<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Vicevoorzitter Prof.dr. A. van Staden
Leden          Mw. prof.dr. J. Gupta
               Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin
               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
               Mw. prof.dr. M.E.H. van Reisen
               LGen b.d. M.L.M. Urlings
               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB Den Haag
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               aiv@minbuza.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gecombineerde Commissie Internationale Positie van Nederland
Voorzitter         Prof.dr. A. van Staden
Vicevoorzitter     LGen b.d. M.L.M. Urlings
Leden              Mw. prof.dr. M.G.W. den Boer
                   Drs. T.P. Hofstee
                   Dr. A.R. Korteweg
                   Prof.dr. K. van Paridon
                   Drs. J. Ramaker
Externe deskundige Prof.dr. A.W.M. Gerrits
Secretaris         Mw. drs. M.E. Kwast-van Duursen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
I         Gordel van instabiliteit aan de grenzen van Europa    7
          I.1     Rusland en Oekraïne     7
          I.2     Midden-Oosten en Noord-Afrika   12
II        Implicaties voor de EU en de NAVO    17
          II.1    Beleidsopties EU   17
          II.2    Beleidsopties NAVO    22
III       Implicaties voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid van Nederland    28
          III.1   De ‘gordel van instabiliteit’ en Nederland    28
          III.2   Prioriteiten   28
          III.3   Nederland en de EU    33
          III.4   Nederland en de NAVO    35
          III.5   Defensie-inspanningen van Nederland   36
IV        Conclusies en aanbevelingen   43
          IV.1    Conclusies   43
          IV.2    Aanbevelingen   46
Bijlage I         Overzicht gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Het internationale speelveld waarin het buitenlands- en veiligheidsbeleid van
Nederland zich vormt, verandert snel en ingrijpend. De betekenis van buitenlandse
ontwikkelingen laat zich ook sterk binnenlands voelen. Met het ingrijpen van
Rusland in Oekraïne, de opmars van de Islamitische Staat in Syrië en Irak (ISIS) en de
desintegratie van Libië, is aan de grenzen van Europa een ‘gordel van instabiliteit’
ontstaan die een directe bedreiging vormt voor de veiligheid van Europa. Het jaar
2014 wordt ook wel een ‘scharnierpunt’ of ‘waterscheidingsmoment’ genoemd. Meer
specifiek met betrekking tot Rusland wordt gesproken over de terugkeer van de
Koude Oorlog of de Koude Oorlog 2.0.1 Traditionele fenomenen in de internationale
betrekkingen, zoals geopolitiek, machtspolitiek en invloedssferen, zijn weer
nadrukkelijk aanwezig. De veiligheid van Europa neemt opnieuw een prominente
plaats in het politieke debat in.
Deze ontwikkelingen blijven niet zonder gevolgen voor het functioneren van de Noord-
Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en de Europese Unie (EU), de twee organisaties
die sinds lange tijd de belangrijkste kaders vormen voor de vaststelling en uitvoering
van het buitenlands- en veiligheidsbeleid van Nederland. Voor de NAVO lijkt de crisis
in Oekraïne het karakter van een wake-up call te hebben. Het belang van vrede en
veiligheid, de betekenis van de trans-Atlantische samenwerking en de waarde van
collectieve verdediging als kerntaak van de NAVO staan weer volop in de aandacht.
De EU werd geconfronteerd met het conflict rond Oekraïne op een moment waarop zij
nauwelijks was hersteld van de eurocrisis. Met de afkondiging van een substantieel
sanctiepakket tegen Rusland heeft de EU grote eensgezindheid aan de dag gelegd, maar
het kost de nodige moeite om alle EU-lidstaten op één lijn te houden. De conflicten
in Syrië, Irak en Libië vormen voor de EU eveneens een grote uitdaging. De grote
vluchtelingenstromen naar Zuid-Europa en het potentiële gevaar van terroristische
aanslagen door teruggekeerde jihadstrijders vereisen Europese maatregelen. Zowel
de instabiliteit aan de oost- als aan de zuidflank dwingt Europa om daadwerkelijk
meer verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid te nemen. Ook de strategic
rebalancing van de Verenigde Staten (VS) richting Zuidoost-Azië, dwingt de EU deze
verantwoordelijkheid niet langer te ontlopen.2
Wat betekent het voorgaande voor de internationale positie van Nederland? Nederland
profileert zich nog altijd als middelgroot land in Europa.3 De machtspositie en
invloed van Nederland zijn de afgelopen decennia echter verminderd en het is de
vraag of Nederland zichzelf deze status nog kan aanmeten. De verschillende
uitbreidingen van de EU en de NAVO, de gewijzigde machtsverhoudingen in Europa,
de relatieve teruggang van ‘het Westen’, de verzwakking van het multilateralisme, de
afgenomen financiële middelen voor het buitenlands-, veiligheids- en defensiebeleid
1  Opmerkelijk is dat zes jaar voordat Rusland de Krim annexeerde de Engelse Ruslandkenner Edward Lucas
   sprak over een nieuwe Koude Oorlog als gevolg van de politiek van president Poetin. Zie: Edward Lucas
   ‘The New Cold War: Putin’s Russia and the Threat to the West’. London, 2008.
2  Zie: AIV-advies, nummer 86, ‘Azië in opmars. Strategische betekenis en gevolgen’. Den Haag, december
   2013.
3  Brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
   ‘Staat van de Europese Unie 2015’, Den Haag, 23 februari 2015, Kamerstuk 34 166, nr. 1, p. 10.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>en het afkalvende binnenlandse draagvlak zijn evenzovele factoren die hebben geleid
tot een afnemende invloed van Nederland.4
Hoewel de crises aan de oost- en aan de zuidflank overeenkomsten vertonen (zoals de
aanwezigheid van zwakke staten) zijn ze verschillend van aard. Het feit dat de crises
samenvallen in tijd rechtvaardigt het om te spreken over een ‘gordel van instabiliteit’.
Deze instabiliteit aan de grenzen van Europa raakt de belangen van Nederland op
verschillende terreinen: de nationale veiligheid, de economische welvaart en de
energiezekerheid.
De volgende vragen staan centraal in dit advies:
1. Hoe moeten de ontwikkelingen aan de grenzen van Europa worden beoordeeld? Is
   er inderdaad sprake van een ‘gordel van instabiliteit’ en zal Europa hiermee voor
   een langere periode te maken hebben?
2. Op welke manieren dienen de EU en NAVO (verder) te reageren op de uitdagingen
   aan de flanken van Europa? Welke opties dienen zich hierbij aan en wat is de
   impact van de Amerikaanse ‘draai’ richting Zuidoost-Azië?
3. Welke Nederlandse belangen zijn in het geding en in hoeverre wordt de
   Nederlandse veiligheidssituatie bedreigd door de ontwikkelingen aan de oost- en
   zuidflank van Europa? Hoe kunnen deze belangen het beste worden behartigd c.q.
   beschermd? Wat zijn de implicaties voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid en
   de defensie-inspanningen van Nederland?
Dit advies bestrijkt niet het gehele domein van het Nederlands buitenlands beleid,
maar richt zich op de implicaties van de ontwikkelingen aan de oostelijke en
zuidelijke grenzen van Europa en het concentreert zich op het veiligheids- en
defensiebeleid van Nederland. De rol en positie van Nederland in de Verenigde Naties
(VN) vallen eveneens buiten het bestek van dit advies.
Hoofdstuk I schetst een analyse van de actuele veiligheidsontwikkelingen aan de
oost- en zuidflank van Europa. In Hoofdstuk II worden de beleidsopties van de EU en
de NAVO beschreven. Hoofdstuk III gaat in op de prioriteiten van het Nederlandse
veiligheidsbeleid, de positionering van Nederland in de EU en de NAVO en de defensie-
inspanningen van Nederland. Hoofdstuk IV bevat de conclusies en de aanbevelingen.
Het advies, dat de AIV op eigen initiatief uitbrengt, is opgesteld door een
gecombineerde commissie bestaande uit prof.dr. A. van Staden (AIV/CVV, voorzitter),
LGen b.d. M.L.M. Urlings (AIV/CVV, vicevoorzitter), mw. prof.dr. M.G.W. den Boer
(CEI), drs. T.P. Hofstee (CMR), dr. A.R. Korteweg (CVV), prof.dr. K. van Paridon (CEI),
drs. J. Ramaker (CVV) en prof.dr. A.W.M. Gerrits (extern deskundige, Universiteit
van Leiden). Het secretariaat werd gevoerd door mw. drs. M.E. Kwast-van Duursen,
bijgestaan door de stagiaires R.R. Harding en mw. J. Schonewille. De ambtelijke
contactpersonen waren mw. drs. C.H.J. Veerman en T.C.A. El-Dardiry (MSc) namens
het ministerie van Buitenlandse Zaken en dr. H.W. van Santen namens het ministerie
van Defensie.
Het advies is door de AIV vastgesteld op 24 april 2015.
4  Zie onder andere Jan Rood, Nederland: zoekend naar houvast in een onzekere wereld, Duco Hellema,
   Mathieu Segers en Jan Rood (red.), Bezinning op het buitenland: het Nederlands buitenlands beleid in
   een onzekere wereld, Utrecht-Den Haag, 2011, pp. 217-224.
                                                    6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I        Gordel van instabiliteit aan de grenzen van Europa
De veiligheidsrisico’s aan de oostflank van Europa verschillen van die aan de zuidflank.
Aan de oostflank heeft Europa te maken met een regio die in veiligheidspolitiek
opzicht nauwelijks is geïntegreerd, met soms zwakke staten die kampen met interne
instabiliteit, maar vooral met een assertief, zelfs agressief Rusland dat expansiepolitiek
bedrijft. Rusland streeft naar uitbreiding van de invloedssfeer in het zogenoemde nabije
buitenland, dat grotendeels overeenkomt met de voormalige Sovjetunie. Aan de zuidflank
worden de Europese landen geconfronteerd met een breed palet aan veiligheidsrisico’s
(terrorisme, mensensmokkel, wapenhandel, terugkerende jihadstrijders) als gevolg van
zwakke of zelfs failed states als Irak, Syrië en Libië, waarvan grote delen op het moment
worden beheerst door ISIS. Deze veiligheidsrisico’s en conflicten hebben een aanzienlijk
spill-over potentieel naar Europa. Hoe dienen wij deze veiligheidsrisico’s te taxeren?
1.1      Rusland en Oekraïne
Nederland en de EU hebben weinig te verwachten van mogelijke politieke veranderingen in
Rusland in de voorzienbare toekomst. Rusland heeft het afgelopen decennium geprofiteerd
van de verschuivende mondiale machtsverhoudingen, waarin een terughoudender VS, een
in zichzelf gekeerd Europa en een voornamelijk regionaal assertief China kansen boden
voor versterking van de eigen internationale positie. Rusland heeft daarbij getracht zich
los te maken van de door de VS gedomineerde wereldorde. In de huidige multipolaire
ordening, waarin de grote mogendheden zowel concurreren als samenwerken op basis van
een zo groot mogelijke mate van autonomie, wenst Rusland als gelijkwaardige partner te
worden behandeld.
Binnenlandse politiek
Rusland heeft een gesloten politieke oligarchie die op autocratische wijze regeert.
De controle over de media, de rechtspraak en de politiek stelt de machthebbers in
Rusland in de gelegenheid rechtlijnig of juist buigzaam te handelen, de publieke opinie
te manipuleren, repressief op te treden en de oppositie te marginaliseren. De meeste
Russen verwachten dat veranderingen, als ze al plaatsvinden, vanuit het regime zelf
moeten komen. Het westerse concept van democratie, met een sterke nadruk op
individuele grondrechten en politieke vrijheden, spreekt weinig Russen aan. De inwoners
van Rusland zijn weliswaar gefrustreerd over hun rechteloosheid, over de bureaucratische
willekeur waaraan ze zijn overgeleverd, maar ze vertalen dit niet in een streven naar
politieke democratie. De kans op een ‘kleurenrevolutie’ is dan ook gering. Het lijkt erop
dat de Russische leiders de eigen bevolking meer wantrouwen dan de bevolking haar
leiders. Waarschijnlijk is de angst in het Kremlin voor een Russische Maidan-beweging veel
sterker dan het reële vooruitzicht op een dergelijke ontwikkeling.
De Russische politieke orde oogt stabiel. De elite heeft vooralsnog geen belang bij
ingrijpende politieke veranderingen en de meerderheid van de bevolking ziet hier geen
mogelijkheid en vooralsnog ook weinig reden toe. De conservatieve ommezwaai van
president Poetin en het huidige nationalisme kunnen worden begrepen als een (late)
poging een post-Sovjet politieke identiteit te creëren die de bestaande autoritaire orde
schraagt. Het nationalisme dient saamhorigheid te verschaffen en de volgzaamheid
die de autoritaire leiders denken nodig te hebben om zich te handhaven in een snel
veranderende internationale omgeving. Het conservatisme en nationalisme van president
Poetin (of in zijn eigen woorden ‘de macht van onze morele superioriteit’) sluiten goed aan
bij de overtuigingen van een aanzienlijk deel van de Russische bevolking.
                                               7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>De machtspositie van president Poetin wordt niet primair bepaald door de steun vanuit de
samenleving (hoewel die zeker relevant is), maar door de houding van de heersende elite.
Pas zodra deze elite zich in overwegende meerderheid afvraagt of een andere leider haar
belangen niet beter verdedigt – al dan niet als gevolg van grootschalige maatschappelijke
protesten – is de president in last. De AIV acht het niet erg waarschijnlijk dat deze situatie
zich op korte termijn zal voordoen, al heeft de Russische economie zwaar te lijden van
de lage olieprijs en de sancties. Mocht de positie van president Poetin wel in gevaar
komen, dan lijkt de continuïteit van de huidige politieke orde sterker dan de persoon van
de leider. Anders geformuleerd: Ruslands autoritaire politieke bestel zal president Poetin
waarschijnlijk overleven.
Buitenlandse politiek
In de visie van president Poetin vormen de binnenlandse politieke orde, het buitenlands
beleid en Ruslands internationale positie een onlosmakelijke drie-eenheid. Een sterke
staat is een voorwaarde voor een assertief, zelfverzekerd buitenlands beleid, dat
weer voorwaarde is voor een onafhankelijke, soevereine positie op het wereldtoneel.
Soevereiniteit is het sleutelbegrip. Het staat voor een machtspositie die geen inmenging
van buitenaf toestaat, die geen bedreiging inhoudt voor de binnenlandspolitieke orde
en de privileges van de huidige elite. Het staat ook voor een positie die een maximale
internationale bewegingsvrijheid mogelijk maakt, zeker in de eigen geopolitieke omgeving.
President Poetin meent dat Rusland door de oostwaartse uitbreiding van de NAVO is
vernederd. Hij meent ook dat Rusland behandeld is als een verslagen tegenstander.
Daarom moet voorkomen worden dat Rusland ooit nog zo zwak zal zijn dat het een
speelbal van andere mogendheden wordt.5
President Poetin lijkt na de oorlog in Georgië in 2008 twee conclusies te hebben getrokken.
Ten eerste bleek het mogelijk een conflict met een buurland gewapenderhand te beslechten
zonder ernstige schade aan de betrekkingen met het Westen te berokkenen. Ten tweede
bleek de noodzaak voor de modernisering van de krijgsmacht; de uitgaven voor de
strijdkrachten werden dan ook aanzienlijk opgeschroefd. In 2015 zal een derde van het
federale budget van Rusland worden besteed aan uitgaven voor defensie en veiligheid.
Van dit budget is een belangrijk deel geoormerkt voor de vernieuwing van de Russische
kernwapens. Kernwapens nemen een belangrijke rol in de Russische militaire doctrine
in. In vrijwel alle grote militaire oefeningen in de afgelopen jaren maakten simulaties met
kleinschalige inzet van kernwapens daar deel van uit. Rusland bedient zich voorts van
een breed scala aan methodes van hybride oorlogvoering. Hybride oorlogvoering is geen
nieuw fenomeen, maar de wijze waarop Rusland hiervan gebruikmaakt door middel van
bijvoorbeeld cyber- en informatie-operaties en inzet van energiebeleid, is dat wel. Prioriteiten
binnen het investeringsprogramma zijn strategische kernwapens, jachtvliegtuigen,
schepen en onderzeeboten, luchtverdediging, communicatie en inlichtingen.6 Het huidige
investeringsprogramma loopt tot 2020. Het nieuwe investeringsprogramma is met drie
5   “Above all, we should acknowledge that the collapse of the Soviet Union was a major geopolitical disaster
    of the century. As for the Russian nation, it became a genuine drama. Tens of millions of our co-citizens
    and compatriots found themselves outside Russian territory. Moreover, the epidemic of disintegration
    infected Russia itself.” Annual Address of President Putin to the Federal Assembly of the Russian
    Federation, 25 April 2005. Zie: <http://www.archive.kremlin.ru/eng/speeches/2005/04/25/2031_
    type70029type82912_87086.shtml>. Geraadpleegd op 5 maart 2015.
6   Zie: <http://www.cfr.org/russian-federation/russian-military/p33758>. Geraadpleegd op 3 maart 2015.
                                                       8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>jaar uitgesteld vanwege de economische en financiële problemen.7 Op 26 december
2014 werd de nieuwe militaire doctrine gepubliceerd die in veel opzichten lijkt op de vorige
doctrine uit 2010. Een belangrijk verschil is echter het feit dat de internationale dreiging
als veel ernstiger wordt beoordeeld, waarbij specifieke aandacht wordt geschonken aan
de vermeende versterking van de offensieve capaciteiten van de NAVO direct aan de
Russische grens.8 Een reeks nieuwe gevaren voor Rusland wordt geïdentificeerd: de
informatie-oorlog, politieke destabilisatie en mogelijke regime-change. Het is in het licht van
de eigen handelwijze ten opzichte van de zuidoostelijke gebieden van Oekraïne, opmerkelijk
dat Rusland strijdmethoden vreest als de inzet van special forces, gebruik van niet-
militaire middelen en misbruik van politiek protest – hybride oorlogvoering dus. Russische
bommenwerpers (waarvan de transponders doorgaans zijn uitgeschakeld) en Russische
schepen vertonen zich steeds vaker in het luchtruim boven Europa c.q. de wateren rond
Europa.9 Het voornemen bestaat om deze activiteiten verder uit te breiden.10 De Russische
militaire uitgaven sinds 2007 aanzienlijk zijn toegenomen. Weliswaar blijven deze uitgaven
ver achter bij het totaal van de Europese NAVO-landen, maar hierbij moet worden bedacht
dat de personeelslasten in deze landen op een veel hoger niveau liggen, terwijl ook meer
verspilling optreedt doordat elk land zijn eigen defensieorganisatie in stand houdt.
Figuur 1: De ontwikkeling van de defensiebudgetten van de Europese NAVO-landen en
Rusland in de periode 2007-201411
7   Trude Pettersen, ‘Economic crisis hits Russia’s armament program’, 19 February 2015.
    Zie: <http://www.barentsobserver.com/en/security/2015/02/economic-crisis-hits-russias-armament-
    program-19-02>. Geraadpleegd op 3 maart 2015.
8   Olga Oliker, ‘Russia’s new military doctrine: same as the old doctrine, mostly’, 15 January 2015.
    Zie: <http://www.rand.org/blog/2015/01/russias-new-military-doctrine-same-as-the-old-doctrine.html>.
    Geraadpleegd op 3 maart 2015.
9   Een transponder, een samentrekking van transmitter (uitzenden) en responder (antwoorden), zendt
    gegevens naar de radar van de verkeersleiding.
10 Damien Sharkov, ‘Russia to Expand International Patrol Flights’, 3 March 2015. Zie: <http://www.
    newsweek.com/russia-expand-patrol-flights-norway-and-finland-311065>. Geraadpleegd op 4 maart 2015.
    Zie voor de Russische militaire ontplooiing in het Noordpoolgebied en het strategische belang van de regio
    voor Rusland: AIV-advies nummer 90, ‘De toekomst van de Arctische regio: samenwerking of confrontatie’,
    Den Haag, september 2014.
11 The Economist, ‘What Russia wants. From cold war to hot war’, 14 February 2015. Zie: <http://www.
    economist.com/news/briefing/21643220-russias-aggression-ukraine-part-broader-and-more-dangerous-
    confrontation>. Geraadpleegd op 3 maart 2015.
                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>Het aantal grootschalige Russische oefeningen is eveneens toegenomen.12 Vooral
de Baltische staten maken zich zorgen over de Russische militaire activiteiten en
troepenconcentraties. Zo hield Rusland in november 2014 onverwachts een oefening in
Kaliningrad met 55 schepen, 9.000 militairen, 250 tanks, 100 artilleriestukken, eenheden
van de luchtmacht en de Iskander (SS-26) middellange afstand ballistische raketten. In
de Baltische staten is men vooral bevreesd dat Rusland onder het mom van bescherming
van Russische minderheden zichzelf op enig moment gelegitimeerd acht zich te mengen in
interne aangelegenheden van deze staten. Evenals op de Krim bestaat de vrees dat hierbij
hybride oorlogstechnieken toegepast zullen worden.13
Minister van Buitenlandse Zaken Linkevičius van Litouwen toonde zich verontrust over de
Russische militaire opbouw aan de grens, de propaganda in de richting van de Russische
minderheid en de cyberaanvallen op websites en bij bedrijven en de forse bewapening
van het naburige Kaliningrad.14 President Toomas Ilves van Estland sprak tegenover de
Daily Telegraph zijn zorgen uit over Rusland: ‘We get exercises [by Russia] that take place
behind our borders that have 40.000 to 80.000 soldiers. Yet we are accused of escalating
the situation…and Russia says that it will have to take counter-measures’. Om die reden
acht hij de permanente stationering van NAVO-eenheden noodzakelijk.15 De Britse minister
van Defensie Fallon sprak de vrees uit dat Rusland mogelijk in de Baltische staten op
dezelfde wijze zal opereren als in Oekraïne. Hij kwalificeerde de situatie rond deze landen
als een real and present danger en was bezorgd ‘about his [Putin] pressure on the Baltics,
the way he is testing NATO’.16
De internationale politiek van president Poetin wordt in Rusland zelf beschouwd als
een antwoord op de vermeende arrogantie en bemoeizucht van het Westen. Men ziet
Poetin als een krachtige leider die niet bang is de confrontatie met het Westen aan te
gaan. Vanuit Russisch perspectief was het jaar 2014 in lang niet alle opzichten slecht.
De relaties met China hebben niet zichtbaar geleden onder de oorlog in Oekraïne en de
annexatie van de Krim. De gas deal die Rusland en China het afgelopen jaar sloten, had
in politiek opzicht niet op een beter moment kunnen komen, ondanks de relatief lage
12 Thomas Grove, ‘Russia starts nationwide show of force’, 16 March 2015. Zie: <http://www.reuters.com/
    article/2015/03/16/us-russia-military-exercises-idUSKBN0MC0JO20150316>. Geraadpleegd op 29
    maart 2015.
13 Estland en Letland hebben grote etnische Russische minderheden, respectievelijk 24 en 27% van
    hun bevolking, in Litouwen behoort 6% van de bevolking tot de etnische Russen. Het aantal Russisch
    sprekende inwoners bedraagt respectievelijk 30, 34 en 15%. Deze inwoners zijn in hoofdzaak aangewezen
    op Russische media. Agnia Grigas, ’Russia-Baltic relations after Crimea’s annexation: reasons for
    concern?’, Parijs, 2014.
14 Umberto Bacchi, ‘Vladimir Putin hybrid war in Baltics: Lithuania calls for EU unity amid Russian
    cyberattacks’, 2 April 2015. Zie: <http://www.ibtimes.co.uk/vladimir-putin-hybrid-war-baltics-lithuania-
    calls-eu-unity-amid-russian-cyberattacks-1494820>. Geraadpleegd op 14 april 2015.
15 ‘Estonia President Toomas Ilves seeks permanent Nato force’, 12 April 2015. Zie: <http://www.bbc.com/
    news/world-europe-32274170>. Geraadpleegd op 14 april 2015.
16 ‘Russia a threat to Baltic states after Ukraine conflict, warns Michael Fallon’, 19 February 2015. Zie:
    <http://www.theguardian.com/politics/2015/feb/19/russia-a-threat-to-baltic-states-after-ukraine-conflict-
    warns-michael-fallon#img-1>. Geraadpleegd op 14 april 2015.
                                                      10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>prijs die China wist te bedingen. Verder heeft Rusland zijn positie in het Midden-Oosten
geconsolideerd.
In de buitenlandse politiek van Rusland hebben de betrekkingen met de omringende
landen (de voormalige Sovjetrepublieken) prioriteit, met specifieke aandacht voor de
Russische minderheden. Op de korte termijn lijkt de annexatie van de Krim voor president
Poetin vooral binnenlands politieke winst te hebben gebracht. De Russische invloed in
Oekraïne blijft verzekerd en de ontwikkeling in een Rusland onwelgevallige richting wordt
op zijn minst vertraagd. De ‘terugkeer’ van de Krim of de ‘hereniging’ met Rusland, de
terminologie waarmee de annexatie van het schiereiland in Rusland wordt aangeduid, kon
in Rusland op groot enthousiasme rekenen. De sancties door de EU en de VS daargelaten,
lijken veel landen zich neer te leggen bij de annexatie. De directe militaire inmenging
verzekert Rusland van blijvende invloed in Oekraïne en een aanhoudende destabilisatie
van het land.17
Op de langere termijn lijken de voordelen echter minder evident. De machthebbers en
een meerderheid van de bevolking in Oekraïne zijn nu vooral geneigd naar het Westen te
kijken, ideologisch, economisch en veiligheidspolitiek. De Russische economie is ernstig
verzwakt. De lage olieprijs en het opleggen van sancties hebben tot een val van de roebel
geleid. De tegensancties zorgen voor hoge voedselprijzen en de economie krimpt. Dit
maakt het moeilijker (maar niet onmogelijk) om de confrontatie met het Westen lange
tijd vol te houden. De annexatie van de Krim heeft wellicht ook gevolgen voor Ruslands
belangrijkste initiatief in de regio, de Euraziatische Economische Unie (EEU). Belarus en
Kazachstan, met Rusland oprichters van de EEU, lijken nu aanzienlijk minder enthousiast
over het samenwerkingsverband. Het optreden van Rusland in Oekraïne, gelegitimeerd
met de (zelfopgelegde) verplichting op te komen voor de ‘Russen’ buiten Rusland, wordt
met argusogen bekeken door landen die zelf aanzienlijke Russische minderheden binnen
de grenzen hebben. Bovendien maken de economische problemen in Rusland en vooral
de roebelcrisis nauwe economische samenwerking met de grote buurstaat steeds minder
aantrekkelijk.
Conclusie
Er is naar de mening van de AIV weinig reden te veronderstellen dat in de voorzienbare
toekomst ingrijpende veranderingen in de binnen- en buitenlandse politiek van
Rusland zullen plaatsvinden. De maatschappelijke consequenties van de financiële en
economische crisis kunnen aanzienlijk zijn, maar ze zullen mede vanwege de grootschalige
en consequente propaganda vooralsnog niet leiden tot een massale roep om politieke
veranderingen vanuit de samenleving of tot een mate van verdeeldheid binnen de elite die
een direct gevaar oplevert voor het huidige regime of de politieke orde. Het conflict met
Oekraïne heeft aanzienlijke nadelige economische en diplomatieke gevolgen voor Rusland.
Toch zijn de nationale en internationale positie van Rusland en de statuur van president
Poetin in eigen land de afgelopen jaren dusdanig versterkt dat er voor het Kremlin
onvoldoende reden is af te wijken van de ingeslagen internationaalpolitieke koers. Ten
slotte kan niet worden uitgesloten dat de Russische president bij een blijvende teruggang
van de Russische economie zich, mede onder invloed van de lage olie- en gasprijzen,
17 Volgens US Army Europe Commander Ben Hodges bevinden zich 12.000 Russische militairen in Oost-
    Oekraïne, 29.000 militairen op de Krim en zijn 50.000 Russische militairen gestationeerd langs de grens
    met Oekraïne. Sabiene Siebold e.a. ‘Some 12,000 Russian soldiers in Ukraine supporting rebels’,
    3 March 2015. Zie: <http://www.reuters.com/article/2015/03/03/us-ukraine-russia-soldiers-idUSKBN0L-
    Z2FV20150303>. Geraadpleegd op 4 maart 2015.
                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>gedwongen zal voelen nog harder dan nu op de trommel van het nationalisme te slaan.
De AIV komt tot de slotsom dat voor langere tijd rekening moet worden gehouden met
instabiliteit aan de oostgrens als gevolg van de Russische intimidatiepolitiek. De schaduw
van de Russische militaire macht reikt over Europa ’s oostgrenzen heen. Het voert echter
te ver om te spreken van een nieuwe Koude Oorlog, aangezien er geen directe bedreiging
bestaat van de territoriale integriteit van Europa als geheel, bovendien is er geen sprake
van een scenario van finlandisering, in de zin van politieke onderwerping aan militaire
dominantie. Wel meent de AIV dat ernstig rekening moet worden gehouden met de
mogelijkheid van Russische destabilisatie in de Baltische staten.
I.2      Midden-Oosten en Noord-Afrika
Lange tijd leek de situatie aan de zuidgrens van Europa, in het Midden-Oosten en Noord-
Afrika, geen grote veiligheidsrisico’s voor Europa op te leveren.18 Deze regio wordt ook
wel, naar de Engelse afkorting, de MENA-regio genoemd: Middle East and North Africa.
De aanhoudende instabiliteit in de regio, in het bijzonder de burgeroorlog in Syrië, de
opmars van ISIS, het geweld in Irak, de anarchie in Libië en de machtsovername in Jemen,
blijken directe gevolgen te hebben voor de veiligheid van Europa. De Arabische Lente
heeft niet de democratische hervormingen gebracht waarop werd gehoopt. In Egypte
hebben de strijdkrachten de gekozen president Morsi afgezet, is zijn beweging (de Moslim
Broederschap) buiten de wet gesteld en is een seculier autoritair regime gevestigd. De
burgeroorlogen in Syrië en Irak, de opkomst van de jihadstrijd en de verharding van de
strijd tussen soenni- en shiá-geloofsgemeenschappen, hebben de ruimte geboden voor
bewegingen als ISIS. De opkomst van islamitisch-extremistische bewegingen vormt een
grote bedreiging voor de gehele regio. In Somalië, Jemen, Noord- en West-Afrika, Syrië
en Irak bevonden zich al geruime tijd aan Al Qaída gelieerde organisaties. Islamitisch-
extremistische bewegingen hebben inmiddels ook voet aan de grond gekregen in Mali,
Tunesië, Libië en Egypte (in het bijzonder de Sinaï). Hun aantrekkingskracht doet zich zelfs
tot Nigeria voelen, zoals blijkt uit de aansluiting van Boko Haram bij ISIS. De conflicten
in Syrië en Irak worden zowel direct als indirect beïnvloed door Iran, Saoedi-Arabië en
Qatar, waarbij het voor beide eerstgenoemde regionale grootmachten uiteindelijk gaat om
de controle over de machtsverhoudingen in de regio. De slechte verhouding van Israël
met de Palestijnen mag in dit overzicht niet ontbreken. Het vuur in de bezette gebieden
kan opnieuw oplaaien. Een herhaling van het conflict met Hamas in Gaza is verre van
uitgesloten. In Libanon is Hezbollah zwaar bewapend en ook daar hoeft de lont maar in het
kruitvat te worden gestoken.19
Irak en Syrië
De Amerikaanse bezetting van Irak, het afzetten van president Saddam Hoessein,
het ontmantelen van het Baath-regime inclusief de strijdkrachten en de politieke
marginalisering van de soennitische bevolking hebben een machtsvacuüm en tegelijk een
voedingsbodem geschapen voor snelle terreinwinst voor ISIS. Wat Syrië betreft, heeft het
Westen zich lange tijd afzijdig gehouden. No fly-zones of humanitaire veiligheidscorridors
bleven uit, ook nadat president Assad met de inzet van chemische wapens de red line
18 Dit deel van het advies is voor een belangrijk deel gebaseerd op het eerder uitgebrachte AIV-advies,
    nummer 91, ‘Nederland en de Arabische regio: principieel en pragmatisch’, Den Haag, november 2014.
19 Zie ook: AIV-advies, nummer 83, ‘Tussen woord en daad: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-
    Oosten’, Den Haag, maart 2013.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>van president Obama had overschreden. De oppositie bleef eveneens lange tijd van steun
verstoken, vanwege de onderlinge verdeeldheid en het gevaar dat wapens in handen van
islamitisch-extremistische bewegingen terecht zouden komen.
De dreiging die van ISIS uitgaat, werd manifest na de uitroeping van het ‘kalifaat’ door
ISIS in Syrië en Irak in juni 2014, de snelle terreinwinst en de snelle groei van het aantal
jihadstrijders. Met de aanslagen op het Joods museum in Brussel in juni 2014, in Parijs
in januari 2015 op de redactie van Charlie Hebdo en een Joodse supermarkt en de
aanslag in Kopenhagen in februari 2015, is gebleken dat teruggekeerde jihadstrijders
en geradicaliseerde jongeren een directe bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid in
Europa.
Libië
De situatie in Libië vormt een groter en directer veiligheidsrisico voor de EU dan de situatie
in Syrië en Irak. Het machtsvacuüm dat in Libië is ontstaan na de interventie van de NAVO
en de val van Khaddafi in 2011, heeft geleid tot een situatie van totale wetteloosheid.
Hierdoor is Libië een failed state geworden. Twee regeringen vechten om de macht:
de internationaal erkende regering van generaal Khalifa Haftar in Toebroek en de door
Islamisten gesteunde regering van de zelf benoemde premier Omar Hassi in Tripoli. Ook
in het geval van Libië lijkt sprake te zijn van een proxy-oorlog, tussen enerzijds Egypte en
de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) als bondgenoten van generaal Haftar en anderzijds
Turkije en Qatar als de steunpilaren voor Omar Hassi. Daarnaast zijn in Libië jihadistische
bewegingen actief zoals de salafistische Ansar al-Sharia en ISIS. Ook de fractie AQIM van
Al-Qaeda (dit staat voor: “Al-Qaeda voor een Islamitisch Maghreb”) is in Libië actief. Het
belangrijkste doel voor AQIM, evenals voor ISIS, is het stichten van een islamitische staat
in het land.
Door de aansluiting van extremistische bewegingen bij ISIS zijn de conflicthaarden in
Syrië, Irak en Libië in zekere mate met elkaar verbonden. De anarchie in Libië heeft een
uitstralingseffect in de verre omtrek, Libië vormt het centrum voor een internationaal
crimineel netwerk dat handelt in wapens, drugs en mensen. Er is een toenemende
verstrengeling tussen ungoverned spaces, terrorisme en georganiseerde misdaad. De
enorme wapentoevoer vanuit Libië naar andere landen in Afrika, voornamelijk naar Nigeria
en Mali, is zorgelijk. In Libië, dat ongeveer zes miljoen inwoners telt, zouden niet minder
dan 10 tot 15 miljoen handwapens in omloop zijn. Na de val van het regime van Khaddafi
is daarnaast ook ruimte ontstaan voor grootschalige mensensmokkel en -handel in en
vanuit Libië, waarmee het land zich heeft ontwikkeld tot doorvoerhaven van criminele
activiteiten.20
Beperkte beïnvloedingsmogelijkheden
De mogelijkheden van de EU en de VS om bij te dragen aan de stabiliteit van Irak, Syrië
en Libië zijn beperkt. De bombardementen in Syrië en Irak in het kader van Operation
Inherent Resolve hebben hooguit de territoriale expansie van ISIS kunnen afremmen.
De beslissende slag aan deze organisatie kan dan ook alleen via inzet van omvangrijke
grondtroepen worden toegebracht. In Syrië profileert president Assad zich als partner
van de coalitie tegen ISIS en andere islamitisch-extremistische bewegingen. De westerse
regeringen zijn tot dusverre samenwerking met president Assad uit de weg gegaan,
20 Zie: <https://www.europol.europa.eu/content/joint-operational-team-launched-combat-irregular-migration-
    mediterranean> en <http://www.frontex.europa.eu/trends-and-routes/central-mediterranean-route/>.
    Geraadpleegd op 25 maart 2015.
                                                  13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>gezien het meedogenloze optreden tegen de eigen bevolking. In de praktijk echter
betekent westerse steun aan de strijd tegen ISIS ook steun aan president Assad.
Vooralsnog ontbreekt het aan een effectieve aanpak om ISIS tot staan te brengen en
stabiliteit in Syrië en Irak te bevorderen.21 Tot voor kort was er in EU-kring weinig animo
om bij het conflict in Libië betrokken te raken. Daarin lijkt in die zin een kentering te zijn
gekomen nu de Hoge Vertegenwoordiger (HV) Mogherini thans een serie opties (inclusief
militaire) uitwerkt waaruit kan worden gekozen, zodra een politieke oplossing tussen de
verschillende partijen wordt bereikt.22 De AIV verwelkomt een hoger Europees profiel
en benadrukt het belang van solidariteit binnen de EU. Het een en ander betekent dat,
mocht het tot een stabilisatie-operatie onder leiding van de EU komen, ook de noordelijke
lidstaten hieraan een betekenisvolle bijdrage moeten leveren.
In de MENA-regio is het beheersbaar houden van de veiligheidsrisico’s, ofwel het
bewerkstelligen van een stabiele impasse tussen de strijdende partijen, vooralsnog
het hoogst haalbare. Het tegengaan van politiek radicalisme en terreur, proliferatie van
conflicten en omvangrijke migratiestromen zijn vanuit het perspectief van de Europese
veiligheid de belangrijkste doelen. In overeenstemming met AIV-advies nummer 91
‘Nederland en de Arabische regio: principieel en pragmatisch’ pleit de AIV ook in dit advies
voor een benadering die getuigt van realisme. Het Nederlandse beleid ten opzichte van
de Arabische regio dient vooral vorm te krijgen via de EU, hoe beperkt de mogelijkheden
van de EU ook zijn. Er is sprake van een zekere asymmetrie in belangstelling tussen de
EU en de Arabische landen. In de eerste plaats is de interesse aan Europese kant en de
bereidheid bij te dragen aan de oplossing daarvan, groter dan de verwachtingen die de
Arabische landen zelf hebben van de EU. In de tweede plaats hebben Arabische landen
die behoefte hebben aan hulp zoals Jemen, goede redenen zich eerst te wenden tot de
vermogende Arabische landen, zoals Saoedi-Arabië, de VAE en Qatar. Deze landen hebben
in de afgelopen jaren een veelvoud van de financiële middelen van de EU ter beschikking
gesteld. Egypte heeft bijvoorbeeld sinds de omwenteling in de zomer van 2013 ruim
20 miljard dollar ontvangen van de Arabische Golfstaten.23 In de derde plaats hebben
de Arabische landen te kampen met scherpe etnische en religieuze tegenstellingen en
bepalen diepgewortelde tribale en patriarchale structuren de politieke loyaliteit. Er bestaat
een brede kloof tussen de seculiere elites en de traditioneel denkende bevolking, in het
bijzonder in Egypte. De toenemende rol van de Islam in het maatschappelijk leven vormt
een complicerende factor.
Wanneer het gaat om de democratisering in de Arabische regio zij nog opgemerkt dat het
begrip democratie, evenmin als in veel andere landen waar democratie niet eerder als
21 Voor Syrië en Irak heeft de EU een regionale strategie ontwikkeld op basis van een Gemeenschappelijke
    Mededeling van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger (HV). Voor 2015 en 2016 is 1 miljard
    uit het EU-budget beschikbaar gesteld. Zie: <http://www.europa.eu/rapid/press-release_IP-15-4222_
    en.htm>. Geraadpleegd op 18 februari 2015.
22 De Raad Buitenlandse Zaken van 16 maart 2015 heeft de HV opdracht gegeven opties uit te werken voor
    een mogelijke EU-bijdrage ter ondersteuning van het vredesproces. Brief van de minister van Buitenlandse
    Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Den Haag 25 maart 2015, Kamerstuk
    21 501-02, nr. 1470. Geraadpleegd op 30 maart 2015.
23 The Economist, 21 februari 2015. Zie ook: Nigel Wilson, ‘Saudi Arabia and UAE Ready Massive $20bn
    Aid Package to Boost Egypt’s Shattered Economy’, 2 June 2014. Zie: <http://www.ibtimes.co.uk/saudi-
    arabia-uae-ready-massive-20bn-aid-package-boost-egypts-shattered-economy-1450818>. Geraadpleegd op
    23 maart 2015.
                                                      14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>staatsvorm heeft bestaan, niet als vanzelfsprekend moet worden begrepen in de betekenis
die er in de westerse wereld aan wordt gehecht. Het gaat in de eerste plaats om verzet
tegen regimes die grote delen van de bevolking jarenlang hebben onderdrukt en uitgebuit,
en veel minder om de vestiging van een democratische rechtsstaat. De gedachte dat een
democratie staat of valt met de waarborging van de rechten van hen die niet aan de macht
zijn en met de erkenning dat oppositie legitiem is, heeft nog nauwelijks ingang gevonden.
Dit geldt te meer waar de Islam ook uitdrukkelijk een politieke rol krijgt.
Conclusie
Al deze hindernissen mogen voor de Europese landen geen reden zijn voor politieke
berusting. Het belang van stabiliteit aan de zuidflank van Europa is daarvoor te groot.
Wel is er aanleiding een scherp onderscheid te maken tussen de doelen op korte en
lange termijn. Op de korte termijn heeft herstel van orde en stabiliteit prioriteit. Is
een zekere mate van orde en stabiliteit aanwezig, dan moet gewerkt worden aan de
basisvoorwaarden voor de opbouw van de rechtsstaat (onafhankelijke rechterlijke macht,
behoorlijke procesgang, verbod op fysieke lijfstraffen, et cetera). De ontwikkeling van voor
de rechtsstaat noodzakelijke instellingen levert op zichzelf ook een bijdrage aan stabiliteit.
De AIV is van oordeel dat deze hervormingen tijd zullen vergen en dat de situatie van
instabiliteit nog geruime tijd zal voortduren. Het ownership van de transitie ligt primair
in de desbetreffende staten zelf en het Westen zal ten hoogste een faciliterende en
ondersteunende rol kunnen spelen.
Realisme is eveneens gepast als het gaat om de strijd tegen vormen van gewelddadig
radicaal islamisme. De inzet van militaire middelen was (en is) onvermijdelijk om de
territoriale ambities van ISIS te beteugelen. Maar tegelijk schaart de AIV zich achter
de opvatting dat de strijd om de politieke toekomst van de Arabische regio een strijd is
die vooral door de Arabische landen zelf en niet door de westerse landen moet worden
gevoerd. Westerse landen hebben wel een groot belang bij de uitkomst van deze strijd
en dat rechtvaardigt het bieden van militaire steun, materieel en personeel, aan die
groepen die niet vijandig staan tegenover de VS en Europa. Zodra echter een beeld
ontstaat dat Arabische machthebbers niet veel meer zijn dan de zaakwaarnemers
van westerse belangen, wordt aan radicale bewegingen een maximale kans geboden
antiwesterse sentimenten te misbruiken voor eigen politieke doeleinden. De meeste
westerse regeringen, waaronder Nederland, lijken zich op dit moment bewust te zijn van
de noodzaak dat de Arabische landen zelf zoveel mogelijk het gezicht dienen te zijn van
de strijd tegen het moslimextremisme. Het is overigens onzeker of het Iraakse leger in
staat zal zijn de door ISIS bezette gebieden in Irak te heroveren, ondanks de uitgebreide
steun met luchtacties en de trainingsprogramma’s. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor
de verschillende oppositiegroepen die in Syrië tegen ISIS strijden. Dit zal de nodige tijd
kosten.24
Tevens is het belangrijk een antwoord te vinden op de vraag hoe de aantrekkingskracht van
ISIS op radicale moslims en andere jongeren, vooral in het Westen, kan worden verminderd.
De motieven van deze jongeren om zich bij extreem gewelddadige groepen aan te sluiten
zijn niet onder één noemer te brengen. Voor een deel van deze jongeren spelen een gevoel
van uitsluiting, marginalisatie en het ontbreken van een maatschappelijk perspectief
een rol, anderen laten zich daarentegen vooral door religieuze drijfveren leiden. Het valt
moeilijk in te zien hoe moslims die hun bestaan in een apocalyptisch perspectief plaatsen
en geloven in ‘het einde der tijden’, met materiële prikkels (zoals het aanbieden van een
baan), van hun keuze voor terrorisme en andere extreme gewelddaden kunnen worden
24 Zie: Robert Grenier, ‘Against ISIS, Try Patience’, The New York Times, 2 March 2015.
                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>afgehouden.25 Hier ligt een verantwoordelijkheid bij de ouders van deze jongeren en bij
de moslimgemeenschappen zelf. Ook de regeringen van de Europese lidstaten hebben
een belangrijke taak in het nemen van preventieve maatregelen om het radicaliseren van
jongeren te voorkomen. Het Nederlandse ‘Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme’26
is hiervan een goed voorbeeld.
25 Zie: David Brooks, ‘The nationalist solution’, The New York Times, 20 February 2015. Zie ook: Graeme
    Wood, ‘What ISIS Really Wants’, The Atlantic, March 2015.
26 ‘Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme – overzicht maatregelingen en acties’. Zie: <http://www.
    rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2014/08/30/actieprogramma-integrale-aanpak-
    jihadisme.html>. Geraadpleegd op 13 april 2015.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>II        Implicaties voor de EU en de NAVO
II.1      Beleidsopties EU
Het Europees buitenlands beleid
Het Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) van Europa bestaat
uit een samenstel van EU-activiteiten: de HV, de Europese Dienst voor Extern Optreden
(EDEO), in enkele gevallen de Europese Commissie en het nationale beleid van de
lidstaten. Het aantreden van de nieuwe Europese Commissie en het voornemen om in
2016 een nieuwe Europese veiligheidsstrategie uit te brengen, bieden de gelegenheid
om het Europese beleid richting Oost-Europa en Rusland enerzijds en de MENA-regio
anderzijds, te herzien.27
De EU kampt met het probleem dat de publieke steun voor Europese integratie is
afgenomen, wat ook zijn weerslag heeft op de inzet van de lidstaten voor een gemeen-
schappelijk buitenlands beleid. Hoewel het buitenlands beleid altijd een zaak van de
lidstaten is geweest, waren de afspraken over het GBVB en het Verdrag van Lissabon
stappen in de richting van een meer geïntegreerd Europees beleid. Recente ontwikkelingen
tonen echter dat de Europese Raad, meer dan de HV of de Europese Commissie, het
belangrijkste Europese forum vormt. Dit heeft een aantal gevolgen.
Individuele lidstaten voeren de boventoon en volgen vooral nationale belangen. Ook tekent
zich een nieuwe rolverdeling af. Frankrijk moet Duitsland voor laten gaan als leider van
Europa, terwijl Italië zich vooral bekommert om de gevolgen van de immigratiegolf uit
Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De traditionele Britse rol als voorloper op Europese
veiligheidskwesties is afgezwakt doordat Londen een meer afwachtende houding
aanneemt ten opzichte van de EU. De binnenlandspolitieke discussie over een mogelijke
Brexit belemmert het land om met gezag en geloofwaardigheid een leiderschapsrol
te vervullen.28 Tegelijkertijd blijft het Verenigd Koninkrijk (VK) ondanks voorgenomen
bezuinigingen op defensie een van de belangrijkste militaire mogendheden binnen Europa.
Het afnemende gewicht van het VK in de EU, in een tijd van grotere onzekerheid over de
Europese veiligheidsomgeving, is daarom zorgelijk.
Gaandeweg heeft de Duitse dominantie op economisch gebied zich vertaald in een
leidende rol binnen de Europese politiek. Als gevolg hiervan kijken Europese lidstaten
steeds meer naar Berlijn om richting te geven aan hun buitenlands beleid. Sinds de
Oekraïne-crisis bepaalt Bondskanselier Merkel in feite de Europese koers ten opzichte
van Rusland. De vraag is of Duitsland ook een leidende rol wil spelen als het meer
strikte veiligheidskwesties betreft. Die vraag zou tot voor kort zonder meer ontkennend
zijn beantwoord. Gebukt onder de last van zijn oorlogsverleden, is Duitsland zeer
terughoudend geweest met betrekking tot de inzet van militaire machtsmiddelen.
27 Hoezeer de Europese veiligheidsstrategie uit 2003 stamt uit een ander tijdsgewricht blijkt ook uit de
    openingszinnen van het document: ‘Europe has never been so prosperous, so secure and so free. The
    violence of the first half of the 20th Century has given way to a period of peace and stability unprecedented
    in European history’. Zie: <https://www.consilium.europa.eu/uedocs/cmsUpload/78367.pdf>, p. 2.
    Geraadpleegd op 19 maart 2015.
28 Brexit staat voor: British exit from the European Union.
                                                         17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Pacifisme is nog steeds sterk ingebed in het Duitse politieke denken. Toch lijkt de
stemming in Duitsland te kantelen. Steeds meer Duitse politici betrekken de stelling dat
Duitsland zijn verantwoordelijkheid op veiligheidspolitiek terrein niet mag ontlopen en
vooraan dient te staan bij de uitvoering van een Europees veiligheidsbeleid. Minister van
Defensie Von der Leyen sprak op de laatstgehouden Sicherheitskonferenz in München over
‘Führung aus der Mitte’, waarmee ze doelde op haar eigen land.29
De uiteenlopende gerichtheid van de EU-lidstaten en de gegroeide werkverdeling tussen
landen als Duitsland, Frankrijk, Italië en het VK kan, mits goed gecoördineerd, gunstig
uitpakken. Europese veiligheidskwesties worden als het ware aan verschillende lidstaten
gedelegeerd. Tegelijkertijd kan deze situatie ook leiden tot onderlinge vervreemding,
de Europese solidariteit aantasten en de totstandkoming van een gemeenschappelijke
visie op de problemen rondom het continent bemoeilijken. Zo kan het verschil in focus
tussen de zuidelijke en oostelijke lidstaten – tussen enerzijds de dreigingen uit Rusland
en anderzijds zorgen om instabiliteit in Noord-Afrika – tot een tweespalt binnen de EU
leiden. Daardoor wordt het moeilijk prioriteiten te stellen, zeker wanneer een eventueel
militair ingrijpen aan de orde is. Spanningen binnen de EU kunnen daardoor toenemen.
Ook kunnen landen zich buitengesloten voelen als gevolg van een accentuering van de
rol van individuele lidstaten in het buitenlands beleid. Zo is Polen bezorgd dat Duitsland,
in zijn besprekingen met Moskou, niet altijd afdoende de Poolse belangen behartigt.
Verder zijn de EU-lidstaten niet in dezelfde mate kwetsbaar voor de economische
gevolgen van problemen rond de EU. Hoewel landen als Duitsland en het VK voorstander
zijn van krachtiger sancties tegen Rusland, zijn lidstaten met een grote economische
afhankelijkheid van Rusland (zoals Hongarije, Slowakije, Finland en Italië) in mindere mate
bereid om de economische druk op Rusland te vergroten en geneigd het sanctieregime te
verlichten.
Dat geldt ook voor Griekenland, dat de mogelijkheden voor intensivering van de
samenwerking met Rusland onderzoekt. Verstrekkende samenwerking tussen beide
landen kan grote gevolgen hebben voor de eensgezindheid binnen en de slagkracht van de
EU. Bij de beoordeling van de schuldenpositie van Griekenland moet de EU zich naar het
oordeel van de AIV van dit geopolitieke aspect rekenschap geven. Een tweede punt van
verschil betreft de gevolgen van de grote vluchtelingen- en migratiestromen vanuit Noord-
Afrika die vooral in Zuid-Europa en in veel mindere mate in Noord-Europa worden gevoeld.
Op de achtergrond speelt een derde probleem: de tegenstellingen binnen de EU als gevolg
van de sluimerende eurocrisis – waarbij debiteurenlanden tegenover crediteurenlanden zijn
komen te staan – hebben het onderlinge vertrouwen binnen de EU niet versterkt.
De terugval van het buitenlands beleid van de EU op de lidstaten is problematisch en kan
de EU verzwakken. De rol van de HV als buitenlandcoördinator (en EDEO) is beslissend. Zij
moet ‘de-conflicteren’ tussen de lidstaten en ervoor zorgen dat de verschillende nationale
agenda’s de EU niet in tegenovergestelde richting trekken. Een nieuwe veiligheidsstrategie
biedt de gelegenheid om prioriteiten te stellen, middelen te identificeren en een mogelijke
rolverdeling tussen landen te verduidelijken, maar verschaft natuurlijk geen garantie voor
een straffere coördinatie en meer eensgezindheid. Naast de veiligheidsstrategie van de
29 Manuskript der Rede der Verteidigungsministerin anlässlich der 51. Münchner Sicherheitskonferenz
    München, 6. Februar 2015, ’Führung aus der Mitte’. Zie: <http://www.bmvg.de/portal/a/bmvg/!ut/p/
    c4/NYvBCsIwEET_aDfpTW_WgngREUHrRdJmCQtNUtZtvfjxJofOwIPhMfjC0uRWDk45JzfhE_uR98MXhrgGi-
    Jz4oyS8RPAk722DkKeEj3r3BGNOpJVKSbkwiNMsMGfRqZpFpBhgj72xXWus2WJ_u_vpeLk2je3O7Q3nGA9_
    o3h5fQ!!/>. Geraadpleegd op 14 april 2015.
                                                   18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>EU wordt momenteel ook het Europese nabuurschapsbeleid herzien. De AIV is van mening
dat dit beleid nadrukkelijker in een veiligheidspolitiek perspectief moet worden geplaatst.
Ook dient meer rekening te worden gehouden met de verschillen in ontwikkeling en
omstandigheden van de betrokken buurlanden. De kabinetsappreciatie van het Europees
nabuurschapsbeleid, waarbij ingezet wordt op een gerichter, geïntegreerd en gelijkwaardig
nabuurschapsbeleid sluit daar goed bij aan.30
Europese defensiesamenwerking
Vooral de crisis in de relatie met Rusland heeft een nieuwe impuls gegeven aan de
voortgaande discussie over de Europese defensiesamenwerking. Het pleidooi van de
voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, voor de totstandkoming van
een Europees leger heeft de aandacht getrokken.31 Met een dergelijk leger zouden, aldus
Juncker, de Europese landen op geloofwaardige wijze kunnen reageren op bedreigingen
van buitenaf. Duitsland heeft opmerkelijk positief gereageerd op het voorstel van
commissievoorzitter Juncker voor de oprichting van een Europees leger. De Duitse minister
van Defensie, Von der Leyen, verklaarde tijdens het 10th Brussels Forum: ’I am therefore
convinced that a common army can also be created; it is a long-term necessity and a
logical consequence of European integration’.32
De AIV deelt het ongenoegen van de pleitbezorgers voor Europese defensie-integratie
over de geringe defensie-output van Europa als gevolg van de nationale organisatie van
de defensie. Er doen zich een nodeloze duplicatie van inspanningen en verspillingen in de
uitgaven voor.33 Defensie is dan ook bij uitstek het domein waar de schaalvoordelen van
grotere samenwerking tussen de EU-landen het meest manifest zijn. Tegelijk blijft de AIV
van oordeel dat een Europees leger alleen gebouwd kan worden op het fundament van
een politieke unie (bovennationaal gezag) en een Europese buitenlandse politiek die ook in
de uitvoering gemeenschappelijk is. Tevens zullen de nationale parlementen voorlopig niet
bereid zijn de zeggenschap over de inzet van militairen over te dragen aan het Europees
Parlement, als ze die bereidheid al ooit zullen opbrengen. De recente geschiedenis van
de Europese muntunie laat zien welke risico’s worden genomen wanneer een vitaal
beleidsterrein Europees wordt gemaakt, zonder dat wordt voorzien in de noodzakelijke
30 Kamerbrief ‘Naar een nieuw Europees nabuurschapsbeleid: gelijkwaardig, gericht en geïntegreerd’,
    17 april 2015, zie: <http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2015/04/17/
    kabinetsappreciatie-europees-nabuurschapsbeleid.html>.
31 In een vraaggesprek met het Duitse dagblad Die Welt, 8 maart 2015, onder de kop: ‘Kommissionschef
    Juncker fordert eine EU-Armee’. Een commissie onder leiding van Javier Solana pleitte onlangs voor de
    oprichting van een European Defence Union. Zie: ‘More Union in European Defence’, CEPS, 26 February
    2015.
32 Von der Leyen at the 10th Brussels Forum, Brussel, 20.03.2015. Zie: <http://www.bmvg.de/portal/a/
    bmvg/!ut/p/c4/NYu7DsIwEAT_yGcXQYKOKA2tIYLQOYnlHPilyyU0fDx2wa40xY4WnlAazY7OMKZoPDxgmP
    A0fsQYdideaaOyihWnxdJikdecPDK-4V6vsxVTipYr2UbGQkeGE4mciH01G1ExAmcYpOpaqeQ_6nvsr1rfmkP
    TXVoNOYTzD3Xf_74!/>. Geraadpleegd op 14 april 2015.
33 In ‘The Cost of Non-Europe in Common Security and Defence Policy’, European Parliamentary Research
    Service (Brussel 2013) is berekend dat het gebrek aan integratie tussen de militaire structuren van de
    Europese krijgsmachten en het ontbreken van een geïntegreerde defensiemarkt jaarlijks tussen 26 en 130
    miljard euro aan extra kosten oplevert. Zie:<http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/etudes/
    join/2013/494466/IPOL-JOIN_ET%282013%29494466_EN.pdf>, p. 8. Geraadpleegd op 19 maart 2015.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>centrale politieke sturing. De gedachte dat de oprichting van een Europese krijgsmacht
de politieke krachten zal oproepen die een politieke unie afdwingen, is binnen afzienbare
termijn weinig waarschijnlijk.
De AIV blijft voorstander van een pragmatische aanpak. Vooral tussen Europese landen
die wat politieke en strategische cultuur betreft dicht bij elkaar staan dient onverminderd
te worden gezocht naar mogelijkheden tot nauwere militaire samenwerking, waarbij
speciaal langs de weg van pooling and sharing in de sfeer van transportmiddelen, logistiek,
gevechtsondersteuning en training een grotere doelmatigheid en effectiviteit kan worden
bereikt. Ten aanzien van concrete voorstellen verwijst de AIV naar het advies dat eerder
over de Europese defensiesamenwerking is uitgebracht.34
De EU als invloedssfeer
De EU heeft, ondanks zijn inherente afkeer van power politics, een geopolitieke invloeds-
sfeer. De EU is een Ordnungsmodell waar andere landen aansluiting bij willen zoeken,
relaties mee willen opbouwen en verwachtingen van koesteren. De aantrekkingskracht van
de EU bestaat primair uit de kracht van de interne markt en de Europese waarden zoals de
steun voor mensenrechten en de democratische rechtsorde. In 2002 sprak de toenmalige
voorzitter van de Europese Commissie Romano Prodi, de doelstelling uit om een ‘ring
van vrienden’ rondom Europa te realiseren. Meer dan tien jaar later is echter sprake van
een ‘gordel van instabiliteit’. Europa wordt aan zijn oostflank geconfronteerd met een
aanzienlijk sterkere, assertieve en grondstoffenrijke staat die zijn invloedssfeer met harde
machtspolitiek probeert te behouden dan wel uit te breiden. Rusland is het afgelopen
decennium van Europa ‘afgekeerd’, in politiek, ideologisch en in mindere mate ook in
economisch opzicht. Rusland is geen strategische partner van de EU, maar vormt een
strategisch probleem, zo stelde de president van de Europese Raad Donald Tusk terecht
vast.35
Zoals eerder opgemerkt wil president Poetin Rusland ontwikkelen als een grote
mogendheid binnen een multipolair internationaal systeem. Met de totstandkoming
van een EEU, kopieert hij en zet hij zich af tegen de EU. De EEU staat echter nog in de
kinderschoenen. Alleen al om die reden kan ze voorlopig niet als een gelijkwaardige
tegenhanger van de EU worden gezien. Van verregaande of geïnstitutionaliseerde
samenwerking tussen EU en EEU kan dan ook vooralsnog in het geheel geen sprake zijn.
Een dergelijke samenwerking zou bovendien de bilaterale relaties van de EU met Wit-
Rusland, Kazachstan en Armenië bemoeilijken.
De Oekraïne-crisis maakt duidelijk dat Rusland bereid is om de Europese veiligheid te
ondermijnen en de eigen invloedssfeer met harde machtspolitiek en de (heimelijke) inzet
van militaire middelen uit te breiden. Dit heeft een aantal gevolgen voor Europa. De
afgelopen jaren stond de doelstelling van een vrijhandelszone van Lissabon tot Vladivostok
hoog op de Europese Rusland-agenda. Het Russische optreden van het afgelopen jaar
toont dat dit niet langer een realistisch perspectief is. De EU heeft de facto weinig invloed
34 AIV-advies, nummer 78, ‘Europese defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen’,
   Den Haag, januari 2012.
35 Henry Foy ‘Lunch with the FT: Donald Tusk’: ‘For Putin, and Russia today, the EU is a problem. And we
   have to understand, and I think we are close to this moment, that Russia is not our strategic partner.
   Russia is our strategic problem’. The Financial times, 28 November 2014. Zie: <http://www.ft.com/intl/
   cms/s/0/72d9b928-7558-11e4-b1bf00144feabdc0.html?siteedition=uk#axzz3XC6draGV>.
                                                      20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>kunnen uitoefenen op de politieke ontwikkelingen in Rusland sinds het einde van de
Sovjet-Unie. De EU heeft zich te weinig rekenschap gegeven van de diepere politieke
opvattingen en ambities van de Russische leiders.
Een Europese Ruslandstrategie moet voor de toekomst rekening houden met een
langdurige complexe en moeizame relatie. Een vruchtbare mensenrechtendialoog zal heel
moeilijk, zo niet onmogelijk zijn. In Rusland is sprake van een sterk gestegen nationaal
zelfbewustzijn en een herleving van conservatieve en religieuze waarden. Het Russische
leiderschap toont zich daardoor minder ontvankelijk voor oproepen om de normen en
waarden van de EU te volgen. Dit mag echter geen reden zijn dit leiderschap niet aan te
spreken op mensenrechtenverplichtingen, al was het alleen maar om de democratische
oppositie niet in de kou te laten staan. Daarom moeten de Europese regeringen gebruik
blijven maken van het hele palet aan mensenrechteninstituties, in het bijzonder ook het
Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Europese Hof voor de Rechten
van de Mens in het kader van de Raad van Europa. Hetzelfde geldt voor de Organisatie
voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), die hoe dan ook als bemiddelaar en
waarnemer een relatief bescheiden maar nuttige rol kan spelen bij het vinden van een
blijvende oplossing voor het conflict in Oost-Oekraïne.
Aan haar zuidflank heeft de EU te kampen met verdergaande instabiliteit in (eveneens)
grondstoffenrijke landen. De Europese energiezekerheid en nationale veiligheid staan
hierdoor op het spel. Met betrekking tot Oost-Europa en Noord-Afrika moet de EU zich
bewust zijn dat het niet de enige partner is waarmee landen samenwerking kunnen
zoeken. In Oost-Europa is de Russische aantrekkingskracht – waarbij onder meer gebruik
gemaakt wordt van economische en politieke drukmiddelen – merkbaar. In Noord-Afrika
worden landen als Saoedi-Arabië, Qatar en de VAE – landen die niet noodzakelijkerwijs
dezelfde normen en waarden voorstaan als de EU – steeds meer een bepalende politieke
en economische factor. Kortom, wil Europa zijn belangen behartigen, dan zal het rekening
moeten houden met meer geopolitieke competitie.
Conclusie
De EU zou er goed aan doen in de relaties met Rusland veiligheidspolitieke overwegingen
een zwaarder accent te geven. Dit zou meer recht doen aan de aard van de onderlinge
betrekkingen (competitie, invloedssferen) en aan de politieke werkelijkheid in de buurregio.
Het idee dat Rusland de politiek ten aanzien van de buurstaten ingrijpend zou bijstellen
omwille van een herstel van de formele dialoog met de EU, is illusoir. Hoewel economische
interdependentie kan bijdragen aan internationale politieke stabiliteit heeft de specifieke,
onevenwichtige wederzijdse afhankelijkheid van de EU (of lidstaten van de EU) en Rusland
eerder een destabiliserend effect. De EU moet verder de energie-afhankelijkheid van
Rusland verder verminderen zoals ook ligt besloten in de recent gepresenteerde plannen
voor een Energie Unie.36 Kortom, de politieke en economische relatie met Rusland moet
op een nieuwe leest worden geschoeid. De EU dient afstand te nemen van het huidige
model van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten. Hoewel mogelijkheden
voor overleg en dialoog altijd moeten worden benut, is de kans aanzienlijk dat constructieve
samenwerking voor langere tijd is uitgesloten. De EU-lidstaten dienen te voorkomen dat ze
door Rusland uit elkaar worden gespeeld, bijvoorbeeld op energiebeleid of over verlenging
36 European Commission, ‘Energy Union’. Zie: <http://www.ec.europa.eu/priorities/energy-union/docs/
    energyunion_en.pdf>, 25 February 2015. Geraadpleegd op 3 maart 2015. Zie ook: AIV briefadvies,
    nummer 26, ‘De EU-gasafhankelijkheid van Rusland: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan verminderen’,
    Den Haag, juni 2014.
                                                   21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>van het Europese sanctieregime. Verder vraagt de AIV zich af of de EU nog langer moet
vasthouden aan het idee van een gemeenschappelijke strategie voor de landen gelegen
tussen de EU en Rusland. De ervaringen met het Oostelijk Partnerschap zijn tot dusver
niet onverdeeld gunstig.
Het Europese beleid ten opzichte van Noord-Afrika moet eveneens opnieuw worden
vormgegeven. Daarnaast moet er bereidheid zijn om eventueel in te grijpen in landen
waar Europese vitale belangen op het spel staan dan wel sprake is van een humanitaire
noodsituatie. De vraag doet zich voor of de huidige inzet van crisisbeheersingsmiddelen
in Noord-Afrika – de EU is betrokken bij zes civiel-militaire missies in gebieden als de
Centraal Afrikaanse Republiek, Mali en Libië – afdoende is. De EU moet onderzoeken
of het mogelijk is deze missies desnoods uit te breiden. Tegelijk moeten Europese
landen zich ervan bewust zijn dat het Westen de problemen in de Arabische wereld niet
eigenhandig kan oplossen en juist daarom moet de EU vooral ook de eigen belangen op
het gebied van nationale veiligheid en energievoorzieningszekerheid, in deze turbulente
periode in de Arabische wereld bewaken.
II.2      Beleidsopties NAVO
De politieke en militaire dreiging die momenteel uitgaat van Rusland treft in eerste
instantie zijn buurstaten, in het bijzonder de voormalige Sovjetrepublieken. De AIV
ziet geen direct militair gevaar voor de rest van Europa. De beleidsopties die de EU
en vooral de NAVO ontwikkelen, dienen echter rekening te houden met de volgende
omstandigheden: ten eerste is de buurregio van Rusland in belangrijke mate ook de
buurregio van de EU en de NAVO, ten tweede is de mogelijke dreiging die van Rusland
uitgaat niet in eerste instantie van klassieke militaire aard en ten derde richten politieke
analyses zich over het algemeen op het meest waarschijnlijke scenario, terwijl militaire
analyses ook dienen uit te gaan van worst-case scenario’s.
VJTF en NRF
De maatregelen die tijdens de NAVO-top in Wales (september 2014) zijn getroffen vormen
een eerste antwoord op de nieuwe veiligheidsdreigingen.37 Het Readiness Action Plan
(RAP) en de oprichting van een Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) beogen zowel
reassurance van bondgenoten als deterrence van potentiële tegenstanders. Vergroting
van de reactiesnelheid is het doel, omdat tijdens de crisis rond Oekraïne is gebleken dat
Rusland in staat is zonder noemenswaardige waarschuwingstijd, relatief grootschalige
militaire activiteiten te ontplooien (snap exercises).38 Met een beoogde reactietijd van
48 uur lijkt hieraan tegemoet te worden gekomen. De VJTF heeft vooral een symbolische
betekenis. Met de nieuwe formatie tracht het bondgenootschap de geloofwaardigheid van
de collectieve verdediging te onderstrepen door herstel van de zichtbaarheid van NAVO-
eenheden in buurlanden van Rusland. Een andere maatregel in dit verband is uitbreiding
37 ‘Wales Summit Declaration’, zie: <http://www.nato.int/cps/en/natohq/official_texts_112964.htm>.
    Geraadpleegd op 3 maart 2015.
38 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken en van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede
    Kamer der Staten-Generaal, Den Haag, 29 augustus 2014, Kamerstuk 28 676, nr. 213. Volgens de
    Defensiecommissie van het Britse Lagerhuis is Rusland in staat binnen 72 uur een troepenmacht van
    150.000 man in voorwaartse positie te ontplooien, terwijl dat de NAVO-landen zes maanden zou kosten.
    Zie: <http://www.parliament.uk/business/committees/committees-a-z/commons-select/defence-committee/
    news/re-thinking-defence-to-meet-new-threats-report-published/>. Geraadpleegd op 25 maart 2015.
                                                       22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>van air policing boven de Baltische staten.39
Duitsland, Nederland en Noorwegen leveren als eerste de eenheden voor de (interim)
VJTF; het jaar 2015 wordt benut om ervaring op te doen. Het ligt in de bedoeling dat
steeds een ander land de leiding neemt en dat eenheden rouleren via een traject van
opwerken, deelnemen en afbouwen. De VJTF, initieel dit jaar bestaande uit een bataljon
en in de toekomst uit een brigade, maakt deel uit van de NATO Response Force (NRF)
die ongeveer 13.000 manschappen telt.40 Het VK, Polen en Italië hebben zich ook
bereid verklaard (bij toerbeurt) aan de VJTF deel te nemen. Veel aspecten van de VJTF
moeten nog worden uitgewerkt zoals de financiering, de Command & Control -structuur, de
politieke besluitvormingsstructuur en deelname van andere NAVO-lidstaten teneinde het
voortzettingsvermogen te garanderen. Zo rijst onder meer de vraag welke betekenis het
woord ‘very’ heeft voor de besluitvorming met betrekking tot de inzet van de VJTF. Blijft
deze voorbehouden aan de Noord Atlantische Raad of hoopt men deze te delegeren aan
Supreme Allied Commander Europe (SACEUR)? Dat laatste lijkt vrijwel uitgesloten.41 De
NAVO zal ook een antwoord moeten formuleren op de hybride oorlogvoering door Rusland,
waarvoor een breed instrumentarium noodzakelijk is, inclusief civiele instrumenten, die
overigens veelal worden aangestuurd door de EU. Daarnaast moet de NAVO een antwoord
vinden op het Russische vermogen om snel een omvangrijke conventionele strijdmacht te
ontplooien. De NAVO is hier thans niet meer toe in staat. Rusland heeft ongeveer 50.000
militairen gestationeerd in de nabijheid van Oekraïne. Verdubbeling van de sterkte van de
NRF lijkt daarom in de rede te liggen.
De 2%-norm
Het besluit om de defensie-uitgaven de komende tien jaar in de richting van de 2%-Bruto
Binnenlands Product (BBP) te laten bewegen en 20% van het totale defensiebudget te
besteden aan investeringen, zijn de facto een herbevestiging van eerder overeengekomen
NAVO-richtlijnen. Vooralsnog lijkt de crisis in Oekraïne – ondanks de afspraken in Wales –
niet tot substantiële bijstelling van de defensiebudgetten van de Europese NAVO-landen
te hebben geleid. Naast de VS, voldoen momenteel alleen het VK, Griekenland en Estland
aan de NAVO-richtlijn en voor Polen zal dit gelden vanaf 2016. Het VK, Canada, Italië,
Hongarije, Bulgarije en Nederland horen bij de landen die bezuinigen op de defensie-
39 De afgelopen tien jaar hebben vliegtuigen van NAVO-lidstaten het luchtruim van de Baltische staten,
   die niet beschikken over een eigen luchtmacht, bewaakt. Zie: <http://www.nato.int/cps/en/natohq/
   news_109354.htm?selectedLocale=en>. Geraadpleegd op 31 maart 2015.
40 De voorlichtingssite van de NAVO maakt melding van een sterkte van 30.000 militairen. In dit getal zijn
   echter alle manschappen begrepen die voor de NRF zijn geoormerkt, maar die slechts beurtelings volgens
   overeengekomen rotatie worden geactiveerd.
41 Zie: Luis Simon, ‘Assessing NATO’s Eastern European Flank’ en John R. Deni, ’NATO’s New Trajectories
   after the Wales Summit’, in: Parameters, October 2014. De regering heeft in het AIV-werkprogramma 2015
   een adviesaanvraag opgenomen over de besluitvorming over het gebruik van (zeer) snel inzetbare militaire
   eenheden. Zie: <http://www.C:/Users/Gebruiker/Downloads/kamerbrief-met-werkprogramma-aiv-2015.pdf>.
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>uitgaven.42 Het defensiebudget in het VK zal zakken van 2,07% BBP naar 1,88% BBP.
Ook Frankrijk haalt de 2%-norm niet meer. Verder is het Duitse defensiebudget gedaald
naar 1,3% BBP. Wel heeft de Duitse minister van Financiën Schäuble een stijging van
de militaire uitgaven aangekondigd voor de komende jaren. Het Duitse defensiebudget
wordt de komende vier jaar verhoogd met in totaal acht miljard euro. Het is niet helder op
welke wijze de NAVO-lidstaten de komende tien jaar zullen toewerken naar de 2%-richtlijn,
hetzelfde geldt overigens voor de NAVO-richtlijn voor de investeringsquote van 20%.43
Figuur 2: ontwikkeling van totale militaire uitgaven en investeringsuitgaven van NAVO-
landen in de periode 2007-2014.44
Zo blijft dus de situatie bestaan dat de VS het leeuwendeel van de defensie-uitgaven
binnen de NAVO voor zijn rekening neemt, namelijk 75% van het totaal en dat op het
vlak van burden sharing geen vooruitgang wordt geboekt.45 Het is duidelijk dat Europa
hier niet lichtvaardig mee kan blijven omgaan en een groter aandeel zal moeten leveren.
In het verleden was de slagkracht van de NAVO vooral gebaseerd op de bereidheid
van de Amerikaanse regering zich ten volle met de landen van Europa te verbinden ter
waarborging van de Europese veiligheid. Er is nu sprake van meer terughoudendheid
in de uitoefening van het Amerikaanse leiderschap. Een meer daadkrachtige opstelling
van de VS in het conflict rond Oekraïne zou misschien een beslissende invloed hebben
42 Zie: ’UK defence spending concerns US Army chief Raymond Odierno’, <http://www.bbc.com/news/uk-
    31688929>. Geraadpleegd op 2 maart 2015. Volgens het rapport van het European Leadership Network
    ‘The Wales pledge revisited’ het laagste niveau in de afgelopen 25 jaar. Zie: <http://www.european-
    leadershipnetwork.org/medialibrary/2015/02/20/04389e1d/ELN%20NATO%20Budgets%20Brief.pdf>.
    Geraadpleegd op 2 maart 2015.
43 Zie: <http://www.nato.int/cps/en/natohq/opinions_116854.htm>. Geraadpleegd op 2 maart 2015.
44 Idem.
45 Zie: ‘The Wales pledge revisited’, p. 9. Geraadpleegd op 2 maart 2015.
                                                      24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>gehad op het verloop van de ontwikkelingen in dit land.46 Momenteel laat de VS zich niet
onbetuigd met het trainen van de nationale garde van Oekraïne, deelname aan oefeningen
samen met Estland, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië en met het achterlaten van
defensiematerieel in verschillende landen. Dit is belangrijk, maar ontslaat de Europese
NAVO-landen niet van de plicht zelf meer aan hun defensie te doen. Alle landen
onderstrepen het belang van de trans-Atlantische band en de noodzaak voor Europa om
meer verantwoordelijkheid voor de eigen veiligheid te nemen. Vooralsnog wordt echter
geen boter bij de vis geleverd.47
Collectieve verdediging
Voor de toekomst van het NAVO-bondgenootschap is de geloofwaardigheid van artikel
5 van het NAVO-verdrag van kardinale betekenis. Verdere uitwerking van het RAP, de
ontwikkeling van militaire capaciteiten om Rusland het hoofd te kunnen bieden (ook
op het gebied van hybride oorlogvoering) en daadwerkelijke burden sharing binnen de
NAVO, zijn hierbij onontbeerlijk. De NAVO dient rekening te houden met een scenario
waarin Rusland de Baltische staten op vergelijkbare wijze als in Oekraïne, probeert te
destabiliseren. Het aantal vluchten van Russische bommenwerpers en schepen in de
buurt van het NAVO-luchtruim en -grondgebied, is sterk toegenomen en lijkt bedoeld te
zijn als provocatie. Tijdens de Koude Oorlog werden er, ondanks de slechte onderlinge
verstandhouding, zakelijke gesprekken gevoerd over veiligheidskwesties die resulteerden
in belangrijke wapenbeheersingsovereenkomsten. Tegenwoordig is er op dit gebied nog
nauwelijks sprake van onderlinge communicatie.
De huidige veiligheidssituatie heeft geleid tot een herwaardering van de collectieve
verdedigingstaak van de NAVO. Dit neemt echter niet weg dat de NAVO ook van
potentiële betekenis is bij het uitvoeren van militaire operaties aan de zuidflank van
Europa, bijvoorbeeld in Libië of elders in de MENA-regio. De NAVO heeft in het verleden
een beperkte bemoeienis gedemonstreerd met de MENA-regio. Pas in 1994 werd de
Mediterranean Dialogue (MD) gestart, voornamelijk gericht op consultatie. De eerste
trainingsmissie van het bondgenootschap vond plaats in Irak. Gaandeweg werd de
samenwerking verdiept en namen verschillende landen, die zijn aangesloten bij de
dialoog, deel aan NAVO-operaties. In 2004 werd het Istanbul Cooperation Initiative (ICI)
in het leven geroepen, mede als antwoord op de aanslagen van 11 september 2001.
Bij het ICI ligt de nadruk meer op de bevordering van regionale stabiliteit en veiligheid.
In 2006 werd vervolgens het Training and Cooperation Initiative gelanceerd. Hoewel het
verder uitbouwen van deze initiatieven nauwelijks van de grond is gekomen, hebben
vier ICI-staten meegedaan aan NAVO-operaties in Libië en Afghanistan. Het imago van
het bondgenootschap, de beperkte betrokkenheid bij de regio en de uiteenlopende
veiligheidsbelangen binnen het bondgenootschap spelen de NAVO parten. Maar
evenals destijds bij Unified Protector in Libië in 2011, is het zeer wel voorstelbaar dat
een operatie van een coalition of the willing wordt ondersteund door de plannings- en
commandostructuur van de NAVO. Er valt daarbij te denken aan security sector reform en
trainingen, maar ook aan crisisbeheersing.
46 Jan Techau: ‘Why Ukraine Was No Game Changer-So Far.’ posted Tuesday, 24 February 2015.
    Zie: <http://www.carnegieeurope.eu/strategiceurope/?fa=59163>. Geraadpleegd op 2 maart 2015.
47 Zie: Ivo Daalder, ‘Europe lacks commitment to spend on defence’, Financial Times, 11 March 2015.
                                                   25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Conclusie
De NAVO staat in het licht van de Russische dreiging voor de opgave opnieuw te werken
aan een effectief afschrikkingsvermogen om daarmee een geloofwaardige invulling te
geven aan artikel 5 van het NAVO-verdrag. Daarvoor is in de eerste plaats voldoende
militaire capaciteit nodig die snel in crisisgebieden kan worden ontplooid. De contingency
planning zal aan de nieuwe omstandigheden moeten worden aangepast. Ook zal de
NAVO weer stevig moeten investeren in het opbouwen van vermogen om op divisie- en
legerkorpsniveau te kunnen optreden om te voorkomen dat er een gevaarlijk ‘gat’ ontstaat
tussen de VJTF (en NRF) als tripwire en het nucleaire arsenaal. Na een jarenlange focus op
crisisbeheersingsoperaties in vooral Afghanistan, is immers sprake van een ‘ship far out of
balance’.48
Het partnerschapsbeleid van de NAVO is evenzeer aan herziening toe. Terecht is op de
NAVO-top in Wales besloten tot een Distinctive Partnership met Oekraïne, om zo het
land extra te ondersteunen bij defensiehervormingen en de interoperabiliteit tussen
de Oekraïense en NAVO-strijdkrachten te vergroten. Zowel Amerikaanse als Britse
eenheden zullen dit voorjaar trainingen voor de Oekraïense strijdkrachten verzorgen.
De toetredingsaspiraties van Bosnië en Herzegovina, Georgië en Montenegro leiden
vooralsnog niet tot lidmaatschap van de NAVO, aangezien er niet wordt voldaan aan alle
toetredingsvoorwaarden. Wel is het zaak de huidige samenwerking voort te zetten. De
toetreding van Macedonië verkeert nog steeds in een impasse. De Russische avances in
de richting van vooral Servië kunnen wijzen op een streven van Rusland zijn invloed in de
Balkan te vergroten.49
Om het hoofd te kunnen bieden aan de veiligheidsrisico’s aan de flanken van Europa,
zijn de EU en NAVO complementair aan elkaar. Elk van beide organisaties beschikt over
een specifiek eigen instrumentarium dat op verschillende manieren kan worden ingezet.
Waar de NAVO als militaire organisatie in hoofdzaak militaire taken kan vervullen, ligt de
kracht van de EU in het brede spectrum van middelen dat haar tot dienst staat. Als het
gaat om de stabilisatie van de MENA-regio kan de EU gebruikmaken van handelspolitieke
en ontwikkelingsinstrumenten evenals van de inzet van gendarmerie-achtige eenheden en
intelligence die lidstaten met elkaar delen. De NAVO en de EU kunnen samen optrekken
in de wederopbouw van de veiligheidsarchitectuur in Libië. Mogelijk is de EU beter dan
de NAVO in staat een antwoord te geven op desinformatiecampagnes.50 Nederland
heeft overigens 510.000 euro ter beschikking gesteld aan de European Endowment for
Democracy, die in opdracht van de Europese Commissie onderzoek gaat doen naar de
48 Zie: Luis Simon, ‘Assessing NATO’s Eastern European Flank’ en John R. Deni, ’NATO’s New Trajectories
    after the Wales Summit’, in: Parameters, October 2014.
49 Ian Traynor and Shaun Walker, ‘Russian resurgence: how the Kremlin is making its presence felt across
    Europe‘, zie: <http://www.theguardian.com/world/2015/feb/16/russian-resurgence-how-the-kremlin-is-
    making-its-presence-felt-across-europe>. Geraadpleegd op 13 april 2015.
50 De Europese Raad gaf de HV op 19 maart 2015 de opdracht om een plan voor strategische communicatie
    op te stellen: ’The European Council stressed the need to challenge Russia’s ongoing disinformation
    campaigns and invited the High Representative, in cooperation with Member States and EU institutions,
    to prepare by June an action plan on strategic communication. The establishment of a communication
    team is a first step in this regard.’ European Council Conclusions on external relations, 19 March 2015.
    Zie: <http://www.consilium.europa.eu/en/press/press-releases/2015/03/conclusions-russia-ukraine-
    european-council-march-2015/>. Geraadpleegd op 13 april 2015.
                                                        26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>haalbaarheid van een onafhankelijk Russischtalig mediaplatform.51
In het huidige tijdsgewricht blijft de trans-Atlantische relatie van onverminderd belang.
De directe betrokkenheid van de VS bij de veiligheid van Europa is essentieel. Voor de
VS is Europa nog steeds belangrijk, maar het heeft in de Amerikaanse veiligheidspolitiek
een lagere prioriteit gekregen. De positie van de VS als eerste mogendheid in de wereld
wordt immers veel meer bedreigd door China dan door Rusland. Dit blijkt onder meer uit
het feit dat 60% van de militaire capaciteiten van de VS zijn geoormerkt voor mogelijk
optreden in Azië. Zo noemde minister Carter Zuidoost-Azië vlak voor zijn eerste bezoek
aan Azië the defining region for our nation’s future en verklaarde hij: ‘The regional status
quo will change. So to secure our enduring interests, and our future that is so closely
aligned with the region, we’re changing, too, with our so-called rebalance to the Asia-
Pacific’.52 De Europese NAVO-landen kunnen daarom minder dan voorheen een wissel
trekken op het vermogen en de bereidheid van de VS om Europa te hulp te komen.53
De onderhandelingen met de VS voor de totstandkoming van het Transatlantic Trade &
Investment Partnership dienen dan ook mede vanuit het strategische eigenbelang bekeken
te worden.54
51 Tijn Sadée ‘Antipropaganda tegen Kremlin-tv en Facebook-jihad’, NRC, 25 februari 2015.
52 Remarks on the Next Phase of the U.S. Rebalance to the Asia-Pacific (McCain Institute, Arizona State
    University). As Delivered by Secretary of Defense Ash Carter, Tempe, AZ, Monday, 6 April 2015.
    Zie: <http://www.defense.gov/Speeches/Speech.aspx?SpeechID=1929>. Geraadpleegd op 13 april 2015.
53 Het voert te ver om in het bestek van dit advies uitgebreid stil te staan bij de trans-Atlantische relatie.
    Het onderwerp leent zich voor een apart AIV-advies.
54 De Europese energieafhankelijkheid zou in belangrijke mate kunnen verminderen als de VS en de EU
    overeenstemming bereiken over een clausule binnen TTIP, die de levering van Amerikaanse ruwe olie
    en vloeibaar gas mogelijk maakt. Zie ook: Rem Korteweg ‘It’s the geopolitics, stupid: Why TTIP matters’,
    2 April 2015, <http://www.cer.org.uk/insights/it%E2%80%99s-geopolitics-stupid-why-ttip-matters>.
    Geraadpleegd op 7 april 2015.
                                                       27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>III      Implicaties voor het buitenlands- en veiligheidsbeleid
         van Nederland
III.1    De ‘gordel van instabiliteit’ en Nederland
De dramatische ontwikkelingen in de nabijheid aan de flanken van Europa zijn naar het
oordeel van de AIV aanleiding het Nederlandse buitenlands- en veiligheidsbeleid te onder-
werpen aan een reality check. Erkend moet worden dat het einde van de Koude Oorlog en
de voortgaande mondialisering van de economie niet hebben geleid tot een Copernicaanse
omwenteling in de internationale betrekkingen. De strijd om de beheersing van grond-
gebied heeft niet plaatsgemaakt voor louter economische wedijver. Machtspolitiek heeft
zich niet onderworpen aan het internationaal recht en de democratie heeft haar opmars
niet voortgezet. De staat manifesteert zich nog steeds nadrukkelijk als hoofdrolspeler op
het wereldtoneel, al is de betekenis van niet-statelijke actoren en van netwerken waarbij
private partijen betrokken zijn, toegenomen. Nederland wordt geconfronteerd met de
grenzen van een door waarden geïnspireerde buitenlandse politiek. De relatieve verzwakking
van de positie van de westerse landen in het mondiale krachtenveld enerzijds en het
gestegen zelfbewustzijn van politieke leiders in de opgekomen landen anderzijds, hebben
ook hun weerslag op de beïnvloedingsmogelijkheden van Nederland. Deze mogelijkheden
zijn geringer geworden.
De AIV onderschrijft de zienswijze van opeenvolgende Nederlandse regeringen dat de
versterking van de internationale rechtsorde in het belang is van Nederland. Maar elke
rechtsorde heeft een fundament van macht nodig om te kunnen worden gehandhaafd. De
aanwending van macht dient dan ook achter de hand te worden gehouden. De crisis rond
Oekraïne laat zien dat een Europese veiligheidsorde die slechts is gebaseerd op beloften
van landen elkaar niet aan te vallen en bestaande grenzen te respecteren, onvoldoende
waarborgen biedt. Dit dient consequenties te hebben voor de weerbaarheid van Nederland,
uiteraard in nauwe samenwerking met de bondgenoten. Met betrekking tot Rusland zijn
er ook voor Nederland dwingende argumenten om het (tot voor kort) heersende beeld van
het ‘nieuwe’ Rusland grondig te herzien. Rusland is, anders dan in de jaren negentig, niet
het land geworden dat zichzelf in politieke zin als een Europees land ziet en dat sterk is
gemotiveerd om deel uit te maken van vergaande vormen van Europese samenwerking.
Ten aanzien van de door geweld geteisterde landen in de Arabische wereld dienen even-
zeer correcties te worden aangebracht op bestaande verwachtingen en beleidsprioriteiten,
ook van Nederland. Op grond van de religieuze en sektarische tegenstellingen in de regio
en als gevolg van het ontbreken van overkoepelende nationale identiteiten is er reden te
veronderstellen dat de situatie in grote delen van de regio nog lang zal worden gekenmerkt
door instabiliteit. Het vermogen tot transformatie in de richting van behoorlijk bestuur dat
in dienst staat van het welzijn van de belangen van de gehele bevolking (en niet van de
belangen van bepaalde groepen) is in veel landen in conflict minder groot dan lange tijd is
gedacht of in ieder geval gehoopt.
Ook voor Nederland moet dit leiden tot een lager, meer realistisch ambitieniveau. Het
Nederlandse beleid moet ervan uitgaan dat in die Arabische landen die verkeren in een
toestand van voortdurende burgerstrijd, het bereiken van enige orde en stabiliteit (evenals
minimaal bestuurlijk fatsoen) op korte termijn het hoogst haalbare doel is. Dit hoeft
overigens het streven naar democratisering als vooruitzicht voor de langere termijn niet
                                              28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>uit te sluiten, mits rekening wordt gehouden met het gegeven dat het westerse model van
democratie lang niet overal toepasbaar is.
III.2     Prioriteiten
De AIV stelt met voldoening vast dat het huidige Nederlandse kabinet een serieus begin
heeft gemaakt met de verwerking van de nieuwe ontwikkelingen in de bepaling van zijn
standpunten. Zo gaat het er terecht vanuit dat de directe omgeving van Europa aan
de oost- en zuidflank voor langere tijd instabiel zal blijven, ‘de gordel van instabiliteit’.
Veiligheid en veiligheidsbeleid zullen, evenals voor de andere Europese lidstaten, het
belangrijkste internationale thema zijn.55 Dit leidt tot een wijziging van het perspectief van
het Nederlands buitenlands- en veiligheidsbeleid. Stonden eerder thema’s als nationaal
economisch belang en economische diplomatie centraal, sinds de annexatie van de
Krim, de Russische inmenging in het oosten van Oekraïne en het oprukken van ISIS in
Syrië, Irak en Libië is veiligheid, in de zin van de bescherming van de bevolking tegen
gevaren van buiten en binnen, de eerste prioriteit. De huidige veiligheidssituatie laat zich
niet vergelijken met de Koude Oorlog, daarvoor zijn de verschillen te groot. De vroegere
tegenstelling tussen Oost en West had een mondiale dimensie en de angst voor een
kernoorlog was wijd verbreid. Toch zijn er ook overeenkomsten met deze periode. Aan de
oostflank vormt Rusland een onzekere, maar mogelijk reële dreiging voor zijn buurlanden
en daarmee dus ook voor het NAVO-grondgebied. De instabiele situatie in Syrië, Irak en
in Libië en het oprukken van ISIS laten de veiligheid en stabiliteit in Europa, onder andere
als gevolg van terugkerende jihadstrijders, niet onberoerd. De instabiliteit in de Arabische
wereld als geheel kan leiden tot ingrijpende machtsverschuivingen in de regio en daarmee
op termijn de energievoorzieningszekerheid van de EU in gevaar brengen.
Zowel minister Koenders als zijn voorganger hebben diverse malen verklaard dat het
van belang is een ‘realistisch’ buitenlands beleid te voeren, zonder overigens nader aan
te geven tot welke veranderingen in het Nederlandse buitenlands- en veiligheidsbeleid
dat zou moeten leiden. Ten aanzien van het beleid ten opzichte van Rusland lijkt de
regering overigens de hoop op een herstel van constructieve samenwerking binnen
afzienbare termijn, niet te hebben opgegeven.56 De huidige bewindsman sprak tijdens de
begrotingsbehandeling in dit verband zijn voorkeur uit voor een politiek van ‘vuist en open
hand’, wat neerkomt op het gelijktijdig opbouwen van een geloofwaardige afschrikking
en het tonen van bereidheid om naar politieke oplossingen te zoeken. Het neerhalen
van de MH-17, waarschijnlijk door een Russische BUK-raket, compliceert de Nederlands-
Russische betrekkingen en heeft geresulteerd in een behoedzame opstelling van de
regering.
Los hiervan onderstreept minister Koenders de wenselijkheid van ‘een geloofwaardige
invulling van artikel 5’ en ‘een politieke oplossing en een nieuw evenwicht in onze relatie
met Rusland’.57 De AIV acht dit in beginsel een juist uitgangspunt, maar wijst wel op het
55 Rijksbegroting 2015, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V)
    voor het jaar 2015, Kamerstuk 34 000 V, pp. 9-10.
56 Tony van der Togt, ‘How should Europe respond to Russia? The Dutch view’, 25 februari 2015. Zie:
    <http://www.clingendael.nl/publication/how-should-europe-respond-russia-dutch-view?lang=nl>.
57 Zie: <http://www.hpdetijd.nl/nieuws/koenders-relatie-met-rusland-heroverwegen/>. Geraadpleegd op
    30 maart 2015.
                                                    29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>probleem van het vinden van een goede balans tussen de demonstratie van (militaire)
kracht en het bewandelen van de diplomatieke weg. Om het gewenste effect te bereiken
mogen beide instrumenten niet los van elkaar worden gehanteerd. De Europese landen
zijn over het algemeen niet sterk in het bedrijven van coercive diplomacy, waarbij het
erop aankomt dat militaire dwang dienstbaar wordt gemaakt aan de diplomatie en
omgekeerd. De AIV kan de minister ook grotendeels volgen in zijn opvatting dat vanwege
de essentiële rol van Rusland in een aantal mondiale vraagstukken (non-proliferatie,
terrorismebestrijding en dergelijke) een ‘compartimentalisering en differentiatie’ van de
relatie met Rusland wenselijk is.58 Maar ook hier wordt een zware wissel getrokken op het
vermogen standvastigheid en diplomatieke plooibaarheid te combineren. Het mag niet zo
zijn dat Rusland voor zijn medewerking aan bijvoorbeeld de beteugeling van het nucleaire
programma van Iran of het bereiken van een vredesregeling in Syrië, de prijs kan bedingen
van stille acceptatie van (verdere) uitbreiding van zijn invloedssfeer in Oost-Europa, voor
zover hiervan al niet sprake is.
De Nederlandse regering is verder voorstander van het verminderen van de kwetsbaarheid
op energiegebied, vooral langs de weg van een versterking van het Europees energie-
beleid, maar meent ‘dat tegelijkertijd moet worden voorkomen dat Rusland als energie-
leverancier buiten de deur wordt gehouden’.59 Dit tekent een zekere ambivalentie in de
opstelling tegenover Rusland; daaraan zal het economisch eigenbelang van Nederland niet
vreemd zijn. Verder bepleit de regering een onderzoek naar mogelijke samenwerking
tussen de EU en de EEU. De AIV meent dat een dergelijk onderzoek pas aan de orde kan
zijn wanneer de politieke gronden voor de economische strafmaatregelen tegen Rusland
zijn komen te vervallen. Tot dusver toont president Poetin overigens geen enkele interesse
in samenwerking met de EU.
Wat Oekraïne betreft, bewandelt Nederland diverse sporen: het politieke spoor via de EU
en de OVSE, het sanctiespoor via de EU en het veiligheidsspoor via de NAVO. Daarnaast
acht de regering het noodzakelijk stevige druk op de Oekraïense regering uit te oefenen
om de noodzakelijke economische hervormingen door te voeren. Nederland is tegen de
levering van wapens aan Oekraïne, omdat het risico van een proxy-oorlog hierdoor zou
worden vergroot en het gevaar van escalatie zou dreigen. De regering zet dus vooral in op
het politieke spoor zonder overigens duidelijk te maken waarom dit wel succesvol zal zijn
en zonder aan te geven hoe aan verdere escalatie van het geweld in Oekraïne een halt kan
worden toegeroepen.
Het Nederlandse beleid met betrekking tot Syrië en Irak is evenzeer gericht op
de-escalatie. Het zet in op voortzetting van de programma’s onder ‘Matra-Zuid’, die
voorzien in bevordering van rechtsstaat, public finance management, waterbeheer en
innovatieve steun bij de opvang van vluchtelingen. De AIV is overigens van mening dat
58 De gebezigde terminologie roept herinneringen op aan het debat uit de jaren ’70 (vorige eeuw) over de
    merites van linkage en delinkage in de westerse benadering van de Sovjetunie. Moest aan het streven naar
    ontspanning in Europa zoveel waarde worden toegekend dat het Sovjet-leiderschap hierdoor een vrije hand
    kreeg om de invloed buiten Europa uit te breiden? Of moest nadrukkelijk een koppeling worden aangebracht
    tussen het optreden van de Sovjetunie in verschillende politieke omgevingen?
59 Rijksbegroting 2015, Ministerie van Buitenlandse Zaken, p. 15.
                                                       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>deze programma’s bij de huidige stand van zaken geen of vrijwel geen effect hebben.60
Nederland gaat uit van het principe van do no harm en ziet een politieke oplossing als
enige optie. Het volgt hierbij vier sporen: 1) steun voor een inclusieve regering in Irak,
2) steun voor een politieke oplossing in Syrië, 3) investeren in een constructieve rol voor
sleutelspelers in de regio en 4) harde aanpak van ISIS via een militaire bijdrage aan
de coalitie en terrorismebestrijding. De Nederlandse deelname aan de luchtcampagne
en de trainingsmissie wordt als volgt verantwoord: ‘Het kabinet heeft er, ondanks de
risico’s en onzekerheden, voor gekozen een rol te spelen in de bestrijding van ISIS en het
dichterbij brengen van stabiliteit in de regio, vanwege onze verantwoordelijkheid jegens de
bevolking daar en omwille van onze eigen veiligheid’.61 De regering acht het van belang
dat de ‘internationale gemeenschap een gemeenschappelijke visie heeft op de (middel)
lange termijn inzet voor Syrië en Irak’. Zij constateert dat er binnen de internationale
gemeenschap verschillend wordt gedacht over ‘de rol van Assad, de rol van Iran en de rol
van de Koerden’.62 De AIV is van oordeel dat het uiteindelijk noodzakelijk kan zijn om met
vertegenwoordigers van het regime Assad te spreken.63
Wat Libië aangaat is minister Koenders van oordeel dat er bij de interventie in dit land
destijds, te weinig is nagedacht over het vervolg, want een ‘militair instrument moet
altijd gekoppeld zijn aan een politieke strategie en een strategie voor ontwikkeling en
vredesbesprekingen’.64 De bewindsman acht de situatie in Libië ‘het grootste risico’;
er bestaat een risico van een ‘zekere proxy-oorlog in Libië’.65 Minister Koenders sluit
sancties niet uit, maar wijst ook op de carrots die de EU ter beschikking heeft gesteld.
Naast de EU ziet minister Koenders een bijzondere rol voor Italië en Malta. Nederland
zet al zijn kaarten op een politieke oplossing en is bereid een bijdrage te leveren aan de
transitie van het Libië.66 Naar het oordeel van de AIV zou Nederland ook een bijdrage
dienen te leveren aan mogelijke EU-ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van trainers en
60 Momenteel voert de IOB een evaluatie uit naar het MATRA-programma dat eind 2015 afloopt. Zie:
    <http://www.iob-evaluatie.nl/en/resources/evaluatie-van-het-matra-programma-de-landen-van-het-
    oostelijk-partnerschap-2008-2014-%E2%80%93>. Geraadpleegd op 26 maart 2015.
61 Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en voor Buitenlandse Handel en
    Ontwikkelingssamenwerking aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, Den Haag, 15 december 2014,
    Kamerstuk 27 925, nr. 526, pp. 16-17.
62 Ibidem, p. 4.
63 AIV-advies, nummer 91, ‘Nederland en de Arabische regio: principieel en pragmatisch’, Den Haag,
    november 2014, p. 33.
64 Interview NOS, 10 december 2014. Zie: <http://www.nos.nl/artikel/2008203-koenders-waarschuwt-voor-
    gevaar-libi.html>.
65 Verslag van een Algemeen Overleg van de Vaste commissie Buitenlandse Zaken en de vaste commissie
    Europese Zaken op 5 februari 2015, Kamerstuk 21 501-02, nr. 1467, p. 16.
66 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, Den Haag,
    27 februari 2015, Kamerstuk 32 623, nr. 145, p. 6.
                                                    31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>adviseurs, om daarmee een zekere stabiliteit in Libië te bereiken.67
In de beleidsbrief Internationale Veiligheid-Turbulente Tijden in een Instabiele Omgeving
worden de volgende strategische veiligheidsbelangen onderkend: verdediging van het
eigen en het bondgenootschappelijk grondgebied, een goed functionerende rechtsorde en
economische veiligheid. Hoewel de regering vaststelt dat het noodzakelijk is prioriteiten
te stellen en de aandacht vooral te richten op ‘de gordel van instabiliteit’ rond Europa,
bevat de beleidsbrief een groot aantal andere thema’s en landen die voor Nederland
zeer relevant zijn: preventie, ontwapening en wapenbeheersing, geïntegreerde benadering
en samenwerking met de private sector. Ook worden genoemd: het vredesproces in het
Midden-Oosten, Mali, migratieproblematiek, West-Afrika (ebola), Afghanistan, Midden-
Amerika en het Caribisch gebied. Als aparte thema’s worden nog vermeld: investeren
in de kwaliteit van vredesmissies en -operaties in VN-kader, bescherming van burgers
en menselijke veiligheid, verder kijken dan de crises van vandaag (cyber, nieuwe
wapensystemen, foreign terrorist fighters, global issues).68
Naar het oordeel van de AIV is binnen het Nederlandse buitenlands- en veiligheidsbeleid
een nadere prioritering noodzakelijk. Er moeten dus duidelijker keuzes worden gemaakt,
zowel regionaal als thematisch. Nederland participeert thans in meer dan 20 grotere en
kleinere missies van zeer uiteenlopende aard in een groot aantal landen.69 Dit leidt tot
versnippering van capaciteiten en middelen. Het is naar het oordeel van de AIV zinvoller
om de missies in hoofdzaak te richten op probleemgebieden aan de flanken van Europa.
Daar komt bij dat de veiligheidsproblemen aan de oostflank met een grotere nadruk op
collectieve verdediging, tot een aanzienlijk beslag op de Nederlandse krijgsmacht zullen
leiden.
Een effectief beleid is niet mogelijk zonder voldoende steun onder de eigen bevolking.
Na een lange periode van afkalvend draagvlak voor het Nederlands buitenlands- en
veiligheidsbeleid lijkt hierin onder invloed van de internationale ontwikkelingen recent een
kentering te zijn gekomen. Volgens een TNS NIPO-onderzoek, uitgevoerd in opdracht van
de Atlantische Commissie, zou driekwart van de Nederlanders (76%) het Nederlandse
lidmaatschap van de NAVO van tamelijk tot zeer groot belang voor de veiligheid van
Nederland vinden. In december 2013 gold dat voor 56% van de Nederlanders.70 De
kentering wordt ook zichtbaar in het onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau
‘Continu Onderzoek Burgerperspectieven’ dat elk kwartaal wordt uitgevoerd. In het laatste
kwartaalonderzoek uit 2014 bleek dat het percentage ondervraagden dat van mening was
dat minder geld aan militaire missies moet worden uitgegeven, was gedaald van 56% naar
34%. Ook vond 48% van de ondervraagden dat Nederland moet deelnemen aan militaire
missies als de internationale gemeenschap daarom vraagt, in 2012 was dit percentage
67 Zie ook: Dick Zandee, ’Ingrijpen in Libië is urgent nodig’, 24 februari 2015, <http://www.clingendael.nl/
    node/6703>. Geraadpleegd op 17 maart 2015.
68 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-
    Generaal, Den Haag, 14 november 2014, Kamerstuk 33 694, nr. 6.
69 Zie: <http://www.defensie.nl/onderwerpen/missies>. Geraadpleegd op 15 april 2015.
70 TNS-NIPO rapport Defensie en Buitenlandse zaken Opiniepeiling, augustus 2014. Zie:
    <http://www.atlcom.nl/atlantische-commissie/laatste-nieuws/12550/>. Geraadpleegd op 31 maart 2015.
                                                       32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>nog 30%.71 Het eerste kwartaalbericht 2015 constateert dat ‘de zorgen over IS/Syrië,
Rusland en een terroristische aanslag in oktober 2014 groter zijn dan in juni van dat jaar
of in 2013’, dat 44% van de ondervraagden zich ‘een beetje zorgen’ maakt, 30% ‘tamelijk
bezorgd’ is en 10% zich heel veel zorgen maakt.72 De ondervraagden vinden de wereldorde
instabiel. De AIV vindt het van groot belang dat de Nederlandse regering zich blijft inspannen
om de binnenlandse steun voor het Nederlandse veiligheids- en defensiebeleid verder te
versterken door in de informatievoorziening aan het Nederlandse publiek vooral te wijzen
op de samenhang tussen de veiligheid in de Nederlandse samenleving en de gevaren
die van buiten Europa dreigen.
De sterkere nadruk op veiligheidsbeleid heeft ontegenzeggelijk gevolgen voor het
Nederlandse mensenrechtenbeleid. Minister Koenders betoogde tijdens de begrotings-
behandeling: ‘Wij blijven dus pal staan voor bevordering van democratie, rechtsstaat
en mensenrechten, waarbij er geen tolerantie of begrip is voor dictatuur, willekeur of
rechteloosheid’ en waarden ‘belangrijker zijn dan ooit’.73 Onder invloed van de gewijzigde
veiligheidsomstandigheden zijn de mogelijkheden om naleving van mensenrechten te
beïnvloeden beperkter geworden. In relatie tot het mensenrechtenbeleid van Saoedi-
Arabië en de strijd tegen ISIS verklaarde de minister: ‘We zitten in een veel ingewikkelder
situatie, waarin wij moeten proberen om met gelijkgezinden in allianties op te komen voor
de mensen in die landen, inderdaad ten behoeve van de stabiliteit van morgen, niet die
van vandaag’.74 Naar de mening van de AIV is dit een verstandige beleidslijn. Het creëren
van een veilige, stabiele situatie is voorwaarde voor de opbouw van deugdelijk bestuur
en rechterlijk apparaat, dat de basis vormt voor de bescherming van mensenrechten
en de bevordering van waarden. Bovendien, ondanks het door nagenoeg alle regeringen
onderschreven beginsel van de universaliteit stuiten vooral de klassieke mensenrechten
op sterke weerstanden in sommige landen met culturen die door radicale interpretaties
van de Islam zijn doortrokken. Het is een illusie te menen dat deze weerstanden op korte
termijn zullen verdwijnen.
III.3     Nederland en de EU
Nederland neemt anno 2015 een andere positie in de EU in dan twintig of dertig jaar
geleden. Door de verschillende uitbreidingen is de relatieve invloed van Nederland in de
EU geringer geworden. Desondanks wordt Nederland in de ‘Staat van de Unie 2015’ nog
steeds zonder nadere begripsomschrijving een ‘middelgrote lidstaat’ genoemd, die in de
71 Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB), Sociaal en Cultureel Planbureau, vierde
    kwartaal 2014, p. 35. Zie: <http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2014/
    Burgerperspectieven_2014_4>. Geraadpleegd op 31 maart 2014.
72 Continu Onderzoek Burgerperspectieven (COB), Sociaal en Cultureel Planbureau eerste kwartaal 2015, p. 19.
    Zie: <http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2015/Burgerperspectieven_2015_1>.
    Geraadpleegd op 31 maart 2015.
73 Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2014-2015, 19 november 2014, p. 3.
74 Verslag van het Algemeen Overleg van de Vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken op 5 februari
    2015, Vergaderjaar 2014-2015, Kamerstuk 21501-02, nr. 1467, p. 13.
                                                      33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>EU ‘een bijzondere rol als bruggenbouwer’ heeft.75 Minister Koenders noemde Nederland
tijdens de behandeling van de Begroting 2015 ‘relatief klein’.76 De AIV is van oordeel dat
de kwalificaties ‘klein’ en ‘middelgroot’ in de praktijk niet zoveel betekenis hebben. Voor
elk land geldt dat punching above its weight slechts tot teleurstelling zal leiden. Het komt
er in EU-verband vooral op aan dat men door de grotere lidstaten wordt gezien als een
constructieve partner die iets kan bijdragen aan gemeenschappelijke inspanningen of de
positie van grotere landen ten opzichte van elkaar kan versterken. Ofschoon het nog steeds
in het belang van Nederland is dat voortgang wordt gemaakt met het streven naar een
gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid, kan niet worden genegeerd dat de grotere
landen de belangrijkste beslissingen op dit terrein nog steeds zelf wensen te nemen.
Wil Nederland relevant blijven, dan zal het moeten zoeken naar aansluiting bij of een
vorm van coalitie met één of meer grote lidstaten. Gezien de leidende rol die Duitsland in
de Europese diplomatieke activiteit ten opzichte van Rusland speelt, ligt wat het dossier
Oekraïne betreft een sterke oriëntatie van Den Haag op Berlijn voor de hand. Maar van
oudsher hebben Frankrijk en het VK een veel groter aandeel dan Duitsland genomen in
de Europese inspanningen die waren gericht op de stabilisering van de Arabische regio.
Daarom dient Nederland zich in het voortraject van de Europese besluitvorming ook tot
deze Europese partners te wenden om een bijdrage te leveren aan de oplossing van de
problemen in die regio.
Terecht meldt de ‘Staat van de Unie’ dat de ontwikkelingen aan de oost- en zuidflank van
Europa vragen om een slagvaardig en effectief extern beleid van de Unie. Daarmee zou
een Nederlands belang zijn gediend. De AIV onderschrijft de opvatting van de regering dat
‘Europa meer dan voorheen op zichzelf is aangewezen bij het bevorderen en handhaven
van veiligheid en stabiliteit in de regio en aan de grenzen ervan’.77 Sinds geruime tijd
geeft Nederland serieus invulling aan de Europese defensiesamenwerking door bilateraal
afspraken te maken met een aantal Europese partners, zowel grotere als kleinere:
België, Duitsland, Luxemburg, Frankrijk, Noorwegen en het VK.78 Niet zonder reden
meent Nederland in dit opzicht ‘een voortrekkersrol’ te vervullen; het streeft naar verdere
verdieping van de internationale defensiesamenwerking.
De AIV spoort de regering aan met kracht op deze weg voort te gaan. Het handelings-
vermogen van Nederland kan alleen worden vergroot door nationale militaire vermogens
zoveel mogelijk te delen met daarvoor in aanmerking komende Europese partners. Op
eigen kracht kan Nederland buiten zijn grenzen immers militair weinig of niets uitrichten.
De AIV geeft de regering dan ook in overweging het EU-voorzitterschap in 2016 aan te
grijpen om voorstellen te doen voor gezamenlijke defensie-investeringen in Europees
verband, bijvoorbeeld in vliegtuigen die gevechtstoestellen in de lucht kunnen bijtanken, de
75 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
    ‘Staat van de Europese Unie 2015’, Den Haag, 23 februari 2015, Kamerstuk 34 166, nr. 1, p. 10.
76 Handelingen Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2014-2015, 19 november 2014, p. 3.
77 Brief van de minister van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
    Den Haag, 7 november 2014, Kamerstuk 33 763, nr. 59. pp. 1-2.
78 Brief van de minister van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
    Den Haag, 7 november 2014, Kamerstuk 33 279, nr. 12. Zie ook: AIV-advies, nummer 78, Europese
    defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen’, Den Haag, januari 2012.
                                                    34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>vorming van een Europese pool van transporthelikopters vergelijkbaar met het European
Air Transport Command en samenwerkingsverbanden naar het model van de Strategic
Airlift Capability (SAC) C-17. Hetzelfde voorzitterschap biedt ook de gelegenheid om toe
te zien op de noodzakelijke bijstelling van de Europese veiligheidsstrategie uit 2003,
die in velerlei opzicht gedateerd is. Tevens zou Nederland het voorstel kunnen doen om
ook op defensiegebied een Europees semester te introduceren. De HV zou dan, net
zoals de Europese Commissie dat doet ten behoeve van de nationale begrotingspolitiek
en de economische beleidscoördinatie, jaarlijks een gedetailleerde analyse van de
ontwikkeling van de nationale defensie-inspanningen en investeringen kunnen opstellen en
aanbevelingen kunnen doen voor de komende 12-18 maanden.
Wat het gemeenschappelijk buitenlands beleid van de EU betreft, bedient minister
Koenders zich graag van de metafoor van een orkest met de HV in de rol van dirigent,
met een aantal landen dat bepaalde activiteiten kan ondernemen en een denkbare
‘flexibele taakverdeling’. Tegelijkertijd spreekt de minister zijn zorgen uit over het behoud
van eensgezindheid en cohesie binnen de EU. De AIV heeft begrip voor de ministeriële
zorgen, maar meent tegelijk dat de verschillende nationale agenda’s van de lidstaten een
gegeven zijn (geography is destiny) en dat diversiteit tussen de lidstaten ook als krachtig
uitgangspunt kan dienen bij de inzet van een scala aan diplomatieke inspanningen ten
aanzien van de buurlanden. Taakverdeling tussen de lidstaten, eerder dan institutionele
oplossingen, zou een verstandige manier kunnen zijn om met het probleem van de
diversiteit in de EU om te gaan, met dien verstande dat lidstaten elkaar informeren en dat
de HV een coördinerende rol blijft spelen.
III.4     Nederland en de NAVO
Nederland heeft door de jaren heen actief deelgenomen aan militaire operaties die door
het bondgenootschap zijn uitgevoerd. Daarvoor heeft Nederland in bondgenootschappelijke
kring de nodige erkenning gekregen en daarmee heeft Nederland ook politiek kapitaal
in de vorm van invloed en prestige verdiend. In 2015 maakt Nederland samen met
Duitsland en Noorwegen deel uit van het bataljon dat dient als interim-VJTF. Daarnaast
levert Nederland tankercapaciteit voor het in de lucht bijtanken van AWACS-vliegtuigen
en heeft het een aandeel in de Baltic Air Policing. Ook neemt Nederland deel aan diverse
oefeningen in de Baltische regio.
Al deze bijdragen zijn in overeenstemming met de opvatting van de regering dat de
collectieve verdediging aan belang heeft gewonnen.79 Het gaat hier echter om relatief
kleine bijdragen die niet kunnen verhullen dat de Nederlandse krijgsmacht sinds
geruime tijd niet meer voldoet aan de eis van brede inzetbaarheid, terwijl ook het
voortzettingsvermogen van enigszins omvangrijke formaties ernstig te wensen over
laat. Deze tekortkomingen wegen zwaar omdat rekening moet worden gehouden met de
mogelijkheid dat in antwoord op de militaire uitdaging die nu van Rusland uitgaat, de NAVO
een groter beroep op de Nederlandse krijgsmacht zal doen dan waarvan sprake was (en
is) bij de uitvoering van de militaire missies in Irak en Afghanistan. Ook toekomstige inzet
in de MENA-regio valt niet uit te sluiten.
De AIV meent dat de staat waarin de Nederlandse krijgsmacht momenteel verkeert onder
de maat is. Dit rechtvaardigt een uitvoerige behandeling in dit advies van de Nederlandse
79 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-
    Generaal, Den Haag, 14 november 2014, Kamerstuk 33 694, nr. 6.
                                                   35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>defensie-inspanningen, mede gelet op de reactie die de regering nog zal geven op de motie-
Van der Staaij, die vraagt om een nieuwe bepaling van het militaire ambitieniveau van
Nederland. Overigens wil de AIV de indruk vermijden dat een verbetering van de kwaliteit
van de Nederlandse defensie (en die van de Europese bondgenoten) het enige of zelfs maar
het belangrijkste middel zou zijn om het hoofd te bieden aan de crises waarvoor Europa zich
aan zijn flanken ziet gesteld. Daarvoor is volgens de AIV, een brede aanpak nodig waarin
diplomatieke, economische en militaire instrumenten in onderlinge samenhang een eigen
plaats dienen te hebben. Ook vanuit dit perspectief betreurt de AIV de drastische inkrimping
van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in het buitenland.
III.5      Defensie-inspanningen van Nederland
De hoofdoorzaak van de sterk verminderde gevechtskracht van de Nederlandse
krijgsmacht is – weinig verrassend – gelegen in de herhaalde kortingen die op het
defensiebudget zijn toegepast. Het percentage van het BBP dat Nederland sinds 1990
aan defensie heeft besteed, vertoont daarom een dalende lijn. Bedroeg het percentage
in 1990 nog 2,4% van het BBP, in 2015 is dit gezakt tot 1,16%; meer dan een halvering
dus.80 Nederland blijft ver achter bij het percentage van 1,6% BBP dat de Europese NAVO-
landen momenteel gemiddeld uitgeven aan defensie en a fortiori bij de NAVO-norm van
2%, waarop de NAVO-lidstaten zich – zoals in het vorige hoofdstuk beschreven – tijdens de
NAVO-top in Wales opnieuw hebben vastgelegd. Sinds 1990 zijn de defensie-uitgaven als
percentage van het BBP gedaald van 2,4% naar 1,2%.81
Mede als gevolg van de bezuinigingen is de investeringsquote sterk gedaald. In 2006 werd
nog 21% van het defensiebudget aan investeringen besteed, in 2013 is dit percentage
teruggevallen tot 14%. Bij de door de AIV bepleite ombuiging van deze neerwaartse
trend is, gegeven de zorgen over de bondgenootschappelijke en daarmee Nederlandse
veiligheidssituatie, van belang te beseffen dat het aandeel van het defensiebudget binnen
de totale Rijksuitgaven bescheiden is, zoals uit figuur 3 blijkt.
80 Bij de beoordeling van de bestedingsmogelijkheden van het Nederlandse defensiebudget moet
    in aanmerking worden genomen dat een aanzienlijk deel van dit budget op gaat aan pensioenen,
    wachtgelden en uitkeringen. In 2015 bedraagt dit 1.459,67 miljoen euro. Antwoorden op
    schriftelijke vragen begroting 2015, vraag 137. Nederland is overigens in dit opzicht niet uniek. Ook de
    defensiebegrotingen van andere NAVO-landen worden belast met uitgaven voor pensioenen en andere
    uitgaven die niet direct gerelateerd zijn aan de defensie-inspanning van het desbetreffende land.
81 Zie: Kamerstuk 34 000 X, Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het
    jaar 2015, nr. 12, Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden. Vastgesteld 24 oktober 2014, p. 3.
                                                        36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>Figuur 3: Uitgaven rijksoverheid82
De aanhoudende kortingen op het defensiebudget hebben de inzetbaarheid en het
voortzettingsvermogen, alsook het escalatievermogen van de Nederlandse krijgsmacht,
sterk verminderd. Dientengevolge is het ambitieniveau83 van Nederland stelselmatig
verlaagd.84 Extra pijnlijk is het dat uitsluitend om bezuinigingsredenen over de volle breedte
van de krijgsmacht niet alleen (ondersteunende) basiscapaciteiten zijn verminderd, maar
zelfs geheel zijn afgeschaft. In tegenstelling tot nichecapaciteiten kan een krijgsmacht
niet naar behoren functioneren zonder basiscapaciteiten. Ze spelen ook een cruciale rol
in het behoud van escalatiedominantie. De krijgsmacht kampt thans met grote tekorten
aan personeel, reserve-onderdelen en munitievoorraden. Het lage investeringsbudget
doet afbreuk aan de instandhouding en innovatie van de krijgsmacht. Hierdoor
worden vervangingsinvesteringen uitgesteld, veroudert het materieel, verslechtert de
onderhoudstoestand en lopen de kosten van de materiële exploitatie op. Kortom, er is
82 Brochure ‘Kerngegevens Defensie’, november 2014.
83 Het ambitieniveau geeft weer wat de krijgsmacht moet kunnen in het licht van de Grondwet en de drie
    hoofdtaken van Defensie. Het gaat bijvoorbeeld om het aantal gelijktijdig uit te voeren operaties en de
    omvang en de duur van de bijdragen daaraan. Het ambitieniveau wordt geconcretiseerd in inzetbaarheids-
    doelstellingen.
84 Beleidsbrief ‘In het belang van Nederland’, 17 september 2015. Zie: <http://www.defensie.nl/
    documenten/beleidsnotas/2013/09/17/in-het-belang-van-nederland>, pp. 15.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>sprake van een neergaande spiraal.85
Een meerderheid in het parlement lijkt momenteel overtuigd van de noodzaak om
extra financiële middelen voor Defensie beschikbaar te stellen. In de motie-Van der
Staaij wordt de regering verzocht ‘aan te geven wat het noodzakelijke ambitieniveau
van onze krijgsmacht in de komende jaren is, welke internationale veiligheidsstrategie
daarbij hoort, hoe de slagkracht van Defensie dient te worden vergroot en hoe deze zich
verhoudt tot de nationale inzet van onze krijgsmacht’ en ‘nader in te vullen op welke wijze
het defensiebudget in de komende jaren zal worden bijgesteld, waarbij expliciet wordt
gewaarborgd dat het niveau van defensiebestedingen gelijke tred zal houden met het
noodzakelijke ambitieniveau voor onze krijgsmacht’.86
Hoofdtaken krijgsmacht
De eerste hoofdtaak van de krijgsmacht (bescherming van het eigen en bondgenoot-
schappelijk grondgebied, met inbegrip van het Koninkrijk in het Caribisch gebied) heeft als
gevolg van het destabiliserend optreden van Rusland in Oekraïne duidelijk aan belang
gewonnen. De Nederlandse krijgsmacht dient naar het oordeel van de AIV een proportionele
bijdrage te leveren aan de afschrikking in internationaal verband, waaronder een bijdrage aan
een snelle reactiemacht zoals de VJTF. De nieuwe veiligheidssituatie maakt dit dwingender
dan tot voor kort en stelt hoge eisen aan de beschikbaarheid, verplaatsbaarheid en snellere
inzetbaarheid van de toegezegde eenheden. De ontwikkelingen in het Midden-Oosten en
Noord-Afrika leiden daarnaast tot de conclusie dat ook de tweede hoofdtaak (vredesmissies)
aan belang heeft gewonnen.
De AIV is van oordeel dat op grond van de ervaringen met militaire interventies de
conclusie getrokken moet worden dat inzet doorgaans een langdurig karakter moet
krijgen om succes te laten beklijven. Niet de end date, maar de end state dient centraal
te staan, hetgeen uiteraard vraagt om een toereikend voortzettingsvermogen. Ook de
derde hoofdtaak, te weten de nationale veiligheid, heeft aan belang gewonnen, vooral
vanwege de toegenomen verwevenheid tussen interne en externe veiligheid als gevolg van
een substantiële terroristische dreiging mede vanwege terugkerende jihadstrijders en de
toenemende dreiging op het gebied van digitale spionage en digitale sabotage.87 De AIV
neemt met instemming kennis van de recent door de regering genomen maatregelen ter
versterking van de (nationale) veiligheidsketen.88
Het financiële kader
De geschetste (internationale) veiligheidssituatie en de huidige (financiële) situatie van de
krijgsmacht nopen naar de mening van de AIV tot een ‘Deltaplan-krijgsmacht’. Dit moet
een meerjarig financieel kader scheppen voor een stabiele ontwikkeling van de krijgsmacht
en verder reiken dan de huidige regeringsperiode. Als voorbeeld kan de situatie in
85 Zie ook: Lo Casteleijn ‘De trends van twintig jaar Defensie. De motie-Van der Staaij in historisch
    perspectief’. Atlantisch Perspectief 2014, nr. 8, pp. 9-12. Zie: <http://www.clingendael.nl/sites/default/
    files/De-trends-van-twintig-jaar-defensie.pdf>. Geraadpleegd op 5 maart 2015.
86 Zie: <http://www.rijksbegroting.nl/2015/kamerstukken2014/9/22/kst199893.html>.
87 AIV/CAVV-advies, nummer 77, ‘Digitale Oorlogvoering’, Den Haag, december 2011.
88 Brief Minister van Algemene Zaken en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter
    van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Den Haag, 27 februari 2015, Kamerstuk 29 754, nr. 302.
                                                       38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Denemarken en Zweden dienen waar regerings- en oppositiepartijen in de Kamer een
uitgebreid akkoord voor een periode van vijf jaar sluiten over hoogte en besteding van
het defensiebudget.89 De AIV acht het wenselijk dat de regering met het parlement een
vergelijkbare overeenkomst sluit om zo meer financiële zekerheid te verschaffen aan
de krijgsmacht. Mogelijk kan in dat verband het ‘Meerjarenprogramma Infrastructuur,
Ruimte en Transport’, waarover het parlement tweemaal per jaar met de minister van
Infrastructuur & Milieu een voortgangsoverleg voert, mede als model dienen.
In de afgelopen decennia is de krijgsmacht mede als gevolg van de verschillende
regeringswisselingen te vaak een sluitpost op de begroting geweest. De snelheid waarmee
het defensiebudget kan toenemen, wordt onder meer bepaald door het financiële en
personele absorptievermogen van de organisatie. Het (opnieuw) oprichten van eenheden
en de opleiding van kader kost nu eenmaal tijd. Gelet op de afstand tussen het huidige
niveau van defensiebestedingen en de NAVO-norm van 2% en is een stapsgewijze groei
van het defensiebudget de komende 10 jaar naar het huidige gemiddelde van de Europese
NAVO-landen, namelijk circa 1,6%, in de Nederlandse situatie realistisch en noodzakelijk.
Hierdoor wordt het budget uiteindelijk verhoogd met 3,65 miljard euro op jaarbasis, zonder
overigens afstand te nemen van de in Wales bevestigde NAVO-norm van 2%.90 De AIV stelt
vast dat het tot nu toe door de regering ingenomen standpunt dat er de komende jaren
extra geld naar Defensie gaat ‘waar mogelijk en nodig‘, geen recht lijkt te doen aan de
ernst en urgentie van de huidige situatie.91
Het Budget Internationale Veiligheid (BIV), waaruit onder andere de inzet voor de tweede
hoofdtaak wordt gefinancierd, is evenmin toereikend. Zo wordt de Nederlandse deelname
aan de strijd tegen ISIS vooruit gefinancierd uit de begrotingen voor 2017, 2018 en 2019.
Inzet in het kader van de eerste hoofdtaak (bijvoorbeeld de inzet ten behoeve van de
Baltic Air Policing en het Airborne Warning And Control System) vindt thans plaats uit het
instandhoudingsbudget. Ook de Nederlandse deelname aan de VJTF wordt gefinancierd
uit dit budget. De consequentie van een te beperkte begroting is dat de krijgsmacht
zichzelf uitholt bij veelvuldige inzet. Zeker met het oog op het toenemend belang van de
eerste en tweede hoofdtaak is herijking van de bekostiging van inzet van de krijgsmacht
noodzakelijk. In dit verband is het van belang dat de Tweede Kamer de regering bij motie
heeft verzocht ‘alternatieve en meer flexibele begrotingsmethoden in kaart te brengen
voor een meer toekomstige financiering van missies’.92 Ook dit onderwerp zou onderdeel
kunnen zijn van een meerjarig akkoord tussen parlement en regering.
Een andere factor van betekenis voor een stabiele ontwikkeling van de krijgsmacht is
de jaarlijkse loon- en prijsbijstelling. Als de compensatie geen gelijke tred houdt met
(vooral) de stijging van de kosten van defensiematerieel, gaat dit ten koste van het
89 Danish Defence Agreement 2013-2017, Copenhagen, 30 November 2012. Zie: <http://www.fmn.dk/
    eng/allabout/Documents/TheDanishDefenceAgrement2013-2017english-version.pdf>. Geraadpleegd op
    5 maart 2015.
90 Indien Europese NAVO-landen hun defensiebudget verhogen de komende jaren dan wel verlagen, dan zal
    dit percentage eveneens kunnen veranderen.
91 Zie bijvoorbeeld: Brief van de minister van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-
    Generaal, Den Haag, 7 november 2014, Kamerstuk 33 763, nr. 59, p. 2.
92 Motie Ten Broeke en Servaes, Kamerstuk 34000 V, nr. 21.
                                                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>instandhoudingsbudget. Dit weegt zwaar, omdat de kosten van investeringen in militair
materieel met naar schatting 2% tot 7% per jaar sneller stijgen dan de inflatie.93 Defensie
kan de kosten van de verwerving van materieel in de hand houden door materieel
standaard van de plank te kopen, door de levensduurkosten nauwkeurig te bewaken, door
standaardisering, een modulaire benadering en de toepassing van multifunctionaliteit.94
Maatregelen ter verbetering
Behoudens inzet op Nederlands grondgebied zal de toekomstige inzet van de krijgsmacht
altijd in internationaal verband plaatsvinden en rekening moeten houden met velerlei
dreigingen en (vormen van) hybride oorlogvoering. De kans op gelijktijdige inzet voor
alle drie de hoofdtaken is groter geworden. Het belang van operationele inlichtingen- en
cybercapaciteiten van Defensie neemt toe. Het vinden van een goede balans tussen
de ‘tanden van de organisatie’ en de ondersteunende capaciteiten blijft essentieel. Wil
de krijgsmacht relevant blijven, dan moet er blijvende aandacht zijn voor operationele
vernieuwing en innovatie. Herstel en vernieuwing dienen de leidraad te zijn voor het
Nederlandse defensiebeleid in de komende jaren.
Afgezien van de marechaussee hebben alle krijgsmachtdelen de afgelopen jaren aan
slagkracht ingeboet; het voortzettingsvermogen is drastisch afgenomen. Zo is bij de
marine een deel van de mijnbestrijdingscapaciteit uit het arsenaal verdwenen en bij de
luchtmacht is het aantal F-16 gevechtsvliegtuigen sterk verminderd. Bij de landmacht
zijn onder meer basiscapaciteiten in aantal gehalveerd (anti-tank wapensystemen
en infanteriegevechtsvoertuigen) en is een basiscapaciteit geheel weggesneden
(gevechtstanks). Als een aanzienlijke verhoging van het defensiebudget wordt gerealiseerd,
zoals door de AIV voorgestaan, kan het ambitieniveau van de krijgsmacht – en dus het
voortzettingsvermogen – naar een gewenst niveau worden verhoogd en ontstaat er ruimte
voor vervangingsinvesteringen en nieuwe investeringen. Vervangingsinvesteringen zouden
onder meer moeten worden gebruikt voor de aanschaf van onderzeeboten, fregatten en
extra F-35 toestellen. Wat betreft nieuwe investeringen dient de aandacht nadrukkelijk
uit te gaan naar inlichtingen- en cybercapaciteiten alsook special forces vanwege de
toegenomen dreiging op het gebied van hybride oorlogvoering. Als het gaat om de
uitvoering van de tweede hoofdtaak is er ook dringend behoefte aan uitbreiding van de
helikoptercapaciteit.
Bij een stapsgewijze verhoging van het defensiebudget de komende jaren, zullen
in de eerste plaats de huidige tekortkomingen moeten worden weggewerkt. Deze
betreffen niet alleen tekorten aan onder meer reservedelen en munitievoorraden en het
herstellen van de balans tussen gevechts- en ondersteunende capaciteiten, maar óók
herinvoering van basiscapaciteiten die om bezuinigingsredenen de afgelopen drie jaren
zijn weggesneden. De AIV heeft eerder – bij verschillende gelegenheden – aandacht
93 Eindrapport Verkenningen: Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst, p. 297.
94 Zie ook: Brief van de minister van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
    Den Haag, 8 april 2011, Kamerstuk 32 733, nr. 1, pp. 6-7.
                                                    40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>gevraagd voor deze tekortkomingen in de krijgsmacht.95 Het toegenomen belang van
alle drie de hoofdtaken en in het bijzonder de eerste hoofdtaak, maakt herstel van
de deficiënties urgent. De afgelopen jaren is voorrang gegeven aan ondersteuning en
transportcapaciteiten, ten koste van zware bewapening.96 De meest ingrijpende beslissing
in dit opzicht is de afschaffing van de gevechtstank door het eerste kabinet-Rutte. De
regering erkende destijds dat dit een gevoelig verlies betekende voor de slagkracht
van de krijgsmacht en dat complementaire systemen zoals de Apachehelikopter en het
CV-90-infanteriegevechtsvoertuig dit verlies slechts gedeeltelijk kunnen opvangen.97
Nederland plaatste zich met het besluit onder de bondgenoten dan ook in een
uitzonderingspositie. Het kabinet Rutte-2 heeft in feite de concentratie op mobiliteit verder
doorgevoerd door nog slechts één brigade uit te rusten met de CV-90, terwijl de andere
pantserinfanteriebrigade wordt gemotoriseerd. Deze moet het vooral hebben van de
(nieuwe) licht bewapende Boxer-, Fennek- en (extra)Bushmaster-pantserwielvoertuigen. De
vuurkracht van de landstrijdkrachten neemt door halvering van het aantal CV-90’s verder
af. De grondgebonden manoeuvrecapaciteit van de krijgsmacht, landmacht en mariniers, is
daarmee een light army geworden met onvoldoende escalatiedominantie.
De AIV spreekt over deze ontwikkelingen zijn verontrusting uit en herhaalt in dit verband
zijn eerder gedane aanbeveling98 om – vooralsnog – Duitse tanks te leasen teneinde
althans één kwetsbare operationele tekortkoming in de Nederlandse krijgsmacht op te
heffen. De recente ontwikkelingen in de internationale veiligheidssituatie, in het bijzonder
de mogelijkheid van een offensieve ontplooiing van zware Russische pantsereenheden
aan de grenzen van het NAVO-verdragsgebied, maken de opheffing van deze tekortkoming
nog urgenter. De genoemde leaseconstructie zou een eerste stap kunnen zijn op weg
naar herstel van een toereikende tankcapaciteit. Met het oog op de tweede hoofdtaak,
deelname aan vredesoperaties, is het van belang dat de autonome beschikkingsmacht
van Nederland over een dergelijke capaciteit niet ter discussie komt te staan. Nederland
moet de vrijheid behouden met alle noodzakelijke middelen aan dergelijke operaties
mee te doen, ook indien bijvoorbeeld Duitsland afzijdig blijft. Bij de eerste hoofdtaak,
verdediging van het bondgenootschappelijk verdragsgebied, zal dit probleem zich
niet voordoen. Hier is immers sprake van een nauwe lotsverbondenheid tussen de
bondgenoten.
Conclusie
Naast verhoging van het defensiebudget is internationale samenwerking één van de
maatregelen om tekortkomingen op te heffen en het handelingsvermogen te vergroten.
De AIV heeft daar sterk voor gepleit in zijn advies over Europese defensiesamenwerking.
95 AIV-advies, nummer 78, ‘Europese Defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen’,
    Den Haag, januari 2012 en AIV-briefadvies, nummer 22, ‘Kabinetsformatie 2012: krijgsmacht in de knel’,
    september 2012. Rondetafelgesprek van de Vaste Commissie voor Defensie van de Tweede Kamer over
    de Nederlandse Krijgsmacht, 5 november 2012. Rondetafelgesprek over de nota over de toekomst van de
    krijgsmacht ‘In het belang van Nederland’, Den Haag, 2 oktober 2013.
96 Zie ook Lo Casteleijn, ‘De trends’, p. 10.
97 Brief van de minister van Defensie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
    Den Haag, 8 april 2011, Kamerstuk 32 733, nr. 1, p. 14.
98 AIV-advies, nummer 78, ‘Europese Defensiesamenwerking: soevereiniteit en handelingsvermogen’,
    Den Haag, januari 2012, p. 52.
                                                    41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>Gelet op de enorme versnippering van de Europese defensie-inspanningen, de sterk
stijgende kosten en de (vooralsnog) dalende defensiebudgetten in Europa in combinatie
met de actuele veiligheidssituatie, is het eens te meer zaak echt werk te gaan maken
van Europese defensiesamenwerking. De AIV is van mening dat Nederland tijdens het EU-
voorzitterschap in 2016 het initiatief kan nemen om betekenisvolle stappen voorwaarts
te zetten. In tal van Europese NAVO-lidstaten wordt van gedachten gewisseld over de
noodzaak de defensie-inspanningen te verhogen. Zodra hierover politieke besluiten zijn
genomen ontstaat voor meer samenwerking tussen de Europese landen een window
of opportunity dat mede onder druk van de internationale veiligheidssituatie benut zou
moeten worden.
De AIV is van oordeel dat de analyse van het Verkenningen-rapport uit 2010 nog altijd
geldt: meer dan sinds lange tijd is er sprake van fundamentele onzekerheid, is het daarom
noodzakelijk het vermogen tot anticiperen en voorkomen van conflicten te vergroten, is
er een nauwe samenhang tussen interne en externe veiligheid, is er een groeiend belang
om te investeren in Europese defensiesamenwerking met behoud van een zekere mate
van autonomie over omvang en de inrichting van de Nederlandse krijgsmacht.99 De keuze
ten gunste van een ‘veelzijdig inzetbare krijgsmacht’ is naar de mening van de AIV nog
altijd valide, maar aan die keuze zijn financiële consequenties en een heldere prioritering
verbonden.
99 Eindrapport Verkenningen. Houvast voor de krijgsmacht van de toekomst. Samenvatting en conclusies.
    Zie: <http://www.defensie.nl/documenten/rapporten/2010/03/29/samenvatting-en-conclusies-
    eindrapport-verkenningen-2010>. Geraadpleegd op 3 maart 2015.
                                                   42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>IV        Conclusies en aanbevelingen
IV.1       Conclusies
De internationale veiligheidssituatie rond Europa is de afgelopen jaren drastisch gewijzigd.
Met het ingrijpen van Rusland in Oekraïne, de opmars van ISIS in Syrië en Irak en de
desintegratie van Libië, is aan de grenzen van Europa een ‘gordel van instabiliteit’ ontstaan
die een directe bedreiging vormt voor de veiligheid van Europa en dus ook voor Nederland.
In dit advies stonden de volgende vragen centraal:
1. Hoe moeten de ontwikkelingen aan de grenzen van Europa worden beoordeeld? Is er
    inderdaad sprake van een ‘gordel van instabiliteit’ en zal Europa hiermee voor langere
    periode te maken hebben?
2. Op welke manieren dienen de NAVO en EU te reageren op de uitdagingen aan de
    flanken van Europa? Welke opties dienen zich hierbij aan en wat is de impact van de
    Amerikaanse ‘draai’ richting Zuidoost-Azië?
3. Welke Nederlandse belangen zijn in het geding en in hoeverre wordt de Nederlandse
    veiligheidssituatie bedreigd door de ontwikkelingen aan de oost- en zuidflank van
    Europa? Hoe kunnen deze belangen het beste worden behartigd c.q. beschermd?
    Wat zijn de implicaties voor het Nederlandse buitenlands- en veiligheidsbeleid en de
    defensie-inspanningen van Nederland?
Bedreigingen voor de Europese veiligheid
De conflicten aan de oostflank en de zuidflank van Europa zijn grotendeels verschillend
van aard en leveren uiteenlopende veiligheidsrisico’s op. Aan de oostflank heeft Europa
te maken met een regio die in veiligheidspolitiek opzicht nauwelijks is geïntegreerd. Het
gaat daarbij om soms zwakke staten die kampen met interne instabiliteit, en vooral met
een assertief, zelfs agressief Rusland. De AIV acht het niet erg waarschijnlijk dat de
machtspositie van president Poetin op korte termijn zal worden aangetast. De EU moet
in de relaties met Rusland veiligheidspolitieke overwegingen een zwaarder accent te
geven. Dit doet meer recht aan de aard van de onderlinge betrekkingen (competitie en
invloedssferen) en aan de politieke werkelijkheid in de buurregio. De AIV is van oordeel
dat voor langere tijd rekening moet worden gehouden met instabiliteit aan de oostgrens
als gevolg van de Russische intimidatiepolitiek. Ook moet er ernstig rekening worden
gehouden met de mogelijkheid van Russische destabilisatie in de Baltische staten.
Aan de zuidflank wordt Europa geconfronteerd met een breed palet aan veiligheidsrisico’s
zoals terugkerende jihadstrijders en wapenhandel, als gevolg van zwakke of zelfs failed
states als Irak, Syrië en Libië, waarvan grote delen op het moment worden beheerst door
ISIS. De situatie in Libië vormt het grootste en meest directe veiligheidsrisico voor de
EU. De mogelijkheden van de EU en de VS bij te dragen aan de stabiliteit van Irak, Syrië
en Libië zijn beperkt. De bombardementen in Syrië en Irak in het kader van Operation
Inherent Resolve hebben de territoriale expansie van ISIS vooralsnog hooguit kunnen
afremmen. De AIV verwacht dat het zeker een generatie zal duren alvorens in deze regio
een democratisch gelegitimeerd bestuur kan postvatten en er sprake is van aanzienlijke
economische vooruitgang.100
100 Zie voor aanbevelingen van de AIV op het gebied van democratisering, werkgelegenheid, het voorkomen
      c.q. bestrijden van geweld en de diplomatie: AIV-advies, nummer 91, ‘Nederland en de Arabische regio:
      principieel en pragmatisch’, Den Haag, november 2014, pp. 32-34.
                                                      43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Beleidsopties NAVO en EU
Het internationale gewicht van de EU is de afgelopen jaren mede als gevolg van de
eurocrisis verminderd. Het gemeenschappelijke buitenlands- en veiligheidsbeleid van de
EU is nog onvoldoende ontwikkeld en de EU speelt op het wereldtoneel niet de rol die haar
op grond van haar economische macht toekomt. Er is nog steeds sprake van een sterke
geldingsdrang van individuele lidstaten die een eendrachtig optreden van de EU in de weg
staat. Duitsland heeft binnen de EU in het conflict met Rusland de leiding genomen en lijkt
gaandeweg bereid in Europa ook op veiligheidsgebied een vooraanstaande positie in te
nemen.
De AIV acht de tijd nog niet rijp voor de oprichting van een Europese defensiemacht.
Daarvoor is het noodzakelijk dat op het punt van Europees defensiebeleid meer
vooruitgang wordt geboekt en zal de EU zich eerst meer in de richting van een Politieke
Unie moeten ontwikkelen. De AIV ziet meer in de pragmatische samenwerking van pooling
and sharing tussen gelijkgestemde EU-lidstaten; dit levert meer concrete resultaten op.
De mogelijkheden van de EU om de ontwikkelingen in de MENA-regio (Middle East and
North Africa) te beïnvloeden zijn relatief gering. De strijd om de politieke toekomst van
de Arabische regio moet vooral door de Arabische landen zelf worden gevoerd. De EU
moet zich richten op het benutten van kansen en het beheersen van de bedreigingen
voor de veiligheid en energievoorzieningszekerheid van Europa. In het Westen, maar ook
elders, moet een antwoord worden gevonden op de aantrekkingskracht van ISIS op jonge
moslims en andere jongeren. De rekrutering in Europa voor de gewapende strijd onder
ISIS-aanhangers moet worden verhinderd door middel van preventieve interventie en anti-
radicaliseringsprogramma’s. De gezamenlijke inspanning van de inlichtingendiensten,
onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties is hierbij cruciaal.
Het belang van vrede en veiligheid, de betekenis van de trans-Atlantische samenwerking
en de waarde van collectieve verdediging als kerntaak van de NAVO staan weer volop in
de belangstelling. De opstelling van het Readiness Action Plan en de oprichting van de
Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) vormen de eerste maatregelen in reactie op de
nieuwe veiligheidsrisico’s die uitgaan van het Russische optreden aan de oostgrens van
het bondgenootschap. Nieuwe contingency-planning is noodzakelijk, vooral op het gebied
van hybride oorlogvoering. De NAVO-lidstaten moeten stevig investeren in het opbouwen
van de capaciteit op divisie- en legerkorpsniveau om te voorkomen dat er een gevaarlijk
‘gat’ ontstaat tussen de VJTF (en de NATO Response Force) als tripwire en het nucleaire
arsenaal, waarmee afbreuk zou worden gedaan aan de geloofwaardigheid van artikel 5 van
het NAVO-verdrag.
Vooralsnog hebben de meeste NAVO-lidstaten geen gevolg gegeven aan het besluit van
de NAVO-top in Wales om de defensie-uitgaven te verhogen in de richting van de NAVO-
norm van 2%. Gunstige uitzonderingen zijn een aantal Oost-Europese landen en Duitsland,
dat de komende vier jaar in totaal 8 miljard euro aan het defensiebudget toevoegt. De
VS levert nog altijd het leeuwendeel van de bondgenootschappelijke defensie-uitgaven.
Dit gebrek aan burden sharing is onhoudbaar, vooral omdat voor de VS niet langer
Europa maar Zuidoost-Azië de belangrijkste regio is geworden. Naar het oordeel van de
AIV kunnen de Europese bondgenoten niet langer weglopen voor het nemen van meer
verantwoordelijkheid voor de Europese veiligheid.
De internationale positie van Nederland
Nederland profileert zich nog altijd graag als ‘middelgroot’ land in Europa, maar de invloed
van Nederland is de afgelopen decennia verminderd. Veiligheid en veiligheidsbeleid
                                                44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>zullen, evenals voor de andere Europese lidstaten, de komende jaren prioriteit moeten
hebben. Dit heeft ontegenzeggelijk gevolgen voor andere onderdelen van het buitenlands-
en veiligheidsbeleid zoals het Nederlandse mensenrechtenbeleid. De afnemende
machtspositie van het Westen en de verruwing van de internationale verhoudingen leiden
ertoe dat de naleving van mensenrechtenafspraken een nog grotere krachtsinspanning
vergt dan in het verleden al het geval was. Om resultaat te bereiken zal Nederland
nog nauwer met gelijkgezinde landen moeten samenwerken. Het opkomen voor
mensenrechten mag niet los worden gemaakt van de veiligheidscontext in een land.
Het creëren van een veilige, stabiele situatie is grondvoorwaarde voor de opbouw van
deugdelijk bestuur en rechterlijk apparaat, dat de basis vormt voor de bescherming van
mensenrechten en de bevordering van waarden in het algemeen. Omgekeerd draagt
een betere verankering van de mensenrechten in een land ook bij tot meer veiligheid en
stabiliteit op langere termijn.
De instabiliteit rondom Europa dwingt Nederland tot een herpositionering in Europa. In
dat verband acht de AIV het wenselijk dat Nederland streeft naar vormen van speciale
samenwerking met één of meer grote lidstaten. Gezien de leidende rol die Duitsland
in Europa speelt in het Oekraïne-dossier, ligt een sterke oriëntatie van Den Haag op
Berlijn voor de hand. Waar Nederland voorheen op het gebied van veiligheidsbeleid de
blik op het VK en de VS had gericht, dwingen de gewijzigde veiligheidssituatie op het
Europese vasteland en de beperkte betrokkenheid van het VK tot een meer continentaal
georiënteerde opstelling. Ten aanzien van de NAVO dient Nederland zich nog sterker dan
voorheen spreekbuis te maken van de landen die aandringen op een groter Europees
aandeel in de gezamenlijke inspanningen. Paradoxaal is dit de beste manier om te
bereiken dat de VS zich bij Europa betrokken blijft voelen.
Nederlandse defensie-inspanningen
De AIV constateert dat het Nederlandse defensiebudget met 1,16% BBP fors onder
het huidige gemiddelde van 1,6% BBP van de Europese NAVO-landen ligt. De AIV stelt
ook vast dat de herhaalde bezuinigingen op de Nederlandse defensiebegroting ten
koste zijn gegaan van de brede inzetbaarheid, het voortzettings- en escalatievermogen
van de Nederlandse krijgsmacht. Zo is de grondgebonden manoeuvrecapaciteit van
de krijgsmacht, landmacht en mariniers, een light army geworden met onvoldoende
escalatiedominantie. Dit is zorgwekkend en vraagt om een forse correctie, vooral in het
licht van de huidige spanningen met Rusland. De regering moet erop voorbereid zijn dat
de NAVO ook op Nederland een beroep zal doen een omvangrijke militaire formatie ter
beschikking te stellen ter afschrikking van mogelijk offensief optreden van Rusland aan de
grens van het bondgenootschappelijk verdragsgebied.
De AIV pleit voor een geleidelijke verhoging van het defensiebudget naar een niveau
van circa 1,6% van het BBP binnen een periode van tien jaar, met inachtneming van de
NAVO norm van 2%. Het lijkt de AIV gewenst een ‘Deltaplan krijgsmacht’ op te stellen,
dat voorziet in een meerjarig financieel kader ten behoeve van een stabiele ontwikkeling
van de krijgsmacht. Hierdoor kunnen in de eerste plaats tekorten aan onder meer
reservedelen en munitievoorraden worden weggewerkt en is herstel mogelijk van de
operationele basiscapaciteiten die de afgelopen jaren zijn weggesneden. Een eerste
vereiste is het hervinden van de balans tussen gevechts- en ondersteunende capaciteiten.
Mocht een aanzienlijke verhoging van het defensiebudget politiek haalbaar blijken te zijn,
dan kan het ambitieniveau van de krijgsmacht – en dus het voortzettingsvermogen – weer
worden vergroot. Er komt in dat geval ruimte voor vervangingsinvesteringen (onder meer
onderzeeboten, fregatten en extra jachtvliegtuigen) en nieuwe investeringen. Hierbij
                                              45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>gaat de aandacht nadrukkelijk uit naar inlichtingen- en cybercapaciteiten en special
forces vanwege de toegenomen dreiging op het gebied van hybride oorlogvoering.
Als het gaat om de uitvoering van de tweede hoofdtaak is er ook dringend behoefte
aan uitbreiding van de helikoptercapaciteit. Een investeringsquote van minimaal 20%
van het totale defensiebudget is essentieel. Ter uitvoering van een concreet plan om
de defensiecapaciteit uit te breiden zou de Tweede Kamer het Deense systeem van
meerjarige budgetafspraken kunnen overnemen, waardoor Defensie voor een langere
periode financiële zekerheid heeft. Voorts dient een aparte en toereikende financiële
regeling te worden getroffen voor de bekostiging van de inzet van de krijgsmacht bij
uiteenlopende operaties.
IV.2      Aanbevelingen
1. In het licht van de oplopende crises aan de oost- en zuidflank van Europa acht de AIV
    een herijking van het Nederlandse veiligheidsbeleid met de volgende speerpunten
    noodzakelijk: herwaardering van de collectieve verdediging, prioriteit voor Europese
    veiligheids- en defensiesamenwerking en een substantiële verhoging van het
    Nederlandse defensiebudget.
2. De AIV adviseert de regering de relatie met Rusland op een nieuwe, meer realistische
    leest te schoeien. Constructieve samenwerking in Europese veiligheidskwesties lijkt
    voor langere tijd niet meer mogelijk. Op veel terreinen is Rusland niet langer een
    partner maar een tegenstander. De EU-lidstaten dienen te voorkomen dat ze door
    Rusland uit elkaar worden gespeeld.
3. De AIV roept de regering op haar invloed aan te wenden opdat de uitvoering van het
    Deep and Comprehensive Free Trade Agreement door de EU en het Internationaal
    Monetair Fonds zo snel mogelijk wordt geëffectueerd om de zwakke economie van
    Oekraïne te ondersteunen. Voorrang verdienen de hoogst noodzakelijke verbetering
    van het openbaar bestuur, de versterking van de rechtsstatelijkheid en de bestrijding
    van corruptie. Een EU-lidmaatschap van Oekraïne is voorlopig niet aan de orde en in
    de huidige omstandigheden evenmin wenselijk. Dat geldt in versterkte mate voor een
    NAVO-lidmaatschap.
4. De AIV is van mening dat de oplossing van conflicten in de MENA-regio vooral de
    verantwoordelijkheid is van de landen zelf. De westerse regeringen moeten zich
    zoveel mogelijk op de achtergrond houden en zich beperken tot ondersteunende hulp
    aan gematigde Arabische regeringen en groeperingen. De AIV beveelt de regering
    aan versnippering in de Nederlandse ondersteuningsprogramma’s tegen te gaan
    en de Nederlandse bijdragen, wat Irak en Syrië betreft, in hoofdzaak te richten op
    hervormingen van de veiligheidssector en op humanitaire bijstand. Naar het oordeel
    van de AIV zou Nederland ook een bijdrage dienen te leveren aan mogelijke EU-
    ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van trainers en adviseurs, teneinde een zekere
    stabiliteit in Libië te bereiken.
5.    De AIV adviseert de regering om in het voortraject van Europese besluitvorming per
      geval aansluiting te zoeken bij één of meer grotere lidstaten om tijdig invloed te
      kunnen uitoefenen. Een sterke politieke gerichtheid van Nederland op Duitsland ligt
      voor de hand. Nederland zou Duitsland moeten aanmoedigen ook op veiligheidsgebied
      een meer geprononceerde positie in te nemen.
                                              46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>6.  De AIV is van mening dat de EU zo snel mogelijk een nieuwe veiligheidsstrategie
    moet formuleren om mede daarmee de Europese defensiesamenwerking een nieuwe
    impuls te geven. De Europese landen kunnen zich niet langer veroorloven als free
    rider te boek te staan. In de nieuwe veiligheidsstrategie moeten reële streefdoelen
    worden opgenomen over de noodzakelijke Europese defensiecapaciteiten. De
    invoering van een Europees semester waarin de defensieministers elkaar inzage
    verschaffen in en aanspreken op de respectieve ontwerp-defensiebegrotingen en
    investeringsplannen, zal wezenlijk kunnen bijdragen aan de intensivering van de
    onderlinge defensiesamenwerking.
7.  De AIV beveelt de regering aan om tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland in
    2016, voorstellen te doen om in Europees verband concrete afspraken te maken
    over nieuwe gezamenlijke defensie-investeringen, bijvoorbeeld voor de vorming van
    een Europese pool voor transporthelikopters. Verdere integratie van ondersteunende
    eenheden (zoals luchttransport) en nauwere operationele samenwerking tussen
    gevechtseenheden zijn mogelijk en wenselijk.
8.  Binnen de NAVO moet verder worden gewerkt aan contingency-planning, in het
    bijzonder op het terrein van hybride oorlogvoering om daarmee voorbereid te zijn op
    alle eventualiteiten aan de grenzen van het verdragsgebied. De AIV beveelt de regering
    aan binnen de NAVO te pleiten voor een verdere verdieping van het Readiness Action
    Plan om de geloofwaardigheid van de inzet van de Very High Readiness Joint Task
    Force en zo nodig de Nato Response Force als geheel te vergroten. Versterking van
    de afschrikkingscapaciteit van de NAVO dient vooral gezocht te worden in vergroting
    van het reactie- en voortzettingsvermogen. Het is verder noodzakelijk dat de NAVO
    de dreiging van cyberaanvallen en cyberwarfare aanzienlijk meer prioriteit geeft en
    hiervoor de noodzakelijke middelen in bondgenootschappelijk verband ontwikkelt.
9.  De AIV acht het noodzakelijk vast te houden aan het ambitieniveau van een
    ‘veelzijdig inzetbare krijgsmacht’ en het Nederlandse defensiebudget binnen een
    periode van tien jaar op het huidige Europese NAVO-gemiddelde van 1,6% BBP
    te brengen, met inachtneming van de NAVO- norm van 2%. Additionele middelen
    moeten worden gebruikt om acute tekortkomingen van de krijgsmacht op te heffen
    en te investeren in gevechtscapaciteit (zoals het tankwapen). Indien de regering
    besluit tot een forse verhoging van het defensiebudget, dan ontstaat er financiële
    ruimte voor vervangingsinvesteringen (onder meer onderzeeboten, fregatten en extra
    jachtvliegtuigen) en nieuwe investeringen in transporthelikopters en inlichtingen- en
    cybercapaciteiten.
10. De AIV adviseert de regering de Nederlandse krijgsmacht meer selectief in te
    zetten en prioriteit te geven aan militaire operaties of vredesmissies die een directe
    bedreiging vormen voor de veiligheid en stabiliteit van Europa.
                                              47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>                                                                            Bijlage I
 Overzicht gebruikte afkortingen
AIV           Adviesraad Internationale Vraagstukken
AWACS         Airborne Warning And Control System
BBP           Bruto Binnenlands Product
EDEO          Europese Dienst voor Extern Optreden
EEU           Euraziatische Economische Unie
EU            Europese Unie
EVDB          Europees Veiligheids- en Defensiebeleid
GBVB          Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid
HV            Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en
              veiligheidsbeleid
ICI           Istanbul Cooperation Initiative
ISIS          Islamitische Staat in Irak en Syrië
MENA          Middle East and North Africa
NAVO          Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
NRF           NATO Response Force
OVSE          Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa
RAP           Readiness Action Plan
VAE           Verenigde Arabische Emiraten
VJTF          Very High Readiness Joint Task Force
VK            Verenigd Koninkrijk
VN            Verenigde Naties
VS            Verenigde Staten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO-POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB-SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
   september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>79 DE ARABISCHE REGIO, EEN ONZEKERE TOEKOMST, mei 2012
80 ONGELIJKE WERELDEN: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking,
   september 2012
81 NEDERLAND EN HET EUROPEES PARLEMENT: investeren in nieuwe verhoudingen, november 2012
82 WISSELWERKING TUSSEN ACTOREN IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: naar flexibiliteit en vertrouwen,
   februari 2013
83 TUSSEN WOORD EN DAAD: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, maart 2013
84 NIEUWE WEGEN VOOR INTERNATIONALE MILIEUSAMENWERKING, maart 2013
85 CRIMINALITEIT, CORRUPTIE EN INSTABILITEIT: een verkennend advies, mei 2013
86 AZIË IN OPMARS: strategische betekenis en gevolgen, december 2013
87 DE RECHTSSTAAT: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking, januari 2014
88 NAAR EEN GEDRAGEN EUROPESE SAMENWERKING: werken aan vertrouwen, april 2014
89 NAAR BETERE MONDIALE FINANCIËLE VERBONDENHEID: het belang van een coherent internationaal
   economisch en financieel stelsel, juni 2014
90 DE TOEKOMST VAN DE ARCTISCHE REGIO: samenwerking of confrontatie?, september 2014
91 NEDERLAND EN DE ARABISCHE REGIO: principieel en pragmatisch, november 2014
92 HET INTERNET: een wereldwijde vrije ruimte met begrensde staatsmacht, november 2014
93 ACS–EU-SAMENWERKING NA 2020: op weg naar een nieuw partnerschap?, maart 2015
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
 1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
 2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
 3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
 4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
 5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
 6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
 7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
 8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?, september 2004
 9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
   rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
22 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2012: krijgsmacht in de knel, september 2012
23 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKTE SOCIALE DIMENSIE VAN DE EUROPESE UNIE, juni 2013
24 Briefadvies MET KRACHT VOORUIT: reactie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op de
    beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, september 2013
25 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: meer dan een definitiekwestie, mei 2014
26 DE EU-GASAFHANKELIJKHEID VAN RUSLAND: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan verminderen,
    juni 2014
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>