<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>   DAADKRACHT DOOR DE DUTCH DIAMOND
     ONDERNEMEN IN HET LICHT VAN DE NIEUWE
           DUURZAME ONTWIKKELINGSDOELEN
                    No. 99, januari 2016
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter		      Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Vicevoorzitter 		 Prof.dr. A. van Staden
Leden   		        Mw. prof.mr. C.P.M. Cleiren
			               Mw. prof.dr. J. Gupta
			               Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin			
			               Mw. dr. P.C. Plooij-van Gorsel
			               Mw. prof.dr. M.E.H. van Reisen
			               LGen b.d. M.L.M. Urlings
			               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris 		     Drs. T.D.J. Oostenbrink
			Postbus 20061
                  2500 EB Den Haag
                  telefoon 070 - 348 5108/6060
                  fax 070 - 348 6256
                  aiv@minbuza.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden gecombineerde Commissie Rol Bedrijfsleven
Voorzitter    Dr. B.S.M. Berendsen
Leden         Drs. F.A.J. Baneke
              Dhr. J. van Ham
              Mw. prof.dr.mr. N.M.C.P. Jägers
              Mw. mr. M.C.B. Visser
Expertlid     Prof.dr. R.J.M. van Tulder
Secretaris    Drs. P. de Keizer
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
I      Inleiding   6
II     Duurzaamheid en duurzame ontwikkeling    9
       II.1     Internationale agenda voor duurzame ontwikkeling    9
       II.2     Toegenomen complexiteit vraagt om nieuwe
		              vormen van samenwerking   12
       II.3     Corporate sustainability   13
       II.4     Belang van mensenrechten   15
       II.5     Conclusie: beleidscoherentie wint aan belang    16
III    Duurzame ontwikkeling in de praktijk    18
       III.1    Enkele grote bedrijven als koplopers    18
       III.2    Midden- en kleinbedrijf: volger of voorbeeld?    20
       III.3    Conclusie: bedrijven nog in staat van transitie    22
IV     Dilemma’s en uitdagingen   24
       IV.1     Verduurzaming van ketens: internationaal een uitdaging    24
       IV.2      Voor- en nadelen van rankings   25
       IV.3     Ontbreken van een internationaal gelijk speelveld    27
       IV.4     Mededingingsrecht: de uitdaging van een breed welvaartsbegrip    28
       IV.5     Belang van belastingafdracht over internationale
		              bedrijfsactiviteiten   31
       IV.6     Financiële sector: duurzame ontwikkeling bevorderen?     32
       IV.7     Mensenrechten: nog een wereld te winnen    34
       IV.8     Conclusie: ondanks hoopgevende ontwikkelingen
		              nog flinke uitdagingen   36
V      Ondersteuning door de Nederlandse overheid    37
       V.I      Vier rollen   37
       V.2      Doorgevoerde veranderingen in buitenlands beleid    38
       V.3      IMVO-convenanten in voorbereiding   40
       V.4      Opkomst van publiek-private partnerschappen    42
       V.5      Conclusie: naar diplomatie gericht op duurzame ontwikkeling   43
VI     Intensivering van ondersteuning door overheid    44
       VI.I     Sterker inzetten op samenspel met andere actoren in
		de Dutch Diamond   44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>         VI.2    Stimuleren van de financiële sector richting duurzame
		               ontwikkeling   46
         VI.3    Belang van durfkapitaal   47
         VI.4    Verdere stimulering mensenrechtelijke dimensie van
		               duurzame ontwikkeling   48
         VI.5    Opvolging publiek-private partnerschappen   50
         VI.6    Conclusie: rollen van de overheid verdienen aanscherping    51
VII      Conclusies en aanbevelingen   54
         VII.1   Conclusies   54
         VII.2   Aanbevelingen   56
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Overzicht gebruikte afkortingen
Bijlage III      Overzicht van geraadpleegde deskundigen
Bijlage IV       De internationale duurzame ontwikkelingsdoelen
Bijlage V        Uitgangspunten van corporate sustainability
Bijlage VI       Ervaringen met partnerschappen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 1 januari 2015 ontving de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)
het verzoek om advies uit te brengen over de manier waarop het bedrijfsleven
zijn bijdrage aan het bereiken van internationale duurzaamheidsdoelstellingen
zou kunnen optimaliseren. De regering stelt dat bedrijven aan betekenis en
invloed hebben gewonnen waardoor hun mogelijkheden om te sturen op
duurzaamheidsdoelstellingen navenant zijn toegenomen.
De AIV heeft gezien de context van de adviesaanvraag deze vraag geïnterpreteerd
als hoe de Nederlandse overheid bedrijven kan steunen om bij te dragen aan
de duurzame ontwikkelingsdoelen die in september 2015 door de internationale
gemeenschap werden vastgesteld. Het belang van dit onderscheid wordt later
uiteengezet.
De adviesaanvraag beperkt zich tot Nederlandse bedrijven die internationaal actief
zijn (invoer, uitvoer en investeringen). Speciale aandacht wordt gevraagd voor
publiek-private partnerschappen met de vraag of deze extra voordelen bieden voor
de ‘verduurzaming van de wereld’. Ook vraagt de regering zich af in hoeverre wet- en
regelgeving, zoals op het gebied van mededingingsrecht, een potentiële belemmering
vormt voor het streven naar duurzaamheid (in dit advies dus opgevat als duurzame
ontwikkeling).
Op 1 mei 2015 werd de beantwoording van de adviesaanvraag ter hand genomen
door een gecombineerde commissie van de AIV onder leiding van dr. B.S.M. Berendsen
(COS). Leden van de commissie waren drs. F.A.J. Baneke (COS), dhr. J. van Ham
(COS), mw. prof.dr.mr. N.M.C.P. Jägers (CMR), prof.dr. R.J.M. van Tulder (expertlid,
Erasmus Universiteit en Partnerships Resource Centre) en mw. mr. M.C.B. Visser (CEI).
Secretaris van de commissie was drs. P. de Keizer, bijgestaan door de stagiaires mw.
J. Schonewille en dhr. M. Lommers. Ondersteuning werd geboden door de ambtelijke
contactpersoon dr. H.F. Massink van het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Naast literatuuronderzoek heeft de commissie gesprekken gevoerd met deskundigen
en vertegenwoordigers van Nederlandse bedrijven, overheid, maatschappelijke
organisaties en kennisinstellingen, die nauw betrokken zijn bij de realisatie van
het beleid ten behoeve van duurzame groei en investeringen (zie bijlage III). De
commissie is hen erkentelijk voor de inzichten over de kansen en belemmeringen die
zich in de praktijk voordoen voor ondernemingen op het gebied van verduurzaming
van productiemethodes en in hun samenwerking met de overheid.
Het advies werd vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV op 29 januari 2016.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>I          Inleiding
In dezelfde week waarin de internationale gemeenschap in New York de nieuwe
agenda voor duurzame ontwikkeling vaststelde, Volkswagen onder vuur kwam te liggen
vanwege manipulatie van uitstoottesten, Unilever werd beticht van een ‘Bono-complex’
in verband met misstanden op theeplantages in India, kledinggigant H&M evenzo in
opspraak raakte door schending van mensenrechten en het niet naleven van vuur- en
bouwveiligheidsvoorschriften in Cambodja en Bangladesh en de firma’s DSM en Praxis
gezamenlijk een duurzame verfsoort op de markt brachten, bleef het dichter bij huis
stil rondom ogenschijnlijk minder belangrijk nieuws: op 29 september 2015 geeft een
woordvoerster van het ministerie van Infrastructuur en Milieu toe dat het ministerie al
jaren op de hoogte is van verschillen tussen dieseluitstoot op de weg en in het lab, op
basis van praktijktesten uitgevoerd door TNO.1
Wat laten deze berichten zien? Allereerst dat duurzame ontwikkeling grote belangstelling
geniet en ook dat het een brede reeks terreinen omvat, variërend van milieu en klimaat
tot welzijn en mensenrechten. De berichten tonen eveneens dat duurzame ontwikkeling
om afstemming vraagt in internationaal verband. Niet alleen overheden zijn aan zet. Er zijn
vele actoren bij de agenda betrokken en dus is nauwe samenwerking geboden. Bovendien
maken de berichten duidelijk dat het oplossen van duurzaamheidsvraagstukken niet alleen
aan zelfregulering door bedrijven en andere spelers kan worden overgelaten. Regelgeving
en effectief toezicht op naleving daarvan zijn onontbeerlijk. Deze observaties vormen de
aanknopingspunten voor het onderhavige advies.
Het is niet de eerste keer dat de AIV adviseert over de bijdrage van bedrijven aan
duurzame ontwikkeling. In 2006 pleitte de AIV voor pro-poor groeibeleid dat zou moeten
bestaan uit het verminderen van discriminatie en uitsluiting van armen, en maatregelen die
bewerkstelligen dat armen van ruimere mogelijkheden gebruik kunnen maken.2 En in een
advies over ongelijkheid en armoede vroeg de AIV in 2012 aandacht voor instrumenten die
bedrijven aanzetten tot verdergaan dan voldoen aan wet- en regelgeving en verkrijgen van
marktaandeel en winst op korte termijn. Gesteld werd dat ondernemingen in potentie een
belangrijke bijdrage leveren aan economische ontwikkeling, groei en herverdeling mits
1   Zie onder andere de volgende berichten die verschenen in de pers gedurende de laatste week van
    september 2015: <https://sustainabledevelopment.un.org/?page=view&nr=971&type=230&me
    nu=2059>; ‘Verbruik nieuwe auto’s veel hoger dan opgegeven’, NOS, 28 september 2015;
    <http://nos.nl/artikel/2060079-verbruik-nieuwe-auto-s-veel-hoger-dan-opgegeven.html>; ‘Unilever gaat
    gebukt onder Bono-complex’, Financieel Dagblad, september 2015; <http://fd.nl/ondernemen/1118426/
    het-bono-complex-van-unilever>; <http://business-humanrights.org/en/cambodia-hm-suppliers-linked-to-
    illegal-use-of-short-term-fixed-duration-contracts-hm-responds>; <http://www.ft.com/cms/s/0/7a3822e6-
    6804-11e5-a155-02b6f8af6a62.html#axzz3nncCehEW>; en <http://www.cleanclothes.org/news/press-
    releases/2015/10/01/h-m-fails-to-make-fire-and-building-safety-repairs-in-bangladesh>;
    Aldus Patrick Niels, President van DSM Resins & Functional Materials in een persbericht op 1 oktober
    2015: <https://www.dsm.com/content/dam/dsm/dsmnl/nl_NL/documents/DSM%20en%20Praxis%20
    introduceren%20plantaardige%20kwaliteitsverf_persbericht%2001-10-2015.pdf>; en:
    <http://www.volkskrant.nl/economie/ministerie-wist-al-jaren-van-geknoei-met-dieseluitstoot~a4151705/>.
2   AIV, ‘Private sector ontwikkeling en armoedebestrijding’, Den Haag, advies nummer 50, oktober 2006.
                                                           6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>zij zich houden aan normen, afspraken en richtlijnen met betrekking tot maatschappelijk
verantwoord ondernemen.3
De meerwaarde van bedrijven kwam ook aan bod in het AIV-advies over actoren in
internationale samenwerking uit 2013. Daarbij werd gewezen op inclusieve business-
modellen die bedrijven en maatschappelijke organisaties gezamenlijk kunnen ontwikkelen
om armen en andere buitengesloten groepen in de samenleving te bereiken. Ook werd de
opkomst van publiek-private partnerschappen genoemd. Die kregen in juni 2007 een flinke
impuls met het Schoklandakkoord.4
In datzelfde jaar (2013) bracht de AIV ook een advies uit over duurzaamheid in het kader
van internationale milieusamenwerking. Gesteld werd dat maatschappelijk verantwoord
ondernemen onder druk van de publieke opinie en aandeelhouders steeds meer
wordt aanvaard en dat de aandacht voor mensenrechten groeiende is, als gevolg van
de Voluntary Principles on Security and Human Rights en de UN Guiding Principles on
Business and Human Rights (de zogeheten ‘Ruggie Principles’). Het advies bepleitte een
herinrichting van onze samenleving op een duurzame grondslag met inachtneming van
sociale, economische en mensenrechtenoverwegingen.5
Gaandeweg wordt in de adviezen een omslag waarneembaar van een defensieve houding
en beperkte invulling van het begrip duurzaamheid naar erkenning van een duurzame
grondslag van de samenleving als enige manier om welvaart ook in de toekomst mogelijk
te maken. Duurzame ontwikkeling wordt steeds meer opgevat in termen van ecologische,
economische en sociale dimensies van groei en welzijn, inclusief de mogelijke uitruil
tussen deze componenten.6 Dat in die uitruil dilemma’s besloten liggen zal duidelijk zijn.
Bij het opstellen van het advies was de AIV zich bewust van de reikwijdte van het thema,
de veelheid aan publicaties over dit onderwerp en grote verscheidenheid aan initiatieven
door Nederlandse bedrijven. Dit noopte bij de uitwerking van het advies tot het maken van
een aantal keuzes.
Allereerst verdiende het deel van de bedrijven waarop het advies zich richt verdere
afbakening. De adviesaanvraag noemt ‘Nederlandse bedrijven die internationaal
actief zijn’. De AIV heeft besloten hiervoor de uiteenlopende groep ondernemingen te
nemen variërend van kleine en middelgrote bedrijven die in het buitenland opereren tot
multinationale ondernemingen die Nederland als uitvalsbasis hebben. Ook werd gekozen
voor een ketenbenadering omdat ondernemingen vaak in onderlinge samenhang en in een
internationale arbeidsdeling producten produceren en daarom het onderscheid tussen
nationale en internationale activiteiten minder belangrijk is – en overigens ook moeilijk te
maken valt.
3    AIV, ‘Ongelijke werelden: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking’,
     Den Haag, advies nummer 80, oktober 2012.
4    AIV, ‘Wisselwerking tussen actoren in internationale samenwerking: naar flexibiliteit en vertrouwen’,
     Den Haag, advies nummer 82, februari 2013, pp. 40-41.
5    AIV, ‘Nieuwe wegen voor internationale milieusamenwerking’, Den Haag, advies nummer 84, maart 2013.
6    Dr. H.F. Massink, ‘Blijvend thuis op aarde’, Delft, 2013.
                                                          7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Verdere toespitsing vond ook plaats rondom de vraag naar belemmeringen door wet-
en regelgeving die kunnen optreden binnen deze ketens. De commissie heeft zich
geconcentreerd op de verschillende rollen van de overheid en daarbij de problematiek van
de mededingingsregelgeving apart belicht. Dit laatste op verzoek van de minister, en ook
gezien het belang van de actuele maatschappelijke discussie die hierover wordt gevoerd.
Het advies is als volgt opgebouwd: hoofdstuk II geeft een korte toelichting bij de
interpretatie van duurzaamheid en duurzame ontwikkeling zoals in het advies wordt
gehanteerd. Vervolgens wordt een beeld geschetst van de duurzame ontwikkelingsdoelen
die de internationale gemeenschap in september 2015 vaststelde. Ook gaat het
hoofdstuk in op de complexiteit van duurzaamheidsvraagstukken waardoor nieuwe vormen
van beheer en multiactorenoverleg nodig zijn.
Hoofdstuk III bevat een beknopte analyse van hoe Nederlandse bedrijven die ook in het
buitenland actief zijn, omgaan met duurzame ontwikkeling. Op basis van gesprekken met
deskundigen worden praktijkervaringen beschreven en vastgesteld dat bedrijven nog veelal
in een overgangsfase verkeren.
Hoofdstuk IV gaat in op dilemma’s en uitdagingen die bedrijven ondervinden, zoals bij het
verduurzamen van ketens, en ontbreken van een internationaal gelijk speelveld. Nadruk
krijgt dat financiële instellingen een belangrijke rol spelen en dat belastingafdracht evenzo
onderdeel uitmaakt van duurzame ontwikkeling. Ook wordt stilgestaan bij het feit dat
resultaten op het gebied van mensenrechten nog achterblijven.
Hoofdstuk V gaat in op de diverse rollen die de overheid vervult bij het ondersteunen van
bedrijven en beschrijft de veranderingen in het Nederlandse buitenlandse beleid in de
afgelopen jaren. In reactie op de adviesaanvraag wordt ingezoomd op de snelle opkomst
van publiek-private partnerschappen en ingegaan op het belang van de convenanten die
nu in voorbereiding zijn voor risicovolle sectoren en die tot doel hebben om internationaal
maatschappelijk verantwoord ondernemen te stimuleren.
Mogelijkheden voor verdere intensivering van ondersteuning door de overheid worden
beschreven in hoofdstuk VI, zoals sterker inzetten op samenwerking met relevante
actoren, het stimuleren van de financiële sector richting duurzame ontwikkeling en zeker
ook internationale afstemming ten behoeve van afspraken voor het respecteren van
mensenrechten.
De conclusies en aanbevelingen van het advies staan in hoofdstuk VII.
                                                8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>II		      Duurzaamheid en duurzame ontwikkeling
II.1 Internationale agenda voor duurzame ontwikkeling
Duurzaamheid is in de volksmond lang synoniem geweest met behoud van milieu en
grondstoffenbeheer. Later kwamen daar mensenrechten, economische ontwikkeling en
welzijn bij. Feitelijk bestaat die ruimere opvatting van duurzaamheid al geruime tijd. In
1987 maakte het Brundtland-rapport Our Common Future onderscheid tussen de pilaren
ecologie/milieu, economie en sociaal. Die werden snel omgedoopt tot ‘people, planet,
profit (later: prosperity)’, waarbij mensenrechten waren geschoven onder ‘sociaal’ dan wel
‘people’.
Hoewel wijdverbreid, is het begrip duurzaamheid moeilijk te duiden. Het is een kwaliteit die
betekenis ontleent aan het object waarop het betrekking heeft. Van duurzaam beheer van
grondstoffen is gemakkelijker een voorstelling te maken dan van duurzame landbouw of
duurzame stedelijke ontwikkeling. Duurzaamheid raakt aan ethiek zoals het voorstaan van
gelijke kansen op ontwikkeling binnen eenzelfde generatie of voor toekomstige generaties.
Gelijkheid van kansen maakt een samenleving rechtvaardiger en daardoor, zo luidt de
redenering, duurzamer. Een ‘sterke’ connotatie van het begrip duurzaamheid staat voor het
behoud van natuurlijk kapitaal in absolute zin, een ‘zwakke’ variant van duurzaamheid zet
in op het op peil houden van het totaal aan voorraden.7
Vormt duurzaamheid het uiteindelijke streven, de weg ernaar toe wordt vaak aangeduid
met: ‘duurzame ontwikkeling’. Ook dit begrip is de afgelopen decennia herhaaldelijk
bijgesteld.8 In september 2015 kreeg het hernieuwde betekenis toen de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling
vaststelde. Die omvat zeventien Sustainable Development Goals (SDGs; duurzame
ontwikkelingsdoelen) die gegroepeerd zijn rond kernwaarden als menselijke waardigheid,
gerechtigheid en mondiale solidariteit. Zes elementen kunnen er in het bijzonder worden
uitgelicht (zie figuur 1 en bijlage IV):
• People-Planet-Prosperity: overeenkomend met de eerder genoemde triple p-indeling,
    waarbij prosperity breder wordt opgevat dan de oorspronkelijke profit-dimensie, die in
    de discussie over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) een belangrijke rol
    speelt;9
7   ‘Sustainability’, J.B. Opschoor, in chapter 69 of ‘Handbook of Economics and Ethics’, Jan Peil en Irene
    van Staveren (eds.), Edward Elgar, (2009).
8   Zo werd tijdens de ‘United Nations Conference on Environment and Development’ in Rio de Janeiro in
    1992 een aantal principes voor duurzame ontwikkeling overeengekomen waarbij milieuoverwegingen
    werden gekoppeld aan het recht op (economische) ontwikkeling en het recht op productief leven ‘in
    harmonie met de natuur’. Een bredere betekenis van het begrip duurzaamheid werd overigens al door
    ontwikkelingslanden bepleit tijdens de eerste VN-milieuconferentie in Helsinki in 1972 (op basis van het
    Founex-rapport uit 1971).
9   Over een van de duurzame ontwikkelingsdoelen, klimaatbeheersing, werden tijdens de VN-topconferentie
    in Parijs in december 2015 verdergaande afspraken gemaakt, zie bijvoorbeeld: <http://www.c2es.org/
    international/negotiations/cop21-paris/summary>.
                                                        9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>• Dignity-Justice: die de ambities op het gebied van mensenrechten omvatten en verder
    reiken dan toepassing van het zogeheten Ruggie-framework, en richting empowerment
    gaan;
• Partnership: een centraal uitgangspunt voor het behalen van de duurzame
    ontwikkelingsdoelen en respecteren van mensenrechten en als zodanig de erkenning
    dat geen van de traditionele spelers (overheden, ondernemingen, maatschappelijke
    organisaties) alleen in staat is om deze doelen te realiseren: de weg ernaar toe moet
    niet alleen samen bewandeld worden, maar voor een belangrijk deel ook samen
    bepaald.
Figuur 1: De zes kernthema’s van de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling
Bron: Sustainable Development Goals, UN, September 2015
Het zal een uitdaging worden om deze agenda van 17 doelen en 169 subdoelen in
samenhang uit te voeren. Anders dan de voorgaande Millennium Development Goals die
min of meer onafhankelijk van elkaar konden worden gerealiseerd, grijpen de Sustainable
Development Goals op elkaar in en vereisen een proces van transformatie wereldwijd.10
Echter, het feit dat economische doelen niet voor honderd procent in duurzame termen
zijn gedefinieerd – en dus ruimte laten voor een uitruil die concessies doet aan duurzame
10 ‘If the post-2015 agenda is to be successful in achieving the adopted SDGs, it needs to encompass all of
    the following elements: economic transformation, employment creation, the generation of fiscal resources
    and a favorable global economic environment, also called structural transformation, a necessary condition
    for long-term growth of per capita income.’ (Ocampo et al., 2009).
                                                     10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>ontwikkeling – geeft reden tot zorg.11
Een andere reden tot zorg is het feit dat alhoewel de duurzame ontwikkelingsdoelen
verwijzen naar internationale conventies en universele verklaringen zoals van de rechten
van de mens, het onderdeel mensenrechten slechts summier is uitgewerkt. Het is niet
duidelijk in hoeverre de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling als juridisch
bindend behoort te worden beschouwd of (enkel) als een doel of begrip.
Meer nog dan de voorgaande Millennium Development Goals gaan de duurzame
ontwikkelingsdoelen niet alleen ontwikkelingslanden aan maar evenzeer het ontwikkelde
Westen.12 Daarom is het van belang om doelen snel meetbaar te maken en concrete
benchmarks op te stellen, waardoor het mogelijk wordt om afspraken te maken over
resultaten die op korte termijn behaald dienen te worden en waarover gerapporteerd wordt
en verantwoording afgelegd. Dit geldt bijvoorbeeld voor de doelstelling om ongelijkheid in
de wereld te verminderen die in algemene termen is gedefinieerd. Zoals prof.dr. Rolph van
der Hoeven aangeeft mag worden verwacht dat door het betrekken van maatschappelijke
organisaties bij toekomstig voortgangsoverleg, de ambities op dit punt verder kunnen
worden gepreciseerd.·
Het zou overigens verkeerd zijn uitsluitend kwantitatieve meetpunten te definiëren. Kennis
over het nut en de noodzaak van bepaalde indicatoren en van processen om doelen zo
effectief mogelijk te bereiken, vormt een belangrijk onderdeel van het monitoring-proces
van de duurzame ontwikkelingsdoelen. Hoe bijvoorbeeld partnerschappen het beste
georganiseerd en gefaciliteerd kunnen worden is een belangrijk aandachtspunt bij de
realisatie ervan.13
Opmerkelijk is dat (ook) het Westen, inclusief Nederland, nog veel werk moet verzetten
om de duurzame ontwikkelingsdoelen te realiseren. Een stress test die in 2015 verscheen
laat zien dat de Scandinavische landen en Zwitserland ‘the fit five’ er goed voor staan.
Ook Nederland doorstaat de test op veel punten goed, met scores in de top drie voor de
helft van alle indicatoren. Op drie terreinen wordt dit positieve beeld echter teniet gedaan:
(i) het hoge gehalte (96,5%) aan water dat wordt onttrokken voor alle geproduceerde
en ingevoerde goederen, (ii) de milieubelasting in de landbouw, en (iii) slechts 3,6%
11 ‘One flaw in the Sustainable Development Goals may make the difference between success and failure’,
    by Frances Stewart, Emeritus Professor of development economics at the University of Oxford and former
    Chair of the United Nations Committee for Development Policy, Guest Blog in The Elders, 17 September
    2015.
12 ‘If the Millenium Development Goals were the telescope through which the high-income countries looked
    at the developing world,the Sustainable Development Goals are the mirror in which they see their own
    policies and performance reflected’, aldus Christian Kroll in: Sustainable Development Goals: Are the Rich
    Countries Ready?, Bertelsmann Stiftung, p. 4, 2015.
13 De Nederlandse regering heeft dit ook onderkend door een actieve rol te spelen – als medevoorzitter –
    van het Global Partnership on Effective Development Cooperation wat beoogt kennis en ervaringen uit te
    wisselen omtrent multisector en multistakeholder partnerschappen. Inmiddels is er zelfs een Promoting
    Effective Partnering consortium opgericht met internationaal leidende partnerorganisaties om een kennis-
    en leerplatform op te richten teneinde de duurzame ontwikkelingsdoelen te ondersteunen (en bijvoorbeeld
    ook brokering te faciliteren waar dat nodig is).
                                                      11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>energieopwekking uit hernieuwbare bronnen.14 Hieraan mag worden toegevoegd dat ons
land sterk afhankelijk is van de aanvoer van natuurlijke grondstoffen uit het buitenland en
daarmee een deel van zijn milieubelasting elders deponeert.15
II.2      Toegenomen complexiteit vraagt om nieuwe vormen van samenwerking
Niet alleen is het begrip duurzaamheid in de loop der tijd verbreed, het is ook complexer
en veelomvattender geworden. Dit is niet meer dan logisch aangezien tegelijkertijd ook
technologieën, economieën en sociale systemen steeds meer met elkaar verknoopt raken.
Het realiseren van de duurzame ontwikkelingsdoelen stelt nieuwe uitdagingen aan beheer.
Governance is niet langer een vanzelfsprekende rol van overheden alleen, het komt aan op
samenspel met bedrijven, betrokken maatschappelijke organisaties en kennisinstituten.
Om een parallel met milieuvraagstukken te trekken: ging het vroeger om een politieke
reactie op lokale problemen die het dagelijkse leven bedreigden (bodemverontreiniging
bijvoorbeeld) – waarbij het volstond om net als bij een brand een brandweerkorps uit te
laten rukken om met behulp van snelle saneringsoperaties erger te voorkomen – inmiddels
gaat milieu- en duurzaamheidsbeleid evenzeer over grote mondiale vraagstukken, zoals
behoud van biodiversiteit en de menselijke beïnvloeding van het klimaat. De effecten van
sommige maatregelen worden pas over langere periode zichtbaar maar dit neemt niet
weg dat nu actie geboden is. Bovendien blijkt die actie niet langer te bestaan uit relatief
eenvoudige saneringsoperaties, maar uit ingrijpende aanpassingen van ons collectief
gedrag.16
Veertig jaar geleden dwong de overheid via milieuwet- en regelgeving bedrijven om schoner
te produceren. Het primaat voor de vormgeving van beleid lag duidelijk bij de overheid. Die
liet zich voeden door wetenschappelijke analyses die maatschappelijk breed geaccepteerd
werden. Maar de ervaring leerde dat bedrijven zich defensief opstelden: ze conformeerden
zich aan hetgeen er van hen geëist werd. Zelf initiatief nemen was er nauwelijks bij.17
Die tijden zijn veranderd. Governance van duurzaamheid is niet langer een zaak van de
overheid of overheden alleen. Het oplossen van dergelijke complexe vraagstukken vergt
actieve inzet van overheid, bedrijfsleven en georganiseerde burgers. Geen quick fix, maar
een maatgericht veranderingsproces. De overheid blijft primair verantwoordelijk voor de
formulering van de publieke visie en maatschappelijke doelstellingen. Maar naast haar
traditionele beleidsinstrumenten, zoals regulering en economische prikkels, worden
ook andere instrumenten ingezet. Via stimulering, facilitering en gerichte sturing maakt
14 Zie het al eerder aangehaalde rapport van de Bertelsmann Stiftung: ‘Sustainable Development Goals: Are
    the Rich Countries Ready?’, by Christian Kroll, 2015, p. 39.
15 Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Monitor Duurzaam Nederland 2014: Indicatorenrapport’,
    Den Haag, 2014. Zie: <http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/4C92327D-B9C8-4BB5-9F46-
    5914F4D9B3A4/0/monitorduurzaamnederland2014indicatorenrapportpub.pdf>.
16 Aldus Henk van Latesteijn in zijn discussiestuk over ontwerpeisen voor de relatie tussen kennis en
    duurzaamheid, WRR, WP 11, 2015.
17 Zoals treffend beschreven door Nico Hoogervorst en Frank Dietz in: ‘Ambities in het Nederlands
    milieubeleid toen en nu’, WRR, WP 3, 2015, die in deze working paper betogen dat de Nederlandse
    context waarbinnen het milieubeleid werkzaam is, in de afgelopen veertig jaar ingrijpend is veranderd.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>de overheid het mogelijk dat partijen het voorgenomen beleid daadwerkelijk kunnen
uitvoeren.18
Kennis neemt daarbij een steeds prominentere plaats in en de bijdrage door onderzoeks-
en kennisinstellingen wordt daarmee bepalender. Er wordt van hen een actieve opstelling
verwacht bij het beantwoorden van duurzaamheidsvraagstukken.19 In 2012 pleitten
Shiroyama en anderen voor het betrekken van zoveel mogelijk actoren bij overleg
en voor het genereren en delen van kennis uit verschillende (beleids)regimes zodat
wordt voorkomen dat een zienswijze (framing) vanuit een bepaald perspectief gaat
overheersen.20
II.3      Corporate sustainability
Dat het bedrijfsleven een essentiële bijdrage kan leveren aan duurzame ontwikkeling
werd erkend tijdens de VN-Top van Johannesburg in 2002. In dat kader kwamen publiek-
private partnerschappen op de agenda. Weer tien jaar later, tijdens de VN-Top Rio+20,
kregen bedrijven nog uitdrukkelijker verantwoordelijkheid toebedeeld voor het realiseren
van duurzame ontwikkeling en armoedevermindering, hetgeen werd benadrukt in een later
verschenen VN-rapport over nieuw mondiaal partnerschap in 2013.21
Juist omdat bedrijven naast het creëren van banen en innovatie ook schade kunnen
toebrengen aan mens en milieu, is hun rol cruciaal. Voorschriften die op het gebied van
duurzaamheid worden ontwikkeld lopen vaak achter bij de praktijk, zijn minimalistisch,
weinig richtinggevend en ambigu van karakter – soms zelfs een last voor ondernemingen
die sneller vooruitgang willen boeken. Duurzame ontwikkeling vergt dat bedrijven
strategieën ontwikkelen die verder gaan dan hetgeen wettelijk vereist is, en waarin
duurzaamheid wordt vooropgesteld als richtinggevend voor de gehele onderneming. In
de internationale context vormt daarbij een extra probleem dat de wettelijke vereisten
verschillen van land tot land.
In bedrijfstermen wordt duurzame ontwikkeling vaak gelijkgesteld met ‘corporate
sustainability’. Zoals de term aangeeft richt dit zich evenzeer op het voortbestaan van
de onderneming en gaat het om het bevorderen van duurzaamheid in de bedrijfsvoering.
Ambities op het vlak van ecologische, economische en sociale duurzaamheid worden
18 ‘Governance van duurzaamheid vraagt om samenwerking overheid, bedrijfsleven en NGO’s’, blogpost
    oud-minister Jacqueline Cramer, Utrecht Sustainability Institute, 4 juni 2012.
19 Miller, Muñoz-Erickson and Redman: ‘Transforming knowledge for sustainability: Towards more adaptive
    and engaged academic institutions’, International Journal of Sustainability in Higher Education (12) 2,
    zoals naar verwezen door Henk van Latesteijn, WRR, WP 11, 2015.
20 Shiroyama, Yarime, Matsuo, Schroeder, Scholz and Ulrich, ‘Governance for Sustainability: Knowledge
    Integration and Multi-actor Dimensions in Risk Management’, Sustainability Science, 7 (1), 2012, pp. 45-55.
21 ‘We call for a quantum leap forward in economic opportunities and a profound economic transformation
    to end extreme poverty and improve livelihoods. This means a rapid shift to sustainable patterns of
    consumption and production-harnessing innovation, technology, and the potential of private business
    to create more value and drive sustainable and inclusive growth’, in: ‘A New Global Partnership: Eradict
    Poverty and Transform Economies through Sustainable Development’, Report of the High-Level Panel of
    Eminent Persons on the Post-2015 Development Agenda, 30 May 2013.
                                                      13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>door bedrijven zelf opgesteld en gerapporteerd, zoals het bekendstellen van effecten
op het milieu bijvoorbeeld.22 Om richtlijnen hiervoor verder te concretiseren heeft UN
Global Compact een tiental principes van corporate sustainability uitgewerkt die financiële,
sociale, ethische en milieuaspecten met elkaar verenigen (zie bijlage V).23 Die houden
vooral de volgende vijf handelingen en verantwoordelijkheden in:
• Principled Business: De onderneming dient principieel met integriteit te handelen.
    Dit houdt in dat de onderneming de principes van mensenrechten, werk, milieu en
    anticorruptie respecteert. Simpelweg nakomen van principes (ticking the boxes) is niet
    genoeg. Er moet moreel besef bestaan.
•   Strenghtening Society: Ondernemingen zijn actieve ‘stakeholders’ binnen iedere
    samenleving. Armoede, conflict, een gebrek aan geschoold personeel en schaarste van
    grondstoffen zijn slechts enkele voorbeelden van zaken waarop bedrijven van invloed
    zijn op de samenleving. Door proactief op te treden kunnen bedrijven bijdragen aan een
    betere samenleving.
•   Leadership Commitment: Het doorvoeren van deze omslag begint uiteraard bij de leiding.
    De top van de onderneming en leidinggevend personeel dienen zich aan corporate
    sustainability te committeren. Zij moeten een krachtig signaal naar de organisatie sturen
    dat duurzaamheid een centrale factor in het belang van het bedrijf is.
•   Reporting Progress: In het proces om corporate sustainability door te voeren is het van
    belang om te rapporteren over de voortgang. Het geeft inzicht in de reeds afgelegde
    weg en in de veranderingen die nog te gaan zijn.
•   Local Action: Ieder land heeft eigen uitdagingen op het gebied van duurzaamheid.
    Ondernemingen moeten hierop inspelen, zich aanpassen aan de lokale wensen en zich
    houden aan lokale wet- en regelgeving. Ondernemingen dienen zich dit te realiseren bij
    het uitvoeren van de corporate sustainability-strategie.24
De principes gaan dus verder dan dat ondernemingen zich inzetten om responsibility
to respect af te dwingen. Er dient moreel besef te ontstaan om duurzame ontwikkeling
te ondersteunen. De principes benadrukken universele verantwoordelijkheden van
ondernemingen waartoe ook de afdracht van belastingen behoort in landen waar de
bedrijven actief zijn. De roep om hierover meer openheid in jaarrekeningen, -verslagen
22 Al in 1993 werd de term als volgt omschreven: ‘Corporate sustainability means that a service or product
    does not compete in the marketplace only in terms of its superior image, power, speed or packaging.
    Additionally, your business must deliver products or services to the customer in a way that reduces
    consumption, energy use, distribution costs, economic concentration, soil erosion, atmospheric pollution,
    and other forms of environmental damage’, aldus Paul Hawken in ‘The Ecology of Commerce – a Declaration
    of Sustainability’, HarperCollins, 1993. In de Dow Jones Sustainability Index wordt het als volgt gedefineerd:
    ‘Corporate Sustainability is a business approach that creates long-term shareholder value by embracing
    opportunities and managing risks deriving from economic, environmental and social developments’. Dat
    dergelijke vrijwilligheid geen vrijblijvendheid inhoudt laat de Breakthrough Energy Coalition zien die door Bill
    Gates, Mark Zuckerberg, Richard Branson en andere ondernemers op 30 november 2015 in Parijs werd
    opgericht.
23 United Nations Global Compact (2013), ‘Global Corporate Sustainability Report 2013’, New York. Zie:
    <https://www.unglobalcompact.org/docs/about_the_gc/Global_Corporate_Sustainability_Report2013.pdf>.
24 United Nations Global Compact (2015). Guide to Corporate Sustainability: Shaping a Sustainable Future.
    New York, USA: United Nations Global Compact Office, pp. 7-9.
                                                           14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>en andere documentatie te geven, wordt steeds sterker.25 Belastingafdracht vormt
onderdeel van de OESO-richtlijnen voor ondernemen en mensenrechten, en het belang van
eerlijke belastingheffing werd nog eens onderstreept tijdens de VN-Top over Financing for
Development in Addis Ababa in juli 2015.26
II.4       Belang van mensenrechten
Ondanks een expliciete verwijzing naar de UN Guiding Principles27 is er vanuit
maatschappelijke organisaties maar ook binnen de VN kritiek geuit op de geringe
aandacht voor de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor mensenrechten in de
internationale duurzame ontwikkelingsdoelen. In dat verband wordt sterk gepleit voor
beleidscoherentie.28
De praktijk wijst uit dat milieuaspecten zich makkelijker laten incorporeren in een
businessmodel dan mensenrechten. Op het gebied van mensenrechten wordt ook
vooruitgang geboekt maar de praktijk is weerbarstig(er). Voor veel bedrijven bestaat
een associatie met misstanden en juridische aansprakelijkheid, hetgeen resulteert in
risicomijdend gedrag. Mensenrechten worden nog niet altijd als gelegenheid aangegrepen
voor de onderneming om social impact te bereiken.
Qua beleidsvoering is inmiddels veel ten goede veranderd. In 2008 werd in VN-verband het
Protect-Respect-Remedy raamwerk aangenomen dat vervolgens uitmondde in een stelsel
van richtlijnen voor staten en ondernemingen. Drie kernbegrippen staan daarin centraal:29
• de plicht van de staat om mensen te beschermen tegen mensenrechtenschendingen
    door bedrijven (duty to protect);
• de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te
    respecteren (responsibility to respect);
• het recht van slachtoffers op toegang tot rechtsmiddelen bij schending van
    mensenrechten (access to remedy).30
25 Thomas Scheiwiller & Susan Symons, ‘Corporate responsibility and paying tax’, 9 December 2015, OECD
    Observer: <http://www.oecdobserver.org/news/archivestory.php/aid/3132/Corporate_responsibility_
    and_paying_tax.html>.
26 Zie pagina’s 10 en 35-36 van ‘OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen: Nederlandse
    vertaling, versie 2011’, en ‘Addis Ababa Action Agenda of the Third International Conference on Financing
    for Development’, 27 July 2015. Zie: <http://www.un.org/esa/ffd/publications/aaaa-outcome.html>, UN
    General Assembly, ‘Resolution adopted by the General Assembly on 25 September 2015’.
27 UN Doc. A/69/L.85 ‘Draft outcome document of the United Nations summit for the adoption of the post-
    2015 development agenda’, 12 August 2015.
28 Zie bijvoorbeeld het rapport A/HRC/29/28 van 28 april 2015.
29 Zie voor een diepergaande beschouwing over wet- en regelgeving op gebied van economische
    samenwerking die in toenemende mate grensoverschrijdend en internationaal van karakter wordt:
    dr. R. Steenvoorde, ‘Regulatory Transformations in International Economic Relations’, July 2008.
30 ‘Guiding Principles on Business and Human Rights’, UN Doc. A/HRC/8/5 and UN Doc. A/HRC/17/31.
                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Vanuit dit perspectief hebben bedrijven de maatschappelijke verantwoordelijkheid om
mensenrechtenrisico’s in kaart te brengen en te verminderen, het zogeheten human rights
due diligence principe. Dit houdt in dat bedrijven doorlopend de huidige en potentiële
effecten van hun handelen op mensenrechten moeten onderzoeken, waar nodig actie
ondernemen, het effect daarvan monitoren en transparant moeten zijn over hun aanpak.
Dit geldt niet alleen voor de eigen bedrijfsvoering, maar ook voor de handelsketen waarin
een bedrijf actief is.
Dit Protect-Respect-Remedy raamwerk is weliswaar niet juridisch bindend maar wordt
breed gedragen en wereldwijd gezien als dé universele standaard waar het gaat
om mensenrechten en bedrijven.31 De richtlijnen zijn onder andere door de OESO
overgenomen en liggen ten grondslag aan de IFC Sustainability Policy and Performance
Standards. Niettemin mag worden geconstateerd, zoals hoofdstuk IV.7 laat zien, dat
toepassing van mensenrechten in de praktijk een grote uitdaging blijft, onder meer waar
het gaat om het laatstgenoemde aspect van toegang tot rechtsmiddelen bij eventuele
schending van mensenrechten.32
II.5       Conclusie: beleidscoherentie wint aan belang
In dit hoofdstuk werd de groeiende universaliteit en complexiteit van de internationale
duurzaamheidsagenda belicht. Aangegeven werd dat duurzaamheid verder gaat dan
principes alleen, en nieuwe vormen van regulering, actie en samenwerking vergt. Daarbij
laat de praktijk zien dat het beleidsproces steeds minder lineair van karakter wordt. De
uitwerking van de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling vraagt om nieuwe
oplossingen en nieuwe overheidsrollen, en dat geldt ook voor de Nederlandse regering.
Het komt aan op zo goed mogelijk inspelen op wisselende omstandigheden en kansen die
zich voordoen, en een flexibele houding en oog voor realisme.
Het is van belang om alle relevante partijen te betrekken bij overleg en beleidsvorming –
op allerlei niveau’s, nationaal en in toenemende mate ook internationaal. Het betrekken
van deze partijen doet een beroep op een breder palet van overheidsrollen en die rollen
moeten bovendien op gecoördineerde wijze worden ingezet. We kunnen dit samenvatten
als ‘flexibile beleidscoherentie’ waarbij telkens zo effectief mogelijk de activiteiten van
relevante stakeholders en hun onderlinge samenwerking worden ondersteund. In dit advies
worden vijf typen stakeholders en gerelateerde activiteiten onderscheiden:
• Ondernemingen: de primaire doelgroep voor bijdragen aan duurzame ontwikkeling
    zijn grote en kleine ondernemingen die in de reële economie opereren en waarde
    toe kunnen voegen (maar ook vernietigen) door de manier waarop ze nationaal en
    internationaal goederen- en dienstenstromen organiseren. In een minder duurzame
    economie zijn veel van die stromen lineair georganiseerd zonder aandacht voor
    negatieve gevolgen hoger of lager in de keten en/of daarbuiten. Dan ligt een eerste
    uitdaging in het circulair maken van deze goederen- en dienstenstromen. Maar ook telt
31 In de woorden van Professor Ruggie, architect van dit raamwerk: ‘The UN Guiding Principles have become
    firmly embedded in the regulatory ecosystem for business and human rights’, Closing Plenary Remarks,
    3rd UN Forum on Business and Human Rights, Geneva, 3 December 2014.
32 Zoals prof.dr. mr. N.M.C.P. Jägers stelt: ‘In many countries where corporate abuse takes place access to
    a judicial remedy is illusive’, ‘Access to Justice for Victims of Corporate-Related Human Rights Abuse’,
    Netherlands Quarterly of Human Rights, Vol. 33/3, pp. 269-273, 2015.
                                                         16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>    als winsten binnen deze ketens gelijkwaardiger zouden worden verdeeld, zodat elke
    speler in de keten een faire beloning krijgt en daarmee de gehele keten sociaal en
    economisch duurzamer maakt. Een andere uitdaging is om winsten binnen ketens te
    laten landen bij die organisaties die de meeste ‘maatschappelijke waarde’ creëren door
    middel van duurzame innovaties.
•   Financiële instellingen: voegen zelf geen waarde toe, maar vormen een belangrijke
    randvoorwaardenscheppende actor in de facilitatie van duurzame ketens. In een
    wereld met speculatief en grensoverschrijdend (flits)kapitaal wordt de vraag steeds
    nijpender hoe duurzame ontwikkeling te financieren, hoe (internationale) financiële
    stromen te richten op meest duurzame toepassingen en te voorkomen dat geld
    wegstroomt naar minder duurzame initiatieven (zoals bonussen, belastingontwijking
    e.d.). Duurzaamheidsinitiatieven zijn daarnaast nog lang niet altijd financieel haalbaar
    op korte termijn, en dus vormen subsidies of andere constructies een belangrijke bron
    van financiering.
•   Maatschappelijke organisaties: duurzaamheid kan niet worden bereikt zonder een
    beroep te doen op de verantwoordelijkheid van de eigen bevolking – als burgers,
    consumenten en/of kiezers. Dergelijke verantwoordelijkheid vergt echter ook dat
    mensen geïnformeerde keuzes kunnen maken en dat maatschappelijke organisaties
    effectief de duurzaamheidsbelangen van burgers – ook die van toekomstige generaties –
    vertegenwoordigen in het maatschappelijk debat. Burgers onderling hebben evenwel
    lang niet altijd dezelfde belangen. Globalisering heeft het verkeer van mensen via
    migratie, maar ook door middel van financiële overdrachten binnen families, een grotere
    dynamiek gegeven. Via sociale media communiceren mensen met elkaar en oefenen
    druk uit. De agenda voor duurzame ontwikkeling kan daardoor ook steeds universeler
    worden.
•   Kennisinstellingen: vooruitgang in duurzame ontwikkeling is sterk afhankelijk
    van vooruitgang van kennis: technologische kennis, kennis over hoe transities te
    bewerkstellingen en organisatorische kennis. Duurzaamheidsvraagstukken vragen
    steeds meer om specifieke kennis die opnieuw getoetst en afgestemd moet worden in
    een trial and error-proces. Wat is een goede mix van algemene en specifieke (lokale)
    kennis en hoe moet die kennis gefinancierd worden?
•   Overheden: een deel van de hierboven genoemde activiteiten kan door overheden
    gefaciliteerd worden. Hoewel de primaire taak van de overheid regulering blijft, wordt
    in toenemende mate onderkend dat de invulling van deze taak niet altijd effectief is in
    een snel veranderende en globaliserende wereld. Een groter beroep op zelfregulering
    en eigen verantwoordelijkheid van ondernemingen, financiële- en kennisinstellingen en
    burgers ligt voor de hand, maar biedt geen garantie voor succes. Een goede mix van
    regulering en zelfregulering lijkt uitzicht te bieden op het beste resultaat. De effectiviteit
    van deze mix wordt voor een groot deel bepaald door de manier en het moment
    waarop de verschillende instrumenten door de overheid worden ingezet (zie met name
    hoofdstuk V).
Ondernemingen zijn van groot belang bij het verwezenlijken van de duurzame
ontwikkelingsdoelen, in nauwe interactie met ten minste vier andere (maatschappelijke)
stakeholders. Voordat de diverse rollen van overheidsbeleid in dit advies nader worden
uitgewerkt is het van belang om een beeld te krijgen van hoe Nederlandse bedrijven
die tevens in het buitenland actief zijn bijdragen aan duurzame ontwikkeling. Dit wordt
besproken in het volgende hoofdstuk.
                                                  17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>III       Duurzame ontwikkeling in de praktijk
Dit hoofdstuk geeft een indruk hoe een aantal Nederlandse bedrijven die tevens in het
buitenland actief zijn invulling proberen te geven aan het begrip duurzame ontwikkeling.
Het gaat om grote ondernemingen maar ook om midden- en kleinbedrijven en sociale
ondernemers die in het buitenland vertegenwoordigd zijn door sourcing, investeringen of
verkoop. Het blijkt dat ambities ten aanzien van duurzame ontwikkeling worden omgeven
door aanzienlijke dilemma’s en uitdagingen die tot strategische keuzes dwingen.
Die keuzes kunnen vaak goed begrepen worden vanuit een ketenperspectief, ofwel het
besef dat de verschillende stadia van de totstandkoming van een product of dienst (van
grondstof tot halffabrikaat of eindproduct en verwerking tot afval) in steeds meer landen
voorkomen. De ketens (global value chains) kunnen vraaggestuurd, aanbodgestuurd,
lokaal, internationaal, lineair of circulair zijn. Het beeld bestaat dat vooral onderop in de
keten nog de meeste winst op gebied van duurzame ontwikkeling in het verschiet ligt.
Als gevolg van globalisering moeten Nederlandse bedrijven in toenemende mate
concurreren met bedrijven die opereren vanuit andere wettelijke kaders en daarbij
vaak een andere visie op duurzame ontwikkeling hanteren. Hoe hieraan het hoofd te
bieden hangt van vele factoren af zoals de aard van activiteiten van de onderneming, de
interne organisatie, de positie in of naast een internationale keten en de internationale
reguleringsomgeving waarin de onderneming opereert.
In internationaal verband zien Nederlandse bedrijven zich dus steeds vaker geconfronteerd
met vragen als: heeft het de voorkeur om als bedrijf voorop te lopen, of is het beter om
af te wachten? Is het raadzaam om alleen te opereren of om juist met concurrenten
afspraken te maken? Werkt men in een omgeving met aantrekkelijke bedrijfsvoorwaarden
die ten koste gaan van duurzaamheid, of wordt bedrijvigheid juist afgeremd (omschreven
als race to the bottom en race to the top).
Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen grote en kleine ondernemingen, die
al dan niet in internationale waardeketens functioneren, en al dan niet een omslag van
defensief naar offensief duurzaamheidsbeleid hebben gemaakt, en financiële instellingen
die een ondersteunende functie hebben.
III.I     Enkele grote bedrijven als koplopers
Grote ondernemingen hebben vaak een regiefunctie in internationale ketens en zijn
daarmee eerder in staat om – vooral middels hun investeringsbeslissingen – hun
duurzaamheidsstrategie in eigen hand te nemen. Een aantal Nederlandse multinationals
loopt internationaal voorop. Nederlandse ondernemingen vertegenwoordigen de grootste
subgroep in de zogenaamde supersector leader van de Dow Jones Sustainability Index –
een leidende internationale benchmark van duurzaam ondernemen.33
33 De Dow Jones Sustainability Index richt zich vooral op aspecten van ‘corporate sustainability’ en geeft
    bijvoorbeeld inzage in het milieu- of personeelsbeleid dat een bedrijf heeft doorgevoerd maar niet
    noodzakelijk van de effecten daarvan in de praktijk. Het geldt dus niet als maatstaf voor de bijdrage van
    het bedrijfsleven aan het realiseren van de duurzame ontwikkelingsdoelen.
                                                      18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Hun koploperspositie is evenwel relatief. Geen van de bedrijven in dit segment van de
genoemde index kan erop bogen volledig duurzaam te ondernemen.34 In hun transitie
hebben de ondernemingen echter wel belangrijke stappen gezet waarbij duurzaamheid
langzaam maar zeker integraal onderdeel is gaan uitmaken van hun concurrentiestrategie
en waarmee zij zich ook fundamenteel proberen te onderscheiden van hun (internationale)
concurrentie. Zoals verderop in het advies wordt benadrukt, hechten voorhoedebedrijven
sterk aan het stellen van duidelijke kaders en regelgeving. Zij zijn in staat om aan hogere
eisen te voldoen. Belangrijker nog, het stellen van heldere regels en inspirerende doelen
die voor alle spelers gelden, biedt voor hen een meer gelijk speelveld – en daarin ligt nog
winst.35
Hun intrinsieke motivatie jegens duurzaamheid kwam vaker aan het licht in de gesprekken
die de AIV heeft gevoerd. Zo maakte Unilever tien jaar geleden al een start met het
verduurzamen van hun businessmodel. Dit was in het belang van het bedrijf zelf, namelijk
om een duurzame aanvoer van grondstoffen te waarborgen, een goede reputatie op te
bouwen en om draagvlak te creëren. Duurzame ontwikkeling werd daarmee niet langer
een aandachtsveld voor een aparte afdeling of de juridische en financiële directie van
het bedrijf, maar het uitgangspunt van de gehele onderneming en de grondslag voor het
voortbestaan ervan.36
Hanteerde Unilever in haar opstelling eerder de filosofie ‘eerst implementeren, dan
communiceren’, dit werd in 2010 omgedraaid met het uitbrengen van hun zogeheten
Sustainable Living Plan. Het plan gaat uit van ruim zestig doelen die in 2020 gerealiseerd
moeten zijn zonder dat nog afdoende zicht bestaat of dit haalbaar is. Vandaar dat
de onderneming hecht aan het aangaan van partnerschappen met maatschappelijke
organisaties en kennisinstituten. Elk jaar wordt over de voortgang gerapporteerd al blijken
resultaten soms moeilijk te controleren en zijn die nog in algemene bewoordingen gesteld.
AkzoNobel maakte eenzelfde omslag in bedrijfsfilosofie en -cultuur door. Riep duurzame
ontwikkeling in eerste instantie het beeld op van ‘voldoen aan wettelijke voorschriften’ en
het ‘mijden van risico’s’, ruim tien jaar terug werd een begin gemaakt met het invoeren
ervan in productieprocessen. De nadruk kwam vervolgens te liggen op het vergroten van
efficiëntie binnen de ketens, gebaseerd op de slogan doing more with less. Sinds 2007
wordt ingezet op innovatie: het bedenken van nieuwe producten en doorontwikkelen van
bestaande producten om deze duurzamer te maken (bijvoorbeeld nieuwe coating voor
zeeschepen die aanzienlijke besparing op brandstof oplevert).
De onderneming ontwikkelde een toekomstvisie (Planet possible) die als leidraad dient
voor het businessmodel van de onderneming. Daarin staan onder meer huisvesting en
34 Zie: ‘Duurzaam ondernemen waarmaken’ (door van Tilburg et al, 2012) waarin de positie van koplopers
    wordt gerelateerd aan een fasemodel van duurzaamheid. Zelfs de koplopers bevinden zich nog in een
    overgangsfase. Volledig duurzame bedrijfsmodellen zijn nog niet gerealiseerd.
35 In aanloop naar de Klimaatconferentie in Parijs riep Feike Sybesma, CEO van DSM, in een uitzending van
    Buitenhof (22 november 2015) de overheid op om een hogere prijs vast te stellen voor de uitstoot van CO .
                                                                                                           2
36 Een van de gesprekspartners in juni 2015 omschreef het aldus: ‘Naar buiten mag worden gesteld
    dat duurzaamheid om ethische gronden wordt gesteund, zakelijk wordt de opstelling ingegeven door
    bedrijfsoverwegingen – het zekerstellen van de aanvoerketen van grondstoffen bijvoorbeeld is voor grote
    ondernemingen ongelofelijk belangrijk’.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>constructie, transport en mobiliteit en voedsel en landbouw centraal. Het zal aankomen
op de inzet van politieke wil, economische financierbaarheid, samenwerking en technisch
vernuft, willen in de toekomst echt grote stappen in duurzaamheid worden gezet, zo
verwacht de onderneming.
Opvallend is dat de onderneming steeds meer openstaat voor initiatieven die niet per
definitie (op korte termijn) winstgevend zijn. Een voorbeeld is de Human Cities Coalition
waarin AkzoNobel de rol op zich neemt van facilitator, coördinator en convening party. Deze
coalitie werkt samen met bedrijven, maatschappelijke organisaties en lokale overheden
zoals in Ghana en India, in een streven om steden duurzamer te maken. Vanuit de
gedachte dat verstedelijking zich wereldwijd zal doorzetten daagt de onderneming andere
partijen uit om krachten te bundelen, zonder dat hiermee voor de onderneming direct
commerciële belangen gemoeid zijn.
Ook binnen een onderneming als Ahold zou de belangstelling voor duurzaamheid
toenemen, al blijft dit voor het bedrijf een afweging tegen andere belangen zoals de
bereidheid van de consument om meer te betalen voor een duurzaam product. Ahold
constateert een voorzichtig positieve tendens hiertoe, maar de economische crisis is nog
voelbaar. Met name ten aanzien van voedingsproducten bestaat geringe bereidheid van
Nederlanders (en Amerikanen) om een hogere prijs te betalen. Werknemers van Ahold
worden individueel intussen wel meer afgerekend op duurzaam ondernemen. Het geldt als
een key performance indicator, inclusief eerbiediging van mensenrechten.37
Een strategie voor de Nederlandse retail en voor de kledingbranche bijvoorbeeld zou
kunnen zijn om door hogere omzetten van duurzame producten via schaalvoordelen
uiteindelijk lagere prijzen te rekenen. Dit vergt overgangsperiodes waarin onderlinge
afspraken mogelijk maken dat via interne kruissubsidies of door afgestemde
inkoopstrategieën uiteindelijk meer duurzame producten concurrerend aangeboden worden
bij klanten.
De grootschalige introductie van duurzaam ingekochte producten blijkt lastig te realiseren.
Dit komt onder andere doordat er weinig transparantie en coördinatie bestaat op het vlak
van duurzaamheidskeurmerken. De diverse keurmerken rondom fair trade illustreren dit.
Het is lastig voor de consument om door de bomen het bos te zien, waardoor het ook voor
grote ondernemingen bemoeilijkt wordt om zich te onderscheiden en de in duurzaamheid
geïnteresseerde consument te bereiken.38
III.2     Midden- en kleinbedrijf: volger of voorbeeld?
Bedrijven tot 250 werknemers hebben een niet onbelangrijk aandeel in de internationale
activiteiten van het Nederlandse bedrijfsleven. Volgens een studie van ING39 zijn zij
verantwoordelijk voor twee derde van de Nederlandse uitvoer. In andere landen ligt dat
37 Voor Ahold ligt dit als bedrijf wat makkelijker omdat 90% van hun producten afkomstig is uit West-Europa
    en de Verenigde Staten, waar ze ook al hun producten verkopen.
38 Zie: Max Havelaar-lezing 2009 ‘Chains for Change’ waarin de fragmentatie op het terrein van keurmerken
    als een belangrijke barrière wordt gezien voor het ontstaan van een level playing field en een veel
    langzamer groei dan mogelijk zou zijn bij de distributie van duurzamer producten.
39 ING Economisch Bureau: Internationale Groeikansen voor het MKB, augustus 2013.
                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>aandeel eerder rond een derde. Het grootste deel van de internationale activiteiten van
het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (MKB) speelt zich af in omringende landen, in
een cirkel van 600 km rondom Nederland. Sommige MKB-activiteiten maken deel uit van
internationale handelsketens, al dan niet met andere Nederlandse schakels. Maar er zijn
ook MKB-investeringen die alleen zijn ingebed in lokale markten of overheden.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek kijkt alleen naar het midden- en kleinbedrijf
in Nederlands eigendom.40 Hun aandeel in de Nederlandse uitvoer is nog altijd 27%,
tegenover een aandeel van 26% bij de invoer. Echter, het aandeel in Nederlandse
investeringen (waarde van kapitaal) in het buitenland is niet meer dan 1%. In 2011
investeerden 645 Nederlandse midden- en kleinbedrijven in de groep van 66
ontwikkelingslanden die in aanmerking komen voor bijdragen uit het Dutch Good Growth
Fund (DGGF). Dit is een fonds dat in 2014 door de overheid werd opgezet om het
Nederlandse MKB te ondersteunen in ontwikkelingslanden (zie bijlage VI voor een korte
omschrijving van het fonds en andere soortgelijke initiatieven). De waarde van deze
investeringen bedroeg € 300 miljoen, gemiddeld 45% van de totale kapitalisering van die
buitenlandse ondernemingen, die gezamenlijk een omzet hadden van ongeveer € 900
miljoen. De meeste investeringen werden gedaan in lage- en middeninkomenslanden in
Afrika en Azië, onder andere Ethiopië, Kenia, Tanzania, Indië, Indonesië en Vietnam.
Handel met ontwikkelingslanden speelt bij het Nederlandse MKB dus een grotere rol dan
investeringen.41 Echter, de praktijk laat zien dat investeringen op de lange termijn juist een
belangrijke randvoorwaarde vormen voor het creëren van een betere concurrentiepositie
ten opzichte van andere ondernemingen, en ook dat investeringen de overgang richting
duurzaamheid bevorderen.42 Het deel van de bedrijven dat hiervoor openstaat en actief
is in ontwikkelingslanden door middel van investeringen, blijkt naar de inschatting van de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) meer dan gemiddeld gemotiveerd voor
maatschappelijk verantwoord ondernemen, inclusief sociaal beleid. Deze bedrijven bezitten
vaak een extra dosis ondernemerschap en betrokkenheid.
Naast de bekende sectoren zoals tuinbouw (denk aan rozenkwekers in Oost-Afrika)
en groothandel (toeleveranciers aan supermarkten) is er ook een toenemend aantal
activiteiten van kleine start-ups, bijvoorbeeld van innovatieve ondernemers die in een van
de Nederlandse universiteiten en hogescholen (Wageningen, Twente, Eindhoven, Delft) een
idee hebben ontwikkeld dat geschikt is voor ontwikkelingslanden. De zogeheten Young
Firm Entrepreneurial Activity Index die het aantal mensen weergeeft dat eigenaar is van
een bedrijf niet ouder dan 3,5 jaar en/of verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering ervan
in verhouding tot de totale volwassen bevolking van 18-64 jaar, bedroeg in Nederland in
40 Centraal Bureau voor de Statistiek, ‘Internationalisering MKB in handelsprioritaire landen en in DGGF-
    landen’, april 2014.
41 Of dat ook geldt voor midden- en kleinbedrijf uit andere Europese lidstaten bleek niet direct te
    achterhalen.
42 In het boek ‘Doing business in Africa’ (2013; Lem, Van Tulder en Geleijnse) wordt bijvoorbeeld
    geconstateerd dat de handelsoriëntatie van het Nederlandse bedrijfsleven in Afrika op de langere
    termijn een concurrentienadeel creëert. Investeringstrategieën gaan gepaard met grotere ‘inclusiviteit’ in
    netwerken van elkaar toeleverende ondernemers, hetgeen derhalve ook een hogere mate van corporate
    sustainability vereist. Dat geldt vooral voor markt- en sourcingstrategieën.
                                                         21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>2012 6.3, tegen 3.7 in Duitsland en 4.1 in de Verenigde Staten.43
Er is in Nederland ook sprake van een opkomst van sociale ondernemers die middels
crowd-funding en andere manieren van impact investeringen duurzaamheidsactiviteiten
in ontwikkelingslanden financieren. Veel van die activiteiten vinden in lokale ketens en
met lokale partners plaats. Innovatieve producten en diensten die Nederlandse (sociale)
ondernemers ontwikkelen liggen op diverse terreinen. Meestal gaan ze gepaard met
coöperatieve organisatie- en financieringsvormen. Een aantal van de grotere NGO’s zoals
ICCO en Cordaid is zich actief aan het herpositioneren als social enterprise.
Volgens een onderzoek van MVO Nederland, een kennis- en netwerkorganisatie op
het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, deed in 2011 naar eigen
zeggen 30% van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf (nog) niets aan maatschappelijk
verantwoord ondernemen. Meer dan de helft van de ondervraagde midden- en kleinbedrijven
gaf aan dat consumenten meer eisen in die richting gaan stellen. Driekwart van de
ondernemers zegt hulp nodig te hebben bij het realiseren van ambities op dit vlak.
De bijdrage aan duurzame ontwikkeling van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf en
sociale ondernemers in het buitenland is dus nog steeds bescheiden. Het aantal bedrijven
dat duurzaamheid als een interessante business case ervaart blijft beperkt. Activiteiten
zijn vooralsnog gericht op handel en minder op investeringen. Verduurzaming van ketens
en internationale activiteiten wordt voor Nederlandse ondernemingen evenwel steeds
belangrijker.
III.3    Conclusie: bedrijven nog in staat van transitie
Zoals aan het begin van dit hoofdstuk werd gesteld, mogen enkele grote Nederlandse
ondernemingen zich volgens de Dow Jones Sustainability Index tot de internationale
koplopers in hun sector rekenen.44 Maar welke betekenis mag hieraan worden ontleend?
De ambities die deze ondernemingen op het gebied van corporate sustainability en
duurzame ontwikkeling uitspreken worden niet altijd waargemaakt en hun koppositie
roept ook weerstanden op.45 De praktijkvoorbeelden die in de inleiding werden genoemd
laten zien dat stappen die richting duurzaam ondernemen worden gezet, niet automatisch
beklijven.
Ook vooroplopende bedrijven verkeren nog in staat van transitie. De grootste uitdaging ligt
– voor grote ondernemingen net zo als midden- en kleinbedrijven en financiële instellingen –
in het daadwerkelijk omschakelen van een defensieve houding naar een proactieve aanpak
waarbij duurzame ontwikkeling niet langer als een bedreiging maar als een kans (en goede
business case) wordt gezien.
Dit kan in de hand worden gewerkt door een expliciete koppeling te maken met de recent
aanvaarde internationale agenda voor duurzame ontwikkeling zodat de eigen doelen van
bedrijven op gebied van corporate sustainability daarop worden afgestemd. Hiervoor is
43 Economisch Instituut voor het midden- en kleinbedrijf, 2012.
44 ING-Bank figureert in de top van het segment financiële instellingen.
45 Zie onder meer het al eerder aangehaalde artikel ‘Unilever gaat gebukt onder Bono-complex’, Financieel
    Dagblad, september 2015: <http://fd.nl/ondernemen/1118426/het-bono-complex-van-unilever>.
                                                    22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>het nodig om op nationaal niveau inzicht te krijgen in hoe de Nederlandse bijdrage, met
name door ondernemingen, aan de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelen
kan worden geconcretiseerd. Niet alle ontwikkelingsdoelen zijn evenzeer van toepassing
op het bedrijfsleven, en zoals in hoofdstuk VI wordt belicht, is doorslaggevend in welke
topsectoren Nederlandse bedrijven een meerwaarde kunnen leveren.
Stakeholders en overheidsbeleid zijn van grote invloed op dit transitieproces. Er liggen
voor bedrijven obstakels op de weg – soms in werkelijkheid, soms vooral in perceptie.
Het volgende hoofdstuk beschrijft enkele van deze (vermeende) belemmeringen zoals
verduurzaming van ketens, ontbreken van een internationaal gelijk speelveld, zorg om
mededingingsrecht en ondersteuning door financiële instellingen.
                                             23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>IV       Dilemma’s en uitdagingen
IV.I     Verduurzaming van ketens: internationaal een uitdaging
In het vorige hoofdstuk werd gesteld dat de ketenbenadering een veelbelovend middel
vormt om duurzame ontwikkeling na te streven. Het gaat dan om de uitwisseling binnen
een keten zoals de aanvoer van grondstoffen voor een bepaald product, maar ook om
marketing en afzet en de uiteindelijke verwerking tot afval.46 Ketens dienen niet alleen
geïnterpreteerd te worden in verticale zin maar hebben ook horizontale betekenis,
bijvoorbeeld in termen van relaties tussen groepen producenten.47 Door ketens op
te knippen en per onderdeel te bekijken waar winst te behalen valt op gebied van
duurzaamheid, sorteren maatregelen meer effect. Bovendien kan door beter overzicht
worden voorkomen dat winst voor een onderdeel wordt afgewenteld en tot negatieve
gevolgen leidt elders in de keten.48
In het beheer van ketens vervullen grotere bedrijven een aanjagende rol en treden zij als
‘ketenregisseur’ op. De Dutch Sustainable Growth Coalition, waarin leidende Nederlandse
ondernemingen vertegenwoordigd zijn, propageert daarbij een drietrapsraket.49 De grote
ondernemingen slaan bij een eerste stap (omschreven als shape) de handen ineen om
afspraken te maken over standaarden of het doorvoeren van een bepaalde aanpak,
bijvoorbeeld door het aanbieden van kennis aan groepen boeren in ontwikkelingslanden
om op meer duurzame wijze te produceren. Bij een tweede stap (share) komt het aan op
het meekrijgen van het midden- en kleinbedrijf. Dit kan worden bereikt door het aangaan
van partnerschappen of uitbrengen van publicaties over wat een duurzaam businessmodel
is of over hoe een circulaire economie tot stand kan worden gebracht. De derde en laatste
stap (stimulate) heeft betrekking op het toepassen van duurzame economische modellen.
Er treedt bij deze strategie een aantal dilemma’s op. Ten eerste monden deze strategieën
vaak uit in het introduceren van keurmerken waaraan toeleveranciers moeten voldoen.
Dit kan de sociale en ecologische duurzaamheid van de keten verbeteren, maar leidt op
termijn niet noodzakelijkerwijs tot een economisch betere positie van deze toeleveranciers.
Die zullen grotere barrières ondervinden om over te schakelen naar andere afnemers
die andere keurmerken of duurzaamheidscriteria hanteren. Inclusief wordt dan locked-in.
Aangezien economische duurzaamheid voor sommige toeleveranciers gepaard gaat met
een overgang van specialisatie naar diversificatie, kunnen keurmerken tevens barrières
46 Een keten kan worden omschreven als de ‘full range of activities which are required to bring
    a product or service from conception, through the different phases of production (involving a
    combination of physical transformation and the input of various producer services), delivery to final
    consumers, and final disposal after use’, aldus R. Kaplinsky en M. Morris in ‘Handbook for Value
    Chain Research’, IDRC, September 2000.
47 Door een van de gesprekspartners aangeduid als landscape-benadering, mei 2015.
48 IMVO-Convenanten, SER, Den Haag, 2014. Zie: <https://www.ser.nl/nl/actueel/persberichten/2010-
    2019/2014/20140425-sectoren-overheid-maatschapelijke-organisaties-imvo-risico.aspx>.
49 Zoals de naam aangeeft richt de coalitie zich vooral op duurzame groei, wat niet noodzakelijk
    overeenkomt met duurzame ontwikkeling.
                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>oproepen – zogenaamde switching costs. De Sociaal-Economische Raad (SER) attendeerde
bij haar notitie over duurzame ketens al op dit effect.
Een ander dilemma werd in een van de gesprekken met de AIV opgebracht en heeft
betrekking op de Dutch Sustainable Growth Coalition zelf: het succes en de legitimiteit
van een dergelijke coalitie van koplopers hangt af van de mate van betrokkenheid van de
zwakste schakel in de coalitie en van het effect dat de coalitie in het thuisland (Nederland)
sorteert. Sommige grote koplopers noteerden dat zij tot op zekere hoogte in hun ambitie
om internationaal duurzaam te zijn worden geremd doordat zij in de coalitie compromissen
moeten sluiten en zich internationaal moeten verdedigen voor achterblijvend Nederlands
beleid (met name op het terrein van milieu).
Van heel andere orde is de uitdaging om grotere transparantie binnen de ketens te
verkrijgen. Vooral de rol van kleine producenten in ontwikkelingslanden – de zogeheten
‘achterkant van ketens’ – blijkt moeilijk te achterhalen. Hierop komt vanuit de publieke
opinie steeds grotere druk te staan. Denk aan een bedrijf als Apple dat aangesproken
werd op het feit dat een toeleverancier in China slechte arbeidsomstandigheden bood,
of aan de speelgoedbranche die zich geconfronteerd zag met aantijgingen over plastic
producten van dubieus allooi die schadelijk zijn voor kinderen.
Verduurzaming van ketens kan enkel worden bereikt als internationaal hierop wordt
aangestuurd. Het Aid for Trade-initiatief onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie
zet zich al langer hiervoor in.50 Zeker ook in Europees verband lijkt meer mogelijk. Tijdens
een internationale conferentie in Amsterdam op 7 december 2015 waarbij ook Cecilia
Malmström, eurocommissaris voor handel, aanwezig was drong de Nederlandse overheid
erop aan om een Europese agenda voor internationaal verantwoord ondernemen uit te
werken. Dit voorstel zal verder worden besproken tijdens een gecombineerde bijeenkomst
van Europese ministers voor Handel en Ontwikkelingssamenwerking op 2 februari 2016.51
IV.2      Voor- en nadelen van rankings
Het ministerie van Economische Zaken organiseert al sinds 2004 een Transparantie-
benchmark waarin wordt beoordeeld in welke mate bedrijven verantwoording afleggen in
hun jaarverslagen over hun activiteiten op het terrein van Maatschappelijk Verantwoord
Ondernemen (MVO). In een evaluatie van deze benchmark in 2013 werd geconstateerd dat
50 Zo was de ‘Fourth Global Review of Aid for Trade’ gewijd aan de vraag hoe met name de minst
    ontwikkelde landen met behulp van ontwikkelingsgelden betere aansluiting konden verkrijgen bij
    productieketens, WTO, 8-10 July 2013. Zie: <https://www.wto.org/english/tratop_e/devel_e/a4t_e/
    global_review13_e.htm>.
51 ‘Sustainable development is a cornerstone of the EU’s internal and external policies. And sustainable
    business is a driving force behind it. Today we concluded that all European stakeholders will join forces
    to put policy into practice. Stimulating sustainability in global value chains should be central to the
    external policies of the EU, and to its trade and development agenda in particular. This is in line with
    the G7 Leaders’ Declaration of June 2015, which highlights responsible supply chains for sustainable
    development’. Aldus een van de conclusies van de internationale conferentie ‘EU and Global Value
    Chains’ die in Amsterdam op 7 december 2015 plaatsvond. Zie: <http://www.euandgvc.nl/documents/
    publications/2015/december/7/conclusions-by-the-host>. Zie ook: <https://www.rijksoverheid.nl/
    ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/nieuws/2015/12/08/eu-volgt-nederlandse-aanpak-
    duurzame-handel>.
                                                        25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>er sprake is van toename van de transparantie in maatschappelijke verslaglegging, met
name in de periode sinds 2010.
In hoeverre dat aan de benchmark zelf ligt is lastig vast te stellen, aangezien in dezelfde
periode de eisen van transparantie vanuit meerdere stakeholders zijn toegenomen.52
Bovendien zijn ondernemingen steeds meer gaan werken aan hun duurzaamheidsbeleid
met betrokken stakeholders waardoor transparantie en communicatie dus belangrijker
worden. Toch blijkt iets meer dan de helft van de Nederlandse ondernemingen waarnaar
de benchmark verwijst nauwelijks geïnteresseerd in transparantie.53
Specifiek voor ketens heeft de Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling
(VBDO) al negen maal een ‘responsible supply chain benchmark’ uitgegeven. In 2014
werd besloten om de methodologie van de benchmark te veranderen, omdat deze aan
effectiviteit inboette. Dit houdt verband met het fenomeen van playing the ranking game,
ofwel dat ondernemingen de kunst verstaan om met dit soort benchmarks om te gaan
en daarin een redelijk hoge score te bereiken (wat makkelijker lukt als criteria niet mee
evolueren) zonder werkelijke vooruitgang boeken in hun duurzaamheidsstrategie.
Daarnaast blijkt van deze rankings niet altijd een stimulans uit te gaan om meer te
doen voor de ondernemingen die onderaan eindigen. Dit is afhankelijk van het mogelijke
reputatie-effect dat van deze rankings uitgaat. VBDO wil echter met haar ranking een
race to the top entameren en ondernemingen stimuleren. De publicatie in 2014 was de
eerste toepassing daarvan.54 Vier sectorwinnaars scoorden alle boven 75% van de VBDO
supply chain management benchmark: Philips, Inditex, Heineken en Royal BAM Groep. De
benchmark blijft echter een momentopname en zelfs een 100%-score op deze benchmark
is niet meer dan een indicatie van relatieve voorsprong op de transitie richting duurzame
ontwikkeling.
Het ministerie van Buitenlandse Zaken staat in beginsel welwillend tegenover het gebruik
van indexen en steunt de verdere ontwikkeling ervan, zoals de Access to Seeds Index
die dit jaar werd geïntroduceerd.55 Evenals de Access to Medicine Index probeert deze
index ondernemingen in positieve zin te stimuleren door middel van naming and faming
(in plaats van naming and shaming). De Access to Medicine Index vergelijkt sinds 2008
om de twee jaar de farmaceutische industrie op een deelaspect van de duurzaamheid
van bedrijfsmodellen. Bij de publicatie van de vierde index in 2014 lijkt er echter al een
soort vermoeidheidseffect op te treden, waarbij er noch voor de hoogscorende noch voor
de laagscorende ondernemingen een zodanige stimulans van de index uitgaat dat zij hun
activiteiten willen intensiveren. Een probleem van dergelijke indexen is dat zij te weinig
52 Zie onder meer de EU-richtlijn ‘On non-financial reporting’ die in 2014 in werking is getreden.
    Volgens deze richtlijn behoren bedrijven met meer dan 500 werknemers te rapporteren over niet-
    financiële zaken waaronder milieu, corruptie, mensenrechten en diversiteit. Zie: <http://eur-lex.
    europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:32014L0095>.
53 Die behoren toe aan een zogenaamd ‘betonnen bestand’, zie evaluatie transparantiebenchmark 2013,
    ministerie van Economische Zaken.
54 VBDO, ‘Responsible Supply Chain Benchmark 2014: A comparison of responsible supply chain practices
    of global multinationals’.
55 Zie: Access to Seeds Index: <http://www.accesstoseeds.org/>.
                                                   26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>aansluiten bij het totale businessmodel van de ondernemingen welke zij scoren. Daardoor
is de ondernemersleiding maar beperkt bereid (en in staat) om anders dan defensief op
een lage score te reageren.
IV.3     Ontbreken van een internationaal gelijk speelveld
Hoe moet men omgaan met concurrentie vanuit landen waar de eisen of de verwachtingen
ten aanzien van duurzaam produceren minder hoog zijn? Hoe kunnen bedrijven rekening
houden met allerlei wijzigingen in beleid in landen waar geïnvesteerd wordt, en trouwens
ook hier in Nederland? Hoe moet een onderneming het hoofd bieden aan oneerlijke
concurrentie als je een relatief kleine speler bent binnen een keten en hierop nauwelijks
invloed kunt uitoefenen?
In gesprekken met deskundigen kwamen deze vragen veelvuldig aan bod. Vooral met
de economische opkomst in Azië blijkt een gelijk speelveld voor bedrijven internationaal
moeilijk te realiseren. De lat ten aanzien van duurzaamheid wordt door Europa en China
op verschillende hoogte gelegd en dit geldt ook voor transparantie binnen de ketens.
Het is een gegeven dat in veel internationale ketens het aandeel van Chinese bedrijven
groeiende is. Als voorbeeld werd gewezen op de invloed van de Chinese staatsbank op de
productie van palmolie in Indonesië. Het vergt internationale afstemming en coördinatie
om de productiestandaard in deze keten te verhogen, maar als kleine speler kan
Nederland beperkte druk uitoefenen en de politieke context is zeer complex.
Een ongelijk speelveld voor bedrijven kan ook het gevolg zijn van free riding, waarbij landen
– en ook ondernemingen – meeliften op resultaten van duurzame ontwikkeling die door
anderen worden behaald, zonder zelf daarvoor een substantiële bijdrage te leveren. Zo
werd Australië beticht van free riding nadat de CO2-belasting en emissiehandel waren
afgeschaft.56 Een oplossing hiervoor ligt besloten in het juridisch bindend maken van
internationale verdragen zodat landen en bedrijven verplicht worden om medewerking te
verlenen, met het risico overigens dat verdragen niet ondertekend worden of inboeten aan
inhoud. Ook het delen van de lasten kan leiden tot minder free riding. Als het goedkoper of
makkelijker wordt om klimaatverandering aan te pakken of principes van mensenrechten
door te voeren dan zullen landen en bedrijven sneller geneigd zijn om medewerking te
verlenen.57
Ondanks deze uitdagingen bestaan er aanwijzingen dat een ongelijk speelveld voor
bedrijven minder bedreigend is dan vaak wordt gedacht. Als eerste geldt dat de vraag naar
buitenlandse investeringen in ontwikkelingslanden hoog is en dat niet zelden voorkeur
wordt gegeven aan een Europees bedrijf boven een bedrijf uit een opkomende economie,
ondanks eventueel hogere tarieven. Andersom zijn het soms juist Europese bedrijven die
onvoldoende interesse hebben om met een lokale partner activiteiten te ontplooien, zoals
onlangs bleek bij een mijnbouwproject in Oeganda waarbij uiteindelijk enkel een Chinees
bedrijf bereid bleek om te investeren.
Ten tweede blijkt het beeld dat duurzame ontwikkeling hogere productiekosten met
zich meebrengt en daardoor de concurrentiepositie zou aantasten, in de praktijk niet
56 African Progress Report (2015). Power, People Planet: Seizing Africa’s energy and climate opportunities.
57 William Nordhaus, Climate Clubs: ‘Designing a Mechanism to Overcome Freeriding in International
    Climate Policy’, American Economic Association, 2014.
                                                     27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>houdbaar. Zeker niet op gebied van milieu, waarvan Tomasz Koźluk aantoonde dat de
invloed van milieukosten op concurrentieverhoudingen vaak wordt overschat. De kosten
van milieumaatregelen bedragen doorgaans maar enkele procenten van de totale
productiekosten.58
Daarbij komt dat het kostenniveau van milieubeschermende maatregelen geen statisch
gegeven is. De maatregelen blijken goedkoper te worden naarmate ze vaker worden
toegepast. Bovendien spoort duurzaamheid vaak aan tot het opnieuw doorlichten en
inrichten van het productieproces. Dat kan leiden tot efficiënter gebruik van grondstoffen
en energie, met kostenbesparing tot gevolg. Een recente vergelijking van OESO-landen
geeft aan dat strenger milieubeleid vaak niet nadelig is voor de concurrentiepositie van
landen en van bedrijfstakken. Op nationaal niveau daalde de productiviteit in het jaar
voor de intensivering van het milieubeleid weliswaar, maar dit ‘aankondigingseffect’ was
drie jaar later alweer weggewerkt. Op het niveau van bedrijfstakken leidde aanscherping
van het milieubeleid tot een korte toename van de productiviteit, vooral bij technologisch
geavanceerde sectoren. Ook op het niveau van individuele bedrijven was dit effect
merkbaar. Alleen de minst productieve bedrijven ondervonden een daling van hun
productiviteit als gevolg van strenger milieubeleid.59
Een additionele dimensie die hierbij van belang blijkt is de mate van ‘turbulentie’ en
onzekerheid omtrent de richting van regulering. Alhoewel er ondernemingen zijn die handig
inspelen op wijzigingen in wetgeving, heeft het merendeel van ondernemingen meer baat
bij constante strenge regelgeving dan steeds wisselende zwakke regelgeving. Stabiliteit en
voorspelbaarheid van regelgeving en subsidiebeleid is belangrijker voor een onderneming
dan de strengheid van regels per se. In de strategie van multinationale ondernemingen
spelen dit soort overwegingen een steeds belangrijker rol voor investeringsbeslissingen.·
Dit alles betekent dat in ieder geval op milieugebied mogelijkheden bestaan om nationale
ambities aan te scherpen zonder dat het voortbestaan van sectoren of bedrijven in de
waagschaal wordt gelegd. Om die mogelijkheden te benutten moet de overheid over
voldoende kennis beschikken om de economische implicaties van strenger milieubeleid te
kunnen overzien, die overigens per sector kunnen verschillen. Op sociaal en economisch
gebied (ten aanzien van belastingregimes, minimumloon en dergelijke) vindt echter nog
steeds internationaal intensieve beleidsconcurrentie plaats. Op deze terreinen kennen
ondernemingen grotere uitdagingen (en verleidingen).
IV.4       Mededingingsrecht: de uitdaging van een breed welvaartsbegrip
In hoeverre levert het mededingingsrecht een belemmering op voor het bedrijfsleven in
het streven naar duurzame ontwikkeling? Wanneer mededingingswetgeving samenwerking
58 ‘The Indicators of the Economic Burdens of Environmental Policy Design – results from the OECD
    questionnaire’, OECD, Economics Department Working Papers no. 1178, 4 December 2014.
59 Naar aanleiding van een vergelijkend onderzoek kwamen Silvia Albrizio, Enrico Botta, Tomasz Koźluk
    en Vera Zipperer tot de slotsom dat: ‘The tightening environmental policies have had little effect on
    aggregate productivity, spurring primarily short term adjustments. Nevertheless, they have led to various
    effects within the economy – the most technologically advanced industries and firms have seen a small
    increase in productivity, possibly being in the best position to adapt. Least productive firms have seen
    their productivity fall’, in: ‘Do Environmental Policies Matter for Productivity Growth? Insights from new
    Cross-Country Measures of Environmental Policies’, OECD, Economics Department Working Papers
    no. 1176, 3 December 2014.
                                                          28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>tussen bedrijven niet toestaat, kan mogelijke ‘duurzaamheidswinst’ voor de maatschappij
niet verzilverd worden. De SER oordeelde in 2010 dat er weinig bewijs bestaat voor de
stelling dat het mededingingsrecht daadwerkelijk in de praktijk duurzaamheidsinitiatieven
frustreert.60 Toch verschijnen regelmatig berichten in de pers die op het tegendeel wijzen.
De mededingingswet is geënt op artikel 101 van het Verdrag betreffende de Werking van
de Europese Unie. De meeste Europese lidstaten en ook de Europese Commissie hebben
een eigen mededingingsautoriteit.61 In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt
(ACM) belast met de handhaving. Omdat artikel 101 rechtstreekse werking heeft, zijn
bedrijven verplicht om zelf na te gaan of de afspraken die zij voornemens zijn te maken
niet strijdig zijn met het kartelverbod.
De Mededingingswet biedt geen speciale behandeling voor samenwerkingsafspraken die
worden gemaakt op het gebied van duurzame ontwikkeling. Wel werd op 8 mei 2015 een
beleidsregel van kracht, met nadere uitvoeringsbepalingen die de ACM dient te gebruiken
bij haar toetsing of mededingingsbeperkende afspraken toegestaan zijn. De beleidsregel
gaat ervan uit dat een duurzaamheidsinitiatief enkel mededinging mag beperken als het
aan de volgende vier voorwaarden voldoet:
• het initiatief levert een bijdrage aan de economische of technische vooruitgang;
• een redelijk deel van de behaalde voordelen komt ten goede aan de consument;
• de afspraak gaat niet verder dan strikt noodzakelijk is;
• er blijft voldoende ruimte over voor concurrentie (‘restconcurrentie’).
De voorwaarden moeten per geval en in samenhang met elkaar worden bekeken. Het
netto-effect van de afspraken moet positief zijn: als gevolg van samenwerkingsafspraken
moeten betere producten (innovatief of van betere kwaliteit) worden aangeboden dan
zonder samenwerking te realiseren zou zijn. Dit geldt ook voor initiatieven op het gebied
van duurzame ontwikkeling. De afspraken moeten leiden tot efficiëntieverbeteringen die
voor de consument merkbaar zijn.
Deze nauwe economische interpretatie is bekritiseerd door academici zoals prof.mr. T.R.
Ottervanger. Hij stelt dat ‘efficiëntie op korte termijn als enige rechtvaardigingsgrond om
concurentiebeperkende samenwerking tussen bedrijven te tolereren gevaarlijk is. (...) De
samenleving is niet gebaat bij een efficiënte uitputting van grondstoffen ten behoeve van
een consument voor wie prijs nog steeds het belangrijkste criterium is’.62
In juni 2015 luidden een groep werkgevers, brancheverenigingen, de milieubeweging,
mensenrechtenorganisaties en het MVO-platform opnieuw de noodklok bij de minister van
Economische Zaken. Kern van hun kritiek is dat de ACM een ‘grote’ belemmering vormt
voor afspraken tussen bedrijven om duurzamer te produceren doordat het de regels te
strikt toepast en een verkeerde inschatting maakt van maatschappelijke belangen. Het
verweer van de ACM is dat het zich moet houden aan de kaders die door de Nederlandse
60 Zie: SER-advies over Duurzame Groei, 2010.
61 Voor de Europese Commissie is dat het zogeheten directoraat-generaal Concurrentie; sinds 2014 is de
    Deense Margrethe Vestager de eurocommissaris voor mededinging.
62 Aldus prof.mr. T.R. Ottervanger in: ‘Maatschappelijk verantwoord concurreren: Mededingingsrecht in een
    veranderende wereld’, oratie uitgesproken bij aanvaarding ambt van hoogleraar op het gebied van het
    Europees Recht, in het bijzonder het Mededingingsrecht aan de Universiteit Leiden op 19 maart 2010.
                                                     29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>en Europese mededingingsregelgeving zijn vastgesteld. De ACM verwijst naar de politiek
om deze kaders te verruimen indien daaraan behoefte bestaat. In de academische
literatuur wordt gewezen op het normatieve karakter van duurzaamheidswensen.63
Normatieve afwegingen en debatten horen thuis bij de politiek en niet bij een instantie die
juist onafhankelijk van de politiek moet opereren.
Toch bleef de kritiek niet zonder gevolgen. Op 23 december 2015 kondigde de minister
van Economische Zaken een aanpassing aan van de beleidsregel en nodigde partijen uit
via internetconsultatie hierop te reageren.64 Een van de wijzigingen betreft de definitie
van het begrip ‘consumenten’. Niet alleen de impact op de gebruikers van een product of
dienst maar ook de impact op de samenleving in bredere zin mag nu door de ACM worden
meegewogen bij de beoordeling of duurzaamheidsafspraken al dan niet geoorloofd zijn.
De nieuwe beleidsregel gaat ervan uit dat ook niet-gebruikers, dus de (Nederlandse)
samenleving, voordeel kunnen hebben van een afspraak, bijvoorbeeld wanneer zij van
positieve milieueffecten profiteren. Bij de beoordeling van het aspect of een afspraak
voldoende efficiëntievoordelen biedt mogen nu niet alleen de toekomstige voordelen
meegenomen worden, maar ook het vermijden van toekomstige lasten (bijvoorbeeld het feit
dat een verminderde CO2-uitstoot consumenten in de toekomst voordeel oplevert omdat
zij minder kosten hoeven te maken om de negatieve gevolgen van verhoogde CO2-uitstoot
tegen te gaan). Een ander punt van kritiek die bestond op de huidige praktijk wordt eveneens
ondervangen: de aangepaste beleidsregel geeft meer duidelijkheid over welke informatie
ondernemingen zelf kunnen aanleveren bij de ACM in het traject van de beoordeling van een
duurzaamheidsafspraak. Bovendien wordt de opgenomen casuïstiek aangepast aan de
actualiteit.
Als voorbeeld wordt genoemd: ‘In de kledingbranche wordt gesproken over het betalen
van een leefbaar loon aan fabrieksarbeiders in derde landen, bijvoorbeeld Bangladesh.
Wanneer de stap van het bestaande loon naar een leefbaar loon een kleine stap is, en
het loon een beperkt deel uitmaakt van de prijs van een kledingstuk, dan heeft deze stap
een beperkte impact op de prijs van een kledingstuk en daarmee op de mededinging. Dit
is met name het geval wanneer betrokken ondernemingen de vrijheid behouden op andere
concurrentieparameters. Hiermee zou een collectieve afspraak tot verhoging van de
loonbetaling tot leefbare lonen niet direct tot kartelvorming leiden’.
De AIV vindt dit een interessante casus maar tekent daar wel bij aan dat de erin
besloten opvatting van breed welvaartsbegrip nog steeds vrij beperkt is, namelijk een
interpretatie van consumentenbelangen enkel in termen van prijs (die niet of nauwelijks
omhoog mag gaan). Er zou bijvoorbeeld ook ruimte gegeven kunnen worden aan het
meewegen van marktcreatie (in plaats van marktverstoring), een bredere opvatting van
preconcurrentiële samenwerking, internationale afstemming en vooral ook naar belangen
voor de keten als geheel. Afgewacht moet nu worden welke input vanuit verschillende
partijen op de internetconsultatie binnenkomen. In ieder geval krijgt de ACM met de
nieuwe beleidsregel op essentiële onderdelen meer speelruimte bij de beoordeling van
duurzaamheidsinitiatieven.
63 Zie: J. Mulder, in SEW Tijdschrift voor Europees en economisch recht, 2014.
64 Zie: <https://www.internetconsultatie.nl/mededingingenduurzaamheid>.
                                                      30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>IV.5      Belang van belastingafdracht over internationale bedrijfsactiviteiten
Een oordeel over hoe internationaal opererende bedrijven hun bijdragen aan duurzame
ontwikkeling kunnen optimaliseren kan niet voorbijgaan aan de elephant in the room: de
massale inspanning van met name multinationale bedrijven om de afdracht van belasting
over internationale activiteiten te minimaliseren. Dit leidt ertoe dat overheden van vooral
ontwikkelingslanden en opkomende economieën voortdurend grote bedragen mislopen.
Enkele cijfers:
• Volgens berekeningen van de VN en OESO lopen overheden wereldwijd jaarlijks US$
    240 miljard mis door belastingontwijking door multinationals. Ondanks de oproep die
    de G20 in 2009 deed om een einde te maken aan banking secrecy zou de hoeveelheid
    geld dat door grote concerns in belastingparadijzen wordt gestald met een kwart zijn
    gestegen.65
•   In 2014 bespaarde de farmaciereus Pfizer US$ 1 miljard op een afdracht van $ 3,5
    miljard in de VS, via slimme buitenlandse constructies.66
•   In 2010 schatte Global Financial Integrity dat ontwikkelingslanden tussen 2002 en
    2006 gemiddeld US$ 107 miljard per jaar misliepen door belastingontwijking inclusief
    trade mispricing.
•   In 2013 schatte Oxfam Novib de verliezen van ontwikkelingslanden door belasting-
    ontwijking van bedrijven via Nederland op € 460 miljoen per jaar.
•   Recent onderzoek voor het Europees Parlement laat zien dat belastingontwijking de EU
    jaarlijks € 50-70 miljard kost. Om dit een halt toe te roepen, kondigde eurocommissaris
    Pierre Moscovici op 28 januari 2016 een pakket van vergaande maatregelen aan om
    belastingontwijking door multinationale ondernemingen tegen te gaan.67
De AIV meent dat dit gegeven zeer relevant is voor het onderhavige advies. Duurzame
ontwikkeling is niet mogelijk zonder goed functionerende overheden die de verschillende
rollen zoals uiteengezet in dit advies effectief kunnen uitvoeren. En dat lukt enkel als
voldoende belastinginkomsten worden gegenereerd. Bedrijven hebben zelf ook op vele
manieren baat bij goed functionerende overheden. Er is evenwel nog een lange weg te
gaan.68
Het feit dat een groot deel van de niet afgedragen belasting niet illegaal is maar legaal
(belastingontwijking via slimme constructies en afspraken met belastingdiensten) leidt
tot de conclusie dat overheden zelf boter op hun hoofd hebben. Dit geldt ook voor
ons land dat met zijn uitgebreide stelsel van verdragen ter voorkoming van dubbele
65 ‘Tax avoidance impoverishes us all. Fighting it requires challenging the powerful’, Wanye Swan, The
    Guardian, 11 January 2016.
66 Economist, 2 januari 2016, p. 48. In dit artikel worden Nederland en Ierland ten tonele gevoerd door het
    noemen van standaardconstructies als Double Irish and Dutch Sandwich.
67 ‘Die handige trucs werken straks niet meer’, NRC Handelsblad, 29 januari 2016.
68 ‘Unless there is concerted global action to protect the revenue bases of both developed and developing
    economies, the Sustainable Development Goals developed by the United Nations are unachievable. There
    is going to be a long and difficult road for the UN to travel between its current Sustainable Development
    Goals aspirations and implementation of practical policy over the next 15 years.’, The Guardian,
    11 January 2016.
                                                        31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>belastingheffing regelmatig genoemd wordt als spil in het web van constructies voor
belastingontwijking. De AIV tekent hierbij aan dat de Nederlandse overheid al begonnen is
om internationale verdragen kritisch te herzien, onder meer met het oog op de gevolgen
van belastingontwijking voor ontwikkelingslanden.
IV.6       Financiële sector: duurzame ontwikkeling bevorderen?
De laatste jaren investeren Nederlandse financiële instellingen in toenemende mate in
de ontwikkeling en toepassing van bedrijfsmodellen bij klanten die aandacht schenken
aan duurzame ontwikkeling. De traditionele drijfveer bij financiering, namelijk juist
inschatten van risico’s en bijbehorende prijsstelling, inclusief reputatieschade, is echter
nog dominant. Wel worden prestaties op gebied van duurzaamheid steeds meer een factor
voor tevredenheid bij klanten en eigen werknemers (met name jongere). Een goede score
op (inter-)nationale indexen of in (inter-)nationale rangordelijstjes vertaalt zich terug in lager
(vermeend) risico en daarmee lagere kosten van financiering en een steun in de rug van
de beurskoers.
Volgens een sector risicoanalyse voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn
banken en grote beleggers zoals pensioenfondsen betrokken bij alle mogelijke
MVO-risico’s – dus ook MVO-risico’s van door hun meegefinancierde activiteiten in
ontwikkelingslanden.69 Zelf benadrukken betrokkenen dat dit slechts ‘indirect’ is. Zij
erkennen alleen de verantwoordelijkheid voor hun eigen vestigingen. Bovendien wijzen zij
erop dat hun invloed op de meegefinancierde bedrijven afhangt van hun relatieve aandeel
in de financiering.
Uit een recent rapport van VBDO blijkt dat de markt voor duurzaam en verantwoord
beleggen aan het uitbreiden is. In 2013 groeide het door Nederlandse particulieren
geplaatst vermogen in duurzame spaarproducten en beleggingsfondsen met 11% tot
een omvang van ¤ 25 miljard. De groei wordt volgens de VBDO in belangrijke mate
gestimuleerd door een toename van het aantal duurzame beleggingsproducten.70
Impact investment is een nieuwe ontwikkeling in verantwoord beleggen in het kader van
kredietverlening aan jonge bedrijven in ontwikkelingslanden die een bijdrage leveren aan
duurzame ontwikkeling. Een aantal investeerders heeft zich daartoe verbonden aan de
Principles for Investors in Inclusive Finance en werkt samen in een FMO-NPM netwerk.
De Nederlandse overheid ondersteunt projecten door middel van het verstrekken van
subsidies en startkapitaal via FMO en Triple Jump.71 Particuliere beleggers hebben
69 MVO Sector Risico Analyse - aandachtspunten voor een dialoog, KPMG, september 2014.
70 ‘Duurzaam sparen en beleggen’, VBDO, november 2014. Zie: <http://www.vbdo.nl/report/Duurzaam-
    sparen-en-beleggen-in-2013>.
71 Een voorbeeld van impact investment is Stichting Waka Waka die burgers in Afrika van stroom voorziet
    via solarlampen. Op het gebied van gezondheidszorg pioniert het Investment Fund for Health in Africa dat
    kapitaal aantrekt voor investeringen in gezondheidszorg (farmadistributie, verzekeraars, infrastructuur,
    klinieken). De investeringen vormen een aanvulling op de ziektekostenverzekering die het Health Insurance
    Fund met behulp van PharmAccess heeft ontwikkeld. Dit model beoogt Afrikanen een oplossing te bieden
    bij het bekostigen van zogenaamde catastrophic expenditures ten gevolge van ziekte en ziektekosten.
    Daarnaast is een Medical Credit Fund opgericht, dat met de garantie van de Nederlandse overheid (via
    FMO) ook private investeerders aantrekt voor het opzetten van een kredietgarantiefonds voor MKB in de
    gezondheidssector. Zie ook: <http://www.inclusivefinanceplatform.nl/members/fmo>.
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>de keuze uit impactfondsen bij banken als Triodos of ASN Bank. Onlangs opende ABN
Amro een niet-openbaar Social Impact Fund dat tien miljoen euro wil investeren in
ondernemingen die bewezen maatschappelijk rendement bieden. Daarnaast zijn er steeds
meer platforms voor crowdfunding die zich specifiek richten op duurzame ontwikkeling.72
De twee pijlers onder het beleid van financiële instellingen richting duurzame ontwikkeling
zijn: (i) formele, wettelijk verankerde, dwingende regels, en (ii) vrijwillige zelfregulering:
• De formele regels vloeien voort uit het toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB),
    gebaseerd op de Wet Financieel Toezicht en de Pensioenwet. Deze wetten, en daarop
    gebaseerde besluiten, worden regelmatig aangepast aan de actualiteit en aan
    Europese en andere internationale afspraken (zoals de Basel-richtlijnen), op voordracht
    van de ministers van Financiën en Veiligheid en Justitie.
• Het DNB-toezicht op banken heeft twee hoofddoelstellingen: bescherming van
    crediteuren (zoals rekeninghouders en spaarders), en financiële stabiliteit. Men spreekt
    ook wel van micro- en macrotoezicht. De tweede doelstelling heeft na de crisis van
    2008 sterk aan gewicht gewonnen en richt zich op risicomijding. Het voornaamste
    controleinstrument is de stress-test die banken zelf jaarlijks moeten maken, waarna
    DNB die toetst. Hier komen duurzaamheidsaspecten in het spel, maar vooral voorzover
    zij gezien kunnen worden als risicofactor in stresstesten.73
• Een tweede bron van toezicht is de Autoriteit Financiële Markten (AFM) die toeziet op
    eerlijke en transparante voorlichting (zorgplicht) aan klanten en waardering. Ook de
    voorlichting over aspecten van duurzame ontwikkeling moet dus correct zijn. Daarnaast
    kunnen in extreme gevallen directe verboden worden opgelegd als besluit in het
    kader van de Wet Financieel Toezicht. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verbod op het
    financieren van activiteiten in binnen- en buitenland rondom de productie en handel van
    clustermunitie.74
• Op het gebied van zelfregulering is veel beweging richting duurzame ontwikkeling
    gaande. Zo kondigde het pensioenfonds ABP onlangs aan dat het in de komende vijf
    jaar alle beleggingen zal liquideren in bedrijven die niet voldoen aan de criteria van
    corporate sustainability. Financiële instellingen hanteren doorgaans een Environmental
    and Social Risk-beleid, en voor beleggingen wordt steeds vaker gebruik gemaakt van
    zogeheten ‘Equator Principles’ die sinds 2010 onder auspiciën van de VN worden
    ontwikkeld door tachtig grote financiële instellingen en banken (met deelname uit
    Nederland), in dialoog met kennisinstellingen en NGO’s. Begonnen met veel aandacht
    voor klimaat en milieu, ruimt de laatste versie (2013) een grotere plaats in voor
    mensenrechten. In de rapportage wordt geen ranking opgenomen maar wordt vermeld
72 Onder andere 1% Club, Put Your Money Where Your Meaning Is Community (Pymwymic), Enviu, of
    internationaal: Kiva en Toniic.
73 Helaas worden duurzaamheidsinitiatieven in het algemeen nog als risicovoller gezien omdat alles wat
    afwijkt van de bestaande bekende wereld gezien wordt als ‘complex’ of ‘risicovol’. Dat leidt zelfs tot een
    nadeel voor financiële instellingen die zich specialiseren op duurzaamheid. In ander verband merkte
    Peter Blom, CEO Triodos Bank, op dat als gevolg van regelgeving na de crisis in 2008 de financiële
    instellingen minder innovatief te werk kunnen gaan en het ‘ondenkbaar zou zijn om nu een bank te
    beginnen zoals wij deden in de jaren tachtig’, Financieel Dagblad van 12 oktober 2015. Zie: <http://
    fd.nl/ondernemen/1121893/peter-blom-banken-moeten-geen-protocol-machines-worden>.
74 Artikel 21a Besluit marktmisbruik, Wet Financieel Toezicht, 12 oktober 2006, gebaseerd op artikel
    2 van Verdrag inzake clustermunitie, 30 mei 2008, Dublin.
                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>    of een instelling wel of niet voldoet op basis van eigen rapportage. Niet verrassend
    voldoen alle bij het initiatief aangesloten leden.75
In Nederland is op initiatief van onder andere Oxfam/Novib, Amnesty International, FNV,
Pax en Milieudefensie de Eerlijke Geldwijzer ontwikkeld, onderverdeeld in een Eerlijke
Bankwijzer en een Eerlijke Verzekeringswijzer. Grote banken en verzekeraars worden hierin
getoetst op aspecten van corporate sustainability, inclusief hun mate van transparantie.
Dit leidt tot naming and shaming. Sommige banken zijn echter minder gemotiveerd omdat
zij volgens eigen zeggen onvoldoende gehoord worden waardoor feitelijke onjuistheden
zouden optreden.
Het hierboven beschreven beeld laat zien dat het duurzaamheidsbeleid van financiële
instellingen op belangrijke uitzonderingen na nog overwegend passief van aard is, niet
initiërend en vooral ingegeven door het mijden van risico. Vaak wordt volstaan met het
beoordelen van een investerings- of beleggingspropositie die wordt voorgelegd door
een klant. In positieve zin is merkbaar dat financiële instellingen bijdragen aan het
(mede)ontwikkelen van innovatieve producten die bijdragen aan duurzame ontwikkeling
zoals het verstrekken van microkrediet in ontwikkelingslanden, de ontwikkeling van
mobiele betaalsystemen, gezondheidszorgverzekeringen, lokale levensverzekeringen,
pensioenfondsen en coöperatieve kredietinstellingen. Echter, financiële instellingen
zijn nog beperkt in staat om businessmodellen en partnerschappen te beoordelen op
financiële duurzaamheid.
De instellingen zijn steeds meer geïnteresseerd in het financieren van sociale
ondernemingen, maar blijken moeite te hebben met het bepalen van wat een goede en
gedegen business case is. Financiële instellingen kunnen bijvoorbeeld moeilijk uit de
voeten met het financieren van kleine ondernemingen die willen doorgroeien. Hierdoor
ontstaat een zogeheten missing middle van middelgrote ondernemingen. Ook zou
meer financiering voor duurzame ontwikkeling mogelijk zijn door kostenverlaging van
internationale betalingen door burgers, zoals bij remittances.76
IV.7      Mensenrechten: nog een wereld te winnen
Anders dan ecologische aspecten blijken sociale- en economische aspecten van duurzame
ontwikkeling nog beperkt te worden meegenomen in de bedrijfsvoering. Te vaak wordt pas
actie ondernomen als problemen aan het licht komen. Voor veel ondernemingen blijkt
het nog een stap te ver om proactief op mensenrechten in te spelen. Dit, ondanks de
groeiende erkenning van bedrijven en maatschappelijke organisaties dat mensenrechten
aandacht verdienen.77
75 Er bestaan vele andere internationale afspraken en keurmerken die door financiële instellingen in meer
    of mindere mate worden onderschreven, onder meer het Carbon Disclosure Project en de Transparancy
    Benchmark die in de voorgaande sectie werd beschreven.
76 Zie: AIV, ‘Naar betere mondiale financiële verbondenheid: het belang van een coherent internationaal
    economisch en financieel stelsel’, advies nummer 89, Den Haag, juli 2014.
77 Een internationale enquête met 700 respondenten toont voor het zesde jaar op rij aan dat
    mensenrechten in de top drie staat voor bedrijven als prioriteit in hun streven naar corporate
    sustainability, zie ‘Global Scan State of Sustainable Business Survey 2014’, BSR.
                                                       34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>Er is alle aanleiding om onverkort in te zetten op eerbiediging van mensenrechten door
bedrijven. Dit mag als onderdeel worden gezien van de verplichting van Nederland om
bescherming te bieden tegen mensenrechtenschendingen door derden (duty to protect).
Er is inmiddels voldoende instrumentarium voorhanden dat bedrijven houvast biedt bij
een verantwoordelijke invulling op dit punt. Gedacht kan worden aan de Principles for
Responsible Contracts78 die een leidraad vormen bij onderhandelingen over investeringen,
of het recent ontwikkelde UNGPs Reporting Framework, een raamwerk hoe bedrijven
kunnen rapporten over hun mensenrechtenperformance.79
Terughoudendheid ten aanzien van het eerbiedigen van mensenrechten is voor een deel
afkomstig uit bedrijven zelf. In zijn oratie bij de Erasmus Universiteit besteedde hoogleraar
International Business and Human Rights Cees van Dam aandacht aan de rol van de
juridische afdeling van ondernemingen die regelmatig interne barrières opwerpen om
actievere strategieën – samen met andere stakeholders – te implementeren. In het beleid
van de Nederlandse overheid (maar ook in de opleiding van bedrijfsjuristen bijvoorbeeld)
zou meer aandacht moeten komen voor de interne hindermacht binnen bedrijven op dit
punt.80
Nederland heeft als een van de eerste EU-lidstaten gehoor gegeven aan de oproep van
de Europese Commissie om in een Nationaal Actie Plan Mensenrechten en Bedrijfsleven
uiteen te zetten hoe Nederland invulling geeft aan de verplichting om bescherming te
bieden tegen bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen.81 Ook het initiatief om
samen met het bedrijfsleven en betrokken instellingen in het kader van Internationaal
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) convenanten te ontwikkelen met
betrekking tot geïdentificeerde risicosectoren is innovatief.82
Als voorbeeld mag de op handen zijnde overeenkomst in de kleding- en textielsector
dienen. Eerbiediging van mensenrechten, met name van bevordering van leefbaar loon,
verbeterde productieomstandigheden en versterking van vakbonden en arbeidsinspecties,
staan daarbij centraal. Directe aanleiding vormde de ramp in de Rana Plaza kledingfabriek
in Bangladesh in 2013 waarbij 1.100 mensen, voornamelijk fabrieksmedewerksters,
omkwamen en nog eens duizenden gewond raakten. Op 4 september 2015 begonnen de
onderhandelingen tussen brancheorganisaties, overheid, maatschappelijke organisaties en
vakcentrales. Het streven is om in het voorjaar van 2016 een zogeheten Textiel convenant
met alle betrokkenen af te sluiten met het oog op het doorvoeren van substantiële
verbeteringen in de werk- en arbeidsomstandigheden binnen de kleding- en textielketen.
Deze keten is wereldwijd vertakt en dus zal uitvoering van het convenant om afstemming
78 Zie: UN Doc. A/HRC/17/31/Add.3.
79 Zie: <www.ungpreporting.org>. Een aantal grote Nederlandse bedrijven, zoals ABN en Unilever, past deze
    vorm van rapportage al toe.
80 Prof.dr. C.C. van Dam: Inaugural lecture, Rotterdam School of Management, 18 september 2015.
81 NAP ‘Naming and Shaming’, December 2013.
82 Hoofdstuk V.3 gaat hier uitvoeriger op in.
                                                     35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>vragen op regionaal (onder meer Azië maar ook opkomend Afrika) en mondiaal niveau.83
IV.8      Conclusie: ondanks hoopgevende ontwikkelingen nog flinke uitdagingen
Bovenstaande praktijkervaringen laten een gemengd beeld zien. Een aantal grote
Nederlandse ondernemingen scoort goed op internationale indices van corporate
sustainability. Daarnaast is er een middengroep van bedrijven die aandacht schenkt aan
corporate sustainability vanuit vooral defensief oogpunt, namelijk om reputatieschade te
voorkomen. Deze bedrijven introduceren gedragscodes, richtlijnen en keurmerken met
als doel om risico’s te managen en te mitigeren. De overwegende indruk die de AIV uit
gesprekken kreeg is dat een lange staart van Nederlandse bedrijven nog onvoldoende
presteert op het gebied van duurzaamheid.
De praktijk leert dat voor alle bedrijven – groot-, midden- en kleinbedrijf en financiële
instellingen – de ecologische aspecten zich over het algemeen makkelijker laten vertalen
in een businessmodel dan sociale aspecten, met name mensenrechten. Op dat punt
wordt wel vooruitgang geboekt maar met aanzienlijk meer moeite, met vallen en opstaan.
In de gesprekken werd erop gewezen dat zowel op internationaal als op nationaal niveau
er nog onvoldoende verbinding wordt gelegd tussen het discours en instrumentarium
voor de bijdrage door het bedrijfsleven aan mensenrechten in het kader van de duurzame
ontwikkelingsdoelen.
Zelfs grote ondernemingen die internationaal tot de koplopers worden gerekend zijn nog
niet in staat om volledig duurzaam te ondernemen. Het is voor hen een terugkerende
uitdaging om interne- en externe bedrijfsvoering richting duurzame ontwikkeling op elkaar
af te stemmen, hetgeen wordt versterkt door het feit dat in internationaal opzicht de wet-
en regelgeving nog grote verschillen kent en dus uitnodigt tot het opzoeken van grenzen.
Het gesjoemel bij Volkswagen toonde volgens Pieter Leroy, hoogleraar Milieu en Beleid
aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, aan dat de zogenaamd ‘eco-modernistische
theorieën’ weinig valide zijn: alsof ‘de markt’ onze milieuvraagstukken zal oplossen door
een combinatie van slimme technologie aan de aanbodzijde en een milieubewuste en
goed geïnformeerde burger aan de vraagzijde: ‘De VW-casus toont het illusoire van die
aannames aan, en de noodzaak van onafhankelijke expertise’.84
Het is aan de overheid om in een juiste mix van wet- en regelgeving de ondergrens te
bewaken en tegelijkertijd bedrijven te stimuleren de transitie naar duurzaam ondernemen
te doen slagen. Dit wordt in het volgende hoofdstuk belicht.
83 Zie: SER, ‘Kleding- en textielsector werkt aan convenant over internationaal MVO’, 14 september 2015:
    <https://www.ser.nl/nl/actueel/persberichten/2010-2019/2015/20150914-imvo.aspx>, en brief van
    minister Ploumen aan de Tweede Kamer, ‘Ontwikkelingen in de textielsector’, 13 november 2015.
84 ‘Mark Rutte sloeg bij de VN de plank pijnlijk mis’, Pieter Leroy, De Volkskrant, 29 september 2015.
                                                       36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>V		       Ondersteuning door de Nederlandse overheid
V.I       Vier rollen
In de vorige hoofdstukken werden de belangrijkste uitdagingen voor het Nederlandse
beleid bij het ondersteunen van de duurzaamheidsambities van Nederlandse bedrijven
beschreven. Naast regulering als haar primaire taak staat de overheid een scala van
interventies ter beschikking. Hieronder worden vier rollen genoemd85, met de aantekening
dat deze toenemend dienen te worden afgestemd in internationaal verband en zeker in
Europese context.
De ervaring leert dat de fasering en onderlinge coördinatie van interventies belangrijker
zijn dan hun omvang. Juist een gevarieerde aanpak blijkt het meeste effect te sorteren
waarbij interventies naast elkaar, in afstemming op elkaar, na elkaar en soms zelfs in
concurrentie met elkaar (leren, uittesten wat het beste werkt) worden uitgevoerd:
• Reguleren, naast vergunningverlening uit deze taak zich in wetgeving en opstellen van
    voorschriften zoals voor het tegengaan van vervuiling. Wetgeving geeft de overheid
    de mogelijkheid om corrigerend en regulerend op te treden. Internationaal gezien is
    wetgeving en coördinatie beperkt. De praktijk laat zien dat wetgeving over het algemeen
    tot reactieve duurzaamheidsstrategieën leidt.
• Faciliteren, door middel van subsidieregelingen, ondersteunende wetgeving,
    kennisinstellingen, maar ook ondersteuning door ambassades. Faciliteren is met
    name van belang om organisaties te helpen te investeren in nieuwe technieken en
    organisatievormen waar op korte termijn nog geen haalbare business case voor bestaat.
    Het helpt organisaties dan actiever te worden. Als het netto-effect hiervan is dat
    maatschappelijke meerwaarde wordt gecreëerd dan is dit een algemeen geaccepteerde
    interventie van overheden.
• Stimuleren van partnerschappen door het ontplooien van gezamenlijke initiatieven
    in de vorm van publiek-private partnerschappen. Dergelijke partnerschappen
    kunnen ondernemingen behulpzaam zijn bij het maatschappelijk verankeren van
    hun bedrijfsstrategie richting duurzame ontwikkeling. Indien meerdere spelers nodig
    zijn om bijvoorbeeld institutionele randvoorwaarden te creëren voor succes, is een
    subsidierelatie niet voldoende. Partnerschappen nemen diverse vormen aan variërend
    van formeel tot meer informeel: contractuele relaties (publiek-private partnerschappen),
    afspraken (convenanten) en stakeholder-dialogen.
• Endorsement, zoals bijvoorbeeld het bevorderen van transparantie in markten
    of publiceren van best-practices, is de lichtste vorm van overheidsinterventie die
    (niettemin) vrij weinig gebruikt wordt. De overheid treedt hierbij op als meer of minder
    actieve ‘marktmeester’ bij het vormen van duurzame markten. Indien de overheid
    zelf criteria en keurmerken initieert dan is dit op basis van haar wetgevende en
    faciliterende rol. Dat heeft als nadeel dat wellicht verkeerde of te beperkte praktijken
    (corporate sustainability vanuit defensieve overwegingen) worden ondersteund. Een
85 Dit onderscheid is gebaseerd op studies van onder meer de Wereldbank en OECD, zie ook publicatie Rob
    van Tulder, 2013. Eventueel zou hieraan nog een vijfde rol kunnen worden toegevoegd, namelijk de rol van
    de overheid als launching customer of als marktpartij zoals bij het inkopen van goederen. In het volgende
    hoofdstuk wordt erop gewezen dat de overheid meer dan nu het geval is hierin een voorbeeldrol kan
    vervullen.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>    actieve benadering van marktmeesterschap is dat de overheid het probleem van
    informatieasymmetrie in door haar belangrijk gevonden markten aanpakt, bijvoorbeeld
    door transparantie in keurmerken te verschaffen. Het effect hiervan kan zijn dat een
    level playing field ontstaat en een race to the top wordt geëntameerd, zonder dat hier
    wetgeving aan te pas komt. Dat vergt echter wel dat de transparantie gepaard gaat met
    specificatie van minimumeisen en classificatie van best in class-initiatieven.
Een studie uit 2013 van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
(IOB) koos voor eenzelfde indeling van overheidsrollen om na te gaan wat het effect van
bestaande instrumenten was op de mate waarin ondernemingen hun maatschappelijke
verantwoordelijkheid (wat in dit geval gelijk gesteld kan worden aan duurzaamheid)
vormgeven.86 Er bleek bijzonder weinig systematisch onderzoek naar dit aspect te zijn
gedaan. Uit literatuurverwijzingen maakte de IOB op dat internationaal georiënteerd
overheidsbeleid op gebied van duurzame ontwikkeling over het algemeen gelijkverdeeld
gebruikmaakt van de vier genoemde interventies. Meest positieve effecten werden
toegeschreven aan de rollen faciliteren en het aangaan van partnerschappen. Gemengde
en zelfs negatieve resultaten lieten de andere twee rollen, regulering en endorsing, zien.
Waarbij werd aangetekend dat laatstgenoemde rol van endorsing vaak te bescheiden werd
ingevuld, waardoor het beoogde effect niet werd bereikt.
Wat de IOB-studie ook aan het licht bracht was dat de verschillende rollen en interventies
elkaar versterken: wet- en regelgeving creëert de ‘stok’, terwijl faciliteren, partnerschappen
en endorsing (in diverse verhoudingen) de ‘wortel’ creëren. Bovendien bleken interventies
meer effect te sorteren wanneer de overheid niet als enige actor optrad en bedrijven,
maatschappelijke organisaties, onderzoeksinstellingen en lokale gemeenschapsorganen
bij besluitvorming betrok.
Een aandachtspunt waar de AIV op werd gewezen is dat deze rollen in de praktijk vaak
gefaseerd uitgeoefend worden, bijvoorbeeld in (i) een precompetitieve fase die gericht
is op het faciliteren en subsidiëren van initiatieven, waarbij een vliegwiel in gang wordt
gezet en de overheid vooral als katalysator optreedt, en (ii) een competitieve fase waarbij
het bovenal gaat om toezien op naleving, ofwel controleren of de partners leveren wat zij
beloven, zowel financieel als kwalitatief, en doen uitvoeren van impact assessments.
V.2       Doorgevoerde veranderingen in buitenlands beleid
In 2010 werden de ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de meest
internationale sector van de Nederlandse economie) en Economische Zaken in elkaar
geschoven tot het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, in 2012
hernoemd tot het ministerie van Economische Zaken. In datzelfde jaar werd de minister
voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking benoemd en het Directoraat-
Generaal van Buitenlandse Economische Betrekkingen verplaatst van het ministerie van
Economische Zaken naar het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Doel van deze herinrichting was onder meer grotere coherentie in het Nederlandse
buitenlandse beleid te verkrijgen en een duidelijker koppeling met het bedrijfsleven
te creëren. Tegelijkertijd werd op menig begrotingspost bezuinigd, de relatie met
zowel bedrijfsleven als maatschappelijke organisaties nader gedefinieerd en nieuwe
86 IOB, no. 377, ‘Corporate Social Responsibility: the role of public policy - A systematic literature review of
    the effects of government supported interventions on the corporate social responsibility (CSR) behavior of
    enterprises in developing countries’, Den Haag, 2013.
                                                     38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>beleidsinstrumenten – zoals een aparte faciliteit ter ondersteuning van publiek-private
partnerschappen (PPPLab) – ingezet. Binnen de ministeries vinden nog steeds
aanpassingen plaats, maar minder ingrijpend dan in het afgelopen decennium.
De herschikking van beleidsterreinen riep weinig kritiek op. Die richtte zich hoofdzakelijk
op de gelijktijdige bezuinigingsoperatie en een gebrekkige overall visie. Aanhangers van
doorgevoerde hervormingen wijzen op een noodzakelijke modernisering van het beleid.
Tegenstanders spreken van kapitaalvernietiging doordat lang opgebouwde kennis en
netwerken afgebroken worden. In beide gevallen wordt echter gepleit voor nadere
uitwerking van het ‘grotere verhaal’.87 Er lijkt vrij algemene overeenstemming te bestaan
dat het Nederlandse buitenlandse beleid en bijbehorende instrumenten aan een grondige
herziening toe waren.
De grootste veranderingen vinden plaats in de relatie met ontwikkelingslanden. Het
overkoepelende doel van de doorgevoerde aanpassingen is erop gericht om grotere
synergie tussen hulp en handel te bereiken. Dit is in eerste instantie vervat onder de
noemer van ‘economische diplomatie’, met als uitgangspunten dat er een duidelijk belang
voor Nederland aanwezig moet zijn en dat Nederland reële beïnvloedingsmogelijkheden
moet hebben.88
Economische diplomatie heeft een principiële en een financiële component. In 2011 werd
het begrip gelanceerd op de vroegere website van het ministerie van Economische Zaken
onder het motto: ‘meer economische diplomatie, minder subsidie’. In een kabinetsbrief van
8 april 2011 over modernisering van de Nederlandse diplomatie werd de ambitie verwoord
dat het beleid moderner, flexibeler en goedkoper moet.89 Voor ontwikkelingssamenwerking
werd bijvoorbeeld een keuze gemaakt voor minder partnerlanden (tien landen) en minder
sectoren (waarbij de focus vooral kwam te liggen op water en voedselvoorziening). In de
woorden van het kabinet: ‘We doen waar we goed in zijn en kiezen daarvoor de meest
vruchtbare bodem’.
Belangrijkste uitdaging vormt ook nu nog het integreren van beleidsterreinen zoals handel,
buitenlandse betrekkingen, het ondersteunen van Nederlandse ondernemingen in het
buitenland en ontwikkelingssamenwerking. Een effectieve inzet van het netwerk van posten
(ambassades, consulaten en zogenaamde Netherlands Business Support Offices) is daarbij
vereist.
Bij de implementatie van economische diplomatie zijn inmiddels forse stappen gemaakt,
zowel institutioneel als met de introductie van beleidsinstrumenten. Toch ziet de AIV nog
87 Grote veranderingen veroorzaken altijd onrust. Toen diverse ambassades (onder meer in Zambia) gesloten
    werden, protesteerden bijvoorbeeld de werkgevers verenigd in VNO-NCW sterk. Meer recent kwamen de
    vier grootste medefinancieringsorganisaties in het geweer tegen het feit dat zij een kwart tot de helft
    van hun personeel moeten ontslaan, omdat ze vanaf 1 januari 2016 geen institutionele financiering
    van het ministerie van Buitenlandse Zaken meer krijgen. Dat effect ligt anders bij de wat kleinere
    medefinancieringsorganisaties (zie een binnenkort uit te brengen rapport van het Partnerships Resource
    Centre: ‘The State of Partnership Report – 2015; development CSOs under siege’, Rotterdam.
88 Van Dooremalen en Quadvlieg: ‘Nederlandse economische diplomatie heeft overkoepelende visie nodig’,
    Internationale Spectator, 64 (2), 2010, pp. 77-80.
89 Ministerie van Buitenlandse Zaken, ‘Nota Modernisering Nederlandse Diplomatie’, 8 april 2011, Tweede
    Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32 734, nr. 1.
                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>mogelijkheden om de koppeling tussen handel en ontwikkelingssamenwerking en het
topsectorenbeleid sterker tot uiting te brengen. Daartoe zou een gemeenschappelijk kader
voor de diverse beleidsonderdelen behoren te worden uitgewerkt, liefst in samenhang met
een concreet plan van aanpak voor hoe Nederland de komende jaren aan de duurzame
ontwikkelingsdoelen wenst bij te dragen. Ook voor het eigen nationale beleid zou een
expliciete koppeling met de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling bevorderlijk
zijn voor de veelgevraagde kanteling richting nieuw elan en groei van de Nederlandse
economie.90
V.3        IMVO-convenanten in voorbereiding
Met belangstelling volgt de AIV de voortgang in besprekingen over convenanten die
in het kader van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)
worden afgesloten met bedrijven die werkzaam zijn in een dertiental als hoger risico
bestempelde sectoren. Het initiatief volgt op een advies dat de SER vorig jaar uitbracht.91
Dat constateerde dat als gevolg van globalisering Nederlandse bedrijven die in het
buitenland opereren in toenemende mate worden blootgesteld aan complexe of
ondeugdelijke werkvoorwaarden zoals kinderarbeid, het onrechtmatig in bezit nemen van
landbouwgronden of schade aan kwetsbare ecosystemen.
Vandaar de oproep om de handen ineen te slaan en gezamenlijk met de Nederlandse
overheid, vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, consumenten
en maatschappelijke organisaties dergelijke complexe problemen gestructureerd aan te
pakken. Zo wordt het mogelijk om een proces van naming and shaming om te buigen naar
een meer constructieve benadering van naming and faming, of ook: knowing and showing.
De IMVO-convenanten hebben tot doel om de OESO-richtlijnen voor multinationale
ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights in de praktijk
ten uitvoer helpen te brengen.92 Concreet wordt met betrokken partijen gekeken naar waar
binnen de geselecteerde sectoren het risico op schendingen het grootst is, en vervolgens
gezocht naar oplossingen op middellange termijn (drie tot vijf jaar) voor groepen die
nadelige gevolgen ondervinden. Met de aanpak van IMVO-convenanten loopt Nederland
voorop en de eerder genoemde internationale conferentie in Amsterdam op 7 december
90 Dit kan overigens nog interessante dilemma’s opleveren gezien de nog achterblijvende positie van
    Nederland op gebied van duurzame, lokale energieopwekking of transitie naar duurzame landbouw (zoals
    al aangestipt in hoofdstuk II.1).
91 SER-advies ‘IMVO-convenanten’, april 2014.
92 Convenanten bieden de overheid de mogelijkheid tot het nemen van haar duty to protect. De overheid
    vervult hiervoor verschillende rollen bij de IMVO-convenanten. Ten eerste is de overheid betrokken als
    convening party. Ze brengt de verschillende partijen, van bedrijven tot vakbonden, bij elkaar. Een tweede
    rol is het ontwikkelen van kennis over IMVO. Dit helpt de betrokken partijen om strategiën te ontwikkelen
    om met IMVO risico’s om te gaan. Een derde rol van de overheid, zoals geformuleerd in de kamerbrief
    over de tussenrapportage over IMVO-convenanten, is het aangaan van de dialoog met sectoren over
    ketenverantwoordelijkheid. De vierde rol is het over de grens uitdragen van de notie van IMVO-convenanten.
    Dit mede om een mondiaal gelijk speelveld na te streven.
                                                        40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>2015 had tot doel om dergelijke beleidsontwikkeling ook in Europees verband te
entameren.93
Het initiatief tot het afsluiten van convenanten ligt in eerste instantie bij bedrijven, zo
stelt het kabinet. Mocht dit uitblijven dan kunnen andere betrokken partijen bedrijven
ertoe bewegen om hun verantwoordelijkheid te nemen. Uitgangspunten voor het opstellen
van IMVO-convenanten zijn onderling vertrouwen en een constructieve houding van de
verschillende partijen. Er is geen wetgeving die op naleving van de afspraken toeziet.
In navolging van het genoemde SER-advies heeft het kabinet de doelstelling vastgelegd
om voor 2017 in minimaal tien sectoren met Nederlandse bedrijven convenanten af te
spreken. Deze dienen breed gedragen te worden en concrete afspraken te bevatten.
Uit de tussenrapportage van 10 juli 2015 blijkt dat voor de bancaire en textielsectoren
convenanten in voorbereiding zijn. Binnen zes sectoren vindt overleg hierover plaats. Vijf
sectoren bevinden zich in de verkennende fase en drie sectoren (pensioenfondsen, land-
en tuinbouwsector en olie- en gassector) hebben nog geen initiatief genomen tot verdere
verkenning.
Het IMVO-convenantenbeleid is een potentieel krachtig instrument om duurzaamheids-
strategieën van ondernemingen te ondersteunen, zeker ook op het gebied van mensen-
rechten dat in de praktijk zo lastig realiseerbaar blijkt. Er zal echter een hoger tempo nodig
zijn om de doelstelling van tien convenanten voor 2017 te halen. Bovendien zou nog eens
goed gekeken moeten worden naar de criteria aan de hand waarvan de dertien risicovolle
sectoren zijn geselecteerd. Mogelijk verdient het aantal indicatoren uitbreiding.
Wat betreft de uitvoering van convenanten bestaat het gevaar dat deze vooral risico- en
compromisgedreven zullen worden waardoor niet meer dan een ‘minimale gemene deler’
uit beraadslagingen komt, die voorlopende bedrijven weinig voordeel biedt en soms zelfs
voor hen een belemmering vormt, en voor achterlopers te weinig uitdaging. Dit zal vooral
het geval zijn wanneer stakeholders met defensieve doelstellingen in deze convenanten
participeren. Het goed managen van de IMVO-convenanten vraagt daarom om aandacht,
waarbij de overheid tijdens de onderhandelingen een juiste balans moet zien te houden
tussen haar rol van wet- en regelgever en die van facilitator.
Het belangrijkste punt waar de AIV vragen bij stelt is of de gemaakte afspraken – zelfs als
deze in realistische termen geformuleerd worden – in de praktijk voldoende zullen worden
nageleefd. Recente voorbeelden laten immers zien dat zelfs ondernemingen die voorop
lopen in hun respectievelijke sector grote moeite houden met het in de praktijk brengen
van hun corporate sustainability-strategie, zeker waar het eerbiediging van mensenrechten
betreft. Het blijft dus een constante afweging in hoeverre het initiatief bij ondernemingen
kan blijven liggen of dat een meer dwingende rol voor de overheid vereist is.
Om die reden zal het nodig zijn om zicht te houden op de voortgang van convenanten,
onder meer vanuit het perspectief of zij daadwerkelijk ondernemingen en maatschappelijke
organisaties aansporen om de overgang richting corporate sustainability (gezamenlijk)
waar te maken. De convenanten mogen in ieder geval geen barrière daartoe vormen.
Een benchmark van succes zou kunnen zijn in hoeverre de convenanten tot innovatieve
partnerschappen leiden.
93 Meerdere Europese landen tonen inzet om duurzaamheid te vertalen in concreet beleid, onder meer the
    fit five (Scandinavische landen en Zwitserland) die al in hoofdstuk II.1 werden genoemd.
                                                       41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>V.4       Opkomst van publiek-private partnerschappen
De Nederlandse overheid heeft in het kader van haar gewijzigde buitenlandse beleid sterk
ingezet op partnerschappen. Zo heeft zij niet alleen geprobeerd partnerschappen tussen
ondernemingen en maatschappelijke organisaties te entameren via subsidieprogramma’s,
maar is zelf ook steeds meer een partner gaan worden. Daarbij heeft zij zich vooral
gericht op sectoren waar het Nederlandse bedrijfsleven sterk in is, zoals voedselzekerheid
en water. Sinds 2007 zijn in Nederland zogenaamde Schokland- en Millennium-akkoorden
gesloten, waarbij 54 zeer verschillende partnerschappen werden aangegaan.
Het Initiatief Duurzame Handel (IDH) werd met meer dan 100 miljoen euro gedoteerd
waarin NGO’s, ondernemingen en donoren (onder andere Nederland en Zwitserland)
samenwerken om grondstoffenketens duurzamer te maken. Zij doen dit vooral via top-
down benaderingen gericht op het ontwikkelen van keurmerken. Een ander grootschalig
keteninitiatief is 2SCALE waarbij voor een meer bottom-up benadering gekozen is. Ook
werd de Access to Medicine Stichting gefinancierd die erop gericht is door middel van
ranglijsten farmaceutische ondernemingen te bewegen de toegang tot medicijnen voor
arme bevolkingsgroepen toe te laten nemen.
Onder voormalig staatssecretaris Knapen en minister Ploumen zijn naderhand meer
beleidsinstrumenten geïnitieerd die gerichter en scherper proberen om sterke Nederlandse
sectoren aan de behoeften van ontwikkelingslanden te koppelen. Het gaat vooral om
faciliteiten voor publiek-private partnerschappen (PPP’s) rondom duurzaam water en
voedselzekerheid, waar tot nu toe in totaal meer dan ¤ 300 miljoen in werd geïnvesteerd
(zie bijlage VI voor een korte beschrijving van enkele van deze initiatieven).
Binnen een partnerschap moeten de partijen complementair zijn aan elkaar en eigen
inbreng stimuleren. Een opzet waarbij een partij vooral als geldschieter fungeert en de
andere partij(en) als uitvoerder neemt in de praktijk al gauw de vorm aan van een relatie
tussen een opdrachtgever en aannemer. Voor een onderneming kunnen publiek-private
partnerschappen strategische waarde hebben. Het aangaan van dergelijk partnerschap
kan zorgen voor zekere stabiliteit, waardoor de onderneming onafhankelijker wordt
van haar beleidsomgeving en flexibeler hierop kan inspelen. Dit geldt zeker ook voor
partnerschappen die internationaal worden aangegaan. Partnerschappen creëren
institutionele verbanden die de ‘institutionele leemte’ in ontwikkelingslanden kunnen
helpen invullen.
Partnerschappen bieden de mogelijkheid om als klein land met behulp van gerichte
interventies verschil te maken. In een nog te verschijnen publicatie inventariseren Rob van
Tulder en Ton Dietz ruim zestig PPP’s in Afrika. Het betreft multistakeholder projecten die
vooral plaatsvinden in landen waar een Nederlandse ambassade aanwezig is. Opvallend
is de participatie van een breed scala aan actoren: ondernemingen, maatschappelijke
organisaties, (semi)overheidsinstellingen en kennisinstellingen. Tevens opmerkelijk is het
bilaterale karakter van de meeste projecten. Slechts in enkele gevallen zijn er meerdere
landen betrokken geweest bij een project. Mag aan de hand van deze sterk gegroeide
portefeuille van activiteiten worden geconcludeerd dat er sprake is van een op duurzame
ontwikkeling gerichte diplomatie in Afrika? Er is een begin, maar nog onvoldoende
geïntegreerd beleid, zo constateren de onderzoekers.94
94 A.J. Dietz en R.J.M. van Tulder (nog te verschijnen): ‘Duurzame Diplomatie Gevraagd’, Afrika
    Studiecentrum Leiden.
                                                      42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>V.5      Conclusie: naar diplomatie gericht op duurzame ontwikkeling
De Nederlandse overheid staat voor de taak om de diverse rollen die men richting
bedrijven aanneemt zo goed mogelijk te vervullen en de daarbijhorende instrumenten te
ontwikkelen. Het effectief omgaan met een vierdubbele pet van wetgever, subsidiegever,
partner en marktmeester stelt hoge eisen aan afstemming. Dit geldt bijvoorbeeld in de
relatie met Nederlandse bedrijven die zich in hun strategieën – ook als die aansluiten bij
de duurzaamheidsambities van de Nederlandse overheid – niet altijd ondersteund voelen
door een consistente en goed georganiseerde overheid. Er lijkt nog sprake van een
overgangsfase.
De AIV is van mening dat het beleid van ‘economische diplomatie’ zoals dat de laatste
jaren gestalte heeft gekregen nog kansen richting duurzame ontwikkeling onbenut laat.
Gestreefd moet worden naar een meer expliciete koppeling tussen de economische
belangen van Nederlandse ondernemingen en duurzame ontwikkelingsdoelen. Er is
behoefte aan een gemeenschappelijke agenda die uitdrukking geeft aan hoe Nederland,
met name ook het Nederlandse bedrijfsleven, aan het realiseren van deze doelen wenst bij
te dragen. Het instrumentarium ter ondersteuning van Nederlandse ondernemingen dient
hierop te worden afgestemd.
                                            43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>VI       Intensivering van ondersteuning door overheid
VI.1     Sterker inzetten op samenspel met andere actoren in de
         Dutch Diamond
Zoals in het vorige hoofdstuk werd genoemd vormt ten aanzien van het Nederlandse
buitenlandse beleid de belangrijkste uitdaging om de beleidsterreinen van handel,
buitenlandse betrekkingen, het ondersteunen van Nederlandse bedrijven en ontwikkelings-
samenwerking te integreren. Hiervoor is een effectieve inzet van het netwerk van posten
(ambassades, consulaten en zogenaamde Netherlands Business Support Offices) nodig.
Het Nederlandse beleid inzake het mobiliseren en stimuleren van bedrijven om bij te
dragen aan duurzame ontwikkeling gaat ervan uit dat een ‘op duurzaamheid gerichte
economische diplomatie’ de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven kan
versterken op terreinen waar in ontwikkelingslanden veel behoefte aan is. Daar liggen
kansen voor het Nederlandse bedrijfsleven vis-à-vis bijvoorbeeld bedrijven uit opkomende
economieën. VNO-NCW pleit voor een vorm van ‘duurzame ontwikkelingssamenwerking’
die is gericht op zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden, wat vraagt om het benutten van
de private kracht van bedrijven, kennisinstellingen én maatschappelijke organisaties op
gebieden waar Nederland goed in is.
Dat het oplossen van duurzaamheidsvraagstukken om intensieve samenwerking met
partners vraagt, en tevens goede interne coördinatie verlangt, wordt binnen de overheid
breed onderschreven. In de praktijk loopt de werkwijze soms nog uiteen. Waar het
ministerie van Buitenlandse Zaken rept van een ‘Dutch Diamond’ en inzet op veelzijdige
samenwerking tussen overheid, ondernemingen, maatschappelijke organisaties en
kennisinstellingen, wordt binnen het ministerie van Economische Zaken en het beleid
rondom de topsectoren niet over een diamant maar een ‘gouden driehoek’ gesproken.
Die bestaat uit een alliantie tussen kennisinstellingen, de overheid en het bedrijfsleven.
Maatschappelijke organisaties maken op voorhand daarvan geen deel uit en moeten zich
invechten om hun positie erkend te krijgen, vooral in de nationale discussie.
Helderheid is geboden. Gelet op het complexe karakter van duurzaamheidsvraagstukken
en de grote verscheidenheid aan omstandigheden waarin duurzaamheidsinitiatieven
internationaal worden ontplooid beveelt de AIV een zo breed mogelijke deelname van
betrokken actoren aan. Niet in driehoeksvorm – in een alliantie tussen de overheid,
bedrijven en kennisinstellingen – noch in een vierhoek – waarbij tevens maatschappelijke
organisaties, werkgevers-, werknemers- en brancheorganisaties vertegenwoordigd zijn –
maar in onvervalste diamantvorm waarbij ook financiële instellingen betrokken worden bij
overleg. Net zoals de overheid zijn zij in hoge mate verantwoordelijk voor de voorwaarden
waarbinnen activiteiten door ondernemers, burgers en kennisinstellingen kunnen worden
ondernomen (zie figuur 2):
                                               44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Figuur 2: Complexe karakter duurzaamheidsvraagstukken vraagt om multiactorenaanpak
Zoals het eerder genoemde voorbeeld van het op handen zijnde IMVO-convenant voor de
textielsector laat zien, wordt het belang van een dergelijke multiactorenaanpak niet alleen
ingegeven door het betrekken van alle relevante actoren. De aanpak reikt dieper omdat
als gevolg van de netwerkende functie die van het geheel uitgaat, er dwarsverbanden
worden gegenereerd die het oplossingsvermogen voor duurzaamheidsvraagstukken doet
versterken en bijdraagt aan beleidscoherentie. Uitvoering van de internationale duurzame
ontwikkelingsdoelen zal een beroep doen op dergelijke dwarsverbanden en innovatieve
oplossingen.
De AIV wijst erop dat de bedoelde Dutch diamond-strategie onder druk zal komen te
staan als de belangrijkste dragers ervan – zeker ook maatschappelijke organisaties die
een belangrijk advocacy rol vervullen en verandering bepleiten – niet adequaat in kunnen
spelen op nieuw beleid, hetzij omdat er zwaar op hun budget gekort wordt, hetzij omdat
ze zich niet snel genoeg weten aan te passen aan de nieuwe realiteit van op duurzame
ontwikkeling gerichte diplomatie. Ook zal het nodig zijn om binnen het ministerie van
Buitenlandse Zaken en de posten verdere institutionele verdieping door te voeren om
grotere beleidscoherentie mogelijk te maken.
Zo werd in 2015 een nieuwe directie voor ‘inclusieve groene groei’ opgericht om
zogenaamde ‘nexus’-projecten van met elkaar verknoopte beleidsterreinen – zoals water,
klimaat, voedselzekerheid en energie – beter te kunnen beheren. Een van de belangrijkste
uitdagingen voor deze directie wordt om de diverse rollen effectief in te zetten, onderlinge
coördinatie te waarborgen en voldoende interne competentie(s) te hebben om de diverse
maatschappelijke spelers bij elkaar te brengen.
                                              45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>Dit is ten dele een procedurele rol, maar vergt ook aanzienlijke inhoudelijke competenties
en een goede beheersing van diverse partnerschapstechnieken. De framing van het beleid
en de daarbij behorende doelstellingen voor langere termijn – in samenspraak met alle
relevante actoren die duurzaamheid kunnen maken of breken (zie concluderende deel van
hoofdstuk II) – vormen een belangrijke randvoorwaarde voor effectief beleid. Financiële
bijdragen zijn minder beslissend, voorspelbaarheid en visie daarentegen juist meer.
Waar in internationaal opzicht de grootste (diplomatieke) meerwaarde van Nederland ligt
bij de uitvoering van duurzame ontwikkelingsdoelen is nog punt van discussie. Met het oog
op een goede koppeling van het Nederlandse topsectorenbeleid aan deze internationale
agenda voor duurzame ontwikkeling zou de AIV willen voorstellen dat maatschappelijke
organisaties en financiële instellingen actief worden betrokken bij de formulering en
totstandkoming van beleid.
Vooruitblikkend zal de rol van de overheid in deze meerzijdige Dutch Diamond steeds
meer een worden van broker, partner en facilitator in nauwe samenspraak met de andere
partners. Vandaar ook de dwarsverbanden tussen alle vijf kanten van de diamond waarbij
de overheid steeds minder als enige de uiteindelijke regie voert.
VI.2      Stimuleren van de financiële sector richting duurzame ontwikkeling
In reactie op de financiële crisis van 2008 is de regeldruk op financiële instellingen
sterk toegenomen, zozeer zelfs dat de topman van de Triodosbank, die zich profileert als
voorloper op het gebied van corporate sustainability, publiekelijk stelt dat de regelgeving
dreigt door te schieten en per saldo innovatieve financiële instellingen en diensten
belemmert.95 De AIV constateert het bestaan van het volgende dilemma:
• enerzijds ongeduld met de trage doorvoering van principes van duurzame ontwikkeling
    binnen de financiële sector en de daaruit voortvloeiende noodzaak om criteria van
    (bijdragen aan) duurzame ontwikkelingsdoelen niet over te laten aan zelfregulering,
• en anderzijds twijfel of aanvullende wet- en regelgeving binnen de financiële sector zal
    leiden tot grotere bijdragen aan duurzame ontwikkeling en niet onbedoeld averechtse
    gevolgen zal hebben. Deze twijfel wordt gevoed door het besef dat in de financiële
    sector grote transities plaatsvinden (zoals crowdfunding en de sharing economy)
    waardoor (trage) regelgeving soms achterloopt op ontwikkelingen en, erger, verouderde
    structuren en systemen ‘fossiliseert’ en innovaties frustreert.
Op dit moment toont de Nederlandse regering zich geen voorstander van aanscherping
van regelgeving en lijkt zij vooral aan te willen sturen op aanvullende zelfregulering. In het
kader van IMVO wordt met de financiële sector gewerkt aan een convenant met afspraken
over duurzaamheidsbeleid bij financiële dienstverlening. De AIV heeft begrip voor dit
standpunt van de regering maar dringt er tegelijkertijd op aan om:
• in het bedoelde convenant zo concreet mogelijke afspraken te maken over transparante
    rapportage, zowel voor de directe als indirecte activiteiten van de verschillende soorten
    financiële instellingen, en zowel voor hun binnenlandse als buitenlandse activiteiten;
• bij haar inbreng bij de totstandkoming van internationale en Europese regelgeving
    steeds te blijven werken aan opname en aanscherping van duurzaamheidscriteria
95 Financieel Dagblad, 12 oktober 2015, interview met Peter Blom, bestuursvoorzitter Triodos-bank.
                                                   46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>    in het toezichtregime – met oog voor mogelijke onbedoelde negatieve effecten van
    overmatige regeldruk;
• gebruik te blijven maken van de mogelijkheid om schrijnende praktijken tegen te gaan
    door gebruik te maken van dwingende besluiten onder de Wet Financieel Toezicht;
• in internationaal verband aan te dringen op het onderzoeken van de mogelijkheid om
    financiering van duurzaamheid te belonen met een ‘afslag’ op risicoprofiel.96
Ten aanzien van internationale belastingontwijking en -ontduiking en illegale overdrachten
is verdere aanscherping van internationale en nationale regelgeving onontkoombaar. De
AIV heeft eerder bepleit dat Nederland haar steun uitspreekt voor het verder operationeel
maken inzake transfer pricing van ECOSOC’s Committee of Experts on International
Cooperation in Tax Matters.97
VI.3       Belang van durfkapitaal
In ander verband en met het oog op het verlenen van subsidies vestigde het Planbureau
voor de Leefomgeving (PBL) onlangs de aandacht op de zogenoemde ‘vallei des doods
voor eco-innovatie in Nederland’.98 Bedoeld wordt de fase tussen de ontwikkeling van
kennis en acceptatie van een product door de markt. Voor de eerste fase bestaan enkele
subsidieregelingen en voor laatstgenoemde is doorgaans commerciële financiering
haalbaar. Maar in de tussengelegen fase zijn de financieringsproblemen het grootst.99
Eco-innovaties zijn namelijk in het nadeel zolang milieubelastende effecten van andere
technologieën niet in rekening worden gebracht en schonere technologie niet extra wordt
beloond (progressieve normstelling). Het PBL stelt dan ook dat het zou helpen als de
overheid ‘een duidelijke langetermijnambitie voor vergroening formuleert, deze ondersteunt
met voorspelbaar beleid en zorgt voor meer durfkapitaal gericht op eco-innovatie.’
Dit geldt evenzeer voor innoverende investeringen van Nederlandse bedrijven in
ontwikkelingslanden, niet alleen toegespitst op eco-innovaties maar ook op sociale
innovaties. Zoals geconstateerd heeft Nederland een relatief grote Young Firm
Enterpreneurial Activity en zijn innoverende start-ups met plannen in ontwikkelingslanden
relatief hooggemotiveerd. Ook een aantal Nederlandse maatschappelijke organisaties richt
zich toenemend op sociale investeringsprojecten op zakelijke basis. Hier ligt dus een kans.
Maar in overheidsprogramma’s ter stimulering van dit soort wenselijke investeringen in
ontwikkelingslanden zit dezelfde ‘vallei des doods’ als binnen Nederland, en niet alle
innovaties passen in de bestaande programma’s voor partnerschappen en ketens. De
drie subprogramma’s van het Dutch Good Growth Fund verschaffen geen durfkapitaal.
96 Op Europees niveau is bijvoorbeeld de manier waarop bezittingen en vermogen wordt gewogen (Risk
    Weighted Assets) onder CRD IV onlangs aangepast om banken te stimuleren meer infrastructurele
    projecten te financieren. De beoordeling van risico’s is aangepast naar lager niveau waardoor banken voor
    deze kredietverlening minder kapitaal hoeven aan te houden.
97 AIV, ‘Financiering van de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling’, briefadvies nummer 27,
    april 2015.
98 PBL-rapport ‘De vallei des doods voor eco-innovatie in Nederland’, maart 2015.
99 De ‘vallei’ wordt zichtbaar als de kansen op succes en overleving als curve op een tijdlijn worden gezet.
                                                       47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Het fonds is revolverend en dus is het risicoprofiel behoudend. Hetzelfde geldt voor de
Faciliteit Opkomende Markten en ondersteuning via Finance for International Business. Het
verdient dan ook overweging om een speciale faciliteit te ontwikkelen die gericht is op het
beschikbaar stellen van durfkapitaal voor start-ups die producten en diensten leveren ten
behoeve van duurzame ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden.
VI.4      Verdere stimulering mensenrechtelijke dimensie van duurzame ontwikkeling
Ook op dit punt ziet de AIV mogelijkheden – en de noodzaak – voor de Nederlandse
overheid om ambities op een hoger plan te tillen:
Wet- en regelgeving: De praktijk laat zien dat nog weinig overheden ertoe overgaan om
hun regulerende rol op het gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen verder
aan te scherpen. Toch moet worden geconstateerd dat waar het gaat om eerbiediging
van mensenrechten, er bepaald grenzen zijn aan zelfregulering. Overheden, juist ook in
ontwikkelingslanden, ontkomen er niet aan om via wetgeving een baseline, ofwel een
duidelijke ondergrens te stellen – en hierop toe te zien.
Er komen steeds meer goede voorbeelden. Zo verplicht de California Transparency in
Supply Chains Act bedrijven om aan te tonen wat ze doen om mensenhandel in een
keten tegen te gaan. Een ander voorbeeld is de wettelijke verankering van zorgplicht door
bedrijven door de Dodd Frank Act.100 In Frankrijk zijn stappen gezet om een wetsvoorstel
voor te bereiden dat due diligence op het gebied van mensenrechten voor Franse bedrijven
verplicht. Momenteel doet in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken de
Universiteit van Utrecht onderzoek naar de gesteldheid van zorgplicht door bedrijven in
Nederland.
Bemoedigend is ook dat de Nederlandse regering voornemens is om het facultatieve
protocol bij ILO Convention no. 29 over gedwongen arbeid te ratificeren. Hiermee zal
Nederland zich verplichten om due diligence van bedrijven te ondersteunen en steun aan
slachtoffers van mensenrechtenschendingen te verzekeren.
Belangrijk in internationaal verband is het streven naar een juridisch bindend verdrag op
het gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen. In juli 2015 vond een eerste
bijeenkomst plaats door een werkgroep onder auspiciën van de VN. De Europese lidstaten
trekken in dit initiatief gezamenlijk op. Bij aanvang heeft de EU een aantal voorwaarden
geformuleerd waaraan voldaan zou moeten worden, onder andere dat een toekomstig
verdrag van toepassing is op alle ondernemingen en niet alleen op transnationale
ondernemingen. Een ander punt dat zeker nadruk verdient is het verbeteren van toegang
tot recht voor slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen. De
verwachting is dat onderhandelingen nog veel tijd en afstemming zullen vergen, maar de
eerste stappen zijn gezet.101
100 Deze vraagt om due diligence bij het gebruik van bepaalde ‘conflictmineralen’ uit Centraal-Afrika.
      Overeenkomstig verplicht de Europese Houtverordening bedrijven om de afkomst van hout na te gaan.
101 Eerste bijeenkomst van de UN Open- Ended Intergovernmental Working Group die het mandaat
      heeft om een legally binding instrument on transnational corporations with respect to human
      rights uit te werken, ibid, ‘Access to Justice for Victims of Corporate-Related Human Rights
      Abuse’, prof.dr.mr. N.M.C.P. Jägers.
                                                     48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Endorsement en faciliteren: Ook hier benut de Nederlandse overheid nog niet alle
mogelijkheden. Volgens de UN Guiding Principles dienen overheden via inkoop en
aanbestedingen hun invloed aan te wenden ter verbetering van mensenrechten ook in de
internationale toeleveringsketen: de overheid moet bij het aangaan van contracten ervoor
zorgen dat de contracterende bedrijven mensenrechten respecteren.102 De Nederlandse
overheid koopt jaarlijks voor ongeveer 60 miljard euro in en alleen al het Rijk kent meer
dan 70.000 leveranciers.103
Middels haar inkoopbeleid kan de overheid niet alleen het juiste voorbeeld geven maar
bedrijven ook aanmoedigen om mensenrechten te respecteren. Sinds 2013 worden
bij aanbestedingen zogenaamde sociale voorwaarden toegepast, ook waar het gaat
om overheidsondersteuning in de vorm van subsidies. Door het stellen van dergelijke
voorwaarden heeft de overheid een krachtig instrument in handen om duurzame
ontwikkeling te stimuleren.
In 2014 is het sociale voorwaardenbeleid bij rijksinkoop geëvalueerd.104 Hieruit blijkt dat
de toepassing van sociale voorwaarden vooralsnog summier en vrijblijvend is en maar
ten dele in lijn met de OESO-richtlijnen. Bovendien heeft het complexe karakter van de
uitvoeringsregeling een negatief effect op de toepassing van de sociale voorwaarden.105
Het verdient aanbeveling om het inkoopbeleid en alle steun van de overheid te verbinden
aan heldere en eenduidige MVO-voorwaarden waarbij de UN Guiding Principles als
uitgangspunt dienen.106
Hiermee verwant stelde het College voor de Rechten van de Mens in 2014 dat meer
eenheid in de voorwaarden voor overheidsondersteuning aan internationale activiteiten
gewenst is. Het College pleitte ervoor om standaard te toetsen of bedrijven de OESO-
richtlijnen naleven en om ervoor te zorgen dat het voor bedrijven inzichtelijk is hoe en
wanneer deze toetsing plaatsvindt.107
Ook op het gebied van voorlichting en onderwijs lijken verbeteringen mogelijk. De
mensenrechtelijke dimensie van duurzame ontwikkeling is voor veel bedrijven een
102 UNGPs, Principles 5 & 6.
103 MVO Nederland.
104 Zie: Evaluatie Sociale Voorwaarden Rijksinkoopbeleid, Berenschot, oktober 2014.
105 Minister Blok heeft toegezegd te onderzoeken hoe de aanbevelingen van de beleidsevaluatie kunnen
      worden opgepakt. Hij heeft hiervoor een termijn tot april 2016 gesteld.
106 In augustus 2015 verhaalde een vertegenwoordiger van MVO Nederland op BNR Nieuwsradio over een
      aanbestedingsprocedure voor de levering van tapijt voor overheidsgebouwen. In de puntentelling die
      dienst deed om offertes tegen elkaar af te wegen, bleek het aspect van volledig recyclebare tapijten 50
      punten te ontvangen, tegenover 600 punten voor de prijs. Met andere woorden, een lage prijs van het
      product bleek voor de overheid 12 keer zwaarder mee te tellen dan duurzaamheid. Voor ondernemers
      die duurzaamheid in hun businessmodel hebben geïntegreerd en daardoor een iets hogere prijs moeten
      rekenen werkt dit dus zeer negatief uit.
107 Zie: College voor de Rechten van de Mens, advies over het Nationaal Actieplan mensenrechten en
      Bedrijfsleven, 28 februari 2014, para. 4.1, <http://www.mensenrechten.nl>.
                                                      49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>uitdaging. Er is nog veel onbekendheid met instrumenten die bedrijven kunnen helpen
zoals de UN Guiding Principles, de risicochecker van MVO Nederland en organisaties
zoals Global Compact en MVO Nederland.108 De AIV beveelt aan dat de overheid haar
voorlichtende rol op dit terrein intensiveert.
VI.5       Opvolging publiek-private partnerschappen
Het draagvlak voor partnerschappen lijkt langzaam maar zeker toe te nemen en inmiddels
is er een behoorlijk beleids- en toetsingskader voor de diverse partnerschapsfaciliteiten
opgebouwd. Organisaties als RVO, diverse ambassades, het ministerie van Buitenlandse
Zaken en toetsingcommmissies spelen een constructieve en professionele rol in het
geheel. Nog steeds beschouwen sommige deelnemers deze procedures als onderdeel
van een leerervaring, maar er wordt snel geleerd. Veel betrokken organisaties werken nog
vanuit het oude (subsidiegedreven) paradigma. Het merendeel van de projectvoorstellen
stuit dan ook op afwijzing.
Sinds hun introductie hebben de PPP-faciliteiten honderden voorstellen geëntameerd
waarvan uiteindelijk circa 15-20% voor steun in aanmerking kwam op basis van vrij
gedetailleerde criteria. Bij deze zogeheten partnerschap- en projectcheck werd dan gelet
op zaken als business case, volwaardig partnerschap tussen de deelnemende partijen,
gemeenschappelijkheid van de na te streven doelen, vraag uit het ontvangende land,
en goede interventielogica. Bij de selectie van voorstellen spelen ambassades een
onmisbare rol – soms als initiator van een project, bijna altijd als medebeoordelaar van de
haalbaarheid ervan als blijkt dat het voorstel aan minimumeisen voldoet. In Nederland is
een belangrijke ondersteunende rol weggelegd voor de RVO.
Vanuit het perspectief van ondernemingen vallen daarbij de volgende aandachtspunten te
onderkennen:109
• De goedkeuringsprocedure kan verder worden verbeterd; er is behoefte aan meer
    duidelijkheid in een eerdere fase van de procedure omtrent de haalbaarheid van
    projecten.
• Het beste scoren partnerschappen die aansluiten bij de kernactiviteiten van de
    deelnemende partijen; om een onderscheid te kunnen maken tussen meer en minder
    gecommitteerde partners dient een grotere competentie bij de overheid aanwezig te zijn
    om de businessmodellen van de beoogde partners en het partnerschap te beoordelen.
• Het blijkt dat de zogenaamde FIETS-criteria van de Nederlandse overheid – die
    vijf dimensies110 van duurzaamheid omvatten – bij deze partnerschappen
    door ondernemingen vaak als lastig worden ervaren, maar in de praktijk een
    belangrijke garantie zijn dat het partnerschap ook daadwerkelijk het beoogde
    duurzaamheidsresultaat gaat bereiken.
108 Global Compact heeft guidance ontwikkeld specifiek gericht op hoe duurzaamheid kan worden
       geïntegreerd in het businessmodel van een bedrijf.
109 Deze paragraaf is deels gebaseerd op gesprekken met de AIV en deels op basis van door Partnerships
       Resource Centre uitgevoerde evaluaties naar aanleiding van de eerste tranche van twee PPP-faciliteiten:
       voedselzekerheid en privatesectorontwikkeling en fonds duurzaam water. Zie: ‘The applicant’s
       perspective’- survey results of the FDOV and FDW Facilities’ en ‘The Peoples Perspective – Making
       communities a success factor for partnerships’, Partnerships Resource Centre, beide uitgegeven in 2014.
110 Financieel, Institutioneel, Ecologisch, Technisch en Sociaal.
                                                       50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>• Lang niet alle Nederlandse partijen die in potentie mee zouden kunnen doen met de
   beoogde partnerschappen melden zich ook aan.
• Lang niet alle landen waar Nederland duurzame relaties mee aan wil gaan op de
   terreinen van water en voedselzekerheid worden door het PPP-instrument bereikt. Het
   verdient aanbeveling om een gap-analyse te maken van de landen die beter bereikt
   kunnen worden. De ervaring met een aparte waterfaciliteit in samenwerking met
   de regering van Ghana – het zogenaamde Ghana Wash Window-initiatief – verdient
   navolging in andere kernlanden.
• De rol van het ministerie (c.q. de ambassade) blijft enigszins ambigu, zeker als zij als
   enige ‘publieke’ partner in het partnerschap wordt opgevoerd. Er ontstaat daardoor
   vermenging van rollen tussen aanvrager, beoordelaar en uitvoerder. Lokale overheden
   komen daarnaast over het algemeen vrij weinig aan bod in de projecten, wat de
   haalbaarheid van partnerschappen op termijn negatief kan beïnvloeden.
• Bij de PPP-faciliteiten is steeds meer aandacht besteed aan een adequate
   risicoanalyse. Wat daarbij belangrijk blijkt te zijn, is niet alleen een risicoanalyse
   op basis van IMVO-criteria111, maar juist op een combinatie van strategische en
   duurzaamheidscriteria.
• Een laatste belangrijk aandachtspunt bij partnerschappen is marktverstoring. Dit raakt
   aan het aspect van mededinging dat in hoofdstuk IV in algemene zin werd besproken.
   Partnerschappen kunnen marktverstorend werken, maar niettemin belangrijk zijn
   om duurzaamheidsinitiatieven door te zetten. Een belangrijke randvoorwaarde is
   dat het partnerschap innovatief is en als het ware een nieuwe markt creëert, hetzij
   voor een nieuw product hetzij voor een nieuwe behoefte (namelijk meer duurzame
   ontwikkeling). Deze vragen kunnen naar de mening van de AIV het beste in de context
   van internationale ketens worden beantwoord. Voor een keten die internationaal
   georiënteerd is zouden eigenlijk andere regelingen mogen gelden dan een keten
   die nationaal georiënteerd is.112 Eenzelfde onderscheid zou gemaakt kunnen
   worden voor meer of minder duurzame ketens. In een partnerschapsstrategie kan
   een gerechtvaardigde vorm van marktverstoring plaatsvinden – bijvoorbeeld omdat
   internationale spelers met diepe financiële zakken een nationale markt binnentreden –
   maar dit dient dan wel expliciet meegenomen te worden in de legitimering van het
   partnerschap.
VI.6      Conclusie: rollen van de overheid verdienen aanscherping
De Nederlandse overheid heeft zich als opdracht gesteld om zo effectief en efficiënt
mogelijk in te spelen op de diverse behoeften van de Nederlandse ondernemingen
die in het buitenland actief zijn. Het is duidelijk dat de vierdubbele pet van wetgever,
partner, subsidiegever en marktmeester niet altijd gemakkelijk is en dilemma’s met
zich meebrengt. Niettemin mag uit de ervaringen die door de AIV werden opgetekend
geconcludeerd worden dat er vele interessante initiatieven in gang zijn gezet en dat de
111 Waar de faciliteiten en het Nederlandse beleid in het algemeen sterk op inzetten: zie onder andere
      de MVO risicochecker van MVO Nederland als instrument en de KPMG-risicoanalyse die ten grondslag
      lag aan het identificeren van 13 risicosectoren en het instellen van convenantgroepen om daaraan
      tegemoet te komen.
112 Al roept dat weer andere vragen op zoals welke criteria gelden voor wanneer een geval onder nationale
      of internationale mededingingsrecht valt en welke instantie oordeelt over welke wetgeving van
      toepassing is. De mededingingsautoriteiten van de afzonderlijke Europese lidstaten zoals de ACM in
      Nederland, hebben immers enkel rechtsmacht op eigen grondgebied. Mogelijk zou op Europees niveau
      een autoriteit voor duurzame ontwikkeling overwogen kunnen worden.
                                                      51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>contouren van overtuigend beleid op gebied van duurzame ontwikkeling aanwezig zijn. Dat
er nog de nodige aanpassingsproblemen zijn is begrijpelijk.
Figuur 3 hieronder geeft een inventarisatie van de primaire en afgeleide rollen van de
Nederlandse overheid en welke afstemmingsvraagstukken daaruit voortvloeien met andere
spelers. Het lijkt raadzaam om de verschillende beleidsinitiatieven langs deze lijn uit te
werken. Winst ligt in het verschiet in een goede afstemming en vooral ook combinatie van
rollen.
Figuur 3: Ondersteuning door de Nederlandse overheid vereist goede afstemming
Meer specifiek kunnen de diverse rollen als volgt worden geïntensiveerd:
• Reguleren: Er is veel aan gelegen om in Europees verband aansluiting te zoeken bij
    pogingen om internationaal een meer gelijk speelveld te genereren. Zelfstandig kan
    Nederland op dit dossier slechts beperkte invloed uitoefenen en samenwerking in
    internationale fora is nodig. Het bevorderen van duurzame ontwikkeling is een van de
    belangrijkste speerpunten in het werkprogramma 2016 van de Europese Commissie.
    Op het terrein van bilaterale verdragen zal de geloofwaardigheid van Nederland in het
    geding zijn als onvoldoende koppeling wordt gemaakt met een duurzame voorziening
    van publieke goederen (mensenrechten, milieu, fair trade). De heronderhandelingen
    over dubbele belastingverdragen vormen derhalve een belangrijke casus voor de
    legitimiteit van Nederland ook op andere gebieden.113 Een adequate invulling van TTIP
113 De dubbele belastingverdragen (DTTs) vervullen een rol bij de positie en repuatie van Nederland als
      vermeende belastinghaven. Ontwikkelingslanden zijn steeds kritischer geworden over de rol die DTTs
      spelen bij het doorsluizen van belastinggelden door ondernemingen naar lage belastingregimes.
      Op basis van het voorbeeld van Malawi wordt momenteel door het ministerie van Buitenlandse
      Zaken met 23 andere landen heronderhandeld over de DTTs. Bij de heronderhandelingen speelt de
      duurzaamheidsvraag een steeds belangrijker rol en is er dus de facto sprake van duurzame diplomatie.
                                                     52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>  voor wat betreft de duurzaamheidsagenda vormt een ander aandachtspunt dat de
  overheid terecht actief opvolgt.
• Faciliteren: De omvang van subsidiestromen is niet noodzakelijkerwijs beslissend, wel
  de richting en aard ervan. De voorgestelde vijfhoekige diamant dient in alle hoeken
  versterkt te worden. Ook van de betrokken maatschappelijke organisaties mag
  immers worden verwacht dat zij in staat zijn om hun rol naar behoren te vervullen.
  Het lijkt daarnaast raadzaam om het topsectorenbeleid expliciet te koppelen aan
  de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzame
  ontwikkelingsdoelen. De rol van de ambassades, juist ook in institutioneel zwakkere
  landen, dient waar nodig versterkt te worden.
• Partnerschappen: Ten aanzien van het instrument partnerschappen constateert de
  AIV dat de combinatie van de rol van subsidiegever (faciliteren) en die van partner
  verbeterd zou kunnen worden. In de praktijk treedt nog teveel vermenging op.
  Bovendien verdient de ingezette trend om diverse partnerschapsprojecten met elkaar
  te verbinden meer nadruk. Ook hier ligt een meer expliciete koppeling met de duurzame
  ontwikkelingsdoelen voor de hand.
• Endorse: Naar de opvatting van de AIV maakt de Nederlandse overheid nog te weinig
  gebruik van het instrument van endorsement. Meer lijkt mogelijk bij het nastreven
  van marktmeesterschap en identificeren van duurzaamheidsinitiatieven nationaal en
  internationaal, maar ook bij het aanleggen van een voldoende hoog gelijk speelveld
  in diverse sectoren zodat ondernemingen gesteund worden in hun race to the top.
  Bij de IMVO-convenanten zou een belangrijke rol voor de overheid weggelegd zijn
  om via financiële en kennisstromen ervoor te waken dat deze resulteren in zwakke
  compromissen die slechts minimale eisen stellen aan duurzaamheid. Van andere orde
  is een kritische blik op het eigen inkoopbeleid. Eerder werd gesteld dat mensenrechten
  hierin sterker tot uiting zouden kunnen komen, en er lijkt ruimte om bij aanbestedingen
  stringenter op duurzaamheid in te zetten. Dit zou de eigen geloofwaardigheid van
  de overheid ten goede komen. Bij keurmerkinitiatieven rondom duurzaamheid
  zou er in Nederland naar de opvatting van de AIV meer ingezet kunnen worden op
  marktmeesterschap. Dat zou zich met name dienen te richten op het transparanter
  maken van de markt voor duurzame producten en tegengaan van marktverstorende
  initiatieven waarbij ondernemingen met misleidende keurmerken komen.
                                            53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>VII              Conclusies en aanbevelingen
VII.I    Conclusies
In september 2015 aanvaardde de Algemene Vergadering van de VN een omvattende
agenda voor duurzame ontwikkeling, met bijbehorende doelen voor een beter milieu,
beperking van klimaatverandering en verbetering van welzijn en mensenrechten. De
nieuwe agenda heeft betrekking op alle landen en het bereiken van de duurzame
ontwikkelingsdoelen zal om goede coördinatie vragen, zowel nationaal als internationaal.
Het complexe karakter van de agenda vergt ook nieuwe vormen van samenwerking.
Gerekend wordt op de inbreng van vele actoren. Naast centrale en lokale overheden en
internationale instanties zal uiterste inspanning worden gevraagd van ondernemingen,
maatschappelijke organisaties, kennisinstituten en financiële instellingen. Gezamenlijk
vormen zij het publieke domein dat verantwoordelijk is voor het realiseren van de
duurzame ontwikkelingsdoelen. Governance is daarmee niet -anger de vanzelfsprekende
taak van overheden alleen. Het komt aan op een samenspel van alle betrokkenen.
De AIV erkent dat internationaal bezien enkele grote Nederlandse ondernemingen voorop-
lopen in hun streven om bij te dragen aan duurzame ontwikkeling. De intrinsieke motivatie
van deze bedrijven om duurzaamheid te incorporeren in hun bedrijfsvoering weerspiegelt
de omslag die zich breder in de samenleving voltrekt: van een defensieve houding van
duurzame ontwikkeling als bijzaak naar het besef dat een duurzame grondslag van de
samenleving de enige manier is om welvaart en economische ontwikkeling ook in de
toekomst te behouden.
Maar ook de koplopers stuiten nog op forse beperkingen. Geen van hen kan bogen op een
volledig duurzaam businessmodel. Zij zien goede intenties gehinderd door de realiteit van
markt en concurrentie. Ook voor deze ondernemingen blijkt het een voortdurende opgave
om interne bedrijfsbelangen af te stemmen op duurzame ontwikkeling. De AIV constateert
voorts dat de rol van het midden- en kleinbedrijf, sociale ondernemers en financiële
instellingen in hun bijdrage aan duurzame ontwikkeling in het buitenland nog steeds
bescheiden is.
Vooral ten aanzien van mensenrechten laat de praktijk het nog op belangrijke onderdelen
afweten. Bedrijven leggen weliswaar groeiende belangstelling aan de dag voor de werk-
en arbeidsomstandigheden van eigen werknemers en in toenemende mate ook die van
toeleverende bedrijven in de keten, maar de aandacht lijkt vooral te zijn ingegeven door
defensieve overwegingen. Beduchtheid voor reputatieschade en aansprakelijkheidsrisico’s
vormen een belangrijke drijfveer. De richtlijnen van de VN mogen inmiddels de status
hebben verkregen van regulatory ecosystem for business and human rights,114 hun
toepassing door bedrijven gebeurt vooralsnog op vrijwillige basis. Daarom juicht de AIV
het toe dat internationaal stappen zijn gezet om tot een juridisch bindend verdrag op het
gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen te komen.
114 Aldus professor John Ruggie tijdens het 3rd UN Forum on Business & Human Rights, Geneva,
      3 December 2014.
                                                54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>De vaak nog afwachtende houding binnen de financiële sector jegens financiering van
initiatieven ten behoeve van duurzame ontwikkeling vormt een ander aandachtspunt,
zo meent de AIV. Behalve enkele pensioenfondsen als ABP en instellingen als de
FMO, Triodos bank en ASN bank kent men nog te weinig prioriteit toe aan duurzame
ontwikkeling. Een doorn in het oog is de belastingontwijking op grote schaal door
multinationale ondernemingen. Dit kost overheden wereldwijd en zeker ook in
ontwikkelingslanden jaarlijks vele miljarden en de AIV roept de regering op om de
maatregelen die recent in EU-verband zijn uitgebracht, volop te steunen.
Nu de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling en de bijbehorende duurzame
ontwikkelingsdoelen zijn vastgesteld, dient het Nederlandse beleid specifiek op deze
agenda te worden afgestemd, zowel voor wat betreft het aandeel dat in Nederland zal
worden gerealiseerd als in het buitenlandse beleid. Door daarbij aandacht te geven aan de
verwachte inbreng door Nederlandse bedrijven zullen deze ertoe aangespoord worden om
hun strategieën voor duurzaam ondernemen te spiegelen aan de agenda voor duurzame
ontwikkeling.
De Nederlandse overheid heeft een aantal interessante initiatieven in gang gezet om
Nederlandse bedrijven die (ook) in het buitenland actief zijn te steunen bij het maken
van de overstap naar duurzaam ondernemen. Twee toonaangevende instrumenten zijn
publiek-private partnerschappen en het overeenkomen van convenanten in risicovolle
sectoren. Niettemin laat naar het oordeel van de AIV het beleid dat in het teken staat van
economische diplomatie, nog kansen onbenut. Zo zou de koppeling tussen handel en
ontwikkelingssamenwerking en het topsectorenbeleid sterker tot uiting dienen te komen.
De vierdubbele pet van de overheid als wetgever, partner, subsidiegever en marktmeester
stelt hoge eisen aan afstemming – niet alleen binnen het ministerie van Buitenlandse
Zaken maar ook in relatie tot andere ministeries en andere actoren. De ervaring leert dat
de timing en onderlinge coördinatie van interventies belangrijker zijn dan hun omvang.
Juist een gevarieerde aanpak blijkt het meeste effect te sorteren.
Bij het instrument van partnerschappen constateert de AIV dat het moeilijk blijkt voor de
overheid om de rol van subsidiegever (faciliteren) en partner met elkaar te combineren.
Gewaakt moet worden voor het risico dat de overheidsrol van partner ten koste gaat van
de andere rollen en verantwoordelijkheden. In een partnerschap zien andere spelers
de overheid mogelijk niet meer als staande boven de partijen. De rol van partner kan
bovendien ten koste gaan van de motivatie om wet- en regelgeving aan te scherpen. Dit
laatste verdient voortdurende aandacht en opvolging, meent de AIV.
Ook het instrument van marktmeesterschap dient beter ontwikkeld te worden. Ten aanzien
van mededingingsbeleid (wet- en regelgeving) is de constatering dat deze momenteel
nog te weinig gekoppeld is aan het faciliteren en wellicht endorsen van partnerschappen.
Dat vergt toepassing van een breder welvaartsbegrip (zie hoofdstuk IV.4) en ook zoals de
praktijk van partnerschappen laat zien, een andere inschatting en wellicht ook definitie
van wat ‘marktverstoring’ inhoudt. Een partnerschap dat bedoeld is om bij te dragen aan
duurzame ontwikkeling kan op korte termijn marktverstorend werken maar op langere
termijn een nieuwe markt creëren waarbij een race to the bottom wordt tegengegaan.
Ingaand op specifieke aandachtspunten in de adviesaanvraag zijn de conclusies van de
AIV als volgt:
• Ongelijk speelveld: Dit vormt een extra uitdaging voor Nederlandse ondernemingen
                                             55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>   die zich geconfronteerd zien met concurrentie door bedrijven die vanuit andere
   wettelijke kaders opereren en een andere visie op duurzame ontwikkeling hanteren.
   Globalisering en de economische opkomst van Azië zijn hier debet aan. Toch biedt
   dit ook kansen. De ervaring op het gebied van milieu leert dat het ontbreken van een
   level playing field ook een stimulans kan betekenen om met behulp van innovaties
   een betere concurrentiepositie te verwerven. Vroeger of later zullen alle landen de
   duurzaamheidskaart moeten spelen. Door steeds hogere eisen te stellen worden
   bedrijven aangemoedigd om zich aan te passen en zo te innoveren dat ze én duurzamer
   worden én concurrerend blijven. De betere bedrijven profiteren hiervan. Dit laat onverlet
   dat een ongelijk speelveld bestreden moet worden; dit zal enkel kunnen wanneer wet-
   en regelgeving en toezicht op naleving internationaal geharmoniseerd worden.
• Publiek-private partnerschappen: Bemoedigende ervaringen verhullen dat veel van
   de partnerschappen op het gebied van duurzaamheid nog work in progress zijn.
   Positief van de Nederlandse aanpak is dat een breed scala van initiatieven door
   de Nederlandse overheid ondersteund en geïnitieerd wordt. Dat heeft weliswaar tot
   fragmentatie geleid, maar biedt ook interessante ‘experimenteerruimte’. Momenteel
   gaat de aandacht binnen programma’s vooral uit naar de effectiviteit en efficiëntie van
   individuele partnerschappen. Wat ontbreekt, is een regelmatig systematisch (intern)
   onderzoek naar mogelijke hiaten in de gehele verzameling – een onderzoek langs alle
   onderdelen van de agenda van duurzame ontwikkeling.
• Mededingingsrecht: De adviesaanvraag vooronderstelt dat de huidige wetgeving op
   het gebied van mededinging een wissel trekt op veel duurzaamheidsinitiatieven. Dat is
   niet in alle gevallen zo. De beperkende werking van mededingingsrecht mag voor een
   deel als een ‘emotiefactor’ worden beschouwd, zo blijkt uit gesprekken die de AIV heeft
   gevoerd. Er lijkt meer mogelijk dan bedrijven (willen) beseffen. Van belang is dat er
   duidelijk onderscheid bestaat tussen wat wel en niet is toegestaan en de AIV spreekt
   waardering uit voor het feit dat de regering hierover de consultatie is aangegaan met
   betrokken marktpartijen. Wel tekent de AIV aan dat de gehanteerde opvatting van
   breed welvaartsbegrip nog steeds vrij beperkt van aard is en dat ruimte gegeven
   zou kunnen worden aan het meewegen van aspecten als marktcreatie (in plaats
   van marktverstoring), een bredere opvatting van preconcurrentiële samenwerking,
   internationale afstemming en vooral ook naar belangen voor de keten als geheel.
VII.2    Aanbevelingen
Op grond van deze bevindingen adviseert de AIV de minister voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking om:
Regulerend op te treden waar zelfregulering tekortschiet, nationaal én internationaal
• Gelet op het maatschappelijke belang van duurzame ontwikkeling en het feit dat
   ondernemingen gebaat zijn bij duidelijke wet- en regelgeving, adviseert de AIV de
   Nederlandse regering prioriteit te (blijven) geven aan haar wet- en regelgevende
   taak ten behoeve van het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen, boven de
   andere onderscheiden rollen van faciliteren, stimuleren van partnerschappen en als
   marktmeester.
• Met name voor deze wet- en regelgevende rol is internationale afstemming nodig, om
   te beginnen in Europees verband. De AIV roept de regering op om zich in te blijven
   spannen voor gemeenschappelijke kaders met Europese partners, VN-organen zoals
   de Human Rights Council en internationale financiële instellingen, op tenminste de
   volgende drie terreinen:
                                               56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>        -   Verduurzaming van internationale ketens en een gelijk speelveld: De AIV dringt er
            bij de Nederlandse regering met kracht op aan om in vervolg op de internationale
            conferentie ‘EU and Global Value Chains’ en de bijeenkomst van Europese
            ministers voor ontwikkelingssamenwerking en voor handel (respectievelijk op
            7 december 2015 en 2 februari 2016, beide te Amsterdam), uitvoering te
            geven aan een actieplan dat in EU-verband zal worden overeengekomen. Dit kan
            bijvoorbeeld door in te zetten op een brede discussie met Europese partners
            (ondernemingen, brancheverenigingen, deskundigen op gebied van duurzame
            ontwikkeling, mededingingsjuristen) over gesignaleerde belemmeringen in wet- en
            regelgeving die zich in de praktijk voordoen, met als doel om de transparantie
            van wet- en regelgeving te verbeteren en een level playing field mogelijk te maken.
            Verdere harmonisatie van mededingingsrecht in Europees verband geldt daarbij
            als speciaal aandachtspunt.
        -   Eerbiediging van mensenrechten: Gezien de getoonde beperkingen van
            zelfregulering op dit terrein, beveelt de AIV de regering aan om onomwonden
            steun te verlenen aan het tot stand komen van een internationaal juridisch
            bindend verdrag op het gebied van mensenrechten en duurzaam ondernemen.
        -   Tegengaan van belastingontwijking: Evenzo dient naar het oordeel van de AIV
            de regering alle steun te verlenen aan uitvoering van de maatregelen die recent
            in EU-verband zijn gepresenteerd om belastingontwijking door multinationale
            ondernemingen te beteugelen. Als speciaal aandachtspunt geldt daarbij verdere
            harmonisatie van aspecten van mededinging.
Uitvoering te geven aan de Dutch Diamond en het actief betrekken van relevante actoren
• De AIV adviseert de overheid erop toe te zien dat naast ondernemingen en
    kennisinstellingen ook maatschappelijke organisaties en financiële instellingen
    uitdrukkelijk worden betrokken bij beleidsformulering en -uitvoering. Dit met het doel
    om de werking van de zogeheten Dutch Diamond-aanpak te optimaliseren.
• Met betrekking tot het IMVO-convenant dat in voorbereiding is voor de financiële sector
    beveelt de AIV de regering aan om kritisch toe zien op het opnemen van concrete
    afspraken over transparante rapportage.
• De AIV adviseert om ook andere lagen van de publieke sector actief te betrekken bij
    uitvoeringsplannen voor de agenda van duurzame ontwikkeling. Overheden van grote
    steden beschikken over kennis die ook internationaal van belang is zoals stedelijke
    agglomeraties die in door het klimaat bedreigde delta’s en kustlocaties liggen.
Diplomatie meer ten dienste te stellen van duurzame ontwikkeling
• De internationale agenda voor duurzame ontwikkeling dient publiekelijk én onder
    bedrijven grotere bekendheid te krijgen. Daarbij moet duidelijk zijn welke bijdrage vanuit
    Nederland wordt verwacht, op welke gebieden en door wie. De AIV geeft in overweging
    om hiertoe een visiedocument op te stellen dat boven (politieke) partijen staat en
    tot uiting brengt hoe ons land de komende jaren aan het bereiken van de duurzame
    ontwikkelingsdoelen zal bijdragen.
• Hieraan gekoppeld bepleit de AIV om in het buitenlandse beleid naast direct
    economische belangen de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling expliciet
    tot uiting te laten komen en het instrumentarium daarop af te stemmen. Aandacht voor
    sociale aspecten van duurzame ontwikkeling, met name mensenrechten, verdient hierin
    nadruk.
                                                 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Zich sterker rekenschap te geven van haar eigen voorbeeldfunctie
• Van het publiek en ondernemingen verlangen alles in het werk te stellen om bij te
   dragen aan duurzame ontwikkeling, komt enkel geloofwaardig over als de overheid
   hier zelf het goede voorbeeld biedt. Hierin wordt naar de mening van de AIV nog
   tekortgeschoten. Het gaat om grote zaken als druk op het milieu (door onder meer
   energieopwekking en waterbeheer) maar bijvoorbeeld ook om het eigen inkoopbeleid.
   De AIV beveelt de regering aan om zich sterker rekenschap te geven van haar
   voorbeeldfunctie op het gebied van duurzame ontwikkeling en om hierin coherent
   handelen aan de dag te leggen.
                                             58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Bijlagen</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>                                                                                      Bijlage I
Adviesaanvraag
Aan
de voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
Prof. mr. J.G. de Hoop Scheffer
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Datum 31 december 2014
Betreft Adviesaanvraag rol bedrijfsleven
Geachte voorzitter,
Graag zou het Kabinet uw advies ontvangen over de manier waarop het bedrijfsleven zijn
bijdrage aan het bereiken van internationale duurzaamheidsdoelstellingen zou kunnen
optimaliseren.
Die vraag is van betekenis, omdat het bedrijfsleven een factor is geworden met
toenemende invloed en betekenis. Veertig van de honderd grootste economische
entiteiten op de wereld zijn bedrijven en geen landen en zonder de kennis en kunde
van bedrijven is het voor overheden lastig duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren.
Deze groeiende invloed en betekenis van bedrijven houdt in dat hun mogelijkheden om
te sturen op duurzaamheidsdoelstellingen navenant is toegenomen. Er zijn bedrijven
die hun verantwoordelijkheid zien en oppakken. De motivatie daarvoor is niet alleen het
dienen van een publiek belang, maar ook welbegrepen eigenbelang, bijvoorbeeld als
de grondstoffenvoorzieningszekerheid in het geding is. Ook de vraag naar toenemende
transparantie over het productieproces door burgers vormt een stimulans tot duurzamer
gedrag van bedrijven.
Nederlandse bedrijven die internationaal actief zijn dragen op veel manieren bij aan het
dichterbij brengen van doelstellingen op het gebied van duurzaamheid. Bovendien worden
zij geacht de OESO-richtlijnen na te leven, waaronder de UN guiding principles op het gebied
van mensenrechten en bedrijfsleven vallen, om schendingen in hun productieketen op het
gebied van arbeidsomstandigheden, kinderarbeid, milieu, corruptie en mensenrechten
zoveel mogelijk te voorkomen. Het zogenoemde due diligence principe. Interessant is
dat een toenemend aantal ondernemers een diepere motivatie voor maatschappelijk
verantwoord ondernemen aan de dag legt. Zij ontwikkelen innovatieve business-modellen
die ervoor zorgen dat het bedrijf een pro-actieve bijdrage levert aan de verduurzaming van
de wereld, zoals bestrijding van armoede en verbetering van het milieu. In het kader van
deze ontwikkelingen wordt de AIV gevraagd advies uit te brengen hoe de bijdrage van het
internationaal opererende bedrijfsleven aan de realisering van duurzaamheidsdoelstellingen
te optimaliseren. Deze vraag valt uiteen in drie subvragen:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>1. Welke kansen en belemmeringen zijn er voor het bedrijfsleven om zijn bijdrage aan
    het realiseren van duurzaamheidsdoelstellingen te vergroten cq. te optimaliseren?
    Denk daarbij bijvoorbeeld aan het ontbreken van een gelijk speelveld of onvoldoende
    marktmacht (in productie- en handelsketens). Wat kan de Nederlandse overheid doen om
    het bedrijfsleven daarin te stimuleren en te faciliteren?
2. Welke rol vervult het instrument van publiek-private partnerschappen in het realiseren van
    duurzaamheidsdoelstellingen? Kan de realisatie van publieke doelstellingen voldoende
    gewaarborgd worden in ppp’s?
3. Welke belemmering kan wet- en regelgeving, in het bijzonder het mededingingsrecht,
    voor het bedrijfsleven opleveren in zijn streven naar een meer duurzame productie? Een
    voorbeeld van een dergelijk knelpunt kan het mededingingsrecht zijn. Zie de toelichting in
    de bijlage voor de actuele steenkolencasus.
Met belangstelling ziet het Kabinet uw advies tegemoet.
Lilianne Ploumen
Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>Toelichting bij de adviesaanvraag
De betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de realisering van duurzaamheidsdoelstellingen
kreeg een stevige stimulans tijdens de Top van Johannesburg in 2002. Als middel om die
betrokkenheid vorm te geven, kwamen de publiek-private partnerschappen (PPP’s) op de
agenda. Tien jaar later, tijdens de Top Rio+20, kreeg het bedrijfsleven, naast andere actoren,
nog uitdrukkelijker een verantwoordelijkheid toegekend. De private sector, zo is besloten,
moet zijn verantwoordelijkheid nemen bij het realiseren van een groenere groei gericht
op duurzame ontwikkeling en gericht op armoedevermindering. Partnerschappen zijn een
belangrijk instrument om daarbij in te zetten.1
In Rio is tevens gezegd dat het bedrijfsleven dan wel een faciliterende overheid nodig heeft
om deze taak te kunnen uitvoeren. Zij moet zorgen voor regelgeving en beleidskaders die
het voor het bedrijfsleven mogelijk maken om duurzame ontwikkeling te bevorderen. Dat kan
bijvoorbeeld door investeringen in technologieën voor schone energie mogelijk te maken.
In Nederland is de laatste jaren al meer aandacht gekomen voor de bijdrage die het
bedrijfsleven zou kunnen vervullen in het oplossen van maatschappelijke problemen. Vooral
het Europese onderzoeksbeleid Horizon 2020 met zijn ‘grand challenges’ is hierin een
voorbeeld voor de Nederlandse inzet. De oriëntatie van Nederland op deze maatschappelijke
uitdagingen, krijgt vooral vorm in het topsectorenbeleid waarbinnen overheid, bedrijfsleven
en kennisinstellingen intensief samenwerken. De Adviesraad voor het Wetenschaps- en
Technologiebeleid (AWT) vindt dat de overheid nog sterker met visie en overtuiging een koers
moet uitzetten als voor de overige betrokken partijen.2
Een specifiek instrument voor het bedrijfsleven om samen met andere partijen
duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren zijn de publiek-private partnerschappen (PPP’s).
PPP’s zijn vormen van samenwerking tussen overheid en bedrijfsleven waarbij beide partijen
het risico en de verantwoordelijkheid voor de samenwerking op zich nemen en er van beide
kanten middelen en deskundigheid worden ingebracht. In Nederland is deze vorm van
samenwerking tussen overheid en private partijen al sinds de jaren tachtig van de vorige
eeuw in gebruik. Dat type PPP’s richt zich vooral op samenwerking bij het realiseren van
publieke (sociale) infrastructuur. Anders van karakter waren de PPP’s die in 2002 tijdens de
Top van Johannesburg op de agenda kwamen. Die PPP’s zijn samenwerkingsvormen gericht
op bredere ontwikkelingsdoelen. De Nederlandse overheid speelde een sterk stimulerende
rol bij de realisatie deze PPP’s.
Het beleid voor de synergie van hulp en handel vormde een nieuwe stimulans voor de inzet van
PPP’s, in het bijzonder voor de speerpunten voedsel en water. In 2014 is door BZ en enkele
externe partijen een PPPLab opgericht om het begrip van de werking van PPP’s te verdiepen
en de betekenis ervan te vergroten.3 Deze versterkte inzet op expertiseontwikkeling sluit aan
bij een aanbeveling van de Inspectie voor Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
(IOB) uit 2013.4 In het kader van de vraag welke bijdrage het bedrijfsleven aan het realiseren
van duurzaamheidsdoelstellingen kan leveren zijn twee aandachtspunten uit deze evaluatie
van belang. Allereerst de noodzaak om effecten te meten van ppp’s op de vooraf bepaalde
doelstellingen. Nu is er nog onvoldoende bekend over de effecten van PPP’s.5 Een tweede
aandachtspunt is de noodzaak van een blijvende betrokkenheid van de Nederlandse overheid
bij PPP’s om de publieke dimensie te bewaken. Die betrokkenheid moet volgens IOB vooral
tot uitdrukking komen in het scheppen en handhaven van kaders (eisen op het gebied van
veiligheid, kwaliteit, toegankelijkheid, etc.).6
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Wanneer het bedrijfsleven gestimuleerd wordt om bij te dragen aan de realisering van
duurzaamheidsdoelstellingen door productieprocessen te verduurzamen, kan wet- en
regelgeving een sta in de weg zijn. Een voorbeeld daarvan is het mededingingsrecht. Dit
recht is erop gericht kartels te voorkomen, maar ook misbruik van dominante posities door
één bedrijf en het vormen van ongewenste marktconcentratie door fusies en overnames.
Van kartelvorming is sprake als bedrijven afspraken maken over productie en prijzen. Het
voorkomen daarvan is in het belang van de consument, die zo niet te maken krijgt met hoge
prijzen.
Het verbod op het maken van afspraken kan op gespannen voet komen te staan met
het streven om de productiewijzen te verbeteren in het kader van maatschappelijk
verantwoord ondernemen. Maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat per definitie over
bovenwettelijke standaarden. Het is daarom voor bedrijven aantrekkelijker om zich met de
gehele sector te verbinden aan hogere standaarden, dan dat als individueel bedrijf te doen.
Dit brengt tot de vraag welke uitzonderingsmogelijkheden er zijn voor het maken van
afspraken tussen bedrijven voor duurzamer productiewijzen. Binnen het mededingingsrecht
gaat het dan om de vraag in welke mate niet-economische belangen tot een uitzonderingsgrond
behoren. Er is in Nederland de laatste tijd al aanwijsbaar meer aandacht voor niet-
economische belangen bij de toepassing van de mededingingswetgeving.7
Maar er is nog onvoldoende ruimte voor bedrijven om met elkaar afspraken te maken
over een hoger niveau van duurzaamheid. Dit is op verschillende terreinen aan de orde,
zoals bij het transparant maken van de herkomst van grondstoffen, bij het voorkomen van
kinderarbeid en bij de verdere verduurzaming van de voedselproductie.8
1   Zie voor deze en volgende informatie: <http://www.un.org/en/sustainablefuture/>.
2   AWT, Waarde creëren uit maatschappelijke uitdagingen, Den Haag 2013.
3   PPPLab Food & Water, Public-Private Partnerships: a Brief Introduction, Den Haag 2014, p. 25.
4   Een aanbeveling luidt: Systematic analysis of PPP performance could provide more insights in the
    success and failure factors underlying PPP effectiveness. IOB Study Public-Private Partnerships in
    developing countries. A systematic literature review, Den Haag 2013, p. 13.
5   Idem, p. 45.
6   IOB Studie Nieuwsbrief #1307, ‘Publiek-Private Partnerschappen in ontwikkelingslanden. Een
    systematisch literatuuronderzoek’.
7 Zie: SER, Meer werken aan duurzame groei, 2010, p. 119. Zie voor een beschouwing over dit vraagstuk
   ook T.R. Ottervanger, ‘Maatschappelijk verantwoord concurreren. Mededingingsrecht in een veranderende
   wereld’ in: Markt & Mededinging, juni 2010, nr. 3.
8 Zie voor dat laatste onderwerp Algemeen Overleg 9 december 2014 over voedsel.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>                                                                            Bijlage II
Overzicht gebruikte afkortingen
ACM		        Autoriteit Consument en Markt
AIV		        Adviesraad Internationale Vraagstukken
CEI		        Commissie Europese Integratie (van de AIV)
CMR		        Commissie Mensenrechten (van de AIV)
COS		        Commissie Ontwikkelingssamenwerking (van de AIV)
DNB		        De Nederlandsche Bank
DSGC		       Dutch Sustainable Growth Coalition
EU		         Europese Unie
(I)MVO		     (Internationaal) maatschappelijk verantwoord ondernemen
IDH		        Initiatief Duurzame Handel
IOB		        Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
MKB		        Midden- en kleinbedrijf
NGO		        Non-gouvernementele Organisatie
OESO		       Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
PBL		        Planbureau voor de Leefomgeving
PPP		        Publiek-private samenwerking
RVO		        Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
SER		        Sociaal-Economische Raad
UN, VN		     United Nations, Verenigde Naties
UNGP		       United Nations Guiding Principles
VBDO		       Vereniging van Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling
VNO-NCW      Verbond van Nederlandse Ondernemingen - Nederlands Christelijk
		Werkgeversverbond
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>                                                                 Bijlage III
Overzicht van geraadpleegde deskundigen
  Geraadpleegde deskundigen    Organisatie
  Mw. mr. L. van Beek          VNO-NCW
  Drs. R. Bierens              FMO
  Dr. K. Boone                 Sustainability Consortium
  Mr. H. Byrnes                Ahold
  P. d’Angremond, MSc          Stichting Max Havelaar
  Drs. R.G. Dijksterhuis       RVO
  Mw. A. Heilen                Unilever
  Mw. drs. R. van Heiningen    AkzoNobel
  Drs. P. Hupperts             The Terrace
  Drs. J.A. de Koning          Unilever
  Mw. prof.dr. S. Lavrijssen   Universiteit van Amsterdam
  Dr. H.F. Massink             Ministerie van Buitenlandse Zaken
  T. van der Put               IDH
  Mr. J.J. Roodenburg          Ministerie van Buitenlandse Zaken
  V. van Spengler              Consultant
  A. Veneman MD                AkzoNobel
  Mw. drs. S. Vermeulen        AkzoNobel
  Drs. M. Vernooij             Ministerie van Buitenlandse Zaken
  J. de Visser                 Ahold
  M. Visser                    VNO-NCW
  Mr. M.F. van Wissen          Linklaters LLP
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Bijlage IV De internationale duurzame ontwikkelingsdoelen</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>                                                                                        Bijlage V
Uitgangspunten van corporate sustainability
Definition:
Corporate sustainability concerns the delivery of long-term value in financial, environmental,
social and ethical terms. This embodies the dual approach of respecting and supporting
universal principles. It means that businesses must avoid causing or contributing to harm,
for example, in the form of adverse human rights impacts or environmental degradation.
In addition to this minimum responsibility to respect, businesses are encouraged to take
additional supportive actions through their core business, philanthropy, collective action and
public policy advocacy – which is done as a voluntary complement and not a substitute or
trade-off for the requirement to respect universal principles. Thus, corporate sustainability is
effectively rearticulating the concept of responsible business, with an orientation towards the
‘sustainability’ in sustainable development.
Principles:
Human Rights:
• Principle 1: Businesses should support and respect the protection of internationally
    proclaimed human rights
• Principle 2: make sure that they are not complicit in human rights abuses
Labour:
• Principle 3: Businesses should uphold the freedom of association and the effective
    recognition of the right to collective bargaining
• Principle 4: the elimination of all forms of forced and compulsory labour
• Principle 5: the effective abolition of child labour
• Principle 6: the elimination of discrimination in respect of employment and occupation
Environment:
• Principle 7: Businesses should support a precautionary approach to environmental
    challenges
• Principle 8: undertake initiatives to promote greater environmental responsibility
• Principle 9: encourage the development and diffusion of environmentally friendly
    technologies
Anti-Corruption:
• Principle 10: Businesses should work against corruption in all its forms, including
    extortion and bribery
Bron: ‘The Role of Business and Finance in Supporting the Post-2015 Agenda’, UN Global Compact
White Paper July 2014, retrieved on 13-10-2015 from: http://sd.iisd.org/news/un-global-compact-
highlights-role-of-business-in-post-2015-agenda/, and: https://www.unglobalcompact.org/what-is-gc/
mission/principles
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>                                                                                                   Bijlage VI
Ervaringen met partnerschappen
Regionale tussenstand: partnerschappen in Afrika
In een nog te verschijnen publicatie inventariseren Rob van Tulder en Ton Dietz ruim zestig
PPP’s in Afrika. Deze PPP’s bestaan uit twee opeenvolgende tranches van het Fonds Duurzaam
Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV), en het Fonds Duurzaam Water (FDW, dat voor Ghana
een aparte tranche Ghana Wash Window heeft gekregen). Het betreft multistakeholder projecten
die vooral plaats lijken te vinden in landen waar een Nederlandse ambassade aanwezig is.
Slechts in Burkina Faso en Malawi was geen ambassade betrokken en in één geval was ook
geen consulaat aanwezig. Opvallend is de participatie van een breed scala aan actoren –
ondernemingen, NGO’s, (semi)overheidsinstellingen en kennisinstellingen. Tevens opmerkelijk
is het bilaterale karakter van de meeste projecten. Slechts in enkele gevallen waren er
meerdere landen betrokken bij een project.
Vooral ondernemingen en NGO’s bekleden een leidende rol in de projecten. De helft van de
66 gestarte partnerschappen wordt geleid door ondernemingen, bij 24 andere projecten
ligt de leiding bij maatschappelijke organisaties. Overheden en kennisinstellingen nemen
dus beduidend minder vaak de leiding bij het aangaan van PPP’s. Ook lijkt een tendens
waarneembaar waarbij Nederlandse NGO’s zich als ‘sociale ondernemer’ profileren en hun
impact in partnerschap met vaak grote Nederlandse ondernemingen trachten te vergroten. Het
instrument PPP lijkt hier uitermate geschikt voor.
In geografisch opzicht ligt de focus van de projecten op drie landen: Ethiopië, Kenia en Ghana.
In deze drie landen bleek de ambassade vaak een actieve rol te hebben gespeeld.115 Op
gebied van voedselzekerheid werden PPP-initiatieven vaak gekoppeld aan markten en business
cases. De partnerschappen richten zich op het verduurzamen van internationale ketens en
deze op een eerlijke manier in te richten. De rol van overheden bij dergelijke partnerschappen
is relatief bescheiden. Het zijn vooral NGO’s als Solidaridad die zich hiervoor inzetten.
Voor duurzaam water blijkt het lastiger om duurzame projecten op te zetten. Het beperkte
aantal ingediende en goedgekeurde projecten is hier getuige van. Water is meer dan voedsel
een ‘publiek goed’ waarbij overheden een deel van de financiële dekking van projecten zullen
moeten blijven dragen. Die projecten vanuit het Fonds Duurzaam Water met een meer ‘privaat’
karakter, zoals sanitatie- en hygiëneprojecten, blijken makkelijker privaat te organiseren. Juist in
geval van water spelen semipublieke organisaties zoals Vitens Evides International een grote
rol.116
Is op basis van deze portefeuille van activiteiten sprake van duurzame diplomatie in Afrika?
Er is een begin, maar nog geen geïntegreerd beleid. De AIV constateert dat op geografisch
en ketengebied er de nodige gaten vallen. Er zijn landen waar meer op ingezet kan worden,
maar waar blijkbaar nog geen interessante coalities tussen kennisinstellingen, financiers,
ondernemingen en maatschappelijke organisaties mogelijk zijn. Dat ligt niet noodzakelijkerwijs
aan de aanwezigheid van sommige organisaties in deze landen, maar wel aan een gebrekkige
coördinatie van hun activiteiten onderling. Het verdient aanbeveling om de politieke,
115 Het voorbeeld in Ethiopië komt uitgebreid aan de orde in de IOB-evaluatie 389: Op zoek naar focus en
      effectiviteit. Beleidsdoorlichting van de Nederlandse inzet voor private-sectorontwikkeling 2005-2012.
      Den Haag, Nederland, 2014.
116 A.J. Dietz en R.J.M. van Tulder (nog te verschijnen): ‘Duurzame Diplomatie Gevraagd’, Afrika
      Studiecentrum, Leiden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>economische en duurzaamheidskaart van Afrika expliciet te maken en daarop nadere
prioriteiten voor sectoren, SDG’s en partnerschappen te ontwikkelen. Afrika kan als testgebied
voor duurzame diplomatie gekozen worden. De capaciteit van menig ambassade om adequaat
partnerschappen te faciliteren onbreekt nog vaak. Datzelfde geldt voor de continuïteit van
ondersteuning.
Partnerschappen met als basis Nederland: enkele voorbeelden117
Initiatief Duurzame Handel: topdown partnerschappen
Initiatief Duurzame Handel (IDH) is een succesvol initiatief om internationale handel te
verduurzamen, aldus een evaluatie van de IOB. De organisatie wordt zelfs een sleutelspeler
genoemd in het vormen van coalities voor de verduurzaming van grondstofketens. Ook oefent
de organisatie een positieve invloed uit op standaarden en certificering, al is deze impact
bescheiden. De Nederlandse overheid, nu al goed voor een investering van € 100 miljoen,
heeft vervolgsubsidie toegezegd tot 2020 en inmiddels dragen ook Zwitserse en Deense
overheden aan het initiatief bij.
Echter, er zijn ook minder positieve geluiden. IDH richt zich sterk op koplopers en dit zijn
vaak de grote bedrijven. Zoals in hoofdstuk IV van het advies wordt gesteld kan certificeren
negatieve gevolgen hebben voor kleinere lokale bedrijven. Er dient dus meer aandacht te
komen voor programma’s en instrumenten die op het MKB zijn toegesneden. Ook op het
gebied van mensenrechten doen zich knelpunten voor. De indruk is dat de organisatie zich
hiervoor sterker kan inzetten, onder meer door druk uit te oefenen op het verbeteren van
grievance mechanismes in bijvoorbeeld de textielindustrie. De lat zou op dit punt hoger mogen
worden gelegd. Ook zou op het gebied van Europese afstemming meer mogelijk zijn dan nu
gebeurt. Kritiek werd ook geuit op dat IDH onvoldoende focus houdt en zich verbreedt met
andere activiteiten die buiten haar mandaat vallen. In de genoemde evaluatie van de IOB wordt
geconstateerd dat IDH heeft bijgedragen aan schaalvergroting van duurzaamheidsinitiatieven
door certificering rond standaarden maar dat de effecten daarvan ‘in het veld’ op armoede,
arbeidsomstandigheden en milieubederf soms nog bescheiden waren. Van duurzame
markttransformatie – IDH’s hogere doel – is nog geen sprake.
2SCALE: bottom up partnerschappen
Een vergelijkbaar initiatief wordt door de Nederlandse overheid ondersteund in het kader van
het zogenaamde 2SCALE-project. Daarbij werd meer dan € 40 miljoen geïnvesteerd in het meer
inclusief maken van internationale en lokale landbouwketens voor tien Afrikaanse landen,
met aandacht voor koplopende bedrijven en kleine boerenbedrijven. Het 2SCALE-project
voorkomt het afvlakkende effect van IDH door nadrukkelijk vanuit twee kanten te kijken naar
de effectiviteit van partnerschappen: top-down (maar dan wel op het hele bedrijfsmodel van
de ketenregisseur) en bottom-up vanuit het perspectief van kleine deelnemende bedrijven.
Het nadeel van IDH lijkt in 2SCALE opgelost te worden, doordat als benchmark van succes
het welslagen van het partnerschap in lokale markten wordt bekeken. Dat vergt ook voor de
Nederlandse kernbedrijven een andere insteek dan als het succes wordt gemeten aan het
introduceren van keurmerken in internationale ketens.
Sustainability Consortium
Het Sustainability Consortium werd in 2009 opgericht op initiatief van twee Amerikaanse
universiteiten en is gelieerd aan de Universiteit van Wageningen. Het Consortium zet zich in om
samen met ruim honderd bedrijven, universiteiten en NGO’s methoden te ontwikkelen om op
117     Observaties vooral gebaseerd op gesprekken met deskundigen gedurende juni-augustus 2015.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>wetenschappelijk verantwoorde wijze de duurzaamheid van consumentenproducten te meten.
In elke productcategorie of -keten wordt achterhaald wat de grootste duurzaamheidsproblemen
zijn. Vervolgens worden toepasbare indicatoren ontwikkeld die kunnen worden gebruikt in het
inkoopproces door de groothandel. Inkopers vormen immers een cruciale schakel in de keten
naar consumenten.
De ontwikkeling van dit systeem verloopt voorspoedig maar nuancering is op zijn plaats.
Zo blijkt het zeer lastig om sociale indicatoren te meten, bijvoorbeeld op het gebied van
mensenrechten. Toch is het van cruciaal belang om hiervoor internationale standaarden
overeen te komen. Een tweede probleem ligt in de soms gebrekkige integratie tussen bedrijven
in de Verenigde Staten en Europa. Beide continenten houden er andere normen en waarden,
werkwijzen en bedrijfsculturen op na waardoor samenwerking gecompliceerd ligt. Dit punt geldt
wereldwijd waar het verschillen in wet- en regelgeving betreft. Het Sustainability Consortium
probeert om de diverse,‘versnipperde’ systemen bijeen te voegen maar een veelvoud aan
systemen en verschillen in wetgeving tussen landen maakt dit lastig.
Dutch Sustainable Growth Coalition
Nederland heeft een krachtige en unieke positie op het gebied van duurzaamheid met enkele
grote bedrijven die vooroplopen. Bij AkzoNobel, DSM, FrieslandCampina, Heineken, KLM,
Philips, Shell en Unilever is het idee van de Dutch Sustainable Growth Coalition ontstaan.
Het doel van deze coalitie is om Nederland neer te zetten als een soort sustainability valley
op internationale evenementen. Het gaat er dan om om Nederland op de kaart te zetten als
(overwegend) duurzaam land en invulling te geven aan duurzaamheid als imago en topsector
van Nederland. Daarnaast helpt het om koplopers en bedrijven met elkaar te verenigen. Er
vindt bijvoorbeeld uitwisseling van kennis en ervaringen plaats.
Het duurzame imago van de deelnemers is niet eenduidig. Het duurzame karakter van Shell is
minder duidelijk dan dat van andere coalitiepartners. Uit het Sustainability Report 2014 van
Shell valt op te maken dat Shell bezig is met het verbeteren van duurzaamheid. Echter, er is
nog een lange weg te gaan en Shell’s instrumenten ter bevordering van duurzaamheid kunnen
verder worden uitgebreid. Het is daarom de vraag of Shell een plek verdient in een coalitie die
het boegbeeld van duurzaamheid in Nederland is.
Dutch Good Growth Fund
Het Dutch Good Growth Fund werd in 2014 opgericht om het Nederlandse MKB te
ondersteunen bij zakendoen in ontwikkelingslanden en opkomende markten. Het doel van het
fonds is het intensiveren van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met lage- en
middeninkomenslanden.
Het korte bestaan van dit Fund maakt het voorbarig om harde oordelen te vellen. Echter,
de ervaringen na het eerste jaar laten zien dat er een groeiende vraag naar deze vorm van
ondersteuning bestaat, al zou men er goed aan doen om de bekendheid van het instrument
onder het MKB te vergroten. Uit de midterm review, zoals valt te lezen in de kamerbrief
van 1 oktober 2015, blijkt dat de totale economische impact van het Fund € 650 miljoen
bedraagt en ongeveer 11.000 banen heeft opgeleverd in Nederland en de landen waarin wordt
geïnvesteerd.118
118 Brief van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, 1 oktober 2015,
       Kamerstuk 33 625, nummer 180.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Punt van aandacht zijn de voorwaarden die als bewerkelijk overkomen en in de praktijk soms
moeilijk haalbaar blijken. Banken hanteren soms verschillende standaarden en een vereiste
om in een land als Ghana of de Democratische Republiek van Congo jaarlijks een due diligence
van het project uit te voeren brengt hoge kosten met zich mee. Het beeld aan ondersteuning
door ambassades is divers. Er zijn enkele concrete positieve voorbeelden maar ook posten
die aangaven zich beperkt voor het instrument te kunnen inzetten. Hoewel Dutch Good Growth
Fund minder risicodragend is dan vroegere PSI-programma’s lijkt de innovativiteit van het
fonds minder te zijn. Ook is de exportfinanciering niet transparant, Atradius DSB publiceert
bijvoorbeeld geen jaarrekeningen, aldus de Foundation Max van der Stoel. Ook wordt er door de
stichting een terugkeer naar gebonden hulp beschreven.119
Ambiguïteit leidt tot versnippering of lagere ambities. Het Dutch Good Growth Fund is
bijvoorbeeld opgesplitst in drie min or meer onafhankelijke beleidspilaren, die apart
beheerd worden en (nog) niet aan elkaar gekoppeld zijn. De PPP-faciliteiten vragen van
medefinancieringsorganisaties een heel andere benadering van financiering dan hun
traditionele financieringsgrondslag. Met name kleinere en meer op het bedrijfsleven
georiënteerde organisaties als Solidaridad, Aqua4All of Woord en Daad lijken daar meer van te
profiteren dan de grote vier (Oxfam-Novib, Hivos, Icco, Cordaid).
Human Cities Coalition
Deze coalitie werkt samen met bedrijven, NGO’s, en lokale overheden om steden duurzamer
te maken en om de ‘humane’ factor meer te belichten. AkzoNobel vervult hierbij de rol van
facilitator, coördinator en convening party. Vanuit de megatrend dat verstedelijking zich doorzet
en stedelijke overheden het best geëquipeerd zijn om stedelijke problemen aan te pakken,
ook op het gebied van duurzaamheid, treedt Akzo op als thought leader om een coalition of the
willing bij elkaar te krijgen. Het project is onlangs van start gegaan en het is nog te vroeg om
voortgang te analyseren. Zo is er nog geen interactie geweest met de Sustainable Urban Delta,
een ander initiatief dat zich op stedelijke problematiek richt.
119 Foundation Max van der Stoel (2013). ‘Hulp en handel samen in het Dutch Good Growth Fund?’.
       Zie: <http://www.foundationmaxvanderstoel.nl/nieuws/nieuws_item/t/hulp_en_handel_samen_in_het_
       dutch_good_growth_fund>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO-POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB-SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?,
   september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>79 DE ARABISCHE REGIO, EEN ONZEKERE TOEKOMST, mei 2012
80 ONGELIJKE WERELDEN: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking,
   september 2012
81 NEDERLAND EN HET EUROPEES PARLEMENT: investeren in nieuwe verhoudingen, november 2012
82 WISSELWERKING TUSSEN ACTOREN IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: naar flexibiliteit en vertrouwen,
   februari 2013
83 TUSSEN WOORD EN DAAD: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, maart 2013
84 NIEUWE WEGEN VOOR INTERNATIONALE MILIEUSAMENWERKING, maart 2013
85 CRIMINALITEIT, CORRUPTIE EN INSTABILITEIT: een verkennend advies, mei 2013
86 AZIË IN OPMARS: strategische betekenis en gevolgen, december 2013
87 DE RECHTSSTAAT: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking, januari 2014
88 NAAR EEN GEDRAGEN EUROPESE SAMENWERKING: werken aan vertrouwen, april 2014
89 NAAR BETERE MONDIALE FINANCIËLE VERBONDENHEID: het belang van een coherent internationaal
   economisch en financieel stelsel, juni 2014
90 DE TOEKOMST VAN DE ARCTISCHE REGIO: samenwerking of confrontatie?, september 2014
91 NEDERLAND EN DE ARABISCHE REGIO: principieel en pragmatisch, november 2014
92 HET INTERNET: een wereldwijde vrije ruimte met begrensde staatsmacht, november 2014
93 ACS–EU-SAMENWERKING NA 2020: op weg naar een nieuw partnerschap?, maart 2015
94 INSTABILITEIT ROND EUROPA: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid, april 2015
95 INTERNATIONALE INVESTERINGSBESLECHTING: van ad hoc arbitrage naar een permanent
   investeringshof, april 2015
96 INZET VAN SNELLE REACTIEMACHTEN, oktober 2015
97 AUTONOME WAPENSYSTEMEN: de noodzaak van betekenisvolle menselijke controle, oktober 2015**
98 GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE: verschillende routes in de EU-samenwerking, oktober 2015
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
 1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
 2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
 3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
 4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
 5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
 6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
 7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
   Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
 8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
   Van impasse naar doorbraak?, september 2004
 9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
   interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
22 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2012: krijgsmacht in de knel, september 2012
23 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKTE SOCIALE DIMENSIE VAN DE EUROPESE UNIE, juni 2013
24 Briefadvies MET KRACHT VOORUIT: reactie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op de
    beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, september 2013
25 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: meer dan een definitiekwestie, mei 2014
26 Briefadvies DE EU-GASAFHANKELIJKHEID VAN RUSLAND: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan
    verminderen, juni 2014
27 Briefadvies FINANCIERING VAN DE INTERNATIONALE AGENDA VOOR DUURZAME ONTWIKKELING,
    april 2015
*    Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
     Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***  Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
     Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>