<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre></pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter     Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Vicevoorzitter Prof.dr. A. van Staden
Leden          Mw. prof.dr. J. Gupta
               Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin
               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
               Mw. prof.dr. M.E.H. van Reisen
               LGen b.d. M.L.M. Urlings
               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris     Drs. T.D.J. Oostenbrink
               Postbus 20061
               2500 EB Den Haag
               telefoon 070 - 348 5108/6060
               fax 070 - 348 6256
               aiv@minbuza.nl
               www.AIV-Advies.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Gecombineerde Commissie Herziening Verdrag van Cotonou
Voorzitters   Mw. prof.dr. K.C.J.M. Arts
              Mw. prof.dr. M.E.H. van Reisen
Leden         Dr. B.S.M. Berendsen
              Prof.dr. J.B. Opschoor
              Mr. J.N.M. Richelle
              Mr. N.P. van Zutphen
Secretaris    Drs. P. de Keizer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
I        Inleiding       7
II       Veranderende context          11
         II.1     Veranderende geopolitieke verhoudingen        11
         II.2     Mondialisering én regionalisering van de economie       12
         II.3     Opkomende internationale agenda voor duurzame
                  ontwikkeling       13
         II.4     Financiering van ontwikkeling: naar een nieuwe definitie
                  van hulpgelden        14
III      Interne ontwikkelingen binnen de EU en de ACS-groep        16
         III.1    Herijking van uitgangspunten binnen de EU       16
         III.2    Reflecties binnen de ACS over de toekomstige koers       17
IV       Het Verdrag van Cotonou: resultaten en functioneren       18
         IV.1     Politieke dialoog      18
         IV.2     Ontwikkelingssamenwerking         21
         IV.3     Economische samenwerking en handel         24
         IV.4     Architectuur: vorm, uitgangspunten en instituties     27
         IV.5     Landen en Gebieden Overzee (LGO’s)        29
V        Samenvatting, conclusies en aanbevelingen        32
         V.1      Samenvatting        32
         V.2      Conclusies en aanbevelingen       37
Bijlage I         Adviesaanvraag
Bijlage II        Overzicht gebruikte afkortingen
Bijlage III       Overzicht van geraadpleegde deskundigen
Bijlage IV        Lidstaten van de ACS-groep
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 28 februari 2014 ontving de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)
een adviesaanvraag over de herziening van het Verdrag van Cotonou. Hierin
wordt de vraag gesteld of de huidige partnerschapsovereenkomst tussen de
Europese Unie (EU) en een groep landen uit Afrika, de Caraïben en de Stille
Oceaan (ACS-groep) na 2020 nog voortzetting verdient en zo ja, in welke vorm
en met aandacht voor welke onderwerpen (zie bijlage I).
Met deze adviesaanvraag toont de Nederlandse regering haar bereidheid om
in een vroeg stadium voorbereidingen te treffen voor onderhandelingen over
een mogelijk vervolg op het Verdrag van Cotonou. Mede met het oog op het
Nederlandse EU-voorzitterschap in de eerste helft van 2016 vindt de AIV de
adviesaanvraag een welkome stap. Een belangrijk uitgangspunt zal zijn welke
verwachtingen de ACS-landen zelf koesteren ten aanzien van de toekomstige
samenwerking met de EU en andere partners, en ook hoe ‘oude’ en ‘nieuwe’
lidstaten van de EU hier tegenover staan. Op het moment van afronding van dit
advies zijn hierover nog geen officiële standpunten naar buiten gebracht.
De adviesaanvraag werd in augustus 2014 in behandeling genomen door een
gecombineerde commissie onder leiding van mw. prof.dr. K.C.J.M. Arts (CMR) en
mw. prof.dr. M.E.H. van Reisen (AIV/COS). Andere leden van de commissie waren
dr. B.S.M. Berendsen (COS), prof.dr. J.B. Opschoor (COS), mr. J.N.M. Richelle (COS)
en mr. N.P. van Zutphen (CEI). Het secretariaat werd gevoerd door drs. P. de
Keizer, bijgestaan door stagiaires mw. J. Schonewille en dhr. R.R. Harding. Als
ambtelijke contactpersonen van het ministerie van Buitenlandse Zaken waren
mw. M.C. Albert (MA) en mr.drs. R.H. van Dijk (beiden DIE-EX) bij het opstellen
van het advies betrokken. Ook werd medewerking verleend door mw. drs. C.B.
Hagenaars en drs. G.T. Schulting van de Permanente Vertegenwoordiging van het
Koninkrijk der Nederlanden bij de Europese Unie te Brussel.
Naast literatuuronderzoek werden in Den Haag, Brussel en telefonisch
gesprekken gevoerd met deskundigen en direct betrokkenen waaronder
topfunctionarissen van de ACS, Secretaris-Generaal Hon. A.M. Mumuni, Chef
du Cabinet dr. O. Mailafia en Directeur Externe Betrekkingen J. Lodge. Ook
ambassadeur dr. P. Gomes, die in maart 2015 Secretaris-Generaal Hon. A.M.
Mumuni zal opvolgen, en ambassadeur dr. F. Pa’o Luteru stonden de commissie
te woord. Aan EU-zijde vonden consultaties plaats met Plaatsvervangend
Directeur-Generaal van de Europese Commissie dr. K. Rudischhauser en Hoofd
Internationale Betrekkingen P.J. Craig-McQuaide (MA). De commissie heeft
ook gesproken met mr. G. Laporte van het ECDPM, prof.dr. N.J. Schrijver en
vertegenwoordigers van CONCORD, Both Ends en 11.11.11. De commissie is hen
allen erkentelijk voor hun waardevolle inzichten en inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV op 13 maart 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>I         Inleiding
De betrekkingen tussen de Europese Unie (EU) en landen in Afrika, het Caraïbisch
Gebied en de Stille Oceaan (ACS) voeren terug tot 1957. Destijds maakte de oprichting
van de voorloper van de EU, de Europese Economische Gemeenschap (EEG), een
regeling noodzakelijk voor de relaties met de toenmalige overzeese delen van de vier
betrokken EEG-lidstaten: België, Frankrijk, Italië en het Koninkrijk der Nederlanden. Dit
onderwerp was een belangrijk punt in de laatste fase van onderhandelingen en op enig
moment zelfs een breekpunt. Uiteindelijk werd besloten tot een gezamenlijke aanpak
van de relaties met deze zogeheten ‘landen en gebieden overzee’ (LGO’s), inclusief de
financiering van hun ontwikkeling.
Aldus voorzag het oprichtingsverdrag van de EEG in een associatieregeling die tot doel
had om de economische en sociale ontwikkeling van deze LGO’s te bevorderen en om
hun economische banden onderling en die met de EEG te verankeren.1
In de periode die daarop volgde, werden de meeste van deze geassocieerde landen
onafhankelijke soevereine staten. Omdat zij dientengevolge de status van LGO verloren,
moest een nieuwe associatie bij verdrag worden geregeld. Dit gebeurde in de met hen
gesloten Conventies van Yaoundé (1963-1975) en van Lomé (1975-2000).
In 1973 trad het Verenigd Koninkrijk toe tot de EEG en moest er een manier worden
gevonden om ook het grote aantal landen dat deel uitmaakte van het Gemenebest
te verbinden aan de EEG. Een aantal geassocieerde landen nam het voortouw om te
komen tot gemeenschappelijke afspraken en aldus sloten 22 voormalige Britse koloniën
zich aan. Het Georgetown Agreement, dat de oprichting van de ACS-groep als zodanig
regelt, stamt uit 1975.2
De associatie van de ACS-landen met de EU op basis van de genoemde opeenvolgende
verdragen stamt dus af van het oorspronkelijke Verdrag van Rome uit 1957 en is
verankerd in het Gemeenschapsrecht van de EU (acquis communautaire).
De samenwerking tussen de ACS en de EU kreeg een vervolg toen partijen een
partnerschapsovereenkomst afsloten in Cotonou in 2000. In lijn met eerdere conventies
heeft het Verdrag van Cotonou tot doel om bij te dragen aan armoedevermindering en de
geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie.3 De lat kwam evenwel
hoger te liggen doordat zwaarder en explicieter werd ingezet op politieke dialoog.
Die zou zich in de loop der jaren naast mensenrechten, waar al eerder aandacht aan
werd besteed, gaan uitstrekken over een brede waaier van andere onderwerpen zoals
klimaatverandering, milieu, migratie, het Internationaal Strafhof en gendervraagstukken.
1   EEG Verdrag, 1957, artikel 131.
2   Zie: <http://www.caricom.org/jsp/secretariat/legal_instruments/georgetownagreementonacp.
    jsp?menu=secretariat>.
3   Artikel 1, Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van Staten in Afrika, de Caraïben en
    de Stille Oceaan enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds, ondertekend te
    Cotonou op 23 juni 2000, Tractatenblad 2001, no. 57, p. 3.
                                                     7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Bij de ondertekening van het Verdrag van Cotonou in 2000 bestond de ACS uit 77
lidstaten.4 Nadien traden nog twee lidstaten5 toe zodat de ACS-groep inmiddels 79
staten telt: 48 uit Afrika (het gehele continent met uitzondering van Noord-Afrika), 16
uit de Caraïben en 15 uit de Stille Oceaan (zie bijlage IV). Veel ACS-staten zijn ‘minst
ontwikkelde landen’ volgens classificatie van de Verenigde Naties (VN).
De ACS-groep heeft de status van waarnemer binnen de VN en onderhoudt vanuit
Brussel relaties met internationale organisaties als de Wereldbank, de Organisatie voor
Economische en Sociale Ontwikkeling (OESO) en de Wereldhandelsorganisatie (World
Trade Organisation, WTO). Door haar reikwijdte herbergt de ACS-landen die tevens lid zijn
van een groot aantal verschillende regionale organisaties waaronder de African Union (AU),
de Common Market for Eastern and Southern Africa (COMESA), de Economic Community
of West African States (ECOWAS), de Southern African Development Community (SADC), de
Caribbean Community (CARICOM), het Caribbean Forum of ACP States, het Pacific Islands
Forum, en het Pacific Island Countries Trade Agreement (PICTA). Het secretariaat van de
ACS-groep zetelt in Brussel. De organisatie houdt ook kantoor in Genève met het oog op
het onderhouden van relaties met de WTO.
De Europese Unie is na 2000 sterk uitgebreid. Er vond zelfs bijna een verdubbeling
plaats: van 15 lidstaten in 2000 naar 28 in 2015. De nieuwe lidstaten hebben zich na
hun toetreding vrijwillig aan het Verdrag van Cotonou verbonden.
Het Verdrag van Cotonou is gesloten voor de duur van twintig jaar en loopt tot februari
2020. Anderhalf jaar voor de einddatum, dus niet later dan 1 september 2018,
dienen partijen in onderhandeling te treden ‘in order to examine what provisions shall
subsequently govern their relations’.6 Tot dat moment wordt om de vijf jaar bezien of
eventuele bijstelling gewenst is. Zo vond een eerste herziening van het Verdrag plaats in
2005 en een tweede in 2010. Van de herzieningsmogelijkheid in 2015 zal vermoedelijk
geen gebruik worden gemaakt.
Binnen de ACS wordt al enige tijd nagedacht over een mogelijk vervolg op het Verdrag na
2020. Daarbij zijn fundamentele vragen gesteld over de ambities en het profiel waarmee
de ACS-groep het komende decennium wil ingaan, of de groep meerwaarde behoudt boven
samenwerkingsverbanden van regio’s afzonderlijk, en over de eventuele inhoudelijke en
partnerschapsprioriteiten voor de toekomst. Om dit proces van reflecties te voeden werd
in november 2010 aan enkele ambassadeurs onder leiding van ambassadeur Gomes van
Guyana gevraagd om zich te beraden op de toekomst van de ACS.
Op initiatief van deze zogeheten ‘Ambassadorial Working Group on Future Perspectives
for the ACP Group’ is een reeks van consultaties georganiseerd waarvan de definitieve
4   Inclusief Zuid-Afrika waar overigens maar een beperkt deel van het Verdrag op van toepassing is, zie
    Protocol 3 bij het Verdrag van Cotonou (ibid.) dat onder meer bepaalt dat de Cotonou-voorzieningen voor
    samenwerking op de terreinen ontwikkelingsfinanciering, economie en handel niet van toepassing zijn
    op Zuid-Afrika. Voor samenwerking op die terreinen is een aparte bilaterale overeenkomst met de EU
    opgesteld.
5   Cuba in december 2000 en Oost-Timor in mei 2003. Cuba is (nog) geen partij bij het Verdrag van
    Cotonou; Oost-Timor wel.
6   Verdrag van Cotonou, artikel 95(4).
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>uitkomsten in december 2014 – vertrouwelijk en intern – met leden van de ACS-groep
zijn gedeeld. In maart 2013 werd een ‘Eminent Persons Group’ (EPG)7 ingesteld om
een oordeel te geven over het functioneren van de ACS-groep sinds haar oprichting in
1975, en om met voorstellen te komen over de toekomstige koers en structuur van de
organisatie. De bevindingen van de EPG waren nog niet bekend toen dit advies uitkwam.
Aan EU-zijde vonden eerste consultaties in 2011 en in 2013 plaats, zij het nog informeel
van karakter. Recent is duidelijk geworden dat de Europese Commissie voorzichtig
lijkt aan te sturen op een vervolgovereenkomst op het Verdrag van Cotonou. Dit bleek
uit de taakstelling die de Commissaris Internationale Samenwerking en Ontwikkeling,
Neven Mimica, bij zijn aanstelling in de herfst van 2014 heeft meegekregen, en in zijn
introductie in het Europees Parlement duidelijk naar voren bracht.8 Inmiddels verwoordt
Commissaris Mimica op zijn webpagina zijn verantwoordelijkheid in deze als volgt: het
‘lanceren van onderhandelingen over een herzien Verdrag van Cotonou met de ACS-groep
van staten’.
Het aflopen van het Verdrag van Cotonou in 2020 biedt een uitgelezen kans om de
samenwerking tussen de ACS en de EU tegen het licht te houden. Het beeld dat uit de
eerste reeks van consultaties aan beide zijden naar voren komt – en ook werd benadrukt
in gesprekken met deskundigen – is dat de betrekkingen tussen de ACS en de EU aan
een fundamentele herijking toe zijn. Op eenzelfde voet doorgaan als in het verleden met
licht aangepaste inhoud zal niet volstaan.
Het jaar waarin dit advies uitkomt (2015) wordt hoe dan ook een belangrijk jaar voor
reflectie over de toekomstige betrekkingen tussen de ACS en de EU. In maart 2015
zal ambassadeur Gomes de huidige Secretaris-Generaal Mumuni opvolgen. De EU
zal de komende maanden een serie ‘expertconferences’ houden om zich te beraden
over onderwerpen als strategische samenwerking, de toekomstige internationale
duurzaamheidsagenda na 2015, financiering van ontwikkeling en demografische
7   Voorzitter van de EPG is Chief Olusegun Obasanjo, de vroegere President van Nigeria. Vicevoorzitters
    zijn Bharrat Jagdeo en Leonel Fernandez Reyna, ex-Presidenten van respectievelijk Guyana en de
    Dominicaanse Republiek. Andere leden zijn Patricia Francis (Jamaica), voormalig directeur van het
    International Trade Centre; Daoussa Bichara Cherif, vroegere minister van Public Works, Transport, Housing
    and Urbanisation van Tsjaad; Kaliopate Tavola, vroegere minister van Buitenlandse Zaken van Fiji;
    Ibrahima Fall uit Senegal, voormalig Assistent Secretaris-Generaal van de VN; Peter Gakunu uit Kenia,
    voormalig Bewindvoerder van het IMF; Sebastiao Isata uit Angola, voorheen Special Representative and
    Head of African Union Liaison Office in Guinea Bissau; Nureldin Satti uit Soedan, vroegere Acting Special
    Representative for the UN Secretary General in Burundi; Kolone Vaai, ex-Staatssecretaris voor Financiën
    in Samoa en Valentine Sendanyoye Rubwabiza, voorheen Plaatsvervangend Directeur-Generaal van de
    Wereldhandelsorganisatie en momenteel Chief Executive Officer van de Rwanda Development Board.
8   Tijdens zijn presentatie aan het Europees Parlement eind 2014 wees hij erop dat: ‘the question is not
    whether ACP countries are still important to the EU or not, but about how to best design our cooperation
    in the future’. Maastricht, December 2014, p. 2. Zie voor alle informatie hierover, inclusief de ‘mission
    letter’ en informatie over de uitwisselingen met het Europees Parlement: <http://ec.europa.eu/
    commission/2014-2019/mimica_en>, geraadpleegd op 10 februari 2015. Uit deze bronnen blijkt ook dat
    coherentie van EU-beleid een andere belangrijke prioriteit voor de nieuwe EU Commissie is.
                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>uitdagingen als verstedelijking en mobiliteit.9 Het is de bedoeling dat de uitkomsten
hiervan worden meegenomen in het groenboek over de toekomst van ACS–EU-
betrekkingen dat de Europese Commissie zal opstellen. Zoals al aangegeven is het met
name voor Nederland belangrijk dat gedurende 2015 de voorbereidingen zullen worden
getroffen voor het voorzitterschap van de EU in de periode januari-juni 2016.
Dit advies beoogt een aanzet te geven tot standpuntbepaling van de Nederlandse
regering. Gezien de voorziene consultaties in 2015 is het goed mogelijk dat
gevolgtrekkingen later in het jaar zullen moeten worden bijgesteld en dat andere
aspecten nog analyse behoeven. De AIV zal in dat geval overwegen om aanvullend te
adviseren.
Het advies is als volgt opgebouwd. Na deze inleiding staat de AIV stil bij de verande-
rende context waarbinnen de ACS–EU-samenwerking zich voltrekt. Achtereenvolgens
komen geopolitieke factoren, regionalisering, de internationale agenda voor duurzame
ontwikkeling en de financiering hiervan aan bod. Hoofdstuk III geeft een beeld van de
interne institutionele ontwikkelingen aan de zijde van de ACS en de EU, waarna hoofd-
stuk IV ingaat op de uitvoering van het Verdrag tot nu toe en de behaalde resultaten
onder elk van de drie hoofdpijlers (politieke dialoog, ontwikkelingshulp en economische
samenwerking en handel). Ook wordt een inschatting gegeven van het functioneren van
de bijbehorende instituties. Hoofdstuk V tenslotte, vat de bevindingen samen en geeft
conclusies en aanbevelingen voor een eventueel vervolg na 2020.
9  Europese Commissie, Specific Terms of Reference for Project to Stimulate Wider Discussion on Post-
   Cotonou Issues, December 2014, pp. 1-2.
                                                  10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>II        Veranderende context
Een duiding van de toekomstige betrekkingen tussen de ACS en de EU vereist een
beschouwing van de bredere context waarin die zich zullen gaan afspelen. Zonder de
pretentie te hebben een in breedte en diepte volledig dekkend beeld te verschaffen
wordt hieronder aandacht geschonken aan de veranderende geopolitieke verhoudingen,
mondialisering en regionalisering, de opkomende nieuwe internationale agenda voor
duurzame ontwikkeling en de bijbehorende bronnen van financiering. In meer of mindere
mate zijn dit externe factoren. De veranderingen die zich binnen de twee groepen
verdragspartijen hebben voltrokken worden in het hiernavolgende hoofdstuk belicht.
II.1      Veranderende geopolitieke verhoudingen
Waren de verhoudingen in de wereld in de vorige eeuw nog grotendeels bipolair van
aard, in de 21ste eeuw zien we meer en meer een multipolaire mondiale samenleving
ontstaan. Dit stelt nieuwe eisen aan internationaal beleid en buitenlandse politiek.
Neem de economische en politieke opkomst van Azië die, zoals de AIV in een advies van
januari 2014 constateerde, van strategische betekenis is en de betrekkingen tussen
Europese lidstaten onderling en die met de Verenigde Staten op de proef stelt.10
Er bestaat gezamenlijk belang bij de handhaving van vrede en veiligheid in de Aziatische
Pacific, alsmede bij voortzetting van de economische groei in het gebied. Echter, er zijn
aanzienlijke verschillen tussen de Verenigde Staten en de EU waar het hun belangen in
de regio betreft. Die vloeien niet alleen voort uit uiteenlopende geografische ligging (de
Verenigde Staten is wel een Pacific-macht, Europa niet) en ongelijke militaire capaciteit,
maar ook uit verschil van opvatting over de gewenste aanpak van spanningen en
conflicten.
Europa was van oudsher de belangrijkste, zo niet enige, samenwerkingspartner voor
veel ACS-landen, in het bijzonder in Afrika. Maar sinds ruim een decennium hebben
belangrijke opkomende economieën als Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika
(BRICS) een herkenbare presentie gekregen, zowel in ACS- en andere (ontwikkelings-)
landen als in de VN. Zeker wat betreft het Afrikaanse continent bestaat de indruk dat
de interesse van de BRICS vooral wordt ingegeven door de wens om te putten uit de
grondstoffenrijkdom en om toegang te verkrijgen – en te behouden – tot afzetmarkten.
Dit is niet verwonderlijk, ook de Europese belangstelling voor Afrika wordt ingegeven door
strategische belangen. Hierbij dient aangetekend te worden dat in de samenwerking
tussen de ACS en de EU in een langdurig proces van vallen en opstaan – naast aandacht
voor grondstoffen – elementen als de veranderende internationale veiligheidssituatie
en duurzaamheid steeds centraler zijn komen te staan. ACS-landen laten niet na om te
benadrukken dat de gemeenschappelijke beginselen van goed bestuur, mensenrechten
en democratie belangrijke elementen vormen in de relatie met de EU en een duidelijke
toegevoegde waarde hebben.
10 Adviesraad Internationale Vraagstukken, Azië in opmars: strategische betekenis en gevolgen, Den Haag,
    advies nummer 86, december 2013, pp. 57-58.
                                                    11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De groeiende invloed van China in Afrika komt tot uiting in de vele wegen, gebouwen en/
of andere infrastructuur die voor universiteiten, ziekenhuizen en ook de Afrikaanse Unie
(AU) recent zijn aangelegd. Welke prestaties van Afrikaanse regeringen, naast de levering
van grondstoffen, daar tegenover staan is minder evident. Ook het Midden-Oosten is een
grotere investeerder geworden op het Afrikaanse continent.
Hoe ingrijpend de internationale verhoudingen inmiddels zijn gewijzigd blijkt uit de periode
na de recente financiële crisis toen Angola financiële hulp verleende aan Portugal en
hoogopgeleide ingenieurs vanuit Portugal naar Angola vertrokken omdat er daar voor hen
betere kansen op werk waren.11 Nairobi staat bekend als ‘Silicon Savannah’, waar e-hub
een motor is van vernieuwing en multinationale bedrijven aantrekt. Rwanda, ook een
e-hub, heeft wereldwijd de top bereikt van participatie van vrouwen in de politiek. Africa
Rising is het nieuwe modewoord voor internationale conferenties sinds Time Magazine de
slogan op de voorkant van het blad positioneerde.12 Veel ACS-landen hebben de ambitie
om tussen 2020 en 2030 een middeninkomensland te worden. Hiermee geven zij aan te
streven naar vermindering van afhankelijkheid van internationale hulp.
II.2      Mondialisering én regionalisering van de economie
Een belangrijke geopolitieke ontwikkeling is de mondialiserende economie. De
toenemende vervlechting van markten bemoeilijkt het maken van handelsafspraken.
Waren die enkele decennia terug nog simpel gericht op het openstellen van nationale
grenzen en aanpassen van importtarieven, nu vragen (soms minder transparante) zaken
als subsidie- en prijsbeheer, het hanteren van quota’s, het verlenen van importcertificaten,
kwaliteitseisen, pakkingsvoorschriften en certificatie om aandacht.13
De toenemende vervlechting van markten en productieketens wereldwijd leidt tot nieuwe
problemen en prioriteiten die in de eerste plaats in mondiaal verband dienen te worden
aangepakt. Of het Verdrag van Cotonou hiertoe een geschikte bijdrage kan leveren
valt nog te bezien. Vast staat dat de armste landen gebaat zullen zijn bij een zo sterk
mogelijke vertegenwoordiging om ervoor te zorgen dat mondiale handel bijdraagt aan
grotere internationale gelijkheid en rechtvaardigheid.
Samenhangend met mondialisering heeft zich in de afgelopen decennia in vele regio’s
een proces van intensivering en verdieping van regionale samenwerking voorgedaan,
vooral op politiek belangrijke terreinen als economische samenwerking, handel en
11 Zie bijvoorbeeld ‘Angola pours money into debt-ridden Portugal’, The Guardian, 18 November 2011, zie:
    <http://www.theguardian.com/world/2011/nov/18/angola-boom-debt-riddled-portugal>; ‘Portuguese
    escape austerity and find a new El Dorado in Angola’, The Guardian, 16 September 2012, 2011. Zie:
    <http://www.theguardian.com/world/2012/sep/16/portuguese-exodus-angola-el-dorado>; Lucy Ash,
    ‘Portugal’s jobless graduates flee to Africa and Brazil’, BBC News, Lisbon. Zie: <http://www.bbc.com/
    news/world-14716410>; alle geraadpleegd op 28 januari 2015.
12 Zie bijvoorbeeld: <http://www.africa-rising.org>, geraadpleegd op 15 januari 2015.
13 D. Held and C. Rogers, Global Governance at Risk, Polity, Cambridge, 2013, p. 2. Onderhandelen over
    handelsakkoorden mag dan complexer zijn geworden, het heeft de wereld er niet van weerhouden ze af te
    sluiten en zeker niet in regionaal verband. Volgens cijfers van de Wereldhandelsorganisatie bestonden al
    in 2005 330 regionale handelsovereenkomsten waaraan alle landen in de wereld met minstens één zo’n
    overeenkomst verbonden was, op één uitzondering na: Mongolië.
                                                        12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>migratie. Dat geldt zeker voor de regio’s binnen de ACS-groep, al heeft het even geduurd
voordat de samenwerking daadwerkelijk tot wasdom kwam. Doordat de politieke en
instrumentele binding tussen ACS-landen eerst nog zwak was en de oriëntatie op Europa
de overhand had, duurde het geruime tijd voordat regionale intra-ACS-samenwerking zich
begon af te tekenen.
In de Caraïben, Stille Oceaan, West-Afrika, Oost-Afrika en zuidelijk Afrika is regionale
samenwerking steeds belangrijker geworden. De opkomst van de AU sluit hier nauw op
aan en is te verklaren vanuit de behoefte van het continent om zich sterker te profileren.
De Europese Commissie en individuele lidstaten van de EU hebben zich hiervoor ingezet
en de afgelopen jaren de institutionele opbouw en uitbouw van de AU actief ondersteunt,
inclusief instituties als de Afrikaanse Commissie en het Pan-Afrikaans Parlement.
Binnen de ACS-groep wekte deze steun aan de AU in eerste instantie enige wrevel omdat
het erop leek dat een concurrent ten tonele was verschenen. Het relatieve overwicht
van Afrika binnen de ACS was immers al vaker onderwerp van gesprek geweest. Daarbij
kwam dat mondiale spelers eerder geneigd bleken om samen te werken met de AU dan
met de ACS-groep vanuit de gedachte dat de ACS-groep een institutie is die voortsproot
uit een geprivilegieerde relatie met de EU. De verhouding tussen de ACS-groep en de AU
is nog altijd niet gemakkelijk, al wordt steeds minder gedacht in termen van uitsluiting
en steeds meer langs lijnen van complementariteit en wederzijdse versterking.
Hierbij brengt de ACS-groep naar voren dat het een mondiale organisatie is die een
grote groep landen uit drie continenten vertegenwoordigt, en dat de relatie met de EU
wel belangrijk wordt gevonden maar niet langer noodzakelijk exclusief. Ook de EU wordt
geconfronteerd met de vraag hoe zij zelf het best haar belangen kan behartigen en welke
relaties met welke regionale groepen hierbij van belang zijn.14
II.3      Opkomende internationale agenda voor duurzame ontwikkeling
Op mondiale schaal vinden momenteel belangrijke discussies plaats over de toekomst
van internationale samenwerking en nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelen (naar de
Engelse term Sustainable Development Goals in het vervolg afgekort tot SDGs). Hierbij
krijgt ook de architectuur van multilaterale instituties en de beheersstructuur aandacht.
De discussies worden eerst en vooral gevoerd in bestaande multilaterale organisaties.
Hiervan is de ACS als zodanig geen lid en daarom niet altijd vertegenwoordigd.15
De focus in internationaal verband op duurzame ontwikkeling is niet nieuw. Al meer dan
14 Hierbij zij opgemerkt dat de ACS en zeker ook de EU meer geledingen kennen dan in dit advies tot uiting
    kunnen komen. Binnen de EU bijvoorbeeld kennen de lidstaten, de Directoraten Ontwikkeling en Handel,
    en de Europese Dienst voor Extern Optreden soms verschil van inzicht.
15 ACS-landen hebben wel een stem in de G77 bijvoorbeeld, waarin ze zich onderscheiden van grotere
    opkomende landen. Wat betreft de toekomstige internationale agenda voor duurzame ontwikkeling was
    het belangrijk dat de ACS en de EU in juni 2014 een gezamenlijk standpunt uitbrachten met betrekking
    tot de SDG-onderhandelingen, met onder meer aandacht voor vrede en veiligheid en conflictbeheersing.
    Dit gezamenlijke standpunt was overeengekomen nadat het niet gelukt was om tussen de AU en de EU
    zo’n standpunt te formuleren, zie: <http://ec.europa.eu/europeaid/news/joint-statement-european-
    commissioner-development-andris-piebalgs-and-environment-commissione-0_en>, geraadpleegd op 15
    januari 2015.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>zestig jaar richt de internationale gemeenschap zich op het thema ontwikkeling. Zoals
bekend zijn in de afgelopen vijftien jaar vooral de Millennium Development Goals (MDGs)
leidend geweest, met aandacht voor armoedebestrijding, voedsel- en waterzekerheid en
gezondheid. Daarnaast richtten de MDGs zich ook op enkele duurzaamheidsaspecten
als biodiversiteit en klimaat. Het Verdrag van Cotonou gaat hier specifiek op in, vooral
sinds de herziening van het Verdrag in 2005 toen werd gesteld dat de MDGs als leidraad
dienen te fungeren voor de op landenniveau te ontplooien ontwikkelingsstrategieën.16
De MDGs zullen in 2015 slechts gedeeltelijk zijn gerealiseerd. Gebaseerd op het
resterende deel van de agenda en de uitkomsten van de VN-Conferentie over Duurzame
Ontwikkeling (Rio+20, 2012) staat de internationale gemeenschap thans een nieuwe
en meer omvattende set van doelstellingen voor ogen in de vorm van bovengenoemde
SDGs. Deze zijn nu volop in onderhandeling en de verwachting is dat hierover in
september 2015 in VN-verband een besluit wordt genomen. Vooralsnog omvat het SDG-
pakket 17 doelstellingen en daaraan gekoppeld 169 specifieke doelen die tezamen een
agenda voor duurzame ontwikkeling vormen.
Uitgangspunt blijft armoedebestrijding met als bijbehorende elementen duurzame
ontwikkeling, inclusieve groei, werkgelegenheid, verminderde ongelijkheid, duurzaam
gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het tegengaan van geweld en misbruik en
exploitatie van kinderen en jongeren, en gerevitaliseerd mondiaal partnerschap met
betrokkenheid van relevante actoren en maatschappelijke organisaties. Een van de
voorlopige doelen gaat specifiek in op mensenrechten en verbindt dat aan duurzame
ontwikkeling en het verhogen van accountability van instituties. Ook een aantal mondiale
publieke goederen vinden hun weg in deze agenda voor duurzame ontwikkeling zoals
voedselzekerheid, energie en klimaatbeheersing.17
II.4      Financiering van ontwikkeling: naar een nieuwe definitie van hulpgelden
Al geruime tijd staat het begrip Official Development Assistance (ODA) ter discussie. Dit,
tegen de achtergrond van toegenomen twijfel over de effectiviteit van hulp, opkomst
van andere actoren en donoren en de mogelijk gewenste verbreding van activiteiten die
onder ODA vallen.
De OESO wijst erop dat de relatieve betekenis van ODA-geldstromen voor het realiseren
van ontwikkelingsdoelen weliswaar afneemt, maar dat die betekenis in absolute termen
nog steeds groot is. Dit geldt vooral voor de minst ontwikkelde landen en fragiele staten
die vaak nog een relatief klein deel van ontwikkelingsgelden krijgen toegewezen.18
16 Na herziening van het Verdrag in 2005 vermeldt de Preamble dat de millenniumdoelstellingen
    voor ontwikkeling (...), met name de uitroeiing van extreme armoede en honger, alsmede de
    ontwikkelingsdoelen en beginselen die zijn overeengekomen tijdens de conferenties van de VN, een
    duidelijke visie bieden en aan de samenwerking tussen de ACS en de EU in het kader van het Verdrag van
    Cotonou ten grondslag moeten liggen. Zie: Tractatenblad 2005, nummer 295, p. 11.
17 UN Secretary-General, Road to Dignity by 2030: Ending Poverty, Transforming All Lives and Protecting
    the Planet, UN, New York, 4 December 2014, en het Report of the Open Working Group of the General
    Assembly on Sustainable Development Goals, UN Doc. A/68/970.
18 Adviesraad Internationale Vraagstukken, Ontwikkelingssamenwerking: meer dan een definitiekwestie,
    briefadvies nummer 25, Den Haag, mei 2014.
                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Dit zijn de landen die over het algemeen nog een inhaalslag moeten maken voor het
realiseren van de MDGs. Bovendien brengt fragiliteit een grotere kans voor een land om
getroffen te raken door onbeheersbare crises, zoals de ebolacrisis in West-Afrika recent
nog eens liet zien.
In het kader van de uitkomsten van Busan en de New Deal voor fragiele staten zou het
met betere coördinatie en aanvullende middelen mogelijk moeten zijn om ontwikkeling
op gang te brengen en in te bedden in regionale vormen van ondersteuning.19 Daarbij is
een relevant aanknopingspunt dat maar liefst 39 van de 48 minst ontwikkelde landen
zijn vertegenwoordigd in de ACS-groep en tevens ingebed in regionale structuren die deel
uitmaken van de ACS.20 Tevens worden de armste landen onder het Verdrag van Cotonou
minstens zo goed ondersteund als in andere ontwikkelingssamenwerkingsrelaties.
Over herdefiniëring van het begrip ODA heeft de AIV eerder opgemerkt dat het niet
om bezuiniging zou moeten gaan maar om een herijking.21 Immers, betrouwbaarheid,
eigenaarschap en voorspelbaarheid zijn grondbeginselen van internationale afspraken
die niet zonder meer unilateraal kunnen worden losgelaten. Een verandering van de
ODA-definitie dient voort te komen uit de Declaraties van Parijs, Accra en Busan over
effectiviteit van hulp alsmede uit de nieuwe duurzame ontwikkelingsagenda na 2015.
Het zal daarbij nodig zijn om kritisch te kijken naar mogelijkheden om tot verbeterde
taakverdeling en onderlinge afstemming van hulp te komen (bijvoorbeeld via joint
programming die al wel plaatsvindt, maar nog niet altijd even succesvol is) en ook naar
innovatieve vormen van financiering. Een bredere financieringsstroom is nodig, gevoed
door zowel officiële geldstromen als particuliere initiatieven, al dan niet in de vorm
van blending.22 Deze behoren allen gekoppeld te zijn aan resultaatverplichtingen op
het gebied van armoedebestrijding en aan andere overeengekomen doelstellingen van
internationale samenwerking.
19 Zie de overeenstemming die in 2011 in Busan bereikt werd, waarin de internationale gemeenschap
    concrete voorstellen doet om de effectiviteit van hulp te verhogen, met aandacht voor grotere
    zeggenschap vanuit ontwikkelingslanden zelf, focus op resultaten, verbeterde samenwerking en
    gedeelde verantwoordelijkheid. In een specifiek onderdeel wordt ingegaan op de zogeheten New Deal
    voor fragiele staten die meer werk hoopt te maken van vredesopbouw en institutionele versterking,
    capaciteitsontwikkeling en transparantie, zie: <http://www.org/dac/effectiveness/49650173.pdf>, p. 8,
    geraadpleegd op 22 januari 2015.
20 De niet-ACS-minst ontwikkelde landen zijn: Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, Laos, Myanmar,
    Nepal, Jemen en Zuid-Soedan. Zie: <http://www.un.org/en/development/desa/policy/cdp/ldc/ldc_list.
    pdf>, geraadpleegd op 15 januari 2015.
21 Adviesraad Internationale Vraagstukken, Ontwikkelingssamenwerking: meer dan een definitiekwestie,
    briefadvies nummer 25, Den Haag, mei 2014.
22 Om een indicatie te geven van de vraag naar ondersteuning: het Department of Economic and Social
    Affairs van de VN raamt de benodigde extra totale uitgaven per jaar voor mondiale duurzame ontwikkeling
    – inclusief energie, water, biodiversiteit, land- en voedselzekerheid – op US$ 1.900 miljard, ofwel 2,7%
    van het bruto wereldproduct. Hiervan zou US$ 800 miljard nodig zijn voor de transitie naar duurzame
    ontwikkeling in lage en middeninkomenslanden. Mogelijk de helft hiervan zou via internationale
    financiering bijeengebracht dienen te worden.
                                                          15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>III        Interne ontwikkelingen binnen de EU en de ACS-groep
III.1      Herijking van uitgangspunten binnen de EU
Sinds de totstandkoming van het Verdrag van Cotonou in 2000 hebben zich grote
wijzigingen voorgedaan in de EU. Vooral de uitbreiding met dertien lidstaten heeft
sporen getrokken en tot aanzienlijke aanpassingen geleid. De nieuw toegetreden
lidstaten kenden een andere traditie met betrekking tot internationale samenwerking
dan de meeste oudere lidstaten en dit noopte tot herbezinning op hulp en
ontwikkelingssamenwerking.23
De nieuwe lidstaten moesten zich oriënteren op de verplichtingen die onderdeel zijn
van het Gemeenschapsrecht van de EU in het kader van internationale samenwerking
en zich die later toe-eigenen. Het Verdrag van Lissabon introduceerde een belangrijke
wijziging in het algemene EU-ontwikkelingssamenwerkingsbeleid door in artikel 208
direct te verwijzen naar uitbanning van armoede als centrale doelstelling. Tegelijkertijd
behield dat Verdrag de verwijzing naar beleidscoherentie – een uitgangspunt dat mede
door Nederland in de afgelopen decennia sterker onder de aandacht van de makers en
uitvoerders van het externe Europese ontwikkelingsbeleid is gebracht.
De uitbreiding van de EU naar het oosten leidde ook tot een grotere confrontatie met
armoede binnen de Unie. In sommige nieuw toegetreden lidstaten is de problematiek
ten aanzien van armoede immers ook omvangrijk. Deze nieuwe dimensies van armoede
gingen soms ten koste van solidariteit met landen buiten de EU, maar leidden ook
tot een groter begrip van de noodzaak van gezamenlijke inspanningen om armoede
wereldwijd te bestrijden en daarbij coherentie na te streven.
De Eurobarometer laat een relatief stabiel patroon zien van steun onder Europese burgers
voor mondiale armoedebestrijding. In een recent rapport van de Europese Commissie
vindt de Eurobarometer zelfs toegenomen steun voor ontwikkelingsinspanningen onder het
Europese publiek. Een grote meerderheid van 85% vindt dat ontwikkelingslanden moeten
worden geholpen en 67% van het Europese publiek vindt dat de EU haar hulpinspanningen
zou moeten intensiveren.24
Als gevolg van het Verdrag van Lissabon is de werkwijze van de EU in haar externe
betrekkingen drastisch aangepast. Er wordt nu bijvoorbeeld minder unanimiteit vereist
dan in het verleden het geval was. De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) is
opgericht om de buitenlandpolitieke samenwerking in Europa te versterken en om het werk
23 Zie bijvoorbeeld: A. Mold (ed.), EU Development Policy in a Changing World: Challenges for the 21st Century,
    Amsterdam University Press, Amsterdam, 2007.
24 European Commission, ‘As European Year for Development Kicks Off, New Figures Show Increased EU
    Citizens’ Support for Development’, press release, 12 January 2015, zie: <http://europa.eu/rapid/press-
    release_IP-15-3060_en.htm>, geraadpleegd op 15 januari 2015. Met een totale bijdrage van € 57 miljard
    (2013) draagt Europa meer dan de helft van de ODA bij, ofwel 0,43% van het bruto inkomen van de EU.
    Zie: press release <http://europa.eu/rapid/press-release_IP-14-388_en.htm>, geraadpleegd op
    20 februari 2015.
                                                        16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>van de Hoge Vertegenwoordiger te ondersteunen door een eigen Europese diplomatieke
dienst. Hiermee wordt, zo is de bedoeling, de integratie van ontwikkelingssamenwerking,
hulp en handel beter ingebed in de institutionele structuur voor samenwerking met
derde landen.
Door de EU zijn aparte regelingen getroffen en budgetten vastgesteld voor steun aan
haar buurlanden in het zuiden en oosten. Deze zijn bedoeld om samenwerking te
bevorderen op een breed scala aan terreinen. Ook werden samenwerkingsrelaties
aangegaan met landen in Azië en Latijns-Amerika. Grote verschillen tussen deze relaties
en die met de ACS-landen zijn dat de relaties met deze landen niet altijd zijn gebaseerd
op een veelomvattend wederzijds bindend verdrag, dat de groepsbenadering (zoals
bij de ACS) slechts mondjesmaat wordt toegepast, dat hulp unilateraal door een EU-
instrument wordt vastgesteld en dat programma’s uiteindelijk door EU-instituties worden
goedgekeurd en gecontroleerd. In de ACS–EU-samenwerking is hiervoor een gezamenlijk
institutioneel kader beschikbaar waardoor er een hoger niveau van eigenaarschap door
de ACS-landen wordt ervaren.
In het vorige hoofdstuk werd gesteld dat de EU al enige tijd wordt geconfronteerd met
nieuwe financiële en economische concurrentie vanuit onder meer de BRICS-landen,
die zich bijvoorbeeld in Afrika meer en meer manifesteren. Dit dwingt de EU om zich
strategisch te beraden op haar positionering op het wereldtoneel. De historische banden
met de ACS-landen kunnen hierbij beschouwd worden als een potentieel pluspunt, mits
correct in stelling gebracht.
III.2    Reflecties binnen de ACS over de toekomstige koers
Ook de ACS-groep is onderhevig aan nieuwe interne ontwikkelingen. Men is niet
teruggeschrokken voor een proces van soul-searching, waarbij vanuit verschillende
geledingen van de organisatie fundamentele vragen werden gesteld bij de missie en
doelstellingen van de organisatie, haar identiteit en politieke opstelling en de effectiviteit
van de bijbehorende beheersorganen.
De ACS is zich bewust van de snelle veranderingen op wereldniveau en staat open voor
bredere samenwerking in internationaal verband, niet alleen met de EU maar ook bilateraal
met opkomende economieën en in zuid-zuid relaties. Vooral ten aanzien van vraagstukken
als arbeidsmigratie, duurzaam gebruik van grondstoffen en klimaatverandering is de
gedachte dat deze op overstijgend niveau moeten worden aangepakt, waarbij de EU een
belangrijke rol kan spelen vanwege het wederzijdse belang en de beschikbare expertise op
deze beleidsterreinen.
De ACS lijkt zich minder exclusief op Europa te willen richten, maar ziet de historische
band met de EU wel als een belangrijke factor om in de toekomst ook samenwerking
op mondiaal niveau te bevorderen. De ACS heeft niet geschuwd om daarbij ook kritisch
te kijken naar de vertaling van deze ambities naar het eigen institutionele niveau en
vragen te formuleren die in het verlengde liggen van zo’n ambitie. Op dit moment wordt
bijvoorbeeld onderzocht of het secretariaat van de ACS met eigen middelen kan worden
bekostigd middels het berekenen van contributies door lidstaten en het instellen van
een donatiefonds.
                                            17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>IV         Het Verdrag van Cotonou: resultaten en functioneren
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van concrete ervaringen met de samenwerking tussen
de ACS en de EU in het kader van het Verdrag van Cotonou. Het beschrijft resultaten
die zijn behaald binnen de drie hoofdpijlers van het Verdrag (namelijk politieke dialoog,
ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking en handel) en plaatst
kanttekeningen bij de beheersorganen ervan. Het heeft niet de pretentie van een
omvattende evaluatie. Er is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaand referentie-
materiaal zoals publicaties van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleids-
evaluatie (IOB), het Department for International Development (DfID) van het Verenigd
Koninkrijk, en jaarverslagen en andere rapporten van de OESO en de European Court of
Auditors.25
IV.1       Politieke dialoog
Politieke dialoog is een belangrijk fundament van de ACS–EU-samenwerking. Het vormt de
ideologische basis die richting en inspiratie geeft aan de hand van gemeenschappelijke
waarden. Zowel structurele als adhoc vormen van politieke dialoog dienen de inhoud en
betekenis van die gemeenschappelijke waarden voor deelnemende landen zichtbaar te
maken.
In het Verdrag van Cotonou (artikel 9) staan drie kernwaarden centraal, namelijk:
‘eerbiediging van de rechten van de mens, democratische beginselen en de rechtsstaat’.
Deze drie waarden zijn essentiële onderdelen van het Verdrag. Goed bestuur, inclusief
optreden tegen corruptie, heeft juridisch een iets minder sterke status maar geldt als
basisbeginsel van de overeenkomst. In artikel 8 worden de onderwerpen omschreven
waarop de politieke dialoog zich kan richten zoals wapenhandel, buitensporige militaire
uitgaven, verdovende middelen, georganiseerde misdaad, strategische samenwerking
en etnische-, religieuze- of rassendiscriminatie. Deze worden beschouwd als ‘specifieke
politieke aangelegenheden van gemeenschappelijk belang of van algemeen belang voor
het bereiken van de doelstellingen van het akkoord’.
In de praktijk is een grote diversiteit aan politieke dialoog ontstaan. Dit vindt plaats op
bilateraal niveau, tussen lidstaten onderling en over specifieke politieke kwesties die
beide landen aangaan. Gebruikelijker is de vorm waarin de EU als groep overleg voert met
een afzonderlijke lidstaat van de ACS, bijvoorbeeld over recente politieke ontwikkelingen
die als verontrustend worden ervaren zoals een staatsgreep, verkiezingsfraude of
schending van mensenrechten. Politieke dialoog kan ook de vorm aannemen van overleg
op overstijgend niveau, tussen de ACS-groep en de EU als zodanig, over onderwerpen
met een sterk politieke lading zoals migratievraagstukken of over onderwerpen die in VN-
verband aan de orde komen zoals de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling
en mondiale publieke goederen.
25 Zie onder andere: IOB, The Netherlands and the European Development Fund – Principles and Practices:
    Evaluation of Dutch Involvement in EU Development Cooperation (1998-2012), IOB Report No. 375,
    Ministry of Foreign Affairs of the Netherlands, The Hague, March 2013, met name bijlage 9: The Article
    8 Political Dialogue and What Happens when it Fails; J. Bossuyt, C. Rocca, B. Lein, Political Dialogue
    and Human Rights under article 8 of the Cotonou Agreement, Brussels, European Union, 2014; DfID,
    Multilateral Aid Review Update: Driving reform to achieve multilateral effectiveness, December 2013; OESO,
    European Peer Review 2012, Paris, 2012; en European Court of Auditors, Special Report, No. 18/2009.
                                                       18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>Artikelen 96 en 97 van het Verdrag bieden de juridische basis voor eventuele opschorting
van de samenwerking in het geval een van de partijen van mening is dat essentiële en
fundamentele elementen niet worden gerespecteerd en dat de ‘normale’ structurele
dialoog niet tot het gewenste resultaat leidt.26 Tot op heden is deze procedure slechts
in een relatief klein aantal gevallen gebruikt, overigens met overwegend bemoedigende
resultaten waarbij stapsgewijs herstel van de constitutionele rechtsorde werd bereikt.27
Politieke dialoog die plaatsvindt op individueel landenniveau voltrekt zich voor een deel
achter de schermen en is daarom moeilijk te beoordelen. Net zoals in de samenwerking
met landen in Azië, Latijns-Amerika en buurlanden van de EU bestaat er een gevoeligheid
als zaken aan de orde komen die als interne aangelegenheden worden beschouwd. Dit
heeft zich in de praktijk voorgedaan bij discussies over begrotingssteun aan een ACS-land
die werd opgeschort door de EU op grond van (vermeende) mensenrechtenschendingen.
Waar de EU wil voorkomen dat bepalingen in het Verdrag over mensenrechten, goed
bestuur, constitutionele rechtsorde en corruptie een dode letter blijken, doet het ter
discussie stellen van dergelijke zaken de partnerlanden al gauw denken aan het stellen
van ‘conditionaliteiten’. Dit geldt natuurlijk eens te meer als andere dan EU-donoren
(maar soms ook Europese lidstaten in bilateraal verband) vergelijkbare voorwaarden niet
aan de orde stellen.
Er is kritiek geuit op de soms beperkte zichtbaarheid van de EU in ACS-landen en het
ontbreken van het vereiste politieke niveau bij beide gesprekspartners in politieke
dialoog-bijeenkomsten. Zelfs wanneer een dialoog op landenniveau constructief verliep
is de EU soms verweten te weinig assertief te zijn in haar optreden en onvoldoende
op te komen voor de beginselen van democratie en het belang van maatschappelijke
organisaties.
Dialoog werd soms bemoeilijkt doordat de signalen vanuit de EU niet altijd eenduidig
waren. Historische banden tussen een bepaalde EU-lidstaat en een specifiek ACS-land
liepen hier soms doorheen. Dit verklaart in belangrijke mate het feit dat toepassing
van artikelen 96 en 97 (speciale consultatie en mogelijk sancties) slechts bij hoge
uitzondering plaatsvindt. Sinds het Verdrag van Lissabon is aan EU-kant de politieke
dialoog beter verankerd en is ook de samenwerking en coördinatie tussen de EU en haar
lidstaten in derde landen sterk verbeterd. Hierdoor heeft haar opstelling aan helderheid
gewonnen en lukt het de EU beter om namens haar lidstaten te spreken en op te treden.
Dit is zeker het geval in fragiele landen waar EU-lidstaten zich steeds meer via de EU
laten vertegenwoordigen.
26 In dat geval kan worden overgegaan tot een unieke vorm van consultatie tussen troika’s van ACS en EU-
    staten die in principe tot doel heeft om de betrekkingen te normaliseren aan de hand van een duidelijk
    omschreven pakket van te realiseren doelstellingen, waar mogelijk vergezeld van ondersteunende
    maatregelen gericht op het aanpakken van geconstateerde problemen (bijvoorbeeld herstel van de
    constitutionele orde of het houden van open, eerlijke en vrije verkiezingen). Zoals aangeven kan,
    indien nodig, de uitvoering van het Verdrag ook geheel of gedeeltelijk opgeschort worden als reactie op
    geconstateerde gebreken. Hoewel dit een wederkerige procedure is, werd zij in de praktijk tot nu toe
    uitsluitend door de EU geïnitieerd om maatregelen te nemen naar aanleiding van een acute crisis in een
    individueel ACS-land.
27 In bijlage 9 van de al aangehaalde IOB-evaluatie worden vijftien gevallen genoemd die tussen 2000 en
    2009 zouden hebben plaatsgevonden. J. Bossuyt, C. Rocca, B. Lein, in hun Political Dialogue and Human
    Rights under Article 8 of the Cotonou Agreement, Brussels, European Union, 2014, pp. 13-14, telden 6
    gevallen tussen 2008 en 2013.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>Opvallend is dat de ACS–EU politieke dialoog op hoger, collectief niveau maar beperkt
van de grond is gekomen. Dat er behoefte bestaat aan andere vormen van politieke dialoog
– en over andere onderwerpen dan specifiek voorzien in het Verdrag van Cotonou – bleek
nog eens uit een verklaring van ACS-staatshoofden tijdens een topontmoeting in Malabo,
Equatoriaal Guinee, in 2012. Daarin drongen zij aan op dialoog via een te formeren High
Level Panel om op politiek niveau uit de impasse te raken in de onderhandelingen over
Economic Partnership Agreements (EPAs, zie later dit hoofdstuk). Op het verzoek van de
staatshoofden, dat later nogmaals door de president van Benin bij de voorzitter van de
Europese Commissie werd neergelegd, is nooit in positieve zin gereageerd.
Op ander vlak drong de EU met steun van Nederland bij de herziening van het Verdrag in
2010 aan op een uitbreiding van de bepalingen voor de terugkeer van uitgeprocedeerde
asielzoekers en het betreffende artikel 13 praktischer van aard te maken. Dat leverde
geen verdragswijziging op maar betekende wel het startsein voor een migratiedialoog
over nauwere samenwerking inzake onvolkomenheden in asielbeleid, inclusief terug- en
overname van uitgeprocedeerde asielzoekers. In dit kader vond in Brussel in april 2014
een seminar plaats over verdere operationalisering van de samenwerking op dit terrein.
Er is op het punt van migratie dus een aanzet gegeven en ervaring opgedaan die in de
toekomst verder uitgebouwd kan worden. Hoewel er zeker zaken zullen zijn die op het
niveau van politieke dialoog tussen de EU en een enkel ACS-land besproken dienen te
worden – of juist via gezamenlijk optreden van de ACS en de EU in multilaterale fora – zal
het meeste van de migratiediscussie zich afspelen op collectief ACS–EU-niveau. Daarbij
dient wel bedacht te worden dat nogal wat migranten naar Europa trekken die niet uit
ACS-landen afkomstig zijn.
Interessant is de politieke dialoog die zich in parlementair verband voordoet. In de
zogeheten Joint Parliamentary Assembly (JPA) hebben vertegenwoordigers uit zowel de
ACS-landen als uit de EU zitting. Het orgaan draagt bij aan dialoogvorming, ook over
lastige of gevoelige onderwerpen die spelen binnen de ACS-groep, tussen de ACS of
de EU en binnen de EU, zoals onvolkomenheden in asielbeleid. Zo weidde de JPA in
maart 2014 (dus voorafgaand aan bovengenoemd seminar) een aparte sessie aan de
rechten van migranten in zowel ACS-landen als EU-lidstaten.28 Ook maatschappelijke
organisaties hebben in toenemende mate gebruik gemaakt van de JPA om vernieuwing
te agenderen. Bovendien zou de JPA bijdragen aan gezamenlijke beleidsformulering
en aan grotere kennis over ACS-landen binnen het Europees Parlement, waardoor
bijvoorbeeld nieuwe parlementaire netwerken zijn ontstaan.
Samengevat wordt aan politieke dialoog met vallen en opstaan vormgegeven. Er is
overwegend sprake van een proces van verbreding en verdieping, zij het dat er soms
taboes blijken te bestaan, met name in situaties van ernstige spanning. Ook leert
de ervaring dat de ACS–EU politieke dialoog een sterk formeel karakter draagt. De
opzet in het Verdrag mag als redelijk compleet overkomen, de uitvoering verloopt
om verschillende redenen soms moeizaam en is in hoge mate door specifieke
omstandigheden bepaald (belangstelling van lidstaten, kracht van de regering,
functioneren van Europees Parlement, publieke opinie en maatschappelijk middenveld).
28 ACP-EU Joint Parliamentary Assembly, ACP-EU 101.674/14/fin, maart 2014.
                                                20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>In internationaal overleg (bijvoorbeeld over klimaatverandering) opereren de ACS-landen
vrijwel uitsluitend via andere verbanden, zoals de G77, LDCs (minst ontwikkelde landen),
SIDS (kleine eilandontwikkelingslanden) en regionale groeperingen. Daar waar de ACS
en EU erin slagen om gezamenlijk positie te bepalen hebben ze met 107 leden een
numerieke meerderheid in de VN en de WTO. Er zijn enkele positieve voorbeelden te
geven van politieke samenwerking tussen de ACS en de EU op dit niveau. De Joint ACP–
EU Declaration on Rio+2029 en de Joint ACP–EU Declaration on the Development Agenda
zijn voorbeelden van gezamenlijk optreden op het terrein van duurzame ontwikkeling.30
Een ander voorbeeld is de gezamenlijke opstelling inzake het verduurzamen van
de handel in tropisch hout. Dit was eerst toebehouden aan de ACS en werd later
omgebouwd en geografisch uitgebreid tot het EU–FAO–FLEGT-programma. Daarnaast
verleende de ACS uiteindelijk ook cruciale steun om de EU tot de status van ‘super-
observer’ te verheffen in de VN, nadat het Verdrag van Lissabon aanleiding had gegeven
tot de wens om de vertegenwoordiging van de EU in multilaterale fora uit te breiden.
IV.2      Ontwikkelingssamenwerking
Zoals omschreven in Artikel 19 van het Verdrag van Cotonou heeft de samenwerking
tussen de ACS en de EU tot doel om armoede te bestrijden en uit te bannen, en om
duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van ACS-landen in de wereldeconomie
te bevorderen. De mogelijkheden hiertoe verschillen per land, al naar gelang de
specifieke omstandigheden. Ieder ACS-land stelt dan ook een beleidsplan op dat ingaat
op zaken als economische groei, werkgelegenheid en institutionele hervormingen.31
Het Verdrag van Cotonou voorziet in de bijdrage van maatschappelijke organisaties aan
de voorbereiding van landenbeleidsplannen en hulpprogramma’s in partnerlanden.32
Al bij het opstellen van het Verdrag zelf waren indertijd maatschappelijke organisaties
uit de EU en ACS-landen betrokken, met name tijdens diverse consultatierondes over
het opstellen van een groenboek van de Europese Commissie. Mede op basis van
artikel 7, dat capaciteitsopbouw voor de civiele samenleving voorstaat, is een handboek
voor NGOs opgesteld en in 2006 een Civil Society Forum georganiseerd met brede
deelname uit de verschillende regio’s van de ACS.33 Gebaseerd op de ervaringen met
het Verdrag van Cotonou heeft de Europese Commissie zich ingespannen om in andere
hulpinstrumenten de rol van maatschappelijke organisaties ook te bevorderen.
29 Zie: <http://www.acp.int/content/acp-eu-joint-declaration-rio20-declaration-conjointe-sur-rio20>,
    geraadpleegd op 15 januari 2015.
30 Zie: <http://ec.europa.eu/commission_2010-2014/piebalgs/headlines/news/2014/06/20140620_
    en.htm>, geraadpleegd op 15 januari 2015. Een poging om met de AU tot een gezamenlijke verklaring
    over de post-2015 agenda te komen mislukte eerder.
31 Verdrag van Cotonou, artikel 19(3).
32 Zo bepaalt artikel 4 van het Verdrag onder andere dat NGOs worden ingelicht en betrokken bij overleg
    over samenwerkingsbeleid, -strategieën en prioriteiten, met name op terreinen die hen aangaan of hen
    rechtstreeks betreffen en over politieke dialoog.
33 Alhaji Muhammad Mumuni, The ACP-EU Partnership in a Changing Global Order, presentation to the AIV in
    The Hague, The Netherlands, 26 September 2014, p. 10.
                                                      21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Voor de financiering van de ACS–EU-ontwikkelingsinspanningen is een Europees
Ontwikkelingsfonds (EOF) ingesteld dat los staat van de reguliere EU-begroting. Eigenlijk
is de naam van dit fonds misleidend, want het gaat niet om een vrijgemaakte hoeveelheid
geld die in Brussel ligt te wachten op besteding. Het EOF bestaat uit een contractueel
vastgelegde belofte van Europese lidstaten om op afroep van de Europese Commissie
geld over te maken wanneer dat feitelijk nodig is voor de betaling van (door lidstaten
in ‘comitologie’ goedgekeurde) activiteiten.34 Al sinds 1963 speelt ook de Europese
Investeringsbank (EIB) een rol in het ondersteunen van ontwikkelingsactiviteiten in ACS-
landen, uit een combinatie van EOF- en eigen middelen. Zo verstrekt de EIB onder meer
verschillende vormen van leningen en een investeringsfaciliteit.35
Het EOF biedt ongeveer de helft van de ontwikkelingshulp die door alle EU-instellingen wordt
verstrekt.36 In 2013 werd het 11e EOF vastgesteld met een totaalbedrag van € 31,5 miljard
voor een periode van, zoals gebruikelijk, zeven jaar.37 Dit bedrag bestaat uit subsidies
(€ 24 miljard voor nationale en regionale indicatieve programma’s, € 3,6 miljard voor
intra-ACS en interregionale samenwerking en de financiering van gezamenlijke instellingen
en organen, en € 1,1 miljard voor genoemde investeringsfaciliteit, aangevuld met € 2,5
miljard uit eigen middelen van de EIB). Ongeveer een vijfde van de EOF-middelen wordt
aangewend voor sectorale en algemene begrotingssteun.38
De regels en gebruiken van het EOF en het wel in de EU-begroting opgenomen Instrument
voor Ontwikkelingssamenwerking (DCI) – dat de financiële steun van de EU aan niet-
ACS landen regelt – zijn materieel inmiddels grotendeels gelijk. In de praktijk is het
onderscheid tussen beide hulpkanalen nog nauwelijks merkbaar. Doorgaans geschiedt
de afroep van financiële bijdragen voor het EOF in samenhang met de jaarlijkse
begrotingsafspraken van de EU-lidstaten.
34 Comitologie is EU-jargon voor een bepaald soort besluitvorming. Voor sommige uitvoeringsbevoegdheden
    werkt de Europese Commissie namelijk samen met comités van vertegenwoordigers van de EU-landen.
    De afdelingen van de Commissie leggen dan hun ontwerpuitvoeringsbesluiten ter advies voor aan zo’n
    ‘comitologiecomité’ (zie: Verordening (EU) nr. 182/2011).
35 Ook bevordert het de levering van energie via een Energy Sustainability Facility en ontplooit het activiteiten
    op gebied van het EU Raw Materials Initiative. In laatstgenoemd kader wordt duurzaam hulpbronnengebruik
    actief bevorderd. Weliswaar strookt dit conceptueel met de bredere visie op ontwikkeling van het Verdrag
    van Cotonou maar in de praktijk wordt het initiatief zeker ook aangedreven door lange termijn economische
    belangen van de EU. Voor meer informatie over het EOF en de EIB, zie respectievelijk: <http://europa.eu/
    legislation_summaries/development/overseas_countries_territories/r12102_nl.htm> en <http://www.eib.
    org/projects/regions/acp/funding-and-financial-instruments/index.htm>.
36 Zie: <http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/EN/foraff/137274.pdf>.
37 Zie: <http://www.acp.int/fr/node/1991>.
38 In 2010 bedroeg budgetsteun 24% van de totale uitgaven, in 2013 was het aandeel teruggelopen tot
    18% (€ 718 miljoen op een totaal van € 3,9 miljard), zie onder meer het jaarverslag over de activiteiten
    gefinancierd uit het achtste, negende en tiende Europees Ontwikkelingsfonds, (2014/C 398/02),
    Publicatieblad van de Europese Unie, 12 november 2014.
                                                        22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>Herhaaldelijk is overwogen om het EOF onder te brengen in de algemene begroting van
de EU.39 Oorspronkelijk werd hierop vooral door het Europees Parlement aangedrongen,
om tot grotere transparantie van de uitgaven en programmering van het fonds te
komen, en werd dit tegengehouden door de lidstaten. Later toonde ook de Europese
Commissie zich een voorstander. Toch is het er nog niet van gekomen, wat voor een deel
wordt verklaard door het begrotingsplafond: integratie van het EOF in het DCI zou een
korting op de Europese financiële middelen voor ontwikkelingssamenwerking hebben
betekend. Gezien de telkens terugkerende wens om het EOF te budgetteren mag worden
aangenomen dat het onderwerp opnieuw ter sprake zal komen bij onderhandelingen over
een eventueel vervolg op het Verdrag van Cotonou.
Het beheer van het EOF lijkt sinds 2000 verbeterd te zijn. Daarbij is de integratie van
de gehele hulpcyclus in één organisatie in Brussel (EuropeAid–DEVCO) van belang
geweest en kwam er met een Joint Evaluation Unit meer aandacht voor controle op de
kwaliteit van de hulp. Wel blijft er bij de monitoring en evaluatie van de hulp ruimte voor
verbetering. Financiële controle en interne supervisie zijn inmiddels aangescherpt, ook
op delegatieniveau, al blijven de Europese procedures volumineus en omslachtig. Door
de versterking van EU-delegaties in ACS-landen kon Brussel verantwoordelijkheden
naar die landen verschuiven. Dit heeft geleid tot meer inzet van beschikbare fondsen
en minder stuwmeren en in veel gevallen ook tot een kwaliteitsverbetering van de
uitgevoerde programma’s.
Kenmerkend voor het beheer van het EOF is de centrale rol van ‘National Authorising
Officers’ (NAOs). Die worden in elk ACS-land aangesteld als verantwoordelijke voor alle
EOF-zaken. De gedachte achter deze constructie is dat niet alleen voor wat betreft de
formulering van beleid maar ook in de uitvoering van programma’s er sprake is van
gelijkwaardige partners en dat geen hulpgelden worden uitgegeven zonder expliciete
instemming van het ACS-land. Doordat interne controlemechanismen in een aantal
ACS-landen nog niet toereikend zijn, kan een NAO ook in dit opzicht een belangrijke rol
vervullen mits voldoende hierop toegerust. De situatie rondom de NAO varieert per land
en de laatste jaren is een voorzichtig opgaande tendens te zien in kwalitatieve zin.
Dit neemt niet weg dat men oog moet houden voor de kwetsbaarheid van deze
constructie. Het bureau van de NAO vormt immers een extra schakel en het op peil
houden van de benodigde kennis vergt een continue en uiterst arbeidsintensieve inzet.
Dit wordt nog eens bemoeilijkt door het relatief grote verloop van staf, zowel aan ACS-
als aan EU-zijde. De EU heeft recent grote inspanningen gedaan om regelgeving te
harmoniseren en transparanter te maken, maar de relatief ingewikkelde regelgeving
vraagt soms meer capaciteit dan beschikbaar is in de administraties van ACS-landen en
dit bemoeilijkt de uitvoering en rapportage.
De kwaliteit van de ontwikkelingssamenwerking in het kader van het Verdrag van
Cotonou wordt regelmatig geëvalueerd. De al eerder genoemde evaluatie van de IOB
laat zien dat resultaten in de zin van verbetering van de sociale en economische
infrastructuur (wegen, scholen, klinieken, water en sanitaire voorzieningen) in veel
gevallen acceptabel zijn, maar dat zich problemen voordoen bij de versterking van
institutionele capaciteit. Bovendien zijn de bereikte verbeteringen nog weinig duurzaam.
De EOF-steun beoogt onder meer de regionale en mondiale integratie van ACS-landen te
39 Onder andere in 2008 en 2009 en recent nog in 2013.
                                                 23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>bevorderen, maar resultaten op dit vlak zijn teleurstellend of niet gedocumenteerd.40
De al aangehaalde Multilateral Aid Review van DfID stelde dat het EOF, samen met acht
andere multilaterale instellingen, very good value for money voor hulpgelden van het
Verenigd Koninkrijk bood. Vooral de aard van de doelstellingen, de brede en uitvoerige
afspraken binnen het Verdrag van Cotonou die de voorspelbaarheid van hulp doen
vergroten en financiële verantwoording werden als positief beoordeeld. De European
Union Peer Review van de OESO uit 2012 wijst lovend op aspecten van eigenaarschap
en wederzijdse verantwoordingsplicht als sterke punten.
Een punt van aandacht dat soms is aangehaald in verband met het EOF is (vermeend)
gebrek aan armoedefocus. Binnen de ACS zijn immers landen aangesloten die behoren
tot de groep van middeninkomenslanden, zoals Botswana, Dominicaanse Republiek
en Suriname. Leggen deze landen niet een onevenredig hoog beslag op EOF-gelden,
zo luidt de kritische vraag. Kijkend naar cijfers blijkt dit mee te vallen. Gedurende
2008-2013 besteedde het EOF 93% van de middelen aan minst ontwikkelde en lage
inkomenslanden. Zou de nieuw doorgevoerde regelgeving van de EU – die voor DCI
voorziet in mindering van steun aan middeninkomenslanden – worden toegepast
voor het EOF, dan zou naar verwachting ongeveer 5% van alle beschikbare middelen
additioneel ten goede komen aan de armste landen.41
IV.3      Economische samenwerking en handel
Een derde en traditioneel eveneens belangrijke pijler waarop de samenwerking tussen
de ACS en de EU zich richt is economie en handel. In lijn met de algehele doelstellingen
van het Verdrag van Cotonou (om armoede uit te bannen en om duurzame ontwikkeling
en de geleidelijke integratie van ACS-landen in de wereldeconomie te bevorderen) omvat
deze pijler maatregelen ten behoeve van economische diversificatie, het aantrekken van
buitenlandse investeringen en het intensiveren van regionale integratie op basis van
nationale en regionale ontwikkelingsstrategieën.
Hoe de post-Lomé ACS–EU handelscomponent er precies uit zou komen te zien werd in
2000 nog in het midden gelaten. Partijen spraken af hieraan verdere invulling te geven
middels nader overeen te komen Economic Partnership Agreements (EPAs). Dit, conform
afspraken en regels zoals vastgesteld door de WTO, en met inbegrip van bepalingen over
speciale en differentiële behandeling van minder ontwikkelde landen met relatief hoge
kwetsbaarheid. EPAs zouden onder meer aandacht dienen te schenken aan milieueisen,
arbeidsnormen en consumentenbeleid, en compensatie voor mogelijk negatieve effecten
van liberalisatie.
De praktijk bleek evenwel weerbarstig: de handelsovereenkomsten waren veel lastiger
te realiseren dan verwacht. Al snel lag druk op de besprekingen doordat ‘WTO-conform’
inhield dat haast moest worden gemaakt met het opheffen van handelspreferenties
voor ACS-landen. Hun preferentiële status werd namelijk aangemerkt als discriminatoir
40 Zo werd ondersteuning door het EOF aan regionale economische integratie in West- en Oost-Afrika in 2009
    beoordeeld als ‘beperkt effectief’, onder andere door een gebrek aan complementariteit tussen regionale
    en nationale ontwikkelingsstrategieën en beperkte absorptiecapaciteit van regionale economische
    organisaties, zie: Special Report, No. 18/2009 van de European Court of Auditors, pp. 33-34.
41 Mikaela Gavas, Reviewing the evidence: how well does the European Development Fund perform?, ODI,
    31 January 2012, p. 15.
                                                      24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>voor niet-ACS ontwikkelingslanden. De EU had weliswaar ontheffing verkregen van de
WTO voor de preferentiële handelsregelingen met de ACS maar die zou in 2007 aflopen
waarna de EU haar wetgeving en beleid aangepast diende te hebben.
Een tweede factor die druk op de EPA-besprekingen legde was het besluit van de EU om
handelsovereenkomsten met regio’s afzonderlijk af te sluiten.42 Mede doordat resultaten
in het mondiale WTO-overleg over handelsliberalisatie uitbleven ontstond binnen de
EU steeds meer draagvlak om tot regionale akkoorden over te gaan. Deze stap leidde
tot onbegrip bij de ACS-groep. Er bestond twijfel of al het mogelijke was gedaan om
de WTO bereid te vinden om de status quo op handelsgebied langer te handhaven. De
stemming sloeg om toen dit voorstel tot (sub-)regionale vrijhandelsovereenkomsten zich
aandiende. Waar de ACS-groep zich op het standpunt stelde dat de algemene principes
voor samenwerking op gebied van economie en handel eerst op collectief ACS-niveau
dienden te worden vastgesteld – geënt op de doelstellingen van armoedevermindering
en uitbanning – en dat de regionale onderhandelingen zich hier vervolgens aan moesten
conformeren, was dat kennelijk niet de opvatting aan EU-zijde.
In de toch al gespannen verhoudingen namen de onderhandelingen over het
eerstvolgende agendapunt – de presentie van de ACS in Genève, zetel van de WTO –
veel tijd in beslag. Uiteindelijk werd ingestemd met een EU-bijdrage ter financiering van
een ACS-kantoor in Genève, waarna een begin kon worden gemaakt met de eigenlijke
onderhandelingen over de inhoud van regionale EPAs. Het feit dat de klok doortikte en
men gevaarlijk dicht bij de fatale datum van het aflopen van de WTO-ontheffing kwam,
heeft de emoties hoog doen oplaaien en veel kwaad bloed gezet.
In 2007 werd, met het oog op de naderende beëindiging van ontheffing voor preferentiële
handelsvoorwaarden, overgegaan tot het sluiten van voorlopige handelsakkoorden. Deze
interim EPAs zouden zich dienen te beperken tot goederen en waar mogelijk op den duur
omgevormd worden tot meer omvattende (zogeheten comprehensive) EPAs. Niettemin
bleven de onderhandelingen tijdrovend. Daarbij ervoeren de ACS-landen ongewenste druk
van de zijde van de EU om verschillende aspecten bij de besprekingen te betrekken die in
WTO-verband nog niet waren uitonderhandeld, zoals investeringen, handel in diensten en
mededingingsbeleid (de zogeheten ‘Singapore issues’). Daarnaast zocht men naar wegen
om de algemene bepalingen uit het Verdrag zoals op het gebied van mensenrechten
en duurzaamheid nadrukkelijker in de EPAs op te nemen.43 Dit is maar ten dele gelukt.
In feite zijn de (interim) EPAs overeenkomsten geworden die per saldo meer de geest
ademen van handelslogica dan van de bredere ontwikkelingsvisie die spreekt uit het
Verdrag van Cotonou.
Het overzicht van bereikte handelsakkoorden was in januari 2015 als volgt: vier
comprehensive EPAs zijn afgesloten met respectievelijk de landen in het Caraïbisch
gebied (CARIFORUM), West-Afrika (ECOWAS), zuidelijk Afrika (SADC) en oostelijk Afrika
42 De vraag is natuurlijk of het haalbaar zou zijn geweest om een enkele EPA af te sluiten met de gehele
    ACS-groep. Gezien de tijdsdruk was de kans daarop klein. Toch kwam dit besluit om aan te sturen op
    akkoorden met regio’s afzonderlijk op de ACS over als eenzijdig ingegeven en bovendien met een risico op
    ondermijning van de eenheid van de groep.
43 J.T. Gathii,‘The Cotonou Agreement and Economic Partnership Agreements’, in S. Marks (ed.), Realizing
    the Right to Development: Essays in Commemoration of 25 Years of the UN Declaration on the Right to
    Development, UN Office of the High Commissioner for Human Rights, Geneva, 2013, pp. 271-273.
                                                      25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>(EAC). De EPAs in westelijk, zuidelijk en oostelijk Afrika werden in 2014 uitonderhandeld
en bevinden zich in verschillende stadia van goedkeuring. Tevens zijn er drie interim
EPAs in werking getreden in centraal Afrika (Kameroen), zuidelijk en oostelijk Afrika
(Madagaskar, Mauritius, de Seychellen en Zimbabwe) en de Stille Oceaan (Fiji en Papua
Nieuw-Guinea).44
Naast de EPAs zijn afspraken gemaakt in het kader van het algemene EU–GSP-systeem
van handelspreferenties voor ontwikkelingslanden, met daarbinnen het ‘Everything
But Arms’-initiatief dat aan minst ontwikkelde landen invoerrechtenvrije toegang tot
de EU-markt geeft voor alle producten behalve wapens en munitie. Mede onder druk
van de WTO-leden in Latijns-Amerika die het zonder preferenties moesten stellen,
zijn ook algemene arrangementen tot stand gekomen voor de regulering van handel
in suiker en bananen. Deze hebben geleid tot een flinke erosie van de traditionele
handelspreferenties van ACS-landen voor deze beide producten.
Samengevat hebben de handelsbesprekingen tussen de ACS en de EU zich de afgelopen
jaren vooral toegespitst op het uitonderhandelen van EPAs met daarbij vooral aandacht
voor de ontwikkeling van een traditionele handelsdiscipline. De EPAs zijn meer op
zichzelf komen te staan en een doel op zichzelf geworden in plaats van ondersteunend
aan de bredere ontwikkelingsdoelstellingen van het Verdrag. Een meer fundamentele
benadering voor regionale ontwikkeling, economische diversificatie en ketenontwikkeling
voor specifieke producten, ontbreekt. Tijdens het EPA-onderhandelingsproces kwamen de
verhoudingen tussen de ACS en de EU op scherp te staan, vooral doordat de EU blijk gaf
van eenzijdig gemotiveerd optreden en weinig bereidheid toonde om kennis te nemen
van ACS-bedenkingen.
Wat de feitelijke ontwikkelingen inzake handelsstromen betreft, wijzen gegevens sinds
2000 uit dat deze grosso modo zijn gestegen, maar dat de betekenis ervan genuanceerd
moet worden. Voor de ACS is de EU een belangrijke handelspartner (al loopt de
betekenis procentueel gezien terug), echter voor de EU is handel met ASC-landen weinig
belangrijk in termen van aandeel in totale handelsvolume. Het is te vroeg om het effect
van de EPAs in de praktijk te evalueren al worden in sommige kringen de baten van de
EPAs in twijfel getrokken vanwege verwachte onvoldoende compensatie voor verminderde
opbrengsten uit heffingen op import en export en asymmetrie in de veranderingen
in toegang tot elkaars markten.45 Recente cijfers zouden erop wijzen dat de EU op
landbouwgebied van netto-importeur een netto-exporteur is geworden. Daarentegen
zou de ACS een omslag in tegengestelde richting hebben doorgemaakt en nu dus een
netto-importeur van landbouwproducten zijn geworden. Deze mogelijke ontwikkelingen
onderstrepen andermaal het belang van coherentie en beleidsafstemming.
44 Zie: <http://trade.ec.europa.eu/doclib/html/144912.htm>, geraadpleegd op 20 februari 2015.
45 Zie: South Centre, Economic Partnership Agreements in Africa: A Benefit-Cost-Analysis, Analytical Note
    SC/TDP/AN/EPA/29, Geneva, January 2012, waarin op pagina 11 wordt geconcludeerd dat ‘Costs of
    an EPA are greater than the gains’ als gevolg van verminderde tariefopbrengsten, effecten op sectorale
    ontwikkeling en op voedsel- en bestaanszekerheid.
                                                      26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De vraag is hoe de onderhandelingen verder zullen verlopen nu de gerealiseerde interim
EPAs dienen te evolueren naar meer omvattende handelsakkoorden. Voor de EU zal haar
algemene handelsbeleid tot 2020 daarin leidend zijn.46 Dat is gericht op ‘open’ handel
en verbreding daarvan, met aandacht voor de Singapore issues, toegang tot natuurlijke
hulpbronnen en verdere ontwikkeling van het systeem van bilaterale handelsverdragen.
De opvatting dat ‘trade policy has its own distinct economic logic’47 voert daarin de
boventoon. In de uitwerking van dit handelsbeleid voor minst ontwikkelde landen wordt
ruimte geboden voor een nieuwe, ruim bemiddelde bevordering van regionale integratie,
en een flexibele completering van het EPA-stelsel die zal zijn afgestemd op de behoeften
en capaciteiten van ACS-landen, waarin gevoelige zaken als diensten en investeringen
kunnen worden betrokken als deze landen dat wenselijk achten.48
Welk vervolg het Verdrag van Cotonou ook krijgt, en zelfs ook als een dergelijk vervolg zou
uitblijven, de AIV adviseert dat een vorm gevonden moeten worden om de bredere optiek
van het huidige Verdrag bij de verdere uitwerking van de EPAs te behouden, vast te leggen
en meer tot gelding te brengen. Dit blijft zeker nodig zolang de ontwikkelingsaspecten
nog niet afdoende zijn gereguleerd op mondiaal niveau door de WTO. Ook de ‘aid for
trade’-regeling uit het Verdrag wordt door velen gezien als belangrijk om te behouden.
Tevens acht de AIV het zeer relevant om de koppeling tussen handel, ontwikkeling
en mensenrechten te behouden en wellicht nader te expliciteren met betrekking tot
EPAs, aangezien de onderliggende integrale visie op ontwikkeling een van de meest
fundamentele elementen van het Verdrag van Cotonou is.
IV.4      Architectuur: vorm, uitgangspunten en instituties
In vergelijking tot de opzet van de ontwikkelingssamenwerking van de EU met niet-ACS-
landen valt op dat de betrekkingen met de ACS zijn vormgegeven op een geformaliseerde
manier die uniek is, niet alleen voor de ACS en de EU maar zelfs in de wereld. Het
Verdrag wordt alom beschouwd als het meest omvattend in zijn soort. De geldende
procedures zijn zwaar: de oorspronkelijke totstandbrenging en wijzigingen van het Verdrag
zijn per definitie onderworpen aan complexe ratificatieprocedures waarmee, zo blijkt uit
ervaring, telkens vele jaren zijn gemoeid.
Het is dus niet zonder reden dat het Verdrag bepaalt dat het (reeds) in werking treedt
als alle EU-lidstaten en (slechts) tweederde van het aantal ACS-partners het instrument
van ratificatie heeft gedeponeerd. Wachten op de laatste ratificatie zou in de praktijk
betekend hebben dat de samenwerking voor enkele jaren tot stilstand zou zijn gekomen.
Een voorbeeld is de tweede herziening van het Verdrag die volgens afspraak in 2010
werd afgerond maar nog steeds op volledige ratificatie wacht.49 Het verdient vermelding
46 Europese Commissie, Handel, Groei en Wereldvraagstukken: Handelsbeleid als kernelement van de Europa
    2020-Strategie, COM(2010) 612 final, Brussel, 9 november 2010. Overigens wordt een herziening van dit
    beleid verwacht in september 2015.
47 Ibid., p. 15.
48 Europese Commissie, Handel, Groei en Ontwikkeling: Afstemming van het Handels- en Investeringsbeleid
    op de Meest Behoeftige Landen, COM(2012) 22 final/2, Brussel, 17 april 2012, par. 4.1.4.
49 En daarmee wellicht ook de grond heeft weggehaald voor het doen uitvoeren van een derde herziening
    van het Verdrag die voor 2015 stond gepland.
                                                    27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>dat de ratificatieprocedures ook in EU-lidstaten in toenemende mate moeizaam
verlopen. De geformaliseerde vorm van samenwerking heeft wel als voordeel dat zaken
in detail zijn vastgelegd en partijen dus goed weten waar ze aan toe zijn, hetgeen de
voorspelbaarheid en rechtszekerheid ten goede komen.
Verschillende instituties zijn belast met de uitvoering van het Verdrag. Het hoogste
orgaan is de ACS–EU-Raad van Ministers. Deze is samengesteld uit vertegenwoordigers
van de EU-lidstaten, de Europese Commissie en vertegenwoordigers van de ACS-landen.
De Raad heeft tot taak om politieke dialoog te voeren, goedkeuring te verlenen aan
beleidsdocumenten zoals meerjarenstrategieën voor landen en zorg te dragen voor het
behoorlijk functioneren van consultatiemechanismen zoals het Development Finance
Cooperation Committee (ACP-EC Committee) dat regelmatig de resultaten van het EOF
evalueert.
Een tweede orgaan is het gezamenlijke Comité van Ambassadeurs. Hierin hebben
Permanente Vertegenwoordigingen van zowel EU-lidstaten als ACS-landen zitting. Dit
Comité staat de Raad van Ministers bij en is in de praktijk verantwoordelijk voor de
uitvoering van het Verdrag.
Een derde orgaan is de al eerder in dit hoofdstuk genoemde Joint Parliamentary
Assembly (JPA) die is samengesteld uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van het
Europees Parlement en van ACS-Parlementen. Artikel 17 van het Verdrag van Cotonou
schrijft voor dat de JPA tot taak heeft om democratische processen te bevorderen
door dialoog en consultatie. De JPA komt twee keer per jaar bijeen onder afwisselend
voorzitterschap van de ACS en de EU. Dit orgaan beschikt niet over de bevoegdheid om
bindende besluiten te nemen.
Ook is eerder genoemd dat de ACS-groep beschikt over een secretariaat in Brussel en dat
zij tevens kantoor houdt in Genève. Het ACS-secretariaat wordt voor iets meer dan een
derde deel bekostigd met middelen van de EU. Meer dan de helft van de bijdragen zijn
afkomstig van lidmaatschapsgelden van de ACS-groep.50 Het takenpakket is grotendeels
terug te voeren op de bepalingen van het geamendeerde Georgetown Agreement.
De balans opmakend over het functioneren van de ACS-instellingen hebben zowel de
ACS als de EU forse kritiek geuit, al worden accenten anders gelegd. Wat betreft de
gezamenlijke Raad van Ministers en het Comité van Ambassadeurs stellen beide partners
dat deze te weinig hebben betekend voor de uitvoering van het Verdrag. Deze instituties
worden gekenmerkt door een hoge mate van formaliteit en komen relatief weinig bijeen.
Wellicht wordt dit in de hand gewerkt door het feit dat woordvoering in hoge mate van
tevoren is geregisseerd en slechts weinigen daadwerkelijk het woord kunnen voeren.
De afwezigheid van ministers aan EU-zijde draagt hoe dan ook bij aan de perceptie dat
binnen de EU geen wezenlijke belangstelling bestaat voor politiek overleg met de ACS op
ministerieel niveau. Mogelijk biedt een ‘troika’-opzet met een beperkt aantal ministers
meer kans op succes.
50 Voor het jaar 2015 heeft de ACS-Raad van Ministers een budget van € 15.4 million vastgesteld. Volgens
     <http://www.acp.int/content/100th-council-session-marks-milestone-outcomes-acp>, geraadpleegd op
     6 januari 2015, wordt dit voor 51.6% betaald door ACS-lidstaten, voor 39.6% uit het EOF en voor 8.8%
     door een heffing op het inkomen van ACS-staf.
                                                     28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Het Verdrag van Cotonou voorziet ook in institutionele steun, in de vorm van
expertisecentra, voor twee ‘mechanismen’ respectievelijk ter ondersteuning van
het bedrijfsleven en ondernemerschap in ACS-landen (het zogeheten Centre for the
Development of Enterprise (CDE) gevestigd te Brussel), en ter bevordering van landbouw
en plattelandsontwikkeling in ACS-landen (het Technical Centre for Agricultural and Rural
Cooperation (CTA), gevestigd te Wageningen).
Het CDE heeft steeds problemen gekend met haar functioneren. Problematisch was
dat het CDE de iure moest worden bestuurd door een paritair (EU en ACS-)bestuur, dat
er onhelderheid bestond in de koers, dat het geen wezenlijke counterpart had in ACS-
landen wat leidde tot aanbod gestuurd in plaats van vraaggericht functioneren, en dat
ambities niet in overeenstemming te brengen waren met de beperkte omvang van het
budget en de staf. De ACS en de EU hebben hieruit consequenties getrokken en onlangs
besloten om het CDE op te heffen.
Ten aanzien van het in Wageningen gevestigde CTA bestaat een meer positieve
perceptie. Het centrum bood bijvoorbeeld een bruikbaar platform voor het voorbereiden
van een gezamenlijk standpunt van de ACS en de EU voor conferenties over effectiviteit
van hulp in Busan in 2011 en over milieu en duurzame ontwikkeling in Rio in 2012.51
IV.5      Landen en Gebieden Overzee (LGO’s)
Bijlage II bij het Verdrag betreffende de werking van de EU vermeldt de LGO’s waarvoor
de in artikel 198 van datzelfde Verdrag bedoelde associatie met de Unie geldt. Het
gaat om zo’n 25 niet-onafhankelijke landen en gebieden die bijzondere betrekkingen
onderhouden met Europese lidstaten, waaronder Groenland (namelijk met Denemarken),
Pitcairn, Saint Helena en Ascension (met het Verenigd Koninkrijk) en de eilandengroep
Frans Polynesië (met Frankrijk). Ook de zes Caraïbische eilanden van het Koninkrijk der
Nederlanden behoren tot de LGO’s.
De associatie van de LGO’s met de EU berust op het Unierecht. De doelstellingen van de
associatie liggen op het terrein van ontwikkeling en handelsverkeer. Met het oog daarop
kunnen goederen van oorsprong uit de LGO’s in beginsel vrij van douanerechten worden
ingevoerd in de EU. Besluit 2013/755/EU van 25 november 2013 bevat de huidige
regeling van de associatie van de LGO’s met de EU (LGO-besluit).
Hoewel het gebruikelijk is te spreken over LGO’s als groep, gaat onder de verzamelnaam
een grote variëteit aan werkelijkheden schuil. Hun economische status verschilt en
vanwege het belang van toerisme als inkomstenbron en de geografische ligging is de
invloed van de Amerikaanse dollar soms groot. Voor weer andere LGO’s is juist de Nieuw-
Zeelandse dollar, de Deense kroon of de CFP-franc de belangrijkste munteenheid.
Er zijn ook overeenkomsten: het zijn gebieden met een kleine, soms zeer kleine
bevolking en ze kennen een buitengewone ecologische rijkdom vergeleken met
continentaal Europa. Ze zijn relatief kwetsbaar voor externe schokken en hebben over
het algemeen een smalle economische basis die met name om dienstverlening draait.
51 Alhaji Muhammad Mumuni, The ACP-EU Partnership in a Changing Global Order, presentation to the AIV in
    The Hague, the Netherlands, 26 September 2014, p. 7. De operationele kosten van het Technical Centre
    for Agricultural and Rural Cooperation te Wageningen bedragen ongeveer € 17 miljoen per jaar (CTA,
    jaarrapport 2013).
                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>Doorgaans wordt de Europese milieuwetgeving niet toegepast omdat dat te moeilijk
en te kostbaar zou zijn, hetgeen uit het oogpunt van de rechten van de plaatselijke
bevolking een bedenkelijk argument is. LGO’s zijn sterk afhankelijk van ingevoerde
goederen en energie. Over het algemeen voeren de LGO’s slechts in beperkte mate
goederen uit naar de EU of naar andere delen van de regio waarin zij liggen.
De LGO’s zijn grondwettelijk verbonden met een Europese lidstaat, maar maken zelf
geen deel uit van de EU.52 Hun status verschilt dus van die van zogeheten ultraperifere
gebieden (UPG’s), vermeld in artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van
de EU. UPG’s zijn niet alleen grondwettelijk verbonden met een lidstaat, ze vormen ook
– buiten het Europese continent gelegen – een integraal deel van de EU. In beginsel
zijn UPG’s gebonden door het volledige acquis van de Unie. Volgens artikel 349 van het
Verdrag aangaande de werking van de EU kunnen echter ten behoeve van de ontwikkeling
van UPG’s specifieke maatregelen, waaronder directe steunverlening, worden vastgesteld.
De reden daarvoor is gelegen in zoals wordt gesteld hun ‘structurele economische en
sociale situatie’ die wordt bemoeilijkt door het cumulatieve effect van hun ‘grote afstand,
insulaire karakter, kleine oppervlakte, topografie, klimaat en economische afhankelijkheid
van enkele producten’.
Uit het oogpunt van sociaaleconomische ontwikkeling is het onderscheid tussen ACS-
landen, LGO en UPG, hoezeer ook juridisch noodzakelijk gezien hun verschillende relatie
met de EU, zeer betrekkelijk. In het Caraïbische gebied zijn ze bijvoorbeeld alle drie
aanwezig, naast nog andere eilanden zonder band met de EU. Hun problematiek is in
allerlei opzicht vergelijkbaar. Naar het oordeel van de AIV zou in het ontwikkelingsbeleid
van de EU moeten worden gelet op de mogelijkheden om de economische relaties tussen
deze staten, landen en gebieden te bevorderen.
De bevolking van LGO’s heeft in het algemeen de nationaliteit van het moederland en
geniet dus de rechten verbonden aan het burgerschap van de EU. Dit geldt ook voor
Nederlandse staatsburgers in de Caraïbische delen van het Koninkrijk der Nederlanden.
Drie van de eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) zijn na de staatkundige
hervormingen in 2010 deel uit gaan maken van het Nederlandse staatsverband, maar
tot nog toe LGO gebleven. Een gevolg hiervan is dat zonder objectieve noodzaak allerlei
afzonderlijke regelingen in stand moeten worden gehouden, in afwijking van de in het EU-
recht ingekaderde Nederlandse wetgeving.
Op het gebied van strafrechtelijke samenwerking zijn deze Caraïbische delen van
Nederland voor de andere EU-landen buitenland, met als gevolg dat bijvoorbeeld het
Europese aanhoudingbevel niet van toepassing is en uitleveringsverdragen nodig zijn. De
Raad van State heeft in zijn advies van 17 maart 2014 – volgens de AIV terecht – naar
voren gebracht dat de sinds 10 oktober 2010 geldende status van Bonaire, Sint Eustatius
en Saba als die van een openbaar lichaam binnen het Nederlandse staatsverband
aanleiding zou moeten zijn om onder andere hun relatie met de EU te heroverwegen.53
52 Het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de EU bepaalt dat het doel van de associatie
    van LGO’s is het bevorderen van hun economische en sociale ontwikkelingen en het tot stand brengen van
    nauwe economische relaties tussen hen en de EU als geheel. Het Vierde Deel bestaat vooral uit bepalingen
    voor de regeling van handel alsmede in- en uitvoerrechten. Ter ondersteuning van de ontwikkeling van LGO’s
    stelt de EU een bedrag beschikbaar. Voor de periode 2014-2020 gaat het om € 365 miljoen.
53 Raad van State, Advies W02.14.0004/II/K, 17 maart 2014.
                                                       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>Op grond van artikel 355, zesde lid, van het Verdrag over de Werking van de EU kan de
Europese Raad, op voorstel van de desbetreffende lidstaat, in unanimiteit, gehoord de
Commissie, besluiten de status van de relatie van een LGO met de EU te wijzigen in
die van een UPG. Met ingang van 2014 is daaraan voor Mayotte toepassing gegeven.
Ook de omgekeerde statuswijziging is mogelijk. Dit is in 2007 geschied ten aanzien van
Saint-Barthélémy.
                                           31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>V         Samenvatting, conclusies en aanbevelingen
V.1       Samenvatting
Het aflopen van het Verdrag van Cotonou in 2020 biedt voor alle partijen een natuurlijk
moment om kritisch na te gaan of er nog behoefte is aan een specifieke vervolgregeling
voor ACS–EU-samenwerking en, zo ja, welke vorm en inhoud deze zou moeten krijgen.
Hoewel formele onderhandelingen over zo’n vervolgregeling pas op 1 oktober 2018
geopend hoeven te worden en dit advies dus vroeg in het proces uitkomt, is er voor
beide partijen alle reden om alvast een grondige en strategische analyse te maken van
de resultaten die de onderlinge samenwerking onder het verdrag van Cotonou heeft
opgeleverd, en van de doelen en belangen die deze samenwerking in de toekomst
mogelijk zou kunnen dienen.
De ACS-landen zijn al geruime tijd bezig met een proces van zelfreflectie. Afgaande op
gesprekken met deskundigen lijkt het de AIV niet onredelijk om te verwachten dat de
ACS-groep als collectief en als organisatie zal willen voortbestaan en geïnteresseerd
zal zijn in voorzetting van een partnerschap met de EU. De analyse zoals gepresenteerd
in dit rapport biedt ook een aantal andere argumenten ter ondersteuning van zo’n
voortzetting en voor het verder uitbouwen van het partnerschap in nieuwe richtingen.
Positioneerde het oorspronkelijke Georgetown Agreement de ACS vooral in haar
exclusieve relatie met de EU, uit informatie over het heroriënteringsproces van de ACS
blijkt dat de relatie met de EU door velen niet langer wordt gezien als een exclusief – of zelfs
maar noodzakelijk – element voor het eigen bestaansrecht van de ACS-groep. Aandacht
voor de verdere ontwikkeling van Zuid-Zuid samenwerking komt op als een argument
om de voordelen van het tricontinentale karakter van de ACS uit te diepen en om de
ACS-groep verder te ontwikkelen als een instrument om onderlinge handel en economie
te bevorderen. Dit is een interessante gedachte die de groep zou uitbouwen van
een op export gerichte partner van de EU naar een op eigen samenwerking gerichte
organisatie. De relatief gunstige positie van de ACS om contacten te onderhouden met
andere spelers, zoals de BRICS-landen, wordt ook als een aanknopingspunt gezien voor
het vinden van wegen naar een minder eenzijdige, exclusieve en afhankelijke relatie
met de EU, aansluitend bij de inmiddels sterk uitgebreide invloed van niet-Europese
mogendheden in de ACS-regio.
Mocht de ACS, als groep, geen reden zien voor een vervolg op het Verdrag van Cotonou
dan zou er voor de EU weinig aanleiding bestaan om nog op een collectief vervolg-
partnerschap met de ACS-groep in te zetten. In dat geval zou Nederland er goed aan doen
te streven naar het onderbrengen van de ACS-landen die daar behoefte aan hebben – c.q.
daarvoor in aanmerking komen – in andere relevante en definitieve EU-instrumenten voor
ontwikkelingssamenwerking en handel (DCI, EPAs, EBA). Volgens de AIV zou Nederland
daarbij moeten aandringen op een goede overgangsregeling waar die gepast zou zijn,
vooral voor de steun aan de minst ontwikkelde ACS-landen en om te verzekeren dat de
aan de EPA-overeenkomsten gerelateerde ondersteuningsmaatregelen op het terrein
van handel, die momenteel in het Verdrag van Cotonou zijn vastgelegd, na 2020 op een
andere wijze zullen worden gegarandeerd.
De EU moet zich zelf ook intern beraden en het is noodzakelijk om daar een duidelijk
tijdpad voor uit te zetten. De positie van de EU in ACS-landen is minder vanzelfsprekend
                                               32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>dan voorheen het geval was. In verschillende EU-gelederen leeft een veronderstelling
dat de relatie met de ACS niet langer van strategisch belang zou zijn voor de EU. Een
zeker cynisme en mogelijke teleurstelling over onbenutte kansen en/of gebrek aan
resultaat lijken in sommige EU-lidstaten zelfs een grote mate van onverschilligheid op
te roepen over toekomstige samenwerking met de ACS-landen. Sommige EU-lidstaten
vinden samenwerking met de landen die Europa omringen van veel groter strategisch
belang dan samenwerking met de ACS en plaatsen vanuit die optiek vraagtekens bij de
exclusieve aard van de speciale relaties tussen de EU en de ACS.
Dit alles vraagt om een duidelijke (her-)definiëring van het Europese eigenbelang
in deze zaak. Een essentieel aspect dat zich in dit kader aandient is of de relatie
met de ACS de EU al dan niet versterkt in haar externe positionering in de wereld.
Een tweede relevante vraag is of de ACS–EU-samenwerking in haar huidige vorm de
ontwikkelingsdoelstellingen van de ACS en de EU optimaal dient.
Op papier liggen de meeste scenario’s voor de toekomst van de ACS–EU-betrekkingen
nog open: doorgaan op dezelfde voet, niet doorgaan met een speciale regeling voor ACS-
landen of doorgaan in gewijzigde vorm. Het beeld dat uit de verschillende gesprekken
ontstond is dat velen voorshands impliciet uitgaan van voortzetting van een vorm van
samenwerking. Daarbij spelen de lange duur en verworvenheden van deze samenwerking
een grote rol, inclusief het politieke krediet dat de EU hierdoor heeft opgebouwd bij ACS-
landen en ook andersom.
De resultaten van het Verdrag tot nu toe geven het volgende beeld:
• Algemeen: In bredere zin zijn de jarenlange ervaringen met de logica en praktijk van
    ACS–EU-samenwerking een rijke bron waaruit geput kan worden bij het vormgeven
    van samenwerking met andere ontwikkelingslanden. Zeker op de terreinen
    ontwikkelingshulp en politieke dialoog heeft dat ook al enigszins zijn beslag gekregen
    en heeft de Lomé/Cotonou-praktijk als voorbeeld en/of illustratiemateriaal gediend
    voor samenwerking met andere ontwikkelingslanden.
• Politieke dialoog: Structurele en incidentele politieke dialoog is een belangrijk
    fundament voor de ACS–EU-samenwerking. Door de jaren heen is er een belangrijke
    experimentele praktijk opgebouwd. Het gaat vaak om complexe en langzame
    processen die meestal in vertrouwelijkheid plaatsvinden. Dit maakt het lastig om
    de effectiviteit en resultaten ervan in kaart te brengen. Zeker is dat de collectieve
    dimensies van politieke dialoog, dat wil zeggen dialoog op collectief ACS en EU-
    niveau, tot nu toe minder goed uit de verf is gekomen.
    Als partijen in de de toekomst intensiever werk willen gaan maken van politieke
    samenwerking – bilateraal tussen de regio’s en in verband met hun positionering in
    multilaterale fora – dan zal een eventueel vervolg op het Verdrag van Cotonou ruimte
    moeten bieden aan een gewijzigde opzet en structurering zodat ook dialoog op hoger
    niveau tussen de ACS en de EU als collectief een duidelijke plaats krijgt.
    Binnen de EU lijkt de wens te bestaan om de samenwerking met de ACS-landen
    meer richting VN-dossiers en WTO te krijgen. Belangrijke vragen daarbij zijn of en
    hoe collectieve politieke dialoog beter kan worden vormgegeven en wat ervoor nodig
    is om dit verder te realiseren. Dit zou nader onderzocht moeten worden. Gezien de
    andere samenwerkingsverbanden die al in multilateraal kader actief zijn, zoals de
    G77, is duidelijk dat intensivering van collectieve politieke dialoog alleen kans van
                                               33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>  slagen heeft als zowel de ACS als de EU zich aan nieuwe doelstellingen op dit terrein
  committeren en zich daar vervolgens concreet voor gaan inspannen.
• Ontwikkelingssamenwerking: Opmerkelijk is de blijvende steun onder de Europese
  burgers voor ontwikkeling en armoedebestrijding. Vanuit die optiek kan gesteld
  worden dat de EU een belangrijke en betrouwbare partner zou moeten blijven voor de
  ACS-landen, inclusief niet-‘donor darlings’ die hulp nodig hebben maar het niet altijd
  van andere donoren krijgen.
  Volgens de beschikbare vergelijkende evaluaties heeft het Verdrag van Cotonou,
  cq. het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het goed gedaan en vervulde het soms
  een voortrekkersfunctie. In de loop der jaren zijn zowel inhoudelijk (armoedefocus)
  als procedureel (programmering) de ontwikkelingssteun aan ACS-landen en niet-
  ACS-landen (respectievelijk via het EOF en het DCI) in de praktijk naar elkaar toe
  gegroeid. Een discussie die al langere tijd speelt is of het EOF niet geïntegreerd zou
  moeten worden in het DCI en daarmee dan voortaan gefinancierd zou worden via de
  algemene EU-begroting in plaats van een separaat fonds. Met zo’n gewijzigde opzet
  zou een einde komen aan de groepsbenadering van de ACS-landen en het beginsel
  van wederkerigheid worden losgelaten, wat het eigenaarschap aan de kant van de
  ACS-landen zal verzwakken. De AIV stelt dat alternatieve voorstellen voor het EOF
  stevig moeten worden onderbouwd door openbare, en bij voorkeur onafhankelijke,
  sterkte-zwakte analyses. Hoewel de AIV zich bewust is van het feit dat Nederland zich
  tot nu toe op het standpunt heeft gesteld dat budgettering van het EOF wenselijk is
  geven bovenstaande overwegingen aan dat dit complexe materie is.
  Ontwikkelingssamenwerking onder het Verdrag van Cotonou kent een grote
  betrouwbaarheid en voorspelbaarheid, wordt gekenmerkt door wederkerigheid
  en wederzijdse verantwoordelijkheid bij de opstelling, uitvoering en controle van
  de programma’s, complementariteit met programma’s van andere donoren en
  eigenaarschap door de overheden. Beleidscoherentie voor ontwikkeling wordt
  bevorderd door brede inbedding in enerzijds politieke dialoog en anderzijds
  economische samenwerking en handel. De ACS–EU-samenwerking toont
  zich als een modern instrument dat goed past bij het hedendaagse denken
  over een geïntegreerde ontwikkelingsbenadering die gekenmerkt wordt door
  beleidsconsistentie en coherentie. De samenwerking leent zich ook goed voor
  inbedding in de uitvoering van een toekomstige internationale agenda voor mondiale
  publieke goederen omdat verwacht mag worden dat deze agenda juist sterk de
  integratie tussen verschillende beleidsterreinen zal benadrukken, waaronder
  klimaatverandering en milieubeleid, gendergelijkheid, mensenrechten en goed
  bestuur, economische en financiële ontwikkeling, migratie en vrede en veiligheid.
• Economische samenwerking en handel: Hier ligt nog een groot probleem ten
  aanzien van coherentie. Handelsbeleid wordt vanuit de EU nog te vaak gebaseerd
  op alleen handelslogica in plaats van op een gecombineerd handels- en breder
  ontwikkelingsperspectief. Dit was één van de belangrijkste oorzaken voor de
  problemen die zich hebben voorgedaan in het proces om tot ACS–EU Economic
  Partnership Agreements (EPAs) te komen. Daarbij komt dat ACS-landen – al dan
  niet als gevolg van een bewuste keuze – pas relatief laat betrokken raakten bij het
  EPA-onderhandelingsproces. De ontwikkeling van het thans bestaande, grotendeels
  voorlopige, stelsel van EPAs is letterlijk en figuurlijk een tour de force geweest die tot
  resultaten heeft geleid die lang niet alom positief worden gewaardeerd en de eerste
  aanwijzingen over de nieuwe handelsbalans tussen EU en ACS-landen baren zorgen.
                                             34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>   Naast de aangehaalde coherentie tussen ontwikkelings- en handelsdoelstellingen
   en -maatregelen zou het goed zijn om in de toekomst op het gebied van EPAs meer
   te opereren vanuit een erkende reciprociteit in wederzijdse belangen. Verder is het
   van belang om een duidelijker samenwerkingsarrangement te creëren voor kwesties
   van gezamenlijk belang zoals mondiale en regionale publieke goederen, regionale
   ontwikkeling en nationaal industriebeleid. Alleen op die wijze kan economisch
   en handelsbeleid daadwerkelijk helpen een enabling environment voor duurzame
   ontwikkeling, conform de nieuwe post-2015 agenda, tot stand te laten komen.
   Hoe de ACS–EU-samenwerking er na 2020 ook uit zal gaan zien, delen van de oude
   handelsagenda zullen ondanks het bestaan van EPAs nog om aandacht blijven
   vragen. Voorbeelden zijn de financiële ondersteuning die in het kader van het
   Verdrag van Cotonou is toegezegd in het kader van de EPAs, verwezenlijking van
   compensaties voor gederfde opbrengsten van in- en uitvoerrechten, verbrede toegang
   tot de EU-markt en niet-tarifaire handelsbarrières.
• Governance structuur, samenstelling en werkwijzen instituties: De samenstelling van
   de ACS-groep onderscheidt zich door haar tricontinentale karakter en grote diversiteit
   in ontwikkelingsniveaus van de betrokken landen. Interessant is dat de ACS-groep
   uit een relatief groot aantal minst ontwikkelde landen, kleine eilandstaten en ‘land-
   locked’ landen bestaat. Het Verdrag van Cotonou bevat artikelen waarin specifiek
   aandacht wordt gegeven aan ACS-landen die behoren tot deze categorieën. Op
   zichzelf kunnen die landen of groepen meestal geen vuist maken in internationale
   fora, maar in het grotere verband van de ACS-groep krijgen zij toch een stem. Daarbij
   is het wel van belang dat deze landen zoveel mogelijk zijn ingebed in hun regionale
   realiteit. Dit laatste punt staat grotendeels in de weg aan het uitbreiden van de ACS-
   groep met de minst ontwikkelde landen die nu nog geen lid zijn van de groep.54
   Enkele instituties van de ACS en de EU zijn aan vernieuwing toe. Voor wat betreft
   de ACS-instituties kijkt de AIV uit naar het rapport van de Eminent Persons Group
   van de ACS en de besluiten die de ACS-groep naar aanleiding van dat rapport zal
   gaan nemen. Een belangrijk aspect betreft de financiering van de ACS-instituties en
   secretariaatskosten. Tot nu toe neemt de EU een aanzienlijk deel van de kosten voor
   haar rekening, feitelijk ongeveer de helft. Volgens de AIV zou het de onafhankelijkheid
   van de ACS-groep bevorderen als de ACS-landen zelf alle kosten van het secretariaat
   dragen.
   De EU zou dienen na te gaan hoe zij de coherentie tussen EU-beleid en relevant
   beleid van individuele lidstaten (nog) beter op elkaar kan afstemmen en zo de
   effectiviteit van alle inspanningen kan verhogen. Bovendien is betere uitwisseling van
   informatie en afstemming tussen Commissiefunctionarissen die verantwoordelijk zijn
   voor ontwikkelingshulp, handel en diplomatieke en politieke betrekkingen, nodig.
   Ook het functioneren van de gezamenlijke ACS–EU-organen dient kritisch geëvalueerd
   te worden. Het is wellicht niet nodig om de ACS–EU-Raad van Ministers bij al zijn
54 Voor de niet-ACS minst ontwikkelde landen Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, Cambodja, Laos, Myanmar,
   Nepal en Jemen, alle gelegen in Azië of het Midden-Oosten, is die regionale inbedding en eventuele andere
   overeenstemming met leden van de ACS-groep immers afwezig. Zuid-Soedan heeft wat dat betreft een
   andere positie en is momenteel het enige niet-ACS minst ontwikkelde land waarvoor toetreding tot de ACS-
   groep logsich zou kunnen zijn. Politieke problemen zouden hier wel nog een tijd in de weg kunnen staan.
                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>  reguliere bijeenkomsten te laten bestaan uit vertegenwoordigers van zowel alle EU-
  als ACS-landen. Veranderingen langs deze lijn zouden ook gevolgen hebben voor de
  samenstelling en taakstelling van het Comité van Ambassadeurs wiens mandaat
  grondig zou moeten worden herzien en beter zou moeten gaan aansluiten bij de
  nieuwe ambities van een stevigere inhoudelijke internationale samenwerking tussen
  de ACS en de EU. Hoewel het functioneren van het gezamenlijke parlementaire
  orgaan, de JPA, door sommigen relatief positief beoordeeld wordt, zeker meer recent,
  komt ook daar de vraag op of een modernere aanpak niet mogelijk zou zijn en beter
  zou kunnen werken dan de relatief grote en daarmee ook logge en kostbare JPA.
  Het expertise centrum CTA (Technical Centre for Agricultural and Rural Cooperation),
  gevestigd te Wageningen, wordt door velen positief gewaardeerd.
   Kortom, een kritische analyse van het functioneren van alle instituties die een
  rol spelen in de ACS–EU-samenwerking, en creatief denken over eventuele
  dynamischere en potentieel effectievere alternatieven, is op zijn plaats. Voor al die
  instituties geldt dat zij nog veel beter en uitgebreider zouden kunnen samenwerken
  met maatschappelijk organisaties. Dit is immers een belangrijke manier om de
  effectiviteit van die samenwerking te vergroten.
De volgende externe factoren en ontwikkelingen zijn ook van invloed op toekomstige
ACS–EU-betrekkingen:
• In de 21ste eeuw zien we een multipolaire internationale samenleving waarin de
  economische en politieke opkomst van Azië en van een aantal andere machten
  elders in de wereld (zoals Brazilië, Zuid Afrika en Rusland) hun effecten hebben op de
  positie van de EU en haar lidstaten. Deze nieuwe spelers manifesteren zich duidelijk
  in mondiale fora zoals de VN maar ook als economische partners voor de ACS en
  andere ontwikkelingslanden. Hierdoor is de EU niet noodzakelijkerwijs meer de
  belangrijkste – en zeker niet nagenoeg exclusieve – samenwerkingspartner voor de
  ACS-landen die het in het verleden geweest is.
• Ten aanzien van de mondiale ontwikkelingsagenda is er sprake van een veranderende
  context. Evaluaties van de opbrengsten van de inspanningen rondom de MDGs en
  het opstellen van nieuwe doelen voor de periode 2015-2030 zullen in de loop van het
  jaar 2015 leiden tot het aannemen van een nieuwe set van Sustainable Development
  Goals (SDGs). Deze vragen om hernieuwde aandacht voor het uitbannen van armoede,
  het verduurzamen van consumptie- en productiepatronen en de noodzaak om het
  mondiale partnerschap voor duurzame ontwikkeling, inclusief financiering voor
  ontwikkelingsactiviteiten, nieuw leven in te blazen. Klimaatverandering, gender en de
  positie van de minst-ontwikkelde landen worden ook prominent aangeduid. Nieuwer
  is de aandacht voor ongelijkheid tussen en binnen landen, voor het tegengaan van
  geweld en voor de positie van kinderen en jongeren.
• Het ligt voor de hand dat zowel de EU als de ACS zich zullen scharen achter de
  nieuwe SDG-agenda. De ACS en de EU hebben zich in een gemeenschappelijke
  verklaring uitgesproken over het belang en de inhoud van de SDG-agenda, zoals
  zij dat eerder deden met betrekking tot de duurzaamheidsagenda van Rio+20.
  In recente interne beschouwingen over de toekomst wordt vanuit de ACS het
  gezamenlijk door de ACS en de EU onder ogen zien van de mondiale vraagstukken en
  het vergroenen van economische groei expliciet als belangrijke taken gezien. Meestal
  betreft het aandachtsvelden waarbij niet alleen de EU-economie wordt aangesproken,
  maar ook activiteiten in partnerlanden in het Zuiden.
                                             36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>V.2      Conclusies en aanbevelingen
Het belang van de toekomstige betrekkingen ACS–EU
Gedurende de maar liefst 40 jaar van structurele internationale samenwerking tussen
de ACS en de EU die sinds de eerste Conventie van Lomé van 1975 heeft vorm
gekregen, hebben partijen betrouwbare relaties opgebouwd. In dat kader werd over
vele belangrijke (en ook gevoelige) onderwerpen inhoudelijke overeenstemming bereikt.
Geprofileerde en gemoderniseerde voortgezette samenwerking met de ACS biedt de
EU naast de van oudsher al als belangrijk geziene mogelijkheden voor toegang tot
natuurlijke hulpbronnen, een goede kans op geprivilegieerde economische en politieke
samenwerking met bijna tachtig ontwikkelingslanden. Als die samenwerking, die in het
verleden wellicht teveel is blijven steken in een pure ontwikkelingssamenwerkingsrelatie,
strategischer zou gaan inzetten op het nastreven van gezamenlijke politieke doelen in
de VN, dan zou dit de positie van de ACS en van de EU op het wereldtoneel kunnen
versterken. Het is dus zeker in zowel het korte als lange termijnbelang van Europa om
de historische en strategische belangen van partnerschap met de ACS-landen op waarde
te schatten.
Bovenstaand idee lijkt het beste te verwezenlijken door samenwerking met de ACS-
landen als collectief. Dat neemt niet weg dat regionalisering een onomkeerbaar
fenomeen vormt. Hierbij behoren het belang van groeiende regionale organisaties zoals
de Afrikaanse Unie (AU). Die organisatie brengt niet alleen de Afrikaanse ACS-landen
ten zuiden van de Sahara samen, maar omvat tevens de Afrikaanse landen in het
noordelijke deel van het continent. De EU moet de comparatieve mogelijkheden van
de AU en de ACS-groep zo goed mogelijk benutten, simultaan en vanuit een open en
pluralistische benadering.
Op mondiaal niveau dient besluitvorming responsiever, inclusiever, participatiever en
representatiever te worden én is het zaak de deelname van ontwikkelingslanden in global
governance te versterken. Dit laatste punt is bij uitstek iets waar ACS–EU-samenwerking
een bijdrage aan zou kunnen leveren, bijvoorbeeld als men erin slaagt het nastreven van
gezamenlijke politieke doelen in de VN concreet en constructief gestalte te geven.
De AIV oordeelt dat het in de geest is van het huidige Verdrag om eventuele voortzetting
van de ACS–EU-samenwerking expliciet te koppelen aan de SDG-agenda, inclusief het
benoemen van het gemeenschappelijk belang in mondiaal beheer van publieke goederen
en het verder vormgeven van een politieke dialoog over elementen uit die agenda.
Er liggen relatief nieuwe mogelijkheden in de sfeer van natuurlijke hulpbronnen voor
een verduurzamende economie (o.a. hernieuwbare energie uit land en zee, water en
industriebeleid). Op dit terrein ligt potentieel voor meer uitwisseling van informatie over
en eventueel zelfs afstemming van posities en gezamenlijk optreden in de toekomst.
Met hun numerieke meerderheid in bepaalde internationale fora zouden de EU en de
ACS-landen zo agendering en besluiten op mondiaal niveau wellicht sterker kunnen
beïnvloeden.
Vorm van de ACS–EU-samenwerking
Een van de belangrijke kenmerken van ACS–EU-samenwerking tot nu toe is dat die
heeft plaatsgevonden op basis van verdragen. Het gegeven dat de inhoudelijke
prioriteiten, instituties en procedures vastgelegd zijn in een voor langere tijd gezamenlijk
afgesproken juridisch bindend document heeft het niveau van eigenaarschap, de
voorspelbaarheid, de betrouwbaarheid en het gezag van de samenwerking goed gedaan.
Hierop terugkomen zou door de ACS-groep en anderen wellicht uitgelegd worden
                                               37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>als ‘downgrading’ van de samenwerking en gezien worden als een negatief signaal.
Bovendien is één van de grote verdiensten van ACS–EU-samenwerking uit het verleden
nu juist de wederkerigheid en gezamenlijk overeengekomen uitgangspunten in plaats van
unilateraal door de EU opgestelde bepalingen. Moderne ontwikkelingshulp kan immers
geen afgeleide van een afhankelijke relatie zijn. Dit vereist aan de kant van de EU ook
dat zij meer werk maakt dan in het verleden gebeurd is van het informeren van, en
overleggen met, de ACS-landen over voor hen belangrijke beleidsontwikkelingen binnen
de EU.
Zo bezien is er eigenlijk geen plaats (meer) in ACS–EU-betrekkingen voor unilateraal
bepaalde relaties. De verdragsvorm van de samenwerking tussen de ACS en de EU biedt
een structuur om samenwerking tussen twee mondige en actieve partners te verzekeren,
op een manier waar een politieke strategie, beleidsmatige overeenkomst of een wijziging
van het Verdrag van Lissabon, niet in zou kunnen voorzien.
De nadelen van een verdragsconstructie zijn onder andere dat die relatief star is doordat
zowel de inhoud als de uitvoeringsprocedures niet aangepast kunnen worden aan nieuwe
prioriteiten zonder formele verdragswijzigingen. Daar komt bij dat de ratificatieprocedure
steeds stroever verloopt en sommige landen er lang over doen om tot ratificatie over te
gaan. Dit probleem zou van tafel zijn als besloten zou worden om voor de toekomst de
samenwerking niet langer bij verdrag vast te leggen.
Alles overziend spreekt de AIV een duidelijke voorkeur uit voor een wederkerig juridisch
bindend document omdat naar de inschatting van de AIV de nadelen van deze basis
voor samenwerking niet opwegen tegen de genoemde voordelen. De AIV adviseert de
Nederlandse regering dan ook om hierop in te zetten in het onderhandelingsproces.
Hierbij dient aangetekend te worden dat er alle aanleiding bestaat om kritisch te
kijken naar welke onderdelen van het huidige Verdrag van Cotonou na 2020 echt nodig
blijven, wat eventueel toegevoegd dient te worden en hoe de samenwerking efficiënter
en effectiever zou kunnen worden. Een compacter, gestroomlijnder Verdrag dat zich
eenduidiger en selectiever richt op een aantal prioriteiten en sterker inzet op de
verwezenlijking daarvan, zou wenselijk zijn.
Bij de keuze voor de verdragsvorm dient rekening gehouden te worden met het feit dat
er een grote kans is dat in eventuele onderhandelingen over een vervolgverdrag enkele
lastige onderwerpen zullen opkomen die een flink negatieve invloed zouden kunnen
hebben op het onderhandelingsklimaat en de onderlinge relaties tussen de ACS en de
EU. Hierbij valt te denken aan: verwijzingen naar het Internationaal Strafhof, die met
name binnen de Afrikaanse Unie zeer gevoelig liggen; verwijzingen naar de rechten van
lesbiennes, homo’s, biseksuelen, transgenders en interseksuelen; en migratie, met
name waar het terugnameverplichtingen betreft. Een goed uitgedachte, participatieve
en kwalitatief goed uitgevoerde onderhandelings- en communicatiestrategie is voor
deze onderwerpen noodzakelijk. Anders zouden zij wellicht tot deal-breakers kunnen
verworden.
Zelfs als de ACS en EU samen ervoor zouden kiezen om op andere voet verder te gaan,
en details van hun samenwerking op een andere manier dan in een verdrag of een
ander juridisch bindend document vast te leggen, dan is het volgens de AIV van belang dat
er in ieder geval een bindend algemeen overkoepelend instrument blijft bestaan waarin
belangrijke gezamenlijke uitgangspunten – zoals de integrale benadering van ontwikkeling;
het belang van coherentie en van mensenrechten als essentiële elementen – bindend
vastgelegd worden.
                                             38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Voor een toekomstige ACS–EU-relatie is het dus wenselijk dat overkoepelende elementen,
zoals coherentie tussen economische samenwerking, handel, ontwikkelingshulp
en politieke dialoog, en fundamentele waarden op het gebied van mensenrechten,
de rechtsstaat en goed bestuur, en de ontwikkelingsdimensie van de EPAs, worden
overgenomen in een vervolgovereenkomst, die liefst een gelijkwaardige juridische garantie
zou moeten bieden als het Verdrag van Cotonou. Daarbij moet zo concreet mogelijk
worden aangegeven hoe de genoemde overkoepelende elementen gerealiseerd kunnen
worden. Voor mensenrechten is dat al in voldoende detail vastgelegd in het Verdrag van
Cotonou, voor coherentie nog niet.
Landen en Gebieden Overzee
Al vaker is voorgesteld om de status van LGO’s niet langer te scheiden van die van
ultraperifere gebieden (UPG’s). Daarmee zouden LGO’s onder Europees regionaal beleid
gebracht kunnen worden en zou steun aan hun ontwikkeling kunnen worden gefinancierd
uit de regionale structuurfondsen van de EU. Het LGO-besluit 2013 bevat enige
aanknopingspunten voor een geleidelijk reduceren van de verschillen.
De AIV adviseert steun te verlenen aan dit voorstel om niet langer onderscheid te maken
tussen LGO’s en UPG’s en hierop anticiperend de Caraïbische landen van het Koninkrijk
te ondersteunen wanneer aansluiting gewenst lijkt bij de voor UPG geldende regelingen,
dan wel de overgang naar deze status te maken.
Specifieke rol van Nederland
De AIV wijst erop dat Nederland, door middel van een constructief-kritische opstelling,
een verschil kan maken in de discussies over de toekomst van ACS–EU-betrekkingen na
2020. De reputatie van Nederland op het terrein van internationale samenwerking en
vooruitstrevende rol ten aanzien van coherentie tussen hulp, handel, economische en
politieke samenwerking, en de concretisering daarvan in de vorm van het samenbrengen
van handel en ontwikkelingshulp onder één minister, dragen daar allemaal toe bij. Ook
de brokering rol die Nederland in het moeilijke onderhandelingsdossier van de Economic
Partnership Agreements op zich genomen heeft en die door beide zijden positief
gewaardeerd is, biedt een basis om een constructieve rol te spelen in het traject naar
een post-Cotonou samenwerkingskader.
De positie van Nederland zou zelfs van strategische betekenis kunnen worden gezien
het feit dat Nederland in de eerste helft van 2016 Voorzitter van de Raad van de EU
zal zijn. Juist in die periode zullen de uitkomsten van de consultaties en mogelijk
ook de implicaties daarvan duidelijk worden. De rol van Nederland als voorzitter, de
inzet van minister Ploumen op het terrein van ACS–EU-handel en het mandaat van
Commissaris Mimica zouden daarbij synergie kunnen geven. De AIV ziet het Nederlands
voorzitterschap als een belangrijke kans om specifieke prioriteiten uit het Nederlandse
beleid voor EU-ontwikkelingssamenwerking, zoals coherentie, te agenderen in de
onderhandelingen.
Kenmerkend voor het Verdrag van Cotonou tot nu toe is immers dat het de relatie
tussen economische samenwerking, handel, ontwikkelingshulp en politieke dialoog
inhoudelijk goed regelt. Coherentie is ook opgenomen in het Verdrag van Lissabon
(artikel 208), in relatie tot beleidsterreinen die van invloed zijn op ontwikkelingslanden,
zoals landbouw, visserij, energiebeleid en klimaatverandering. De gedachte is dat men
niet met de ene hand wegneemt wat men met de andere hand geeft. De integrale
benadering van de ontwikkelingsproblematiek die het Verdrag van Cotonou voorstaat,
biedt een goed kader om verder uitvoering te geven aan beleidscoherentie.
                                               39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>Binnen de EU wordt naar Nederland gekeken als een voortrekker op het gebied van
coherentiebeleid. De inzet op coherentie vormt inderdaad een centraal element in het
Nederlandse ontwikkelingsbeleid, zeker nu de portefeuilles van buitenlandse handel
en ontwikkelingssamenwerking aan één Minister zijn toevertrouwd. Nu de ACS–EU-
verhoudingen door de praktijk van de EPA-onderhandelingen enigszins verstoord zijn
geraakt, is des te belangrijker dat vanaf nu de EU-handelsopvattingen beter doordrenkt
worden met de meer geïntegreerde ontwikkelingslogica zoals die spreekt uit het Verdrag
van Cotonou en uit de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling.
Afsluitend kan worden gesteld dat sinds ondertekening van het Verdrag van Cotonou in
2000 de wereld sterk is veranderd. Voortzetting van de ACS-EU samenwerking is daarom
niet vanzelfsprekend. Een besluit hiertoe dient overwogen te worden in het licht van
nieuwe uitdagingen en een veranderende geopolitieke context. Uitgangspunt blijft dat de
EU een waardengemeenschap is die verworvenheden als mensenrechten, de rechtsstaat
en democratie hoog in het vaandel heeft staan. Het actief bevorderen van vrede en
veiligheid in de wereld vormt een hoeksteen van haar buitenlandse beleid. Daarentegen
ziet de EU zich door de nieuwe multipolaire verhoudingen geconfronteerd met een
teruglopende geopolitieke inbreng.
In de samenwerking met de ACS-groep heeft Europa lange tijd gemeend dat alleen de
ACS de vragende partij was. Dit is steeds minder het geval. Er is juist veel aan gelegen
om het belang van politieke samenwerking in brede zin hernieuwd af te wegen en daarbij
het belang van de verbondenheid van de EU met de ACS-groep serieus te nemen. De
samenwerking heeft een rijk verleden en er is een enorme kennis opgebouwd.
Het advies van de AIV luidt daarom om onverkort in te zetten op een vervolgverdrag
met de ACS-groep, met een grotere nadruk op politieke samenwerking. Samenwerking
met de ACS-landen is een potentieel belangrijk medium om geopolitieke doelen op het
vlak van duurzame ontwikkeling en vrede en veiligheid te behartigen. Nederland zou het
voortouw moeten nemen om de samenwerking van de EU met de ACS-landen verder
vorm te geven.
                                             40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>               Bijlage I
Adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>In het kader hiervan heeft het Kabinet de volgende vragen: Onze referentie

1)

2)

Moet er een follow-up komen op het Cotonou-verdrag? Zo ja, welke vorm —- MINBUZA-2014.100884
zou dit moeten krijgen (al dan niet juridisch bindend) en wat zou de inhoud

hiervan moeten zijn (welke onderwerpen)?

Heeft de ACS-relatie (als eenheid) nog bestaansrecht en zo ja, op basis

waarvan? Of zou het beter zijn met de regio's afzonderlijk (Afrika, de

Caraiben en de Stille Oceaan) afspraken te maken of juist te streven naar

een geïntegreerde aanpak onder de EU-begroting? Zo ja, hoe zouden deze

afspraken vorm gegeven moeten worden? Welke elementen van het

verdrag van Cotonou zouden behouden moeten blijven?

Hierbij kunnen de volgende subvragen aan de orde komen:

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

Hoe is de samenwerking van de EU met de ACS-landen te beoordelen
vanuit het perspectief van OS-handel, politieke samenwerking, veiligheid en
miaratie? Welke resultaten heeft het Verdrag van Cotonou opgeleverd en
hoe is de balans (positief/negatief) indien vergeleken met andere
samenwerkingsmodellen?

Worden in de samenwerking met de ACS-landen strategische
samenwerkingsdoeleinden van de EU behartigd, in bijvoorbeeld het kader
van duurzame ontwikkeling (sociaal, economisch, ecologisch),
hernieuwbare energie, grondstoffen, migratie, mensenrechten en
vredesopbouw en rechtstaat? Hoe effectief is deze samenwerking in
vergelijking met samenwerking met andere (deels overlappende) regionale
samenwerkingsverbanden (zoals de Afrikaanse Unie, SADC, Comesa,
ECOWAS e.a.)?

Wat is de invloed van de EU in de ACS en welke rol spelen nieuwe machten
zoals de BRICS (Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika) op het bepalen
van de agenda? Welke (potentiële) rol speelt de ACS in ‘global governance’?
In hoeverre is de governance structuur van het partnerschap van invloed op

de kwaliteit van de samenwerking?
Welke rol zou Nederland op zich moeten nemen bij de onderhandelingen

over een eventueel opvolgingsverdrag van Cotonou? In de EPA
onderhandelingen nam NL een ‘brokering role’ op zich, hoe is deze rol
geapprecieerd door de EU en de ACS?

Wat zijn de factoren inclusief tijdsmomenten op weg naar 2020 die het
besluitvormingsproces zouden kunnen versoepelen of bemoeilijken?

In hoeverre en op welke manier speelt het al dan niet afsluiten van de
EPA's een rol voor de toekomst van het verdrag van Cotonou?

Wat is de mening van de ACS-landen over de herziening en welke
mogelijkheden zien zij voor een verbeterde wederkerige relatie?

Wat zijn de consequenties van een eventuele verandering van de relaties
met de ACS-landen voor de Landen en Gebieden Overzee (LGO)? *

‘In het LGO besluit van 25 november 2013, 2013/755/EU, wordt gestreefd naar een
wederkerig partnerschap ter ondersteuning van de duurzame ontwikkeling van de LGO
(para. 5) en een directe relatie gelegd met het EOF (paras. 32/34 en arts. 75a, 77, 78,
85-87, 91, 96(4)).

Pagina 2 van 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>Het advies zou januari 2015 afgerond dienen te zijn met het oog op de opstelling

van een eventueel onderhandelingsmandaat van de EU.
Ik zi advies met veel belangstelling tegemoet.

van Buitenlandse Zaken

= Oi rep e=
Ster voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Onze referentie
MINBUZA-2014, 100884
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>                                                                                Bijlage II
Overzicht gebruikte afkortingen
ACS          Groep van 79 landen uit Afrika, de Caraïben en de Stille Oceaan
AIV          Adviesraad Internationale Vraagstukken
AU           African Union
BRICS        Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika
CARICOM      Caribbean Community
CARIFORUM    Forum of the Caribbean Group of African, Caribbean and Pacific States
CDE          Centre for the Development of Enterprise
COMESA       Common Market for Eastern and Southern Africa
CTA          Technical Centre for Agricultural and Rural Cooperation
DCI          Development Cooperation Instrument
DfID         Department for International Development
EAC          East African Community
ECOWAS       Economic Community of West African States
EDEO         Europese Dienst voor Extern Optreden
EEG          Europese Economische Gemeenschap
EIB          Europese Investeringsbank
EOF          Europees Ontwikkelingsfonds
EPA          Economic Partnership Agreement
EPG          Eminent Persons Group
ESA          Common Market for Eastern and Southern Africa
EU           Europese Unie
FAO          Food and Agriculture Organization of the United Nations
FLEGT        Forest Law Enforcement, Governance and Trade
GSP          Generalized Scheme of Preferences
IOB          Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
JPA          Joint Parliamentary Assembly
LDC          Least Developed Country
LGOs         Landen en Gebieden Overzee
MDGs         Millennium Development Goals
NAO          National Authorising Officer
NGO          Non-gouvernementele organisatie
ODA          Official Development Assistance
OESO         Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PICTA        Pacific Island Countries Trade Agreement
SADC         Southern African Development Community
SDGs         Sustainable Development Goals
SIDS         Small Island Developing States
Stabex       Système de Stabilisation des Recettes d’Exportation
Sysmin       System of Stabilization of Export Earnings from Mining Products
UPG          Ultraperifeer gebied
VN           Verenigde Naties
WTO          World Trade Organisation
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>                                                                               Bijlage III
Overzicht van geraadpleegde deskundigen
 Peter Craig-McQuaide          Hoofd afdeling Interinstitutionele Relaties, Head of Unit
                               of the DG for Development and Cooperation-EuropeAid
 Dr. Patrick I. Gomes          ambassadeur Guyana
 Mw. prof.dr. J. Gupta         Vicevoorzitter Commissie Ontwikkelingssamenwerking
 C.B. Hagenaars                Permanente Vertegenwoordiging Brussel
 Mw. drs. Daniëlle Hirsch      Directeur Both ENDS
 Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin Voorzitter Commissie Mensenrechten, AIV
 Dr. Burghard Ilge             Senior Programmamedewerker Both ENDS
 Dhr. Geert Laporte            Adjunct-directeur ECDPM
 Drs. Junior Lodge             ACS Directeur Externe Betrekkingen Programma Directeur,
                               ACS MTS programma
 Marc Maes                     Medewerker Europees Handelsbeleid, 11.11.11
 Dr. Obadiah Mailafia          ACS Chef du Cabinet
 Hon. Alhaji Muhammad Mumuni   ACS Secretaris-Generaal
 Mw. Andreia Oliveira          EU Advocacy Officer DSW (Deutsche Stiftung
                               Weltbevoelkerung)
 Drs. Anders Oljelund          Zweedse Ambassadeur, European Union Department
                               Section for Coordination of EU development Policy
 Dr. Fatumanava Pa’o Luteru    ACS ambassadeur Samoa
 Dr. Klaus Rudischhauser       Adjunct-directeur Policy and Thematic Coordination, Deputy
                               Director DG for Development and Cooperation-EuropeAid
 Prof.dr. N.J. Schrijver       Lid Eerste Kamer der Staten Generaal, Hoogleraar
                               Internationaal Publiekrecht, Universiteit van Leiden
 G.T. Schulting                Permanente Vertegenwoordiging Brussel
 Mw. Karine Sohet              Policy Officer, EU Development Policies, APRODEV
 Mw. Izabella Toth             Senior Corporate Strategist, CORDAID en CONCORD
                               raadslid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>                                                                                Bijlage IV
Lidstaten van de ACS-groep
 Country                   year entry Country                        year entry
 Angola                    1984       Malawi                         1975
 Antigua and Barbuda       1984       Mali                           1963
 Commonwealth of the       1975       Republic of Marshall Islands   2000
 Bahamas
 Barbados                  1975       Mauritania                     1963
 Belize                    1984       Mauritius                      1975
 Bénin                     1963       Federated States of Micronesia 2000
 Botswana                  1975       République de Mozambique       1984
 Burkina Faso              1963       Namibia                        1995
 Burundi                   1963       Republic of Nauru              2000
 Cameroun                  1963       Niger                          1963
 Cape Verde                1979       Nigeria                        1975
 République centrafricaine 1963       Republic of Palau              2000
 Chad                      1963       Papua New Guinea               1979
 Union des Comores         1979       Rwanda                         1963
 République du Congo       1963       St. Kitts and Nevis            1984
 (Brazzaville)
 République du Congo       1963       St. Lucia                      1979
 (Kinshasa)
 Cook Islands (Government  2000       St. Vincent and the Grenadines 1984
 of the)
  Côte d’Ivoire            1963       Samoa                          1975
  Cuba                      2000      Sao Tome and Principe          1979
  Djibouti                 1979       Senegal                        1963
 Dominican Republic        1984       Seychelles                     1979
 Dominica                  1979       Sierra Leone                   1975
 Eritrea                   1995       Solomon Islands                1979
 Ethiopia                  1975       Somalia                        1963
 Fiji                      1975       South Africa                   1995
 Gabon                     1963       Sudan                          1975
 Gambia Republic           1975       Suriname                       1979
 Ghana                     1975       Swaziland                      1975
 Grenada                   1975       Tanzania                       1969
 Guinea                    1975       Timor Leste                    2006
 Guinea-Bissau             1975       Togo                           1963
 Equatorial Guinea         1990       Tonga                          1975
 Guyana                    1975       Trinidad and Tobago            1975
 Haïti                     1990       Tuvalu                         1979
 Jamaica                   1975       Uganda                         1969
 Kenya                     1969       Vanuatu                        1984
 Kiribati                  1979       Western Samoa                  2000
 Lesotho                   1975       Zambia                         1975
 Liberia                   1975       Zimbabwe                       1984
 Madagascar                1963
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO-POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB-SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
   september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>79 DE ARABISCHE REGIO, EEN ONZEKERE TOEKOMST, mei 2012
80 ONGELIJKE WERELDEN: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking,
   september 2012
81 NEDERLAND EN HET EUROPEES PARLEMENT: investeren in nieuwe verhoudingen, november 2012
82 WISSELWERKING TUSSEN ACTOREN IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: naar flexibiliteit en vertrouwen,
   februari 2013
83 TUSSEN WOORD EN DAAD: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, maart 2013
84 NIEUWE WEGEN VOOR INTERNATIONALE MILIEUSAMENWERKING, maart 2013
85 CRIMINALITEIT, CORRUPTIE EN INSTABILITEIT: een verkennend advies, mei 2013
86 AZIË IN OPMARS: strategische betekenis en gevolgen, december 2013
87 DE RECHTSSTAAT: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking, januari 2014
88 NAAR EEN GEDRAGEN EUROPESE SAMENWERKING: werken aan vertrouwen, april 2014
89 NAAR BETERE MONDIALE FINANCIËLE VERBONDENHEID: het belang van een coherent internationaal
   economisch en financieel stelsel, juni 2014
90 DE TOEKOMST VAN DE ARCTISCHE REGIO: samenwerking of confrontatie?, september 2014
91 NEDERLAND EN DE ARABISCHE REGIO: principieel en pragmatisch, november 2014
92 HET INTERNET: een wereldwijde vrije ruimte met begrensde staatsmacht, november 2014
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
 1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
 2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
 3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
 4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
 5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
 6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
 7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
 8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?, september 2004
 9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
   rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
22 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2012: krijgsmacht in de knel, september 2012
23 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKTE SOCIALE DIMENSIE VAN DE EUROPESE UNIE, juni 2013
24 Briefadvies MET KRACHT VOORUIT: reactie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op de
    beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, september 2013
25 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: meer dan een definitiekwestie, mei 2014
26 DE EU-GASAFHANKELIJKHEID VAN RUSLAND: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan verminderen,
    juni 2014
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>