<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>      DUURZAME ONTWIKKELINGSDOELEN
                  EN MENSENRECHTEN
           EEN NOODZAKELIJK VERBOND
                     No. 110, mei 2019
ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
      ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter		      Prof.mr. J.G. (Jaap) de Hoop Scheffer
Vicevoorzitter 		 Prof.dr.ir. J.J.C. (Joris) Voorhoeve
Leden   		Prof.mr. C.P.M. (Tineke) Cleiren
                  Prof.dr. J. (Joyeeta) Gupta
                  Prof.dr. E.M.H. (Ernst) Hirsch Ballin
                  Prof.dr. M.E.H. (Mirjam) van Reisen
                  Prof.dr. L.J. (Luuk) van Middelaar
                  Drs. M. (Monika) Sie Dhian Ho
                  LGen b.d. M.L.M. (Marcel) Urlings
Secretaris 		     Drs. M.E. (Marja) Kwast-van Duursen
			Postbus 20061
                  2500 EB Den Haag
                  telefoon 070 - 348 6060/5108
                  aiv@minbuza.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden van de gecombineerde Commissie SDG en Mensenrechten
Voorzitter     Prof.dr. E.M.H. (Ernst) Hirsch Ballin
Vicevoorzitter Prof.mr. C.P.M. (Tineke) Cleiren
Leden          Prof.dr. K.C.J.M. (Karin) Arts
               Prof.dr.mr. M.S. (Maurits) Berger
               Prof.dr. Y.M. (Yvonne) Donders
               Prof.mr. J.H. (Janneke) Gerards
               Mr. A.P. (Arjan) Hamburger
               A.J.M. (Ton) Heerts
               Prof.dr. R.E. (Rolph) van der Hoeven
               Prof.dr.mr. N.M.C.P. (Nicola) Jägers
               Prof.dr. R.A. (Rick) Lawson
               Drs. M. (Manuela) Monteiro
               Prof.mr. B.E.P. (Egbert) Myjer
               Prof.dr. J.B. (Hans) Opschoor
               Mr.dr. B.W. (Bart) Schermer
               Mr. N. (Naema) Tahir
               Mr. H.M. (Heikelien) Verrijn Stuart
Secretaris     Drs. R.A.G. (Robert) Dekker MSc
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf
Inleiding   7
I        De relatie tussen mensenrechten en ontwikkeling    17
         I.1     Menselijke waardigheid   17
		               I.1.1   Mensenrechten   19
		               I.1.2   Ontwikkeling   20
         I.2     Mensenrechten en ontwikkeling   22
         I.3     Beleidsvoornemens van het kabinet    24
II       Agenda 2030 geïllustreerd   28
         II.1    SDG1: Uitbannen van armoede overal in al haar vormen    29
		               II.1.1  SDG1 en mensenrechten   30
		               II.1.2  De binnenlandse dimensie van SDG1    31
         II.2    SDG10: Verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen    32
		               II.2.1  SDG10 en mensenrechten   34
		               II.2.2  De binnenlandse dimensie van SDG10    35
         II.3    SDG13: Klimaatverandering tegengaan   36
		               II.3.1  SDG13 en mensenrechten   37
		               II.3.2  De binnenlandse dimensie van SDG13    39
         II.4    SDG16: Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en
		               recht voor iedereen   40
		               II.4.1  SDG16 en mensenrechten   41
		               II.4.2  De binnenlandse dimensie van SDG16    43
III      Mondiaal partnerschap: voorwaarde voor Agenda 2030    44
         III.1   SDG17: Wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling    44
         III.2   Bedrijfsleven   45
         III.3   Maatschappelijke organisaties   48
         III.4   Europese samenwerking   51
		               III.4.1 Europese Unie   51
		               III.4.2 Raad van Europa   53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>IV       Toezicht en verantwoording   55
         IV.1    Monitoringsstructuur mensenrechten en Agenda 2030    55
		               IV.1.1   Mensenrechten   55
		               IV.1.2   Agenda 2030   58
         IV.2    Indicatoren en data   60
         IV.3    Nationale mensenrechteninstituten   62
V        Samenvatting en aanbevelingen   64
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Belangrijke mensenrechtenverdragen
Bijlage III      Geraadpleegde personen
Bijlage IV       Lijst met afkortingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Op 18 april 2018 ontving de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)
het verzoek van de minister van Buitenlandse Zaken (BZ) en de minister voor
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) om een advies uit te
brengen over de wederzijdse versterking van de mensenrechten en de Duurzame
Ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals of SDG’s).
In de adviesaanvraag stellen de ministers dat respect voor mensenrechten
en voor menselijke vrijheden belangrijke voorwaarden zijn voor duurzame
ontwikkeling en het voorkomen van conflicten. De SDG-agenda kan volgens hen
niet succesvol zijn zonder de naleving van de mensenrechten en vice versa.
Ook worden zowel de SDG’s als internationale mensenrechteninstrumenten door
experts gezien als ‘raamwerken’ voor een structurele inzet op de preventie van
gewelddadig conflict. Beide agenda’s hebben elkaar daarom veel te bieden, aldus
de ministers.
Specifieke mogelijkheden om de mensenrechten te bevorderen via de uitvoering
van de SDG’s en omgekeerd zijn echter nog niet systematisch onderzocht.
Daarom heeft het Kabinet de volgende vragen aan de AIV voorgelegd:
Centrale vraag:
Hoe kunnen de Nederlandse inzet op de SDG’s en de inzet van het Nederlandse
buitenlands beleid op het terrein van de mensenrechten, zoals vastgelegd in de
beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’ 1, elkaar wederzijds versterken?
Deelvragen:
1. Wat zijn de raakvlakken van beide agenda’s en waar vullen ze elkaar aan?
2. Welke concrete opties bestaan er om de SDG’s (beter) te laten bijdragen aan de
   internationale bevordering van mensenrechten?
3. Hoe kan het Nederlandse buitenlands beleid op mensenrechten optimaal
   bijdragen aan het behalen van de SDG’s op voor Nederland prioritaire
   terreinen?
De adviesaanvraag is als bijlage I opgenomen.
Kort na ontvangst van de aanvraag publiceerden de minister van Buitenlandse
Zaken en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
twee beleidsdocumenten die direct raken aan het adviesonderwerp. In de
beleidsnota ‘Investeren in perspectief – Goed voor de wereld, goed voor
Nederland’2 (18 mei 2018) worden de SDG’s aangemerkt als internationale
leidraad voor het BHOS-beleid in de komende jaren. De Mensenrechtenrapportage
2017 3 (28 mei 2018) bevat tevens een actualisering van het Nederlandse
mensenrechtenbeleid. De AIV heeft de vrijheid genomen deze beleidsdocumenten
te betrekken bij de beantwoording van de adviesaanvraag.
1  Kamerstuk 32735, nr. 78, blg-233168.
2  Kamerstuk 34952, nr. 1, blg-842376.
3  Kamerstuk 32735, nr. 198, blg-848109.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Verantwoording en werkwijze
Dit advies is voorbereid door een gecombineerde commissie bestaande
uit leden van de Commissie Mensenrechten (CMR) en de Commissie
Ontwikkelingssamenwerking (COS): prof.dr. E.M.H. (Ernst) Hirsch Ballin
(voorzitter), prof.dr. K.C.J.M. (Karin) Arts, prof.dr.mr. M.S. (Maurits) Berger,
prof.dr. C.P.M. (Tineke) Cleiren, prof.dr. Y.M. (Yvonne) Donders, prof mr. J.H.
(Janneke) Gerards, mr. A.P. (Arjan) Hamburger, prof.dr. N.M.C.P. (Nicola) Jägers,
prof.dr. R.A. (Rick) Lawson, prof.mr. B.E.P. (Egbert) Myjer, mr.dr. B.W. (Bart)
Schermer, mr. N. (Naema) Tahir en mr. H.M. (Heikelien) Verrijn Stuart (leden
van de CMR), prof.dr. R.E. (Rolph) van der Hoeven, drs. M. (Manuela) Monteiro
en prof.dr. J.B. (Hans) Opschoor (leden van de COS).
Het secretariaat werd gevoerd door drs. R.A.G. (Robert) Dekker MSc, bijgestaan
door M. (Merit) Guldemond, N.S. (Neha) Bagga, A.A. (Adája) Stoetman en M.A.
(Jodie) in ’t Groen LLM (stagiaires).
Namens het ministerie van Buitenlandse Zaken traden L.J.M. (Lotte) Hofste MA
en H.B.J.W. (Henk) Hulshof LLM op als ambtelijke contactpersonen.
Dit advies is primair gebaseerd op literatuur- en bronnenonderzoek. Tevens
heeft de commissie gesproken met een aantal deskundigen afkomstig uit het
bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. In bijlage III is een overzicht
van de geraadpleegde personen opgenomen. De AIV is hen zeer erkentelijk
voor het delen van hun inzichten.
De AIV heeft dit advies vastgesteld op 10 mei 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Inleiding
In september 2015 stemden de vertegenwoordigers van de 193 lidstaten van de
Verenigde Naties (VN) unaniem in met Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling.4 De
duurzame ontwikkelingsdoelen – Sustainable Development Goals (SDG’s) – vormen de
kern van deze agenda. De SDG’s zijn 17 doelen en 169 subdoelen die zich richten op
(grensoverschrijdende) vraagstukken die de internationale gemeenschap zorgen baren,
zoals armoede, ongelijkheid, toegang tot gezondheidszorg, duurzame economische groei,
een betere leefomgeving, klimaatverandering, veiligheid én mensenrechten. De SDG’s
zijn ‘integrated and indivisible’5, waarbij evenwel geldt dat landen nationale prioriteiten
kunnen stellen bij de realisering ervan, op basis van het eigen ontwikkelingsniveau,
nationale behoeften of financiële armslag.6 In september 2019 komen de wereldleiders
opnieuw samen om de voortgang van Agenda 2030 te bespreken.
   Kader: De 17 duurzame ontwikkelingsdoelen
   1.   Uitbannen van alle vormen van (extreme) armoede
   2.   Einde aan honger, zorgen voor voedselzekerheid en duurzame landbouw
   3.   Goede gezondheid en welzijn voor iedereen
   4.   Inclusief, gelijkwaardig en kwalitatief onderwijs voor iedereen
   5.   Gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes
   6.   Schoon water en sanitair voor iedereen
   7.   Toegang tot betaalbare, betrouwbare en duurzame energie voor iedereen
   8.   Inclusieve en duurzame economische groei, werkgelegenheid en waardig
        werk voor iedereen
   9.   Infrastructuur voor inclusieve en duurzame industrialisatie en bevordering
        van innovatie
   10.  Verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen
   11.  Maak steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam
   12.  Duurzame consumptie en productie
   13.  Actie om klimaatverandering tegen te gaan
   14.  Beschermen en duurzaam gebruik van de oceanen en zeeën
   15.  Beschermen van ecosystemen, bossen en biodiversiteit
   16.  Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen
   17.  Versterken van het mondiaal partnerschap om deze doelen te bereiken
   De tekst van Agenda 2030 en een volledig overzicht van de SDG’s, de subdoelen
   en de vastgestelde indicatoren zijn te raadplegen via: <https://undocs.org/A/RES/70/1> en
   <https://undocs.org/A/RES/71/313>.
4   United Nations General Assembly, A/RES/70/1, ‘Transforming our world: the 2030 Agenda for Sustainable
    Development’, 25 September 2015.
5   Ibid., preambule.
6   Ibid., par. 5: ‘[The Agenda] is accepted by all countries and is applicable to all, taking into account different
    national realities, capacities and levels of development and respecting national policies and priorities.’
                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Partnerschap
Partnerschap (SDG17), zowel nationaal als internationaal, is voor de uitvoering van
Agenda 2030 een sleutelbegrip: alle landen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het
behalen van alle SDG’s. De SDG-principes van universaliteit, ondeelbaarheid en inclusie
worden verwoord in het motto van Agenda 2030: ‘Leave no one behind’. Dat betekent
dat de SDG’s zich niet alleen richten tot ontwikkelingslanden. Rijkere landen moeten
zich evenzeer inspannen om in eigen land, voor de eigen burgers, de duurzame doelen
te verwezenlijken, naast het tonen van solidariteit met de inspanningen voor de SDG’s
in ontwikkelingslanden, bijvoorbeeld door financiële ondersteuning of het delen van data
en kennis.7 De zorg voor de SDG’s ligt bovendien niet alleen bij de overheid, maar bij
de gehele samenleving, omdat veranderingen in het eigen leven en gedrag deze doelen
haalbaar maken. Overheid, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers
delen een verantwoordelijkheid naar en voor elkaar.
De vier vrijheden van Roosevelt
Toen Franklin D. Roosevelt als president van de Verenigde Staten begin 1941 de four
freedoms verwoordde die ‘everywhere in the world’ moesten worden verwezenlijkt,8
noemde hij niet alleen onderwerpen waarbij overheidsmacht moest worden beteugeld,
maar ook de vrijheden die burgers in hun samenleven moeten ervaren: vrijwaring
van gebrek en vrijwaring van angst. Roosevelt vestigde er de aandacht op dat
meer traditionele vrijheden – die van geloof en van spreken – niet los staan van
sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkeling.
Na de Tweede Wereldoorlog zijn Roosevelts vier vrijheden uitgewerkt in de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM). Met het aannemen van de UVRM9 – nu
ruim zeventig jaar geleden, op 10 december 1948 – deden de leden van de Verenigde
Naties wereldwijd de toezegging om de rechten van de mens te eerbiedigen. Daarmee
voegden zij een dimensie toe aan hun volkenrechtelijke verplichting om af te zien
van aanvalsoorlogen en geschillen vreedzaam tot een oplossing te brengen en gaven
zij invulling aan artikel 1 lid 3 van het Handvest van de Verenigde Naties, dat de
volgende doelstelling formuleert: ‘Internationale samenwerking tot stand te brengen
bij het oplossen van internationale vraagstukken van economische, sociale, culturele
of humanitaire aard, alsmede bij het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de
rechten van de mens en voor fundamentele vrijheden voor allen, zonder onderscheid
naar ras, geslacht, taal of godsdienst’. De Universele Verklaring vormt de basis voor een
omvangrijk mensenrechtenstelsel van bindende multilaterale en regionale verdragen
(‘rules based’) dat in de naoorlogse periode is opgebouwd.
7    Ibid., par. 5: ‘These are universal goals and targets which involve the entire world, developed and
     developing countries alike. They are integrated and indivisible and balance the three dimensions of
     sustainable development.’
8    Franklin Delano Roosevelt, State of the Union 1941, 6 January 1941. Zie: <http://www.let.rug.nl/usa/
     presidents/franklin-delano-roosevelt/state-of-the-union-1941.php>.
9    De UVRM werd zonder tegenstemmen aangenomen door 48 landen. Zuid-Afrika, Saoedi-Arabië, de Sovjet-
     Unie en vijf andere landen van het Oostblok onthielden zich van stem.
                                                          8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>  Kader: De vier vrijheden
  De ‘four freedoms’-speech van de Amerikaanse president F.D. Roosevelt kan worden gekozen
  als een startpunt in de ontwikkeling van het na-oorlogse mensenrechtensysteem. In zijn State
  of the Union van 1941 beschreef Roosevelt
  vier vrijheden die voor iedereen everywhere in the world zouden moeten gelden:
  1.      Freedom of speech and expression (vrijheid van meningsuiting);
  2.      Freedom of every person to worship God in his own way (vrijheid van 				
          geloofsovertuiging);
  3.      Freedom from want (vrijwaring van gebrek);
  4.      Freedom from fear (vrijwaring van angst).
  Roosevelts vier vrijheden vormden de basis voor de Universele Verklaring van de Rechten van
  de Mens (UVRM). Het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en
  het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten zijn een nadere
  uitwerking van de UVRM. Bijna alle landen hebben deze verdragen ondertekend. Samen met
  het UVRM worden zij ook wel aangeduid als International bill of human rights.
  Hoewel de ‘four freedoms’-toespraak in eerste instantie vooral een binnenlandspolitiek
  doel diende – het verkrijgen van politieke en publieke steun voor het beëindigen van het
  isolationistisch buitenlands beleid en een Amerikaanse deelname aan de oorlog – reiken de
  effecten van de speech verder. Terwijl het wereldtoneel werd bepaald door de machtspolitiek
  en nationale belangen van soevereine staten, introduceerde Roosevelt het concept van
  individuele en onvervreemdbare rechten van ieder mens. Hij presenteerde de vier vrijheden
  als universele waarden van een vrije en vreedzame wereld.
  In de vier vrijheden zijn de contouren van menselijke waardigheid te herkennen. Terwijl de
  eerste twee vrijheden refereren aan fundamentele grondrechten, duidt freedom from want op
  de noodzaak van sociaaleconomische ontwikkeling. Freedom from fear betreft een verwijzing
  naar ‘human security’ al verwoordde Roosevelt deze nog vooral in militaire termen.
Geleidelijk groeide internationaal het besef dat deze rechten er niet ‘zijn’ zodra ze in
een juridische tekst – gericht op staten – zijn neergelegd, maar dat zij moeten worden
gerealiseerd in taai volgehouden processen van maatschappelijke en economische
ontwikkeling. Een illustratief voorbeeld zijn de rechten van lesbiennes, homoseksuelen,
biseksuelen, transgender- en intersekse personen (LHTBI) die in veel landen weliswaar
wettelijk zijn verankerd maar in de praktijk nog kunnen rekenen op de nodige
maatschappelijke weerstand. De adviesaanvraag aan de AIV stelt dan ook terecht:
‘Mensenrechten kunnen (…) niet uitsluitend worden gedragen door het recht; zij dienen
verankerd te zijn in de structuren van de samenleving.’10
In de internationale bescherming van mensenrechten is dit inzicht gaandeweg meer
uitgewerkt, vooral in de Vienna Declaration and Programme of Action on Human
Rights van 1993. Deze verklaring plaatste de samenhang tussen vrijheidsrechten,
economische, sociale en culturele rechten in een dynamisch perspectief: ‘Democracy,
development and respect for human rights and fundamental freedoms are interdependent
10 Zie bijlage I.
                                                  9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>and mutually reinforcing.’11 Daarom moeten de SDG’s, die uiteraard op de eerste plaats
politieke en maatschappelijke beleidsdoelstellingen zijn, in verband worden gezien met
onderwerpen die in de Verklaring van Wenen al naar voren kwamen.
Agenda 2030: scharnierpunt
De proclamatie van de SDG’s accentueert een nieuwe fase voor de betrokkenheid van
de Verenigde Naties bij ontwikkelingsvraagstukken.12 Sinds de jaren negentig hebben de
Human Development Reports van het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) verschillende
facetten van ontwikkelingsbeleid in kaart gebracht, onder andere human security (1994),
gender (1995), globalization (1999), human rights (2000) en democracy (2002). In 1992
en 2002 is op grote VN-conferenties aandacht gevraagd voor duurzame ontwikkeling.13
De Millennium Development Goals14 (MDG’s) (2000/2005) en de huidige Sustainable
Development Goals zijn daar een programmatisch vervolg op.
In Agenda 2030 hebben de lidstaten van de VN erkend dat mensenrechten expliciet een
leidend kader voor de SDG’s vormen. De resolutie verwoordt dat onder meer als volgt:
    ‘They seek to realize the human rights of all and to achieve gender equality and
    the empowerment of all women and girls. They are integrated and indivisible and
    balance the three dimensions of sustainable development: the economic, social and
    environmental’.15
11 World Conference on Human Rights, ‘Vienna Declaration and Programme of Action’, Vienna,
    25 June 1993, I par. 8. Zie: <https://www.ohchr.org/EN/ProfessionalInterest/Pages/Vienna.aspx>.
12 ‘The UN was founded on four great principles: peace and negotiation in place of war and aggression;
    sovereign independence for all countries; economic and social development to raise living standards
    worldwide; and human rights for all. Initially these four principles were mostly pursued in parallel and often
    by different parts of the world organization. But beginning in the 1980s, the four concerns have increasingly
    been brought together and seen to be interrelated parts of a broader and more balanced process of
    human development, combining peace and security, democratic governance, sustainable and equitable
    development, and human rights.’, aldus Richard Jolly, ‘Human Development’, in: Weiss, T.G. and Daws, S.
    (2018). The Oxford Handbook on the United Nations (2nd ed.), Oxford, Oxford University Press, p. 751.
13 Het betreft: (1) de VN Conferentie Milieu en Ontwikkeling, Rio de Janeiro 1992, met als resultaten de
    ‘Declaration of Rio de Janeiro on Environment and Development’, ‘Agenda 21’ en als nevenresultaten
    o.a. het VN Raamverdrag inzake Klimaatverandering en het Verdrag inzake Biologische Diversiteit;
    en (2) de VN Conferentie inzake Duurzame Ontwikkeling, Johannesburg 2002, met als resultaat de
    ‘Johannesburg Declaration on Sustainable Development.’
14 De Millenniumdoelen waren: 1. Het uitbannen van extreme armoede en honger; 2. Universeel
    basisonderwijs; 3. Het bevorderen van gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen; het versterken
    van de positie van vrouwen; 4. Het verminderen van kindersterfte; 5. Het verbeteren van gezondheid
    van moeders; 6. Het bestrijden van hiv/aids, malaria en andere ziekten; 7. De bescherming van een
    duurzaam leefmilieu; 8. Het ontwikkelen van een wereldwijde samenwerking voor ontwikkeling.
    Zie ook: <https://www.theguardian.com/global-development/datablog/2015/jul/06/what-millennium-
    development-goals-achieved-mdgs>.
15 A/RES/70/1, Preamble.
                                                          10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>En:
    ‘The new Agenda is guided by the purposes and principles of the Charter of the United
    Nations, including full respect for international law. It is grounded in the Universal
    Declaration of Human Rights, international human rights treaties, the Millennium
    Declaration and the 2005 World Summit Outcome. It is informed by other instruments
    such as the Declaration on the Right to Development.’16
In Agenda 2030 wordt aldus de onderlinge samenhang tussen mensenrechten en
(duurzame) ontwikkeling hervonden, zoals oorspronkelijk verwoord in de vier vrijheden
van president Roosevelt en uitgewerkt in de Universele Verklaring van de Rechten van de
Mens. Agenda 2030 voegt hier bovendien een milieudimensie aan toe. De AIV geeft de
regering het advies om haar beleid inzake de SDG’s – ook in eigen land en in Europa – in
dit perspectief te plaatsen. SDG’s bevorderen is namelijk nodig voor de realisering van
mensenrechten, vooral voor die rechten die mede door sociaaleconomische ontwikkeling
moeten worden gerealiseerd, zoals de rechten die gericht zijn op vrijwaring van gebrek en
vrijwaring van angst. In omgekeerde richting bezien zijn de mensenrechten van cruciaal
belang voor het doen slagen van ontwikkelingsprocessen.
   Kern
   Ontwikkeling is een voorwaarde voor het kunnen realiseren van mensenrechten, en
   mensenrechten geven bescherming en ruimte voor ontwikkeling van mensen en hun
   gemeenschappen. Het nastreven van SDG’s en de verwerkelijking van mensenrechten gaan
   dus hand in hand. De uitvoering van Agenda 2030 vereist een integrale, rechten omvattende
   benadering van de sociale, economische, culturele en ecologische facetten van ontwikkeling.
   Elk op hun manier geven mensenrechten en de duurzame ontwikkelingsdoelen richtsnoeren
   voor de verwezenlijking van menselijke waardigheid.
Wegens de wisselwerking tussen mensenrechten en hun noodzakelijke verankering in
de ontwikkeling van een samenleving als geheel, is men ook wel gaan spreken van een
veelomvattend ‘recht op ontwikkeling’. Deze wisselwerking zal in het vervolg van dit
rapport worden toegelicht en op belangrijke punten geoperationaliseerd.
Potentieel van de SDG’s
De SDG’s beogen veranderingsprocessen in de gehele wereld te bewerkstelligen. Ze zijn
dus niet een equivalent van mensenrechten in een andere verwoording, maar hebben
een andere – meer collectief georiënteerde – doelgerichtheid, namelijk (zoals de naam al
zegt) duurzame ontwikkeling.
De verankering van de mensenrechten in Agenda 2030 maakt het voor Nederland
en de Europese Unie mogelijk om in het kader van duurzame ontwikkeling
mensenrechtenthema’s bespreekbaar te maken met landen die doorgaans onwelwillend
of afwijzend staan tegenover het voeren van een reguliere mensenrechtendialoog.
Anderzijds geven de SDG’s een handvat om rijkere landen aan te spreken op hun
(financiële) solidariteit met minder ontwikkelde landen, hun bereidheid om de eigen
verworvenheden met hen te delen, en hun verantwoordelijkheid om milieubelastende
productie- en consumptiepatronen aan te passen.
16 Ibid., par. 10.
                                                11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>Voor staten die zich verzetten tegen het verplichtende karakter van internationale
mensenrechtenverdragen, bieden de SDG’s mogelijk een alibi om mensenrechten in
een bredere, meer vrijwillige context te plaatsen. Op die manier kan Agenda 2030
zelfs misbruikt worden om het mensenrechtensysteem te verzwakken in plaats van
te versterken. Het Nederlands buitenlands beleid dient hierop voortdurend alert te
zijn. In de dialoog met deze staten dient Nederland consequent uit te dragen dat
de verwezenlijking van de SDG’s niet vrijblijvend is en juist de mensenrechten – met
hun vastgestelde internationale ondergrens – bakens van expliciete, handhaafbare
verplichtingen zijn.17
In haar aankondiging van de Nederlandse kandidatuur voor het lidmaatschap van de
VN-Mensenrechtenraad (2020-2022) legde de minister voor Buitenlandse Handel en
Ontwikkelingssamenwerking al het verband tussen mensenrechten en de SDG’s: ‘Each
individual has the right to live in dignity and freedom and no one should be left behind.
Freedom spurs empowerment and inclusive sustainable development.’18
Duurzame ontwikkeling zoals vormgegeven in de SDG’s vereist democratie, goed bestuur
en rechtsstaat, niet alleen in de zin van gekozen en democratisch gecontroleerde
instituties, maar ook in die van participatie in en vanuit maatschappelijke verbanden.
Dit is niet alleen een uitdaging voor niet-Westerse landen.19 De toenmalige secretaris-
generaal van de Verenigde Naties Ban-Ki Moon en Speciaal Rapporteur voor
democratie20 Alfred de Zayas hebben in deze context de betekenis van Agenda 2030
aldus opgevat:
    ‘The [Sustainable Development] Goals demonstrate an important dynamic: effective
    democratic governance enhances quality of life for all people; and human development
    is more likely to take hold if people are given a real say in their own governance, and a
    chance to share in the fruits of progress […]. […] Direct, participatory and responsive
    democracy has been shown to be conducive to achieving a more just world order.
    Only such an approach will allow progressing from predator societies to human rights
    oriented societies’.21
Een democratische samenleving heeft altijd de waarborgen nodig die aan een
rechtsstaat eigen zijn, zoals onafhankelijke rechtspraak, onafhankelijk toezicht op het
bestuur, en garanties van de rechten van de mens. SDG16 (Bevorderen van veiligheid,
publieke diensten en recht voor iedereen) vereist dan ook de voortschrijdende
realisering van een democratische rechtsstaat. Opkomen voor de andere SDG’s mag
daarvan niet worden losgemaakt.
17 Zie ook het AIV-advies over de relatie tussen de EU en China dat later in 2019 zal verschijnen.
18 Zie: <https://www.government.nl/documents/speeches/2019/02/26/speech-by-the-minister-for-foreign-
    trade-and-development-cooperation-sigrid-kaag-at-the-human-rights-council>.
19 Zie: AIV, De wil van het volk? Erosie van de democratische rechtsstaat in Europa, nr. 104, juni 2017.
20 Volledige titel: ‘United Nations Independent Expert on the Promotion of a Democratic and Equitable
    International Order‘.
21 Zie: <https://news.un.org/en/story/2016/09/539032-democratic-principles-core-un-2030-sustainability-
    agenda-ban-says-international>.
                                                      12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>De tijd dringt
De AIV onderkent dat de SDG’s directe én langdurige actie vereisen, gezien de wereldwijd
aanwezige urgente sociale, economische en milieurisico’s. Klimaatverandering grijpt
diep in het leven van mensen en gemeenschappen in. Delen van de aarde lopen
reeds het risico onleefbaar te worden. Groeiende inkomensongelijkheid vraagt om
structurele aanpassingen in de wereldeconomie, het tegengaan van machtsmisbruik
en corruptie, en het bevorderen van goed bestuur. Ook een structurele aanpak van
andere mondiale problemen zoals gedwongen of massale migratie en terrorisme
vereisen dat ontwikkeling, mensenrechten en vrede en veiligheid overal en voor
iedereen gerealiseerd moeten worden. De realisatie van de SDG’s en de naleving van
mensenrechten zijn niet alleen in het algemene mondiale belang maar ook duidelijk in
het welbegrepen eigenbelang van Nederland. Hierbij blijft het nodig dat ontwikkelde en
minder ontwikkelde landen samenwerken op basis van solidariteit, in plaats van elkaar
te beconcurreren of te negeren.
De werking van verdragen en verklaringen
Naast verdragen in de volkenrechtelijke betekenis22 hebben door de Verenigde Naties
aanvaarde verklaringen een belangrijke plaats verworven in de ontwikkeling van de
internationale rechtsorde. Het bekendste voorbeeld daarvan is de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens.23 Een verdrag was dit niet en ratificatie heeft dan ook niet
hoeven plaats te vinden, maar voor de rechtsontwikkeling was en is de verklaring van
eminent belang. Ze heeft uitwerking gekregen in verdragen over de rechten van de mens,
waaronder het in 1950 gesloten Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) (1966) en het Internationaal Verdrag inzake
economische, sociale en culturele rechten (IVESCR) (1966). De preambules van deze en
andere verdragen verwijzen uitdrukkelijk naar de Universele Verklaring.
Internationaal breed aanvaarde normatieve uitspraken, zoals sommige resoluties van
de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, worden wel omschreven als ‘soft
law’.24 Hoewel er geen volkenrechtelijke aanspraken in de relaties tussen staten aan
kunnen worden ontleend, kunnen ze in diplomatiek overleg en als richtsnoer bij de
uitleg van verdragen wel degelijk van betekenis zijn, of de weg effenen voor vastlegging
van verplichtingen in verdragen. ‘Soft law’ heeft vaak betrekking op ‘issues of almost
universal agreement, such as sustainable development or human rights, and can provide
22 Artikel 2, eerste lid, van het in 1969 gesloten Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Trb. 1985,
    79) omschrijft een verdrag (treaty) als ‘an international agreement concluded between States in written
    form and governed by international law, whether embodied in a single instrument or in two or more related
    instruments and whatever its particular designation’.
23 A/RES/217.
24 Recent kreeg de verhouding tussen verdragen en andere normatieve uitspraken in VN-verband politieke
    aandacht rond de totstandkoming van het Global Compact on Migration en het Global Compact on
    Refugees. Van regeringszijde werd onderstreept dat het hier hing om juridisch niet-bindende documenten
    (o.a. in Kamerstukken Eerste Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 34 964, I, p. 5). Dit betekent uiteraard
    niet dat ze vrijblijvend zijn.
                                                        13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>powerful justifications for action.’25 De Sustainable Development Goals, opgenomen in
een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,26 zijn hiervan
een markant voorbeeld. Dat gold ook voor de eerder genoemde Vienna Declaration and
Programme of Action.27
Het belang van ‘soft law’ vloeit ook voort uit het feit dat verdragen zelf een uiteenlopende
normatieve werking hebben. Hoewel het eigen is aan een verdrag dat het verplichtingen
jegens andere staten doet ontstaan, zijn lang niet alle geschillen over de uitvoering van
verdragen geschikt voor beslechting in een internationale rechtsgang, zoals die bij het
Internationaal Gerechtshof. Ook leiden verdragen lang niet altijd tot rechten waarop
burgers zich in een nationale of transnationale procedure kunnen beroepen. Artikel 94
van de Nederlandse Grondwet voorziet weliswaar in een verplichting nationale wetten
buiten toepassing te laten voor zover ‘deze toepassing niet verenigbaar is met een
ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke
organisaties’, maar ook op het gebied van de rechten van de mens leent niet elke
verdragsbepaling zich voor deze vorm van handhaving door de nationale rechter.28
Hoe ‘hard’ de werking van een verdragsbepaling is, loopt dan ook sterk uiteen.
De wijze waarop in de handhaving is voorzien, geeft vaak een aanwijzing daarvoor.
Als de handhaving van een verdrag slechts het onderwerp is van internationale
evaluatieconferenties, wil men veel ruimte laten voor nationale accenten. Maar ook als
in behandeling van individuele klachten of rechtspraak is voorzien, wat bij een belangrijk
deel van de mensenrechtenverdragen het geval kan zijn (althans als optie die voor de
aangesloten staten openstaat), leidt dit niet vanzelf tot uniforme toepassing. Er kan
– in de woorden van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – een
‘margin of appreciation’ voor de aangesloten staten bestaan. In de gevallen waarin
verdragsbepalingen ruimte laten voor verschillende mogelijkheden van uitwerking,
kunnen documenten van ‘soft law’ daaraan richting geven. Zo kan ook de taak die staten
hebben om uitwerking te geven aan verdragsbepalingen op het gebied van de rechten
van de mens door hen worden verantwoord in de context van de SDG’s.
Het past dus geheel in de huidige ontwikkeling van de internationale rechtsorde om
daarin zowel aan verdragen zoals die ter waarborging van de mensenrechten, als aan
juridisch niet bindende normatieve uitspraken zoals de SDG’s betekenis te hechten.
De bijdrage van verklaringen, actieprogramma’s en andere tot ‘soft law’ te rekenen
internationale normatieve documenten heeft bovendien een buitengewoon belangrijke
verbreding van de internationale rechtsontwikkeling mogelijk gemaakt: doordat het niet
meer, zoals bij verdragen, uitsluitend om tot staten gerichte verplichtingen gaat, ontstaat
ruimte om andere actoren op verantwoordelijkheden en capaciteiten aan te spreken en
bij de verdere vormgeving te betrekken.
25 Charlesworth, H. ‘Law-making and sources’, p. 198, in: Crawford, J. & Koskenniemi, M. (2012), The
    Cambridge Companion to International Law: Cambridge University Press, pp. 187-202.
26 A/RES/70/1.
27 A/RES/48/121.
28 Vlemminx, F.M.C. & Meuwese, A.C.M., Commentaar op artikel 94 van de Grondwet, in: Hirsch Ballin,
    E.M.H. en Leenknegt, G. (red.), Artikelsgewijs commentaar op de Grondwet (webeditie 2019,
    www.Nederlandrechtsstaat.nl).
                                                       14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>Dit geldt op het terrein van de SDG’s in het bijzonder voor steden en voor het bedrijfsleven.
Het bestuur van de zich in alle werelddelen ontwikkelende megasteden is meer dan
staten genoodzaakt én vaak ook beter toegerust om de SDG’s en de eraan ten grondslag
liggende fundamentele rechten te realiseren. SDG1129 is daarvoor het primaire ankerpunt,
maar de verantwoordelijkheid en betrokkenheid van de besturen van deze steden bestrijkt
in feite het geheel van de SDG’s. Terwijl staten als volkenrechtssubjecten uiteraard de
verdragsluitende partijen zijn, moeten steden tot de voorhoede behoren bij de realisering
van SDG’s en andere vormen van internationaal ‘soft law’.30 Daarnaast wordt het
bedrijfsleven, in het bijzonder het internationaal werkende bedrijfsleven, als uitvloeisel van
de totstandkoming in 2000 van het United Nations Global Compact, thans aangesproken
op en betrokken bij de realisering van de SDG’s.31
Doel van het advies
De AIV wil met dit advies in de eerste plaats antwoord te geven op de adviesaanvraag
van het kabinet. In het afsluitende hoofdstuk zijn daartoe de belangrijkste bevindingen
samengevat en geeft de AIV zijn beleidsaanbevelingen. Daarnaast beoogt de AIV een
bijdrage te leveren aan bredere maatschappelijke bewustwording van de noodzaak van
de duurzame ontwikkelingsdoelen en hun wisselwerking met mensenrechten. De analyse
biedt de geïnteresseerde lezer nadere inhoudelijke verdieping over het adviesonderwerp.
Opzet van het advies
Dit advies is als volgt opgebouwd.
Hoofdstuk I licht de relatie tussen mensenrechten en duurzame ontwikkeling toe.
Het vertrekpunt is dat zij hetzelfde doel nastreven: de verwezenlijking van menselijke
waardigheid. Mensenrechten en duurzame ontwikkeling zijn daarmee twee kanten van
dezelfde medaille. De onderlinge afhankelijkheid van rechten en doelen betekent dat het
Nederlandse mensenrechten- en ontwikkelingsbeleid het meest effectief zal zijn als het
in samenhang wordt vormgegeven en uitgevoerd. Agenda 2030, die inclusieve duurzame
ontwikkeling verankert in mensenrechten, biedt hiervoor het passende raamwerk.
Hoofdstuk II zoomt in op een viertal SDG’s die naar de mening van de AIV de samenhang
tussen de sociale, economische en milieudimensies van ontwikkeling in relatie tot
mensenrechten het duidelijkst tot uitdrukking brengen: SDG1 (uitbannen van alle
vormen van (extreme) armoede), SDG10 (verminderen van ongelijkheid binnen en tussen
landen) en SDG13 (actie om klimaatverandering tegen te gaan). SDG16 (bevorderen
van veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen) houdt daarnaast verband met
het realiseren van stabiliteit en basisveiligheid, een democratische rechtsstaat en het
toegankelijk maken van het recht voor alle burgers.
29 Maak steden inclusief, veilig, veerkrachtig en duurzaam.
30 Zie bijvoorbeeld Getting Started with the SDGs in Cities: A Guide for Stakeholders (U.N. Sustainable
    Development Solutions Network & Deutsche Gesellschaft für Internationale Zusammenarbeit, 2016),
    <http://unsdsn.org/wp-content/uploads/2016/07/9.1.8.-Cities-SDG-Guide.pdf>.
31 Guide to Corporate Sustainability: Shaping a Sustainable Future (2014), <https://www.unglobalcompact.org/
    docs/publications/UN_Global_Compact_Guide_to_Corporate_Sustainability.pdf>.
                                                         15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>Hoofdstuk III gaat in op SDG17 (versterken van het mondiaal partnerschap om de SDG’s
te bereiken). Een breed nationaal en internationaal partnerschap van landen, overheden,
steden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, jongeren etc. is
cruciaal voor het slagen van Agenda 2030. Een mondiaal partnerschap betekent tevens
dat een representatieve stem van opkomende en ontwikkelingslanden onmisbaar is in
multilaterale organisaties en samenwerkingsverbanden.
De keuze om hoofdstukken II en III te concentreren op een aantal specifieke SDG’s, is
gemaakt zonder te willen impliceren dat de andere SDG’s minder belangrijk zouden zijn
of minder aandacht zouden vergen. Agenda 2030 is onderling samenhangend en dient
integraal te worden nagestreefd.
Hoofdstuk IV gaat in op het toezicht en de verantwoording in de uitvoering van Agenda
2030. Binnen het internationale mensenrechtensysteem zijn diverse instrumenten en
indicatoren ontwikkeld om de naleving van mensenrechtenverdragen te bewaken. Deze
instrumenten en indicatoren bieden handvatten om het toezicht op de uitvoering van de
SDG’s te verbeteren en de verbinding tussen SDG’s en mensenrechten te versterken.
In hoofdstuk V volgen de samenvatting en aanbevelingen.
De binnenlandse dimensie van Agenda 2030
Zoals hierboven is aangegeven, zijn de duurzame ontwikkelingsdoelen niet alleen een
kwestie voor ontwikkelingslanden. Ook rijke en meer ontwikkelde landen hebben de
taak om in eigen land sociale, economische en milieudoelstellingen te behalen. De
Nederlandse SDG-inzet in het buitenland kan daarom niet worden losgemaakt van de
binnenlandse inspanningen om Agenda 2030 te voltooien. Het Nederlandse buitenbeleid
is immers alleen geloofwaardig als het ondersteund wordt door het binnenlands beleid.
De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is tevens
verantwoordelijk voor de coördinatie van het beleid dat de vakdepartementen voeren om
de SDG’s in Nederland te verwezenlijken. In dit advies wordt daarom ook – zij het beperkt –
aandacht besteed aan de binnenlandse (mensenrechten)dimensie van Agenda 2030.
Koninkrijk der Nederlanden
Het buitenlands beleid is een Koninkrijksaangelegenheid.32 Waar in dit advies
wordt gesproken over Nederland, gaat het om het Koninkrijk der Nederlanden, dat
de landen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten omvat. Het grote belang en
de integrale samenhang van Agenda 2030 betekent dat het realiseren van de SDG’s
binnen de afzonderlijke landen niet kan worden losgemaakt van de internationale
verantwoordelijkheid van het Koninkrijk als geheel en dus op de agenda van de
ministerraad van het Koninkrijk hoort te staan.
32 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, art. 3, lid 1(b).
                                                     16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>I         De relatie tussen mensenrechten en ontwikkeling
I.1       Menselijke waardigheid
Uit de behoefte van de regering aan een advies over de verhouding tussen mensenrechten
en de Sustainable Development Goals blijkt meteen al dat deze als maatstaven voor de
internationale verhoudingen verband met elkaar houden. Met dit advies wil de AIV meer
klaarheid brengen in die verhouding, zodat het beleid gericht op wereldwijde duurzame
ontwikkeling en het mensenrechtenbeleid optimaal op elkaar kunnen aansluiten en elkaar
wederzijds kunnen versterken. Ten aanzien van het Nederlandse interne beleid op beide
terreinen geldt dat ook. Die dimensie komt echter in de advisering door de AIV alleen aan
de orde voor zover het internationale beleid ermee samenhangt.
Nationale en internationale inspanningen om (duurzame) ontwikkeling en mensenrechten
te bevorderen, dienen in essentie hetzelfde doel: de mogelijkheden voor ieder mens om in
waardigheid vorm en inhoud te kunnen geven aan het eigen leven, in verbondenheid met
anderen. Het ontwikkelingsperspectief is eigen aan de verwerkelijking van mensenrechten.
In het Handvest van de Verenigde Naties33 en in de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens wordt menselijke waardigheid verwoord als aan ieder mens aangeboren:
‘All human beings are born free and equal in dignity and rights. They are endowed with
reason and conscience and should act towards one another in a spirit of brotherhood.’ 34
Het streven naar menselijke waardigheid is hierop voortbouwend in vrijwel alle
internationale en regionale mensenrechtenverdragen vastgelegd. Zo is hoofdstuk 1
van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2000) geheel gewijd
aan waardigheid. Artikel 1 luidt: ‘De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet
worden geëerbiedigd en beschermd.’35 Het Afrikaans Handvest voor de Rechten van
Mens en Volken (1981) stelt dat: ‘Every individual shall have the right to the respect
of the dignity inherent in a human being and to the recognition of his legal status.’36
Ook in de preambule van het Arabisch Handvest voor de Mensenrechten (2004) wordt
het geloof van de Arabische natie in de waardigheid van de mens bevestigd.37 In de
jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(1950) is de menselijke waardigheid een leidend beginsel. De menselijke waardigheid is
daarmee, ondanks verschillen in uitleg en uitwerking, in de kern een universeel erkend
en gedragen concept.
33 United Nations, Charter of the United Nations, 26 June 1945, 1 UNTS XVI, preamble.
34 United Nations General Assembly, Universal Declaration of Human Rights, GA Res 217A (III),
    10 December 1948.
35 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, (2000/C 364/01), 18 december 2000.
36 Afrikaans Handvest voor de Rechten van de Mens en Volken, 27 juni 1981, art. 5.
37 League of Arab States, Arab Charter on Human Rights, May 22, 2004. Zie: <http://hrlibrary.umn.edu/
    instree/loas2005.html>.
                                                     17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>In het ontwikkelingsdiscours is de idee van menselijke waardigheid minder expliciet
verwoord, maar ook daar is het wel degelijk een belangrijke drijfveer. Ontwikkeling gaat
immers over het creëren van voorwaarden (politiek, economisch, sociaal, milieu etc.)
waaronder de mens – als individu of als lid van een groep – zich kan ontplooien en in
vrijheid en veiligheid haar of zijn leven kan vormgeven. Agenda 2030 stelt dat: ‘(…) the
dignity of the human person is fundamental (…).’38
Menselijke waardigheid is een krachtig concept. De idee dat ieder mens, individueel en
collectief, van nature waardigheid bezit, eenvoudigweg omdat hij of zij mens is, heeft
overduidelijk grote zeggingskracht.39 Het is echter opvallend dat menselijke waardigheid
in geen enkel mensenrechtenverdrag eenduidig wordt omschreven. Ook in de literatuur
bestaat geen overeenstemming over een definitie van menselijke waardigheid.40 De
Gaay Fortman geeft een invulling van menselijke waardigheid die bruikbaar is in de
context van dit AIV-advies. Hij stelt dat menselijke waardigheid, naast respect voor
mensenrechten, tevens menselijke ontwikkeling (human development) en menselijke
veiligheid (human security) omvat.41 Zoals onderstaande figuur laat zien vormen zij drie
componenten van menselijke waardigheid.
Figuur: Componenten van menselijke waardigheid
38 A/RES/70/1, par. 4.
39 McCrudden, C. (2014), ‘In pursuit of human dignity: an introduction to current debates’, in: McCrudden,
    C. (ed.) (2014). Understanding human dignity, British Academy, p. 1.
40 Ibid., p. 723. Zie ook: Waldron, J.J. (2013), Is dignity the foundation of human rights?, New York
    University Public Law and Legal Theory Working Papers, paper 374, en Cliteur, P.B. en van Wissen,
    R.G.T. (1998), ‘De menselijke waardigheid als grondslag voor mensenrechten. Een beschouwing
    over het werk van Kant en Schopenhauer in relatie tot de filosofische reflectie over mensenrechten.’
    In: van der List, G.A. (red.), (1998), De rechten van de mens: liberale beschouwingen. Prof.mr. B.M.
    Teldersstichting, Den Haag, pp. 25-43.
41 De Gaay Fortman, B., ‘The golden triangle of human dignity: human security, human development and
    human rights’, in: Muller, M. & de Gaay Fortman, B. (eds.) (2004), From warfare to welfare. Human security
    in a Southern African context. Royal Van Gorcum, p. 2.
                                                        18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>Deze figuur maakt inzichtelijk dat mensenrechten, ontwikkeling en veiligheid niet in
isolement kunnen worden bezien, maar onderling afhankelijk zijn.42 Politieke stabiliteit, de
aanwezigheid van rechtsstaat en goed bestuur, en sociaaleconomische omstandigheden
bepalen de mate waarin menselijke waardigheid kan worden gerealiseerd. Vertaald
naar het Nederlandse buitenlandbeleid volgt hieruit dat het mensenrechten- en
ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in samenhang moeten worden uitgevoerd. In 2003
stelde de AIV al: ‘De gemeenschappelijke noemer van zowel het mensenrechtenbeleid
als het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking is en moet blijven: het bevorderen en
beschermen van de menselijke waardigheid’.43
I.1.1      Mensenrechten
In de inleiding van dit advies is vermeld dat de vier vrijheden (four freedoms) van
president Roosevelt de grondslag vormden voor de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens. De beginselen die in de Universele Verklaring zijn neergelegd,
zijn vervolgens uitgewerkt in een omvangrijk stelsel van mondiale en regionale
mensenrechtenverdragen, -instrumenten en toezichtsmechanismen dat na de Tweede
Wereldoorlog is opgebouwd.44 Dit multilaterale mensenrechtensysteem is een mijlpaal
van formaat. De belangrijkste mensenrechtenverdragen zijn geratificeerd door meer dan
150 landen en bevatten bindende afspraken voor naleving, rapportageverplichtingen en
toezicht door een onafhankelijk comité (de zgn. treaty bodies). Minstens zo belangrijk
is dat mensenrechtenverdragen staten verplichten om uitvoerende nationale wetgeving
aan te nemen. In Nederland is bijvoorbeeld het College voor de Rechten van de
Mens opgericht als onafhankelijk toezichthouder op de mensenrechten in Nederland.
De Kinderombudsman (die valt onder de Nationale Ombudsman) heeft als taak te
controleren of de in het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind neergelegde rechten,
worden nageleefd door de overheid.
Het in verdragen geregelde mensenrechtensysteem staat momenteel onder druk. De
universaliteit van de mensenrechten wordt ondermijnd doordat landen selectief het
belang benadrukken van burger- en politieke rechten dan wel sociale, economische
en culturele rechten. Het betreft niet alleen autoritair geleide landen die het
zogenoemde cultuurrelativisme aanhangen. Westerse landen die het multilaterale
mensenrechtensysteem hebben aanvaard maar de door hen getekende verdragen
onvoldoende naleven, dragen hier evenzeer een verantwoordelijkheid.45
Mensenrechten zijn in de VS en Europa lager op de maatschappelijke agenda
komen te staan ten faveure van nationale en individuele veiligheid, economisch
belang, en nationale identiteit. Zoals in AIV-advies ‘De wil van het volk? Erosie van de
democratische rechtsstaat in Europa’ (2017) is uiteengezet, hebben grote groepen
42 Zie ook: United Nations Secretary General, In larger freedom: towards development, security, and human
    rights for all, A/59/2005, para. 17: ‘We will not enjoy development without security, we will not enjoy
    security without development, and we will not enjoy either without respect for human rights. Unless all these
    causes are advanced, none will succeed.’
43 Zie: AIV, Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking, nr. 30, april 2003, p. 45.
44 Zie: <https://ijrcenter.org/ihr-reading-room/overview-of-the-human-rights-framework/>.
45 Zie ook: AIV, Universaliteit van de rechten van de mens en culturele verscheidenheid, nr. 4, juni 1998, en
    AIV, Universaliteit van de Rechten van de Mens: principes, praktijk en perspectieven, nr. 63, november 2008.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>burgers in democratische samenlevingen het gevoel dat rechten vooral voor ‘anderen’
gelden en niet voor henzelf. Zij zien de rechten van anderen juist als een belemmering
voor het uitoefenen van de eigen vrijheden. De stap naar het willen beperken van die
rechten is dan snel genomen. De verankering van mensenrechten in de structuren
van de samenleving dreigt dan onder druk komen te staan. Critici wijzen er in dit
verband op dat de Westerse mensenrechtenbeweging zich de afgelopen decennia
vooral heeft gericht op de bevordering van burger- en politieke rechten, en veel minder
op de sociaaleconomische grondrechten uit de Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens en daarop geïnspireerde verdragen.46 Nu de economische ongelijkheid
in de wereld toeneemt, ook in rijkere landen, raken groepen burgers vervreemd van
democratische instellingen, terwijl die instellingen juist onmisbaar zijn om hun rechten te
beschermen.
De AIV acht het daarom belangrijk in dit advies het ondeelbare karakter van mensen-
rechten te benadrukken. Mensenrechten – burgerlijk, politiek, sociaal, economisch,
cultureel, milieu – zijn inherent aan de menselijke waardigheid en onderling met elkaar
verbonden. Er mag principieel geen rangorde in rechten bestaan.47
I.1.2    Ontwikkeling
Het concept ‘ontwikkeling’ is de afgelopen decennia geëvolueerd van het vervullen van
basisbehoeften (basic needs) via nadruk op economische ontwikkeling (jaren ’70 -’80)
naar human development, human security (jaren ’90), en duurzame ontwikkeling (jaren
’90 en later). Dit alles heeft geleid tot het concept van inclusieve duurzame ontwikkeling
onder Agenda 2030. In deze evolutie is sprake van een groeiend internationaal inzicht
dat mensenrechten een onlosmakelijke rol hebben in ontwikkelingsprocessen.
Human development
Human development is door het UNDP omschreven als ‘a process of enlarging people’s
choices. The most critical ones are to lead a long and healthy life, to be educated and to
enjoy a decent standard of living. Additional choices include political freedom, guaranteed
human rights and self-respect’.48 In deze definitie heeft ontwikkeling niet alleen het
sociaaleconomische welzijn van het individu tot doel, maar is evenzeer van belang dat
ieder mens de mogelijkheid heeft om zichzelf te ontwikkelen.
Human security
Human security werd geïntroduceerd in het UNDP Human Development Report 1994
met als doel om het begrip veiligheid een bredere invulling te geven dan uitsluitend
de militaire bescherming van het territorium van soevereine staten. Het rapport greep
daarbij terug op de vier vrijheden van president Roosevelt:
    ‘There have always been two major components of human security: freedom from fear
    and freedom from want. This was recognized from the beginning of the United Nations.
    But later the concept was tilled in favour of the first component rather than the second.
46 Zie: Moyn, S. (2018). Not Enough. Human rights in an unequal world. Harvard: Harvard University Press.
47 UNFPA, Human rights principles (2005). Zie: <https://www.unfpa.org/resources/human-rights-principles>.
48 UNDP, Human Development Report 1990, p. 10.
                                                    20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>    The founders of the United Nations, when considering security, always gave equal
    weight to territories and to people.’49
Mede geïnspireerd door het einde van de Koude Oorlog trachtte het Human
Development Report de aandacht voor de positie van het individu in traditionele
veiligheidsvraagstukken te vergroten. Het introduceerde daartoe zeven componenten van
human security: economische veiligheid, voedselzekerheid, veiligheid van gezondheid,
veiligheid van milieu (leefomgeving), persoonlijke veiligheid, veiligheid van de eigen
gemeenschap en politieke veiligheid.50
Duurzame ontwikkeling
De erkenning van de milieuproblematiek in de jaren zeventig van de vorige eeuw
heeft geleid tot de geboorte van het concept van duurzame ontwikkeling dat sociale,
economische en milieudimensies van ontwikkeling herenigt. Duurzame ontwikkeling is
gedefinieerd als ‘(…) ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie,
zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen
om ook in hun behoeften te voorzien.’51 Deze notie beoogt de inherente spanning
tussen economische groei, behoud van een gezond en schoon milieu en welvaart
te neutraliseren en nieuwe ontwikkelingspaden aan te reiken. In dit verband wordt
veelal gesproken over people, planet en profit (PPP) als de drie pijlers van duurzame
ontwikkeling.52 Hierbij dient te worden opgemerkt dat ‘duurzame ontwikkeling’ in
het Nederlands soms een economische connotatie heeft, terwijl de Engelse term
‘sustainable development’ een bredere betekenis heeft en ook sociale en ecologische
doelen omvat, waaronder inclusiviteit en groene groei.
Sinds de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20, 2012) wordt gesproken
van ‘inclusive and sustainable economic development’, waarbij met name gezocht wordt
naar maatschappelijke ontwikkeling binnen een ‘minimum’ van sociale voorwaarden en
een ‘maximum’ van de mate waarin economische hulpbronnen en het milieu wereldwijd
belast worden. Tijdens de conferentie van Rio besloten de VN-lidstaten tevens om te
werken aan de ontwikkeling van de Sustainable Development Goals. Dit resulteerde in
2015 in Agenda 2030 waarin twee nieuwe pijlers aan duurzame ontwikkeling werden
toegevoegd: peace (SDG16) en partnership (SDG17).53
49 UNDP, Human Development Report 1994, p. 24.
50 Ibid., pp. 24-33.
51 United Nations General Assembly, Report of the United Nations Conference on Environment and
    Development, Rio de Janeiro, 3-14 June 1992. Zie ook: World Commission on Environment and
    Development, (1987). Our Common Future: Brundtland Report of the World Commission on Environment
    and Development, (Oxford: Oxford University Press).
52 Zie ook de slottekst van de VN-conferentie in 2012 over duurzame ontwikkeling en een groene economie
    (‘The future we want’): ‘(…) ensuring the promoting of an economically, socially and environmentally
    sustainable future for our planet and for present and future generations’ (par I).
    Zie: <https://sustainabledevelopment.un.org/content/documents/733FutureWeWant.pdf>.
53 A/RES/70/1, preamble.
                                                       21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Toekomstige generaties
Een kernpunt binnen het concept van duurzame ontwikkeling is dat rekening moet
worden gehouden met de belangen van toekomstige generaties. Dit zijn niet alleen
mensen die nog geboren moeten worden, maar ook kinderen en jongeren die nog
niet deel kunnen nemen aan maatschappelijke besluitvorming. Sommigen vinden het
moeilijk om moreel gewicht, laat staan rechten, toe te kennen aan wezens die nog
niet bestaan.54 Toch achten velen het zeer wel voorstelbaar dat er verplichtingen zijn
tegenover rechten ‘houdende’ toekomstige generaties. Omdat individuele rechten
uiteraard niet kunnen worden toegekend aan mensen die er nog niet zijn, gaat het
hier vooral om groepsrechten.55 De norm dat het streven naar welvaart door de
huidige generatie de mogelijkheden daartoe van toekomstige generaties niet dient
te verminderen, is opgenomen in verschillende internationale mensenrechten- en
duurzaamheidsverklaringen én in Agenda 2030. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld
dat er nog nauwelijks instrumenten bestaan die staten daadwerkelijk wettelijk binden
aan de bescherming van toekomstige generaties. De Secretaris-Generaal van de VN
heeft een aantal opties geschetst voor de manier waarop ‘intergenerational solidarity’
binnen het VN-systeem kan worden gewaarborgd, waaronder het instellen van een
Commissaris voor toekomstige generaties, een speciale gezant van de Secretaris-
Generaal en betere coördinatie tussen de verschillende VN-organisaties.56
I.2       Mensenrechten en ontwikkeling
Recht op ontwikkeling
Het verband tussen mensenrechten en ontwikkeling werd internationaal57 expliciet
erkend in de Verklaring over het recht op ontwikkeling die in 1986 werd aangenomen
door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN). In de Verklaring werd
onderkend dat de naleving en bescherming van burger-, politieke, economische, sociale
en culturele rechten noodzakelijk is voor het bevorderen van ontwikkeling. Het individuele
54 Special Rapporteur on Environment to the Human Rights Council, Report 2018 on the Relationship
    between Children’s Rights and Environmental Protection, A/HRC/37/58, par. 67.
55 Lewis, B. (2016). Human rights duties towards future generations and the potential for achieving climate
    justice, Netherlands Quarterly of Human Rights, 34(3), pp. 206-226. Zie ook: Brown Weiss, E. (1990). Our
    Rights and Obligations to Future Generations for the Environment, American Journal of International Law,
    84, p. 198 e.v. en zie: <http://scholarship.law.georgetown.edu/facpub/1627>.
56 United Nations Secretary General, Intergenerational solidarity and the needs of future generations,
    A/658/322, 2013. Wel zijn er enkele verdragen waarin bepalingen in die richting zijn opgenomen
    waaronder VN Zeerechtverdrag (UNCLOS) en het daarin vastgelegde principe van de Common Heritage
    of Mankind, de Conventie voor de Bescherming en het Gebruik van Grensoverschrijdende Waterlopen en
    Internationale Meren, en de Framework Convention on Climate Change.
57 In 1981 werd het recht op ontwikkeling reeds opgenomen in het Afrikaans Handvest voor de Rechten van
    de Mens en Volken. Zie: preambule en art. 22.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>recht op ontwikkeling werd gedefinieerd als ‘an inalienable human right’.58 Ruim dertig jaar
na deze Verklaring blijft de operationalisering van het individuele en collectieve recht op
ontwikkeling een uitdaging. Dit is mede te wijten aan de verschillende interpretaties die
internationaal aan dit recht worden gegeven. Binnen de VN Mensenrechtenraad pleiten
minder ontwikkelde landen voor bindende afspraken over internationale samenwerking,
inclusief financiële hulp, betere handelsvoorwaarden, toegang tot technologie en
schuldverlichting. Donorlanden wijzen dergelijke specifieke verplichtingen van de hand en
benadrukken dat het recht op ontwikkeling niet boven andere mensenrechten uitstijgt.59
De AIV is zich ervan bewust dat over de bruikbaarheid van het concept ‘recht op
ontwikkeling’ verschillend wordt gedacht, maar in dit advies gaat het uiteraard niet om
de terminologie. Het recht op ontwikkeling is niet een specifiek afdwingbaar recht van
individuen of groepen, zoals de rechten die in het Internationaal Verdrag inzake burger-
rechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale
en culturele rechten zijn gecodificeerd, maar is een articulatie van het verplichte karakter
van bevordering van en medewerking aan ontwikkeling. De intrinsieke samenhang tussen
realisering van rechten van de mens en het bereiken van ontwikkelingsdoelstellingen die dit
oplevert, is waar het in dit advies om gaat.
Mensenrechtenbenadering van ontwikkeling
Binnen het concept van de mensenrechtenbenadering van ontwikkeling is
ontwikkelingssamenwerking erop gericht om burgers (right holders), en met name
gemarginaliseerde groepen, in staat te stellen hun eigen regeringen en overheden
(duty bearers) aan te spreken op hun mensenrechtenverplichtingen en zo hun
burger-, politieke en sociale, economische en culturele rechten te verwezenlijken.
De mensenrechtenbenadering haalt ontwikkelingssamenwerking uit de sfeer van
vrijblijvendheid en zorg voor passieve burgers en is gericht op ‘empowerment’ en de
bevordering van participatie.60 Daarmee krijgt ontwikkelingssamenwerking een bredere
relevantie. In 2003 besloten de verschillende instellingen van de VN in een Common
Understanding dat hun ontwikkelingsprogramma’s gericht moeten zijn op het realiseren
van mensenrechten,61 al zijn er aanwijzingen dat belangrijke multilaterale spelers zoals
de Wereldbank in hun programma’s vooral lippendienst bewijzen aan de human rights
based approach.62
58 United Nations General Assembly, A/RES/41/128, 4 December 1986, art. 1. Zie voor een appreciatie
    van het recht op ontwikkeling in het internationaal recht: Arts, K. & Tamo, A. (2016). The right to
    development in international law: new momentum thirty years down the line? Netherlands International
    Law Review, 63, pp. 221-249.
59 Ibid., p. 224.
60 Zie: Broberg, M. & Sano, H.O. (2018), Strengths and weaknesses in a human rights-based approach to
    international development: An analysis of a rights-based approach to development assistance based on
    practical experiences, The International Journal of Human Rights, 22(5), pp. 664-680.
61 Zie: <https://hrbaportal.org/the-human-rights-based-approach-to-development-cooperation-towards-a-
    common-understanding-among-un-agencies>.
62 Nelson, P.J. & Dorsey, E. (2018), Who practices rights-based development? A progress report on work at
    the nexus of human rights and development, World Development, 104.
                                                       23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>In 2003 bracht de AIV reeds een advies uit over ‘Een mensenrechtenbenadering van
ontwikkelingssamenwerking’.63 In dit advies werd onder meer ingegaan op de vraag of
er een risico bestond dat het begrip mensenrechten aan inflatie onderhevig raakt, door
alles wat met ontwikkeling te maken heeft als mensenrechten te bestempelen. In het
bijzonder werd daarbij het gevaar van ‘papieren rechten’ genoemd. Dat zijn rechten die
geen wortels hebben in de maatschappelijke context en niet of nauwelijks realiseerbaar
zouden zijn:
    ‘Niet alles in het kader van ontwikkelingssamenwerking heeft met mensenrechten te
    maken, maar het gehele ontwikkelingssamenwerkingsbeleid is wél doortrokken van
    mensenrechten. In dit verband moet ook de waarde van het recht op ontwikkeling
    worden genoemd. Die waarde ligt vooral in het verbindende en integrerende
    karakter ervan. Door dit karakter te benadrukken kan in het beleid een nog betere
    verbinding worden gelegd met het uitgangspunt dat bevordering en naleving van
    het geheel der mensenrechten de basis van een mensenrechtenbenadering van
    ontwikkelingssamenwerking moet zijn.’64
De AIV meent dat Agenda 2030 een wereldwijd kader biedt voor een samenhangende
(integrale) benadering van duurzame ontwikkeling en mensenrechten. Door de SDG’s
te realiseren, kan ook een groot aantal mensenrechtendoelen op het gebied van
economie, maatschappij en milieu worden verwezenlijkt.65 Dit kan ook (het draagvlak
voor) het multilaterale mensenrechtenstelsel verder versterken. Ten onrechte zijn de
sociaaleconomische rechten daarin relatief onderbelicht gebleven. Ook het gebrek
aan aandacht voor de gevolgen van mondiale milieuproblemen op het vervullen van
mensenrechten is een belangrijke lacune. Meer aandacht voor de SDG’s kan helpen die
te vullen.66
I.3        Beleidsvoornemens van het kabinet
De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) en de
minister van Buitenlandse Zaken (BZ) hebben in het voorjaar van 2018 twee beleids-
documenten gepubliceerd die direct raken aan het onderwerp van dit advies: de nota
‘Investeren in Perspectief. Goed voor de wereld, goed voor Nederland’67 (18 mei 2018) en
de Mensenrechtenrapportage 201768 (28 mei 2018). In deze documenten wordt het
Nederlandse BHOS- en mensenrechtenbeleid voor de komende jaren uiteengezet.
63 AIV, Een mensenrechtenbenadering van ontwikkelingssamenwerking, nr. 30, april 2003.
64 Ibid., p. 39.
65 Collins, L.M. (2018), ‘Sustainable Development Goals and human rights: challenges and opportunities’,
    in: French, D. & Kotzé, L.J. (eds.) (2018), Sustainable Development Goals: Law, Theory and Implementation.
    Cheltenham: Edward Elgar Publishing, p. 89.
66 Zie: Arts, K. (2017), Inclusive sustainable development: a human rights perspective, Environmental
    Sustainability, 24, pp. 58-62.
67 Kamerstuk 34952, nr. 1, blg-842376.
68 Kamerstuk 32735, nr. 198, blg-848109.
                                                        24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>Beleidsnota ‘Investeren in perspectief – Goed voor de wereld, goed voor Nederland.
In de BHOS-beleidsnota worden de SDG’s aangemerkt als leidraad voor het beleid voor
buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking. Er worden vier overkoepelende
doelen van het Nederlandse beleid geïdentificeerd: het voorkomen van conflict
en instabiliteit; het verminderen van armoede en maatschappelijke ongelijkheid;
de bevordering van duurzame inclusieve groei en klimaatactie wereldwijd; en het
versterken van het internationaal verdienvermogen van Nederland. Gendergelijkheid
en empowerment van vrouwen en meisjes vormen een dwarsdoorsnijdend doel. Deze
doelen worden in de nota gekoppeld aan de relevante SDG’s. Het BHOS-beleid zou
daardoor bijdragen aan het behalen van vrijwel alle SDG’s.
In de nota zet het kabinet nieuwe accenten: armoedebestrijding blijft weliswaar een
van de hoofddoelen van beleid maar wordt nu omschreven als ‘de beste aanpak
voor het tegengaan van instabiliteit en het verminderen van risico van gewapend
conflict’.69 Daarom verschuift de focus van ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten
naar de instabiele regio’s West-Afrika/Sahel, Hoorn van Afrika, Midden-Oosten en
Noord-Afrika, waaronder ook Jordanië, Libanon en Irak. Op basis van de criteria
van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)
zijn deze middeninkomenslanden eigenlijk te welvarend voor het ontvangen van
ontwikkelingssteun.70
De nota stelt dat de SDG’s zijn opgesteld vanuit een mensenrechtenbenadering en
bijdragen aan het realiseren van internationale mensenrechten en arbeidsrechten
voor iedereen. Volgens de nota sluit dit aan bij ‘de centrale plek die de
mensenrechtenbenadering heeft in het buitenlands beleid van Nederland’.71 Daarvoor
verwijst de nota naar de Mensenrechtenrapportage 2017 van de minister van
Buitenlandse Zaken.
Actualisering mensenrechtenbeleid
De Mensenrechtenrapportage 2017 bevat naast een terugblik op Nederlandse inzet in
het voorgaande jaar een actualisering van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Het
aantal prioriteiten is daarbij teruggebracht tot de volgende zes thema’s:
1.    De vrijheid van meningsuiting
2.    De vrijheid van religie en levensovertuiging
3.    Gelijke rechten voor vrouwen en meisjes
4.    Mensenrechtenverdedigers
5.    Gelijke rechten voor LHBTI’s
6.    Bevordering van veiligheid en internationale rechtsorde/strijd tegen straffeloosheid
69 Kamerstuk 34952, nr. 30, blg-842376, p. 29.
70 In een nadere uitwerking van de nota (Kamerstuk 34952, nr. 33) wordt vervolgens een drietal variaties aan
    landenrelaties onderscheiden, waaronder die van een ‘brede SDG-relatie’ gericht op een ‘geïntegreerde
    inzet rondom meerdere OS-thema’s/SDGs.’
71 Kamerstuk 34952, nr. 30, blg-842376, p. 22.
                                                    25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>Twee thema’s zijn afgevallen als beleidsprioriteiten: mensenrechten en bedrijfsleven;
en het tegengaan van de ernstigste mensenrechtenschendingen. Wel blijft het thema
mensenrechten en bedrijfsleven volgens de minister een belangrijk aandachtspunt.
Vanwege de raakvlakken met (internationaal) verantwoord ondernemen en keten-
verduurzaming wordt dit thema voortaan meegenomen in het BHOS-beleid, aldus de
rapportage. Andere onderwerpen waarop volgens de rapportage een geïntegreerde BZ-
en BHOS-inzet mogelijk is, zijn: gelijke rechten voor vrouwen en meisjes, de rechten van
vluchtelingen in landen van opvang, alsmede van migranten en ontheemden, ruimte voor
maatschappelijk middenveld, de internationale financiële instellingen, en veiligheid &
rechtsorde.
Appreciatie
In de adviesaanvraag aan de AIV uit het kabinet de wens om de Nederlandse inzet op
SDG’s en op de mensenrechten wederzijds te versterken. Het bevreemdt daarom dat
het BHOS-beleid uitdrukkelijk in een SDG-kader wordt geplaatst terwijl de duurzame
ontwikkelingsdoelen in de mensenrechtenrapportage slechts zijdelings genoemd worden.
Anderzijds ontbreken in de BHOS-nota de prioriteiten van het mensenrechtenbeleid. Al met
al blijft onduidelijk wat de mensenrechtenbenadering in het Nederlandse buitenlandbeleid
precies inhoudt. Daarnaast dreigt het gevaar van SDG washing:72 het bestaande BHOS-
beleid wordt enkel van de juiste SDG-stickers voorzien. De vraag is of dit voldoende is, of
dat het behalen van de SDG’s juist ander, dan wel aanvullend, beleid vereist.
De AIV vindt het opmerkelijk dat in de actualisering van het Nederlandse
mensenrechtenbeleid het thema mensenrechten en bedrijfsleven is afgevallen als
aparte prioriteit. Het bedrijfsleven is immers een belangrijke samenwerkingspartner
zowel voor het behalen van de SDG’s als de naleving van mensenrechten in
productieketens. Weliswaar komt het thema bedrijfsleven terug in de BHOS-nota maar
dan met name in de context van het internationaal maatschappelijk verantwoord
ondernemen. De BHOS-nota maakt bovendien nog onvoldoende duidelijk in hoeverre de
beleidsdoelstelling ‘versterken van het internationaal verdienvermogen van Nederland’
wordt getoetst aan SDG- en mensenrechtencriteria. De AIV meent in dit verband dat een
geïntegreerd beleid zowel een BZ- als BHOS-inzet vereist, ook op dit thema, en niet het
heen en weer schuiven tussen beleidsterreinen.
Het Nederlandse mensenrechtenbeleid richt zich voornamelijk op burger- en politieke
rechten, terwijl door middel van de BHOS-inzet eveneens een grote (financiële) bijdrage
wordt geleverd aan de bevordering van met name sociaaleconomische ontwikkeling en
rechten. Mensenrechten en ontwikkelingsprocessen kunnen naar mening van de AIV
alleen in samenhang worden nagestreefd. De AIV acht het daarom zonder meer positief
dat het BHOS-beleid en het mensenrechtenbeleid meer op elkaar worden afgestemd, al
zou de geïntegreerde aanpak beter kunnen worden uitgewerkt. Idealiter worden ook de
milieudimensies van duurzame ontwikkeling en mensenrechten meegenomen en wordt
bij dit alles gestreefd naar één integraal beleidskader met als overkoepelend doel het
bevorderen en beschermen van de menselijke waardigheid.
72 Zie: <https://oecd-development-matters.org/2017/09/25/ever-heard-of-sdg-washing-the-urgency-of-sdg-
    due-diligence/>.
                                                 26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>Binnenlandse dimensie
De eenzijdige oriëntatie op burger- en politieke rechten in het buitenlandse
mensenrechtenbeleid lijkt zich ook te vertalen in een terughoudendheid in de
bevordering van internationaal beschermde sociale, economische en culturele rechten
in Nederland zelf. Zo heeft de Nederlandse regering pas in 2016 het VN Verdrag inzake
rechten van personen met een handicap (CRPD) (2006) geratificeerd. Het Facultatief
Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten
(2008) is nog niet bekrachtigd. Dit protocol geeft burgers de mogelijkheid zich te wenden
tot het VN-Comité dat toezicht houdt op de naleving van dit verdrag. Hoewel eerder was
aangekondigd dat dit in 2018 voor parlementaire goedkeuring aanhangig zou worden
gemaakt,73 was de besluitvorming hierover binnen het kabinet begin 2019 nog niet
afgerond.74
De AIV wijst bovendien op advies 107 ‘Fundamentele rechten in het Koninkrijk: eenheid
in bescherming’ (juli 2018) waarin hij constateert dat een aantal belangrijke mensen-
rechtenverdragen die door het Koninkrijk der Nederlanden zijn ondertekend, alleen gelden
voor Nederland in Europa. Bij de bekrachtiging van deze verdragen – waaronder het
bovengenoemde VN Verdrag inzake personen met een handicap – is een uitzondering
gemaakt voor de Caribische landen van het Koninkrijk en het Caribisch deel van
Nederland. Terwijl de Nederlandse regering stelt dat mensenrechten voor iedereen, altijd
en overal moeten gelden, is dat binnen het Koninkrijk zelf niet het geval. Dit ondergraaft de
internationale geloofwaardigheid van het Nederlandse mensenrechtenbeleid.
73 Kamerstukken II 2017–2018, 34 775 V, nr. 66, bijlage. Zie ook: Dibbets, A. Buyse, A. & Timmer,
    A. (2014). De juridische gevolgen van ratificatie door Nederland van het Facultatief Protocol bij het
    Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Onderzoeksrapport in opdracht
    van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Studie- en Informatiecentrum Mensenrechten,
    Universiteit Utrecht.
74 Kamerstukken I 2018–2019, 24 170, D.
                                                        27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>II         Agenda 2030 geïllustreerd
In Agenda 2030 wordt expliciet de koppeling gemaakt tussen de SDG’s en mensenrechten
met verwijzingen naar internationaal recht en mensenrechtenverdragen in de preambule
(zie de inleiding op dit advies). Desondanks is de mensenrechtenoriëntatie in de SDG’s en
de subdoelen veel minder expliciet. Het woord ‘mensenrechten’ wordt bijvoorbeeld alleen
in subdoel 4.7 expliciet genoemd. Met uitzondering van vrouwen en kinderen krijgen de
rechten van specifiek kwetsbare groepen zoals inheemse volken, seksuele minderheden
en mensenrechtenverdedigers in de SDG’s ook geen aandacht. Gezien het motto van
Agenda 2030 (leave no one behind) is dat een serieuze omissie.75
De mensenrechtencomponent van de SDG’s moet daarom vooral in de uitvoering
vorm krijgen. Volgens het Deense Instituut voor Mensenrechten raken 156 van
de 169 subdoelen van de SDG’s (indirect) aan mensenrechteninstrumenten
of arbeidsstandaarden.76 Deze dwarsverbanden bieden handvatten om in het
buitenlandbeleid concreet de koppeling te maken tussen SDG’s en mensenrechten.
  Kader: The Human Rights Guide to the Sustainable Development Goals
  Het Deens Instituut voor Mensenrechten heeft een waardevolle database
  (http://sdg.humanrights.dk) ontworpen waarin (in zeven talen) op een eenvoudige
  manier inzichtelijk wordt gemaakt welke SDG raakt aan welk internationaal of regionaal
  (mensenrechten)verdrag en vice versa. De gebruiker kan tot op het niveau van subdoel en
  verdragsartikel de koppeling leggen.
  Deze database kan gebruikt worden om een integrale mensenrechten – en ontwikkelings-
  benadering van de SDG’s praktische invulling te geven. Bij elk van de verdragen waarbij
  Nederland partij is, kan aandacht gevraagd worden voor de desbetreffende SDG, onder meer
  in de nationale rapportageverplichting maar ook in de (bilaterale) mensenrechtendialoog met
  andere verdragspartijen.
  Ook de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (UHCHR) en het VN Kinderfonds
  (UNICEF) en hebben bruikbare overzichten opgesteld.77
In het voorgaande hoofdstuk is in algemene termen de complementariteit tussen
duurzame ontwikkelingsdoelen, milieubescherming en het bevorderen van mensen-
rechten besproken. In dit hoofdstuk wordt Agenda 2030 geïllustreerd aan de hand
75 Collins, L.M. (2018), ‘Sustainable Development Goals and human rights: challenges and opportunities’,
    in: French, D. & Kotzé, L.J. (eds.) (2018), Sustainable Development Goals: Law, Theory and
    Implementation. Cheltenham: Edward Elgar Publishing, pp. 83-88.
76 The Danish Institute for Human Rights, The Human Rights Guide to the Sustainable Development
    Goals, zie: <http://sdg.humanrights.dk/en>. In deze database wordt de koppeling gemaakt tussen
    internationale mensenrechtenverdragen en de SDG’s.
77 Zie: <https://www.ohchr.org/Documents/Issues/MDGs/Post2015/SDG_HR_Table.pdf> en <https://
    www.unicef.org/agenda2030/files/SDG-CRC_mapping_FINAL.pdf>.
                                                       28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>van een aantal specifieke SDG’s. Omdat het te ver zou gaan om in dit advies alle
SDG’s uitputtend te behandelen, is ervoor gekozen om, tegen de hiervoor omschreven
achtergrond, in te zoomen op vier SDG’s: SDG1 (Uitbannen van alle vormen van
(extreme) armoede); SDG10 (Verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen);
SDG13 (Klimaatverandering tegengaan) en SDG16 (Bevorderen van veiligheid, publieke
diensten en recht voor iedereen).
Dat gebeurt niet omdat deze SDG’s belangrijker zijn dan de andere SDG’s, maar omdat
zij naar de mening van de AIV het duidelijkst de oorspronkelijke samenhang belichten
tussen sociaaleconomische rechten enerzijds en burger- en politieke rechten anderzijds,
zoals verwoord in de vier vrijheden van president Roosevelt (zie Inleiding). Zij geven
daarmee impliciet ook vorm aan het concept van het recht op (duurzame) ontwikkeling.
Bovendien trekken deze SDG’s sterk de publieke aandacht omdat armoede, ongelijkheid
en klimaatverandering toenemend samenlevingen ondermijnen, terwijl SDG16 verband
houdt met het realiseren van een democratische rechtsstaat en het toegankelijk maken
van het recht voor alle burgers.
II.1        SDG1: Uitbannen van armoede overal in al haar vormen
                 SDG 1: GEEN ARMOEDE                                        Bijbehorende mensenrechten
 Maak overal een einde aan alle vormen van armoede                  Recht op een toereikende levensstandaard
                                                                     [UVRM art. 25; IVESCR art. 11; CRC art. 27]
 Doelstellingen omvatten het uitbannen van extreme armoede,
 implementeren van maatregelen voor sociale bescherming en          Recht op sociale zekerheid
 waarborgen dat mannen en vrouwen in gelijke mate toegang            [UVRM art. 22; IVESCR art. 9; CRPD art. 28; CRC art.
 hebben tot economische hulpbronnen.                                 26]
                                                                    Gelijke rechten voor vrouwen in het economisch
                                                                     leven
                                                                     [CEDAW art. 11, 13, 14(2)(g), 15(2), 16(1)]
Bron: Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights.78 Zie bijlage II voor een
overzicht van belangrijke mensenrechtenverdragen.
Armoedebestrijding is essentieel om de minimale waardigheid van de mens te
waarborgen.79 Het terugdringen van armoede is daarom al decennialang een rode draad
in internationale ontwikkelingsinspanningen. In 2000 – met de aanvaarding van de
Millennium Development Goals – werd dit voor het eerst expliciet geformuleerd als een
concreet en meetbaar doel: halvering van de armoede wereldwijd in 2015 (MDG 1). Deze
doelstelling is gerealiseerd. Het aantal mensen dat leefde van minder dan USD 1,90 per
78 Zie: <https://www.ohchr.org/Documents/Publications/Session5_OHCHR_SDG_HR_Table.pdf>.
79 Marks, S.P. ‘Poverty and Human Rights’, in: Moeckli, D., Shah, S. Sivakumaran, S. & Harris, D. (eds.)
    (2017), Textbook on International Human Rights Law. Oxford: Oxford University Press, p. 597. Zie ook:
    UN Guiding Principles on Extreme Poverty and Human Rights, A/HRC/21/39, par. 3.: ‘Poverty is an urgent
    human rights concern in itself. It is both a cause and a consequence of human rights violations and an
    enabling condition for other violations. Not only is extreme poverty characterized by multiple reinforcing
    violations of civil, political, economic, social and cultural rights, but persons living in poverty generally
    experience regular denials of their dignity and equality.’
                                                            29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>dag80 daalde van bijna 2 miljard in 1990 naar 736 miljoen in 2015, oftewel een daling
van de global poverty rate van 36 procent naar 10 procent.81 Dit resultaat is zonder
meer indrukwekkend maar er past een aantal kanttekeningen. Ten eerste is er vanuit
mensenrechtenperspectief geen rechtvaardiging voor het beperken van de wereldwijde
armoede tot de helft. Geen enkel mens zou immers in armoede dienen te leven.
Ten tweede is de daling van de wereldwijde armoede vooral te danken aan de snelle
economische groei in China. Mede daardoor nam het armoedepercentage in Oost-Azië
af van 62 procent in 1990 naar bijna 2,5 procent in 2015. In Sub-Sahara-Afrika leven
echter nog altijd meer mensen in extreme armoede dan in de rest van de wereld samen
(413 miljoen oftewel 41 procent van de bevolking). Ten derde daalde de wereldwijde
armoede tussen 2013 en 2015 nog slechts met 1 procent. Als deze trend doorzet wordt
de haalbaarheid van SDG1 twijfelachtig.82
Bovenstaande cijfers zijn gebaseerd op een smalle, inkomensgerelateerde meting
van armoede. Armoede is echter veel meer dan alleen een gebrek aan geld door
bijvoorbeeld werkloosheid. Armoede wordt bijvoorbeeld ook bepaald door de toegang
tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, goed onderwijs, en huisvesting, en door
milieuaspecten waaronder toegang tot schoon drinkwater en schone lucht en de effecten
van klimaatverandering. Daarnaast spelen sociale uitsluiting en (fysieke) veiligheid een
rol. Om recht te doen aan deze verscheidenheid is een methode van multidimensionale
armoedemeting (MPI)83 ontwikkeld. Uitgaande van deze bredere methodiek leefden
in 2018 nog altijd circa 1,3 miljard mensen in (extreme) armoede.84 Dat is bijna een
verdubbeling ten opzichte van een inkomensgerelateerde meting.
II.1.1     SDG1 en mensenrechten
De eerder genoemde multidimensionale armoedebenadering maakt inzichtelijk dat de
bestrijding van armoede niet alleen een brede ontwikkelingsaanpak vergt maar ook
dat mensenrechten daarin een belangrijke rol spelen. Het gaat dan met name om de
aanspraak die burgers kunnen doen op een minimaal niveau aan sociale voorzieningen
en de plicht van de overheid om daarin te voorzien. Deze benadering klinkt ook door in
de duurzame ontwikkelingsdoelen. Met SDG1 staat armoedebestrijding daarin opnieuw
centraal. SDG1 richt zich op uitbanning van alle vormen van armoede in alle landen. Dat
is een cruciaal kwalitatief verschil ten opzichte van de Millennium Development Goals. Ook
het tegengaan van (relatieve) armoede in rijke landen wordt daarmee onderdeel van de
SDG-inspanningen. Dit betekent een inspanningsverplichting voor ieder land afzonderlijk.85
80 In 2015 stelde de Wereldbank de armoedegrens bij van USD 1,25 per dag naar USD 1,90 per dag,
    ‘but the incidence of global poverty is largely unchanged.’ Zie: <http://www.worldbank.org/en/news/
    feature/2016/01/13/principles-and-practice-in-measuring-global-poverty>.
81 Zie: <https://sustainabledevelopment.un.org/sdg1>.
82 World Bank, Poverty and shared prosperity 2018: Piecing together the poverty puzzle (2018); World Bank
    Poverty and Equity Portal: <http://povertydata.worldbank.org/poverty/home>.
83 Zie: <http://ophi.org.uk/policy/multidimensional-poverty-index/>.
84 Zie: <https://ophi.org.uk/multidimensional-poverty-index/global-mpi-2018/#t1>.
85 Deze kan voortbouwen op het groeiende besef dat de stedelijke ontwikkeling hierin een sleutelrol speelt.
    Al in 2011 is een Global Charter-Agenda for Human Rights in the City geformuleerd, die ontwikkeling en
    mensenrechten met elkaar verbindt. Zie: <https://www.uclg-cisdp.org/sites/default/files/CISDP%20
    Carta-Agenda_ENG_0.pdf>.
                                                        30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>De subdoelen en indicatoren van SDG1 richten zich behalve op de bestrijding van
extreme armoede (subdoel 1.1) ook op het terugdringen van armoede ‘in al haar
dimensies’ (subdoel 1.2). Daartoe bevat SDG1 subdoelen gericht op het realiseren van
socialezekerheidprogramma’s (subdoel 1.3), gelijke rechten op economische middelen
– waaronder basisvoorzieningen, land, technologie en financiële diensten – (subdoel
1.4) en het vergroten van de weerbaarheid van arme mensen om bijvoorbeeld met
economische tegenslag en milieurampen om te gaan (subdoel 1.5). De bestrijding van
andere dimensies van armoede is vertaald naar eigenstandige SDG’s zoals SDG2 (geen
honger); SDG3 (goede gezondheid); SDG4 (kwaliteitsonderwijs); SDG6 (schoon water en
sanitair) en SDG8 (eerlijk werk en economische groei). Dit is belangrijk, want het maakt
duidelijk hoezeer de SDG’s met elkaar samenhangen. Bovengenoemde MPI-index is een
van de indicatoren om de voortgang op SDG1 te meten.
II.1.2    De binnenlandse dimensie van SDG1
Extreme armoede komt in (Europees) Nederland niet voor, maar er leven in Nederland
wel mensen in relatieve armoede. Zij beschikken over onvoldoende inkomen om het
consumptieniveau te halen dat in Nederland minimaal noodzakelijk is om in waardigheid
te leven en sociale uitsluiting te voorkomen. Volgens het Centraal Bureau voor de
Statistiek (CBS) steeg het aantal in armoede levende mensen van 5,8 procent van de
Nederlandse bevolking in 2011 naar 7,4 procent in 2013. Door het aantrekken van de
economie daalde dit percentage vervolgens naar 6,8 procent in 2016.86 Het Sociaal en
Cultureel Planbureau (SCP) stelde een vergelijkbare ontwikkeling vast. Op basis van een
ruimer armoedebegrip waarin rekening wordt gehouden met middelen die nodig zijn om
sociaal te kunnen participeren (‘niet­veel­maar­toereikend criterium’), steeg de armoede in
Nederland van 870.000 (5,6 procent) in 2008 naar 1,2 miljoen (7,6 procent) in 2013.
Daarna daalde de armoede naar 980.000 mensen (6 procent) in 2016.87 Ondanks
de daling tussen 2013-2016 is per saldo dus nog altijd sprake van een verslechtering
ten opzichte van de periode daarvoor. In de tweede meting van de SDG-indicatoren
constateerde het CBS bovendien dat bij SDG1 het aantal indicatoren dat een negatieve
ontwikkeling laat zien, domineert.88 Volgens het SCP zijn bijna 605.000 Nederlanders
langdurig arm.89
In Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba) zijn armoede en de sociale
gevolgen ervan groot en verstrekkend. Vooralsnog is het echter niet mogelijk objectief
vast te stellen hoeveel Caribische Nederlanders exact in armoede leven omdat er nog
geen inkomensgrens voor het bestaansminimum op de eilanden is vastgesteld.90 Wel
86 CBS, Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland, Den Haag (2018), pp. 22-23.
87 SCP, Armoede in kaart, (2016) en (2018).
88 CBS, Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland, Den Haag (2018), pp. 22-23.
89 SCP, Armoede in kaart, (2018).
90 In de zgn. differentiatieclausule is vastgelegd dat op veel terreinen de wetgeving in Europees Nederland en
    Caribisch Nederland verschilt. Uit Artikel 1 Grondwet volgt echter dat er alleen onderscheid mag worden
    gemaakt in het realisatieniveau van bepaalde mensenrechten tussen Caribisch Nederland en Europees
    Nederland als geen sprake is van gelijke gevallen of als voor dat onderscheid een objectieve rechtvaardiging
    bestaat. Zie ook: AIV, Fundamentele rechten in het Koninkrijk: eenheid in bescherming. Theorie en praktijk
    van territoriale beperkingen bij de ratificatie van mensenrechtenverdragen, nr. 107, juni 2018.
                                                          31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>is daar in opdracht van de regering recent onderzoek naar gedaan.91 Op basis van dit
onderzoek constateert het kabinet: ‘Ongeveer een derde van de huishoudens in Caribisch
Nederland (…) heeft een besteedbaar inkomen dat op of onder de door [het onderzoek]
bepaalde ondergrens ligt.’92 Indachtig het feit dat armoede meerdere dimensies kent,
heeft het College voor de Rechten van de Mens erop gewezen dat veel mensen die in
Caribisch Nederland in armoede leven, kampen met gezondheidsproblemen en geen
goede huisvesting kunnen vinden. Ook bestaat er een relatie tussen armoede en het
veelvuldig voorkomen van kindermishandeling op de eilanden.93
II.2         SDG10: Verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen
    SDG 10: ONGELIJKHEID VERMINDEREN                                 Bijbehorende mensenrechten
 Dring ongelijkheid in en tussen landen terug             Recht op gelijkheid en non-discriminatie
                                                           [UVRM art. 2; IVESCR art. 2(2); IVBPR art. 2(1), 26; CERD art.
 Doelstellingen omvatten het bevorderen van hogere         2(2); CEDAW art. 2; CRC art. 2; CRPD art. 5; CMW art. 7;
 groeicijfers voor de onderste 40%, het bevorderen van     DRtD art. 8(1)]
 sociale, economische en politieke inclusie, het
 verminderen van ongelijkheid in kansen, het waarborgen   Recht op deelname aan het openbaar bestuur
 van sociale bescherming voor iedereen, het waarborgen     [UVRM art. 21; IVBPR art. 25; CEDAW art. 7; CERD art. 5;
 van deelname in economische besluitvorming, het           CRPD art. 29; DRtD art. 8(2)]
 vergemakkelijken van migratie en het verminderen van
 transactiekosten bij overmakingen van migranten.         Recht op sociale zekerheid
                                                           [UVRM art. 22; IVESCR art. 9-10; CRPD art. 28]
                                                          Correcte, billijke en menselijke voorwaarden voor
                                                           internationale arbeidsmigratie
                                                           [CMW art. 64]
                                                          Recht van arbeidsmigranten om hun inkomsten en
                                                           spaargeld over te maken
                                                           [CMW art. 47(1)]
Bron: Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights.94 Zie bijlage II voor een
overzicht van belangrijke mensenrechtenverdragen.
Een belangrijke omissie in de Millennium Development Goals was het gebrek aan
aandacht voor ongelijkheid. Doordat de MDG’s voornamelijk naar absolute vooruitgang
zoals de afname van extreme armoede op mondiaal niveau keken, bleven onderliggende
ongelijkheden buiten beeld. Het terugdringen van ongelijkheid binnen en tussen landen
(SDG10) is daarom een belangrijke verrijking van Agenda 2030.95 Vermindering van
ongelijkheid is noodzakelijk om SDG1 (uitbanning armoede) en andere SDG’s te bereiken en
91 Regioplan, Onderzoek naar een ijkpunt voor het sociaal minimum in Caribisch Nederland (2018): bijlage bij
     Kamerstuk 34775 IV, nr. 45.
92 Kamerstuk 34775 IV, nr. 45, p. 4.
93 College voor de Rechten van de Mens, Mensenrechten in Nederland: Armoede, sociale uitsluiting en
     mensenrechten – Jaarlijkse rapportage (2016), p. 130.
94 Zie: <https://www.ohchr.org/Documents/Publications/Session5_OHCHR_SDG_HR_Table.pdf>.
95    A/RES/70/1, par. 27.
                                                          32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>kan dus worden gezien als een randvoorwaarde voor het realiseren van de hele Agenda.96
Bij de lancering van Agenda 2030 sprak de toenmalige VN Hoge Vertegenwoordiger voor
Mensenrechten Zeid Ra’ad Al Hussein van ‘an agenda for equality’.97
Als gevolg van globalisering en de zware financieel-economische crisis na 2007, is de
inkomensongelijkheid in veel landen sterk toegenomen. Volgens het World Inequality
Report 201898 kwam 57 procent van de mondiale inkomensgroei tussen 1980 en 2016
terecht bij de rijkste 10 procent (en de helft daarbij bij de rijkste 1 procent), terwijl de
armste 50 procent er maar 12 procent op vooruitgingen. Sinds het werk van Thomas
Piketty is ook de vermogenskant van ongelijkheid in beeld.99 Volgens Oxfam bezaten
in 2018 de 26 rijkste personen in de wereld net zoveel geld als de armste helft van
de wereldbevolking (3,8 miljard mensen). In 2017 waren dat nog 43 personen. Per
saldo telden de allerrijksten in 2018 ca. USD 900 miljard (EUR 790 miljard) op bij hun
vermogen, terwijl het vermogen van de armste helft van de wereldbevolking 11 procent
daalde.100 Tegelijkertijd stelde de Wereldbank vast dat de economische ongelijkheid
tussen landen sinds de jaren negentig afneemt.101 Dit is voornamelijk te danken aan de
economische groei in China en India.
De AIV wijst in dit verband op een spanning in SDG10, die vooralsnog weinig aandacht
krijgt: de toename van ongelijkheid binnen landen is voor een deel juist het gevolg van
de afname van ongelijkheid tussen landen. De economische groei van China en India is
met name mogelijk gemaakt door de overheveling van (veelal laagbetaalde) productie
vanuit Westerse landen naar Azië. In rijkere landen heeft deze verplaatsing bijgedragen
aan werkloosheid, met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt, en de stagnatie
van lonen. Deze achtergrond biedt enig inzicht in de omvangrijke uitdagingen die moeten
worden overwonnen om wereldwijd economische ongelijkheid terug te dringen. Dit vraagt
bovendien concessies van beslissingsnemers in invloedrijke politieke en economische
posities om macht en welvaart te delen.
96   De eerste doelstelling van SDG10 ‘In het jaar 2030 een groei voor de armste 40 procent van de
     bevolking te bereiken die hoger is dan de gemiddelde groeivoet van de hele bevolking’ is zwak en is
     de uitkomst van een compromis tussen diegenen die een indicator voor nationale ongelijkheid wilden
     opnemen en degenen die daartegen gekant waren. Een voorgestelde maatstaf (de Palma-ratio), waarin
     inkomensontwikkeling aan de top ook meegenomen wordt, werd niet geaccepteerd. Echter in een land
     waar het aandeel aan de onderkant gelijk blijft maar de top 10 procent steeds rijker wordt, komt de
     middenklasse onder druk te staan. Dit kan leiden tot ernstige sociale en economische spanningen. Zie
     Bergeijk, P.A.G. en van der Hoeven, R.E. (2017), Sustainable Development Goals and Income Inequality,
     Edward Elgar 2017, en: MacNaughton, G. (2017), Vertical inequalities: are the SDGs and human rights up
     to the challenges?, The International Journal of Human Rights, 21(8).
97   Zie: <http://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?NewsID=16514&LangID=E>.
98   World Inequality Lab, World Inequality Report 2018, (2018), p. 46. Zie: <http://wir2018.wid.world/files/
     download/wir2018-full-report-english.pdf>.
99   Piketty, T. (2014), Capital in the Twenty-First Century, Cambridge: Harvard University Press.
100 Oxfam, Public Good or Private Wealth, (Oxford, 2019): zie: <https://oxfamilibrary.openrepository.com/
     bitstream/handle/10546/620599/bp-public-good-or-private-wealth-210119-en.pdf>.
101 The World Bank, Poverty and shared prosperity 2016: taking on inequality (2016) pp. 81, 87.
                                                        33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>Een effectief beleidsinstrument om SDG10 te realiseren is fiscale hervorming: enerzijds
het verlagen van belasting op arbeid, en anderzijds het verhogen van belasting voor
diegenen die vermogen en hulpbronnen bezitten. Toch blijven de hogere inkomensgroepen
buiten beschouwing in de subdoelen en indicatoren van SDG10. Subdoel 10.1 richt zich
alleen op het verbeteren van het inkomen van de onderste 40 procent van de bevolking
terwijl de accumulatie van inkomen en kapitaal juist in de bovenste 1 en 10 procent
plaatsvindt. Daarnaast gaat subdoel 10.1 over absolute inkomensgroei terwijl ongelijkheid
per definitie gaat over de relatieve verdeling van inkomen binnen de samenleving. Subdoel
10.4 refereert weliswaar in algemene termen aan fiscaal beleid ‘to progressively achieve
greater equality’ maar er is door de opstellers geen meetbare indicator aan verbonden.102
II.2.1   SDG10 en mensenrechten
Het internationale recht erkent dat het realiseren van sociale, economische en culturele
rechten afhankelijk is van het ontwikkelingsniveau van een land en van de (financiële)
middelen die overheden tot hun beschikking hebben. Sociaaleconomische ongelijkheid
is niet vanzelf onrechtmatig, maar mag aan de andere kant niet ongebreideld
voortbestaan als daardoor voor een deel van de samenleving mensenrechten
onbereikbaar worden. Allengs is er meer internationale overeenstemming dat een
scheve inkomensverdeling en sociaal-culturele achterstelling leiden tot ongelijke kansen
op het gebied van gezondheid, onderwijs, huisvesting, werk etc. Ook heeft ongelijkheid
in potentie politieke gevolgen, enerzijds doordat economische macht geconcentreerd
raakt bij een kleine geprivilegieerde groep, anderzijds doordat burgers, die zich sociaal
en economisch achtergesteld voelen, hun vertrouwen kunnen verliezen in deelname aan
het politieke systeem. In de kern is het bestrijden van ongelijkheid dan ook een zaak van
politiek-maatschappelijke keuzes en gaat dat veelal gepaard met sociale discussie.
SDG10 richt zich allereerst op het terugdringen van inkomensongelijkheid.
Internationale mensenrechtenverdragen bieden op dit terrein nog weinig concrete
aanknopingspunten.103 Net als armoede (SDG1) is ongelijkheid breder dan alleen een
inkomenscomponent. SDG10 bevat daarom ook subdoelen om sociale, economische
en politieke inclusie te bevorderen en om discriminatie op grond van bijvoorbeeld
etniciteit en geslacht tegen te gaan. Hier heeft SDG10 duidelijke raakvlakken met
het internationale mensenrechtensysteem dat immers is gestoeld op de principes
van gelijkheid en non-discriminatie.104 Zo is het non-discriminatiebeginsel expliciet
vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (artikel 2) en
in een groot aantal multilaterale (en regionale) mensenrechtenverdragen waaronder
het Internationale Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (artikel 2); het
Internationale Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (artikel 2); het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het
Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen en het
Verdrag inzake personen met een handicap.105
102 Zie: <https://undocs.org/A/RES/71/313>.
103 Alston, P., Report of the Special Rapporteur on extreme poverty and human rights, 27 May 2015,
     A/HRC/29/31, par. 3.
104 Zie: <http://www.cesr.org/inequality-can-human-rights-make-difference-0>.
105 Zie voor een volledig overzicht: <https://www.mensenrechten.nl/nl/internationale-verdragen-non-
     discriminatiebeginsel>.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>II.2.2    De binnenlandse dimensie van SDG10
In de tweede nationale SDG-meting stelde het CBS vast dat de inkomensverschillen in
Nederland naar Europese maatstaven klein en stabiel zijn.106 Voor een belangrijk deel
is dat te danken aan het Nederlandse stelsel van belastingen en sociale voorzieningen
waarmee inkomen wordt herverdeeld van hogere naar lagere inkomens. Wel is volgens de
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) de kloof tussen de bovenste
en de onderste 10 procent van de inkomens de afgelopen decennia gegroeid.107
Daarnaast is de vermogensongelijkheid in Nederland een bron van zorg. Volgens
recente berekeningen van de OESO, heeft Nederland, op de VS na, de hoogste
vermogensongelijkheid van alle OESO-landen.108
De WRR keek tevens naar de mogelijke sociale, politieke en economische gevolgen van
economische ongelijkheid in Nederland. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat meer
inkomensongelijkheid samenhangt met minder kansen om te klimmen op de sociale
ladder, minder vertrouwen tussen burgers onderling, en minder vertrouwen van burgers
in de rechtsstaat en het parlement. Verder kan inkomensongelijkheid de economische
groei remmen door een lagere consumptie en achterblijvende investeringen in menselijk
kapitaal (onderwijs en gezondheidszorg).109
106 CBS, Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland Den Haag, (2018), pp. 43-44.
107 WRR, Hoe ongelijk is Nederland, (2014). Amsterdam: Amsterdam University Press. Zie ook: Salverda,
     W. en van Bavel, B., CBS meet méér ongelijkheid, maar verkoopt het als mínder, MeJudice, 4 april 2017.
108 Balestra, C. and Tonkin, R. (2018), Inequalities in household wealth across OECD countries: Evidence
     from the OECD Wealth Distribution Database, OECD Statistics Working Papers, OECD Publishing: Paris,
     p. 7, ‘Wealth inequality, as measured by the net wealth share held by the top 10% of households, is
     highest in the United States, followed by the Netherlands and Denmark, and lowest in the Slovak Republic
     and Japan’.
109 WRR, Hoe ongelijk is Nederland, (2014), Amsterdam: Amsterdam University Press.
                                                       35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>II.3        SDG13: Klimaatverandering tegengaan
              SDG 13: KLIMAATACTIE                                   Bijbehorende mensenrechten
 Onderneem dringend actie om klimaatverandering en        Recht op gezondheid waaronder het recht op een veilige,
 haar impact te bestrijden                                 schone, gezonde en duurzame omgeving
                                                           [UVRM art. 25(1); IVESCR art. 12; CRC art. 24; CEDAW art.
 Doelstellingen omvatten het versterken van de             12; CMW art. 28]
 weerbaarheid tegen en aanpassing aan
 klimaatverandering en natuurrampen, waaronder in         Recht op toereikend voedsel & recht op veilig drinkwater
 gemarginaliseerde gemeenschappen, implementatie van       [UVRM art. 25(1); IVESCR art. 11]
 het Groen Klimaatfonds.
                                                          Recht van alle volken vrijelijk te beschikken over hun
                                                           natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen
                                                           [IVBPR, IVESCR art. 1(2)]
Bron: Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights.110 Zie bijlage II voor een
overzicht van belangrijke mensenrechtenverdragen.
Milieucluster
Naast People, Prosperity (Profit), Peace en Partnership vormt de zorg voor het milieu
(Planet) de zesde pijler van Agenda 2030. Toch bevat Agenda 2030 geen overkoepelend
doel op het gebied van milieu en klimaat. SDG6 (schoon water en sanitair), SDG13
(klimaatverandering tegengaan), SDG14 (duurzaam gebruik van oceanen en zeeën)
en SDG15 (duurzaam gebruik van bossen en bescherming van biodiversiteit) worden
tezamen wel aangeduid als het ‘milieucluster’.111 Daarnaast refereert een aantal andere
SDG’s (in hun subdoelen) aan diverse milieuaspecten, zoals SDG7 (duurzame energie),
SDG11 (duurzame steden) en SDG12 (verantwoorde consumptie en productie).
Het milieucluster legt een spanning bloot in Agenda 2030, namelijk die tussen de zorg
voor het milieu enerzijds, en de behoefte aan economische groei anderzijds. SDG8
(inclusieve, economische groei, werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen)
en SDG9 (infrastructuur voor duurzame industrialisatie) verhouden zich op zijn minst
ongemakkelijk met de doelen in het milieucluster. Dit is een serieuze tekortkoming
aangezien de toestand van de planeet een robuuste mondiale milieuagenda nodig maakt
die niet wordt gedomineerd door een te eenzijdige economische agenda.
Deze paragraaf zoomt in op SDG13 uit het ‘milieucluster’. Klimaatverandering treft
mensen en gemeenschappen onafhankelijk van hun aandeel in de veroorzaking ervan.
Juist de meest kwetsbare groepen, waaronder mensen die in armoede leven, kinderen,
minderheden en inheemse volken, ondergaan de grootste negatieve gevolgen.112
110 Zie: <https://www.ohchr.org/Documents/Publications/Session5_OHCHR_SDG_HR_Table.pdf>.
111 Kim, R.E. (2016), The Nexus between International Law and the Sustainable Development Goals,
      Review of European, Comparative & International Environmental Law, 25(1), p. 18; Scholtz, W. &
      Barnard, (2018), ‘The environment and the Sustainable Development Goals: ‘We are on a road to
      nowhere’, in: French, D., Kotzé, L. J., (eds.), (2018), Sustainable Development Goals: Law, Theory and
      Implementation. Cheltenham: Edward Elgar Publishing, p. 231.
112 Patz, J. (2015), Climate Change, Human Rights and Social Justice, Annals of Global Health, 81(3),
      pp. 310-322.
                                                          36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>Tegenvallende oogsten en het dalen van economische productiviteit, verwoestijning,
gezondheidseffecten (ziekte en sterfte) en migratiestromen als gevolg van toegenomen
extreme weersomstandigheden zijn al vastgestelde effecten van klimaatverandering.113
Deze doen zich momenteel vooral voor in ontwikkelingslanden. Naar schatting raken
jaarlijks gemiddeld 21,5 miljoen mensen ontheemd als gevolg van klimaat-gerelateerde
risico’s (2008-2015), met name in Azië.114 Een aantal recente internationale
rapporten115 geeft aan dat de gevolgen van klimaatverandering de komende decennia
groter en sneller voelbaar zullen zijn, ook in ontwikkelde landen. Het VN-klimaatpanel
(IPCC) meent dat de aarde reeds in de buurt van een kantelpunt zit waarna
klimaatverandering niet meer te stoppen zal zijn.
Al geruime tijd wordt gestreefd naar internationale samenwerking om klimaatverandering
tegen te gaan. In Agenda 2030 heeft zich dat vertaald in een aparte SDG. Tegelijkertijd
erkent Agenda 2030 dat het VN-klimaatverdrag (1992) en het Akkoord van Parijs (2015)
de basis vormen voor de internationale aanpak van klimaatverandering.116 De vraag is
in hoeverre SDG13 dan nog toegevoegde waarde biedt, anders dan als erkenning van
de relevantie van het klimaatthema voor duurzame ontwikkeling en als een terugvaloptie
voor de landen die het Akkoord van Parijs niet hebben ondertekend of hebben
geratificeerd.
II.3.1    SDG13 en mensenrechten
De positie van milieurechten binnen het geheel van de mensenrechten is nog onvoldoende
duidelijk en moet worden verbreed, zowel nationaal als internationaal. De relatie tussen
mensenrechten en het milieu heeft zich de afgelopen jaren voornamelijk (indirect)
ontwikkeld op basis van onder meer regionale mensenrechtenverdragen, multilaterale
verklaringen en resoluties, en de jurisprudentie van regionale mensenrechtenhoven als
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Deze bronnen erkennen dat activiteiten
die leiden tot milieuschade op gespannen voet staan met verschillende fundamentele
mensenrechten waaronder het recht op leven, het recht op privacy, het recht op welzijn
en gezondheid, het recht op een goede levensstandaard maar ook procedurele rechten
als toegang tot informatie, deelname aan politieke besluitvorming en toegang tot
de rechter.117 Er is echter nog onvoldoende overeenstemming over het recht op een
schone en gezonde leefomgeving om dat vast te leggen in een bindend multilateraal
mensenrechtenverdrag.
113 IPCC (Inter Governmental Panel on Climate Change), Climate Change: Impacts, Adaptation and Vulnerability.
     Assessment Report 5, (2014), zie: <https://www.ipcc.ch/report/ar5/wg2/>.
114 IDMC/NRC, Displacement due to natural hazard-induced disasters, June 2011, p. 4. Zie: <https://reliefweb.
     int/sites/reliefweb.int/files/resources/Full_Report_1079.pdf>.
115 Zie: IPCC, Global Warming of 1.5°C. A special report on the impacts of global warming of 1.5°C above
     pre-industrial levels, 2018 <www.ipcc.ch/report/sr15>; IEA, World Energy Outlook 2018 <https://webstore.
     iea.org/world-energy-outlook-2018>; WMO, WMO Greenhouse Gas Bulletin No. 14, 22 november 2018
     <https://library.wmo.int/doc_num.php?explnum_id=5455>.
116 A/RES/70/1, par. 31.
117 Zie: United Nations Independent Expert, Report of the Independent Expert on the issue of human rights
     obligations relating to the enjoyment of a safe, clean, healthy and sustainable environment, John H. Knox:
     Mapping Report, A/HRC/25/53 (2013).
                                                        37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>  Kader: VN-klimaatafspraken
  Het VN-Klimaatverdrag (United Nations Framework Convention on Climate Change) is een
  raamverdrag dat beoogt de concentratie aan broeikasgassen te stabiliseren op een veilig
  niveau. Het verdrag trad in 1994 in werking en is door bijna alle VN-lidstaten geratificeerd.
  Binnen het kader van het VN-klimaatverdrag is in 1997 het Kyoto-protocol gesloten en in
  2015 het Akkoord van Parijs.
  In het Akkoord van Parijs is afgesproken dat de gemiddelde temperatuur op de aarde niet meer
  dan 2 graden Celsius mag stijgen ten opzichte van het pre-industriële tijdperk en dat het streven
  is deze stijging te beperken tot maximaal 1,5 graden Celsius. Het Akkoord van Parijs trad op
  4 november 2016 in werking na ratificatie door 55 landen. Het Akkoord van Parijs is bindend,
  maar dat geldt niet voor de nationale plannen die landen maken om klimaatverandering terug
  te dringen,118 noch voor de bijdragen aan het klimaatfonds (USD 100 miljard per jaar) voor
  verbetering van het aanpassingsvermogen van (ontwikkelings)landen. Binnen het Koninkrijk der
  Nederlanden is het Akkoord van Parijs voorlopig alleen in Europees Nederland van kracht.
  Tijdens de klimaatconferentie in Katowice, Polen in december 2018 zijn de afspraken
  en doelstellingen uit het Akkoord van Parijs niet significant aangescherpt. Een negatieve
  ontwikkeling is de aankondiging van de VS om zich uit het Akkoord van Parijs terug te trekken.
  Ook andere landen, waaronder Brazilië en Saoedi-Arabië, zetten in Katowice vertragende
  tactieken in. Daar staat tegenover dat Amerikaanse klimaatactie op sub-federaal niveau, door
  staten, steden en NGO’s onverminderd wordt voortgezet.
In het VN-Klimaatverdrag wordt niet naar mensenrechten verwezen.119 Sindsdien is de
mensenrechtendimensie echter wel meer in beeld gekomen,120 mede dankzij Resolutie
7/23 (2008) over klimaat en mensenrechten van de VN Mensenrechtenraad.121
Dit heeft er mede toe geleid dat in de preambule van het Akkoord van Parijs wordt
beklemtoond dat partijen:
    ‘bij hun optreden om klimaatverandering tegen te gaan hun respectieve verplichtingen
    betreffende mensenrechten, het recht op gezondheid, de rechten van inheemse
    volken, lokale gemeenschappen, migranten, kinderen, personen met een handicap en
    mensen in kwetsbare situaties, en het recht op ontwikkeling, alsmede de
118 Het Akkoord van Parijs spreekt van ‘nationally determined contributions to the global response to
     climate change’ (NDCs).
119 Wel bepaalt artikel 3 (4) van het Verdrag: ‘De Partijen zijn gerechtigd, en dienen, duurzame ontwikkeling
     te bevorderen.’ Zie: <https://wetten.overheid.nl/BWBV0001115/2013-01-09#Verdrag_2>.
120 Zie onder andere: Sinden, A. (2007), Climate Change and Human Rights, Journal of Land, Resources
     and Environmental Law, 27, pp. 255-272; Sachs, W. (2008). Climate Change and Human Rights,
     Development, 51, pp. 332-337; Rathgeber, T. (2009), Climate Change Violates Human Rights. Berlijn:
     Heinrich Böll Foundation; Limon, M. (2009), Human Rights and Climate Change: Constructing a Case for
     Political Action, Harvard Environmental Law Review, 33, pp. 439-476.
121 Zie: <http://ap.ohchr.org/documents/e/hrc/resolutions/a_hrc_res_7_23.pdf>.
                                                     38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>    gendergelijkheid, de empowerment van vrouwen en de intergenerationele solidariteit
    dienen te eerbiedigen, te bevorderen en in aanmerking te nemen’.122
Het Akkoord van Parijs is weliswaar het eerste bindende klimaatdocument dat de
relevantie van mensenrechten bij het klimaatbeleid erkent, maar die erkenning werkt
nauwelijks door in de hoofdtekst.123 Ook Agenda 2030 bevat geen expliciete vermelding
van mensenrechten bij SDG13.
II.3.2   De binnenlandse dimensie van SDG13
Volgens het CBS heeft Nederland binnen de Europese Unie de op vier na hoogste
uitstoot van broeikasgassen per inwoner.124 Ook op andere indicatoren als het bruto
binnenlandse energiegebruik, het aandeel van hernieuwbare energie daarbinnen, en de
invoer van ‘fossiele energiedragers’ (aardolie, aardgas, steenkool) bevindt Nederland
zich in de onderste regionen van de Europese Unie.125 In juni 2015 oordeelde de
rechtbank Den Haag dat de Nederlandse Staat op grond van het EVRM haar burgers
moet beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering, en droeg de Staat op om
de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 25 procent te verminderen ten opzichte
van 1990. De zaak was aangespannen door milieuorganisatie Urgenda, samen met
bijna 900 mede-eisers. In oktober 2018 werd dit vonnis in hoger beroep bekrachtigd.
De Nederlandse staat is inmiddels in cassatie gegaan bij de Hoge Raad. Eind januari
maakte het Planbureau voor de Leefomgeving bekend dat Nederland de klimaatdoelen
voor 2020, waaronder de verlaging van de broeikasgasuitstoot, niet gaat halen.126
In het regeerakkoord-Rutte III kondigde het kabinet een Klimaatakkoord aan om de
uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 49 procent te beperken ten opzichte van
1990. Eind 2018 bereikten bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden
overeenstemming over een ontwerpakkoord met daarin een groot aantal maatregelen die
de hele samenleving zullen raken.127 In maart 2019 berekenden het Planbureau voor
de Leefomgeving en het Centraal Planbureau dat de maatregelen uit het klimaatakkoord
waarschijnlijk niet genoeg zijn om de klimaatdoelen te realiseren. De geschatte kosten
van het klimaatakkoord zullen naar verwachting oplopen tot ca. EUR 1,6-1,9 miljard per
jaar in 2030 en vallen daarmee lager uit dan geraamd.128 Het klimaatakkoord staat
los van de Klimaatwet die in december 2018 door de Tweede Kamer is aangenomen
122 Zie: <https://wetten.overheid.nl/BWBV0006603/2017-08-27>.
123 Zie ook: Hey, E., Violi, F. (2018), The hard work of regime interaction: climate change and human rights,
     Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht, Preadviezen, mededelingen nr. 145.
     Den Haag: Asser Press, pp. 1-24.
124 CBS, Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland, (2018), pp. 49-51.
125 CBS, Monitor brede welvaart 2018, (2018), pp. 106-108.
126 Zie: <https://www.pbl.nl/nieuws/nieuwsberichten/2019/doelen-urgenda-zaak-en-energieakkoord-voor-
     2020-niet-in-zicht>.
127 Zie: <https://www.klimaatakkoord.nl/documenten/publicaties/2018/12/21/ontwerp-klimaatakkoord>.
128 Planbureau voor de Leefomgeving, Effecten Ontwerp Klimaatakkoord, 13 maart 2017; Centraal
     Planbureau, Doorrekening ontwerp-Klimaatakkoord, CPB-notitie, maart 2019.
                                                      39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>en waarin is vastgelegd dat Nederland in 2050 nagenoeg klimaatneutraal moet zijn
(vermindering van de CO2-uitstoot met 95 procent ten opzichte van 1990).
II.4        SDG16: Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen
  SDG 16: VREDE, RECHTVAARDIGHEID EN                                    Bijbehorende mensenrechten
                STERKE INSTITUTIES
 Bevorder rechtvaardige, vreedzame en inclusieve             Recht op leven, vrijheid en persoonlijke veiligheid
 samenlevingen voor duurzame ontwikkeling, zorg               [UVRM art. 3; IVBPR art. 6(1), 9(1); ICPED art. 1]
 voor toegang tot het recht voor iedereen en bouw             waaronder vrijheid van foltering
 aan effectieve, verantwoordingsplichtige en                  [UVRM art. 5; IVBPR art. 7; CAT art. 2; CRC art. 37(a)]
 inclusieve instituties op alle niveaus
                                                             Bescherming van kinderen tegen alle vormen van geweld,
 Doelstellingen omvatten het terugdringen van alle            misbruik en uitbuiting
 vormen van geweld, het beëindigen van geweld tegen en        [CRC art. 19, 37(a)), waaronder mensenhandel (CRC art. 34-
 de handel in kinderen, het bevorderen van de rechtsstaat     36; CRC–OP1)]
 en toegang tot het recht voor iedereen, het terugdringen
 van illegale geld- en wapenstromen, corruptie en            Recht op toegang tot de rechter en een eerlijk proces
 omkoping, het ontwikkelen van effectieve instituties, het    [UVRM art. 8, 10; IVBPR art. 2(3), 14-15; CEDAW art. 2(c)]
 deelnemen aan de besluitvorming op alle niveaus en een
 juridische identiteit voor iedereen.                        Recht op rechtspersoonlijkheid
                                                              [UVRM art. 6; IVBPR art. 16; CRPD art. 12]
                                                             Recht om deel te nemen aan het openbaar bestuur
                                                              [UVRM art. 21; IVBPR art. 25]
                                                             Recht op toegang tot informatie
                                                              [UVRM art. 19; IVBPR art. 19(1)]
Bron: Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights.129 Zie bijlage II voor een
overzicht van belangrijke mensenrechtenverdragen.
Sinds lange tijd maken begrippen als goed bestuur, rechtsstaat, rechtvaardigheid, vrede
en veiligheid deel uit van het debat binnen de VN over ontwikkelingsbeleid. Staten hebben
erkend dat goed bestuur en de rechtsstaat essentieel zijn voor economische groei,
duurzame ontwikkeling en het beëindigen van armoede en honger.130 Ook Agenda
2030 benadrukt deze onderlinge afhankelijkheid.131 Toch kon geen overeenstemming
worden bereikt over een concreet doel. In plaats daarvan is gekozen voor de formulering
‘Bevorder vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling,
verzeker toegang tot justitie voor iedereen en creëer op alle niveaus doeltreffende,
verantwoordelijke en open instellingen’ (SDG16).
Enerzijds kan men constateren dat SDG16 onduidelijk en verwarrend is, omdat het een
eenduidig doel mist en verwijst naar verschillende ruime begrippen als vrede en veiligheid,
rechtsstaat, goed bestuur en toegang tot justitie. De samenhang is niet bijzonder duidelijk.
Anderzijds is SDG16 evident een verbetering ten opzichte van de Millennium Development
Goals. De Millennium Verklaring refereerde weliswaar ook aan het belang van de rechts-
staat in combinatie met democratie, en naleving van internationale verplichtingen en
geschillenbeslechting maar aan deze zaken werden geen concrete doelen verbonden.
129 Zie: <https://www.ohchr.org/Documents/Publications/Session5_OHCHR_SDG_HR_Table.pdf>.
130 United Nations General Assembly, 2005 World Summit Outcome, 24 October 2005, A/RES/60/1, par. 11;
       Arajärvi, N. (2017), The Rule of Law in the 2030 Agenda, KFG Working Paper Series, 9, pp. 6-20.
131 A/RES/70/1, par. 8, 9, 35.
                                                             40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>II.4.1    SDG16 en mensenrechten
Vrede en veiligheid
Instabiliteit en conflict ondermijnen ontwikkeling en mensenrechten in de kern.
Oorlog, mensensmokkel, (huiselijk) geweld tegen vrouwen en kinderen, en seksueel
misbruik vormen evidente schendingen van mensenrechten en menselijke waardigheid.
Illegale wapenhandel en georganiseerde misdaad hebben eveneens serieuze
mensenrechtenimplicaties. Wereldwijd zijn er 40 miljoen ontheemden en ruim 25 miljoen
vluchtelingen. 85 procent van hen bevindt zich in ontwikkelingslanden.132 Specifieke
cijfers voor mensensmokkel zijn onbekend. Naar schatting zijn ruim 40 miljoen mensen
slachtoffer van moderne slavernij, waarvan 24,9 miljoen mensen om gedwongen
werk te verrichten en 15,4 miljoen mensen om te trouwen. In 17 procent van de
gevallen van gedwongen werk is het slachtoffer een kind.133 Op deze onderwerpen zijn
(mensenrechten)verdragen en internationale afspraken van kracht die kunnen worden
gebruikt om de voortgang van SDG16 te bevorderen.
In 2009 benadrukte de AIV reeds dat een basisniveau van veiligheid essentieel is voor
de ontwikkeling van de staat.134 Het gaat daarbij niet alleen om fysieke veiligheid,
maar ook om minimale voorzieningen op onder meer sociaaleconomisch gebied en
op het gebied van mensenrechten en de rechtsstaat. Daarbij verdient vooral ook de
vaak kwetsbare positie van vrouwen en meisjes aandacht (SDG5). Zonder een veilige
basis kan geen ontwikkeling plaatsvinden en ontwikkeling als zodanig verschaft geen
veiligheid. Basisveiligheid betekent niet dat alle dreigingen moeten zijn overwonnen,
maar ze moeten wel op een niveau worden gehouden waarop de samenleving kan
functioneren en verder kan ontwikkelen, inbegrepen de verbetering van de rechtsorde.135
Rechtsstaat
Het invoegen van (sub)doelen met betrekking tot de rechtsstaat in Agenda 2030 was
geen uitgemaakte zaak. Voorstanders, waaronder Nederland, wilden dat de rechtsstaat
zou worden geïntegreerd als doel op zich en als voorwaarde voor het mogelijk maken
van de andere SDG’s. Tegenstanders benadrukten dat er geen eenduidig model van de
rechtsstaat bestaat en dat een goede balans moest worden gevonden tussen bevordering
van de rechtsstaat op nationaal en op internationaal niveau. Anderen stelden bovendien
dat het formuleren van een doel met betrekking tot de rechtsstaat een ongewenste
inmenging zou zijn in de bestuurlijke aangelegenheden van nationale overheden.
132 Zie: <https://www.unhcr.org/figures-at-a-glance.html>.
133 International Labour Organization (ILO), Walk Free Foundation, Global Estimates of Modern Slavery.
     Forced labour and forced marriage, (Geneva: 2017).
134 Zie: AIV, Crisisbeheersingsoperaties in fragiele staten. De noodzaak van een samenhangende aanpak.,
     nr. 64, maart 2009.
135 Zie ook: Etzioni, A. (2007), Security First: For a muscular, moral foreign policy (New Haven & London:
     Yale University Press).
                                                        41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>In SDG16 werd de notie van rechtsstaat136 daarom vervangen door toegang tot het
recht, omdat dit door diverse landen werd gezien als een meer neutrale en daarmee
acceptabele benadering. Toegang tot het recht is echter een beperkter concept dan dat
van de rechtsstaat, waar deze toegang wel onderdeel van uitmaakt. Verwarrend is voorts
dat één van de subdoelen van SDG16 wel refereert aan de rechtsstaat. Subdoel 16.3
is ‘to promote the rule of law at the national and international levels and ensure equal
access to justice for all’. Dit is overigens in het Nederlands vertaald als ‘het garanderen
van de rechtsregels op nationaal en internationaal niveau en gelijke toegang tot het
rechtssysteem voor iedereen.’ Waarom de Nederlandse vertaling niet spreekt van de
rechtsstaat is onduidelijk, vooral omdat Nederland één van de landen was die niet
gelukkig waren met het ontbreken van de term rechtsstaat in SDG16.137 Wat hiervan
ook zij, duidelijk is wel dat subdoel 16.3 ruim geformuleerd is en daarmee wellicht lastig
te meten. Het is echter niet zo dat SDG16 niet meetbaar is. Er bestaat bijvoorbeeld een
Rule of Law Index van het World Justice Programme, dat de uitvoering van de rechtsstaat
meet volgens acht factoren: beperkingen van overheidsmacht, afwezigheid van corruptie,
open bestuur, fundamentele rechten, orde en veiligheid, civiel recht, en strafrecht.138
Goed bestuur en global governance
Sinds de jaren ‘90 wordt goed bestuur (good governance) breed genoemd als een van
de belangrijkste factoren voor economische en sociale ontwikkeling. Ter illustratie:
de kosten van wereldwijde corruptie door onder meer omkoping, witwaspraktijken,
verduistering en belastingontwijking bedragen naar schatting jaarlijks ca. USD 3.600
miljard (EUR 3.100 miljard).139 Over de invulling en toepassing van het begrip ‘goed
bestuur’ bestaat internationaal echter geen overeenstemming. De internationale
financiële instellingen waaronder het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank,
de Europese Investeringsbank en andere ontwikkelingsbanken zijn geneigd om een
‘one size fits all’-benadering te hanteren in hun hulpprogramma’s en die te koppelen
aan strenge condities. De nadruk ligt daarin dikwijls op het verkleinen van de overheid,
deregulering en privatisering, en het aantrekken van buitenlandse investeringen voor
een exportgeoriënteerde economie. Ontwikkelingslanden menen daarentegen dat beter
rekening moet worden gehouden met de nationale omstandigheden.
Binnen de VN is er herhaaldelijk op gewezen dat de strenge voorwaarden van de
internationale financiële instellingen niet overeenkomen met de principes van
136 De begrippen ‘rule of law’ of rechtsstaat zijn nergens duidelijk omschreven. Over de betekenis van het
     beide begrippen heeft de AIV reeds uitgebreid gerapporteerd. Volgens deze adviezen wordt in Europa
     erkend dat democratie, rule of law/rechtsstaat en mensenrechten onlosmakelijk met elkaar verbonden
     zijn. Internationaal is deze driehoek meer omstreden. Zie: AIV, De rechtsstaat. Waarborg voor Europese
     burgers en fundament van Europese samenwerking, nr. 87, februari 2014 en AIV, De wil van het volk?
     Erosie van de democratische rechtsstaat in Europa, nr. 104, juni 2017.
137 Arajärvi, N. (2017), The Rule of Law in the 2030 Agenda, KFG Working Paper Series, 9, pp. 18-19, 28.
138 Zie: <https://worldjusticeproject.org/our-work/publications/rule-law-index-reports/wjp-rule-law-index-
     2017-2018-report>.
139 Zie: <https://www.un.org/en/events/anticorruptionday/>.
                                                      42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>economische, sociale en culturele rechten.140 Ook de economische partnerschaps-
akkoorden van de EU behelzen een stevige inperking van bijvoorbeeld een zelfstandig
handels- en industriebeleid van partnerlanden.141 Ontwikkelingslanden accepteren
deze condities vaak omdat anders geen financiële middelen ter beschikking gesteld
worden.142 Om deze redenen, en ook vanwege het groeiend aandeel van opkomende
ontwikkelingslanden in de wereldeconomie, streven zij naar grotere zeggenschap
in multilaterale instellingen. Subdoel 16.8 is daarvan het resultaat: ‘verruimen en
versterken van participatie van de ontwikkelingslanden in de instellingen van mondiaal
bestuur’.
II.4.2    De binnenlandse dimensie van SDG16
Het CBS rapporteerde over de stand van zaken van SDG16 in Nederland aan de
hand van een aantal indicatoren, waaronder het aantal geregistreerde misdrijven,
geregistreerde moord en doodslag, het aantal slachtoffers van misdrijven, het
percentage van de bevolking dat zich onveilig voelt in de eigen buurt en het aantal
gedetineerden. Deze indicatoren vertonen een dalende trend.143 Het CBS stelde voorts
vast dat het vertrouwen in instituties waaronder de politie, de rechterlijke macht, de
Tweede Kamer en de Europese Unie een stijgende lijn laat zien.144 Nederland scoort
daarmee relatief goed in Europees perspectief. Tegelijkertijd komen de door het CBS
gebruikte indicatoren maar beperkt overeen met de indicatoren die internationaal zijn
vastgesteld voor SDG16 of worden ze niet genoemd, bijvoorbeeld indicatoren over
psychologisch en seksueel geweld, en met betrekking tot mensenhandel.
140 Zie: Report of the Independent Expert on the effects of foreign debt and other related international
     financial obligations of States on the full enjoyment of all human rights, particularly economic, social and
     cultural rights, Development of guiding principles for assessing the human rights impact of economic
     reform policies, 20 December 2017, A/HRC/37/54, <https://documents-dds-ny.un.org/doc/UNDOC/
     GEN/G17/364/96/PDF/G1736496.pdf?OpenElement>. Zie ook: <http://www.brettonwoodsproject.
     org/2018/04/lost-decade-human-rights-assessing-austerity-alternatives-10-years-financial-crisis/>.
141 Zie: AIV, ACS–EU-Samenwerking na 2020: op weg naar een nieuw partnerschap?, nr. 93, mei 2015.
142 Zie: AIV, Ontwikkelingsagenda na 2015: Millennium Ontwikkelingsdoelen in perspectief, nr. 74, mei 2011.
143 CBS, Duurzame ontwikkelingsdoelen: de stand voor Nederland (2018), pp. 56-58.
144 CBS, Monitor Brede Welvaart 2018, (2018), pp. 98-99, 111-112; CBS, Vertrouwen op de kaart.
     Statistische trends, (2018).
                                                        43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>III          Mondiaal partnerschap: voorwaarde voor Agenda 2030
III.1        SDG17: Wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling
Agenda 2030 kan alleen slagen als wereldwijd en nationaal een veelvoud van actoren
samenwerken en voldoende financiële middelen beschikbaar zijn.145 Hieronder vallen
overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en burgers. De
mate waarin de internationale gemeenschap erin slaagt om dit gezamenlijke partnerschap
vorm te geven, is de ultieme test voor de bereidheid van de ondertekenaars van de
Agenda om de SDG’s daadwerkelijk te realiseren. Dat is een forse uitdaging niet in de
laatste plaats omdat nut en noodzaak van internationale samenwerking, en de daartoe
beschikbare middelen momenteel wereldwijd juist ter discussie worden gesteld.
SDG17 heeft een breed karakter en richt zich op het creëren van de politieke en
economische voorwaarden voor Agenda 2030. De subdoelen van SDG17 omvatten
een veelvoud van thema’s (financiën, technologie, capaciteitsopbouw, handel en
zogenoemde ‘systemic issues’ zoals internationale beleidscoherentie) en hebben
vooral als doel ontwikkelingslanden te ondersteunen, door middel van bijvoorbeeld
ontwikkelingshulp, technologieoverdracht en verbeterde markttoegang. Hoewel dit op
zichzelf bijzonder goede ambities zijn, ontbreekt het SDG17 echter aan een heldere
invulling van het begrip partnerschap, van de verantwoordelijkheden die ontwikkelde en
minder-ontwikkelde landen ten opzichte van elkaar hebben en de specifieke rol die de
diverse actoren (overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisatie, burgers) zouden
moeten spelen bij het behalen van de SDG’s.
 SDG 17: PARTNERSCHAPPEN OM DOELEN                                      Bijbehorende mensenrechten
                      TE BEREIKEN
 Versterk de uitvoeringsmiddelen en revitaliseer het         Recht van alle volkeren op zelfbeschikking
 wereldwijde partnerschap voor duurzame                       [IVBPR, IVESCR art. 1(1); DRtD art. 1(1)]
 ontwikkeling
                                                             Recht van alle volkeren op ontwikkeling en internationale
 Doelstellingen omvatten het versterken van nationale en      samenwerking
 internationale hulpbronnen, schuldhoudbaarheid,              [UVRM art. 28; IVESCR art. 2(1); CRC art. 4; CRPD art.
 technologische overdrachten, het opbouwen van                32(1); DRtD art. 3-5]
 capaciteit, handelsbevordering, het verbeteren van beleid
 en institutionele coherentie, het respecteren van de        Recht van eenieder om de voordelen te genieten van
 beleidsinterpretatie van landen, bevorderen van Multi-       wetenschappelijke vooruitgang en de toepassingen
 stakeholder partnerschappen, opstellen van metingen          daarvan, inclusief internationale samenwerking op
 voor vooruitgang, het gebruik van uitgesplitste data.        wetenschappelijk gebied
                                                              [UVRM art. 27(1); IVESCR art. 15(1)]
                                                             Recht op privacy
                                                              [UVRM art. 12; IVBPR art. 17], met inbegrip van eerbiediging
                                                              van de mensenrechten en ethische beginselen bij het
                                                              verzamelen en gebruiken van statistieken
                                                              [CRPD art. 31(1)]
Bron: Office of the United Nations High Commissioner for Human Rights.146 Zie bijlage II voor een
overzicht van belangrijke mensenrechtenverdragen.
145 Voor verdere uitwerking zie: AIV, Financiering van de internationale agenda voor duurzame ontwikkeling,
       Briefadvies nr. 27, april 2015.
146 Zie: <https://www.ohchr.org/Documents/Publications/Session5_OHCHR_SDG_HR_Table.pdf>.
                                                             44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>Hieronder wordt ingegaan op de rol die het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties
kunnen spelen bij de uitvoering van Agenda 2030. Deze selectie is gemaakt op basis
van de toegevoegde waarde die Nederland volgens de AIV ten aanzien van deze actoren
kan bieden. In het laatste deel van dit hoofdstuk wordt in het bijzonder ingegaan op de
Europese verbanden waarvan Nederland deel uitmaakt en hun rol in de realisering van
mensenrechten en SDG’s.
III.2      Bedrijfsleven
Anders dan de Millennium Development Goals, erkent Agenda 2030 expliciet de private
sector – ‘ranging from microenterprises to cooperatives to multinationals’147 – als
belangrijke partner voor het bereiken van de SDG’s. Juist omdat bedrijven behalve het
creëren van banen en innovatie ook een verantwoordelijkheid dragen voor mens en milieu,
is samenwerking met de private sector bij de verwezenlijking van de SDG’s cruciaal.148
Een aantal koplopers in het bedrijfsleven voert reeds actief beleid om duurzaamheid en
mensenrechten in hun bedrijfsactiviteiten te verbeteren. Maar het grootste deel loopt
nog achter. Ontwikkeling zal alleen duurzaam zijn wanneer er voldoende aandacht is voor
mensenrechten in de mondiale waardeketens (global value chains).149
Ongeveer 80 procent van de internationale handel vindt nu plaats in (productie)netwerken
van transnationale ondernemingen.150 Volgens schattingen van de Internationale
Arbeidsorganisatie (ILO) zorgen deze mondiale waardeketens in 40 landen (samen goed
voor 85 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product) voor 453 miljoen formele
banen.151 Buiten beschouwing blijven de honderden miljoenen informele banen die
verbonden zijn aan de ketens. De ILO schat dat zo’n 780 miljoen mensen niet voldoende
verdienen om zichzelf en hun familie uit de armoede te halen. Bovendien zullen er, om
de groei van de beroepsbevolking bij te houden tot 2030 ieder jaar 40 miljoen nieuwe
banen bij moeten komen.152 De ILO schat voorts dat wereldwijd zo’n 25 miljoen mensen
147 A/RES/70/1, par. 41. Zie ook: Addis Ababa Action Agenda on financing for development,
      A/RES/69/313.
148 Zie: Business, Human Rights And The Sustainable Development Goals Forging A Coherent Vision And
      Strategy, A paper from Shift commissioned by the Business and Sustainable Development Commission,
      November 2016, Zie:<https://s3.amazonaws.com/aws-bsdc/BSDC-Biz-HumanRights-SDGs.pdf>.
149 Deze conclusie trok de AIV reeds in diverse eerdere adviezen. Zie: AIV: Private sector ontwikkeling
      en armoedebestrijding, nr. 50, oktober 2006; AIV, Ongelijke werelden: armoede, groei, ongelijkheid en
      de rol van internationale samenwerking, nr. 80, oktober 2012; AIV, Wisselwerking tussen actoren in
      internationale samenwerking: naar flexibiliteit en vertrouwen, nr. 82, februari 2013; AIV, Nieuwe wegen
      voor internationale milieusamenwerking’, nr. 84, maart 2013.
150 United Nations Conference on Trade and Development, World Investment Report 2013 – Global
      Value Chains: Investment and Trade for Development, 2013, p. 135. Zie: <http://unctad.org/en/
      PublicationsLibrary/wir2013_en.pdf>.
151 ILO, World Employment and Social Outlook 2015: The changing nature of jobs, (2015).
152 ILO, Decent Work and the 2030 Agenda for Sustainable Development, (2017).
                                                         45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>gedwongen aan het werk zijn, waarvan ruim 70 procent vrouwen en meisjes.153 Zo’n 152
miljoen kinderen zijn wereldwijd slachtoffer van kinderarbeid waarvan 73 miljoen onder
gevaarlijke omstandigheden werken.154
In 2016 wees de Raad van de Europese Unie onder Nederlands voorzitterschap op de
noodzaak om in het kader van de SDG’s de mondiale waardeketens te verduurzamen
met een nadruk op respect voor mensenrechten.155 De Raad verwees daarbij naar de
UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) die in 2011 door de VN-
Mensenrechtenraad zijn aangenomen. Toch krijgen zij vrij geringe aandacht in de SDG’s.
Agenda 2030 verwijst weliswaar naar de UNGP’s156 maar in de subdoelen van SDG17 is
daar weinig van terug te vinden.157
   Kader: UN Guiding Principles on Business and Human Rights
   De UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) zijn in 2011 unaniem door
   de VN Mensenrechtenraad aangenomen en zijn een belangrijke katalysator in het denken
   over de verantwoordelijkheden van bedrijven voor mensenrechtenschendingen. De UNGP’s
   onderstrepen dat bedrijven een impact kunnen hebben op alle mensenrechten.
   In de UNGP’s worden drie zaken uiteengezet:
   (i) De plicht van de staat om mensen te beschermen tegen mensenrechtenschendingen
         door bedrijven (duty to protect);
   (ii) De maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te
         respecteren (responsibility to respect);
   (iii) Het recht van slachtoffers op toegang tot rechtsmiddelen bij schending van
         mensenrechten (access to remedy).
   De UNGP’s zijn een ‘soft law’ instrument en daarom niet juridisch bindend. Dat wil echter
   niet zeggen dat de UNGP’s geen effect hebben; de corporate duty to protect rust op
   maatschappelijke verwachtingen en is intussen opgenomen in tal van internationale, regionale
   en bedrijfsstandaarden. De duty to respect is opgenomen in de OESO Richtlijnen voor
   Multinationale Ondernemingen. Diverse internationale organisaties waaronder de Europese
   Unie, de Afrikaanse Unie en de Organisatie van Amerikaanse Staten hebben richtlijnen
153 ILO & Walk Free Foundation, Global Estimates of Modern Slavery Forced labour and forced marriage,
      (2017).
154 Zie: <https://www.ilo.org/global/topics/child-labour/lang--en/index.htm>.
155 Raad van de Europese Unie, Council Conclusions on Business and Human Rights, 20 June 2016,
      Brussels, Zie: <https://ec.europa.eu/anti-trafficking/publications/council-conclusions-business-and-
      human-rights-foreign-affairs-council_en>.
156 UN General Assembly, A/RES/70/1, par. 67.
157 Een uitzondering is SDG12 (Verantwoorde consumptie en productie). Subdoelstelling 12.6 luidt:
      ‘Bedrijven aanmoedigen, in het bijzonder grote en transnationale bedrijven, om duurzame praktijken
      aan te nemen en duurzaamheidsinformatie te integreren in hun rapportagecyclus.’ Rapporteren
      over duurzaamheid heeft de laatste jaren een hoge vlucht genomen. Rapporteren over impact op
      mensenrechten is onderdeel van de due diligence zoals neergelegd in de UNGP’s.
                                                       46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>   opgesteld om de UNGP’s toe te passen. Verder bestaat er steeds meer nationale wetgeving
   waarin het centrale concept in de UNGP’s, human rights due diligence, wordt vastgelegd. In
   Frankrijk is bijvoorbeeld een wettelijke zorgplicht vastgelegd voor mens en milieu voor Franse
   bedrijven die opereren in het buitenland.
Verschillende organisaties, waaronder de Working Group on Human Rights and Business
van de Verenigde Naties en de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, hebben
zorgen geuit over het vertrouwen dat wordt gelegd in de private sector om de SDG’s te
verwezenlijken terwijl er weinig gesproken wordt over het afleggen van verantwoording
(accountability) door het bedrijfsleven.158 Iedereen betrokken bij de financiering en
implementatie van de SDG’s, dus ook de private sector, zou rekenschap af moeten
leggen op het nationale en internationale niveau. Staten moeten zich houden aan de
mensenrechtenstandaarden die betrekking hebben op de SDG’s maar moeten er ook
op toezien dat derden zoals het bedrijfsleven in overeenstemming met mensenrechten
handelen. Bij het rapporteren over de voortgang van de SDG-implementatie zouden
staten daarom ook moeten rapporteren over de mate waarin nationale regelgeving,
multi-stakeholderpartnerschappen en private initiatieven in overeenstemming zijn met de
UNGP’s.159
Tot nu toe ligt het accent sterk op de positieve, vrijwillige bijdrage die het bedrijfsleven
kan brengen om de duurzaamheidsdoelstellingen dichterbij te brengen. Dit vloeit
mede voort uit de aandacht die de afgelopen jaren is gegeven aan internationaal
maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO). In het discours rond IMVO wordt
vrijwilligheid en de tegenstelling met bindende wetgeving benadrukt. Een discussie
over het adresseren van negatieve gevolgen van eigen bedrijfsactiviteiten is vaak
moeilijker.160 In Nederland zijn positieve ervaringen opgedaan met de zogeheten IMVO-
convenanten waarin bedrijven, vakbonden, maatschappelijke organisaties en overheid
vrijwillig afspraken maken om voor bepaalde bedrijfssectoren de UNGP’s in de praktijk
te brengen en misstanden op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten en milieu
te voorkomen.161 Deze innovatieve aanpak verdient internationaal navolging en is een
basis om de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij het realiseren van de SDG’s en
mensenrechten verder vorm te geven.
Ondernemen met respect voor mensenrechten is geen keuze maar een verantwoordelijkheid.
Het is aan de overheid om in een juiste mix van wet- en regelgeving de ondergrens
te bewaken en tegelijkertijd bedrijven te stimuleren de transitie naar duurzaam
ondernemen te maken. Naast samenwerking moet de overheid hierbij het middel
van bindende regelgeving niet uit de weg gaan. Interessant is dat verschillende grote
bedrijven die zich inzetten voor duurzaamheid en mensenrechten, ook aangeven daar
158 Zie: <https://www.business-humanrights.org/sites/default/files/documents/UNWG-SDG-
     recommendations-30-Jun-2017.pdf>.
159 Zie: <http://www.ohchr.org/Documents/Issues/MDGs/Post2015/AccountabilityAndThePost2015
     Aagenda.pdf>.
160 Shift, (2016), Business, Human Rights And The Sustainable Development Goals Forging A Coherent Vision
     And Strategy, pp. 30-32. Zie: <http://s3.amazonaws.com/aws-bsdc/BSDC-Biz-HumanRights-SDG’s.pdf>.
161 Zie: <www.imvoconcevanten.nl>.
                                                   47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>een voorstander van te zijn met het argument dat dit een gelijk speelveld voor bedrijven
(level playing field) creëert.162 De private sector kan dus gebaat zijn bij duidelijke wet- en
regelgeving op het gebied van mensenrechten.
In een werkgroep van de VN Mensenrechtenraad163 worden momenteel de mogelijkheden
verkend voor een bindend verdrag over mensenrechten en bedrijfsleven. De landen
die hiertoe het initiatief hebben genomen – waaronder Ecuador – willen daarin alleen
afspraken maken voor bedrijven met ‘grensoverschrijdende activiteiten’. De EU en
Nederland164 vinden daarentegen dat een dergelijk verdrag voor alle bedrijven zou
moeten gelden, niet alleen voor transnationale ondernemingen. De vrees is dat anders
met name Westerse bedrijven aan het verdrag gebonden zullen zijn. Daarnaast willen de
EU en Nederland dat het verdrag de UNGP’s moet ondersteunen. In de zero draft tekst
die Ecuador in juli 2018 heeft gepresenteerd, worden de UNGP’s niet genoemd. Het is
nog niet duidelijk of en wanneer dit proces tot formele onderhandelingen zal leiden.165
III.3      Maatschappelijke organisaties
Onder maatschappelijke organisaties of maatschappelijk middenveld verstaat de AIV het
geheel van georganiseerde inspanningen – formeel of informeel – vanuit groepen in de
samenleving, die een eigen groepsbelang of het algemeen, publieke belang nastreven.
Het begrip is breder dan niet-gouvernementele organisaties en omvat ook verenigingen
met een economisch of sociaal doel zoals vakbonden, coöperaties, associaties
met een religieuze achtergrond en informele groepen die zichzelf organiseren. Ook
jongerenorganisaties, academische instellingen, politieke en culturele organisaties en
gemeenschappen, milieuorganisaties en onafhankelijke media maken onderdeel uit van
het maatschappelijk middenveld.
Maatschappelijke organisaties zijn nauw betrokken geweest bij de onderhandelingen
over de SDG’s en worden in Agenda 2030 aangemerkt als partner voor het realiseren
van de duurzame ontwikkelingsdoelen, 166 in aanvulling op de primaire verplichtingen
162 Deze conclusie trok de AIV na een aantal interviews met vertegenwoordigers van grote bedrijven ten behoeve
      van het advies Daadkracht door de Dutch Diamond: ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame
      ontwikkelingsdoelen, nr. 99, april 2016.
163 ‘Open-ended intergovernmental working group on transnational corporations and other business
      enterprises with respect to human rights.’ Zie: <https://www.business-humanrights.org/en/binding-
      treaty/intergovernmental-working-group-sessions>.
164 Gezien het thema handel en mensenrechten is er sprake van een gezamenlijke bevoegdheid van de EU
      en de lidstaten.
165 Kamerstuk 32735, nr. 210.
166 A/RES/70/1, par. 52 en 60.
                                                        48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>van staten.167 Hun rol omvat een breed palet aan activiteiten.168 De effectiviteit
daarvan vergt een grote mate van afstemming en samenwerking tussen ontwikkelings-
en mensenrechtenorganisaties.169 Allereerst kunnen maatschappelijke organisaties,
in samenwerking met overheden, bedrijfsleven en andere actoren, de SDG’s vertalen
naar de nationale context. Ieder land maakt idealiter een eigen (ontwikkelings)plan
om, op basis van nationale prioriteiten, de SDG’s te realiseren. Maatschappelijke
organisaties kunnen daaraan vanuit hun specifieke expertise en netwerken input leveren
en vervolgens bijdragen aan de uitvoering. Met name in ontwikkelingslanden waar de
capaciteit van de overheid vaak nog beperkt is, spelen maatschappelijke organisaties
een belangrijke rol bij het organiseren van basisvoorzieningen voor burgers, bijvoorbeeld
op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en voedselvoorziening.
Deze rol – die van serviceprovider – is een tweede manier waarop maatschappelijke
organisaties hun SDG-partnerschap kunnen invullen.
Vanuit het oogpunt van de mensenrechtenbenadering (zie Hoofdstuk I) zijn het
maatschappelijke organisaties die enerzijds overheden en bedrijfsleven (duty bearers)
kunnen aanspreken op hun verantwoordelijkheden om de duurzame ontwikkelingsdoelen
en mensenrechten te realiseren, en anderzijds burgers (right holders) bewust te maken
van zowel de SDG’s als de rechten waarop zij een beroep kunnen doen. Door middel
van bijvoorbeeld training kunnen maatschappelijke organisaties de weerbaarheid en
(politieke) participatie van met name gemarginaliseerde groepen vergroten. Daar waar
het publieke belang en de rechten van (groepen) burgers niet vanzelfsprekend door de
staat worden erkend en nageleefd, is het aan de maatschappelijke organisaties en vrije
media om schendingen aan de kaak te stellen en te ijveren voor correctie, en waar nodig
voor wetgeving en de naleving ervan. 170
Ten slotte kunnen maatschappelijke organisaties een bijdrage leveren aan het toezicht
op de voortgang van de SDG’s en de naleving van mensenrechten. Door hun contacten
en netwerken in het veld, dichtbij de bevolking, zijn zij veelal goed geïnformeerd. Dit
kunnen zij inzetten voor verzamelen van data, zoals op het gebied van milieuonderzoek.
In aanvulling op rapportages van nationale overheden, vormen rapportages van
maatschappelijke organisaties een essentiële bron van informatie voor VN-instellingen
en andere internationale organisaties.
167 Zie: Committee on Economic, Social and Cultural Rights, General comment No. 24 on state obligations
     under the International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights in the context of business
     activities, 23 June 2017, UN Doc. E/C.12/GC/24.
168 Aho, E. & Grinde, J. (2017). Shrinking Space for civil society – challenges in implementing the 2030
     agenda, ForumSyd, pp. 20-22; Democracy Development Programme (2016).The roles of civil society in
     localising the sustainable development goals, position paper prepared for the African Civil Society Circle.
169 Zie: <https://www.opendemocracy.net/openglobalrights/mart-n-abreg/new-strategies-for-tackling-
     inequality-with-human-rights>.
170 Zie: <https://geneva.usmission.gov/2011/09/15/civil-society-promoting-all-human-rights/>.
                                                      49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Belemmering van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers (‘shrinking
civic space’)
Het is bijzonder zorgwekkend dat de bovengenoemde rol van maatschappelijke
organisaties de afgelopen jaren in toenemende mate doelbewust wordt ingeperkt door
overheden in minder of niet-democratische landen. Dat gebeurt op meerdere manieren,
bijvoorbeeld door de invoering van restrictieve wetgeving met een beroep op nationale
veiligheid, het bemoeilijken of verbieden van financiële ondersteuning door buitenlandse
donoren, verplichte registratie, reisverboden, administratieve pesterijen zoals een
tijdelijke sluiting op basis van arboregels, inperking van de persvrijheid, het propageren
van desinformatie over vermeende buitenlandse inmenging in eigen aangelegenheden,
en intimidatie of vervolging van activisten.171
In 1998 nam de Algemene Vergadering van de VN de Verklaring over Mensenrechten-
verdedigers aan.172 Tien jaar later stelde de EU de EU-richtlijnen voor mensenrechten-
verdedigers vast.173 Desondanks werden in 2017 in ca. 109 landen – meer dan de helft
van het aantal VN-lidstaten – de activiteiten van maatschappelijke organisaties en
mensenrechtenverdedigers belemmerd door dergelijke overheidsmaatregelen. Volgens
Civicus (een mondiaal samenwerkingsverband van NGO’s) kunnen maatschappelijke
organisaties in slechts 26 landen zelfstandig en in volledige vrijheid opereren.174
Daarnaast bestaan voorbeelden waarin landen, waaronder de VS, Rusland, China, Egypte
en Argentinië, zich inspannen om de toegang van maatschappelijke organisaties tot de VN-
instellingen te belemmeren.175
Een tweede oorzaak van de krimpende ruimte voor het maatschappelijk middenveld
is gelegen in het beleid van donorlanden. Uit evaluaties blijkt dat coalitievorming
tussen maatschappelijke organisaties van groot belang is, zowel nationaal als tussen
organisaties in rijkere landen en in ontwikkelingslanden.176 Dit wordt echter bemoeilijkt
doordat donoren veelal geen prioriteit geven aan steun aan maatschappelijke
organisaties in middeninkomenslanden. Tevens kunnen donoren beducht zijn voor het
politieke karakter van mensenrechtenactiviteiten. Dat leidt tot financiële onzekerheid
171 Aho, E. & Grinde, J. (2017), Shrinking Space for civil society – challenges in implementing the 2030
     agenda, ForumSyd.
172 UN General Assembly, Declaration on the Right and Responsibility of Individuals, Groups and Organs of
     Society to Promote and Protect Universally Recognized Human Rights and Fundamental Freedoms,
     A/RES/53/144 (1998). Zie: <https://www.ohchr.org/en/issues/srhrdefenders/pages/declaration.aspx>.
173 Zie: <https://eeas.europa.eu/headquarters/headquarters-homepage_en/3958/EU%20Guidelines%20
     on%20Human%20Rights%20Defenders>.
174 Civicus Monitor, Tracking Civic Space: Zie: <https://monitor.civicus.org/>. Zie ook: Amnesty
     International, Laws designed to silence: the global crackdown on civil society organisations, February
     2019.
175 Zie: International Service for Human Rights, The backlash against civil society access and participation at
     the UN. Intimidation, restrictions and reprisals: 10 case studies, Geneva (2018).
176 IOB, ‘Opening doors and unlocking potential, key lessons from an evaluation on support for policy
     influencing, lobbying and advocacy (PILA)’, 2017.
                                                         50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>en bedreigt de duurzaamheid van deze organisaties.177 De noodzaak van langdurige
basisfinanciering is al eerder door de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en
Beleidsevaluatie (IOB) bepleit, in plaats van de traditionele project- of zelfs programma-
aanpak die ontwikkelingssamenwerking vaak voorstaat.178
III.4     Europese samenwerking
III.4.1 Europese Unie
De Europese Unie speelde een actieve rol in de onderhandelingen over Agenda 2030
en de duurzame ontwikkelingsdoelen. Vervolgens presenteerde de Europese Commissie
in november 2016 in een Mededeling179 – een soort discussiestuk ten behoeve van de
EU-lidstaten – de Europese respons op Agenda 2030. Volgens de Mededeling is de EU
vastbesloten tot de voorhoede te behoren wat betreft de uitvoering van Agenda 2030 en
de SDG’s, in samenwerking met de lidstaten, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel.
Dat laatste betekent dat de EU alleen optreedt wanneer dat doeltreffender is dan
wanneer de lidstaten zelf maatregelen nemen: landelijk, provinciaal of gemeentelijk. De
lidstaten van de EU zijn dus eerstverantwoordelijk voor het behalen van de SDG’s.
Intern
In de Mededeling schetst de Commissie twee manieren waarop de Unie Agenda 2030
ter hand kan nemen. Ten eerste door de SDG’s te integreren in het gehele EU-beleid en
in het werk van de Commissie. 180 Ten tweede door na te denken over een Europese
duurzaamheidsstrategie voor na 2020. Deze zal worden uitgevoerd door een nieuwe
Commissie die naar verwachting in 2019 aantreedt met een nieuw Meerjarig Financieel
Kader voor de periode 2021-2027.
Naar aanleiding van de Mededeling verzocht de Raad van Ministers de Commissie om
medio-2018 met een gedetailleerd plan te komen hoe Agenda 2030 in al het EU-beleid
kan worden doorgevoerd.181 In dit discussiestuk (Reflection Paper),182 dat in januari
2019 is verschenen, worden drie mogelijke scenario’s voor de nieuwe Commissie
geschetst. Het eerste scenario gaat uit van een overkoepelende EU-strategie waarbij alle
SDG-maatregelen van de EU en de lidstaten worden gecoördineerd en worden voorzien
van concrete en tijdgebonden doelstellingen. In het tweede scenario worden de SDG’s
geïntegreerd in het EU-beleid maar zijn er geen verplichte maatregelen voor de lidstaten.
177 Zie: Pratt, B. (2016), Special issue overview: civil society sustainability, Development in Practice, 26(5),
      pp. 527-531.
178 IOB, Evaluation of Dutch support to human rights projects 2008-2011, p. 16.
179 Europese Commissie, Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst, Straatsburg,
      22 november 2017, COM(2016) 739 final.
180 Voor de beleidsprioriteiten van de huidige Europese Commissie, zie: <https://ec.europa.eu/
      commission/priorities_nl>.
181 Raad van de Europese Unie, A sustainable European future: The EU response to the 2030 Agenda for
      Sustainable Development – Council Conclusions, (10370/17), 20 June 2017.
182 Zie:<http://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/1/2019/NL/COM-2019-22-F1-NL-MAIN-PART-1.PDF>.
                                                      51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>Het derde scenario benadrukt vooral de rol die de EU kan spelen om andere landen
te helpen bij het behalen van de SDG’s. In het Reflection Paper wordt niet expliciet
ingegaan op de rechtendimensie van de SDG’s.
Op basis van gegevens van de EU-lidstaten rapporteert Eurostat – het statistisch bureau
van de Europese Unie – al jaarlijks over de uitvoering van de SDG’s binnen de EU.183 De
indicatoren die in deze voortgangsrapportage gebruikt worden, komen deels overeen met
de indicatoren die binnen de VN voor de SDG’s zijn vastgesteld.
Om het idee van partnerschap concreet vorm te geven, heeft de Commissie in mei
2017 een high-level multistakeholder platform ingesteld dat de Commissie adviseert
bij de uitvoering van Agenda 2030 en het opstellen van het bovengenoemde Reflection
Paper. Het platform staat onder voorzitterschap van de eerste vicevoorzitter van de
Europese Commissie, Frans Timmermans, en bestaat uit 30 vertegenwoordigers van
niet-gouvernementele organisaties, kennisinstellingen, het bedrijfsleven, het Europees
Economisch en Sociaal Comité en het Europees Comité van de Regio’s. Organisaties
zoals het European Sustainable Development Network zijn waarnemer.
In november 2017 heeft de Raad van Ministers een (ambtelijke) SDG-werkgroep
ingesteld waarin de lidstaten overleggen over de interne, externe en multilaterale
uitvoering van de SDG’s. Het mandaat van de werkgroep is breed omschreven – ‘to
regularly follow-up, monitor and review the implementation of the 2030 Agenda for
Sustainable Development across internal and external policies at the EU level’184 – terwijl
ook andere raadswerkgroepen zich bezighouden met onderwerpen die raken aan Agenda
2030 zoals milieu, ontwikkelingssamenwerking en mensenrechten.
Extern
In de Global Strategy voor het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid
(GBVB) van de EU wordt het behalen van de SDG’s omschreven als voorwaarde voor het
realiseren van welvaart: ‘While a prosperous Union is the basis for a stronger Europe in
the world, prosperity must be shared and requires fulfilling the Sustainable Development
Goals (SDGs) world wide, including Europe.’185 De duurzame ontwikkelingsdoelen worden
voorts vooral gepresenteerd als een dwarsdoorsnijdend thema binnen het GBVB-
beleid in plaats van een beleidsterrein waarvoor een gerichte EU-aanpak moet worden
geformuleerd.186
183 Zie voor de rapportage voor 2018: <https://ec.europa.eu/eurostat/documents/3217494/9237449/
     KS-01-18-656-EN-N.pdf/2b2a096b-3bd6-4939-8ef3-11cfc14b9329>.
184 2030 Agenda for Sustainable Development: establishment and mandate of a dedicated Working Party,
     24 November 2017 (14809/17).
185 Shared Vision, Common Action: A Stronger Europe. A global strategy for the European Union’s foreign and
     security policy, June 2016, p. 14, zie: <https://europa.eu/globalstrategy/en/shared-vision-common-
     action-stronger-europe>.
186 Ibid., p. 50: ‘Echoing the Sustainable Development Goals, the EU will adopt a joined-up approach to its
     humanitarian, development, migration, trade, investment, infrastructure, education, health and research
     policies, as well as improve horizontal coherence between de EU and its Member States.’
                                                       52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>De Europese SDG-inzet is het meest concreet uitgewerkt in het ontwikkelings-
samenwerkingsbeleid van de Unie. De EU is de grootste donor van ontwikkelingshulp
ter wereld. In 2017 kwamen de lidstaten, de Commissie en het Europees Parlement
‘De nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling’ overeen.187 In de consensus
worden Agenda 2030 en het behalen van de SDG’s omschreven als het kader voor
de Europese ontwikkelingsactiviteiten in de komende jaren. Armoedebestrijding blijft
het overkoepelende doel. Daarbij verbinden de EU en haar lidstaten zich aan ‘een op
rechten gebaseerde aanpak van ontwikkelingssamenwerking, die alle mensenrechten
omvat.’188 In de consensus wordt tevens meer coördinatie en coherentie tussen de EU
en de lidstaten aanbevolen.
Grondrechtenagentschap
Het Europese Grondrechtenagentschap houdt zich met name bezig met onderzoek
en dataverzameling op het gebied van grondrechten in de Europese Unie en de
lidstaten. Het probeert de mensenrechtendimensie van Agenda 2030 nader voor
Europa in te vullen door de SDG’s te betrekken in zijn onderzoek en de bestaande
mensenrechtenonderzoeken te koppelen aan de verschillende SDG’s.189 EU-lidstaten
kunnen deze informatie gebruiken om hun nationale SDG-rapportages te verbeteren. In
de 2019 editie van het jaarlijkse ‘Fundamental Rights Report’ van het Agentschap zal
een themahoofdstuk over ‘mensenrechten en SDG’s’ worden opgenomen.
III.4.2 Raad van Europa
Bij de Raad van Europa zijn 47 staten aangesloten. De organisatie werd opgericht om de
democratie, rule of law of rechtsstaat en mensenrechten in Europa te beschermen. Vanuit
dat kader is het begrijpelijk dat de Raad van Europa heeft aangegeven te willen bijdragen
aan het partnerschap voor de duurzame ontwikkelingsdoelen. In het document Council
of Europe Contribution to the United Nations 2030 Agenda for Sustainable Development
goals190 staat samengevat op welke SDG’s de Raad van Europa een aanvullende rol kan
spelen, met name op het gebied van monitoring, accountability en technische assistentie.
De Raad heeft een uitgebreid stelsel van (rechtsstatelijke) standaarden ontwikkeld,
onder meer via de resoluties van de Parlementaire Vergadering, dat kan worden gebruikt
als indicator voor de SDG’s. Het verdragssysteem van de Raad van Europa omvat ruim
220 verdragen, deelakkoorden, conventies en protocollen, waarvan sommige ook open
staan voor niet-Europese landen. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden is het meest bekend. Daarnaast heeft de
jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens raakvlakken met
vrijwel alle SDG’s.
187 Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de
     lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie, De nieuwe
     Europese consensus inzake ontwikkeling ‘onze wereld, onze waardigheid, onze toekomst’, Joint statement
     by the Council (2017/C 210/01), 30 juni 2017.
188 Ibid., par. 16.
189 Zie: <https://www.sdgwatcheurope.org/wp-content/uploads/2018/06/SDGs_Overview-Relevant-
     Fundamental-Rights-Agency-studies.pdf>.
190 Zie: <https://www.coe.int/en/web/un-agenda-2030/home?desktop=true>.
                                                      53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Een belangrijk mensenrechteninstrument van de Raad van Europa is het Europees
Sociaal Handvest.191 In het Handvest is een aantal sociaaleconomische rechten
vastgelegd die direct verband houden met de SDG’s, waaronder het recht op
bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting (SDG1), het recht op veilige en
hygiënische arbeidsomstandigheden (SDG3), het recht van werknemers op gelijke
kansen en gelijke behandeling (SDG5), en de vrijheid van vereniging voor werkgevers
en werknemers en het recht om collectief te onderhandelen (SDG8). Het Europees
Comité voor Sociale Rechten (ECSR) ziet erop toe dat de lidstaten van de Raad van
Europa de sociaaleconomische mensenrechtenstandaarden van het Handvest naleven.
Het Comité maakt het resultaat van deze juridische toetsing bekend in zogenaamde
Conclusions. Daarnaast publiceert het ECSR beslissingen (Decisions) op klachten onder
de klachtenprocedure van het Europees Sociaal Handvest. Zowel de Conclusions als de
Decisions hebben sterke raakvlakken met vrijwel alle SDG’s.
Op het gebied van mensenrechten en rechtsstaat valt ook te denken aan de
werkzaamheden van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Europese
Commissie voor Democratie door Recht (Commissie van Venetië). Deze Commissie
biedt advies aan elke staat die zijn wetten en politieke instellingen wil hervormen.
Het Comité van Ministers van de Raad van Europa houdt onder andere toezicht op
de tenuitvoerlegging van de arresten van het Europese Hof en beoordeelt in laatste
instantie klachten over niet-naleving van het Europees Sociaal Handvest. Ook ligt hier
een rol voor de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.
Bijna alle instellingen van de Raad van Europa houden zich bezig met activiteiten
die vallen onder SDG16 (Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en recht voor
iedereen) maar de Raad van Europa is ook actief op andere SDG’s. Op de website
van de Raad van Europa192 is een overzicht te vinden waarin wordt aangegeven welke
instellingen van de Raad van Europa activiteiten ontwikkelen op welke SDG.
191 Zie: <https://wetten.overheid.nl/BWBV0001800/2006-07-01/0/#Verdrag_2/Verdragtekst_1>.
192 Zie: <https://rm.coe.int/un-sdgs-and-cooperation-activities/16808acd54>.
                                                   54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>IV       Toezicht en verantwoording
In de inleiding van Hoofdstuk II is vermeld dat Agenda 2030 weliswaar is verankerd in de
mensenrechten maar dat dit in de SDG’s, subdoelen en indicatoren193 slechts beperkt
is uitgewerkt. Dit komt onder meer tot uiting in het SDG-rapport van de Verenigde
Naties voor 2018. De term human rights wordt daarin slechts vijf keer genoemd,
voornamelijk in relatie tot SDG16 (Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en
recht voor iedereen).194 Er is dus nog de nodige ruimte voor verbetering. Een van de
gebieden – hoewel politiek minder zichtbaar – waarop de verbinding tussen SDG’s en
mensenrechten in praktische zin het meest kan worden versterkt is op het terrein van
monitoring en verantwoording (accountability). Voor beide zijn structuren van toezicht
ontwikkeld en de vraag is of die ook ten opzichte van elkaar goed kunnen functioneren
c.q. waar dit verder zou kunnen worden ontwikkeld. Uitgangspunt moet zijn dat de
monitoring en verantwoording plaatsvindt op basis van (wetenschappelijke) verifieerbare
feiten. Internationale consensus over de indicatoren vergemakkelijkt aanvaarding van de
resultaten die uit het toezicht voortkomen.
IV.1     Monitoringsstructuur mensenrechten en Agenda 2030
IV.1.1 Mensenrechten
Binnen de VN vindt het mensenrechtentoezicht allereerst plaats door de VN Mensen-
rechtenraad waaronder ook de Universal Periodic Review (UPR) valt. De UPR is een
internationaal mensenrechteninstrument waarmee alle 193 VN-lidstaten elkaar
beurtelings in de vorm van een interactieve dialoog bevragen over elkaars binnenlandse
mensenrechtensituatie. Dit systeem voorziet de Mensenrechtenraad periodiek van
Nationale Rapporten plus additionele informatie uit zowel VN-organisaties als maatschap-
pelijke organisaties. Nationale Mensenrechteninstituten kunnen ter voorbereiding van de
UPR van hun land eigen rapporten over de nationale mensenrechtensituatie inbrengen.
Ook hebben zij als waarnemer – onder voorwaarden – de mogelijkheid de Raad toe te
spreken direct na de overheidsdelegatie van hun land.195 De UPR resulteert voor iedere
VN-lidstaat in een rapport met aanbevelingen. Staten worden geacht aan te geven of zij
deze aanbevelingen al dan niet overnemen.
193 Zie: <https://undocs.org/A/RES/71/313>.
194 United Nations, The Sustainable Development Goals Report 2018, New York (2018).
195 Het betreft nationale mensenrechteninstituten met een zogeheten ‘A-status’, d.w.z. dat zij voldoen aan
     een aantal voorwaarden (de Paris Principles) die in VN-verband zijn vastgesteld. Zie voor een uitgebreide
     beschrijving van de rol van nationale mensenrechteninstituten in het UPR-proces: <https://www.ohchr.
     org/Documents/HRBodies/UPR/InfoNoteNHRIUPR2ndCycle.pdf>.
                                                     55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>Tabel: Op het VN-Handvest gestoelde organen: de Mensenrechtenraad en zijn hulporganen
 Jaar      Orgaan                                Doelstellingen                      Monitoringsmechanismen
 2006      Mensenrechtenraad                     Beschermen en bevorderen            Universele periodieke
                                                 van mensenrechten overal            beoordeling,
                                                 ter wereld                          adviescommissie,
                                                                                     bijzondere procedures,
                                                                                     klachtenprocedure
 1947      Bijzondere procedures van de          Rapporteren en adviseren            speciale rapporteurs,
           Mensenrechtenraad                     over mensenrechten                  speciale
                                                 vanuit een thematisch of            vertegenwoordigers,
                                                 landenspecifiek perspectief         onafhankelijke
                                                                                     deskundigen, werkgroepen
 2007      Universele periodieke                 Verslag uitbrengen van de           Werkgroep universele
           beoordeling                           mensenrechtensituatie in            periodieke beoordeling
                                                 alle VN-lidstaten
 2007      Klachtenprocedure Mensen-             Behandelen van                      Werkgroep Communicatie
           rechtenraad                           meldingen van degenen               en Werkgroep Situaties
                                                 die het slachtoffer van
                                                 mensenrechten-
                                                 schendingen zeggen
                                                 te zijn
 2007      Adviescommissie Mensen-               Functioneren als denktank           Rapporten
           rechtenraad                           voor de Mensenrechtenraad
Landen die een specifiek mensenrechtenverdrag hebben geratificeerd, zijn verplicht
periodiek aan een verdragscomité (treaty body) te rapporteren over de naleving van dit
verdrag. De comités bestaan uit onafhankelijke deskundigen. Voorbeelden zijn het VN-
Kinderrechtencomité en het Comité tegen Foltering.
Voor de SDG’s is onder meer het Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten
(CESCR) relevant, dat toeziet op de naleving door de VN-lidstaten van het Internationaal
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Staten produceren eens
per 5 jaar een (verplicht) rapport aan het Comité. Het Comité rapporteert daarop zijn
‘concluding observations’ over de landenrapporten, waarin zorgen en aanbevelingen
worden opgenomen. Inmiddels is in het CESCR een praktijk gegroeid om standaard aan
te bevelen dat de landen hun verplichtingen met betrekking tot economische, sociale en
culturele rechten plaatsen in het kader van Agenda 2030. Daarnaast beveelt het CESCR
onafhankelijke nationale monitoringsmechanismes aan, evenals het realiseren van de
SDG’s op basis van de principes van participatie, verantwoording en non-discriminatie.196
Ook andere verdragscomités, waaronder het Kinderrechtencomité verwijzen steeds meer
naar de SDGs.197 Dit kan leiden tot grotere aandacht voor SDG-realisatie en de wijze
waarop die vanuit mensenrechtenperspectief wordt gemonitord.
196 Het meest recente rapport betreffende Nederland (6 juli 2017) bevatte in zijn Concluding Observations
     on the sixth Periodic Report on the Netherlands deze aanbeveling als par. 58 (E/C.12/NLD/CO/6).
197 Arts, K. (2019), ‘Children’s rights and the Sustainable Development Goals’, in Kilkelly, U. & Liefaard, T., (eds.),
     (2019), International Human Rights: International Children’s Rights Law, Singapore: Springer, pp. 537-561.
                                                         56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>Tabel: Op VN-verdragen gestoelde organen
 Jaar    Verdrag                          Orgaan                      Monitorings- en
                                                                      handhavingsmechanismen
 1965    Verdrag inzake de uitbanning     Comité inzake de uitbanning Rapporten, individuele
         van alle vormen van rassen-      van rassendiscriminatie     klachten op grond van
         discriminatie (CERD)                                         artikel 14, statenklachten,
                                                                      vroegtijdige waarschuwing
 1966    Internationaal verdrag inzake    Comité inzake               Rapporten, individuele
         economische, sociale en          economische, sociale en     klachten op grond van
         culturele rechten (IVESCR)       culturele rechten           Facultatief Protocol, de
                                                                      Economische en Sociale
                                                                      Raad van de Verenigde
                                                                      Natie (ECOSOC)
 1976    Internationaal Verdrag inzake    Mensenrechtencomité         Rapporten, statenklachten
         burgerrechten en politieke
         rechten (IVBPR)
 1979    Verdrag inzake de uitbanning     Comité inzake de uitbanning Rapporten, individuele
         van alle vormen van discrimina-  van discriminatie van       klachten en onderzoeken,
         tie van vrouwen (CEDAW)          vrouwen                     statenklachten, vroegtijdige
                                                                      waarschuwingen
 1984    Verdrag tegen foltering en       Comité tegen Foltering;     Bezoeken, rapporten,
         andere wrede, onmenselijke       Subcomité ter preventie van individuele klachten op
         of onterende behandeling of      foltering                   grond van artikel 22,
         bestraffing (CAT)                                            onderzoeken
 1989    Verdrag inzake de rechten van    Comité voor de rechten van  Rapporten, individuele
         het kind (CRC)                   het kind                    klachten op grond van
                                                                      Facultatief Protocol
 1990    Internationaal Verdrag inzake    Comité inzake bescherming   Rapporten, individuele
         bescherming van de rechten van   van de rechten van alle     klachten op grond van
         alle migrerende werknemers en    migrerende werknemers en    artikel 77
         hun gezinsleden (CMW)            hun gezinsleden;
 2006    Verdrag inzake de rechten van    Comité voor de rechten van  Rapporten, individuele
         personen met een handicap        personen met een handicap   klachten op grond van het
         (CRPD)                                                       Facultatief Protocol
 2006    Internationaal verdrag inzake de Comité voor gedwongen       Rapporten, individuele
         bescherming van alle personen    verdwijningen               klachten
         tegen gedwongen verdwijning
         (ICPED)
Ook enkele gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties zijn betrokken het
opstellen van verdragen op het terrein van de mensenrechten. De meest in het oog
springende daarvan is de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) die meer dan 150
instrumenten op het gebied van arbeidsomstandigheden en sociale voorzieningen
heeft afgesloten. Daarnaast hebben de UNESCO, de Voedsel- en landbouworganisatie
van de VN (FAO) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) verdragen en verklaringen
ontwikkeld die bescherming van mensenrechten betreffen.
Naast dit mondiale raamwerk zijn in de loop van de tijd regionale mensenrechten-
instrumenten tot stand gekomen. In Europa zijn die instrumenten veelomvattend,
zowel binnen de Europese Unie (het EU-Verdrag, het Grondrechten Handvest, het
Grondrechtenagentschap), als binnen de Raad van Europa (het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Europees
Sociaal Handvest, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens) en, in mindere
                                                 57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>mate, binnen de Organisatie voor Europese Veiligheid en Samenwerking (o.a. de Hoge
Commissaris voor Minderheden).
IV.1.2 Agenda 2030
Het mondiale toezicht op de voortgang van Agenda 2030 (het zgn. Follow up and
Review (FUR)-proces) is belegd bij het High Level Political Forum (HLPF) dat valt onder de
Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC).198 De ECOSOC is een
hoofdorgaan van de VN en coördineert de economische, sociale en milieuactiviteiten
van alle VN-instellingen. Het HLPF is een intergouvernementeel platform voor alle VN-
lidstaten waarin ook vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties kunnen
participeren. Het forum deelt informatie en adviseert, maar heeft geen concrete
mogelijkheden voor besluitvorming of voor directe coördinatie van overheden of VN-
organisaties. Het HLPF komt jaarlijks bijeen en de bevindingen worden vastgelegd in de
aanbevelingen in de Ministeriële Verklaring. Om de vier jaar is er een bijeenkomst op het
niveau van staatshoofden en regeringsleiders onder de AVVN. De eerstvolgende vindt
plaats in september 2019.
Het HLPF maakt gebruik van een (jaarlijks) SDG-Voortgangsrapport van de VN-Secretaris-
Generaal en van een periodiek (4-jaarlijks) Global Sustainable Development Report (het
eerste in 2016, het volgende in 2019)199 dat wordt opgesteld door een onafhankelijke
groep wetenschappers, benoemd door de Secretaris-Generaal. Het zou ook denkbaar
zijn dat de Voorzitter van ECOSOC een gedetailleerder overzicht van bevindingen en
conclusies als HLPF-voortgangrapportage uitbrengt maar daarvan is vooralsnog geen
sprake.200 Het derde, cruciale instrument van het HLPF is de bespreking van de
nationale rapportages die de lidstaten op vrijwillige basis kunnen indienen. Met deze
presentaties leggen VN-lidstaten verantwoording aan elkaar af over hoe zij opvolging
geven aan de agenda. Het doel van deze zogeheten Voluntary National Review is het
delen van ervaringen in en tussen lidstaten. Vanuit het principe van partnerschap
dat voor het behalen van de SDG’s is vereist, worden landen gestimuleerd bredere
maatschappelijke actoren zoals niet-gouvernementele organisaties, bedrijfsleven,
kennisinstellingen en nationale mensenrechteninstituten te betrekken bij de
voorbereiding van de vrijwillige landenrapportages. In 2018 besprak het HLPF de
nationale rapportages van 47 VN-lidstaten.
De EU-lidstaten trekken gezamenlijk op in het HLPF, bijvoorbeeld in de onderhandelingen
over de jaarlijkse politieke slotverklaring. Daarin proberen enkele VN-lidstaten telkens
te heronderhandelen over politiek gevoelige onderwerpen, zoals gendergelijkheid. De EU
probeert zoveel mogelijk als één front op te trekken. In aanvulling op de nationale SDG-
rapportages van de EU-lidstaten presenteert de Europese Commissie in 2019 tijdens
de Voluntary National Review voor het eerst een EU-rapportage over de uitvoering van de
SDG’s.
198 Zie resoluties van de Algemene Vergadering van de VN: A/RES/67/290 (HLPF), A/RES/68/1,
     A/RES/70/1 (par. 74), A/RES/70/299 (FUR) en A/70/684 (rapport Secretaris-Generaal over de Follow
     up and Review).
199 Zie de Annex inzake het Global Sustainable Development Report van de Ministeriële Verklaring van het
     High Level Segment van de Sessie van 2016 van ECOSOC, E/HLS/2016/1 (Annex), par. 2-4 en 7-8.
200 Aldus de Secretaris-Generaal van de VN in zijn rapport inzake het FUR-proces, A/70/684, par. 33-36.
                                                    58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Een universeel aanvaard toezicht op het behalen van de SDG’s (vergelijkbaar met de
Universal Periodic Review op basis van verplichte nationale mensenrechtenrapportages)
zou in potentie de uitvoering van Agenda 2030 kunnen versnellen.201 Het bleek
helaas niet mogelijk om het toezicht op de SDG’s analoog aan het UPR-model in
te richten. De landenrapportages aan het HLPF zijn vrijwillig. Het SDG-toezicht kan
meer in UPR-richting worden bijgesteld, bijvoorbeeld door het standaardiseren en
waar nodig vereenvoudigen van het format van de vrijwillige landenrapportages zodat
alle lidstaten eenduidig rapporteren over dezelfde onderwerpen, waaronder ook
mensenrechtenaspecten. Andersom zouden de UPR-rapportages aandacht kunnen geven
aan de mensenrechtelijke kanten van de SDG’s. Daarnaast kunnen mensenrechten-
en SDG-rapportages op elkaar worden aangesloten door zoveel mogelijk dezelfde
indicatoren te gebruiken. Voorts zou de VN Mensenrechtenraad jaarlijks een SDG-sessie
kunnen organiseren en een eigen bijdrage kunnen leveren aan het HLPF.
Toezicht en verantwoording binnen het Koninkrijk
De Nederlandse Voluntary National Review in het HLPF vindt plaats namens het gehele
Koninkrijk der Nederlanden. De vier landen van het Koninkrijk (Nederland, Aruba,
Curaçao, Sint Maarten) hebben in de VN immers gezamenlijk een zetel. Het Koninkrijk
rapporteerde voor de eerste maal in 2017.202 De rapportage was ondertekend door de
Minister-Presidenten van de Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Voor Nederland tekende
de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Elk van de vier landen volgde hiervoor een eigen rapportageproces, waarna een
gemeenschappelijk document werd opgesteld waarin ook werd ingegaan op de
overeenkomsten en verschillen tussen de landen. Opvallend was dat in de rapportage
uitgebreid werd ingegaan op het SDG-partnerschap in Nederland maar niet in de overige
drie landen. Naar verwachting wordt in 2021-2022 opnieuw namens het Koninkrijk aan
het HLPF gerapporteerd. Overigens zijn de statistische bureaus van de vier landen een
technische samenwerking (Dutch Caribbean Statistical System) aangegaan voor het
beschikbaar stellen van data, om zo de monitoring te verbeteren.
Voor uitvoering van de SDG’s in eigen land is in beginsel elk van de vier landen zelf
verantwoordelijk. Dat geldt ook voor rapportage over de voortgang aan het eigen
parlement. Nederland heeft ervoor gekozen om jaarlijks een rapportage aan de
Tweede Kamer te sturen over de nationale SDG-uitvoering, inclusief de bijdrage die
Nederland levert aan het behalen van de doelen in het buitenland (via de inzet op
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking). Inmiddels zijn er drie van deze
rapportages verschenen.203 Ze worden gezamenlijk opgesteld door de Rijksoverheid
en organisaties die respectievelijk het bedrijfsleven, het maatschappelijke middenveld,
kennisinstellingen, en jongeren en kinderen vertegenwoordigen.
201 Zie het rapport van de Secretaris-Generaal van de VN inzake het FUR-proces, A/70/684, par. 77.
202 Kingdom of the Netherlands, Report on the Implementation of the Sustainable Development Goals.
     United Nations High-Level Political Forum on Sustainable Development 2017, (2017): Zie: <https://
     sustainabledevelopment.un.org/content/documents/16109Netherlands.pdf>.
203 Zie kamerstukken 26485, nr. 246, blg-809944, nr. 288, blg-842400 en nr. 34298, nr. 27, blg-883104.
                                                      59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>In de eerste Nederlandse SDG-rapportage (2017) werd onder een aantal SDG’s ook
aandacht besteed aan de situatie in Caribisch Nederland. De tweede rapportage (2018)
betrof hoofdzakelijk de stand van zaken in Europees Nederland want ‘[m]omenteel
zijn er geen werkzaamheden op het gebied van de SDGs opgezet voor de openbare
lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius waardoor zij een achterstand hebben op
de Nederlandse gemeenten qua implementatie van de SDG’s.’204 In de derde SDG-
rapportage (2019) wordt de armoedeproblematiek in Caribisch Nederland aangehaald in
de bijdrage van het College voor de rechten van de mens.
Nederland heeft een lichte nationale coördinatiestructuur voor het nationale SDG-beleid.
Iedere minister heeft een eigen vakinhoudelijke verantwoordelijkheid voor het behalen
van de SDG’s. De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
ziet als nationale coördinator toe op de onderlinge samenhang die onder meer tot
uitdrukking komt in de jaarlijkse SDG-rapportage aan de Tweede Kamer.
IV.2     Indicatoren en data		
De 17 SDG’s en 169 subdoelen worden ondersteund door 232 indicatoren. Gezocht is
naar een omvattend stelsel van indicatoren dat hoogwaardige, toegankelijke, actuele,
betrouwbare en gedetailleerde informatie zou geven ten behoeve van het meten van
de voortgang bij de realisatie van de doelen.205 Indicatoren waren een omstreden
onderdeel van de onderhandelingen over de SDG’s. Dit heeft ertoe geleid dat niet altijd
de meest accurate of methodologisch beste indicatoren zijn gekozen. Veel van de
discussies over de SDG-indicatoren zijn vergelijkbaar met die over indicatoren voor het
meten van mensenrechten.
Indicatoren zijn van uiteenlopende aard. Kwantitatieve indicatoren vallen grofweg
samen met cijfers en statistieken. Kwalitatieve indicatoren omvatten meer informatie
en context. Beide zijn van belang om SDG’s en mensenrechten te meten. Zo kunnen
kwantitatieve indicatoren bijdragen aan kwalitatieve indicatoren door bepaalde aantallen
en percentages en daarmee de omvang van iets aan te geven. En omgekeerd kunnen
kwalitatieve indicatoren context geven aan cijfers en aantallen. Indicatoren kunnen
voorts worden gecategoriseerd als objectief (gebaseerd op feiten of gebeurtenissen) en
subjectief (gebaseerd op oordeel en interpretatie). Objectieve indicatoren kunnen worden
geverifieerd, subjectieve niet.
Het VN Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten heeft een mensenrechtenindicator
omschreven als:
    ‘[S]pecific information on the state or condition of an object, event, activity or outcome
    that can be related to human rights norms and standards; that addresses and reflects
    human rights principles and concerns; and that can be used to assess and monitor the
    promotion and implementation of human rights.’206
Kritiek op de vastgestelde SDG-indicatoren is onder andere dat deze een te beperkte
204 Kamerstuk, nr. 288, blg-842400, p. 6.
205 United Nations General Assembly, A/RES/70/1, 21 October 2015, par. 74.
206 OHCHR, Human Rights Indicators: A Guide to Measurement and Implementation, 2012, p. 16.
                                                 60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>meting zouden opleveren van alle dimensies van de uitgebreide en complexe SDG’s.
Veel van de indicatoren zijn vaag geformuleerd of meten niet het (sub)doel waarvoor
ze zijn gekozen. Feit is dat de SDG’s samengestelde en multidimensionale thema’s
omvatten, die zich niet eenvoudig laten vangen in heldere, meetbare indicatoren. Dit
is bij mensenrechten niet anders. Veel indicatoren richten zich voorts op de uitkomst.
Hoewel niet onbelangrijk, zijn het proces en de inzet van staten om tot iets te komen
ook van groot belang.207 Zowel bij de SDG-indicatoren als bij mensenrechtenindicatoren
is vastgesteld dat het onmogelijk en onwenselijk is om wereldwijde indicatoren te
ontwikkelen, zeker als deze meer moeten omvatten dan kwantitatieve informatie.
Daarom moeten ook nationale, context-specifieke indicatoren worden ontwikkeld.208
Deels overlappen indicatoren en data voor SDG’s en mensenrechten elkaar. Volgens
een studie van het Deens Mensenrechteninstituut genereert ongeveer 50 procent van
de indicatoren van de SDG’s gegevens die direct van belang zijn voor het monitoren van
specifieke mensenrechteninstrumenten. Daarnaast heeft nog eens 10 procent van de
indicatoren een meer indirecte relevantie voor mensenrechten. De overige 40 procent
zijn niet direct relevant voor het monitoren van mensenrechteninstrumenten, maar
kunnen wel iets zeggen over de context waarin deze mensenrechten spelen.209 Deze
percentages hebben betrekking op het totaal van de SDG’s. Per SDG kan de relevantie
voor de beoordeling van de mensenrechtensituatie verschillen. Van de SDG’s waarop in
dit advies is ingezoomd, bestaat een sterke directe relevantie voor mensenrechten bij
SDG1, SDG13 en SDG16 terwijl de indicatoren voor SDG10 en vooral SDG17 relatief
vaak ‘slechts’ bijdragen in het verschaffen van achtergrondinformatie.
Een belangrijk doorsnijdend thema voor SDG’s en mensenrechten is dat van inclusie,
gelijkheid en non-discriminatie. Met name deze doelen vragen om uitgesplitste
(disaggregated) data om naast algemene situaties en trends ook de situatie van
specifieke groepen in kaart te kunnen brengen.210 Daarbij moet bedacht worden dat
deze data ook ten nadele kunnen worden gebruikt door autoritaire staten. Het VN Hoge
Commissariaat voor de Mensenrechten heeft adviezen uitgebracht over het verzamelen
van data met een mensenrechtelijke benadering.211
Duidelijk is dat nog lang niet op alle terreinen van de SDG’s en de mensenrechten
de benodigde statistische data beschikbaar zijn. Voor veel van de indicatoren zijn
bovendien niet alle gewenste uitsplitsingen beschikbaar. Een ander aspect, verbonden
aan het leave no one behind-principe van Agenda 2030, is dat landen niet achterblijven
207 Danish Institute for human Rights, Human Rights in Follow-Up and Review of the 2030 Agenda for
     Sustainable Development, May 2016, pp. 37-38.
208 OHCHR, Human Rights Indicators: A Guide to Measurement and Implementation, 2012, p. 50.
209 Danish Institute for human Rights, Human Rights in Follow-Up and Review of the 2030 Agenda for
     Sustainable Development, May 2016, p. 40.
210 United Nations General Assembly, A/RES/70/1, 21 October 2015, par. 74(g).
211 OHCHR, Human Rights Indicators: A Guide to Measurement and Implementation, 2012, en OHCHR,
     A Human Rights Approach to Data. Leaving no one behind in the 2030 Agenda for sustainable development,
     Guidance Note, 2018. Zie ook: United Nations General Assembly, Fundamental Principles of Official
     Statistics, A/RES/68/261, 29 January 2014.
                                                    61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>bij andere landen. Vooral voor ontwikkelingslanden is de achterstand in capaciteit en
het gebrek aan informatie om SDG-en mensenrechtenindicatoren te kunnen meten
groot. Internationaal partnerschap tussen nationale bureaus voor statistiek en binnen
de Inter-agency and Expert Group on SDG Indicators212 kan bijdragen aan de integratie
tussen SDG- en mensenrechtenindicatoren en aan kennisuitwisseling op het terrein van
dataverzameling en statistiek.
IV.3      Nationale mensenrechteninstituten
Tot de instanties die een rol kunnen spelen bij het toezicht op de implementatie van de
SDG’s behoren nationale mensenrechteninstellingen (National Human Rights Institutions,
afgekort NHRI’s). In de SDG is dit onder meer onderkend door de aanwezigheid van een
onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut op te nemen als een van de indicatoren
onder SDG16 (Bevorderen van veiligheid, publieke diensten en recht voor iedereen).213
NHRI’s beginnen langzaam maar zeker het belang van de SDG’s voor hun werk te
onderkennen. In 2015 werd tijdens de 12e internationale conferentie van NHRI’s de
Mérida Declaration on the Role of National Human Rights Institutions in implementing
the 2030 Agenda for Sustainable Development aangenomen.214 Deze verklaring stelt
enerzijds dat het internationale mensenrechtensysteem een belangrijk raamwerk voor de
uitvoering van de SDG’s is, en anderzijds dat de uitvoering van de SDG’s bijdraagt aan de
realisatie van de rechten van de mens.
Een belangrijk aanknopingspunt betreft het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie,
beginselen die ook centraal staan in de SDG’s. Voor nationale mensenrechteninstituten
behoort dit tot de kern van hun werkzaamheden, ook in Nederland. NHRI’s kunnen
samenwerken met nationale en lokale overheden om te verzekeren dat de uitvoering van
de SDG’s op een zo’n transparant en inclusief mogelijke wijze verloopt en dat daarbij de
mensenrechtelijke verplichtingen waar staten zich aan hebben gecommitteerd niet uit
het oog worden verloren.
NHRI’s kunnen assisteren bij het vormgeven en monitoren van nationale indicatoren,
en bij het verzamelen van data. Zij kunnen daarbij gebruik maken van reeds bestaande
internationale en regionale rapportage- en monitoringsmethodes op het gebied van
mensenrechten.215 Daarnaast kunnen NHRI’s een rol spelen in het voeden van het High
Level Political Forum. Met name in ontwikkelde landen is het van belang dat nationale
mensenrechteninstituten de nationale uitvoering van Agenda 2030 goed volgen omdat
deze landen wellicht geneigd zullen zijn om de SDG’s met name vanuit het perspectief
van internationaal ontwikkelings- en buitenlands beleid te beschouwen.
212 Zie: <https://unstats.un.org/sdgs/iaeg-sdgs/>.
213 Zie ook: United Nations General Assembly, A/RES/70/163, December 2015.
214 The Mérida Declaration, The Role of National Human Rights Institutions in implementing the
     2030 Agenda for Sustainable Development Report DHRI. Zie: <https://nhri.ohchr.org/EN/ICC/
     InternationalConference/12IC/Background%20Information/Merida%20Declaration%20FINAL.pdf>.
215 Zie: Danish Institute for Human Rights, Human Rights in Follow-up and Review of the 2030 Agenda for
     sustainable development, May 2015.
                                                    62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>Nederland kent sinds 2012 een onafhankelijk nationaal mensenrechteninstituut. Het
College voor de Rechten van de Mens heeft het wettelijk mandaat om de mensenrechten
in Nederland te belichten, bewaken, beschermen en bevorderen met daarbij speciale
aandacht voor gelijke behandeling. Daarnaast is discriminatiebestrijding een prioriteit
van het Openbaar Ministerie. De andere landen van het Koninkrijk hebben nog geen
onafhankelijk mensenrechteninstituut.
Het College voor de Rechten van de Mens was niet betrokken bij het opstellen van de
Voluntary National Review van het Koninkrijk der Nederlanden (2017) of bij de eerste
twee Nederlandse SDG-rapportages aan de Tweede Kamer (2017, 2018). In de derde
rapportage, die medio mei 2019 is verschenen, levert het College een bijdrage over
SDG1 (uitbannen van alle vormen van (extreme) armoede) en SDG5 (gendergelijkheid en
empowerment van vrouwen en meisjes).
                                           63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>V          Samenvatting en aanbevelingen
Zeventig jaar geleden – op 10 december 1948 – werd de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens aangenomen door de lidstaten van de Verenigde Naties. Het was
het eerste document waarin de ‘inherente waardigheid en onvervreemdbare rechten
van de mens’ door de internationale gemeenschap werden erkend en bevestigd. De
Universele Verklaring is geen verplichtend verdrag, maar haar grote betekenis als morele
en gewoonterechtelijke mensenrechtenstandaard is universeel aanvaard.
De basis voor de Universele Verklaring werd al zeven jaar eerder gelegd door president
Franklin D. Roosevelt. In zijn ‘Four Freedoms’-speech schetste hij zijn visie op een
wereld waarin ieder mens kon rekenen op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van
religie, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van angst. Roosevelt zag scherp in dat deze
vier vrijheden niet van elkaar kunnen worden losgekoppeld. Zonder basisbehoeften
als voeding en veiligheid heeft de vrijheid van meningsuiting slechts beperkte waarde.
Andersom is het recht om vrij te kunnen spreken een noodzakelijke voorwaarde om
sociale en economische rechtvaardigheid op te kunnen eisen. Dit inzicht vond na
het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn weg in de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens waarin zowel burger- en politieke rechten (art. 1-21) als sociale,
economische en culturele rechten (art. 22-27) zijn neergelegd.
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is de bron van een netwerk
van juridisch bindende mensenrechtenverdragen waaraan alle staten ter wereld zich
op een of andere manier hebben gebonden. Samen vormen deze verdragen het
zogeheten multilaterale mensenrechtenstelsel, waarvan de betekenis niet mag worden
onderschat. Mensenrechtenverdragen, en de daaruit voorvloeiende uitvoerende nationale
wetgeving, hebben de rechten en vrijheden van honderden miljoenen mensen overal
ter wereld zichtbaar en tastbaar gemaakt, hen geholpen zich uit te spreken voor betere
levensomstandigheden en zichzelf te kunnen zijn en zich te kunnen ontwikkelen. Dit is
een mondiale verworvenheid die moet worden gekoesterd en verdedigd, zo nodig tegen
de verdrukking in.
Tegelijkertijd tonen voortdurende armoede, honger, (economische) ongelijkheid,
milieuschade, oorlog en geweld op indringende wijze aan dat de verwezenlijking van
menselijke waardigheid veel meer vergt dan de ondertekening van verdragen waarvan
de naleving afdwingbaar is in juridische procedures bij een nationale of internationale
rechterlijke instantie. Waarachtige universaliteit van mensenrechten vereist tevens een
langdurige en breed gedragen ondersteuning van ontwikkelingsprocessen, internationaal
en in eigen land. Ontwikkeling is aldus een voorwaarde voor het kunnen realiseren van
mensenrechten, en mensenrechten zijn noodzakelijk voor ontwikkeling.
Ten onrechte zijn mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking lange tijd gescheiden
beleidsterreinen gebleven. Met name Westerse overheden en mensenrechtenorganisaties
hebben bovendien lange tijd prioriteit gegeven aan de bevordering van burger- en politieke
rechten. Hoewel sociale, economische en culturele rechten wel degelijk onderdeel zijn
van het in verdragen geregelde mensenrechtenstelsel, hebben zij niet altijd de aandacht
gekregen die zij verdienen. Mensenrechten, waartoe ook milieurechten behoren, zijn
immers naar hun aard ondeelbaar. Pas vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw is
geleidelijk meer interactie ontstaan tussen ontwikkelings- en mensenrechtenorganisaties,
al blijft dit een voortdurende uitdaging. Belangrijke multilaterale spelers zoals de
                                              64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>Wereldbank lijken nog steeds terughoudend te zijn om mensenrechten een centrale plek
te geven in hun programma’s.
Ook in het Nederlandse buitenlandbeleid is van een daadwerkelijk geïntegreerde
benadering nog geen sprake. In het mensenrechtenbeleid nemen de klassieke
burgerrechten een centrale plaats in, terwijl de inzet op ontwikkelingssamenwerking zich
richt op het creëren van sociale, economische en milieuvoorwaarden voor ontwikkeling.
Naar het oordeel van de AIV is deze verkokerde aanpak historisch gezien wellicht
begrijpelijk maar leidt deze tot inhoudelijke verschraling en is die contraproductief.
De Adviesraad verwelkomt de initiatieven van de minister van Buitenlandse Zaken en
de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking om tot meer
afstemming te komen, maar de samenhang tussen beide beleidsterreinen, zoals
uiteengezet in de Mensenrechtenrapportage 2017 en de beleidsnota ‘Investeren in
perspectief. Goed voor de wereld, goed voor Nederland’, is per saldo nog maar mager
onderbouwd.
De AIV meent dat Agenda 2030 for Sustainable Development een bruikbaar wereldwijd
kader biedt voor een samenhangende (integrale) benadering van duurzame ontwikkeling
en mensenrechten. De Sustainable Development Goals zijn concrete doelen op
sociale, economische en milieuthema’s. Door de SDG’s te realiseren, kan ook een
groot aantal mensenrechtendoelen op deze terreinen worden verwezenlijkt. In Agenda
2030 is tevens erkend dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en
internationale mensenrechtenverdragen het kader vormen waarbinnen de SDG’s moeten
worden verwezenlijkt. Met de SDG’s wordt aldus de onderlinge samenhang tussen
mensenrechten en (duurzame) ontwikkeling – zoals oorspronkelijk verwoord in de vier
vrijheden van president Roosevelt – hervonden en onderkend. Agenda 2030 en de SDG’s
bieden daarmee een unieke kans invulling te geven aan deze nauwe verbondenheid,
zowel in theorie als in beleid en praktijk. Deze kans mag Nederland niet laten lopen. In
het licht van de grote sociale, economische en klimaatuitdagingen waar de wereld voor
staat, is urgente actie vereist, terwijl internationale solidariteit tegelijkertijd stevig onder
druk staat.
De aanvaarding, ook door het Koninkrijk der Nederlanden, van de SDG’s maakt het
mogelijk om het traditionele buitenlandse speerpunt van de bevordering van de
rechten van de mens meer handen en voeten te geven. De AIV meent dat duurzame
ontwikkelingsdoelen en de mensenrechten elkaar op een aantal terreinen kunnen
versterken.
Opening voor dialoog
De SDG’s bieden Nederland de kans om een gesprek over mensenrechtenthema’s
te voeren met landen die terughoudend of zelfs afwijzend staan tegenover de
traditionele, gejuridiseerde en soms tot een ritueel vervlakte mensenrechtendialoog.
Een goed uitgangspunt is daarbij het streven naar menselijke waardigheid, dat in de
kern een universeel erkend en breed gedragen concept is. Duurzame ontwikkeling
en mensenrechten hebben beide de verwezenlijking van de menselijke waardigheid
tot doel. De SDG’s benadrukken bovendien het overkoepelde principe dat niemand
mag worden uitgesloten (leave no one behind). Voorts is voor het realiseren van de
SDG’s een dialoog vereist op thema’s die direct raken aan sociale, economische en
milieurechten. Te denken valt aan goede gezondheidszorg, onderwijs, schoon drinkwater,
voedselzekerheid, gendergelijkheid, goede arbeidsomstandigheden, huisvesting etc. Op
een groot aantal van deze thema’s zijn rechten van toepassing die reeds zijn vastgelegd
                                               65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>in internationale verdragen. Besprekingen kunnen plaatsvinden over de manier waarop
deze mensenrechten in samenhang met de SDG’s kunnen worden verwezenlijkt.
Draagvlak
Agenda 2030 is unaniem aangenomen door de leiders van de VN-lidstaten. De
legitimiteit van de SDG’s komt voorts tot uiting in de bereidheid van het grote
aantal landen om vrijwillig te rapporteren aan het High Level Political Forum dat
toezicht houdt op de voortgang van de SDG’s. Het draagvlak voor het multilaterale
mensenrechtenstelsel kan worden versterkt door met behulp van de SDG’s de
mensenrechten een bredere zeggingskracht te geven. De allergrootste problemen waar
honderden miljoenen mensen mee worden geconfronteerd, zijn ongelijkheid, schrijnende
armoede en een leven in angst. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat zij aan
een beroep op andere mensenrechten doorgaans niet eens toekomen. Door te werken
aan een integrale rechtenbenadering van de sociale, economische en milieudimensies
van duurzame ontwikkeling, kan duidelijk gemaakt worden dat mensenrechten concreet
bijdragen aan het verbeteren van de dagelijkse levensomstandigheden van burgers en
kan voor het verwezenlijken daarvan ook draagvlak worden gecreëerd.
Toezicht en monitoring
Zowel het SDG-proces als het mensenrechteninstrumentarium zijn gericht op het meten
en beoordelen van geleverde inspanningen en prestaties en op het bij elkaar brengen
van informatie en data. Nu gebeurt dit nog vaak separaat. Als er meer uitwisseling
en gezamenlijk gebruik van informatie zou zijn, levert dat naar verwachting meer en
betere kennis en inzichten op. Integratie van SDG- en mensenrechtendata draagt ook
bij aan het verlichten van de vele internationale rapportageverplichtingen die Agenda
2030 en mensenrechtenverdragen met zich meebrengen. Dergelijke verplichtingen
vormen met name voor landen met een minder goed ontwikkelde overheidsbureaucratie
een forse belasting. De data en de rapportageverplichtingen creëren echter wel een
informatiebasis die een regering hoe dan ook moet hebben om zinvol en effectief beleid
te kunnen maken. De integratie van SDG- en mensenrechtendata en -rapportages
heeft daarmee een gewenst multipliereffect en kan aldus een flinke impuls geven aan
nationale probleemanalyse, planning en beleid.
Op basis van bovenstaande conclusies komt de AIV tot de onderstaande
beleidsaanbevelingen. Voor iedere aanbeveling wordt een aantal handvatten aangereikt
om het buitenlandbeleid op deze punten te operationaliseren:
1.   INTEGREER HET ONTWIKKELINGS-, MENSENRECHTEN- EN MILIEUBELEID.
Nederland dient in het buitenlandbeleid consequent uit te dragen en in de praktijk
te brengen dat duurzame ontwikkeling een voorwaarde is voor de verwezenlijking van
mensenrechten, en dat mensenrechten noodzakelijk zijn voor ontwikkeling. Het behalen
van de SDG’s vereist een integrale (rechten)benadering van de sociale, economische
en milieudimensies van ontwikkelingsprocessen. Er bestaat een sterke inhoudelijke
samenhang en interactie tussen deze dimensies die niet genegeerd kan worden.
De AIV meent dat het ontwikkelings-, mensenrechten- en milieubeleid van Nederland nog
kan worden versterkt door er meer samenhang in aan te brengen. Agenda 2030 en de
duurzame ontwikkelingsdoelen bieden een goed kader om deze integratie te verdiepen.
Het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is reeds expliciet in
                                             66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>het kader van Agenda 2030 geplaatst, maar het mensenrechtenperspectief van dat
beleid dient beter te worden uitgewerkt. Andersom kan in de jaarlijkse Mensenrechten-
rapportage worden verduidelijkt hoe de inzet op de verschillende prioritaire thema’s
bijdraagt aan het behalen van de SDG’s. Een mensenrechtenbenadering van duurzame
ontwikkeling moet intra- en interdepartementaal breed worden opgezet en mag niet
vrijblijvend zijn. Idealiter wordt gestreefd naar één overkoepelend beleidskader.
De ondeelbaarheid van mensenrechten vraagt dat er meer consistentie in het buitenlandse
beleid komt tussen aandacht voor politieke en burgerrechten enerzijds, en die voor
sociale, economische, culturele en milieurechten – individueel of collectief – anderzijds.
Een belangrijke stap om de samenhang met het binnenlandse mensenrechtenbeleid te
versterken is de ratificatie van het facultatief Protocol bij het Internationaal Verdrag
inzake economische, sociale en culturele rechten.
Het is belangrijk dat binnen prioriteit 4 van het Nederlandse mensenrechtenbeleid
– ondersteuning van mensenrechtenverdedigers – voldoende ruimte bestaat voor steun
aan personen die zich inzetten voor sociale, economische, culturele en milieurechten.
Nederland kan zijn donorpositie gebruiken om er bij multilaterale ontwikkelings-
organisaties, zoals de Wereldbank, op aan te dringen dat een mensenrechtenbenadering
een centrale plaats krijgt in hun ontwikkelingsprogramma’s.
De AIV beveelt aan dat de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelings-
samenwerking en de minister van Buitenlandse Zaken beiden deelnemen aan
parlementair overleg over het mensenrechtenbeleid.
2. GRIJP AGENDA 2030 AAN OM HET MULTILATERALE MENSENRECHTENSYSTEEM TE 		
  VERSTERKEN.
Het risico bestaat dat de SDG’s met hun nadruk op (collectieve) sociale, economische
en milieurechten door sommige landen kunnen worden aangegrepen om juridische
verplichtingen in internationale mensenrechtenverdragen te ondermijnen. Dit vraagt van
Nederland grote oplettendheid in internationaal overleg. Nederland dient in bilaterale
en multilaterale gesprekken steeds te benadrukken dat bij het behalen van de SDG’s
juist de mensenrechten – met hun vastgestelde internationale ondergrens – bakens van
expliciete en handhaafbare verplichtingen zijn.
Nederland moet in onder meer de VN-Mensenrechtenraad, de internationale financiële
instellingen, de Europese Unie en de Raad van Europa structureel aandacht vragen voor
de onverbrekelijke relatie tussen respect voor mensenrechten en het realiseren van de
duurzame ontwikkelingsdoelen van Agenda 2030.
Het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind en het VN-Verdrag inzake de rechten
van personen met een handicap tonen aan dat een bindend verdrag een nuttig
instrument kan zijn om specifieke mensenrechten vast te leggen en te operationaliseren.
Andere instrumenten die daartoe worden gebruikt zijn onder meer VN-Verklaringen
(mensenrechtenverdedigers), Resoluties (Agenda 2030), Global Compacts (bedrijfsleven,
migratie) of bijvoorbeeld de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. De
AIV beveelt aan dat Nederland nagaat of één of meer specifieke sociaaleconomische
rechten, zoals het recht op schoon drinkwater en het recht op een gezond milieu, nader
kunnen worden uitgewerkt met behulp van een van deze mensenrechteninstrumenten.
                                               67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>3. WERK AAN DE VERBETERING VAN HET TOEZICHT EN DE VERANTWOORDING VAN DE
   UITVOERING VAN AGENDA 2030. LEG DAARBIJ STEEDS DE VERBINDING MET
   INTERNATIONAAL ERKENDE MENSENRECHTENINSTRUMENTEN.
Om van Agenda 2030 een succes te maken, is een transparant en eenduidig systeem
van verifieerbaar toezicht en verantwoording nodig. Juist op dit terrein valt nog veel
resultaat te boeken. Nederland zou daarin een leidende rol op zich kunnen nemen.
Nederland dient de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties te vragen om
voorstellen te doen tot stroomlijning en verlichting van de rapportagelast aan het High
Level Political Forum en de VN-Mensenrechtenraad. Nederland kan de verwevenheid
tussen mensenrechten en de SDG’s benadrukken door in de eigen aanbevelingen voor
de Universal Periodic Review steeds het verband te leggen met Agenda 2030.
Nederland kan het Advisory Committee van de VN-Mensenrechtenraad vragen om in
kaart te brengen hoe de internationale beleidscoherentie ten aanzien van de SDG’s kan
worden bevorderd. Ook dient Nederland te bepleiten dat in de nationale rapportages,
die ondertekenaars van een mensenrechtenverdrag verplicht zijn uit te brengen, wordt
ingegaan op relevante SDG’s.
Nederland zou voorts (financiële, personele) middelen beschikbaar kunnen stellen
om minder ontwikkelde landen te helpen capaciteit op te bouwen op het gebied van
dataverzameling, interpretatie van data, en SDG- en mensenrechtenrapportage. Tevens
kan Nederland nationale mensenrechteninstituten en maatschappelijke organisaties
ondersteunen om nationale rapportageverplichtingen te verbeteren.
Nederland kan binnen de Inter-agency and Expert Group on SDG Indicators (IAEG-SDGs)
voorstellen doen voor de verdere concretisering en operationalisering van de SDG-
indicatoren. Daarbij kan gebruikt gemaakt worden van mensenrechtenindicatoren die
zijn ontwikkeld om onder meer inclusie, (gender)gelijkheid en non-discriminatie te meten.
Het Kantoor van de VN-Hoge Vertegenwoordiger voor de Mensenrechten en het EU-
Grondrechtenagentschap bieden expertise op dit terrein.
De AIV verwelkomt de betrokkenheid van het College voor de Rechten van de Mens bij
het opstellen van de derde SDG-rapportage aan de Tweede Kamer. Deze betrokkenheid
moet structureel zijn en tevens gelden voor de Voluntary National Review van het
Koninkrijk der Nederlanden aan het High Level Political Forum.
4. MAAK DE BESTRIJDING VAN ONGELIJKHEID BINNEN EN TUSSEN LANDEN EEN
   STRUCTUREEL THEMA VAN INTERNATIONAAL OVERLEG.
De AIV beveelt aan dat Nederland in verschillende internationale fora aandacht vraagt
voor het thema ongelijkheid. Tijdens het High Level Political Forum op het niveau
van regeringsleiders in september 2019 kan Nederland een prominent side event
organiseren met het thema ‘Inkomens- en vermogensongelijkheid en hun relatie met de
realisatie van de duurzame ontwikkelingsdoelen en mensenrechten’. Nederland kan dit
doen met een breed partnerschap van een of meerdere gelijkgestemde landen (Noord
en Zuid), multilaterale organisaties (Wereldbank, ILO), niet-gouvernementele organisaties
(Oxfam, Transparency International) en multinationale ondernemingen en banken.
Vervolgens kan Nederland vergelijkbare side events organiseren tijdens bijvoorbeeld de
Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en het jaarlijkse World Economic Forum
in Davos.
                                            68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>5. BEVORDER DE HERVORMING VAN HET MULTILATERAAL BESTUUR (GLOBAL GOVERNANCE).
De AIV is van mening dat Nederland, met een bijzonder open economie en een
sterke oriëntatie op het buitenland, zich sterk moet inzetten om internationale
beleidscoherentie en mondiaal bestuur te bevorderen. Het mondiaal partnerschap
dat nodig is om de SDG’s te behalen kan alleen functioneren op basis van gelijkheid.
Nederland moet zich internationaal inzetten om opkomende en ontwikkelingslanden een
grotere stem te geven in multilaterale organisaties en samenwerkingsverbanden.216 Dat
geldt in het bijzonder voor hun aandeel in de samenstelling van de Executive Boards van
de belangrijkste internationale financiële instellingen. Het netwerk van SDG-partners
maakt evenzeer deel uit van de global governance.
6. BEHOUD DE NEDERLANDSE VOORTREKKERSROL OP HET THEMA ‘MENSENRECHTEN EN
  BEDRIJFSLEVEN’.
Nederland dient een sterkere verbinding na te streven tussen bedrijfsleven, mensenrechten
en de SDG-agenda. Het schrappen van het thema ‘Mensenrechten en bedrijfsleven’ als
prioriteit van het mensenrechtenbeleid mag in de praktijk niet leiden tot een verminderd
internationaal profiel van Nederland op dit onderwerp. Het versterken van de samenwerking
met het bedrijfsleven voor het behalen van de SDG’s dient te worden nagestreefd in zowel
het mensenrechten- als het buitenlandse handels- en ontwikkelingsbeleid.
Een grote rol voor het bedrijfsleven bij de realisatie van de mensenrechten en de SDG’s,
zoals op het terrein van klimaat en milieu, vereist een actieve overheid die toeziet op de
wijze waarop het bedrijfsleven deze rol vervult. Het verdient aanbeveling om te komen
tot een tweede nationaal actieplan mensenrechten en bedrijfsleven. In een dergelijk
plan moet de relatie tussen mensenrechten, bedrijven en de SDG’s worden verhelderd,
moet de verplichting van overheden om mensenrechten te beschermen tegen inbreuken
door derden (duty to protect) verder worden ingevuld, en moeten instrumenten worden
gedefinieerd die bedrijven stimuleren om bij te dragen aan het behalen van de SDG’s
met respect voor mensenrechten.
Naast het stimuleren van zelfregulering door bedrijven (de IMVO-convenanten) dient
Nederland de mogelijkheid van bindende regelgeving als beleidsinstrument open
te houden voor achterblijvers op het gebied van mensenrechten. Nederland moet
daarom een actieve en constructief-kritische bijdrage leveren aan de (verkennende)
onderhandelingen over een verdrag over het bedrijfsleven en mensenrechten die
momenteel plaatsvinden in de VN-Mensenrechtenraad. Internationale afspraken dragen
immers bij aan het creëren van een gelijk speelveld voor het (multinationale) bedrijfsleven.
7. MAAK HET TEGENGAAN VAN DE SHRINKING CIVIC SPACE EEN INTEGRAAL ONDERDEEL
   VAN HET MENSENRECHTEN- EN ONTWIKKELINGSBELEID.
Maatschappelijke organisaties vervullen een onmisbare rol in het SDG-partnerschap.
Daarom zou Nederland in het mensenrechten- en ontwikkelingsbeleid specifieke
activiteiten moeten ondersteunen om de bewuste inperking van maatschappelijke
216 De AIV heeft de ambities van ontwikkelingslanden om meer internationale zeggenschap en meer ruimte
     voor onafhankelijk nationaal beleid te creëren eerder gesteund in zijn advies Naar betere mondiale
     financiële verbondenheid: het belang van een coherent internationaal economisch en financieel stelsel,
     nr. 89, augustus 2014.
                                                     69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>organisaties door overheden – zowel in politiek als in financieel opzicht – tegen te
gaan. Nederland zou het belang van onafhankelijke maatschappelijke organisaties en
mensenrechtenverdedigers vaker publiekelijk moeten benadrukken. Ook de Europese
Commissie moet hiertoe worden aangespoord.
Hierbij past ook een vergroting van de kennis en capaciteit op ambassades op het gebied
van mensenrechten en aanvallen op het maatschappelijk middenveld. Nederlandse
ambassades in landen waar mensenrechtenorganisaties onder vuur liggen, dienen de EU-
richtlijnen voor mensenrechtenverdedigers uit te voeren. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op
VN-Verklaring over Mensenrechtenverdedigers (1998).
De ondersteuning van maatschappelijke organisaties door het ministerie van
Buitenlandse Zaken dient strategisch en flexibel te worden ingevuld. Langdurende
basisfinanciering (in plaats van kortlopende projectfinanciering) verdient daarbij de
voorkeur. Nederland moet geen maatschappelijke organisaties ondersteunen die door
repressieve overheden in het leven zijn geroepen.
8.   BETREK JONGEREN ACTIEF BIJ DE UITVOERING VAN AGENDA 2030.
Nederland moet zich sterk maken voor een speciaal vertegenwoordiger binnen het VN-
systeem die zich toelegt op aandacht voor de belangen van toekomstige generaties.
Voortbouwend op een voorstel van de Secretaris-Generaal van de VN (zie hoofdstuk I)
kan Nederland stimuleren dat het High Level Political Forum voor Agenda 2030 jaarlijks,
als vast agendapunt, de rechten van toekomstige generaties bespreekt.
De jaarlijkse SDG-rapportage aan de Tweede Kamer bevat een jongerenbijdrage die
wordt opgesteld door de Nationale Jeugdraad. Het is zonder meer positief dat het
ministerie van Buitenlandse Zaken hen deze mogelijkheid biedt. De AIV meent evenwel
dat de Nederlandse overheid veel meer gebruik moet maken van de activerende rol
die jongeren kunnen spelen bij het realiseren van de SDG’s. Jongerenorganisaties
zouden standaard betrokken moeten worden bij de Nederlandse beleidsvorming rondom
Agenda 2030 en inspraak moeten hebben op SDG-relevante beleidsterreinen zoals
onderwijs, klimaat en duurzame ontwikkeling, gezondheid en gelijkheid. Door jongeren
een positie aan tafel te garanderen – ook bij vakdepartementen en lagere overheden –
draagt de overheid bij aan meer kennis en bewustzijn van mensenrechten en duurzame
ontwikkeling bij nieuwe generaties.
9. VERSTERK DE COÖRDINATIE EN SAMENHANG VAN DE BINNENLANDSE EN BUITENLANDSE
  SDG-INZET.
De coördinatie van het interne en externe SDG-beleid is belegd bij de minister voor
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Dit kan de indruk wekken dat
Nederland primair een op het buitenland gerichte verantwoordelijkheid voor de uitvoering
van Agenda 2030 heeft. Echter, Agenda 2030 vraagt om implementatie in alle landen,
ook in Nederland. De Nederlandse SDG-inzet in het buitenland kan alleen overtuigen als
Nederland ook zijn eigen huiswerk doet. Dit is een verantwoordelijkheid van de regering
als geheel.
In de jaarlijkse SDG-rapportage aan de Tweede Kamer over het behalen van de SDG’s in
Nederland, moet structureel in een aparte paragraaf aandacht worden besteed aan de SDG-
inspanningen in Caribisch Nederland (Bonaire, Sint Eustatius, Saba), met aandacht voor
mensenrechten. Caribisch Nederland is een volwaardig deel van Nederland. Desondanks
                                            70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>krijgen de specifieke ontwikkelings- en mensenrechtenuitdagingen aldaar nog niet de
bijzondere aandacht vanuit Europees Nederland die zij verdienen. Tevens dient in de
jaarlijkse SDG-rapportage te worden ingegaan op de coördinatie van het SDG-beleid
tussen de vier landen van het Koninkrijk (Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten).
Rekening houdend met het overweldigende belang van Agenda 2030 voor de samenleving
als geheel, roept de AIV de minister-president op om, in aanloop naar de bijeenkomst
van het High Level Political Forum op het niveau van regeringsleiders in september
2019, namens Nederland een scherper Europees en internationaal profiel te kiezen met
betrekking tot de SDG’s en mensenrechten. De minister-president kan onder meer als
gastheer optreden van de side events die onder aanbeveling 4 zijn genoemd.
                                            71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>                                                                                                   Bijlage I
                                                        Ministerie van Buitenlandse Zaken
 Prof. mr. J.G. de Hoop Scheffer
 Voorzitter
 Adviesraad Internationale Vraagstukken                                              Rijnstraat 8
 Postbus 20061                                                                       2515 XP Den Haag
                                                                                     Postbus 20061
 2500 EB Den Haag                                                                    2500 EB Den Haag
                                                                                     Nederland
                                                                                     www.rijksoverheid.nI
                                                                                     Contactpersoon
                                                                                     Lotte Hofste
                                                                                     T 070-3487308
                                                                                     Iotte.hofste@minbuza.nl
 Datum         april 2018
 Betreft Adviesaanvraag Mensenrechten en de SDG’s
Geachte voorzitter,
 Na de Tweede Wereldoorlog is een breed internationaal
 mensenrechteninstrumentarium gebouwd, met als startpunt de in 1948 door de
Verenigde Naties (VN) vastgestelde de Universele Verklaring voor de Rechten van
de Mens (UVRM), waarin de universaliteit van mensenrechten voor het eerst
 internationaal werd bevestigd. Dit luidde een periode van enkele decennia in
waarin mensenrechten steeds beter werden beschermd, onder meer door de
totstandkoming van verschillende juridisch bindende mensenrechtenverdragen.
Mensenrechten kunnen echter niet uitsluitend gedragen worden door het recht; zij
dienen verankerd te zijn in de structuren van de samenleving.
De aanname door VN-lidstaten van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in
2015 hebben wereldwijd momentum gegenereerd voor duurzame ontwikkeling en
versterkte mondiale samenwerking. De SDGs stellen concrete doelen om een eind
te maken aan armoede, ongelijkheid en klimaatverandering, uiterlijk in 2030. Zij
benadrukken daarbij het belang van rechten, respect en waardigheid en hebben
het overkoepelende principe dat niemand mag worden uitgesloten (leave no one
behind). De grote nadruk op mensenrechten in de SDG’s (meer dan in de
milleniumdoelstellingen) biedt een goed houvast voor een politieke en
rechtenbenadering van ontwikkeling waarbij de belangen van burgers centraal
staan.
Respect voor mensenrechten en voor menselijke vrijheden, zoals neergelegd in
internationale verdragen, zijn belangrijke voorwaarden voor duurzame
ontwikkeling en voor het voorkomen van conflicten. De SDG-agenda kan niet
succesvol zijn zonder de naleving van mensenrechten en vice versa. Ook worden
zowel de SDG’s als de mensenrechteninstrumenten door experts gezien als
‘raamwerken’ voor een structurele inzet op de preventie van gewelddadig conflict.
Beide agenda’s hebben elkaar veel te bieden.
Specifieke mogelijkheden om mensenrechten te bevorderen via de uitvoering van
de SDG’s en vice versa zijn echter nog niet systematisch onderzocht. In het licht
van bovenstaande zou het kabinet het op prijs stellen hierover van de Adviesraad
voor Internationale Vraagstukken (AIV) een advies te ontvangen uiterlijk voor het
einde van 2018, aan de hand van de volgende vragen:
                                                                                    Pagina 1 van 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Centrale vraag: Hoe kunnen de Nederlandse inzet oi de SDG’s en de inzet van het
Nederlandse buitenlands beleid o het terrein van de mensenrechten, zoals
vastgelegd in de beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, elkaar wederzijds Datum
                                                                                    12-04-2018
versterken?
                                                                                    Onze referentie
                                                                                    MINBUZA-2018.403609
En de volgende deelvragen:
1. Wat zijn de raakvlakken van beide agenda’s en waar vullen ze elkaar aan?
2. Welke concrete opties bestaan er om de SDG’s (beter) te laten bijdragen aan de
internationale bevordering van mensenrechten?
3. Hoe kan het Nederlandse buitenlands beleid op mensenrechten optimaal
bijdragen aan het behalen van de SDG’s op voor Nederland prioritaire terreinen?
Wij kijken uit naar een operationeel advies met concrete handvatten voor het
Nederlandse buitenlands beleid, in het bijzonder het mensenrechten- en SDG
beleid.
De Minister van Buitenlandse Zaken         De Minister voor uitenlandse Handel
    7                                      en Ontwikkelingssamenwerking,
                                            Sigrid
                                                                                    Pagina 2 van 2
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>                                                                                   Bijlage II
Belangrijke mensenrechtenverdragen
CAT		        Convention Against Torture and other cruel, inhuman or degrading
		           treatment or punishment (1984)
		Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende 		
		           behandeling of bestraffing
CEDAW		      Convention on the Elimination of all Forms of Discrimination against
		Women (1979)
		Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen
CERD		       Convention on the Elimination of all forms of Racial Discrimination (2006)
             Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie
CMW		        Convention on the protection of the rights of all Migrant Workers and their
		families (1990)
		Verdrag inzake bescherming van de rechten van alle migrerende
		           werknemers en hun gezinsleden
CRC          Convention on the Rights of the Child (1989)
		Verdrag inzake de rechten van het kind
CRC-OP1      Optional Protocol to the Convention on the Rights of the Child (2000)
		Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind
CRPD		       Convention on the Rights of persons with Disabilities (2006)			
		Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
DRtD		       Declaration on the Right to Development (1986)
		Verklaring inzake het recht op ontwikkeling
EVRM         European Convention for the Protection of Human Rights and
		           Fundamental freedoms (1950)
		Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de
		Fundamentele Vrijheden
ICPED		      International Convention for the Protection of All Persons from Enforced
		Disappearance (2006)
		Internationaal verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen
		gedwongen verdwijning
IVBPR		      International Covenant on Civil and Political Rights (1966)
		Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten
IVESCR		     International Covenant on Economic, Social and Cultural Rights (1966)
		Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten
UVRM		       Universal Declaration of Human Rights (1948)
		Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>                                                                       Bijlage III
Geraadpleegde personen
J.W. van der Braak		       World Connectors / Stichting SBI
J. van Gennip			           Socires
J. Hamilton			             COC Nederland
N. ten Have			             Ministerie van Binnenlandse Zaken
J.A. de Koning			          Unilever / Global Compact Netwerk Nederland
S. Laban			Hivos
H. Mulder			               True Price Foundation / SDG Charter
Prof.dr. N.J. Schrijver 		 Universiteit Leiden
N. Sprokel			              Amnesty International
M. Visser			               Free Press Unlimited
M. Visser			               VNO-NCW / MKB Nederland
A. van Wezel			            FNV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                                                                              Bijlage IV
Lijst met afkortingen
AIV			                Adviesraad Internationale Vraagstukken
AVVN			               Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
BHOS			               Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
BZ			                 Buitenlandse Zaken
CBS			                Centraal Bureau voor de Statistiek
CESCR			              VN-Comité voor Economische, Sociale en Culturele Rechten
CMR			                Commissie Mensenrechten
COS			                Commissie Ontwikkelingssamenwerking
ECOSOC		              VN-Economische en Sociale Raad
ECSR			               Europees Comité van Sociale Rechten
EHRM   		             Europees Hof voor de Rechten van de Mens
EU			                 Europese Unie
EUROSTAT		            European Statistical Office
FAO    		             Food and Agriculture Organization
FUR			                Follow Up and Review
GBVB   		             Gemeenschappelijk Buitenland- en Veiligheidsbeleid
HLPF			               High Level Political Forum
IAEG-SDG		 Inter-Agency and Expert Group on Sustainable Development 		
			Goals Indicators
ILO			                International Labour Organization
IMF			                Internationaal Monetair Fonds
IMVO			               Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
IOB			                Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie
IPCC			               International Panel on Climate Change (VN-Klimaatpanel)
LHBTI			              Lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgender- en
			intersekse personen
MDG			                Millennium Development Goal
MPI			                Multidimensional Poverty Index
NGO			                Niet-gouvernementele organisatie
NHRI   		             National Human Rights Institutions
OESO			               Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OHCHR			              Office of the High Commissioner for Human Rights
PPP			                People, Planet, Profit
SCP			                Sociaal en Cultureel Planbureau
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>SDG			   Sustainable Development Goal
UNDP			  United Nations Development Programme			
UNESCO		 United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization
UNGP			  United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights
UPR			   Universal Periodic Review
VN			    Verenigde Naties
WHO			   World Health Organization
WRR			   Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO-POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB-SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>79  DE ARABISCHE REGIO, EEN ONZEKERE TOEKOMST, mei 2012
80  ONGELIJKE WERELDEN: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking,
    september 2012
81  NEDERLAND EN HET EUROPEES PARLEMENT: investeren in nieuwe verhoudingen, november 2012
82  WISSELWERKING TUSSEN ACTOREN IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: naar flexibiliteit en
    vertrouwen, februari 2013
83  TUSSEN WOORD EN DAAD: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, maart 2013
84  NIEUWE WEGEN VOOR INTERNATIONALE MILIEUSAMENWERKING, maart 2013
85  CRIMINALITEIT, CORRUPTIE EN INSTABILITEIT: een verkennend advies, mei 2013
86  AZIË IN OPMARS: strategische betekenis en gevolgen, december 2013
87  DE RECHTSSTAAT: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking,
    januari 2014
88  NAAR EEN GEDRAGEN EUROPESE SAMENWERKING: werken aan vertrouwen, april 2014
 89 NAAR BETERE MONDIALE FINANCIËLE VERBONDENHEID: het belang van een coherent
    internationaal economisch en financieel stelsel, juni 2014
 90 DE TOEKOMST VAN DE ARCTISCHE REGIO: samenwerking of confrontatie?, september 2014
 91 NEDERLAND EN DE ARABISCHE REGIO: principieel en pragmatisch, november 2014
 92 HET INTERNET: een wereldwijde vrije ruimte met begrensde staatsmacht, november 2014
 93 ACS–EU-SAMENWERKING NA 2020: op weg naar een nieuw partnerschap?, maart 2015
 94 INSTABILITEIT ROND EUROPA: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid, april 2015
 95 INTERNATIONALE INVESTERINGSBESLECHTING: van ad hoc arbitrage naar een permanent
    investeringshof, april 2015
 96 INZET VAN SNELLE REACTIEMACHTEN, oktober 2015
 97 AUTONOME WAPENSYSTEMEN: de noodzaak van betekenisvolle menselijke controle, oktober 2015**
 98 GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE: verschillende routes in de EU-samenwerking, oktober 2015
 99 DAADKRACHT DOOR DE DUTCH DIAMOND: ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame
    ontwikkelingsdoelen, januari 2016
100 GOED GESCHAKELD? Over de verhouding tussen regio en de EU, januari 2016
101 VEILIGHEID EN STABILITEIT IN NOORDELIJK AFRIKA, mei 2016
102 DE BESCHERMING VAN DE BURGERBEVOLKING IN GEWAPEND CONFLICT: over gebaande paden
    en nieuwe wegen, juli 2016
103 ‘BREXIT MEANS BREXIT’: op weg naar een nieuwe relatie met het VK, maart 2017
104 DE WIL VAN HET VOLK?: erosie van de democratische rechtsstaat in Europa, juni 2017
105 IS DE EUROZONE STORMBESTENDIG?: over verdieping en versterking van de EMU, juli 2017
106 DE TOEKOMST VAN DE NAVO EN DE VEILIGHEID VAN EUROPA, oktober 2017
107 FUNDAMENTELE RECHTEN IN HET KONINKRIJK: EENHEID IN BESCHERMING: theorie en praktijk
    van territoriale beperkingen bij de ratificatie van mensenrechtenverdragen, juli 2018
108 COALITIEVORMING NA DE BREXIT: Allianties voor een Europese Unie die moderniseert
    en beschermt, juli 2018
109 KERNWAPENS IN EEN NIEUWE GEOPOLITIEKE WERKELIJKHEID: hoog tijd voor nieuwe
    wapenbeheersingsinitiatieven, januari 2019
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
 1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
 2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
 3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>  4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
  5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
  6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
  7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
  8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
22 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2012: krijgsmacht in de knel, september 2012
23 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKTE SOCIALE DIMENSIE VAN DE EUROPESE UNIE, juni 2013
24 Briefadvies MET KRACHT VOORUIT: reactie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op de
    beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, september 2013
25 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: meer dan een definitiekwestie, mei 2014
26 Briefadvies DE EU-GASAFHANKELIJKHEID VAN RUSLAND: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan
    verminderen, juni 2014
27 Briefadvies FINANCIERING VAN DE INTERNATIONALE AGENDA VOOR DUURZAME ONTWIKKELING,
    april 2015
28 Briefadvies DE TOEKOMST VAN SCHENGEN, maart 2016
29 Briefadvies TOEKOMST ODA, november 2016
30 Briefadvies ASSOCIATIEOVEREENKOMST EU-OEKRAÏNE: de noodzaak tot ratificatie, december 2016
31 Briefadvies RUSLAND EN DE NEDERLANDSE DEFENSIE-INSPANNINGEN, maart 2017
32 Briefadvies DE VERTEGENWOORDIGING VAN NEDERLAND IN DE WERELD, mei 2017
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>