<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>                ‘BREXIT MEANS BREXIT’
  OP WEG NAAR EEN NIEUWE RELATIE MET HET VK
                   No. 103, maart 2017
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter		      Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Vicevoorzitter 		 Prof.dr. A. van Staden
Leden   		        Mw. prof.mr. C.P.M. Cleiren
			               Mw. prof.dr. J. Gupta
			               Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin			
			               Mw. prof.dr. M.E.H. van Reisen
			               Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
			               LGen b.d. M.L.M. Urlings
			               Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Secretaris 		     Drs. T.D.J. Oostenbrink
			Postbus 20061
                  2500 EB Den Haag
                  telefoon 070 - 348 5108/6060
                  fax 070 - 348 6256
                  aiv@minbuza.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden Gemengde Commissie Brexit
Voorzitter    Mw. drs. M. Sie Dhian Ho
Leden         Dr. A.R. Korteweg
              Prof.dr. C.W.A.M. van Paridon
              Dr. A. Schout
              Prof.dr. M.L.L. Segers
              Mw. prof.mr.drs. L.A.J. Senden
              Prof.dr. A. van Staden
              Mr. C.G. Trojan
              Mw. mr. M.C.B. Visser
              Mr. N.P. van Zutphen
Secretaris    Mr.drs. A.R. Westerink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
         Inleiding   7
I        Brexit in een bredere Europese context    9
         I.1      Britse context   9
         I.2      Europese context   11
II       Het onderhandelingsproces   14
         II.1     Het artikel 50 VEU-proces    14
         II.2     Toekomstige betrekkingen   16
         II.3     Mogelijke opstelling in Brexitonderhandelingen    17
         II.4     De toekomstige handelsrelatie   18
III      Overige elementen toekomstige relatie met het VK    25
         III.1    Financiële diensten   25
         III.2    Externe veiligheid – buitenlands beleid en defensie    28
         III.3    Ontwikkelingssamenwerking   31
         III.4    Interne veiligheid – samenwerking op het terrein van Justitie en 		
		                Binnenlandse Zaken   32
         III.5    Vrij verkeer van werknemers    36
         III.6    Samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek    38
         III.7    Mogelijke gevolgen van de Brexit voor de
		                Nederlandse visserijsector   41
IV       Capita Selecta   43
         IV.1     Het EU-budget, het Meerjarig Financieel Kader en de Brexit    43
         IV.2     De positie van het Hof van Justitie    46
V        De gevolgen van de Brexit op de coalitievorming in Europa    50
VI       Conclusies en aanbevelingen   54   
         VI.1     Conclusies   54
         VI.2     Aanbevelingen   56
Bijlage I         Adviesaanvraag
Bijlage II        Kosten door Brexit voor Nederland
Bijlage III       Lijst van geraadpleegde personen
Bijlage IV        Lijst van gebruikte afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 6 oktober 2016 ontving de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) het
verzoek een advies uit te brengen over de vraag hoe de toekomstige relatie met het
Verenigd Koninkrijk (VK) vorm moet krijgen na het referendum in het VK op 23 juni
2016. Tijdens dit referendum sprak een meerderheid van 51,9% van de Britse kiezers
die hun stem uitbrachten zich uit voor een vertrek uit de Europese Unie (EU). Het
kabinet stelt in de adviesaanvraag teleurgesteld te zijn over deze uitkomst van het
referendum maar de uitslag van het referendum te respecteren. Inzet van het kabinet
is steeds geweest om het VK, in de visie van het kabinet een gewaardeerd EU-lid en
belangrijke Europese partner, als lid van de EU te behouden.
Het kabinet acht het, zo blijkt uit de brief, opportuun om nu te bezien hoe de
toekomstige relatie met het VK vorm moet krijgen en stelt in het licht daarvan de
volgende vragen:
1. Wat moeten vanuit Nederlands perspectief kernelementen zijn van een nieuwe
     bilaterale relatie met het Verenigd Koninkrijk?
2. Welke kernelementen dienen vanuit een communautair perspectief deel uit te
     maken van een nieuwe relatie van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk?
3. Kan de Adviesraad hierbij aangeven welke implicaties de afzonderlijke elementen
     uit de vragen 1 en 2 hebben voor de Nederlandse belangen en coalitievorming in
     Europa?
4. Waarop zou de komende jaren de inzet van de Nederlandse regering gericht
     moeten zijn in de bilaterale relatie met het Verenigd Koninkrijk?
De adviesaanvraag is als bijlage I opgenomen.
Dit advies is als volgt opgebouwd. In de inleiding worden de uitkomst van het
referendum en de gevolgen van het uittreden van het VK in een breder perspectief
geplaatst en worden de potentieel verstrekkende gevolgen daarvan, zowel voor het
VK als voor de EU27 en specifiek voor Nederland, kort geschetst. Ook wordt gewezen
op de sterke verwevenheid van de economie van het VK met veel EU-lidstaten, in het
bijzonder Nederland. Daarnaast komt onder meer de resonantie met exit-pleidooien
in andere EU-lidstaten aan de orde, in het licht van de opkomst van eurosceptische
partijen in Europa en met belangrijke verkiezingen in meerdere Europese landen op
komst.
In hoofdstuk I wordt de Brexit in een bredere Europese context geplaatst, nadat
allereerst is ingegaan op de specifiek Britse context. Hoofdstuk II behandelt het
onderhandelingsproces. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens artikel 50 VEU,
dat gaat over het besluit van een land om zich uit de Unie terug te trekken, de
onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen, de toekomstige handelsrelatie
gebaseerd op een vrijhandelszone en de overgangsperiode besproken.
Hoofdstuk III gaat in op belangrijke elementen van de toekomstige relatie met
het VK, met bijzondere aandacht voor financiële diensten, externe veiligheid en
ontwikkelingssamenwerking, interne veiligheid, het vrij verkeer van werknemers,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>onderwijs en onderzoek en de visserijsector. Hoofdstuk IV is gewijd aan enkele
capita selecta, in het bijzonder de gevolgen van de Brexit voor het EU-budget en
het Meerjarig Financieel Kader (MFK). Ook komt de positie van het Hof van Justitie
van de EU (HvJ EU) aan de orde.
Mogelijke implicaties van de Brexit voor de coalitievorming binnen de EU vormen het
onderwerp van hoofdstuk V. Daarbij wordt niet alleen ingegaan op versterking van
bestaande coalities, maar ook op het inzetten op nieuwe coalities.
Het advies wordt in hoofdstuk VI afgesloten met een aantal conclusies en
aanbevelingen, gebaseerd op de analyse in de voorafgaande hoofdstukken.
Ter voorbereiding van het advies is een commissie ingesteld, bestaande uit mw. drs.
M. Sie Dhian Ho (voorzitter) en de leden prof.dr. C.W.A.M. van Paridon, dr. A. Schout,
prof.dr. M.L.L. Segers, mw. prof.mr.drs. L.A.J. Senden, prof.dr. A. van Staden,
mr. C.G. Trojan, mw. mr. M.C.B. Visser en mr. N.P. van Zutphen (allen Commissie
Europese Integratie). Uit de Commissie Vrede en Veiligheid nam dr. A.R. Korteweg
deel. Het secretariaat van de commissie werd gevoerd door mr.drs. A.R. Westerink,
bijgestaan door de stagiair H.C. Raaphorst. Als ambtelijke contactpersonen van het
ministerie van Buitenlandse Zaken zijn drs. C.W.J. Devillers en mr.drs. B. Anker bij
de opstelling van dit advies betrokken geweest.
Voor dit advies heeft de commissie gesproken met een aantal deskundigen. In Bijlage
III is een overzicht van de geraadpleegde personen opgenomen. De AIV is hen zeer
erkentelijk voor hun inbreng.
Het advies is vastgesteld tijdens de vergadering van de AIV op 3 maart 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Inleiding
Bij het referendum over het EU-lidmaatschap op 23 juni 2016 sprak 51,9% van de
opgekomen Britse kiezers zich uit voor een vertrek van het VK uit de EU, voor een ‘Brexit’.
Het Britse kabinet onder leiding van premier Theresa May heeft daarna steeds benadrukt
deze uitspraak van de Britse kiezers te zullen respecteren (‘Brexit means Brexit’, in haar
woorden) en voorbereidingen te treffen voor daadwerkelijke uittreding van het VK uit de
EU. De kennisgeving, vereist op grond van artikel 50 VEU om het proces op weg naar
uittreding te starten, wordt in maart 2017 verwacht. De uiteindelijke uittreding van het VK
zal verstrekkende gevolgen hebben, in de eerste plaats voor het VK zelf, maar ook voor de
EU27 en zeker voor Nederland.
Het lidmaatschap van het VK sinds 1973 heeft ertoe geleid dat de economieën van het
VK en de overige landen van de EU, in het bijzonder de landen in West Europa, sterk
met elkaar verweven zijn geraakt. Deze verwevenheid, vooral maar zeker niet alleen
op economisch terrein, is sterk ondanks een aantal in de loop der jaren door het VK
bedongen uitzonderingen op het EU-acquis (opt outs). Uitzonderingen voor het VK bestaan
onder meer op belangrijke Europese beleidsterreinen zoals de Economische en Monetaire
Unie (EMU) en de Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (RVVR).
Behalve een sterke economische verwevenheid bestaan van oudsher ook sterke
historische, culturele en persoonlijke banden tussen het VK en verschillende EU-landen.
Deze banden gelden in het bijzonder tussen Nederland en het VK.
Op economisch terrein is de verwevenheid in het bijzonder zichtbaar in belangrijke
handelsstromen van goederen en diensten, geïntegreerde financiële markten en
omvangrijke wederzijdse buitenlandse investeringen.1 Waar het personen betreft is er
sprake van grote aantallen expats over en weer. Zo wonen, werken en/of studeren er circa
3,3 miljoen personen uit EU-landen in het VK2 en circa 1,2 miljoen Britten in een ander
EU-land.3 De culturele verwevenheid blijkt onder meer uit Angelsaksische invloeden binnen
de Nederlandse samenleving en, zij het in mindere mate, Nederlandse culturele invloeden
binnen de Britse. Voorts bestaat er verregaande samenwerking op tal van terreinen,
waaronder veiligheid en justitie, buitenlands beleid en defensie, onderwijs en wetenschap,
landbouw en visserij. Het moge duidelijk zijn, de Brexit zal op veel manieren de EU en
zeker ook Nederland raken. Vanuit dat perspectief is de keuze voor de Brexit zeer te
betreuren.
Het ontvlechten van het VK uit het verband van de EU, waarmee de verwevenheid zo
sterk is, zal ongetwijfeld een complex en langdurig proces blijken. Daarbij komt nog dat,
hoewel een Britse uittreding eigensoortig is, de beslissing om de EU te verlaten toch
onmiskenbaar resoneert met ontevredenheid over het Europese beleid ook in andere
1   Zie onder meer: <https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/10/meer-goederenhandel-met-verenigd-koninkrijk-
    in-2016>.
2   Office for National Statistics, Labour Force Survey, population by country of birth, Q4 2015.
3   United Nations, Department of Economic and Social Affairs (2015). Trends in International Migrant
    Stock: Migrants by Destination and Origin, zie: <http://www.un.org/en/development/desa/population/
    migration/data/estimates2/estimates15.shtml>.
                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>EU-lidstaten, zoals de Europese staatshoofden en regeringsleiders al in juni 2016
onderkenden. Zij besloten toen tot een reflectieproces over de EU, een proces dat op
16 september 2016 in Bratislava van start ging.
De Britse uittreding vormt zo een indringende opdracht aan de EU27 om het Europese
beleid responsief te laten zijn ten opzichte van de noden en wensen van de mensen
in de EU-lidstaten. Opdat burgers merken dat via voice een democratische bijsturing
van het Europese beleid waar nodig mogelijk is, waarmee de zeer kostbare optie
van exit – en dat geldt zeker voor landen die ook deelnemen aan de euro en de
Schengensamenwerking – buiten beschouwing kan blijven. Daarbij is niet uitgesloten
dat de Britse uittreding het gemakkelijker zal maken om stappen te zetten in de richting
van intensievere samenwerking op bepaalde terreinen, stappen die kunnen bijdragen
aan betere beleidsprestaties van de EU en betere bescherming van Europese burgers.
Hierbij kan onder meer worden gedacht aan betere, gemeenschappelijke bewaking van
de buitengrenzen van de EU en versterking van het Gemeenschappelijk Buitenlands en
Veiligheidsbeleid (GBVB), maar ook aan sociale bescherming.
In dit advies zal ook op de politieke en geopolitieke gevolgen voor de EU27 van de
aangekondigde Britse uittreding uit de EU worden ingegaan. Daartoe worden deze
gevolgen zowel vanuit communautair perspectief als vanuit het perspectief van Nederland
als lidstaat besproken, in lijn met de vragen die aan de AIV zijn gesteld. Hierbij komen
zowel de EU- als de Nederlandse belangen op korte en lange termijn, de uitdagingen voor
de EU en voor Nederland en de mogelijke uitgangspunten en rode lijnen voor de naar
verwachting stevige politieke onderhandelingen die zullen volgen aan bod. Beleidsterreinen
waarover intensief politiek zal worden onderhandeld, betreffen onder meer de
toekomstige handelsrelaties, de financiële diensten, de visserijsector, het GBVB en GVDB
(Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid) en de JBZ-samenwerking (Justitie en
Binnenlandse Zaken). Ook over de budgettaire consequenties van de Britse uittreding
en de positie van het HvJ EU lopen de posities tussen enerzijds het VK en anderzijds de
EU27 sterk uiteen. De AIV gaat hier in het vervolg van het advies nader op in.
                                               8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>I         Brexit in een bredere Europese context
I.1       Britse context
De AIV acht het van belang de uitslag van het Britse referendum niet alleen te duiden in
een Britse, maar ook in een bredere (Europese) context. Dit is relevant omdat wel wordt
gesteld dat de Brexit een sneeuwbaleffect kan hebben op andere lidstaten waar delen
van de bevolking ook voor uittreding uit de EU zouden zijn. Frankrijk, Italië, Oostenrijk en
ook Nederland worden genoemd als mogelijke volgende uittreders.4 De AIV ziet de Brexit
echter in de eerste plaats, zoals eerder aangegeven, als een eigensoortig fenomeen.
Een groot verschil tussen veel continentale lidstaten en het VK is dat de Britten opt
outs hebben, onder meer voor deelname aan de Eurozone en de Schengenafspraken.
Nederland participeert wel in beide samenwerkingsvormen. Daardoor zou uittreding uit
de EU voor Nederland nog veel ingrijpender gevolgen hebben dan voor het VK. Uit de
Eurobarometer (herfst 2016) blijkt ook dat Nederlanders – in tegenstelling tot de Britten –
de deelname hieraan steunen. 77% van de Nederlanders steunt de euro. Daarmee zit
Nederland boven de gemiddelde steun voor de munt in de EU (58%) en de Eurozone
(70%).5 Ook staat een meerderheid van de Nederlandse bevolking (66%) positief tegenover
immigratie vanuit andere EU-lidstaten. Dit percentage ligt lager in het VK, waar een kleine
meerderheid van 58% zich positief uitlaat over deze intra-EU-migratie. Dit percentage is na
het referendum opmerkelijk genoeg toegenomen met negen procentpunten.6
Er zijn wel gemeenschappelijke trends waar te nemen in de Nederlandse en Britse
publieke opinie ten aanzien van Europese samenwerking. Zo blijkt uit het Continu
Onderzoek Burgerperspectieven (COB) dat de Nederlandse bevolking immigratie in
haar algemeenheid als het grootste probleem voor Nederland ziet.7 In combinatie met
bovengenoemde steun voor intra-EU-immigratie kan gesteld worden dat deze zorg over
immigratie vooral betrekking heeft op immigranten uit niet-EU-lidstaten. De steun voor het
EU-lidmaatschap is sinds 2010 niet meer boven de 50% gekomen. Momenteel geeft 39%
van de Nederlanders hier steun aan, na een korte opleving in het derde kwartaal van 2016
(kort na het Brexitreferendum) van dit percentage naar 46%. Overigens ligt het percentage
dat het oneens is met de stelling dat het Nederlands EU-lidmaatschap een goede zaak
is met 20% in het derde kwartaal beduidend lager. Met de stelling dat het beter zou
zijn als Nederland uit de EU zou gaan (een Nexit), was in het derde kwartaal van 2016
eveneens slechts 20% (in 2015 24%) het eens; 50% was het daarmee oneens (in 2015
4   Kate Lyons en Gordon Darroch, ‘Frexit, Nexit or Oexit? Who will be next to leave the EU’, The Guardian,
    27 juni 2016, geraadpleegd 30 november 2016, zie: <https://www.theguardian.com/politics/2016/
    jun/27/frexit-nexit-or-oexit-who-will-be-next-to-leave-the-eu>.
5   Standard Eurobarometer 86, ‘Public opinion in the European Union, First Results’, projectnummer
    2016.8131 (herfst 2016), pp. 26-27.
6   Standard Eurobarometer 86, p. 30.
7   Paul Dekker, Josje den Ridder, Pepijn van Houwelingen en Andries van den Broek, ‘Continu Onderzoek
    Burgerperspectieven 2016|4’, Sociaal en Cultureel Planbureau, 30 december 2016, pp. 16-17.
                                                           9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>43%).8 Verder constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau dat het aandeel van de
bevolking dat vindt dat ‘Den Haag’ te veel macht heeft overgedragen aan ‘Brussel’ vanaf
2013 stabiel rond de 57% ligt.9 Dit duidt op onvrede onder de Nederlandse bevolking
over de mate van Europese integratie, een zorg die ook in het VK naar voren kwam bij het
Brexitreferendum.
Gebaseerd op onder meer de discussie voorafgaand aan het referendum, het
referendumresultaat en uitspraken van kabinetsleden en prominente Brexiteers
onderscheidt de AIV vier cruciale vraagstukken voor de Britten ten aanzien van Europese
samenwerking. Deze kunnen worden samengevat – geïnspireerd op één van de
prominente Brexitslogans – in taking back control on migration, on laws, on funds and
on trade. Deze belangrijke vraagstukken waren ook kernelementen van premier May’s
toespraak op 17 januari 2017, toen zij de Britse inzet (‘A plan for Britain’) voor de
uittredingsonderhandelingen nader toelichtte. Deze inzet is verder uitgewerkt in het op 2
februari 2017 gepubliceerde Witboek ‘The United Kingdom’s exit from and new partnership
with the European Union’.10
Allereerst zijn de grieven in het VK gericht tegen het vrij verkeer van EU-werknemers.11
De claim dat er te veel ‘migranten’ uit andere EU-lidstaten in het VK zijn, dat daar een
neerwaarts effect van uitgaat op de lonen, dat de banen naar hen gaan in plaats van naar
Britse werklozen, en dat ze een fortuin aan uitkeringen kosten, vormde het hart van de
‘leave’-campagne.12 Daarnaast gaf premier May tijdens haar toespraak op het partijcon-
gres van de Conservatieven in oktober 2016 aan dat bij een Britse uittreding, ‘we will be
free to pass our own laws’.13 In haar Plan for Britain van januari 2017 stelde premier May
daarover: ‘we will not have truly left the European Union if we are not in control of our
own laws’.14 Parlementaire soevereiniteit wordt gezien als een fundamenteel beginsel van
8   Paul Dekker, Lisanne de Blok, Joep de Hart, ‘Continu Onderzoek Burgerperspectieven 2016|3,’ Sociaal en
    Cultureel Planbureau, 29 september 2016, p. 25-26.
9   Dekker et al., ‘COB 2016|4,’ p. 21.
10 Zie: <https://www.gov.uk/government/publications/the-united-kingdoms-exit-from-and-new-partnership-
    with-the-european-union-white-paper>.
11 James McBride, ‘The Debate over Brexit’, CFR Backgrounders, 21 oktober 2016, geraadpleegd op 12 januari
    2017. Zie: <http://www.cfr.org/united-kingdom/debate-over-brexit/p37747>.
12 Zie: Gareth Davies, ‘Could it all have been avoided? Brexit and Treaty-permitted restrictions on movement
    of workers’, August 19, 2016.
13 Prime Minister Theresa May, ‘Theresa May – her full Brexit speech to Conservative conference’, The
    Independent, 2 oktober 2016, geraadpleegd op 9 januari 2017. Zie: <http://www.independent.co.uk/
    news/uk/politics/theresa-may-conference-speech-article-50-brexit-eu-a7341926.html>.
14 Prime Minister’s Office en Department for Exiting the European Union, ‘The government’s negotiating
    objectives for exiting the EU: PM speech’, 17 januari 2017, geraadpleegd op 1 februari 2017. Zie: <https://
    www.gov.uk/government/speeches/the-governments-negotiating-objectives-for-exiting-the-eu-pm-speech>.
                                                       10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>de Britse democratie.15 Het Brexitkamp heeft grote bezwaren tegen de supranationale
bevoegdheden van EU-instellingen, met name van het HvJ EU. Verder gaf minister van
Buitenlandse Zaken Johnson aan dat door de Brexit, ‘we will be able to take back control
of the money that we currently give to Brussels’.16 Tot slot willen de Britten ook zelfstandig
zeggenschap krijgen over internationale handel; een bevoegdheid die momenteel exclusief
bij de Europese Commissie ligt. Zo gaf directeur Cummings van Vote Leave, één van de
grootste lobbygroepen voor een Britse uittreding, in een vroeg stadium al aan dat het VK
beter eigen handelsovereenkomsten kan opstellen met derde landen dan de EU.17 Premier
May stelde in haar Plan for Britain dat het VK met een mondiale blik moet streven naar
een significante toename van de Britse handel met snelgroeiende exportmarkten buiten
Europa.18 In het vervolg van dit advies zal nader worden ingegaan op de gevolgen van deze
vier vraagstukken voor de mogelijke nieuwe bilaterale en communautaire samenwerking.
I.2       Europese context
Het vertrek op termijn van het VK uit de EU heeft niet alleen grote gevolgen voor
het VK, maar ook voor de EU, zowel op economisch als op (geo)politiek terrein. Op
economisch terrein verliest de EU de in Bruto Nationaal Product (BNP) gemeten tweede
economie, waarmee de economische omvang van de Unie substantieel zal krimpen.
Het VK is bovendien een land dat altijd een belangrijke rol heeft gespeeld (en nog
speelt) bij versterking van de interne markt, in de visie van het kabinet de meest
waardevolle asset van de EU.19 Tevens betoonde het VK zich altijd een voorstander van
een krachtige gemeenschappelijke handelspolitiek. Een belangrijke consequentie van
het uittreden van het VK kan verder zijn, dat de (stem)verhoudingen met betrekking
tot de gemeenschappelijke handelspolitiek ingrijpend veranderen. De landen rondom
de Middellandse Zee zouden in de toekomst in de EU27 een blokkerende minderheid
kunnen gaan vormen.20 Dit kan met name gevolgen hebben voor meer protectionistische
maatregelen, zoals antidumping maatregelen.
Het vertrek van het VK betekent ook een gevoelig verlies op buitenlandpolitiek terrein. Dit
uit zich onder meer in het feit dat na het vertrek van het VK uit de EU, Frankrijk de enige
EU-lidstaat is die als permanent lid nog deel uitmaakt van de VN-Veiligheidsraad. Het
15 UK Parliament, ‘Parliamentary sovereignty,’ geraadpleegd op 12 januari 2017. Zie: <https://www.
    parliament.uk/about/how/role/sovereignty/>.
16 Ashley Cowburn, ‘Brexit: Boris Johnson dismisses paying EU ‘large sums’ of money in return for market
    access’, The Independent, 4 december 2016, geraadpleegd op 9 januari 2017. Zie: <http://www.
    independent.co.uk/news/uk/politics/brexit-latest-news-boris-johnson-davis-davis-dismisses-paying-eu-
    large-sums-of-money-in-return-for-a7454736.html>.
17 Bagehot, ‘An interview with Dominic Cummings’, The Economist, 21 januari 2016, geraadpleegd op
    9 januari 2017. Zie: <http://www.economist.com/blogs/bagehot/2016/01/out-campaign>.
18 PM Office en DExEU, ‘The government’s negotiating objectives’.
19 Zie onder meer: Kamerbrief d.d. 9 september 2016, ‘Nederlandse inzet Informele bijeenkomst
    regeringsleiders 27 EU-lidstaten te Bratislava’, Kamerstuk nr. 21 501-20, nr. 1143.
20 Zie daartoe onder meer: <http://www.votewatch.eu/blog/france-more-likely-than-germany-to-lead-the-eu-
    council-after-brexit-voting-records-in-the-council-show/>.
                                                          11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>vertrek van het VK uit de EU kan tevens leiden tot nieuwe machtsverhoudingen binnen het
GBVB. Ook in het GVDB kunnen de consequenties groot zijn. Zo heeft het VK de hoogste
defensie-uitgaven (EUR 50 miljard in 2015), gevolgd door Frankrijk (EUR 40 miljard) en
Duitsland (EUR 35 miljard). Een Brexit beperkt zodoende de mogelijkheden voor de EU om
uit te groeien tot een militaire macht die het gehele spectrum aan Petersbergtaken kan en
wil vervullen.21
Relevant is overigens wel dat dit terreinen betreft die intergouvernementeel bestuurd
worden. Dit betekent dat de samenwerking op deze terreinen ook na de Brexit, zij
het in een andere vorm, voortgezet kan worden. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de
defensiesamenwerking en de samenwerking tussen de inlichtingendiensten. Op de wijze
waarop deze samenwerking voortgezet zou kunnen worden, wordt in hoofdstuk III.2 nader
ingegaan.
Voor de politieke leiders van de EU27 vormde de uitslag van het referendum van 23
juni 2016 aanleiding om zich nader te beraden op de toekomst van de Unie. Het besluit
daartoe nam de Europese Raad op 29 juni 2016; de eerste informele bijeenkomst
van staatshoofden en regeringsleiders van de EU27 volgde op 16 september 2016 in
Bratislava. Dit reflectieproces moet eind maart 2017 tijdens een gezamenlijke bijeenkomst
in Rome leiden tot gezamenlijke conclusies door de Europese Raad over noodzakelijke
hervorming van de Unie.
Het kabinet heeft zijn inzet voor dit zogenaamde Bratislava-proces neergelegd in een
Kamerbrief van 9 september 2016.22 Daarin geeft het aan het vooral van belang te achten
dat de EU presteert en beschermt op de door haar gestelde doelen, met name op de
kernthema’s migratie, veiligheid (zowel intern als extern) en interne markt. Daarbij is in de
visie van het kabinet een beter Europa niet automatisch meer Europa; het gaat, zo stelt
het kabinet, nu juist ook om consolidatie en het implementeren van gemaakte afspraken.
Of eind maart 2017 de economische en/of politieke tegenstellingen tussen en sterk
uiteenlopende belangen van Noord- en Zuid-Europa, Oost- en West-Europa en onder
meer de vier Visegrad-landen en een aantal andere lidstaten, Europese Commissie en
Europees Parlement (EP), geheel of ten dele overbrugd kunnen worden, is sterk de vraag.
In de visie van de aan Clingendael verbonden onderzoeker Jan Rood kan, het palet van
tegenstellingen overziend, minimaal de conclusie worden getrokken dat van de met het
integratieproces nagestreefde convergentie (dat wil zeggen het naar elkaar groeien van
lidstaten, idealiter op een hoger niveau van ontwikkeling) onvoldoende terecht is gekomen.
Sterker nog, er is eerder sprake van een proces van divergentie, waarbij de onderlinge
verschillen tussen Oost en West respectievelijk tussen Noord en Zuid eerder vergroot
dan verkleind zijn. Verkiezingen in Duitsland en Frankrijk later dit jaar compliceren het
vinden van spoedige oplossingen en het overbruggen van bestaande tegenstellingen
21 T. Palm, ‘Consequenties van een Brexit voor het Europees veiligheidsbeleid’, Internationale Spectator 3,
    2016 (jrg. 70). De Petersbergtaken maken deel uit van het GVDB. Zij omvatten ontwapeningsacties,
    humanitaire en reddingsmissies, conflictpreventie en vredeshandhaving, inzet van strijdkrachten op het
    gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede (artikel 43 VEU).
22 Kamerbrief d.d. 9 september 2016, ‘Nederlandse inzet Informele bijeenkomst regeringsleiders
    27 EU-lidstaten te Bratislava’, Kamerstuk nr. 21501-20, nr. 1143.
                                                     12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>mogelijk verder.23 In beide landen, decennia lang een cruciale as vormend voor de
Europese integratie, vindt de anti-EU-boodschap een steeds groter gehoor. Daarbij is
duidelijk dat de Euroscepsis ook in het al zo lang uitgesproken pro-Europese Duitsland
in de vorm van de Alternative für Deutschland (AfD) voeten aan de grond heeft gekregen.
Deze Euroscepsis, niet alleen in Duitsland, maar ook in veel andere Europese landen
waaronder Nederland, wordt mede geweten aan het feit dat de nadruk binnen de EU de
laatste decennia heeft gelegen op het realiseren van de vier vrijheden binnen de EU, en er
relatief te weinig aandacht is geweest voor de behoefte aan bescherming bij EU-burgers.24
Deze bescherming betreft zowel sociaaleconomische bescherming (tegen bijvoorbeeld
werkloosheid, onzekere en tijdelijke arbeidscontracten, lage lonen) als bescherming
in termen van veiligheid, zowel intern als extern. Dit laatste betreft onder meer de
behoefte aan bescherming tegen terrorisme als ook de bescherming tegen dreigingen
van buitenaf, zoals van de zijde van Rusland. Ook de vluchtelingencrisis die gepaard ging
met grootschalige irreguliere immigratie heeft bijgedragen aan het gevoel dat de interne
grenzen zijn afgeschaft zonder dat er beschermende EU-buitengrenzen voor in de plaats
zijn gekomen.
Wat het Bratislava-proces voor de toekomst van de Europese integratie gaat betekenen,
laat zich moeilijk voorspellen. Waarschijnlijk is echter wel dat het proces van
gedifferentieerde integratie (EU-samenwerking waarbij niet alle lidstaten dezelfde rechten
en plichten hebben) gecontinueerd en mogelijk zelfs verder uitgebreid zal worden. Eerder
al heeft de AIV het kabinet aangeraden om gedifferentieerde integratie te aanvaarden als
een noodzakelijk instrument om voortgang van de Europese samenwerking op bepaalde
beleidsterreinen mogelijk te maken, daarbij rekening houdend met legitieme bezwaren
of beperkingen van bepaalde lidstaten om aan de verdergaande samenwerking mee te
doen.25 Dat aanvaarding van gedifferentieerde integratie niet bij voorbaat een oplossing
is om het uittreden van een lidstaat te voorkomen, heeft de uitslag van het Britse
referendum overigens wel aangetoond.
23 J. Rood, ‘Meer, minder, anders: de toekomst van de EU27’, Internationale Spectator 3 - 2016 (jrg. 70).
24 Zie bijvoorbeeld het interview met Luuk van Middelaar: <https://www.nrc.nl/nieuws/2016/09/23/
    europa-moet-leren-bescherming-te-bieden-4389358-a1523114>.
25 AIV, advies nummer 98, ‘Gedifferentieerde integratie: verschillende routes in de EU-samenwerking’,
    Den Haag, oktober 2015.
                                                    13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>II        Het onderhandelingsproces
II.1      Het artikel 50 VEU-proces
Er zijn globaal drie fasen te onderscheiden in het onderhandelingsproces: de
onderhandelingen over de boedelscheiding, over de toekomstige relatie en over de
overgangsperiode, waarbij overigens vooralsnog niet duidelijk is of deze onderhandelingen
parallel dan wel volgtijdelijk zullen verlopen. Het onderhandelingsproces zal starten nadat
de Britse regering artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) heeft
ingeroepen. Dit artikel legt de juridische basis voor het proces van uittreding van een
lidstaat. Het artikel 50 VEU-proces gaat in essentie over de boedelscheiding tussen het
VK en de EU27 in het licht van de toekomstige betrekkingen. Deze onderhandelingen
duren maximaal twee jaar, tenzij er unaniem wordt besloten tot verlenging.26 De optie van
verlenging lijkt echter vrijwel uitgesloten doordat er in 2019 verkiezingen voor het EP zullen
plaatsvinden en er een nieuw MFK ingaat vanaf 2021.
Na het inroepen van artikel 50 VEU bepaalt de Europese Raad richtsnoeren
voor de onderhandelingen. In het licht van deze richtsnoeren stelt de Raad een
onderhandelingsmandaat vast op aanbeveling van de Europese Commissie (conform
artikel 218 lid 3 VWEU). Michel Barnier (oud-vicevoorzitter van de Europese Commissie)
zal aangewezen worden als hoofdonderhandelaar (conform het besluit daartoe van
de staatshoofden en regeringsleiders van de EU27). De Commissie voert deze
onderhandelingen in nauw overleg met de Raad, terwijl het EP voortdurend zal worden
ingelicht over de voortgang. Didier Seeuws (voormalig kabinetschef van toenmalig
voorzitter van de Europese Raad Herman van Rompuy) leidt de taskforce van de Raad.
Guy Verhofstadt (leider van de ALDE-fractie in het EP) is de coördinator van het EP. Het
Britse onderhandelingsteam wordt aangestuurd door de minister van Buitenlandse Zaken
Boris Johnson, de Brexit-minister David Davis als hoofdonderhandelaar en de minister
van Internationale Handel Liam Fox als verantwoordelijke voor de handelsrelaties met
derde landen en de World Trade Organization (WTO). De eindverantwoordelijkheid voor de
onderhandelingen ligt echter nadrukkelijk bij premier Theresa May.
In de ontvlechtingsonderhandelingen zal de nadruk liggen op de positie en de rechten
van de wederzijdse ingezetenen alsmede op de financiële verplichtingen van het VK.
Het betreft hier de zogenaamde exitrekening, die onder meer bestaat uit verplichtingen
uit hoofde van pensioenen en begrotingsverplichtingen voor structuurfondsen en
cohesiefonds. Hiernaast moeten regelingen getroffen worden voor de Britse leden van de
Europese instellingen alsook voor Britse ambtenaren in die instellingen met inbegrip van
Britse diplomaten in de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO). Verdere afspraken
zijn ook nodig voor de relocatie van de in het VK gevestigde agentschappen (Europese
Bankautoriteit EBA, Europees Geneesmiddelenbureau EMA), de terugtrekking van Britse
deelname aan GBVB-missies, Europol en Frontex, de grensbewaking en het loskoppelen
26 Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 50, Publicatieblad van de Europese Unie, 59e jaargang,
    7 juni 2016, 2016/C 202/43-44.
                                                    14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>van het VK uit internationale verdragen die getekend zijn door de EU.27
Van deze onderdelen van het uittredingsakkoord, dat namens de Unie wordt gesloten
door de Raad na goedkeuring door het EP,28 acht de AIV het voor Nederland van primair
belang om afspraken te maken over de positie van de wederzijdse ingezetenen en hun
opgebouwde rechten. Dit geldt ook de exitrekening van het VK, van groot Nederlands
belang gezien de samenhang met de EU-begroting 2019 en het volgende MFK. Ook de
relocatie van de EU-agentschappen kan van belang zijn voor Nederland, zoals blijkt uit
de kandidatuur van Nederland als ‘nieuw vestigingsland voor het EMA’.29 In hoofdstuk
III en IV zal de AIV nader toelichten welke andere elementen hij van belang acht voor het
uittredingsakkoord, een overgangsakkoord en een akkoord over de nieuwe communautaire
of bilaterale relatie met het VK.
In verschillende rapporten over de Brexit wordt de vraag gesteld of het mogelijk is het
inroepen van artikel 50 VEU in een later stadium weer ongedaan te maken.30 Dit is in
ieder geval niet mogelijk na het aflopen van de periode van twee jaar na het inroepen
van artikel 50 VEU, mits er niet is besloten tot verlenging van de onderhandelingen,
aangezien het VK dan automatisch geen lid meer zou zijn.31 Tijdens de twee jaar van
ontvlechtingsonderhandelingen zou volgens sommigen een Britse ommezwaai eventueel
wel juridisch mogelijk zijn.32 Het Britse Supreme Court heeft ervan afgezien hierover een
prejudiciële vraag voor te leggen aan het HvJ EU. De AIV is overigens van mening dat deze
vraag veel meer een politieke dan een juridische aangelegenheid is.
Met betrekking tot het verloop van de onderhandelingen acht de AIV het van belang dat
beide partijen zich redelijk opstellen in het proces. In paragraaf II.3 wordt toegelicht
welke gevolgen een mogelijk andere, zoals een ‘straffende’, opstelling van de kant van de
EU teweeg zou kunnen brengen. Hoewel Nederland alle belang heeft bij een ordentelijk
verloop van de uittredingsonderhandelingen, constateert de AIV tevens dat de daarvoor
vereiste instelling zowel aan Britse zijde als aan de zijde van andere EU-lidstaten tot
dusverre niet altijd zichtbaar is. De AIV acht het van grote betekenis dat de Nederlandse
regering vooral stevig inzet op de positie van de wederzijdse ingezetenen en de hoogte van
de exitrekening.
27 Miguel Tell Cremades en Petr Novak, ‘Brexit and the European Union: General Institutional and Legal
     Considerations’, European Parliament – DG for Internal Policies of the Union – Policy Department for
     Citizens’ Rights and Constitutional Affairs, PE 571.404, januari 2017, p. 19.
28 R.A. Wessel, ‘De procedure om de Europese Unie te verlaten – een interpretatie van artikel 50 VEU’, SEW
     Brexit-reeks – nr. 1, SEW nr. 1, januari 2017.
29 E.I. Schippers en A.G. Koenders, ‘Nederlandse kandidatuur Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA)’,
     Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kenmerk 1082538-160317-GMT,
     16 januari 2017, p. 1.
30 Zie onder andere Judy Dempsey, ‘Judy Asks: Is Brexit Reversible?’, Carnegie Europe, 29 juni 2016,
     geraadpleegd op 30 november 2016. Zie: <http://carnegieeurope.eu/strategiceurope/?fa=63955>.
31 Ibid., p. 15.
32 The UK in a Changing Europe, ‘Brexit and Beyond’, p. 11.
                                                        15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>II.2      Toekomstige betrekkingen
Diverse auteurs schetsen mogelijke scenario’s voor de toekomstige betrekkingen tussen
de EU en het VK. Bij al deze modellen is het van belang vooraf op te merken dat de
precieze vorm en inhoud zullen afhangen van de Britse insteek van de onderhandelingen,
alsmede de uiteindelijke resultaten van de onderhandelingen tussen de EU27 en het VK.
Studies van denktanks of publieke instellingen rapporteren over tot wel acht verschillende
modellen.33 Een aantal van deze mogelijke modellen komt hier kort aan de orde.
Allereerst zou een toetreding mogelijk zijn van het VK tot de Europese Economische
Ruimte (EER), waar Noorwegen, IJsland en Liechtenstein in zitten om deel te nemen aan
de EU interne markt. Het VK moet dan wel eerst tot de Europese Vrijhandelsassociatie
(EVA) toetreden. Hiervoor zou het VK wel het vrij verkeer van werknemers moeten toestaan
en gedeeltelijke financiële bijdragen aan de EU-begroting moeten leveren. Ook blijft het HvJ
EU jurisdictie houden over het VK op de terreinen waar de EU bevoegd is. Daarnaast dient
het land de EU-regelgeving voor de interne markt te blijven implementeren, zonder zelf een
stem in de vormgeving ervan te hebben.34 Dit scenario staat hiermee haaks op de rode
lijnen van de Britse opstelling, zoals onder meer uiteengezet door premier May.
Een ander scenario is het zogenaamde Zwitserse model, dat via een groot aantal
bilaterale verdragen (120) voorziet in volledige toegang tot de EU interne markt voor
goederen en verwerkte landbouwproducten en samenwerking op tal van andere terreinen.
Ook in dit model moet het VK eerst tot de EVA toetreden. De prijs voor toegang tot de
interne markt is voor Zwitserland wel geweest het accepteren van het vrij verkeer van
personen (zij het met een zekere preferentie voor Zwitserse werknemers als gevolg van
het jongste referendum). Bovendien moet Zwitserland een bijdrage aan de EU-begroting
leveren en verplicht het zich het relevante EU interne markt-acquis over te nemen. Ook dit
scenario gaat lijnrecht tegen de Britse opstelling in en lijkt daarom niet realistisch.
Het Turkse model van een douane-unie, dat voorziet in vrij verkeer van goederen (met
uitzondering van landbouw), bevat geen contraprestatie op het gebied van het vrij
verkeer van personen of een begrotingsbijdrage. Turkije moet wel het gemeenschappelijk
buitentarief toepassen en is niet vrij eigen handelsakkoorden te sluiten. Het kan echter
wel profiteren van de preferentiële handelsakkoorden die de EU gesloten heeft. Ook dit
model lijkt geen optie te zijn, gezien de expliciete Britse wens een eigen handelspolitiek te
kunnen voeren.
Ten slotte is het Continental Partnership (Pisani-Ferry e.a., Bruegel) vermeldenswaardig,
een half-in-half-out model dat echter naar verwachting noch voor het VK, noch voor de
EU27 aanvaardbaar zal zijn.35
33 Zie onder andere Bloomberg Intelligence, ‘Brexit Special’, Bloomberg Briefs, september 2016; HM
    Government, ‘Alternatives to membership: possible models for the United Kingdom outside the European
    Union’, maart 2016; J.C. Bollen, G.W. Meijerink en H.A. Rojas-Romagosa, ‘Brexit raakt Nederland meer
    dan meeste EU-landen’, CPB Policy Brief 2016/07, juni 2016; Miguel Tell Cremades en Petr Novak,
    ‘Brexit and the European Union’, opt.cit. hoofdstuk 4.
34 Michael Emerson, ‘Which model for Brexit?’, CEPS Special Report no. 147, oktober 2016, p. 3.
35 Jean Pisani-Ferry, Norbert Röttgen, André Sapir, Paul Tucker en Guntram B. Wolff, ‘Europe after Brexit:
    A Proposal for a continental partnership’, 25 augustus 2016, p. 2. Zie: <http://bruegel.org/wp-content/
    uploads/2016/08/EU-UK-20160829-final-1.pdf>.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Gezien het bovenstaande ligt het voor de hand dat het VK uiteindelijk zal opteren voor een
zo breed mogelijk vrijhandelsakkoord. De nieuwe generatie vrijhandelsakkoorden van de
EU kent Comprehensive Free Trade Agreements (CFTA), zoals met Zuid Korea en Canada
(Comprehensive Economic and Trade Agreement, CETA) zijn afgesloten. CETA biedt de
meeste aanknopingspunten voor een toekomstige handelsrelatie van de EU met het VK. In
het kader van de Nabuurschapspolitiek heeft de EU ook Associatieakkoorden afgesloten
die Deep and Comprehensive Free Trade Agreements bevatten (DCFTA). Het akkoord met
Oekraïne is daar een voorbeeld van. Het gaat met name verder dan CETA op het gebied
van aanpassing van wetgeving. Het is denkbaar om elementen van deep integration in een
CETA model op te nemen. Met andere woorden een CETA+-model.
Een dergelijk akkoord kan afschaffing van binnentarieven met zich meebrengen, opening
van de markten voor openbare aanbestedingen, wederzijdse erkenning van normen en
standaarden, samenwerking op het terrein van regelgeving, een level playing field op
het gebied van mededinging, opening van dienstenmarkten en afspraken over onder
meer intellectueel eigendom, investeringen en geschillenbeslechting, arbeidsrechten en
sustainable development. De breedte en diepgang van een dergelijk akkoord is natuurlijk
onderwerp van onderhandelingen. Hoe meer diepgang, hoe groter de noodzaak om te
verzekeren dat regelgeving equivalent is. Dit betekent onder meer dat een adequate
geschillenbeslechtingsregeling noodzakelijk is. Maar evenmin als dit bij CETA of de
overeenkomst met Oekraïne het geval is, voorziet het akkoord in rechtsmacht voor het HvJ
EU of een bijdrage aan de EU-begroting. Anders dan bij een douane-unie kent een Free
Trade Agreement (FTA) geen gemeenschappelijk buitentarief en blijft het VK dus vrij om
eigen handelsakkoorden te sluiten.
Indien er geen enkel akkoord wordt bereikt in de artikel 50 onderhandelingen met het VK,
dan valt men terug op het algemene WTO-regime, dat wil zeggen het Most Favoured Nation
(MFN)-regime dat van toepassing is op alle WTO leden die geen preferentiële akkoorden
hebben met de EU. Dit betekent ook de herinvoering van onderlinge tariefmuren en
douaneformaliteiten.
II.3    Mogelijke opstelling in Brexitonderhandelingen
De Nederlandse opstelling in de Brexitonderhandelingen wordt door verschillende
elementen bepaald. Daarbij moet men wel voor ogen houden dat er sprake is van een
gemeenschappelijke EU-onderhandeling, waar verschillende belangen onder één noemer
gebracht moeten worden.
Uiteraard dient het Nederlandse belang, zowel economisch als politiek, zwaar te wegen.
De AIV is wel van mening dat er veel aan gelegen is dat de EU27 de rijen gesloten houden.
De AIV is ook van mening dat de onderhandelingen niet mogen uitdraaien op een
strafexpeditie ten opzichte van het VK vanwege het besluit tot uittreding. Daar staat wel
tegenover dat de uittredingsakkoorden niet dermate gunstig mogen zijn dat deze een
aanmoediging zouden vormen voor andere landen om eveneens uittreding te overwegen.
De AIV is voorstander van een geordende Brexit waarbij een cliff edge vermeden moet
worden. Van een dergelijk cliff edge scenario zou sprake zijn indien het VK de EU zou
verlaten zonder akkoord, met als gevolg een abrupte verandering van de handelsregels
op de dag na de Brexit. Het VK zou dan terugvallen op de WTO-regels voor handel met de
EU, en dat is noch in het Britse, noch in het Nederlandse belang. Als belangrijke exporteur
van goederen naar de Britse markt moet Nederland volgens de AIV vermijden dat er bij het
                                              17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>feitelijk uittreden van het VK uit de EU opnieuw tariefmuren en douaneformaliteiten worden
ingesteld.
De AIV is wel van mening dat in de onderhandelingen over een mogelijke transitie cherry
picking vermeden moet worden.
De AIV vindt het voorts gewenst dat men niet al te lang wacht met het beginnen van
parallelle onderhandelingen over de toekomstige betrekkingen en een mogelijke
transitieperiode.
Wat de onderhandelingen over de toekomstige handelsbetrekkingen betreft, acht de AIV
het uitgesloten dat deze binnen de periode van twee jaar afgesloten kunnen worden. De
inhoudelijke onderhandelingen hierover zullen pas na de Brexit plaatsvinden. Ook daarom
hecht de AIV sterk aan een aansluitende transitieperiode. Daarbij is relevant om op te
merken dat er ook stemmen zijn, die er vanuit gaan dat de transitieperiode de (semi)
definitieve uitkomst wordt, gezien de te verwachten grote problemen met het uitonder-
handelen en geaccepteerd krijgen van een nieuw en definitief samenwerkingsverdrag.
Wat de toekomstige handelsbetrekkingen betreft meent de AIV dat Nederland open moet
staan voor een breed en diep vrijhandelsakkoord.
De AIV meent dat de toekomstige betrekkingen zich niet moeten beperken tot handels-
betrekkingen, maar dat tevens afspraken gemaakt moeten worden over vergaande
(continuering van) samenwerking op het gebied van het buitenlands- en veiligheidsbeleid,
justitie en binnenlandse zaken alsmede over samenwerkingsafspraken op het gebied van
onder meer onderwijs, onderzoek en innovatie.
II.4      De toekomstige handelsrelatie
De Britse benadering
Met de toespraak van premier May op 17 januari 2017 in Lancaster House is er meer
duidelijkheid gekomen over de Britse insteek voor de toekomstige handelspolitieke relatie
tussen het VK en de EU. Zij liet er geen twijfel over bestaan wat de harde kern is van
haar aanpak: ‘taking back control of our laws, bringing an end to the jurisdiction of the
European Court of Justice, control immigration to Britain from Europe and negotiating
Britain’s own trade agreements’.36 Daarmee sluit zij deelname aan de EU interne markt en
een douane- unie van meet af aan uit. Ook een mogelijke tussenoplossing is ongewenst,
zo blijkt uit haar woorden ‘No partial membership of the European Union, associate
membership, or anything that leaves us half-in half-out’.37 Deze keuze kan worden gezien
als een keuze voor een ‘clean Brexit’.
Het Witboek van 2 februari 201738 werkt de lijn van de Lancaster House toespraak
verder uit, maar de harde kern van haar toespraak blijft onverkort overeind. Wat premier
36 Zie: <https://www.gov.uk/government/speeches/the-governments-negotiating-objectives-for-exiting-the-
    eu-pm-speech>.
37 Zie: <https://www.gov.uk/government/speeches/the-governments-negotiating-objectives-for-exiting-the-
    eu-pm-speech>.
38 Zie: <https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/589191/The_
    United_Kingdoms_exit_from_and_partnership_with_the_EU_Web.pdf>.
                                                 18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>May nastreeft is een ‘alomvattend, krachtig en ambitieus vrijhandelsakkoord’ (FTA) met
de EU. Dit akkoord moet de weg openen naar zo vrij mogelijke handel in goederen en
diensten tussen het VK en de EU. Daartoe moeten de EU en het VK wederzijds voordelige
douane-overeenkomsten afsluiten en gebruikmaken van elementen uit huidige interne
marktregelingen, waaronder zo vrij mogelijke handel in financiële diensten.
De WTO context
Wat ook de vorm zal zijn van een toekomstig handelsakkoord, het zal afbreuk doen aan
het most favoured nation beginsel en dus in overeenstemming moeten zijn met de regels
van de WTO. Dit is mogelijk onder artikel XXIV (5) GATT, indien het handelsakkoord de vorm
aanneemt van een douane-unie of een FTA, of een interim-akkoord dat daartoe leidt, en
beantwoordt aan de voorwaarden van artikel XXIV (5) en (8) GATT. Een dergelijk akkoord
mag niet leiden tot hogere rechten voor derde landen en moet ‘substantially all the trade’
tussen verdragspartijen bevatten. Een eventueel interim-akkoord dient een plan of schema
voor het instellen van een dergelijke douane-unie of FTA binnen een redelijke termijn te
bevatten.
Bij gebreke van een FTA of douane-unie, dan wel een interim-akkoord dat daartoe
leidt, wordt de handelspolitieke relatie tussen het VK en de EU bepaald door het non-
preferentiële algemene WTO-regime. Dit brengt onder meer de wederinvoering van
tariefmuren mee en wordt wel omschreven als het zogenaamde ‘WTO-scenario’ of ‘hard
Brexit’-model, een scenario dat de AIV als politiek onwenselijk en economisch schadelijk
voor zowel de EU als het VK beschouwt en daarom bij voorkeur zou moeten worden
vermeden.
Een toekomstig FTA EU-VK
Voor het type FTA dat het VK nastreeft biedt het vrijhandelsakkoord met Canada (CETA)
in de visie van de AIV, zoals eerder aangegeven, de beste aanknopingspunten. Een FTA
moet worden onderhandeld en gesloten op basis van artikel 207 en 218 VWEU, vanaf
het moment dat het VK een derde land is. Die onderhandelingen zullen de nodige tijd
vergen, zelfs als er voorbereidend werk plaats heeft parallel aan de artikel 50 VEU-
onderhandelingen. De onderhandelingen over het CETA duurden bijvoorbeeld al zeven jaar.
Uitgaande van de benodigde goedkeuringsbesluiten zal de beschikbare tijd voor de
artikel 50-onderhandelingen hooguit 18 maanden bedragen.39 Bovendien zal in eerste
instantie alle aandacht uitgaan naar de boedelscheiding, het kernonderwerp van de artikel
50-procedure. Voorts zullen de EU27 eerst duidelijkheid willen hebben over de exitrekening
van de boedelscheiding, in het bijzonder wat betreft de over en weer verblijvende burgers
en de financiële verplichtingen van het VK.
Ook al komen er parallelle onderhandelingen over de toekomstige handelspolitieke
relatie, dan nog is het uitgesloten dat deze in een zo kort tijdsbestek afgesloten kunnen
worden. Dit nog afgezien van de vraag of de besluitvormingsprocedure van artikel 50
VEU een en ander wel mogelijk maakt. De AIV gaat er daarom vanuit dat de inhoudelijke
onderhandelingen over een toekomstig FTA voor het grootste deel zullen plaatsvinden na
het uittreden van het VK uit de EU. Deze onderhandelingen zullen naar verwachting een
39 Zie hierover onder meer de opmerkingen van onderhandelaar namens de Commissie Barnier tijdens zijn
    persconferentie op 6 december 2016, <http://ec.europa.eu/info/news/introductory-comments-michel-
    barnier_en>.
                                                  19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>aantal jaren vergen.
Omdat het uitgangspunt van de onderhandelingen eenvormige wet- en regelgeving
is – het VK voert immers tot op heden als lidstaat het acquis van de EU uit – kan het
proces van onderhandelingen wellicht wat sneller verlopen dan met het CETA-akkoord
het geval was. Dat neemt niet weg dat het onderhandelen van een comprehensive FTA,
vergelijkbaar met CETA, heel wat voeten in de aarde heeft. Dit geldt temeer daar de
soms sterk uiteenlopende belangen van 27 EU-lidstaten onder een gezamenlijke noemer
moeten worden gebracht. Daar komt bij dat een dergelijk akkoord mogelijk de vorm zal
aannemen van een gemengd akkoord, omdat er naar verwachting ook onderwerpen in
worden behandeld waar de lidstaten (mede) over gaan, zoals bepaalde aspecten van
investeringsrelaties. Een gemengd akkoord vereist nationale ratificaties, zoals ook het
geval was bij het CETA-akkoord. Wat betreft de handel in goederen (en andere elementen
van exclusieve EU-competentie) kan een akkoord sneller in werking treden via voorlopige
toepassing.
Een interim-periode
Premier May gaat er vanuit dat tegen de tijd dat de voorziene periode voor de artikel 50
VEU-procedure afloopt niet alleen over de boedelscheiding, maar ook over de toekomstige
relatie een akkoord kan worden bereikt. Zij is zich er wel van bewust dat een dergelijk
akkoord niet op stel en sprong in werking kan treden. Om een mogelijk gat te voorkomen,
wat feitelijk een terugvallen op het algemene WTO-regime zou betekenen, pleit zij voor een
gefaseerd proces van implementatie. Zij noemt hierbij in het bijzonder immigratiecontrole,
douanesystemen, samenwerking op het gebied van Justitie en Binnenlandse Zaken en het
reguleringskader voor financiële diensten.
De AIV is van mening dat bovenstaande inzet mogelijk wel wenselijk is vanuit Britse
optiek, maar ook elementen van cherry picking behelst. Dat men binnen twee jaar tot een
inhoudelijk akkoord kan komen over een toekomstig comprehensive FTA en terzelfder tijd
overeenstemming kan bereiken over een interim-periode, acht de AIV uitgesloten. Wat
betreft tarieven is zoiets wellicht wel mogelijk en ook wenselijk, zeker vanuit Nederlands
perspectief. Op het gebied van diensten en regulering zal het echter vrijwel onmogelijk, en
voor velen ook politiek onwenselijk zijn om vooruit te lopen op de inhoudelijke bepalingen
van een toekomstig vrijhandelsakkoord. In de dienstensector gaat het bovendien niet
alleen om de regelgeving, maar ook om de praktische toepassing van toezichthouders en
‘regulators’. Dit geldt in het bijzonder voor de financiële dienstverlening. Zelfs met een
land als Zwitserland, waarmee de EU circa 120 bilaterale akkoorden heeft, is de financiële
dienstverlening, met uitzondering van schadeverzekeringen, niet inbegrepen. Zwitserland
geniet vrije toegang tot de interne markt voor industriële producten en verwerkte
landbouwproducten. Daar staat tegenover dat het land de Europese regelgeving moet
overnemen, vrij verkeer van personen moet verzekeren en een bijdrage moet leveren aan
de EU-begroting. In feite dezelfde voorwaarden die onderdeel zijn van de EER, voorwaarden
die onaanvaardbaar zijn gebleken voor de Britten. Daar komt bij dat dienstverlening en
vooral vestiging (Modes 2 en 3 GATS40) in het algemeen niet los gezien kunnen worden
van een zekere mate van vrij verkeer van natuurlijke personen (Mode 4 GATS).
40 General Agreement on Trade in Services.
                                               20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>Een geordende overgang
Een en ander neemt niet weg dat er van weerskanten goede argumenten zijn om tot
een meer geordende Brexit te komen zonder cliff edge tussen het uittreden van het VK
en de inwerkingtreding van een toekomstig vrijhandelsakkoord. Een overgangsperiode
ligt dan voor de hand. Dit zou met zich brengen dat een aantal interim-maatregelen
overeengekomen moet worden in het kader van de artikel 50-procedure (in het artikel
50-besluit of in het aangehechte Protocol). Daar dient wel bij te worden aangetekend dat
een artikel 50-besluit geen elementen kan bevatten die onder de nationale competentie
vallen. Dan zou immers nationale ratificatie noodzakelijk zijn.
Het is denkbaar dat in een dergelijk interim-akkoord de huidige tariefvrijdom tussen het
VK en de EU27 gecontinueerd wordt en het VK het EU gemeenschappelijk buitentarief
blijft toepassen. Indien er sprake zou zijn van een simpele tijdelijke continuering van het
Britse lidmaatschap van de EU-douane-unie, dan is dit relatief eenvoudig aangezien het
interim-akkoord op zichzelf een douane-unie vormt. Het VK wil echter uit de douane-unie,
want het wenst niet gebonden te zijn aan het gemeenschappelijk buitentarief om zo vrij te
zijn om handelsakkoorden te kunnen afsluiten met derde landen. Die twee eisen van geen
gemeenschappelijk buitentarief en geen binnentarief zijn echter onverenigbaar, zolang er
geen gedetailleerde akkoorden zijn over de oorsprongregeling.
Oorsprongregelingen betreffen een complexe materie die zeker niet voor het feitelijk
uittreden van het VK uit de EU overeengekomen kunnen worden. Afspraken hierover
zijn extra moeilijk, omdat het businessmodel van veel productiesectoren, zoals de
automobielsector, op global value chains is gebaseerd.
Een tijdelijke continuering van de douane-unie
De meest voor de hand liggende oplossing zou in de visie van de AIV een tijdelijke
continuering van de bestaande douane-unie met bijvoorbeeld drie jaar zijn. Het moet
mogelijk zijn om een interim-periode voor een douane-unie op te nemen in het artikel
50 VEU-besluit. Dit lijkt echter in strijd te zijn met de rode lijn van het VK dat zijn eigen
vrijhandelsakkoorden wenst af te sluiten. In de praktijk is het overigens een illusie dat het
VK binnen deze periode over vrijhandelsakkoorden kan onderhandelen, deze afsluiten en
in werking kan doen treden.
Om te beginnen zullen er capaciteitsproblemen zijn – qua personeel en materieel – bij
zowel onderhandelaars als douanediensten. Zo moeten laatstgenoemden, als het VK
derde land wordt, oorsprongcertificaten afgeven. Het aantal douanedeclaraties zal naar het
zich laat aanzien verviervoudigen, waar het Britse computersysteem niet op is ingesteld.
Bovendien zal het VK eerst zijn schedules voor goederen en commitments voor diensten
bij de WTO moeten deponeren. Ook als deze identiek zijn aan die van de EU, dan nog
vergt dit tijdrovende onderhandelingen binnen de WTO over aanpassing van tariefquota. Er
zullen bovendien principal suppliers zijn die in bilaterale onderhandelingen compensaties
vragen. Uiteindelijk is er een multilaterale onderhandeling met ongeveer 140 WTO-leden
(exclusief EU-lidstaten) en besluitvorming bij consensus. Aangezien WTO-tariefbindingen
het uitgangspunt zijn van alle internationale FTA-onderhandelingen, is dit al een belangrijke
horde.
In de derde plaats is het niet waarschijnlijk dat derde landen een akkoord met het VK
willen afsluiten zolang er geen uitzicht is op een EU-VK-FTA. Nogmaals gezegd: de Britse
claim dat het binnen een zeer korte periode vrijhandelsakkoorden kan afsluiten met derde
landen (de VS, Gemenebest) lijkt weinig reëel. Een Global Britain, zoals premier May
                                                  21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>voorstaat, zal zeer moeilijk in de praktijk te brengen zijn, nog afgezien van de al genoemde
WTO-, tijds- en capaciteitsbelemmeringen. Potentiële handelspartners van het VK zullen
eerst willen afwachten wat de relatie VK-EU gaat inhouden en voorrang geven aan hun
eigen FTA-onderhandelingen met de EU. Daar zijn uiteindelijk belangrijker voordelen wat
betreft markttoegang in het geding.
In de vierde plaats zal het VK als deelnemer aan de EU-douane-unie voordeel blijven
trekken van de veelheid van FTA’s van de EU.
Ten slotte zou een dergelijk interim-akkoord de nodige tijd geven om het probleem van de
eventuele wederinvoering van landsgrenzen tussen de Ierse Republiek en Noord-Ierland op
te lossen.
Invulling van de interim-periode
Een hierboven bepleite drie jaar durende interim-periode kan aangewend worden voor
intensieve onderhandelingen over een ‘comprehensive’ EU-VK-FTA, dat na afsluiting
voorlopig van toepassing kan worden verklaard voor het handelspolitieke gedeelte dat
onder de exclusieve EU-competentie valt. De criteria voor de oorsprongregeling bij het
uittreden van het VK uit de douane-unie maken onderdeel uit van deze onderhandelingen.
Tegelijkertijd kan het VK met FTA-partners van de EU onderhandelen om de wederzijdse
voordelen ook in hun relatie te integreren.
Ook de EU zal onderhandelingen moeten voeren met haar FTA-partners over aanpassing
van de akkoorden ten gevolge van het uittreden van het VK uit de douane-unie. Het VK
kan weliswaar geen akkoorden met derde landen doen ingaan tijdens de interim-periode,
maar niets weerhoudt het VK om gesprekken te openen (bijv. met de VS), gericht op het
afsluiten van akkoorden met het oog op inwerkingtreding na het uittreden uit de douane-
unie.
Een overgangsfase met tariefvrijdom is zeker in het Nederlandse belang. Na Ierland is
Nederland van alle EU-lidstaten het land waarvan de handel het sterkst verweven is met
het VK.
De kosten van een ‘hard Brexit’ zijn voor Nederland dan ook relatief hoog. Het Centraal
Planbureau) CPB becijfert deze voor 2030 in het WTO-scenario op 1,2% Bruto binnenlands
product (BBP), dat wil zeggen EUR 10 mld. Een groot aantal sectoren is sterk afhankelijk
van de uitvoer naar het VK: de voedselverwerkende industrie, chemie, kunststof en
rubber, elektronische apparatuur, motorvoertuigen en onderdelen en metaal en mineralen.
Tezamen zijn deze sectoren goed voor 12% van het Nederlandse BBP. Zij zullen volgens het
CPB een gezamenlijk productieverlies leiden van 5%.41 (Zie ook Nederlandse kosten Brexit
in Bijlage II).
Omgekeerd is ook het VK sterk afhankelijk van uitvoer naar de EU (44% van de
totale uitvoer). Zo worden auto’s in een WTO-scenario met 10% invoerrechten belast,
vrachtwagens met 16%. Dit komt bovenop de productieketenproblemen, die een uittreden
uit de douane-unie zou meebrengen. In de landbouwsector kan de wederinvoering van
douanetarieven oplopen van 70 (vlees) tot 100% (bietsuiker). Volgens de Guardian zou
41 J.C. Bollen et al., ‘Brexit raakt Nederland meer dan meeste EU-landen’, CPB Policy Brief 2016/07.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>een WTO-scenario EUR 7,6 mld. per jaar aan extra kosten met zich brengen voor Britse
exporteurs.42
Technische handelsbelemmeringen, normen en standaarden
Tariefvrijdom geeft geen volledige toegang tot elkaars markten zonder wederzijdse
erkenning van normen en standaarden (op technisch, gezondheids-, veiligheids-, milieu en
sociaal gebied).
Het is de vraag of behalve tariefvrijdom een interim-akkoord ook wederzijdse erkenning van
normen en standaarden kan omvatten. Alleen dan is er volledige vrije toegang tot elkaars
markten. In feite is dit het regime dat Zwitserland geniet, dat naast tariefvrijdom op grond
van het vrijhandelsakkoord ook een bilateraal akkoord met de EU heeft op het gebied van
wederzijdse erkenning.
Hier zit wel een aantal haken en ogen aan vast. In de eerste plaats is het de vraag of er
onder de EU-lidstaten de bereidheid bestaat zover te gaan, zonder concessies van de
zijde van het VK op het gebied van vrij verkeer van werknemers of een bijdrage aan de EU-
begroting, zoals in het Zwitserse model.
In de tweede plaats is het de vraag hoe te verzekeren dat gedurende de interim-periode
de VK regelgeving equivalent blijft, ook in haar praktische toepassing. Het in de toekomst
blijven erkennen van de rechtsmacht van het HvJ EU vormt voor het VK een belangrijk
vraagstuk (zie hierover meer uitgebreid ook H. IV.2). Het Zwitserse en Turkse model
kennen, ondanks hun nauwe verwevenheid met de EU, geen rechtsmacht toe aan het HvJ
EU. Dit heeft historische redenen. In feite kent het Zwitserse model noch een efficiënt
toezicht, noch een efficiënte geschillenbeslechting. Geschillen worden voorgelegd aan de
diverse Comités ingesteld bij de bilaterale verdragen.
De EU wenst hier verandering in te brengen door in ieder geval een integraal geschillen-
beslechtingsmechanisme in te voeren gemodelleerd naar de WTO. Iets dergelijks is ook
denkbaar na het uittreden van het VK uit de EU, zowel voor een interim-periode als voor
het uiteindelijke FTA.
De monitoring van de wet- en regelgeving van het VK kan plaatsvinden in een Joint
Committee. Voor geschillenbeslechting kan men kiezen voor een arbitragesysteem
gemodelleerd naar het WTO Dispute Settlement System of vergelijkbare modellen
in bestaande FTA’s. In de bijlage van het Britse witboek staat een aantal modellen
opgesomd. De EU hoeft naar het oordeel van de AIV geen vragende partij te zijn voor een
Investor to State Dispute Settlement (ISDS). Dit zou waarschijnlijk meer in de rede liggen
voor het VK.
Diensten
Wat diensten betreft kent het WTO GATS Agreement een vergelijkbare clausule als voor
goederen maar anders geformuleerd (ART.V GATS ‘Economic integration’).
42 Zie: <https://www.theguardian.com/uk-news/2017/feb/20/no-deal-brexit-would-mean-6bn-
    in-extra-costs-for-uk-exporters?utm_source=POLITICO.EU&utm_campaign=b1acee4cc3-EMAIL_
    CAMPAIGN_2017_02_20&utm_medium=email&utm_term=0_10959edeb5-b1acee4cc3-189887225>.
                                                     23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>‘Substantially all the trade’ wordt daar vertaald in ‘substantial sectoral coverage’. Afwijken
van het MFN beginsel voor een enkele sector als financiële dienstverlening is dus niet
mogelijk. Om in de dienstensector vooruit te lopen op een FTA ligt veel minder voor de
hand, zowel inhoudelijk als politiek. Hierboven werd daartoe al een aantal overwegingen
naar voren gebracht.
Vanuit een Brits perspectief zal een interim-akkoord zonder enige overgangsregeling voor
financiële diensten thuis moeilijk verkoopbaar zijn. De financiële sector is goed voor 11%
van het Britse BBP. Omgekeerd is ook de Nederlandse financiële sector zeer aangewezen
op de City van Londen. In het volgende hoofdstuk wordt hierop nader ingegaan.
Voor de langere termijn streeft het VK een zo vrij mogelijke financiële dienstverlening
na. In afwachting daarvan wenst het gedurende een overgangsperiode de bestaande
paspoortrechten van het VK volledig te handhaven. De AIV acht dit politiek onhaalbaar. De
EU27 zullen dit als cherry picking beschouwen en als een ongewenst vooruitlopen op het
toekomstige vrijhandelsakkoord. Dit nog afgezien van de wens van een aantal landen om
banen aan te trekken in hun eigen financiële centra. De AIV is wel van mening dat er naar
wegen moet worden gezocht om het financiële systeem zo min mogelijk te ontwrichten en
een geordende overgang mogelijk te maken.
Conclusies
Concluderend is de AIV van mening dat wat de toekomstige handelspolitieke relaties
betreft het in de rede ligt dat deze de vorm zullen aannemen van een ‘comprehensive
FTA’. Het akkoord met Canada biedt daar goede aanknopingspunten voor. Gezien
de verwevenheid van de regelgeving van de EU en het VK is het zeer goed denkbaar
dat een dergelijk akkoord tot meer deep integration leidt dan bij CETA het geval is.
De onderhandelingen over een dergelijk akkoord zullen een aantal jaren duren, maar
waarschijnlijk korter dan CETA gezien de eenvormige uitgangsposities.
De verwachting is gewettigd dat een dergelijk FTA totale afschaffing van douanerechten
met zich zal brengen voor praktisch alle goederen. Of daar ook alle landbouwproducten
onder zullen vallen, hangt af van het autonome subsidiebeleid dat het VK zal invoeren bij
vertrek uit de EU.
De AIV is van mening dat een interim-regeling gewenst is om een geordende overgang
mogelijk te maken. Deze interim-periode moet in ieder geval voorzien in tariefvrije handel in
goederen tussen de EU en het VK. Dit is niet goed mogelijk zonder toepassing door het VK
van het gemeenschappelijk buitentarief. Daarom bepleit de AIV een continuering van de
douane-unie voor een periode van drie jaar.
Of een dergelijke interim-regeling ook technische handelsbelemmeringen, normen en
standaarden moet omvatten, kan onderwerp vormen van onderhandelingen in het kader
van de artikel 50 procedure. De AIV acht het in dat verband wel van belang dat alsdan in
het VK de equivalentie van standaarden verzekerd blijft.
Wat de dienstensector betreft en overige hoofdstukken uit een toekomstig FTA acht de
AIV het niet goed mogelijk en politiek onwenselijk om vooruit te lopen op de inhoudelijke
bepalingen van het toekomstige FTA. Dit moet onderdeel zijn van de FTA-onderhandelingen.
Dit geldt ook voor de financiële dienstverlening. De AIV is wel van mening dat er naar
wegen gezocht moet worden om het financiële systeem zo min mogelijk te ontwrichten en
een geordende overgang mogelijk te maken.
                                              24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>III       Overige elementen toekomstige relatie met het VK
In de toekomstige relatie met het VK, zowel tussen de EU en het VK als tussen Nederland
en het VK, zijn de economische, financiële en handelsbelangen cruciaal. In dit hoofdstuk
wordt een aantal economische sectoren – financiële diensten en visserij – nader
beschouwd als ook het vrij verkeer van werknemers. Maar er zijn ook andere terreinen,
waarop het in de toekomst essentieel is om goede relaties met het VK te behouden, zowel
voor de EU als ook bilateraal. Dit geldt met name het buitenlands- en veiligheidsbeleid, de
interne veiligheid en onderwijs en onderzoek.
III.1     Financiële diensten
Britse inzet
Voor de Britten is de financiële sector heel belangrijk. De sector, waarin meer dan één
miljoen mensen werken, is goed voor zo’n 11% van het Britse BNP. Het VK is de grootste
netto exporteur van financiële diensten en verzekeringen en verantwoordelijk voor circa
24% van alle financiële diensten binnen de EU.43 Bovendien bedraagt het balanstotaal
van de in het VK gevestigde buitenlandse banken 186% van het BNP en die van de
eigen Britse banken 200% van het BNP. Internationale financiële instellingen vestigen
hun hoofdkantoor in Londen omdat ze via het EU-paspoort voor financiële diensten
toegang hebben tot de markten van de EER. De helft van ’s werelds grootste financiële
dienstverleners heeft haar Europese hoofdkwartier in het VK. Van de 250 buitenlandse
banken in het VK zijn 170 afkomstig van buiten de EER. De paspoortrechten zijn vooral
voor de grotere financiële instellingen belangrijk, omdat zij de meeste zaken over de
grenzen heen in de EU doen.
Volgens het Internationaal Monetair Fonds (IMF) heeft de Britse financiële sector haar
groei voor een belangrijk deel te danken aan de EU-interne markt. De paspoortrechten
(FPS - Free Provisioning of Services) bestaan al sinds 1992 voor banken en zijn steeds
verder uitgebreid, ook onder invloed van de G20 afspraken na de financiële crisis
over goed toezicht op de sector. Londen is daardoor uitgegroeid tot één van de drie
mondiale financiële centra, naast Hong Kong en New York. De sector is vanwege de hoge
concentratie van financiële dienstverleners, de goede infrastructuur, en de markt voor
talent een ecosysteem voor vernieuwing en een zogenaamde FinTech hub geworden.
Terugvallen op het systeem van ‘equivalenties’ zou voor het VK veel onzekerheid met
zich brengen. Het equivalentiebeginsel is een instrument dat onder EU-wetgeving voor
financiële diensten wordt gebruikt om aan te duiden dat derde landen voldoen aan
het EU-raamwerk op het gebied van wet- en regelgeving en toezicht. Equivalentie is
echter niet van toepassing op alles en kan alleen door derde landen worden gevraagd
wanneer daar expliciet in voorzien is door EU-wet- en regelgeving. Bovendien kunnen
equivalentiebeslissingen door de Commissie theoretisch op ieder moment worden
43 European Parliament Briefing ‘Brexit: the United Kingdom and EU financial services’, 9 december 2016.
    Zie: <http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2016/587384/IPOL_BRI(2016) 587384_
    EN.pdf>.
                                                     25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>ingetrokken.44 Deze onzekerheden vormen een wankele basis om ook in de toekomst
toegang tot de EU interne markt te kunnen garanderen.
Premier May gaf in haar eerder vermelde toespraak van 17 januari 2017 aan dat het
VK niet algehele toegang tot de interne markt nastreeft, maar op zoek is naar een
nieuw, allesomvattend en ambitieus vrijhandelsverdrag waarin voor bepaalde domeinen
elementen van de interne markt worden opgenomen. Daarbij noemt zij expliciet de vrijheid
om financiële diensten over de grenzen heen te mogen verlenen. Hierbij gebruikt zij het
praktische argument dat het niet zinnig zou zijn om weer van nul af aan te beginnen, terwijl
het VK en de lidstaten al zoveel jaren met dezelfde regels hebben gewerkt. De Britten
hebben de relevante EU-wetgeving geïmplementeerd en waren zelfs architect van bepaalde
concepten zoals de Bank Recovery and Resolution Directive (BRRD).
Het perspectief van de aanstaande Brexit heeft al de nodige onrust veroorzaakt in de City.
Twee dagen na May’s toespraak kondigden de twee grootste Europese banken, UBS en
HSBC, aan dat zij duizend banen gaan verplaatsen van Londen naar andere steden, zoals
Frankfurt en Parijs, vooruitlopend op de verwachte schade die de Brexit zal veroorzaken.
Goldman Sachs zegt nog geen beslissing over verplaatsing te hebben genomen. Wel zet
deze bank inmiddels een nieuwe vestiging op in Frankfurt om de Europese activiteiten
te concentreren. Ook wordt personeel dat de Franse en Spaanse bedrijven adviseert
naar die landen verplaatst, wordt een deel van activiteiten naar New York verplaatst, en
concentreert het de back office in Warschau.45
Europa’s grootste bank HSBC heeft een goede uitgangspositie omdat deze bank al een
grote vestiging heeft in Parijs, die de meeste licenties heeft die een investeringsbank
nodig heeft. UBS heeft in 2016 een vestiging in Frankfurt opgezet om de Europese
vermogensbeheersactiviteiten te concentreren. Ook Lloyds of Londen overweegt een
vestiging op te zetten in Frankfurt.
The City of London Corporation dringt aan op tussentijdse afspraken in een interim-
arrangement na afloop van de twee jaar periode na inroeping van artikel 50 VEU, waarin
de paspoortrechten voor de financiële sector blijven bestaan totdat een volledig nieuwe
relatie is uit onderhandeld.46 Het is duidelijk dat het weghalen van activiteiten uit Londen
substantiële financiële gevolgen heeft voor het VK.
Europese inzet
Er is een uitgebreid raamwerk van reguleringen van toepassing voor banken, verzekeringen
en beleggingen, maar ook voor beleggingsproducten en financiële infrastructuur.
Sinds 2008 is verdere verdieping gerealiseerd inclusief een ‘single rulebook’. Ook zijn
activiteiten die niet op EU en zelfs vaak niet op nationaal niveau waren gereguleerd
inmiddels wel gereguleerd, zoals rating agencies, hedgefondsen en derivaten markten.
Bijvoorbeeld de Markets in Financial Instruments Directive (MiFID) voor aandelenmarkten,
die nu ook transparantie in prijs reguleert en regels stelt omtrent gebruik van algoritmes
en datahandel.
44 Zie: <http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/BRIE/2016/587369/IPOL_BRI(2016) 587369_
    EN.pdf>.
45 Zie: <http://uk.reuters.com/article/us-davos-meeting-hsbc-idUKKBN1520SO>.
46 Zie: <http://fortune.com/2017/01/18/ubs-goldman-sachs-brexit/>.
                                                   26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>De omvang van de Britse financiële sector is ook van groot belang voor de EU. 75% van
de winsten op de kapitaalmarkt en bankensector wordt in het VK verdiend en 37% van de
AUM (assets under management) voor grote partijen als pensioenfondsen en overheden in
de EU wordt in het VK beheerd. De mogelijke gevolgen van het gedeeltelijk ontmantelen
van het ecosysteem van de City en het opbreken en verspreiden van de activiteiten over
een aantal Europese steden is door een aantal experts van de Brusselse denktank
Bruegel recent in kaart gebracht.47 Uit deze studie wordt duidelijk, dat vooral Frankfurt,
Parijs, Dublin en Amsterdam hiervan zouden kunnen profiteren. In totaal zouden circa
30.000 banen vanuit Londen naar de EU27 verplaatst kunnen worden, aldus deze experts.
Indien in afwachting van een FTA en bij gebreke aan een overgangsregeling er moet worden
teruggevallen op de WTO-regels, dan heeft het Europese bedrijfsleven geen toegang
meer tot de financiële diensten in de City of London. Schoenmaker (Bruegel) wijst erop
dat kapitaal in dat geval duurder zal worden. Een aantal financiële bedrijven zegt al bezig
te zijn met het zekerstellen van hun toegang tot de interne markt door in andere EU-
lidstaten vestigingen te openen.48 Omdat een groot aantal licenties nodig is en niet alle
lidstaten beschikken over de juiste expertise wat betreft toezicht kan dit proces problemen
opleveren. De vraag is of kleinere lidstaten toegerust zijn om een hausse aan grote
financiële instellingen op zoek naar licenties een stabiele basis te bieden. Dat zou de
stabiliteit van het financiële systeem in de EU op termijn kunnen ondermijnen.
Kernvraag is of de Europese inzet gericht zal zijn op het behouden van het ecosysteem van
de City (waarbij de City de hele financiële sector omvat en niet alleen de City of London)
ten behoeve van het Europese bedrijfsleven, of dat de EU-lidstaten, zoals Frankrijk en
Duitsland, zullen inzetten op het opbreken van het ecosysteem ten bate van hun eigen
financiële industrie.
Voor de AIV staat het belang voorop van een zo beperkt mogelijke verstoring van
het financiële systeem binnen de EU en het zoveel mogelijk mitigeren van negatieve
effecten van de Brexit op het systeem van financiële diensten. Daarbij zouden
equivalentiebeslissingen in het kader van het Third Country Regime (TCR) een
terugvalpositie kunnen zijn, hoewel deze niet op alle financiële diensten toepasbaar
zijn en door de Commissie ingetrokken kunnen worden. Voordeel is wel, dat de regeling
in beginsel op alle derde landen van toepassing kan zijn en als zodanig geen inbreuk
oplevert op het MFN-beginsel. Het is ook mogelijk dat de reikwijdte van equivalentie
uitgebreid wordt, waardoor deze optie nog aantrekkelijker wordt. Hiernaast zouden de
rechten gewaarborgd kunnen worden van financiële contracten waarvan de looptijd verder
strekt dan het feitelijk uittreden van het VK uit de EU.
DG FISMA (Directoraat-generaal Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaal-
marktunie van de Europese Commissie) heeft op 20 januari 2017 een nieuwe consultatie
uitgeschreven over het actieplan voor de opbouw van een kapitaalmarktunie. Europese
kapitaalmarkten zijn onderontwikkeld en versnipperd. In vergelijking met de VS zijn de
Europese aandelenmarkten de helft zo groot en de obligatiemarkten minder dan een
derde zo groot. Bovendien is er een grote kloof tussen de lidstaten onderling. Meer
geïntegreerde kapitaalmarkten zullen leiden tot grotere efficiëntie en zullen Europa’s
financieringscapaciteit ondersteunen met het oog op groei. Sterkere kapitaalmarkten
47 Zie: <http://bruegel.org/wp-content/uploads/2017/02/PC-04-2017-finance-090217-final.pdf>.
48 Zie: <http://bruegel.org/2017/02/making-the-best-of-brexit-for-the-eu27-financial-system/>.
                                                 27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>moeten de traditionele manier van bankfinanciering in Europa aanvullen.
De Commissie heeft in september 2016 aangekondigd de verdieping van de
kapitaalmarktunie te gaan versnellen. Hoe dit proces gestalte moet krijgen zonder het
VK, dat thans over veruit de grootste kapitaalmarkt in de EU beschikt, en of dat gevolgen
moet krijgen voor de kapitaalmarkt na het vertrek van het VK uit de EU, is vooralsnog niet
duidelijk. Het is daarbij zeer wel mogelijk dat de Brexit een extra aanmoediging vormt om
tot een verdere en snellere integratie te komen van de Europese kapitaalmarkt.
Nederlandse inzet
De Nederlandse financiële sector is beducht voor het verdwijnen van het level playing field
in de financiële sector en voor het ontstaan van een offshore entiteit voor de Nederlandse
kust waar op regelgeving wordt geconcurreerd.
Vooralsnog zetten de Nederlandse regering en de Nederlandse Vereniging van Banken
zich niet zichtbaar in op het naar Nederland halen van bepaalde activiteiten die nu in het
VK worden uitgevoerd. Nederland als alternatieve vestigingsplaats voor Londen wordt niet
door velen naar voren geschoven, in ieder geval niet in het openbaar.
De AIV benadrukt de belangen van een geordende overgang en onderkent dat ook
continentale banken veel belang hebben bij de hub functie van de Londense City. Daar
staat echter tegenover dat de financiële dienstverlening onderdeel uitmaakt van een
globale onderhandeling. Nederland moet in de eerste plaats oog hebben voor sectoren die
zeer afhankelijk zijn van de uitvoer naar het VK.
De AIV is van mening dat een toekomstig FTA met het VK een substantieel hoofdstuk
moet bevatten over financiële diensten. Volledige deelname aan de interne markt met
paspoortrechten lijkt echter niet tot de mogelijkheden te behoren nu het VK uitdrukkelijk
een EER scenario heeft afgewezen. Zelfs de Londense City gaat er inmiddels vanuit dat
handhaving van de paspoortrechten in de EU op langere termijn een onhaalbare kaart is.
De AIV is verder van mening dat in een CFTA alternatieve afspraken gevonden kunnen
worden die een zo vrij mogelijke dienstverlening over en weer mogelijk maken.
Equivalentie-afspraken zoals hierboven vermeld kunnen daar een belangrijke rol in spelen.
III.2     Externe veiligheid – buitenlands beleid en defensie
De discussie over de vormgeving van de toekomstige relatie tussen de EU en het VK
richt zich in belangrijke mate op de handelsbetrekkingen en financieel-economische
onderwerpen. Dit neemt niet weg dat er ook andere beleidsterreinen zijn aan te wijzen
waar voortzetting van nauwe samenwerking tussen beide partijen in het wederzijdse
belang is. Eén van deze terreinen betreft het domein van het buitenlands beleid en de
defensie.
De EU ziet zich geplaatst voor externe bedreigingen van uiteenlopende aard: intimiderend
optreden van Rusland in Oost-Europa, aanslagen van terroristische bewegingen en cellen
vanuit het Midden-Oosten en haarden van instabiliteit aan de zuidelijke randen van Europa.
Daarom stelt de AIV dat de EU zich in zou moeten spannen om het VK zoveel mogelijk te
(blijven) betrekken bij de voorbereiding en uitvoering van het GBVB en het GVDB.
Het VK beschikt immers over een uitgebreid diplomatiek netwerk, heeft een permanente
zetel in de VN-Veiligheidsraad, is onder de Europese landen met Frankrijk de belangrijkste
                                               28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>militaire macht en kan, na de VS, putten uit het grootste ontwikkelingsbudget van alle rijke
landen. Het VK draagt met andere woorden, nog afgezien van de internationale ervaring
en reputatie die het toevoegt, in aanzienlijke mate bij aan de middelen die nodig zijn om
een effectief Europees extern beleid te voeren. De voorgenomen Britse uittreding kan
ook een kwalitatieve verzwakking van de EDEO inhouden. Bovendien is het VK bij een
aantal dossiers een drijvende kracht geweest in het gemeenschappelijk optreden van de
EU-landen. Zo speelde de Britse regering een actieve rol in het koppelen van EU-sancties
aan diplomatieke druk ten opzichte van Iran (vanwege het nucleaire programma van dit
land) en Rusland (vanwege de annexatie van de Krim). Ook had zij een stevige hand in
de opstelling en uitvoering van de economische strafmaatregelen die de EU-landen tegen
het Syrische regime van Bashar Al-Assad hebben genomen. De centrale positie die de
Londense City inneemt in het mondiale financiële verkeer houdt in dat Europese financiële
sancties maar beperkt effectief zijn zonder deelname van het VK.
Tevens geldt dat het VK zelf belang heeft bij nauwe samenwerking op buitenlands- en
veiligheidsbeleid met Europese lidstaten. Indien het VK overeenstemming kan bereiken
binnen de EU over een onderwerp dat de Britten na aan het hart ligt, dan werkt de EU
als ‘diplomatieke multiplier’. Recent voorbeeld is het Europees sanctiebeleid ten aanzien
van Birma/Myanmar. Zonder de Britten was dit beleid niet tot stand gekomen en zonder
samenwerking in de EU was het niet effectief geweest. De EU speelt ook een belangrijke
rol op de Balkan, onder andere op Brits aandringen. Daarnaast is de EU, meer dan de
NAVO, actief op het Afrikaanse continent, onder andere met stabiliseringsoperaties,
trainingsmissies en ontwikkelingshulp. Het is een continent waar het VK eveneens grote
economische- en veiligheidsbelangen heeft.
Het is waar dat vanuit EU-perspectief de Britse bijdrage aan de ontwikkeling van het GVDB
aanzienlijk minder positief is geweest. Het VK heeft steeds sceptisch, zo niet afwijzend,
gestaan tegenover het streven naar een autonome Europese defensiecapaciteit. De
Britse regering wenste niet te tornen aan het primaat van de NAVO waar het ging om
de veiligheidsbelangen van de Europese landen. Zo verzette zij zich tegen de oprichting
van een militair-civiel EU-hoofdkwartier voor de planning en aansturing van Europese
stabiliseringsoperaties en trainingsmissies, met als argument dat een dergelijk
hoofdkwartier de bestaande NAVO-structuren zou dupliceren. Ook hield het VK een
verhoging van het budget van het Europees Defensieagentschap (EDA) tegen. Het is dan
ook nauwelijks verrassend te constateren dat het Britse aandeel in missies die in het
kader van het GVDB zijn uitgevoerd, bijzonder bescheiden is geweest. Een uitzondering
moet worden gemaakt voor de Britse bijdrage aan de operaties van de marines van
EU-landen in de Hoorn van Afrika en het zuidelijk deel van het centrale Middellandse
Zeegebied.
Hoewel de Britse positie ten aanzien van de organisatie van de Europese defensie
onwrikbaar lijkt, is de AIV van oordeel dat een herwaardering niet mag worden uitgesloten
onder invloed van mogelijke ontwikkelingen in het Amerikaanse veiligheidsbeleid. Indien de
regering-Trump de NAVO feitelijk niet langer als prioriteit zou beschouwen en afstand zou
nemen van de traditionele Amerikaanse rol van garantiemacht van de Europese veiligheid,
dan ontkomt ook de Britse regering niet aan de noodzaak alternatieven voor de militaire
samenwerking in Atlantisch verband te onderzoeken.49
49 Zie hierover Anne Appelbaum, ‘Europe needs a new defence pact and Britain could lead it’, Financial
    Times, 16 februari 2017.
                                                  29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>In welke richtingen kan worden gezocht bij het vinden van arrangementen ter regeling
van de samenwerking tussen de EU en het VK op de onderhavige beleidsterreinen?
Aangezien het GBVB en het GVDB zich afspelen in de sfeer van de intergouvernementele
samenwerking, lijkt de zoektocht naar oplossingen een gemakkelijker opgave te zijn dan
bij de vormgeving van de handelsbetrekkingen waar de EU-instellingen bij betrokken zijn.
Intergouvernementele samenwerking biedt immers meer ruimte voor het toepassen
van flexibele formules en het maken van informele afspraken. In een publicatie van een
gezaghebbend onderzoekinstituut worden vier verschillende modellen van samenwerking,
reikend van minder tot meer geïntegreerd, geïdentificeerd, waaruit zou kunnen worden
gekozen.50 Deze modellen zijn:
1. Strategische partner (losse samenwerking en consultatie);
2. Het Noorse model (regelmatige consultatie en verbondenheid, geen deelname aan
    besluitvorming);
3. Noorwegen Plus (selectieve deelname aan informele en operationele besluitvorming);
4. Raad van Buitenlandse Zaken Plus (regelmatige deelname aan formele besluitvorming).
Bij de bepaling van een voorkeur aan EU-kant voor één van deze opties zal uiteraard de
mate waarin het VK interesse toont om bij het GBVB/GVDB betrokken te blijven, een
belangrijke overweging zijn. Zo goed als aan EU-zijde de overtuiging moet bestaan dat
de EU in nauwe samenwerking met het VK meer internationaal gewicht kan sorteren
dan zonder, moet bij de Britse regering het besef aanwezig zijn dat aansluiting bij het EU-
potentieel kan dienen als versterker van de eigen invloed. Anders is er geen basis voor
een voortgezette innige relatie. Een andere relevante overweging lijkt te zijn dat de Britten
van oudsher afkerig zijn van de invoering van nieuwe formele instituties en eerder kiezen
voor praktische oplossingen zoals informele contactgroepen. Hiermee goed verenigbaar is
een selectieve deelname aan informele en operationele besluitvorming, zoals hierboven
onder het Noorwegen Plus model aangeduid.
Voor de AIV is het daarnaast van groot belang om het VK op enigerlei wijze te betrekken
bij de besluiten van de EU-Raad van Buitenlandse Zaken. Duidelijk moet zijn dat het
VK als niet-EU-lid niet kan deelnemen aan de formele besluitvoering in de Raad. Maar
een status van (adhoc of permanente) waarnemer, met het recht mee te doen met de
beraadslagingen in de Raad, lijkt mogelijk en zou serieus te overwegen te zijn. Door middel
van aparte afspraken zou het VK zich al dan niet kunnen conformeren aan de besluiten
van de Raad. Aan het VK zou ook de status van (adhoc of permanent) waarnemer verleend
kunnen worden in het Politiek en Veiligheidscomité, het lichaam dat zich op het niveau van
ambassadeurs bezighoudt met de voorbereiding en uitvoering van het GBVB. Voorwaarde
voor een dergelijk akkoord zou kunnen zijn dat, zo lang het VK nog volwaardig lid is van de
EU, Londen niet eenzijdig besluiten van de EU27 op het gebied van GBVB/GVDB, zoals de
voorgestelde militair-civiele planningscapaciteit, blokkeert.
Bilaterale defensiesamenwerking VK-Nederland
Los van het formele EU-kader hebben verschillende Europese landen met het VK bilaterale
akkoorden afgesloten op het terrein van de defensiesamenwerking. De meest bekende
(en waarschijnlijk de belangrijkste) zijn de Lancaster House verdragen die Frankrijk in
2010 met het VK is overeengekomen. Eén van deze verdragen voorziet in samenwerking
tussen de kernmachten van beide landen. De algemene verwachting is dat de Brexit deze
verdragen niet zal aantasten.
50 Nicole Koenig, EU External Action and Brexit: Relaunch and Reconnect (Berlin: Jacques Delors Institut,
    22 November 2016).
                                                      30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Ook Nederland kent vormen van militaire samenwerking met het VK. Al sinds 1973 zijn
Nederlandse en Britse marinierseenheden geïntegreerd in UK/NL Amphibious Force,
een formatie die in beginsel overal in de wereld en in alle (weers)omstandigheden kan
worden ingezet. Tot een feitelijke inzet van deze strijdmacht in een conflictgebied is het
evenwel (nog) niet gekomen. Ook heeft Nederland zich vastgelegd op deelname aan de
Joint Expeditionary Force, een expeditionaire strijdmacht die is geformeerd rond Britse
militaire eenheden, waaraan overigens ook Noorwegen, Denemarken en de Baltische
landen meedoen. Het ligt in de bedoeling dat deze interventiemacht in 2018 operationeel
wordt. Verder heeft Nederland met de Britten afspraken gemaakt over opleiding, training
en uitwisseling van militair personeel.
Gezien het grote belang dat moet worden gehecht aan nauwe betrokkenheid van Groot-
Brittannië bij vormen van Europese militaire samenwerking, hetzij multilateraal hetzij
bilateraal, pleit de AIV ervoor dat de Nederlandse regering de bestaande bilaterale banden
met het land voortzet. De militaire samenwerking met het VK moet op haar eigen merites
worden beoordeeld en mag geen nadeel ondervinden van mogelijke fricties tussen de EU
en het VK op handelspolitiek terrein.
III.3     Ontwikkelingssamenwerking
Het VK behoort tot een kleine groep van EU-lidstaten die momenteel minimaal 0,7% van het
BNP aan ontwikkelingssamenwerking (OS) besteden.51 Het VK levert ook een belangrijke
bijdrage aan het EU-budget voor OS. Zo stelde het VK in 2014 een bedrag van EUR 1
miljard beschikbaar voor het EU-OS-budget (inclusief het programma Global Europe) van in
totaal EUR 6,9 miljard. In datzelfde jaar droeg het VK EUR 0,4 miljard bij aan het Europees
ontwikkelingsfonds (EOF) ter hoogte van EUR 3,1 miljard. Het EOF valt overigens niet
onder de EU-begroting. Naast de bijdragen aan het EU-budget voor OS en het EOF draagt
het VK financieel ook bij aan EU-Trust Funds voor specifieke doeleinden of crises, fondsen
die eveneens buiten de EU-begroting vallen. De Britse bijdragen waren in 2014 goed voor
ongeveer 14% van het Europese budget voor OS.52
Afgezien van de substantiële financiële Britse bijdragen aan het Europese OS-budget
heeft de EU ook baat bij de ruime Britse OS-expertise, in het bijzonder beschikbaar binnen
het Department for International Development (DFID), en bij de prominente rol die Britse
deskundigen en instituties binnen de EU innemen op OS-terrein.53 De Britse initiatieven in
reactie op de uitbraak van Ebola in West Afrika en het conflict in Syrië tonen aan dat het
VK ook vaak een katalyserende rol speelt binnen het Europese OS-domein, toen Europese
landen en de EU substantiële bijdragen leverden, daartoe gestimuleerd door het VK.54
De Brexit zal dan ook niet alleen negatieve gevolgen kunnen hebben op de financiële
middelen die de EU beschikbaar heeft voor OS, maar ook op het gebied van OS-
deskundigheid en -ervaring.
51 Zie: <https://data.oecd.org/oda/net-oda.htm>.
52 Zie: <https://www.cgdev.org/blog/beyond-brexit-how-will-eu-overseas-development-assistance-be-affected>.
53 Zie: <http://www.euractiv.com/section/development-policy/opinion/tues-what-would-brexit-mean-for-
    development>.
54 Koenig, N. 2016. EU external action and Brexit. Zie: <http://www.delorsinstitut.de/2015/wp-content/
    uploads/2016/11/20161122_BrexitExternalAction-Koenig-JDIB-Nov16.pdf>.
                                                      31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>Het VK is ook zelf gebaat bij voorzetting van nauwe samenwerking met de EU op OS-
terrein. De EU biedt het VK immers kanalen om de reikwijdte en de effectiviteit van de
Britse inzet op OS verder te versterken.55 De Brexit zou voor het VK ook het verlies
van een invloedrijke positie binnen de grootste wereldwijde verstrekker van OS (de
EU) kunnen betekenen. Om die reden wordt in het Witboek van begin februari 2017
nadrukkelijk aangegeven dat het VK met Europese en andere internationale partners wil
blijven samenwerken om zodoende mondiale uitdagingen ook in de toekomst het hoofd
te kunnen bieden.56 Waar het gaat om het mogelijk blijven benutten van het Europese
kanaal is relevant dat in de meest recente Multilateral Aid Review de Europese OS-
projecten en -organisatie positief worden beoordeeld. Ook wordt daarin benadrukt dat
het VK voorlopig een bijdrage zal blijven leveren aan het EOF.57
Wat betreft OS zijn ook Nederland en het VK grotendeels gelijkgezind, wat veelal resulteert
in nauwe samenwerking in zowel EU- als VN-verband. Ook Nederland is dus gebaat bij
continuering van deze samenwerking, mede omdat het VK een invloedrijke en gelijkgezinde
partner is binnen de EU op OS-terrein. Voorzetting van de samenwerking in Europese
projecten en programma’s betekent voor Nederland niet alleen de voortzetting van de
samenwerking met een gelijkgezinde, maar ook met een vooraanstaande en deskundige
partner. Dit is naar mening van de AIV zowel voor het VK als voor Nederland, de EU en
ontwikkelingslanden van belang, ook omdat continuering van de onderlinge afstemming en
samenwerking de effectiviteit en reikwijdte van OS ten goede komt.
Om die reden acht de AIV het van groot belang dat de huidige samenwerking met het VK
op OS-terrein zoveel mogelijk in stand wordt gehouden. De meest kansrijke optie lijkt te
zijn door middel van continuering van de Britse bijdrage aan het EOF. Dit fonds valt immers
formeel niet onder de EU-begroting. De stemverhoudingen binnen het EOF zijn ingericht
naar de hoogte van de bijdrage, van belang voor het VK als grote donor. Daarmee is de
zeggenschap over de besteding van de middelen uit dit fonds gerelateerd aan de financiële
bijdrage die landen aan het EOF leveren. Deze optie lijkt daarom aantrekkelijk voor het
VK, omdat het zodoende zeggenschap behoudt over de vraag waar en hoe Europese OS-
middelen worden besteed. Ook voor de EU en voor Nederland is dit aantrekkelijk omdat
zo het VK als gelijkgezinde partner op OS-terrein behouden blijft. Voorts kunnen zowel de
financiële middelen als de expertise en het uitgebreide postennetwerk van het VK benut
blijven worden om zo effectief mogelijk Europese OS te blijven bieden in landen en regio’s
waar dit het meest nodig is.
III.4     Interne veiligheid – samenwerking op het terrein van Justitie en
          Binnenlandse Zaken
Met het Verdrag van Lissabon is de samenwerking op het terrein van JBZ vervangen door
een efficiëntere structuur en daarbij behorende efficiëntere besluitvormingsprocedure in
de Raad. In de RVVR is het vrij verkeer van personen gewaarborgd. Dit vrij verkeer van
55 Zie: <https://www.gov.uk/government/speeches/the-governments-negotiating-objectives-for-exiting-the-eu-
    pm-speech>.
56 The United Kingdom’s exit from and new partnership with the European Union. Zie: <https://www.gov.uk/
    government/publications/the-united-kingdoms-exit-from-and-new-partnership-with-the-european-union-white-
    paper>.
57 Zie: <https://www.gov.uk/government/uploads/system/uploads/attachment_data/file/573900/ Multilater-
    al-Development-Review-Dec2016.pdf>.
                                                     32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>personen wordt gecombineerd met passende maatregelen met betrekking tot controles
aan de buitengrenzen, asiel, immigratie en maatregelen ter voorkoming en bestrijding van
criminaliteit (artikel 3 lid 2 VEU).
Het VK en Ierland hebben opt-outs bedongen op het terrein van de JBZ-samenwerking
en nemen alleen deel aan de vaststelling en toepassing van specifieke maatregelen na
een expliciet besluit om wel deel te nemen (zogenaamde opt-ins). Een opt-in door het VK
betreft onder meer het zogenaamd Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel (GEAS), met
een opt-in tijdens de eerste ronde van wetgeving in 2004, overigens niet herhaald in 2013-
2014. Op het terrein van de bestrijding van criminaliteit is sprake van een Britse opt-in met
betrekking tot het EAB, dat voorziet in vereenvoudigde uitlevering van verdachten tussen
lidstaten.
Om bij te dragen aan de uitvoering van het RVVR-beleid is verder een aantal agentschappen
opgericht, zoals Europol op het gebied van politiële samenwerking, Eurojust voor
samenwerking in strafzaken en Frontex voor de controle van de buitengrenzen van de EU.
Het VK speelt in verschillende van deze agentschappen een actieve rol, zoals onder meer
blijkt uit het directeurschap van Europol van de Brit Wainwright en het aantal Britten dat bij
Europol werkzaam is. Dat het VK sterk hecht aan Europol, blijkt ook uit de Britse wens om
de nieuwe Europol-verordening, die per 1 mei 2017 moet ingaan, te willen ratificeren via een
opt-in.
Het VK, hoewel dus nooit een volledige deelnemer aan de vroegere JBZ- en huidige RVVR-
samenwerking, hecht wel groot belang aan voortzetting van deze samenwerking. Het
VK draagt daar ook los van de agentschappen actief aan bij, zoals op het terrein van de
ontwikkeling van beleid over politiesamenwerking en toegang tot data met het oog op de
handhaving van wetten. Op andere terreinen zoals de Schengen-samenwerking op het
gebied van grenscontroles en visa, die sinds 1985 bestaat, heeft het VK al in een vroeg
stadium opt-outs bedongen. Ook recent nog, te weten in 2014, bedong het VK een groot
aantal opt-outs, gevolgd door een aantal opt-ins met betrekking tot een aantal cruciale
onderdelen van de RVVR-samenwerking, mede op voorstel van de toenmalige minister voor
Binnenlandse Zaken en huidige premier Theresa May.58
Onderdelen van de RVVR-samenwerking, waaraan het VK momenteel deelneemt, betreffen
onder meer Europol en het Europees Arrestatiebevel, maar ook het SIS, het ECRIS,
Passenger Name Records (PNR), Eurojust, de European Investigation Order en de Victims
Directive. Consequentie van de Brexit is niet alleen dat de samenwerking op genoemde
terreinen niet langer op de huidige wijze kan worden voortgezet, maar ook dat vanaf de
datum dat het VK de EU verlaat alle burgers van het VK derdelanders zullen worden vanuit
het perspectief van het EU-recht.
Britse inzet
In haar toespraak op 17 januari 2017 was premier May heel duidelijk over de Britse wens
ten aanzien van toekomstige samenwerking op het terrein van de strijd tegen misdaad
en terrorisme. Zij zei onder meer: ‘And a global Britain will continue to cooperate with its
European partners in important areas such as crime, terrorism and foreign affairs’. Zij
beoogt de samenwerking zelfs nog te verdiepen: ‘With the threats to our common security
becoming more serious, our response cannot be to cooperate with one another less,
but to work together more’. Invulling daaraan zou moeten worden gegeven via ’practical
58 Clegg, N., Justice and Home Affairs Cooperation, Fifth Brexit Challenge paper, December 15, 2016.
                                                       33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>arrangements on matters of law enforcement and the sharing of intelligence material
with our EU allies’.59 Over de vraag hoe deze praktische regelingen eruit moeten zien, liet
premier May zich niet uit.
Helder is wel, dat de Britse regering inzet op een maatoplossing (een bespoke solution),
rekening houdend met de in Britse visie speciale status van het VK en een mate
van partnerschap mogelijk makend die aan geen van de andere niet-EU-lidstaten is
toegestaan. Vraag is of deze inzet realistisch is, mede gelet op de inzet op andere
terreinen (handel, toegang tot de interne markt), waar de belangen voor zowel EU als VK
minstens zo groot zo niet groter zijn.
Mogelijk struikelblok bij het bereiken van overeenstemming op dit terrein is de positie van
het HvJ EU. Redenen daarvoor, uiteen gezet door Clegg60, zijn onder meer:
1. De EU kan alleen handelen in overeenstemming met het EU-Handvest Grondrechten,
    waarbij het HvJ EU de uiteindelijke scheidsrechter is. Een overeenkomst tussen het VK
    en de EU mag daarom niet in conflict zijn met het Handvest of eerdere uitspraken van
    het HvJ EU.
2. Op iedere overeenkomst moet worden toegezien. Dit geldt ook voor een uiteindelijke
    overeenkomst tussen het VK en de EU, waarbij een Europese burger een zaak voor het
    Hof zou kunnen brengen met als mogelijke beslissing dat de overeenkomst ongeldig
    wordt verklaard.
3. Zich ontwikkelende jurisprudentie van het Hof is bindend voor EU-lidstaten. Om
    divergentie tussen het recht in het VK en in de EU te voorkomen, zou het VK de
    uitspraken van het Hof moeten blijven respecteren.
4. Een vorm van dispute resolution is bij iedere internationale overeenkomst nodig. Het is
    moeilijk denkbaar dat het HvJ EU daarbij geen rol zou spelen.
Een mogelijke rol voor het HvJ EU bij toekomstige samenwerking op het terrein van de
RVVR zal voor het VK moeilijk of zelfs in het geheel niet te accepteren zijn. Dit blijkt
duidelijk uit de expliciete uitspraken van premier May op 17 januari 2017, waarin zij
verder onder meer zei: ‘So we will take back control of our laws and bring an end to the
jurisdiction of the European Court of Justice in Britain. Leaving the European Union will
mean that our laws will be made in Westminster, Edinburgh, Cardiff and Belfast. And those
laws will be interpreted by judges not in Luxembourg, but in courts across this country’.61
Deze duidelijke stellingname maakt het bereiken van overeenstemming over een akkoord
op het terrein van de RVVR niet eenvoudig.
Europese inzet
Hoewel er nog geen sprake is van een formele Europese inzet onder het motto no
negotiation before notification, is het evident dat ook voor de EU27 de voortzetting van
de samenwerking op dit terrein met het VK zeer gewenst is. Maar ook voor de inzet van
de EU geldt, dat de wijze waarop dit kan gebeuren vooralsnog niet duidelijk is. Wel zijn
59 Zie: <https://www.gov.uk/government/speeches/the-governments-negotiating-objectives-for-exiting-the-eu-
    pm-speech>.
60 Clegg, N., ‘Justice and Home Affairs Cooperation’, Fifth Brexit Challenge paper, December 15, 2016.
61 Zie: <https://www.gov.uk/government/speeches/the-governments-negotiating-objectives-for-exiting-the-eu-
    pm-speech>.
                                                      34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>er precedenten van niet-EU-landen die deelnemen aan vormen van samenwerking op
het terrein van de RVVR. Zo bestaan er bijvoorbeeld samenwerkingsovereenkomsten
tussen Europol en derde landen in de vorm van strategische partnerschappen (met
Rusland, Turkije en Oekraïne) en van operationele partnerschappen (met onder andere
Noorwegen, IJsland, Australië en de VS). Hoewel deze laatste vorm van partnerschappen
verder gaat dan strategische partnerschappen, is er ook in het geval van operationele
partnerschappen geen sprake van directe toegang tot het Europol Informatiesysteem (EIS)
of het berichtenkanaal Secure Information Exchange Network Application (SIENA). Ook
bestaat er niet de mogelijkheid om operationele projecten te leiden. Vraag is dan ook, hoe
aantrekkelijk deze optie voor het VK is.
Het SIS is alleen toegankelijk voor Schengen-leden en voor landen met bijzondere
overeenkomsten zoals met het VK, het Europees arrestatiebevel alleen beschikbaar
voor EU-leden. De zogenaamde surrender agreement, die Noorwegen en IJsland na 15
jaar onderhandelen hebben afgesloten met de EU, gaat minder ver dan het EAB en is
bovendien nog niet in werking getreden.
Ook toegang tot Europese criminaliteitsgegevens via ECRIS is voorbehouden aan EU-leden.
Bilaterale akkoorden zijn er wel met de VS, Canada en Australië om Passenger Name
Records te delen en met de VS om data te delen in het kader van het Terrorist Finance
Tracking Programme. Deze maatregelen betreffen echter slechts een klein deel van de
huidige samenwerking op RVVR-terrein.62
Het bovenstaande overziend is het de vraag of, in het geval een bilateraal akkoord kan
worden bereikt met het VK, dit akkoord geheel of ten dele tegemoet kan komen aan de
ambitieuze inzet van intensievere samenwerking op JBZ-terrein, zoals onder meer verwoord
door premier May.
Nederlandse inzet
De AIV is van mening dat Nederland moet inzetten op een blijvende nauwe betrokkenheid
van het VK bij de JBZ-samenwerking. Dit is niet alleen van belang voor het VK en de
EU27, maar in het bijzonder ook voor Nederland, dat als buurland van het VK meer nog
dan veel andere EU-lidstaten nauw samenwerkt met het VK, onder meer op de terreinen
van de strijd tegen de drugshandel, de zware criminaliteit en mensensmokkel. Daarbij is
relevant dat de grenscontroles vanuit en naar het VK zullen worden verscherpt. Dit heeft
onvermijdelijk ook een impact op het grenscontroleproces.
Wanneer het VK ook in de toekomst aangesloten blijft bij de JBZ-samenwerking,
dan mag dit overigens naar de mening van de AIV niet betekenen dat gegevens die
worden uitgewisseld buiten een effectief en toereikend toezichtsysteem belanden, dat
beantwoordt aan eisen van fair trial en bredere grondrechtenbescherming.
Mogelijke oplossingsrichting
Het einde van het lidmaatschap van de EU betekent ook het eind van de huidige vorm
van de JBZ-samenwerking met het VK. Een alternatief voor het volledige lidmaatschap
zou het zogenaamde third party-lidmaatschap kunnen zijn, zoals dat nu ook voor
bijvoorbeeld Denemarken geldt. Dan kan echter geen invloed meer worden uitgeoefend
op het strategisch beleid van bijvoorbeeld Europol. Deze optie lijkt daarom voor het VK
weinig aantrekkelijk. Het VK zal daarom op zoek gaan naar een unieke toekomstige
62 Clegg, N., ‘Justice and Home Affairs Cooperation’, Fifth Brexit Challenge paper, December 15, 2016.
                                                      35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>samenwerkingsrelatie, waarbij de uitkomst mogelijk een tussenvorm kan zijn tussen een
third party-lidmaatschap en een volledig lidmaatschap in.
III.5     Vrij verkeer van werknemers
Vrij verkeer van werknemers is één van de funderende principes van de EU. Sinds de
uitbreidingen van de EU in 2004 en 2007 een reeks Midden- en Oost-Europese landen in
de EU brachten, waarvan het sociaaleconomische niveau van ontwikkeling aanzienlijk lager
lag dan het gemiddelde van de EU-lidstaten, is het vrij verkeer van werknemers geklommen
op de politieke agenda. Sinds die toetredingen hebben namelijk aanzienlijk meer EU-
burgers gebruik gemaakt van hun recht op vrij verkeer.
Het VK behoort tot de populairste bestemmingen van ‘EU-migranten’ zoals de Britten ze
noemen. Tussen 1995 en 2015 is het aantal immigranten uit andere EU-lidstaten die in
het VK wonen verdrievoudigd van 0,9 miljoen naar 3,3 miljoen. Dit zal mede een gevolg
zijn geweest van de beslissing van het VK om – in contrast met de meeste andere EU-
lidstaten – af te zien van een overgangsperiode voor het vrij verkeer van personen na
de EU-uitbreiding van 2004. In 2015 was de netto immigratie vanuit de EU naar het VK
172.000. In datzelfde jaar kwam 29% van de EU-immigranten uit Polen. De immigratie in
het VK is aanzienlijk gegroeid gedurende de laatste twintig jaar, en een aanzienlijk deel
van die groei is afkomstig uit andere EU-landen. Het aandeel van EU-burgers groeide
in die tijd van 1,5% naar 5,3% van de totale bevolking en van 1,8% naar 6,3% van de
beroepsbevolking tussen 16 en 64 jaar oud.63
Migratie uit EU-lidstaten is de laatste jaren in het VK steeds meer omstreden geraakt,
aangevuurd door Britse media die hierover overwegend negatief berichten. De komst van
grote aantallen migranten uit Polen en andere nieuwe lidstaten zou ten koste gaan van
banen en het loonniveau van werknemers die in het VK zijn geboren. De EU-migranten
zouden de Britse verzorgingsstaat veel geld kosten en een negatief effect hebben op de
lokale publieke dienstverlening, zoals de sociale woningbouw en het onderwijs, en op de
criminaliteitscijfers.
Duidelijk is dat in deze zeer gepolitiseerde discussie onvoldoende uit elkaar wordt
gehouden wat behoort tot het vrij personenverkeer in de EU, wat politieke keuzes van het
VK zijn geweest (denk aan de specifieke inrichting van het sociale zekerheidssysteem
in het VK, en de politieke keuze om af te zien van een overgangsperiode voor vrij
verkeer van werknemers na de toetreding van de Midden- en Oost-Europese landen),
en wat misbruik van het vrij verkeer is, hetzij vanuit landen van herkomst, hetzij door
werkgevers of huisbazen in het VK. Onderzoek van onder andere de London School of
Economics64 laat zien dat gebieden in het VK met een hoge EU-immigratie geen grotere
daling hebben vertoond in het aantal banen en de lonen van werknemers die in het VK
zijn geboren, dat EU-immigranten meer belasting betalen dan ze aan sociale zekerheid
en publieke dienstverlening kosten, en dat bewijs voor de geclaimde negatieve sociale
effecten ontbreekt. Neerwaartse druk op de lonen is grotendeels een gevolg van de
financiële crisis, een zwak economisch herstel en een laag minimumloon. Ongelijkheid,
63 J. Wadsworth, S. Dhingra, G. Ottaviano and J. Van Reenen, Brexit and the Impact of Immigration on the
    UK, Centre for Economic Performance Brexit Analysis No. 5, London School of Economics and Political
    Science, p. 2.
64 Ibid.
                                                     36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>tekortschietende publieke dienstverlening en armoede zijn een veel breder probleem
in het VK. Maar het gevoelen is ontstaan dat EU-immigratie een belangrijke drijvende
kracht is van de beleefde neergang. ‘Taking back control over our borders’ is dan ook
de belangrijkste eis geworden van de Leave-campagne. Het was vooral de impopulariteit
van EU-migratie die de Britten er in meerderheid toe gebracht heeft om te stemmen voor
afscheiding van de EU.
Het is duidelijk dat de EU27 anders denken over het vrij verkeer van werknemers. De
Eurobarometer laat zien dat immigratie eveneens aanleiding is tot zorg bij EU-burgers op
het continent, maar dit betreft vooral immigratie uit derde landen. 79% van de EU-burgers
steunen vrij verkeer van personen binnen de EU. In Nederland is dat percentage 77%.65
Regeringen van de EU27 hebben duidelijk gemaakt dat het vrij verkeer van werknemers als
onlosmakelijk onderdeel van de interne markt wordt gezien.
Britse inzet
Premier May heeft in haar Brexit-toespraak gesteld dat het VK volhardt in de eis van
controle over EU-migratie. Aangezien ze begrijpt dat voor de EU de vier vrijheden
ondeelbaar zijn, is haar conclusie – zoals eerder in dit advies aangegeven – dat het
VK af moet zien van verdere deelname aan de interne markt, zoals een niet-EU-land als
Noorwegen dat bijvoorbeeld doet. Over de manier waarop het VK de migratie uit EU-landen
wil gaan reguleren en beperken zijn nog geen duidelijke uitspraken gedaan. Een systeem
gebaseerd op werkvergunningen, met quota die mogelijk per sector verschillen, wordt
veelal genoemd als mogelijkheid. Belangrijke keuzes die daarbij aan de orde zijn, betreffen
de vraag of er verschil gemaakt wordt tussen hooggeschoolde en laaggeschoolde arbeid,
en tussen migranten afkomstig uit de EU dan wel uit derde landen. De Britse regering
verwacht dat het enkele jaren zal duren om deze nieuwe regels te introduceren. Een
belangrijke kwestie die al tijdens de artikel-50-besprekingen speelt, betreft de rechten van
de 3,3 miljoen EU-migranten die in het VK wonen en van de 1,2 miljoen burgers uit het VK
die in de rest van de EU wonen. Premier May heeft aangegeven deze kwestie prioriteit te
willen geven.
Europese inzet
Het feit dat premier May zelf de harde conclusie van een interne markt exit heeft
verbonden aan haar eis om controle te krijgen over ‘de Europese migratie’ naar het
VK, heeft voorlopig een einde gemaakt aan speculaties van sommige experts over een
mogelijk nieuw model waarin het VK zou blijven deelnemen aan de interne markt, maar
toch op de een of andere manier een uitzonderingspositie zou krijgen ten aanzien van het
vrij verkeer van werknemers. Zo’n model kon ook al op zeer weinig steun rekenen onder
de EU27. De Europese inzet ten aanzien van de interne markt en de vier vrijheden is
consequent geweest: ‘either you are in, or you are out’.
Nederlandse inzet
Ook in Nederland is het vrij verkeer van werknemers de afgelopen jaren een politiek
issue geweest, zij het in mindere mate dan in het VK. Het ging dan vooral om zorgen
dat werknemers uit andere EU-lidstaten – tegen de Europese regels in – hun arbeid
zouden aanbieden tegen slechtere arbeidsvoorwaarden dan die gelden in Nederland,
met als gevolg een neerwaartse druk op de arbeidsvoorwaarden in bepaalde sectoren,
en uitbuiting van migranten uit EU-lidstaten. De Nederlandse regering heeft deze zorgen
65 C. Mortero-Martinez, C. Odendahl, What free movement means to Europe and why it matters for Britain,
     Centre for European Reform, January 2017, pp. 5-6.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>politiek geagendeerd in de EU onder het motto ‘gelijk loon voor gelijk werk op een gelijke
plek’. Het gaat dus nadrukkelijk om een betere handhaving van de Europese regels en
sturing op dit principe van ‘gelijk loon voor gelijk werk op een gelijke plek’, onder andere
door herziening van de detacheringsrichtlijn, en niet om aantasting van het principe van
het vrij verkeer van personen dan wel vermindering van de EU-migratie. De AIV acht het
van belang dit onderscheid scherp te maken tussen een vrij verkeer van werknemers
tegen eerlijke voorwaarden aan de ene kant, en de Britse verwerping van het principe van
vrij verkeer en de wens die EU-migratie te beperken. Ten aanzien van het principe van vrij
verkeer van werknemers in de context van de Britse uittreding stelt Nederland zich op het
EU-standpunt dat vrij verkeer een onlosmakelijk onderdeel vormt van deelname aan de
interne markt.
Mogelijke oplossingsrichting
Ook indien de toekomstige betrekkingen tussen de EU27 en het VK de vorm aannemen
van een vrijhandelsakkoord, zal vrij verkeer van werknemers een belangrijk onderwerp
blijven. In ruil voor de best mogelijke toegang tot de interne markt die de Britten
nastreven, zullen de EU27 preferentiële toegang willen voor EU-werknemers tot de Britse
arbeidsmarkt. Gezien de grote economische belangen die voor het VK en verschillende
EU-lidstaten gemoeid zijn bij een zo vrij mogelijk verkeer, verdient het volgens de AIV de
voorkeur dat zowel het VK als de EU27 preferentiële toegang nastreven voor elkaars
burgers boven die voor burgers van derde landen.
Bij de onderhandelingen met de Britten is het belangrijk in het oog te houden dat de
wens om controle te verwerven over EU-migratie primair politiek van aard is en om
soevereiniteit als waarde op zich lijkt te gaan. Zo voerde Bruegel-medewerker Zsolt
Darvas in een hoorzitting in de House of Lords aan66 dat, ondanks het feit dat het VK wel
controle heeft over immigratie uit derde landen, sinds 2004 ongeveer de helft van het
aantal immigranten uit non-EU-landen afkomstig is. De Britse autoriteiten stonden deze
migranten van buiten de EU met andere woorden wel expliciet toe om naar het VK te
komen, waarschijnlijk vanwege de verwachte economische voordelen van hun werk in het
VK. Volgens Darvas kunnen de bezwaren tegen EU-migratie met andere woorden niet in
hoofdzaak economisch zijn. Als het zo is dat de drijfveer primair politiek is, dan gaat het
dus in de onderhandelingen in essentie ook om een beperking van EU-immigratie die het
de Britse regering mogelijk maakt te stellen dat ze weer control heeft over de grenzen.
III.6     Samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek
Voor het beleidsterrein van onderwijs en onderzoek doen de mogelijke gevolgen van de
Brexit denken aan de gevolgen van het Zwitsers referendum over het vrij verkeer van
personen. De keuze van de Zwitserse bevolking om dit vrij verkeer af te wijzen, maakte
een eind aan de volledige Zwitserse deelname aan de Europese kennisprogramma’s
en veroorzaakte veel onzekerheid voor EU-studenten in Zwitserland en vice versa
alsook voor samenwerking op het gebied van onderzoek.67 Ook de Britse uittreding
heeft mogelijkerwijs verregaande gevolgen voor bilaterale academische samenwerking
tussen Nederlandse en Britse kennisinstellingen, als ook voor de Europese onderwijs-
66 Zie: <http://bruegel.org/2017/02/brexit-uk-eu-movement-of-people/>.
67 EUPRIO, ‘Spotlight: Swiss Immigration Vote Hits Education and Research’, 13 augustus 2014, geraadpleegd
     op 21 februari 2017. Zie: <http://www.euprio.eu/spotlight-swiss-immigration-vote-hits-education-and-
     research/>.
                                                     38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>en onderzoeksprogramma’s. Op korte termijn vragen Europese studenten zich af of
zij hun studie in het VK wel kunnen afmaken onder de lagere collegegelden voor EU-
studenten.68 Onlangs werd bekend dat het aantal aanmeldingen van EU-studenten aan
Britse universiteiten in februari 2017 met 7% is afgenomen ten opzichte van het semester
voor het Brexit-referendum.69 Op langere termijn komt de financiering van het Europese
onderzoeksprogramma Horizon 2020 onder druk te staan door het wegvallen van de Britse
afdrachten aan de EU-begroting.70 Dit alles kan zeer schadelijk uitwerken voor een land als
Nederland, waarvan de economische groei ook sterk afhangt van de kennissector.
Britse inzet
Het Britse kabinet heeft geprobeerd de kennissector gerust te stellen door garanties
te geven over bijvoorbeeld de financiering van onderzoeksprojecten. Zo verklaarde de
Treasury dat ‘where UK organisations bid directly to the European Commission on a
competitive basis for EU funding projects while we are still a member of the EU, for
example universities participating in Horizon 2020, the Treasury will underwrite the
payments of such awards, even when specific projects continue beyond the UK’s departure
from the EU’.71 Wat betreft de post-Brexit-fase stelt de Britse regering in het witboek over
de Brexit: ‘As we exit the EU, we would welcome agreement to continue to collaborate with
our European partners on major science, research and technology initiatives’.72 Hierbij
gaat de regering echter niet in op de vraag of zij daarvoor bereid is de mobiliteit van
onderzoekers te garanderen, zoals een commissie van het Britse Lagerhuis aanbeveelt.73
De Britse stellingname met betrekking tot taking back control on immigration verhoogt de
kansen op het garanderen van onderzoekersmobiliteit niet.
Europese inzet
Hoewel er zoals al vermeld door de EU-instellingen nog geen stellingname is gekozen
ten aanzien van welk onderwerp uit de onderhandelingen dan ook, biedt het Zwitserse
precedent wel inzichten in hoe de Britten tegemoet getreden zouden kunnen worden.
Een vertegenwoordiger van DG EAC (Onderwijs en Cultuur) van de Europese Commissie
gaf destijds aan dat Zwitserland na het referendum enkel kon participeren in Europese
68 Carly Minsky, ‘How could Brexit impact international students?’, Times Higher Education, 24 juni 2016,
    geraadpleegd op 23 februari 2017. Zie: <https://www.timeshighereducation.com/student/news/how-
    could-brexit-impact-international-students>.
69 UCAS, ‘Applicants for UK higher education down: 5% for UK students and 7% for EU students’, 1 februari
    2017, geraadpleegd op 21 februari 2017. Zie: <https://www.ucas.com/corporate/news-and-key-
    documents/news/applicants-uk-higher-education-down-5-uk-students-and-7-eu-students>.
70 Neth-ER, ‘Kennisprogramma’s de dupe van Brexit?’, 19 januari 2017, geraadpleegd op 21 februari 2017.
    Zie: <https://www.neth-er.eu/nl/nieuws/Kennisprogramma-s-de-dupe-van-Brexit>.
71 HM Government, ‘Chancellor Philip Hammond guarantees EU funding beyond date UK leaves the EU’,
    13 augustus 2016. Zie: <https://www.gov.uk/government/news/chancellor-philip-hammond-guarantees-eu-
    funding-beyond-date-uk-leaves-the-eu>.
72 HM Government, ‘The United Kingdom’s exit from and new partnership with the European Union’, Cm 9417,
    February 2017, p. 59.
73 House of Commons Science and Technology Committee, ‘Leaving the EU: implications and opportunities
    for science and research’, HC 502, 18 november 2016, p. 26.
                                                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>kennisprogramma’s indien daar ‘a clear added value for the Union’ aanwezig was.74 Deze
mogelijkheid wordt hieronder nader toegelicht.
Nederlandse inzet
Nederland heeft veel belang bij het continueren van de bilaterale en communautaire
samenwerking op het gebied van onderwijs en onderzoek. Ten eerste ontstaat er een
gat in de EU-begroting door het wegvallen van de Britse afdrachten waarvoor Nederland
eventueel dient op te draaien (zie hoofdstuk IV.1). Een continuering van enige vorm van
samenwerking zou – zoals hieronder wordt uitgelegd – het mogelijk maken het VK te laten
blijven bijdragen aan de financiering van de Europese kennisprogramma’s. Daardoor zal
een eventuele verhoging van de Nederlandse afdrachten aan de EU-begroting beperkt
kunnen blijven. Ten tweede zal Nederland als kennisland bij aanhoudende onzekerheid
over de eventueel doorgezette Britse deelname aan de Europese kennisprogramma’s veel
collateral damage ondervinden, doordat de uitwisseling van onderzoekers en studenten
significant kan teruglopen.
Mogelijke oplossingsrichting
De AIV ziet een oplossing voor de korte en lange termijn wat betreft de kennissamen-
werking met het VK. Op lange termijn is het voor het VK ten aanzien van Horizon 2020
mogelijk gedeeltelijk of geheel geassocieerd te raken met het Europese onderzoeks-
programma na de uittreding. Hiertoe zal het VK wel genoodzaakt zijn financieel bij te
dragen aan het programma en per nieuw kaderprogramma een nieuw associatieakkoord
moeten sluiten. Het VK kan dan blijven deelnemen aan de besluitvormingsprocessen
binnen Horizon 2020.75 Wat betreft Erasmus+, het belangrijkste Europese onderwijs-
programma, is het mogelijk het VK als programma- of partnerland te blijven betrekken. Als
programmaland zal het VK volledige toegang tot de Erasmus+-programma’s hebben, terwijl
deze mogelijkheden beperkt zijn bij de keuze als partnerland op te treden.
De AIV is van mening, dat gezien de academische status van Britse onderwijs- en
onderzoeksinstellingen en het feit dat Nederland en andere hoogontwikkelde EU-landen
kenniseconomieën zijn, er afdoende toegevoegde waarde is om te blijven samenwerken op
het gebied van kennis. De AIV acht het daarom wenselijk op lange termijn een akkoord te
bereiken waarin het VK geassocieerd wordt met Horizon 2020 en als programmaland blijft
participeren in Erasmus+.
Indien het niet mogelijk is hierover een akkoord te bereiken tijdens de artikel 50 VEU-
onderhandelingen, dan biedt het Zwitserse precedent een uitweg op de korte termijn.
Na het Zwitserse referendum over het vrij verkeer van personen voerde de Zwitserse
regering een overgangsfase in. In deze overgangsfase financierde de Zwitserse regering
de uitwisselingsprojecten die Europese fondsen zouden ontvangen.76 Ook voor de
onderzoeksprojecten werd een tijdelijke oplossing gevonden, waarmee tijd gekocht werd
74 EUPRIO, ‘Spotlight’.
75 EUA, ‘After The “Brexit” Referendum: Possible outcomes for Horizon 2020 and Erasmus+’, 9 september
    2016. Zie: <http://www.eua.be/Libraries/publications-homepage-list/after-the-brexit-referendum-possible-
    outcomes-for-horizon-2020-and-erasmus.pdf?sfvrsn=4>.
76 The Federal Council, ‘Interim solution for Erasmus+ in 2014’, 16 april 2014. Zie: <https://www.admin.
    ch/gov/en/start/dokumentation/medienmitteilungen.msg-id-52695.html>.
                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>om de volledige associatie met de Europese kennisprogramma’s overeen te komen.77 De
eerder gemelde toezegging van de Britse Treasury om projecten ook na de Britse uittreding
te blijven financieren die EU-financiering toegezegd hebben gekregen, biedt de mogelijkheid
dat er ook bij een harde Brexit tijd is na de uittreding te werken richting de door de AIV
gewenste langetermijnoplossing voor het kennisveld.
Bij dit alles dient te worden opgemerkt dat een akkoord over de onderwijs- en onderzoeks-
samenwerking ook afhangt van de Britse bereidheid het vrij verkeer van personen toe te
staan. Net als in het Zwitserse geval zal het VK enkel volledige associatie worden verleend
indien het land het vrij verkeer toestaat.78 Daarbij blijft de AIV van mening dat de interne
cohesie van de EU27 ook op dit beleidsterrein prioriteit moet blijven. Nederland kan
daarom niet akkoord gaan met een (deel)akkoord op het gebied van kennissamenwerking
indien daarmee aan het VK onevenredig wordt toegegeven op andere beleidsterreinen die
andere EU-lidstaten als urgent zien.
III.7     Mogelijke gevolgen van de Brexit voor de Nederlandse visserijsector
Het is duidelijk dat veel economische sectoren in Nederland de gevolgen zullen
ondervinden van de uittreding van het VK uit de EU. De visserijsector is daarbij in omvang
weliswaar niet de grootste, maar de negatieve gevolgen van de Brexit voor de sector
kunnen wel zeer groot zijn. Dit is voor de AIV reden om specifiek stil te staan bij deze
sector. Daartoe baseert de AIV zich in belangrijke mate op de Position Paper van de
Redersvereniging voor de Zeevisserij (RVZ), VisNed en de Nederlandse Vissersbond.79
In deze nota worden drie elementen geschetst, die potentieel het meest problematisch
zijn. Dit betreft:
a. De toegang tot de Britse wateren
Op grond van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid, dat vanaf 1983 geldt, hebben vissers
van de EU-lidstaten toegang tot elkaars wateren, op voorwaarde dat zij er quota hebben.
De traditionele visgronden van de Nederlandse visserijvloot liggen voor een groot deel
in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van 200 zeemijl van het VK. Het percentage
dat door Nederlandse vissers in Britse wateren gevangen wordt, ligt op 70% van de
belangrijkste vissoorten. Indien blijvende en volledige toegang tot de Britse wateren niet in
de onderhandelingen met het VK veiliggesteld wordt, dan zal dit volgens de nota een grote
en sterk negatieve impact op de Nederlandse visserijsector hebben.
Voor de Nederlandse visserijsector is het daarom van cruciaal belang dat het huidige
toegangsregime ongewijzigd kan worden voortgezet. Om deze ongewijzigde toegang te
77 SwissCore, ‘Status of Swiss institutions in EU knowledge programmes’, geraadpleegd op 21 februari 2017.
    Zie: <https://www.swisscore.org/swiss-knowledge/ch-status>.
78 Mike Galsworthy en Rob Davidson, ‘Debunking the myths about British science after an EU exit’, 5
    december 2015, geraadpleegd op 21 februari 2017. Zie: <http://blogs.lse.ac.uk/brexit/2015/12/05/
    debunking-the-myths-about-british-science-after-an-eu-exit/>.
79 Position paper ‘Nederlandse visserijsector bij de Brexit-onderhandelingen’, RVZ, VisNed, Nederlandse
    vissersbond. Zie: <https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2017Z01450&did=201
    7D03027>.
                                                      41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>realiseren, is samenwerking nodig met andere EU-lidstaten met vergelijkbare (zij het veelal
minder grote) belangen, in het bijzonder Frankrijk, Duitsland, Ierland, Denemarken, Zweden
en België.
b. Verdeling van de visquota over de lidstaten
De visquota van de relevante, commerciële vissoorten zijn verdeeld over de EU-lidstaten
via in 1983 vastgelegde verdeelsleutels. De Britse visserijsector is van mening dat
het Britse aandeel in de visquota ten tijde van de Britse toetredingsonderhandelingen
voorafgaand aan de toetreding in 1973 te laag zou zijn vastgesteld en dringt aan op
herverdeling van de quota in de Brexit-onderhandelingen. Indien de EU het VK op dit
punt tegemoet komt, dan zal een herverdeling van de quota ten gunste van de Britten
automatisch leiden tot een lager aandeel voor en een structurele verkleining van de
Nederlandse visserijsector.
In de visie van de Nederlandse visserijsector is in de toetreding destijds geen argument te
vinden om nu alsnog de quotaverdeling tussen het VK en de EU-lidstaten aan te passen.
De AIV deelt deze opvatting.
c. Toestaan innovatieve visserijtechniek: de pulsvisserij
Nederlandse vissers maken gebruik van de zogenaamde pulskor, waarbij met korte
elektrische stootjes met een zeer lage spanning de zeetong wordt gestimuleerd zich uit de
bodem op te richten, waarna deze eenvoudig gevangen kan worden. In het VK bestaat een
afkeer van deze pulstechnologie. Aangezien een groot deel van zeetong door Nederlandse
vissers in Britse wateren wordt gevangen, kan een eventuele verbodsbepaling post-Brexit
voor hen grote negatieve gevolgen hebben.
Vanuit het perspectief van de Nederlandse visserijsector zou de maximale inzet dan ook
moeten zijn dat dit pulstuig blijvend kan worden gebruikt in Britse wateren zonder nadere
condities. Dit is voor de betrokken Nederlandse vissers een harde economische noodzaak.
Nederlandse inzet
De Nederlandse visserijsector pleit ervoor om het visserijdossier te koppelen aan andere
dossiers, waar het VK grote wensen heeft (toegang tot de interne markt, beperking van
het vrij verkeer van personen). Dan zou de kans dat de belangen van de visserijsector
effectief behartigd kunnen worden het grootst zijn. De AIV deelt deze zienswijze, maar pleit
tevens voor een evenwichtige afweging tussen enerzijds de potentieel grote gevolgen van
de Brexit voor de Nederlandse visserijsector en anderzijds de relatief kleine omvang en
economische betekenis van de sector voor de Nederlandse economie.
Overigens is er ook een groot Brits belang om tot overeenstemming te komen op dit
specifieke dossier. Weliswaar is toegang tot de Britse wateren voor veel Europese vissers
cruciaal, maar tegelijkertijd is het VK sterk afhankelijk (voor ruim 68%) van de EU-markt
voor de export van visproducten. In samenhang met de bredere Britse wens tot toegang
tot de interne markt, biedt dit wellicht mogelijkheden voor een compromis en beperking
van de potentiële schade voor de Nederlandse (en Europese) visserijsector.
                                               42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>IV        Capita Selecta
IV.1      Het EU-budget, het Meerjarig Financieel Kader en de Brexit
Politieke spanning
De Brexit zal niet alleen grote gevolgen hebben voor het EU-budget zelf, maar kan ook
grote politieke consequenties hebben voor de onderlinge verhoudingen binnen de EU.
Voormalig Begrotingscommissaris Georgieva noemde het MFK een 7-jarig peace-Treaty.80
Aan de moeizaam bedongen financiële overeenkomsten over uitgaven en inkomsten wordt
door de komende Brexit getornd. Daarnaast zullen de onderhandelingen over de gevolgen
van de Brexit voor het huidige MFK een opstap zijn naar de onderhandelingen over het
komende MFK. De politieke gevoeligheden zijn daarom extra groot.
Hoewel nog allerlei vragen openstaan rond de gevolgen van de Brexit voor de EU, zijn
de budgettaire en politieke gevolgen in ieder geval (zeer) groot. De Ierse premier Kenny
verwacht dat de onderhandelingen quite vicious zullen zijn,81 hoewel er tot dusverre
uiteindelijk toch altijd, en redelijk op tijd, overeenstemming is gekomen over het EU-
budget. Echter, sommige uitkomsten in eerdere budgetonderhandelingen hebben op lange
termijn toch diepe sporen nagelaten wat betreft het Nederlandse draagvlak voor Europese
integratie. Nederland zal in de onderhandelingen bij uitstek de vragende partij zijn, ook
omdat Nederland naar verhouding de grootste nettobetaler is. Nu een andere grote
nettobetaler (het VK) eruit stapt, zal dat Nederland waarschijnlijk hard treffen. Dit kan nog
verergerd worden als op middellange termijn (bij het nieuwe MFK) de rebates verdwijnen.
Kernvraag bij dit hoog-politieke onderwerp is uiteindelijk hoe hard Nederland bereid is om
het politieke spel te spelen.
Drie budgetten en hun onderlinge relaties
Mede gelet op de recente toespraak van premier May over een clean break gaat de AIV uit
van een volledige Brexit in het voorjaar van 2019. Er zijn op drie niveaus gevolgen voor het
EU-budget te onderscheiden:
1. De divorce bill (of withdrawal bill): vereffenen van de uitstaande rekeningen
De EU is op lange termijn verplichtingen aangegaan, uitgaande van het Britse
lidmaatschap van de EU. Hier zal een waarde aan toegekend en verrekend moeten
worden. De totale rekening op de Britse divorce bill kan oplopen tot een bedrag van EUR
60 mld.82 Dit is het Britse aandeel uit de totale wettelijke verplichte commiteringen,
pensioenverplichtingen voor EU-officials en andere contractuele verplichtingen.
Een vraag die speelt is, wat wel en niet valt onder de scheidingsregeling. Bij een vertrek
80 Schout, A., Y. van Loon (2017) European Added Value: Application of Guiding Principles to the EU Budget,
    Clingendael: Policy Paper.
81 Politico, 4 november 2016.
82 Alex Barker, The €60 billion Brexit Bill. How to disentangle Britain from the EU budget, Centre for European
    Reform, February 2017.
                                                        43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>halverwege 2019 moet bepaald worden welke investeringen, pensioenen, en ingezette
beleidslijnen bijvoorbeeld toch ook nog tot het eind van het lopende MFK mede betaald
moeten worden. Het jaar 2019 is daarmee sowieso al een probleem.
Wordt alleen gekeken naar de pensioenen van Britse EU-ambtenaren of is het redelijk
te zeggen dat een rijk land als het VK de blijvende verantwoordelijkheid heeft, als (ex)
nettobetaler, voor de totale pensioenverplichtingen die zijn opgebouwd? Zoals te horen in
de Brusselse wandelgangen kan het VK niet mee-eten in het restaurant en dan weglopen
voor de totale rekening komt.83 De Britten zelf kunnen echter kiezen om veel beperkter te
kijken naar lopende verplichtingen.
Het is ook relevant om te kijken of financiële plannen voor 2019 en ook 2020 verrekend
kunnen worden. Per slot van rekening is het VK het MFK aangegaan. Het is niet voor niets
een meerjarenbegroting.
Een aparte vraag voor Nederland is of de scheidingsverrekening gebruikt kan worden om
extra uitgaven die volgen uit de Brexit hierin ondergebracht kunnen worden. De logica zou
dan zijn dat Nederland de hoge nettobijdrage is aangegaan, mede op basis van de inzet
van het VK. Zonder Britse bijdrage wordt Nederland het hardst getroffen van alle andere
landen. Nederland zou kunnen overwegen om dit mee te nemen in de onderhandelingen,
samen met de andere grote nettobetalers. De Britten lopen niet zomaar het restaurant uit,
ze laten ook de grootste nettobetalers met een rekening zitten.
2. De lopende MFK-periode (2014-2020)
De verplichtingen voor het VK in 2019 en 2020 bedragen ongeveer EUR 15 mld. per
kalenderjaar (met de rebate daarin verrekend). Minus de EUR 4,3 mld. die per jaar
terugvloeit naar het VK, betekent dit een begrotingstekort van ongeveer EUR 10 mld.84
Echter, dit bedrag is afhankelijk van:85
• De handelsstromen en de wisselkoersen. Als de handelsstromen met het continent
    dalen of als Brexit leidt tot een lagere groei op het continent, dan dalen de EU-
    inkomsten. Normaal wordt dit via het bruto nationaal inkomen (BNI) bijgelegd. Dit is
    ongunstig voor Nederland.86
• Hoe de lidstaten omgaan met de mogelijke begrotingsruimte. Formeel betekent Brexit
    een verdragsverandering. In dat geval moet het lopende MFK ‘dienovereenkomstig’
    worden aangepast.87 Dit roept vragen op, zoals: Worden alle posten automatisch
    aangepast of wordt over verdelingen onderhandeld? Worden uitgaven en inkomsten
83 Financial Times, 12 oktober 2016.
84 EU budget and the UK’s contribution, House of Commons: Briefing Paper, 1 november 2016.
85 Een Noors model wordt buiten beschouwing gelaten omdat het niet past bij een clean break.
86 Een ‘detail’ is dat de GBP nu laag staat: Nederland moet daar sowieso al voor bijdragen omdat de BNI van
    de Britten in GBP is berekend.
87 Artikel 20 van het MFK: ‘Herziening van het MFK in geval van herziening van de Verdragen. Mocht tussen
    2014 en 2020 een herziening van de Verdragen met gevolgen voor de begroting plaatsvinden, dan wordt
    het MFK dienovereenkomstig herzien’.
                                                      44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>    gelijkelijk aangepast of blijft, bijvoorbeeld, het EU-budget gelijk?
    De toetreding van Kroatië in 2013 (in principe vergelijkbaar met een uittreding)
    betekende een compromis in reallocatie van bestedingen en een verhoging in de
    ‘betalingen’ (niet in de committeringen; de marge tussen betalingen en committeringen
    werd kleiner).88
• Als de netto-ontvangers het voor elkaar krijgen om de geplande uitgaven binnen het
    huidige MFK constant te houden, dan zal dat moeten worden opgevangen en stijgt het
    bij te leggen bedrag rond de EUR 15-17 mld.
Voor Nederland betekent dit een extra uitgave van EUR 760 mln. per jaar (bij EUR 10 mld.
verlies bij Brexit, maar bedacht moet worden dat 2019 geen heel jaar zal zijn – het betreft
dus waarschijnlijk 1,5 jaar) tot meer dan EUR 1 mld. per jaar als de nettobetalers het EU-
budget gelijk weten te houden. Dit is een gevoelige stijging van tussen de 15-20% van de
Nederlandse bijdrage.
Er zijn verschillende scenario’s denkbaar om het uittreden op te vangen:89
• De gevolgen van de Brexit volledig bezuinigen binnen het budget. Dit vraagt om
    onderhandelingen over de verdeling van de klappen over de uitgaven. De posities van
    de lidstaten zullen hierover uiteraard sterk uiteenlopen.
• Het volledig bijbetalen via een verhoging van het BNI. Elk land wordt dan getroffen
    variërend van +6% in de bijdrage voor Ierland tot +16,5% voor Nederland (uitgaande dat
    Brexit EUR 10 mld. kost).
• Nieuwe financiële instrumenten. Het ‘voordeel’ hiervan is dat het misschien
    onzichtbaarder kan worden weggezet bijvoorbeeld in de vorm van een verhoging van de
    BTW-afdrachten.90
• Een combinatie van deze elementen. Het is nog maar de vraag of Nederland met elke
    combinatie akkoord moet gaan (zie onder).
De hier ingezette lijn zal de onderhandelingen over het volgende MFK voor een deel
bepalen. Nederland heeft naar het oordeel van de AIV belang bij een harde opstelling
vanaf het begin.
3. Het volgende MFK
Belangrijker dan de paar resterende jaren binnen het lopende MFK zijn de gevolgen van
de Brexit op middellange termijn. De lijn van de nettobetalers, waaronder Nederland, zal
zijn dat het EU-budget simpelweg naar beneden moet. De netto-ontvangers zullen hier niet
zomaar in mee willen gaan. Compromissen met de nodige (grote) gevaren voor Nederland
liggen op de loer.
Hierbij speelt dat het merendeel van de lidstaten af wil van het door het VK afgedwongen
rebate-systeem. Nederland is met Duitsland, Zweden en Oostenrijk in de minderheid. Het
88 Brexit and the EU budget, Notre Europe, 16 januari 2017, p. 12. European Commission, EU public finance,
    5th edition, Luxembourg: Publications Office of the European Union, 2014, pp. 93-94.
89 Zie bijvoorbeeld Notre Europe ibid.
90 Voor andere nieuwe financiële instrumenten of EU-belastingen, zie het Monti-rapport van januari 2017.
                                                       45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>is niet uitgesloten dat Zweden gepacificeerd wordt door ook een onderscheid te maken
tussen Eurozonebudget en het MFK.
De EU-instellingen, de zuidelijke lidstaten en de netto-ontvangers gaan waarschijnlijk
inzetten op verdiepte integratie óók rond het EU-budget in de vorm van eigen middelen
die neigen naar vormen van EU-belastingen. Een compromis over nieuwe vormen van
inkomsten (EU-belastingen) is zeker niet denkbeeldig. Voor Nederland worden dit vrijwel
zonder twijfel pijnlijke onderhandelingen.
De AIV is van oordeel dat de Britse uittreding moet leiden tot een vermindering van de
EU-uitgaven, naar rato van de omvang van de Britse nettobetaling aan het EU-budget.
Zonder het VK is de absolute omvang van het EU economisch product immers gedaald,
wat gevolgen moet hebben voor het niveau van de Europese begroting. Nederland
dient zich in de onderhandelingen samen met de nettobetalers onder de EU-partners
sterk te maken voor dit standpunt. Nederland en de EU27 moeten zich opmaken voor
harde budgetonderhandelingen. Het is daarbij van groot belang dat Nederland ook het
binnenlandse draagvlak voor de EU op de lange termijn scherp in de gaten houdt.
IV.2      De positie van het Hof van Justitie
Britse en Europese inzet
Zoals eerder vermeld heeft premier May op 17 januari 2017 expliciet gesteld dat het
VK de rechtsmacht van het HvJ EU na het vertrek van het VK uit de EU niet langer zal
erkennen. Wetten zullen in het VK worden gemaakt en geïnterpreteerd. Waarschijnlijk zal
een full Brexit pas een feit zijn na een overgangsperiode. Het Britse parlementaire cross-
party select committee on Brexit heeft zich ook op het standpunt gesteld dat premier
May een overgangsregeling dient overeen te komen met de Unie om een cliff edge te
voorkomen.91 Een heet hangijzer dat zich nu in de politieke discussie begint af te tekenen,
is wat de rol van het HvJ EU zal zijn tijdens die overgangsperiode.
Aan EU-zijde heeft hoofdonderhandelaar Michel Barnier zich vooralsnog in bedekte termen
daarover uitgelaten, met te zeggen dat een overly comfortable transition vermeden moet
worden. Ook is er nog geen sprake van een formele standpuntbepaling van de Europese
Raad over deze kwestie. Maar na het overnemen door Malta van het EU-voorzitterschap
op 1 januari 2017, heeft de Maltese minister-president Joseph Muscat zich op 12 januari
2017 wel nadrukkelijk als eerste Europese leider hierover uitgesproken en gesteld dat
toepassing van het EU-recht en de jurisdictie van het HvJ EU een essentieel onderdeel
moet zijn van welke overgangsregeling met het VK dan ook: ‘It is not a transition period
where British institutions take over, but it is a transition period where the European Court
of Justice is still in charge of dishing out judgments and points of view’.92 Hij voegde
daaraan toe dat: ‘It would be quite stupid to settle for EU membership if it is then inferior
to the Brexit arrangements. That is something that is keeping us together.’
Europese diplomaten die in het VK zijn gestationeerd en die het Foreign and Commonwealth
Office (FCO) van het VK gebruikt als een klankbord, hebben eveneens de waarschuwing
uitgesproken dat de jurisdictie van het Hof tijdens de overgangsperiode niet kan worden
91 Zie: <https://www.theguardian.com/politics/2017/jan/14/brexit-committee-demands-transitional-deal-
    and-parliamentary-vote>.
92 Zie: <https://www.theguardian.com/politics/2017/jan/12/eu-law-will-continue-to-apply-in-uk-during-
    transition-deal>.
                                                 46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>opgezegd.93 Medewerkers van de Juridische dienst van de Europese Commissie hebben
uitgesproken dat EU-burgers in het VK zich op Unierecht zouden moeten kunnen beroepen,
onder de jurisdictie van het HvJ EU.94 Ook de president van het HvJ EU heeft zich op
1 februari 2017 duidelijk uitgelaten dat het zeer waarschijnlijk is dat op enig moment
nationale hoven aspecten van de handelsovereenkomst die met het VK zal worden
gesloten op het bord van het Hof zullen neerleggen. Welke aspecten en vragen dat zullen
zijn, is ongewis en zal afhangen van wat partijen naar voren brengen. Dat zal dan gebeuren
via de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU. Zoals opgetekend in The Independent:
‘His comments, however speculative, expose the very real possibility that Britain’s exit
from the EU could be shaped under the jurisdiction it is determined to escape’.95 Lijnrecht
daartegenover staat de gedachte van sommigen Eurosceptici, Britse ministers incluis, dat
het Britse Hooggerechtshof het laatste woord zou kunnen krijgen over de interpretatie van
een overgangsregeling.
Tegen die achtergrond is het opmerkelijk dat zowel in de Lancaster House toespraak als
in het Brexit Witboek van 2 februari 2017 niet wordt ingegaan op de rol van het Hof in
een dergelijke overgangsperiode. De alternatieven die in het Witboek worden gelanceerd
voor geschilbeslechting zien toe op de toekomstige vrijhandelsovereenkomst die het VK
met de EU zal sluiten en niet specifiek op een overgangsregeling. Voor premier May zal
de jurisdictie van het Hof in een overgangsregeling moeilijk te accepteren zijn. Dan kan
zij immers haar belofte dat het VK in 2019 zijn soevereiniteit volledig terug heeft niet
inlossen, één van haar politieke kerndoelstellingen met het oog op de verkiezingen van
2020. Wel zijn er uitlatingen gerapporteerd van senior medewerkers van het Department
for Exiting the European Union (DExEU) dat ‘a special joint court’ wellicht nodig is om
geschillen te beslechten tijdens een overgangsperiode.96
Mogelijke oplossingsrichtingen
De Europese en Britse inzet liggen hiermee behoorlijk ver uiteen. Vraag is dan ook of
een compromis mogelijk is. Het Witboek geeft wel voorzetten voor die discussie, ook al
gaan die niet specifiek over een overgangsregeling, door te verwijzen naar een aantal
mechanismen dat in andere handelsverdragen is voorzien. Daaruit kan een aantal
elementen worden gedestilleerd dat voor de Britse regering mogelijk de inzet zal vormen
bij de onderhandelingen over een toekomstig mechanisme:
• eerst via gouvernementele discussie, samenwerking en consultatie proberen te komen
     tot een gezamenlijke interpretatie van een akkoord, bijvoorbeeld binnen het kader van
     een gezamenlijk comité;
• vormen van arbitragepanels;
• uitsluiting van directe werking, dat wil zeggen een mechanisme dat alleen voorziet in
     geschilbeslechting tussen de verdragsluitende staten. Bepalingen uit het te sluiten
     akkoord kunnen daarmee niet door burgers aan deze geschillen beslechtende instantie
     worden voorgelegd noch aan de Britse rechter;
93 Zie: <https://www.theguardian.com/politics/2017/feb/03/brexit-transition-uk-eu-law>.
94 Zie: <http://www.telegraph.co.uk/news/2016/12/12/exclusive-european-citizens-living-uk-should-remain-
     jurisdiction/>.
95 Zie: <http://www.independent.co.uk/news/world/europe/uk-post-brexit-trade-deal-eu-european-court-of-
     justice-president-a7557116.html>.
96 Zie: The Independent, 3 februari 2017.
                                                 47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>• geen one size fits all oplossing, gegeven de stelling dat ‘different dispute resolution
    mechanisms could apply to different agreements, depending on how the new
    relationship with the EU is structured. Any arrangements must be ones that respect
    UK sovereignty, protect the role of our courts and maximise legal certainty, including for
    businesses, consumers, workers and other citizens’.97
Hoewel het Witboek wel een aantal handelsverdragen en de daarin bepaalde
geschilbeslechtingsmechanismen duidt – in het bijzonder in het kader van CETA, NAFTA
(Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst), Mercosur en WTO –, wordt ook duidelijk
gemaakt dat deze slechts als voorbeeld worden gezien en niet als precedent moeten
worden gezien bij komende onderhandelingen. Het VK zet in op een tailor-made oplossing
die niet per se leidt tot een enkel geschilbeslechtingsmechanisme.
Van de kant van de overige lidstaten en de EU, kunnen andere elementen worden
geïdentificeerd die een leidende rol (zouden moeten) spelen bij het vinden van een
oplossing op dit punt en de inrichting van het uiteindelijke geschilbeslechtings- c.q.
handhavingsmechanisme. De AIV ziet daarvoor de volgende uitgangspunten:
• geen negatieve precedentwerking van de gekozen oplossing voor andere lidstaten
    (vermijden van een ‘wel de lusten, niet de lasten’-oplossing);
• geen oplossing die het al bestaande systeem nodeloos compliceert;
• een zo goed mogelijke bescherming van de rechten van Unieburgers en ondernemingen
    (niet alleen rechtszekerheid) conform artikel 20 e.v. VWEU over de rechten van burgers
    van de Unie;
• waarborgen dat gedeelde problemen en belangen nog steeds zo effectief mogelijk
    kunnen worden aangepakt.
Ter illustratie van het laatste punt is relevant dat, terwijl het Witboek onderstreept dat het
VK ‘will continue to work with the EU to preserve UK and European security, and to fight
terrorism and uphold justice across Europe’, het European Union Committee in zijn recente
rapport ‘Brexit: future UK-EU security and police cooperation’ opgemerkt heeft dat ‘Even
with the utmost good will on both sides, it seems inevitable that there will be practical
limits to how closely the UK and the EU27 can work together on police and security
matters if they are no longer accountable to, and subject to oversight and adjudication by,
the same supranational institutions, notably the Court of Justice of the European Union’.98
Daarmee stelt zich al de vraag of op onderdelen in ieder geval, het VK en de EU niet toch
een beperkte jurisdictie van het Hof zullen moeten overeenkomen om een probleem als de
interne Europese veiligheid effectief te kunnen blijven aanpakken. Dit zou kunnen passen
binnen de Britse benadering van ‘verschillende oplossingen voor verschillende akkoorden’,
waarbij echter ook de mogelijkheid van directe werking niet uitgesloten moet worden.
Een meer algemene insteek die recht zou kunnen doen aan alle posities volgens de
hiervoor genoemde uitgangspunten, is om de interpretatie en toepassing van de te
sluiten overgangsregeling toe te bedelen aan een speciale kamer van het Hof van Justitie
EU, die zich als enige daarover mag buigen volgens daartoe overeengekomen regels en
97 Zie: <https://www.gov.uk/government/publications/the-united-kingdoms-exit-from-and-new-partnership-
    with-the-european-union-white-paper>.
98 Zie: <https://www.publications.parliament.uk/pa/ld201617/ldselect/ldeucom/77/77.pdf>.
                                                  48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>procedures, ook al zal dit voor premier May een politiek lastig te verkopen oplossing zijn.
Voorstel AIV voor Nederlandse inzet
De AIV is van mening dat er een onderscheid moet worden gemaakt worden tussen
enerzijds de interpretatie van het artikel 50-besluit en anderzijds het toezicht op de
implementatie door het VK van de in de overgangsperiode opgenomen regelingen en
verplichtingen. Tenslotte moet er ook een onderscheid gemaakt worden ten aanzien van
het toekomstige vrijhandelsakkoord tussen het VK en de EU.
Wat de interpretatie van het artikel 50-besluit blijft de rechtsmacht van het HvJ EU intact.
Het betreft immers een besluit van de EU-instellingen op basis van het Verdrag. Het is
alleszins denkbaar dat nationale rechters een prejudiciële beslissing vragen over de
reikwijdte van een bepaald artikel uit dit besluit.
Wat betreft het toezicht op de implementatie door het VK hangt een en ander in de eerste
plaats af van de diepgang en breedte van de overgangsregeling en van de afspraken
die te dien aanzien gemaakt zijn. Uiteindelijk zal het VK na de inwerkingtreding van
het artikel 50-besluit een derde land zijn. Het door de AIV in dit advies gesuggereerde
overgangsregime is het best te vergelijken met de regeling die Zwitserland heeft, met
dien verstande dat de AIV uitgaat van een tijdelijke continuering van de douane-unie
en toepassing van het gemeenschappelijk buitentarief. Indien er net als in het geval
van Zwitserland sprake is van wederzijdse erkenning van normen en standaarden,
dan is adequaat toezicht en een geschillenbeslechtingsysteem gewenst. Vooralsnog
bestaat er geen efficiënt toezichtsysteem in de Zwitserse akkoorden noch een
geschillenbeslechtingssysteem. De Commissie wenst echter wel een dergelijk systeem
integraal in te stellen gemodelleerd naar het WTO Dispute Settlement System.
                                              49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>V        De gevolgen van de Brexit op de coalitievorming
         in Europa
Huidige situatie
In de huidige EU is het VK voor Nederland op verschillende terreinen een belangrijke
partner. Dit geldt bijvoorbeeld op de terreinen van de interne markt, met een gedeeld
streven naar verdere vervolmaking van de interne markt en betere regelgeving, en van
de handelspolitiek, waarbij beide landen sterk voorstander zijn van het tegengaan van
protectionisme. Beide landen zijn ook een grote nettobetaler en hebben een grotendeels
gelijke visie op bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking.99
De IOB-evaluatie (Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie) uit 2014
‘Strategie bij benadering. Nederlandse coalitievorming en de multi-bi benadering in
het kader van de EU-besluitvorming (2008-2012)’ laat onder meer zien op welke
beleidsterreinen Nederland samen met andere EU-lidstaten is opgetreden. Dit gebeurde
het vaakst met het VK, Zweden en Denemarken.100 Nederland bevond zich duidelijk in
een Noordwest-Europese groep, in de buurt van het VK, Zweden, Denemarken, Finland,
Oostenrijk en Luxemburg. De groep die daar het verst vanaf stond werd gevormd door
Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal en Griekenland.101
Coalitievorming in het kader van de Brexitonderhandelingen
Uit bovengenoemd IOB-rapport blijkt ook dat een coalitie alleen effectief is als in ieder
geval één van de drie grote lidstaten (Duitsland, Frankrijk of het VK) aan boord is.102 Dit
heeft gevolgen op diverse terreinen, waar Nederland tot dusverre vaak nauw samenwerkt
en deel uitmaakt van een coalitie met het VK.
Voor het bereiken van een overgangsperiode voor de handel in goederen, voor Nederland
van essentieel belang, zou een Noordwest-Europees blok gevormd kunnen worden. Daarbij
is de positie en leidende rol van Duitsland cruciaal, een rol die Nederland als partner van
Duitsland nog verder kan ondersteunen en versterken. De landen Denemarken, België (in
het bijzonder Vlaanderen), Nederland en Ierland vormen een onvoldoende machtig blok om
gezamenlijk compensatie voor het mogelijk grote verlies van de handel in goederen met
het VK af te kunnen dwingen.
De belangen op het terrein van het vrij verkeer van werknemers tussen Nederland
enerzijds en een aantal Midden- en Oost-Europese landen anderzijds lopen sterk uiteen.
Hierbij zal een afweging gemaakt moeten worden, mocht met deze landen niet tot
overeenstemming gekomen kunnen worden over mogelijke beperkingen van het vrij verkeer
van werknemers. Daarbij zou overwogen kunnen worden om deze landen te bewegen
om hiermee akkoord te gaan, onder druk van een mogelijke korting op de cohesie- en
99   IOB Evaluatie, Strategie bij benadering. Nederlandse coalitievorming en de multi-bi benadering in het
     kader van de EU-besluitvorming (2008-2012), juli 2014, p. 119.
100 Ibid., p. 111.
101 Ibid., p. 112.
102 Ibid., p. 83.
                                                     50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>structuurfondsen in het nieuwe MFK of door deze landen te overtuigen op basis van
toezeggingen met betrekking tot het voortzetten van de defensiesamenwerking (conform
Brits dreigement in Lancaster House toespraak). Daarbij is het zaak maat te houden,
teneinde deze landen niet te verliezen ten aanzien van de voor Nederland belangrijke
‘gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek’-agenda.
Een belang dat zowel voor Nederland als voor veel Midden- en Oost-Europese landen
speelt, betreft het veiligstellen van rechten van ingezetenen afkomstig uit genoemde
landen in het VK. Daarbij moet ook afgewogen worden of het nieuw leven inblazen van de
samenwerking tussen de Oude Zes, onder meer tot uiting gekomen in de bijeenkomst van
deze landen direct na het Britse referendum, al dan niet navolging behoeft.103
Er is nog een fundamentele keuze die tot verschillen in inzicht kan leiden tussen
(groepen van) landen in de fase van de komende Brexit-onderhandelingen. Dit betreft de
keuze tussen ‘geen akkoord tot overal een akkoord over is’, met de daarbij behorende
onzekerheid van een veto op het laatste moment, zeker van het kamp dat een
afschrikwekkend voorbeeld wil stellen met de Brexit, dan wel de keuze om de mogelijkheid
van tussenakkoorden als optie open te houden. Dit laatste houdt wel het risico in dat het
VK zal proberen wiggen te drijven tussen (groepen van) Europese landen. De AIV acht het
van belang dat het front van de EU27 in de fase van onderhandelingen gesloten blijft en
pleit daarom voor een inzet op het bereiken van een alomvattend akkoord.
Coalitievorming in de EU27 post-Brexit
Na het vertrek van het VK uit de EU is het nog belangrijker voor Nederland om deel uit
te maken van uiteenlopende coalities, afhankelijk van het desbetreffende beleidsterrein
en/of het specifieke onderwerp. Hierbij dient volgens de AIV een strategische
afweging gemaakt te worden. Zo kan Nederland kiezen een coalitie aan te gaan om
een blokkerende minderheid te vormen op een bepaald beleidsterrein of juist om
medestanders te vinden voor nieuwe initiatieven.
Wat betreft de toekomstige handelspolitiek van de EU met derde landen valt te verwachten
dat met het wegvallen van het VK de groep van meer protectionistisch ingestelde lidstaten
aan invloed zal winnen. Om hier tegenwicht aan te bieden moet Nederland een coalitie
van de voornaamste handelspartners van het VK vormen, in het bijzonder Ierland en de
Benelux. Door Duitsland te overtuigen zich in te blijven zetten voor een EU-handelsbeleid
dat op vrijhandel is gericht, kan deze coalitie een blokkerende minderheid gaan vormen.
Op het gebied van het GBVB en GVDB ziet de AIV diepe samenwerkingsverbanden met
België (met name marine en luchtmacht) en Duitsland (met name landmacht). Met
deze landen kan enerzijds worden gezocht naar andere gelijkgezinde landen die een
intensivering van de GBVB-samenwerking voorstaan. Anderzijds kan afgezien worden van
een algehele intensivering binnen de EU op dit beleidsterrein om in plaats daarvan te
kiezen voor een kopgroep binnen de Europese defensiesamenwerking. Minister Koenders
riep hiertoe ook op in zijn toespraak bij de presentatie van de Strategische Monitor
103 Zie: <https://www.nrc.nl/nieuws/2016/06/25/oprichters-eu-onderhandelingen-brexit-snel-beginnen-
      a1406284>.
                                               51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>2017.104 De keuze voor kopgroepen op bepaalde beleidsterreinen is daarmee een
alternatieve strategie voor coalitievorming binnen de EU post-Brexit.
Op vrijwel alle beleidsterreinen is de rol van Duitsland in een mogelijk nieuwe coalitie
cruciaal, mede gelet op de betekenis van de Frans-Duitse as, waarop het VK in de
afgelopen decennia met regelmaat een apaiserende invloed had. De betekenis van deze
as is weliswaar in de afgelopen jaren minder groot geworden, maar kan, mede afhankelijk
van de uitslag van de verkiezingen in Frankrijk en later dit jaar in Duitsland, weer
beduidend toenemen. De AIV acht het daarom voor Nederland van groot belang om te
blijven investeren in goede relaties met Duitsland en, in mindere mate, ook met Frankrijk.
De visie van de AIV op dit punt sluit ook aan bij de eerder genoemde IOB-evaluatie, waarin
Duitsland en het VK naar voren kwamen als voor Nederland meer gelijkgezinde landen
dan Frankrijk, dat vaak als aanvoerder van een tegencoalitie optrad. Toch behoeft dit
beeld enige nuancering, zo wordt in het rapport gesteld. De AIV is met de IOB van mening
dat de gelijkgezindheid met Frankrijk er wel degelijk is op belangrijke onderdelen als de
uitbreiding, Justitie en Binnenlandse Zaken en (onderdelen van) de meerjarenbegroting van
de Unie, en vindt ook dat deze gelijkgezindheid nog wel eens wordt onderschat. Dat neemt
niet weg dat Frankrijk qua taal en politiek-bestuurlijke cultuur verder afstaat van Nederland
dan Duitsland en het VK.105
Daarnaast kan Frankrijk ook niet worden genegeerd, indien Nederland een coalitie
zoekt voor het invoeren van een nieuw EU-initiatief. Daarbij ziet de AIV ook kansen voor
een hernieuwde Benelux-samenwerking. Binnen de Raad heeft de Benelux een zekere
status die mede is verworven door de historische precedenten op het gebied van nieuwe
initiatieven van grensoverschrijdende samenwerking op kleinere schaal. In het zoeken naar
een coalitie met Frankrijk kan daarom ook worden nagegaan of de Benelux-samenwerking,
die in de afgelopen jaren minder intensief was, ruimte biedt voor verdere coalitievorming
binnen de Raad of – met het op Frankrijk georiënteerde Luxemburg en België – kan helpen
om een brug te vormen naar Frankrijk.
Een andere optie is dat de Benelux-landen zich meer richten op de landen uit Noordwest-
Europa, meer in het bijzonder op Ierland, Denemarken, Finland en Zweden en eventueel
de Baltische staten, om zodoende gezamenlijk toch op verschillende dossiers een
substantieel blok binnen de EU te vormen. De mogelijkheden daartoe en de wenselijkheid
daarvan moeten in de visie van de AIV in de komende periode op korte termijn nader
worden verkend.
Overigens speelt niet alleen de komende Brexit, maar ook de recente verkiezing van Trump
tot president van de VS een rol bij de vraag naar mogelijke coalitievorming. De verkiezing
en het beleid van president Trump kunnen eraan bijdragen dat Nederland enigszins
afstapt van de traditioneel trans-Atlantische opstelling en zich zowel economisch als op
geopolitiek en veiligheidsterrein meer op Duitsland gaat oriënteren. Daarnaast groeit met
het vertrek van het VK uit de EU ook het relatieve belang van andere grotere EU-lidstaten
dan alleen Duitsland en Frankrijk. Dit betreft onder meer Spanje. De AIV ziet, zeker op
104 Rijksoverheid, ‘Toespraak minister Koenders bij presentatie Strategische Monitor Clingendael/HCSS’,
      20 februari 2017, p. 11. Zie: <https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/
      toespraken/2017/02/20/toespraak-minister-koenders-bij-presentatie-strategische-monitor-clingendael-
      hcss/Speech+M+bij+presentatie+Strategische+Monitor.pdf>.
105 IOB Evaluatie, p. 193.
                                                      52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>economisch terrein, ook mogelijkheden voor intensivering van de samenwerking met dit
land.
Uit het bovenstaande wordt wel duidelijk, dat coalities in de toekomst steeds minder
vastomlijnd en sterk afhankelijk zullen zijn van het desbetreffende beleidsterrein
en het specifieke onderwerp. Om die reden acht de AIV een sterkere Nederlandse
vertegenwoordiging in de hoofdsteden van de EU-lidstaten essentieel met het oog op
mogelijke coalitievorming, ad hoc dan wel taakspecifiek of territoriaal, in relatie tot de
dagelijkse besluitvorming. Om een relevante speler te blijven binnen EU27 dienen in de
visie van de AIV de Nederlandse ambassades in de EU-lidstaten over voldoende capaciteit
te beschikken om de Nederlandse belangen goed te kunnen vertegenwoordigen en waar
nodig en mogelijk coalities te smeden en/of te versterken. Dat Nederland daartoe goed
in staat is, blijkt ook uit de door de IOB uitgevoerde casestudies, waaruit Nederland naar
voren komt als een actieve lidstaat wanneer het gaat om het vormen, mobiliseren en
benutten van coalities en in het proberen om als coalitie gezamenlijk op te treden.106
106 Ibid., p. 117.
                                                53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>VI       Conclusies en aanbevelingen
VI.1     Conclusies
In de vragen die het kabinet op 6 oktober 2016 aan de AIV stelde, gaat het zowel om de
kernelementen van de nieuwe relatie van de EU met het VK als om kernelementen van
de nieuwe bilaterale relatie met het VK. In de visie van de AIV hangen de kernelementen
van de nieuwe bilaterale relatie in belangrijke mate af van de vraag hoe de nieuwe relatie
tussen de EU en het VK eruit gaat zien. Om die reden vormt laatstgenoemde relatie dan
ook het uitgangspunt voor het advies en is daarop het meest diepgaand en uitgebreid
ingegaan.
In de nieuwe relatie tussen de EU en het VK is de toekomstige handelsrelatie voor
beide partijen cruciaal. Met betrekking tot deze relatie is de AIV van mening dat het
vrijhandelsakkoord met Canada (CETA) daarvoor de beste aanknopingspunten biedt.
De AIV acht het politiek haalbaar de toekomstige samenwerking volgens dit model
nog op een hoger niveau te brengen door daaraan ook elementen toe te voegen uit
de associatieakkoorden die de EU met de nabije buurlanden heeft afgesloten. Een
zogenaamd CETA-plusmodel opent niet alleen de mogelijkheid tot vrijhandel in goederen,
maar maakt ook afspraken mogelijk over de vrijmaking van dienstensectoren. Om een
geordende overgang naar de periode na het bereiken van een definitief akkoord mogelijk
te maken, acht de AIV een tijdelijke continuering van de bestaande douane-unie met
bijvoorbeeld drie jaar de meest voor de hand liggende oplossing. Waar het gaat om een
systeem van geschillenbeslechting kan gekozen worden voor een arbitragesysteem
gemodelleerd naar het WTO Dispute Settlement System of vergelijkbare modellen in
bestaande FTA’s.
Met betrekking tot financiële diensten staat voor de AIV het belang voorop van een zo
beperkt mogelijke verstoring van het financiële systeem binnen de EU en het zo veel
mogelijk mitigeren van negatieve effecten van de Brexit op het systeem van financiële
diensten. Daarbij zouden equivalentiebeslissingen in het kader van het TCR een
terugvalpositie kunnen zijn, hoewel deze niet op alle financiële diensten toepasbaar zijn
en door de Commissie ingetrokken kunnen worden. Voordeel is wel, dat de regeling in
beginsel op alle derde landen van toepassing kan zijn en als zodanig geen inbreuk oplevert
op het MFN-beginsel. Het is ook mogelijk dat de reikwijdte van equivalentie uitgebreid
wordt, waardoor deze optie nog aantrekkelijker wordt.
Op het terrein van de externe veiligheid zou de EU het VK zoveel mogelijk moeten (blijven)
betrekken bij de voorbereiding en de uitvoering van het GBVB en het GVDB. Dit is niet
alleen in Brits belang, maar zeker ook in het belang van de EU. In de visie van de AIV
is, gelet op het intergouvernementele karakter van de samenwerking op dit terrein, de
zoektocht naar oplossingen voor toekomstige samenwerking een gemakkelijker opgave
dan bij de vormgeving van de toekomstige handelsbetrekkingen, waar de EU-instellingen bij
betrokken zijn. Hoe deze toekomstige samenwerking eruit kan gaan zien, hangt uiteraard
ook mede af van de inzet van het VK om bij het GBVB/GDVB betrokken te blijven. Het
advies schetst daartoe vier mogelijke modellen. Voor de AIV is het daarbij van groot belang
om het VK op enigerlei wijze te blijven betrekken bij de besluiten van de EU-Raad van
Buitenlandse Zaken.
                                              54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Ook op het terrein van de interne veiligheid (JBZ-samenwerking) is voortzetting van de
samenwerking zowel in Brits als in EU- en in Nederlands belang. Deze voortzetting is
uitdrukkelijk ook de inzet van het VK. De wijze waarop deze toekomstige samenwerking
vormgegeven kan worden, is vooralsnog echter niet duidelijk. Cruciaal daarbij is om
overeenstemming te bereiken over een vorm van rechterlijk toezicht, waarbij het
Britse uitgangspunt dat het na de Brexit geen rol meer ziet voor het HvJ EU deze
overeenstemming naar verwachting ernstig zal bemoeilijken.
Ook indien de toekomstige betrekkingen tussen de EU27 en het VK de vorm aannemen
van een vrijhandelsakkoord, zal vrij verkeer van werknemers een belangrijk onderwerp
blijven. In ruil voor de best mogelijke toegang tot de interne markt die de Britten
nastreven, zullen de EU27 preferentiële toegang willen voor EU-werknemers tot de Britse
arbeidsmarkt. Gezien de grote economische belangen die voor het VK en verschillende
EU-lidstaten gemoeid zijn bij een zo vrij mogelijk verkeer, verdient het volgens de AIV de
voorkeur dat zowel het VK als de EU27 preferentiële toegang nastreven voor elkaars
burgers boven die voor burgers van derde landen.
Waar het gaat om de budgettaire consequenties van de Brexit voor de EU en specifiek
voor Nederland is het zinvol om een onderscheid te maken tussen de divorce bill, de
lopende MFK-periode (2014-2020) en het volgende MFK. Helder is, dat de negatieve
financiële consequenties voor Nederland op alle drie niveaus potentieel groot zijn. Een
stevige Nederlandse onderhandelingsinzet vanaf de aanvang van de onderhandelingen, bij
voorkeur samen met andere landen (onder meer Duitsland, Zweden en Oostenrijk) die als
nettobetaler de grootste negatieve consequenties dreigen te ondervinden, ligt daarom voor
de hand.
Met betrekking tot de positie van het HvJ EU brengt de harde Britse opstelling, dat
niet langer de rechtsmacht van het Hof wil erkennen na de Brexit, grote problemen
met zich mee. Bijzonder aspect daarbij is de positie van het Hof in de te verwachten
overgangsperiode. Niet zeker is of het Britse idee van a special joint court ook voor de
EU acceptabel zal zijn. Hoe de door het VK voorgestane tailormade oplossing voor dit
probleem eruit moet gaan zien, is vooralsnog niet duidelijk. De optie van een speciale
kamer van het HvJ EU, die zich als enige mag buigen over de interpretatie en toepassing
van de te sluiten overgangsregeling volgens daartoe overeengekomen regels en
procedures, is mogelijk een voor premier May lastig te verkopen oplossing.
Helder is dat Nederland met het vertrek van het VK uit de EU een belangrijke partner
verliest. Inzetten op versterking van bestaande coalities, zoals met de Noordwest-
Europese landen en de Benelux, is wenselijk, maar niet voldoende. Cruciaal voor
Nederland is in het bijzonder de positie van Duitsland, dat zoveel als mogelijk deel zou
moeten uitmaken van het blok waarbij Nederland ook is aangesloten. Daarbij realiseert de
AIV zich, dat Duitsland vele belangen en potentiële samenwerkingspartners heeft, zowel
in oostelijke richting alsook als onderdeel van de Frans-Duitse as. Nauwe samenwerking
met Duitsland zal dan ook niet altijd mogelijk zijn. Dit is voor de AIV mede reden om te
bepleiten dat Nederland ook actief op zoek gaat naar ad hoc-coalitiepartners in specifieke
dossiers, met grote EU-landen als Frankrijk en Spanje, maar ook met kleinere landen als
bijvoorbeeld de Baltische staten, dit laatste bij voorkeur als onderdeel van een blok van
Noordwest-Europese landen.
                                              55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>VI.2     Aanbevelingen
1. Bij het vormgeven van de nieuwe relatie tussen de EU en het VK acht de AIV
   het cruciaal om het langetermijnbelang van voortdurende intensieve Europese
   samenwerking centraal te stellen, tegen de achtergrond van de economische en
   geopolitieke verschuiving die gaande is en de enorme externe uitdagingen waar de
   Europese landen voor staan. De samenwerking tussen de EU27 en het VK blijft van
   zeer groot belang om veiligheid, vrijheid en welzijn te borgen in Europa, en om bij te
   dragen aan stabiliteit en perspectief voor mensen in de landen rondom Europa.
2. De AIV acht het van groot belang dat tijdens de artikel 50 onderhandelingen het front
   van de EU27 gesloten blijft. Dit betekent dat ook Nederland zich niet ontvankelijk mag
   tonen voor mogelijke Britse voorstellen die kennelijk zijn bedoeld om EU-lidstaten tegen
   elkaar uit te spelen.
3. Waar het gaat om het uittredingsakkoord acht de AIV het van grote betekenis dat de
   Nederlandse regering vooral stevig inzet op de positie van de wederzijdse ingezetenen
   en de hoogte van de exit rekening.
4. Wat betreft de toekomstige relatie is de AIV van mening dat de EU in moet zetten op
   een veelomvattend vrijhandelsakkoord met het VK, vergelijkbaar met het akkoord met
   Canada (CETA), zo mogelijk aangevuld met verdergaande elementen van economische
   integratie zoals opgenomen in het Associatieakkoord met Oekraïne.
5. Omdat naar verwachting, anders dan de inzet is van het VK, niet binnen twee jaar
   overeenstemming kan worden bereikt over een veelomvattend vrijhandelsakkoord, acht
   de AIV het waarschijnlijk en wenselijk dat een korte overgangsperiode overeengekomen
   wordt om een geordende overgang mogelijk te maken tussen het feitelijk vertrek van
   het VK uit de EU en het bereiken van een dergelijk vrijhandelsakkoord. Daarom bepleit
   de AIV voor de continuering van de douane-unie met een periode van drie jaar, zo
   mogelijk aangevuld met een continuering van de wederzijdse erkenning van normen en
   standaarden.
6. Met betrekking tot financiële diensten acht de AIV een systeem van equivalentie
   ook het meest waarschijnlijke en realistische alternatief voor het verlies van
   paspoortrechten. Nederland zou tevens moeten streven naar een goede regeling
   tijdens de overgangsperiode, zodat de schade voor het bedrijfsleven zoveel mogelijk
   wordt beperkt.
7. Het vertrek van het VK uit de EU betekent ook voor de bescherming van de externe
   veiligheid van de EU, in het bijzonder ook voor het GBVB en het GVDB, een gevoelig
   verlies. Om die reden vindt de AIV het van groot belang dat het kabinet streeft naar
   continuering van de samenwerking met het VK, zij het op andere wijze, en daar ook
   actief op inzet. Dit kan onder meer door het VK op enigerlei wijze te betrekken bij de
   besluiten van de EU-Raad van Buitenlandse Zaken.
8. Gezien het grote belang dat moet worden gehecht aan nauwe betrokkenheid van het
   VK bij vormen van Europese militaire samenwerking, hetzij multilateraal hetzij bilateraal,
   pleit de AIV ervoor dat de regering de bestaande bilaterale banden met het land
   voortzet. De militaire samenwerking met het VK moet op haar eigen merites worden
   beoordeeld en mag geen nadeel ondervinden van mogelijke fricties tussen de EU en
   het VK op handelspolitiek terrein.
                                              56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>9.  Ook op het terrein van de interne veiligheid, met andere woorden de zogenaamde
    JBZ-samenwerking, acht de AIV continuering van de huidige samenwerking van groot
    belang, zowel voor de interne veiligheid van het VK als voor de interne veiligheid van
    de EU en in het bijzonder van Nederland. De positie van het HvJ EU is daarbij wel een
    complicerende factor, waarvoor een werkbare oplossing vooralsnog niet in zicht is.
10. De EU-lidstaten doen er in de visie van de AIV goed aan om initiatieven met het oog
    op een beter en eerlijker functioneren van vrij verkeer van werknemers binnen de
    EU niet te koppelen aan de Brexit-onderhandelingen. Een pleidooi van Nederland en
    andere voornamelijk West-Europese lidstaten in het kader van de herziening van de
    detacheringsrichtlijn met het oog op ‘gelijk loon voor gelijk werk op een gelijke plek’
    maakt alsdan mogelijk nog enige kans gehoor te vinden bij de Midden- en Oost-
    Europese lidstaten. Vermenging met de daarvan afwijkende Britse wens om het aantal
    EU-migranten aan banden te leggen zal die zaak waarschijnlijk geen goed doen.
11. Een deelname van het VK aan de interne markt voor goederen tijdens een
    overgangsperiode maakt het noodzakelijk dat de overname en equivalente praktische
    toepassing van het interne markt-acquis verzekerd blijft. Indien tijdens deze periode de
    rechtsmacht van het HvJ EU niet meer erkend wordt, dan acht de AIV het noodzakelijk
    dat een adequaat toezicht- en geschillenbeslechtingsysteem in het leven wordt
    geroepen.
12. Ook in financiële zin kan het vertrek van het VK uit de EU voor Nederland grote
    consequenties hebben. In het kader van de komende onderhandelingen over het
    nieuwe MFK acht de AIV het wenselijk samen met andere nettobetalers te zoeken
    naar mogelijkheden om te komen tot een lagere EU-begroting op termijn en daarmee
    tot een gelijkblijvende en in ieder geval niet een hogere Nederlandse bijdrage aan de
    EU-begroting.
13. Het VK vormde voor Nederland op meerdere dossiers (interne markt, handel,
    defensiesamenwerking) een vanzelfsprekende (coalitie)partner. Na het vertrek van
    het VK uit de EU zal Nederland zich sterker dan voorheen op andere mogelijke
    coalitiepartners moeten richten. De AIV vindt het wenselijk dat Nederland zich op
    nauwe samenwerking en afstemming met Duitsland als meest invloedrijke lidstaat
    binnen de EU richt, maar dit is niet voldoende. Andere mogelijke coalitiepartners zijn
    de Noordwest-Europese landen, in het bijzonder Zweden, Denemarken en Ierland,
    maar ook (in het kader van versterkte Benelux-samenwerking) België en Luxemburg.
    Daarnaast zijn ook ad hoccoalities wenselijk, onder meer met de grote EU-landen
    Frankrijk en Spanje, maar ook (op het terrein van veiligheid bijvoorbeeld) met de
    Midden en Oost-Europese landen.
                                              57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>                                                                                        Bijlage I
Adviesaanvraag
Aan de Voorzitter van de Adviesraad Internationale Vraagstukken
Mr. J.G. de Hoop Scheffer
Postbus 20061
2500 EB Den Haag
Datum 6 oktober 2016
Betreft Adviesaanvraag Brexit
Geachte voorzitter,
Op 23 juni jl. vond in het Verenigd Koninkrijk een referendum plaats over EU-lidmaatschap,
waarbij 51,9 % van de Britse kiezers voor vertrek uit de EU heeft gestemd, en 48,1 % voor
het lidmaatschap van de EU. Het kabinet respecteert deze uitslag en is teleurgesteld dat een
meerderheid van de Britse kiezers zich voor vertrek uit de EU heeft uitgesproken. Het Verenigd
Koninkrijk is sinds 1973 een gewaardeerd lid van de Europese Unie en voor Nederland een
belangrijke Europese partner. Nederland en het Verenigd Koninkrijk onderhouden goede,
intensieve betrekkingen en werken nauw samen op politiek, militair, economisch, cultureel en
maatschappelijk gebied. De inzet van het kabinet is er daarom steeds op gericht geweest om
het Verenigd Koninkrijk als EU-lid te behouden.
Het is nu aan de Britse regering om aan te geven hoe zij met de uitslag van het referendum
om wenst te gaan. Het EU-lidmaatschap van het Verenigd Koninkrijk kan pas worden beëindigd
als de daarvoor geldende procedure van artikel 50 van het EU-verdrag is doorlopen. Dit
proces start zodra het Verenigd Koninkrijk formeel te kennen geeft de procedure van artikel
50 te willen activeren (de zogenoemde kennisgeving). Krachtens artikel 50 EU-verdrag
wordt er onderhandeld over een terugtrekkingsakkoord. De EU-verdragen zijn niet meer van
toepassing op het Verenigd Koninkrijk zodra het terugtrekkingsakkoord in werking treedt.
Indien er twee jaar na de kennisgeving conform artikel 50 nog geen akkoord is zijn de EU-
verdragen automatisch niet meer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk, tenzij deze termijn
wordt verlengd door de EU en het Verenigd Koninkrijk. Het is nu opportuun te bezien hoe de
toekomstige relatie met het Verenigd Koninkrijk vorm moet krijgen.
In het licht van bovenstaande zou het kabinet het op prijs stellen hierover van de Adviesraad
voor Internationale Vraagstukken (AIV) een advies te ontvangen uiterlijk in het komend voorjaar,
aan de hand van de volgende vragen:
1. Wat moeten vanuit Nederlands perspectief kernelementen zijn van een nieuwe bilaterale
     relatie met het Verenigd Koninkrijk?
2. Welke kernelementen dienen vanuit een communautair perspectief deel uit te maken van
     een nieuwe relatie van de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk?
3. Kan de Adviesraad hierbij aangeven welke implicaties de afzonderlijke elementen uit de
     vragen 1 en 2 hebben voor de Nederlandse belangen en coalitievorming in Europa?
4. Waarop zou de komende jaren de inzet van de Nederlandse regering gericht moeten zijn in
     de bilaterale relatie met het Verenigd Koninkrijk?
Ik zie uw advies met belangstelling tegemoet.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Bert Koenders
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>                                                                                                Bijlage II
Kosten door Brexit voor Nederland
Algemene ramingen
Het CPB stelt dat de kosten als gevolg van de Brexit voor Nederland ‘relatief groot’ zijn in
vergelijking met andere EU-lidstaten.107 In het WTO-scenario worden de kosten geraamd
op een bbp-verlies van 1,2% in 2030. Dit staat gelijk aan in totaal 10 miljard euro en 575
euro per inwoner. Indien het wegvallen van de handel met het VK gepaard gaat met een
innovatieverlies lopen deze kosten in het WTO-scenario op tot 2% bbp-verlies, oftewel rond
de 1000 euro per Nederlander.108 In het FTA-scenario liggen de kosten voor Nederland
lager. Het bbp-verlies zal 0,9% tot 1,5% zijn.109
Sectorspecifieke en overige gevolgen
In het WTO-scenario zijn er grote verschillen tussen de gevolgen per sector: ‘Het
productieverlies zal 5% zijn in sectoren met een verbondenheid met het VK van meer
dan 10%: ‘chemie, kunststof en rubber’, ‘elektronische apparatuur’, ‘motorvoertuigen en
onderdelen’ en ‘voedsel verwerkende industrie’. Deze sectoren verdienen samen 12% van
het bbp.’ De kosten zijn in onderstaande figuur weergegeven.110
De indirecte export, bestaande uit de doorvoer via Nederland en export van Nederlandse
halffabricaten, kan ook worden aangetast door nieuwe handelsbelemmeringen. Met name
de delfstoffenwinning, groothandel, detailhandel en zakelijke dienstverlening hebben
een groter aandeel van de productie dat uiteindelijk door het VK wordt verbruikt dan het
aandeel van de productie dat rechtstreeks naar het VK wordt geëxporteerd.111 De kosten
die met een mogelijk verlies zijn echter nog niet in kaart gebracht.
107 J.C. Bollen et al., ‘Brexit raakt Nederland meer dan meeste EU-landen’, CPB Policy Brief 2016/07,
     pp. 8-9.
108 Ibid., p. 9.
109 Ibid.
110 Ibid., p. 12.
111 Carlijn Prins en Lisette van de Hei, ‘Wat betekent een Brexit voor het Nederlandse bedrijfsleven?’,
     Rabo Research, 15 juni 2016, pp. 7-8.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>                                                                                      Bijlage III
Lijst van geraadpleegde personen
Giles Ahern                   Afdelingshoofd Joint Unit Euro-Atlantic Security, Foreign and
                              Commonwealth Office (FCO)
Jantine van Bakel             Beleidscoördinerend medewerker (Mertens), Nederlandse
                              Permanente Vertegenwoordiging bij de EU (PVEU), Brussel
Linda van Beek                Teammanager, VNO-NCW/MKB-Nederland
Ian Bond                      Directeur Buitenlands beleid, Centre for European Reform
                              (CER)
Tom de Bruijn                 Wethouder Financiën, Verkeer, Transport en Milieu, gemeente
                              Den Haag, voormalig Permanent Vertegenwoordiger bij de EU
Victor Cramer                 Hoofd Afdeling EU, Ministerie van Financiën
Monique van Daalen            Ambassadeur van het Koninkrijk der Nederlanden te Berlijn
Maria Demertzis               Plaatsvervangend directeur, Bruegel, Brussel
Michael Driessen              Head of Asia Desk, ING Bank
Kees van Duin                 Plaatsvervangend hoofd Europese Aangelegenheden,
                              Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)
Michael Emerson               Senior onderzoeker, Centre for European Policy Studies (CEPS)
Said Fazili                   Beleidscoördinerend medewerker (Antici), PVEU, Brussel
Roel Gans                     Directeur Internationale Zaken, SZW
Pieter de Gooijer             Permanent Vertegenwoordiger bij de EU
Martijn de Grave              Juridisch Adviseur, PVEU
Natasja Hofstee               Beleidsmedewerker Europese Aangelegenheden, SZW
Albert van der Horst          Hoofd sector Macro-economische analyse, Centraal
                              Planbureau (CPB)
Lord Jay of Ewelme            Lid Brits Hogerhuis, commissie Europese Zaken
Dorothée van Kempen           Beleidsmedewerker EU, Ministerie van Veiligheid en Justitie
Ronald Kent                   Managing Director, Wholesale and Financial Policy, Head
                              Brexit British Banking Association (BBA)
Edward Kok                    Beleidsmedewerker afdeling EU, Ministerie van Financiën
Karel Lannoo                  Directeur CEPS, Brussel
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>Raoul Leering          Head International Trade Research, ING Bank
Doudouce Luitse        Beleidsmedewerker Directie Integratie Europa, Ministerie van
                       Buitenlandse Zaken
Rico Luman             Senior Econoom, ING Economisch Bureau
Gerdien Meijerink      Programmaleider Internationale Analyse CPB
Paul Norris            Assistent-afdelingshoofd Joint Unit Euro-Atlantic Security, FCO
Jacques Pelkmans       Senior onderzoeker, CEPS
Antony Phillipson      Directeur Trade and Partnerships, Department for Exiting the
                       European Union (DExEU)
Winand Quaedvlieg      Permanent gedelegeerde, VNO-NCW/MKB-Nederland te
                       Brussel
Stephan Raes           Hoofd Economische Afdeling, PVEU
Koos Richelle          Voorzitter Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ),
                       lid Commissie Ontwikkelingssamenwerking (COS) van de AIV,
                       voormalig Directeur Generaal bij de Europese Commissie
Vincent Rietvink       Beleidsmedewerker afdeling Financiële Stabiliteit, Ministerie
                       van Financiën
Simon Rooze            Directeur Europese en Internationale Zaken, Nederlandse
                       Vereniging van Banken
Barbara Rutgers        Head International Affairs, ING Bank
Dirk Schoenmaker       Onderzoeker, Bruegel
Diederik van Wassenaer Global Head Regulatory and International Affairs, ING Bank
Ghislaine Widera       Beleidsmedewerker Europese Aangelegenheden, SZW
Merel Wielinga         Senior beleidsmedewerker EU, Ministerie van Veiligheid en
                       Justitie
Jochem Wiers           Hoofd Taskforce Brexit, Ministerie van Buitenlandse Zaken
Alexander Wright       Plaatsvervangend afdelingshoofd Foreign and Security Policy
                       Unit, Europe Directorate, FCO
Diederik Zandstra      Senior Policy Director, Brexit, BBA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>                                                                        Bijlage IV
Lijst van gebruikte afkortingen
AIV		           Adviesraad Internationale Vraagstukken
BBP             Bruto Binnenlands Product
BNI		           Bruto Nationaal Inkomen
BNP		           Bruto Nationaal Product
CETA		          Comprehensive Economic and Trade Agreement
CFTA		          Comprehensive Free Trade Agreement
CPB		           Centraal Plabureau
EAB		           Europees Arrestatiebevel
ECRIS           European Criminal Records Information System
EDEO		          Europese Dienst voor Extern Optreden
EER		           Europese Economische Ruimte
EMA		           Europees Geneesmiddelenbureau
EOF		           Europees Ontwikkelingsfonds
EP		            Europees Parlement
EU		            Europese Unie
EU27		          EU-lidstaten exclusief het Verenigd Koninkrijk
EVA		           Europese Vrijhandelsassociatie
FTA		           Free Trade Agreement (Vrijhandelsakkoord)
GATT		          General Agreement on Tariffs and Trade
GATS		          General Agreement on Trade in Services
GBVB		          Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid
GVDB		          Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid
HvJ EU		        Hof van Justitie van de Europese Unie
IOB		           Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
JBZ		           Justitie en Binnenlandse Zaken
MFK		           Meerjarig Financieel Kader
MFN		           Most Favoured Nation
NAVO		          Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
OS		            Ontwikkelingssamenwerking
RVVR		          Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>SIS  Schengen Informatiesysteem
TCR  Third Country Regime
VEU		Verdrag betreffende de Europese Unie
VK		 Verenigd Koninkrijk
VN		 Verenigde Naties
VS		 Verenigde Staten
VWEU		
     Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
WTO		World Trade Organization (Wereldhandelsorganisatie)
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO-POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB-SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre> 79  DE ARABISCHE REGIO, EEN ONZEKERE TOEKOMST, mei 2012
 80  ONGELIJKE WERELDEN: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking,
     september 2012
 81  NEDERLAND EN HET EUROPEES PARLEMENT: investeren in nieuwe verhoudingen, november 2012
 82  WISSELWERKING TUSSEN ACTOREN IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: naar flexibiliteit en
     vertrouwen, februari 2013
 83  TUSSEN WOORD EN DAAD: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, maart 2013
 84  NIEUWE WEGEN VOOR INTERNATIONALE MILIEUSAMENWERKING, maart 2013
 85  CRIMINALITEIT, CORRUPTIE EN INSTABILITEIT: een verkennend advies, mei 2013
 86  AZIË IN OPMARS: strategische betekenis en gevolgen, december 2013
 87  DE RECHTSSTAAT: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking,
     januari 2014
 88  NAAR EEN GEDRAGEN EUROPESE SAMENWERKING: werken aan vertrouwen, april 2014
 89  NAAR BETERE MONDIALE FINANCIËLE VERBONDENHEID: het belang van een coherent
     internationaal economisch en financieel stelsel, juni 2014
 90  DE TOEKOMST VAN DE ARCTISCHE REGIO: samenwerking of confrontatie?, september 2014
 91  NEDERLAND EN DE ARABISCHE REGIO: principieel en pragmatisch, november 2014
 92  HET INTERNET: een wereldwijde vrije ruimte met begrensde staatsmacht, november 2014
 93  ACS–EU-SAMENWERKING NA 2020: op weg naar een nieuw partnerschap?, maart 2015
 94  INSTABILITEIT ROND EUROPA: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid, april 2015
 95  INTERNATIONALE INVESTERINGSBESLECHTING: van ad hoc arbitrage naar een permanent
     investeringshof, april 2015
 96  INZET VAN SNELLE REACTIEMACHTEN, oktober 2015
 97  AUTONOME WAPENSYSTEMEN: de noodzaak van betekenisvolle menselijke controle, oktober 2015**
 98  GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE: verschillende routes in de EU-samenwerking, oktober 2015
 99  DAADKRACHT DOOR DE DUTCH DIAMOND: ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame
     ontwikkelingsdoelen, januari 2016
100 GOED GESCHAKELD? Over de verhouding tussen regio en de EU, januari 2016
101 VEILIGHEID EN STABILITEIT IN NOORDELIJK AFRIKA, mei 2016
102 DE BESCHERMING VAN DE BURGERBEVOLKING IN GEWAPEND CONFLICT: over gebaande paden en
     nieuwe wegen, juli 2016
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
  1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
  2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
  3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
  4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
  5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
  6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
  7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
  8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: Hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: Nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
22 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2012: krijgsmacht in de knel, september 2012
23 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKTE SOCIALE DIMENSIE VAN DE EUROPESE UNIE, juni 2013
24 Briefadvies MET KRACHT VOORUIT: reactie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op de
    beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, september 2013
25 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: meer dan een definitiekwestie, mei 2014
26 Briefadvies DE EU-GASAFHANKELIJKHEID VAN RUSLAND: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan
    verminderen, juni 2014
27 Briefadvies FINANCIERING VAN DE INTERNATIONALE AGENDA VOOR DUURZAME ONTWIKKELING,
    april 2015
28 Briefadvies DE TOEKOMST VAN SCHENGEN, maart 2016
29 Briefadvies TOEKOMST ODA, november 2016
30 Briefadvies ASSOCIATIEOVEREENKOMST EU-OEKRAÏNE: de noodzaak tot ratificatie, december 2016
31 Briefadvies RUSLAND EN DE NEDERLANDSE DEFENSIE-INSPANNINGEN, maart 2017
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>