<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Mr. F. Korthals Altes
Vicevoorzitter Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Leden          Mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You
               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
               Prof.dr. A. de Ruijter
               Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
               Prof.dr. A. van Staden
               Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
               Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB DEN HAAG
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               e-mail aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden Commissie Europese Hof voor de Rechten van de Mens
Voorzitter Mw. mr. W.M.E. Thomassen
Leden      Prof.dr. W.J.M. van Genugten
           Mr. R. Herrmann
           Prof.dr. M.T. Kamminga
           Prof.dr. R.A. Lawson
           Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Secretaris Drs. J. Smallenbroek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Sinds de oprichting van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna het Hof)
wordt het Hof geconfronteerd met een groeiende werklast. Diverse wijzigingen in de
werkwijze van het Hof, met name zoals neergelegd in de protocollen 11 en 14 bij het
Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), hebben daarin
tot nu toe onvoldoende verlichting gebracht. De discussies over het functioneren van het
Hof, zowel in de lidstaten van de Raad van Europa als in Straatsburg zelf, duren voort.
Op 3 oktober 2011 zond de minister van Veiligheid en Justitie, mr. I.W. Opstelten, een
brief aan de beide kamers van de Staten-Generaal, waarin de regering haar visie op het
Hof heeft gegeven en voorstellen doet voor verbetering van het functioneren van het
Hof. Deze brief was aanleiding voor de AIV om een briefadvies op te stellen, gezien de
cruciale positie die het Hof inneemt in de rechtsbescherming van ingezetenen van de
lidstaten van de Raad van Europa. Het advies is voorbereid door een ad-hoccommissie
samengesteld uit leden van de Commissie Mensenrechten met als voorzitter mw. mr.
W.M.E. Thomassen en als leden prof.dr. W.J.M. van Genugten, mr. R. Herrmann, prof.dr.
M.T. Kamminga, prof.dr. R.A. Lawson en mw. mr. H.M. Verrijn Stuart. Het secretariaat
werd gevoerd door drs. J. Smallenbroek.
De AIV heeft dit briefadvies vastgesteld tijdens zijn vergadering op 4 november 2011.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Inleiding
De AIV heeft met belangstelling kennisgenomen van het standpunt van de regering over de
hervormingen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (bijlage I).1 De regering
vreest dat het functioneren van het Hof voor de lange termijn niet afdoende is gewaarborgd
vanwege het grote aantal aanhangig gemaakte zaken waardoor een grote werkachterstand
is ontstaan. De AIV deelt die zorg, zoals ook eerder in zijn advies ‘De Raad van Europa’2
uit 2003 is opgemerkt. Een krachtige ondersteuning van het Hof en de pogingen die het
Hof onderneemt om zijn taak als Europese beschermer van de mensenrechten zo goed
mogelijk waar te maken en zijn werklastproblemen te boven te komen, is ook daarom alles-
zins op zijn plaats. De regering doet in de brief een aantal voorstellen om verbetering te
brengen in deze situatie. De AIV is het eens met de regering dat het subsidiariteitsbeginsel
een belangrijke pijler is van het EVRM-systeem. De bescherming van het EVRM moet in de
eerste plaats op het nationale niveau worden geboden. Het Hof moet een laatste toevlucht
zijn. Voorts onderschrijft de AIV dat in het kader van het terugdringen van de werklast de
efficiëntie van de werkprocessen binnen het Hof van groot belang is. Wat betreft de voor-
lopige maatregelen is de AIV het met de regering eens dat de toepassing van de door het
Hof opgestelde Practice Directions moet worden ondersteund en dat ernaar gestreefd moet
worden om de doorlooptijden van zaken waarin een voorlopige maatregel is getroffen, te
verkorten door middel van de procedure van versnelde behandeling. Voorts ondersteunt de
AIV de wens van de regering om de procedure rond het treffen van voorlopige maatregelen
zodanig te verbeteren, dat de staat de gelegenheid krijgt om tegenspraak te leveren en
onderschrijft de AIV het belang van een goede informatievoorziening door het Hof inzake
dit soort zaken. Ook onderschrijft de AIV het belang van de door het Hof in het kader van
het terugdringen van de werklast getroffen maatregelen, zoals de invoering van de pilot
judgment-procedure en de intensivering van het toezicht op de naleving van de uitspra-
ken van het Hof in gevallen waarin structurele gebreken in het nationale rechtsstelsel zijn
geconstateerd.
Naast deze waardering is er ook een aantal punten van zorg, die de AIV onder de aandacht
van de regering wil brengen. Daarbij heeft mede een rol gespeeld dat in het recente
maatschappelijke debat kritiek op het Hof is uitgeoefend waarbij soms de essentie van het
werk van het Hof in twijfel werd getrokken. Dit advies is primair gewijd aan de punten van
zorg die de essentie van het werk van het Hof zouden kunnen bemoeilijken.
Het belang van het Hof
De regering stelt in de brief dat de betekenis van het EVRM voor Europa ontegenzeggelijk
groot is. De AIV wil dat graag onderstrepen. Het Hof heeft tot taak in laatste instantie te
waken over de naleving van de mensenrechten door de lidstaten van de Raad van Europa.
Het gaat niet alleen om het waarborgen van de rule of law, maar ook om het zelfstandige
belang van de handhaving van de meest wezenlijke en onvervreemdbare rechten van een
ieder, zoals het recht op respect voor het leven, het verbod op marteling en onmenselijke
behandeling, het recht om een eigen leven te leiden en een gezin te stichten, de vrijheid van
1   Brief van de minister van Veiligheid en Justitie d.d. 3 oktober 2011 aan de voorzitter van de Eerste Kamer van
    de Staten-Generaal (32 500 V Y) en aan de voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (32 735
    nummer 32).
2   Adviesraad Internationale Vraagstukken, ‘De Raad van Europa, minder en (nog) beter’, advies nummer 33,
    Den Haag, oktober 2003.
                                                           4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>meningsuiting, het recht om te geloven of dat juist niet te doen en het recht op een eerlijk
proces. De regering noemt evenwel vooral de functie van het Hof als hefboom in landen in
Midden- en Oost-Europa bij de aanpassing van wetgeving en bij de hervorming van nationale
justitiële stelsels en zij benadrukt de verankering van rechtsstatelijke beginselen in andere
Europese landen dan Nederland. Daarmee dreigt het grote belang van het EVRM en het
Hof voor West-Europa en Nederland zelf uit het oog te worden verloren. Het Hof heeft ook
in Nederland een belangrijke rol gespeeld en doet dat nog steeds. Voorbeelden daarvan
zijn de uitspraken van het Hof tegen Nederland die hebben geleid tot verbetering van de
rechtspositie van psychiatrische patiënten die tegen hun wil worden opgenomen, van het
recht van journalisten om hun bronnen te beschermen alsmede van het recht op juridische
bescherming van afstammingsbanden tussen ouders en kinderen en hun recht om samen
te leven.
Het belang van het Hof voor Nederland is tweeledig. Enerzijds heeft het Hof bijgedragen
en draagt het nog steeds bij tot de verbetering van de bescherming van de fundamentele
rechten en vrijheden van inwoners van Nederland en een ieder die ressorteert onder
de Nederlandse rechtsmacht. Daarnaast verlangt het subsidiariteitsbeginsel dat de
Nederlandse autoriteiten voorkomen dat een inwoner zich tot het Hof moet wenden. Dat
laatste zorgt er mede voor dat in het bestuur, het wetgevingsproces en de rechtspraak
voortdurend aandacht moet worden besteed aan de vraag of de naleving van het EVRM
voldoende is verzekerd. De jurisprudentie van het Hof vormt een leidraad voor bestuur,
wetgever en rechter bij de uitleg van mensenrechtelijke normen. Het belang van het Hof
voor Nederland is daarmee onverminderd groot.
Voorlopige maatregelen
De suggestie van de regering dat het toenemende aantal voorlopige maatregelen vooral het
gevolg is van de werkachterstand bij het Hof, acht de AIV niet geheel juist. Een voorlopige
maatregel is te vergelijken met een voorlopige voorziening die aan de voorzieningenrechter
wordt gevraagd vooruitlopend op de hoofdprocedure. Doorgaans gaat het om uitzetting van
een asielzoeker naar een land waar deze voor zijn leven vreest en waarbij de voorlopige
maatregel al in het eerste stadium van de procedure wordt gevraagd. Het komt de AIV voor
dat uit de aard en de toename van het aantal verzochte voorlopige maatregelen veeleer valt
op te maken dat vaker dan vroeger asielzoekers zich gedwongen voelen een beroep op het
Hof te doen. Overigens is het totaal aantal verzoeken om voorlopige maatregelen de laatste
jaren niet sterk gestegen. In 2008 bedroeg dat aantal 3185, in 2009 daalde het aantal tot
2402 om daarna in 2010 weer op te lopen tot 3680.3 In de eerste tien maanden van dit
jaar zijn slechts 2220 verzoeken ingediend4 en een verdere daling mag worden verwacht
als gevolg van de in juli 2011 uitgevaardigde practice instruction, waarin het Hof de eisen
waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen, heeft aangescherpt.
De AIV merkt voorts op dat het aantal verzoeken tot het treffen van een voorlopige maatregel
tegen Nederland wel sterk is gegroeid en relatief aan de hoge kant is. Terwijl het aantal
klachten dat tegen Nederland wordt ingediend gemiddeld circa één procent van het totaal
3   Zie: <http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/91C30C84-EFAF-4979-BBD6-C730D6380196/0/ART_39_
    TABLEAU_EN.pdf>.
4   Peildatum 18 oktober 2011, gegevens opgevraagd bij het kabinet van de President van het Hof.
    Voor cijfers tot en met juni 2011 zie: <http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/43F2D6A8-8034-4271-9498-
    AD9EAC707FB6/0/ART_39_TABLEAU_PAR_PAYS_EN.pdf>.
                                                         5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>bedraagt, is het aandeel van Nederland in de verzochte voorlopige maatregelen in de
periode 2008 tot en met 2010 opgelopen van 1,3 % tot 10 %. In de eerste 10 maanden
van 2011 is het aantal verzoeken in absolute zin gedaald tot 224 (op jaarbasis zou dat
neerkomen op ongeveer 270), maar het Nederlandse aandeel is ongeveer even hoog als
vorig jaar. Van de verzoeken om een voorlopige maatregel tegen Nederland werd bovendien
een stijgend aandeel toegewezen, namelijk van 18 % in 2008 naar 45 % in 2010. Echter,
in de eerste 10 maanden van 2011 is het percentage toewijzingen gezakt tot 14.5 Gelet
op het subsidiaire karakter van het Hof – door de regering terecht onderstreept – rijst de
vraag of op nationaal niveau het beleid en de procedures waarin een asielzoeker zich kan
verzetten tegen uitzetting voldoende Straatsburg-proof zijn. De AIV acht nader onderzoek
naar de oorzaken van het relatief grote aantal verzoeken en toewijzingen tegen Nederland
op zijn plaats, niet alleen in het belang van de rechtsbescherming van asielzoekers,
maar ook in het belang van het terugdringen van de werklast van het Hof. Zonder nader
onderzoek lijken de voorstellen van de regering om de procedure rond de voorlopige
maatregelen te verbeteren onvoldoende te zijn.
Subsidiariteit
De regering benadrukt het subsidiaire karakter van het Hof. Daarbij spreekt zij over het
subsidiaire karakter van het EVRM. Dat laatste gebeurt naar het oordeel van de AIV ten
onrechte. Het EVRM heeft geenszins een subsidiair karakter, integendeel. Het bevat
de mensenrechten die als universeel gelden en ten aanzien waarvan Europa op zich
heeft genomen deze na te leven en te beschermen. Wel heeft het Hof, als Europese
toezichthouder, een subsidiair karakter in die zin, dat de bedoeling van het EVRM is dat de
staten zelf voor de naleving ervan zorgen en dat pas, indien een klager in eigen land geen
gehoor krijgt, de klager door het Hof wordt ontvangen.
De regering is van oordeel dat Nederland zijn eigen beschermende taak voldoende
vervult: ‘Enerzijds impliceert het beginsel van subsidiariteit de noodzaak om het EVRM-
acquis op nationaal niveau afdoende te beschermen. De Regering is van oordeel dat in
de Nederlandse rechtsorde wordt voldaan aan deze verplichting’. In het kader van de
bespreking van de voorlopige maatregelen tegen Nederland heeft de AIV hierbij al een
kanttekening geplaatst. Daarnaast moet worden bedacht dat het EVRM wordt toegepast
in steeds wisselende maatschappelijke omstandigheden. Waar vandaag bijvoorbeeld het
recht op privacybescherming voldoende lijkt te worden gewaarborgd, kunnen toekomstige
technologische ontwikkelingen die bescherming onder druk zetten en leiden tot nieuwe
afwegingen van alle betrokken belangen. Het is niet mogelijk van tevoren uit te sluiten dat
nieuwe regelingen fundamentele rechten en vrijheden onder druk zetten. Zeer onlangs is
Nederland veroordeeld omdat de toepassing van het nog niet zo lang geleden ingevoerde
verlofstelsel in strafzaken (artikel 410a Sv.) in de desbetreffende zaak in strijd werd
geacht met artikel 6 lid 1 in samenhang met artikel 6 lid 3 onder c EVRM.6 De concrete
casuspositie was door de wetgever ongetwijfeld niet voorzien. Het zal in een steeds
veranderende samenleving mogelijk blijven dat een Nederlandse burger zodanig in de knel
komt, dat hij in eigen land geen gehoor krijgt, een beroep doet op het Hof en het Hof aan
zijn kant vindt. Het blijft steeds nodig om kritisch te onderzoeken of in de eigen nationale
5   Peildatum 18 oktober 2011, gegevens opgevraagd bij het kabinet van de President van het Hof.
    Voor cijfers tot en met juni 2011 zie: <http://www.echr.coe.int/NR/rdonlyres/43F2D6A8-8034-4271-9498-
    AD9EAC707FB6/0/ART_39_TABLEAU_PAR_PAYS_EN.pdf>.
6   EHRM, 22 februari 2011, Lalmahomed t. Nederland, no. 26036/08 (Sect. 3).
                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>regelingen en procedures een voldoende bescherming van mensenrechten is ingebouwd
zodat de deur naar Straatsburg niet open hoeft. Een dergelijke kritische blik op nationale
besluiten en regelingen geeft vorm aan het subsidiariteitsbeginsel en kan een bijdrage
leveren aan de vermindering van de werklast van het Hof.
De jurisprudentie van het Hof
De AIV plaatst een kanttekening bij de opmerkingen van de regering over de kwaliteit van
de jurisprudentie van het Hof. De jurisprudentie van het Hof moet duidelijk en consistent
zijn, het Hof dient in beginsel niet af te wijken van precedenten, en moet, indien het in
uitzonderlijke omstandigheden wel ‘om gaat’, de redenen hiervoor duidelijk uiteenzetten.
Bovendien is in de toewijzing van de billijke genoegdoening ex artikel 41 EVRM consistentie
noodzakelijk, aldus de regering, die een en ander onder de aandacht van het Hof zal
brengen. Het belang van deze uitgangspunten staat buiten kijf. Deze opmerkingen en het
voornemen de aandacht van het Hof hiervoor te vragen wekken echter de indruk dat de
regering meent dat het Hof deze belangrijke uitgangspunten onvoldoende onder ogen ziet
en dat het Hof te weinig doet om waar nodig maatregelen te nemen en instrumenten te
creëren om problemen op te lossen en te voorkomen. Een en ander wordt in de brief helaas
niet geconcretiseerd en de AIV vreest dat dergelijke kritiek zonder nadere onderbouwing
geen bijdrage zal leveren aan het doel dat de regering voor ogen staat, namelijk te
verzekeren dat het Hof goed functioneert.
Voorts meent de regering, die zich daarbij beroept op het beginsel van subsidiariteit, dat het
Hof in beginsel geen feiten zou moeten laten meewegen die dateren van na afronding van
de nationale gerechtelijke procedure en dat het Hof in beginsel de waardering van feiten of
de belangenafweging van een nationale (gerechtelijke) autoriteit dient te respecteren, tenzij
deze kennelijk onredelijk is. Wat betreft het meewegen van nieuwe feiten ondersteunt de
AIV het uitgangspunt dat de vaststelling van feiten in beginsel moet worden overgelaten aan
de nationale rechter. Blijkens de jurisprudentie is dat ook het uitgangspunt van het Hof. Dat
laatste lijdt echter uitzondering indien het gaat om de absolute mensenrechten, het recht op
leven (artikel 2) en het verbod van marteling en onmenselijke of vernederende behandeling
(artikel 3). In die gevallen acht het Hof zich niet gebonden aan de feitenvaststelling door
de nationale autoriteiten.7 In dit soort gevallen kan het meewegen van nieuwe feiten en
omstandigheden overigens ook in het voordeel van de verweervoerende staat werken,
namelijk als de situatie in het land van herkomst in de tussentijd is verbeterd. Zo heeft het
Hof in 2004 – mede op grond van een dergelijke verbetering – geoordeeld dat het EVRM
niet in de weg stond aan de uitzetting door Nederland van asielzoekers naar Sri Lanka.8 Het
oordeel over de vraag of het in zaken betreffende de genoemde absolute mensenrechten
noodzakelijk en gewenst is nieuwe feiten en omstandigheden mee te wegen, dient naar het
oordeel van de AIV aan het Hof te zijn voorbehouden en onder zijn verantwoordelijkheid te
vallen, teneinde het Hof in staat te stellen op onafhankelijke wijze te beoordelen of sprake
is van een schending van mensenrechten.
7   EHRM, 4 december 1995, Ribitsch t. Oostenrijk, no. 18896/91, 336.
8   EHRM, 17 februari 2004, Venkadajalasarma t. Nederland, no. 58510/00 (Sect. 2), in r.o. 67: ‘... the Court
    cannot ignore the very real progress that has been made which has led to a substantial relaxation of the
    previously precarious situation of Tamils arriving or staying in Colombo, as confirmed by the most recent
    country report compiled on Sri Lanka by the Netherlands Ministry of Foreign Affairs...’.
                                                           7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>De opmerking dat het Hof in beginsel de belangenafweging van een nationale (gerechtelijke)
autoriteit dient te respecteren, tenzij deze kennelijk onredelijk is, getuigt naar de mening
van de AIV van onvoldoende afstand tot de onafhankelijke rechter. Het is immers bij uitstek
de taak van het Hof om uit te maken of de belangenafweging op het nationale niveau zodanig
is uitgevallen dat de fundamentele rechten of vrijheden van een burger zijn geschaad. Daarbij
laat het Hof aan nationale instanties wel degelijk een redelijke waarderingsvrijheid (margin
of appreciation), maar legt het als grens aan dat de belangenafweging niet beneden een
minimale standaard van mensenrechtenbescherming mag komen. Het uitleggen van het
EVRM en het handhaven van deze minimumstandaarden behoort tot de taak die ingevolge
het EVRM aan het Hof is opgedragen.
De AIV ziet in de beschouwingen van de regering over het beginsel van subsidiariteit
aanleiding om te benadrukken dat het beginsel van subsidiariteit, hier in relatie tot de
jurisprudentie van het Hof, niet betekent dat het Hof bij zijn oordeel over de vraag of de
Verdragsrechten zijn geschonden gebonden is aan het oordeel van de nationale autoriteiten.
Het is juist de bedoeling van het EVRM dat het Hof in onafhankelijkheid van die autoriteiten
tot zijn conclusie komt.
De AIV wil er in dit verband nog op wijzen dat staten in elke procedure voor het Hof een
grote invloed hebben op de wijze waarop de feiten door het Hof worden vastgesteld alsook
op de afwegingen die het Hof in een concrete zaak maakt. Staten krijgen immers ruim de
gelegenheid schriftelijk hun standpunt, de context, de nationale jurisprudentie en de op
het spel staande belangen uiteen te zetten en kunnen in belangrijke zaken een en ander
mondeling toelichten. De individuele staten hebben op deze wijze een grote invloed op de
kwaliteit van de beslissingen van het Hof.
De AIV wijst er verder op dat de regering het uitgangspunt van de subsidiariteit niet helemaal
consequent lijkt te hanteren. Terwijl zij in de onderhavige brief het Hof oproept zijn subsidiaire
rol tot zijn recht te laten komen en meer over te laten aan de nationale autoriteiten, legt
de regering in de SGP-zaak een uitspraak van de hoogste nationale rechter over het EVRM
vooralsnog naast zich neer totdat het Hof hierover zijn oordeel heeft gegeven.9 Dit staat haaks
op het uitgangspunt dat de nationale autoriteiten zelf de mensenrechten moeten waarborgen
en dat het Hof een subsidiaire rol heeft.
De rol van het Comité van Ministers
In het regeringsstandpunt wordt gewag gemaakt van de rol van het Comité van Ministers.
Naar het oordeel van de AIV is een meer actieve rol van het Comité van groot belang. Waar
in de brief wordt gepleit voor een actieve rol van het Comité van Ministers rijst evenwel de
vraag op welke onderdelen het Comité van Ministers actiever zou moeten worden.10 Dat
wordt in de brief niet aangegeven en kan daarom tot misverstanden aanleiding geven.
Immers, hoewel een gezonde dynamiek tussen het Hof en de lidstaten van de Raad van
Europa onmisbaar is, heeft het Hof vooral tot opdracht zich onafhankelijk van die staten
een oordeel te vormen over de vraag of in een voorgelegde zaak de mensenrechten zijn
gerespecteerd. Als een individu bij het Hof gelijk krijgt en de staat waar deze verblijft in
9   Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de voorzitter van de Tweede Kamer
    der Staten-Generaal d.d. 8 april 2011, 28481 nr. 8.
10 Zie ook Adviesraad Internationale Vraagstukken, ‘De Raad van Europa, minder en (nog) beter’, advies nummer
    33, Den Haag oktober 2003.
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>het ongelijk wordt gesteld, zal de staat daar niet altijd blij mee zijn. Dit is inherent aan
het gekozen beschermingssysteem. Het Hof is in zekere zin de criticus van de macht en
moet dat blijven. Voorkomen moet worden dat door het Comité van Ministers aanwijzingen
aan het Hof worden geformuleerd die op gespannen voet staan met deze door het EVRM
aan het Hof opgedragen onafhankelijke oordeelsvorming, zoals aanwijzingen over de
interpretatie van het EVRM en de margin of appreciation.
Intussen wenst de AIV de aandacht te vestigen op een beleidsterrein waar een actieve rol
van het Comité van Ministers en van Nederland binnen het Comité van Ministers cruciaal
is. Op grond van artikel 46 EVRM is het Comité van Ministers belast met het toezicht op de
tenuitvoerlegging van de arresten van het Hof. Het is van groot belang dat lidstaten bereid
zijn elkaar tijdens de bijeenkomsten van het Comité van Ministers specifiek gewijd aan
mensenrechten aan te spreken op de correcte implementatie van arresten van het Hof.
Dat zal in de praktijk lang niet altijd nodig zijn; men mag ervan uitgaan dat de lidstaten de
uit het EVRM voortvloeiende verplichtingen – zoals deze naar voren kunnen komen in een
veroordeling van het Hof – loyaal ten uitvoer te leggen. Maar dit laat onverlet dat het voor
het goed functioneren van het systeem van belang is dat lidstaten een actieve rol spelen
en bereid zijn waar nodig druk uit te oefenen op lidstaten die bijvoorbeeld talmen met de
aanpassing van hun wetgeving. Dat laatste geldt niet alleen voor Midden- en Oost-Europese
landen, maar bijvoorbeeld ook voor landen als Italië en het Verenigd Koninkrijk.11
De toegang tot het Hof
Het individuele klachtrecht is een wezenlijk kenmerk van het EVRM-systeem van
mensenrechtenbescherming. Daarbij past een laagdrempelige toegang tot het Hof. De
drempels die de regering aan de toegang tot het Hof wil opwerpen vormen naar het oordeel
van de AIV een bedreiging van het individuele klachtrecht en zijn daarom onwenselijk.
Oplossingen voor de werklast moeten in de opvatting van de AIV bij voorkeur worden
gezocht in het mogelijk verbeteren van de efficiency van de verwerking van de vele
ongegronde klachten en van de werkprocessen. Bij het doen van voorstellen om de werklast
van het Hof terug te dringen zal naar het oordeel van de AIV steeds centraal moeten staan
dat het niet om gewone juridische procedures gaat maar om procedures, waarbij het gaat
om de vraag of mensenrechten van klagers geschonden zijn. De onbelemmerde toegang tot
het Hof is daarbij van groot belang.
De regering spreekt zich uit voor de invoering van een nieuw filtermechanisme, erop
neerkomende dat de filterwerkzaamheden zouden worden verricht door leden van de griffie.
De AIV onderschrijft het uitgangspunt dat voor het grote aantal ongegronde klachten een
goed filtermechanisme nodig is. In dit verband zijn door het Hof zelf al vele maatregelen
getroffen. Door de inwerkingtreding van het 14e Protocol bij het EVRM is de mogelijkheid
geïntroduceerd om kennelijk ongegronde klachten af te laten doen door een enkelvoudige
rechter. Of verdergaande filtermechanismen nodig zijn zal mede moeten afhangen van
de resultaten die de invoering van deze unus iudex oplevert. Elk filtermechanisme zal
volgens de AIV evenwel moeten voldoen aan de eisen van onafhankelijke en onpartijdige
rechtspraak. Ook al spelen leden van de griffie nog zo’n belangrijke rol in de voorbereiding
van rechterlijke beslissingen, de eindverantwoordelijkheid voor die beslissingen dient bij de
rechter te berusten.
11 EHRM, 6 oktober 2005, Hirst t. Verenigd Koninkrijk (no. 2) [GC], no. 74025/01, 2005-IX.
                                                       9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Over drie voorstellen om de toegang tot het Hof te beperken wil de AIV zijn zorg uitspreken.
Het betreft het beboeten van klagers die meermalen een kennelijk ongegronde klacht
indienen, het nemen van (disciplinaire) maatregelen tegen advocaten in situaties die
gekwalificeerd moeten worden als misbruik van recht en de invoering van een griffierecht.
Het eerste voorstel vormt een bedreiging voor het individuele klachtrecht. Een klager die
meent dat zijn fundamentele rechten zijn geschonden, heeft het recht zich te beklagen. Het
zal voor een individuele klager vaak moeilijk zo niet ondoenlijk zijn een inschatting te maken
van de kansen op succes. Of een klacht gegrond is staat niet ter beoordeling aan de klager,
maar aan het Hof. De klager heeft geen controle over de uitkomst van het proces en kan het
risico een boete opgelegd te krijgen alleen vermijden door geen klacht in te dienen.
Voorts meent de AIV dat het bedreigen van advocaten met (disciplinaire) maatregelen
een onjuist en oneigenlijk middel is om de werklast van het Hof te verminderen. Een
dergelijke dreiging zou advocaten kunnen afhouden van het bijstaan van degene die in volle
overtuiging meent dat zijn of haar fundamentele rechten zijn miskend. Daarbij moet ook
voor ogen worden gehouden dat een dergelijke maatregel niet alleen in Nederland, maar
in elk van de 47 lidstaten van de Raad van Europa zou worden doorgevoerd. De kans dat
de autoriteiten in sommige van deze lidstaten van deze nieuwe regeling gebruik zouden
maken om advocaten de mond te snoeren, is bepaald niet denkbeeldig. De voorgestelde
maatregel zou advocaten terughoudend kunnen maken en de toegang tot het Hof voor
individuele klagers op onverantwoorde wijze kunnen beperken, zeker als ook wordt
overwogen om verplichte procesvertegenwoordiging in te voeren. Ook zonder disciplinaire
maatregelen kunnen advocaten worden gewezen op hun verantwoordelijkheid het systeem
niet nodeloos te belasten. De AIV gaat ervan uit dat binnen het bestaande Nederlandse
tuchtrecht voldoende waarborgen zijn gelegen en dat het dus niet nodig is met aanvullende
tuchtrechtelijk te handhaven regels te komen.12
Ten aanzien van het derde voorstel – het invoeren van griffierecht – is de AIV van mening
dat het invoeren van griffierecht de toegang tot het Hof voor met name de meest kwetsbare
personen zoals gevangenen en asielzoekers, maar ook voor vertegenwoordigers van
bijvoorbeeld het midden- of kleinbedrijf, niet zal mogen beperken en dat voor on- en
minvermogenden een vrijstelling zal gelden, zoals die ook in ons land bestaat. Hierbij
merkt de AIV nog op dat de regering bij haar voorstel tot het invoeren van griffierecht
zich op het standpunt stelt dat, gezien de grote verschillen in levensstandaard tussen de
verdragsluitende partijen, differentiatie van griffierechten naar land nodig zal zijn. Dat zal
naar alle waarschijnlijkheid leiden tot hoge administratieve kosten. Dat maakt een nadere
afweging nodig of de administratieve kosten van inning wel opwegen tegen het beoogde
doel.
Toetreding van de EU tot het EVRM
Het Verdrag van Lissabon voorziet erin dat de Europese Unie zal toetreden tot het EVRM. Bij
eerdere gelegenheden toonde zowel de Staten-Generaal als de regering zich voorstander
12 Artikel 46 Advocatenwet: De advocaten zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen
    of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier
    belangen zij als zodanig behartigen of behoren te behartigen, ter zake van inbreuken op de verordeningen
    van de Nederlandse orde en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.
    Deze tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in eerste aanleg door de raden van discipline en in hoger beroep,
    tevens in hoogste ressort, door het hof van discipline.
                                                           10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>van een dergelijke toetreding, die een lacune in de Europese rechtsbescherming zal dichten.
Nu bepleit de regering in de voorliggende notitie dat de voorwaarden voor toetreding van
de EU ‘zo nauwkeurig en gedetailleerd mogelijk worden uitgewerkt’. De vraag is waarom
er op dit moment, na afronding van de onderhandelingen tussen de Unie en de Raad van
Europa, nog behoefte aan een grote mate van detaillering zou bestaan. De voorwaarden
die de regering in haar notitie noemt, zijn ofwel vastgelegd in bestaande teksten, ofwel al
geruime tijd voorwerp van consensus in het onderhandelingsproces. Het wordt in de notitie
niet duidelijk op welke punten de regering nu nog een verdere detaillering noodzakelijk acht.
Evenmin wordt duidelijk welke elementen van de – nog vast te stellen – interne EU-regels
zo belangrijk zijn dat Nederland zijn goedkeuring van het toetredingsakkoord zelf daarvan
afhankelijk zou moeten stellen. Alles afwegend, adviseert de AIV de regering in dit dossier
dan ook vast te houden aan de eerder ingezette lijn en het toetredingsproces onverkort te
steunen.
                                               11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                              2
Vergaderjaar 2011–2012
32 735                 Mensenrechten in het buitenlands beleid
Nr. 32                 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE
                       Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                       Den Haag, 3 oktober 2011
                       Op 14 april 2011 verzocht de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie
                       van de Tweede Kamer om informatie over de positie die Nederland tijdens
                       de ministeriële conferentie te Izmir, waar het Europees Hof voor de
                       Rechten van de Mens is besproken, heeft ingenomen ten aanzien van de
                       werkwijze van het Hof, de «margin of appreciation» van nationale staten
                       en de toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag tot
                       bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
                       Op 19 april 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken tijdens de
                       Algemene Europese Beschouwingen een uitgebreider kabinetsstandpunt
                       terzake toegezegd aan de Eerste Kamer. Een zelfde toezegging deed de
                       minister van Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer tijdens het
                       Algemeen Overleg van 14 juni 2011. Tevens kan worden gewezen op een
                       tweetal aangenomen moties in de Eerste Kamer aangaande dit
                       onderwerp: de motie van het lid Bemelmans-Videc c.s. (EK 32 500 V, B) en
                       de motie van het lid Engels c.s. (EK 32 500, O). In aanvulling daarop kan
                       worden gewezen op een tweetal aangehouden moties in de Tweede
                       Kamer: de motie van de leden Çörüz en Omtzigt (TK 32 500 VI, nr. 29) en
                       de motie van het lid Voordewind (TK 32 735, nr. 11). Met deze brief wil ik
                       u, mede namens de minister van Buitenlandse Zaken, nader informeren
                       over het kabinetsstandpunt inzake de hervormingen van het Europees Hof
                       voor de Rechten van de Mens (hierna «EHRM» of «het Hof») en de
                       toetreding van de Europese Unie tot het Europees verdrag tot bescher-
                       ming van de rechten van de mens (hierna «EVRM» of «het Verdrag»).
                       Aanleiding
                       Ontegenzeggelijk is de betekenis van het EVRM voor Europa groot. Het
                       Hof fungeert met name in landen in Midden- en Oost Europa vaak als
                       hefboom bij de aanpassing van wetgeving en bij de hervorming van
                       nationale justitiële stelsels. Het Hof is een belangrijke katalysator geweest
                       voor een goede borging van de rechtsstaat in heel Europa en moet deze
                       rol blijven vervullen. Hierbij dient te worden bedacht dat een stevige
                       verankering van rechtsstatelijke beginselen in andere Europese landen
kst-32735-32
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2011     Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                         1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>aanstaande toetreding van de Europese Unie tot het EVRM is het in het
belang van Nederland te verzekeren dat het EHRM goed functioneert.
Op basis van de huidige situatie vreest de Regering dat het functioneren
van het Hof voor de lange termijn niet afdoende is geborgd vanwege het
grote aantal aanhangig gemaakte zaken waardoor een grote werkachter-
stand is ontstaan en waardoor in een toenemend aantal gevallen
voorlopige maatregelen (interim measures) worden getroffen.
Voor zaken tegen Nederland gaat dit algemene beeld niet volledig op. Op
dit moment zijn er bij het Hof iets meer dan 1500 zaken tegen Nederland
aanhangig (hetgeen overeenkomt met 1% van het totale aantal klachten in
Straatsburg). Statistieken uit voorgaande jaren laten zien dat het
overgrote merendeel van deze klachten (meer dan 90%) door het Hof
kennelijk ongegrond dan wel op andere gronden niet-ontvankelijk wordt
verklaard. Sinds 1 januari 2007 is Nederland in tien zaken veroordeeld
door het Hof. Nederland bevindt zich daarmee qua aantal geconstateerde
schendingen op gelijke voet met San Marino. De geconstateerde
schendingen hebben voornamelijk betrekking op het straf(proces)recht en
het vreemdelingenrecht. De laatste schending op het terrein van sociale
zekerheidswetgeving is een kleine tien jaar geleden. Ook wat betreft de
oplegging van voorlopige maatregelen dient het bovengeschetste beeld
voor Nederland te worden genuanceerd: tot nu toe zijn in 2011 door
Nederlandse advocaten iets meer dan 140 verzoeken tot oplegging van
een voorlopige maatregel ingediend bij het EHRM, waarvan er acht zijn
toegewezen (iets meer dan 5% van het totale aantal verzoeken). Ten slotte
blijkt uit cijfers dat op dit moment in acht Nederlandse zaken de imple-
mentatie van de uitspraak door het Comité van Ministers wordt gecontro-
leerd, hetgeen overeenkomt met 0,11% van het totaal aantal bij het
Comité aanhangige zaken. Dit politieke besluitvormingsorgaan is onder
meer belast met het monitoren van de naleving van Hofuitspraken en
bespreekt een aantal keer per jaar plenair de naleving van zaken soms met
een hoog politiek-gevoelig karakter, zoals bijvoorbeeld de Britse zaak Hirst
over het ontnemen van stemrecht aan gedetineerden.
Ondanks deze statistieken voor de Nederlandse zaken bij het EHRM acht
de Regering het haar constitutionele opdracht (artikel 90 Grondwet) en
haar taak als verdragsstaat (artikel 1 EVRM) om een actieve rol te spelen
in de onderhandelingen om de toekomst van het Hof op de lange termijn
zeker te stellen. Temeer daar de doorwerking van uitspraken van het Hof
in de Nederlandse rechtsorde niet beperkt is tot uitspraken die gericht zijn
tegen Nederland zelf.
Deze hervormingen moeten een oplossing bieden voor de grote achter-
standen in de behandeling van zaken, zodat het Hof zich kan blijven
richten op hoofdzaken. Tevens vormen deze hervormingen een
gelegenheid om de kwaliteit van uitspraken van het Hof te waarborgen.
De inzet van de Regering in het zogenaamde «post-Interlaken proces»,
waarvan de ministeriële conferentie in Izmir deel uitmaakt, is dienover-
eenkomstig gericht op een aantal pijlers: (a) verankering van het beginsel
van subsidiariteit, (b) efficiëntie van de werkprocessen binnen het Hof,
(c) versterking van de institutionele inbedding van het Hof, (d) borging
van de kwaliteit van de jurisprudentie, (e) reflectie inzake de huidige
laagdrempelige toegang tot het Hof en (f) nadruk op meer «country
specific solutions». Deze aspecten zullen hieronder nader worden
toegelicht. Ten slotte zal een kabinetsvisie worden gegeven op de
toetreding van de Europese Unie tot het EVRM.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                        2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>Het EHRM is een subsidiair mechanisme in aanvulling op de mensenrech-
telijke bescherming die primair op nationaal niveau wordt geboden. Dit
subsidiaire karakter van het Verdrag komt op meerdere plekken in de
bepalingen van het Verdrag tot uitdrukking. Zo moet een klager alle
nationale rechtsmiddelen hebben uitgeput voordat hij zich kan wenden tot
het Hof. Ook het Hof zelf heeft in zijn jurisprudentie uitdrukking gegeven
aan het beginsel van subsidiariteit door de zogenaamde «margin of
appreciation» doctrine. Deze door het Hof zelf ontwikkelde doctrine houdt
in dat verdragsluitende partijen een zekere beleidsdiscretie wordt gelaten
hoe men de in het Verdrag neergelegde rechten en vrijheden garandeert
op nationaal niveau. Het is immers niet de taak van het Hof om de
wetgeving van de diverse verdragsluitende partijen te harmoniseren. Het
Hof erkent deze beleidsdiscretie bij nagenoeg alle bepalingen van het
Verdrag, uitgezonderd de rechten die zijn neergelegd in de artikelen 2 en 3
EVRM (respectievelijk het recht op leven en het folterverbod). Het beginsel
van subsidiariteit geeft zodoende uitdrukking aan de gedeelde verant-
woordelijkheid van staten en Hof om de rechten in het Verdrag te
verzekeren.
Enerzijds impliceert het beginsel van subsidiariteit de noodzaak om het
EVRM-acquis op nationaal niveau afdoende te beschermen. De Regering
is van oordeel dat in de Nederlandse rechtsorde wordt voldaan aan deze
verplichting. Niet alleen in het wetgevingsproces (te denken valt aan de
uit de Aanwijzingen voor de Regelgeving voortvloeiende verplichting om
in een memorie van toelichting stil te staan bij de verenigbaarheid van
een wetsvoorstel met de bepalingen van het EVRM), maar ook in de
rechtspraak, de beschikbaarheid van nationale rechtsmiddelen en de
diverse juridische opleidingen. Verdere versterking van deze nationale
mechanismen is beoogd met de oprichting van het College voor de
Rechten van de Mens, zoals voorzien in het daartoe strekkende
wetsvoorstel dat thans aanhangig is bij de Eerste Kamer. Waar elders in
Europa dergelijke nationale mechanismen ontbreken of niet voldoende
voorhanden zijn, dient versterking van deze nationale mechanismen ter
hand te worden genomen waar mogelijk ondersteund door EU-initiatie-
ven.
Anderzijds impliceert het beginsel van subsidiariteit dat ook het Hof
waakzaam moet blijven om de subsidiaire rol die het Hof eigen is volledig
tot zijn recht te laten komen. Zo zou het Hof in beginsel geen feiten
moeten laten meewegen die dateren van na afronding van de nationale
gerechtelijke procedure. Nationale gerechten hebben in dat geval immers
nog niet de kans gehad zich uit te laten over deze feiten. Tevens zou het
Hof in beginsel de waardering van feiten of de belangenafweging van een
nationale (gerechtelijke) autoriteit dienen te respecteren, tenzij deze
kennelijk onredelijk is. De wijze waarop EVRM-rechten worden gegaran-
deerd in diverse landen kan verschillen, hetgeen ook logisch is in het licht
van de sociaal-economische, politieke en juridische verschillen die
bestaan in de 47 verdragsluitende partijen bij het EVRM. De Regering zal
deze boodschap blijven uitdragen richting het Hof in voorkomende
aanhangige procedures, interventies of andere verklaringen, en daarbij
optrekken met andere gelijkgezinde landen in het Comité van Ministers.
Het Hof kan tevens uitdrukking geven aan zijn subsidiaire rol door
bestaande ontvankelijkheidsvoorwaarden strikt te interpreteren en toe te
passen. Sinds 2010 is een «de minimis» regel gecodificeerd in het
Verdrag; een klager die geen «wezenlijk nadeel» heeft geleden door de
gestelde schending van het Verdrag wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Deze voorwaarde moet nog tot ontwikkeling komen in de Straatsburgse
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                        3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>jurisprudentie verder zou kunnen ontwikkelen dan tot op de dag van
vandaag is gebeurd. Dit standpunt wordt momenteel door de regering
uitgedragen in de lopende onderhandelingen in het post-Interlaken
proces.
Efficiënte werkprocessen binnen het Hof
Het is evident dat de werklast van het Hof noopt tot een verdere stroom-
lijning van de werkprocessen bij de afwikkeling van klachten. In dit
verband dienen diverse aspecten te worden onderscheiden: (a) de
afwikkeling van voorlopige maatregelen door het Hof, (b) het filteren van
klaagschriften, (c) de aanpak van repetitieve klachten, en (d) de introductie
van een meer flexibel instrument om werkprocessen in de toekomst te
wijzigen.
Voorlopige maatregelen
Het Hof heeft de mogelijkheid indien onherstelbare schade dreigt voor
een klager een bevriezingsmaatregel op te leggen. Een dergelijke
maatregel kan worden opgelegd in een individuele zaak, maar kan ook,
doordat het Hof deze van een zekere motivering voorziet, een meer
generiek effect hebben. In het laatste geval geeft het Hof aan dat elke
casus die voldoet aan door het Hof gestelde voorwaarden onder de
werkingssfeer van de voorlopige maatregel valt. Voorlopige maatregelen
zijn juridisch bindend voor de Verdragspartij waartegen de maatregel is
gericht. Een veel voorkomend voorbeeld van een opgelegde voorlopige
maatregel is een tijdelijk verbod van uitzetting van een of meer
perso(o)nen, in weerwil van het voornemen van de gedaagde staat. Het
Hof maakt in de praktijk alleen van deze mogelijkheid gebruik indien de
klager mogelijk bedreigd wordt met dood of onmenselijke behandeling.
De maatregel geeft geen inhoudelijk oordeel over de merites van de zaak,
maar schort uitzettingshandelingen op totdat het Hof zich heeft kunnen
buigen over de merites van de zaak. Aldus zijn voorlopige maatregelen
tijdelijke bevriezingsmaatregelen en geen «uitspraken» van het Hof. Het
bovenstaande laat onverlet dat het Hof alleen zal overgaan tot oplegging
van een voorlopige maatregel nadat het klaagschrift is bestudeerd en het
Hof van oordeel is dat prima facie aangetoond is dat daadwerkelijk
onherstelbare schade dreigt.
Hierboven is geschetst dat het aantal verzoeken om een voorlopige
maatregel op te leggen drastisch is toegenomen. Om die reden is de
Regering van oordeel dat het instrument nader gereguleerd dient te
worden, mede aan de hand van de opgedane ervaringen in de afgelopen
jaren. De Regering heeft daarbij met instemming kennis genomen van de
actualisering van de zogenaamde Practice Directions ten behoeve van
klagers en hun gemachtigden van 28 juli 2011. Nadere regulering zou op
het volgende betrekking kunnen hebben:
• Doorlooptijden van aanhangige EHRM-zaken na oplegging van een
    voorlopige maatregel verkorten
    In de praktijk duurt het geruime tijd voordat het Hof toekomt aan het
    geven van een inhoudelijk oordeel in zaken waarin een voorlopige
    maatregel is opgelegd. Dit kan in het belang zijn van de klager en deze
    situatie heeft daardoor een aanzuigende werking. Het verdient
    aanbeveling dat het Hof standaard toepassing geeft aan Procedurere-
    gel 41 van zijn Procesreglement (procedure van versnelde behande-
    ling) indien het een voorlopige maatregel heeft opgelegd. De proce-
    dure onder Regel 41 zou dan gekoppeld moeten worden aan een vaste
    termijn van bijvoorbeeld zes maanden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                        4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>    te betwisten
    In de huidige praktijk geschiedt oplegging van een voorlopige
    maatregel niet altijd op basis van een procedure op tegenspraak
    (hoor/wederhoor). Derhalve wordt voorgesteld om een mechanisme
    op te nemen waardoor een staat de gelegenheid krijgt een opgelegde
    voorlopige maatregel te betwisten zodat het Hof kennis kan nemen van
    bij de lidstaat berustende informatie. De Regering heeft met instem-
    ming kennis genomen van de tijdens een bezoek van de minister van
    Veiligheid en Justitie aan het EHRM getoonde bereidheid van het Hof
    om een dergelijk systeem in de toekomst in te voeren.
•   Het EHRM moet zich vergewissen dat een verzoek tot oplegging van
    een voorlopige maatregel geschiedt met toestemming van de klager
    Het Hof dient zich ervan te vergewissen dat een klacht of verzoek om
    oplegging van een voorlopige maatregel wordt ingediend met
    toestemming van de klager en niet op eigen initiatief van de advocaat.
    Dit betekent dat de advocaat een ondertekende toestemmingsverkla-
    ring van recente datum moet kunnen overleggen.
•   Verbeterde communicatie tussen Hof en staten inzake voorlopige
    maatregelen
    In de praktijk schort het van tijd tot tijd aan eenduidige communicatie
    inzake voorlopige maatregelen. Zowel voor de met uitzetting van
    vreemdelingen belaste uitvoeringsdiensten als voor de (gemachtigden
    van) klagers, welke laatsten immers een inschatting moeten kunnen
    maken of het indienen van een verzoek om oplegging van een
    voorlopige maatregel kansrijk zal zijn, is het van belang dat de
    informatievoorziening inzake voorlopige maatregelen verder wordt
    verbeterd. De Regering heeft met instemming kennisgenomen van het
    feit dat het Hof naar aanleiding van een bezoek van de minister van
    Veiligheid & Justitie heeft besloten voortaan halfjaarlijkse cijfers te
    publiceren waaruit blijkt hoeveel verzoeken om voorlopige maatrege-
    len zijn ingediend, afgewezen en toegewezen, tegen welke landen de
    verzoeken werden ingediend en, voor zover het de uitzetting van
    vreemdelingen betrof, welke landen van herkomst het betreft.
•   Garanderen van coherentie in de oplegging van voorlopige maatrege-
    len
    De Regering heeft met instemming kennis genomen van een recent
    initiatief van het Hof om de werkprocessen binnen de griffie van het
    Hof terzake te centraliseren. Hierdoor zal het eenvoudiger zijn om een
    consistent beleid te voeren en om alle relevante informatie te
    centraliseren.
Filterwerkzaamheden: welk gremium binnen het Hof handelt welk soort
zaken af?
Hiervoor is reeds aangegeven dat meer dan 90% van de in Straatsburg
ingediende zaken kennelijk ongegrond dan wel niet-ontvankelijk wordt
verklaard. In het in 2010 in werking getreden Protocol nr. 14 bij het EVRM
is de mogelijkheid geïntroduceerd om deze zaken af te laten doen door
een enkelvoudige rechter. Desalniettemin is de Regering van oordeel dat
moet worden nagedacht over de invoering van een nieuw filtermecha-
nisme om het Hof in staat te stellen zo efficiënt mogelijk deze zaken af te
doen. Meerdere landen opteren voor de introductie van een nieuwe
categorie rechters die dergelijke filterwerkzaamheden zouden moeten
verrichten. De regering heeft echter een voorkeur om dergelijke
werkzaamheden te laten verrichten door specifiek aangewezen leden van
de griffie.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                        5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Momenteel zijn ongeveer 150 000 zaken aanhangig bij het Hof. Van de
zijde van het Hof is aangegeven dat om en nabij 90 000 zaken niet-ont-
vankelijk respectievelijk kennelijk ongegrond zullen worden verklaard. De
reden dat deze zaken niet reeds zijn afgedaan heeft te maken met een
gebrek aan capaciteit aan de zijde van het Hof. Van de resterende 60 000
zaken zijn rond de 30 000 zaken zogenaamde kloonzaken/repetitieve
klachten, waarbij de klacht identiek is aan een zaak waarin het Hof reeds
een schending van het Verdrag heeft geconstateerd. De effectieve aanpak
van deze kloonzaken vergt afzonderlijke oplossingen:
• de Regering heeft met instemming kennis genomen van het feit dat
    het Hof zelf reeds in het Procesreglement de nodige maatregelen heeft
    genomen door opname van de zogenaamde «pilot judgment proce-
    dure» (de op 1 april jl. ingevoerde Regel 61), waarbij het Hof één
    principiële uitspraak doet die vervolgens toegepast kan worden in de
    vele identieke klachten die eveneens aanhangig zijn bij het Hof;
• de Regering heeft eveneens met instemming kennis genomen van een
    recente wijziging in de wijze waarop toezicht wordt gehouden op de
    tenuitvoerlegging van uitspraken van het Hof, waardoor meer
    aandacht wordt geschonken aan de bestrijding van geconstateerde
    structurele gebreken in het nationale rechtsstelsel;
• verder zal bekeken moeten worden welk gremium binnen het Hof
    belast wordt met de afdoening van dergelijke kloonzaken;
• ten slotte steunt de Regering de gedachte van de invoering van
    zogenaamde «advisory opinions». Dit zou de hoogste nationale
    rechterlijke instanties in een land de mogelijkheid bieden om niet-
    bindende adviezen van het Hof inzake de interpretatie van het EVRM te
    vragen. De gedachte achter het voorstel is dat een nationale autoriteit
    op deze wijze kan laten toetsen of een bepaalde jurisprudentielijn
    «EVRM-proof» is en dat op deze wijze vermeden kan worden dat vele
    individuele klachten over hetzelfde onderwerp worden ingediend bij
    het Hof. De Regering is van oordeel dat een dergelijk systeem het
    beginsel van subsidiariteit verder versterkt. Nadat het Hof een advies
    heeft gegeven kunnen de nationale (gerechtelijke) autoriteiten het
    advies tenuitvoerleggen in de eigen rechtsorde, rekening houdende
    met de eigen juridische, sociale en politieke achtergronden.
Flexibel instrument voor organisatorische en procedurele bepalingen
Procedurele bepalingen van het Verdrag dienen in de toekomst eenvou-
diger te kunnen worden geamendeerd (zonder het opstellen van een
protocol dat onderworpen is aan een afzonderlijke ratificatieprocedure in
alle verdragsluitende partijen) teneinde noodzakelijke hervormingen
sneller en effectiever te kunnen doorvoeren. Een dergelijk instrument
(statuut), waarvoor een basis in het Verdrag moet worden gecreëerd, kan
zowel worden gebruikt om bepalingen die nu deel uitmaken van het
Verdrag in op te nemen, als bepalingen die nu deel uitmaken van het
procesreglement van het Hof zelf. Een statuut biedt aldus mogelijkheden
nadere regels te stellen rond het instrument van de voorlopige voorzie-
ningen, zoals hierboven geschetst.
Versterking van de institutionele inbedding van het Hof
In elke rechtsorde is de rechter een onderdeel van een systeem van
checks and balances. Dat is bij het toezichtmechanisme onder het EVRM
niet anders. De politieke besluitvorming in de Raad van Europa vindt
immers plaats binnen het Comité van Ministers (CM). Het CM heeft de
bevoegdheid om de invulling van normen uit het EVRM aan te vullen
en/of te verduidelijken door middel van officiële CM-besluiten, bijvoor-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                        6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>actualiteit in een land, antwoorden op vragen van de Parlementaire
Assemblee van de Raad van Europa (PACE) over bijvoorbeeld godsdienst-
vrijheid of algemene politieke richtlijnen op het gebied van LGBT (Lesbian
Gay Bisexual Transgender). Het Hof verwijst in de huidige jurisprudentie
regelmatig naar besluiten van het CM. Daarnaast heeft het CM de taak om
toe te zien op de tenuitvoerlegging van uitspraken van het Hof. Teneinde
de democratische legitimiteit van het Hof te borgen wil de regering
voorkomen dat het Hof functioneert in een te geïsoleerde positie. De
dialoog tussen het Hof en de lidstaten dient op meerdere wijzen te
worden bevorderd. Dit draagt bij aan een zo klein mogelijke afstand
tussen het Hof en de politiek-maatschappelijke actualiteit in de lidstaten.
Nederland is voornemens deze dialoog meer gestalte te geven door te
pleiten voor een meer actieve rol van het CM. Door de rol van het CM te
versterken ontstaat meer dialoog tussen het Hof en de politieke arena
(checks and balances) waardoor aansluiting met actuele ontwikkelingen
beter is geborgd. Daarbij dient in acht te worden genomen dat het CM
zich niet uitlaat over zaken die nog onder de rechter zijn. En verder zal –
net als op nationaal niveau – de politieke arena een zekere mate van
terughoudendheid moeten betrachten omwille van de rechterlijke
onafhankelijkheid van de andere macht (het Hof).
Vanzelfsprekend is bij het voeren van deze dialoog ook een rol weggelegd
voor PACE. Verder kan men denken aan het periodieke overleg tussen het
Hof en de Agenten van de diverse Verdragsluitende Partijen over kwesties
van procedurele aard.
Ten slotte kan een dergelijke dialoog ook worden gevoerd door te
interveniëren in aanhangige procedures tegen andere landen, zodat het
Hof ook het Nederlandse standpunt kan betrekken in zijn besluitvorming.
Borging van de kwaliteit van de jurisprudentie
Teneinde klagers in staat te stellen een goede inschatting te maken van de
kansen van een klacht én teneinde nationale autoriteiten (zowel wetgever,
bestuur als rechter) in staat te stellen het EVRM-acquis overeenkomstig
het beginsel van subsidiariteit zo goed mogelijk ten uitvoer te leggen op
nationaal niveau, dient de jurisprudentie van het Hof duidelijk en
consistent te zijn. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid is het belangrijk
dat het Hof in beginsel niet afwijkt van eerdere precedenten. Indien het
Hof in uitzonderlijke omstandigheden wel omgaat, dienen de redenen
hiervoor duidelijk uiteen te worden gezet. In soortgelijke zin is consistentie
in de toewijzing van billijke genoegdoening ex artikel 41 EVRM noodza-
kelijk teneinde aanzuigende werking van klachten te voorkomen. De
Regering zal bovenstaande aandachtspunten onder de aandacht van het
Hof blijven brengen, bijvoorbeeld middels het periodieke overleg dat
plaatsvindt tussen het Hof en de Agenten van de lidstaten bij het Hof.
Kwaliteit van jurisprudentie is onlosmakelijk verbonden met de kwaliteit
van rechters. Ook van de zijde van het Hof is aangegeven dat hier
waakzaamheid is geboden. De benoemingsprocedure van nieuwe rechters
in het Hof is getrapt. Een verdragsluitende partij draagt zelf drie kandi-
daten voor, maar benoeming vindt plaats door de Parlementaire
Assemblee van de Raad van Europa (waarin voor Nederland zeven
parlementariërs uit de Eerste Kamer en zeven uit de Tweede Kamer zitting
hebben).
De nationale selectieprocedure in Nederland (waarbij besluitvorming in de
ministerraad vooraf gaat door een openbare vacature en een advies van
een comité van drie onafhankelijke leden waarin qualitate qua de
President van de Hoge Raad en de vicepresident van de Raad van State
zitting hebben) geldt in Europa als «best practice». De Regering zal andere
landen van informatie voorzien en aanbevelen soortgelijke procedures in
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>deze «best practices» worden uitgewisseld tussen de lidstaten van de
Raad van Europa.
Met instemming heeft de Regering kennis genomen van een verdere
versterking van de benoemingsprocedure van rechters op Europees
niveau. Recentelijk is een zogenaamd «screening panel» ingericht (waarin
ook oud-rechters van het Hof zitting hebben) dat kandidaten voor de post
van rechter zal beoordelen voordat PACE één van de kandidaten benoemt.
Nederland zal het werk van het «screening panel» en PACE in deze op de
voet volgen: kandidaten die niet voldoen aan de voorwaarden, die niet
beschikken over afdoende relevante ervaring en die gezien hun huidige
functie niet de vereiste onafhankelijkheid met zich mee dragen om rechter
te worden, dienen te worden afgewezen.
Laagdrempeligheid: toegang tot het Hof
Het huidige stelsel is gebaseerd op de gedachte dat toegang tot het Hof
laagdrempelig dient te zijn: men kan een klacht indienen bij het Hof in de
eigen taal, procesvertegenwoordiging is niet vereist en evenmin is vereist
dat een klager als gebruiker van de diensten van het Hof een griffierecht
betaalt. Het is de vraag of dit huidige stelsel nog langer houdbaar is. Meer
dan 90% van alle ingediende klachten wordt door het Hof als kennelijk
ongegrond dan wel op andere gronden niet-ontvankelijk afgedaan. Het
Hof is nooit in het leven geroepen om het overgrote deel van zijn tijd te
besteden aan klachten die niet thuis horen bij een Europese instantie die
dienst doet als laatste vangnet. Het Hof moet geen uitspraken hoeven
doen in zaken die een ondergeschikt belang dienen. Er bestaat derhalve
behoefte aan een impuls om klagers tot reflectie te manen voordat zij een
klacht indienen bij het Hof. Zo kan worden gedacht aan het invoeren van
een reëel griffierecht, waarbij bepaalde categorieën zaken zouden moeten
worden uitgezonderd zoals in nationale stelsels het geval is. Gezien de
grote verschillen in levensstandaard tussen de verdragsluitende partijen,
zal ook differentiatie naar land nodig zijn. De klager dient het griffierecht
terug te krijgen als zijn klacht niet behoort tot de 90% kennelijk onge-
gronde zaken.
Om de hiervoor genoemde redenen heeft de Regering met interesse
kennisgenomen van initiatieven om de toegang tot het Hof te reguleren.
Zo staat de Regering positief tegenover het voorstel van het Hof om
verplichte procesvertegenwoordiging voor klagers in te voeren. Het
voorstel van Duitsland om klagers die meermaals een kennelijk
ongegronde klacht indienen te beboeten, wordt eveneens positief
beoordeeld.
Ten slotte is de Regering voornemens om ook op nationaal niveau te
bekijken of (disciplinaire) maatregelen genomen kunnen worden tegen
advocaten in geval van situaties die gekwalificeerd moeten worden als
misbruik van recht.
«Country specific solutions»
Bij het zoeken naar oplossingen voor de problemen waarmee het Hof zich
geconfronteerd ziet, dient ook betrokken te worden dat maar liefst 60%
van de klachten bij het Hof afkomstig is uit een vijftal landen, te weten
Italië, Oekraïne, Roemenië, Rusland en Turkije. De Regering wil de
haalbaarheid van een meer landgerichte aanpak nader onderzoeken
teneinde de stroom klachten uit deze vijf landen te doen verminderen. De
Raad van Europa zou technische assistentie gerichter moeten inzetten op
deze landen en er een meer verplichtend karakter aan dienen te geven. De
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>EU-instrumenten zoals het Nabuurschapsprogramma (ENP).
De Regering zal bovenstaande inzet vanzelfsprekend uitdragen in alle
daarvoor relevante gremia in de Raad van Europa, zo mogelijk in
samenspraak met gelijkgestemde landen. Het is de Regering gebleken dat
bovenstaande geconstateerde problemen en voorgestelde oplossingen
niet slechts in Nederland de aandacht hebben. De verwachting is dan ook
dat Nederland in veel gevallen niet alleen zal staan in de discussie.
Nederland zal waar mogelijk aansluiting zoeken bij verschillende
gelijkgezinde landen en in het bijzonder met het Verenigd Koninkrijk
optrekken, mede met het oog op het aanstaand voorzitterschap van het
Comité van Ministers van het Verenigd Koninkrijk (november 2011–mei
2012).
Toetreding van de Europese Unie tot het EVRM
De toetreding van de EU tot het EVRM is vastgelegd in artikel 6 van het
EU-Verdrag. Dit luidt: «De Unie treedt toe tot het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Die toetreding wijzigt de bevoegdheden van de Unie, zoals bepaald in de
Verdragen, niet.»
Door toetreding van de EU tot het EVRM kunnen burgers handelingen van
EU-instellingen waardoor zij rechtstreeks geraakt worden en na uitputting
van de EU-rechtsmiddelen, voorleggen aan het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens. Ook wordt het voor burgers mogelijk over
handelingen van EU-lidstaten, die gebaseerd zijn op EU-recht, niet alleen
te klagen tegen de lidstaten (na uitputting van de nationale rechtsmid-
delen), maar ook tegen de EU. Deze laatste is immers verantwoordelijk
voor de regelgeving die aan de handeling ten grondslag lag. De verant-
woordelijkheid kan hierdoor adequater worden toegedeeld aan de
lidstaten en de Unie.
Nederlandse inzet
Voor Nederland is het belangrijk dat de voorwaarden voor toetreding van
de EU tot het EVRM, die vastliggen in het EU-onderhandelingsmandaat,
zo nauwkeurig en gedetailleerd mogelijk worden uitgewerkt in het
Toetredingsakkoord en in de interne EU-regelingen.
Nederland stelt een aantal voorwaarden. Zo moet bij toetreding van de EU
tot het EVRM de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de EU-lidstaten
onveranderd blijven. Dat betekent onder meer dat het Hof van Justitie van
de EU in de gelegenheid wordt gesteld zich vooraf uit te spreken over de
precieze uitleg van EU bepalingen die verband houden met klachten,
ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Daarnaast
is de vormgeving van een zogenaamd «co-respondentmechanisme» van
belang. Door dit mechanisme kan de EU als aangeklaagde partij worden
betrokken in een klachtprocedure tegen een EU-lidstaat over de
toepassing van EU-recht en vice-versa. Verder moet in de interne
regelingen opgenomen worden dat de rechter, die vanuit de EU zitting zal
nemen in het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ervaren is in de
toepassing van het EU-recht en kennis heeft van de bevoegdheidsver-
deling binnen de EU.
Een ander belangrijk punt voor Nederland is dat de EU gelijkwaardig zal
zijn aan andere partijen in het Comité van Ministers van de Raad van
Europa, wanneer het Comité de taken uitoefent in het kader van het
EVRM.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>                                              EU nauw aan elkaar verbonden en vormen deze een totaalpakket. Het is
                                              voor Nederland van belang dat naast de aandacht voor het concept-
                                              toetredingsakkoord voldoende tijd genomen wordt om over deze interne
                                              regels te onderhandelen. Nederland heeft de Commissie tijdens de
                                              JBZ-Raad van 9 en 10 juni jl. opgeroepen om zo spoedig mogelijk met
                                              nieuwe voorstellen voor de interne regels te komen. Pas als er overeen-
                                              stemming bestaat over zowel het concept-toetredingsakkoord als over de
                                              interne EU-regels, zal Nederland aan dit totaalpakket zijn goedkeuring
                                              hechten.
                                              Het proces
                                              Om de toetreding van de EU tot het EVRM mogelijk te maken, heeft de
                                              Raad op 4 juni 2010 een gedetailleerd onderhandelingsmandaat aange-
                                              nomen. De Commissie is aangewezen als onderhandelaar voor de EU. De
                                              Commissie geeft tussentijdse terugkoppelingen van de onderhandelingen
                                              aan de raadswerkgroep Fundamentele Rechten en Vrij Verkeer van
                                              Personen (FREMP). In deze raadswerkgroep worden momenteel ook de
                                              regelingen besproken die intern binnen de EU toepassing en verdere
                                              uitwerking moeten geven aan onderdelen van het Toetredingsakkoord.
                                              Aan de zijde van de Raad van Europa is de toetreding van de EU tot het
                                              EVRM mogelijk geworden door de inwerkingtreding van Protocol nr. 14,
                                              eveneens in juni 2010. Daardoor is in artikel 59 lid 2 EVRM een bepaling
                                              opgenomen die luidt: «De Europese Unie kan toetreden tot dit Verdrag».
                                              Namens de Raad van Europa onderhandelt een groep van zeven experts
                                              uit EU-lidstaten1 en zeven experts uit niet-EU-lidstaten2 over toetreding
                                              door de EU. Deze groep van experts is gekozen uit en verantwoording
                                              verschuldigd aan het Stuurcomité Mensenrechten (CDDH), waarin alle
                                              zevenenveertig lidstaten van de Raad van Europa vertegenwoordigd zijn
                                              en dat op zijn beurt verantwoording verschuldigd is aan het Comité van
                                              Ministers. De veertien experts van de Raad van Europa en de Commissie
                                              hebben elkaar in het afgelopen jaar acht keer getroffen in een onderhan-
                                              delingsgroep onder Noors voorzitterschap. De voorzitter van de onder-
                                              handelingsgroep brengt verslag uit aan het CDDH.
                                              Vanzelfsprekend is Nederland nauw betrokken bij de voorbereiding van
                                              het standpunt dat de Commissie namens de Unie inneemt. Doordat een
                                              Nederlandse expert in de onderhandelingsgroep was gekozen, gold
                                              hetzelfde voor de daadwerkelijke onderhandelingen tussen beide
                                              organisaties.
                                              De onderhandelingen over de voorwaarden voor toetreding zijn in juli
                                              2010 van start gegaan. Op 24 juni zijn de onderhandelingen op expert-
                                              niveau voltooid. De volgende stap is dat het Comité van Ministers van de
                                              Raad van Europa een politiek oordeel moet geven over de resultaten van
                                              het overleg op expertniveau. Naar verwachting zal dat voor het eind van
                                              het jaar geschieden.
                                              Aan EU-zijde zullen de lidstaten en de instellingen onder het Poolse
                                              voorzitterschap verder onderhandelen over de interne EU-regelingen voor
                                              de toepassing van het toetredingsakkoord.
                                              De Commissie, maar ook iedere lidstaat, kan het Hof van Justitie van de
1
  Te weten: Duitsland, Finland, Frankrijk,    EU vragen te bekijken of het concept-toetredingsakkoord in overeen-
Letland, Nederland, Roemenië en het Verenigd  stemming is met de EU-verdragen en de bevoegdheidsverdeling binnen
Koninkrijk.
2                                             de EU ongemoeid laat. Indien het Hof van Justitie onverhoopt zou vinden
  Te weten: Armenië, Kroatië, Montenegro,
Noorwegen, de Russische Federatie, Turkije en dat dat niet het geval is, zal opnieuw onderhandeld moeten worden. De
Zwitserland.
                                              Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>zullen voorleggen.
Het uiteindelijke toetredingsakkoord moet worden goedgekeurd door alle
47 staten die partij zijn bij het EVRM (waaronder alle EU-lidstaten) en door
de EU. Binnen het EU-kader moet het besluit tot sluiting, waarin ook de
noodzakelijke interne EU-spelregels zullen worden vastgelegd, door de
Raad met unanimiteit worden aangenomen, na goedkeuring door het EP.
Tot slot moeten de EU-lidstaten het besluit tot sluiting in overeen-
stemming met hun grondwettelijke bepalingen hebben goedgekeurd
voordat het in werking kan treden. Dat betekent dat zowel het toetredings-
verdrag als het EU-goedkeuringsbesluit ter goedkeuring zal worden
voorgelegd aan het parlement.
Krachtenveld
De toetreding van de EU tot het EVRM wordt binnen de EU breed
gedragen. De Hongaarse en Poolse EU-voorzitterschappen hebben
aangegeven snel vooruitgang te willen boeken met het toetredingsak-
koord en de uitwerking van de bijbehorende interne regels.
Enkele lidstaten van de Raad van Europa die geen lid van de EU zijn
hebben laten blijken niet te snel te willen besluiten. Binnen de Raad van
Europa wordt veel belang gehecht aan de gelijkwaardigheid tussen
lidstaten die wel, en lidstaten die niet tevens EU-lidstaat zijn. Bovendien
leven bij sommige landen bezwaren tegen een – vermeende – voorkeurs-
positie van de EU.
De minister van Veiligheid en Justitie,
I. W. Opstelten
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 32                        11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid
   voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling, december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>52   EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53   BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54   DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55   MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56   INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57   HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
     politiek geladen context, juli 2007
58   DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59   DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60   NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61   DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds belang, juli 2008
62   KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63   UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64   CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak, maart 2009
65   TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66   DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67   HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68   DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69   SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: De verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen
     massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
     veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
  1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
  2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
  3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
  4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
  5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
  6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
  7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009’, maart 2004
  8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen?, april 2005
10  Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11  Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12  Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13  Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14  Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15  Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16  Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17  Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>