<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Mr. F. Korthals Altes
Vicevoorzitter Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Leden          Mw. prof.dr. J. Gupta
               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
               Prof.dr. A. de Ruijter
               Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
               Prof.dr. A. van Staden
               Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
               Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB DEN HAAG
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               e-mail aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gecombineerde Commissie Europese Defensiesamenwerking
Voorzitter 		    Prof.dr. A. van Staden
Vicevoorzitter		 Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
Leden 			        Mw. prof.dr. M.G.W. den Boer
			Prof.dr. J. Colijn
			              Mw. dr. M. Drent
			              Dr. W.F. van Eekelen
			              Mw. mr.dr. B.T. van Ginkel
			              Mw. prof.dr. M. de Goede
			Dr. A.R. Korteweg
			              Mw. dr. C.M. Megens
			              Lt-gen. b.d. H.W.M. Satter
			Prof.dr. J.G. Siccama
Secretaris		     Drs. M.W.M. Waanders
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
Inleiding       6
I         Perspectieven op defensiesamenwerking         10
          I.1     Soevereiniteit en defensiesamenwerking        10
          I.2     Multilaterale defensiesamenwerking        13
                  I.2.1    NAVO-capaciteiteninitiatieven     13
                  I.2.2    EU-capaciteitenontwikkeling     16
                  I.2.3    Regionale defensiesamenwerking        21
          I.3     Bilaterale samenwerkingsverbanden         23
          I.4     Overige samenwerkingsverbanden          26
II        Lessen uit Europese defensiesamenwerking         30
          II.1    Soevereiniteit, samenwerking en het belang
                  van de strategische cultuur      30
          II.2    Gezamenlijke instandhouding van materieel         31
          II.3    Standaardisatie als ‘multiplier’ voor samenwerking      32
          II.4    Industriële en economische belangen als hindermacht        32
          II.5    Investeren gaat voor de baat uit     33
          II.6    Meer nadruk op civiel-militaire samenwerking in de EU       33
          II.7    Samenwerking schept verplichtingen         34
          II.8    EU-NAVO samenwerking        34
          II.9    Snelle reactiemachten van EU en NAVO         35
III       Verdieping van Europese defensiesamenwerking          36
          III.1   Top-downstrategie voor Europese veiligheidssamenwerking        36
          III.2   Bottom-upaanpak voor bilaterale samenwerking         37
          III.3   Bilaterale samenwerking: met wie?       38
          III.4   Nieuwe mogelijkheden voor bilaterale samenwerking         41
          III.5   Aansluiting van bilaterale samenwerking
                  op multilaterale samenwerking          46
IV        Conclusies en aanbevelingen       47
Bijlage I         Adviesaanvraag
Bijlage II        Overzicht gebruikte begrippen
Bijlage III       Overzicht gebruikte afkortingen
Bijlage IV        Overzicht geraadpleegde personen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
De regering heeft de AIV op 20 juni 2011 gevraagd advies uit te brengen over
de verdieping van de internationale defensiesamenwerking van de Nederlandse
krijgsmacht. Volgens de aanvraag is verdieping van deze samenwerking
noodzakelijk omwille van de Europese veiligheid en de lastendeling in het
trans-Atlantisch partnerschap (politiek en strategisch belang) en teneinde
militaire tekorten op te heffen en het militaire vermogen zoveel mogelijk op
peil te houden (militair belang). De vragen van de regering richten zich speciaal
op de implicaties voor de nationale soevereiniteit van verschillende vormen
van defensiesamenwerking en op de lessen die uit multinationale programma’s
uit het verleden zijn te trekken. Logischerwijs sluit hier de vraag op aan naar
de (verdere) mogelijkheden in de toekomst tot defensiesamenwerking met
partnerlanden in bilateraal of breder verband. Uit de adviesaanvraag blijkt ook
dat de regering belang stelt in verbetering van de samenwerking tussen de EU
en de NAVO. De AIV heeft echter gemeend hierop in het bestek van dit advies
niet uitvoerig te hoeven ingaan, aangezien dit onderwerp al ruime aandacht
heeft gekregen in het advies dat in januari 2010 is uitgebracht over het nieuwe
strategisch concept van de NAVO.1 Overigens zullen verspreid in het advies
wel opmerkingen over de relatie tussen beide organisaties worden gemaakt. De
volledige tekst van de adviesaanvraag is als bijlage opgenomen.
Dit advies is als volgt opgebouwd. De inleiding begint met een korte
beschrijving van de politieke context waarin de huidige discussie over Europese
defensiesamenwerking wordt gevoerd. Vervolgens worden verschillende
verschijningsvormen van defensiesamenwerking geïnventariseerd en
worden enkele belangrijke vragen gesteld in relatie tot soevereiniteit en
afhankelijkheid.
In hoofdstuk I, Perspectieven op defensiesamenwerking, wordt nader ingegaan
op enkele soevereiniteitsvragen die aan defensiesamenwerking verbonden zijn.
Voorts worden de initiatieven voor capaciteitenversterking die in NAVO- en
EU-verband tot ontwikkeling zijn gekomen nader beschouwd, alsmede enkele
regionale en bilaterale initiatieven.
In hoofdstuk II, Lessen uit Europese defensiesamenwerking, worden de
belangrijkste lessen uit de praktijk van defensiesamenwerking in Europa
opgetekend.
In hoofdstuk III, Verdieping van Europese defensiesamenwerking, worden
concrete voorstellen gedaan voor de verdere internationale inbedding van de
Nederlandse krijgsmacht.
In Hoofdstuk IV, Conclusies en aanbevelingen, gaat de AIV in op de
noodzaak van ver(der)gaande Europese defensiesamenwerking en doet hij
beleidsaanbevelingen voor een samenhangende aanpak ter zake.
1  AIV-advies nummer 67, Het nieuwe strategisch concept van de NAVO, Den Haag, januari 2010.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>In de adviesaanvraag wordt zowel gesproken over internationale als over
Europese defensiesamenwerking. Waar in het advies – zoals uit bovenvermelde
opbouw blijkt – de nadruk ligt op het tweede, heeft de AIV het passend geacht
de verwijzing naar de Europese samenwerking in de titel tot uiting te laten
komen.
Ter voorbereiding van dit advies heeft de AIV een gecombineerde commissie
ingesteld, bestaande uit prof.dr. A. van Staden (voorzitter), lt-gen. b.d. M.L.M.
Urlings (vicevoorzitter), mw. prof.dr. M.G.W. den Boer, prof.dr. J. Colijn,
mw. dr. M. Drent, dr. W.F. van Eekelen, mw. mr.dr. B.T. van Ginkel, mw. prof.
dr. M. de Goede, dr. A.R. Korteweg, mw. dr. C.M. Megens, lt-gen. b.d. H.W.M.
Satter en prof.dr. J.G. Siccama. Het secretariaat werd gevoerd door drs. M.W.M.
Waanders (secretaris van de CVV), bijgestaan door de stagiairs mw. Q. Genee,
R.J.H. van Altvorst en M.V. Buijs. In de periode van juli 2011 tot januari
2012 is de commissie zeven keer bijeen geweest. Een aantal leden heeft in
september een werkbezoek afgelegd in Brussel, teneinde uit de eerste hand
informatie te verkrijgen over lopende ontwikkelingen op het terrein van
capaciteitensamenwerking bij de EU en de NAVO. Ook heeft de commissie met
een aantal deskundigen in Den Haag gesproken. In bijlage IV is een overzicht
van geraadpleegde personen opgenomen. De AIV is hen zeer erkentelijk voor
hun inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV van 27 januari
2012.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inleiding
Als gevolg van de financiële crisis in 2008 en 2009 worden in grote delen van Europa, waar-
onder Nederland, de komende jaren forse ombuigingen bij de krijgsmacht doorgevoerd. De
totale defensie-uitgaven van de Europese NAVO-lidstaten zijn alleen al in 2009 en 2010
met I 29 miljard geslonken, ofwel bijna viermaal het huidige jaarlijkse defensiebudget van
Nederland.2 In het verleden is gebleken dat nationale benaderingen van bezuinigingen
bij Defensie veelal prevaleerden boven een samenhangende Europese aanpak. Europese
hoofdsteden namen eerst zelfstandig besluiten over de afstoting of afslanking van militaire
capaciteiten, waarna in NAVO- en EU-verband gesproken werd over de gevolgen voor het
gezamenlijke militair vermogen. Ook bij de invulling van de huidige substantiële bezuinigin-
gen op de defensie-uitgaven heeft tussen Europese hoofdsteden onvoldoende onderlinge
afstemming en regievoering plaats gevonden. Vooral dit laatste geeft aanleiding tot bezorgd-
heid. De voormalige directeur van het Europees Defensie Agentschap (EDA) zegt hierover:
    ‘What is worrying is not so much the scale of cuts as the way they have been made:
    strictly on a national basis, without any attempt of consultation or co-ordination within
    either NATO or the EU, and with no regard to the overall defence capability which will
    result from the sum of these national decisions.’3
De financiële crisis brengt naast risico’s (krimpende defensiebudgetten) ook een nieuwe
uitdaging met zich mee (verdieping Europese defensiesamenwerking). Daarom hebben de
EU-ministers van Defensie deze crisis aangegrepen om de discussie over Europese defensie-
samenwerking nieuw leven in te blazen. In het najaar van 2010 hebben zij het Gent-initiatief
gelanceerd dat de mogelijkheden van pooling en sharing van militaire capaciteiten en van
verdere verdieping van defensiesamenwerking in kaart moet brengen. De belangrijkste rede-
nen voor meer defensiesamenwerking tussen Europese landen zijn: verbetering van de mili-
taire inzetbaarheid en interoperabiliteit (more capable forces), het tegengaan van onnodige
duplicatie van militaire middelen, verwachte kostenbesparingen, versterking van politieke
banden, gemeenschappelijke belangen en het tonen van bondgenootschappelijke solidari-
teit. Bij bovenvermelde kostenbesparingen tekent de AIV aan dat meer defensiesamenwer-
king niet de weg vrijmaakt voor nieuwe bezuinigingen op het defensiebudget.
De AIV meent dat allereerst de vraag aan de orde is met welke veiligheidsrisico’s Europa
in de toekomst geconfronteerd zal worden en in hoeverre de EU in staat moet zijn zo nodig
onafhankelijk van de Verenigde Staten te opereren in crisissituaties. Voorshands zal de EU
geen grootschalige militaire operaties kunnen uitvoeren zonder een Amerikaanse bijdrage.4
Naarmate het Amerikaanse buitenlandse en veiligheidsbeleid zich meer en meer gaat richten
op Azië en de Pacific en de trans-Atlantische relatie voor de Verenigde Staten dienovereen-
komstig aan betekenis verliest, zal Europa vaker een zelfstandige koers moeten varen en
zijn verantwoordelijkheid moeten nemen - ook militair - bij crisissituaties op of nabij het
2   NATO Press Release, ‘Financial and Economic Data Relating to NATO Defence’, 10 March 2011.
3   Nick Witney. ‘How to stop de demilitarisation of Europe’, European Council on Foreign Relations Policy Brief,
    November 2011, p. 2.
4   Tomas Valasek, ‘What Libya says about the future of the transatlantic alliance’, Centre for European Reform,
    July 2011; Michael Clarke e.a. ‘Accidental Heroes: Britain, France and the Libya operation’, RUSI Interim Libya
    Campaign Report, September 2011.
                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Europese continent.5 De Verenigde Staten verwachten een daadkrachtiger Europa dat, met
een robuuste strijdmacht, bereid en in staat is nabij de eigen buitengrenzen militair op te
treden.6 Europa mag niet langer veronderstellen dat de Verenigde Staten onder alle omstan-
digheden beschikbaar zullen zijn als zijn garantiemacht en strategische ‘achtervanger’.
De omstandigheid dat ons werelddeel meer op zichzelf wordt teruggeworpen vergroot de nood-
zaak voor de Europese landen om een gezamenlijke veiligheidsstrategie te ontwikkelen, die
tevens als kompas kan fungeren voor de ontwikkeling van (gezamenlijke) militaire en civiele
capaciteiten. Niet minder dan de geloofwaardigheid van de Europese ambities staat op het
spel om een eigen en herkenbare bijdrage te leveren aan de versterking van de internationa-
le veiligheid, vooral in de directe omgeving. De Europese Veiligheidsstrategie (ESS) uit 2003
werd alom gezien als een goede analyse van de veiligheidsrisico’s aan het begin van de 21e
eeuw, maar schoot te kort op het punt van praktische richtlijnen voor het Europese veiligheids-
beleid. Gezamenlijke defensieplanning beperkte zich tot een opsomming van de in totaal
benodigde capaciteiten, zonder richtlijnen hoe en door wie deze geleverd zouden worden.
Ook het rapport inzake de implementatie van de ESS uit 2008 is onvolledig op het punt van
de concrete veiligheidsdoelstellingen van de EU en de vereiste militaire en civiele middelen
om als strategische actor te kunnen optreden op het mondiale toneel.7
Nederland, dat zichzelf bij voorkeur als een middelgrote Europese mogendheid ziet,8 heeft
vanaf 1999 de versterking van Europese militaire capaciteiten tot één van de prioriteiten
van het Nederlandse defensiebeleid verklaard. De AIV heeft in 2003 over de voordelen en
beperkingen van verschillende vormen van defensiesamenwerking in Europa geadviseerd.9
Destijds concludeerde de AIV dat pooling en materieelsamenwerking de beste mogelijkhe-
den bieden voor verdieping van de samenwerking op korte termijn, omdat staten hierbij gro-
tendeels hun zelfstandige beschikkingsmacht over de inzet van de krijgsmacht behouden.
Al in 2003 constateerde de regering in haar reactie op het AIV-advies dat Nederland zonder
vergaande internationale samenwerking op de lange termijn geen relevante en betaalbare
krijgsmacht in stand kan houden.10 Deze constatering heeft in het licht van de huidige
bezuinigingen op de defensiebegroting alleen maar aan kracht gewonnen. Inderdaad, de
5   German Marshall Fund of the United States, ‘Transatlantic Trends 2011’; Interview met Tomas Valasek, Den
    Haag, 30 september 2011. De nieuwe defensieplannen – Defence Strategic Guidance – die president Obama
    op 5 januari 2012 aankondigde, vormen een bevestiging van de strategische heroriëntatie van de Verenigde
    Staten.
6   Afscheidstoespraak US defence secretary Robert Gates, ‘Reflections on the status and future of the
    transatlantic alliance’, Brussel, 10 juni 2011.
7   Sven Biscop and Jo Coelmont, ‘Europe, Strategy and Armed Forces: The making of a distinctive power’,
    Routledge, London, 2011, pp. 11-13; The Swedish Institute of International Affairs, ‘The European Security
    Strategy: Reinvigorate, Revise or Reinvent?’, Occasional Papers No 7, 10 June 2011.
8   Ruben van Genderen, ‘Nederland als middelgrote mogendheid: van streven naar erkenning tot poging tot volwas-
    senheid?’, Internationale Spectator 65 (1), januari 2011, p. 15; Defensienota 2000, 29 november 1999, p. 32.
9   AIV-advies nummer 31, Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en beperkingen, Den Haag, april 2003.
10 Zie regeringsreactie op AIV-advies nummer 31, Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en beperkin-
    gen, Den Haag, 17 oktober 2003.
                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>urgentie van meer internationale samenwerking is nog verder toegenomen. Belangrijke vra-
gen aangaande nieuwe mogelijkheden voor samenwerking, verdieping van bestaande de-
fensiesamenwerking, de voorwaarden waaronder deze samenwerking gestalte kan krijgen,
lessen uit eerdere multinationale programma’s en implicaties voor soevereiniteit moeten
daarbij ter sprake komen.
Verschijningsvormen van samenwerking
Internationale defensiesamenwerking kent vele verschijningsvormen en behoeft derhalve
een nadere afbakening. Op strategisch niveau kan men allereerst bilaterale en multilaterale
vormen van defensiesamenwerking onderscheiden. Nederland rekent België, Duitsland en
het Verenigd Koninkrijk tot zijn belangrijkste bilaterale partners in Europa op veiligheidsge-
bied. De Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (Benesam), het Duits-Nederlandse
legerkorps11 en de UK/NL Amphibious Force zijn voortgekomen uit de nauwe bilaterale
betrekkingen met genoemde landen. Overigens mag uit deze samenwerking op capacitei-
tengebied niet de conclusie worden getrokken dat Nederland in alle gevallen gezamenlijk
met genoemde landen aan militaire missies zal deelnemen. Nationale voorbehouden ten
aanzien van het gebruik van capaciteiten en uiteenlopende beoordelingen van de wenselijk-
heid tot deelname aan missies vormen hiervoor een verklaring. Daarnaast is Nederland in
multilateraal verband betrokken bij militaire capaciteitensamenwerking binnen de EU en de
NAVO alsmede bij enkele ad-hoccapaciteiteninitiatieven onder meer op het gebied van lucht-
transport.
Op strategisch niveau maakt men verder een onderscheid tussen top-down en bottom-up-
benaderingen van internationale defensiesamenwerking. Ten tijde van de Koude Oorlog was
de NAVO een alliantie met een top-down militaire planning en geïntegreerde samenwerking
die garant moest staan voor de verdediging van haar buitengrenzen. Initiatieven voor capa-
citeitensamenwerking, zoals het Defence Capabilities Initiative (1999) van de NAVO en de
Helsinki Headline Goal (1999) van de EU, hadden eveneens een sterk top-downkarakter. Het
probleem van deze benadering is dat de NAVO noch de EU over eigen militaire capaciteiten
beschikt, of alleen heel beperkt. Een Nederlandse deskundige in Brussel zegt hierover: ‘De
EU en de NAVO ontwerpen de kaders voor capaciteitensamenwerking, maar het zijn de lid-
staten zelf die het moeten doen.’ Bij een bottom-upbenadering van defensiesamenwerking
gaan lidstaten zelf, binnen de gestelde politieke kaders, op zoek naar geschikte partners om
mee samen te werken. Hierbij kan worden voortgebouwd op al bestaande vormen van prak-
tische samenwerking tussen krijgsmachten uit twee of meer landen.
Op uitvoerend niveau worden verschillende modaliteiten van internationale defensiesamen-
werking onderscheiden, oplopend van minder naar meer verdiepte samenwerking:
• Gezamenlijke inhuur van militaire of civiele capaciteiten, bijvoorbeeld voor luchttransport
    (SALIS), zeetransport en satellietcommunicatie.
• Pooling van militaire capaciteiten, dat mogelijke voordelen met zich mee brengt op het
    gebied van gezamenlijke opleiding en training (Belgisch-Nederlandse mijnenbestrijdings-
    school, Duits-Nederlandse Pantserhouwitseropleiding), gezamenlijk onderhoud en logis-
    tiek (Benesam, NAMSA) en gezamenlijk commando (Admiraal Benelux, EATC).
• Gezamenlijke aankoop en sharing van militaire capaciteiten (AWACS, SAC/C-17 transport-
    vliegtuigen).
• Operationele samenwerking (EU Battlegroups, NRF).
11 Sinds 2002 in de vorm van een snel inzetbaar hoofdkwartier, zonder permanent onder bevel gestelde
    gevechtseenheden.
                                                    8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>• Geïntegreerde operationele samenwerking (snel inzetbaar hoofdkwartier van het Duits-
    Nederlandse legerkorps).
• Rol- en taakspecialisatie, al dan niet in het kader van permanent gestructureerde samen-
    werking.
In het volgende hoofdstuk worden deze verschillende vormen van defensiesamenwerking en
de onderlinge samenhang nader besproken.
Soevereiniteit en afhankelijkheid
Eén van de kernvragen bij het onderzoeken van mogelijkheden tot internationale defensie-
samenwerking is de kwestie van nationale soevereiniteit. Soevereiniteit wordt veelal gezien
als obstakel bij samenwerking, zeker in het politiek gevoelige domein van defensie en nati-
onale veiligheid. In de adviesaanvraag stelt de regering dat internationale defensiesamen-
werking niet als tegenpool van nationale soevereiniteit moet worden opgevat: ‘verdieping van
de internationale samenwerking van de krijgsmacht moet leiden tot verhoogde gezamenlijke
militaire effectiviteit die juist onze veiligheid en soevereiniteit ten goede komt.’12 In een tijd
van voortschrijdende mondialisering kan binationale en multinationale samenwerking juist
een manier zijn om zoveel mogelijk internationale presentie en invloed te behouden op
militair en veiligheidsgebied.
De AIV merkt op dat zich belangrijke vragen voordoen in relatie tot de afhankelijkheid van
de Nederlandse krijgsmacht van andere landen en (private) organisaties. Om een helder beeld
te geven van deze kwesties, gaat dit rapport nader in op de verhouding tussen soevereiniteit,
nationale autonomie en militaire samenwerking. Hoe wordt soevereiniteit precies
gedefinieerd, en welke vormen van soevereiniteit komen in het geding bij internationale
defensiesamenwerking? Op welke manier gaan bestaande militaire samenwerkingsverbanden
om met het soevereiniteitsvraagstuk, en wat kunnen we daarvan leren?
12 Zie bijlage I.
                                                   9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>I         Perspectieven op defensiesamenwerking
In dit hoofdstuk wordt eerst het soevereiniteitsvraagstuk behandeld en gekoppeld aan de
ervaringen die Nederland heeft opgedaan met al bestaande internationale defensiesamen-
werkingsverbanden. Verschillende initiatieven in NAVO-, EU-, regionaal, bilateraal of ander
samenwerkingsverband worden geanalyseerd aan de hand van de volgende vragen:
• Wat zijn de doelstellingen (politiek, militair strategisch, financieel) van elk van de samen-
    werkingsinitiatieven?
• Welke resultaten zijn geboekt met deze initiatieven?
• Welke consequenties hebben zij voor de nationale soevereiniteit en de afhankelijkheid
    van de Nederlandse krijgsmacht?
I.1       Soevereiniteit en defensiesamenwerking
Alvorens bestaande samenwerkingsverbanden in beschouwing te nemen, gaat deze para-
graaf nader in op de definitie en invulling van soevereiniteit in een tijdperk van mondialise-
ring en hybride militaire conflicten. Het begrip nationale soevereiniteit is een kernbegrip in
het internationaal recht en verwijst naar de aanspraak op de uitoefening van exclusief gezag
in een staatsverband, de nationale beslissingsmacht, of zo men wil, het ‘meesterschap over
het eigen lot.’13 Nationale staten erkennen in het algemeen geen hogere macht boven zich
en bezitten binnen het eigen territorium het monopolie op gewelduitoefening. Het is zinvol
een onderscheid te maken tussen externe en interne soevereiniteit.14 Externe soevereiniteit
behelst juridische erkenning van de grenzen van een staat en onafhankelijkheid binnen het
internationale statensysteem. De erkenning door andere staten en internationale organi-
saties verleent een staat internationale juridische soevereiniteit en daarmee tegelijkertijd
het recht om binnenlandse kwesties zonder inmenging van buitenaf te bepalen. Externe soe-
vereiniteit wordt vaak geassocieerd met het afweren van externe bemoeienis (‘par in parem
non habet imperium’).15 Interne soevereiniteit refereert aan het gezag van de nationale staat
en de mate van controle die hij kan uitoefenen binnen zijn gebied. Dit soevereiniteitsbegrip
gaat over de effectiviteit van het nationale gezag en bestuur. Stephen Krasner laat zien dat de
verschillende vormen van soevereiniteit niet altijd samen hoeven te gaan.16 Zo kan een staat
internationale juridische erkenning hebben, maar geen effectieve controle uitoefenen over zijn
territorium. Of een staat kan zowel juridische erkenning als effectieve controle hebben, maar
niet in staat zijn grensoverschrijdende problemen of bewegingen te controleren.17
Soevereiniteit is dus geen historisch vaststaand begrip en kent verschillende gradaties en
verschijningsvormen. Het tijdperk van mondialisering brengt veranderingen in de theorie en
13 Laurens Jan Brinkhorst, Europese Unie en nationale soevereiniteit, Universiteit Leiden, oratie bij de aanvaarding
    van het ambt van hoogleraar in het Internationaal en Europees recht en Bestuur, 8 april 2008, p. 6.
14 Tanja Aalbers, ‘Sovereignty. Evolution of an idea’ (review essay), Acta Politica, 2009, 44, pp. 280-283.
15 Letterlijk: ‘Een gelijke heeft geen macht over een gelijke’.
16 Hoogleraar politieke wetenschappen aan Stanford University en voormalig directeur beleidsplanning van het
    State Department.
17 Stephen Krasner, Sovereignty: Organised Hypocrisy, Princeton University Press, 1999, pp. 3-4.
                                                         10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>praktijk van soevereiniteit met zich mee. Internationale verdragen op het gebied van mensen-
rechten of milieubeleid creëren nieuwe internationale normen waaraan staten zich dienen te
houden. Zolang deze normen zijn neergelegd in verdragen waarbij staten zich vrijwillig aan-
sluiten (‘consent to be bound’), spoort dit evenwel met een klassieke benadering van soeve-
reiniteit. Daarnaast zijn er echter normen van dwingendrechtelijke aard (‘jus cogens’) waaraan
staten eveneens zijn gebonden, ook indien deze normen in verdragen staan waar ze geen par-
tij bij zijn. Het beginsel van de Responsibility to Protect, dat in 2005 door de Verenigde Naties
werd aanvaard, onderstreept eveneens de verantwoordelijkheid van staten om hun bevolking
te beschermen tegen grootschalige mensenrechtenschendingen.18 Tegelijkertijd biedt dit be-
ginsel de internationale gemeenschap handvatten om daarbij bijstand te verlenen en zelfs in
te grijpen indien staten op dit terrein ernstig tekortschieten. Zo verwees resolutie 1973 van de
VN-Veiligheidsraad uit maart 2011, die de grondslag vormde voor het militair ingrijpen in Libië,
ter rechtvaardiging expliciet naar de bescherming van de burgerbevolking.19
Nationale staten worden in toenemende mate geconfronteerd met externe bedreigingen – zoals
milieurampen, grensoverschrijdende criminaliteit, terrorisme en digitale oorlogvoering – die
zij niet alleen aankunnen, maar die een gezamenlijke aanpak vergt.20 Onderling overleg en
collectieve verantwoordelijkheid zijn de enige manier om grensoverschrijdende bedreigingen
het hoofd te kunnen bieden. Internationale samenwerking is daarmee geen kwestie van
vrijwillige keuze, maar bittere noodzaak en de enige manier om nationale veiligheid te waar-
borgen en nationale slagkracht te behouden. Nationale autonomie aan de ene kant en het
vermogen om handelend op te treden aan de andere kant, staan tegenwoordig met elkaar
op gespannen voet. Door koste wat kost vast te willen houden aan – inmiddels fictieve – auto-
nome beschikkingsmacht, riskeert de nationale staat het verlies van invloed, effectiviteit en
uiteindelijk ook medebeslissingsrecht in internationale verbanden.
Bovengenoemde internationale ontwikkelingen hebben geleid tot een herbezinning op het
begrip soevereiniteit en de erkenning dat een strikt juridische benadering van het begrip
ontoereikend is. Deze moderne interpretatie van het begrip soevereiniteit wordt vergemakke-
lijkt doordat het binnen internationaal recht nooit als een absoluut begrip is opgevat. Naast
de juridische erkenning van soevereiniteit door anderen omvat het begrip ook de controle
over het grondgebied en de mogelijkheid om die macht daadwerkelijk uit te oefenen. In de
nieuwe politicologische benadering van het begrip soevereiniteit gaat de aandacht dan ook
vooral uit naar het vermogen van nationale staten om handelend op te treden en de eisen die
daaraan in het tijdperk van mondialisering worden gesteld. Anne-Marie Slaughter21 schreef
hierover: ‘States can only govern effectively by actively cooperating with other states...’22 De
‘nieuwe soevereiniteit’, volgens Slaughter, wordt bepaald door de capaciteit van een staat
18 Behalve naar grootschalige mensenrechtenschendingen verwijst de AVN-resolutie ter zake van Responsibility
     to Protect uit 2005 ook naar genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.
19 Ten aanzien van het conflict in Libië treedt de AIV in het kader van dit advies niet in de vraag of de grenzen
     van deze resolutie zijn overschreden. Zie ook AIV-advies nummer 70, Nederland en de ‘responsibility to protect’:
     De verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen massale wreedheden, Den Haag, juni 2010.
20 Ulrich Beck, ‘The Terrorist Threat: World Risk Society Revisited’, Theory, Culture and Society 19 (4), 2002.
21 Amerikaans jurist en politicoloog en voormalig adviseur van president Obama.
22 Anne-Marie Slaughter, ‘Sovereignty and Power in a Networked World Order,’ Stanford Journal of International
     Law 40, 2004, p. 284.
                                                          11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>om effectief samen te werken in internationale fora en met gezag te participeren in interna-
tionale netwerken. Alleen op deze manier kan een moderne staat de doelen bereiken die
samenhangen met het klassieke begrip van soevereiniteit, en veiligheid voor zijn burgers
garanderen.
De soevereiniteitsdiscussie kan samengevat worden als een afweging tussen het vergroten
van het handelingsvermogen en het behoud van de vrijheid van handelen. De AIV meent dat
de moderne interpretatie van het begrip soevereiniteit gehanteerd moet worden en hieruit
volgt dat veiligheid en soevereiniteit gediend zijn bij een krijgsmacht die effectief kan samen-
werken in Europees en breder internationaal verband. Nederland kent reeds vormen van
samenwerking in NAVO- en EU-verband. De inzetbaarheid van de nationale strijdkrachten
is daardoor afhankelijk van coördinatie en samenwerking met andere landen. Met andere
woorden, als soevereiniteit wordt opgevat als het ‘vermogen om te handelen’, is internationa-
le samenwerking onontbeerlijk.23 Nederland zal geen crisisbeheersingsoperaties van enige
omvang alleen kunnen en willen uitvoeren. Enkel door participatie in bi- en multilaterale
verbanden en door gestructureerde Europese samenwerking kan Nederland internationale
invloed behouden en zijn militaire effectiviteit vergroten. Zo bezien is het belang van ge-
deelde Europese soevereiniteit in werkelijkheid groter dan dat van de (ongedeelde) nationale
soevereiniteit.
Dit laat onverlet dat nauwere internationale samenwerking op gespannen voet staat met
de nationale autonomie ofwel de ‘vrijheid om te handelen’. De praktische betekenis van
nationale zeggenschap over de eigen krijgsmacht is begrensd wanneer de inzet van deze
krijgsmacht afhankelijk is van politieke en militaire besluitvorming in NAVO-, EU- en/of VN-
verband. Zeker, een regering kan te allen tijde besluiten zelf geen militairen uit te zenden
naar een crisisgebied, wanneer zij concludeert dat hiervoor onvoldoende politiek en maat-
schappelijk draagvlak in eigen land aanwezig is. Zo’n besluit kan echter repercussies heb-
ben voor het politieke prestige en het nationale belang wanneer een land hiermee ingaat
tegen de uitdrukkelijke wens van een (grote) meerderheid van de lidstaten van bijvoorbeeld
de NAVO of de EU. Met een beroep op de bondgenootschappelijke solidariteit kan een weife-
lende regering onder druk gezet worden om alsnog te besluiten haar militairen uit te zenden.
Omgekeerd is een regering die de intentie heeft militairen uit te zenden in NAVO- of EU-verband
afhankelijk van de uitkomst van intergouvernementele besluitvorming. Een lidstaat die zijn
veto uitspreekt kan daarmee in beginsel een militaire missie in bondgenootschappelijk ver-
band blokkeren. Een bijzonder aspect van afhankelijkheid doet zich voor bij de uitzending van
militairen die deel uitmaken van een geïntegreerd bi- of multilateraal samenwerkingsverband.
Zo kan het snel inzetbaar hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse legerkorps alleen worden
uitgezonden wanneer beide landen hiermee instemmen. Zonder Nederlandse deelname is
er geen functionerend hoofdkwartier dat door Duitsland kan worden gebruikt en omgekeerd.
Hier is dus sprake van een hoge mate van wederzijdse afhankelijkheid, die nauw overleg tus-
sen partnerlanden vereist als zich een crisis aftekent die tot inzet kan leiden. Eenzelfde af-
hankelijkheid zou zich voordoen bij de besluitvorming over inzet van de NATO Response Force
(NRF) en de EU Battlegroups, waarbij de betrokken landen bij een onverwachte crisis tot een
gezamenlijke positiebepaling moeten komen over de politieke wenselijkheid en militaire moge-
lijkheid van daadwerkelijke inzet van hun snelle reactiemacht. Een afwijkende positiebepaling
van één van de samenwerkingspartners kan de onderlinge relatie ernstig schaden en moet
derhalve worden vermeden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat een zorgvuldige afweging
23 Margriet Drent e.a., ‘Internationale Militaire Samenwerking: Knelpunten en Kansen’, Clingendael Policy Brief
    No. 6, September 2011, p. 5.
                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>nodig is bij de keuze van landen waarmee en de condities waaronder een nauwe operatio-
nele samenwerking wordt aangegaan. Het politieke besluitvormingsproces, de strategische
cultuur en de bereidheid om risico’s te dragen bij de inzet van eigen militairen zijn belang-
rijke aspecten die de keuze van samenwerkingspartners mede bepalen (zie paragraaf II.1).
Denkbaar is dat in de toekomst samenwerkingspartners zo afhankelijk worden van elkaars
militaire vermogens, dat zij niet effectief kunnen deelnemen aan militaire operaties zonder
actieve medewerking van de desbetreffende partners. In dat geval dreigt naar het oordeel
van de AIV eerder het gevaar van verlamming in de voorbereiding van operaties, doordat
bepaalde landen zouden besluiten daarvan afzijdig te blijven, dan het gevaar van het verlies
van nationale beslissingsmacht. In de intergouvernementele besluitvorming, die kenmer-
kend is voor zowel de NAVO als de EU, kunnen lidstaten immers niet worden gedwongen
mee te werken aan de uitvoering van eventuele meerderheidsbesluiten. Ook feitelijk is het
moeilijk voorstelbaar dat kritische en waakzame nationale parlementen, zoals het Neder-
landse, zullen instemmen met deelname aan militaire operaties, louter omdat andere lan-
den afhankelijk zijn geworden van de militaire vermogens van ons land en mogelijk politieke
druk uitoefenen om die beschikbaar te krijgen. Dit geldt in het bijzonder wanneer sprake
is van risicovol, grondgebonden militair optreden op laag tactisch niveau. Daar worden de
gevaren voor militairen immers het meest manifest. De mate waarin militairen van het eigen
land veiligheidsrisico’s lopen bij gezamenlijke inzet met militairen van een ander land en de
nationale (veiligheids)belangen die in het geding zijn, zijn voor nationale parlementen veelal
bepalend om al dan niet in te stemmen met een missie. Dit stelt regeringen voor de opgave
aan parlementen duidelijk te maken dat de risico’s aanvaardbaar zijn in verhouding tot het
doel van een militaire operatie en de te verwachten resultaten.24
I.2      Multilaterale defensiesamenwerking
De multilaterale defensiesamenwerking in Europa gaat terug tot de oprichting van de NAVO
in 1949. Collectieve verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied was daarvan
de ratio. Afhankelijkheid van de Nederlandse krijgsmacht van andere landen bij de bescher-
ming van de territoriale integriteit, en in het bijzonder van de Verenigde Staten, was onvermij-
delijk en werd decennialang beschouwd als de beste verzekeringspolis voor onze nationale
soevereiniteit.
Als gevolg van het wegvallen van de Koude Oorlogsdreiging en de geleidelijke transformatie
naar een op expeditionaire leest geschoeide krijgsmacht, werd een nieuwe impuls gegeven
aan de militaire samenwerking in NAVO-verband en eveneens in EU-verband. De nadruk kwam
daarbij te liggen op meer capaciteitensamenwerking. In deze paragraaf wordt ingegaan op de
doelstellingen van en geboekte resultaten met de verschillende capaciteiteninitiatieven van de
NAVO en de EU in de afgelopen twee decennia.
I.2.1    NAVO-capaciteiteninitiatieven
De operationele tekortkomingen van de landen die deelnamen aan de Kosovo-campagne in
1999 hebben geresulteerd in capaciteitensamenwerking als nieuwe prioriteit voor het NAVO-
bondgenootschap. Het Defence Capabilities Initiative (DCI) werd eind 1999 gelanceerd en
beoogde bovenal de strategische mobiliteit van de krijgsmacht te verbeteren ofwel het vermo-
gen om militaire eenheden over grotere afstanden te verplaatsen. Dit vereiste extra investerin-
gen in schaarse transportvliegtuigen en internationale afstemming om zo doelmatig mogelijk
gebruik te maken van deze capaciteit. Nederland streeft al sinds 1999 poolvorming na op het
24 AIV-advies nummer 48, Maatschappij en krijgsmacht, Den Haag, april 2006.
                                                   13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>gebied van lucht- en zeetransport met zijn Europese bondgenoten om zo de afhankelijkheid
van externe inhuur van deze (civiele) capaciteiten te verminderen (zie ook paragraaf I.3).25
Het zeer ambitieuze DCI kreeg op de NAVO-top in Praag in 2002 een vervolg onder de naam
Prague Capabilities Commitment (PCC), een ‘boodschappenlijst’ van benodigde capaciteiten
om nieuwe veiligheidsrisico’s het hoofd te bieden. Bij het minder omvangrijke PCC lag
wederom veel nadruk op strategische transportcapaciteit en op logistieke ondersteuning
voor expeditionaire operaties.
Allied Command Transformation
Het Allied Command Transformation (ACT) werd opgericht in 2003 en is het tweede strate-
gische hoofdkwartier van de NAVO. ACT heeft tot doel om defensie-inspanningen van NAVO-
lidstaten op het gebied van doctrinevorming te coördineren en zo richting te geven aan de
wijze waarop toekomstige operaties uitgevoerd worden en vast te stellen welke capaciteiten
daarvoor nodig zijn. Het ontwikkelt operationele concepten en ondersteunt deze door onder-
zoek, experimenten en technologische ontwikkeling. Ook vervult het ACT een belangrijke rol
bij de implementatie van operationele concepten door middel van opleiding en training.
Onder leiding van ACT wordt de tweejaarlijkse Defence Requirement Review geproduceerd,
een studie die de strategische richting toont voor de ontwikkeling van de NAVO-krijgsmachten.
Uit deze studie volgt de identificatie van benodigde capaciteiten en tekortkomingen. Deze
geeft richting aan initiatieven voor capaciteit en ontwikkeling. Onderdeel hiervan is de doelstel-
ling om meer multinationale afstemming te realiseren en gezamenlijke capaciteit en ontwikke-
ling mogelijk te maken in het belang van gedeelde Europese en trans-Atlantische soevereini-
teit. ACT kan dit proces echter alleen sturen en zelf geen capaciteit en ontwikkeling afdwingen.
Strategisch transport
Met de toename van out of area operaties wordt een groter beroep gedaan op schaarse
capaciteiten voor lucht- en zeetransport om militair materieel en personeel over grote af-
standen te verplaatsen. Een aantal vooral grotere Europese landen heeft weliswaar het
nieuwe A400M transportvliegtuig besteld, maar de levering hiervan is niet eerder voorzien
dan 2014. Mede om die reden sloten zestien NAVO-landen, waaronder Nederland en twee
partnerlanden, in 2006 een leaseovereenkomst met Rusland en Oekraïne voor de beschik-
baarstelling van zes grote Antonov transportvliegtuigen. Via deze overeenkomst genaamd de
Strategic Airlift Interim Solution (SALIS) worden de tekorten binnen de NAVO van grote trans-
portvliegtuigen tijdelijk opgevangen, maar manifesteert zich tegelijkertijd de operationele
afhankelijkheid van externe partijen. De SALIS-overeenkomst loopt in 2012 af.
In aanvulling op de SALIS-overeenkomst hebben tien NAVO-landen, waaronder Nederland,
en twee partnerschapslanden besloten gezamenlijk drie Boeing C-17 transportvliegtuigen te
kopen. De landen die aan dit Strategic Airlift Capability (SAC)-initiatief deelnemen zijn veelal
niet in staat een eigen strategisch transportvliegtuig te kopen. Elk deelnemend land heeft
zich verplicht een vast aantal vlieguren op jaarbasis af te nemen. Zo heeft Nederland 500
vlieguren per jaar tot zijn beschikking, het equivalent van een half C-17 vliegtuig. De geza-
menlijke aankoop en sharing van drie C-17 transportvliegtuigen stelt kleine en middelgrote
landen beter in staat zelf te voorzien in de behoefte aan strategische transportcapaciteit bij
out of area operaties en minder afhankelijk te zijn van externe (private) inhuur.
Logistieke ondersteuning voor expeditionaire operaties
Alle NAVO-lidstaten worden geconfronteerd met complexe en kostbare planning en uitvoering
waar het gaat om de logistieke ondersteuning van out of area operaties en grote oefeningen.
25 Defensienota 2000, 29 november 1999, p. 53.
                                                 14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Het NAVO-agentschap voor gezamenlijk onderhoud en bevoorrading (NAMSA) heeft zich in
de afgelopen jaren ontwikkeld van een internationale instandhoudingsorganisatie van wa-
pensystemen tot een logistieke dienstverlener en contracting agency voor militaire operaties
en grote oefeningen. Zo is NAMSA verantwoordelijk voor bijna de volledige organisatie en
legering van ISAF-militairen op Kandahar Air Field en het ISAF-hoofdkwartier in Kaboel. De
minister van Defensie stelde in een recente toespraak dat de kosten van de legering van Ne-
derlandse militairen op Kandahar Air Field dankzij internationale contracten via NAMSA de
helft lager zijn. Internationale samenwerking op logistiek gebied via NAMSA genereert aldus
substantiële besparingen en kan ruimte scheppen voor extra investeringen in schaarse mili-
taire capaciteiten.26
Smart Defence
De secretaris-generaal van de NAVO stelde in een toespraak begin 2011 dat werken aan
meer veiligheid ook in tijden van financiële crisis en krimpende defensiebudgetten een
dure plicht is.27 Hij pleitte voor een nieuwe tweeledige aanpak genaamd Smart Defence:
met beperkte middelen meer veiligheid scheppen en voldoende investeren in onze toekom-
stige veiligheid. Hoe bereikt men meer veiligheid met beperkte middelen? Door pooling van
schaarse en veelal kostbare capaciteiten, door het stellen van de juiste prioriteiten op vei-
ligheidsgebied, door het terugdringen van nodeloze bureaucratie en door internationale af-
stemming van bezuinigingen op nationale defensiebudgetten. Daarbij kan de NAVO met haar
expertise lidstaten terzijde staan. Voor het tweede spoor, investeren in onze toekomstige
veiligheid, zijn extra investeringen nodig in grensoverschrijdend onderzoek en ontwikkeling.
Hiervoor is een verschuiving van nationale naar multinationale onderzoeksprogramma’s
geboden alsmede nauwere samenwerking met de private sector.
Onder leiding van ACT is een Task Force Multinational Approaches bezig voorstellen voor
multinationale samenwerking bij de aankoop, exploitatie en onderhoud van militaire capa-
citeiten te genereren die op de NAVO-top in 2012 moeten resulteren in nieuwe gezamenlijke
projecten.28 Hiermee wordt voortgeborduurd op het Lisbon Capability Package, bestaande
uit een tiental prioritaire capaciteiten, dat tijdens de NAVO-top in Lissabon in november
2010 is overeengekomen. De NAVO is voor de uitvoering van het Smart Defence-initiatief
aangewezen op nauwe samenwerking met de EU om duplicatie te voorkomen met het
Gent-initiatief (zie paragraaf I.2.2). De AIV constateert dat de NAVO sinds 1999 bescheiden
resultaten heeft geboekt bij het terugdringen van militaire tekortkomingen binnen het bond-
genootschap. Afspraken van regeringsleiders en staatshoofden van de NAVO-lidstaten over
gezamenlijke capaciteitenontwikkeling hebben het meeste effect gesorteerd op het gebied
van strategisch transport en logistieke samenwerking. De oprichting van het ACT in 2003
heeft weliswaar een impuls gegeven aan de gemeenschappelijke ontwikkeling van militaire
doctrines en operationele concepten, waaronder de NATO Response Force (NRF), maar
heeft tot nu toe slechts beperkt bijgedragen aan multinationale initiatieven voor aankoop en
exploitatie van militaire capaciteiten. De beperkingen van een top-downbenadering van geza-
menlijke capaciteit en ontwikkeling worden hiermee manifest.
26 Toespraak van de minister van Defensie bij de opening van het seminar NATO Maintenance and Supply
    Agency, Rijswijk, 20 mei 2011.
27 Toespraak van secretaris-generaal van de NAVO, ‘Building security in an age of austerity’, München
    Veiligheidsconferentie, 4 februari 2011.
28 Minister van Defensie, ‘Kamerbrief geannoteerde agenda ministeriële bijeenkomst van de defensieministers
    van de NAVO te Brussel op 8 en 9 juni a.s.’, Den Haag, 26 mei 2011.
                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>I.2.2     EU-capaciteitenontwikkeling
In 1999 lanceerde de EU een Europees Veiligheids en Defensiebeleid (EVDB) dat de verster-
king van Europese militaire capaciteiten tot een van zijn speerpunten rekent. De nadruk lag
hierbij op de opheffing van tekortkomingen op de gebieden strategisch transport, logistiek,
strategische inlichtingen, genie-eenheden en NBC-bescherming. Nederland droeg actief
bij aan versterking van het militaire vermogen van de EU in het kader van het European
Capabilities Action Plan (ECAP) en de Headline Goal, met de kanttekening dat duplicatie
van capaciteiten met de NAVO moest worden voorkomen. Het ECAP had een sterke bottom-
upbenadering; de veelbelovende ECAP-projecten zijn vanaf 2004 bij het Europees Defensie
Agentschap (EDA) ondergebracht.29
Europees Defensie Agentschap
De oprichting van het EDA in 2004 was een compromis tussen de Franse wens een krachtig
top-downsturingsinstrument in het leven te roepen voor Europese capaciteitenontwikkeling
en de Britse opstelling zo min mogelijk te investeren in Europese instellingen. Het EDA ging
van start als een klein agentschap met een bescheiden budget dat meer synergie tot stand
moest brengen tussen de EU-lidstaten op het gebied van militaire behoeftestelling, mate-
rieelbeleid, defensieonderzoek en -technologie en harmonisatie van regelgeving inzake de
defensiemarkt. Het EDA opereert als aanjager van bottom-upsamenwerking via gezamenlijke
programma’s en projecten waaraan in principe alle lidstaten alsmede derde landen en/of
partijen kunnen deelnemen. In werkelijkheid zijn er nauwelijks programma’s waaraan alle
lidstaten deelnemen. Dat is ook niet nodig. Binnen het EDA komt namelijk een groot aantal
ad-hocsamenwerkingsverbanden tot stand van een beperkt aantal landen op zeer uiteen-
lopende capaciteiten-, materieel-, onderzoek- en technologiegebieden. De ratio achter deze
samenwerkingsverbanden is eigenlijk heel eenvoudig: investeer op korte termijn en bespaar
op lange termijn.30 Het betreft relatief kleine programma’s zoals een helikoptertrainingspro-
gramma voor expeditionair optreden, een mobiel laboratorium voor Improvised Explosive
Devices (IEDs) incidenten, data- en informatie-uitwisseling voor maritiem toezicht (MARSUR)
en de ontwikkeling van een nieuwe generatie maritieme mijnenbestrijdingssystemen, waar-
onder onbemande maritieme systemen (UMS).31
Wat hebben al deze inspanningen opgeleverd? Tastbare resultaten zijn vooralsnog gering,
mede door de Britse terughoudendheid. De meest concrete resultaten zijn behaald met
het helikoptertrainingsprogramma dat in 2009 van start is gegaan in samenspraak met de
NAVO. Van de 114 helikopterbemanningen die zijn getraind voor expeditionair optreden in
2009 en 2010, zijn ondertussen 63 bemanningen uitgezonden naar Afghanistan. Tegelijker-
tijd wordt in NAVO-verband het tekort aan helikopters voor out of area operaties bestreden
door technische verbetering van verouderde Oost-Europese helikopters. Het EDA helikopter-
trainingsprogramma in combinatie met het NAVO helikopterproject hebben bijgedragen aan
vermindering van het helikoptertekort voor out of area operaties, in casu Afghanistan.
Het EDA heeft vooralsnog geen grote nieuwe programma’s voortgebracht, zoals de ontwikke-
ling van een nieuw type onbemand verkenningsvliegtuig (UAV) of een pantservoertuig, omdat
29 Zie regeringsreactie op AIV-advies nummer 31, Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en
    beperkingen, Den Haag, 17 oktober 2003; Defensiebegroting 2005, pp. 108-109.
30 Interview met Jon Mullin, Capability Director EDA, Brussel, 9 september 2011.
31 Gesprek met Claude-France Arnould, chief executive EDA, Brussel, 8 september 2011;
    zie ook: <http://www.eda.europa.eu/Publications>, geraadpleegd op 6 oktober 2011.
                                                        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>nationale industriële belangen bij grote projecten voorrang krijgen. Slechts twintig procent
van alle Europese uitgaven voor verwerving van defensiematerieel wordt op bi- of multinati-
onale basis gefinancierd. Gezamenlijke verwerving is dus meer uitzondering dan regel.32 Dit
hangt samen met het oneigenlijk gebruik van artikel 296 van het Verdrag tot oprichting van
de Europese Gemeenschap, dat lidstaten toestaat de regels van de interne markt niet toe
te passen wanneer wezenlijke veiligheidsbelangen in het geding zijn. Nationale industriële
en economische belangen wegen zwaarder dan het gedeelde belang van Europese capaci-
teitenontwikkeling en soevereiniteit. Dit belemmert de mogelijkheden voor standaardisatie
van defensiematerieel en werkt fragmentatie van de Europese defensiemarkt in de hand.
Wel heeft het EDA meer transparantie van het aanbestedingsproces van defensiematerieel
tussen lidstaten tot stand gebracht door de invoering van een gedragscode voor defensie-
materieelverwerving. Deze politiek bindende gedragscode bepaalt dat lidstaten hun defensie-
orders met een waarde van meer dan I 1 miljoen openstellen voor aanbiedingen vanuit
andere EU-landen.33
Ook de NAVO-operatie boven Libië heeft aangetoond dat aan Europese kant op bepaalde ter-
reinen essentiële tekortkomingen bestaan. Deze tekortkomingen betreffen onder meer het
vermogen vijandelijke doelen op te sporen en deze met grote nauwkeurigheid uit te schakelen
alsmede het vermogen eigen gevechtsvliegtuigen tijdens de vlucht van brandstof te voorzien.
De verwachting is dat de geleerde lessen van de NAVO-operatie boven Libië zullen uitmonden
in nieuwe gezamenlijke capaciteitenprogramma’s bij het EDA, onder meer op de gebieden air
to air refuelling, smart munitions en intelligence, surveillance and reconnaissance. De minis-
ters van Defensie van de EU zijn voornemens hierover in het voorjaar van 2012 besluiten te
nemen.34
Verdrag van Lissabon
In het Verdrag van Lissabon, in casu het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), is in
Artikel 42 lid 6 de mogelijkheid geopend van permanent gestructureerde samenwerking
(PGS) voor lidstaten waarvan de militaire vermogens voldoen aan strenge criteria met het
oog op de uitvoering van de meest veeleisende taken. In een apart Protocol, gehecht aan
het Verdrag, worden de volgende criteria voor deelname aan PGS onderscheiden:
• naleven van streefcijfers voor defensie-investeringen;
• afstemming van defensiemiddelen door harmonisatie van behoeftestelling, pooling van
    vermogens en, in voorkomend geval, specialisatie en samenwerking op het gebied van
    opleidingen en logistiek;
• concrete maatregelen ter verbetering van de beschikbaarheid, interoperabiliteit, flexibili-
    teit en inzetbaarheid van de strijdkrachten;
• samenwerking om maatregelen te nemen voor de opheffing van geconstateerde Euro-
    pese tekortkomingen;
• samenwerking in EDA-materieelprogramma’s.35
32 Interview met Dick Zandee, Brussel, 9 september 2011; Directorate-General for External Policies of the Union,
    ‘The Impact of the Financial Crisis on European Defence’, Brussels, April 2011, p. 9.
33 Dick Zandee, ‘Europese defensiesamenwerking: kiezen en delen!’, Atlantisch perspectief nr. 2, 2007.
34 Interview met Jon Mullin, Capability Director EDA, Brussel, 9 september 2011.
35 Artikel 2 van het Protocol betreffende permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij artikel 42 van
    het Verdrag betreffende de Europese Unie.
                                                        17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>PGS is de meest vergaande vorm van defensiesamenwerking, die zich uitstrekt van pooling
en gezamenlijke opleiding tot geïntegreerd militair optreden en rolspecialisatie. Het wordt
tevens gezien als katalysator voor een geloofwaardig Gemeenschappelijk Veiligheids en
Defensiebeleid (GVDB), zoals het EVDB is gaan heten. Volgens Artikel 3 van het PGS-protocol
moet het EDA periodiek beoordelen of de PGS-landen hun vrijwillig aangegane capaciteiten-
verplichtingen nakomen en daarover jaarlijks rapporteren.36
Twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon bestaat bij de EU-lidstaten
koudwatervrees om concreet invulling te geven aan PGS. Dit bleek onder meer tijdens een
seminar over PGS onder het Spaanse EU-voorzitterschap in maart 2010. Zo is nog ondui-
delijk of het PGS-mechanisme beoogt één kopgroep te vormen of dat er meerdere kopgroe-
pen mogelijk zijn. Een andere zorg is dat bij de vorming van een kopgroep van lidstaten die
nauwer samenwerken, verdeeldheid binnen de Unie in de hand gewerkt wordt. Er is een
reëel risico dat de kloof tussen ‘kopgroep’ en ‘achterblijvers’ onder de EU-lidstaten verder
toeneemt.37
Behalve de PGS introduceert het Verdrag van Lissabon nog twee andere noviteiten die ver-
meldenswaardig zijn. Onder verwijzing naar Artikel 51 van het VN-Handvest legt het Verdrag
van Lissabon (in casu het VEU) in Artikel 42 lid 7 een verplichting voor alle lidstaten vast om
‘met alle middelen’ hulp en bijstand te verlenen, indien een lidstaat slachtoffer wordt van
gewapende agressie op zijn territorium. Deze clausule toont qua strekking gelijkenis met
Artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag38 en maakt dat het GVDB voor het eerst een
militaire bijstandsverplichting bevat, ook al staat er uitdrukkelijk bij dat dit geen aantasting
betekent van de NAVO-verbintenissen, noch dat dit afbreuk doet aan de positie van neutrale
lidstaten die een uitzonderingspositie hebben bedongen.39
Daarnaast introduceert het Verdrag van Lissabon de solidariteitsclausule in Artikel 222.40
De inhoud van deze clausule is overigens niet nieuw, want na de aanslagen in Madrid gaf de
Europese Raad op 25 maart 2004 al een (juridisch niet-bindende) verklaring af met dezelfde
strekking. De solidariteitsclausule kan worden geactiveerd als een of meerdere lidstaten
worden getroffen door een terreuraanslag, een natuurramp of een door de mens veroorzaakte
ramp. Het voorziet in een mogelijke rol voor defensiecapaciteiten en beoogt een effectieve
36 Sven Biscop and Jo Coelmont, ‘Europe, Strategy and Armed Forces: The making of a distinctive power’,
    Routledge, London, 2011, pp. 75-76; Margriet Drent en Dick Zandee, ‘Breaking Pillars: Towards a civil-military
    security approach for the European Union’, Netherlands Institute of International Relations ‘Clingendael’,
    January 2010, p. 72.
37 Margriet Drent en Dick Zandee, ‘Breaking Pillars: Towards a civil-military security approach for the European
    Union’, Netherlands Institute of International Relations ‘Clingendael’, January 2010, p. 74.
38 In feite is de formulering van de bijstandsverplichting strikter, omdat EU-lidstaten gehouden zijn ‘met alle
    middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen’. In het Noord-Atlantisch Verdrag worden de
    lidstaten vrij gelaten in de keuze van middelen.
39 Kees Homan, ‘Europese Defensie na Lissabon’, Armex, juni 2008, p. 4; S.N. Mengelberg en M.E. Drent,
    ‘Een effectievere Europese Unie? De gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het Gemeenschappelijk
    Veiligheids- en Defensiebeleid’, Militaire Spectator nr. 11, 2010, p. 549.
40 Deel II Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU), Vijfde Deel Extern Optreden van de
    Europese Unie, Titel VII Solidariteitsclausule.
                                                          18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>verbinding te leggen tussen interne en externe veiligheid.41 De Unie maakt gebruik van alle
haar ter beschikking staande instrumenten, waaronder de door de lidstaten aangeboden
militaire middelen, om de dreiging van terrorisme op Europees grondgebied te keren of bij-
stand te verlenen in het geval van een (natuur)ramp. De lidstaten coördineren daartoe hun
optreden in het kader van de Raad. De toepassing door de Unie van deze solidariteitsclau-
sule wordt geregeld bij een besluit, dat door de Raad wordt vastgesteld op gezamenlijk voor-
stel van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken
en het Veiligheidsbeleid. Teneinde de Unie en haar lidstaten in staat te stellen doeltreffend
op te treden, evalueert de Europese Raad regelmatig de dreigingen waarmee de EU wordt
geconfronteerd.42
Naar aanleiding van de solidariteitsclausule heeft het Europees Parlement aandacht ge-
vraagd voor de totstandkoming van een Europese noodhulpmacht voor civiele bescherming,
die snel oproepbaar zou moeten zijn bij een terroristische aanslag of (natuur)ramp.43 Inte-
ressant in dit verband is het rapport Barnier,44 dat een systematische analyse aanbeveelt
van de complementaire rol die militaire capaciteiten daarbij kunnen vervullen. Zo zouden
teams voor bijvoorbeeld humanitaire noodhulp ook defensiepersoneel moeten bevatten. De
AIV ziet hierin een praktische mogelijkheid om de civiel-militaire samenwerking in Europees
verband nader in te vullen.
Gent-initiatief
In het najaar van 2010 hebben de ministers van Defensie van de EU, onder druk van de
financiële crisis en krimpende defensiebudgetten, afgesproken om Europese defensiesam-
enwerking op een hoger plan te brengen. Een breed gedragen besef dat bezuinigingen op de
krijgsmacht risico’s meebrengen voor het ambitieniveau van het GVDB en dat verdergaande
defensiesamenwerking nu meer dan ooit noodzakelijk is, ligt ten grondslag aan het zogeheten
Gent-initiatief. Door de nadruk te leggen op de mogelijkheden van pooling en sharing van mili-
taire capaciteiten in het Gent-initiatief, kiezen de ministers van Defensie van de EU (voorlopig)
voor minder vergaande vormen van defensiesamenwerking dan PGS. In een Duits-Zweedse
discussie-notitie werd voorgesteld dat alle lidstaten een systematische analyse en onderverde-
ling van hun militaire capaciteiten maken in drie categorieën: capaciteiten waarover landen
volledig zelfstandig moeten kunnen beschikken, capaciteiten die samen met andere landen
kunnen worden gedeeld (pooling) zonder dat sprake is van grote wederzijdse afhankelijkheid
41 Notitie over het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid van de EU tegen de achtergrond van de
    inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon; Brief van de ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken,
    Nr. 973, Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken, 21 501–02, 16 juni 2010; zie: <https://zoek.
    officielebekendmakingen.nl/kst-21501-02-973.html>.
42 Zie: <http://www.europesworld.org/NewEnglish/Home_old/PartnerPosts/tabid/671/PostID/2242/language/
    en-US/Default.aspx>; Sara Myrdal and Mark Rhinard, The European Union’s Solidarity Clause: Empty Letter or
    Effective Tool?, Occasional Papers No. 2, 2010, Swedish Institute of International Affairs.
43 S.N. Mengelberg en M.E. Drent, ‘Een effectievere Europese Unie? De gevolgen van het Verdrag van Lissabon
    voor het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid’, Militaire Spectator Nr. 11, 2010, p. 551;
    Resolutie Europees Parlement van 19 juni 2008, ‘Versterking van het reactievermogen van de Europese Unie
    bij rampen’, in 27.11.2009, C 286 E/15.
44 For a European Civil Protection Force: europe aid, Report by Michel Barnier, 9 May 2006. Zie: <http://ec.europa.
    eu/archives/commission_2004-2009/president/pdf/rapport_barnier_en.pdf>. Geraadpleegd op 17 januari
    2012.
                                                        19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>en capaciteiten die zich lenen voor internationale rol- of taakspecialisatie waarbij sprake is
van eendirecte afhankelijkheid van andere landen.45 Het EDA en het EU Militair Comité zijn
gevraagd om op basis van deze nationale analyses met concrete voorstellen te komen voor
defensiesamenwerking tussen lidstaten, in het bijzonder op het gebied van pooling en sha-
ring.46 Bij de identificatie van mogelijkheden voor samenwerking moeten de volgende criteria
in ogenschouw worden genomen: versterking van het militaire vermogen, verbetering van de
interoperabiliteit, kostenbesparingen door schaalvoordelen en gewenste politieke implicaties
van samenwerking. Hoewel in een tijd van bezuinigingen de aandacht zich begrijpelijk richt op
kostenbesparingen, zijn in de ogen van de AIV de overige criteria even belangrijk.
Nederlandse EVDB-gelden: de MALE UAV-casus47
Voor de versterking van Europese militaire capaciteiten reserveerde Nederland in de periode
2003 – 2006 in totaal I 130 miljoen op de Defensiebegroting en daarna jaarlijks I 50 miljoen
uit de zogeheten EVDB-voorziening.48 Een analyse van de wijze van besteding van deze EVDB-
gelden kan meer inzicht verschaffen in de effectiviteit en doelmatigheid van de Nederlandse
inspanningen ter zake. Het betreft onder meer de ontwikkeling van een gezamenlijke MALE
UAV-capaciteit met Frankrijk, een luchttransportovereenkomst met Duitsland, de omvorming
van het hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse legerkorps en de opleiding van extra mare-
chaussees voor inzet in internationale civiele politiemissies. De verwijzing naar het EVDB in
de naam van de voorziening is enigszins misleidend, aangezien het om capaciteitenverster-
king gaat die ten goede komt van zowel het EVDB (nu GVDB) als de NAVO.
Vooral een analyse van de beoogde samenwerking met Frankrijk verschaft inzicht in de
voorwaarden voor dergelijke projecten. In mei 2001 sloten Nederland en Frankrijk een
overeenkomst voor samenwerking bij de ontwikkeling van MALE UAV’s. De oorspronkelijke
doelstelling van de overeenkomst was de ontwikkeling van een binationale UAV-capaciteit,
bestaande uit een Frans en een Nederlands element. De beoogde samenwerking ging verder
dan de gezamenlijke ontwikkeling en verwerving van onbemande vliegtuigen. Zij omvatte
ook gezamenlijke training, onderhoud en logistiek. Ook werd gesproken over een eventuele
gezamenlijke inzet bij crisisbeheersingsoperaties.49 In 2006 werd het gezamenlijke project
niet verlengd: Frankrijk had unilateraal een keuze gemaakt voor het ontwikkelen van een
EuroMALE door EADS, een Europees defensiebedrijf waar Frankrijk sterk in is vertegenwoor-
digd. Nederland werd in deze beslissing vooraf niet gekend en trok zich vervolgens terug met
als formele reden dat de voorkeur uitging naar een al verkrijgbaar MALE UAV-systeem (‘kopen
van de plank’).50
45 German-Swedish food-for-thought paper, ‘European Imperative – Intensifying Military Cooperation in Europe’,
    November 2010.
46 Council conclusions on Military Capability Development, 3055th Foreign Affairs (Defence) Council meeting
    Brussels, 9 December 2010.
47 Medium Altitude Long Endurance Unmanned Aerial Vehicle.
48 Kamerbrief ‘Defensie en het Strategisch Akkoord’, 8 november 2002.
49 Kamerbrief minister van Defensie Frank de Grave, 28 mei 2002, kamerstuk 28 000, nr. 30.
50 Kamerbrief staatssecretaris van Defensie Cees van der Knaap, ‘Onbemande vliegtuigen (UAV), 20 september
    2006, kamerstuk 30 806, nr. 1.
                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Waarom mislukte deze samenwerking met Frankrijk? De keuze voor Frankrijk, terwijl de
Nederlandse luchtmacht traditioneel meer op de Verenigde Staten is georiënteerd, moet in
het brede kader worden gezien van de groeiende Nederlandse belangstelling voor Europese
defensiesamenwerking in die periode. Daarnaast zette de toenmalige regering in op een
verbetering van de Frans-Nederlandse relaties en richtte hiertoe in februari 2000 een Neder-
lands-Franse Samenwerkingsraad op. Het MALE UAV materieelproject paste bij deze trends.
Vanwege dit bredere politiek-strategische belang was er druk vanuit het ministerie van
Buitenlandse Zaken en de politieke leiding van Defensie om het project te laten slagen. Het
project had derhalve een sterk politiek geïnspireerd karakter. Nederland en Frankrijk hadden
echter op defensiegebied relatief weinig ervaring opgedaan met bilaterale samenwerking
en dit bleek zich gedurende het project te wreken. De communicatie tussen beide landen
verliep moeizaam en het bleek niet mogelijk tot afspraken te komen over standaardisering
van het systeem. Nederland droeg 25 procent van de kosten bij aan het project en werd als
een junior partner behandeld. Hierdoor was van serieuze participatie van Nederland in het
project onvoldoende sprake. Daarnaast speelde ook mee dat ondertussen de MALE UAV van
de Amerikaanse luchtmacht, de Predator, operationeel was en goede resultaten boekte. Ten
slotte had de Nederlandse luchtmacht weinig ervaring om te gaan met de sterke verwevenheid
van belangen tussen het Franse ministerie van Defensie en de Franse defensie-industrie.51
Destijds waren de concurrerende defensiebedrijven Thales en EADS geïnteresseerd in de
ontwikkeling van het MALE UAV-systeem. De Nederlandse behoeften en belangen raakten hier-
door op de achtergrond, uitmondend in een voor Nederland verrassende bekendmaking door
de Franse minister van Defensie van de keuze voor EuroMALE.
I.2.3     Regionale defensiesamenwerking
Er gaan ook stemmen op om het genereren van militaire capaciteiten over te laten aan regio-
nale samenwerkingsverbanden of clusters van gelijkgezinde landen en deze vervolgens aan
zowel van de NAVO als de EU aan te bieden. (Regionale) clusters van landen kunnen gemak-
kelijker hun militaire capaciteitensamenwerking verdiepen. Een voormalig functionaris van
het EDA merkt echter op dat capaciteitensamenwerking op het niveau van deze clusters ook
beperkingen kent; zo kan verdieping van de samenwerking op operationeel en strategisch ni-
veau (operationele hoofdkwartieren en commandostructuur) alleen in NAVO- en EU-verband
geschieden.52
Benelux-samenwerking
De Benelux-samenwerking in de eerste naoorlogse periode had grote politieke betekenis als
voorbeeld voor de latere Europese Economische Gemeenschap (EEG). Niet zonder reden gold
de Benelux als proeftuin van verdiepte onderlinge samenwerking. Wanneer de EEG en later de
EU een feit zijn, vermindert de betekenis van de Benelux. Wel streven de drie landen onder de
noemer van de Benelux Politieke Samenwerking naar afstemming van hun standpunten voor-
afgaand aan Europees overleg om zo meer politiek gewicht in de schaal te leggen.53
Aan Nederlandse en Belgische zijde is thans een discussie gaande over de wenselijkheid
van meer veiligheidspolitieke en militaire samenwerking in Benelux-verband. Volgens een
51 Interview medewerker ministerie van Defensie, 28 oktober 2011.
52 Tomas Valasek, ‘Surviving Austerity. The case for a new approach to EU military collaboration’, Centre for
    European Reform, April 2011; Interview met Dick Zandee, Brussel, 9 september 2011.
53 Kees Homan en Jan Rood, ‘Een nieuw leven voor de Benelux?’, Atlantisch perspectief nr. 4, 2011, pp. 14-18;
    AIV-advies nummer 53, Benelux, nut en noodzaak van nauwere samenwerking, Den Haag, februari 2007.
                                                        21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Belgische defensiedeskundige is een noodzakelijke eerste stap naar verdieping van deze
samenwerking de gezamenlijke bespreking van nationale defensieplannen van de Benelux-
partners alvorens deze vast te stellen. Met de gezamenlijke verwerving, stationering en het
onderhoud van transport- en/of gevechtsvliegtuigen kan een belangrijke stap worden gezet
naar verdere luchtmachtsamenwerking naar analogie van de maritieme samenwerking tus-
sen beide landen (zie paragraaf I.3).54
NORDIC samenwerking
In 2009 hebben de ministers van Defensie van Denemarken, Finland, Noorwegen, IJsland
en Zweden de Nordic Defence Co-operation (Nordefco) gelanceerd, een overkoepelend me-
chanisme voor regionale defensiesamenwerking. Door hun geografische ligging en geschie-
denis hebben de Scandinavische landen overeenkomstige politieke en strategische belan-
gen, ondanks het feit dat Noorwegen en IJsland tot de NAVO behoren, Zweden en Finland tot
de Europese Unie en Denemarken bij allebei. Nordefco onderscheidt vijf aandachtsvelden
voor nauwere samenwerking, ieder met een eigen ‘lead nation’:
•   strategische ontwikkelingen (Zweden);
•   capaciteitenversterking (Finland);
•   human resources en opleidingen (Denemarken);
•   training en oefeningen (Noorwegen);
•   operationele samenwerking (Zweden).55
De belangrijkste doelstelling van Nordefco is het versterken van de krijgsmachten van de
deelnemende landen en het benutten van synergievoordelen tussen de krijgsmachten. Zon-
der nauwere samenwerking zijn de Scandinavische landen binnen vijftien à twintig jaar niet
meer in staat een geloofwaardige krijgsmacht in stand te houden, aldus een rapport van de
Noorse oud-minister Stoltenberg.56 Nordefco beoogt geen defensie-unie tot stand te bren-
gen. Wel toont het voorbeeld aan dat de Scandinavische landen een moderne interpretatie
van het begrip soevereiniteit hanteren, waarmee wordt beoogd het handelingsvermogen van
de afzonderlijke krijgsmachten te vergroten door nauwere samenwerking. De ministers van
Buitenlandse Zaken van de aangesloten landen hebben onder meer een solidariteitsverkla-
ring naar buiten gebracht die stelde:
    ‘Ministers discussed potential risks inter alia natural and man-made disasters, cyber
    and terrorist attacks. Should a Nordic country be affected, the others will, upon request
    from that country, assist with relevant means. […] The Ministers pointed out that the
    Nordic declaration on solidarity will be followed up through practical measures, such as
    cooperation in the field of cyber security, as a first step.’57
Het Noorse besluit tot aanschaf van het Amerikaanse JSF gevechtsvliegtuig in plaats van de
Zweedse Gripen leidde in Stockholm tot zeer ontstemde reacties. Dit voorbeeld laat zien dat
54 Prof.dr. Sven Biscop, Brussel, 8 september 2011.
55 NORDEFCO military level annual report 2010, February 2011.
56 Hij is de vader van de huidige Noorse minister-president, Jens Stoltenberg.
    Thorvald Stoltenberg, ‘Nordic Cooperation on Foreign and Security Policy. Proposals presented to the
    extraordinary meeting of Nordic foreign ministers in Oslo on 9 February 2009’, February 2009, p. 28.
57 The Nordic declaration on solidarity, Helsinki, 5 April 2011.
                                                         22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>de Scandinavische landen niet op voorhand samenwerking in Nordefco-verband prefereren
boven andere internationale samenwerkingsmogelijkheden.
I.3       Bilaterale samenwerkingsverbanden
De Nederlandse krijgsmacht onderhoudt bilaterale relaties met een groot aantal landen
waarmee in meer of mindere mate wordt samengewerkt. Met slechts een klein aantal lan-
den is sprake van een nauwe samenwerkingsrelatie, die overigens veelal nog beperkt is tot
één krijgsmachtdeel. De drie belangrijkste bilaterale samenwerkingsverbanden voor Neder-
land zijn de Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking (Benesam), het Duits-Nederlands
legerkorps en de UK/NL Amphibious Force. Daarnaast volgt in deze paragraaf een korte
beschouwing over de doelstellingen en tussentijdse resultaten van het recente Frans-Britse
Verdrag voor defensiesamenwerking dat in november 2010 werd getekend.
Benesam
De Belgisch-Nederlandse maritieme samenwerking heeft haar wortels in 1948, toen beide
landen besloten om in oorlogstijd hun marines onder één bevel te brengen. Na het einde
van de Koude Oorlog kwamen beide marines tot de conclusie dat ook in vredestijd nauwere
samenwerking menig voordeel oplevert, niet in de laatste plaats in financiële zin. Bij gevolg
werden steeds meer afspraken gemaakt over samenwerking bij aankoop en onderhoud van
marineschepen en gezamenlijke opleidingen en oefeningen. In 1996 werd deze samenwer-
king institutioneel verankerd met de oprichting van het operationeel hoofdkwartier van de
Admiraal Benelux in Den Helder.58 Ook met een gezamenlijk operationeel hoofdkwartier
kunnen Nederland en België geheel zelfstandig besluiten tot operationele inzet van hun
eigen schepen met eigen bemanningen. Dit blijft onderworpen aan een besluit van de nati-
onale regeringen en parlementen. Deze vorm van samenwerking combineert de (financiële)
voordelen van een vergaande integratie van marinestaven en taakverdeling bij het scheeps-
onderhoud met de autonome beschikkingsmacht van elk van de landen tot operationele
inzet van de eigen schepen met eigen bemanningen. Het resultaat is dat beide landen kos-
ten besparen waardoor marinecapaciteiten behouden blijven die voor elk land afzonderlijk
te kostbaar zouden zijn.
Dit is het duidelijkst zichtbaar in de manier waarop de samenwerking op het gebied van
fregatten en mijnenbestrijdingsvaartuigen gestalte krijgt. De grondslag voor deze samen-
werking ligt bij het gebruik van hetzelfde materieel. Nederland en België beschikken beide
over Tripartite mijnenjagers en door Nederland gebouwde M-fregatten. Er is gekozen voor
een taakverdeling waarbij België zorg draagt voor het onderhoud van de mijnenjagers als-
mede de opleiding en training van zijn bemanningen, terwijl Nederland hetzelfde doet voor
de M-fregatten en hun bemanningen.59 Beide landen hebben besloten tot aanschaf van de
maritieme versie van de NH-90 helikopter, die ook kan opereren vanaf de M-fregatten.60 De
mogelijkheden van gezamenlijke aankoop, training en onderhoud van deze helikopters worden
thans onderzocht en vormen een logische continuering van de bestaande samenwerking. Op
(middel)lange termijn ligt het voor de hand dat de Nederlandse en Belgische marine
58 Zie: <http://www.defensie.nl/marine/organisatie_marine/commando_zeestrijdkrachten/internationale_
    samenwerking/samenwerking_met_belgie>. Geraadpleegd op 20 oktober 2011.
59 Kees Homan en Jan Rood, ‘Een nieuw leven voor de Benelux?’, Atlantisch perspectief nr. 4, 2011, p. 17.
60 Zie: <http://www.mil.be/aircomp/subject/index.asp?LAN=nl&FILE=&ID=272&PAGE=11&MENU=0>.
    Geraadpleegd op 7 november 2011.
                                                    23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>gezamenlijk plannen ontwikkelen om een bijdrage te leveren aan het opheffen van Europese
maritieme tekorten.
Het onderlinge vertrouwen tussen de Nederlandse en Belgische marine is groot. Een goede
illustratie hiervan is de wens van België om tijdens zijn EU-voorzitterschap in 2010 ook het
bevel te voeren over de EU-operatie Atalanta voor de kust van Somalië. Hiertoe is aan Neder-
land het verzoek gedaan een commandofregat beschikbaar te stellen, aangezien België zelf
niet over deze capaciteit beschikt.61
Duits-Nederlands legerkorps
Reeds tijdens de Koude Oorlog, toen het operatiegebied van het 1e Nederlands legerkorps
op de Noord-Duitse laagvlakte lag en verschillende landmachteenheden in Duitsland ge-
legerd waren, ontstond een innige samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse land-
macht. Vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, op 30 augustus 1995, schre-
ven Nederland en Duitsland geschiedenis met de oprichting van het 1 Duits-Nederlands
legerkorps, in aanwezigheid van premier Wim Kok en bondskanselier Helmut Kohl. Voor het
eerst in de Europese historie werden twee legerkorpshoofdkwartieren volledig geïntegreerd.
Binnen het nieuwe hoofdkwartier werden alle functies gelijk verdeeld en roteerden het com-
mando en een aantal sleutelfuncties over beide landen. Het gegeven dat een commandant
al in de legerplaats zeggenschap had over de militairen van een ander land, was uniek.
Daarbij was er dus sprake van het opgeven van nationale soevereiniteit, al bleef het besluit
tot eventuele inzet van de betrokken militaire eenheden aan de nationale hoofdsteden voor-
behouden.
Na de eeuwwisseling is het hoofdkwartier van het binationale legerkorps omgevormd tot een
multinationaal snel inzetbaar hoofdkwartier (HRFHQ), daarmee inspelend op een grote behoef-
te binnen de NAVO en de EU. Duitsland en Nederland vervullen gezamenlijk de leidende rol
binnen het snel inzetbaar hoofdkwartier met een stafcapaciteit van 420 militairen. Anders dan
in het geval van Benesam kunnen Nederland en Duitsland niet zelfstandig besluiten tot inzet
van (delen van) het hoofdkwartier.
De samenwerking in het 1 Duits-Nederlands legerkorps is instrumenteel geweest voor de geza-
menlijke inzet van Duitse en Nederlandse landmachteenheden bij verschillende crisisbeheer-
singsoperaties, waaronder KFOR in 1999/2000 en ISAF in 2002/2003 en momenteel in Kun-
duz. Het HRFHQ is tweemaal ingezet als hoofdkwartier ISAF (in 2003 en 2009) en tweemaal
als hoofkwartier van de landcomponent van de NATO Response Force (in 2005 en 2008); het
heeft tevens een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het NRF-concept.
De samenwerking binnen het legerkorps heeft ook een impuls gegeven aan de materieelsamen-
werking tussen Nederland en Duitsland, in het bijzonder bij de ontwikkeling van het verkennings-
voertuig Fennek, het pantservoertuig Boxer en de Pantserhouwitser. De materieelsamenwerking
heeft op haar beurt geresulteerd in gezamenlijke opleidingen, bijvoorbeeld voor de Pantserhou-
witser. De verwachting is dat het huidige HRFHQ zal blijven fungeren als katalysator voor verdie-
ping van de samenwerking tussen de Duitse en Nederlandse landmachten. Beide landen
beschouwen het hoofdkwartier als ankerpunt voor effectieve militaire samenwerking.62
61 Uiteindelijk was Frankrijk niet bereid het bevel over de EU-operatie Atalanta over te dragen aan België en is het
    verzoek weer ingetrokken. Interview met Sven Biscop, Brussel, 8 september 2011.
62 Zie: <http://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2011/05/10/46182412/Nederland_en_Duitsland_verdiepen_
    samenwerking>. Geraadpleegd op 7 november 2011.
                                                         24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>UK/NL Amphibious Force
De Brits-Nederlandse amfibische eenheid is een samenwerkingsverband dat stamt uit 1975.
Twee jaar eerder werden de beide marines geconfronteerd met bezuinigingen en was in
Nederland zelfs sprake van mogelijke opheffing van het Korps mariniers. Om dit te voorko-
men werd toenadering gezocht tot de Britten, wat resulteerde in de toevoeging van een Ne-
derlands mariniersbataljon aan de derde Britse Commando Brigade. Samen vormen zij de
landingseenheid van de UK/NL Amphibious Force. Deze landingseenheid is overigens geen
geïntegreerde eenheid en de Britse en Nederlandse elementen kunnen derhalve ook los van
elkaar worden ingezet. Er is evenmin sprake van een permanente samenwerking; wel wordt
er zo vaak mogelijk samen geoefend op basis van een gemeenschappelijke doctrine. Ook is
sprake van afstemming wat betreft materieelaanschaf en opleidingen.63
Eenheden van de UK/NL Amphibious Force hebben weliswaar sinds eind jaren tachtig aan
enkele landoperaties deelgenomen, onder andere in Noord-Irak ter bescherming van de
Koerdische bevolking64 en in Sarajevo tijdens de Balkanoorlog, maar de strijdmacht is nooit in
haar geheel ingezet of in een amfibische operatie. Begin 2010 vormde de UK/NL Amphibious
Force de kern van de Brits-Nederlandse Battle Group, maar tot een inzet is het wederom
niet gekomen. Er wordt in publicaties gewezen op de verschillende politieke tradities van het
Verenigd Koninkrijk en Nederland, vooral waar het gaat om de inzet van militairen. Zo is het
Verenigd Koninkrijk over het algemeen minder terughoudend dan Nederland om politieke
doelstellingen met de aanwending van militaire dwang kracht bij te zetten. Bovendien is de
feitelijke zeggenschap van het Britse parlement over de uitzending van militaire eenheden
veel geringer dan van het Nederlandse parlement.65 Deze verschillen kunnen ook in de toe-
komst een belemmering vormen voor operationele inzet van de UK/NL Amphibious Force.66
Frans-Britse defensiesamenwerking
Met de ondertekening van het Frans-Britse Verdrag voor defensiesamenwerking besluiten de
twee grootste militaire machten van de Unie om naast de oprichting van een gezamenlijke
expeditionaire strijdmacht – de Combined Joint Expeditionary Force (JEF) – tevens nauwer
samen te werken op het gebied van nucleaire wapentechnologie, logistiek en training voor
de toekomstige A400M-luchtvloot, verwerving van een nieuwe generatie UAV’s, gezamenlijk
gebruik van vliegdekschepen en ontwikkeling van onderzeeboottechnologie. De onderhande-
lingen over dit samenwerkingsverdrag zijn in 2007 gestart en hebben pas in 2010 resultaat
opgeleverd.
63 Marc Brinkman, ‘The Dutch Contribution to the UK/NL Amphibious Force: Adapting to changes in the global
    security situation’, RUSI Military Operations Today, Summer 2006.
64 Tijdens de operatie Provide Comfort waren een mariniersbataljon en een geniehulpbataljon van de landmacht
    onder bevel gesteld van de 3e Britse Commando Brigade.
65 De discussie over de rol van het Britse parlement bij besluitvorming over de inzet van militairen is door de
    NAVO-operatie in Libië overigens weer actueel geworden. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, William
    Hague, stelde een wet in het vooruitzicht die bij toekomstige militaire acties parlementaire consultatie
    verplicht stelt.
66 Margriet Drent e.a., ‘Internationale Militaire Samenwerking: Knelpunten en Kansen’, Clingendael Policy Brief
    No. 6, September 2011; M. Houben en D. Peters, ‘The deployment of Multinational Military Formations: Taking
    political institutions into account’, CEPS Policy brief No. 36, June 2003.
                                                            25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De directe aanleiding voor de nauwe operationele en industriële samenwerking is de finan-
ciële nood van de krijgsmachten van beide landen en het besef dat ieder afzonderlijk geen
militaire vuist meer kan maken. Premier Cameron en president Sarkozy benadrukten echter
dat de Frans-Britse samenwerking op geen enkele wijze afbreuk zal doen aan de soevereini-
teit van beide landen. Toch lijken de afspraken in de richting te gaan van onderlinge afhan-
kelijkheid op een aantal terreinen en geleidelijke integratie van enkele capaciteiten. Het zal
echter nog enkele jaren duren voordat concrete resultaten van de Frans-Britse samenwer-
king zichtbaar worden, in het bijzonder op het gebied van gezamenlijke verwerving.67
De politiek-strategische betekenis van de Frans-Britse defensiesamenwerking is niet zo
eenvoudig te duiden. Wordt hiermee een fundament gelegd voor een nieuwe Europese
militaire capaciteit die zich onttrekt aan de besluitvorming en institutionele belemme-
ringen binnen de NAVO en de EU op veiligheidsgebied? Of is sprake van een Frans-Brits
cluster dat zijn gecombineerde militaire capaciteit beschikbaar stelt voor EU-, NAVO- of VN-
crisisbeheersingsoperaties?68 De AIV merkt op dat het Frans-Britse partnerschap kan wijzen
op een tanend vertrouwen van beide landen in de NAVO en de EU als veiligheidsinstituties
onder alle omstandigheden. Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk lijken hiermee te kennen
te geven dat hun nationale veiligheidsbelangen niet afdoende gewaarborgd zijn door de be-
staande veiligheidssamenwerking in NAVO- of EU-verband.
I.4       Overige samenwerkingsverbanden
Movement Coordination Centre Europe
Strategisch lucht- en zeetransport zijn door de NAVO en de EU als schaarse capaciteiten
geïdentificeerd. Het benodigde materieel is echter zeer kostbaar, zowel in aanschaf als on-
derhoud. Verschillende multinationale initiatieven zijn de afgelopen jaren ontplooid om extra
capaciteit voor luchttransport (SALIS/Antonov, SAC/C-17, A400M) en zeetransport (roll-on-
roll-offschepen) te genereren voor het vervoer van militair materieel en personeel.
Het Movement Coordination Centre Europe (MCCE) is in 2007 voortgekomen uit een fusie van
het European Airlift Centre (EAC) en het Sealift Coordination Centre (SCC). Naast strategisch
transport door de lucht en over zee coördineert het MCCE eveneens transport over land (trein,
wegtransport) en de inzet van tankervliegtuigen. De 25 deelnemende landen, die allemaal lid
zijn van de NAVO en/of de EU, kunnen aan het MCCE melden aan welke transportcapaciteit
ze op welk moment behoefte hebben, zodat ladingen, routes en bestemmingen op elkaar af-
gestemd worden. Het uitgangspunt daarbij is dat landen de zogeheten restcapaciteit van hun
transportmiddelen beschikbaar stellen aan andere landen. Zo kunnen bijvoorbeeld transport-
vliegtuigen of zeeschepen van land X die militair materieel naar een operatiegebied vervoeren,
op de terugweg door land Y worden gebruikt voor materieelvervoer vanuit hetzelfde operatiege-
bied huiswaarts. Dit leidt tot het vergroten van de bezettingsgraad.69
Europees Luchttransport Commando
Duitsland en Frankrijk namen in 2006 het initiatief tot een verdergaande samenwerking op
67 Interview met Tomas Valasek, Den Haag, 30 september 2011; Dick Zandee, ‘Brits-Franse defensiesamen-
    werking: pro of contra Europa?’, Internationale Spectator Jaargang 65 nr. 2, februari 2011, pp. 67-70.
68 Julian Lindley-French, ‘Britain and France: Bringing strategic sanity back to Europe?’, Atlantisch Perspectief
    2011 nr. 1, pp. 17-19.
69 MCCE Working Board Director’s Report, January 2011.
                                                         26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>het gebied van luchttransport. Waar het MCCE zich richt op de coördinatie van transport-
behoeften door optimale benutting van restcapaciteit, wilden beide landen hun gehele lucht-
transportvloot onder een gezamenlijk commando brengen. Nederland en België sloten zich
later bij dit initiatief aan, hetgeen in 2010 resulteerde in de ondertekening van een overeen-
komst (Transfer of Authority), waarmee deze vier landen hun nationale zeggenschap over de
eigen luchttransportvloot grotendeels overdroegen aan het Europees Luchttransport
Commando (EATC). Vanaf eind 2010 is het commando met 160 personeelsleden operatio-
neel en gestationeerd op vliegbasis Eindhoven.70
De belangrijkste voordelen van het EATC zijn een effectiever gebruik van de beschikbare
vliegtuigen, besparingen op de inhuur van transportvliegtuigen en een reductie van de ope-
rationele stafcapaciteit. Zo verwacht Nederland ongeveer tien à vijftien procent te besparen
op de inhuur van transportvliegtuigen dankzij het EATC en hebben Duitsland en België met
de komst van het EATC hun nationale luchttransportcommando’s opgeheven. De risico’s
die verbonden zijn aan een gezamenlijk luchttransportcommando, zijn de beperking van
nationale autonomie en free ridergedrag. Om de beperking van nationale autonomie te ver-
zachten is het principe van een ‘rodekaarthouder’ overeengekomen, dat de deelnemende
landen de mogelijkheid geeft om bij hoge uitzondering vliegtuigen op te eisen voor nationale
operaties. Om free ridergedrag te voorkomen wordt gebruik gemaakt van een virtueel admi-
nistratiesysteem, Atares genaamd, dat gebaseerd is op een berekening van de kosten van
een vlieguur met een C-130 toestel. Atares maakt het mogelijk vervolgens de kosten voor
het gebruik van alle verschillende types vliegtuigen tussen de deelnemende landen te ver-
rekenen.71
Het streven is om behalve de pooling van transportvliegtuigen en een gezamenlijk commando,
op termijn ook het vliegtuigonderhoud en de opleiding van personeel samen te voegen. In
de organisatiestructuur van het EATC is hiermee al rekening gehouden. De deelnemende
landen blijven echter geheel zelfstandig bij operationele inzet en vliegen alleen met eigen
bemanningen.
European Gendarmerie Force
De European Gendarmerie Force (EGF) is een initiatief van vijf lidstaten (Frankrijk, Italië,
Nederland, Portugal en Spanje). Sinds eind 2008 is ook Roemenië lid van de EGF. Gezamen-
lijk beschikken de deelnemende nationale gendarmeriekorpsen over ongeveer een kwart
miljoen manschappen. Turkije heeft de status van waarnemer, terwijl Litouwen en Polen
samenwerkingspartners zijn.72 Het initiatief is genomen met het doel de civiele capaciteiten
van crisismanagement te versterken; de uitvoering is aan politiediensten opgedragen. Het
gaat hierbij om aanvullingen c.q. vervangingen van lokale politie. Eventueel kunnen de civie-
le capaciteiten worden uitgebreid met een militaire component in het kader van Civil Military
Co-operation (CIMIC).73 Het EGF-hoofdkwartier is gesitueerd in Vicenza (Italië), waar voorzie-
ningen zijn getroffen om een snelle inzet in crisisgebieden mogelijk te maken. Een EGF force
70 Stefan Wilmers en Christian John, ‘European Air Transport Command. Transition from ATC to EATC’, European
     Security and Defence, April 2011, pp. 37-38.
71 Interview met kolonel Th. Rikken, voormalig projectleider EATC, Den Haag, 14 oktober 2011.
72 Zie: <http://www.eurogendfor.org/referencetexts/Observer%20and%20procedures%20for%20LNOs.pdf>.
73 Marleen Easton, Monica den Boer, Jelle Janssens, René Moelker en Tom Vander Beken (red.), ‘Blurring Military
     and Police Roles’, Den Haag, Eleven Publishers, 2010.
                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>is overigens geen ‘staande’ formatie, maar een ad-hocpolitiekorps dat op korte termijn (30
dagen) beschikbaar is. Het korps bestaat uit maximaal 800 leden; op basis van de Helsinki-
capaciteitencatalogus kan het korps echter worden uitgebreid tot 2300 leden.
Een EGF-korps werkt volgens de operationele concepten in een Integrated Police Unit. Dit
betekent dat het uit drie componenten bestaat:
•    een mobiel element, dat zich richt op de algemene politietaak inclusief de handhaving
     van de openbare orde en veiligheid;
•    een specialistisch element, dat zich richt op politiecapaciteiten, zoals investigation
     teams, swat teams en grensbewakingsexpertise;
•    een logistiek element voor de logistieke ondersteuning.74
De EGF kan worden ingezet binnen een civiele politiemissie, maar zij kan ook de politie-
opbouw verzorgen binnen een militaire commandostructuur.75 Daarmee valt de EGF te
beschouwen als een meervoudig inzetbaar instrument.
De EGF kan in eerste instantie door de EU worden uitgezonden, maar zij staat ook ter be-
schikking van de NAVO, de VN, de OVSE en ad-hoccoalities. Wanneer de EGF door de EU
wordt gebruikt, valt zij onder de politieke verantwoordelijkheid van het Politiek en Veiligheids-
comité (PSC), het permanente EU-orgaan dat zich bezighoudt met de politieke controle over
en de strategische aansturing van het GVDB . De politiek-militaire coördinatie berust bij het
Interministerieel Comité op Hoog Niveau (CIMIN), waarin vertegenwoordigers van de deelne-
mende EGF-lidstaten zitting hebben. Het CIMIN is ook verantwoordelijk voor de benoeming
van de bevelhebber van de EGF. De sleutelposities in de EGF worden bezet door de zes deel-
nemende landen en roteren volgens een afgesproken kalender.
Inmiddels is de EGF ten behoeve van een drietal politiemissies ingezet. De eerste missie
betrof de EU-operatie Althea in Bosnië-Herzegovina, die sinds december 2004 gaande is.
Daarnaast is de EGF beschikbaar gesteld aan de VN als onderdeel van de United Nations
Stabilisation Mission in Haïti (MINUSTAH) na de aardbeving in dat land in januari 2010.
Verder speelt de EGF nog steeds een belangrijke (kwalitatieve) rol in de ISAF/NTM-A76
politie-opbouwmissie in Afghanistan.77 De EGF-bijdrage aan de NAVO is groter dan die van
de European Union Police Mission in Afghanistan (EUPOL); zij bestaat vooral uit de verlening
van hoogwaardige civiele politie-expertise. Ten slotte is een scenario-analyse en planstudie
verricht voor mogelijke uitzending van de EGF naar Libië. Een daartoe strekkend verzoek is
evenwel uitgebleven.
Samenvattend: de EGF valt in de categorie van multilaterale flexibele samenwerking met een
vaste commandostructuur en thuisbasis. Omdat zij een unieke nichecapaciteit op het gebied
van politiedienstverlening vertegenwoordigt, valt serieus te denken aan verdere versterking
74 Het gaat hierbij om supplies, restocking, maintenance, recovery and evacuation of equipment, transportation,
    medical and health care.
75 Michiel de Weger, ‘The Potential of the European Gendarmerie Force’, Institute Clingendael, March 2009.
76 De afkorting NTM-A staat voor NATO Training Mission in Afghanistan.
77 J.L. Hovens en G.A.G. Elk (red.), ‘Gendarmeries and the Security Challenges of the 21st Century’, Den Haag,
    2011, pp. 10, 139 en 149.
                                                       28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>van de EGF.78 De AIV heeft twee mogelijkheden op het oog. Allereerst zou de partnerstatus in
de EGF kunnen worden verbreed naar landen die participeren in het Europees Nabuurschaps-
beleid. Eventueel kan dit nog worden uitgebreid naar andere landen in OVSE-verband.79
Daarnaast kan versterking worden gezocht door de EGF, als samenwerkingsverband van zes
EU-lidstaten (en de partners en waarnemers), beter te verankeren binnen de EU. Dat zou kun-
nen gebeuren door deze formatie uit te bouwen tot een vorm van Permanente Gestructureerde
Samenwerking (PGS) dan wel op te zetten als vorm van nauwere samenwerking volgens art.
20 VEU.
78 Michiel de Weger, ‘The Potential of the European Gendarmerie Force’, Institute Clingendael, March 2009.
79 Van belang is onderscheid te maken tussen lidmaatschap en samenwerking. De Politieke Intentieverklaring
   van 2004 geeft aan dat samenwerking met vele verschillende organisaties in een concrete situatie mogelijk
   is (in de praktijk oefenen EGF-eenheden ook met andere mogelijke samenwerkingspartners). Verdergaande
   samenwerking is volgens die intentieverklaring alleen mogelijk binnen het lidmaatschap. Daarbinnen kennen
   we: leden (Gendarmerie en EU-land), ‘observers’ (Gendarmerie en officieel kandidaat EU land) en Partners
   (EU-land en organisatie die niet op alle punten voldoet aan de kenmerken van een gendarmerie).
                                                        29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>II        Lessen uit Europese defensiesamenwerking
Al decennia lang wordt hoog opgegeven van de politieke, militaire en financiële voordelen
van meer defensiesamenwerking in Europa, niet in de laatste plaats in Nederland. De voor-
standers van deze samenwerking – van politici en hooggeplaatste militairen tot onafhanke-
lijke denktanks – betogen dat er sprake is van een win-winsituatie voor alle betrokkenen.
Toch blijkt samenwerking in de praktijk veelal weerbarstig te zijn. Daarom is in het vorige
hoofdstuk inzicht verschaft in verschillende multilaterale, regionale en bilaterale sporen die
tot effectieve en kostenbesparende defensiesamenwerking zouden moeten leiden. In dit
hoofdstuk worden de belangrijkste lessen uit de opgedane ervaringen opgetekend. Deze
lessen kunnen behulpzaam zijn bij de beantwoording van de centrale vraag uit de advies-
aanvraag van het kabinet om concrete aanbevelingen te doen voor de verdere internationale
inbedding van de Nederlandse krijgsmacht.
II.1      Soevereiniteit, samenwerking en het belang van de strategische cultuur
De zorg om verlies van nationale soevereiniteit in de traditionele zin en derhalve van be-
schikkingsmacht over de eigen krijgsmacht is een belangrijke reden, zo niet de hoofdreden,
dat afspraken over geïntegreerde operationele samenwerking voorshands meer uitzondering
zijn dan regel. De paradox doet zich voor dat Europese krijgsmachten weliswaar gezamenlijk
optreden in internationaal verband, maar dat ieder land zich veelal zelfstandig voorbereidt
op dit optreden. Wanneer men soevereiniteit opvat als ‘het vermogen om via extern hande-
len nationale belangen optimaal te dienen’ dan is nauwere samenwerking in Europees en
breder internationaal verband meer dan ooit essentieel ter verzekering van onze belangen
en de verwerving van invloed. Zoals al eerder is opgemerkt, is het belang van de gedeelde
Europese soevereiniteit daarbij in werkelijkheid groter dan dat van de (ongedeelde) nationale
soevereiniteit.
Het ontbreken van een gemeenschappelijke visie op het Europese defensiebelang is het
belangrijkste obstakel om tot samenwerking te komen. Wanneer gelijkgestemde landen
samenwerking nastreven, is een dergelijke visie gemakkelijker te bereiken. Wat betekent dit
nu voor landen die opteren voor verdieping van de operationele samenwerking met partner-
landen? Zij moeten bij de keuze van samenwerkingspartners zich ervan vergewissen dat het
politiek besluitvormingsproces rondom uitzending van militaire eenheden, de strategische
cultuur en de bereidheid om risico’s te delen min of meer overeenkomstig zijn. Deze drie
parameters zijn belangrijke voorwaarden voor het succes van de samenwerking bij gezamen-
lijke militaire inzet. Zo geschiedt de politieke besluitvorming over deelname van militairen
aan out of area-operaties in Nederland en Duitsland in nauwe samenspraak tussen regering
en parlement. Uitzending van militairen kan in beide landen in de praktijk slechts doorgang
vinden wanneer een parlementaire meerderheid zich hiervoor uitspreekt. In het Verenigd
Koninkrijk kan de regering daarentegen zonder consultatie van het parlement besluiten tot
expeditionaire inzet van Britse militairen. Dit onderscheid in politieke besluitvorming kan een
verklaring zijn voor het feit dat het Duits-Nederlandse legerkorpshoofdkwartier wel in zijn
totaliteit is ingezet bij crisisbeheersingsoperaties en de UK/NL Amphibious Force nog niet.
De strategische cultuur van een land omvat de gedeelde overtuigingen, ideeën en normen
rond de inzet van het militaire instrument om veiligheidsdoelstellingen te realiseren. De stra-
tegische cultuur is een product van de geschiedenis van een land, de geopolitieke situatie,
de politieke instituties en de historische ervaring met de inzet van de krijgsmacht. Zij beïn-
vloedt in belangrijke mate de bereidheid de krijgsmacht buiten de eigen landsgrenzen in te
                                                 30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>zetten en in risicovolle omstandigheden te laten optreden. Landen met een overeenkomstige
strategische cultuur zijn beter in staat samen te werken in operationeel verband. Hierbij valt
te denken aan de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, maar ook aan Frankrijk en het
Verenigd Koninkrijk. Hiertegenover kan worden genoemd dat Frankrijk en Duitsland hun
binationale brigade niet hebben kunnen inzetten in Afghanistan vanwege meningsverschillen
over het karakter van het militaire optreden en de hiervoor geldende beperkingen (caveats). 80
De Nederlandse strategische cultuur kan tot dusverre worden geplaatst tussen de op militaire
daadkracht gerichte cultuur van landen als de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en
Frankrijk en de militair meer terughoudende cultuur van de Duitse Bondsrepubliek. Neder-
land is bereid om met zijn krijgsmacht een bijdrage te leveren aan risicovolle missies, maar
onder voorwaarde dat deze internationaalrechtelijk is gemandateerd en is ingebed in een
samenhangende civiel-militaire aanpak om veiligheid, stabiliteit en rechtsorde te verster-
ken. Deze positionering heeft Nederland de mogelijkheid geboden om samenwerking na te
streven met landen met verschillende strategische culturen, zoals Duitsland en het Verenigd
Koninkrijk. Daardoor kan Nederland wellicht ook een verbindende factor zijn tussen verschil-
lende clusters van samenwerking binnen Europa.
II.2      Gezamenlijke instandhouding van materieel
De gezamenlijke instandhouding van defensiematerieel spreekt wellicht minder tot de
verbeelding dan de gezamenlijke inzet van militaire eenheden tijdens operaties, maar toch
zijn juist op dit terrein kostenbesparingen door schaalvoordelen te behalen. Vanzelfsprekend
moet worden uitgegaan van de wapensystemen die thans bij de lidstaten in gebruik zijn. Zo
poogt Nederland het onderhoud van F-16 gevechtsvliegtuigen te concentreren in Woensdrecht
(Maintenance Valley), al wordt daarvan tot dusverre nog onvoldoende gebruik gemaakt door
andere Europese landen. Het ligt voor de hand ook de bestaande materieelsamenwerking
met Duitsland uit te breiden met de instandhouding van de Pantserhouwitser, de Patriot-
eenheden en de wielvoertuigen Boxer en Fennek. Door gezamenlijk onderhoud, aanschaf
van reservedelen en munitiebeheer kunnen besparingen worden bereikt bij de Koninklijke
landmacht, naar analogie van besparingen bij de Koninklijke marine als gevolg van de
gezamenlijke instandhouding met België van M-fregatten en mijnenbestrijdingsvaartuigen.
Concentratie van onderhoudsactiviteiten op één locatie impliceert dat op andere plaatsen
werkgelegenheid verloren gaat. Daarom is deze vorm van samenwerking niet eenvoudig tot
stand te brengen en kan ze politieke en maatschappelijke weerstand oproepen, vooral in
tijden van economische crisis. Om deze weerstand te overwinnen moeten de lusten en de
lasten van de concentratie van onderhoud door de deelnemende landen op een billijke wijze
worden verdeeld.
Bundeling van de logistieke dienstverlening bij militaire operaties, zoals in het voorbeeld van
NAMSA als contracting agency ten behoeve van NAVO-operaties, kan zowel de kwaliteit van
de logistieke keten verbeteren als forse kostenbesparingen voor troepenleverende landen
met zich brengen. Landen moeten wel bereid zijn deskundige militairen uit eigen gelederen
beschikbaar te stellen aan NAMSA of een andere multinationale contracting agency.
80 Tomas Valasek, ‘Surviving Austerity. The case for a new approach to EU military collaboration’, Centre for
    European Reform, April 2011, p. 21; Rem Korteweg, ‘The Superpower, the Bridge-Builder and the Hesitant Ally.
    How Defense Transformation Divided NATO (1991-2008)’, Leiden University Press, 2011, pp. 407-411.
                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>II.3      Standaardisatie als ‘multiplier’ voor samenwerking
Door meer standaardisatie kunnen in beginsel de ontwikkelings- en verwervingskosten van
(wapen)systemen worden beperkt. De praktijk is echter weerbarstig. Zo zullen in Europa de ko-
mende tien jaar 23 verschillende types pantservoertuigen in gebruik worden genomen met uit-
eenlopende kalibers munitie. Op de Duits-Nederlandse Boxer na, zijn deze pantservoertuigen
het resultaat van een nationale behoeftestelling en een nationaal ontwikkeltraject, uitmon-
dend in een nationaal vervaardigd product. Ook de grote verscheidenheid van marineschepen
in Europa is het directe gevolg van de aanwezigheid van 21 scheepswerven die marinesche-
pen bouwen in zestien verschillende landen. Standaardisatie van (wapen)systemen in Europa
heeft nog een lange weg te gaan. Het traject begint met het opstellen van een gezamenlijke
behoeftestelling en een bijbehorend pakket van eisen door een groep gelijkgestemde landen.
Voorwaarde is wel dat de militaire behoeften leidend zijn voor internationale materieelsamen-
werking en niet de belangen van nationale defensie-industrieën. Tegelijkertijd moet worden
voorkomen dat door toevoeging van nationale eisen de kosten van (wapen)systemen stijgen,
zoals onder meer is gebeurd bij de NH-90 helikopter. Gezamenlijke aanschaf is dikwijls duur
gebleken vanwege onnodige nationale configuratieverschillen.
Bij het opstellen van het investeringsplan van Defensie moet in de eerste plaats worden ge-
keken naar materieel waaraan in Europees verband een tekort bestaat. Standaardisatie van
militair materieel vormt vervolgens de beste grondslag voor een duurzame internationale
samenwerking op de gebieden logistiek, onderhoud, opleiding en training. De aantrekkelijk-
heid van deze vorm van samenwerking hangt ook samen met het feit dat soevereiniteit en
afhankelijkheid hier minder in het geding zijn dan bij verdergaande vormen van samenwerking.
Gebruik van hetzelfde materieel is een belangrijke voorwaarde voor het gezamenlijk opleiden
en trainen van personeel. Dit geldt bijvoorbeeld voor opleidingen op de pantserhouwitser (met
Duitsland) en het YPR pantserrupsvoertuig (met België), de para-opleidingen (met België) en
in de toekomst tactische UAV’s (met België). Ook gezamenlijke opleidingen in specifieke be-
kwaamheden (parachutespringen, duiken, bergbeklimmen) liggen voor de hand. Ten slotte zou
de samenwerking tussen defensie-opleidingen kunnen worden versterkt, bijvoorbeeld door een
stapsgewijze uitbreiding van het European Security and Defence College.
Internationale materieelsamenwerking mag echter geen instrument worden om de belangen
van krijgsmachtdelen binnen het investeringsplan van Defensie veilig te stellen. Onder dit voor-
behoud ligt samenwerking met landen die voornemens zijn hun F-16 gevechtsvliegtuigen op
termijn te vervangen door de JSF (Noorwegen, Denemarken, België) voor de hand.81
II.4      Industriële en economische belangen als hindermacht
Nationale industriële en economische belangen vormen dikwijls een taaie hindermacht bij
het streven naar meer internationale materieelsamenwerking. In Europa wordt nog steeds
ongeveer tachtig procent van de defensie-investeringen besteed in nationale bedrijven. Het
gevolg is dat de Europese krijgsmachten naast de meer dan twintig uiteenlopende types
gevechtsvoertuigen tezamen beschikken over zeven verschillende gevechtshelikopters, vier
types tanks, drie verschillende gevechtsvliegtuigen en een breed assortiment aan fregatten
en ander varend materieel. Met name de marine- en landmacht-industrieën in Europa zijn
81 Margriet Drent e.a., ‘Internationale Militaire Samenwerking: Knelpunten en Kansen’, Clingendael Policy Brief
    No. 6, September 2011, pp. 6-8; Dick Zandee, ‘Europa moet, ook voor defensie!’, Atlantisch perspectief nr. 6,
    2010, pp. 6-7; Interview met CDR F. Sijtsma, Den Haag, 30 augustus 2011; Interview met Thomas Valasek,
    Den Haag, 30 september 2011.
                                                        32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>nog sterk nationaal georiënteerd. Een positieve ontwikkeling is wel dat de Britse en Franse
defensie-industrieën op zoek gaan naar meer samenwerkingsmogelijkheden als uitvloeisel
van het Frans-Britse verdrag voor defensiesamenwerking.
Het EDA heeft tot nu toe slechts heel beperkt de bescherming van de nationale defensie-
industrieën weten te beteugelen. De Nederlandse defensie-industrie is binnen Europa een
bescheiden speler, die door een voormalig EDA-functionaris wordt getypeerd als een indus-
trie met een MKB-achtige structuur. Derhalve lijkt voor Nederland geen hoofdrol weggelegd
bij het in Europees verband beteugelen van protectie van nationale defensie-industrieën.
Bovendien is het Nederlands luchtvaartcluster sterk gericht op trans-Atlantische samenwer-
king met Amerikaanse partners, in het bijzonder bij de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter
(JSF). Dit neemt niet weg dat Nederland in EU-verband moet hameren op een (verdere) libe-
ralisering van de Europese defensiemarkt.82
II.5      Investeren gaat voor de baat uit
Ten onrechte wordt vaak gedacht dat meer internationale defensiesamenwerking een snelle
manier is om op de krijgsmacht te kunnen bezuinigen. Daarbij wordt voorbijgegaan aan de
initiële kosten die samenwerking met zich brengt: stafcapaciteit om de samenwerking van
de grond af op te bouwen en investeringen in (nieuwe) gemeenschappelijke faciliteiten. Zo
heeft Nederland ongeveer I 10 miljoen geïnvesteerd in een nieuwe accommodatie voor het
EATC op de vliegbasis Eindhoven.83 Kostenbewustzijn is daarom een belangrijk aspect bij de
keuze van toekomstige internationale samenwerkingsprojecten.
Effectieve operationele samenwerking vergt bovendien jaren van gezamenlijke training en
oefening. Zo kan de goede samenwerking met de Duitse landmacht worden verklaard vanuit
de jarenlange samenwerking op de Noord-Duitse laagvlakte ten tijde van de Koude Oorlog.
Dit aspect kan niet genoeg worden benadrukt.
II.6      Meer nadruk op civiel-militaire samenwerking in de EU
Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 doen zich
nieuwe kansen voor om de civiel-militaire samenwerking in de EU op een hoger plan te bren-
gen. De solidariteitsclausule en wederzijdse bijstandsclausule bieden aanknopingspunten
voor meer coördinatie en nauwere samenwerking van civiele en militaire capaciteiten van de
lidstaten teneinde de dreiging van terrorisme op het Europees grondgebied te keren en bij-
stand te verlenen in het geval van een (natuur)ramp. Ook kan de EU vaker een beroep doen
op de inzet van de EGF voor politietrainings- en politieopbouwmissies buiten de Unie. De
EGF kan zo een belangrijke meerwaarde verwerven voor het GBVB. Zoals eerder aangegeven
valt het te overwegen deze nichecapaciteit op termijn onder het PGS-mechanisme te scharen,
mits PGS ruimte laat voor de vorming van verscheidene kopgroepen.
Voorts zijn er mogelijkheden meer synergievoordelen te behalen bij de ontwikkeling van civiele
en militaire technologieën. Op een aantal onderzoeksgebieden, zoals satellietcommunicatie,
datatransmissie en sensoren, heeft de civiele sector een belangrijke voorsprong op de
82 Margriet Drent and Dick Zandee, ‘Breaking Pillars. Towards a Civil-Military Security Approach of the European
    Union’, Institute Clingendael, January 2010, p. 60; Interview met Dick Zandee, Brussel, 9 september 2011.
83 Interview met kolonel Th. Rikken, voormalig projectleider EATC, Den Haag, 14 oktober 2011.
                                                         33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>defensie-industrie. Daarom is het wenselijk een gezamenlijk onderzoeksbudget voor
interne en externe veiligheid onder te brengen bij het European Security Research pro-
gramma van de Europese Commissie. Hiervoor is het wel noodzakelijk afspraken te maken
tussen de Europese Commissie en het EDA over de financiering van dit gezamenlijk onder-
zoeksprogramma.84
II.7      Samenwerking schept verplichtingen
Naast de voordelen van Europese defensiesamenwerking moet men evenzeer oog hebben
voor de verplichtingen die deze samenwerking meebrengt. Het onderbrengen van nationale
defensiecapaciteiten in een multinationale pool, zoals de pool van militaire transportvliegtui-
gen in het EATC, schept ook verplichtingen voor de partners voor de instandhouding en het on-
derhoud van die capaciteit. In het eindrapport Verkenningen ‘Houvast voor de krijgsmacht van
de toekomst’ werd gewezen op het risico dat bezuinigingen op Europese defensiebudgetten
veelal ten koste gaan van internationale samenwerkingsverbanden en projecten.85 Zo heeft
de Nederlandse regering bij een eerdere ombuigingsoperatie eenzijdig besloten tot stopzetting
van een binationaal project met Duitsland (het Patriot-akkoord) en heeft Noorwegen na een
regeringswisseling in 2003 hetzelfde gedaan bij een binationaal project met Nederland (de
Noorse deal). Ook het recente besluit de Nederlandse stafcapaciteit in het Duits-Nederlands
legerkorpshoofdkwartier te verminderen is geen vertrouwenwekkende maatregel in de richting
van deze strategische partner. Volledig kunnen vertrouwen op de loyaliteit van partners is
essentieel voor succesvolle defensiesamenwerking. Zo zou een hypothetisch Nederlands
besluit tot afstoting van de M-fregatten als onderdeel van het recente forse pakket van ombui-
gingen binnen de krijgsmacht een affront zijn geweest voor de maritieme samenwerking met
België. Maar ook in de toekomst zullen aankoopbeslissingen voor de Koninklijke marine in nauwe
samenspraak met België moeten geschieden. Uiteraard mag ook het omgekeerde worden
verlangd.86
II.8      EU-NAVO samenwerking
De EU en de NAVO hebben zich het afgelopen decennium in gelijke mate beijverd voor ver-
betering van de militaire capaciteiten van de lidstaten ten behoeve van out of area optreden.
Veel capaciteiteninitiatieven met klinkende namen zijn door EU en NAVO geïnitieerd, die
evenwel slechts mondjesmaat hebben bijgedragen aan capaciteitenversterking. Dikwijls
klinkt het verwijt dat duplicatie van inspanningen door de EU en de NAVO de oorzaak is van
de beperkte vooruitgang op capaciteitengebied. Het zijn echter, het zij nogmaals gezegd,
de nationale lidstaten die verantwoordelijk zijn voor hun nationale defensieplanning en de
aanschaf van militaire middelen. De tekortschietende materieelsamenwerking tussen de
lidstaten onderling, en niet de duplicatie tussen EU en NAVO, is de hoofdoorzaak van het
voortbestaan van Europese militaire tekorten voor out of area-optreden.
Informele contacten tussen de staven van de EU en de NAVO, in het bijzonder het EDA en
het Allied Command Transformation (ACT), bieden voldoende aanknopingspunten voor een
nadere afstemming van prioriteiten, inclusief afspraken over een verdeling van capaciteiten-
84 Interview met Dick Zandee, Brussel, 9 september 2011.
85 Interdepartementale project-Verkenningen, ‘Eindrapport Verkenningen: Houvast voor de krijgsmacht van de
    toekomst’, Den Haag, 2010.
86 CDR F. Sijtsma, Den Haag, 30 augustus 2011; Prof.dr. Sven Biscop, Brussel, 8 september 2011.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>projecten. Het overgrote deel van de capaciteitenprojecten dat in EDA- of NAVO-verband tot
ontwikkeling komt, is opgezet door een beperkt aantal landen en hierover kan zonder res-
tricties op stafniveau worden overlegd. Zo werkt het EDA aan bescherming tegen biologische
wapens, terwijl de NAVO zich concentreert op protectie tegen chemische dreigingen. Afstem-
ming van projecten die een collectieve behoefte van de NAVO of de EU betreffen, is echter
niet mogelijk zolang de politieke blokkade op EU-NAVO-samenwerking door Cyprus en Turkije
in stand gehouden wordt.87
II.9      Snelle reactiemachten van EU en NAVO
Internationale defensiesamenwerking draait niet uitsluitend om versterking van militaire
capaciteiten, maar ook om effectieve inzet van die capaciteiten tijdens missies. Hiervoor
zijn goede operationele concepten en gezamenlijke training onontbeerlijk. De NRF en EU
Battlegroups vervullen een belangrijke rol bij de transformatie naar meer expeditionaire
krijgsmachten, de vergroting van de interoperabiliteit tussen militaire eenheden van deelne-
mende landen en als voorbereiding op een effectieve multinationale inzet tijdens toekom-
stige missies. De operationele inzet van de NRF en EU Battlegroups is tot op heden politiek
onhaalbaar gebleken, met uitzondering van de humanitaire inzet van de NRF bij de orkaan
Katrina en de aardbeving in Pakistan. Een belangrijk struikelblok betreft de vraag wie voor
de kosten van inzet van de NRF en de EU Battlegroups moet opdraaien. Slechts een beperkt
deel van deze kosten komt voor gemeenschappelijke financiering in aanmerking, wat – weinig
verrassend – de bereidheid van troepen leverende landen om in te stemmen met inzet van
een snelle reactiemacht negatief beïnvloedt.
Na een periode van (gezamenlijke) training en oefeningen, gevolgd door een stand-byperiode
van zes maanden, worden de NRF en EU Battlegroup formaties weer ontbonden. Polen
heeft geopperd de incidentele operationele samenwerking tussen landen in NRF en EU
Battlegroups om te zetten in semi-permanente samenwerkingsverbanden waarbij dezelfde
(combinatie van) landen periodiek deelnemen aan een NRF of EU Battlegrouprotatie.88 Deze
gedachte verdient naar de mening van de AIV steun. De omvorming van NRF en EU Battle-
groups tot semi-permanente samenwerkingsverbanden is immers een welkome aansporing
voor verdieping van de operationele samenwerking tussen deelnemende landen. Het ligt
in de rede dat Nederland hieraan zal deelnemen. Die Europese landen die – anders dan
Nederland – niet beschikken over een volledig expeditionaire krijgsmacht, kunnen worden
aangemoedigd zich te specialiseren door een nichecapaciteit bij te dragen aan de NRF of
EU Battlegroups, naar het voorbeeld van de Tsjechische specialisatie ten aanzien van NBC-
detectie en -bescherming. In het kader van het Smart Defence-initiatief van de NAVO en het
Gent-initiatief van de EU behoeft dit voorstel naar het oordeel van de AIV nadere uitwerking.
87 Dick Zandee, ‘EU-NAVO: minder politiek, meer pragmatisme’, Internationale Spectator nr. 12, december 2011,
    pp. 637-641; AIV-advies nummer 67, Het nieuwe strategisch concept van de NAVO, Den Haag, januari 2010.
88 Interview met Tomas Valasek, Den Haag, 30 september 2011.
                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>III       Verdieping van Europese defensiesamenwerking
De bevordering van internationale defensiesamenwerking vormt een rode draad in het
Nederlands buitenlands beleid sinds de Tweede Wereldoorlog. Nauwe samenwerking is in de
Nederlandse optiek de beste verzekering voor de eigen veiligheid en soevereiniteit. Daarom
is ons land binnen de NAVO en de EU een voorstander van meer veiligheidssamenwerking
en heeft het zich een constructieve partner getoond bij de verschillende capaciteiten-
initiatieven van beide organisaties. De veiligheidsarchitectuur van de NAVO en het GVDB
(voorheen EVDB) zijn het resultaat van een top-downbenadering van internationale
samenwerking die zijn wortels heeft in het Noord-Atlantisch Verdrag (1949) en het EU-besluit
tot instelling van het EVDB (1999).
Nederland heeft daarnaast vroegtijdig het belang van bottom-updefensiesamenwerking met
enkele strategische partners onderkend in aanvulling op de top-downsamenwerking via de
NAVO en de EU. Een drietal bilaterale samenwerkingsverbanden (Benesam, Duits-Nederlands
legerkorps en UK/NL Amphibious Force) en enkele multinationale capaciteiteninitiatieven op
het gebied van luchttransport (EATC, MCCE, SAC/C-17, SALIS) vormen tot nu toe de belangrijk-
ste opbrengsten van deze bottom-upsamenwerking. Deze hebben bijgedragen aan verbetering
van de militaire inzetbaarheid en interoperabiliteit van de Nederlandse krijgsmacht. De AIV is
van mening dat de mogelijkheden voor bottom-upsamenwerking hiermee nog lang niet zijn
uitgeput.
In dit hoofdstuk schetst de AIV de contouren van een tweesporenbenadering bestaande uit
een top-downstrategie voor Europese veiligheidssamenwerking en een bottom-upaanpak
voor verdieping van de bilaterale defensiesamenwerking met bestaande en potentiële
samenwerkingspartners.
III.1     Top-downstrategie voor Europese veiligheidssamenwerking
Onder de EU-lidstaten wordt verschillend gedacht over de rol van de Unie op het wereldtoneel
en de bijbehorende veiligheidspolitieke doelstellingen en prioriteiten. Dit werd het duidelijkst
zichtbaar rond de crisis in Libië vorig jaar en het ingrijpen van de internationale gemeenschap
onder leiding van de NAVO. Door de verdeeldheid tussen Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk
enerzijds en Duitsland anderzijds bleef de EU in deze crisis grotendeels buiten spel staan.
Wil de EU een machtsfactor van betekenis worden op en nabij het Europese continent, dan is
een consistent GVDB met een duidelijk militair profiel vereist. Hiertoe zou de EU, in navolging
van de NAVO, werk moeten maken van een Strategisch Concept of een herziene Veiligheids-
strategie.89 Een dergelijk basisdocument biedt ook mogelijkheden om te komen tot een betere
afstemming van verantwoordelijkheden tussen de EU en de NAVO op veiligheidsgebied. De
volgende vragen moeten daarbij in ieder geval aan de orde komen:
• Welke rol speelt het gebruik van het militair instrument binnen het GVDB en welke mili-
    taire capaciteiten zijn daarvoor nodig?
• Is het mogelijk naar analogie van het Stabiliteits- en Groeipact voor de euro afspraken te
    maken over de omvang van defensie-investeringen per lidstaat vooral met het oog op het
    bestrijden van Europese militaire tekorten?
• Zijn er mogelijkheden te komen tot vormen van PGS waardoor het ontbreken van
89 Zie ook AIV-advies nummer 67, Het nieuwe strategisch concept van de NAVO, Den Haag, januari 2010, p. 41.
                                                     36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>    consensus over uitbreiding en verdieping van de Europese defensiesamenwerking kan
    worden omzeild?
• Hoe kan voorkomen worden dat de gebrekkige samenwerking tussen de EU en de
    NAVO op politiek niveau verlammend werkt op de mogelijkheden van beide organisaties
    effectief samen op te treden in crisisbeheersingsoperaties?
De AIV is van mening dat Nederland zich samen met gelijkgezinde landen sterk moet maken
voor het opstellen van een nieuwe Europese veiligheidsstrategie die zich rekenschap geeft
van de operationele tekortkomingen van de eerdere ESS uit 2003 en ook antwoord geeft op
bovenstaande vragen. De belangrijkste uitdaging voor deze nieuwe veiligheidsstrategie is de
vertaling van concrete veiligheidsdoelstellingen naar een Europees behoeftestellingsproces
dat leidend moet worden voor de defensie-investeringsplannen van de afzonderlijke lidsta-
ten. De huidige situatie dat Europese krijgsmachten weliswaar gezamenlijk optreden, maar
dat ieder land zonder internationale ruggenspraak beslist over de aanwending van investe-
ringsgelden voor de eigen krijgsmacht, moet zo snel mogelijk tot het verleden behoren. De
slaagkans van deze nieuwe veiligheidsstrategie staat of valt met de politieke bereidheid van
Europese landen wederzijdse militaire afhankelijkheden te accepteren en met voorrang te
investeren in versterking van het gezamenlijke militaire vermogen. Indien het niet mogelijk
zou blijken alle EU-lidstaten achter een dergelijke top-downstrategie te verenigen, dan moet
met een zo groot mogelijk aantal lidstaten hierover overeenstemming worden bereikt onder
het PGS-mechanisme. Het EDA kan worden opgedragen de implementatie van het Europees
behoeftestellingsproces ter hand te nemen en toe te zien op naleving van de afspraken die
hieruit voortvloeien. Deze top-downbenadering completeert de pooling en sharing benade-
ring onder het Gent-initiatief.
Bij dit alles dient in het oog te worden gehouden dat de versterking van expeditionaire capa-
citeiten, waaraan de afgelopen decennia zowel in EU- als in NAVO-verband is gewerkt, met
kracht wordt voortgezet. Wat betreft de NAVO moet daarbij in het bijzonder gedacht worden
aan de afspraken van het Lisbon Capability Initiative inzake:
-   raketverdediging;
-   special forces;
-   gemeenschappelijke logistieke ondersteuning via NAMSA;
-   gemeenschappelijke aanschaf en onderhoud van munitie en reserveonderdelen;
-   lucht-grondwaarneming;
-   air-to-air refuelling;
-   bescherming tegen bermbommen (IEDs);
-   civiel-militaire samenwerking;
-   digitale veiligheid.
Voor de verbetering van digitale veiligheid en voor de ontwikkeling van operationele cyber-
capaciteiten is internationale (militaire) samenwerking essentieel. Deze samenwerking komt
aan de orde in het recent verschenen AIV-advies ‘Digitale oorlogvoering’.90
III.2     Bottom-upaanpak voor bilaterale samenwerking
Bij de keuze van bilaterale partners moet eerst de vraag worden gesteld naar de doelstel-
ling(en) van samenwerking. Bij minder vergaande vormen van defensiesamenwerking, zoals
pooling en sharing, is het doel een optimale benutting van schaarse militaire capaciteiten
90 Zie: AIV/CAVV-advies nummer 77/22, Digitale oorlogvoering, Den Haag, december 2011.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>tussen twee of meer landen door deze organisatorisch onder één noemer te brengen. De
maritieme samenwerking met België laat zien dat standaardisatie van militair materieel en
een onderlinge taakverdeling bij het onderhoud van materieel en de opleiding en training
van bemanningen kosten kan besparen. Zo wordt het mogelijk gemaakt maritieme capa-
citeiten te behouden die voor elk land afzonderlijk te kostbaar zouden zijn. De AIV is van
mening dat dit model van bilaterale samenwerking, aangeduid als het Benesam-model,
ook navolging verdient bij andere krijgsmachtdelen. Bij de keuze van bilaterale partners zal
derhalve eerst gekeken moeten worden naar landen die welwillend staan tegenover pooling
en (toekomstige) standaardisatie van militair materieel, gezamenlijk onderhoud van militair
materieel en gezamenlijke opleiding en training van personeel.
Een ander doel van bilaterale samenwerking is de gezamenlijke inzet van militaire eenheden
tijdens operaties. Het Duits-Nederlands legerkorps is voor dit doeleinde in 1995 opgericht.
Bij de keuze van bilaterale partners voor deze vorm van geïntegreerde operationele samen-
werking moet goed gekeken worden naar de verschillen en overeenkomsten in politieke
besluitvorming en strategische cultuur. De militaire voordelen van geïntegreerd optreden
kunnen alleen tot hun recht komen wanneer de betrokken landen overeenkomstige poli-
tieke opvattingen huldigen over de aard van het militair optreden en de bereidheid risico’s
te nemen. De AIV meent dat de Nederlandse regering de mogelijkheden van geïntegreerde
operationele samenwerking met andere landen, naar analogie van het Duits-Nederlands
legerkorps, zorgvuldig moet onderzoeken, op voorwaarde dat hiervoor een breed politiek
draagvlak aanwezig is in de betrokken landen. De meerwaarde van deze vorm van verdiepte
samenwerking is dat Nederland als deelnemer aan een binationaal (of multinationaal) ope-
rationeel verband, naast extra militair vermogen ook meer politiek prestige en invloed op
internationale besluitvorming kan verwerven. Een verdrag lijkt overigens vereist om het no-
dige gewicht te geven aan de gemaakte afspraken inzake de wederzijdse verplichtingen van
partners in een binationaal (of multinationaal) operationeel verband.
III.3     Bilaterale samenwerking: met wie?
De belangrijkste strategische partners van Nederland in de afgelopen decennia waren: België,
Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en, in een speciale hoedanigheid van beschermheer, de
Verenigde Staten. Gezien de overwegend positieve ervaringen die met deze partners zijn
opgedaan komen vanzelfsprekend de mogelijkheden van verdieping van de samenwerking
met de betrokken landen aan de orde. Daarnaast is het wenselijk de samenwerkingsmoge-
lijkheden met Frankrijk en de Scandinavische landen, in het bijzonder Noorwegen en
Denemarken, in kaart te brengen.
Kijkt men naar de vooruitzichten op nauwe samenwerking met het Verenigd Koninkrijk, dan
is het van belang te constateren dat de Britten nadrukkelijk kiezen voor voortzetting van de
samenwerking met de Verenigde Staten en voor nieuwe vormen van vergaande samenwer-
king met Frankrijk. Deze landen hebben een permanente zetel in de VN-Veiligheidsraad, wat
hoe dan ook een belangrijke factor is in hun veiligheidsbeleid. Het betreft ook landen met
een snelle politieke besluitvorming en robuuste militaire inzet, zoals bij de NAVO-operatie
in Libië. De Britse samenwerking met Frankrijk moet onder meer gestalte krijgen in de Joint
Expeditionary Task Force (JEF). In dit verband is de vraag aan de orde of de JEF ruimte laat
voor andere Europese landen om eraan deel te nemen en onder welke voorwaarden. Indien
dat het geval is, is de vervolgvraag of Nederland bereid en in staat is zich aan te sluiten bij
deze Frans-Britse taakgroep die zal bestaan uit zo’n vijfduizend militairen afkomstig uit de
drie krijgsmachtsdelen. De taakgroep moet in staat zijn robuuste crisisbeheersingsoperaties
uit te voeren en zal hiertoe vanaf 2011 gezamenlijk trainen en oefenen. Wanneer een
Nederlandse militaire bijdrage aan de JEF inpasbaar is, resteert de vraag of Nederland bereid
                                               38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>is de vereiste politieke verbintenis met betrekking tot robuuste inzet in risicovolle missies aan
te gaan. Want dat is wat deelname aan de JEF impliceert.
De AIV is van mening dat de regering eerst een breed politiek draagvlak voor Nederlandse
deelname aan de JEF zeker moet stellen, waarna met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk
onderhandelingen gevoerd kunnen worden over de concrete invulling van de Nederlandse
bijdrage en de wederzijdse verplichtingen. De AIV merkt daarbij op dat Nederlandse deel-
name aan de JEF de politieke invloed en reputatie van ons land bij onze (Europese) bond-
genoten ten goede kan komen. Deze invloed hangt samen met de bereidheid medeverant-
woordelijkheid te dragen voor risicovolle crisisbeheersingsoperaties, die voortvloeien uit
beslissingen van internationale organisaties, in het bijzonder de VN-Veiligheidsraad.
De defensiesamenwerking met de Verenigde Staten kent drie speerpunten: samenwerking
tussen de beide luchtmachten waarbij Nederland gebruik maakt van Amerikaanse oplei-
dings- en trainingsfaciliteiten voor jachtvliegers en helikopterbemanningen, kustwacht-
samenwerking bij drugsbestrijding in het Caribisch gebied en ad-hoc operationele samenwer-
king in NAVO-verband. De AIV meent dat de mogelijkheden voor Nederland om in bilateraal
verband nog nauwer samen te werken met de Verenigde Staten beperkt zijn, aangezien de
omvang van beide krijgsmachten onvergelijkbaar is en de prioriteiten op veiligheidsgebied
van beide landen veelal uiteenlopen. De grotere nadruk van het Amerikaanse buitenlands-
en veiligheidsbeleid op Azië en de Pacific, soms ten koste van de trans-Atlantische relatie,
kan bovendien voor Nederland, Europa en de NAVO een beperkende factor zijn bij toekom-
stige veiligheids- en defensiesamenwerking.
Duitsland is om uiteenlopende redenen een belangrijke partner waarmee verdieping van
defensiesamenwerking moet worden nagestreefd. Allereerst speelt Duitsland, vooral ook
monetair, een leidende rol in de Europese politiek. Daarnaast is Duitsland verreweg onze be-
langrijkste handelspartner. De Nederlandse bijdrage aan de mondiale economie verloopt voor
een belangrijk deel via de handel met Duitsland. Verder hebben Nederland en Duitsland over
veel onderwerpen van buitenlands beleid, waaronder het veiligheidsbeleid, een overeenkom-
stige zienswijze. Ook de besluitvorming bij militaire inzet verloopt in Duitsland op vergelijkbare
wijze en in een overeenkomstig tempo als in ons land.91 Met de aanstaande opschorting van
de dienstplicht beschikt ook Duitsland over een beroepskrijgsmacht. Voorts hebben de land-
machten van beide landen grotendeels hetzelfde materieel en kopen zij gezamenlijk munitie
in. Ten slotte heeft de gezamenlijke inzet van militaire eenheden in onder meer Kosovo en
de inzet van het snel inzetbaar hoofdkwartier in Afghanistan (Kabul en Kunduz) zijn vruchten
afgeworpen. Dit biedt goede vooruitzichten op een ver(der)gaande samenwerking met Duits-
land, en niet alleen tussen de beide landmachten. Een voorbeeld hiervan is het voornemen de
Patriot luchtverdedigingscapaciteit van beide krijgsmachten samen te voegen, naar analogie
van het Benesam-model, en waarbij ook andere landen zich kunnen aansluiten.92 Een ander
voorbeeld is de Comprehensive Approachoefening van het snel inzetbaar hoofdkwartier van
het Duits-Nederlands legerkorps in samenwerking met de ministeries van Buitenlandse Zaken
en (N)GO’s van Duitsland en Nederland in oktober 2011. De verdere ontwikkeling van het
Comprehensive Approachconcept en de samenwerking met civiele actoren is een hoeksteen
van de transformatie van de NAVO, waarbij het snel inzetbaar hoofdkwartier een voortrekkers-
rol vervult.
91 AIV-advies nummer 56, Inzet van de krijgsmacht: wisselwerking tussen nationale en internationale besluit-
    vorming, Den Haag, mei 2007, p. 18.
92 Zie: <http://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2011/05/10/46182412/Nederland_en_Duitsland_verdiepen_
    samenwerking>. Geraadpleegd op 5 december 2011.
                                                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>De ministers van Defensie van de Benelux hebben op 10 maart 2011 een intentieverklaring
getekend om de mogelijkheden tot samenwerking en integratie op militair gebied uit te wer-
ken, naar het voorbeeld van Benesam. Volgens die intentieverklaring zullen naast de bestaan-
de marinesamenwerking ook de samenwerkingsmogelijkheden voor de luchtmacht en de
landmacht worden onderzocht, onder meer op de gebieden materieellogistiek en onderhoud,
opleidingen en gereedstelling, luchtruimbewaking en luchttransport, en materieelverwerving.93
Voor een succesvolle samenwerking moet sprake zijn van een min of meer vergelijkbaar veilig-
heidsbeleid van de deelnemende landen. In die zin staat België met zijn sterke nadruk op mul-
tilateralisme dichter bij Nederland dan het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten die meer
geneigd zijn tot unilateraal optreden. Een andere overweging van meer politiek-strategische
aard is dat de positie van de kleinere lidstaten in de EU door verschillende oorzaken onder
druk is komen te staan. Nauwere onderlinge aansluiting van de Benelux-landen zou dan het
logische antwoord zijn op de toegenomen dominantie van de grote landen.
De defensiesamenwerking met Frankrijk kan worden getypeerd als moeizaam, maar kent
naast mislukkingen ook enkele bescheiden successen. De ontwikkeling van een binationale
UAV-capaciteit tussen 2001 en 2006 is geëindigd in een mislukking, maar heeft Nederland
wel bruikbare lessen opgeleverd voor toekomstige defensiesamenwerking. Effectieve samen-
werking ontstaat door jarenlange investeringen in wederzijds vertrouwen en het opstellen
van gezamenlijke behoeftestellingen en investeringsplannen. Bij de oprichting van het EATC
in 2010, waaraan Frankrijk en Nederland deelnemen samen met Duitsland en België, zijn
deze lessen met succes toegepast. Ook de Franse en Nederlandse deelname aan de EGF
is een goed voorbeeld van (multinationale) defensiesamenwerking met Frankrijk. Ten slotte
werkt Nederland op beperkte schaal samen met Frankrijk op het gebied van opleiding en
training van Afrikaanse militairen in het kader van hervorming van de veiligheidssector
(SSR). De AIV constateert dat de Frans-Nederlandse defensiesamenwerking beter gedijt in
multinationale verbanden, zoals EATC en EGF, dan in bilateraal kader. Daarom meent de AIV
dat verdieping van de defensiesamenwerking met Frankrijk binnen deze multinationale ver-
banden moet prevaleren boven verdieping van de bilaterale betrekkingen.
Noorwegen heeft zich naast samenwerking in Nordefco-verband ook georiënteerd op andere
mogelijke allianties. Het Noorse ministerie van Defensie kijkt sinds 2008 naar de mogelijk-
heden van nauwere samenwerking met landen die grenzen aan de Noordzee, in het bijzon-
der Denemarken, Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland komt naar
voren als een potentiële bilaterale partner voor de Noorse krijgsmacht. In de woorden van
een Noorse defensiespecialist: ‘Only the Netherlands stands out as both a willing and able
partner and then primarily for the Norwegian Army.’94 Nederland en Noorwegen hebben
in 2002 een intentieverklaring getekend met beginselafspraken over vergaande militaire
samenwerking tussen de landmacht, luchtmacht en marine van beide landen. Als gevolg
van een Noorse regeringswisseling en bezuinigingen op de krijgsmacht heeft Noorwegen
in 2003 de plannen voor nauwere bilaterale samenwerking met Nederland grotendeels be-
vroren.95 Wel is Noorwegen een belangrijke NAVO-partner binnen het snel inzetbaar hoofd-
kwartier van het Duits-Nederlands legerkorps. Hoewel Noorwegen geen EU-lidstaat is, heeft
93 Minister van Defensie, beleidsbrief Defensie na de kredietcrisis: een kleinere krijgsmacht in een onrustige
    wereld, Den Haag, 8 april 2011.
94 Hakon Lunde Saxi, ‘Nordic Defence Cooperation after the Cold War’, Oslo Files on Defence and Security,
    March 2011, p. 28.
95 De operationele samenwerking tussen de Noorse en Nederlandse landmacht bleef evenwel intact.
                                                      40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>het wel een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het EDA en maakt het deel uit van
de Nordic Battlegroup samen met Zweden, Finland, Ierland en Estland. Verder is Noorwegen
een land dat wat betreft de visie op het buitenlands- en veiligheidsbeleid en zijn politiek-
strategische cultuur verwant is met Nederland. Samenwerkingsmogelijkheden doen zich
onder meer voor ten aanzien van gevechtsvliegtuigen en op het terrein van onderzoek en
technologieontwikkeling.
Denemarken is evenals Noorwegen een land dat overeenkomsten vertoont met Nederland.
Weliswaar heeft Denemarken als enige EU-lidstaat een opt-out voor het GVDB bedongen,
maar de nieuwe Deense regering heeft aangekondigd te streven naar afschaffing van deze
opt-outconstructie door middel van een referendum, dat mogelijk al in 2012 wordt gehou-
den.96 Verder zal Denemarken een verlaging van het aantal gevechtsvliegtuigen en heli-
kopters doorvoeren. Een besluit over de opvolging van de huidige F-16 gevechtsvliegtuigen
wordt uiterlijk in 2018 genomen. Denemarken overweegt net als Nederland over te gaan tot
aankoop van de JSF.
Op grond van bovenstaande analyse meent de AIV dat verdieping van de samenwerking met
Duitsland, België, Luxemburg, Noorwegen en Denemarken de beste vooruitzichten biedt
voor de Nederlandse krijgsmacht om met behoud van essentiële militaire capaciteiten mee
te kunnen blijven doen aan crisisbeheersingsoperaties die een robuuster militair optreden
vergen dan vredeshandhaving en vredesopbouw. Verdieping van de samenwerking met het
Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in het kader van de JEF moet worden onderzocht, maar is
alleen zinvol als Nederland bereid is de vereiste politieke verbintenis met betrekking tot een
nog robuustere inzet in risicovolle missies aan te gaan.
III.4      Nieuwe mogelijkheden voor bilaterale samenwerking
In de adviesaanvraag van de regering wordt gevraagd naar concrete ideeën voor defensie-
samenwerking met partnerlanden in bilateraal of breder verband. Tegelijkertijd geeft de AIV
zich rekenschap van de voorlopige keuzes die de minister van Defensie in de beleidsbrief
‘Defensie na de kredietcrisis’ van april 2011 voorstaat inzake bilaterale defensiesamenwer-
king. De AIV meent dat nieuwe mogelijkheden voor samenwerking moeten worden getoetst
aan onder meer de volgende criteria:
•    versterking van het Europese militaire vermogen;
•    verbetering van de interoperabiliteit;
•    kostenbesparingen door schaalvoordelen.
België en Luxemburg
De samenwerking met België en Luxemburg krijgt onder deze regering extra aandacht in het
buitenlands beleid en kan bij de Benelux-partners rekenen op een welwillende respons. De
AIV is van mening dat de Nederlandse regering met de nieuwe Belgische regering moet aan-
sturen op een overeenkomst met de Benelux-partners om een gestructureerde samenwer-
king van de krijgsmachten te faciliteren. Voor verdieping van de operationele samenwerking
onder Benesam is echter een afzonderlijk verdrag vereist, naar analogie van het Legerkorps-
verdrag met Duitsland. De AIV onderkent de volgende mogelijkheden tot samenwerking:
96 Zie: <http://www.securitydefenceagenda.org/Contentnavigation/Library/Libraryoverview/tabid/1299/
    articleType/ArticleView/articleId/2929/European-Commission-welcomes-end-of-Danish-border-controls.aspx>.
    Geraadpleegd op 11 november 2011.
                                                     41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>• Luchtmacht: materieel-logistieke samenwerking als opmaat naar gezamenlijke aankoop,
   onderhoud en stationering van transport- en gevechtsvliegtuigen alsmede gezamenlijke
   opleiding en training van vliegers. Aansluiting van Noorwegen en Denemarken bij deze
   luchtmachtsamenwerking behoort tot de mogelijkheden.
   Doelstelling: behoud van een veelzijdig inzetbare luchtmacht, met een adequate trans-
   port- en gevechtscapaciteit, door gebruikmaking van de schaalvoordelen van gezamen-
   lijke aankoop en onderhoud van vliegtuigen en van herverdeling van Nederlandse en
   Belgische transport- en gevechtsvliegtuigen over een beperkt aantal vliegvelden.
   Implicatie soevereiniteit: deze vergaande samenwerking gaat niet ten koste van de mo-
   gelijkheden voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Belgische luchtmacht (naar
   analogie van Benesam).
   Randvoorwaarden: (1) samenwerking op het gebied van gevechtsvliegtuigen veronder-
   stelt dat Nederland en België dezelfde keuze maken wat betreft de opvolging van de
   huidige F-16’s; (2) de lusten en lasten van de concentratie van stationering en onderhoud
   van vliegtuigen en de gezamenlijke opleiding van vliegers moeten op een billijke wijze
   worden verdeeld.
• Marine: afstemming van lopende investeringsplannen en op termijn de totstandkoming
   van een gezamenlijk investeringsplan voor de Nederlandse en Belgische marine. Aanslui-
   ting van Duitsland bij deze maritieme samenwerking behoort tot de mogelijkheden.
   Doelstelling: standaardisatie van (een nieuwe generatie) marineplatforms, inclusief geza-
   menlijk onderhoud en gezamenlijke opleiding van bemanningen, bij voorkeur samen met
   Duitsland, brengt kostenbesparingen mee en moet tegelijkertijd bijdragen aan verster-
   king van het Europese militaire vermogen voor maritiem optreden.
   Implicatie soevereiniteit: deze vergaande samenwerking gaat niet ten koste van de moge-
   lijkheden voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Belgische marine.
   Randvoorwaarden: (1) onnodige nationale configuratieverschillen bij aankoop materieel
   moeten worden vermeden; (2) de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud en
   opleiding moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
• Marine: operationele samenwerking onder Benesam verdiepen door de gezamenlijke
   inzet van Nederlandse en Belgische marine-eenheden voor onder meer kustwachttaken,
   mijnenbestrijding en piraterijbestrijding.
   Doelstelling: integratie en gezamenlijke inzet van Nederlandse en Belgische marine-een-
   heden voor maritieme taken met beperkte operationele risico’s.
   Implicatie soevereiniteit: deze geïntegreerde operationele samenwerking maakt Neder-
   land tot op zekere hoogte afhankelijk van België bij de uitoefening van genoemde mari-
   tieme taken. Het surplus aan ‘vermogen om te handelen’ weegt echter ruimschoots op
   tegen de vermindering van de ‘vrijheid om te handelen’.
   Randvoorwaarden: (1) gezamenlijke doctrinevorming is vereist; (2) een afzonderlijk ver-
   drag om de politieke doelstellingen, de reikwijdte en conditionaliteiten van deze operatio-
   nele samenwerking vast te leggen.
Duitsland
Duitsland is al decennia een belangrijke strategische partner waarmee intensief wordt
samengewerkt, onder meer in het Duits-Nederlands legerkorpshoofdkwartier en bij de ver-
werving van materieel voor de landmacht. De AIV onderkent de volgende mogelijkheden tot
verdieping van de samenwerking:
• Landmacht: materieel-logistieke samenwerking bij gemeenschappelijk materieel zoals
   het Boxer gevechtsvoertuig en de Pantserhouwitser alsmede de gezamenlijke aankoop
   en het beheer van munitiesoorten.
   Doelstelling: Verbetering van de interoperabiliteit en kostenbesparingen door schaalvoor-
   delen.
                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>   Implicatie soevereiniteit: deze samenwerking gaat niet ten koste van de mogelijkheden
   voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Duitse landmacht.
   Randvoorwaarde: de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud van materieel
   en munitiebeheer moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
•  Landmacht: het leasen van gemechaniseerde capaciteit. Door de opheffing van de
   Nederlandse tankbataljons, de vermindering van het aantal pantserhouwitsers en de
   halvering van de anti-tankcapaciteit levert Nederland veel gevechtskracht in. Dit bete-
   kent een aanzienlijke beperking van de mogelijkheden van de Nederlandse landmacht
   om met voldoende escalatiedominantie in conflicten op te treden. Nederland kan echter
   hiaten in het landoptreden mitigeren door met Duitsland afspraken te maken over het
   leasen van gemechaniseerde capaciteit, die Nederland wegens de hoge kosten niet langer
   zelfstandig in stand kan houden. Een concreet voorbeeld is het leasen van Duitse gevechts-
   tanks. Door het sluiten van een package deal kan Duitsland op zijn beurt gebruik maken
   van Nederlands materieel of (trainings)faciliteiten. Zo zou Duitsland mogelijk Patriot-
   luchtverdedigingssystemen van Nederland kunnen leasen.
   Doelstelling: het behoud van een landmacht die in conflicten over voldoende escalatie-
   dominantie beschikt, draagt bij aan versterking van het Europese militaire vermogen.
   Implicatie soevereiniteit: door het leasen van gemechaniseerde capaciteit behoudt de
   Nederlandse landmacht de mogelijkheid om met voldoende escalatiedominantie zelf-
   standig in conflicten op te treden. De slagkracht van de landmacht blijft daarmee groten-
   deels in stand.
   Randvoorwaarde: een overeenkomst is vereist om de reikwijdte en conditionaliteiten van
   een leaseconstructie voor militaire capaciteiten vast te leggen.
•  Landmacht: afstemming van lopende investeringsplannen en op termijn de totstandko-
   ming van een gezamenlijk investeringsplan voor de Nederlandse en Duitse landmacht.
   Doelstelling: standaardisatie van (een nieuwe generatie) landmachtcapaciteiten brengt
   kostenbesparingen mee en moet tegelijkertijd bijdragen aan de versterking van het Euro-
   pese militaire vermogen voor landoptreden.
   Implicatie soevereiniteit: deze samenwerking gaat niet ten koste van de mogelijkheden
   voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Duitse landmacht.
   Randvoorwaarden: (1) onnodige nationale configuratieverschillen bij aankoop materieel
   moeten worden vermeden; (2) de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud en
   opleiding moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
•  EU Battlegroup: omvorming van de Duits-Nederlands-Finse Battlegroup, die in 2007 en
   2011 beschikbaar was voor inzet, tot een semi-permanent samenwerkingsverband dat
   periodiek wordt aangeboden aan de EU.
   Implicatie soevereiniteit: deze operationele samenwerking maakt Nederland afhankelijk
   van Duitsland en Finland bij zowel het politieke besluitvormingsproces rondom uitzending
   van de battlegroup als de inzet van het militaire instrument.97 Tijdens de voorbereiding
   op de battlegroup-rotaties in 2007 en 2011 hebben genoemde landen al nauw samen-
   gewerkt en gezamenlijke oefeningen gehouden en op deze wijze ervaring opgedaan in de
   omgang met culturele verschillen.
   Randvoorwaarden: (1) een breed politiek draagvlak is vereist voor de omvorming van de
   Duits-Nederlands-Finse Battlegroup tot een semi-permanent samenwerkingsverband; (2)
   gezamenlijke doctrinevorming is vereist; (3) een overeenkomst is vereist om de reikwijdte
   en conditionaliteiten van deze samenwerking vast te leggen.
•  Luchtmacht: de verwerving van een MALE UAV-systeem is één van de belangrijkste inten-
   siveringen van de Nederlandse krijgsmacht in de komende tien jaar. Gezamenlijke aan-
   koop, onderhoud en stationering van de MALE UAV alsmede gezamenlijke opleiding en
97 AIV-advies nummer 56, Inzet van de krijgsmacht: wisselwerking tussen nationale en internationale besluit-
   vorming, Den Haag, mei 2007.
                                                     43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>   training bieden aanmerkelijke schaalvoordelen. Samenwerking met Duitsland ligt daarbij
   het meest voor de hand.
   Doelstelling: gezamenlijke aankoop en onderhoud van een MALE UAV-systeem brengt
   kostenbesparingen mee en moet tegelijkertijd bijdragen aan de versterking van de Euro-
   pese (militaire) inlichtingencapaciteit.
   Implicatie soevereiniteit: deze samenwerking gaat niet ten koste van de mogelijkheden
   voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Duitse krijgsmacht.
   Randvoorwaarde: de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud en opleiding
   moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
• Marine: afstemming van lopende investeringsplannen en op termijn de totstandkoming
   van een gezamenlijk investeringsplan voor de Nederlandse en Duitse marine. Aansluiting
   van België bij deze maritieme samenwerking is gewenst.
   Doelstelling: standaardisatie van (een nieuwe generatie) marineplatforms, inclusief geza-
   menlijk onderhoud en gezamenlijke opleiding en training van bemanningen, samen met
   België, brengt kostenbesparingen mee en moet bijdragen aan de versterking van het
   Europese militaire vermogen voor maritiem optreden.
   Implicatie soevereiniteit: deze vergaande samenwerking gaat niet ten koste van de moge-
   lijkheden voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Duitse marine.
   Randvoorwaarden: (1) onnodige nationale configuratieverschillen bij aankoop materieel
   moeten worden vermeden; (2) de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud en
   opleiding moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
• Marine: een studie naar mogelijke kostenbesparingen door de oprichting van een geza-
   menlijk commando voor de vier Nederlandse en acht Duitse onderzeeboten, inclusief
   gezamenlijk onderhoud en gezamenlijke opleiding en training, naar het voorbeeld van de
   Admiraal Benelux in Den Helder. Aansluiting van Denemarken bij een mogelijke onderzee-
   bootsamenwerking behoort tot de mogelijkheden.
   Doelstelling: Verbetering van de interoperabiliteit van Nederlandse en Duitse onderzeebo-
   ten en kostenbesparingen door schaalvoordelen.
   Implicatie soevereiniteit: deze vergaande samenwerking gaat niet ten koste van de moge-
   lijkheden voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Duitse onderzeeboten.
   Randvoorwaarde: de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud en opleiding
   moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
• Marine: Nederland en Duitsland lopen in Europa voorop bij de ontwikkeling van maritieme
   Theatre Ballistic Missile Defence. Derhalve ligt operationele samenwerking tussen beide
   marines op het gebied van raketverdediging voor de hand.
   Doelstellingen: Versterking van het Europees militair vermogen en verbetering van de
   interoperabiliteit op het gebied van raketverdediging van beide marines.
   Implicatie soevereiniteit: deze operationele samenwerking maakt Nederland afhankelijk
   van Duitsland. Het surplus aan ‘vermogen om te handelen’ weegt echter ruimschoots op
   tegen de vermindering van de ‘vrijheid om te handelen’.
   Randvoorwaarden: (1) gezamenlijke doctrinevorming is vereist; (2) een afzonderlijk verdrag
   om de politieke doelstellingen, de reikwijdte en conditionaliteiten van deze operationele
   samenwerking vast te leggen.
Verenigd Koninkrijk
Het Verenigd Koninkrijk is al decennialang een belangrijke strategische partner, waarmee
wordt samengewerkt in crisisbeheersingsoperaties en de UK/NL Amphibious Force. Een
keuze voor verdieping van de defensiesamenwerking met het Verenigd Koninkrijk ligt voor de
hand wanneer Nederland bereid en in staat is tot militair optreden met het Verenigd Koninkrijk
en Frankrijk in risicovolle missies. De AIV onderkent de volgende concrete mogelijkheid tot
samenwerking:
                                               44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>• Een nader te bepalen Nederlandse bijdrage aan de Joint Expeditionary Task Force (JEF),
    indien het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk deelname aan de JEF ook openstelt voor an-
    dere Europese landen.
    Doelstelling: vergroting van de Nederlandse militaire inzetbaarheid in risicovolle missies
    en zo bijdragen aan de versterking van het Europese militaire vermogen.
    Implicatie soevereiniteit: deze operationele samenwerking maakt Nederland afhankelijk
    van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Het surplus aan ‘vermogen om te handelen’
    weegt echter ruimschoots op tegen de vermindering van de ‘vrijheid om te handelen’.
    Randvoorwaarden: (1) een breed politiek draagvlak is vereist voor Nederlandse deelname
    aan de JEF; (2) gezamenlijke doctrinevorming is vereist; (3) een afzonderlijk verdrag om
    de politieke doelstellingen, de reikwijdte en conditionaliteiten van deze operationele
    samenwerking vast te leggen.
Noorwegen
Noorwegen is in het recente verleden in beeld geweest als potentiële strategische samen-
werkingspartner voor Nederland. De huidige militaire samenwerking beperkt zich hoofdzakelijk
tot ad-hocsamenwerking in het kader van EPAF Expeditionary Air Wing en gemeenschappe-
lijke oefeningen van de Noorse en Nederlandse landmacht en marine. Daarnaast is
Noorwegen een actieve partner in het snel inzetbare hoofdkwartier van het Duits-Nederlandse
legerkorps. De AIV wijst de volgende mogelijkheid tot samenwerking aan:
• Luchtmacht: materieel-logistieke samenwerking als opmaat naar gezamenlijke aankoop
    en onderhoud van gevechtsvliegtuigen alsmede gezamenlijke opleiding en training van
    vliegers. Belgische en Deense deelname aan deze samenwerking is wenselijk.
    Doelstelling: behoud van een veelzijdig inzetbare luchtmacht, met een adequate gevechts-
    capaciteit, door gebruikmaking van schaalvoordelen van gezamenlijke aankoop en onder-
    houd van gevechtsvliegtuigen.
    Implicatie soevereiniteit: deze samenwerking gaat niet ten koste van de mogelijkheden
    voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Noorse luchtmacht.
    Randvoorwaarden: (1) samenwerking op het gebied van gevechtsvliegtuigen veronder-
    stelt dat Nederland en Noorwegen dezelfde keuze maken wat betreft de opvolging van de
    huidige F-16’s; (2) de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud van vliegtuigen
    en de gezamenlijke opleiding van vliegers moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
• Intensivering van de samenwerking op het gebied van onderzoek en technologieontwik-
    keling, waarbij op sommige gebieden een arbeidsverdeling met Noorwegen kan worden
    overeengekomen. Nauwere samenwerking is wenselijk om te anticiperen op de gestaag
    stijgende kosten van de verwerving van moderne defensietechnologie. Aansluiting van
    andere gelijkgestemde landen behoort tot de mogelijkheden.
    Doelstelling: kostenbesparingen door specialisatie en nauwe samenwerking tussen gelijk-
    gestemde landen.
    Implicatie soevereiniteit: samenwerking op het gebied van onderzoek en technologie-
    ontwikkeling heeft geen invloed op de ‘vrijheid om te handelen’ van de Nederlandse en
    Noorse krijgsmacht.
    Randvoorwaarde: een overeenkomst is vereist om de reikwijdte en conditionaliteiten van
    deze samenwerking vast te leggen.
Denemarken
De militaire samenwerking met Denemarken beperkt zich vooralsnog tot ad-hocsamenwer-
king in het kader van EPAF Expeditionary Air Wing. De AIV wijst de volgende mogelijkheid tot
samenwerking aan:
                                                45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>• Luchtmacht: materieel-logistieke samenwerking als opmaat naar gezamenlijke aankoop
    en onderhoud van gevechtsvliegtuigen alsmede gezamenlijke opleiding en training van
    vliegers. Belgische en Noorse deelname aan deze samenwerking is wenselijk.
    Doelstelling: behoud van een veelzijdig inzetbare luchtmacht, met een adequate gevechts-
    capaciteit, door gebruikmaking van schaalvoordelen van gezamenlijke aanschaf en on-
    derhoud van gevechtsvliegtuigen.
    Implicatie soevereiniteit: deze samenwerking gaat niet ten koste van de mogelijkheden
    voor zelfstandige inzet van de Nederlandse en Deense luchtmacht.
    Randvoorwaarden: (1) samenwerking op het gebied van gevechtsvliegtuigen veronder-
    stelt dat Nederland en Denemarken dezelfde keuze maken wat betreft de opvolging
    van de huidige F-16’s; (2) de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud van
    vliegtuigen en de gezamenlijke opleiding van vliegers moeten op een billijke wijze worden
    verdeeld.
• Marine: een studie naar mogelijke kostenbesparingen door de oprichting van een ge-
    zamenlijk commando voor Nederlandse, Deense en Duitse onderzeeboten, inclusief
    gezamenlijk onderhoud en gezamenlijke opleiding en training, naar het voorbeeld van de
    Admiraal Benelux in Den Helder.
    Implicatie soevereiniteit: deze vergaande samenwerking gaat niet ten koste van de moge-
    lijkheden voor zelfstandige inzet van de Nederlandse, Deense en Duitse onderzeeboten.
    Randvoorwaarde: de lusten en lasten van de concentratie van onderhoud en opleiding
    moeten op een billijke wijze worden verdeeld.
III.5     Aansluiting van bilaterale samenwerking op multilaterale samenwerking
Nederland heeft in de afgelopen decennia stapsgewijs vooruitgang geboekt op het gebied
van bilaterale defensiesamenwerking. Dit heeft stellig bijgedragen aan de professionali-
teit van de krijgsmacht. In dit hoofdstuk is uiteengezet dat de mogelijkheden voor ver(der)
gaande vormen van bilaterale samenwerking nog lang niet zijn uitgeput. De AIV beveelt de
regering derhalve aan de bovengenoemde mogelijkheden voor verdieping van de bilaterale
samenwerking optimaal te benutten. Tegelijkertijd constateert de AIV dat een hechte bilate-
rale samenwerking ook het vertrekpunt kan zijn voor nieuwe multilaterale initiatieven. Toen
de bilaterale partners Frankrijk en Duitsland in 2006 besloten tot de oprichting van het
EATC, was het voor Nederland en België betrekkelijk eenvoudig zich hierbij aan te sluiten. De
goede bilaterale betrekkingen tussen enerzijds Nederland en Duitsland en anderzijds België
en Frankrijk waren het fundament voor de totstandkoming van een gezamenlijk luchttrans-
portcommando van deze vier landen.
De AIV merkt op dat enkele van bovengenoemde samenwerkingsopties in zowel een bila-
terale als een multilaterale context zijn geformuleerd. Zo biedt de Belgisch-Nederlandse
marinesamenwerking volgens de AIV aanknopingspunten voor zowel verdieping van de bila-
terale relatie als uitbreiding van de marinesamenwerking met Duitsland. Ook de aangeduide
luchtmachtsamenwerking met België kan, in iets aangepaste vorm, worden uitgebreid met
Noorwegen en Denemarken. Ten slotte meent de AIV dat de bilaterale samenwerking met
het Verenigd Koninkrijk in de UK/NL Amphibious Force mogelijkerwijs kan uitgroeien tot
een multilaterale samenwerking samen met Frankrijk in de JEF. Kortom, bilaterale defensie-
samenwerking kan onder gunstige omstandigheden ook als springplank fungeren voor multi-
laterale defensiesamenwerking.
                                                46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>IV        Conclusies en aanbevelingen
De AIV beklemtoont dat de noodzaak tot Europese defensiesamenwerking sterker is dan
ooit. Door de nieuwe ronde van forse bezuinigingen op de defensie-uitgaven in talrijke Euro-
pese landen dreigen andermaal belangrijke militaire vermogens verloren te gaan. Tegelijk
heeft ook de NAVO-operatie in Libië aangetoond dat in Europa nog essentiële militaire
tekortkomingen bestaan. Deze tekortkomingen betreffen onder meer het vermogen vijande-
lijke doelen op te sporen en deze met grote nauwkeurigheid uit te schakelen alsmede het
vermogen eigen gevechtsvliegtuigen tijdens de vlucht van brandstof te voorzien. ‘Libië’ heeft
in dit verband laten zien hoe afhankelijk Europa nog steeds van de Verenigde Staten is. De
AIV ziet deze afhankelijkheid als een probleem, nu de Verenigde Staten zich meer en meer
op Azië lijken te richten, en ervan uitgaan dat Europa meer op zijn eigen benen zal staan.
Het is minder vanzelfsprekend dat de Verenigde Staten in de toekomst Europese landen
militair zullen bijstaan in crisissituaties op of nabij het Europese continent, die niet vallen
onder Artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag, wanneer Amerikaanse belangen niet of
alleen zijdelings in het geding zijn. Om die reden moeten de Europese landen ernst maken
met een vergroting van de doelmatigheid en effectiviteit van hun militaire inspanningen.
Daartoe is ook alle aanleiding omdat hun gezamenlijke defensie-output in termen van de
capaciteit om in conflictgebieden buiten Europa met een aanzienlijke troepenmacht op te
treden tekortschiet.
Het rendement van de Europese defensie-euro, afgezet tegen de totale Europese defensie-
uitgaven, is naar het oordeel van de AIV te laag. Europese krijgsmachten beschikken over
onvoldoende snel inzetbare gevechtskracht, terwijl de overheaduitgaven relatief hoog zijn.
Uit vergelijkend onderzoek van McKinsey & Company naar de zogeheten tooth-to-tailratio
van 33 krijgsmachten blijkt overigens dat de Nederlandse krijgsmacht wat betreft doelmatig-
heid beter presteert dan de meeste Europese bondgenoten.98 Aangezien een (substantiële)
verhoging van de defensiebegrotingen in de nabije toekomst niet te verwachten is, rest er
maar één alternatief: het zoveel mogelijk uitbannen van militaire overschotten in Europees
verband, de gezamenlijke aankoop en onderhoud van materieel, het opzetten van gezamen-
lijke opleidingen en trainingen, het bundelen en delen met andere landen van bestaande
militaire vermogens om het gebruik daarvan te optimaliseren (pooling en sharing) en tevens
de uitruil en verdeling van capaciteiten in het kader van militair-operationele samenwerking
(specialisatie). Alleen langs deze weg kunnen de schadelijke effecten van de lopende bezui-
nigingen worden beperkt en middelen worden vrijgemaakt om kritieke hiaten in de Europese
defensiecapaciteit op te vullen. Gebeurt dit niet, dan wordt de geloofwaardigheid van de
Nederlandse en Europese ambities om een betekenisvolle rol op en nabij het Europese conti-
nent te spelen (verder) aangetast. De AIV beseft overigens dat zolang de verantwoordelijkheid
voor defensie primair een nationale aangelegenheid blijft, er ‘rode lijnen’ zijn ten aanzien van
de mate waarin men de Europese defensie kan rationaliseren en verbeteren. Een gemeen-
schappelijke Europese defensie blijft een vage stip op een verre horizon, althans zolang de
Europese landen in het buitenlands beleid onvoldoende eensgezindheid ten toon spreiden.
Geen gemeenschappelijke defensie zonder een gemeenschappelijke buitenlandse politiek.
98 S. Gebicke en S. Magid, ‘Lessons from around the World: Benchmarking performance in defence’, McKinsey
    on Government, Spring 2010; zie ook Nick Witney, ‘Re-energising Europe’s Security and Defence Policy’,
    European Council on Foreign Relations, London, July 2008.
                                                      47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Voor Nederland in het bijzonder geldt dat, gezien de huidige omvang van de krijgsmacht,
de praktische betekenis en daarmee de maatschappelijke rechtvaardiging van de defensie-
inspanning die ons land levert meer dan ooit verbonden is met het benutten van kansen op
internationale samenwerking, speciaal met zijn Europese partners. Met andere woorden,
de positie van de Nederlandse krijgsmacht als zelfstandige organisatie wordt in belangrijke
mate bepaald door haar waarde in samenwerkingsverbanden met andere landen. Deze ge-
dachte vormt de leidraad bij onderstaande beleidsaanbevelingen voor een samenhangende
aanpak van de uitbreiding en verdere verdieping van de Europese defensiesamenwerking.
Kader defensiesamenwerking: implicaties voor de nationale soevereiniteit
De regering is allereerst geïnteresseerd in de vraag hoe verschillende vormen van defensie-
samenwerking zich verhouden tot de nationale soevereiniteit van betrokken landen. De AIV
constateert dat in de hedendaagse opvattingen over het begrip soevereiniteit veel minder
nadruk ligt op een strikt juridische benadering van het behoud van de exclusieve beslissings-
bevoegdheid van de staat – de vrijheid om te handelen – en veel meer op het vermogen
van de staat handelend op te treden door effectief samen te werken in internationale fora
en met gezag te participeren in internationale verbanden. Voor Nederland betekent dit dat
alleen door participatie in bi- en multilaterale formaties en door gestructureerde Europese
samenwerking internationale invloed en militaire effectiviteit behouden kunnen blijven. Zo
bezien is het belang van gedeelde Europese soevereiniteit in werkelijkheid groter dan dat
van de (ongedeelde) nationale soevereiniteit. De AIV concludeert vervolgens dat de vrij-
heid om te handelen, ofwel de soevereiniteit in de traditionele zin, alleen beperkt wordt bij
bepaalde vormen van operationele samenwerking en bij rol- en taakspecialisatie. Een zorg-
vuldige afweging bij de keuze van landen waarmee en de condities waaronder een nauwe
operationele samenwerking of een vorm van specialisatie wordt aangegaan, is in die geval-
len vereist.
Bi- en multilaterale defensiesamenwerking brengt, naast belangrijke voordelen, ook ver-
plichtingen en afhankelijkheden met zich mee. Zo schept het onderbrengen van nationale
defensiecapaciteiten in een multinationale pool verplichtingen tegenover de partners voor
de instandhouding en het onderhoud van die capaciteit. Ook zijn er beperkingen wat betreft
de vrije beschikking over de eigen capaciteit in een multinationale pool. Deze beperkingen
kunnen overigens worden ondervangen met een afspraak over het principe van een ‘rode-
kaarthouder’, dat een land de mogelijkheid geeft bij hoge uitzondering eigen capaciteit op te
eisen voor nationale operaties. Een dergelijke afspraak is bijvoorbeeld bij de oprichting van
het EATC overeengekomen.
Dankzij de pooling van schaarse luchttransportcapaciteit in het EATC en de deelname aan
het SAC/C-17-initiatief heeft Nederland zijn afhankelijkheid van externe inhuur van lucht-
transportcapaciteit voor de verplaatsing van militair materieel van en naar operatiegebieden
verminderd. Pooling en sharing van capaciteiten versterkt het gezamenlijk militair vermogen
met behoud van de autonome beschikkingsmacht over de inzet van de eigen krijgsmacht
voor ieder deelnemend land en vergroot derhalve de mogelijkheden van landen om desge-
wenst aan een militaire operatie deel te nemen.
Bij geïntegreerde operationele samenwerking neemt de wederzijdse afhankelijkheid tussen
samenwerkingspartners sterk toe, omdat het succes hiervan staat of valt met een gezamen-
lijke positiebepaling over de politieke wenselijkheid en militaire mogelijkheid van gezamen-
lijke inzet in een gegeven situatie. Tegelijkertijd zijn er ook grote voordelen bij deze vorm van
samenwerking, zeker wanneer de partners beschikken over gelijksoortig materieel. Hoewel
bij de totstandkoming van een verdrag inzake geïntegreerde operationele samenwerking een
ultieme ontsnappingsclausule kan worden ingebouwd, zal in praktijk de keuzevrijheid van de
                                                 48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>deelnemende partners worden ingeperkt. Bij de afweging van de keuze van landen waarmee
een geïntegreerde operationele samenwerking wordt nagestreefd, gelden de volgende aan-
dachtspunten:
• het politiek besluitvormingsproces en de rol van het parlement;
• de strategische cultuur in de zin van de gegroeide opvattingen in een land rond de inzet
    van het militaire instrument om veiligheidsdoelstellingen te realiseren;
• de politieke bereidheid om risico’s te delen;
• het risicoprofiel bij inzet dat – naast de aard van de missie – vooral wordt bepaald door
    het domein van inzet (grondgebonden-, lucht- of maritiem optreden) en het niveau waar-
    op de inzet plaatsvindt. Grondgebonden inzet op laag tactisch niveau heeft het hoogste
    risicoprofiel.
De meest vergaande vorm van afhankelijkheid tussen samenwerkingspartners doet zich
voor bij rol- en taakspecialisatie. De AIV is van mening dat op deze optie geen taboe mag
rusten, maar vindt tegelijk dat, alvorens Nederland zich aan bedoelde specialisatie verbindt,
door bi- of multilaterale afspraken, aan twee voorwaarden moet zijn voldaan: een overeen-
komstige strategische cultuur en ruime operationele ervaring met de beoogde partner(s).
Ook zal een zorgvuldige afweging moeten worden gemaakt tussen de voordelen van speciali-
satie en onderlinge verdeling van taken en het mogelijke nadeel van inperking van de natio-
nale autonomie of ‘vrijheid om te handelen’. De AIV wijst in dit verband op de mogelijkheid
om samen met België nadere afspraken te maken over een verdeling van de kustwachttaken,
mijnenbestrijding en de beveiliging van het luchtruim tussen beide landen. In dit geval treedt
naar het oordeel van de AIV geen onaanvaardbaar soevereiniteitsverlies op.
De AIV roept in herinnering dat de veiligheid van Nederland in het verleden – tijdens de Koude
Oorlog – sterk afhankelijk was van beslissingen die door de Amerikaanse regering werden
genomen. De Verenigde Staten waren immers de strategische garantiemacht van Europa.
De angst in ons werelddeel was eerder door de Amerikanen in de steek te worden gelaten
(abandonment) dan door de Amerikanen tegen wil en dank in een gewapend conflict te wor-
den meegesleurd (entrapment).99 Om Europa te verdedigen riskeerden de Verenigde Staten
immers de (nucleaire) vernietiging van de eigen bevolking. Op de Amerikaanse beslissingen,
met name die het mogelijk gebruik van kernwapens betroffen, had Nederland (evenals de
andere bondgenoten) maar weinig invloed. De Nederlandse troepen die aan de NAVO waren
toegewezen bleven in vredestijd weliswaar onder nationaal gezag staan, maar de beslissing
om ze bij toepassing van Artikel 5 volledig onder NAVO-bevel te plaatsen zou in het geval van
een vijandelijke verrassingsaanval geheel door de omstandigheden zijn afgedwongen. Vanaf
het moment dat Nederland ging deelnemen aan de geïntegreerde verdediging van het Atlan-
tisch bondgenootschap was voorzienbaar dat de Nederlandse soevereiniteit, niet formeel
maar wel feitelijk, door de afhankelijkheid van de Verenigde Staten aanzienlijk zou worden
beperkt.
De veiligheidscontext waarin het vraagstuk van de soevereiniteit thans moet worden ge-
plaatst is echter grondig veranderd. De semi-automatische bijstandsverplichting uit hoofde
van Artikel 5 is in de schaduw komen te staan van de vrijwillige deelname aan zogeheten
niet-Artikel 5 crisisbeheersingsoperaties buiten het NAVO-verdragsgebied, terwijl de vrees
voor entrapment in de plaats is gekomen voor de vrees voor abandonment. Wat ook is ver-
anderd is de assertieve opstelling die de Tweede Kamer is gaan betrekken ten aanzien van
alle kwesties die te maken hebben met de uitzending van Nederlandse militairen. Dit heeft
99 Een klassieke verhandeling over dit begrippenpaar vindt men bij Glenn H. Snyder, ‘The Security Dilemma in
    Alliance Politics’, World Politics 36 (4), 1984.
                                                     49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>onder meer geresulteerd in een Toetsingskader voor deelneming van Nederlandse militaire
eenheden aan internationale crisisbeheersingsoperaties.100 Ook in veel andere Europese
landen is er sprake van een toenemende parlementaire betrokkenheid bij de uitzending
van militairen. Deze nieuwe werkelijkheid heeft geleid tot een voorlopige markering van de
grenzen van internationale defensiesamenwerking: de meeste Europese landen wensen
de mogelijkheid te behouden om eenheden of onderdelen die betrokken zijn bij samenwer-
kingsconstructies als zelfstandige modules in te zetten bij internationale operaties, ongeacht
de vraag of de landen waarmee ze nauw samenwerken aan dergelijke operaties meedoen.
Een goed voorbeeld daarvan is de maritieme samenwerking tussen Nederland en België in
het operationeel hoofdkwartier Admiraal Benelux, die beide landen in staat stelt geheel zelf-
standig mee te doen aan internationale militaire operaties.
Denkbaar is dat in de toekomst samenwerkingspartners desondanks zo afhankelijk worden
van elkaars militaire vermogens, dat zij niet effectief kunnen deelnemen aan militaire ope-
raties zonder actieve medewerking van deze partners. In dat geval dreigt naar het oordeel
van de AIV eerder het gevaar van verlamming doordat bepaalde landen zouden besluiten
afzijdig te blijven van een voorgestelde missie, dan het gevaar van het verlies van nationale
soevereiniteit in de zin van beschikkingsmacht. In de intergouvernementele besluitvorming,
die kenmerkend is voor zowel de NAVO als de EU, kunnen lidstaten immers niet worden
gedwongen mee te werken aan de uitvoering van eventuele meerderheidsbesluiten. Ook
feitelijk is het moeilijk voorstelbaar dat kritische en waakzame nationale parlementen, zoals
het Nederlandse, zullen instemmen met deelname aan militaire operaties, louter omdat
andere landen afhankelijk zijn geworden van de militaire vermogens van ons land en moge-
lijk politieke druk uitoefenen om die beschikbaar te krijgen. Dit geldt in het bijzonder wan-
neer sprake is van risicovol, grondgebonden militair optreden op laag tactisch niveau. Daar
worden de gevaren voor militairen immers het meest manifest. Voor nationale parlementen
zijn de risico’s die militairen lopen bij gezamenlijke inzet met militairen van een ander land
veelal bepalend om al dan niet in te stemmen met een missie.
Lessen uit internationale programma’s en processen
Na de Koude Oorlog hebben de NAVO en de EU een transformatie in de richting van expedi-
tionair optreden ingezet. De programma’s inzake capaciteitensamenwerking die vanuit de
NAVO en EU zijn opgezet, hebben echter tot dusver slechts beperkte resultaten opgeleverd.
Het potentieel voor verdere samenwerking is dan ook bijlange na nog niet benut. Gevestigde
nationale belangen, vooral verschanst in de nationale defensie-industrieën, en verschil-
len in politiek-strategische cultuur blijken belangrijke hinderpalen te zijn om dit potentieel
ten volle te benutten. Wat de NAVO betreft heeft de capaciteitensamenwerking zich vooral
gericht op het gezamenlijk leasen en poolen van strategisch lucht- en zeetransport en op
logistieke ondersteuning van operaties buiten het verdragsgebied. Het NAVO-agentschap
voor gezamenlijk onderhoud en bevoorrading (NAMSA) heeft bijgedragen aan substantiële
besparingen door de logistieke ondersteuning van expeditionaire operaties voor deelnemen-
de landen zoveel mogelijk in één hand te houden. Binnen het raamwerk van de EU opereert
het Europees Defensie Agentschap (EDA) als aanjager van gezamenlijke programma’s en
projecten. Binnen het EDA is een reeks van kleinere projecten uitgevoerd. Het meest tast-
bare resultaat is een gezamenlijk trainingsprogramma voor helikopterpiloten, dat overigens
in samenspraak met de NAVO is opgezet. Maar mede als gevolg van het bescheiden budget
is het agentschap vooralsnog niet in staat gebleken echte doorbraken in militaire capacitei-
tensamenwerking te bewerkstelligen. Helaas verschillen de EU-lidstaten van mening over de
mate van sturing die bij het EDA past.
100 Het Toetsingskader deelneming van Nederlandse militaire eenheden aan internationale crisisbeheersings-
      operaties is in 1995 vastgesteld en in 2009 voor het laatst aangepast.
                                                       50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>De weg naar verdieping van defensiesamenwerking blijkt in de praktijk tevens te lopen via
regionale samenwerkingsverbanden of clusters van gelijkgezinde landen. Dit geldt zowel voor
de samenwerking tussen bijvoorbeeld de Scandinavische landen (in Nordefco) als bijvoorbeeld
voor de samenwerking van Nederland met België/Luxemburg en Duitsland. De clusterbenade-
ring kent evenwel ook haar beperkingen en nadelen. Een evidente beperking is dat gewenste
verdieping van de samenwerking op het gebied van strategische inlichtingen, communicatie en
bevelvoering buiten het handelingsbereik van clusters vallen. Een dergelijke verdieping kan
alleen in NAVO- en EU-verband gestalte krijgen. Een nadeel van de clusterbenadering is ook
het risico van ontkoppeling tussen deze samenwerkingsprogramma’s en de reële capaciteiten-
behoeften van alle Europese landen tezamen. Op bepaalde terreinen bestaan immers Euro-
pese overschotten, terwijl op andere juist grote tekorten bestaan.
De AIV is van mening dat een duidelijke identificatie van tekorten in Europese capaciteiten
en een gezamenlijke prioritering op basis van die tekorten bij de besteding van financiële
middelen van NAVO- en EU-lidstaten nodig zijn om de bestaande onevenwichtige configuratie
van militaire vermogens te redresseren. Aan deze gezamenlijke prioritering heeft het ook
ontbroken bij de invulling van de bezuinigingsplannen die Europese regeringen, waaronder
de Nederlandse, onlangs hebben opgesteld. De uiteenlopende timing van deze nationale
plannen vormde daarbij een extra complicatie. Het ontbreekt aan een coördinatiemecha-
nisme dat top-down het gehele inzetvermogen van de Europese krijgsmachten monitort.
Buitengewone ministeriële conferenties in EU-verband, zoals door Nederland al is voorgesteld,
zouden dit kunnen ondervangen. Een ondersteunende rol van het EDA voor de uitvoering
van deze coördinatie ligt voor de hand.
Een belangrijke les luidt dat de meest effectieve strategie voor militaire samenwerking aan-
vangt bij gezamenlijke aankoop en instandhouding van materieel, gecombineerd met geza-
menlijke opleiding en training van personeel. In dit domein moeten echter nog de nodige
weerstanden tegen samenwerking bij onder meer nationale defensie-industrieën en militaire
behoeftestellers worden overwonnen. Bij materieelsamenwerking treden niet of nauwelijks
beperkingen op ten aanzien van de zelfstandige inzet van militaire eenheden. Zijn eenmaal
positieve ervaringen opgedaan met deze samenwerking en zijn de betrokken partijen over-
tuigd geraakt van de wenselijkheid verdere stappen te zetten, dan kan de stap naar verder-
gaande militair-operationele samenwerking worden gezet, met de uitruil en verdeling van
militaire capaciteiten als sluitstuk. Er is hier sprake van een zekere analogie met het verloop
van het Europese integratieproces als geheel, het resultaat van een strategie van opeenvol-
gende kleine stappen naar verbreding en verdieping van samenwerking.
Het doel van internationale defensiesamenwerking is niet alleen het vergroten van de output
van de gezamenlijke defensiebudgetten in termen van capaciteiten, maar ook het vergroten
van de effectiviteit van optreden tijdens missies. Hiervoor zijn de ontwikkeling van operatio-
nele concepten en gezamenlijke training onontbeerlijk. Bij toekomstige hybride militaire con-
flicten zal het succes van het optreden van multinationale eenheden vooral worden bepaald
door de bekwaamheid om in een complexe civiel-militaire omgeving te kunnen werken. Daar-
naast is het aanpassingsvermogen van krijgsmachten van belang en de snelheid waarmee
op nieuwe veiligheidsrisico’s kan worden gereageerd. Dit aanpassingsvermogen zal breed
aanwezig moeten zijn, of het nu gaat om gezamenlijke materieelverwervingsprocedures, op-
leiding- en trainingsconcepten of het aanpassingsvermogen van de defensie-industrieën.
Samenwerkingsmogelijkheden in de toekomst
Nederland wordt in Europa gezien als voortrekker op het gebied van defensiesamenwerking
met andere landen. Het Benesam-model kan als lichtend voorbeeld fungeren voor andere
landen. Toch is de AIV ervan overtuigd dat ook voor Nederland nog talrijke mogelijkheden
ongebruikt zijn. Het zwaartepunt van de defensiesamenwerking ligt in de relatie met de
                                                  51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Benelux-partners en Duitsland. Een verdieping van de militaire samenwerking met deze
landen is gewenst, maar deze dient ook gepaard te gaan met een intensivering van de veilig-
heidspolitieke samenwerking. Daarnaast ziet de AIV voor de Koninklijke luchtmacht kansen
om de samenwerking te verbreden met Noorwegen en Denemarken. Nederland deelt met
beide landen een overeenkomstige politiek-strategische cultuur en visie op het buitenlands-
en veiligheidsbeleid. Ten slotte bepleit de AIV een voortzetting van de operationele samen-
werking met het Verenigd Koninkrijk door aansluiting te zoeken bij de Joint Expeditionary
Force (JEF), mits de regering hiervoor een breed politiek draagvlak kan realiseren en het
Verenigd Koninkrijk en Frankrijk hiervoor daadwerkelijk openstaan. Aldus kan Nederland meer
politiek prestige verwerven en invloed uitoefenen op besluitvorming over internationaal
(militair) optreden in crisissituaties.
In concreto legt de AIV de regering een tiental aanbevelingen voor die rechtstreeks betrek-
king hebben op (onderdelen van) de Nederlandse krijgsmacht:
1.    Teneinde het bereikte niveau van de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische
      marines in de toekomst te waarborgen, moeten de regeringen van beide landen de
      lopende investeringsplannen op elkaar afstemmen en een gezamenlijke behoeftestel-
      ling opstellen die op termijn uitmondt in een gezamenlijk investeringsplan. Een belangrijk
      doel van dit plan moet zijn om gezamenlijk bij te dragen aan versterking van Europese
      maritieme vermogens. Indien mogelijk wordt ook Duitsland hierbij betrokken.
2.    Teneinde het niveau van de samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische marines
      verder te verhogen, kan de operationele samenwerking in het kader van Benesam wor-
      den verdiept door gezamenlijke inzet van marine-eenheden voor onder meer kustwacht-
      taken, mijnenbestrijding en piraterijbestrijding.
3.    Teneinde kostenbesparingen bij materieel-logistieke samenwerking tussen de Neder-
      landse en Belgische luchtmachten te realiseren, moet een gezamenlijke aankoop, on-
      derhoud en stationering van transport- en gevechtsvliegtuigen alsmede een gezamen-
      lijke opleiding en training van vliegers worden bewerkstelligd. Het is wenselijk dat beide
      regeringen tot een eensluidend besluit komen over de opvolging van de F-16. Valt dit
      besluit uit ten gunste van de JSF, dan is uitbreiding van de materieel-logistieke
      samenwerking met Noorwegen en Denemarken mogelijk en wenselijk (aannemende dat
      in deze landen een definitieve keuze voor de JSF gemaakt wordt).
4.    Teneinde kostenbesparingen bij materieel-logistieke samenwerking tussen de Neder-
      landse en Duitse landmachten te realiseren, moet gezamenlijk onderhoud van het
      Boxer gevechtsvoertuig en de Pantserhouwitser alsmede gezamenlijke aankoop en
      beheer van munitiesoorten worden bewerkstelligd. Ook moeten de regeringen van beide
      landen de lopende investeringsplannen op elkaar afstemmen en een gezamenlijke
      behoeftestelling opstellen die op termijn uitmondt in een gezamenlijk investeringsplan.
      Een belangrijk doel van dit plan moet zijn de versterking van het Europese militaire
      vermogen voor landoptreden.
5.    Teneinde de Koninklijke landmacht ook in de toekomst in staat te stellen om met vol-
      doende escalatiedominantie op te treden in conflicten, moet worden onderzocht of het
      verlies aan mobiliteit, vuurkracht en bescherming als gevolg van de recente bezuinigin-
      gen kan worden gemitigeerd door het leasen van gevechtstanks van de Bundeswehr, bij
      voorkeur door het sluiten van een package deal met Duitsland. Als tegenprestatie zou
      Duitsland gebruik kunnen maken van Nederlands materieel of (trainings)faciliteiten.
6.    Teneinde de kosten van verwerving en instandhouding van een onbemand vliegtuig
      (MALE UAV) te beperken, moet Nederland streven naar gezamenlijke aankoop, onder-
      houd en stationering van de MALE UAV. Nauwe samenwerking met Duitsland brengt
      aanmerkelijke schaalvoordelen met zich, ook op het gebied van opleiding en training.
                                                 52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>7.    Teneinde de effectiviteit van maritieme raketverdediging tegen langeafstandsprojectielen
      te vergroten, ligt operationele samenwerking van Nederland met Duitsland evenzeer
      voor de hand, aangezien beide landen in Europa voorop lopen in de ontwikkeling van
      maritieme Theatre Ballistic Missile Defence.
8. Teneinde de kosten voor Nederland van de instandhouding van vier onderzeeërs te
      verlagen, zou onderzocht kunnen worden of deze schepen, naar het voorbeeld van de
      Admiraal Benelux, onder een gezamenlijk commando met de acht Duitse onderzeeërs
      kunnen worden gebracht. Aansluiting van Denemarken bij een mogelijke onderzeeboot-
      samenwerking behoort tot de mogelijkheden. Ook hier zouden mogelijk besparingen
      kunnen worden gevonden door gezamenlijk onderhoud en gezamenlijke opleiding en
      training van bemanningen.
9. Teneinde in staat te zijn met de krijgsmacht een bijdrage te leveren aan risicovolle mis-
      sies, verdient onder meer een operationele samenwerking met het Verenigd Koninkrijk
      en Frankrijk in de JEF serieuze bestudering.
10. Teneinde de European Gendarmerie Force (EGF) als unieke nichecapaciteit op het
      gebied van politiedienstverlening te versterken, valt te overwegen deze formatie uit te
      bouwen tot Permanente Gestructureerde Samenwerking (PGS) dan wel op te zetten als
      vorm van nauwere samenwerking als bedoeld in het Verdrag van Lissabon.
De AIV acht het wenselijk dat de regering zich niet alleen inzet om de Nederlandse krijgs-
macht verder in te bedden in bi- en multilaterale samenwerkingsconstructies, maar ook
dat zij een actieve diplomatie bedrijft om internationale defensiesamenwerking in NAVO- en
EU-verband te verdiepen. De hervorming in de richting van expeditionair optreden die deze
veiligheidsorganisaties na de Koude Oorlog hebben doorgemaakt, moet met kracht worden
voortgezet. De gewenste inspanningen zouden zich vooral kunnen richten op de omvorming
van de snelle reactiemachten van de NAVO en de EU tot semi-permanente samenwerkings-
verbanden, intensiever gebruikmaken van NAMSA voor logistieke ondersteuning van NAVO-
en EU-operaties, het denationaliseren van de verwerving van defensiematerieel, een ver-
schuiving van nationale naar multinationale opleidings- en onderzoeksprogramma’s en de
totstandkoming van één onderzoeksbudget voor interne en externe veiligheid. In dit verband
doet de AIV een zestal aanvullende aanbevelingen:
11. Teneinde een verdieping van de operationele samenwerking tussen deelnemende lan-
      den aan de NRF en EU Battlegroups te bewerkstelligen, verdient het aanbeveling de
      snelle reactiemachten om te vormen tot semi-permanente samenwerkingsverbanden,
      waarbij dezelfde (combinatie van) landen periodiek deelnemen aan een NRF of battle-
      group-rotatie. Die Europese landen die – anders dan Nederland – niet beschikken over
      een volledig expeditionaire krijgsmacht, kunnen worden aangemoedigd zich te speciali-
      seren door een nichecapaciteit bij te dragen aan de NRF of EU Battlegroups.
12. Teneinde de hoge kosten voor de beschikbaarstelling en inzet van de NRF en de EU
      Battlegroups te beperken, verdient het aanbeveling dat lidstaten die de leiding hebben
      over één of meerdere van deze snelle reactiemachten rechtstreeks afspraken maken
      met NAMSA over de logistieke ondersteuning van deze eenheden. Zo kan worden ver-
      meden dat afspraken met NAMSA over de ondersteuning van EU-geleide militaire forma-
      ties stranden vanwege de politieke blokkade op de EU-NAVO-samenwerking.
13. Teneinde een grotere doelmatigheid te bereiken in de uitgaven voor de verwerving van
      defensiematerieel, moeten de EU-lidstaten het percentage uitgaven ter zake van materieel-
      aankoop op bi- of multilaterale basis stapsgewijs verhogen. Hiervoor is het noodzakelijk
      om stelselmatig onderzoek naar de mogelijkheden van internationale samenwerking te
      verankeren in het defensieplanningsproces van de afzonderlijke lidstaten. Alleen zo kan
      een grotere standaardisatie van defensiematerieel worden bereikt. Het EDA zou moeten
      worden belast met het adviseren en monitoren van lidstaten over de vereiste aanpassingen
                                                53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>     van het defensieplanningsproces op basis van opgedane best practices in een aantal
     landen.
14. Teneinde een duurzame internationale materieelsamenwerking op de gebieden logistiek,
     onderhoud, opleiding en training tot stand te brengen, moeten de mogelijkheden van
     gezamenlijke opleidingen beter worden benut. Ook zou de samenwerking tussen defensie-
     opleidingen kunnen worden versterkt, bijvoorbeeld door een stapsgewijze uitbreiding
     van het European Security and Defence College.
15. Teneinde een grotere doelmatigheid te bereiken in de noodzakelijke investeringen in
     grensoverschrijdend onderzoek en ontwikkeling, moet evenzeer een verschuiving worden
     nagestreefd van nationale naar multinationale onderzoeksprogramma’s alsmede een
     nauwere samenwerking met de private sector. De NAVO (Smart Defence) en de EU (ge-
     meenschappelijke investeringsprogramma’s voor onderzoek en technologie) moeten hun
     inspanningen op dit terrein bundelen teneinde duplicatie van onderzoeksprogramma’s te
     voorkomen.
16. Teneinde meer synergie in het onderzoek naar interne en externe veiligheid te stimuleren,
     wordt – gelet op de nauwe samenhang tussen beide dimensies van veiligheid – voorgesteld
     één EU-onderzoeksbudget voor interne en externe veiligheid in het leven te roepen. Voor
     dit doel moeten afspraken worden gemaakt tussen de Europese Commissie en het EDA.
Tot besluit
De AIV bepleit in dit advies een samenhangende aanpak van de uitbreiding en verdieping
van de Europese defensiesamenwerking. Hiertoe is een tweesporenbenadering vereist die
bestaat uit een top-downstrategie voor Europese veiligheidssamenwerking en een bottom-
upaanpak voor verdieping van de bilaterale defensiesamenwerking. Het is essentieel beide
sporen met elkaar in evenwicht te brengen. Overaccentuering van het eerste spoor kan lei-
den tot een te zwak gevoel van ownership bij de nationale krijgsmachten. Bovendien bestaat
het risico dat plannen die in NAVO- en EU-verband worden gesmeed, onvoldoende rekening
houden met de bijzondere banden die tussen landen en hun krijgsmachten bestaan. Ander-
zijds brengt een eenzijdige gerichtheid op het tweede spoor, de bottom-upaanpak, het risico
mee van een gebrek aan afstemming tussen (regionale) clusters van samenwerkende landen,
met als mogelijk gevolg grote onevenwichtigheden in de militaire vermogens die voor Europa
als geheel beschikbaar zijn. Mede met het oog hierop bepleit de AIV het opstellen van een
nieuwe Europese veiligheidsstrategie. Deze exercitie zou een tweeledig karakter dienen te heb-
ben. In de eerste plaats een onderzoek dat systematisch in kaart brengt wat Europa militair
gezien nodig heeft om zijn veiligheid te waarborgen en een rol van betekenis op het wereld-
toneel te kunnen spelen. Ten tweede zou een evaluatie van de nationale defensieplannen in
het licht van de vastgestelde Europese militaire behoeften moeten worden uitgevoerd. Deze
evaluatie dient antwoord te geven op de vraag in hoeverre de Europese landen op defensie-
gebied de juiste prioriteiten stellen en op welke militaire vermogens samenwerkingsverbanden
zich bij voorkeur moeten richten. De AIV acht het opportuun deze nieuwe Europese veiligheids-
strategie op het hoogste politieke niveau (Europese Raad) te agenderen als een voorwaarde
voor haar welslagen.
De AIV onderstreept ten slotte dat kostenbesparingen als gevolg van bi- en multilaterale
samenwerking niet de weg vrijmaken voor nieuwe bezuinigingen op het Nederlandse defen-
siebudget. Het realiseren van besparingen is een proces waarbij de kost (investeren) voor de
baat uitgaat en vertrouwen tussen de samenwerkingspartners essentieel is. Kosten-
besparingen zullen hard nodig zijn om bestaande operationele tekortkomingen op te hef-
fen en een adaptieve, innovatieve krijgsmacht in stand te houden. Dit is eens te meer van
belang nu Europa in de toekomst meer en meer op zijn eigen (militaire) benen zal moeten
staan en ook van Nederland een evenredige bijdrage aan de Europese defensie zal worden
verwacht.
                                                54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>                                                                                            Bijlage 1
Adviesaanvraag
 Aan de Voorzitter van de                               Ministerie van Buitenlandse Zaken
 Adviesraad Internationale Vraagstukken                 Postbus 20061
 Mr. F. Korthals Altes                                  2500 EB Den Haag
 Postbus 20061
 2500 EB Den Haag                                       Ministerie van Defensie
                                                        Postbus 20701
                                                        2500 ES Den Haag
Datum: 20 juni 2011
Betreft: Adviesaanvraag betreffende verdieping van de internationale defensiesamenwerking
van de Nederlandse krijgsmacht.
Geachte heer Korthals Altes,
De discussie over Europese defensiesamenwerking is opnieuw opgelaaid nu
defensiebudgetten in Europa krimpen als gevolg van de tekorten op de overheidsbegrotingen.
Defensiesamenwerking wordt omarmd teneinde het militaire vermogen zoveel mogelijk op
peil te houden en waar mogelijk kosten te delen. Tegen de achtergrond van de verschuivende
mondiale machtsverhoudingen is verdieping van de Europese defensiesamenwerking bovendien
van groot politiek en strategisch belang voor de Europese veiligheid en de lastendeling in het
transatlantische partnerschap.
Nederland zet verder in op verdieping van zijn internationale samenwerking. Nederland
participeert reeds in een aantal succesvolle multinationale projecten, zoals het EATC en het
Strategic Airlift Capability (C-17), en streeft ernaar zijn bilaterale samenwerking met vooral
Duitsland, België/Luxemburg en het VK te verdiepen. Verdere samenwerking met andere
partnerlanden, waaronder de VS, wordt niet uitgesloten. Deze inzet is integraal onderdeel van de
visie van dit kabinet op de toekomstige krijgsmacht waarin innovatie, kwaliteit en internationale
inbedding belangrijke ijkpunten vormen.
Het kabinet onderkent dat zich hierbij ook fundamentele vragen voordoen in relatie tot de
nationale soevereiniteit. Samenwerking en soevereiniteit moeten niet worden opgevat als
tegenpolen, al was het maar omdat verdieping van de internationale samenwerking van de
krijgsmacht moet leiden tot verhoogde gezamenlijke militaire effectiviteit die juist onze veiligheid
en soevereiniteit ten goede komt. Aangezien er thans wordt gestreefd naar een meerjarige,
ambitieuze samenwerkingsagenda is het echter passend om ook rekening te houden met de
soevereiniteitsdilemma’s die zich in verschillende gradaties kunnen voordoen bij de uitwerking
van nieuwe initiatieven. Zoals toegezegd door de minister van Defensie aan de Tweede Kamer
wordt de Adviesraad in het bijzonder gevraagd hierop nader in te gaan.
Tegen deze achtergrond vraagt het kabinet de Adviesraad, in het verlengde van het rapport
van april 2003 getiteld “Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en beperkingen”,
om aanbevelingen te doen voor de verdere internationale inbedding van de krijgsmacht. Zoals
toegezegd door de minister van Buitenlandse Zaken aan de Eerste Kamer wordt hierbij tevens
specifiek gevraagd naar de mogelijkheden tot verbeterde samenwerking tussen EU en NAVO. Het
advies kan daarmee bijdragen tot de uitwerking van de internationale samenwerkingsagenda van
Defensie in de komende jaren.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Het gaat daarbij in het bijzonder om de volgende vragen:
Kader defensiesamenwerking
Welke soevereiniteitsvragen zijn er verbonden aan de verschillende vormen van
defensiesamenwerking? Hoe komen deze vragen tot uitdrukking en hoe kunnen regering en
volksvertegenwoordiging daarmee omgaan? Hoe wordt er in Europa tegenaan gekeken? Zijn
er terreinen waarop samenwerking meer voor de hand ligt en zijn er capaciteiten die specifiek
op nationale basis instandgehouden moeten worden? Welke toegevoegde waarde heeft de
Nederlandse krijgsmacht in internationaal verband en kan daarmee gesproken worden van
rolspecialisatie?
Lessen uit internationale programma’s en processen
Welke lessen kunnen we trekken uit multinationale programma’s uit het verleden (bijvoorbeeld
de NH90) en hoe kunnen we nationale configuraties uitbannen? Welke bereidheid bestaat er
internationaal om te gaan samenwerken en is er een onderscheid tussen grotere en kleinere
landen? Welke lessen kunnen we trekken uit het capaciteitenproces binnen EU (inclusief EDA)
en NAVO en op welke manier zouden we de effectiviteit van deze processen kunnen verbeteren?
Moeten we toe naar een meer bindend internationaal kader, zoals bijvoorbeeld wordt
beoogd met de Permanente Gestructureerde Samenwerking? Welke rol spelen de NRF en EU
Battlegroups in de bevordering van defensiesamenwerking en hoe zou deze rol kunnen worden
versterkt?
Samenwerkingsmogelijkheden
Zijn er concrete ideeën voor defensiesamenwerking met partnerlanden in bilateraal of breder
verband, bijvoorbeeld analoog aan het EATC? Welke mogelijkheden bestaan er op gebied van
technologie en onderzoek? Zijn er dwarsverbanden met civiele capaciteitenontwikkeling, in
het bijzonder binnen de EU, waar Defensie zou kunnen profiteren van schaalvoordelen en
interoperabiliteit?
EU-NAVO samenwerking
Welke oplossingsrichtingen zijn er naar de mening van de AIV om EU-NAVO samenwerking te
verbeteren ondanks het voortbestaan van de onderliggende politieke problemen? Kan de AIV
daarbij tevens zijn visie geven op samenwerking tussen de EU en de NAVO die reeds in gang is
gezet of momenteel wordt verkend, bijvoorbeeld op het terrein van:
• consultaties tussen beide organisatie op ambtelijke en politieke niveaus (inclusief informeel
    overleg tussen alle NAVO en EU-landen, contacten tussen HV Ashton en SG NAVO);
• coördinatie en overleg op stafniveau;
• capaciteitssamenwerking mede in het licht van de discussie over pooling & sharing, de EU-
    NAVO capaciteitengroep en de contacten tussen het Europees Defensieagentschap en het
    Allied Command Transformation van de NAVO;
• training en oefeningen;
• deblokkering van de samenwerking op basis van het ‘organisation to organisation’-principe.
De Minister van Buitenlandse Zaken,        De Minister van Defensie,
Dr. U. Rosenthal                           Drs. J.S.J. Hillen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                                      Bijlage II
Overzicht gebruikte begrippen
Admiraal Benelux           Gezamenlijk operationeel hoofdkwartier van de Nederlandse
                           en Belgische marine in Den Helder.
Benesam                    Bilateraal samenwerkingsverband tussen België en Nederland
                           op het gebied van de marine.
Caveat                     Operationeel voorbehoud van een nationale staat bij een
                           crisisbeheersingsoperatie.
Comprehensive Approach     Geïntegreerde aanpak van politieke, civiele en militaire
                           middelen bij crisisbeheersing.
Digitale oorlogvoering     (Militaire) operaties die erop zijn gericht om met digitale
                           middelen computersystemen of netwerken van een tegen-
                           stander te verstoren, misleiden, veranderen of te vernietigen.
Hybride militair conflict  Conflicten die worden gekenmerkt door een breed spectrum
                           van reguliere en niet-conventionele strijdwijzen waarbij
                           zowel statelijke als niet-statelijke actoren betrokken zijn.
Mondialisering             Wereldwijd proces van wederzijdse economische, politieke en
                           sociaal-culture beïnvloeding.
Opt-out                    Principe waarbij lidstaten een uitzonderingspositie hebben ten
                            aanzien van specifieke beleidsterreinen van de EU.
Out of Area operatie       Crisisbeheersingsoperaties buiten het grondgebied van de
                           NAVO en de EU.
Patriot-luchtverdedigings- Geleide wapensystemen voor luchtverdediging.
systemen
Pooling                    Bundeling van gelijksoortige militaire capaciteiten van twee of
                           meer landen om het gebruik daarvan te optimaliseren.
Rodekaarthouder            Systeem waarbij deelnemende landen aan een gezamenlijke
                           pool de mogelijkheid hebben om bij hoge uitzondering militaire
                           capaciteiten op te eisen voor nationale operaties.
Rolspecialisatie           Afspraken tussen twee of meer landen over het gebruik van
                           elkaars capaciteiten voor specifieke militaire taken.
Smart Defence              Met beperkte middelen meer veiligheid scheppen en voldoende
                           investeren in toekomstige veiligheid (NAVO-concept).
Soevereiniteit             Onafhankelijkheid in het uitoefenen van macht, met name van
                           een staat.
Sharing                    Gezamenlijke verwerving en gebruik van militaire capaciteiten
                           door twee of meer landen.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Standaardisatie                   Het afstemmen van de behoeften aan militaire capaciteiten
                                  teneinde te komen tot gezamenlijke verwerving van (wapen)
                                  systemen, bij gelijktijdige uitbanning van nationale configuraties.
Taakspecialisatie                 Uitruil van militaire taken en capaciteiten tussen twee of meer
                                  landen die in onderling overleg zich specialiseren en volledig
                                  kunnen terugvallen op elkaars specialisaties.
Theatre Ballistic Missile Defence Verdedigingssysteem tegen ballistische raketten vanaf zee of
                                  op land.
Trans-Atlantisch partnerschap Betrekkingen tussen Europa en de Verenigde Staten op
                                  veiligheidsgebied.
UK/NL Amphibious Force            Brits-Nederlandse amfibische eenheid. Een Nederlands
                                  infanteriebataljon is ondergebracht bij de Britse 3e Commando
                                  brigade. De Nederlandse 1e Bootcompagnie van het Amfibisch
                                  Gevechtssteunbataljon is geïntegreerd binnen het Britse 539
                                  Assault Squadron.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                              Bijlage III
Overzicht gebruikte afkortingen
A400M         Militair transportvliegtuig (van EADS)
ACT           Allied Command Transformation
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
AWACS         Airborne Warning and Control Systems
Benesam       Belgisch-Nederlandse marinesamenwerking
C-130         Militair transportvliegtuig Hercules (van Lockheed Martin)
C-17          Militair transportvliegtuig (van Boeing)
CIMIC         Civil Military Co-operation
CIMIN         Interministerieel Comité op Hoog Niveau EGF
DCI           Defence Capabilities Initiative
EAC           European Airlift Centre
EADS          European Aeronautic Defence and Space Company
EATC          European Air Transport Command
ECAP          European Capabilities Action Plan
EDA           Europees Defensie Agentschap
EEG           Europese Economische Gemeenschap
EGF           European Gendarmerie Force
EPAF          European Participating Air Forces
ESS           Europese Veiligheidsstrategie
EU            Europese Unie
EuroMALE      European Medium Altitude Long Endurance Unmanned Aerial Vehicle
EVDB          Europees Veiligheids en Defensiebeleid
F-16          Gevechtsvliegtuig (van Lockheed Martin)
GVDB          Gemeenschappelijk Veiligheids en Defensiebeleid
HRFHQ         High Readiness Forces Headquarters
IEDs          Improvised Explosive Devices
ISAF          International Security Assistance Force
JEF           Joint Expeditionary Force
JSF           Joint Strike Fighter F-35 (van Lockheed Martin)
KFOR          Kosovo Force
MALE UAV      Medium Altitude Long Endurance Unmanned Aerial Vehicle
MARSUR        Maritime Surveillance Networking project (van EDA)
MCCE          Movement Coordination Centre Europe
MKB           Midden- en Kleinbedrijf
NAMSA         NATO Maintenance and Supply Agency
NAVO          Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NBC           Nucleair, Biologisch en Chemische bescherming
NORDEFCO      Nordic Defence Co-operation
NRF           NATO Response Force
OVSE          Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
PCC           Prague Capabilities Commitment
PGS           Permanent Gestructureerde Samenwerking
PSC           Politiek en Veiligheidscomité van de EU
SAC           Strategic Airlift Capability
SALIS         Strategic Airlift Interim Solution
SSR           Security Sector Reform
UAV           Unmanned Aerial Vehicles
UMS           Unmanned Maritime Systems
VN            Verenigde Naties
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                                                                Bijlage IV
Overzicht geraadpleegde personen
NAAM                                  FUNCTIE
Mw. C.F. Arnould                      Chief Executive EDA
Drs. J.P. van Aubel                   Nederlands Vertegenwoordiger bij de Politiek-
                                      militaire Groep van de Raad van de EU
Lt-gen. P. Auroy                      Assistant Secretary-General, Defence Investment
                                      Division van de NAVO
Prof.dr. S. Biscop                    Directeur Veiligheid & Global Governance
                                      Programma, Egmont – Koninklijk Instituut voor
                                      Internationale Betrekkingen, Brussel
Mr. T.S. Koster                       Adviseur bij de Permanente vertegenwoordiging
                                      van Nederland bij de NAVO
Ambassadeur mw. dr. M. de Kwaasteniet Nederlands Vertegenwoordiger bij het Politiek en
                                      Veiligheidscomité van de EU, Permanent
                                      Vertegenwoordiger WEU
Ambassadeur mr. F.A.M. Majoor         Permanent Vertegenwoordiger van Nederland bij
                                      de NAVO
Lt-gen. F. Meulman                    Permanent Militair Vertegenwoordiger van
                                      Nederland bij de NAVO en de EU
J. Mullin                             Capabilities Director EDA
Lt-gen.drs. A.G.D van Osch            Directeur-Generaal EU Militaire Staf bij het Raads-
                                      secretariaat van de EU
Gen-maj. S.L. Porter CBE              Supreme Allied Commander Transformation
                                      Representative in Europe
Kol. T. Rikken                        Militair adviseur bij de Permanente Militaire
                                      vertegenwoordiging van Nederland bij de NAVO
Commandeur F. Sijtsma                 Sous-chef Internationale Militaire Samenwerking
                                      van het ministerie van Defensie
T. Valasek                            Directeur Foreign Policy and Defence, Centre for
                                      European Reform, London
P. Valin                              Commandant EU Militaire staf
D. Zandee MA                          Voormalig Directeur Planning en Beleid EDA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
   september 2004
40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer
    ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
    beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden,
    december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
    veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
  1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
  2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
  3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
  4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
  5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
  6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
  7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
  8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>