkeling
Tegen het einde van 2011 wonen circa 7 miljard mensen op aarde.154 Het aantal men-
sen in de wereld zal waarschijnlijk toenemen tot 8 miljard in 2025, waarvan 4,8 miljard in
Azië en 1,4 miljard in Afrika.155 In 2050 stijgt het aantal wereldinwoners als de huidige
trends doorzetten naar 9,15 miljard, waarvan 5,2 in Azië en circa 2 miljard in Afrika.
151 Nader daarover het project ‘Millennium agreement on Intellectual Property Rights and Development’,
      uitgevoerd door een zevental onderzoekers uit Noord en Zuid met geld van NWO-WOTRO Science for
      Global Development en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het eindrapport verschijnt in de zomer
      van 2011.
152 International Taskforce on Global Public Goods, ‘Meeting Global Challenges: International Cooperation
      in the National Interest’, Stockholm 2006, p. 68. Zo wordt het bedrag dat ontwikkelingslanden jaarlijks
      zullen moeten betalen aan auteursrechten door de TRIP’S, geschat op $ 60 miljard per jaar. Het oor-
      spronkelijke idee was dat een deel van deze kosten zouden worden gecompenseerd door de voortvloei-
      ende voordelen uit de bescherming van intellectueel eigendom, zoals toename in handel, aanvullende
      technologieoverdracht en grotere buitenlandse investeringen. Deze verwachte voordelen zijn echter niet
      afdwingbaar.
153 ‘Open access to basic science and technology’ (ABST).
154 World Population Foundation, ‘Wereldbevolking 2010, sociale- en demografische gegevens over de
      wereldbevolking’, Utrecht, 2010.
155 UN, Department of Economic and Social Affairs (DESA), Population Division, ‘World Population
      Prospects: The 2008 Revision’, <http://www.esa.un.org/unpp>.
                                                     50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>Ontwikkelde regio’s blijven al die tijd steken op om en nabij 1,3 miljard.156 Dit betekent
dat in 2050 ontwikkelde landen slechts 14% van de wereldbevolking zullen uitmaken.
De grote bevolking van een aantal landen leidt zelfs intuïtief al tot grote zorg: Niger 58,2
miljoen, (nu 15,9), Ethiopië 173,8 (nu 84,9), Nigeria 289 (nu 158,2), Pakistan 335,2
(nu 184,7) en Afghanistan 73,9 miljoen (nu 29,1).157
Het geboortecijfer daalt in bijna alle landen van de wereld, ook in de armste landen,158
maar bedraagt in de minst ontwikkelde landen in 2050 nog steeds 2,4, meer dan het
vervangingsniveau, dus leidend tot bevolkingsgroei. Ruim 200 miljoen vrouwen wen-
sen anticonceptie maar hebben daartoe geen toegang. Meer dan 50 miljoen van de
190 miljoen jaarlijkse zwangerschappen eindigt in abortus, vaak illegaal en onveilig en
leidend tot een enorme gezondheidslast.159 Volledige toegang tot anticonceptie voor
allen die dit nu reeds verlangen, zou leiden tot een reductie van abortussen plus een
verdere reductie van het aantal ongewenste geboortes en tot een aanzienlijk lagere piek
van de wereldbevolking in 2050 (sommige demografen menen dat die piek niet veel
hoger dan 8 miljard zou hoeven te zijn). Ook leidt onderwijs aan meisjes tot een lager
vruchtbaarheidscijfer.
Het aandeel inactieven (15- en 60+) stijgt in de rijke landen tot 48% (nu 38%), in Azië tot
42% (nu 36%), door het dalende geboortecijfer, maar daalt in Afrika tot 38% (nu 46%).160
Dit laatste belooft, onder voorwaarden, een ‘economisch dividend’ voor Afrika, mits daar
verstandig gebruik van wordt gemaakt. Daar kan beleid op gevoerd worden, dat kan wor-
den gereflecteerd in de keuze van doelen voor Afrika. In Azië moet beleid juist rekening
houden met vergrijzing.
Urbanisatie stijgt in 2050 tot 55% in de minst ontwikkelde landen (nu 29%) en in sub-
Sahara Afrika tot 60% (nu 37%). In rijke landen is het nu 75% en stijgt het verder tot
86%.161 Tegenwoordig beoordeelt men urbanisatie niet meer als iets negatiefs dat moet
worden afgeremd. Steden blijken heel goed welvaart te kunnen genereren. Tegengaan
van urbanisatie leidt tot krottenwijken, anticipatie tot beheerste groei van steden en
stedelijke welvaart.
Wereldwijd zijn er 214 miljoen internationale migranten, waaronder 128 miljoen die in
ontwikkelde landen leven.162
156 Onder ontwikkelde regio’s worden verstaan de regio’s in Europa, Noord-Amerika, Australië, Nieuw-
      Zeeland en Japan.
157 UN, Department of Economic and Social Affairs (DESA), Population Division, ‘World Population
      Prospects: The 2008 Revision’, <http://www.esa.un.org/unpp>.
158 Huidig geboortecijfer in de armste landen is ca. 4,08.
159 United Nations Population Fund, <http://www.unfpa.org/rh/planning.htm>.
160 Idem.
161 UN, Department of Economic and Social Affairs, Population Division (DESA), ‘World Urbanization
      Prospects: The 2009 Revision’, <http://www.esa.un.org/unpd/wup/>.
162 UN, Department of Economic and Social Affairs (DESA), Population Division, ‘Trends in International
      Migrant Stock: The 2008 Revision’, <http://www.esa.un.org/migration/>.
                                                    51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>In het advies van de AIV van juli 2009 over ‘Demografische veranderingen en ontwik-
kelingssamenwerking’ (advies nummer 66) is geconstateerd dat demografische ontwik-
kelingen juist op langere termijn zichtbaar worden en zeer ingrijpende veranderingen
teweegbrengen in het werkveld van ontwikkelingssamenwerking. Zij zijn ook doorslagge-
vend voor mondiale publieke goederen en hebben grote invloed op een aantal elementen
van de MDG’s (economische groei, werkgelegenheid/werkloosheid, vrede en veiligheid,
voedselveiligheid, milieu, water, klimaat en armoede).
B.I.5 Conclusies
Actuele ontwikkelingen en een analyse daarvan zijn een belangrijke leidraad voor een
post-2015-systeem.
Mondialisering
Juist met het oog op een coherent post-2015-systeem deelt de AIV dan ook de constate-
ring van de VN dat het tijd wordt voor een nieuwe consensus, waarvoor de vele crises de
politieke ruimte en noodzaak hebben geschapen. Deze consensus zou succesfactoren
voor ontwikkeling moeten bevatten, waarvan, conform het WESS-rapport, de belangrijk-
ste in dit verband zijn (op een aantal hiervan wordt later nog specifiek ingegaan):
· industrie- en infrastructuurbeleid gericht op duurzaamheid, werkgelegenheid en ar-
   moedereductie en vermindering van de CO2-uitstoot;
· aandacht voor de ontwikkeling van (duurzame) landbouw;
· ontwikkelingsgeoriënteerd macro-economisch beleid: naast inflatiebeheersing, fiscale
   matiging en exportbevordering, ook ruimte voor anticyclisch beleid met prioriteit voor
   noodzakelijke ontwikkelingsinvesteringen en gericht op behoud van werkgelegenheid
   en inkomen;
· sociaal beleid gericht op menselijke ontwikkeling, toegang tot land en financiële
   markten;
· universele toegang tot sociale zekerheid via structurele transformatie van economie
   en arbeidsmarktbeleid;
· een gelijkere verdeling van inkomen en kapitaalmiddelen (inclusief land);
· investering in menselijk kapitaal (onderwijs);
· sociaal beleid als integraal onderdeel van het economische beleid (en niet als
   doelgroepbeleid);
· een goed functionerende staat (instellingen, wetgeving);
· ruimte voor landenspecifiek beleid; en
· beleidscoherentie zowel binnen een land alsook internationaal (stabiele hulpstromen,
   financiële markten en een eerlijk handelssysteem).163
Handels- en financieel systeem
Een volledige analyse van een nieuw wereldhandels- en financieel systeem gaat het
bestek van dit advies te buiten, maar in relatie tot een post-2015-systeem lijken de vol-
gende elementen de AIV van belang:
· multilateraal macro-economisch toezicht met als doel kapitaalstromen naar ontwik-
   kelingslanden te bevorderen;
· ontwikkelingslanden dienen te zorgen voor investeringszekerheid;
· regulering van financiële markten ter voorkoming van excessieve risicoacceptatie en
   een nieuwe ‘Global Financial Authority’;
163 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
      Retooling Global Development’, New York, May 2010, hoofdstuk 2.
                                                   52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>·  coördinatie van belastingheffing op multinationaal opererende bedrijven via internatio-
   nale belastingsamenwerking;
·  herintroductie van mechanismen voor compensatoire financiering (bescherming tegen
   externe schokken door toegang tot internationale financieringsbronnen);
·  beter toezicht door IMF op gevolgen van nationaal economisch beleid van ontwikkelde
   en ontwikkelingslanden voor internationale economie, met name voor landen met
   ‘reserve currencies’; en
·  democratisering van bestuur IMF en Wereldbank en hervorming van deze
   instellingen.164
Technologie en kennisoverdracht
· De AIV vindt dat een post-2015-systeem aandacht moet besteden aan de absorptie-
   capaciteit en toegankelijkheid van nieuwe technologie in ontwikkelingslanden en aan
   het verbeteren van kennisoverdracht. Het huidige MDG-systeem komt hier nauwelijks
   aan toe.
· De AIV realiseert zich dat aan toegankelijkheid van kennis en kennisoverdracht be-
   langrijke vragen kleven op het vlak van de intellectuele eigendom. Dit is onder andere
   de ingewikkeldheid van veel van de regels en de juridische infrastructuur die nodig is
   om het systeem van intellectuele eigendom te laten functioneren, ondanks het feit
   dat intussen tal van specifieke afspraken zijn gemaakt voor ontwikkelingslanden. Het
   is nodig om het systeem van intellectuele eigendom te laten functioneren op een
   wijze die recht doet aan de notie van ‘kennis als mondiaal publiek goed’.
Demografie
· De AIV raadt af om in een post-2015-systeem demografische doelstellingen op te
   nemen. Dit kan tot negatieve gevolgen leiden, zoals gedwongen anticonceptie en
   abortus.
· Het opnemen van een indicator van de beschikbaarheid van anticonceptiva en van
   een aantal demografische indicatoren om beleidsmakers bewust te maken van deze
   op iets langere termijn meestal zeer ingrijpende ontwikkelingen, is echter wel sterk
   aan te raden.
B.II     Thema’s en uitdagingen voor ontwikkeling
Er zijn verschillende theorieën over wat (welzijn)ontwikkeling inhoudt. De traditionele
economie kijkt naar rationele keuzes (zogenoemde ‘rational choice theory’) en definieert
nut als een ‘ranking’ van voorkeuren. De definitie van welzijn is dan in hoeverre aan de
voorkeuren is voldaan.165 Omdat deze definitie vaak veraf stond van de beleving van
mensen, komen andere definities over welzijn naar voren: objectieve criteria voor wat
goed zou zijn, zoals ontwikkeling van capaciteiten (objectief welzijn) en een mentale
staat die bepaald wordt door het meten van geluk (subjectief welzijn).166 Voorts wordt
vaak gesteld dat ontwikkeling duurzaam dient te zijn; zij mag niet ten koste gaan van
het welzijn van huidige en toekomstige generaties. In het debat over wat ontwikkeling is,
lopen deze argumenten vaak door elkaar.
164 Idem, hoofdstuk 5.
165 A. van Hoorn, R. Mabsout, E.M. Sent, ‘Happiness and Capability; introduction to the symposium’,
      Journal of Socio-economics 39, 2010, pp. 339-343.
166 Zie hierover E. Angner, ‘Subjective Wellbeing’, Journal of Socio-Economics 39, 2010, pp. 361-368.
                                                     53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>B.II.1      Capaciteitenbenadering
De theorie van de capaciteitenbenadering verdient een aparte plaats, omdat deze aan
de basis lag van de Millennium Verklaring en het denken van UNDP. Nobelprijswinnaar
Amartya Sen argumenteert dat vooruitgang meer is dan inkomensverbetering: meer
vrijheid is vooruitgang. Inkomen is slechts één middel tot het bereiken van vrijheid. Hij
bepleit een andere benadering van de economie: ‘De discipline van de economische
wetenschap heeft haar zwaartepunt verlegd van de waarde van vrijheden naar de aard
van nut, inkomen en rijkdom. Deze versmalling heeft geleid tot een onderwaardering van
de volledige rol van het marktmechanisme.’167 Sen definieert ontwikkeling in termen
van capaciteiten van mensen om hun onvrijheden te overwinnen (‘capability approach’).
Welzijnseconomie betekent dan de vrijheid om een waardevolle staat van zijn en doen
(‘beings and doings’) te bevorderen. Sen identificeert vijf basisvrijheden:
1. politieke en participatieve vrijheden en burgerrechten: vrijheid van meningsuiting, vrije
    verkiezingen enzovoort;
2. economische mogelijkheden: deelname aan handel, productie, faire arbeidsmarkt;
3. sociale mogelijkheden: adequate onderwijs- en gezondheidsfaciliteiten;
4. transparantie: openheid van overheid en economisch leven; en
5. beschermende veiligheid: rechtshandhaving, sociale zekerheid.168
Indien deze vijf vrijheden, die hij naar voren brengt als essentieel voor een mens, worden
bekeken, zien we dat een aantal daarvan terugkomt in de MDG’s (zoals economische
en sociale mogelijkheden, ad 2 en 3), maar een aantal niet (zoals politieke vrijheden,
transparantie, veiligheid en sociale zekerheid, ad 1, 4 en 5). Deze zaken komen wel aan
de orde in de diverse VN-verklaringen die de ontwikkelingsstrategie bepalen, maar zijn
niet geconcretiseerd in doelen. De AIV beveelt aan deze zoveel mogelijk op te nemen in
een post-2015-systeem en gaat hier nader op in in de paragrafen over mensenrechten
en vrede en veiligheid. Ook het idee van de ‘global social floor’ ligt in het verlengde hier-
van. Door hieraan meer aandacht te geven in een post-2015-systeem komt men tevens
tegemoet aan de zorgen van het maatschappelijk middenveld, zoals de ‘Global Call for
Action against Poverty’.169
De OESO volgde overigens Amartya Sen al in 2001 door in haar richtlijnen te verwijzen
naar deze vijf vrijheden.170 Het jaarlijkse Human Development Report van UNDP speelde
daarnaast een belangrijke rol en gaf in 2010 een overzicht van de afgelopen 20 jaar op
het gebied van menselijke ontwikkeling.
B.II.2      Duurzaamheid en klimaat
Hoeveel grondstoffen en bronnen van bestaan laten de huidige generaties over voor
volgende? Dat is een belangrijke vraag en deze vraag zal ook in de toekomst van groot
belang blijven. Discussie hierover gaat terug tot het bekende rapport ‘Grenzen aan de
167 A. Sen, Vrijheid is vooruitgang, vertaald door T. Roozenboom en R. Boissevain, Contact, Amsterdam,
      2000, p. 33.
168 A. Sumner, M. Tiwari, ‘After 2015: International Development Policy at a Crossroads’, Rethinking
      international development series, Palgrave/McMillan, 2009, p. 46.
169 Global Call for Action against Poverty (GCAP), ‘The World We Want. Civil Society Mobilization at the
      MDG+10 Review’, New York, 19-25 September 2010.
170 Idem, p. 3.
                                                      54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Groei’ van de Club van Rome (1972), de uitkomst van de Cocoyoc-conferentie, gehouden
in Mexico in 1974 en het ‘Dag Hammarskjold-rapport’ een jaar later. Onder de brede de-
finitie van duurzame ontwikkeling, zoals door het Brundtland-rapport (1987) gedefinieerd,
vallen ook zaken als onderwijs en gezondheid, die worden beschouwd als investeringen
in menselijk kapitaal, zodat de volgende generatie hetzelfde levenspeil kan behouden als
de huidige. De vier dimensies van duurzaamheid, zoals voortgekomen uit de conferentie
van Rio in 1992, betreffen de institutionele dimensie (in casu goed bestuur), sociale
rechtvaardigheid, milieubescherming en economische efficiëntie.171
De aarde is te klein om alle huidige internationale doelstellingen gelijktijdig te realiseren,
zeker met inachtneming van de internationale klimaatdoelstelling van Cancún (2010),
dat de aarde niet meer dan 2 graden Celsius mag opwarmen. Ontwikkeling is ten koste
gegaan van natuur en milieu; aantasting van biodiversiteit en klimaatverandering zijn de
ecologische prijs voor sociaal-economische ontwikkeling geweest. Verdere ontwikkeling
van de aarde zal gepaard gaan met een substantieel verlies van biodiversiteit; produc-
tie van voedsel en biobrandstoffen voor energie staan hiermee op gespannen voet.172
Technologische vooruitgang heeft de bevolkingsgroei en consumptie niet gecompen-
seerd. De trend is: meer mensen, meer consumptie en meer concurrentie om grond-
stoffen. Duurzaamheid blijkt nog niet bepalend voor de richting van beleid op nationaal,
Europees en mondiaal niveau. Burgers en bedrijven verwachten echter dat de overheid
hierin voorgaat. Harde internationale afspraken zijn nodig met compensatie voor ontwik-
kelingslanden. De EU kan als krachtig intermediair hierin een voortrekkersrol spelen. Er
is een welbegrepen eigenbelang om ontwikkelingsbeleid te voeren.173
Het al genoemde rapport van Stiglitz en Sen onderscheidt vier methoden om duurzaam-
heid te meten: 1) brede eclectische indicatoren; 2) samengestelde indicatoren; 3) indi-
catoren die GDP corrigeren voor milieukosten; en 4) indicatoren die overconsumptie van
hulpbronnen aangeven, zoals de ecologische ‘footprint’.174 Elke van deze indicatoren
heeft zijn eigen beperkingen. Het rapport concludeert dat het vooralsnog niet mogelijk is
om tot één indicator te komen van duurzaamheid, omdat dit vele onzekerheden in zich
draagt. Zo is het moeilijk te weten wat in de toekomst de waarde van een ‘goed’ als het
milieu zal zijn, zijn er vele discussies over de weging van de verschillende indicatoren ten
opzichte van elkaar en is CO2-uitstoot een dominante component die ook apart gemeten
kan worden. Het is beter om verschillende indicatoren te gebruiken. Hierbij is van belang
om de veranderingen in zowel kwantiteit als kwaliteit te noteren van zaken die van be-
lang zijn voor de toekomst. De commissie-Sen-Stiglitz is voorstander van duurzaamheids-
indicatoren naast die voor subjectieve welzijns- en economische indicatoren.
171 J. Martens, ‘Thinking ahead, Development models and indicators of wellbeing beyond the MDGs’,
       Friedrich Ebert Stiftung, Berlijn, november 2010, pp. 9-10.
172 N.J. Schrijver, ‘Development Without Destruction. The UN and Global Resource Management’,
       Bloomington/New York: Indiana University Press/UN Intellectual History Project, New York, 2010.
173 Milieu en Natuur Planbureau, ‘Nederland en een duurzame wereld, Armoede, klimaat en biodiversiteit’,
       Tweede Duurzaamheidsverkenning, november 2007.
174 J. Stiglitz, A. Sen, J. Fitoussi, ‘Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance
       and Social Progress’, Parijs, 2009, hoofdstuk 3.
                                                        55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Voor beheer van natuurlijke hulpbronnen geldt dat informatie op geaggregeerd én lokaal
niveau van groot belang is (omdat dit tot verschillende conclusies kan leiden) alsmede
informatie over onzekerheden en sociale waarden. Wetenschap is nooit compleet in
kennis over interactie tussen mens en de biofysieke systemen en kan geen belangen-
afweging maken tussen lokale directe en mondiale baten. Het afdwingen van regels is
niet altijd een adequate oplossing vanwege gebrek aan wil, middelen of moeilijk op te
sporen vervuilingsbronnen. Soms is het stimuleren van innovatieve oplossingen in ge-
drag of technologie meer effectief. Financiële instrumenten om dit te bevorderen, zoals
verhandelbare milieu-‘allowances’, hebben bepaalde zwaktes, die tegenovergesteld zijn
aan de zwaktes van gemeenschappelijke oplossingen (‘commons’, zie hieronder); het
kan daarom nuttig zijn om te kijken naar een gunstige combinatie van beide. Technische
infrastructuur is van groot belang bij het bepalen van de mate van gebruik van gemeen-
schappelijke hulpbronnen, effectieve communicatie hierover en het leggen van verban-
den tussen lokale en mondiale systemen. Complexe systemen vereisen gelaagde oplos-
singen en instellingen die zich gemakkelijk aanpassen aan veranderingen.175
De milieuorganisatie van de VN, UNEP, geeft aan dat de negatieve gevolgen van biodiver-
siteitsverlies, dat overigens door sommigen gezien wordt als een preoccupatie van het
Westen, het grootste zijn voor de mensen die in armoede leven, naast droogte en over-
stromingen als gevolg van klimaatverandering. Verslechtering van ecosystemen heeft ne-
gatieve gevolgen voor landbouw, veeteelt en bosbouw, sectoren waar de armsten vaak in
werkzaam en afhankelijk van zijn. Het is van belang dat beleidsmakers dit onderkennen
in analyses en beleid met betrekking tot klimaatverandering en toenemende vervuiling.
Ten tweede is energietransitie noodzakelijk, waarbij de op zichzelf legitieme belangen
van de olie- en gasindustrie niet mogen prevaleren. Kosten van de groei voor het milieu
dienen te worden doorberekend. Ten derde is effectieve regulering nodig ten behoeve
van investeringen in een ‘groene economie’, zonder welke het bedrijfsleven zich niet zal
kunnen committeren. De crisis geeft een kans om dit alsnog te realiseren.176
B.II.3     Het meten van welzijn
Het blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de aannames in economische theorie
(‘rational choice theory’) en de belevenis ervan in de ‘echte’ wereld, het zogenoemde
‘subjectieve welzijn’. Deze kunnen niet verklaard worden uit psychologische mispercepties
alleen.
Een recent rapport van Stiglitz en Sen177 beveelt dan ook aan om niet zozeer productie te
meten, maar consumptie en inkomen (netto nationaal inkomen, NNI). Daarnaast beveelt
het aan te kijken naar inkomens van huishoudens in plaats van GDP per capita, inclusief
diensten van de overheid (gezondheidszorg en onderwijs). Dit moet gecombineerd worden
met een schatting van de vermogens (spaartegoeden en bezittingen) per huishouden,
rekening houdend met mogelijke ‘bubbles’ in de economie (zoals te hoge huizenprijzen).
175 T. Dietz, E. Östrom, P. Stern, ‘The struggle to govern the Commons’, Science Magazine, Vol. 302, 1907,
      December 2003.
176 UN Environmental Program (UNEP), ‘Green Economy Report’, prepared for the UN summit on MDGs,
      New York, September 2010.
177 J. Stiglitz, A. Sen, J. Fitoussi, ‘Report by the Commission on the Measurement of Economic
      Performance and Social Progress’, Parijs 2009.
                                                       56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Gemiddelde inkomenscijfers per huishouden moeten vervolgens rekening houden met
verdeling tussen inkomen, consumptie en spaartegoeden en verdeling tussen huishou-
dens. Tot slot moet men rekening houden met activiteiten per huishouden (zoals het zelf
verbouwen van groente, maar ook de hoeveelheid vrije tijd). Hetzelfde inkomen met meer
vrije tijd levert immers een hogere levensstandaard op.178 Dit levert tezamen een betere
maatstaf van economische prestaties op. Het rapport constateert – net als eerder ge-
constateerd in dit advies – dat in de MDG’s de economische groeifactoren afwezig zijn,
met uitzondering van MDG1 (armoedemeting van één dollar per dag). Het genoemde rap-
port biedt goede aanknopingspunten om economisch inkomen en consumptiemetingen
mee te nemen in een post-2015-systeem.
Gelukstheorie (subjectief welzijn) en Capaciteitentheorie (objectief welzijn)
Naast een betere economische prestatiemeting beveelt het bovengenoemde rapport van
Stiglitz en Sen aan om multidimensionale welzijnsfactoren mee te nemen. Het rapport
stelt dat subjectieve welzijnsmethoden kerninformatie verschaffen, dat het mogelijk is
hierover objectieve informatie te verkrijgen en beveelt aan om dit te betrekken in statis-
tieken (cognitieve evaluaties van je leven, geluk, tevredenheid, negatieve en positieve
emoties).179 De gelukstheorie wint aan belang, ook in opkomende economieën, zoals
blijkt uit het hanteren van geluksstatistieken in China.180
Naast subjectieve welzijnsindicatoren noemt het rapport acht objectieve indicatoren voor
welzijn (los van hun economische nut): gezondheid, onderwijs, milieu-omstandigheden,
politieke stem, persoonlijke activiteiten, sociale verbanden, persoonlijke onzekerheid
(misdaad, natuurrampen) en economische onzekerheid. Voor de laatste vijf geldt dat
hiervoor nog duidelijke indicatoren ontwikkeld moeten worden. Verder zouden onder-
zoeken zichtbaar moeten maken: ongelijkheid (in gender, leeftijd, specifieke groepen),
cumulatie van verschillende tekortkomingen, alsmede de relaties ertussen.181
In hoeverre verschillen de subjectieve en objectieve welzijnstheorieën (geluks- en capaci-
teitentheorieën) van elkaar? Onderzoek concludeert dat er een grote mate van synergie
is tussen beleid dat gericht is op het ontwikkelen van capaciteiten en beleid dat gericht
is op geluk (in de zin van algemene tevredenheid met het leven).182 Niettemin kan het
meten van subjectief welzijn een aanvulling vormen op de capaciteitentheorie, doordat
het beleidskeuzen kan bevestigen (feedback) dan wel een probleem kan signaleren, zoals
het zichtbaar maken van een gebrek aan mogelijkheden. Geluksonderzoek wijst ook uit
dat wanneer de overheid het subjectief welbevinden tot uitgangspunt zou nemen, haar
beleid er waarschijnlijk anders uit zou zien. De nadruk zou minder liggen op individuele
178 Idem, pp. 11-14.
179 Idem, pp. 58-59 alsmede hoofdstuk 2.
180 The Economist, ‘Don’t worry, be happy’, The Economist, 19 maart 2011, p. 49.
181 J. Stiglitz, A. Sen, J. Fitoussi, ‘Report by the Commission on the Measurement of Economic
      Performance and Social Progress’, Parijs 2009, pp. 58-59 alsmede hoofdstuk 2.
182 R. Veenhoven, ‘Capability and happiness: conceptual difference and reality links’, Journal of
      Socio-Economics 39, 2010, pp. 344-350.
                                                       57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>winstmaximalisatie en meer op betekenisvolle sociale verbanden en maatschappelijke
participatie.183
B.II.4     Groei en ongelijkheid
In de periode 1985 tot midden 1990 is de inkomensongelijkheid in de meeste landen
van de wereld, en speciaal in de grotere landen, sterk toegenomen.184 Volgens de
Wereldbank is de ongelijkheid in de wereld vervolgens op dat hogere niveau gemiddeld
vrijwel gelijk gebleven, van midden jaren ’90 tot midden 2000. Hoewel nog geen harde
gegevens beschikbaar zijn, is de algemene mening dat door de crisis van 2008 de inko-
mensongelijkheid weer is toegenomen. Rapporten van bijvoorbeeld OXFAM bevestigen
deze indruk.185
Pogge constateert dat het wereldhandelssysteem voornamelijk ten goede is gekomen
aan de rijksten ter wereld. Als de groei van het BNP per capita alleen ten goede komt
aan de elites in een land en als er sprake is van groei zonder werkgelegenheid, kan men
niet spreken van vooruitgang. Er is zelfs regelmatig sprake van een achteruitgang door
verdergaande marginalisering van de armsten, tenminste als men de mening deelt dat
economische groei geen doel op zichzelf is, en dat vooruitgang betekent dat menselijke
basisbehoeften zijn vervuld. Expliciete aandacht voor inkomensverdeling is daarom vol-
gens hem noodzakelijk.186
Ook heeft de snelle economische groei in een aantal grote ontwikkelingslanden tot de
situatie geleid dat nu de meeste armen in de wereld niet meer in lage-inkomenslanden
leven, zoals in voor 2000, maar in opkomende landen. Om armoede in de wereld
effectief te bestrijden zal daarom een post-2015-systeem meer aandacht moeten geven
aan de noodzaak voor nationale maatregelen om inkomensverdeling binnen landen te
verkleinen.187
Een argument om geen aandacht aan ongelijkheid binnen landen te schenken, is dat
daardoor economische groei zou kunnen vertragen en dat op de lange duur daardoor
armoedebestrijding gefrustreerd wordt. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat
grotere inkomensgelijkheid niet noodzakelijkerwijs ten koste gaat van economische
groei.188 Extreem scheve groei ondermijnt echter wel de democratie; rijke elites zullen
immers de macht hebben om hun eigen belangen voorop te stellen en politici naar hen
183 W.L. Tiemeijer, ‘Hoe mensen keuzes maken, de psychologie van het beslissen’, Wetenschappelijke
      Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Amsterdam University Press, 2011, p. 111.
184 R. van der Hoeven (ed.), ‘Employment, Inequality and Globalization: A continuous Concern’, Routledge,
      2011.
185 D. Green and R. King, ‘How Have Poor Women and Men Experienced the Global Economic Crisis’,
      Chapter 3 in Bergeijk, P.A. de Haan en R. van der Hoeven (eds.), ‘The Financial Crisis and Developing
      Countries’, Edward Elgar: Cheltenham, 2011.
186 Pogge, ‘Politics as Usual: What Lies Behind the Pro-Poor Rhetoric’, Polity Press, 2010.
187 A. Sumner, ‘The New Bottom Billion’, The Broker, issue 23, December 2010.
188 Voor een overzicht zie R. van der Hoeven (ed.), ‘Employment, Inequality and Globalization: A Continuous
      Concern’, Routledge, 2011,
                                                     58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>te laten luisteren. Grote inkomensverschillen zijn gemakkelijk te creëren en zeer moeilijk
te elimineren.189 UNDP concludeert dat landen waar inkomensongelijkheid daalde en
waar krachtige nationale groei optrad in sectoren waarin de armsten waren geconcen-
treerd, het meeste succes hadden met ‘poverty reduction’.190
De AIV is dan ook van mening dat een post-2015-systeem aandacht dient te schenken
aan ongelijkheid en deze zichtbaar te maken in de indicatoren.
B.II.5     Conclusies
De AIV vindt het belangrijk om in aanloop tot een post-2015-systeem een aantal nieuwe-
re of nog steeds relevante ontwikkelingstheorieën in ogenschouw te nemen en te bezien
in hoeverre deze aan een post-2015-systeem een steviger fundament kunnen geven.
Capaciteitenbenadering
De MDG’s zijn een uitvloeisel van de Millennium Verklaring, die door sommigen bedoeld
was als een concretisering van de capaciteitenbenadering van Amartya Sen. Volgens
Sen is ontwikkeling meer vrijheid en is vrijheid vooruitgang. Het is volgens de AIV wen-
selijk om in een post-2015-systeem meer aandacht te besteden aan de nog steeds
actuele visie op vrijheden van Sen. De AIV onderschrijft deze benadering ook omdat uit
de subjectieve welzijnstheorie blijkt dat mensen deze vrijheden desgevraagd noemen als
bepalend voor hun geluk. Dit kan betekenen:
1. opname, conform de eindverklaring van de MDG-top in 2010, van indicatoren voor
    sociale zekerheid (en de ‘social protection floor’);
2. opname van een cluster doeleinden over vrede en veiligheid met een rapportage van
    aantallen conflicten in de wereld en indicatoren die aangeven of een staat in staat is
    om zijn burgers fysiek te beschermen.191;
3. opname van statistieken betreffende geweld tegen vrouwen onder MDG3 dan wel
    onder een nieuwe MDG betreffende vrede en veiligheid; en
4. opname van indicatoren over de kwaliteit van politieke instituties, zoals corruptie,
    ‘rule of law’, ‘voice and accountability’ en de effectiviteit van staatsbureaucratie.
    Dergelijke indexen bestaan al, zoals in de Wereldbank ‘Governance Matters’-studies.192
    Indicatoren betreffen de mate van vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering
    en mate van democratisering.
Duurzaamheid en Klimaat
Een bijzondere vorm van welzijn is het welzijn van toekomstige generaties: het duurzaam-
heidsperspectief. Deze problematiek speelt niet alleen in de toekomst maar ook nu:
droogte en overstroming en daaruit voortvloeiende honger en hoge voedselprijzen treffen
vooral de allerarmsten. De tijd dringt, want klimaatproblemen, crises op economisch,
financieel en voedselgebied en grote sociale onrust ten gevolge van een gebrek aan
sociaal-economische mogelijkheden en politieke vrijheden gecombineerd met bevolkings-
189 Pogge, ‘Politics as Usual: What Lies Behind the Pro-Poor Rhetoric’, Polity Press, 2010, p. 102.
190 UN Development Group (UNDG), ‘Beyond the Midpoint, Achieving the Millennium Development Goals’,
      New York, 2010, p. 25 en Annex 2.1.
191 S.E. Rice and S. Patrick, ‘Index of State Weakness in the Developing World’, Brookings Global Economy
      and Development, The Brookings Institution, Washington, 2008, p. 8.
192 Idem, pp. 8-9.
                                                    59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>toename in bepaalde delen van de wereld, veroorzaken nu al een weerslag op de inter-
nationale orde. De AIV beveelt aan rekening te houden met het duurzaamheidsperspec-
tief. Dit kan betekenen:
1. beschouw een post-2015-systeem als een ‘dashboard’ van indicatoren die duurzaam-
    heid weergeven. Deze indicatoren meten de voortgang van landen op verschillende
    dimensies; en
2. stel maatstaven op van wenselijke indicatoren en het tijdsbestek waarin dat gereali-
    seerd dient te worden (duurzame streefcijfers) met het oog op een duurzame samen-
    leving met een ‘rolling agenda’, die elke vijf of tien jaar de voortgang meet en wordt
    geactualiseerd.
Het meten van welzijn
Meer moderne welzijnstheorieën kijken ook naar subjectief welzijn, hoe nut ervaren wordt
(in plaats van het traditionele ‘voldoen aan voorkeuren’). De gegevens die psychologen
hierover verzameld hebben worden echter in de economie nog maar weinig gebruikt.
De AIV beveelt aan rekening te houden met de conclusies van het rapport van Sen en
Stiglitz in het post-2015-systeem. Dit kan betekenen:
· betere weergave van economische prestaties dan met de huidige indicatoren;
· het opnemen van subjectieve welzijnsmetingen in opiniepeilingen over inkomens van
    huishoudens; het betreft slechts het toevoegen van een extra set vragen aan de stan-
    daardvragen over inkomen, consumptie en bezittingen; en
· opname van alternatieve economische indicatoren onder MDG1, die beter de daad-
    werkelijke staat van de samenleving weergeven en meer bij de beleving van mensen
    aansluit.
Ongelijkheid
De groeiende ongelijkheid in veel landen en de gevolgen die dat heeft zowel op het terug-
dringen van armoede als op economische- en sociale ontwikkeling, alsook het feit dat
nu het grootste gedeelte van de armen in de wereld in opkomende landen leeft, noopt
de AIV tot het bepleiten van grotere aandacht voor (inkomens)ongelijkheid in een post-
2015-systeem en om in nationale voortgangsindicatoren ook aspecten van ongelijkheid
in te bouwen.
B.III     Onderbelichte thema’s: welke (overige) prioriteiten?
Deel A van dit advies vermeldt een aantal onderbelichte of afwezige thema’s in de hui-
dige MDG-systematiek. De AIV vindt dat in een post-2015-systeem meer aandacht aan
deze thema’s besteed moet worden.
B.III.1    Gender
De vraag is of gender sterker benadrukt moet worden in de MDG’s door de indicatoren
voor MDG3 aan te passen en te verbreden, of door gender als begrip te benadrukken
in alle MDG’s. In 2005 identificeerde de ‘UN Millennium Project Task Force on Gender
Equality’ zeven strategische speerpunten om MDG3 te bereiken.193 Deze zijn sterk
193 De zeven prioriteiten die genoemd worden door de Task Force zijn: 1) Versterk de mogelijkheden voor
      post-primair onderwijs voor meisjes, terwijl ook aan de verplichtingen wordt voldaan voor universeel
      primair onderwijs, 2) garandeer seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, 3) investeer in infra-
      structuur om de tijdslasten van vrouwen en meisjes te verminderen, 4) garandeer de eigendoms- en
                                                       60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>gerelateerd aan de uitkomsten van de Beijing- en Caïro-bijeenkomsten over gender.194
Nieuwe indicatoren voor gender
Een belangrijke indicator voor MDG3 zou geweld tegen vrouwen kunnen zijn, dat interna-
tionaal is erkend als een belangrijke hindernis (onder andere door het Beijing-Actieplan)
voor duurzame ontwikkeling. Hoewel geweld tegen vrouwen een probleem blijft met een
grote impact op de uitkomsten van de MDG’s, maakt het er geen integraal onderdeel
van uit.195 Er wordt geschat dat wereldwijd één op de vijf vrouwen tijdens haar leven het
slachtoffer wordt van verkrachting.196 De WHO rapporteert dat vrouwen die slachtoffer
zijn van fysiek, psychisch of seksueel geweld meestal langetermijngebruikers zijn van
gezondheidsvoorzieningen.197 Ook buitenshuis – en in het bijzonder tijdens gewapende
conflicten – worden vrouwen veelvuldig slachtoffer van geweld. In Sierra Leone werden
tussen de 50.000 en 64.000 vrouwelijke vluchtelingen door strijders seksueel mis-
bruikt.198 Er wordt dan ook gepleit voor een aparte MDG of indicator waarin het probleem
van geweld tegen vrouwen zijn weerklank vindt.199 Om tot volledige ontplooiing te kun-
nen komen moet ook de toegang van vrouwen tot (financiële) productiemiddelen verbe-
terd worden (bijvoorbeeld kredietverlening, vastlegging van landtitels en het erfrecht voor
vrouwen); investeringen in de infrastructuur (zoals watervoorziening) zijn daarom belang-
rijk. Andere punten ter verbetering zijn: de kinderopvang, het in kaart brengen van de
belemmeringen die jonge vrouwen ondervinden bij het vinden van een geschikte baan en
discriminatie van vrouwen in het recht (bijvoorbeeld scheidingsrecht).200
vervolg van vorige pagina
       erfrechten van vrouwen en meisjes, 5) elimineer genderongelijkheid in werkgelegenheid door de afhan-
       kelijkheid van vrouwen op de informele sector te verminderen, de genderkloof in verdiensten te sluiten,
       en het verminderen van arbeidssegregatie, 6) verhoog het aantal vrouwen in nationale parlementen en
       lokale overheidsinstanties, 7) bestrijd geweld tegen vrouwen en meisjes. In: C. Grown, G.R. Gupta en
       A. Kes (2005), ‘Taking action: Achieving gender equality and empowering women’, UN Millennium Project,
       ‘Task Force on Education and Gender Equality’, London and Sterling, Virginia: Earthscan, 2005, p. 29.
194 UN Development Fund for Women (UNIFEM), ‘Making the MDGs work better for women; Implementing
       gender-responsive national development plans and programmes’, New York, 2010, p. 7.
195 De Millennium Verklaring (2000) stelt: ‘combat all forms of violence against women and to implement
       the Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination Against Women’.
196 UN Millennium Project, ‘Taking Action: Achieving Gender Equality and Empowering Women’, Task Force
       on Education and Gender Equality, London and Sterling, Virginia: Earthscan, 2005.
197 E. Krug et al. (eds.), ‘World Report on Violence and Health’, World Health Organisation (WHO), Geneva,
       2002.
198 Physicians for Human Rights, ‘Executive Summary’ War-Related Sexual Violence in Sierra Leone:
       A Population-based Assessment, 2002, p. 3.
199 Zie bijvoorbeeld: P. Antrobus, ‘Critiquing the MDGs from a Caribbean perspective’, Gender and
       Development, Vol. 13(1), 2005, p. 95.
200 Amnesty International, ‘From Promises to Delivery. Putting Human Rights at the Heart of the Millennium
       Development Goals’, London, 2010, pp.16-18.
                                                        61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Een barrière voor het invoeren van (nieuwe) indicatoren met betrekking tot gender is dat
het meten wordt bemoeilijkt doordat er maar weinig genderspecifieke informatie beschik-
baar is.201 Landen zouden zich meer moeten toeleggen op het verzamelen van deze
informatie.202 Er wordt wel jaarlijks door de ‘Commission on the Status of Women’ aan
de VN gerapporteerd, maar ‘gender budgetting’ gaat nog erg langzaam.
‘Mainstreaming’
Naast de kritiek met betrekking tot de onvolledigheid van MDG3-indicatoren worden ook
andere MDG’s bekritiseerd omdat zij te weinig aandacht schenken aan de positie van de
vrouw.203 Zonder significante verbetering in het onderwijs voor meisjes (MDG3), zullen
ook andere MDG’s niet gehaald worden. Onderwijs voor meisjes is een trefzekere wijze
om economische productiviteit te stimuleren en leidt bovendien tot verlaging van kinder-
en moedersterfte, verbetering van voedings- en gezondheidspositie en het tegengaan
van HIV/AIDS en andere ziektes.204 Gezien dit feit is het evident dat een verbeterde
positie van de vrouw, dat wil zeggen van MDG3, ook een positieve uitwerking zal hebben
op het bereiken van de andere MDG’s.205 Omgekeerd, als de andere MDG’s genderblind
zijn, kan MDG3 niet worden bereikt en zal het lastig zijn om duurzame armoedebestrij-
ding te bewerkstelligen.206
Het zou effectiever zijn om ook aandacht te schenken aan de rol van vrouwen bij andere
MDG’s, zoals duurzame ontwikkeling en bestrijding van aids en armoede. De rol van
vrouwen is bijvoorbeeld bij de bestrijding van HIV/AIDS, malaria en andere ziektes (MDG6)
geen indicator of target, terwijl de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen een belangrijk
uitgangspunt moet zijn van beleid ter bestrijding van HIV/AIDS.207 HIV/AIDS, aldus de
UNAIDS, is een ‘feminiserend’ probleem, niet alleen wegens het feit dat vrouwen biolo-
gisch gezien meer kans hebben om geïnfecteerd te raken, maar ook wegens de moeilijkhe-
den – veroorzaakt door hun sociale, financiële en culturele factoren – die vrouwen hebben
201 In 2005 hield de Afdeling Statistiek van de VN een review over genderstatistieken in nationale
      rapportages. Hieruit kwam naar voren dat belangrijke data ontbreken in de verzameling, samenstelling
      en verslaglegging van gendergevoelige data. Zie: UN Division for the Advancement of Women, 2005.
202 OECD, ‘Investing in women and girls – The breakthrough strategy for achieving all the MDGs’,
      gebaseerd op een toespraak van J. Lomoy, VN Ontwikkelingssamenwerking Forum, 4 juni 2010, p. 6; en
      P. Antrobus, ‘Critiquing the MDGs from a Caribbean perspective’, Gender and Development, vol. 13(1),
      2005, p. 101.
203 UN Development Programme (UNDP), ‘What will it take to achieve the MDGs? An international
      assessment’, New York, June 2010, p. 1.
204 UN Girls’ Education Initiative (UNICEF), ‘Gender Achievements and Prospects in Education: The GAP
      Report Part One’, New York, 2005, p. 5.
205 UN Development Programme (UNDP), ‘What will it take to achieve the MDGs? An international
      assessment’, New York, June 2010, p. 7.
206 N. Jones, R, Holmes, J. Espey, ‘Progressing Gender Equality Post-2015: Harnessing the Multiplier
      Effects of Existing Achievements’, IDS Bulletin, Vol. 41, No 1, January 2010, p. 113.
207 Zie o.a. P. Antrobus, ‘Critiquing the MDGs from a Caribbean perspective’, Gender and Development,
      Vol. 13(1), 2005, p. 98.
                                                       62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>om te onderhandelen over veilige seks.208 Ook MDG1 maakt geen expliciete verwijzing
naar vrouwen, terwijl ook een feminisering van armoede gaande is.209 Bovendien gaat
veel economische capaciteit verloren door belemmeringen voor meisjes en vrouwen. Zo
zou de landbouwproductiviteit in Sub-Sahara Afrika met 20% kunnen stijgen wanneer de
toegang van vrouwen tot grond, zaden en kunstmest gelijk zou zijn aan die van mannen.
Ook in India zou het BNP met 8% kunnen stijgen indien de ratio van vrouwelijke op man-
nelijke werknemers stijgt met 10%.210 Bij de oplossing van het armoedevraagstuk moet
het in kaart brengen van de (armoede)problemen naar gender (en andere doelgroepen)
voorop staan.
B.III.2 Veiligheid en ontwikkeling: een samenhangende aanpak
Een basisniveau van veiligheid is essentieel voor de ontwikkeling van een staat, zowel
op sociaal-economisch gebied als op het gebied van de mensenrechten en de ‘rule of
law’. In fragiele staten is de opbouw of hervorming van de veiligheidssector, ‘Security
Sector Reform’ (SSR) essentieel voor het versterken van het niveau van veiligheid.
Bijzondere aandacht verdient hierbij de opbouw van politie, justitie en het rechtssys-
teem. In fragiele staten is een samenhangende aanpak van veiligheids- en ontwikke-
lingsvraagstukken noodzakelijk. Het scheppen van een veilige situatie is een taak die in
de eerste plaats aan militairen toevalt. De opbouw van een civiele samenleving met een
goed bestuur en een aanvaardbare mate van rechtshandhaving moet verdere sociale- en
economische ontwikkeling mogelijk maken en een duurzame vrede tot stand brengen.
Daarbij bestaan geen algemeen toepasbare blauwdrukken.211
Voor duurzame ontwikkeling in fragiele staten is het noodzakelijk dat vredesopbouw een
lokaal draagvlak heeft, lokaal wordt uitgevoerd en dat lokale instituties worden versterkt.
Toch ontstaan hier in de praktijk dikwijls problemen, doordat het juist in fragiele staten
bij (delen van) de lokale bevolking of autoriteiten en machthebbers vaak ontbreekt aan
de wil of aan de capaciteit tot vredesopbouw. Ook beschikt de centrale overheid van een
fragiele staat vaak niet of nauwelijks over een als legitiem erkend gezag en berust de
feitelijke macht bij andere netwerken en groepen die bijvoorbeeld zijn georganiseerd op
basis van cliëntelisme en patronage.212
In een post-2015-systeem zou een basisniveau van veiligheid als voorwaarde voor
ontwikkeling moeten worden opgenomen. De opbouw of hervorming van de veiligheids-
sector is hierbij essentieel. Het World Development Report 2011, ‘Conflict Security
and Development’, van de Wereldbank stelt dat burgerveiligheid, rechtspraak en banen
208 UNAIDS, ‘Agenda for Accelerated Country Action for Women, Girls, Gender Equality and HIV – Operational
      plan for the UNAIDS action framework: addressing women, girls, gender equality and HIV’, New York,
      2010, p. 16.
209 AIV, ‘Samenhang in Internationale samenwerking’, reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer
      ambitie’, advies nummer 69, Den Haag, mei 2010, p. 11.
210 Department for International Development, ‘Gender Equality at the Heart of Development: Why the role
      of women is crucial to ending world poverty’, 2007, p. 13.
211 AIV, ‘Crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten. De noodzaak van een samenhangende aanpak’,
      advies nummer 64, Den Haag, maart 2009.
212 R. van der Veen, ‘Afrika, van de Koude Oorlog naar de 21e eeuw’, KIT-Publishers: Amsterdam, 2002.
                                                      63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>de sleutel zijn tot het doorbreken van geweldscycli.213 Het roept naast security sector
reform op tot creatie van werkgelegenheid, anti-corruptie, het betrekken van vrouwen in
veiligheid, rechtspraak en economische emancipatie en gemeenschapsinitiatieven.
De huidige MDG’s hebben geen relevantie in termen van geweldspreventie. Vermindering
van het aantal gewelddadige doden geeft een indicatie van verbeteringen in veiligheid,
maar deze gegevens zijn voor fragiele staten vaak niet beschikbaar.214 Indicatoren die
aangeven of een staat in staat is om zijn burgers fysiek te beschermen kunnen bijvoor-
beeld zijn: aanwezigheid van interne conflicten, ontheemding, illegale machtsovername,
grove mensenrechtenschendingen, percepties over instabiliteit en het percentage territo-
rium dat bestreken wordt door conflicten.215 Het spreekt vanzelf dat een aantal hiervan
politiek gevoelig ligt in onderhandelingen. Samengestelde indexen over fragiliteit van sta-
ten hebben overigens naast veiligheid betrekking op economische, sociale en politieke
vrijheden, die deels al in de overige MDG’s tot uiting (kunnen) komen. Zo kan grote onge-
lijkheid ook een factor zijn in fragiliteit (zoals de ontwikkelingen in de Arabische regio nog
eens duidelijk maken). Economische regelgeving zou daarnaast ook als indicator kunnen
worden opgenomen onder een MDG over vrede en veiligheid. Dergelijke statistieken dra-
gen bij tot vroegtijdige signalering van conflicten.216 Onderhandelingen over genoemde
criteria kunnen voortbouwen op de Dili-Verklaring: ‘A new vision for peacebuilding and
statebuilding’, de Genève-verklaring over ‘Armed violence and development’ en de Oslo
‘Commitments on Armed Violence’.
In een post-2015-systeem moet, in de visie van de AIV, zowel grotere aandacht worden
geschonken aan de problematiek van vrede en veiligheid als aan het ondersteunen van
effectieve staatsinstellingen.
B.III.3      Voedselzekerheid
Verwaarlozing van landbouw in veel ontwikkelingslanden heeft ertoe geleid dat het aan-
bod van voedsel niet de verhoogde vraag (ten gevolge van bevolkingsgroei en veranderde
consumptiepatronen) naar voedsel kon bijhouden. Voedselonzekerheid is ook toegeno-
men doordat meer landen voedsel zijn gaan invoeren en doordat de prijs van granen en
ander essentieel voedsel onderhevig is geworden aan grotere fluctuaties. Deze prijsvola-
tiliteit is niet alleen het gevolg van droogte en overstromingen maar volgens sommigen
ook van gebruik van gewassen voor biobrandstoffen en toegenomen speculatie op grond-
stoffenmarkten. Voedselprijzen zijn op het ogenblik enerzijds één van de belangrijkste
oorzaken van de grotere kwetsbaarheid van arme huishoudens, maar anderzijds ook een
prikkel om de eigen voedselproductie te verhogen.
213 World Bank, ‘Conflict, Security and Development. World Development Report 2011’, Washington,
       April 2011.
214 Idem.
215 S.E. Rice, S. Patrick, ‘Index of State Weakness in the Developing World’, Brookings Global Economy and
       Development, The Brookings Institution, Washington 2008, p. 8.
216 Idem, pp. 8-9.
                                                     64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>De Wereldbank217 maakt zich grote zorgen over de gevolgen van de prijsstijging van basis-
voedsel op de armoede. Producten zoals suiker, maïs, tarwe en rijst vertonen hoge en
beweeglijke prijzen, die ook de komende tijd zullen aanhouden. Een 10% hogere voedsel-
prijs zal nog eens 10 miljoen mensen ter wereld extra onder de armoedegrens van
$1,25 per dag doen belanden. Bij een stijging van 30% zullen dat er 34 miljoen extra
zijn. Die komen boven op de 44 miljoen mensen die bij de vorige prijspiek van juni 2010
al dieper in de armoede wegzonken.
Omdat oorzaken van voedselonzekerheid zowel door nationale politiek in ontwikkelde-
en ontwikkelingslanden als op internationale markten wordt veroorzaakt is de AIV van
mening dat een post-2015-systeem uitdrukkelijk aandacht dient te schenken aan het
groeiende probleem van voedselzekerheid en internationale coherentie om tot grotere
voedselzekerheid te komen te bevorderen.
Een post-2015-systeem dient echter niet alleen aandacht te geven aan de internationale
aspecten maar ook aan nationale initiatieven. Er zijn veel voorbeelden waarin (kleinscha-
lige) boeren op eigen initiatief, al dan niet met hulp van andere organisaties, successen
hebben geboekt op het gebied van voedselzekerheid. De les die uit deze ervaringen
getrokken kan worden, is dat we moeten bouwen op de vaardigheden en grondstoffen
die boeren al tot hun beschikking hebben en op de praktijken die al bestaan, in plaats
van het opleggen van bevooroordeelde voorschriften. Succesvolle initiatieven uit ontwik-
kelingslanden zelf kunnen als bron van inspiratie worden gebruikt.218
B.III.4    Infrastructuur
De behoeften voor infrastructuurverbetering in Afrika zijn immens en het gat in financie-
ring is groot. Er is berekend dat het gebrek aan fysieke infrastructuur in Afrika leidt tot
circa 40% minder bedrijvigheid in die landen dan in een situatie met goede infrastruc-
tuur, en tot een reductie van liefst 2% economische groei per jaar.219 Het gat tussen de
infrastructuur in Afrika en in de rest van de wereld is alleen maar groter geworden. In
vergelijking met Zuid-Azië, dat een vergelijkbaar per capita inkomen heeft, loopt Afrika
achter, ook in de gebieden waarin het in 1970 een voorsprong had op deze regio (Afrika
had toen driemaal meer elektriciteitscapaciteit, tweemaal meer telefoonlijnen). Zo is een
verdubbeling in elektriciteitsvoorziening in de komende tien jaar noodzakelijk om aan de
vraag te voldoen.
Er is een groot gebrek aan financiering, ondanks de verdubbeling van financiering voor
infrastructuur in Afrika van $17 naar $35 miljard van 2001 tot 2009. Het jaarlijkse
financieringstekort bedraagt circa $31 miljard220, waarin grotendeels niet kan worden
voorzien door private financiering, doordat de grootste problemen zich in niet-kredietwaar-
dige fragiele staten voordoen. Regionale aanpak is dan ook noodzakelijk. Politieke com-
mittering om hieraan iets te doen is groot, zoals blijkt uit de toppen van de Afrikaanse
Unie. De Afrikaanse Unie, in samenwerking met de Afrikaanse ontwikkelingsbank, werkt
217 World Bank, ‘Food Price Watch’, Washington, April 2011.
218 Idem.
219 African Union, African Development Fund, World Bank, ‘Africa’s infrastructure: an agenda for
      transformative action’, background paper for UN MDG Summit Side event, 21 September 2010.
220 Idem, p. 1.
                                                    65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>aan hervorming van de institutionele coördinatie voor infrastructuurontwikkeling op het
continent (Programme for Infrastructure Development in Africa PIDA). Nieuwe initiatie-
ven zouden dan ook hierop moeten aansluiten. De private sector, ontwikkelingsbanken,
donoren en stakeholders dienen samen te werken om de noodzakelijke infrastructuur te
creëren.221
De juiste condities voor ontwikkeling van de private sector in landen hangt nauw samen
met fysieke maar ook met immateriële infrastructuur. Het gaat hierbij onder meer om
het versterken van het nationale investeringsklimaat zoals door het opheffen van be-
lemmeringen en het verminderen van risico’s: het verbeteren van instituties, juridische
kaders, toegang tot en functioneren van markten, investeren in infrastructuur, onderwijs
en gezondheid, het stimuleren van toegang tot de formele economie, technische assis-
tentie en financiële diensten (met extra aandacht voor het verbeteren van toegang voor
mensen die achtergesteld zijn). Beleid richten op scheppen van de juiste condities, niet
op concrete, directe steun in enigerlei vorm, aan ondernemingen.222
Een post-2015-systeem zou grotere aandacht aan productiviteit moeten geven en daarbij
rekening moeten houden met de noodzaak voor infrastructuur en met het scheppen van
de juiste condities voor private sector ontwikkeling.
B.III.5    Conclusies
Gender
Omdat gelijkheid tussen man en vrouw onontbeerlijk is voor een evenwichtige ontwik-
keling beveelt de AIV aan om hieraan nadrukkelijk aandacht te geven in het post-2015-
systeem en om genderindicatoren op te nemen in alle MDG’s. Dit betekent:
· het bijhouden van statistieken betreffende gender en het uitsplitsen van de indicato-
   ren op gender;
· het verzamelen van deze indicatoren in de aparte gender-MDG3 om een beeld te
   scheppen van de staat van gelijke behandeling tussen man en vrouw; en
· het benoemen van genderspecifieke dimensies van de nieuwe clusters vrede en vei-
   ligheid (geweld tegen vrouwen) en effectief bestuur (vrouwenparticipatie in het beheer
   van onze samenleving).
Vrede en Veiligheid
De AIV adviseert grotere aandacht voor vrede en veiligheid voor in een post-2015-systeem
alsmede voor effectieve staatsinstellingen. Dit betekent:
· in een post-2015-systeem zou een basisniveau van veiligheid als voorwaarde voor
   ontwikkeling moeten worden opgenomen. De opbouw of hervorming van de veilig-
   heidssector (SSR) is essentieel voor het versterken van het niveau van veiligheid en
   zou derhalve een onlosmakelijk onderdeel moeten vormen van een post-2015-sys-
   teem voor fragiele staten;
· een cluster over vrede en veiligheid kan ook indicatoren bevatten voor vroege signale-
   ring van conflicten; en
· een cluster voor effectieve staatsinstellingen komt deels tegemoet aan kritiek in de
   mensenrechtensfeer (‘rule of law’), zonder dat het al te beladen is en is een belang-
   rijke factor in fragiliteit van staten.
221 Idem, pp. 7-8.
222 AIV, ‘Private sector ontwikkeling en armoedebestrijding’, advies nummer 50, Den Haag, oktober 2006.
                                                   66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Voedselzekerheid
Oorzaken van voedselonzekerheid zijn het gevolg van zowel nationale politiek in ontwik-
kelde- en ontwikkelingslanden als de werking van internationale markten. De AIV is van
mening dat een post-2015-systeem daarom uitdrukkelijk aandacht dient te schenken
aan het groeiende probleem van voedselzekerheid en dat grotere interna-tionale cohe-
rentie om tot meer voedselzekerheid te komen noodzakelijk is.
Infrastructuur
De AIV vindt dat versterken van infrastructuur onderdeel dient te zijn van een post-2015-
systeem. Privaat-publieke samenwerkingsverbanden kunnen hier een grote rol in spelen.
Dit is speciaal voor Afrika van belang.
B.IV      Conceptuele onderbouwing voor mondiale samenwerking
Het ontwikkelingsdebat wordt in donorlanden beheerst door voor- en tegenstanders
van mondiale samenwerking. Hierbij spelen argumenten als ‘internationale solidariteit’
versus ‘op eigen benen staan’ een rol. Rechtvaardiging zoekt men ook in het wel of niet
bestaan van ‘draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in de samenleving’ en ‘recht
hebben op ontwikkeling’. Internationaal wordt het debat nog verder belast met ‘politieke
wil’ om bepaalde thema’s wel of juist niet op de agenda te zetten. Morele discussies zijn
vaak ook belast met ‘taalgevoeligheden’. Om de discussie over een post-2015-systeem
te bevorderen gaat de AIV in op twee belangrijke argumenten voor een conceptuele
onderbouwing van internationale samenwerking: die van de mensenrechten en die van
de mondiale publieke goederen. De eerste haakt in op morele argumenten en interna-
tionale verdragen, de tweede op ‘verlicht eigenbelang’. Daarnaast wordt kort aandacht
besteed aan empirische gegevens over samenwerking op lokaal niveau wat betreft ge-
deelde hulpbronnen (‘common resource pools’ of ‘public commons’ genaamd).
B.IV.1      Mensenrechtenbenadering
De Millennium Verklaring verwijst in hoofdstuk vijf specifiek naar het belang van de
naleving van mensenrechten en bekrachtigt principes van internationale gelijkheid en
gedeelde verantwoordelijkheid. Veel wetenschappers benadrukken de onderlinge afhan-
kelijkheid van ontwikkeling en mensenrechten.223 Ook de AIV heeft, in 2003, een advies
uitgebracht over het belang van mensenrechtenbenaderingen van ontwikkeling.224
Hoewel niet in termen van ‘rechten’ geformuleerd, zijn de MDG’s een belangrijke mijlpaal
voor de realisatie van economische, sociale en culturele mensenrechten. Anderzijds
ondersteunen mensenrechtenstrategieën het behalen van de MDG’s, doordat zij discrimi-
natie, uitsluiting en het niet-afleggen van verantwoordelijkheid (‘accountability failures’)
aan de kaak stellen, die vaak aan armoede en ontwikkelingsproblemen ten grondslag
223 Zie o.a. P. Alston, ‘Ships passing in the night: the current state of the human rights and development
      debate seen through the lens of the Millennium Development Goals’, Human Rights Quarterly 27(3),
      August 2005, pp. 755-829; E. Domíniquez Redondo, ‘The Millennium Development Goals and the
      human rights based approach: reflecting on structural chasms with the United Nations system’, The
      International Journal of Human Rights 13(1), 2009, p. 29; M. Robinson, ‘The MDG-Human Rights Nexus
      and Beyond 2015’, IDS Bulletin 41(1), 2010, p. 81.
224 AIV, ‘Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking’, advies nummer 30, Den Haag,
      april 2003.
                                                      67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>liggen.225 In de mensenrechtenbenadering wordt het bevorderen van ontwikkeling niet
beschouwd als liefdadigheid, maar als het recht van elk individu, en de plicht van de
staat om daaraan te voldoen. Een mensenrechtenbenadering biedt principes waarnaar
moet worden gehandeld, zoals non-discriminatie, menselijke waardigheid, participatie en
‘accountability’ (verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid).226
Voorstanders van een mensenrechtenbenadering benadrukken dat mensenrechten de
MDG’s op verschillende terreinen kunnen versterken. Ten eerste heeft een mensen-
rechtenbenadering oog voor kwetsbare groepen, mensen die worden benadeeld of wier
rechten worden geschonden en voor de verantwoordelijken voor deze situatie. Op dit mo-
ment zijn de MDG’s gebaseerd op de gemiddelde vooruitgang van landen als geheel. Ten
tweede kan een mensenrechtenbenadering werkprincipes bieden voor de realisering van
de MDG’s, bijvoorbeeld in de vorm van non-discriminatie participatie en verantwoording
als richtlijnen voor de uitvoering van ontwikkelingsbeleid. Ten derde kan het omzetten
van een doel in een recht betekenen dat mensen aangemoedigd worden om verantwoor-
ding te eisen van de staat. MDG’s zouden dan niet langer slechts streefdoelen zijn, maar
ook juridische verplichtingen van de staat.227 Het benoemen van mensenrechten in rela-
tie tot de MDG’s zou kunnen resulteren in verbeterde toezichtmechanismen, bijvoorbeeld
door gebruik te maken van informatie die door middel van de al bestaande mensenrech-
tenprocedures, zoals onder het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en
Culturele Rechten (IVESCR) verzameld en beoordeeld wordt.228 Ten vierde zou een men-
senrechtenbenadering ervoor kunnen zorgen dat ook op de kwaliteit van diensten wordt
gelet en niet alleen op de kwantiteit. Mensenrechtenverdragen schrijven vaak minimum-
criteria voor. Die zouden ook gebruikt kunnen worden om de MDG’s te meten.229
Tot slot blijven deze rechten hun geldigheid behouden na 2015 én moeten op termijn
alle rechten voor alle mensen gerealiseerd worden. Op deze wijze is een mensenrechten-
benadering duurzamer en tevens gericht op het overwinnen van structurele oorzaken van
rechtenschendingen en achterblijvende ontwikkeling.
Helaas kunnen de huidige MDG’s ook bestaande mensenrechten ondermijnen. In Vietnam
en Zuid-Afrika bijvoorbeeld, zijn sloppenwijken afgebroken (vergezeld van onwettige
225 Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR), ‘Frequently Asked Questions on a Human
      Rights-Based Approach to Development Cooperation’, New York 2006, p. 11.
226 Idem. Andere principes die leidend zijn binnen mensenrechten zijn universaliteit en onvervreemdbaar-
      heid; ondeelbaarheid c.q. onderlinge afhankelijkheid en verbondenheid; gelijkheid en non-discriminatie;
      participatie en insluiting; ‘accountability’ en ‘rule of law’.
227 UN Development Programme (UNDP), ‘Human Rights and the Millennium Development Goals: Making
      the Link’, Oslo, 2006. Amnesty International, ‘From Promises to Delivery, 2010: Putting Human Rights
      at the Heart of the Millennium Development Goals’, London, 2010 en P.J. Nelson, ‘Human Rights, the
      Millennium Development Goals, and the Future of Development Cooperation’, in: World Development,
      25(1), 2007.
228 C. Doyle, ‘Millennium Development Goals and Human Rights: In Common Cause or Uneasy Partners’,
      in: The International Journal of Human Rights, 13(1), 2009, p. 7.
229 UN Development Programme (UNDP), ‘Human Rights and the Millennium Development Goals: Making
      the Link’, Oslo, 2006.
                                                         68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>gedwongen uitzettingen) om aan MDG-indicator 7D – het aantal mensen levend in slop-
penwijken – te voldoen.230 Een ander voorbeeld is de bouw van een dam ter verbetering
van de toegang tot schoon drinkwater en werkgelegenheid, wat ten koste kan gaan van
het recht op onderdak en voedsel van de plaatselijke bevolking.231
De mensenrechtenbenadering van armoede- en ontwikkelingsvraagstukken is op haar
beurt ook niet onbekritiseerd gebleven. De vraag is of er politieke wil bestaat voor het
benoemen van MDG’s in termen van rechten. Veel staten zijn huiverig om de MDG’s te
benoemen in termen van rechten en onwillig ten opzichte van aansprakelijkheid voor
schendingen. Eén van de sterke punten van de MDG’s is dat er politieke consensus is
bereikt over algemene ontwikkelingsdoelen. Het formuleren van de MDG’s in termen van
rechten zou deze consensus kunnen ondermijnen.232 Daarnaast wordt benadrukt dat
mensenrechten vaak te abstract zijn geformuleerd en dat praktische uitwerking ervan
een strijd met bestaande (oneerlijke) machtsverhoudingen oplevert.233 Het afdwingen
van mensenrechten via gerechtelijke procedures kan erg moeilijk zijn. Op internationaal
niveau is daartoe maar een zeer beperkt aantal mogelijkheden. Op nationaal niveau zijn
juridische procedures vaak duur en veelal niet goed toegankelijk voor gemarginaliseerde
groepen. Bovendien kan de staat alsnog een vonnis weigeren uit te voeren.234 Tot slot
blijkt uit de rechtenbenadering niet welke zaken prioriteit zouden moeten krijgen in het
kader van een ontwikkelingsagenda. Zo kan onderwijs een katalyserende functie hebben,
maar staat het recht op onderwijs naast het recht op gezondheid.235
Los van de werking en afdwingbaarheid van de rechten van de mens op het niveau van
afzonderlijke staten, bestaat op het vlak van de rechten van de mens ook het leerstuk
van de extraterritoriale werking van de rechten van de mens: hoe ver mogen en moeten
staten gaan in het opkomen voor en actief bijdragen aan de realisering van de rechten
van de mens buiten de eigen landsgrenzen? Daarbij geldt dat de aard en reikwijdte van
die verplichtingen in de sfeer van de klassieke mensenrechten inmiddels redelijk duidelijk
zijn,236 terwijl deze op het vlak van economische, sociale en culturele rechten snel uit-
230 M. Langford, ‘A Poverty of Rights: Six Ways to Fix the MDGs’, IDS Bulletin 41(1), 2010, p. 88.
231 Speech H.E. Navanethem Pillay (UNHCR) tijdens het ‘Seminar on Human Rights and the Millennium
      Development Goals’, Den Haag, 25 en 26 mei 2009.
232 Paul J. Nelson, ‘Human Rights, the Millennium Development Goals, and the Future of Development
      Cooperation’, World Development 35(12), 2007, pp. 2041-2055.
233 B. de Gaay Fortman in: Marc Broere, ‘Berichten over armoede’, KIT Publishers: Amsterdam, 2009,
      pp. 176-177.
234 UN Development Programme (UNDP), ‘Human Rights and the Millennium Development Goals: Making
      the Link’, Oslo, 2006. Voorstanders van de mensenrechtenbenadering weerleggen dat het afdwingen
      van rechten alleen door juridische instrumenten plaats heeft, maar ook het maatschappelijk midden-
      veld en kritische media een rol vervullen.
235 UN Development Programme (UNDP), ‘Human Rights and the Millennium Development Goals: Making
      the Link’, Oslo, 2006.
236 Zie bijvoorbeeld: Michal Gondek, ‘The Reach of Human Rights in a Globalising World: Extraterritorial
      Application of Human Rights Treaties’, Antwerpen: Intersentia.
                                                     69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>kristalliseren.237 De AIV beveelt de regering aan in een post-2015-systeem alert te zijn
op deze ontwikkelingen en daaraan naar vermogen inhoud te geven.
Praktische inbedding in MDG’s
In beginsel zijn er drie scenario’s om mensenrechtenbenaderingen een grotere rol te
laten spelen in de MDG’s. Eén mogelijkheid is dat landen een extra doel toevoegen aan
de MDG’s, naar voorbeeld van Mongolië, dat een speciaal nationaal negende MDG over
mensenrechten en democratie heeft geformuleerd.238 Een tweede mogelijkheid zou zijn
om per MDG aan te geven hoe die zich verhoudt tot het bestaande mensenrechten-
acquis. Zo is MDG2 (universele toegang tot basisonderwijs) onder andere te herleiden
tot artikel 13 van het IVESCR en artikel 28 (1)(a) van het Internationale Verdrag inzake
de Rechten van het Kind (IVRK, 1989).239 En artikel 2(1) van het IVESCR benadrukt
mede de verplichting voor zowel ontwikkelde- als ontwikkelingslanden om zich in te span-
nen voor MDG8.240 In veel landen worden rapportageverplichtingen onder internationale
mensenrechtenverdragen al gebruikt om de vooruitgang van MDG’s te rapporteren.241
Sommige wetenschappers gaan een stap verder en pleiten zelfs voor vervanging van de
MDG’s door ‘Millennium Development Rights’ (MDR’s) na 2015. De MDR’s behelzen de
positieve verplichtingen van de staat om sociale en economische rechten te bescher-
men, te respecteren en na te leven, evenals het garanderen van het overkoepelende
recht op participatie en vrijheid van discriminatie of gelijkwaardige behandeling.242 De
AIV beveelt deze specifieke benadering per MDG niet aan, omdat hij deze momenteel
politiek niet haalbaar acht en zij mogelijk de internationale consensus over de MDG’s
ondermijnt.
237 Zie de activiteiten van de mondiale consortia ‘Beyond Territoriality: Globalisation and Transnational
      Human Rights Obligations’ (GLOTHRO) op: <http://www.esf.org/activities/research-networking-programmes/
      social-sciences-scss/beyond-territoriality-globalisation-and-transnational-human-rights-obligations-
      glothro.html> en ’Extraterritorial Obligations’ op: <http://www.fian.org/programs-and-campaigns/
      projects/the-eto-consortium>.
238 UN Development Programme (UNDP), ‘Millennium Development Goal 9: indicators and the state of
      democracy in Mongolia’, Ulaanbaatar, 2009. MDG-9 in Mongolië behelst het respecteren en handha-
      ven van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de vrijheid van media, vrije toegang tot
      informatie, bevordering van democratische principes en praktijken en uitbanning van corruptie.
239 UN Development Programme (UNDP), ‘Human Rights and the Millennium Development Goals: Making
      the Link’, Oslo, 2006, p. 11. In tabel 1 is per MDG aangegeven met welke mensenrechten het overeen-
      stemt.
240 Dit artikel draagt lidstaten op om internationaal ondersteuning en samenwerking te bewerkstelligen om
      de rechten uit het verdrag te realiseren. M. Sepúlveda Carmona, ‘The obligations of ‘international
      assistance and cooperation’ under the ICESCR. A possible entry point to a human rights based
      approach to MDG8’, The International Journal of Human Rights 13(1), 2009, p. 87.
241 UN Development Group (UNDG), ‘Making the MDGs matter: A country perspective’, Report of a UNDG
      survey, 2005.
242 E. Dorsey, M. Gómez, B. Thiele & P. Nelson, ‘Falling Short of Our Goals: Transforming the Millennium
      Development Goals into Millennium Development Rights’ Netherlands Quarterly of Human Rights,
      28 (4), 2010, p. 520.
                                                        70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Het derde scenario betreft een algemene verwijzing naar het belang van de mensen-
rechtenbenadering in het post-2015-systeem, door een gedifferentieerde benadering van
meten en door verwijzingen op te nemen. De onderliggende principes van mensenrechten
zouden daardoor van toepassing kunnen worden verklaard bij alle stappen van het MDG-
proces.243 Vernieuwde MDG’s zouden een expliciete koppeling kunnen maken met breed
onderschreven akkoorden uit het verleden, via verwijzingen naar Beijing (MDG3), Caïro
(MDG5) en relevante artikelen uit breed geratificeerde VN-mensenrechtenverdragen.
Hierdoor wordt een moeizaam proces van heronderhandeling vermeden. Volgens de AIV
is dit derde scenario de meest pragmatische wijze om een mensenrechtenbenadering in
de MDG’s op te nemen en tegelijkertijd internationale consensus te behouden.
B.IV.2     Mondiale publieke goederen
Internationale of mondiale publieke goederen (‘Global Public Goods’ ofwel GPG’s) zijn
diensten en goederen die in principe iedereen in de desbetreffende landen raken en/of
die voor iedereen beschikbaar zouden moeten zijn. Mondiale publieke goederen zijn
belangrijk voor de nieuw te formuleren ontwikkelingsstrategie post-2015. Dit toegenomen
belang vloeit voort uit de toegenomen mondialisering en interdependentie en de tekort-
komingen in de organisatie van de internationale besluitvorming ten aanzien van deze
goederen. Deze tekortkomingen hebben mede geleid tot het niet (volledig) realiseren van
de MDG’s tot nu toe en zullen ook na 2015 belangrijke randvoorwaarden blijken voor de
op te stellen doelstellingen. Toekomstige ontwikkeling kan alleen plaatsvinden als de
belangrijkste GPG’s op effectieve wijze worden aangepakt. Bijvoorbeeld: wat betekent
het voor de armoede in de wereld als besmettelijke ziektes niet worden voorkomen, als
de klimaatverandering niet wordt bestreden en als we niet in staat blijken de financiële
crises te bezweren?
Sommigen bepleiten een aanpak die streeft naar ‘verantwoordelijke soevereiniteit’ vanuit
collectief eigenbelang, zeker na het optreden van de financieel-economische crises en
de klimaat- en voedselcrises. Zij leggen de nadruk op beheer van mondiale publieke
goederen, naar de traditionele definitie ‘goederen die iedereen aangaan, waarvan niemand
kan244 worden uitgesloten en waarbij het gebruik door de één niet ten koste gaat
van het gebruik door een ander’ (zogenoemde ‘non-excludability’ en ‘non-rivalry’).245
Verantwoordelijke soevereiniteit houdt dan in dat een staat ook externe verantwoordelijk-
heid heeft in de zin van ‘do no harm’ en niet langer alleen maar verantwoordelijk is voor
binnenlands respect van mensenrechten. Soevereiniteit kan ook opgevat worden als
‘vrijheid’ en in het mensenrechtendiscours dient men bij de uitoefening van een vrijheid
rekening te houden met respect voor de uitoefening van vrijheid door de ander. De rol
van de staat moet er één zijn van intermediair tussen externe én binnenlandse behoeften,
zodat een internationale samenwerking vanuit verlicht eigenbelang kan plaatsvinden.246
243 G. Schmidt-Traub, ‘The Millennium Development Goals and Human Rights-Based Approaches: Moving
      towards a Shared Approach’, in: The International Journal of Human Rights, 13(1), 2009, pp. 81-83.
244 Hieronder wordt ingegaan op de vraag of de definitie van het woord ‘kan’ ook ‘mag’ omvat.
245 R. Went, ‘Internationale Publieke Goederen’, webpublicatie nr. 41, Wetenschappelijke Raad voor het
      Regeringsbeleid (WRR), Den Haag, januari 2010, p. 12.
246 I. Kaul, ‘Global Public Goods and responsible sovereignty. Special report: collective self-interest.’
      The Broker, 1 July 2010.
                                                     71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Een mondiale publieke goederenaanpak zou meer efficiëntie in de allocatie van middelen
brengen in de internationale samenwerking.
Mondiale publieke goederen bieden nieuwe mogelijkheden voor het definiëren van
gemeenschappelijke belangen nu het traditionele idee dat ontwikkeling in essentie een
nationaal publiek goed is, verandert. In een tijd waarin meer getwijfeld wordt aan de
effectiviteit en efficiëntie van ontwikkelingshulp en waarin internationale solidariteit niet
overal vanzelfsprekend meer gevonden wordt, wijzen mondiale publieke goederen naar
de gemeenschappelijke belangen die ontwikkelde landen door mondialisering in toene-
mende mate samen met ontwikkelingslanden hebben.247
Wat biedt de agenda met betrekking tot mondiale publieke goederen boven op de klas-
sieke internationale samenwerking? Naast het eerdergenoemde inzichtelijk maken van
de noodzaak van een gemeenschappelijke aanpak, met bijbehorende financiering, in
een onderling afhankelijke wereld, werkt het concept van mondiale publieke goederen
ook verhelderend voor de wijze waarop dit moet gebeuren. De verschillende categorieën
publieke goederen variëren in mate van zuiverheid: zuiver (voor iedereen en onbeperkt
beschikbaar), onzuiver (uitsluiting is mogelijk óf gebruik is niet onbeperkt), clubgoederen
(uitsluiting is mogelijk én gebruik is niet onbeperkt) en ‘joint products’ (gevolgen van
actie zijn deels publiek mondiaal goed en deels niet).248
Soorten mondiale publieke goederen
 Spillover range    Pure                  impure               club                  joint product
 National           · Deterrence of       · Surveillance       · Extension           · Education
                       enemies              of borders            services           · Charitable
                    · Financial           · Interstate         · Communication          activities
                       accounting           highway               network
                       standards
 Regional           · Watershed           · Pest control       · Airports            · Peace keeping
                       management         · Immunizing         · Power grids         · Reducing acid
                    · Malaria cure          populations                                 rain
 Global             · Curbing global      · Reducing           · INTELSAT            · Protection of
                       warming              organized          · Universal              rain forest
                    · Limiting ozon         crime                 Postal Union       · (some forms
                       shield depletion · Limiting                                      of) foreign
                                            contagions                                  assistance
Arce and Sandler 2002: 17
Bij zuivere publieke goederen geldt: iedereen kan ervan profiteren, ook de niet-betalers
(‘free riders’); daarom wacht soms iedereen op de ander voor actie (‘prisoner’s dilemma’)
en is er moeilijk een prijs voor vast te stellen. Het marktmechanisme werkt dan ook niet
afdoende om erin te voorzien. Een belangrijke oorzaak die leidt tot interdependentie in
het voorzien van goederen, is het feit dat veel goederen alleen geleverd kunnen worden
als alle, dan wel de meeste landen meedoen (‘summatieproces’), zoals bij klimaat-
247 R. Went, ‘Internationale Publieke Goederen’, webpublicatie nr. 41, Wetenschappelijke Raad voor het
      Regeringsbeleid (WRR), Den Haag, januari 2010, pp. 26-27.
248 Idem, p. 15, voor een nadere begripsomschrijving.
                                                   72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>verandering. Soms is het zelfs zo dat, als de ‘zwakste schakel’ niet meewerkt, het hele
proces mislukt, zoals bij de uitroeiing van besmettelijke ziektes.
De ‘International Taskforce on Global Public Goods’ identificeerde in 2006 zes belang-
rijke GPG’s (dit leidde tot een verruiming van het begrip publieke goederen dat sommige
economen hanteren) en deed in dezen belangrijke aanbevelingen:249
1) het voorkomen van besmettelijke ziekten;
2) het tegengaan van klimaatverandering;
3) internationale financiële stabiliteit;
4) een internationaal handelssysteem;
5) vrede en veiligheid; en
6) kennis.
Het publiek zijn van goederen is in hoge mate een kwestie van politieke keuzes en volgt
niet uit de geaardheid van de goederen zelf.
De literatuur vat ‘publiek’ als een driehoek in ‘publicness’: de besluitvorming erover is
participatief, de consumptie ervan is door iedereen en de distributie van de opbrengsten
is gelijk verdeeld (‘equity’).250 Deze benadering raakt in bepaalde opzichten de mensen-
rechtenbenadering. De definitie van publieke goederen moet hier recht aan doen door
ook potentiële publieke goederen te identificeren: een publiek goed is niet alleen maar
dat wat de markt verwerpt, maar dat wat de politiek besluit dat in het publieke domein
behoort. Water kan bijvoorbeeld zowel een publiek als privaat goed gemaakt worden
(mensen kunnen ervan uitgesloten worden en het gebruik van de één gaat ten koste van
de ander, maar een toegankelijke watervoorziening kan een publiek goed zijn als beslo-
ten wordt dat niemand ervan uitgesloten mag worden).251 Dit betekent uitdrukkelijk niet
dat de voorziening ervan ‘publiek’ (door de overheid) moet zijn.
Beleidsinitiatieven, zoals voorgesteld door de taskforce on GPG’s, kunnen zich richten op:
· strategie om ‘ownership’ van het begrip mondiale publieke goederen te creëren;
· ‘incentive’structuren om internationale overeenstemming te bereiken; internationale
    onderhandelingen zijn een ‘politieke markt’;
249 International Taskforce on Global Public Goods, ‘Meeting Global Challenges: international cooperation
      in the national interest’, Final report, Stockholm 2006. Cruciaal meningsverschil was echter de definitie
      van Global Public Goods, Inge Kaul, maakte een disclaimer bij het rapport p. ii: ‘All but one of the mem-
      bers of the Task Force fully endorsed and signed off on this report. Inge Kaul did not.’ GPG’s zijn in haar
      optie goederen die alle landen aangaan en niet zoals het rapport stelt, waarvan alle landen profiteren
      (‘benefit’). Zo wordt het multilaterale handelsregime door veel ontwikkelingslanden als unfair gezien.
      ‘Public’ (in GPG’s) betekent dan een interdependentie van landen in consumptie van goederen, niet te
      verwarren met het publieke nut (‘public in utility’) van goederen. Ontwikkelingslanden accepteerden het
      rapport naar haar mening om deze reden niet en de door Frankrijk en Zweden gesponsorde Taskforce
      bleek een doodgeboren kind.
250 I. Kaul, R.U Mendoza, ‘Advancing the Concept of Public Goods’, in I. Kaul, P. Conceição, K. Le Goulven,
      R.U. Mendoza (eds), ‘Providing Global Public Goods. Managing Globalization’, Oxford University Press,
      2003, p. 92.
251 I. Kaul, P. Conceição, K. Le Goulven, R.U. Mendoza (eds), ‘Providing Global Public Goods, Managing
      Globalization’, Oxford University Press, 2003, pp. 2-26.
                                                        73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>·   analyse van mogelijke wijzen van voorziening in publieke goederen: welke actoren
    leveren welk deel van het publieke goed;
·   bevordering van zelfproductie van publieke goederen via technologie;
·   mondiale publieke goederen zijn een verlengde van nationale publieke goederen;
·   geef lijnministeries ook verantwoordelijkheid voor mondiale publieke goederen; en
·   case studies om ‘best practices’ te identificeren inclusief evaluatie van ‘issue related
    global funds’.
Hierbij moet echter aangetekend worden dat acceptatie door ontwikkelingslanden van
het concept de hoogste prioriteit verdient en dat daarin nog een lange weg te gaan is.
Het lijkt dan ook aanbeveling te verdienen dat, wanneer Nederland de mondialepublieke-
goederenagenda omarmt, het zich nadrukkelijk zal richten op de dialoog met kleine en
grote ontwikkelingslanden (zoals China) om over dit begrip overeenstemming te krijgen.
De AIV beveelt aan een verbinding te maken tussen de MDG’s en de mondiale publieke
goederen. Zo is bijvoorbeeld de beheersing van besmettelijke ziektes al een mondiaal
publiek goed. Dit brengt een meer filosofisch fundament aan in de doelen. Het brengt
duidelijkheid in de vraag naar het waarom van ontwikkelingssamenwerking: omdat het
zaken zijn die iedereen aangaan. Het breekt ook uit het kader van de discussie over
‘hier en daar’: alle landen dienen te werken aan de mondiale publieke goederen.
Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen menselijke publieke goederen
(wereldwijde normen) en natuurlijke publieke goederen (bijvoorbeeld de volle zee of de
atmosfeer). ‘Millennium Goederen’ kunnen dan onderdeel van een internationaal norm-
zettend kader worden, waarbij de voortgang gemeten wordt op de weg naar een voor een
ieder aanvaardbaar niveau.
De invalshoek van de mondiale publieke goederen kan ook de verbanden duidelijk maken
tussen de verschillende doelen. In tegenstelling tot wat sommigen propageren,252 name-
lijk een aparte ODA-agenda en een GPG-agenda, lijkt het meer voor de hand te liggen om
te pleiten voor integratie van de beide agenda’s. Immers, verschillende landen hebben
verschillende prioriteiten wat betreft publieke goederen. De AIV kan nader adviseren hoe
dit zich zou moeten verhouden tot bijvoorbeeld de norm van ODA. Het voordeel van dit
systeem is dat het voor alle landen gelijk van toepassing is.253
B.IV.3       ‘Global Commons’
Nobelprijswinnares Östrom (2009) bestudeerde hoe gebruikers van dezelfde natuurlijke
hulpbronnen (zoals visserij of graasweiden) een effectief gemeenschappelijk gebruik
bewerkstelligden, de zogenoemde ‘commons’ of ‘common pool resources’.254 Zij weer-
sprak de conventionele theorie dat collectief gebruik bij afwezigheid van eigendoms-
252 I. Kaul, ‘Global Public Goods: a key to achieving the Millennium Development Goals’, discussion draft,
      Third Forum on Human Development, 2005, p. 10. Ook Severino en Ray hanteren een onderscheid
      tussen GPG’s en human welfare/fighting inequalities in J. Severino and O. Ray, ‘The end of ODA: death
      and rebirth of a Global Public Policy’, Center for Global Development, March 2009 p. 26. Dit lijkt ingegeven
      te zijn door een pleidooi tot behoud van de 0,7% norm.
253 Zie ook J. Martens, ‘Thinking Ahead: Development models and indicators of wellbeing beyond the
      MDGs’, Friedrich Ebert Stiftung, Berlijn, November 2010, p. 8.
254 Zie hierover E. Östrom, R. Gardner, J. Walker (eds), ‘Rules, Games and Common Pool Resources’, The
      University of Michigan Press, Ann Arbor: USA, 1994.
                                                           74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>rechten automatisch tot overgebruik leidt en dat daarom overheidsregulering nodig is of
privatisering van de bron (‘the tragedy of the commons’).255 Collectieve particuliere sys-
temen bleken veel effectiever dan overheidsingrijpen of marktoplossingen. Zelfbestuur
levert vaak een verfijnd systeem op van individuele gebruiksrechten, verantwoordelijk-
heden en straffen. Deze theorie kan worden doorgetrokken naar het mondiale niveau, de
‘global commons’.
De inzichten van Östrom worden algemeen erkend als een belangrijke bijdrage van de
politicologie en antropologie aan de economische theorievorming. Met deze theorie komt
men ook dicht bij de mondiale publieke goederen, met dit verschil dat de ‘commons’-
theorie redeneert vanuit (lokale) gemeenschappen en de mondiale publieke goederen
theorie vanuit mondiale interdependentie. De ‘global commons’ is feitelijk een systeem
van zelfbestuur dat in werking treedt op het moment dat de mondiale publieke goederen
(zoals de atmosfeer) van ongrijpbaar bereikbaar worden en daarmee de noodzaak ont-
staat voor management, monitoring en bescherming ervan.256 In deze zin zijn de ‘global
commons’, onder de hierboven geschetste voorwaarden, één van de mogelijke uitvoe-
ringsmechanismen van de mondiale publieke goederen. Ook bevatten ‘common resource
pools’ onzuivere publieke goederen, omdat het gebruik door de één ten koste gaat van
de ander.
Östrom formuleerde zeven principes voor succesvolle ‘common pool resources’: (i) het
vaststellen van regels voor aanspraak (rechten) op de bron, (ii) adequate conflictoplos-
sing, (iii) verantwoordelijkheid voor onderhoud in redelijke verhouding tot de opbrengsten
van het gebruik, (iv) monitoring en sancties opgelegd door de gebruikers zelf, (v) graduele
sancties naar frequentie van de overtreding, (vi) democratische besluitvorming over
regels en (vii) expliciete erkenning van het zelfbestuur door autoriteiten.257 Östrom sprak
de hoop uit dat dit inzicht ook oplossingen voor bijvoorbeeld het klimaatprobleem dichterbij
brengt.258 De volgende voorwaarden gelden voor ‘commons governance’: het werkt beter
naarmate 1) het gebruik van de hulpbronnen geteld kan worden, 2) de veranderingen
bescheiden zijn, 3) er sociale netwerken van gebruikers zijn die elkaar vertrouwen en
4) nieuwkomers makkelijk uitgesloten kunnen worden van het gebruik. Institutionele
arrangementen moeten hier dus rekening mee houden.259 Ook kennis kan worden opgevat
als een ‘global commons’. De digitale revolutie zorgde voor virtuele gemeenschappen
die informatie delen en daarvoor eigen regels opstellen, zoals voor overgebruik en het
tegengaan van vervuiling.260
255 Deze theorie werd geponeerd door bioloog G. Hardin in 1968 en wordt nog steeds onderwezen,
      ondanks bewijs van het tegendeel, zie C. Hess, E. Östrom, ‘Understanding Knowledge as a Commons’,
      MIT Press, December 2006, p. 11.
256 Idem, p. 10.
257 Royal Swedish Academy of Sciences, ‘Economic governance, scientific background on the Sveriges
      Riksbank Prize in Economic Sciences in Memory of Alfred Nobel’, Stockholm, October 2009, p. 11.
258 New York Times, ‘Elinor Östrom and Oliver E. Williamson win Nobel in economic science’,
      12 October 2009.
259 T. Dietz, E. Östrom, P. Stern, ‘The struggle to govern the Commons’, Science Magazine, Vol. 302, 1907,
      December 2003.
260 C. Hess, E. Östrom, ‘Understanding Knowledge as a Commons’, MIT Press, December 2006.
                                                      75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>B.IV.4    Conclusies
De AIV kiest in dit advies voor het impliciet verweven van mensenrechten in een post-
2015-systeem, meer dan nu het geval is. Alle MDG-doelen reflecteren immers men-
senrechten, die echter niet expliciet verankerd zijn in de huidige MDG’s. In een meer
ideale wereld zou een ‘Millennium Rechten’ benadering geadviseerd worden, maar de
AIV verwacht dat dit vooralsnog een politiek onhaalbare optie is. Het voordeel van de
rechtenbenadering is dat deze stoelt op internationale verdragen. De AIV doet hieronder
aanbeveling deze zoveel mogelijk wel te incorporeren.
De AIV beveelt aan een verbinding te maken tussen de MDG’s en de mondiale publieke
goederen (‘global public goods’ (GPG’s)). Het verlicht eigenbelang is een minder beladen
discussie dan het morele ‘recht hebben op’, maar heeft als nadeel dat dit gedachtegoed
niet naar bestaande internationale verdragen verwijst. De uitdaging ligt in het definiëren
wat precies mondiale publieke goederen zijn: zijn dit goederen waar men niet van uit-
gesloten kan of mag worden? Hierover dient nog internationaal consensus bereikt te
worden. De wetenschappelijke discussie schuift op naar ‘mag’; ‘kan’ is deels afhankelijk
van technische mogelijkheden. ‘Publiek’ betekent dan uitdrukkelijk niet ‘voorziening door
de overheid’, maar publiek in consumptie, distributie en besluitvorming.
Mensenrechten
Om de bottom-up, participatieve benadering zoveel mogelijk te behouden, beveelt de AIV
aan de mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking als volgt te incorpore-
ren in een post-2015-systeem:
1. het zoveel mogelijk verwerken van de principes van participatie, non-discriminatie,
   menselijke waardigheid en ‘accountability’. Het in een post-2015-systeem opnemen
   van een preambule met ordenende principes inzake mensenrechten, gender en
   overige principes (zie ook ‘public commons’). Het participatief laten verlopen van het
   proces om te komen tot een post-2015-systeem;
2. het aanbrengen van expliciete koppelingen met belangrijke mensenrechtenakkoorden
   die breed worden gedragen en onderschreven, bijvoorbeeld in MDG2 (verwijst naar
   ‘Wenen’), (nieuw) MDG3 (verwijst naar ‘Beijing’) en in (nieuw) MDG5 (verwijst naar
   ‘Caïro’);
3. het opsplitsen van indicatoren naar bovenste en onderste geledingen in de samen-
   leving om ongelijkheid zichtbaar te maken (participatie);
4. het opsplitsen van indicatoren naar doelgroepen om vergeten doelgroepen, zoals
   inheemse volken, zichtbaar te maken (non-discriminatie);
5. doorgaan met het meten van diverse armoededimensies; dit vergroot de druk tot ver-
   antwoording door overheden, vooral als ook ongelijkheid wordt gemeten, bijvoorbeeld
   met betrekking tot gender en doelgroepen;
6. door indicatoren op te nemen voor het beoordelen van de effectiviteit van de staat
   en/of staatsinstellingen zouden de kansen op een realisatie van een rechtsstaat ook
   inzichtelijker worden; en
7. internationaal de discussie voeren over de extra-territoriale werking van burgerpoli-
   tieke en sociaal-economische en culturele rechten.
Mondiale publieke goederen
GPG’s moeten een belangrijke rol spelen in een post-2015-systeem:
1. leg een verband tussen doelen onder een post-2015-systeem en GPG’s, dat wil zeg-
   gen zaken die iedereen aangaan en waarvan niemand mag worden uitgesloten. Ten
   aanzien van het bereiken van de mondiale doelen dienen alle landen hieraan een
   bijdrage te leveren, zowel door maatregelen in eigen land als ook via ontwikkelings-
                                              76
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>    samenwerking en beleidscoherentie. De definitie van publieke goederen is een poli-
    tiek besluit. De AIV kan nader adviseren hoe bijdragen hieraan zich zouden moeten
    verhouden tot bijvoorbeeld de norm van ODA. De discussie dient niet geleid te
    worden door de mogelijkheden of beperkingen van financiering (implementatie volgt
    strategie);
2.  integreer in de benadering van de nieuwe strategie zoveel mogelijk de realisatie van
    de zes belangrijkste GPG’s zoals geformuleerd door de International Taskforce van
    2006: 1. het voorkomen van besmettelijke ziektes; 2. het tegengaan van klimaat-
    verandering; 3. internationale financiële stabiliteit; 4. een internationaal handelssys-
    teem; 5. vrede en veiligheid; en 6. kennis;
3.  voer een dialoog met grote en kleine ontwikkelingslanden om het begrip ‘GPG’s, dat
    internationaal controversieel is, duidelijk te definiëren. Landen zijn bijzonder argwa-
    nend over alles wat riekt naar aantasting van soevereiniteit. Een paar opkomende
    machten (India, Brazilië, Zuid-Afrika) ziet wel iets in het concept – zij het met beperkte
    toepassing;
4.  introduceer een internationale dialoog over het begrip ‘verantwoordelijke soevereini-
    teit’– de staat is een intermediair tussen binnen- en buitenland – om ‘ownership’ te
    creëren bij donoren en ontvangers voor de nieuwe MDG-strategie en om de noodzaak
    tot internationale samenwerking ook voor burgers inzichtelijk te maken; en
5.  streef naar de oprichting van een ‘international taskforce for responsible sovereignty’,
    die ook ontwikkelingslanden vertegenwoordigt.
‘Public commons’
Östrom (2009) werkte de niet-marktgerelateerde relaties binnen de economie uit door
te kijken naar de ‘commons’ (een hulpbron in gedeeld gebruik door een groep mensen).
De AIV beveelt aan dat deze inzichten (die voortkomen uit ervaringen met gemeenschap-
pelijk lokaal bestuur) worden meegenomen in een post-2015-systeem voor ‘Global
Governance’. Dit betekent mutatis mutandis een incorporatie van de zeven principes van
Östrom voor succesvol bestuur:
1. stel regels vast voor aanspraak;
2. regel adequate conflictoplossing;
3. regel verantwoordelijkheid voor onderhoud in redelijke verhouding tot de opbrengsten
    van het gebruik;
4. organiseer monitoring en sancties opgesteld door de gebruikers zelf;
5. introduceer graduele sancties naar frequentie van de overtreding;
6. zorg voor democratische besluitvorming over regels; en
7. zorg voor expliciete erkenning van het zelfbestuur door de autoriteiten.
B.V         Naar vernieuwde ‘Global Governance’
B.V.1      ‘Global governance’ en netwerksamenleving
De AIV constateert dat een post-2015-systeem gebaat kan zijn met een nieuw systeem
van ‘Global Governance’, omdat de huidige instituties gebaseerd zijn op de economische
en politieke realiteit van 60 jaar geleden en ontoereikend zijn gebleken om toegenomen
interdependenties te besturen en crises het hoofd te bieden. Hervormingen zijn beetje
bij beetje doorgevoerd en daardoor vaak incoherent.
Het nieuwe systeem zou bepaald moeten worden door gemeenschappelijke rechten en
verplichtingen, gedifferentieerd naar ontwikkelingsniveau. Internationale organisaties
moeten terugkeren naar hun kernmandaat om de huidige overlappingen te vermijden.
Nieuwe organisaties met een grotere representativiteit zouden nodig zijn op het gebied
                                               77
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>van financiële regulering, schuldenlast, technologieoverdracht, klimaat en (arbeids)
migratie.261
‘Global governance’ is overigens niet alleen een kwestie van relaties tussen staten,
maar ook van (netwerken van) NGO’s, bewegingen van burgers en transnationale onder-
nemingen.262 Meer algemeen hebben niet alleen formele instituties mogelijkheden om
mondiale samenwerking, vrede, duurzame ontwikkeling en democratie te bevorderen,
maar zijn daarbij juist ook informele arrangementen van belang.263
Samenhang tussen nationaal en mondiaal beleid
Naast de roep vanuit theoretisch kader voor verantwoordelijke soevereiniteit, mondiale
publieke goederen en ‘global governance’, is er ook een pleidooi vanuit de praktijk voor
een andere aanpak van ontwikkelingssamenwerking. Dit manifesteert zich in journalis-
tieke boeken, zoals van Dambisa Moyo (Dead Aid, 2009) en de Nederlandse diplomaat
Van Kesteren, die stelt dat de hulp ‘verloren is in wanorde’264 door de toename van
het aantal hulpgevers. Van Kesteren constateert dat de Verklaring van Parijs voor meer
effectiviteit van de hulp zelfs bij ideale ‘donor darlings’ als Tanzania grotendeels mislukt
is. Een recente analyse (over ‘hyper collective action’)265 stelt echter dat de Verklaring
teveel uitgaat van een inmiddels achterhaald model, namelijk van de coördinatie van
traditionele hulpverlening door bilaterale en multilaterale donoren. De huidige tijd ken-
merkt zich door een toename in hulpverlening door het maatschappelijk middenveld,
burgers, bedrijven, speciale multilaterale fondsen (voor één issue) en nieuwe donoren
zoals China en Brazilië (die geen deel uitmaken van de OESO). Terugkeren naar het oude
model is een illusie, omdat dit een ontkenning is van de maatschappelijke realiteit. Het
alternatief, oprichting van een enorme coördinatiemachinerie voor alle hulpverlening, is
kostbaar en dreigt een doel op zichzelf te worden. Ook de WRR gaat in zijn nieuwe rap-
port ‘Aan het Buitenland Gehecht’ uit van een netwerksamenleving.266 De AIV vindt het
realistischer om uit te gaan van een samenleving waarin tijdelijke netwerken een belang-
rijkere rol krijgen.
Pleidooien om alleen nog begrotingssteun te verlenen met een strenge werkverdeling
voor donoren zijn praktisch onhaalbaar gebleken. Ontwikkelingslanden met een goede
institutionele capaciteit kiezen nu al zelf met welke donor ze willen samenwerken en
voor welk doel; zwakke landen daarentegen zijn vaak niet toegerust voor effectieve
verantwoording en hebben dus vooral baat bij capaciteitsopbouw. In een aantal ‘ideale’
261 UN Department of Economic and Social Affairs (DESA), ‘World Economic and Social Survey 2010,
      Retooling Global Development’, New York, May 2010, hoofdstuk 6.
262 Commission on Global Governance (CGG), ‘Our Global Neighbourhood’, Oxford University Press, 1995.
263 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), ‘Minder pretentie, meer ambitie’, Amsterdam
      University Press, Amsterdam, 2010, p. 249.
264 K. van Kesteren, Verloren in Wanorde, KIT Publishers: Amsterdam 2010.
265 J. Severino and O. Ray, ‘The end of ODA (II): the birth of hypercollective action’, Center for Global
      Development Working Paper 218, June 2010, p. 3.
266 Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), ‘Aan het buitenland gehecht’, Amsterdam
      University Press, Amsterdam, 2010, pp. 12-14.
                                                     78
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>gevallen kan gezamenlijke begrotingssteun een goede oplossing zijn.
De vraag is dan ook welke aanpak het meest effectief is. Het voordeel van veel nieuwe
actoren is dat deze vaak dichter bij de mensen staan voor wie de hulp bedoeld is. De be-
leidsvorming wordt daardoor meer gedecentraliseerd, met één groot nadeel, namelijk de
afwezigheid van een scheidsrechter.267 Als oplossing wordt door Severino en Ray voor-
gesteld om de stortvloed van projecten zo goed mogelijk te reguleren via regelgeving,
internationale normen, ‘incentives’, informatieplatforms en partnerships. Voorts stellen
zij voor om de hulp te verbeteren door meer informatie aan het publiek over de noodzaak
van internationale samenwerking, serieuze consultatie van de uiteindelijke ontvangers
van hulp bij evaluaties en samenwerking bij het gebruik van indicatoren om de impact
van hulp te meten.268 Donoren kunnen worden aangemoedigd tot beter beleid door
indexen waarin de impact van verschillende donoren wordt vergeleken: ‘cross donor’
evaluaties (naar analogie van de ‘micro-finance index’, die prestaties op het gebied van
microfinanciering meet).
Deze en andere initiatieven kunnen zich echter alleen ontwikkelen in een verbeterd mon-
diaal beleidskader, een normatief raamwerk. Een post-2015-systeem zou een dergelijke
rol kunnen vervullen, mits het wordt opgevat als gemeenschappelijke doelen met een on-
derliggende visie over ontwikkeling en niet louter een raamwerk is voor ‘input allocation’.269
Dit is in zekere zin het accepteren van herverdeling van welvaart om de ‘gezondheid’
van het mondiale (sociaal-economische) systeem te bevorderen. De mondiale vraag en
werkgelegenheid kunnen immers ook uit lage-inkomenslanden komen, niet in de laatste
plaats omdat daar (onder meer in Afrika) een grote bevolkingsgroei plaatsvindt. Het is,
in de woorden van de directeur van de Wereldbank tijdens de G20-top in Korea, ‘sink or
swim together’. 270 Een vernieuwd raamwerk zou een nieuwe wijze van internationale
samenwerking kunnen inluiden, waarbij allereerst uitgegaan wordt van een minimum-
bestaansniveau. Dit impliceert dat iedereen verantwoordelijkheid neemt voor het steeds
voortschrijdende proces van mondialisering en de onevenwichtigheden die daardoor in
sommige delen van de wereld ontstaan zijn.271
In deze optiek zouden dan ook multilaterale instellingen een nieuwe rol moeten vervullen:
in plaats van projecten en programma’s te implementeren, moeten zij donoren managen.
Dit kunnen zij doen door financiering samen te brengen, een beleidsvisie neer te leggen,
projecten te identificeren met de gegadigden en ze vervolgens weer uit te besteden
aan donoren (of andere actoren), die hiervoor kunnen inschrijven, liefst in een samen-
werkingsverband (vergelijkbaar met de werkwijze van het ‘EU-Africa partnership for
267 J.M. Severino and O. Ray, ‘The end of ODA (II): the birth of hypercollective action’, Center for Global
      Development Working Paper 218, June 2010, pp. 4-11.
268 Idem, pp. 34-35.
269 Idem, p. 41.
270 N. Okonjo-Iweala, Managing Director Wereldbank, Speech at the World Bank Conference on post Crisis
      Growth and Development Busan, Korea, ‘Why the G20 should be interested in the Development of the
      G-160+’, 11-12 November 2010.
271 J.M. Severino, ‘Millennium Development Goals: looking beyond 2015’. Blog on
      <http://www.ID4D.org>, 2007.
                                                     79
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>infrastructure’-fonds).272 Dit voorstel komt tegemoet aan de kritiek die velen hebben om
zomaar al het donorgeld, zonder last of ruggespraak, uit te besteden aan multilaterale
instellingen, doet tevens recht aan de specifieke kennisinbreng van bilaterale donoren,
en kan tegelijkertijd de meerwaarde van het maatschappelijk middenveld (dichter bij de
hulpconsument) en de betrokkenheid van individuele burgers bevorderen.273
B.V.2      Mondiale financiering
De financiering van ontwikkeling is geleidelijk aan steeds gecompliceerder geworden.
Ontwikkeling en ODA komen ook steeds minder overeen (zie figuur hieronder). Aan de
ene kant vallen er uitgaven onder ODA die daar niet thuis horen, aan de andere kant
worden ontwikkelingsactiviteiten gefinancierd uit niet-ODA-middelen.
Als ook nog de mondiale publieke goederen meegenomen worden in de analyse en
discussie over ontwikkelingsmiddelen, ontstaat een uiterst complex beeld. Men kan dan
onderscheid maken tussen sociale hulp, economische hulp en mondiale publieke goe-
deren, waaronder ook begrepen worden het tegengaan van ‘global public bads’, te weten
de negatieve gevolgen van nationaal beleid voor andere landen. Men kan natuurlijk van
mening verschillen over de invulling van de verschillende categorieën, maar een presen-
tatie van alle toekomstige ontwikkelingsfinancieringsstromen zou een betere leidraad
voor beleid kunnen zijn dan een fixatie op ODA.
Er is dus een duidelijke noodzaak om bij een vergrote aandacht voor mondiale publieke
goederen scherper af te bakenen wat gefinancierd moet worden en hoe dat gefinancierd
moet worden. Sommige financieringsmethoden lijken meer geëigend om bepaalde ontwik-
kelingsactiviteiten te financieren dan andere. Zo wordt al enige tijd gepleit voor innovatieve
methoden om mondiale publieke goederen te financieren. De ‘Taskforce on International
Financial Transactions for Development’ doet de aanbeveling te komen tot een ‘global
272 J.M. Severino and O. Ray ‘The end of ODA (II): the birth of hypercollective action’, Center for Global
      Development Working Paper 218, June 2010, pp. 36-40.
273 Idem, p. 31.
                                                    80
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>currency transaction tax’, een belasting op buitenlandse valutatransacties.274 Dit zou
grote opbrengsten opleveren, een duurzame flow, een geringe impact op handelsvolume
hebben en bijdragen aan prijsstabiliteit. Een dergelijke belasting is internationaal con-
troversieel. Andere voorbeelden van innovatieve financiering worden beschreven in ‘The
New Public Finance, Responding to Global Challenges’275 en in een studie van de VN,276
waarin voorstellen als een milieubelasting, een Tobin tax, een ‘developmental focus of
special drawing rights’, een ‘international financial facility’, private donaties, een ‘global
lottery’, overmakingen van migranten en dergelijke besproken worden. Een nadere uit-
werking van nieuwe financieringsmogelijkheden gaat het bestek van dit advies te buiten.
B.V.3     Conclusies
De AIV hecht groot belang aan het formuleren van een verbeterd systeem van ‘Global
Governance’ met inbegrip van de financieringsaspecten, als onderdeel van een post-
2015-systeem. Recente theorieën over mondiale publieke goederen en institutionele
ontwikkeling (‘public commons’) kunnen hiervoor als uitgangspunt dienen (zoals bespro-
ken in het voorgaande hoofdstuk).
‘Global governance’
De AIV concludeert dat een ideaal scenario van donorcoördinatie onhaalbaar is en ook
niet langer nagestreefd moet worden. Het is realistischer om uit te gaan van een samen-
leving, waarin tijdelijke netwerken een belangrijker rol krijgen. Deze functioneren niet ter
vervanging van bestaande structuren, maar bestaan ernaast. Normstelling blijft hierbij
van groot belang, zowel tussen staten alsook met multilaterale organisaties, burgers,
bedrijven en maatschappelijke organisaties. Dit betekent:
· ontwerp een nieuw MDG-systeem, dat als normstellend kader voor internationale
    samenwerking kan dienen voor alle actoren;
· geef multilaterale instellingen een rol in het management van donoren (niet alleen
    van programma’s) en laat ze terugkeren naar hun kerntaak;
· pas de G20 aan, zodat ook regio’s als Afrika en de minst ontwikkelde landen een
    stem hebben in mondiale besluitvorming;
· een nieuwe MDG8 dient een duidelijke en samenhangende ‘global governance’-agenda
    te bevatten; en
· grotere coherentie in donorlanden met betrekking tot ontwikkelingsinspanningen en
    ontwikkelingsuitgaven aan de ene kant en hervorming van de handels- en financiële
    systemen aan de andere kant moeten onderdeel zijn van een nieuwe agenda.
274 Report of the committee of experts to the taskforce on international financial transactions and
      development, ‘Globalizing solidarity: the case for financial levies’, Paris, June 2010. Men heeft dit
      afgewogen tegen andere opties zoals een belasting op activiteiten van de financiële sector, BTW op
      financiële diensten, een financiële transactie belasting en nationale belastingen op de eigen valuta.
275 I. Kaul and P. Conceição, ‘The new public finance, responding to Global Challenges’, Overview,
      published for UNDP, Oxford University Press: Oxford/New York, 2006, p. 49.
276 A.B. Atkinson, (ed.), ‘New sources of Development Finance’, UNU-WIDER Oxford University Press:
      Oxford, 2005.
                                                       81
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>Financiering
De AIV concludeert dat financieringen voor ODA en mondiale publieke goederen op dit
moment door elkaar lopen. Naast ODA bestaan er ook steeds meer ideeën voor inno-
vatieve vormen van financiering. De ene vorm van financiering is meer geschikt dan de
andere voor bepaalde categorieën van publieke goederen. Dit betekent:
· maak onderscheid tussen publieke goederen waarvoor ODA geëigend is en
   publieke goederen die op andere wijzen kunnen worden gefinancierd.
                                           82
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>                                                                                      Bijlage I
adviesaanvraag
Van:
Ministerie van Buitenlandse Zaken
Directie Effectiviteit en Coherentie
Aan:
De Adviesraad Internationale Vraagstukken
t.a.v. de Voorzitter mr. F. Korthals Altes
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Datum: 18 november 2010
Betreft: Adviesaanvraag ‘Ontwikkelingsagenda na 2015’
Referentie: DEC/OC-175/10
In 2000 werd in New York door alle leden van de Verenigde Naties de Millennium Verklaring
ondertekend. Met de Millennium Ontwikkelingsdoelen (MDG’s) werden voor het eerst in de
geschiedenis meetbare ontwikkelingsdoelen afgesproken voor het jaar 2015. Inmiddels
is het 2010. Er is al veel bereikt. In september werd in New York de MDG Review Summit
georganiseerd om de stand van zaken op te maken en te bezien hoe de voortgang in de
resterende vijf jaar nog versneld kan worden.
De eerste internationale discussies over de ná 2015 te hanteren ontwikkelingsagenda zijn
inmiddels gestart. Ook Nederland neemt aan deze discussies deel.
In dit verband verzoek ik de AIV om een advies uit te brengen met als doel het Kabinet
in staat te stellen zijn positie te bepalen in het debat over de ontwikkelingsagenda post
2015. Deze adviesaanvraag heeft geen betrekking op het Nederlandse beleid ten aanzien
van de MDG’s in de periode 2011-2015. Ik nodig de Raad uit het Kabinet inzicht te
verschaffen in de sterktes en zwaktes van de huidige benadering en de contouren van een
eventueel nieuwe benadering te schetsen voor zover die thans reeds duidelijk worden in de
eerdergenoemde internationale discussies en publicaties zoals het recente WRR-rapport
“Minder pretentie, meer ambitie”.
In deze fase lijkt mij een advies in de vorm van een verkenning het meest bruikbaar. Ik houd
daarbij graag de mogelijkheid open om in een later stadium een vervolgadvies aan te vragen.
In zijn reactie op het WRR-rapport “Minder pretentie, meer ambitie” gaf de AIV al aan dat
de MDG-benadering haar oorsprong vindt in de reactie op de Washington Consensus en de
Structurele Aanpassingsprogramma’s. In de jaren tachtig en negentig werd al gepubliceerd
over andere methoden om welvaart en welzijn te meten dan de zuiver economische maten.
Daarbij werd vooral aandacht gevraagd voor de menselijke waardigheid en ontplooiing. Dit
soort denken ligt ten grondslag aan de reeks Human Development Reports, gestart in 1990.
Het klinkt ook recentelijk door in het werk van de Stiglitz-Commissie.
De Millennium Verklaring heeft mobiliserend gewerkt. Er is een brede internationale
consensus ten aanzien van ontwikkeling ontstaan. Met de MDG’s is een aantal hardnekkige
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>problemen gesignaleerd die ontwikkeling remmen, zoals de achtergestelde positie van
vrouwen, HIV/AIDS en moedersterfte. Op de terreinen van onderwijs en gezondheidszorg is
veel tot stand gebracht.
Een veel gehoord commentaar op het huidige raamwerk van MDG’s is echter dat er te
weinig aandacht wordt geschonken aan de economische agenda, goed bestuur, participatie,
empowerment en andere politieke dimensies van het ontwikkelingsvraagstuk. Daarnaast is
er kritiek op de wijze waarop het MDG-model is uitgevoerd. Het gaat er dan in het bijzonder
om dat daarbij de principes over de effectiviteit van de hulp, zoals onder andere vastgelegd
in de Verklaring van Parijs, soms onvoldoende in praktijk zijn gebracht.
Ik verzoek u de hieronder geformuleerde vragen te bezien zowel vanuit het perspectief van
ontwikkelingslanden als vanuit dat van donoren.
De geleerde lessen
Kernvraag: Wat is de waarde geweest van de Millennium Verklaring en het concept van de
Millennium Ontwikkelingsdoelen in termen van ontwikkeling?
Deelvragen die richting zouden kunnen geven aan de beantwoording van deze vraag zijn:
· Is de Millennium Verklaring in voldoende mate geslaagd in het adresseren van de
    problemen die ontwikkeling remmen of blokkeren?
· Heeft de Millennium Verklaring bijgedragen aan de focus op armoede?
· Wat zijn de voor- en nadelen van de voor de doelstellingen gekozen formuleringen? Kan bij
    de nadelen ook worden ingegaan op zaken die in de afgelopen tien jaar onderbelicht zijn
    gebleven?
· In hoeverre heeft het concept van de Millennium Ontwikkelingsdoelen het beleid van
    de donoren beïnvloed in termen van beslissingen over de allocatie van middelen en de
    keuzes van thema’s en sectoren? In hoeverre hebben ontwikkelingslanden invloed uit
    kunnen oefenen op besluitvorming van donoren? In hoeverre zijn de Millennium Verklaring
    en de MDG’s een gezamenlijk proces geweest van de staten die de Verklaring hebben
    getekend?
· De doelen zijn universeel geformuleerd. In hoeverre heeft dat een landenspecifieke
    invulling in de weg gestaan? In hoeverre heeft dit gevolgen gehad voor het eigenaarschap
    van ontwikkelingslanden van het eigen ontwikkelingsproces?
· Heeft het concept van de Millennium Ontwikkelingsdoelen bijgedragen aan een grotere
    beleidscoherentie voor ontwikkeling en coördinatie van de hulp? Indien er een bijdrage
    was, hoe groot is die geweest?
· Wat is de invloed geweest van het concept van de Millennium Ontwikkelingsdoelen
    op de ontwikkeling en de uitvoering van de ontwikkelingsagenda in donorlanden en
    partnerlanden?
· In hoeverre heeft de Millennium Verklaring mobiliserend gewerkt in financiële zin (de norm
    van 0,7%)?
Naar een andere benadering?
In 2000 werd er gekeken naar een periode van 25 jaar gerekend vanaf 1990. Het
internationale krachtenveld is in de afgelopen 10 jaar aanzienlijk veranderd. Er hebben
zich diverse crises voorgedaan, die onderling verweven zijn. Het is de vraag of alle
ontwikkelingslanden voldoende gewicht in de schaal kunnen leggen om sturing te
geven aan hun beleid in de context van grensoverschrijdende crises. Voor een aantal
ontwikkelingslanden lijkt de beleidsruimte eerder af dan toe te nemen. Gegeven deze context
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>zou verwacht kunnen worden dat ontwikkelingsdoelen (nog) meer in relatie moeten worden
gezien met mondiale uitdagingen zoals veiligheid, rechtsorde, gezondheid, milieu, water en
klimaat, handel en kennisontwikkeling. Het is de vraag wat dit betekent voor een nieuwe
agenda.
Ik verzoek de AIV om een objectieve studie uit te voeren naar de opkomende thema’s in het
internationale denken over ontwikkeling om het Kabinet inzicht te verschaffen in de mogelijke
contouren van een nieuwe internationale ontwikkelingsagenda, die inspireert en mobiliseert
en tegelijkertijd gebaseerd is op consensus tussen Noord en Zuid.
Is het de verwachting van de AIV dat op basis van de analyse van de geleerde lessen, de
veranderde internationale context en de huidige ontwikkelingen in het internationale denken
over ontwikkeling de vorm van de internationale ontwikkelingsagenda na 2015 anders
gestalte zal krijgen?
Deelvragen voor beantwoording van deze vraag kunnen zijn:
· Welke ideeën leven er thans internationaal over ontwikkeling en het ontwikkelingsproces?
    Is het de inschatting van de Raad dat dergelijke ideeën als startpunt(en) kunnen dienen
    voor een nieuwe mondiale ontwikkelingsagenda (waarom wel / niet)? Of is de Raad
    van mening dat de huidige benadering (eventueel met aanpassingen) moet worden
    voortgezet?
· In hoeverre zouden kwesties die samenhangen met interdependenties, zoals de
    verdeling van en toegang tot mondiale publieke goederen, een uitgangspunt kunnen
    zijn voor het formuleren van ontwikkelingsdoelen na 2015? En wat is dan de plaats van
    ontwikkelingssamenwerking daarin?
Ik verzoek u het advies af te ronden voor februari 2011.
Ben Knapen
Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>                                                                                 Bijlage II
Lijst van gebruikte afkortingen
AIV		           Adviesraad Internationale Vraagstukken
BNI		           Bruto Nationaal Inkomen
BNP		           Bruto Nationaal Product
CGD		           Center for Global Development
COS		           Commissie Ontwikkelingssamenwerking
DAC		           Development Assistance Committee
EU		            Europese Unie
FAO		           Food and Agriculture Organization
GDP		           Gross Domestic Product
GNI		           Gross National Income
GPGs		          Global Public Goods
HIPC		          Heavily Indebted Poor Countries
IMF		           Internationaal Monetair Fonds
IVESCR		        Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten
IVRK		          Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
MDGs		          Millennium Development Goals
NGOs		          Non-governmental Organizations
ODA		           Official Development Assistance
OECD		          Organisation for Economic Co-operation and Development
OESO		          Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PPP		           Purchasing Power Parity
PRSPs		         Poverty Reduction Strategy Papers
R&D		           Research and Development
SGVN		          Secretaris Generaal van de Verenigde Naties
TRIPS		         Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights
UN		            United Nations
UNAIDS		        Joint United Nations Programme on HIV and AIDS
UNDP		          United Nations Development Programme
UNCTAD		        United Nations Conference on Trade and Development
UNICEF		        United Nations Children’s Fund
UNEP		          United Nations Environment Programme
VS		            Verenigde Staten
VN		            Verenigde Naties
WHO		           World Health Organization
WTO		           World Trade Organization
WRR		           Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>                                                                                                        Bijlage III
Officiële lijst MDG’s
Alle cursieve targets en indicators zijn na 2001 bijgevoegd
** geeft een doel/indicator aan die wel in de oorspronkelijke MDG’s was opgenomen maar is
verplaatst onder een ander doel/indicator
Official list of Millennium Development Goals, effective 15 January 2008
  Goals and Targets
  (from the Millennium Declaration)                             Indicators for monitoring progress
  Goal 1: Eradicate extreme poverty and hunger
Target 1.A: Halve, between 1990 and 2015, the             1.1 Proportion of population below $1 (PPP)
proportion of people whose income is less than one             per day1
dollar a day                                              1.2 Poverty gap ratio
                                                          1.3 Share of poorest quintile in national
                                                               consumption
Target 1.B: Achieve full and productive employment 1.4 Growth rate of GDP per person employed
and decent work for all, including women and young 1.5 Employment-to-population ratio
people                                                    1.6 Proportion of employed people living below
                                                               $1 (PPP) per day
                                                          1.7 Proportion of own-account and contributing family
                                                               workers in total employment
Target 1.C: Halve, between 1990 and 2015, the             1.8 Prevalence of underweight children under-five years
proportion of people who suffer from hunger                    of age
                                                          1.9 Proportion of population below minimum level of
                                                               dietary energy consumption
 Goal 2: Achieve universal primary education
Target 2.A: Ensure that, by 2015, children every-         2.1 Net enrolment ratio in primary education
where, boys and girls alike, will be able to complete 2.2 Proportion of pupils starting grade 1 who reach
a full course of primary schooling                             last grade of primary
                                                          2.3 Literacy rate of 15-24 year-olds, women and men
 Goal 3: Promote gender equality and empower women
Target 3.A: Eliminate gender disparity in primary         3.1 Ratios of girls to boys in primary, secondary and
and secondary education, preferably by 2005, and               tertiary education
in all levels of education no later than 2015             3.2 Share of women in wage employment in the non-
                                                               agricultural sector
                                                          3.3 Proportion of seats held by women in national
                                                               parliament
 Goal 4: Reduce child mortality
Target 4.A: Reduce by two-thirds, between 1990            4.1 Under-five mortality rate
and 2015, the under-five mortality rate                   4.2 Infant mortality rate
                                                          4.3 Proportion of 1 year-old children immunised
                                                               against measles
1    For monitoring country poverty trends, indicators based on national poverty lines should be used, where available.
     All indicators should be disaggregated by sex and urban/rural as far as possible.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre> Goal 5: Improve maternal health
Target 5.A: Reduce by three quarters, between        5.1 Maternal mortality ratio
1990 and 2015, the maternal mortality ratio          5.2 Proportion of births attended by skilled health
                                                         personnel
Target 5.B: Achieve, by 2015, universal access to    5.3 Contraceptive prevalence rate**
reproductive health                                  5.4 Adolescent birth rate
                                                     5.5 Antenatal care coverage (at least one visit and at
                                                         least four visits)
                                                     5.6 Unmet need for family planning
  Goal 6: Combat HIV/AIDS, malaria and other diseases
Target 6.A: Have halted by 2015 and begun to         6.1 HIV prevalence among population aged
reverse the spread of HIV/AIDS                           15-24 years
                                                     6.2 Condom use at last high-risk sex
                                                     6.3 Proportion of population aged 15-24 years with
                                                         comprehensive correct knowledge of HIV/AIDS
                                                     6.4 Ratio of school attendance of orphans to school
                                                         attendance of non-orphans aged
                                                         10-14 years
Target 6.B: Achieve, by 2010, universal access to    6.5 Proportion of population with advanced HIV
treatment for HIV/AIDS for all those who need it         infection with access to antiretroviral drugs
Target 6.C: Have halted by 2015 and begun to         6.6 Incidence and death rates associated with malaria
reverse the incidence of malaria and other major     6.7 Proportion of children under 5 sleeping under
diseases                                                  insecticide-treated bednets
                                                     6.8 Proportion of children under 5 with fever who are
                                                          treated with appropriate anti-malarial drugs
                                                     6.9 Incidence, prevalence and death rates associated
                                                          with tuberculosis
                                                     6.10 Proportion of tuberculosis cases detected and
                                                          cured under directly observed treatment short
                                                          course
  Goal 7: Ensure environmental sustainability
Target 7.A: Integrate the principles of sustainable  7.1 Proportion of land area covered by forest
development into country policies and programmes 7.2 CO2 emissions, total, per capita and per $1 GDP
and reverse the loss of environmental resources          (PPP)
                                                     7.3 Consumption of ozone-depleting substances
                                                     7.4 Proportion of fish stocks within safe biological limits
Target 7.B: Reduce biodiversity loss, achieving, by  7.5 Proportion of total water resources used
2010, a significant reduction in the rate of loss    7.6 Proportion of terrestrial and marine areas protected
                                                     7.7 Proportion of species threatened with extinction
Target 7.C: Halve, by 2015, the proportion of people 7.8 Proportion of population using an improved
without sustainable access to safe drinking water        drinking water source
and basic sanitation                                 7.9 Proportion of population using an improved
                                                         sanitation facility
Target 7.D: By 2020, to have achieved a significant 7.10 Proportion of urban population living
improvement in the lives of at least 100 million           in slums
slum dwellers
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>  Goal 8: Develop a global partnership for development
Target 8.A: Develop further an open, rule-based,        Some of the indicators listed below are monitored
predictable, non-discriminatory trading and financial separately for the least developed countries (LDCs),
system                                                  Africa, landlocked developing countries and small
                                                        island developing States.
Includes a commitment to good governance,
development and poverty reduction – both nationally Official development assistance (ODA)
and internationally                                     8.1 Net ODA, total and to the least developed
                                                                countries, as percentage of OECD/DAC donors’
Target 8.B: Address the special needs of the least              gross national income
developed countries                                     8.2 Proportion of total bilateral, sector-allocable
                                                                ODA of OECD/DAC donors to basic social
Includes: tariff and quota free access for the least            services (basic education, primary health care,
developed countries’ exports; enhanced programme                nutrition, safe water and sanitation)
of debt relief for heavily indebted poor countries      8.3 Proportion of bilateral official development
(HIPC) and cancellation of official bilateral debt; and         assistance of OECD/DAC donors that is untied
more generous ODA for countries committed to            8.4 ODA received in landlocked developing
poverty reduction                                               countries as a proportion of their gross national
                                                                incomes
                                                        8.5 ODA received in small island developing States
Target 8.C: Address the special needs of landlocked             as a proportion of their gross national incomes
developing countries and small island developing        Market access
States (through the Programme of Action for the         8.6 Proportion of total developed country imports
Sustainable Development of Small Island                         (by value and excluding arms) from developing
Developing States and the outcome of the twenty-                countries and least developed countries,
second special session of the General Assembly)                 admitted free of duty
                                                        8.7 Average tariffs imposed by developed countries
                                                                on agricultural products and textiles and
                                                                clothing from developing countries
Target 8.D: Deal comprehensively with the debt          8.8 Agricultural support estimate for OECD
problems of developing countries through national               countries as a percentage of their gross
and international measures in order to make debt                domestic product
sustainable in the long term                            8.9 Proportion of ODA provided to help build trade
                                                                capacity
                                                        Debt sustainability
                                                        8.10 Total number of countries that have reached
                                                                their HIPC decision points and number that
                                                                have reached their HIPC completion points
                                                                (cumulative)
                                                        8.11 Debt relief committed under HIPC and MDRI
                                                                Initiatives
                                                        8.12 Debt service as a percentage of exports of
                                                                goods and services
Target 8.E: In cooperation with pharmaceutical          8.13 Proportion of population with access to
companies, provide access to affordable essential               affordable essential drugs on a sustainable
drugs in developing countries                                   basis
Target 8.F: In cooperation with the private sector,     8.14 Telephone lines per 100 population
make available the benefits of new technologies,        8.15 Cellular subscribers per 100 population
especially information and communications               8.16 Internet users per 100 population
Bron: UNDP: Beyond the Mid-point: achieving the Millennium Development Goals, January 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>                                                                                                Bijlage IV

                                                                                               
                                                      
                                     
                       
                            
                                   
                                         
                
                                                 "!       #$%&%
                                                 
                                   
                
             " !     
   "                  #      
                 $  %&   (  '     
'   !      
          
       

       ) (                      
                                         
     *        
    +                        
       ,   -     
  #                                
.& /       0

    *             
            
    "                             
                         
                         
       21          #   .      3"!4
       /   ,            
       
                     
                   35   
            .'!6/                
        &           '   !   .'!/7 
                        -      
                                &      
                             #   
       
    *          8         
                      
       &               9 +         
               
       
         7  +      &        8 
                + 8  
                          
                                                                                                        

                                                                                                           92
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>
                   )    (  
     )           
           )               )  
                      %  
      *  & +             
                 
          
        
   

         %           ! ,#  "   $ 
 "              
     '
         
                                          
           " !  $   #  #        "   %
                             &                   
           )('         &"*  
                                
                    
           
          +        )('
           %                  ,    
                                          -           
                  +                         
                         " )('
           
      .          / ,    $        
                "    , 
               $            
            &             !              
                   # #       
              0                   
           
      1          /                                
             ,    %                          
           $                     +            
                                    $ 
                     $,
           
      2                          0              
                           "  
                                       
                                    
           
             !               
                          $      
                       #   
                              (    
               "                                       %
                $
                                                                                                              

                                                                                                                 93
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>
           
                   %     
          +         "           
      .   /                        
                            % 
      ,                       
                        
                       
                      -     
                 
         
                                    
        & $0  (   '  !    *           
              
                %          
     $        2             
             -  *         
                          
                        )  #  $
%  )( 3                4   
         

                                                                                                       1

                                                                                                          94
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 Europa inclusief, oktober 1997
 2 Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 De doodstraf en de rechten van de mens: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid, juni 1998
 5 Europa inclusief II, november 1998
 6 Humanitaire hulp: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 commentaar op de criteria voor structurele bilaterale hulp, november 1998
 8 Asielinformatie en de europese unie, juli 1999
 9 Naar rustiger vaarwater: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 de ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie in de jaren negentig:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, september 1999
12 de igc 2000 en daarna: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 Humanitaire interventie, april 2000**
14 enkele lessen uit de financiële crises van 1997 en 1998, mei 2000
15 een europees handvest voor grondrechten?, mei 2000
16 defensie-onderzoek en parlementaire controle, december 2000
17 de worsteling van afrika: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18	Geweld tegen vrouwen: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 een gelaagd europa: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 europese Militair-industriËle samenwerking, mei 2001
21 Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst OF overtuiging, juni 2001
22 De wereldconferentie tegen racisme en de problematiek van rechtsherstel, juni 2001
23 Commentaar op de notitie mensenrechten 2001, september 2001
24 Een conventie of een conventionele voorbereiding: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 Integratie van gendergelijkheid: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 nederland en de organisatie voor veiligheid en samenwerking in europa in 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 een brug tussen burgers en brussel: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 Pro–poor growth in de bilaterale partnerlanden in sub–sahara afrika: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking, april 2003
31 Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies een brug tussen burgers en brussel: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid
   voor de Europese Unie, april 2003
33 De Raad van Europa: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 Nederland en crisisbeheersing: drie actuele aspecten, maart 2004
35 Falende staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 Preëmptief optreden, juli 2004**
37 Turkije: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 De verenigde naties en de rechten van de mens, september 2004
39 Dienstenliberalisering en ontwikkelingslanden: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
40 De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 De invloed van cultuur en religie op ontwikkeling: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43	Migratie en ontwikkelingssamenwerking: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, juli 2005
46 Energiek Buitenlands beleid: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling, december 2005***
47	HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale aanpak, januari 2006
48 Maatschappij en Krijgsmacht, april 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>49 Terrorismebestrijding in mondiaal en Europees perspectief, september 2006
50 Private sector ontwikkeling en armoedebestrijding, oktober 2006
51 De rol van NGO’s en bedrijven in internationale organisaties, oktober 2006
52 Europa een prioriteit!, november 2006
53	BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 Met het oog op China: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 Inzet van de krijgsmacht: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 Het VN-Verdragssysteem voor de Rechten van de Mens: stapsgewijze versterking in een
     politiek geladen context, juli 2007
58 De financiËn van de europese unie, december 2007
59 De inhuur van private militaire bedrijven: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 Nederland en de Europese Ontwikkelingssamenwerking, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN De EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds belang, juli 2008
62 Klimaat, energie en armoedebestrijding, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak, maart 2009
65 Transitional Justice: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 Demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 De EU en de crisis: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie, mei 2010
70	Nederland en de ‘Responsibility to Protect’: De verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen
     massale wreedheden, juni 2010
71	HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72	Piraterijbestrijding op zee: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73	Het mensenrechtenbeleid van DE Nederlandse regering: zoeken naar constanten in een
     veranderende omgeving, februari 2011
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
  1	Briefadvies uitbreiding Europese Unie, december 1997
  2	Briefadvies VN-Comité tegen Foltering, juli 1999
  3	Briefadvies Handvest Grondrechten, november 2000
  4	Briefadvies over de toekomst van de Europese unie, november 2001
  5	Briefadvies Nederlands voorzitterschap EU 2004, mei 2003****
  6	Briefadvies Resultaat Conventie, augustus 2003
  7	Briefadvies Van binnengrenzen naar buitengrenzen - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
  8	Briefadvies De Ontwerp-Declaratie inzake de Rechten van Inheemse Volken.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9	Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?, april 2005
10	Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11	Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12	Briefadvies Reactie op de mensenrechtenstrategie 2007, november 2007
13	Briefadvies Een ombudsman voor ontwikkelingssamenwerking, december 2007
14	Briefadvies Klimaatverandering en Veiligheid, januari 2009
15	Briefadvies Oostelijk Partnerschap, februari 2009
16	Briefadvies Ontwikkelingssamenwerking: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17	Briefadvies Kabinetsformatie 2010, juni 2010
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>