<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Mr. F. Korthals Altes
Vicevoorzitter Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Leden          Mw. prof.dr. J. Gupta
               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
               Prof.dr. A. de Ruijter
               Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
               Prof.dr. A. van Staden
               Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
               Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB Den Haag
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gecombineerde Commissie Democratie Arabische Regio
Voorzitter    Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Leden         Dr. B.S.M. Berendsen
              Prof.mr.dr. M.S. Berger
              Dr. N. van Dam
              Prof.dr. J.W. de Zwaan
Secretaris    Drs. J. Smallenbroek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
Inleiding      5
I        Twee trends in de Arabische regio        6
         I.1     Eerste trend: democratisering      6
         I.2     Tweede trend: nadruk op de islamitische identiteit     7
II       Maatschappelijke achtergronden en verschillen      11
         II.1    De jeugd in de Arabische regio      11
         II.2    De positie van vrouwen in de Arabische regio    12
III      Democratie en mensenrechten          14
         III.1   Islam en democratie       14
         III.2   Mensenrechten       16
         III.3   Rechtsstaat     18
IV       Regionale context       20
         IV.1    Diversiteit    20
         IV.2    Regionale verhoudingen        21
         IV.3    Syrië    22
         IV.4    Het Midden-Oosten Vredesproces        23
V        Inzet Nederland en de EU       26
         V.1     Nederlandse inzet      26
         V.2     De Europese Unie       28
VI       Conclusies en aanbevelingen        30
Bijlage I        Adviesaanvraag met bijlage motie Hachchi en Timmermans
Bijlage II       Mensenrechtenverdragen geratificeerd door Arabische landen
Bijlage III      Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Naar aanleiding van de motie-Hachchi en Timmermans over de actuele situatie
in Noord-Afrika en het Midden-Oosten1 heeft de regering de AIV verzocht een
update uit te brengen van het AIV-advies nr. 75 ‘Hervormingen in de Arabische
regio: kansen voor democratie en rechtsstaat?’ van 27 mei 2011. De minister
van Buitenlandse Zaken heeft de AIV de volgende vraag voorgelegd:
‘De regering verzoekt de AIV om een update van het genoemde advies in de
brede context van de mensenrechten, rechtsstatelijkheid, stabiliteit en vrede en
veiligheid.’
Eén van de overwegingen die ten grondslag lag aan de genoemde motie was dat
de AIV in advies nr. 75 had opgemerkt dat de ontwikkelingen in Noord-Afrika en
het Midden-Oosten zo snel plaatsvinden, dat sommige informatie in het advies
mogelijk al achterhaald was door de actualiteit. De AIV heeft gemeend in dit
advies vooral in te moeten gaan op een aantal langetermijnontwikkelingen om
dat risico zoveel mogelijk te vermijden.
Het advies is voorbereid door een gecombineerde commissie onder
voorzitterschap van prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve (AIV, CVV). Overige leden van
de gecombineerde commissie waren dr. B.S.M. Berendsen (COS), prof.mr.dr. M.S.
Berger (CMR), dr. N. van Dam (CVV) en prof.dr. J.W. de Zwaan (CEI). Drs. E.H.
Braam trad op als ambtelijk contactpersoon. De gecombineerde commissie werd
ondersteund door drs. J. Smallenbroek (secretaris) en de heer V.A.M. Klösters
(stagiair).
De AIV heeft dit advies vastgesteld in zijn vergadering van 11 mei 2012.
1  Tweede Kamer der Staten Generaal, 32 623 nr. 29.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Inleiding
In dit advies wordt vooral ingegaan op twee trends in de Arabische regio, namelijk de
wens van grote delen van de bevolking tot democratisering en een toenemende nadruk
op islamitische identiteit. Met democratisering wordt gedoeld op de sterke en reeds lang
bestaande wens van velen in de Arabische regio tot meer invloed op het bestuur en op de
inrichting van de samenleving. De recente ontwikkelingen in de Arabische regio vormen
een belangrijke fase in de realisering van deze wens tot democratisering. De toenemende
nadruk op islamitische identiteit uit zich in een toenemende behoefte (maar ook maat-
schappelijke druk) om maatschappelijke en persoonlijke ontwikkelingen te plaatsen in
een publieke discussie die verwijst naar de islam. De trend van de versterking van de
islamitische identiteit is al lange tijd gaande en sinds eind jaren zeventig van de vorige
eeuw in een stroomversnelling geraakt; de trend van democratisering is van recentere
datum.
De twee trends van democratisering en de islamitische identiteit hangen samen met
interne ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de Arabische wereld sinds het mid-
den van de vorige eeuw, de periode waarin de meeste Arabische landen hun onafhanke-
lijkheid verkregen. Ten eerste was sprake van een hoge bevolkingsgroei die samenviel
met een verbetering van de gezondheidszorg, waardoor de huidige bevolking zeer jeugdig
is. Ten tweede is deze jonge generatie, anders dan de voorgaande generaties, relatief
hoog opgeleid. Dit is mede oorzaak van een meer kritische houding tegenover zowel be-
stuurlijke als religieuze autoriteiten. De tijd van volgzaamheid is voorbij; men wil zelf bepa-
len hoe levens worden geleid en hoe landen worden bestuurd. De islam speelt voor veel
mensen daarin een belangrijke rol. Het bijzondere van de recente gebeurtenissen is dat
de twee grote wensen inzake zowel democratie als islam nu voor het eerst in wisselwer-
king met elkaar plaatsvinden, ook al was de islam-dimensie al veel langer aanwezig. Hoe
deze twee wensen zullen worden nagestreefd, en hoe hun wisselwerking en combinatie
vorm zullen krijgen, zal de toekomst moeten uitwijzen.
De twee trends manifesteren zich, zowel gezamenlijk als onafhankelijk van elkaar, in een
aantal hervormingsbewegingen die zich voordoen in de meeste landen van de Arabische
regio, maar er zijn aanzienlijke verschillen tussen de landen in de mate waarin deze ver-
schijnselen tot uiting komen in de politieke dynamiek. De differentiatie in de Arabische
regio zal kort worden aangestipt.
Het advies gaat in op de kenmerken van de twee genoemde trends en de gevolgen ervan
voor de vooruitzichten voor democratie en mensenrechten. Het advies wordt afgesloten
met enkele algemene aanbevelingen en conclusies.
                                                 5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I          Twee trends in de Arabische regio
I.1        Eerste trend: democratisering
In het afgelopen decennium hebben diverse onderzoeken uitgewezen dat er een nadruk-
kelijke wens bestond onder de Arabische bevolkingen naar democratisch bestuur, waarbij
zij in deze wens wereldwijd zelfs hoger scoorden dan in andere delen van de wereld.2 Zo
bleek uit onderzoek, uitgevoerd in 2006 in Jordanië, de Palestijnse gebieden, Algerije,
Marokko en Koeweit, dat meer dan 80 procent van de ondervraagden in elk van deze
landen de stelling onderschreef dat democratie het beste politieke systeem is, ondanks
mogelijke tekortkomingen van dit systeem. Eveneens meer dan 80 procent van de
ondervraagden meende dat politieke hervormingen geleidelijk zouden moeten verlopen.
Gevraagd naar de belangrijkste kenmerken van democratie noemde een aanzienlijk per-
centage het verminderen van inkomensongelijkheid en het voorzien in basisbehoeften.3
Toch heeft deze wens zich in de Arabische wereld (nog) niet vertaald in de vorming van
democratische rechtsstaten. Daarvoor zijn verscheidene oorzaken aan te wijzen. Zo is
betoogd dat dit gebrek aan democratie te wijten zou zijn aan het veronderstelde inherent
autoritaire karakter van de Arabische politieke cultuur, of aan de aard van de islam.4 Beide
opvattingen zijn omstreden.5 Zo is bijvoorbeeld aangevoerd dat er ook moslimlanden zijn
die wel in redelijke mate democratisch zijn, zoals Turkije en Indonesië. Het gebrek aan
democratie leek daarom een specifiek kenmerk van de Arabische wereld te zijn.
Een andere reden die is aangevoerd voor de gebrekkige democratie in de Arabische lan-
den, is de rol van de westerse wereld: daar had men meer belang bij stabiele dictaturen in
de regio dan bij democratisering, omdat daardoor krachten aan de macht konden komen
die destabiliserend zouden kunnen werken.6 Dat zou kunnen leiden tot het vrijkomen van
2    UNDP Arab Human Development Report 2003 (p. 19, verwijzend naar de World Values Survey waarvan
     de gegevens zijn verwerkt in Inglehart, R. (Ed.), 2003 ‘Human values and social change, findings from the
     values surveys’, International studies in Sociology and social anthropology, 2003); Gallup World Poll,
     Special Report: Islam and Democracy, 2006; John L. Esposito and Dalia Mogahed, ‘Who speaks for
     Islam? What a Billion Muslims really think’. New York: Gallup Press, 2007, pp. 47-48.
3    Amaney A. Jamal en Mark A. Tessler, ‘Attitudes in the Arab World’, in Journal of Democracy, volume 19,
     number 1, January 2008, pp. 97-110.
4    Bernard Lewis, ‘What Went Wrong? Western Impact and Middle Eastern Response’, Oxford: University
     Press, 2001.
5    Larry Diamond, ‘Why are there no Arab democracies?’, Journal of Democracy, volume 21, number 1,
     January 2010, pp. 93-104.
6    Sheila Carapico, ‘Foreign aid for promoting democracy in the Arab world’ in: Middle East Journal Vol. 56,
     No. 3 (Summer 2002); Maurits Berger, ‘Kunnen Arabieren, democratie en islam door een deur?’ in:
     Internationale Spectator, januari 2004.
                                                         6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>antiwesterse sentimenten7 en daarnaast zouden eventuele onderlinge conflicten vluchte-
lingenstromen tot gevolg kunnen hebben.8
Het gebrek aan democratie in de regio heeft ertoe bijgedragen dat de oppositie in enkele
gevallen een radicaalislamitische vorm heeft aangenomen, die zich niet alleen tegen de
dictatoriale Arabische regimes keerde, maar ook tegen de steun die deze regimes ontvingen
van het Westen bij de handhaving van de bestaande regimes. Het ondemocratische karak-
ter van veel Arabische regimes werd immers gedoogd door westerse landen, ondanks
de hoge prioriteit die democratisering had in de formulering van het buitenlands beleid.9
President Bush stelde in een toespraak in 2003: ‘Sixty years of Western nations excusing
and accommodating the lack of freedom in the Middle East did not make us safe, because
in the long run, stability cannot be purchased at the expense of liberty. As long as the
Middle East remains a place where freedom does not flourish, it will remain a place of
stagnation, resentment, and violence ready for export’.10
Hoewel er geen garantie is dat nu de weg van de democratisering is ingeslagen, is er
geen reden om de situatie voor te stellen als een keuze tussen enerzijds een stabiel,
maar autoritair regime en anderzijds een democratisch, maar instabiel en islamitisch
regime. In de visie van de AIV is de keuze veeleer tussen de hoopgevende onrust van
hervormingen of de hopeloze angst voor onderdrukking.11 Hervormingen zullen een enorme
inspanning vereisen en daarin moeten Arabische landen worden gesteund.
I.2        Tweede trend: nadruk op de islamitische identiteit
De groeiende nadruk op islamitische identiteit doet zich voor in alle delen van de moslim-
wereld, inclusief in de Arabische regio. Dit verschijnsel wordt niet zozeer opgelegd door de
geestelijken. Integendeel: het zijn juist degenen die niet theologisch geschoold zijn, maar
wel de islam centraal stellen in hun leven en hun samenleving, die het voortouw nemen.
Islamitische welzijnsorganisaties, die al decennia actief zijn, hebben in belangrijke mate
bijgedragen aan de populariteit van de islam. Zij voorzagen in concrete levensbehoeften,
die de staat niet kon vervullen.
De grotere nadruk op de eigen islamitische identiteit speelt op verschillende niveaus.
Ten eerste is de persoonlijke vroomheid van het individu toegenomen. Voor de huidige,
7   Amy Hawthorne, ‘The democracy dilemma in the Arab world: How do you promote reform without
    undermining key United States interests?’ in: Foreign Service Journal, February 2001.
8   Dimitris K. Xenakis, ‘Order and change in the Euro-Mediterranean System’ in: Mediterranean Quarterly
    Vol. 11, No. 1 (Winter 2000).
9   Zie o.a. Gary C. Gambill: ‘Explaining the Arab Democracy Deficit. Part I’, in: Middle East Intelligence
    Bulletin, Vol. 5, No. 2, Feb-March 2003 en ‘Explaining the Arab Democracy Deficit. Part II: American Policy’
    in: Middle East Intelligence Bulletin, Vol. 5, No. 8-9, August-September 2003.
10 Toespraak op 6 november 2003 ter gelegenheid van het 20-jarig bestaan van de National Endowment for
    Democracy.
11 Zie voor soortgelijke bewoordingen de toespraak van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken
    Hillary Clinton op 7 november 2011 voor het National Democratic Institute, waarin zij ingaat op de
    motieven en belangen van de Amerikaanse politiek in de Arabische wereld.
                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>jonge generatie is er sprake van een vanzelfsprekende combinatie van vroomheid en mo-
derniteit. Dit uit zich op allerlei wijzen, variërend van kleding en taalgebruik tot geschei-
den omgang van de seksen en openbare uitingen van vroom gedrag. Het beklemtonen
van de eigen islamitische identiteit houdt in dat men teruggrijpt op de heilige geschriften
en deze zoveel mogelijk toepast in het dagelijkse leven. Men stemt persoonlijke opvattin-
gen en gedrag af op de (eigen interpretatie van de) islam.
De grotere nadruk op de islamitische identiteit is ook waarneembaar in haar maatschap-
pelijke vorm. Zo worden publieke discussies (‘discours’) inmiddels gedomineerd door
de islam. Of men nu spreekt over democratie of mensenrechten, over kleding of sociaal
gedrag, steeds vaker wordt verwezen naar de islam als maatstaf. Daarbij doet het niet
ter zake of de desbetreffende kwestie nu wel of niet typisch islamitisch is en of de islam
tot wezenlijk andere conclusies komt dan seculiere opvattingen: men heeft er heden ten
dage baat bij om argumenten kracht bij te zetten met verwijzingen naar de islam.
Deze nadruk op islamitische vormelijkheid in het publieke domein heeft zowel negatieve
als positieve consequenties. Een voorbeeld van de positieve consequenties is dat zelfs
voorvechters van vrouwenrechten in bepaalde opzichten meer hebben kunnen bereiken
met een islamitische argumentatie, dan met de seculiere argumentatie die zij in de voor-
gaande decennia hebben gebezigd.12 Dit zijn echter uitzonderlijke gevallen: het huidige
islamitische discours is in vele opzichten nadelig voor de positie van vrouwen; de rechten
van vrouwen blijven een punt van zorg.
Aan negatieve zijde ziet men een toenemende nadruk op de islam als publieke moraal: in
het bijzonder kleding, maar ook gedragingen en uitlatingen worden steeds vaker publie-
kelijk – op straat, op het werk, maar ook in de media – beoordeeld op hun islamitische
merites. Een belangrijk punt van zorg in dit opzicht is dat intellectuelen, schrijvers, politici,
filmregisseurs en wetenschappers zijn aangeklaagd wegens onislamitische uitlatingen.
Ook als de beschuldigde niet werd veroordeeld, waren de rechtszaak en de publiciteit
daaromheen voldoende om iemand schrik aan te jagen, aangezien hij of zij te boek kwam
te staan als een afvallige.
Naast de persoonlijke en maatschappelijke vormen van islamitische identiteit, kreeg
deze ook een politieke en juridische vertaling. Sinds de jaren zeventig hebben steeds
meer landen van de Arabische regio in hun grondwetten bepalingen opgenomen waarin
is vastgelegd dat wetgeving op enigerlei wijze gerelateerd moet zijn aan islamitisch recht,
dan wel deze bepalingen aangescherpt. In de meeste Golfstaten was dit al het geval,
maar daar is de nieuwe ontwikkeling dat zij (grond)wetten invoerden terwijl deze staten
eerder geen grondwet kenden. Het feit dat islam staatsgodsdienst is, was in de meeste
Arabische landen al grondwettelijk vastgelegd, maar dat heeft niet in de weg gestaan van
de seculiere en overwegend socialistische politiek die veel Arabische regimes nastreefden.
Deze juridische veranderingen waren vooral bedoeld om de islamitische oppositie de
wind uit de zeilen te nemen. De regimes beseften terdege dat de islamitische organi-
saties aan kracht en achterban wonnen, maar handhaafden hun seculiere beleid en
ontzegden de islamitische organisaties zoveel mogelijk toegang tot het politieke domein.
Slechts schoorvoetend werd het islamitische partijen toegestaan deel te nemen aan het
politieke proces in landen als Marokko, Jordanië en in Jemen. In Egypte is dat altijd
12 Diane Singerman, ‘Rewriting Divorce in Egypt: Reclaiming Islam, Legal activism and Coalition Politics’ in:
    Robert W. Hefner, ‘Remaking Muslim Politics’, Princeton, Princeton University Press, 2005, p. 165 e.v.
                                                      8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>geweigerd aan de Moslimbroeders omdat de wet partijen op religieuze grondslag ver-
bood. De verkiezingszege van de islamitische partij FIS in Algerije in december 1991 was
aanleiding voor het regime om de uitslag van de verkiezingen terzijde te schuiven. Dat
heeft vervolgens geleid tot een bloedige burgeroorlog.
Vanwege deze politieke verhoudingen heeft men nimmer een duidelijk inzicht kunnen
krijgen in wat de aanhang van islamitische partijen zou zijn als zij wel zouden deelnemen
aan vrije en eerlijke verkiezingen. Dat veranderde met de verkiezingen van 2011-2012
in Egypte, Marokko en Tunesië, waarin politieke partijen met een islamitische signatuur
eclatante verkiezingszeges hebben behaald. In Egypte behaalde de Freedom and Justice
Party 47 procent van de zetels van het parlement en 58 procent van de zetels in het Ho-
gerhuis, terwijl de salafistische Al-Nour partij in beide huizen van het parlement 25 pro-
cent van de zetels won. In Tunesië behaalde de gematigde Ennahda partij 41 procent van
de stemmen en in Marokko behaalde de Parti de la Justice et du Développement
27 procent van de zetels.
Ofschoon wel is betoogd dat de ‘politieke islam’ heeft gefaald, aangezien het opleggen
van een islamitisch theocratisch regime (naar het voorbeeld van Iran) geen navolging
heeft gekregen,13 is inmiddels wel duidelijk dat ‘politieke islam’ een andere betekenis
heeft gekregen dan het vestigen van een theocratische staat als Iran: het gaat om het
bereiken van islamitische doelstellingen via de weg van de democratie. Of, en in hoeverre,
dat kan leiden tot een uitholling van het democratisch systeem, of dat het juist zijn
beslag kan krijgen in een vorm vergelijkbaar met de Europese christendemocratische par-
tijen, is op dit moment niet duidelijk. Niettemin valt op dat de islamitische identiteit geen
grote eigen rol speelde in de politieke omwentelingen van 2011. Het doel van die omwen-
telingen was het verdrijven van dictatoriale regimes, maar er werden zelden islamitische
slogans gebruikt en er was geen eis tot invoering van de sharia. De islamitische identiteit
speelt echter weer wel een toenemende rol bij het in gang zetten van het democratisch
proces. Dat is ook verklaarbaar: immers, de islamitische identiteit speelt al lange tijd een
belangrijke rol in het dagelijks en maatschappelijk leven van veel mensen in de Arabische
wereld en dat zal zijn uitdrukking krijgen via democratische processen.
Het voorgaande wil niet zeggen dat er een enkelvoudige, monolithische vorm en interpre-
tatie bestaat van de islam. Integendeel, binnen de islam bestaat een veelheid aan opvat-
tingen, variërend van zeer conservatief tot zeer liberaal. Eén van deze opvattingen is het
‘post-Islamisme’, dat zich kenmerkt door een alomvattende en liberale kijk op de maat-
schappij, waarbij tolerantie en pluralisme centraal staan.14 Maar ook de conservatieve
en intolerante varianten hebben veel aanhangers. Dat hebben de uitslagen van de ver-
kiezingen in Tunesië en Egypte uitgewezen. Weliswaar hebben de grote winnaars, de con-
servatieve Moslimbroeders (Egypte) en de Ennahda partij (Tunesië), benadrukt dat zij een
pluriforme en democratische staat nastreven, maar intolerante moslims voelen zich aan-
gemoedigd door hun verkiezingszege. Steeds vaker komen er berichten van zeer conser-
vatieve en intolerante moslims – de zogenoemde ‘salafisten’ – die met enige regelmaat
personen lastig vallen die gedrag vertonen dat hen onwelgevallig is, zoals het dragen van
korte rokken of geen hoofddoek. Zij lijken dat straffeloos te kunnen doen, terwijl acties en
betogingen van seculiere zijde vaak door de overheid worden beperkt of verboden.
13 Olivier Roy, ‘The Failure of Political Islam’, I.B. Taurus & co. Ltd, Londen, 1998.
14 Asef Bayat, ‘Making Islam Democratic. Social Movements and the Post-Islamist Turn’, Stanford, Stanford
    University Press, 2007.
                                                           9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>Al in 2006 heeft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in zijn rap-
port ‘Dynamiek van het islamitisch activisme’ gewezen op de diversiteit van de islamitische
identiteit in de moslimwereld en geadviseerd om deze niet als geheel af te wijzen, maar
vooral met die vormen van islamitisch activisme in dialoog te gaan die openingen bieden
voor bevordering van mensenrechten en democratisering. In het rapport wordt nadrukke-
lijk betoogd dat alle stromen onderdeel zijn van het nieuwe politieke landschap en
daarvan dus niet uitgesloten kunnen worden. De regering heeft in haar reactie op het
rapport van de WRR gesteld dat de afweging in de praktijk moet zijn: ‘is samenwerking
met / steun aan deze specifieke organisatie bevorderlijk voor het doel, of in elk geval daar-
mee niet strijdig. Uiteraard vallen islamitische organisaties dan niet a priori af. Niet alleen
om de principiële reden dat de Nederlandse overheid geen onderscheid maakt tussen
religies, maar ook omdat ‘de islam’ niet in algemene zin haaks staat op acceptatie van
democratie en mensenrechten’.15
15 Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2006-2007, 30800 VI, nr. 115.
                                                  10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>II        Maatschappelijke achtergronden en verschillen
II.1      De jeugd in de Arabische regio
Hierboven is aangegeven dat de twee trends samenhangen met een aantal binnenlandse
ontwikkelingen. De jeugd is hier een belangrijke exponent van. Zij vertegenwoordigt een
nieuwe generatie van relatief goed opgeleide, maar veelal werkloze jongeren, die meer
zeggenschap wenst over het bestuur van het land en zelf wil bepalen hoe men zijn eigen
leven leidt, maar die de politieke en economische middelen ontbeert om daaraan invulling
te geven. Deze generatie is het product van een samenloop van drie ontwikkelingen gedu-
rende de laatste decennia: demografische veranderingen, verbeteringen in het onderwijs-
niveau en stagnerende werkgelegenheid.
Sinds het midden van de vorige eeuw is de kindersterfte in de Arabische regio aanzien-
lijk gedaald, mede vanwege de verbeterde kwaliteit van de gezondheidszorg. Geleidelijk
daalde ook de vruchtbaarheid, waardoor het percentage jongeren nu op een hoogtepunt
is en naar verwachting de komende decennia niet meer zal toenemen. Momenteel is ruim
40 procent van de bevolkingen van Algerije, Libanon, Libië, Marokko en Tunesië jonger
dan 25 jaar en in Egypte, Jordanië en Syrië ligt dat boven de 50 procent. In Jemen en de
Bezette Gebieden is het percentage van de bevolking dat jonger is dan 25 jaar ruim boven
de 60 procent.
Deze demografische ontwikkeling leidde in de jaren zeventig van de vorige eeuw tot een
grote toestroom op de arbeidsmarkt. De stijging van het aantal toetreders werd versterkt
doordat de arbeidsparticipatie van vrouwen toenam, al is de arbeidsparticipatie van vrou-
wen in de Arabische regio nog steeds veel lager dan in andere delen van de wereld. De
werkgelegenheid bleef achter bij de hoge instroom van jongeren op de arbeidsmarkt, zodat
de werkloosheid groeide, vooral onder nieuwe toetreders. In Egypte, Jordanië, Libanon,
Marokko en Syrië varieerde de werkloosheid onder jongeren van 15-24 jaar in de periode
2007-2009 van 19 procent tot 27 procent. De jeugdwerkloosheid is in de meeste landen
van de Arabische regio veel hoger dan de werkloosheid onder ouderen. Meer dan de helft
van de werklozen is jonger dan 25 jaar. In de Bezette Gebieden is de werkloosheid onder
personen jonger dan 30 jaar 43 procent. Hierbij dient te worden opgemerkt dat verschil-
lende vormen van verborgen werkloosheid in de Arabische regio veel voorkomen en dat
genoemde cijfers de werkloosheid in brede zin dus sterk onderschatten.16
De landen in de Arabische regio hebben de afgelopen decennia veel geïnvesteerd in on-
derwijs. Zo steeg de deelname aan tertiair onderwijs van 1980 tot 2009 in Jordanië van
15 procent naar 42 procent, in Libanon van 30 procent naar 53 procent, in Marokko van
5 procent naar 13 procent en in Tunesië van 5 procent naar 34 procent. Daardoor zijn het
vooral de jongeren die een hogere opleiding hebben genoten en de ouderen die analfabeet
zijn. In de meeste landen van de regio is de alfabetiseringsgraad onder jongeren hoger dan
90 procent. In Tunesië, Libanon, Jordanië, Libië en de meeste Golfstaten komt analfabe-
tisme onder jongeren zelfs nauwelijks meer voor.
In de Golfstaten verschilt de demografische situatie in een aantal opzichten van het hier-
boven geschetste beeld. Het aandeel jongeren (tot 25 jaar) ligt daar gemiddeld lager en
16 UNDP, Arab Human Development Report 2009, p. 111.
                                              11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>varieert van 25 procent in Bahrein tot 49 procent in Oman. Verder telt een aantal Golf-
staten soms meer buitenlandse werknemers dan werknemers van eigen bodem. Zo telde
Qatar in 2007 zelfs 12,5 keer zoveel buitenlandse werknemers als werknemers met de
Qatarese nationaliteit. In Koeweit waren er in 1999 en 2000 ongeveer vijf keer zoveel
buitenlandse werknemers als lokale werknemers. Aangezien buitenlandse werknemers
het land veelal (moeten) verlaten als ze werkloos zijn, drukt dat het gemiddelde werkloos-
heidscijfer aanzienlijk.
De demografische veranderingen, de verbeteringen in het onderwijsniveau en de stagne-
rende werkgelegenheid hebben ertoe bijgedragen dat een omvangrijke groep mondige
jongeren is ontstaan, die ontevreden is over de economische en politieke situatie in hun
land. Waar de voorgaande generatie zich nog enigszins dociel opstelde tegenover het re-
gime, zijn de jongeren veel opstandiger. Hun kennis over zowel de binnenlandse situatie
als internationale ontwikkelingen is – mede dankzij het internet en satellietzenders – ook
vele malen groter dan die van de vorige generatie en zij hebben daardoor ook uitgespro-
ken opvattingen over de veranderingen die volgens hen doorgevoerd moeten worden.
II.2      De positie van vrouwen in de Arabische regio
De Arabische wereld kent een lange traditie van discussie over vrouwenemancipatie.
Ook deze traditie is opgenomen in (of overgenomen door) de trend van de islamitische
identiteit: steeds meer worden vrouwenrechten besproken vanuit de optiek van de islam.
Islamitische vrouwen zijn daarin op diverse terreinen zeer strijdbaar en effectief gebleken,
vooral op het gebied van onderwijs, maar ook op het gebied van politieke participatie en
andere mensenrechten. Vrouwen, ongeacht hun religieuze opvattingen, speelden ook een
belangrijke rol in de revoltes, als leiders en als demonstranten.
Bij het neerslaan van de demonstraties hebben de vrouwen het vaak ook extra hard te
verduren gehad: in Egypte werden gearresteerde vrouwen onderworpen aan een ‘maag-
delijkheidstest’ (met de onderliggende suggestie dat een maagdelijke vrouw ongetrouwd is
en thuis behoort te zitten in plaats van zich te midden van mensenmenigten te bewegen) en
uit Syrië komen onbevestigde rapporten van grootschalige verkrachtingen van gearresteerde
vrouwelijke demonstranten. Van de meer radicaalgeoriënteerde islamisten zijn gevallen
bekend dat zij de aanwezigheid van vrouwen in het maatschappelijke en politieke domein
onwenselijk vinden: met name in Tunesië dat, anders dan de meeste Arabische landen,
uitgesproken seculier was, hebben incidenten plaatsgevonden waarin salafisten zich
uitspraken tegen ‘onislamitische’ kleding en voor scheiding van de seksen op openbare
plaatsen.17
In zijn toespraak voor een ‘high-level meeting on Reform and Transitions to Democracy’
op 15 januari 2012 in Beiroet legde de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties de
nadruk op de rol van de vrouwen in de revoltes, en de positie die zij daarmee hebben
verworven in de nieuwe democratische processen: ‘[ ] .. women must be at the centre
of the region’s future. Women stood in the streets and squares demanding changes. They
now have a right to sit at the table, real influence in decision-making and governance.
Protection from violence, intimidation and abuse is a fundamental matter of human dignity
17 In november 2011, bijvoorbeeld, hebben honderden ‘salafistische’ studenten de faculteit der
    geesteswetenschappen van de Manouba Universiteit (nabij Tunis) bezet en de decaan korte tijd gegijzeld om
    te eisen dat vrouwelijke studenten de volledige gezichtssluier (niqab) zouden dragen en dat mannelijke en
    vrouwelijke studenten gescheiden les zouden krijgen.
                                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>and equality. Sexual violence, discrimination, violence against women are not acceptable.
More, they are universal rights. They are not, as some may claim, values that are ‘imposed’
from outside. The deficit in women’s empowerment has held back the Arab region for too
long. Change is not merely necessary, it is essential, and there must be changes. There can
be no democracy worthy of the name without women’.
Al in het Arab Human Development Report 2005 ‘Towards the Rise of Women in the Arab
World’ kwam de rol van vrouwen in maatschappelijke en politieke processen in de Ara-
bische wereld aan de orde. Binnen de dynamiek van de islamitische identiteit hebben
vrouwen daarin ook zeker hun weg gevonden. De AIV maakt zich zorgen dat uitsluitend
vrouwen die zich nadrukkelijk een islamitische identiteit aanmeten, een dergelijke rol zou-
den mogen spelen. Bovendien is de AIV ook bezorgd over het verschijnsel dat Arabische
vrouwen die, ongeacht hun religieuze voorkeuren, actief en enthousiast hebben deelgeno-
men aan deze omwentelingen en daarmee een nieuwe weg gebaand lijken te hebben voor
deelname aan de toekomstige maatschappij, door religieus gemotiveerde groeperingen
belemmerd worden een rol te spelen in maatschappelijke en politieke processen. Deze
groeperingen zijn weliswaar in de minderheid, maar zij maken gebruik van de nieuwe situ-
atie om hun mening te ventileren en zien zich daarin gesteund door het electoraal gewin
van islamitische partijen. Anderzijds is er in een aantal Arabische landen een aanzienlijk
aantal hoog opgeleide en economisch zelfstandige vrouwen. Het is te verwachten dat zij
hun maatschappelijke positie niet zonder slag of stoot zullen opgeven.
                                               13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>III        Democratie en mensenrechten
III.1      Islam en democratie
In de jaren negentig verscheen een groot aantal artikelen over de relatie tussen islam en
democratie. Islam, zo werd door enkele vooraanstaande auteurs betoogd, verhoudt zich
slecht tot het begrip democratie. Het beklemtonen van de islamitische identiteit in de
moslimwereld werd daarom aangemerkt als een obstakel voor democratisering.18
Diverse onderzoeken hebben ondertussen echter aangetoond dat het syllogisme ‘Arabische
landen zijn niet democratisch; Arabische landen zijn islamitisch; dus islam is niet demo-
cratisch’ niet opgaat. Steeds vaker wordt betoogd dat islam en democratie goed kunnen
samengaan. Dit wordt gesteld door een veelheid aan islamitische intellectuelen en ook
uit de eerder genoemde enquêtes onder Arabische bevolkingen is gebleken dat deze
mening breed wordt gedragen. Er zijn westerse wetenschappers – die vooral een politiek-
sociologische benadering hanteren – die vaststellen dat de wens tot democratie juist
een belangrijk element is in de politiek-islamitische bewegingen.19 De roep om vrijheid
en deelname aan bestuur, maar ook om eisen aan regeringen als verantwoordingsplicht
en transparantie zijn typisch voor veel moslimbewegingen.
Moslimwetenschappers hebben geschreven over de ‘islamitische democratie’20 en het
onderwerp werd – en wordt nog steeds – uitvoerig besproken in de media. Vooral discussie-
programma’s op Arabische satellietzenders hebben hierbij een voortrekkersrol. Van be-
lang is om vast te stellen dat ‘islamitische democratie’ geen bestaand model is, maar
een concept dat nog in staat van ontwikkeling verkeert. In landen als Maleisië, Turkije
en Indonesië, waar de overgrote meerderheid van de bevolking moslim is, zijn al geruime
tijd democratiseringsprocessen gaande waarbij de islam een belangrijke rol speelt. In de
Arabische regio worden deze landen overigens niet zonder meer gezien als voorbeelden
voor de eigen politieke ontwikkeling. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de mensen-
rechtensituatie, die een onlosmakelijk onderdeel vormt van een democratie, in landen als
Maleisië, Turkije en Indonesië tekorten laat zien, ondanks de democratisering.
In het licht van de huidige ontwikkelingen kan men thans aangaande de relatie tussen
18 Bijvoorbeeld: ‘Islam offers (…) worst prospects from political perspective’ (Bernard Lewis, ‘Islam and
    Liberal Democracy’ in: The Atlantic Monthly, Februari 1993). ‘Islam prevents the emergence of a civil
    society’ (Ernest Gellner: ‘Conditions of Liberty: Civil Society and its Rivals’, London: Hamish Hamilton,
    1994). ‘Islam fosters an essentially illiberal political culture’ (Samuel P. Huntington, ‘The Clash of
    Civilizations and the Remaking of the World Order’, New York: Simon and Schuster, 1996).
19 John L. Esposito and John O. Voll, ‘Islam and Democracy’, New York: Oxford University Press, 1996;
    R. Brynen, B. Korany and P. Noble (eds.) ‘Political Liberalization & Democratization in the Arab World’,
    Boulder: Lynne Rienner, 1995; Larry Diamond, Marc F. Plattner en Daniel Brumberg, ‘Islam and
    Democracy in the Middle East’, John Hopkins University Press, 2003.
20 Ibidem. Maar zie bijvoorbeeld ook: Ali R. Abootalebi, ‘Islam, Islamists, and Democracy’, in: Middle East
    Review of International Affairs, Vol. 3, Nr. 1, (maart 1999); Khaled Abou El-Fadl, ‘Islam and the Challenge
    of Democracy’ in: Boston Review April-May 2003; Radwan Masmoudi, ‘The silenced majority’, in:
    Journal of Democracy, vol. 14, Nr. 2 (april 2003); Mumtaz Ahmad, ‘Islam and Democracy, the emerging
    consensus’ IslamOnline, 2002 (http://islamonline.net/english/Contemporary/2002/article15.shtml).
                                                         14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>islam en democratie verschillende visies onderscheiden. Ten eerste zijn er moslims die
op theologische gronden menen dat de islam democratie niet toestaat. Vervolgens zijn
er diegenen die menen dat islam en democratie wel samengaan, maar alleen in de vorm
van een theocratie waarin islam allesbepalend is. Ten slotte zijn er die menen dat islam
en democratie twee wezenlijke voorwaarden zijn voor een menselijk bestaan als moslim.
Welke van deze zienswijzen de boventoon zal gaan voeren in de komende jaren en welke
vormen die zal aannemen, is nog ongewis. Dat kan bovendien per land verschillen.
Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de Arabisch-islamitische roep om democratie
zich niet noodzakelijkerwijs hoeft te vertalen in democratische modellen zoals het Westen
die kent. Het begrip democratie is breder dan het Nederlandse model of de diverse wes-
terse stelsels. Democratie is niet beperkt tot het regelmatig houden van verkiezingen.
Een democratie dient ook de burgerlijke en politieke vrijheden van haar burgers te ga-
randeren. Er zijn electorale ‘democratieën’ die weinig vrijheid kennen, zogeheten illiberal
democracies.21 Omgekeerd bestaat de mogelijkheid van een ‘verlichte dictatuur’, dat
wil zeggen een overheid die niet democratisch is verkozen, maar wel – al dan niet onder
druk – geleidelijk ruimte biedt voor uitbreiding van vrijheden. Ook zijn er democratieën
die eenzijdig de nadruk leggen op politieke vrijheden, maar in de praktijk weinig feitelijke
vrijheid realiseren doordat grote sociaaleconomische ongelijkheid de democratische par-
ticipatie voor een groot deel van de bevolking nagenoeg onmogelijk maakt.
Er zijn derhalve basisvoorwaarden die aan elke democratie gesteld kunnen – en moeten –
worden. Om van een echte democratie te spreken zoals bedoeld wordt met de waarde
van democratisering, dient een stelsel van instellingen te worden ontwikkeld dat het in
een open samenleving de burgers mogelijk maakt volop te participeren en dat tevens
diverse vormen van machtsmisbruik beperkt door een stelsel van tegenwichten. Demo-
cratie betekent dus niet de dictatuur van de meerderheid. De bekende politicoloog Robert
Dahl spreekt van ‘polyarchie’. Dit omvat vele elementen: niet alleen algemeen actief en
passief kiesrecht, maar ook dat verkiezingen vrij zijn en eerlijk verlopen; dat macht vreed-
zaam wordt overgedragen; dat er vrijheid van vereniging is; dat er vrije meningsuiting is;
dat er een veelheid van onafhankelijke informatiebronnen is, die toegankelijk zijn voor
allen. Overheidsbeleid hangt af van verkiezingen en de regering moet het vertrouwen
hebben van de gekozen volksvertegenwoordiging. Bescherming van minderheden en non-
discriminatie zijn eveneens essentieel.22 De AIV heeft als belangrijk punt van zorg dat in
het nieuwe, democratische enthousiasme van Arabische landen het begrip democratie
uitgelegd zou kunnen worden als de macht van de meerderheid, zonder dat de rechten
van minderheden en oppositionele groeperingen worden gegarandeerd.
De westerse democratieën hebben zich ontwikkeld uit de absolute monarchieën en theo-
cratische ideologieën via een veelheid van wegen. Die ontwikkeling heeft in veel landen
ruim een eeuw geduurd en is nog niet in alle westerse landen voltooid. Bewustheid van
die ontwikkeling komt van pas bij de beoordeling van kansen voor democratisering van
landen met islamitische meerderheden. In Turkije, Indonesië en Maleisië vindt demo-
cratisering plaats, die verschillende wegen is ingeslagen. Ofschoon dit lovenswaardige
ontwikkelingen zijn, beziet de AIV ze ook met enige zorg. Vooral de rol van minderheden
en mensenrechten staat in deze landen regelmatig onder druk en de islam lijkt daarbij
21 Fareed Zakaria, ‘The rise of Illiberal Democracy’, in: Foreign Affairs, Vol. 76, No. 6 (November-December,
    1997), pp. 22-43.
22 Robert Dahl, ‘Democracy and its Critics’, New Haven: Yale University Press, 1989.
                                                       15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>vaak een belangrijk argument te zijn. De Arabische landen zullen nu ook hun eigen weg
naar democratie en respect voor mensenrechtennormen moeten vinden, maar zij zouden
daarbij hun voordeel kunnen doen door te leren van anderen. Omdat er een enorme ge-
voeligheid bestaat in de Arabische wereld voor vermeende inmenging of bemoeienis van
de westerse wereld, zouden zij wellicht meer genegen zijn om lering te trekken uit de
democratiseringsprocessen die plaatsvinden bij hun medemoslimlanden, maar ook bij
de voormalige dictaturen in Zuid-Amerika en Oost-Europa. Nederland zou kunnen bevor-
deren dat landen waar in het recente verleden democratiseringsprocessen op gang zijn
gekomen, hun ervaringen met elkaar delen.
III.2     Mensenrechten
De politieke veranderingen in met name Egypte en Tunesië hebben geleid tot meer zeg-
genschap voor de bevolking. De politieke rechten zijn toegenomen. De vrijheid van me-
ningsuiting en de persvrijheid zijn eveneens groter dan voor de revoltes, al zijn er nog
steeds tekortkomingen. Niettemin kan niet worden uitgesloten dat de rechten van speci-
fieke groepen zullen verslechteren. In een aantal Arabische landen zijn inmiddels parle-
mentsverkiezingen gehouden, die hebben geleid tot een aanzienlijke vertegenwoordiging
van islamitische partijen in de parlementen van deze landen. Over hun opvattingen over de
verhouding tussen mensenrechten en sharia is nog onvoldoende bekend. Hierbij dient
aangetekend te worden dat conservatieve en moralistische opvattingen niet het exclusie-
ve domein zijn van islamitische partijen; deze opvattingen worden door brede lagen van
de Arabische samenlevingen gedragen. In hoeverre noties als pluralisme, democratie,
rechtsgelijkheid en tolerantie hun beslag zullen krijgen, is daarom niet alleen voorbehou-
den aan de islamitische partijen, maar aan de samenlevingen als geheel. Het is daarom
thans te vroeg om de balans op te maken van de betekenis van de ontwikkelingen in de
Arabische regio voor de mensenrechtensituatie.
Wel kan reeds uitgegaan worden van de mensenrechtenverdragen waar Arabisch-islamitische
staten zich aan hebben gecommitteerd. In bijlage II is aangegeven welke Arabische landen
partij zijn bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, het
Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, het Verdrag
inzake Rechten van het Kind en het Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van
Discriminatie van Vrouwen. Landen die partij zijn bij een verdrag kunnen door andere par-
tijen bij deze verdragen aangesproken worden op hun verdragsverplichtingen. Diverse
Arabische landen hebben echter voorbehouden gemaakt op bepaalde verdragsbepalin-
gen, waarbij zij de toepasselijkheid van de verdragsbepalingen soms ondergeschikt maken
aan de verenigbaarheid met de sharia of de islam, of het islamitisch recht. Echter, geen
van de landen heeft deze termen gedefinieerd, noch in de voorbehouden, noch in natio-
nale (grond)wettelijke bepalingen. Veel van deze voorbehouden hebben betrekking op het
familierecht, in het bijzonder op de positie van de vrouw. Dat betekent dat er sprake is
van begrippen die openstaan voor meerderlei uitleg. Daardoor houdt een wetgever of
regime de handen vrij om zelf te interpreteren wat die sharia inhoudt.
Naast het feit dat veel Arabische landen partij zijn bij internationale mensenrechten-
verdragen, is er in de moslimwereld een aantal pogingen ondernomen om zogenoemde
‘islamitische’ mensenrechten te formuleren. De meest bekende is de Caïro-Verklaring
van 1990, opgesteld door de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC), die
56 landen met een moslimbevolking verenigt. De Caïro-Verklaring heeft geen bindende
werking, maar verdient wel nadere aandacht omdat deze inzicht geeft in mogelijke denk-
wijzen desbetreffende ‘islamitische mensenrechten’. Op drie belangrijke punten wijkt
de Caïro-Verklaring af van de mensenrechten zoals vastgelegd in verdragen. Ten eerste
                                                16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>wordt gelijkheid voornamelijk gezien in termen van ‘menselijke waardigheid’ in plaats
van rechten.23 Ten tweede wordt de sharia – die wederom niet wordt gedefinieerd – als
maatstaf gebruikt voor de beperking van vrijheden als meningsuiting en beweging.24 Ten
derde worden in bepaalde bepalingen specifieke gronden van non-discriminatie, die wel
in internationale mensenrechtenverdragen zijn vermeld, weggelaten.
Een voorbeeld is het artikel over de vrijheid van huwelijk.25 Het huwelijk mag niet be-
perkt worden op grond van ‘ras, kleur of nationaliteit’, maar het desbetreffende artikel
laat nadrukkelijk na om ook ‘religie’ te vermelden. Volgens islamitisch recht mag een
moslima niet met een man trouwen die geen moslim is. Soortgelijke omissies komen
ook voor in een andere verklaring van de OIC, namelijk die van de Rechten van het Kind
(2004), dat nalaat om een leeftijd te vermelden voor minderjarigheid (wat zeker van
belang is in gevallen van straf- en huwelijksrecht). Deze verklaring ontwijkt derhalve de
principiële vraagstukken over gelijkheid van man en vrouw, gelijkheid van burgers, vrij-
heid van meningsuiting en de vrijheid om zelf invulling aan religie te geven of van religie
te veranderen. Ofschoon deze verklaringen geen rechtskracht hebben, acht de AIV deze
in de context van de huidige ontwikkelingen problematisch, aangezien deze door nieuwe
regeringen met islamitische signatuur nagevolgd zouden kunnen worden.
Indien Arabische regeringen zich nadrukkelijk zouden willen laten leiden door een con-
servatieve interpretatie van de politiek-juridische beginselen van de islam, is er naar het
oordeel van de AIV een zeker risico dat zich bij de volgende vier mensenrechten problemen
voordoen: verbod op discriminatie op grond van geslacht, verbod op discriminatie op
grond van religie, vrijheid van meningsuiting en enkele strafrechtelijke bepalingen. De
reden dat juist deze vier terreinen problematisch zullen zijn, is gelegen in het feit dat zij
behoren tot het kleine aantal regels dat nadrukkelijk staat vermeld in de Koran. Volgens
de islam zijn de Koranische regels onveranderlijk, in tegenstelling tot andere regels van
het islamitisch recht, waarin aanpassingen wel degelijk mogelijk zijn, en uitgerekend een
aantal van deze regels is strijdig met internationale mensenrechtennormen. Dit risico
doet zich alleen voor waar Arabische regeringen zich zouden willen laten leiden door der-
gelijke interpretaties van de islam.
De AIV tekent daarbij aan dat de implementatie van mensenrechtenverdragen primair
een nationale aangelegenheid is, al heeft de internationale gemeenschap een belang-
rijke rol bij het toezicht op de naleving van mensenrechtennormen. Mensenrechten zijn
universeel, maar dat wil niet zeggen dat ze overal uniform moeten worden toegepast.
Het internationaal recht staat landen een zekere beleidsvrijheid toe bij de implementatie
van mensenrechtennormen. Deze beleidsvrijheid is afhankelijk van de ruimte die interna-
tionale verdragen en bijbehorende toezichtmechanismen bieden. Binnen deze context is
23 Bijvoorbeeld: artikel 1 ‘(…) All men are equal in terms of basic human dignity and basic obligations and
    responsibilities, without any discrimination on the grounds of race, colour, language, sex, religious belief,
    political affiliation, social status or other considerations’ en artikel 6: ‘Woman is equal to man in human
    dignity, and has rights to enjoy as well as duties to perform’.
24 Bijvoorbeeld: artikel 12: ‘Every man shall have the right, within the framework of Shari’ah, to free
    movement (…)’ en artikel 22: ‘Everyone shall have the right to express his opinion freely in such manner
    as would not be contrary to the principles of the Shari’ah’.
25 Artikel 5: ’(…) Men and women have the right to marriage, and no restrictions stemming from race, colour
    or nationality shall prevent them from enjoying this right.’
                                                          17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>er voor staten dus ook ruimte om mensenrechtennormen te implementeren op een wijze
die is geïnspireerd door de islam. Ook tussen landen van de Europese Unie bestaan ver-
schillen in implementatie van mensenrechtennormen. De AIV onderschrijft in dit verband
de reactie van de regering op het AIV-advies ‘Universaliteit van de Rechten van de Mens;
principes, praktijk en perspectieven’ van november 2008: ‘Terecht laat het internationale
recht de ruimte voor cultuurbepaalde invullingen van meer perifere onderdelen van het
mensenrechtenacquis. Tegelijkertijd moet ervoor worden gewaakt dat lokale tradities en
gewoonten (…) worden gehanteerd als excuus om fundamentele rechten hun gelding te
ontzeggen en kernelementen van het mensenrechtenacquis tijdelijk of permanent ter-
zijde te schuiven’.
Gezien de toenemende invloed van de islam als gevolg van de huidige democratiserings-
processen is de AIV van mening dat de mensenrechtensituatie in de Arabische wereld
eens te meer nauwlettend moet worden gevolgd en dat landen moeten worden gewezen
op de nakoming van universele mensenrechten en, daarbovenop, de verdragsverplich-
tingen die zij zijn aangegaan. Daarbij is het tevens zaak alert te zijn op de spanning die
tussen beide kan bestaan, nu veel Arabische landen voorbehouden hebben gemaakt
inzake de ondergeschiktheid van verdragsartikelen aan de sharia. Deze voorbehouden
zijn soms in strijd met universele mensenrechten en soms ook met de geest van het
desbetreffende verdrag. Dit alles dient om te voorkomen dat interpretaties van de islam
die strijdig zijn met universele mensenrechten en verdragsverplichtingen de boventoon
gaan voeren. Tegelijkertijd is het voorbarig om islamitische invloeden op mensenrechten
bij voorbaat af te wijzen. Binnen het islamitisch discours zijn diverse discussies gaande
waarvan sommige juist vanuit de islam komen tot opvattingen van mensenrechten die
overeenkomen met de internationale opvattingen.
III.3     Rechtsstaat
Een belangrijke voorwaarde voor het slagen van democratie en respect voor mensen-
rechten is een goed functionerende rechtsstaat. Die kenmerkt zich in het bijzonder door
rechtsgelijkheid, een onafhankelijke rechterlijke macht, vrije toegang tot die rechterlijke
macht en een eerlijke procesgang. Landen als Egypte, Marokko en Tunesië hebben een
traditie van een redelijk functionerende en tamelijk onafhankelijke rechterlijke macht. In
landen als Libië en Syrië ontbreekt deze onafhankelijkheid en zal deze moeten worden
opgebouwd. Datzelfde geldt ook voor de Golfstaten, waar overigens de zakenwereld zijn
toevlucht zoekt tot vormen van internationale arbitrage waar meer belang aan wordt ge-
hecht dan aan de lokale rechtsgang.
Ondersteuning door derde landen kan een belangrijke factor zijn bij de versterking van
de rechtsstaat. In een ander land met een moslimmeerderheid, namelijk Indonesië,
heeft Nederlandse juridische assistentie grote invloed gehad. Pompe stelt daarover het
volgende: ‘De rechterlijke macht, de hoeksteen van de democratische rechtsstaat na
1998, is door Nederland bepalend beïnvloed. Ook dat is in Nederland nauwelijks be-
kend. De voornaamste wetgeving inzake rechterlijke onafhankelijkheid en anticorruptie
na 1998 is met Nederlandse financiering gerealiseerd. Minstens vier sleutelwetten sinds
1998 zijn direct gefaciliteerd door Nederlandse ontwikkelingssamenwerking: de Wet voor
de Anti-Corruptierechtspraak, de Anti-Corruptie Commissie, de Raad voor de Rechtspraak
en de Handelskamer’.26
26 Sebastiaan Pompe, ‘Goed bestuur en juridische ontwikkelingssamenwerking in Indonesië’, in Liberaal
    Reveil jaargang 51, nummer 1, 2010, pp. 11-21.
                                                   18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Sinds twee decennia bestaan er uitgebreide programma’s waarin het Westen bijdraagt
aan de opleiding van de rechterlijke macht en – in mindere mate – de advocatuur in de
Arabische wereld. De AIV hecht eraan dat deze programma’s worden voortgezet of zelfs
worden uitgebreid teneinde de lokale kennis over rechtsstatelijkheid en mensenrechten
te behouden en liefst ook te vergroten. Vooral kennis over de werking van mensen-
rechtenverdragen is hierbij van belang: immers, de ratificering van dergelijke verdragen
lijkt vaak ingegeven te worden door politieke overwegingen, terwijl de juridische conse-
quenties daarvan niet altijd onder ogen worden gezien.
Een probleem in bijna alle Arabische landen is de grote macht van de geheime diensten.
Deze zijn vooral sterk geworden in de jaren zeventig, en mede vanwege de aanslagen
van militante islamitische organisaties in de jaren negentig zijn deze diensten enorm ont-
wikkeld en uitgebreid. De activiteiten van deze diensten onttrekken zich in het algemeen
aan de civiele rechtsgang. Hoewel de westerse landen hier consequent over rapporteer-
den in hun jaarlijkse mensenrechtenrapporten, hebben westerse diensten regelmatig
samengewerkt met hun Arabische collega’s in de strijd tegen het terrorisme. Veel van
de islamisten die zijn aangesloten bij de partijen die de recente verkiezingszeges heb-
ben behaald, hebben te maken gehad met deze diensten en hebben vaak ook tijd door-
gebracht in de gevangenis – soms met een veroordeling, maar vaak ook zonder vorm
van proces. Het is onwaarschijnlijk dat deze diensten ontmanteld zullen worden; de AIV
maakt zich daarom grote zorgen dat het voortbestaan van deze diensten in hun huidige
vorm zal bijdragen aan het bij voorbaat falen van een functionerende rechtsstaat. Zij die-
nen onder civiel toezicht en behoorlijke wettelijke regelingen te worden gebracht, mede
om het respect voor de rechten van de mens te bevorderen. Datzelfde geldt voor de
strijdkrachten, al hebben die in de verschillende landen uiteenlopende rollen gespeeld in
de revoltes.
                                             19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>IV       Regionale context
IV.1     Diversiteit
Er zijn aanmerkelijke verschillen tussen Arabische landen in de mate waarin zij politieke
hervormingen doormaken. Om de enorme diversiteit aan ontwikkelingen te illustreren
volgen hier enkele kenschetsen, zonder de pretentie dat deze een volledig beeld schetsen
van de situatie in de verschillende landen, dan wel een uitputtend overzicht geven van de
bestaande diversiteit.
Sommige landen, zoals Egypte en Tunesië, zijn staten in transitie die, na een opstand
tegen een autocratisch regime, stappen zetten naar democratische hervormingen en een
rechtsstaat, al is dat proces nog lang niet voltooid en is de uitkomst onzeker. Onderlinge
verschillen tussen verschillende groepen werden genegeerd in de gezamenlijke strijd tegen
het regime. In deze twee landen komen de genoemde trends het sterkst tot uitdrukking.
In Libië werden onderlinge verschillen tussen stammen in de strijd tegen Ghadaffi (tijdelijk)
opzij gezet, maar lijkt de stammenstrijd nu op te laaien. Ook in Jemen lijken tegenstellin-
gen tussen stammen de vorming van een stabiele democratische rechtsstaat in de weg te
staan. De aanwezigheid van Al-Qaeda in het zuiden werkt hierbij zonder meer destabilise-
rend. De vraag is of er met instandhouding van een sterk tribale structuur niettemin ruimte
is voor een bijzondere vorm van democratie.
Jordanië, Koeweit, Marokko en Oman zijn ‘verlicht autoritaire’ monarchieën, die een top-down-
benadering van maatschappelijke hervormingen nastreven, waarbij de politieke macht van
de monarch weinig ter discussie staat. In deze landen is sprake van een dialoog tussen
de regering en de oppositie, waardoor de politieke spanningen thans niet in geweld zijn
ontaard. De regeringen zijn geneigd tot enige concessies aan de hervormingsbewegingen,
maar houden zelf een strakke greep op het bestel. Het staat nog te bezien of de conces-
sies, die in het algemeen niet ver gaan, de hervormers tevreden zullen kunnen stellen. Iets
dergelijks gebeurt in Algerije, waar het gaat om de macht van de president.
Bahrein en Saoedi-Arabië zijn repressieve, autocratische staten, die de roep om meer bur-
gerlijke vrijheden en sociaaleconomische rechtvaardigheid met harde hand onderdrukken.
Voor zover de overheden dergelijke vrijheden toestaan, willen zij nadrukkelijk degenen zijn
die deze vrijheden verlenen en staan zij niet toe dat deze worden opgeëist. Ook in deze
landen is sprake van een groeiende wens tot democratisering en accentuering van de eigen
islamitische identiteit. De genoemde demografische ontwikkelingen doen zich in deze lan-
den eveneens voor.
Irak en Libanon kunnen worden gekarakteriseerd als instabiele electorale democratieën,
die gekenmerkt worden door partijvorming langs sektarische of tribale lijnen. Daarbij wordt
in Libanon geprobeerd vast te houden aan min of meer proportionele machtsdeling bij de
vorming van een regering. Beide regeringen worden door verdeeldheid gekenmerkt en zijn
als gevolg instabiel.
Bovenstaande opsomming geeft aan dat diverse landen zich op uiteenlopende wijze ontwik-
kelen. Het blijft dan ook noodzakelijk de situatie in alle landen nauwgezet te blijven volgen.
Beleid inzake de Arabische regio vereist dan ook maatwerk.
                                              20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>IV.2      Regionale verhoudingen
De Arabische Liga27 heeft lang geen prominente rol gespeeld in de Arabische regio,
mede doordat Arabische landen elkaar nauwelijks bekritiseerden. Daarin kwam begin
2011 voor het eerst verandering in toen zij, in samenspel met de VN-Veiligheidsraad, de
schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht in Libië
veroordeelde. In de week voordat de VN-Veiligheidsraadresolutie 1973 aanvaardde, riep
de Raad van de Arabische Liga de Veiligheidsraad op tot de instelling van een vliegver-
bod voor Libische militaire vliegtuigen, alsmede tot de instelling van veilige gebieden
voor de burgerbevolking en besloot de Raad van de Arabische Liga samen te werken met
de overgangsregering van Libië.28 De steun van de Arabische Liga voor Veiligheidsraad-
resolutie 1973 heeft ertoe bijgedragen dat China en de Russische Federatie geen veto
hebben uitgesproken over deze resolutie, die de internationale gemeenschap mandateer-
de alle noodzakelijke middelen in te zetten om de burgerbevolking in Libië te beschermen
tegen aanvallen. Ook ten aanzien van de situatie in Syrië speelde de Arabische Liga een
voortrekkersrol, onder andere door een waarnemersmissie te sturen. De Arabische Liga
trachtte aanvankelijk te bemiddelen tussen de regering en de oppositie in Syrië, eiste
later het aftreden van president Assad en steunt nu de bemiddeling door de voormalige
Secretaris-Generaal van de VN, Annan.
De Gulf Cooperation Council (GCC, de Golfstaten) verenigt de meeste landen van het
Arabisch Schiereiland,29 maar is verdeeld en heeft als organisatie zelden een uitgespro-
ken positie ingenomen. Een uitzondering is Koeweit, hiervoor al genoemd als een van de
monarchieën die een top-downbenadering van maatschappelijke hervormingen nastreven,
waarbij de politieke macht van de monarch overigens weinig ter discussie staat. Dat land
droeg bij aan de NAVO-operatie Unified Protector, die was gericht op bescherming van de
burgerbevolking in Libië, handhaving van het vliegverbod en naleving van het wapen-
embargo. Koeweit is kritisch over de regering van Syrië. Terwijl landen als Qatar en
Saoedi-Arabië uitgesproken kritisch zijn over Syrië, waren zij opvallend stil over de protes-
ten in Bahrein in 2011. Saoedi-Arabië heeft zelfs troepen en militair materieel gestuurd
om de demonstraties te onderdrukken. Het feit dat de opstanden vooral geïnstigeerd
waren door de sjiitische meerderheid uit protest tegen haar minderheidsstatus, heeft
hiermee te maken: Saoedi-Arabië treedt al langere tijd hard op tegen zijn eigen sjiitische
bevolking die vooral woonachtig is in het olierijke noordoostelijke deel van het koninkrijk.
De meerderheid van de bevolking van de landen in Noord-Afrika, vooral de landen van de
Maghreb, deelt een gemeenschappelijke taal, geschiedenis en cultuur, al zijn er aanzien-
lijke minderheden, zoals de Berbers. Ondanks de gemeenschappelijke kenmerken zijn
de bilaterale betrekkingen van de landen van Noord-Afrika met individuele lidstaten van
de EU (met name Spanje, Italië, Frankrijk, Portugal en Griekenland, maar ook Duitsland
en Nederland) veel intensiever dan de betrekkingen tussen de landen van Noord-Afrika
27 De website van de Arabische Liga vermeldt de volgende leden: Algerije, Bahrein, Comoren, Djibouti,
    Egypte, Irak, Jemen, Jordanië, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Mauritanië, Oman, Palestina, Qatar,
    Saoedi Arabië, Soedan, Somalië, Syrië (geschorst sinds 16 november 2011), Tunesië en de Verenigde
    Arabische Emiraten.
28 Besluit van de Raad van de Arabische Liga, 12 maart 2011.
29 Leden van de GCC zijn: Bahrein, Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi Arabië en de Verenigde Arabische
    Emiraten. Deze landen zijn ook lid van de Arabische Liga.
                                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>onderling. Weliswaar hebben Algerije, Libië, Marokko, Mauritanië en Tunesië in 1989 de
Unie van de Arabische Maghreb opgericht met onder andere de doelstelling te komen
tot een vrijhandelszone, maar door politieke tegenstellingen leidt de Unie een slapend
bestaan. Deze Unie zou weer tot leven kunnen worden gewekt in samenhang met de poli-
tieke ontwikkelingen in de lidstaten van de Unie van de Arabische Maghreb. Periodiek wor-
den oproepen tot regionale integratie ook wel in de regio zelf gehoord, bijvoorbeeld vanuit
het bedrijfsleven. Ook president Moncef Marzouki van Tunesië drong tijdens zijn bezoek
aan Algerije in februari 2012 aan op herleving van de Unie van de Arabische Maghreb.
Daarnaast bestaat in de Arabische regio nog een aantal andere regionale samenwerkings-
verbanden. Er is derhalve ruimte voor meer regionale samenwerking. De EU zou haar
expertise en ervaringen op dat terrein kunnen delen met deze landen.
De wereldwijde machtsverschuivingen laten zich ook gevoelen in de Arabische regio. Er
zijn nieuwe spelers zoals China, dat steeds belangrijker wordt als handelspartner. Ook
de rol van India en andere opkomende markten neemt toe. Deze spelers kunnen Euro-
pese en Nederlandse beleidsdoelstellingen doorkruisen. De rol van China en andere
opkomende markten in de Arabische regio kan echter binnen het bestek van dit advies
niet adequaat worden besproken.
Turkije is in het afgelopen decennium een buitenlands beleid gaan voeren dat sterker
dan voorheen is gericht op het Midden-Oosten, ook al blijft toetreding tot de EU een pri-
oriteit. In het verlengde daarvan stelde Turkije zich actief op ten aanzien van de revoltes
in Arabische landen. Turkije keerde zich tegen een militaire ingreep in Libië. Onlangs was
Turkije gastheer voor een bijeenkomst van de Friends of Syria. De strijd in Syrië leidt tot
een vluchtelingenstroom aan de zuidoostelijke grens van Turkije. Turkije steunt de vluch-
telingen humanitair, maar onthoudt zich wegens de gecompliceerde situatie thans nog
van ingrijpen in Syrië.
Hoewel Iran zich steeds meer als regionale grootmacht probeert te profileren, is zijn in-
vloed in en zijn status als voorbeeld voor Arabische landen beperkt.30 De toenemende
nadruk op islamitische identiteit heeft er echter wel toe geleid dat ook de geopolitieke
verhoudingen in die termen worden geformuleerd. In de Golfstaten is er een toenemen-
de zorg over de opkomst van een sjiitische macht. In de islamitische tweedeling tussen
soennieten en sjiieten behoren de laatsten tot een minderheid, die zich echter concen-
treert in Iran en omliggende landen (Irak, Bahrein, noordoosten van Saoedi-Arabië) waar
zij een meerderheid vormen. Deze situatie wordt door soennitische regimes als bedrei-
gend ervaren, en daarbij wordt olie op het vuur gegooid door soennitische theologen, die
sinds enkele jaren in de media fulmineren tegen de sjiieten (terwijl de soennitisch-sjiitische
tegenstelling voordien nimmer een onderwerp van grote controverse is geweest, en zeker
niet in de politiek). In de zeer onstabiele situatie van Syrië, dat traditioneel nauwe ban-
den onderhoudt met Iran, bestaat daardoor de mogelijkheid dat landen als Saoedi-Arabië
en Iran hun machtsspel in Syrië uitspelen door het leveren van wapens aan hen welge-
zinde groeperingen.
IV.3      Syrië
Syrië is thans een dringend, apart geval. De bloedige onderdrukking door het Assad-
regime van de zeer heterogene politieke oppositie wekt afgrijzen in de gehele wereld. Er
30 AIV, briefadvies nummer 20, ‘Nucleair programma van Iran: naar de-escalatie van een nucleaire crisis’,
    Den Haag, april 2012.
                                                  22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>bestaat echter grote verdeeldheid onder de hervormingsbewegingen van dit land. De VN-
Veiligheidsraad heeft zijn diepe verdeeldheid toegedekt door middel van het vredesplan
van Kofi Annan. In Syrië zijn de dilemma’s van de responsibility to protect zeer actueel.
De AIV bracht in juni 2010 over deze kwestie het advies ‘Nederland en de responsibility
to protect: de verantwoordelijkheid om mensen te beschermen tegen massale wreed-
heden’ uit. In dat advies wordt benadrukt dat dit concept nog in ontwikkeling is. Het
uitgangspunt is dat staten de plicht hebben hun eigen bevolking te beschermen tegen
genocide, oorlogsmisdrijven, etnische zuiveringen en misdrijven tegen de menselijkheid.
Andere staten kunnen een staat ondersteunen indien die niet zelfstandig de bescher-
ming van de burgerbevolking kan verzekeren. Alleen als een staat zijn eigen bevolking
niet kan en wil beschermen, kan de internationale gemeenschap maatregelen nemen.
Dat moeten in de eerste plaats vreedzame maatregelen zijn, waarbij de nadruk ligt op
preventie. Daar is het in Syrië al te laat voor. Dialoog met de regering is volgens de AIV
een noodzakelijke eerste stap. Een oplossing door militaire interventie wordt door de
Veiligheidsraad niet goedgekeurd en biedt thans ook geen zicht op een effectieve democra-
tisch georiënteerde regering. Militaire interventie onder de noemer van de responsibility to
protect is een uiterste middel, dat pas na zorgvuldige afweging en onder mandaat van de
VN-Veiligheidsraad kan worden ingezet. De International Commission on Intervention and
State Sovereignty heeft een afwegingskader geformuleerd,31 dat is opgenomen in bijlage
IV van het advies van de AIV over de responsibility to protect. Het concept responsibility
to protect strekt niet tot regime change.
Afgezien van de vraag hoe de internationale gemeenschap op korte termijn zou moeten
reageren op de gebeurtenissen in Syrië en welke geostrategische consequenties een
mogelijke burgeroorlog zou kunnen hebben, is binnen de vraagstelling van dit AIV-advies
vooral de langetermijnvisie van belang: zijn de trends van democratisering en islamitische
identiteit ook door te trekken in het geval van Syrië, nadat het conflict (binnenkort, of na
vele jaren) duurzaam is opgelost? De islamitische identiteit heeft ook zijn beslag gekre-
gen in de Syrische maatschappij, ofschoon veel langzamer en minder dan in andere
Arabische landen. Deze maatschappij onderscheidt zich echter van veel andere Arabische
landen doordat ze een veelvoud aan zowel christelijke als islamitische minderheden
kent. Soennitische moslims vormen de meerderheid in Syrië, maar zij hadden en heb-
ben zich onder de regimes van Assad senior en, in mindere mate, Assad junior tevreden
moeten stellen met een ondergeschikte positie. Hun politieke invloed is momenteel
gering. Een dominante rol van de soennitische moslims zou in samenhang met de ver-
sterkte islamitische identiteit tot nieuwe conflicten kunnen leiden met (islamitische of
christelijke) minderheden. In Syrië is nauwelijks sprake van enige bestuurlijke of institu-
tionele infrastructuur waarop een democratisch proces kan voortbouwen; een dergelijke
infrastructuur zal van de grond af moeten worden opgebouwd en dat geldt ook voor de
daarbij behorende democratische cultuur.
IV.4     Het Midden-Oosten Vredesproces
De gebeurtenissen in de Arabische regio, in het bijzonder die in Syrië en Egypte, zijn een
belangrijke reden geweest voor Hamas om zich te bezinnen op zijn koers. Er is sprake
van toenadering tussen Hamas en Fatah. Daarnaast hebben dezelfde ontwikkelingen
Israël terughoudend gemaakt, omdat Israël nog niet goed weet hoe het moet reageren
31 ‘The responsibility to protect, Report of the International Commission on Intervention and State
    Sovereignty’, Ottawa, December 2001.
                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>op de ontwikkelingen in de Arabische regio.
De Arabische landen in de regio worden in dit stadium dermate door hun eigen interne
politieke problemen beziggehouden, dat hun aandacht voor het Arabisch-Israëlische con-
flict voorlopig een lagere prioriteit lijkt te hebben. Wanneer in diezelfde Arabische landen
echter meer vrijheid van meningsuiting zal ontstaan, kan worden verwacht dat ook daar de
aandacht voor de Palestijnse zaak weer op kritische wijze zal worden hervat, ook in een
land als Egypte, waar nu een islamitische meerderheid in het parlement bestaat. Daarbij
speelt de islamitische factor op zichzelf niet zozeer een rol, maar veeleer een gevoel voor
rechtvaardigheid.
Onder president Mubarak overheerste een pragmatisch streven naar stabiliteit en vrede
in de regio. Van nieuwe democratieën kan worden verwacht dat zij een hernieuwde nadruk
zullen willen leggen op het principe van rechtvaardigheid. De Israëlisch-Arabische vredes-
verdragen lijken hierbij thans geen direct gevaar te lopen, maar wel moet rekening worden
gehouden met hernieuwde spanningen in de Arabisch-Israëlische betrekkingen. Verdere
democratisering in de Arabische regio heeft niet zomaar een positief effect op de Arabisch-
Israëlische betrekkingen en het zogenoemde vredesproces; in eerste instantie kan eerder
het tegendeel worden verwacht.
De vooruitzichten op een Palestijns-Israëlische vredesregeling zijn er de afgelopen jaren
niet beter op geworden. Dat geldt overigens ook voor vredesregelingen met de Arabische
landen waarmee Israël nog geen vrede heeft gesloten, waaronder de meeste Golfstaten.
De herhaalde voorstellen (de laatste gedaan door president Obama in 2009) tot een
bevriezing van Israëlische nederzettingsactiviteiten in de bezette gebieden en om een
vredesregeling te baseren op de Israëlische grenzen van voor 1967, met de mogelijkheid
voor uitwisseling van land, zijn door Israël genegeerd dan wel verworpen. De Israëlische
nederzettingsactiviteiten in de bezette gebieden worden voortgezet (in april 2012 zijn er
opnieuw drie nederzettingen formeel door Israël erkend) en premier Netanyahu heeft in
2011 verklaard dat Israël zich nooit zal terugtrekken tot de grenzen van 1967. De neder-
zettingsactiviteiten zijn een groot obstakel voor het bereiken van vrede.
Sinds het begin van de politieke hervormingen in Tunesië en Egypte is in westerse landen
relatief veel aandacht geschonken aan de mensenrechtensituatie in de Arabische staten.
De situatie in de gebieden die Israël sinds 1967 bezet, wordt in dit verband veelal buiten
beschouwing gelaten, ook al is hier eveneens duidelijk sprake van mensenrechtenschen-
dingen en onderdrukking van de Arabische bevolking. De bezetting duurt al 45 jaar en is
daarmee een van de langste bezettingen in de moderne geschiedenis. Democratie en
rechtsstaat hebben onder deze bezetting weinig tot geen kans gehad.
Er zijn weliswaar diverse democratische verkiezingen gehouden in de Palestijnse gebieden,
maar Israël en diverse westerse landen wezen de uitkomst daarvan af toen sprake was
van overwinningen van een partij die zij als ongewenst beschouwden: de Islamitische
Verzetsbeweging (Hamas).
Israël wordt in bepaalde westerse politieke vertogen wel genoemd als ‘de enige demo-
cratie’ in het Midden-Oosten, maar ook binnen Israël zelf is zowel qua praktijk als qua
wetgeving geen sprake van werkelijke rechtsgelijkheid tussen joden en niet-joodse ingeze-
tenen, zoals de Palestijnse moslims en christenen. De situatie van Israëlische ingezetenen
van Palestijnse afkomst wordt in Israël in verband gebracht met de permanente spannings-
situatie waarin het land verkeert.
                                                  24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De Palestijnen hebben met hun intifada’s tegen de Israëlische bezetting al diverse
‘Arabische lentes’ achter de rug, maar deze hebben hun positie eerder verslechterd dan
verbeterd. Voor zover sprake is geweest van buitenlandse druk met het doel de Israëlische
bezetting te beëindigen, is deze niet effectief geweest, afgaande op de resultaten.
De AIV is van mening dat de hierboven genoemde ontwikkelingen om een nieuwe aanpak
van het Midden-Oosten Vredesproces vragen en dat nieuwe initiatieven nodig zijn in
het licht van de veranderende regionale context. De EU en haar bondgenoten zouden
zich daarop moeten bezinnen. De AIV is bereid daarover desgevraagd een advies uit te
brengen.
                                              25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>V        Inzet Nederland en de EU
V.1      Nederlandse inzet
Velen bepleiten om de belangen van Nederland zelf centraal te stellen in het Nederland-
se beleid in de Arabische regio. Hoe dat uitpakt hangt af van de definitie van die eigen-
belangen. Allereerst is de Nederlandse economie gebaat bij stabiliteit omdat instabiliteit
in de Arabische regio al snel zijn weerslag heeft op de olieprijzen met negatieve gevolgen
voor de Nederlandse economie. Daarnaast heeft instabiliteit ook een negatief effect op
de wederzijdse handel, die overigens voor Nederland van beperkte betekenis is. In de
eerste helft van 2011 bedroeg de handel tussen Nederland en de Arabische Liga 3,6
procent van de totale Nederlandse invoerwaarde en 2,1 procent van de totale uitvoer-
waarde.32 Ten slotte heeft instabiliteit in de regio ook negatieve gevolgen voor investerin-
gen, ook die waarbij Nederlandse bedrijven betrokken zijn.
Stabiliteit is ook van belang voor de economische ontwikkeling van de Arabische regio
zelf. Daarmee wordt een gunstig klimaat geschapen voor wederzijdse investeringen en
groei van welvaart en welzijn. Vooral de jonge generatie zoekt waardigheid, werk, inkomen
en vrijheid. Als die geleidelijk groeien, worden ook de mogelijkheden voor Nederlandse
bedrijven veel groter. Ook daarom heeft Nederland belang bij de vreedzame oplossing
van de diepe geschillen die de regio teisteren. Ten aanzien van de economische perspec-
tieven van landen die een politieke transitie doormaken, is echter realiteitszin geboden.
In eerste instantie leidt democratisering vaak tot minder stabiliteit. Het kost tijd voordat
nieuwe politieke verhoudingen en instituties zijn uitgekristalliseerd en dat kan zijn weer-
slag hebben op de economische ontwikkeling. De recente turbulentie in Tunesië, Egypte
en Libië heeft de economieën van deze landen bovendien schade toegebracht. Als gevolg
van gewelddadigheden zijn gebouwen en kapitaalgoederen beschadigd of verloren ge-
gaan, naast het verlies aan inkomsten uit toerisme, buitenlandse investeringen en uitvoer
van olie. De verbetering van economische perspectieven zal pas op termijn optreden, zo-
dat niet uitgesloten is dat er een fase zal zijn waarin de bevolking teleurgesteld raakt over
het achterblijven van de welzijnsontwikkeling bij democratisering.
In het verlengde van het belang van stabiliteit is versterking van de rechtsstaat in de
landen van de Arabische regio eveneens in het Nederlands belang. Niet alleen voor de
rechtszekerheid van Nederlandse bedrijven, maar ook omdat de handhaving van onze ei-
gen rechtsorde mede afhangt van de groei van de rechtsorde in de nabijheid van Europa.
Nederlandse bedrijven hebben er baat bij als contracten met leveranciers en afnemers
afdwingbaar zijn. Verder opereren criminelen steeds meer internationaal; een afbreuk van
de rechtsstaat elders brengt risico’s met zich mee op het vlak van de grensoverschrij-
dende criminaliteit.
Een aantrekkende economie in de regio zal de druk vergroten op schaarse middelen,
zoals water en vruchtbaar grondgebied. Economische groei kan de waterschaarste vergro-
ten en toenemende waterschaarste kan leiden tot nieuwe (internationale) conflicten, die
de stabiliteit weer kunnen bedreigen. Gezien de schaarste aan water en de kwetsbaar-
heid van het milieu in de Arabische regio, is het van belang dat de groei duurzaam is.
32 CBS, webmagazine, 7 november 2011: ‘Sterke afname handel met Libië’.
                                                26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>De bevordering van welvaart en welzijn is in de eerste plaats een taak van de regeringen
van de landen van de Arabische regio, maar buitenlandse actoren kunnen daaraan bij-
dragen. De EU kan een rol spelen bij de verbetering van de economische vooruitzichten,
vooral door haar markt open te stellen, zoals ook bepleit in het advies over de Arabische
regio dat de AIV in mei 2011 uitbracht.
Een tweede belang dat de Nederlandse overheid herhaaldelijk heeft aangegeven, is de
vermindering van migratiestromen naar Nederland. Tijdens de opstanden in Libië en
Tunesië stegen de stromen vluchtelingen en illegale migranten snel. In 2011 vroegen
5248 Tunesiërs asiel aan in EU-landen, in vergelijking met 519 een jaar eerder. Voor Libiërs
waren deze cijfers respectievelijk 2710 en 690.33 Daarnaast waagden in het voorjaar van
2011 ongeveer 25.000 Tunesiërs illegaal de oversteek naar Italië. Weliswaar waren deze
migrantenstromen relatief gering in omvang, en betroffen zij vooral Italië en Frankrijk, maar
zij illustreren de mogelijke effecten van instabiliteit of conflicten in de regio. Naarmate de
stabiliteit, democratisering, de mensenrechtensituatie en economische perspectieven in
de landen van herkomst verbeteren, zullen de drijfveren voor de bevolking verminderen
om naar Europa te migreren.34 Daarnaast heeft de Europese Commissie aangekondigd
met Marokko, Tunesië en Egypte mobiliteitspartnerschappen te willen sluiten, politieke
verklaringen die afspraken bevatten over migratie en mobiliteit. Deze partnerschappen
zijn vooral gericht op het reguleren van migratie, toegesneden op de specifieke arbeids-
marktbehoeften van de EU-lidstaten. Terug- en overnameovereenkomsten zullen daarvan
waarschijnlijk deel uitmaken.
Een derde belang is de uitwisseling op het gebied van onderzoek en onderwijs. Enerzijds
betreft dat onderzoek door Nederlanders verricht in en over de regio: Nederlandse onder-
wijsinstellingen en instituten hebben op dat gebied veel te bieden en Nederland is erbij
gebaat dat zo te houden. Anderzijds zou het Nederlands academisch onderwijs er financieel
en anderszins baat bij hebben als studenten uit de regio hun studie kunnen voortzetten
in Nederland. Op dit moment vormen regels inzake langdurig verblijf in Nederland een
belemmering voor het groeiend aantal studenten uit de Arabische regio dat in Nederland
zou kunnen en willen studeren. Ten slotte beschikken Nederlandse universiteiten over
enorme kennis en ervaring op het gebied van academisch onderzoek en onderwijs waar
de vele nieuwe Arabische universiteiten die thans in oprichting zijn, dringend om verlegen
zitten.
Naast belangen zijn er ook (internationale) verplichtingen. Artikel 90 van de Grondwet
draagt de regering op de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. In
dat kader streeft Nederland ook naar goed functionerende internationale organisaties om-
dat die de internationale omgeving van Nederland helpen stabiliseren en samenwerking
bevorderen, hetgeen voor een handelsnatie essentieel is. Internationale organisaties kun-
nen hun werk in veel gevallen niet goed doen als de lidstaten wanordelijk zijn of in (burger)
oorlog zijn verwikkeld. Dat geldt des te meer voor de instellingen van internationaal recht,
die hun zetel hebben gekozen in Den Haag. In de regio Den Haag genereert de vestiging
van buitenlandse organisaties en bedrijven al veel werkgelegenheid en inkomsten. Econo-
misch en ideëel belang kunnen elkaar hier versterken.
33 UNHCR, Asylum levels and trends in industrialized countries, 2011.
34 Zie voor een meer uitgebreide analyse van de relatie tussen deze factoren en internationale migratie:
     AIV, advies nummer 43, ‘Migratie en ontwikkelingssamenwerking: de samenhang tussen twee beleids-
     terreinen’, Den Haag, juni 2005.
                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>V.2       De Europese Unie
Uit een toespraak die Eurocommissaris Füle op 28 februari 2011 hield voor het Europese
Parlement over de ontwikkelingen in Noord-Afrika blijkt dat de gebeurtenissen in de Arabische
regio de EU noodzaakte tot heroverweging van de uitgangspunten van het beleid. Hij zei:
‘[..] we must show humility about the past. Europe was not vocal enough in defending
human rights and local democratic forces in the region. Too many of us fell prey to the
assumption that authoritarian regimes were a guarantee of stability in the region. [..] I am
not saying that everything we did was wrong, rather that Europe, at this particular moment
more than ever before, must be faithful to its values and stand on the side of democracy
and social justice. The crowds in the streets of Tunis, Cairo and elsewhere have been fighting
in the name of our shared values. It is with them, and for them, that we must work today –
not with dictators who are, as we speak, spilling the blood of their own people with utter
disregard for human life’.
In het advies ‘Hervormingen in de Arabische regio, kansen voor democratie en rechts-
staat?’ is de AIV al ingegaan op de instrumenten van de EU, zoals het overkoepelende
programma dat de Unie vanaf 2003 heeft ontwikkeld voor de directe buren in het Oosten
en rond de Middellandse Zee, het zogeheten Europese Nabuurschapsbeleid (ENB).35 In
een gezamenlijke mededeling van de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken
en Veiligheidsbeleid van de EU, Catherine Ashton, en de Commissie van 8 maart 2011
wordt ‘A Partnership for Democracy and Shared Prosperity with the Southern
Mediterranean’ voorgesteld.36 Dit partnerschap is eveneens besproken in het eerdere
AIV-advies over de Arabische regio.
Een aantal nieuwe beginselen van het ENB is vervat in de voorstellen van de Commissie
van 25 mei 2011, onder de titel: A New and Ambitious European Neighbourhood Policy.
Die beginselen zijn:
   ·   to support progress towards ‘deep democracy’;
   ·   to support sustainable and social development;
   ·   to build effective regional partnerships within the ENB;
   ·   a simplified and coherent policy and programming framework.
In mei 2011 besloot de Europese Unie € 1,2 miljard beschikbaar te stellen voor het
Nabuurschapsbeleid voor de periode 2011-2013, bovenop de € 5,7 miljard die al was
begroot voor deze periode. De Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor
Wederopbouw en Ontwikkeling zijn bij de uitvoering betrokken.
Voortbordurend op dit partnerschap heeft de Commissie in september 2011 aanvullende,
meer gespecialiseerde programma’s gepubliceerd, zoals:
   ·   SPRING, Support for Partnership and Inclusive Growth, € 350 miljoen voor de periode
       2011-2012, technische en financiële ondersteuning van democratische hervormin-
       gen en duurzame en inclusieve groei en economische ontwikkeling op basis van het
       more for more principe;
35 Het gaat om Algerije, Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Egypte, Georgië, Israël, Jordanië, Libanon, Libië,
     Moldavië, Marokko, de Bezette Palestijnse Gebieden, Syrië, Tunesië en Oekraïne.
36 Zie: <http://eeas.europa.eu/euromed/docs/com2011_200_en.pdf>.
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>   ·   Neighbourhood Civil Society Facility, € 22 miljoen voor de periode 2011-2013, voor
       versterking van het maatschappelijk middenveld als aanjager van hervormingen en
       uitvoerder van het ENB;
   ·   in aanvulling op de reeds bestaande 1200 Erasmus Mundus beurzen voor studenten
       en academici uit de Arabische regio ten behoeve van studie, onderwijs en onderzoek
       in de Europese Unie, werden voor de periode 2011-2013 nog eens 750 beurzen
       beschikbaar gesteld. Daarmee is € 30 miljoen gemoeid.
Sinds de verschijning van het vorige advies van de AIV over de Arabische regio heeft de
Europese Commissie een overzicht gegeven van de maatregelen die de EU heeft geno-
men naar aanleiding van de gebeurtenissen in de Arabische regio in een document van
19 december 2011, getiteld: ‘The EU’s response to the Arab Spring’.37 Het document be-
vat geen nieuwe beleidsinitiatieven.
Het EU-beleid is niet steeds in overleg met de landen van de Arabische regio tot stand ge-
komen; het was ook weinig vraaggericht. Met de benadering van het Nabuurschapsbeleid
lijkt daarin verandering te komen. Het beginsel van het ENB is immers dat Actieplannen
in samenwerking met het desbetreffende land – dus vraaggestuurd – worden ontwikkeld.
Gezien de veelheid en de verfijning van de EU-instrumenten die nu worden ingezet, zou
het EU-beleid aan effectiviteit moeten kunnen winnen. Dat gezegd zijnde, zal een politiek
optreden van Nederland ten aanzien van de landen van de Arabische regio meer effect
hebben via de Europese Unie dan het nemen van bilaterale initiatieven. Waar het gaat om
bilaterale financiële instrumenten zijn afstemming en harmonisatie van het Nederlandse
beleid met het Europese beleid aan te bevelen, gezien de omvang en de impact van de
programma’s en activiteiten van de Unie. De AIV constateert dat de uitgangspunten van
het Nederlandse beleid inderdaad nauw aansluiten bij het Europese beleid. In beide
staan bevordering van (inclusieve) economische groei, democratisering en de rechtsstaat,
alsmede conditionaliteit (more for more, less for less) centraal.
De AIV herhaalt hier een aanbeveling uit het advies over de Arabische Regio van mei
2011, namelijk dat de conditionaliteit zoveel mogelijk in positieve termen moet worden
gesteld en moet worden gekoppeld aan vooruitgang in de ontwikkeling van democratie en
rechtsstaat (transparantie, open informatievoorziening aan parlement, vrije media) en de
bescherming van mensenrechten (vrouwenrechten, religieuze rechten). Democratiserings-
processen kennen zelden lineaire vooruitgang, maar het zijn eerder processen waarbij
soms stappen vooruit worden gezet en soms stappen achteruit. Ook zal de voortgang niet
op alle terreinen even snel gaan of in dezelfde richting. In deze context moeten donoren
geduld oefenen en terughoudend zijn aan regeringen of organisaties voorwaarden te stel-
len die niet te maken hebben met het prudent beheer van ter beschikking gestelde mid-
delen. Mede in het licht van het beleid van westerse landen in de jaren negentig van de
vorige eeuw om dictaturen in de regio te gedogen, kunnen politieke voorwaarden al snel
paternalistisch overkomen. Bovendien kan te strikte toepassing van conditionaliteit ertoe
leiden dat het kind met het badwater wordt weggegooid; het doel van het beleid – demo-
cratisering en bevorderen van rechtsstatelijkheid en mensenrechten – mag niet uit het
oog worden verloren. Deze doelen vereisen processen over een lange periode en het is
onvermijdelijk dat de situatie nog geruime tijd een gemengd beeld zal laten zien.
37 Zie: <http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=MEMO/11/918>.
                                                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>VI       Conclusies en aanbevelingen
Hiervoor is betoogd dat in de Arabische regio twee sterke trends zijn waar te nemen: de
wens tot democratisering en de groeiende nadruk op de islamitische identiteit. Het is on-
gewis hoe deze twee trends zich zullen voortzetten en hoe zij elkaar al dan niet zullen be-
invloeden. De AIV meent dat de nieuwe situatie in de Arabische regio kansen biedt, maar
ziet ook kwetsbaarheden. Indien de machtswisselingen er slechts toe zullen leiden dat
andere – vooral islamitisch georiënteerde – groeperingen hun visie willen opleggen aan
minderheden, zal er effectief weinig veranderen ten opzichte van de situatie voorafgaand
aan de revoltes. Van belang is daarom dat de nieuwe machthebbers ervan doordrongen
zijn dat democratie niet alleen betekent bestuur op basis van electorale winst, maar ook
de bescherming van elementaire rechten van vrouwen, politieke dissidenten en religieuze
en etnische minderheden.
Verdrijving van een dictatoriaal regime leidt niet automatisch tot een democratische
rechtsstaat. Soms komt er een andere dictatuur voor in de plaats, soms een democratisch
regime, dat allerlei tekortkomingen kan vertonen. Het houden van verkiezingen is niet het
enige criterium waarop het democratische karakter van een land kan worden beoordeeld.
Er moeten voldoende tegenwichten zijn, onder andere om de rechten van individuele bur-
gers en minderheden te waarborgen. Ervaringen elders, waaronder Afghanistan en Irak, wij-
zen uit dat een machtswisseling het begin kan zijn van een lang proces van verandering
dat mogelijk, maar niet noodzakelijk, leidt tot democratisering, maar ook grote instabiliteit
met zich mee kan brengen. In een democratiseringsproces is (tijdelijke) terugval niet uit-
gesloten. De AIV bepleit dan ook dat westerse landen nauw betrokken blijven bij de maat-
schappelijke ontwikkelingen in de Arabische regio en deze waar mogelijk stimuleren in de
goede richting vanwege de intrinsieke waarde die de democratische rechtsstaat vertegen-
woordigt en uit een welbegrepen eigenbelang, waaronder de hiervoor genoemde belangen
van stabiliteit, migratie, de internationale rechtsorde, onderzoek en onderwijs. Daarbij
moet worden voorkomen dat westerse landen modellen opleggen die alleen geïnspireerd
zijn door hun eigen staatsinrichting. Het streven van westerse landen moet zijn gericht op
een democratie waarin de participatie en rechten van alle bevolkingsgroepen worden ge-
waarborgd. Het ligt voor de hand dat Nederland zijn inspanningen daarbij afstemt met de
Europese Commissie en andere lidstaten van de EU.
De AIV is van mening dat Nederland kan bijdragen aan verdere democratisering en ver-
sterking van de rechtsstaat in de Arabische regio, bijvoorbeeld door bij te dragen aan
uitwisseling van ervaringen tussen landen waar in het recente verleden democratiserings-
processen op gang zijn gekomen. Ook programma’s ter versterking van de rechtsstaat
verdienen voortgezette steun.
Goede kennis van de context is essentieel om democratie en rechtsstaat te kunnen bevor-
deren. Die kennis kan alleen worden verkregen als het ministerie van Buitenlandse Zaken
beschikt over voldoende medewerkers die deskundigheid bezitten van de Arabische regio
en die in staat zijn met alle relevante spelers in de regio te communiceren. Juist zulke
medewerkers zullen het tweerichtingsverkeer tussen Nederland en de Arabische spelers
levend kunnen houden, daarvan leren en de verworven kennis vertalen in effectief beleid.
Vanzelfsprekend kan het ministerie van Buitenlandse Zaken alleen dergelijke medewerkers
aannemen, als er in Nederland opleidingen zijn die specifiek zijn gericht op de taal en cul-
tuur van de Arabische regio.
                                               30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Of de grotere zeggenschap van de bevolking op het regeringsbeleid in individuele landen
zal leiden tot verbetering van de mensenrechtensituatie in de volle breedte, moet nog
worden afgewacht. De machtswisselingen in Egypte en Tunesië hebben tot grotere vrijheid
geleid, maar de positie van vrouwen en minderheden zou zelfs meer dan vroeger onder
druk kunnen komen te staan. Deels omdat sommige politieke partijen een interpretatie
van de islam aanhangen die hen daartoe aanzet, deels omdat cultureel conservatieve
krachten meer ruimte en invloed hebben gekregen dan zij vóór de machtswisselingen
hadden. Vrouwen hebben tijdens de omwentelingen in de Arabische regio voor zichzelf
nieuwe mogelijkheden voor maatschappelijke en politieke participatie gecreëerd, maar de
AIV is bezorgd dat cultureel conservatieve groeperingen zullen proberen deze participatie
weer in te perken.
Vaststaat dat mogelijkheden om enige invloed ten gunste van democratie uit te oefenen,
worden beperkt wanneer er niet gecommuniceerd wordt met islamitische groeperingen.
Het WRR-rapport ‘Dynamiek van het islamitisch activisme’ van 2006 had hier al op ge-
wezen. Nu in een aantal Arabische landen vrije en eerlijke verkiezingen zijn gehouden, is
gebleken welke partijen en opvattingen veel steun genieten onder de bevolking. Door contac-
ten met hen, maar ook met andere partijen, te onderhouden kan Nederland kennis nemen
van de aspiraties die zij vertegenwoordigen. De AIV is daarom van mening dat Nederland
a) in dialoog dient te gaan met alle relevante politieke partijen en maatschappelijke stro-
mingen en b) de dialoog tussen deze partijen en organisaties open en gaande dient te
houden. Juist het openstellen en openhouden van het politieke domein is essentieel voor
een levensvatbare democratie. Het gaat om tweerichtingsverkeer tussen Nederland en de
betrokken partijen; dat maakt het vinden van gemeenschappelijke uitgangspunten moge-
lijk. Tweerichtingsverkeer vergroot het inzicht in de wijze waarop Nederland zijn eigen be-
langen kan behartigen en kan helpen om risico’s die elders bestaan voor democratisering
en de mensenrechten te beperken.
Communicatie tussen staten is essentieel in het onderhouden van internationale betrek-
kingen die vrede, rechten van de mens en welzijn bevorderen. Ongeacht het al dan niet
democratische karakter van regeringen zullen diplomatieke contacten met hen onderhou-
den moeten worden, al kan dan wel de perceptie ontstaan dat men het regime gedoogt.
Zonder contacten kan het internationale systeem niet functioneren en zouden Nederland
en de EU niet voor hun eigen belangen en waarden kunnen opkomen. Een regering die
besluit niet met een bepaald regime of bepaalde politieke stromingen te communiceren,
ontneemt zichzelf de mogelijkheid positieve invloed op het denken en handelen van die
anderen uit te oefenen.
Het verdient volgens de AIV aanbeveling om in het Nederlands buitenlands beleid ver-
schillende gradaties van communicatie aan te brengen. De laagste graad is de passieve
bezigheid van luisteren. Dit zou ook gelden voor groeperingen die geweld niet uitsluiten:
door hun opvattingen aan te horen kan Nederland zich een beeld vormen van wat er van
deze organisaties valt te verwachten, en op welke wijzen zij beïnvloed kunnen worden in
de richting van geweldloosheid. De tweede graad is de actieve bezigheid van het gesprek:
de Nederlandse zijde draagt uit wat het Nederlands standpunt is over bepaalde kwesties,
in het bijzonder over de opvattingen en handelwijzen van de desbetreffende organisatie.
De positie van vrouwen en minderheden verdient daarbij specifieke aandacht. Een ge-
volg van het gesprek kan zijn dat Nederlandse instellingen gesprekspartners ‘erkennen’,
ofschoon ook hier modaliteiten mogelijk zijn: zo kan men particuliere of (semi) officiële
organisaties erkennen als gesprekspartner, wat weer minder politieke gevolgen heeft dan
erkenning van de wederpartij als legitieme vertegenwoordigers, etcetera. Nederland zou
voor deze genuanceerde benadering steun kunnen vragen in de EU.
                                              31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>Juist als sprake is van een internationaal of binnenlands conflict, zijn diplomatieke con-
tacten met alle belangrijke spelers en partijen cruciaal om een bijdrage te kunnen leveren
aan een oplossing van het conflict. Naarmate de tijd verstrijkt plegen partijen zich letter-
lijk en figuurlijk dieper in te graven en vinden gebeurtenissen plaats die een compromis
steeds moeilijker maken. De mogelijkheden voor beïnvloeding zijn daarom het grootst als
in een vroeg stadium van het conflict met alle partijen wordt gecommuniceerd, dus als de
spanningen oplopen en nog geen geweld is gebruikt. Het is bijvoorbeeld niet uit te sluiten
dat dialoog in een vroeg stadium van het conflict in Syrië effectief had kunnen zijn. Nu
Kofi Annan een wankel bestand heeft weten te bereiken – een bestand dat volgens de AIV
noodzakelijk is omdat het alternatief alleen maar meer geweld betekent – moeten veel lan-
den op hun schreden van non-communicatie terugtreden en alsnog met zowel het Syrische
regime als de oppositie in gesprek gaan. Tegelijk laat de missie van Kofi Annan zien dat
de bemiddelaar wordt geconfronteerd met vragen over wie de juiste gesprekspartners zijn
en welke vervolgstappen kunnen worden gezet.
Communicatie is meer dan het opleggen van sancties; zij vereist zorgvuldige analyse van
de oogmerken van de wederpartij in een grondige dialoog. Ook in latere fasen van een
conflict is het van belang de dialoog met alle partijen zo lang mogelijk voort te zetten, ook
in een fase waarin Nederland, gezamenlijk met andere landen, sancties heeft ingesteld.
Door vooraf voorwaarden te stellen aan het voeren van een dialoog kunnen kansen op
communicatie en beïnvloeding worden gemist.
De verschillende landen in de Arabische regio maken uiteenlopende ontwikkelingen door
en worden geconfronteerd met diverse uitdagingen. Het beleid jegens zowel de Arabische
staten als Israël zal het meest effectief zijn als de noodzaak internationaalrechtelijke ver-
plichtingen na te komen door Nederland en de EU consequent en onpartijdig wordt uitge-
dragen. Voortgaande democratisering in de Arabische regio zal niet onmiddellijk een posi-
tief effect hebben op de Arabisch-Israëlische betrekkingen en het vredesproces; in eerste
instantie kan eerder het tegendeel worden verwacht. Het is daarom van groot belang dat
Nederland in de EU en de VN aandringt op nieuwe initiatieven om het Midden-Oosten
Vredesproces nieuw leven in te blazen. De AIV is van mening dat de hierboven genoemde
ontwikkelingen om een nieuwe aanpak van het Midden-Oosten Vredesproces vragen en
dat nieuwe initiatieven nodig zijn in het licht van de veranderende regionale context. De
EU en haar bondgenoten zouden zich daarop moeten bezinnen. De AIV is bereid daarover
desgevraagd een advies uit te brengen.
                                               32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>               Bijlage I
Adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                          2
Vergaderjaar 2010–2011
32 623                 Actuele situatie in Noord-Afrika en het
                       Midden-Oosten
Nr. 29                 MOTIE VAN DE LEDEN HACHCHI EN TIMMERMANS
                       Voorgesteld 30 juni 2011
                       De Kamer,
                       gehoord de beraadslaging,
                       constaterende, dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) heeft
                       geadviseerd over de toereikendheid van de huidige instrumenten van de
                       Europese Unie om de transitie in de Arabische regio naar democratie en
                       rechtsstaat te ondersteunen, en over doeltreffendere en doelmatigere
                       inzet van de huidige bilaterale instrumenten waarover Nederland beschikt;
                       constaterende, dat de AIV stelt dat de ontwikkelingen in de Arabische
                       regio momenteel zo snel plaatsvinden dat sommige informatie in hun
                       advies mogelijk al is achterhaald door de actualiteit;
                       verzoekt de regering de AIV structureel te vragen om een update van het
                       advies,
                       en gaat over tot de orde van de dag.
                       Hachchi
                       Timmermans
kst-32623-29
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2011     Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 623, nr. 29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>                                                                                       Bijlage II
Mensenrechtenverdragen geratificeerd door Arabische landen
Staat:                    IVESCR          IVBPR           VUDV              IVRK
Algerije                  X               X               X                 Xx
Bahrein                   X               Xx              Xx                X
Comoren                   X                               X                 X
Djibouti                  X               X               X                 X
Egypte                    Xx              Xx              Xx                X
Irak                      X               X               Xx                Xx
Jemen                     X               X                                 X
Jordanië                  X               X               X                 Xx
Koeweit                   X               Xx              Xx                Xx
Libanon                   X               X               X                 X
Libië                     X               X               Xx                X
Mauritanië                X               Xx              Xx                Xx
Marokko                   X               X               Xx                X
Oman                                                      Xx                Xx
Palestijnse Geb.
Qatar                                                     Xx                Xx
Saoedi-Arabië                                             Xx                Xx
Soedan                    X               X                                 X
Somalië                                   X
Syrië                     X               X               Xx                X
Tunesië                   X               X               X                 X
V.A.E.                                                    Xx                X
X        geratificeerd
x        voorbehoud op grond van ‘islam’, ‘islamitische sharia’ of ‘islamitisch recht’ bij een
         of meer bepalingen
IVESCR Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten
IVBPR    Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
VUDV     Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen
IVRK     Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>                                                                                 Bijlage III
Lijst met afkortingen
AIV            Adviesraad Internationale Vraagstukken
CEI            Commissie Europese Integratie van de AIV
CMR            Commissie Mensenrechten van de AIV
COS            Commissie Ontwikkelingssamenwerking van de AIV
CVV            Commissie Vrede en Veiligheid van de AIV
ENB            Europese Nabuurschap Beleid
EU             Europese Unie
GCC            Gulf Cooperation Council
IVBPR          Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
IVESCR         Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten
IVRK           Internationaal Verdrag inzake Rechten van het Kind
NAVO           Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
OIC            Organisatie van de Islamitische Conferentie
UNDP           United Nations Development Programme
VUDV           Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen
WRR            Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO–POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB–SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
  1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
  2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
  3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
  4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
  5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
  6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
  7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
  8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie
      voor Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>