<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter		   Mr. F. Korthals Altes
Vicevoorzitter Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Leden 		       Mw. prof.dr. J. Gupta
			            Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
			            Prof.dr. A. de Ruijter
			            Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
			            Prof.dr. A. van Staden
			            Lt-gen. b.d. M.L.M. Urlings
			            Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
			            Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris  		 Drs. T.D.J. Oostenbrink
			Postbus 20061
               2500 EB DEN HAAG
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
				e-mail aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden Commissie Mensenrechten
Voorzitter			      Prof.dr. W.J.M. van Genugten
Vicevoorzitter 		Mw. mr. H.M. Verrijn Stuart
Leden  			Mw. prof.dr. K.C.J.M. Arts
				Prof.mr.dr. M.S. Berger
				Mw. drs. K.M. Buitenweg
				               Mw. H.C.J. van den Burg
				Mw. drs. G. Crijns
				Prof.mr. E.J. Dommering
				Mr. R. Herrmann
				Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin
				Drs. T.P. Hofstee
				Prof.dr. M.T. Kamminga
				Prof.dr. E.J. Koops
				Prof.dr. R.A. Lawson
				Mw. mr. W.M.E. Thomassen
Secretaris			      Drs. J. Smallenbroek
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inleiding
Hoewel de minister van Buitenlandse Zaken de receptorbenadering niet noemt in zijn
notitie ‘Verantwoordelijk voor vrijheid: mensenrechten in het buitenlands beleid’ van
12 april 2011,1 lijkt het begrip uit te groeien tot een centraal concept in het mensen-
rechtenbeleid. De minister heeft inmiddels herhaaldelijk met de Tweede Kamer van
gedachten gewisseld over de receptorbenadering, onder meer tijdens het Algemeen
Overleg over de mensenrechten en de vrijheid van godsdienst en meningsuiting van
14 juni 2011, het Algemeen Overleg over China van 16 november 2011, en de behan-
deling van de begroting van Buitenlandse Zaken op 23 en 24 november 2011. Verder
heeft hij de receptorbenadering genoemd in zijn toespraak tot de VN-Mensenrechtenraad
van 29 februari 2012 en deze uitgewerkt in een brief aan de Tweede Kamer van 7 maart
2012 (bijlage I).
Op 30 juni 2011 nam de Tweede Kamer een motie aan over de receptorbenadering.2
De motie stelt dat de minister uit het oogpunt van effectiviteit er soms de voorkeur aan
geeft om met staten een dialoog aan te gaan om nakoming van hun verplichtingen te
verzekeren, boven het aangaan van de confrontatie. Ook wordt aan de regering gevraagd
een pilot te laten uitvoeren om de bruikbaarheid van de receptorbenadering voor het
Nederlandse mensenrechtenbeleid vast te stellen en daarbij in het bijzonder aandacht te
besteden aan de vraag hoe kan worden verzekerd dat een mix van de confrontatie- en
dialoogbenadering kan leiden tot een verhoging van de effectiviteit van de Nederlandse
inspanningen op mensenrechtengebied.3
Tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken in
de Tweede Kamer op 23 en 24 november 2011 suggereerden de leden Ten Broeke en
Albayrak de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) te vragen om een advies over
de receptorbenadering. Tijdens het gesprek tussen de Vaste Commissie van Buitenlandse
Zaken en de AIV op 15 februari 2012 werd dit verzoek, namens de Commissie, herhaald.
de eerder genoemde brief van 7 maart 2012 biedt de AIV verder voldoende aanknopings-
punten voor een briefadvies.
Het briefadvies is voorbereid door de Commissie Mensenrechten van de AIV en is door de
AIV vastgesteld tijdens zijn vergadering van 13 april 2012.
De receptorbenadering
In zijn brief aan de Tweede Kamer van 7 maart jl. over de receptorbenadering stelt de
minister van Buitenlandse Zaken dat de receptorbenadering benadrukt dat mensenrech-
ten universeel zijn, maar dat de implementatie ervan een nationale aangelegenheid is.
Verder stelt de brief dat ‘de meeste Westerse staten’ de voorkeur geven aan ‘een zoge-
heten rights-based approach, die erop neerkomt dat zij hun internationale verplichtingen
omzetten door nationale wetgeving aan te nemen en in rechte afdwingbare individuele
rechten toe te kennen’. ‘Niet-westerse landen’ daarentegen ‘kiezen er soms voor om
1   Notitie ‘Verantwoordelijk voor vrijheid: mensenrechten in het buitenlands beleid’, Tweede Kamer der
    Staten-Generaal, 32735, nr. 1, 12 april 2011.
2   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 32735, nr. 21.
3   Tweede Kamer der Staten-Generaal, 32735, nr. 19.
                                                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>bij de implementatie van internationale mensenrechtenverplichtingen gebruik te maken
van niet-juridische sociale instituties, zoals religieuze en maatschappelijke organisaties,
academici, vrouwenorganisaties, et cetera.’ Na te hebben verzekerd dat het universele
karakter van de rechten van de mens daarbij niet ter discussie staat, stelt de brief dat dit
alles geheel past ‘binnen de beginselen van het volkenrecht dat deze staten ook gebruik
maken van dergelijke lokale sociaal-culturele arrangementen om hun mensenrechtenver-
plichtingen getrouw na te komen’. Vervolgens stelt de brief dat er vanuit de internationale
gemeenschap druk op deze staten wordt uitgeoefend om zich uitsluitend te richten op
een rights-based implementatie van mensenrechtenverplichtingen, wat aan ‘praktische
voortgang in de weg [kan] staan’ en als gevolg waarvan ‘de lokale cultuur en traditionele
sociale instituties buiten beeld [raken], terwijl zij in bepaalde gevallen als effectieve
vehikels kunnen dienen bij het in de praktijk brengen van internationale mensenrechten-
verplichtingen’. Aldus omschrijft de regering een aantal facetten van de receptorbenadering,
zonder daarna echter een heldere definitie te geven.
De AIV zou een aantal elementen uit de brief sterk willen nuanceren, met allereerst
het accent op de woorden ‘uitsluitend rights-based’. De internationale gemeenschap
van staten heeft, naast een zekere focus op rechtsontwikkeling en naleving van de
bestaande verdragen en andere juridische afspraken, altijd al vele andere wegen
bewandeld. Denk slechts aan mensenrechtenconsultaties of dialogen, het afleggen van
openbare verklaringen, het houden van demarches, financiering van het maatschappelijk
middenveld buiten overheden om, het bezoeken van mensenrechtenverdedigers,
het beleggen van seminars, het treffen van sancties, het aan de orde stellen van
schendingen van mensenrechten in vroeger de VN-Mensenrechtencommissie en sinds
2006 de VN-Mensenrechtenraad, het benadrukken van de mensenrechtelijke kanten
van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, et cetera. Dergelijke instrumenten en
methoden houden zich ook niet aan het onderscheid ‘Westers’ versus ‘niet-Westers’.
Dat gezegd zijnde is het in de visie van de AIV wel van groot belang om steeds primair
of minstens gelijktijdig uit te gaan van een rechtenbenadering en de daarbij behorende
handhavingsmechanismen, met bijzondere aandacht voor die mensenrechten die
beogen burgers te beschermen tegen machtsmisbruik door hun overheden en rechten
die raken aan de kern van de menselijke waardigheid. In het algemeen gaat het dan om
de burgerlijke en politieke rechten, maar ook bijvoorbeeld om toegang tot voedsel of tot
humanitaire hulp bij rampen.
De AIV zou verder willen benadrukken dat de opvatting dat de implementatie van
mensenrechten een nationale aangelegenheid is, in essentie correct is, maar ook tot
misverstanden kan leiden. Mensenrechten hebben evenzeer een bovennationaal karakter
en worden ook door internationale (rechterlijke) instanties toegepast. Daarbij is het
van groot belang dat zij nationaal worden geïmplementeerd met inachtneming van de
beginselen en opvattingen die internationaal zijn ontwikkeld. De brief van 7 maart 2012
sluit dat overigens niet uit. Verder moet bij deze interactie tussen het nationale en het
internationale niveau ook worden gedacht aan recent ontwikkelde concepten als de
Responsibility to Protect, meer in het bijzonder de tweede en derde pijler daarvan. Met
de formele introductie van dat concept, in 2005, is eens te meer bevestigd dat naleving
van de rechten van de mens een legitieme zorg van de internationale gemeenschap is, in
normatieve alsook in praktische zin.
De AIV merkt voorts op dat de wijze waarop in de brief van 7 maart 2012 de term
rights-based approach wordt gebruikt een niet-houdbare tegenstelling lijkt te suggereren,
omdat ook een niet-juridische implementatie van een mensenrecht uiteindelijk datzelfde
mensenrecht als uitgangspunt neemt, en daarmee rights-based is. Neem als voorbeeld
                                                4
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>van een dergelijke verbinding tussen juridische en niet-juridische middelen, artikel 4 van
het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind, dat de partijen bij dat verdrag
opdraagt gebruik te maken van ‘all appropriate legislative, administrative and other
measures for the implementation of the rights recognized in the present Convention’ (cur-
sivering AIV). Verder stelt de rights-based approach een aantal normatieve uitgangspunten
uit relevante mensenrechtenverdragen centraal (bijvoorbeeld non-discriminatie en de
staat als primaire drager van verplichtingen en verantwoordelijkheden voor mensenrech-
ten) en draait deze tevens om participatie van alle betrokken partijen en om zaken als
het afleggen van publieke verantwoording van gezagsdragers. De middelen die binnen
de rights-based approach worden ingezet om gewenste doelen te bereiken kunnen der-
halve heel gevarieerd zijn en veel verder gaan dan het uitoefenen van individuele klacht-
rechten bijvoorbeeld.
Volgens de brief van de minister van Buitenlandse Zaken kunnen lokale cultuur en tradi-
tionele sociale instituties buiten beeld raken als gevolg van de veronderstelde nadruk op
in rechte afdwingbare individuele rechten, terwijl zij in bepaalde gevallen als aanknopings-
punten kunnen dienen bij het in de praktijk brengen van internationale mensenrechten-
verplichtingen. De receptorbenadering wil deze lokale aanknopingspunten zichtbaar
maken en gebruiken. De AIV merkt op dat rekening houden met de lokale context van
mensenrechten allesbehalve nieuw is. In 1998 bracht de AIV een advies uit getiteld
‘Rechten van de mens en culturele verscheidenheid’.4 De AIV schreef daarin dat ‘bij de
beantwoording van de vraag hoe culturele diversiteit zich verhoudt tot universaliteit van
mensenrechten voorop [dient] te staan dat mensenrechten (…) altijd binnen een speci-
fieke context moeten worden toegepast’. Verder wees de AIV erop dat ‘ondanks grote
overeenkomsten in verschillende culturen ten aanzien van mensenrechten, aanvaarding
van universaliteit van mensenrechtennormen niet [wil] zeggen dat deze normen ook in
alle gevallen uniform dienen te worden toegepast’: universaliteit is geen uniformiteit. De
AIV onderstreepte tevens ‘dat het internationale toezichtsysteem complementair [is] en
staten in een aantal gevallen een zekere beleidsvrijheid [toestaat] bij de implementatie
van mensenrechtennormen’. Ook gaf hij aan dat de reikwijdte van deze beleidsvrijheid in
hoge mate afhangt ‘van de ruimte die internationale verdragen en de bijbehorende toe-
zichtmechanismen toelaten’ – ‘gecontroleerde beleidsvrijheid’, in de woorden van de AIV
destijds –, onder de toevoeging dat die ruimte er ‘met betrekking tot een aantal kernrech-
ten, veelal behorend tot de categorie van niet-opschortbare rechten, in het geheel niet is’.
Het zou te ver voeren om dit complexe vraagstuk in dit beknopte briefadvies verder
te bespreken, maar duidelijk moet zijn dat wat nu de ‘receptorbenadering’ heet al
veel langer deel uitmaakt van het mondiale mensenrechtendebat. In haar reactie op
het advies schreef de regering onder meer dat zij ‘volledig [kan] instemmen met de
Raad dat niet naar culturele uniformiteit moet worden gestreefd’, maar dat het voor
het mensenrechtenbeleid van belang is ‘aanknopingspunten te vinden voor het kunnen
vaststellen van de verhouding tussen mensenrechten en plaatselijke culturele normen’,
dat het uitgangspunt is ‘dat het kunnen beleven van de eigen cultuur essentieel is
voor de eigenwaarde van de mens, zowel individueel als in groepsverband’, maar ook
dat de kern van de mensenrechten is ‘dat zij grenzen van staten, groepen en culturen
overstijgen en individuen waarborgen voor een menswaardig bestaan bieden. Het zijn
deze waarborgen die een universeel karakter hebben en die in elke culturele context
toepassing moeten vinden’. En, zo voegde de regering daaraan toe, ‘van belang hierbij is
om, met inachtneming van de universele geldigheid van mensenrechten, de mogelijkheden
4   AIV-advies nr. 4, Rechten van de mens en culturele verscheidenheid, Den Haag, juni 1998.
                                                      5
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>te betrekken die zich aandienen tot een lokaal begrip en een lokale interpretatie van
mensenrechten. Op deze wijze kan worden bevorderd dat vanuit culturele diversiteit wordt
bijgedragen tot het genot van de mensenrechten wereldwijd.’ Het woord ‘receptor’ wordt
niet gebruikt, maar verder is de redenering identiek aan de brief van 7 maart 2012.
In 2008 bracht de AIV op verzoek van de regering opnieuw advies uit over de
universaliteit van mensenrechten, ditmaal onder de titel ‘Universaliteit van de Rechten
van de Mens; principes, praktijk en perspectieven’.5 In dat advies werd opgemerkt
dat mensenrechten alleen gerealiseerd kunnen worden als ze verankerd worden
in het lokale culturele idioom. ‘Culturele diversiteit dient niet slechts aanvaard of
getolereerd, maar ook verwelkomd te worden, mits er sprake is van overeenstemming
met de mensenrechtennormen.’ In het advies werd verder uitvoerig verwoord welke
beleidsruimte staten hebben bij de toepassing van universele mensenrechtennormen.
In haar reactie op dat advies schreef de regering dat het internationale recht ‘terecht
(…) ruimte [laat] voor cultuurbepaalde invullingen van meer perifere onderdelen van het
mensenrechtenacquis’, maar dat er ‘tegelijkertijd [voor] moet worden gewaakt dat lokale
tradities en gewoonten niet worden gehanteerd als excuus om fundamentele rechten
hun gelding te ontzeggen en kernelementen van het mensenrechtenacquis tijdelijk of
permanent terzijde te schuiven.’ De brief van 7 maart 2012 is overigens in lijn met die
waarschuwende woorden.
In de brief stelt de minister dat ‘met een opgeheven vingertje landen aanspreken niet
effectief [is]’, dat ‘dialoog en concrete samenwerking om de mensenrechtensituatie te
verbeteren meer nut [hebben]’, en dat ‘het dus [gaat] om communicatie in plaats van
confrontatie’. De AIV onderschrijft de opvatting dat ‘het opgeheven vingertje’ niet de
voorkeur heeft. Het komt al snel over als belerend en de wijsheid in pacht hebbend, al
moet tegelijkertijd worden aangetekend dat het verschil tussen ‘opgeheven vinger’
− blijkens bovenstaand citaat ook te lezen als confrontatie − en communicatie lang niet
altijd helder is. In het algemeen echter geldt in de visie van de AIV dat andere staten wel
degelijk kunnen worden aangesproken op de naleving van universele mensenrechten
zonder hen de les te lezen (‘opgeheven vinger’). Daarvoor is onder meer nodig dat zoveel
mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande juridische verplichtingen, zodat debatten
worden geobjectiveerd, dat er een open oog is voor reële tekortkomingen en afwegingen
in de landen in kwestie, en van het in acht nemen van de eigen geloofwaardigheid:
practice what you preach, zoals de minister pleegt te zeggen en ook schreef in zijn brief
van 7 maart 2012.
De regering geeft de voorkeur aan dialoog en samenwerking. Met inachtneming van
bovenstaande kanttekeningen onderschrijft de AIV die visie, maar hij merkt ook op dat
allerlei vormen van internationale en bilaterale dialoog en samenwerking vaak worden
aangedreven door pragmatiek en economische motieven, waarbij fundamentele waarden
en normen al snel het risico lopen naar de achtergrond te verdwijnen. Nederland dient,
samen met de EU-partners, ook steeds de principiële standpunten te blijven uitdragen.
Mensenrechtenconsultaties, openbare verklaringen en demarches maken in de visie
van de AIV deel uit van de dialoog en de samenwerking, of zijn daaraan, desgewenst,
complementair, afhankelijk van hoe de woorden dialoog en samenwerking worden
opgevat. Het Nederlandse mensenrechtenbeleid maakt overigens al decennia gebruik
van deze mix van instrumenten, zoals ook al expliciet verwoord in de eerste grote
5   AIV-advies nr. 63, Universaliteit van de Rechten van de Mens: principes, praktijk en perspectieven,
    Den Haag, november 2008.
                                                       6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>mensenrechtennota uit 1979.6 Destijds werd gesteld dat de noodzaak om de relatie
tussen Oost en West stabiel te houden, niet betekent dat men vanuit het Westen altijd
‘iedere vorm van wrijving met Oosteuropese regeringen zou dienen te vermijden’ en dat
er van ‘wrijvingen in de Oost-Westverhouding op langere termijn (…) [zelfs] een heilzame
invloed op die verhouding zou kunnen uitgaan’. Het was een eigentijdse formulering die
zich nog steeds laat hanteren.
Over de wijze waarop de receptorbenadering in de praktijk van het buitenlands beleid
wordt toegepast schrijft de regering dat zij het hele beleidsinstrumentarium zal blijven
inzetten. De AIV steunt die lijn, maar stelt vragen bij de relatieve zwaarte van de in te
zetten middelen. Het gaat in de visie van de AIV dan om de onderlinge balans tussen en
de maatvoering bij de verschillende aspecten. Ook moet de introductie van het woord
‘receptorbenadering’ er niet toe leiden dat cruciale elementen uit het mensenrechten-
beleid wegvallen. Zo zou een te zwaar accent op de receptorbenadering ertoe kunnen
leiden dat het mensenrechtenbeleid zich al te sterk gaat richten op de lokale cultuur en
traditionele sociale instituties, waardoor de slachtoffers van mensenrechtenschendingen
als gevolg van traditionele culturele praktijken buiten beeld raken. De slachtoffers
moeten centraal blijven staan in het mensenrechtenbeleid. Verder brengt een te sterke
nadruk op lokale instituties een risico met zich mee dat het middel investeren in recep-
toren tot doel op zichzelf wordt verheven zonder dat wordt bekeken in welke mate het
hoofddoel waarborgen van universele mensenrechten dichterbij komt. Ook hier geldt dat
andere staten en onafhankelijke toezichthoudende organen een belangrijke rol hebben te
spelen, van signaleren tot aanspreken en zo nodig veroordelen. En zoals hiervoor aange-
geven hoeft dat, indien aangehaakt wordt bij het bestaande juridische instrumentarium
en de juiste toonzetting wordt gebruikt, niet met het ‘opgeheven vingertje’.
Tijdens de eerdergenoemde behandeling van de begroting van het ministerie van
Buitenlandse Zaken voor 2012 merkte een aantal leden van de Tweede Kamer nog op
dat de universaliteit van de mensenrechten onder druk zou komen te staan bij toepassing
van de receptorbenadering. In reactie daarop antwoordde de minister dat het er vooral om
gaat dat Nederland en de EU-landen aanspreken op de verdragen die deze zelf hebben
ondertekend en geratificeerd. De AIV deelt deze lijn, maar tekent daarbij aan dat juist
ook landen die die verdragen niet hebben geratificeerd op de naleving van de rechten
van de mens moeten en mogen worden aangesproken. Het is immers een kenmerk van
universaliteit dat de gelding van deze rechten niet afhankelijk is van ondertekening of
ratificatie van verdragen. Verder wil de AIV hier nogmaals onderstrepen, in lijn met zijn
advies uit 2008, hoe belangrijk het is het concept van de universaliteit aan te vullen
met dat van de ‘universalisering’ van de rechten van de mens, waarbij het accent tevens
komt te liggen op het procesmatige van de realisering ervan (los van de rechten die
geen enkele inbreuk toestaan). De regering schreef in haar reactie op het advies dat zij
‘universaliteit – de overtuiging dat ieder mens gelijk in rechten is geboren – [beschouwt]
als een vaststaand gegeven, dat onafhankelijk is van de mate waarin het beginsel wordt
onderschreven’, en dat voor het proces van aanvaarding daarvan begripsmatig inderdaad
beter een andere term kan worden gekozen, ‘zoals de door de AIV gehanteerde term
‘universalisering’’. De basis daarvan: op alle mogelijke manieren en met gebruikmaking
van de variëteit aan beschikbare middelen zorgen dat de rechten van de mens wortel
schieten in lokale culturen, niet in de laatste plaats omdat zij anders als lichaamsvreemd
element zullen worden afgestoten.
6   ‘De rechten van de mens in het buitenlands beleid’, Tweede Kamer der Staten-Generaal, 15571, nrs. 1-2,
    3 mei 1979.
                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Overigens zou de brief van de regering over de receptorbenadering aan duidelijkheid
hebben kunnen winnen als de regering ofwel een voorbeeld zou hebben gegeven van een
situatie in de afgelopen jaren waar de niet-toepassing van de receptorbenadering een
gemiste kans is geweest ofwel een theoretische casus zou hebben geschetst waarin
deze benadering tot een optimaal resultaat zou hebben geleid.
De pilotprojecten
In zijn brief van 7 maart jl. kondigt de minister van Buitenlandse Zaken twee
pilotprojecten aan die beogen de mogelijkheden voor toepassing van de
receptorbenadering verder uit te werken. Het eerste project betreft het assisteren van
staten bij het nakomen van hun verdragsrapportageverplichtingen; het tweede betreft de
opzet van een academische mensenrechtendialoog tussen de EU en China. Dit laatste
project heeft tot doel na te gaan in hoeverre in China stappen kunnen worden gezet om
de implementatie te bevorderen van door China onderschreven mensenrechtenverdragen.
De minister heeft aangekondigd het verloop van de pilot in 2013 te zullen evalueren.
In de ogen van de AIV is voor de evaluatie cruciaal wat de vraagstelling wordt. Staten
die assistentie krijgen bij het opstellen van hun statenrapportages zullen zonder twijfel
in staat zijn betere rapporten aan te leveren, maar de vraag is vervolgens in hoeverre
dat leidt tot een beter en toegespitst toezicht op de naleving van die verdragen en meer
bereidheid dit te ondergaan, met inbegrip van een internationaalrechtelijk verantwoorde
verdeling tussen de eerder genoemde beleidsvrijheid en de controle daarop. Zal de
evaluatie inderdaad kunnen leiden tot het vinden van ‘goede aanknopingspunten om de
validiteit van de receptorbenadering te toetsen’, zoals de regering schrijft – wat op zich
een valide wetenschappelijk doel is – of gaat het om meer, bijvoorbeeld om de vraag of
de toepassing van de receptorbenadering daadwerkelijk heeft geleid tot een verbetering
van de mensenrechtensituatie in de landen waarop de pilots zich richten? Wat betreft
het tweede project zou het ook interessant zijn indien de pilot in China zich niet zou
beperken tot door China geratificeerde mensenrechtenverdragen (zoals de Internationale
Verdragen inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en de Rechten van het
Kind), maar juist ook zou zoeken naar aanknopingspunten voor tenuitvoerlegging van
de vele verdragen die China niet heeft geratificeerd, zoals het Internationale Verdrag
inzake Burgerlijke en Politieke Rechten. Voor beide projecten zou vanuit wetenschappelijk
gezichtspunt ook een methodologisch goed onderbouwde nulmeting noodzakelijk zijn,
hetgeen in de praktijk echter onmogelijk lijkt. De vraag is dan waarmee de eindsituatie
zal worden vergeleken teneinde vast te kunnen stellen of het beoogde effect inderdaad is
opgetreden.
Conclusie
De receptorbenadering lijkt langzamerhand uit te groeien tot een centraal concept in
het buitenlands beleid. Met het uitgangspunt van deze benadering – aandacht voor de
lokale context waarbinnen mensenrechtenverplichtingen moeten worden nagekomen – is
als zodanig niets mis. Het is ook een uitgangspunt dat al lang en breed wordt gedragen,
onder andere door de regering en de AIV, blijkens eerdere AIV-adviezen en regeringsreac-
ties daarop. Voorkomen moet echter worden dat de receptorbenadering wordt omarmd
als de enige of primaire benadering in het mensenrechtenbeleid. De onderkenning van
het belang van lokale instituties mag niet afleiden van de opdracht te blijven focussen
op universele waarborging van de rechten van de mens, ook, en soms juist, wanneer
een land bepaalde mensenrechtenverdragen niet heeft geratificeerd. Dit vraagt om aan-
dacht voor het belang van ‘universalisering’ van de rechten van de mens. Investeren in
                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>receptoren kan daarbij een veelbelovende strategie zijn, maar evengoed kan een andere
strategie meer effect sorteren, bijvoorbeeld wanneer lokale cultuur mensenrechten-
schendingen van bepaalde groepen of individuen in de hand werkt, of wanneer er geen
enkel zicht is op de mate waarin receptoren zullen bijdragen aan daadwerkelijke verbete-
ring van de mensenrechtensituatie.
Theorie en praktijk in het internationale mensenrechtenbeleid gaan al geruime tijd uit
van de noodzaak een juist evenwicht te vinden tussen een rechtenbenadering met
bijbehorende handhavingsmechanismen enerzijds, en investeren in het maatschappelijk
middenveld en sociale instituties anderzijds. Het zou een stap achteruit zijn wanneer de
regering, geïnspireerd door een nieuwe metafoor voor een al oud inzicht, deze balans
zou laten doorslaan naar één kant van het spectrum. Belangrijk is een goede balans en
maatvoering te vinden in het brede instrumentarium dat het mensenrechtenbeleid al
decennia kent.
                                             9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>                                                                                           Bijlage 1
Tweede Kamer der Staten-Generaal
                                                                                               2
Vergaderjaar 2011–2012
32 735                 Mensenrechten in het buitenlands beleid
Nr. 48                 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
                       Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
                       Den Haag, 7 maart 2012
                       Op 29 juni 2011 heeft uw Kamer een motie aangenomen van de leden Van
                       der Staaij, Dijkhoff, Van Bommel en Çörüz, waarin het kabinet wordt
                       verzocht om een pilot receptorbenadering te laten uitvoeren (Kamerstuk
                       32 735, nr. 19). In reactie op het verzoek van de vaste commissie van
                       Buitenlandse Zaken zet ik hieronder mijn visie op de receptorbenadering
                       en de stand van zaken van de uitvoering van de pilot uiteen.
                       De receptorbenadering op hoofdlijnen
                       De receptorbenadering benadrukt dat mensenrechten universeel zijn,
                       maar dat de implementatie ervan een nationale aangelegenheid is. De
                       meeste Westerse staten geven de voorkeur aan een zogeheten rights-
                       based approach, die erop neerkomt dat zij hun internationale verplich-
                       tingen omzetten door nationale wetgeving aan te nemen en in rechte
                       afdwingbare individuele rechten toe te kennen. Niet-westerse landen
                       kiezen er soms voor om bij de implementatie van internationale mensen-
                       rechtenverplichtingen gebruik te maken van niet-juridische sociale
                       instituties, zoals religieuze en maatschappelijke organisaties, academici,
                       vrouwenorganisaties, etc. Het universele karakter van mensenrechten
                       staat daarbij niet ter discussie. Het past geheel binnen de beginselen van
                       het volkenrecht dat deze staten ook gebruik maken van dergelijke lokale
                       sociaal-culturele arrangementen om hun mensenrechten-verplichtingen
                       getrouw na te komen. Zoals receptoren in een cel nodig zijn om een
                       biologisch proces op gang te brengen, zo kunnen ook deze sociaal-
                       culturele aanknopingspunten dienen als «receptoren» om een maatschap-
                       pelijk proces gericht op bevordering van mensenrechten te stimuleren.
                       Er wordt vanuit de internationale gemeenschap druk op deze staten
                       uitgeoefend om zich uitsluitend te richten op een rights-based implemen-
                       tatie van mensenrechtenverplichtingen. Dit kan praktische voortgang in de
                       weg staan. Als gevolg daarvan raken de lokale cultuur en traditionele
                       sociale instituties buiten beeld, terwijl zij in bepaalde gevallen als
                       effectieve vehikels kunnen dienen bij het in de praktijk brengen van
kst-32735-48
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2012     Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 48                          1
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>internationale mensenrechtenverplichtingen. De druk om te komen tot
een uniforme wijze van implementatie, die niet dwingend wordt voorge-
schreven door de mensenrechtenverdragen, leidt tot afkeer jegens en
vervreemding van het stelsel van mensenrechtenbescherming in het
Oosten en het Zuiden.
De receptorbenadering is erop gericht de sociaal-culturele oplossingen
voor implementatie die niet-Westerse landen er naast juridische instru-
menten op na houden, zichtbaar te maken en te gebruiken. Deze
benadering geeft ook aan hoe dergelijke staten, als hun bestaande sociale
instituties niet toereikend zijn om aan hun verplichtingen te voldoen,
daarop kunnen voortbouwen met behulp van oplossingen van eigen
kweek.
De receptorbenadering gaat uit van de gedachte dat mensenrechtenbe-
scherming wordt versterkt als bij de implementatie wordt vertrouwd op
lokale sociale instituties. Deze worden eerst geïdentificeerd en vervolgens
waar nodig versterkt. Dat betekent dat de bestaande instituties zoveel
mogelijk worden aangevuld met verbeteringen van eigen bodem en niet
per se met Westerse concepten.
De receptorbenadering in de praktijk van het buitenlands beleid
In mijn beleid blijft universaliteit van mensenrechten het uitgangspunt. In
de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staan de minimum-
eisen waar het gedrag van overheden tegenover burgers aan dient te
voldoen. Voor de bevordering en implementatie van mensenrechten door
Nederland zet ik het gehele beleidsinstrumentarium in, met daarbij de
mensenrechtenstrategie «Verantwoordelijk voor Vrijheid» als basis. Ik ben
van mening dat de Nederlandse inzet voor mensenrechten doelgericht
moet zijn en neem daarom effectiviteit en selectiviteit als uitgangspunten
voor mijn beleid. Mijn uitgangspunt is «practice what you preach»: landen
moeten gehouden worden aan de verdragen die zij getekend hebben.
Echter, met een opgeheven vingertje landen aanspreken is niet effectief.
Dialoog en concrete samenwerking om de mensenrechten situatie te
verbeteren hebben meer nut. Het gaat dus om communicatie in plaats van
confrontatie. Niet de manier waarop een land de rechten van burgers
verzekert telt, maar dat die rechten verzekerd zijn. Ik zie ruimte voor deze
benadering. We moeten bekijken wat in een land al gebeurt en daar bij
aan trachten te sluiten. Daar is ook een rol voor de ambassades
weggelegd. Een groot aantal ambassades heeft een gedelegeerd budget
ter beschikking voor de ondersteuning van lokale organisaties. Er wordt in
het veld gewerkt met bestaande sociale instituties zoals vrouwengroepen,
vakbonden, denktanks en maatschappelijke organisaties. Daarbij zijn
ownership en vraaggerichtheid belangrijke uitgangspunten, want alleen
dan is zo goed mogelijke aansluiting bij ontwikkelingen ter plaatse
gegarandeerd.
Pilotprojecten
Om de mogelijkheden voor toepassing van de receptorbenadering verder
uit te werken worden in samenwerking met de Universiteit Utrecht twee
pilotprojecten uitgevoerd:
1. Assisteren staten bij VN-mensenrechtenrapportages:
Onderzoekers zullen enkele staten assisteren bij het nakomen van hun
verdragsrapportageverplichtingen door het opstellen van het sociaal-
culturele deel van de rapportage in de vorm van een annex- of schaduw-
rapport. Het CEDAW (VN-vrouwenrechtenverdrag) biedt door de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 48                         2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>thematiek van het verdrag goede aanknopingspunten om de validiteit van
de receptorbenadering te toetsen. Ook zullen enkele landen benaderd
worden die hun rapportage voor het VN-verdrag inzake burger- en
politieke rechten (BUPO-verdrag) moeten opstellen. Zeker bij dit
BUPO-verdrag dat de meer klassieke mensenrechten zoals een verbod op
marteling en doodstraf bevat, zal het interessant zijn te toetsen in
hoeverre de receptorbenadering tot betere rapportageresultaten leidt.
2. Opzet academische mensenrechtendialoog EU-China
Er wordt een academisch netwerk opgezet met Chinese mensenrechten-
experts van diverse universiteiten. De Universiteit Utrecht beschikt reeds
over de nodige internationale contacten en heeft daarvoor enkele Chinese
en Europese universiteiten geïdentificeerd. Inhoudelijke seminars over de
receptorbenadering zullen worden georganiseerd. Doelstelling is te bezien
in hoeverre in China stappen kunnen worden gezet om de implementatie
te bevorderen van door China onderschreven mensenrechtenverdragen.
Ook een PhD-uitwisselingsprogramma maakt deel uit van de samen-
werking. De PhD-studenten gaan op zoek naar culturele en sociale
instituties en tradities in China die kunnen helpen bij de doorvoering en
de ontwikkeling van het Chinese mensenrechtenbeleid. Drie promoties
zullen worden gefinancierd over het onderwerp.
Ik ben van plan het verloop van de pilot in 2013 te evalueren. Ook zal ik,
zoals toegezegd tijdens de begrotingsbehandeling, later dit jaar een
expertbijeenkomst organiseren om verder van gedachten te wisselen over
de receptorbenadering.
De minister van Buitenlandse Zaken,
U. Rosenthal
Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 32 735, nr. 48                       3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 Europa inclusief, oktober 1997
 2 Conventionele wapenbeheersing: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 De doodstraf en de rechten van de mens: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid, juni 1998
 5 Europa inclusief II, november 1998
 6 Humanitaire hulp: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 commentaar op de criteria voor structurele bilaterale hulp, november 1998
 8 Asielinformatie en de europese unie, juli 1999
 9 Naar rustiger vaarwater: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 de ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie in de jaren negentig:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 Het functioneren van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens, september 1999
12 de igc 2000 en daarna: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 Humanitaire interventie, april 2000**
14 enkele lessen uit de financiële crises van 1997 en 1998, mei 2000
15 een europees handvest voor grondrechten?, mei 2000
16 defensie-onderzoek en parlementaire controle, december 2000
17 de worsteling van afrika: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18	Geweld tegen vrouwen: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 een gelaagd europa: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 europese Militair-industriËle samenwerking, mei 2001
21 Registratie van gemeenschappen op het gebied van godsdienst OF overtuiging, juni 2001
22 De wereldconferentie tegen racisme en de problematiek van rechtsherstel, juni 2001
23 Commentaar op de notitie mensenrechten 2001, september 2001
24 Een conventie of een conventionele voorbereiding: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 Integratie van gendergelijkheid: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 nederland en de organisatie voor veiligheid en samenwerking in europa in 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 een brug tussen burgers en brussel: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 Pro–poor growth in de bilaterale partnerlanden in sub–sahara afrika: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking, april 2003
31 Militaire samenwerking in Europa: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies een brug tussen burgers en brussel: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 De Raad van Europa: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 Nederland en crisisbeheersing: drie actuele aspecten, maart 2004
35 Falende staten: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 Preëmptief optreden, juli 2004**
37 Turkije: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 De verenigde naties en de rechten van de mens, september 2004
39 Dienstenliberalisering en ontwikkelingslanden: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>40 De Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 De invloed van cultuur en religie op ontwikkeling: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43	Migratie en ontwikkelingssamenwerking: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 Nederland in de veranderende EU, NAVO en VN, juli 2005
46 Energiek Buitenlands beleid: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47	HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 Maatschappij en Krijgsmacht, april 2006
49 Terrorismebestrijding in mondiaal en Europees perspectief, september 2006
50 Private sector ontwikkeling en armoedebestrijding, oktober 2006
51 De rol van NGO’s en bedrijven in internationale organisaties, oktober 2006
52 Europa een prioriteit!, november 2006
53	BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 Met het oog op China: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 Inzet van de krijgsmacht: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 Het VN-Verdragssysteem voor de Rechten van de Mens: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 De financiËn van de europese unie, december 2007
59 De inhuur van private militaire bedrijven: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 Nederland en de Europese Ontwikkelingssamenwerking, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN De EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 Klimaat, energie en armoedebestrijding, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 Transitional Justice: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 Demografische veranderingen en ontwikkelingssamenwerking, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 De EU en de crisis: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70	Nederland en de ‘Responsibility to Protect’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71	HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72	Piraterijbestrijding op zee: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73	Het mensenrechtenbeleid van DE Nederlandse regering: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ontwikkelingsagenda na 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75	Hervormingen in de arabische regio: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76	HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 Digitale Oorlogvoering, december 2011**
78 Europese defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
  1	Briefadvies uitbreiding Europese Unie, december 1997
  2	Briefadvies VN-Comité tegen Foltering, juli 1999
  3	Briefadvies Handvest Grondrechten, november 2000
  4	Briefadvies over de toekomst van de Europese unie, november 2001
  5	Briefadvies Nederlands voorzitterschap EU 2004, mei 2003****
  6	Briefadvies Resultaat Conventie, augustus 2003
  7	Briefadvies Van binnengrenzen naar buitengrenzen - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
  8	Briefadvies De Ontwerp-Declaratie inzake de Rechten van Inheemse Volken.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9	Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10	Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11	Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12	Briefadvies Reactie op de mensenrechtenstrategie 2007, november 2007
13	Briefadvies Een ombudsman voor ontwikkelingssamenwerking, december 2007
14	Briefadvies Klimaatverandering en Veiligheid, januari 2009
15	Briefadvies Oostelijk Partnerschap, februari 2009
16	Briefadvies Ontwikkelingssamenwerking: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17	Briefadvies Kabinetsformatie 2010, juni 2010
18	Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
19	Briefadvies Naar een versterkt financieel-economisch bestuur in de EU, februari 2012
20	Briefadvies Nucleair programma van Iran: Naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie
      voor Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>