<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>             KERNWAPENS IN EEN NIEUWE
             GEOPOLITIEKE WERKELIJKHEID
HOOG TIJD VOOR NIEUWE WAPENBEHEERSINGSINITIATIEVEN
                     No. 109, januari 2019
  ADVIESRAAD INTERNATIONALE VRAAGSTUKKEN
        ADVISORY COUNCIL ON INTERNATIONAL AFFAIRS AIV
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>Leden Adviesraad Internationale Vraagstukken
Voorzitter		      Prof.mr. J.G. de Hoop Scheffer
Vicevoorzitter 		 Prof.dr. ir. J.J.C. Voorhoeve
Leden   		        Prof.mr. C.P.M. Cleiren
			Prof.dr. J. Gupta
			               Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin				
			Prof.dr. L.J. van Middelaar				
			               Prof.dr. M.E.H. van Reisen
			               Drs. M. Sie Dhian Ho
			               LGen b.d. M.L.M. Urlings
Secretaris 		     Drs. M.E. Kwast-van Duursen
                  Postbus 20061
                  2500 EB Den Haag
                  telefoon 070 - 348 6060/5108
                  aiv@minbuza.nl
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>Leden van de Commissie Vrede en Veiligheid
Voorzitter		     Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve
Vicevoorzitter		 LGen b.d. M.L.M. Urlings
Leden			         Prof.dr. E. Bakker
			Drs. D.J. Barth
			Drs. A.J. Boekestijn
			Drs. L.F.F. Casteleijn
			Prof.dr. J. Colijn
			              Dr. N. van Dam
			              Dr. N. de Deugd
			Dr. M. Drent
			Prof.dr. I. Duyvesteyn
			              Jhr. P.C. Feith MA
			Dr. A.R. Korteweg
			              LGen b.d. dr. D. Starink
Secretaris		     J.W.K. Glashouwer MA
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>Inhoudsopgave
Woord vooraf				
I        Kernwapens opnieuw actueel   7
         I.1     Een nieuwe geopolitieke werkelijkheid    7
         I.2     Toegenomen conflictpotentieel   9
         I.3     Een wereld zonder kernwapens?    15
II       Internationaalrechtelijk kader, ethiek en kernwapens    21
         II.1    Ethische beginselen en het internationaal recht    21
         II.2    Het internationaal recht en het bezit van kernwapens    21
         II.3    Het internationaal recht en dreiging met of gebruik van kernwapens    22
         II.4    Ethiek en kernwapens   27
III      Veranderingen in de nucleaire veiligheidscontext    29
         III.1   De moderniseringsprogramma’s van Rusland en China    29
         III.2   Het moderniseringsprogramma van de Verenigde Staten    36
         III.3   ‘Verstrikking’ van nucleaire en niet-nucleaire capaciteiten en 				
		               technologieën   40
IV       Nucleaire wapenbeheersing onder druk    44
         IV.1    Belang nucleaire wapenbeheersing   44
         IV.2    Belemmeringen en onzekerheden    45                 		
         IV.3    Een veranderend internationaal krachtenveld    52
V        Te voeren NAVO-beleid   55
         V.1     Nucleair beleid NAVO   55
         V.2     Geloofwaardige afschrikking   56
         V.3     Nucleaire rol- en taakverdeling    59
VI       Conclusies en aanbevelingen       63
         VI.1    Conclusies   63
         VI.2    Aanbevelingen        73
Bijlage I        Adviesaanvraag
Bijlage II       Historisch overzicht nucleaire afschrikking en kernwapenbeheersing
Bijlage III      Advisory Opinion Internationaal Gerechtshof			
Bijlage IV       Modernisering strategische triades
Bijlage V        Europese nucleaire afschrikking
Bijlage VI       Woordenlijst en afkortingen
Bijlage VII      Lijst met geraadpleegde personen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>Woord vooraf
Toelichting op de adviesaanvraag
Het kabinet heeft de AIV gevraagd om een grondige analyse te verrichten van de
huidige en de toekomstige rol van kernwapens (adviesaanvraag van 15 maart 2018,
zie bijlage I). Volgens het kabinet dwingen vooral geopolitieke, doctrinaire en
technologische ontwikkelingen tot een bezinning op het huidige nucleaire beleid
van de NAVO en de rol die voor Nederland is weggelegd. De analyse moet allereerst
betrekking hebben op de nucleaire veiligheidscontext van de NAVO, waaronder
specifieke ontwikkelingen in Rusland en in andere landen zoals Noord-Korea en Iran.
Het kabinet vraagt de AIV verder of het NAVO-beleid hierop is toegesneden, zowel
met het oog op de voor afschrikking benodigde capaciteiten, als voor nucleaire
wapenbeheersing en risicoreductie. Tot slot legt het kabinet in de vraagstelling de
klemtoon op de nucleaire rol- en taakverdeling binnen de NAVO, mede in relatie
tot het bredere vraagstuk van de trans-Atlantische lastenverdeling. Hierbij wordt
aandacht gevraagd voor de rol van de drie NAVO-kernmachten (Verenigde Staten,
Frankrijk, Verenigd Koninkrijk), de Amerikaanse ‘sub-strategische’ kernwapens in
Europa en de kernwapentaak die Nederland vervult.
Verantwoording aanpak
Het voorliggende advies gaat verder dan (aanbevelingen over) actuele en verwachte
nucleaire ontwikkelingen in de NAVO. Het kabinet stelt in de adviesaanvraag vast,
dat de nucleaire expertise en bekendheid met nucleaire vraagstukken sinds het
einde van de Koude Oorlog zijn afgenomen. Daarom wil de AIV met het advies ook
bijdragen tot een beter inzicht in deze veelomvattende en lastig te doorgronden
materie. In een bijlage van het advies is een historisch overzicht vanaf 1945
opgenomen. In aanvulling op de onderwerpen waarover de regering wenst te worden
geadviseerd, zijn delen van het advies gewijd aan het internationaal recht en ethiek
en aan de grondslag van nucleaire wapenbeheersing. Bij het opstellen van het advies
zijn naast veiligheidsexperts binnen en buiten de AIV ook juristen, wetenschappers
en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties geraadpleegd. Zie bijlage
VII voor de lijst met geraadpleegde personen.
Terminologie
Bij de behandeling van (wapen)technologische ontwikkelingen is het onvermijdelijk
om Engelse termen te gebruiken. Deze zijn zoveel mogelijk in het Nederlands
vertaald, maar gehandhaafd waar geen passende Nederlandse vertaling voorhanden
is of begripsverwarring dreigt (daarom is een woordenlijst in bijlage VI bij het advies
opgenomen). Het veelgebruikte onderscheid tussen ‘strategische’ en ‘tactische’
kernwapens berust niet op gezaghebbende definities. De term ‘tactisch’ werd ook
gebruikt voor nucleaire gevechtsveldwapens. Deze wapens zoals nucleaire artillerie
met een kort bereik en veelal een relatief gering explosief vermogen zijn aan NAVO-
zijde volledig uitgebannen. De AIV is van oordeel dat de inzet van elk nucleair
wapen, ongeacht zijn kenmerken, de aard van een conflict fundamenteel verandert
en daarom altijd strategische betekenis heeft. Voor de kernwapens die niet worden
gerekend tot de strategische kernwapens waaraan de Verenigde Staten en Rusland
verdragsrechtelijke beperkingen hebben gesteld, acht de AIV de aanduiding ‘sub-
strategisch’ het minst bezwaarlijk.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>Hoofdstukindeling
In hoofdstuk I komen eerst de ontwikkelingen aan de orde die aan kernwapens
verbonden vraagstukken opnieuw actueel maken. Dit betreft naast de spanningen
tussen de (nucleaire) grootmachten en de nieuwe accenten in het Amerikaanse
veiligheidsbeleid, ook de toegenomen zorgen in vooral niet-kernwapenstaten over
het gebrek aan voortgang in de nucleaire non-proliferatie en terugdringing van de rol
van kernwapens.
Hoofdstuk II is gewijd aan het internationaalrechtelijke kader en de ethische
beginselen die op kernwapens van toepassing zijn. In bijlage III is een daarbij
horende toelichting opgenomen op de Advisory Opinion van het Internationaal
Gerechtshof uit 1996.
Hoofdstuk III bevat een analyse van de nieuwe ontwikkelingen in de nucleaire
veiligheidscontext. Daarbij gaat de aandacht uit naar de moderniseringsprogramma’s
van de Verenigde Staten, Rusland en China, die hierop nadrukkelijk hun stempel
zullen drukken. Per land komen de (plannen voor) nieuwe capaciteiten aan de
orde (zie ook bijlage IV), alsmede de rol die kernwapens vervullen in de strategie
en de doctrinaire veranderingen. De toegenomen strategische rivaliteit tussen de
drie (nucleaire) grootmachten is ook zichtbaar op het terrein van niet-nucleaire
capaciteiten en technologieën. De daarmee samenhangende nieuwe risico’s zijn in
kaart gebracht. Andere invalshoeken, zoals de verspreiding van nucleaire kennis en
materiaal voor vreedzame toepassingen en de dreiging van nucleair terrorisme, zijn
grotendeels buiten beschouwing zijn gelaten.
In hoofdstuk IV is de balans opgemaakt van wat er, gezien de zich ontwikkelende
dynamiek tussen de (nucleaire) grootmachten, op het spel staat voor de nucleaire
wapenbeheersing en ontwapening. Mede naar aanleiding van de crisis rond het
verdrag tegen middellangeafstandsraketten (INF-verdrag) is het de vraag of de
fundamenten ervan nog wel stevig genoeg zijn. Het hoofdstuk geeft geen volledig
overzicht van alle inspanningen in dit kader en de AIV wil hiermee niets afdoen
aan de multilaterale beleidsinzet van de regering (Kamerbrief van 21 juni 2018).
Niettemin acht de AIV het van belang om accenten te plaatsen op terreinen die
gezien de onzekere toekomst van het kernwapenbeheersingsregime extra aandacht
vergen, ook in NAVO-verband.
In hoofdstuk V staan de implicaties voor het NAVO-beleid centraal, het
afschrikkingsbeleid en het belang van de afspraken tussen de bondgenoten in het
kader van nuclear sharing, waaronder de nucleaire taak die Nederland vervult.
Samenhangend met de nucleaire rol- en taakverdeling is ook de vraag aan de orde
van de (on)wenselijkheid van een Europees nucleair afschrikkingsvermogen (zie ook
bijlage V).
Hoofdstuk VI bevat tot slot de conclusies en de aanbevelingen.
Het advies is opgesteld door de Commissie Vrede en Veiligheid (CVV) van de AIV,
bestaande uit prof.dr. J.J.C. Voorhoeve (voorzitter), LGen b.d. M.L.M. Urlings
(vicevoorzitter), prof.dr. E. Bakker, drs. D.J. Barth, drs. A.J. Boekestijn, drs. L.F.F.
Casteleijn, prof.dr. J. Colijn, dr. N. van Dam, dr. N. de Deugd, dr. M. Drent,
prof.dr. I. Duyvesteyn, jhr. P.C. Feith, dr. A.R. Korteweg en LGen b.d. dr. D. Starink.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Het secretariaat werd gevoerd door J.W.K. Glashouwer MA, bijgestaan door R.M.
Guldemond (stagiaire), F.A. den Hollander (stagiaire) en A.A. Stoetman (stagiaire).
De ambtelijke contactpersonen waren mr. P. van Donkersgoed (ministerie van
Buitenlandse Zaken), H.J.R. Slettenhaar (ministerie van Buitenlandse Zaken) en
drs. H.J.A.M. van Oosterhout (ministerie van Defensie).
Voor dit advies heeft de commissie gesproken met een groot aantal deskundigen.
De AIV is hun zeer erkentelijk voor hun inbreng.
De AIV heeft het advies vastgesteld op 29 januari 2019.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>I         Kernwapens opnieuw actueel
I.1       Een nieuwe geopolitieke werkelijkheid
   Kennis van de ontstaansgeschiedenis van de nucleaire afschrikking en de
   kernwapenbeheersing is naar de opvatting van de AIV onontbeerlijk om actuele
   ontwikkelingen op dit terrein te doorgronden en in (historisch) perspectief te kunnen
   plaatsen. De rol die kernwapens hebben gespeeld – en nog altijd spelen – in de mondiale
   en de Europese machtsverhoudingen is lange tijd onderbelicht geweest. Daarom bevat het
   advies ‘ter opfrissing’ een naar verhouding uitgebreid historisch overzicht van de nucleaire
   vraagstukken sinds 1945 in bijlage II bij dit advies.
Kernwapenvraagstukken staan opnieuw in de belangstelling. De huidige crisis rond
het verdrag tegen vanaf de grond lanceerbare middellangeafstandsraketten en
-kruisvluchtwapens (Intermediate-range Nuclear Forces - INF) getuigt hiervan. Op 22 oktober
2018 bevestigde de Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur John Bolton in Moskou
het al eerder door president Trump geuite voornemen van de Verenigde Staten om zich
terug te zullen trekken uit het INF-verdrag. Het moment lijkt te zijn genaderd dat deze
stap ook in formele zin zal worden gezet.1 De Verenigde Staten achten de situatie niet
langer houdbaar dat Rusland al jaren straffeloos de verplichtingen volgens het INF-verdrag
schendt en dat China en andere landen – geen partij in het verdrag – onbelemmerd
kortere en middellangeafstandsraketten ontwikkelen.2 In zijn reactie wees president
Poetin erop dat het opnieuw de Verenigde Staten zijn die zich eenzijdig terugtrekken uit
een belangrijk, uit de Koude Oorlog stammend wapenbeheersingsverdrag, net als in
2002.3 President Poetin onderstreepte de schadelijke gevolgen die dit zou hebben voor
de verlenging na 2021 van het New START-verdrag, het na opzegging van het INF-verdrag
nog enige resterende kernwapenakkoord tussen de Verenigde Staten en Rusland. Een
nieuwe wapenwedloop achtte hij waarschijnlijk, daaraan het dreigement toevoegend dat
Europese landen die plaatsing van nieuwe Amerikaanse nucleaire raketten toestaan, zich
blootstellen aan een mogelijke vergeldingsaanval.4
1   De Verenigde Staten hebben kenbaar gemaakt op 2 februari a.s. formeel de uittredingsprocedure aan
    te kondigen. The Guardian 16 januari 2019, zie: <https://www.theguardian.com/world/2019/jan/16/
    us-russia-inf-treaty-nuclear-missile>.
2   Zie: <https://www.theguardian.com/world/2018/oct/23/bolton-inf-treaty-russia-putin-moscow-meeting>.
    Het INF-verdrag uit 1987 verbiedt de ontwikkeling en plaatsing van alle vanaf de grond lanceerbare
    kruisvluchtwapens en ballistische raketten met een bereik van tussen de 500 en 5.500 km. Partijen bij
    het INF-verdrag zijn de Verenigde Staten en de staten van de voormalige Sovjet-Unie die tijdens de Koude
    Oorlog over kernwapens beschikten (naast Rusland ook Oekraïne, Belarus en Kazakhstan).
3   Het gaat hier om het Anti-Ballistic Missile verdrag (ABM-verdrag) uit 1972. De eenzijdige Amerikaanse
    opzegging kreeg na het aflopen van een opzegtermijn van zes maanden op 13 juni 2002 zijn beslag.
    Het besluit maakte de weg vrij voor de doorontwikkeling en plaatsing van verdedigingssystemen
    tegen ballistische raketten, in het licht van de toegenomen dreiging van terrorisme en ‘rogue states’
    noodzakelijk geacht.
4   Zie: <https://www.bbc.com/news/world-europe-45971537> en < https://www.reuters.com/article/
    us-usa-nuclear-Poetin/russia-will-target-european-countries-if-they-host-us-nuclear-missiles-Poetin>.
                                                         7
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>Het is makkelijk met de vinger te wijzen naar de Verenigde Staten, die daar nu weliswaar
aanleiding toe hebben gegeven. De wankele positie van het INF-verdrag – volgens sommige
analisten van het gehele internationale regime voor de nucleaire wapenbeheersing – heeft
echter ook alles te maken met de opstelling van de andere kernwapenstaten. Anders
dan tijdens de Koude Oorlog, toen er sprake was van twee ideologisch gedreven
machtsblokken die elkaar als existentiële bedreiging zagen, is het beeld van de
internationale orde veel diffuser geworden. Er zijn in totaal negen staten die over
kernwapens beschikken, mogelijk neemt dit aantal in de toekomst toe. De mogelijkheden
om op indirecte, soms lastig traceerbare wijze macht en invloed uit te oefenen zijn sterk
toegenomen. Naast competitie en conflict in het ene domein kan er in een ‘multipolair’
krachtenveld ook sprake zijn van nauwe samenwerking in andere domeinen, in wisselende
coalities. Aan de gehanteerde afschrikkingsconcepten en de nucleaire wapenbeheersing
liggen echter nog altijd uitgangspunten ten grondslag die stammen uit de Koude Oorlog.
Het is nog niet zeker of de dagen van het INF-verdrag definitief zijn geteld. Het is
immers mogelijk – maar niet erg waarschijnlijk – dat Rusland de komende periode
van zes maanden alsnog besluit gehoor te geven aan de dringende oproep van de
Verenigde Staten en de andere NAVO-landen tot volledige en verifieerbare naleving.5
Van een serieuze toenadering of handreiking is echter tot dusver geen sprake. De
aankondiging van president Poetin medio december 2018 dat Rusland is begonnen met
de serieproductie van een hypersonisch (nucleair) glijvluchtwapen dat zelfs door de meest
geavanceerde raketverdediging niet kan worden onderschept, is weinig hoopgevend.6
Mocht onverhoopt de Amerikaanse terugtrekking onomkeerbaar blijken, dan laat zich niet
voorspellen welke gevolgen dat precies zal hebben voor de verhoudingen met Rusland
en voor de kernwapenbeheersing in bredere zin. Uit de ontstane situatie is wel reeds op
te maken dat de internationale context er wezenlijk anders uitziet dan ten tijde van de
eenzijdige opzegging door de Verenigde Staten van het ABM-verdrag in 2002. De crisis
rond het INF-verdrag is niet van de ene op de andere dag ontstaan en vormt in zekere
zin de manifestatie van gewijzigde machtsverhoudingen, toegenomen grootstatelijk
conflictpotentieel en druk op de normen en instituties waarvan een matigende werking
moet uitgaan.7
Reeds begin jaren negentig werd een van de belangrijkste vragen hoe te voorkomen
dat risicolanden en terroristische organisaties zouden beschikken over massavernietigings-
en geavanceerde overbrengingsmiddelen. Het was onduidelijk welke rol daarbij nog
was weggelegd voor nucleaire afschrikking. In de steeds meer verweven wereld bleken
transnationale proliferatienetwerken zich te kunnen onttrekken aan internationaal toezicht.
De terroristische aanslagen op 11 september 2001 maakten beantwoording van deze
vraag voor de Verenigde Staten urgent en vormden een keerpunt. Er niet langer van
overtuigd zijnde dat tegenstanders zich in alle gevallen zouden laten afschrikken door
hun militair overwicht, besloten de Verenigde Staten tot doorontwikkeling en plaatsing
5   Volgens artikel XV van het INF-verdrag volgt uittreding zes maanden na formele notificatie. Zie voor de
    tekst van het verdrag: <https://www.state.gov/t/avc/trty/102360.htm>.
6   Zie onder meer: ‘Poetin says Russia is ready to deploy new hypersonic nuclear missile’ Reuters,
    26 december 2018.
7   Nina Tannenwald, ‘The Vanishing Nuclear Taboo? How Disarmament Fell Apart’, Foreign Affairs,
    November/December 2018 issue. Zie: <https://www.foreignaffairs.com/articles/world/2018-10-15/
    vanishing-nuclear-taboo>.
                                                        8
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>van verdedigingssystemen tegen ballistische raketten. De terugtrekking uit het ABM-
verdrag maakte hiervoor de weg vrij. De AIV noemde destijds de verdere verspreiding van
rakettechnologie verontrustend, maar oordeelde ook dat raketverdediging maar beperkt
bescherming kon bieden en dat verdere versterking van het non-proliferatieregime en de
wapenbeheersing nodig was. Met de opzegging van het ABM-verdrag was het beginsel van
wederzijds verzekerde vernietiging tussen de Verenigde Staten en Rusland (mutual assured
destruction) niet verdwenen, de strategische pariteit zou nog lange tijd het feitelijke
uitgangspunt zijn in de relatie tussen de twee voormalige rivalen. Van verdere ontwikkeling
van raketverdediging zou volgens de AIV op termijn wel een destabiliserende werking
kunnen uitgaan, ook vis-a-vis China.8
De vraag is (opnieuw) actueel of de uit de Koude Oorlog stammende afspraken en
uitgangspunten voor strategische stabiliteit en voorkoming van wapenwedlopen nog wel
toereikend zijn. In de beantwoording ervan moet men zich rekenschap geven van een
nieuwe geopolitieke werkelijkheid. De veranderde opstelling van Rusland, de opkomst
van China als militaire grootmacht en de mogelijke doorbraken op diverse nieuwe (niet-
nucleaire) gebieden van technologie kunnen de strategische machtsverdeling wijzigen en
gevoelens van onveiligheid vergroten. Landen zoals Noord-Korea en Iran beschikken over
geavanceerde ballistische raketten, toe te rusten met massavernietigingswapens waarover
Noord-Korea ook werkelijk beschikt. Ten aanzien van Noord-Korea is de afgelopen decennia
gebleken dat het erg lastig is om te voorkomen dat een land, indien het zijn zinnen daarop
heeft gezet, af kan worden gehouden van de ontwikkeling van kernwapens, zelfs indien de
daarvoor beschikbare middelen beperkt lijken.
I.2       Toegenomen conflictpotentieel
Verslechterde relatie met Rusland
De relatie tussen de NAVO-landen en Rusland is in het afgelopen decennium fundamenteel
verslechterd.9 Pogingen van de Verenigde Staten onder voormalig presidenten Bush en
Obama om de verstandhouding op een andere leest te schoeien, zijn niet beantwoord door
Rusland, dat een status als mondiale grootmacht nastreeft, verdere uitbreiding van de
NAVO een bedreiging acht en meer invloed wenst in het ‘nabije buitenland’.10 In reactie op
de Russische inname van de Krim en militaire inmenging in het oostelijk deel van Oekraïne
sinds 2014, hebben de Verenigde Staten naast economische sancties, in NAVO-verband
de deterrence and defence posture aangescherpt om Russische agressie af te schrikken.
De conclusie van Amerikaanse inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat het Kremlin de
Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2016 heeft trachten te beïnvloeden11, werd in
2017 gevolgd door aanvullende sancties en uitzettingen (over en weer) van diplomaten.
Washington heeft aangekondigd de lijst van gesanctioneerde exportgoederen verder te
8   AIV-advies nr. 28, ‘De Amerikaanse plannen voor raketverdediging nader bekeken. Voors en tegens van
    bouwen aan onkwetsbaarheid’, 17 juli 2002.
9   President Poetin kondigde tijdens de Munich Security Conference in 2007 aan dat Rusland de patrouilles
    met nuclear capable langeafstand-bommenwerpers zou hervatten. Dit moment wordt vaak aangehaald
    als landmark speech voor de veranderde opstelling van Rusland, dat sindsdien openlijk de status van
    buitenlandpolitieke en militaire grootmacht nastreeft.
10 AIV-briefadvies nr. 31, ‘Rusland en de Nederlandse defensie-inspanningen’, maart 2017.
11 Zie: <https://www.nytimes.com/2017/01/06/us/politics/russia-hack-report.html>.
                                                      9
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>zullen uitbreiden, omdat er een ernstige verdenking bestaat dat het Kremlin ook de hand
heeft gehad in de vergiftiging van voormalig Russisch spion Skripal en zijn dochter in het
Verenigd Koninkrijk.12
Rusland en de Verenigde Staten definiëren de bilaterale relatie momenteel vooral in
termen van geopolitieke rivaliteit, waarbij duidelijker dan voorheen dwangstrategieën
worden benut om de handelingsruimte van een opponent in te perken. De strategische
en sub-strategische kernwapens waarover beide landen beschikken, vormen – naast
conventionele en relatief nieuwe onconventionele (cyber) wapens – nog altijd het ultieme
afschrikkingsinstrument. Bij verder oplopende spanningen is het niet langer ondenkbaar
dat de twee nucleaire grootmachten verzeild kunnen raken in een militair conflict,
bijvoorbeeld naar aanleiding van (gepercipieerde) provocaties langs de grenzen van het
NAVO-grondgebied. Moeizame communicatie tussen de partijen vergroot het risico op
ongelukken, mispercepties en onbedoelde escalatie, met in potentie niet te beheersen
gevolgen. Tegen deze achtergrond baren elementen uit de omvangrijke militaire en
nucleaire moderniseringsprogramma’s van de twee landen zorgen, te meer met het oog op
militair-technologische en doctrinaire ontwikkelingen die in potentie destabiliserend zijn en
de opmaat kunnen vormen naar een nieuwe (nucleaire) wapenwedloop en proliferatie.13
Strategische rivaliteit met China
De Verenigde Staten zien zich verwikkeld in een grootmacht-competitie met China,
dat steeds nadrukkelijker als bedreiging wordt betiteld van Amerikaanse handels- en
veiligheidsbelangen in Azië en de Westelijke Pacific. China was in 2013 vrijwel ongehinderd
in staat om eenzijdig een door China gecontroleerde luchtverdedigingszone (Air Defense
Indentification Zone) af te kondigen in de Oost-Chinese Zee. Later slaagde het land er in
om nagenoeg het volledige betwiste gebied in de Zuid-Chinese Zee onder zijn controle te
brengen, infrastructuur aan te leggen en zijn aanwezigheid te militariseren. Deze sluipende
ontwikkeling kon zich mede voltrekken omdat de Verenigde Staten en hun bondgenoten
de zaak niet op de spits hebben willen drijven ten koste van handel en samenwerking op
andere terreinen. Toen de nieuwe werkelijkheid een feit was geworden, zag China in de
afwijzende uitspraak van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag geen aanleiding
om koers te wijzigen. Slechts drie jaar geleden beloofde president Xi Jinping in de Rose
Garden in Washington aan president Obama om de kunstmatige eilanden in de Zuid-
Chinese zee niet te militariseren.14 Het tegendeel geschiedde. Tijdens het bezoek van
de Amerikaanse minister van Defensie Mattis aan Beijing in juni 2018 waarschuwde
president Xi Jinping dat China niet ‘one inch’ van het gebied dat het claimde zou
prijsgeven.15
De vrees bestaat dat China erop vertrouwt dat, zolang weerstand uitblijft, meer mogelijk
moet zijn. Onder het mom van economische ontwikkeling en handelsbevordering zijn
12 Zie: <https://www.ft.com/content/0d1d64dc-9b41-11e8-ab77-f854c65a4465>.
13 James N. Miller Jr. and Richard Fontaine, ‘A New Era in U.S.-Russian Strategic Stability. How Changing
    Geopolitics and Emerging Technologies are Reshaping Pathways to Crisis and Conflict’, September 2017.
14 Zie: <https://www.reuters.com/article/us-usa-china-pacific/xi-denies-china-turning-artificial-islands-into-
    military-bases-idUSKCN0RP1ZH20150925>.
15 Zie: <https://www.scmp.com/news/china/diplomacy-defence/article/2152792/china-wont-concede-inch-
    xi-jinping-tells-us-defence>.
                                                    10
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 12 ======================================================================

<pre>strategische posities verkregen in Afrika, Europa, delen van Zuid-Azië en in Latijns-Amerika.
Daarbij werd ook de ‘schuldenval’ toegepast om vaste voet aan de grond te krijgen in
economisch kwetsbare landen die militair en strategisch van belang zijn. De Verenigde
Staten nemen beschermingsmaatregelen tegen (door bondgenoten) ongewenste Chinese
inmenging in de ‘Indo-Pacific region’. Dit betreft onder meer het opvoeren van sinds 2015
gestarte freedom of navigation patrols in de Zuid-Chinese Zee. Deze maritieme patrouilles
dienen ter voorkoming dat China de facto de vrije doorvaart controleert vanuit een
zelfverklaard veiligheidsbelang en daarbij niet de militaire presentie van andere landen duldt.
China vormde tijdens de Koude Oorlog in nucleair opzicht geen factor van belang, heeft
nog steeds een aanmerkelijk kleiner nucleair potentieel dan de Verenigde Staten en
Rusland, maar beschikt inmiddels over een indrukwekkend arsenaal raketten. Deze
ballistische raketten met hoge snelheid zijn ontworpen om varende schepen en doelen
op land uit te schakelen. De laatste versies, de DF-21D en de DF-26 kunnen de grootste
schepen van de Verenigde Staten waaronder vliegdekschepen uitschakelen (‘carrier
killers’), ook op geruime afstand van China. De DF-26 kan zelfs schepen nabij Guam
bedreigen. China heeft korteafstandsraketten, kruisraketten, middellange afstands-,
langeafstands- en intercontinentale raketten die vanaf land, zee en lucht kunnen worden
gelanceerd en die (voor een deel) kunnen worden voorzien van nucleaire ladingen. Een
groot deel van de raketten en kruisvluchtwapens heeft een bereik van tussen de 500 en
5.500 kilometer. Rond vliegdekschepen samengestelde vlootverbanden vormen voor de
Verenigde Staten een zeer kostbaar en in toenemende mate kwetsbaar middel om macht
te projecteren in veraf gelegen zeegebieden. Bij een gewelddadig treffen met China zou het
steeds moeilijker zijn om door Anti-Access / Area Denial (A2/AD)-systemen op het Chinese
vaste land en op steunpunten in de Zuid-Chinese zee heen te dringen. De plaatsing van
(relatief goedkope) grondgebonden systemen op bijvoorbeeld Guam, Japan, Zuid-Korea of
Noord-Australië, is aan de beperkende bepalingen van het INF-verdrag onderhevig.
Voor China gaat het niet primair om militair vermogen om de Verenigde Staten te kunnen
verslaan tijdens een conflict, maar om het voor de Verenigde Staten te kostbaar te maken
om een militaire interventie te overwegen. In een recente beoordeling in opdracht van het
Congres wijzen Amerikaanse veiligheidsexperts erop dat, ondanks het ongeëvenaarde
militaire vermogen van de Verenigde Staten, de grenzen ervan al snel in zicht zullen
komen in het geval van een groot conflict met Rusland of China: “In the event of large-
scale conflict with Russia or China, the United States may not have sufficient remaining
resources to deter other adversaries in one – let alone two –­ other theaters by denying
them the ability to accomplish their objectives without relying on nuclear weapons. The
Department’s suggested means for addressing multiple contingencies – minimizing
involvement in the Middle East, deepening collaboration with allies and partners, and
increasing the salience of nuclear weapons – are unlikely to solve the problem”.16
Nieuwe accenten Amerikaans veiligheidsbeleid
Explicieter dan voorheen onderstrepen de Verenigde Staten de noodzaak van een
gedifferentieerde afschrikkingsstrategie voor een scala aan tegenstrevers in een meer
16 National Defense Strategy Commission, ‘Providing for the Common Defense. The Assessment and
    Recommendations of the National Defense Strategy Commission’, 13 november 2018, p. 20. Zie:
    <https://www.usip.org/publications/2018/11/providing-common-defense>.
                                                  11
</pre>

====================================================================== Einde pagina 12 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 13 ======================================================================

<pre>competitieve mondiale context.17 Volgens een citaat op de website van het Witte Huis vormt
versterking van de afschrikking zelfs de hoogste prioriteit: ‘Rebuilding U.S. deterrence to
preserve peace through strength must be our Nation’s top priority’.18 Terwijl voor Europese
landen nog altijd, of opnieuw, Rusland in potentie de grootste statelijke bedreiging vormt,
richten de Verenigde Staten zich daarnaast steeds nadrukkelijker op China, Noord-Korea
en Iran. Hoewel de dreiging die uitgaat van het kernwapenarsenaal van China vooralsnog
van een andere orde is, gaat de economische opmars van het land ontegenzeggelijk
gepaard met een uitbreiding van strategische beïnvloedingsmogelijkheden. China bouwt
gestaag een geavanceerde krijgsmacht op inclusief een complete ‘triade’ van strategische
kernwapens. Ten aanzien van Noord-Korea en Iran willen de Verenigde Staten de druk hoog
opvoeren om de landen onomkeerbaar afstand te laten doen van (een programma voor)
een eigen kernwapencapaciteit en de ontwikkeling van ballistische raketten. Dat is in het
geval van Noord-Korea mogelijk al een gepasseerd station. Tegen deze achtergrond heeft
de Amerikaanse regering recent een scala aan (onderzoeks-) plannen gepresenteerd voor
de versterking van de verdediging tegen ‘rogue state and regional missile threats’.19 In
de Nuclear Posture Review 2018 (NPR) worden nieuwe maatregelen op nucleair gebied
aangekondigd die klassieke vragen oproepen over de geloofwaardigheid van de afschrikking,
over de voorzorgsmaatregelen mocht de afschrikking onverhoopt toch falen en over de (on)
mogelijkheid van nucleaire conflictbeheersing en escalatiedominantie (zie hoofdstukken III
en V). Evenals ten tijde van de Koude Oorlog, raken deze vragen aan de fundamenten van de
Noord-Atlantische veiligheidsorde.20
Spanningen rond kernwapenprogramma Noord-Korea
Het is duidelijk dat Noord-Korea, ondanks de vele pogingen van de internationale
gemeenschap om het land ervan te weerhouden, onder Kim Jong-Un alles op alles heeft
gezet om te worden erkend als nieuwe kernwapenstaat. Men kan betogen dat het land
daarin ook is geslaagd, niet alleen de facto (Noord-Korea zou inmiddels een voorraad
van mogelijk 10-20 kernwapens hebben geproduceerd21), maar ook vanwege het besluit
van de Verenigde Staten om voor het eerst in de geschiedenis op presidentieel niveau
rechtsreeks in gesprek te gaan over normalisering van de relatie en ‘denuclearisatie’
van het Koreaanse schiereiland.22 De aanloop naar de historische ontmoeting tussen
de leiders van beide landen op 12 juni 2018 (‘Singapore Summit’) verliep uiterst grillig.
17 National Defense Strategy (januari 2018) en Nuclear Posture Review (februari 2018) van de Verenigde
    Staten.
18 Zie: <https://www.whitehouse.gov/issues/national-security-defense/>.
19 Missile Defense Review (januari 2019) van de Verenigde Staten, pag. III.
20 Ter illustratie hiervan kunnen dienen: Forrest E. Morgan, ‘Dancing with the Bear. Managing Escalation in
    a Conflict with Russia’, Proliferation Papers, No. 40, Winter 2012; Michael Fitzsimmons, ‘The False Allure
    of Escalation Dominance’, War on the Rocks, November 16, 2017; Ulrich Kuhn, ‘Preventing Escalation in
    the Baltics. A NATO Playbook’, 2018 Carnegie Endowment for International Peace; Peter Rudolf, ‘Aporien
    Atomarer Abschreckung. Zur US-Nukleardoktrin und ihren Problemen’, SWP-Studie 15, Juli 2018.
21 Hans M. Kristensen en Robert S. Norris, ‘North Korean Nuclear Capabilities, 2018’, Bulletin of the
    Atomic Scientists, 74:1, 41-51, 8 januari 2018, <https://doi.org/10.1080/00963402.2017.1413062>.
22 Zie: <https://www.csis.org/analysis/assessment-singapore-summit>.
                                                       12
</pre>

====================================================================== Einde pagina 13 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 14 ======================================================================

<pre>Vanwege een reeks Noord-Koreaanse rakettests en een zware kernwapentest in 201723,
gevolgd door felle (nucleaire) retoriek van zowel president Trump als Kim Jong-Un, was rond
de jaarwisseling 2017-2018 nog sprake geweest van een crisisstemming. De aanleiding
daarvan was dat analisten op basis van de jongste rakettests hadden geconcludeerd dat
Noord-Korea voor het eerst in staat moest worden geacht met een intercontinentale raket
(delen van) het grondgebied van de Verenigde Staten te bereiken. Het toenaderingsproces
tussen Noord- en Zuid-Korea tijdens de Olympische winterspelen creëerde een opening
voor onderhandelingen met Washington, maar het genoemde gesprek zou niet plaatsvinden
voordat president Trump in maart eerst secretary of state Tillerson had ontslagen, naar
verluidt mede vanwege onenigheden over de te volgen koers ten aanzien van Noord-Korea en
mogelijk ook Iran.24
Het aanvankelijke optimisme over de maatregelen na de ontmoeting in Singapore25 is
inmiddels weer bekoeld. Noord-Korea wil vervolgstappen laten afhangen van de mate waarin
de Verenigde Staten goede wil tonen door sancties op te heffen. De Verenigde Staten blijven
vastbesloten om het sanctieregime te handhaven en strikte naleving door Rusland en China
te eisen26 zolang Noord-Korea niet concreet afstand doet van zijn kernwapens. Negen dagen
na de topontmoeting verlengde de Amerikaanse president de economische sancties en
noemde het land nog altijd een “buitengewone bedreiging” voor de Verenigde Staten. Dat
moet worden betwijfeld of Noord-Korea werkelijk van plan is zijn nucleaire ambities op geven,
lijkt te worden bevestigd door het Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA), dat geen
aanwijzingen zegt te hebben dat Noord-Korea zou zijn gestopt met zijn kernwapenprogramma
en hierover zijn ernstige zorgen uitspreekt.27
De Verenigde Staten hebben beklemtoond alle opties te overwegen om te voorkomen dat
delen van de Verenigde Staten binnen nucleair bereik van Noord-Korea liggen, waardoor
Washington kwetsbaar zou worden voor nucleaire chantage. Noord-Korea beschouwt
strategische kernwapens juist als de ultieme veiligheidsgarantie tegen een aanval van
de Verenigde Staten en zijn bondgenoten in de regio, die uit zouden zijn op vernietiging
van het regime. Hoewel er nog geen bewijs is dat het land al zou beschikken over
opgestelde intercontinentale ballistische raketten (ICBM), geven de kernwapentests en
raketlanceringen van de afgelopen jaren aanleiding te veronderstellen dat het land deze
capaciteit met prioriteit ontwikkelt. Zodra Noord-Korea ook de laatste technische stappen
beheerst, zou hiervan op niet al te lange termijn een reële bedreiging uitgaan.28 Volgens
23 Zie: <https://edition.cnn.com/2018/03/06/asia/north-korea-missile-tests-2017-intl/index.html>.
24 Zie: <https://edition.cnn.com/2018/03/13/politics/rex-tillerson-secretary-of-state/index.html>.
25 Zie: <https://edition.cnn.com/2018/06/22/asia/us-south-korea-exercises-suspended-intl/index.html>
     en <https://nos.nl/artikel/2242937-noord-korea-begint-met-ontmanteling-test-en-lanceercentrum.html>.
26 Zie: <https://www.reuters.com/article/us-usa-trump-exclusive/exclusive-trump-accuses-russia-of-helping-
     north-korea-evade-sanctions-says-u-s-needs-more-missile-defense>.
27 Zie: <https://www.reuters.com/article/us-northkorea-usa-iaea/no-indication-north-korean-nuclear-
     activities-stopped-iaea-idUSKCN1L61HB>.
28 Edward Luttwak, ‘It’s time to bomb North Korea’, Foreign Policy, 8 januari 2018.
                                                     13
</pre>

====================================================================== Einde pagina 14 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 15 ======================================================================

<pre>de NAVO zou overigens ook Europa dan binnen het bereik van Noord-Koreaanse nucleaire
langeafstandsraketten vallen.29
Het is de vraag of de Verenigde Staten, indien Noord-Korea zijn kernwapenprogramma
ondanks de sancties en diplomatieke initiatieven blijft voorzetten, desnoods met militaire
middelen de Noord-Koreaanse testlocaties, commandocentra en raketinstallaties zou
uitschakelen. Hoewel de nieuwe nationale veiligheidsstrategie van de Verenigde Staten in
een dergelijk scenario lijkt te voorzien (‘ability to defeat missile threats prior to launch’),
wijzen analisten erop dat een doelgerichte aanval grote risico’s zou impliceren.30 Naast
de mogelijke consequentie van een conventionele vergeldingsaanval met massale
artilleriebeschietingen op Zuid-Koreaanse steden, wijzen sommige analisten erop dat
Pyongyang mogelijk beschikt over biologische en chemische wapens.31 Bovendien
moeten, indachtig het debat over de rechtmatigheid van de militaire interventie in Irak
in 2003, grote vraagtekens worden geplaatst bij de legitimiteit van een preemptive
strike indien niet onomstotelijk kan worden bewezen dat een tegenstander op het punt
staat een vernietigende aanval uit te voeren. In dat soort gevallen is eigenlijk sprake
van een preventieve aanval om een bedreiging weg te nemen die zich op termijn kan
manifesteren, waarvoor geen volkenrechtelijke basis bestaat. Andere staten zouden
aangemoedigd kunnen worden eveneens preventieve oorlogen te beginnen of om met
nog meer vastberadenheid zelf massavernietigingswapens te bemachtigen, met alle
destabiliserende gevolgen van dien.32
Toekomst alomvattende overeenkomst met Iran onzeker
Iran, waarvan sinds 2002 werd aangenomen dat zijn atoomprogramma mede was gericht
op de ontwikkeling van kernwapens, heeft zijn nucleaire activiteiten fors verminderd
en onder toezicht gesteld als onderdeel van het in 2015 overeengekomen Joint
Comprehensive Plan of Action (JCPOA).33 Volgens de overeenkomst stemt Iran, in ruil
voor stapsgewijze opheffing van de sancties van de Verenigde Staten en de EU, ermee
in om zijn centrifugecapaciteit voor uraniumverrijking en uraniumvoorraden drastisch te
verkleinen, de productie van kernwapenplutonium te beëindigen en zich te onderwerpen
aan verificaties ter vaststelling dat het land voldoet aan zijn non-proliferatieverplichtingen
onder het NPV en aan het additionele protocol bij het Safeguards Agreement.34 Daarmee
is het land gedurende tien jaar ten minste een jaar verwijderd van het kunnen produceren
29 Kamerbrief verslag bijeenkomst NAVO-ministers van Defensie op 8 en 9 november 2017.
30 Zie: <https://www.bloomberg.com/news/articles/2018-01-02/trump-s-strategy-to-knock-out-north-korean-
    missiles-carries-risk>.
31 Statement Before the House Committee on Foreign Affairs, Subcommittee on Terrorism, Nonproliferation
    and Trade and Subcommittee on Asia and the Pacific, “More Than a Nuclear Threat: North Korea’s
    Chemical, Biological and Conventional Weapons”, testimony by Anthony Cordesman, 17 januari 2018.
32 Lawrence Freedman, ‘Deterrence’, 2004, p. 104.
33 Op 14 juli 2015 bereikten de E3+3 (het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland plus de Verenigde
    Staten, China en Rusland) en Iran na een lange reeks intensieve onderhandelingen, gefaciliteerd door de
    EU Hoge Vertegenwoordiger, het alomvattende akkoord over het Iraanse nucleaire programma (JCPOA).
    Zie: <https://www.armscontrol.org/factsheets/JCPOA-at-a-glance>.
34 Kamerbrief over het alomvattend akkoord over het Iraanse nucleaire programma, 21 augustus 2015.
                                                    14
</pre>

====================================================================== Einde pagina 15 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 16 ======================================================================

<pre>van voldoende verrijkt uranium voor een kernwapen, mocht Teheran besluiten zich niet
langer aan de overeenkomst te houden. Volgens het IAEA zou Iran in compliance zijn.35
Na de eenzijdige opzegging door de Verenigde Staten van de afspraken in het kader van
het JCPOA op 8 mei 2018 en de hervatting van het Amerikaanse sanctiebeleid tegen
Teheran, is het onduidelijk of Iran nog waarde hecht aan de overeenkomst, ondanks de
getoonde bereidheid van de betrokken Europese landen om de afspraken zoveel mogelijk
in stand te houden.36 In een verklaring stelt het Iraanse leiderschap daaraan in ieder
geval scherpe nieuwe voorwaarden.37 De Amerikaanse opzegging kwam niet als een
verrassing. President Trump had op 13 oktober 2017 kenbaar gemaakt de alomvattende
overeenkomst niet te zullen certificeren (compliance certification) en tegelijkertijd zijn
nieuwe beleid ten aanzien van Iran gepresenteerd.38 De verklaring maakte duidelijk dat
de regering Trump meent dat van Iran nog steeds een ernstige bedreiging uitgaat en dat
de JCPOA onvoldoende garanties biedt voor de inperking van destabiliserende Iraanse
activiteiten, waaronder de nucleaire ambities. De belangrijkste tekortkomingen van het
JCPOA betreffen volgens het Witte Huis het eindige karakter van de nucleaire bepalingen
– de zogenoemde ‘sunset clauses’39 – en het ontbreken van beperkende voorwaarden
voor de doorontwikkeling van Iraanse rakettechnologie, voor wapenexport met name
naar Jemen en voor inmenging in buurlanden en steun aan terroristische organisaties.
De Verenigde Staten en Israël trekken gezamenlijk op om te voorkomen dat Iran vaste
voet aan wal krijgt in Syrië, waar het land sinds de burgeroorlog zijn invloed en (militaire)
aanwezigheid heeft uitgebreid.
De veroordeling van de eenzijdige Amerikaanse opzegging door de EU, toont de huidige
trans-Atlantische verdeeldheid over de te volgen aanpak ter inperking van de Iraanse
nucleaire ambities. De unilaterale opstelling van de Verenigde Staten roept vragen op over
de toekomst van diplomatieke onderhandelingen en (de houdbaarheid van) afspraken ter
inperking van de rol van kernwapens.
I.3       Een wereld zonder kernwapens?
Na het einde van de Koude Oorlog leefde bij velen de hoop of de verwachting dat
de meest vernietigende wapens ooit uitgevonden door de mens stapsgewijs zouden
worden teruggedrongen, en gaandeweg hun betekenis zouden verliezen. Het totale
aantal kernwapens wereldwijd is gereduceerd van naar schatting 70.000 tijdens de
hoogtijdagen van de Koude Oorlog, naar minder dan 15.000 vandaag de dag. Hiertoe
35 Zie: <https://www.iaea.org/sites/default/files/18/11/gov2018-47.pdf>.
36 Zie: <https://www.reuters.com/article/us-iran-nuclear/iran-reopens-uranium-feedstock-plant-in-
    preparation-to-boost-enrichment>.
37 Zie: <http://english.khamenei.ir/news/5696/To-remain-in-JCPOA-Imam-Khamenei-announces-conditions-
    to-be>.
38 Zie: <https://www.whitehouse.gov/briefings-statements/president-donald-j-trumps-new-strategy-iran/>.
39 Critici onderstrepen dat het Iran hoe dan ook vrij staat na die tien jaar zijn verrijkingscapaciteit uit te
    breiden en te vernieuwen en na vijftien jaar het verrijkingsniveau te verhogen en de uraniumvoorraad te
    vergroten. Daarmee zou het land de ‘breakout time’ kunnen verminderen tot enkele weken en alsnog
    een nucleaire ‘drempelstaat’ worden.
                                                      15
</pre>

====================================================================== Einde pagina 16 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 17 ======================================================================

<pre>heeft vooral de verkleining van de kernwapenarsenalen van de Verenigde Staten en de
voormalige Sovjet-Unie bijgedragen, als uitvloeisel van bilaterale verdragen en eenzijdig
afgekondigde maatregelen. Deze stappen waren mogelijk doordat de dreiging van een
militaire confrontatie tussen ‘Oost’ en ‘West’ na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in
1991 was verdwenen. De internationale gebeurtenissen van de afgelopen jaren hebben
het vertrouwen in een alsmaar kleiner wordende rol van kernwapens doen afnemen. Alle
kernwapenstaten zijn bezig met moderniseringsprogramma’s of overwegen de uitvoering
ervan.40 De Verenigde Staten en Rusland lijken voor het eerst sinds het einde van de
Koude Oorlog weer een grotere rol toe te kennen aan nucleaire afschrikking. De zorgen
hierover zijn vooral in niet-kernwapenstaten toegenomen, die vrezen dat een nieuwe
wapenwedloop en verdere proliferatie onafwendbaar worden. Veel landen en organisaties
hebben zich geschaard achter een nieuw verdrag voor de uitbanning van kernwapens, het
zogenoemde ‘Nuclear Ban Treaty’. Het Zweedse onderzoeksinstituut SIPRI spreekt in dit
verband over ‘Opposing trends: The Renewed Salience of Nuclear Weapons and Nuclear
Abolitionism’.41
Bron: Kristensen/Norris, Federation of American Scientists 2018.
Bijna alle staten in de wereld zijn partij in het Treaty on the Non-Proliferation of
Nuclear Weapons (Non-proliferatieverdrag - NPV) dat in 1970 in werking trad. De niet-
kernwapenstaten in het verdrag verplichten zich hiermee geen kernwapens te zullen
ontwikkelen. De (vijf) kernwapenstaten die het verdrag ratificeerden, legden zich vast
op de doelstelling (zonder deadline) om hun nucleaire arsenalen af te bouwen en op
termijn op te heffen. Vijf landen van de internationale gemeenschap zijn geen partij in
het verdrag, waarvan vier kernwapenstaten (India, Pakistan, Israël, Noord-Korea). Hoewel
de verwachting van president Kennedy destijds dat het aantal kernwapenstaten tot 25
kon oplopen niet is uitgekomen, zijn de vorderingen de afgelopen jaren wat betreft de
inperking van kernwapens beperkt gebleven. Geen enkele kernwapenstaat heeft serieuze
40 Volgens de laatste schattingen beschikken negen kernwapenstaten over 14.465 kernwapens, waarvan
    3.750 deployed. SIPRI Yearbook 2018: Armaments, Disarmament and International Security (summary),
    p. 11. Er lijkt sprake van een afvlakking van de neergaande trend in het totale aantal kernwapens ten
    opzichte van tien jaar geleden, zie: SIPRI Factsheet, ‘Trends in World Nuclear Forces, 2017’, april 2017.
41 Tytti Erästö and Tarja Cronberg, SIPRI Insights on Peace and Security, ‘Opposing Trends: The Renewed
    Salience of Nuclear Weapons and Nuclear Abolitionism’, No. 2018/5, september 2018.
                                                      16
</pre>

====================================================================== Einde pagina 17 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 18 ======================================================================

<pre>stappen ondernomen, of overweegt deze, om afstand te doen van zijn arsenaal. In de
strategieën van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk staat de soevereine status op nucleair
gebied als waarborg voor de nationale veiligheid centraal. China bouwt gestaag verder
aan een onkwetsbare nucleaire vergeldingscapaciteit. India en Pakistan lijken verwikkeld
in een wedloop wat betreft de uitbreiding van de nucleaire productiecapaciteit, hetgeen
het komend decennium kan uitmonden in een aanzienlijke uitbreiding van de arsenalen.
De inspanningen van Israël, dat het bezit van kernwapens niet bevestigt maar ook niet
ontkent (een beleid van ‘nucleaire ambiguïteit’), zijn onder meer gericht op de ontwikkeling
van verschillende typen ballistische raketten en kruisvluchtwapens, waarvan volgens
analyses sommige zijn uit te rusten met kernwapens.
Vanaf 2010 hebben overheden, het internationale Rode Kruis, de Heilige Stoel,
verschillende VN-instellingen en non-gouvernementele organisaties onder de noemer van
het Humanitarian Initiative de aandacht gevestigd op de mogelijkheid van een wereldwijd
verbod op kernwapens. Hiervoor was mede momentum ontstaan omdat voormalige
politici wezen op de grote gevaren van kernwapens42 en president Obama tijdens een
toespraak in Praag op 5 april 2009 kenbaar maakte concrete stappen te willen zetten
om een kernwapenvrije wereld te bereiken (‘global zero’). In Europa en in de NAVO
ontstond discussie over het (militair) nut van de Amerikaanse kernwapens in Europa.
Tijdens de review conference van het non-proliferatieverdrag in 2010 en daarop volgende
internationale conferenties in 2013 en 2014 spraken alle aanwezige landen hun zorg
uit over de “catastrophic humanitarian consequences” van inzet van kernwapens.43 De
conferenties vormden mede aanleiding voor de Heilige Stoel om zijn positie te herzien
over het bezit van en de afschrikking met kernwapens. Tijdens de Koude Oorlog achtte
de Heilige Stoel het (beperkte) bezit van kernwapens nog gerechtvaardigd, maar op 10
november 2017 sprak de Paus zich voor het eerst uit tegen het bezit van kernwapens.44
De International Campaign to Abolish Nuclear Weapons (ICAN) coördineerde de bijdragen
van de maatschappelijke organisaties in het Humanitarian Initiative en lobbyde succesvol
voor onderhandelingen in VN-verband vanaf december 2016 over “a legally binding
instrument to prohibit nuclear weapons”. ICAN, inmiddels een internationale coalitie
van 468 ngo’s uit meer dan honderd landen waaronder het Nederlandse PAX, ontving de
Nobelprijs voor de Vrede van 2017 voor haar inspanningen in dit kader.
In Nederland vindt nog altijd – wellicht voortkomend uit de traditie van de antinucleaire
beweging uit de jaren 80 van de vorige eeuw – een publiek debat plaats over
42 George P. Shultz, William J. Perry, Henry A. Kissinger en Sam Nunn vestigden vanaf 4 januari 2007 in
    verschillende opinieartikelen in de Wall Street Journal de aandacht op de gevaren van kernwapens en de
    noodzakelijke stappen voor een kernwapenvrije wereld. Zie: <https://www.nti.org/media/pdfs/
    NSP_op-eds_final_.pdf?_=1360883065>.
43 Waaronder de bijdrage van de Heilige Stoel (Vaticaan), ‘Nuclear Disarmament: Time for Abolition.
    A Contribution of the Holy See’, Permanent Mission of the Holy See to the United Nations and other
    International Organisations in Geneva, Vienna 8 december 2014. Zie: <http://www.fciv.org/downloads/
    Holy%20See%20Contribution-Vienna-8-DEC-2014>.
44 Address of His Holiness Pope Francis to Participants in the International Symposium “Prospects for a
    World Free of Nuclear Weapons and for Integral Disarmament”, Clementine Hall, 10 November 2017.
    Zie: <http://w2.vatican.va/content/francesco/en/speeches/2017/november/documents/papa-
    francesco_20171110_convegno-disarmointegrale.html>. Zie voor een appreciatie van de toespraak:
    <https://www.armscontrol.org/act/2017-12/news/pope-condemns-having-nuclear-weapons>.
                                                      17
</pre>

====================================================================== Einde pagina 18 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 19 ======================================================================

<pre>kernontwapening. Het debat richt zich ook op de ethisch-medische houdbaarheid van
het bezit, laat staan eventueel gebruik, van kernwapens.45 Deze discussie over de (on-)
houdbaarheid is niet nieuw, maar in bepaalde opzichten scherper dan decennia geleden.
De voorstanders van een kernwapenverbod betogen dat kernwapenbezit niet legitiem kan
zijn, vanwege de permanente dreiging die ervan uitgaat voor de mens en zijn leefomgeving.
De risico’s van technisch en menselijk falen bij de omgang met kernwapens zijn wellicht
terug te dringen, maar niet volledig weg te nemen, hetgeen vroeg of laat wel tot grote
ongelukken moet leiden. Alleen de uitbanning van kernwapens kan de wereld hiervoor
behoeden. Voorts zijn kernwapens volgens tegenstanders van de kernwapentaak in militair
opzicht onbruikbaar: inzet zou in alle gevallen in strijd zijn met het humanitair oorlogsrecht
vanwege het niet-onderscheidende karakter van de wapens en de buitenproportionele
effecten van nucleaire explosies. Een kernwapenoorlog is bovendien niet te winnen en zou
voor alle betrokken partijen en (een groot deel van) de mensheid catastrofale gevolgen
hebben.46 De NAVO en Nederland zouden eenzijdige stappen moeten overwegen, een
einde moeten maken aan de nuclear sharing en daarmee bijdragen tot verwezenlijking
van de doelen van het non-proliferatieregime.47 Tot slot zou het toch mogelijk moeten
zijn, indachtig het internationaal gerespecteerde verbod op chemische, biologische en
bacteriologische wapens, om een wereldwijd geaccepteerde norm te vestigen die het bezit
van kernwapens effectief tegengaat.
Tegen deze achtergrond heeft de Tweede Kamer, gesteund door maatschappelijke
initiatieven48, de regering afgelopen jaren met een reeks moties aangespoord om
concrete vervolgstappen te zetten op het terrein van de nucleaire ontwapening. In diverse
moties wordt de regering verzocht om (in de NAVO te pleiten voor) de beëindiging van
de kernwapentaak, de verwijdering van de Amerikaanse sub-strategische kernwapens in
Europa, en meer openheid over eventueel in Nederland aanwezige wapens en afspraken
met de Verenigde Staten. De Tweede Kamer heeft de regering ook verzocht om deel
te nemen aan de internationale besprekingen over het verdrag voor een verbod op
nucleaire wapens.49 Het kabinet wil wereldwijde nucleaire ontwapening bevorderen en
spant zich in dit kader in voor non-proliferatie en het einddoel van een kernwapenvrije
wereld, conform de verplichtingen volgens artikel VI van het non-proliferatieverdrag (NPV).
De klemtoon ligt tevens op het proces dat op een veilige en stabiele manier naar dit
einddoel moet leiden (Kamerbrief van 21 juni 2018, Kamerstuk 33 694, nr. 20). Tegelijk
hechten opeenvolgende kabinetten groot belang aan kernwapens voor de afschrikking en
verdediging in NAVO-verband, zolang er kernwapens zijn. Nederland blijft dan ook voldoen
45 Zie: <https://www.nvmp.org/ippnw/> en <https://www.rodekruis.nl/over-ons/humanitair-oorlogsrecht/
    kernwapens/>.
46 Mathias Nebel and Gregory M. Reichberg, ‘Nuclear Deterrence. An Ethical Perspective’, The Caritas in
    Veritate Foundation, Working Paper 6, 2015. Zie: <http://www.fciv.org/publications/WP6-Book>.
47 Zie: <http://www.pugwash.nl/wp-content/uploads/TNW_Reciprocity_Pugwash_NL.pdf>.
48 Zie bijvoorbeeld: <https://www.paxvoorvrede.nl/wat-wij-doen/campagnes/teken-tegen-kernwapens>.
49 In de periode 2010 - 2018 gaat het om de aangenomen moties: Kamerstuk 33 694 nr. 31, Kamerstuk
    33 694 nr. 30, Kamerstuk 33 694 nr. 24, Kamerstuk 33 694 nr. 15, Kamerstuk 34419 nr. 12,
    Kamerstuk 34419 nr. 11, Kamerstuk 34419 nr. 10, Kamerstuk 34419 nr. 9, Kamerstuk 33783 nr. 19,
    Kamerstuk 33 783 nr. 18, Kamerstuk 33783 nr. 10, Kamerstuk 33 736 nr. 14, Kamerstuk 33 400 V nr.
    65, Kamerstuk 32 123 V nr. 86.
                                                     18
</pre>

====================================================================== Einde pagina 19 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 20 ======================================================================

<pre>aan de bondgenootschappelijke afspraken, waartoe de kernwapentaak wordt gerekend
waarmee een squadron F-16’s is belast (DCA-taak). Het is volgens de adviesaanvraag de
bedoeling dat de F-35 de kernwapentaak van de F-16 zal overnemen, met dien verstande
dat een besluit daarover mede afhankelijk is van de internationale omstandigheden en de
afspraken in de NAVO (Kamerstuk 33783, nr. 5 / Kamerstuk 34419, nr. 18).
Afbeelding afkomstig van: <https://www.armscontrol.org/factsheets/
Nuclearweaponswhohaswhat>.
Bronnen: Hans M. Kristensen, Robert S. Norris, U.S. Department of State en Stockholm
International Peace Research Institute.
Onvrede over de trage voortgang bij de onderhandelingen over eliminatie van kernwapens
heeft een rol gespeeld bij totstandkoming van het internationale verdrag voor de
uitbanning van kernwapens (Treaty on the Prohibition of Nuclear Weapons, ook wel
‘Nuclear Ban Treaty’ genoemd), dat aangesloten staten tot eliminatie verplicht.50 Mede
aangespoord door maatschappelijke organisaties en nationale parlementen, hebben
internationale onderhandelingen op 7 juli 2017 geleid tot de instemming van 122 landen
met de tekst van het verdrag in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Geen
van de kernwapenstaten maakte daar deel van uit. Eén land onthield zich van stemming
(Singapore), 69 landen namen niet deel aan de stemming, waaronder alle NAVO-landen op
Nederland na. De kernwapenstaten hebben de onderhandelingen geboycot, onder meer
omdat ze het ‘Nuclear Ban Treaty’ als ondermijning van het non-proliferatieverdrag zien en
het de aandacht zou afleiden van de zich al jaren voortslepende onderhandelingen over
een Fissile Material Cut Off-verdrag en de ratificatie van het Comprehensive Test Ban Treaty
(Kernstopverdrag).
Nederland stemde als enige van alle daaraan deelnemende landen alsnog tegen
omdat het resultaat onvoldoende tegemoet kwam aan de vijf van tevoren gestelde
50 Zie: <https://www.armscontrol.org/factsheets/nuclearprohibition>. Het factsheet over het ‘Nuclear
    Ban Treaty’ vat de meervoudige ontstaansreden van het verdrag als volgt samen: “renewed recognition
    of the catastrophic humanitarian consequences of nuclear weapons use, the rising risk of accidental or
    intentional nuclear use, and a growing sense of frustration that key nuclear disarmament commitments
    made by the nuclear-weapon states were not being fulfilled”.
                                                       19
</pre>

====================================================================== Einde pagina 20 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 21 ======================================================================

<pre>criteria.51 Volgens deze criteria zou het nieuwe instrument een goede en effectieve stap
moeten vormen op weg naar de algehele eliminatie van kernwapens, zich goed moeten
verhouden tot andere bestaande instrumenten met name het Non-Proliferatie Verdrag,
ook gesteund moeten worden door kernwapen-bezittende landen, verifieerbaar moeten
zijn en verenigbaar moeten zijn met de verplichtingen als bondgenoot van de NAVO. In de
stemverklaring werd nogmaals onderstreept dat Nederland geen steun kon geven aan
de verdragstekst vanwege de onverenigbaarheid met de NAVO-verplichtingen, omdat het
verdrag een adequaat verificatiemechanisme ontbeert en in competitie is met het NPV.52
Het is opmerkelijk te noemen dat ook de regering van Zwitserland, waar ICAN is gevestigd,
bekend heeft gemaakt het ‘Nuclear Ban Treaty’ nu niet te zullen ondertekenen.53 In het
oog springend in de argumentatie is dat mocht Zwitserland, een land dat zeer is gehecht
aan zijn neutraliteit en aan naleving van het internationaal recht, voor zijn zelfverdediging
lid willen worden van een nucleair bondgenootschap, de ondertekening van het ‘Nuclear
Ban Treaty’ dit juridisch onmogelijk zou maken.54 Volgens Zwitserse media gaat het om
het lidmaatschap van de NAVO.55 Het Zwitserse parlement heeft op 12 december 2018
de regering opgeroepen wel over te gaan tot ratificatie.
51 Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over ‘Nucleaire ontwapening en non-
    proliferatie’, kamerstuk 33783 nr. 24, 24 maart 2017.
52 Zie: <https://www.permanentrepresentations.nl/latest/news/2017/07/07/explanation-of-vote-of-
    ambassador-lise-gregoire-on-the-draft-text-of-the-nuclear-ban-treaty>.
53 De Zwitserse Bondsraad heeft in haar verklaring duidelijk gemaakt als waarnemer deel te zullen nemen
    aan de eerste review cycle van het verdrag. Ter voorbereiding daarop, maar niet later dan 2025, wordt
    het Zwitserse ministerie van Buitenlandse Zaken geacht aan de Bondsraad te rapporteren over de
    ontwikkelingen rond het ‘Nuclear Ban Treaty’. Zie: <https://www.admin.ch/gov/en/start/documentation/
    media-releases.msg-id-71821.html>.
54 Federal Department of Foreign Affairs Switzerland, ‘Report of the Working Group to analyse the Treaty on
    the Prohibition of Nuclear Weapons’, 30 juni 2018, p. 9: “Even in a case of its self-defence, Switzerland
    would not be legally permitted to join a defence alliance which is based on nuclear deterrence”.
55 Zie: <https://www.tagesanzeiger.ch/schweiz/standard/der-bundesrat-und-wie-er-lernte-die-bombe-zu-
    lieben/story/15483700>.
                                                        20
</pre>

====================================================================== Einde pagina 21 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 22 ======================================================================

<pre>II        Internationaalrechtelijk kader, ethiek en kernwapens
II.1      Ethische beginselen en het internationaal recht
Een groot deel van de samenleving staat om evidente redenen afkeurend tegenover
nucleaire wapens, de meest vernietigende wapens ooit door de mens uitgevonden. Los
van juridische en ethische argumenten, is vooral het risico van nucleaire escalatie relevant
als een kernwapen zou worden ingezet tegen een andere kernwapenstaat. De eerste inzet
van een kernwapen sinds de Tweede Wereldoorlog zou zonder twijfel een groot risico op
escalatie met onaanvaardbare gevolgen met zich mee brengen. De AIV is dan ook van
mening dat, zolang er kernwapens zijn, voorkomen moet worden dat ooit een kernwapen
wordt ingezet. Ethische beginselen en het internationaal recht vervullen daarbij een
wezenlijke rol.
Het (internationaal) recht is gebaseerd op ethische beginselen, maar ethische beginselen
zijn breder dan het recht. Bovendien voorziet het recht niet in elke situatie. Waar het
recht lacunes kent, kan men teruggrijpen op ethische beginselen om tot een oordeel te
komen over toelaatbaar handelen. Een verantwoordelijke regering laat zich leiden door
ethische beginselen en het internationaal recht, rekening houdend met de gevolgen in de
internationaal-politieke verhoudingen van (niet) handelen.56
Bij een beschouwing van het internationaalrechtelijk kader is het van belang om een
onderscheid te maken tussen enerzijds het bezit van kernwapens en anderzijds de
dreiging met of het gebruik van kernwapens. Met betrekking tot het bezit van kernwapens
is vooral het wapenbeheersingsrecht van belang dat moet worden geplaatst in de context
van het bredere concept van wapenbeheersing. Bij wapenbeheersing is een bijzondere
rol weggelegd voor het non-proliferatieverdrag (NPV) en de daarin vastgelegde verplichting
om door onderhandeling te komen tot een goed controleerbare algemene nucleaire
ontwapening. In hoofdstuk IV komt wapenbeheersing uitvoerig aan de orde.
Hierna wordt eerst beknopt ingegaan op het bezit van kernwapens. Vervolgens komen het
dreigen met inzet en de inzet van kernwapens aan de orde. Daarbij wordt ook ingegaan op
het advies van het Internationaal Gerechtshof over de rechtmatigheid van de dreiging met
of het gebruik van nucleaire wapens. Tot slot wordt ingegaan op ethische aspecten met
betrekking tot het bezit, de dreiging met of het gebruik van kernwapens.
II.2      Het internationaal recht en het bezit van kernwapens
Het is een algemeen erkend door het Internationaal Gerechtshof bevestigd uitgangspunt
dat onder het internationaal recht ‘there are no rules, other than such rules as may be
accepted by the State concerned, by treaty or otherwise, whereby the level of armaments of
a sovereign State can be limited, and this principle is valid for all States without exception’.57
56 Op deze verhouding heeft de kanttekening van commissielid Van Walsum in het rapport ‘Commissie van
    Onderzoek Besluitvorming Irak’, p. 270, betrekking.
57 Case Concerning Military and Paramilitary Activities in and Against Nicaragua, International Court of
    Justice, 27 juni1986. Zie ook: The existence of a “legal gap”, Open-ended Working Group taking forward
    multilateral nuclear disarmament negotiations, Geneve, 12 april 2016, bijdrage Nederland.
                                                     21
</pre>

====================================================================== Einde pagina 22 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 23 ======================================================================

<pre>Voor eventuele regelgeving met betrekking tot het bezit van nucleaire wapens als zodanig
moeten specifieke instrumenten van wapenbeheersing worden bezien. De internationale
gemeenschap heeft bepaalde typen wapens, vooral massavernietigingswapens, door
middel van multinationale conventies geregeld of verboden. Met betrekking tot nucleaire
wapens zijn vooral de bilaterale wapenbeheersingsafspraken tussen de Verenigde Staten
en Rusland van belang. Het belangrijkste instrument op nucleair wapenbeheersingsgebied
is evenwel het Non-Proliferatie Verdrag (NPV), voluit het Treaty on Non-Proliferation of
Nuclear Weapons. Artikel VI van het NPV verplicht de NPV Staten: “…to pursue negotiations
in good faith on effective measures relating to cessation of the nuclear arms race at an early
date and to nuclear disarmament […]”.
Staten hebben consistent de betekenis van artikel VI van het NPV niet alleen als een
inspanningsverplichting gezien, maar ook als een resultaatverplichting, zoals - met
consensus - weergegeven in talloze slotdocumenten van NPV Review Conferences en
unaniem bevestigd door het Internationaal Gerechtshof in 1996. Het NPV bevat de enige
van toepassing zijnde internationale regelgeving die Staten verplicht om te streven naar
het volledig uitbannen van alle nucleaire wapens.
Een Nederlandse rechter heeft een uitspraak gedaan over kernwapens naar aanleiding van
de voorgenomen plaatsing van kruisraketten op de Nederlandse vliegbasis Woensdrecht
(besluit NAVO in 1979). De Stichting Verbiedt de Kruisraketten verzocht de Rechtbank
en in hoger beroep het Gerechtshof Den Haag voor recht te verklaren dat deze plaatsing
onrechtmatig is. In cassatie komt de Hoge Raad tot de conclusie dat geen dwingende
norm van internationaal recht bestaat die plaatsing verbiedt.58
II.3       Het internationaal recht en dreiging met of gebruik van kernwapens
Rechtsbases voor het gebruik van interstatelijk geweld
Artikel 2 lid 4 van het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt het gebruik of dreigen
met het gebruik van geweld in internationale betrekkingen. Dit verbod wordt vaak
beschouwd als een regel van dwingend internationaal recht, waarop geen uitzonderingen
zijn toegestaan, behalve in de erkende uitzonderingsgevallen. In eerdere adviezen van
de AIV en de CAVV is het volkenrechtelijk kader voor het gebruik van interstatelijk geweld
(het ius ad/contra bellum) uiteengezet.59 Kort samengevat houdt dit kader het volgende
in. Het gebruik van geweld in de internationale betrekkingen is verboden, tenzij een staat
58 HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1679, NJ 1991/248, r.o. 3.6-3.7. ‘Een regel van
    volkenrecht die het bezitten van dergelijke wapens met zovele woorden verbiedt heeft SVK niet
    aangewezen en valt ook niet aan te wijzen. Reeds uit het bestaan van het op 1 juli 1968 gesloten
    Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (Trb. 1968, 126) valt af te leiden dat ook een
    ongeschreven volkenrechtelijke regel van dien aard niet kan worden aangenomen. (…). Evenmin kan
    als juist worden aanvaard de stelling dat het voorhanden hebben van met kernkoppen uitgeruste
    kruisvluchtwapens als voor bereidingshandeling voor het in tijd van oorlog eventueel inzetten van
    die wapens onrechtmatig is omdat gebruik van die wapens in strijd is met een of meer regels van
    internationaal recht. Niet kan worden gezegd dat het huidige volkenrecht elk gebruik van wapens als
    de onderhavige verbiedt. Dat recht verbiedt wel bepaalde vormen van zulk gebruik, maar in het verdrag
    [inzake de niet-verspreiding van kernwapens; BAKS] (…) ligt besloten dat de kruisvluchtwapens waarop
    het betrekking heeft, daartoe niet zouden worden ingezet.’
59 CAVV, Advies inzake bewapende drones, advies nr. 23, Den Haag, juli 2013. AIV en CAVV, Digitale
    oorlogvoering, nr. 77 AIV/nr. 22 CAVV, Den Haag, december 2011.
                                                      22
</pre>

====================================================================== Einde pagina 23 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 24 ======================================================================

<pre>een aannemelijk beroep kan doen op een of meer van de erkende uitzonderingen op dit
verbod. Deze erkende grondslagen zijn: (1) een mandaat van de VN-Veiligheidsraad dat
geweld autoriseert in het kader van handhaving of herstel van de internationale vrede
en veiligheid, (2) individuele of collectieve zelfverdediging van een of meer staten tegen
een gewapende aanval (artikel 51 van het Handvest) of (3) geldige toestemming van een
andere staat om geweld te gebruiken binnen zijn territoir.
Bij alle drie erkende grondslagen gelden aanvullende eisen. Zo moet geweldsgebruik
op grond van een mandaat van de VN-Veiligheidsraad passen binnen de voorwaarden
en doelstellingen van het verleende mandaat. Een beroep op zelfverdediging is alleen
mogelijk in geval van een (onmiddellijk dreigende) gewapende aanval. De eisen
voor geldige toestemming van een staat voor geweldgebruik op diens grondgebied
zijn uitgewerkt in de Artikelen inzake Staatsaansprakelijkheid van de International
Law Commission en zijn analoog af te leiden van eisen neergelegd in het Weense
Verdragenverdrag van 1969. Bij ieder interstatelijk gebruik van geweld zijn de beginselen
van noodzakelijkheid, proportionaliteit en onmiddellijkheid ad bellum van toepassing.
Deze regels inzake het interstatelijk gebruik van geweld zijn van toepassing op ieder
gebruik van geweld in de internationale betrekkingen, ongeacht het soort wapens dat
wordt ingezet. Het hangt af van de relevante omstandigheden of een specifiek gebruik van
geweld al of niet rechtmatig is, bij een beroep op een van de erkende grondslagen voor het
gebruik van geweld. Als de VN-Veiligheidsraad een mandaat verleent om alle noodzakelijke
maatregelen aan te wenden om een bedreiging van de vrede, schending van de vrede
of daad van agressie tegen te gaan, dan zal de inzet van een specifiek wapensysteem
worden getoetst aan de vraag of de inzet ervan binnen het mandaat past. Slechts in
uitzonderlijke gevallen wordt de rechtmatigheid van het geweldsgebruik beïnvloed door
de keuze van het ingezette wapen. Bovendien zijn bepaalde wapens onderworpen aan
het regime van het wapenbeheersingsrecht dat sommige wapens ofwel totaal verbiedt
(bijvoorbeeld chemische en biologische wapens)60 of ze zijn aan specifieke beperkingen
gebonden, waardoor bezit of inzet een schending van dat regime zal betekenen. Echter
in de regel is de rechtmatigheid van de inzet van een specifiek wapen niet een zaak die
door het ius ad bellum wordt geregeld. In ieder geval kan worden geconcludeerd dat ieder
gebruik van geweld onderworpen is aan dezelfde regels.
Het bezit van kernwapens of het tonen dat voorbereidingen zijn getroffen om ze in te
zetten in extreme omstandigheden, betekent niet automatisch ‘het dreigen met geweld’ in
de geest van artikel 2.4 van het Handvest. Het loutere bezit van een wapen waarmee niet
expliciet wordt gedreigd is een andere kwestie dan het expliciet uiten van dreigementen
jegens andere partijen dat zij met dit wapen kunnen of zullen worden aangevallen, ook al
gaat van de kennis dat een staat kernwapens bezit een impliciete dreiging uit dat deze
staat onder bepaalde (extreme) omstandigheden kan overwegen er expliciet mee te
dreigen dan wel deze feitelijk in te zetten.
60 Het humanitair oorlogsrecht verbiedt wapens als bij de inzet ervan geen onderscheid kan worden
    gemaakt tussen militaire doelen (personen en objecten) enerzijds en burgers en burgerobjecten
    anderzijds, als wapens onnodig leed en/of buitensporige verwondingen veroorzaken bij vijandige
    combattanten en als bij wapens en methoden van oorlogvoering de effecten niet kunnen worden
    beheerst op een wijze die het humanitair oorlogsrecht voorschrijft en die daarmee burgers en vijandige
    combattanten zonder onderscheid raken.
                                                    23
</pre>

====================================================================== Einde pagina 24 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 25 ======================================================================

<pre>Toepasselijke rechtsregimes bij geweldgebruik
Naast een geldige rechtsbasis vereist ieder gebruik van geweld dat conform het
toepasselijke rechtsregime wordt gehandeld. Het gaat hierbij om het humanitair
oorlogsrecht en de rechten van de mens.
Het humanitair oorlogsrecht is alleen van toepassing in situaties van gewapend conflict.
Het bevat een uitgebreid stelsel van regels en beginselen en is specifiek ontworpen
om dit soort situaties te reguleren. Het humanitair oorlogsrecht is uitvoerig besproken
in eerdere adviezen van de AIV/CAVV.61 Buiten de context van een gewapend conflict
is het humanitair oorlogsrecht niet toepasselijk en wordt de aanwending van (dodelijk)
geweld voornamelijk geregeld door het mensenrechtenregime (dat is uitgewerkt in
nationaalrechtelijke regels die hier verder buiten beschouwing worden gelaten). In alle
situaties waar dodelijk geweld (kan) worden toegepast, zowel binnen als buiten het
kader van een gewapend conflict, vereist het regime van de rechten van de mens, naast
het nationaal recht, dat er een adequate, transparante en onafhankelijke rapportage
en toezichtprocedure in werking wordt gesteld om te waarborgen dat het optreden
conform alle juridische eisen verloopt en waar nodig om tijdig en adequaat op te treden
om schendingen van het toepasselijk recht te voorkomen of vervolgen. Op basis van
het oorlogsrecht bestaat de plicht om beweerdelijke schendingen te onderzoeken en te
vervolgen, dan wel maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen.62
Het humanitair oorlogsrecht is van toepassing op individuele gevallen van geweldsgebruik
en stelt als zodanig geen algemene regels omtrent bijvoorbeeld het verbod op het gebruik
van bepaalde soorten wapens. Dit wordt geregeld in het wapenbeheersingsrecht (zoals
bijvoorbeeld in het Chemisch Wapenverdrag). Het humanitair oorlogsrecht reguleert
geweldstoepassing en het beschermen van specifieke categorieën personen en objecten,
die niet of slechts onder strenge voorwaarden mogen worden aangevallen.63 Het
onderscheid tussen militaire doelen enerzijds en burgers en burgerobjecten anderzijds
vormt de kern van de regulering van vijandelijkheden. Aanvallen moeten onderscheidend
worden gepland en uitgevoerd. Dit houdt onder andere in dat aanvallen a priori gericht
moeten zijn tegen een militair doel; de aanvaller mag alleen een middel (wapen) of
methode van oorlogvoering gebruiken waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen
militaire doelen enerzijds en burgers en burgerobjecten anderzijds.
Het humanitair oorlogsrecht houdt tevens in dat een inzet van wapens met
disproportionele gevolgen verboden is. Disproportionaliteit wordt in het humanitair
oorlogsrecht gedefinieerd als een aanval op een militair doel waarvan verwacht
mag worden dat het verlies aan burgerlevens, letsel aan burgers en/of schade aan
burgerobjecten buitensporig zou zijn in vergelijking tot het concrete en directe militair
voordeel dat de aanval zou opleveren. De standaard hierbij is die van de redelijke
commandant/strijder die te goeder trouw de afweging tussen verwachte nevenschade en
militair voordeel maakt op grond van de beschikbare informatie ten tijde van de aanval.
61 CAVV, Advies inzake bewapende drones, advies nr. 23, Den Haag, juli 2013. AIV en CAVV, Digitale
    oorlogvoering, nr. 77 AIV/nr. 22 CAVV, Den Haag, december 2011.
62 CAVV, Advies inzake bewapende drones, advies nr. 23, Den Haag, juli 2013.
63 Zie ook: AIV en CAVV, ‘Autonome wapensystemen; de noodzaak van betekenisvolle menselijke controle’,
    nr. 97 AIV/nr. 26 CAVV, Den Haag, oktober 2015.
                                                     24
</pre>

====================================================================== Einde pagina 25 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 26 ======================================================================

<pre>De inzet van wapens moet met doorlopende voorzorg worden gepland en uitgevoerd om
de burgerbevolking, individuele burgers en burgerobjecten zoveel mogelijk te vrijwaren van
schade en letsel. Dit houdt in dat de partij die wapens inzet zich zo goed mogelijk ervan
moet vergewissen dat het aan te vallen object of persoon daadwerkelijk een militair doel
is. De aanval moet zo worden uitgevoerd dat nevenletsel en nevenschade zo veel mogelijk
worden beperkt. Ook moet de partij die wapens inzet de burgerbevolking voorafgaand
aan de inzet waarschuwen tenzij dit het succes van de inzet significant negatief zou
beïnvloeden. Ten slotte moet een inzet worden opgeschort of geannuleerd als deze
waarschijnlijk tot buitensporig nevenletsel of nevenschade zou leiden.
Advisory Opinion Internationaal Gerechtshof 64
Het Internationaal Gerechtshof is unaniem van oordeel dat een bedreiging met of gebruik
van geweld met nucleaire wapens dat in strijd is met artikel 2, vierde lid, van het Handvest
van de Verenigde Naties en niet voldoet aan alle vereisten van artikel 51 (‘het inherente
recht tot individuele en collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval’)
onrechtmatig is.
Het Hof is voorts unaniem van oordeel dat een bedreiging met of gebruik van nucleaire
wapens onderworpen is aan het internationaal recht voor gewapende conflicten, in het
bijzonder de beginselen en regels van het internationale humanitaire recht, alsmede aan
specifieke verdragsverplichtingen inzake nucleaire wapens.
Het Hof is van oordeel dat bijgevolg de bedreiging met of het gebruik van nucleaire wapens
in het algemeen in strijd zou zijn met de regels van internationaal recht die op gewapende
conflicten van toepassing zijn en in het bijzonder met de beginselen en regels van
humanitair recht.
Gezien de stand van het internationale recht en de feitelijke gegevens waarover het
beschikte, kon het Hof echter niet definitief vaststellen of de bedreiging met of het gebruik
van nucleaire wapens al dan niet rechtmatig zou zijn in uiterste omstandigheden van
zelfverdediging waarbij het voortbestaan zelf van een Staat op het spel zou staan. Met de
kleinst mogelijke meerderheid komt het Hof tot het cruciale oordeel dat:
‘…..the threat or use of nuclear weapons would generally be contrary to the rules of
international law applicable in armed conflict, and in particular the principles and rules of
humanitarian law;
However, in view of the current state of international law, and of the elements of fact at
its disposal, the Court cannot conclude definitively whether the threat or use of nuclear
weapons would be lawful or unlawful in an extreme circumstance of self-defence, in which
the very survival of a State would be at stake’.65
64 Op 15 december 1994 heeft de Algemene Vergadering van de VN besloten het Internationaal
    Gerechtshof, een van de hoofdorganen van de Verenigde Naties, advies te vragen over de rechtmatigheid
    van bedreiging met of gebruik van nucleaire wapens: ‘Is the threat or use of nuclear weapons in any
    circumstance permitted under international law?’. In de Advisory Opinion heeft het Hof verschillende
    toepasselijke regimes op het gebied van internationaal recht geanalyseerd om te kunnen vaststellen of
    het dreigen met of inzetten van nucleaire wapens per se illegaal is. Het Hof analyseerde verdragen op
    het gebied van mensenrechten, de Genocide Convention, milieu wetten, regelgeving met betrekking tot
    het gebruik van geweld en het humanitair oorlogsrecht.
65 International Court of Justice, advisory opinion, [1996] ICJ Rep. 226, par. 105 E.
                                                       25
</pre>

====================================================================== Einde pagina 26 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 27 ======================================================================

<pre>In bijlage III wordt uitvoeriger ingegaan op de Advisory Opinion van het Internationaal
Gerechtshof.
De rechtsontwikkeling op dit gebied is evenwel niet afgesloten: volgens het Non-Proliferatie
Verdrag (zie II.2) en het laatste, unanieme dictum van het International Gerechtshof
rust op de staten een verplichting, door onderhandelingen te komen tot een verbod op
nucleaire wapens:
‘There exists an obligation to pursue in good faith and bring to a conclusion negotiations
leading to nuclear disarmament in all its aspects under strict and effective international
control.’66
In dit verband is ook het reeds genoemde nieuwe verdrag voor de wereldwijde uitbanning
van kernwapens (Treaty on the Prohibition of Nuclear Weapons) relevant. Het verdrag
herbevestigt het doel van een kernwapenvrije wereld conform artikel VI van het Non-
proliferatieverdrag. Echter het verdrag ontbeert de steun van de kernwapenstaten en hun
bondgenoten. Voor inwerkingtreding is ratificatie door tenminste vijftig staten vereist, maar
tot nu toe hebben slechts 19 van de 69 ondertekenende staten dit gedaan. Nederland
nam als enig NAVO-land deel aan de onderhandelingen, maar oordeelde dat het resultaat
onvoldoende tegemoet kwam aan vijf van tevoren gestelde criteria (zie hoofdstuk I.3).
De vraag rijst of omstandigheden denkbaar zijn waarin de inzet van nucleaire wapens niet
met de bepalingen van het humanitair oorlogsrecht in strijd zouden komen.67 Hierbij valt te
denken aan inzet van een nucleair wapen met een relatief beperkt vernietigend vermogen
(low-yield) tegen een militair object (ver) buiten bewoond gebied, bijvoorbeeld op volle zee,
in een woestijngebied of een andere geïsoleerde locatie.68 De (mogelijke) strijdigheid met
het humanitair oorlogsrecht moet dan van geval tot geval worden bezien.
Bij mogelijke inzet moet rekening worden gehouden met zowel de directe als de lange-
termijn gevolgen voor de gezondheid als gevolg van straling, de mogelijke gevolgen
voor het milieu en de gevaren voor burgers (ver) buiten dit gebied vanwege het risico
van radioactieve neerslag. Als meer kernwapens worden ingezet moet rekening worden
gehouden met het cumulatieve effect. Er zijn naar de mening van de AIV niet of nauwelijks
situaties en locaties denkbaar waar de inzet van een nucleair wapen niet in strijd zou zijn
met het humanitair oorlogsrecht.
Zoals gezegd is, los van juridische argumenten, vooral het risico van nucleaire escalatie
relevant als een kernwapen zou worden ingezet tegen een andere kernwapenstaat. De
eerste inzet van een kernwapen sinds de Tweede Wereldoorlog zou zonder twijfel een groot
risico op escalatie met onaanvaardbare gevolgen met zich mee brengen. De AIV is dan ook
van mening dat het van het allergrootste belang is te voorkomen dat ooit een kernwapen
wordt ingezet.69
66 Idem par. 105 F.
67 Louis G. Maresca, Nuclear weapons: 20 years since the ICJ advisory opinion and still difficult to
    reconcile with international humanitarian law, 8 juli 2016.
68 Nucleair weapons under International Law – An overview, Oktober 2014, International Law and Policy
    Institite (ILPI) en Geneva Academy of International Humanitarian Law and Human Rights.
69 The human costs and legal consequences of nucleair weapons under international humanitarian law,
    International Review of the Red Cross, 97 (899), 621-645, pp. 644-645.
                                                       26
</pre>

====================================================================== Einde pagina 27 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 28 ======================================================================

<pre>II.4      Ethiek en kernwapens
De menselijke waardigheid is een ethisch beginsel dat een belangrijke rol speelt in de
discussie over nucleaire wapens, omdat het ten grondslag ligt aan de mensenrechten
en aan het humanitair oorlogsrecht. De menselijke waardigheid wordt genoemd in de
preambules van het Handvest van de Verenigde Naties, de Universele Verklaring van de
Rechten van de Mens, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie,
het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten en het Internationaal
Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. In de laatste twee wordt de
menselijke waardigheid als bron van mensenrechten aangeduid. Ook het humanitair
oorlogsrecht weerspiegelt de bescherming van de menselijke waardigheid.
Het beginsel van humaniteit
Dit beginsel is een van de kardinale beginselen van het humanitair oorlogsrecht. De
zogenoemde Martens clausule70 is een uiting (naast andere) van dit beginsel in het
humanitair oorlogsrecht en dateert van de Haagse vredesconferenties waarin het
internationale humanitair oorlogsrecht voor het eerst werd gecodificeerd. Deze clausule
maakt ook deel uit van het Eerste Aanvullende Protocol en bepaalt dat in situaties die
niet geregeld zijn in internationale overeenkomsten, burgers en combattanten beschermd
blijven door en onderworpen blijven aan de beginselen van het volkenrecht die voortvloeien
uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het
openbare rechtsbewustzijn. In zijn oorsprong had deze bepaling betrekking op de status
van burgers die de wapens opnamen tegen een bezetter, maar vandaag de dag wordt
het algemeen gezien als een herinnering dat, bij het ontbreken van specifieke regels van
verdragenrecht, de beginselen van het humanitair oorlogsrecht en het gewoonterecht van
toepassing blijven op de handelingen van partijen bij een gewapend conflict. Hoewel er
geen algemeen geaccepteerde interpretatie van de Martens clausule is,71 is wel naar deze
clausule verwezen bij het formuleren van het verbod van gifgas, het verbod op verblindende
laserwapens en het verbod op antipersoneelmijnen.
Voorkoming van agressie
Een groot deel van de samenleving staat afkeurend tegen nucleaire wapens als zodanig.72
Ook het in hoofdstuk I genoemde Humanitarian Initiative en de International Campaign
to Abolish Nucleair Weapons (ICAN) weerspiegelen dit. De AIV deelt deze afkeuring en
acht de volstrekte verwerping van het atoomwapen naar normen van de deontologische
ethiek (beginselethiek), leidend tot het streven naar desnoods eenzijdige afschaffing,
begrijpelijk en respectabel. Hiermee is echter niet gezegd dat een wereld zonder
kernwapens, of met een zeer gering aantal kernwapens, vanzelf vredelievender en stabieler
70 Uit 1899 stamt de naar de Russisch-Estse diplomaat Friedrich Fromhold Martens vernoemde ‘clausule’:
    “Until a more complete code of the laws of war is issued, the High Contracting Parties think it right to
    declare that in cases not included in the Regulations adopted by them, populations and belligerents
    remain under the protection and empire of the principles of international law, as they result from the
    usages established between civilized nations, from the laws of humanity and the requirements of the
    public conscience.”
71 R. Ticehurst, The Martens clause and the laws of armed conflict, International Review of the Red Cross,
    No. 317.
72 Discussie met vertegenwoordigers van PAX, NVMP, Pugwash en het Nederlandse Rode Kruis op
    30 mei 2018.
                                                      27
</pre>

====================================================================== Einde pagina 28 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 29 ======================================================================

<pre>zal zijn dan de huidige. De twee wereldoorlogen van de vorige eeuw herinneren ons
eraan dat hoogontwikkelde samenlevingen (ook zonder kernwapens) in staat zijn om op
onbeschrijfelijke schaal leed en verwoesting aan te richten. Kernwapens dienen sinds de
Tweede Wereldoorlog mede om een (psychologische) drempel op te werpen tegen agressie
door een strategische rivaal, en als laatste toevlucht voor staten die zich bedreigd weten
om een overweldigende aanval te kunnen voorkomen, weerstaan of beëindigen. Het gevoel
permanent onder een dergelijke bedreiging te leven is in West-Europa al enkele decennia
niet meer zo actueel als in de periodes van grote Oost-West spanning ten tijde van de
Koude Oorlog, maar in de landen langs de grens met Rusland en elders in de wereld
onverminderd aanwezig. Er zijn vooralsnog geen andere wapens voorhanden die een
vergelijkbare, oorlog-voorkomende werking wordt toegeschreven. Redenerend vanuit de
consequentialistische ethiek (die de gerechtvaardigdheid van handelingen beoordeelt op
hun gevolgen) kunnen dus ook belangrijke argumenten gelden die ervoor pleiten om niet
volledig afstand te doen van het bezit van kernwapens, zolang potentiële tegenstanders
het bezit ervan voortzetten of blijven nastreven, en daar in strategische zin misbruik van
kunnen maken.
De AIV is van mening dat, gegeven de huidige situatie, het bezit van kernwapens
alleen gerechtvaardigd is voor oorlogsvoorkoming en als voorwaarde en uitgangspunt
voor onderhandelingen om te komen tot wederkerige nucleaire wapenbeheersing,
wapenvermindering en uiteindelijke ontwapening. Hiermee wordt geen afstand genomen
van het beginsel van humaniteit, noch worden de ogen gesloten voor inherente risico’s.
Volgens deze zienswijze staat wel de opdracht centraal om de defensie zo in te richten
dat het risico op een oorlog waarin kernwapens dreigen te worden ingezet, of het risico op
ongelukken daarmee in vredestijd, zo klein mogelijk zal zijn.
De onverhoopte inzet van een kernwapen zal de aard van een conflict fundamenteel
veranderen en grote onzekerheid introduceren wat betreft het verdere verloop ervan met
mogelijk catastrofale gevolgen. Zelfs in uiterste gevallen moeten besluitvormers naar de
mening van de AIV dan ook doordrongen zijn van de mogelijke gevolgen.
                                              28
</pre>

====================================================================== Einde pagina 29 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 30 ======================================================================

<pre>III       Veranderingen in de nucleaire veiligheidscontext
III.1     De moderniseringsprogramma’s van Rusland en China
Rusland
Rol kernwapens in de Russische militaire strategie
Rusland beschouwt haar kernwapenarsenaal als een cruciaal (afschrikkings-) instrument
voor de vervulling van verschillende strategische doelstellingen: de voorkoming van
agressie tegen Rusland en haar bondgenoten, het kunnen reageren op de inzet van
kernwapens en andere massavernietigingswapens, alsmede op een conventionele
aanval die het voortbestaan van de staat in gevaar brengt.73 Analisten wijzen erop dat
(de modernisering van) het kernwapenarsenaal voorts een belangrijke rol vervult in het
Russische streven om te worden erkend als mondiale grootmacht74. Rusland is naar alle
waarschijnlijkheid niet uit op een militaire krachtmeting met strategische opponenten,
maar bereidt zich middels oefeningen erop voor dat een regionaal conflict op of rond de
Euraziatische landmassa kan uitmonden in een (grootschalige) gewapende confrontatie,
met het risico van escalatie naar het nucleaire niveau.75
In de Russische nucleaire afschrikking staat de strategische triade centraal, als ultieme
escalatiemogelijkheid en vergeldingscapaciteit om staten die beschikken over strategische
kernwapens op afstand te kunnen houden. Rusland spiegelt zich op dit terrein vooral
aan de Verenigde Staten, waarmee de wederzijdse afschrikking op gelijke voet dient te
worden gehouden (nog altijd: ‘pariteit’ en Mutual Assured Destruction). Vervanging van de
verouderde systemen in de drie pijlers van de triade heeft de prioriteit in het nucleaire
moderniseringsprogramma, in het bijzonder van de raketstrijdkrachten. Hiermee moet
worden voorkomen dat de Russische second strike capability kwetsbaar en daarmee
ongeloofwaardig zou worden, een situatie waar een tegenstander misbruik van zou kunnen
maken. Verbeteringen van de robuustheid (survivability) en van de vroegtijdige vaststelling
van een aanval (early warning), moeten het mogelijk maken in alle scenario’s razendsnel
te kunnen reageren (launch on warning). Vanuit Russisch perspectief dreigen vooral de
ontwikkeling (door de Verenigde Staten) van geavanceerde raketverdediging, in de ruimte
geplaatste militaire middelen en conventionele prompt global strike, de strategische balans
in dit opzicht te verstoren. De Verenigde Staten zijn juist weer bezorgd over ontwikkelingen
in Rusland op deze gebieden.76
73 Zie voor de Engelstalige versie van de militaire doctrine van Rusland: Embassy of the Russian Federation
    in the United Kingdom, ‘Military Doctrine of the Russian Federation’, December 25, 2014: section III,
    para 27. Persbericht 29 juni 2015, <https://rusemb.org.uk/press/2029>.
74 Zie bijvoorbeeld naar aanleiding van Poetin’s ‘state of the union’ toespraak op 1 maart 2018: Michael
    Shoebridge, ‘Poetin’s speech wasn’t about weapons—it’s worse than that’ (ASPI), 14 maart 2018.
75 Rusland houdt met zekere regelmaat grootschalige militaire oefeningen in het westen nabij NAVO-
    grondgebied (‘Zapad’) en in Oost-Siberië en het verre oosten (‘Vostok’) waar eigenlijk alleen China een
    bedreigende aanval op Russisch grondgebied kan uitvoeren. Hoewel niet met zekerheid kan worden
    vastgesteld om welke scenario’s en potentiële tegenstanders het precies gaat, zijn analisten het erover
    eens dat de oefenscenario’s vaak een nucleaire component bevatten. Ook houdt Rusland met zekere
    regelmaat oefeningen waarin de gereedheid van de strategische nucleaire strijdkrachten wordt getest.
76 Reuters, Stephanie Nebehay, ‘U.S. warns on Russia’s new space weapons’, 14 augustus 2018.
                                                      29
</pre>

====================================================================== Einde pagina 30 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 31 ======================================================================

<pre>Bepaalde ontwikkelingen maken het minder geloofwaardig dat het louter zou gaan om
defensieve, op stabiliteit gerichte bedoelingen. De zorgen hebben vooral betrekking op de
rol die de sub-strategische kernwapens in de Russische nucleaire doctrine spelen voor de
beheersing van regionale conflicten.
Hoewel nauwelijks mededelingen worden gedaan over (de modernisering van) de sub-
strategische kernwapens, gaan experts er vanuit dat de Russische strijdkrachten nog
altijd hechten aan deze kernwapens ter compensatie van het veronderstelde overwicht
aan conventionele strijdkrachten van de NAVO, in het bijzonder van de Verenigde Staten, in
het geval van een langdurig, grootschalig conflict77, maar in toenemende mate ook van de
steeds capabeler strijdkrachten van China in het verre Oosten. Daarnaast heeft Moskou
naar eigen zeggen met meerdere kernwapenmachten langs zijn enorm uitgestrekte
grenzen rekening te houden. Analyses wijzen er al sinds het begin van deze eeuw op
dat Rusland beperkte nucleaire inzet zal overwegen om (verder) militair optreden door
een tegenstander te ontmoedigen. Van een dergelijke ‘demonstration strike’ zou een
de-escalerende werking moeten uitgaan, omdat een opponent geen alles vernietigende
nucleaire confrontatie zal willen riskeren, zeker niet als er geen vitale belangen op het
spel staan (‘escalate to de-escalate’).78 De publieke verwijzingen van hooggeplaatste
Russische functionarissen naar (de inzet van) nucleaire wapens en de gesimuleerde
inzet van kernwapens op doelen in Europa, voeden deze aanname. President Poetin
verwees ook expliciet naar Ruslands nucleaire potentieel tijdens de annexatie van de
Krim in 2014.79 Andere analyses plaatsen hierbij kanttekeningen en onderstrepen dat
er redenen zijn om ons zorgen te maken over het Russische kernwapenbeleid, maar dat
niet onomstotelijk is aangetoond dat ‘escalate to de-escalate’ werkelijk deel uitmaakt
van de Russische nucleaire doctrine of dat het land de drempel tot nucleaire inzet heeft
verlaagd.80
Wat de juiste interpretatie van de Russische nucleaire doctrine ook moge zijn81, volgens
gezaghebbende experts moet worden geconcludeerd dat Rusland de doctrine thans
77 In dit kader gaat het vooral om Precision Guided Munition (PGM) en geavanceerde digitale
    informatienetwerken (C4ISR).
78 Zie bijvoorbeeld: George E. Hudson, ‘Russian Perspectives on Tactical Nuclear Weapons’, in:
    ‘Tactical Nuclear Weapons and NATO’, Strategic Studies Institute, April 2012, <http://www.
    StrategicStudiesInstitute.army.mil/>; Mark B. Schneider, ‘Russian Nuclear Weapons Policy. Implications
    for U.S. Nuclear Deterrence and Missile Defense’, April 28, 2017, <https://www.realcleardefense.com/
    articles/2017/04/28/russian_nuclear_weapons_policy_111261.html>.
79 BBC,‘Ukraine conflict: Poetin was ready for nuclear alert’, 15 March 2015, <https://www.bbc.com/
    news/world-europe-31899680>.
80 Zie bijvoorbeeld: Olga Oliker, ‘Russia’s Nuclear Doctrine. What We Know, What We Don’t, and What That
    Means’, CSIS, May 2016, <https://www.csis.org/analysis/russia%E2%80%99s-nuclear-doctrine>; Bruno
    Tertrais, ‘Does Russia really include limited nuclear strikes in its large-scale military exercises?’, IISS,
    15 February 2018, <https://www.iiss.org/en/politics%20and%20strategy/blogsections/2018-4cda/
    february-e91d/does-russia-really-include-limited-nuclear-strikes-bf12>.
81 Speculaties hierover hangen samen met het gegeven dat de inhoud van de geclassificeerde annex van
    de Russische militaire doctrine niet bekend is, noch de precieze scenario’s en escalatiestappen die in
    de Russische militaire plannen zijn voorzien.
                                                       30
</pre>

====================================================================== Einde pagina 31 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 32 ======================================================================

<pre>dynamischer en offensiever opvat dan tien jaar geleden. Russische functionarissen
hebben verschillende boodschappen afgegeven over de inzet van nucleaire wapens, die
verder lijken te gaan dan het openbare deel van de doctrine. Dit betreft bijvoorbeeld het
expliciet dreigen met de inzet van nucleaire wapens tegen raketverdedigingsinstallaties
en in regionale scenario’s waarbij geen sprake was van een existentiële bedreiging voor
Rusland, noch waar de inzet van massavernietigingswapens aan de orde was. Ook de
grote diversiteit van huidige en nieuw te ontwikkelen nucleaire wapens duidt erop dat de
doctrine verder gaat dan afschrikking en is gericht op regionale inzetscenario’s of nucleaire
chantage.82 Dergelijke discrepanties kunnen het risico op mispercepties en misrekeningen
vergroten.
Modernisering kernwapenarsenaal
Rusland is ver gevorderd met de uitfasering van de uit het Sovjettijdperk stammende
kernwapens, die worden vervangen door modernere systemen, weliswaar geringer
in aantal. Het moderniseringsprogramma loopt door tot midden jaren twintig en de
verwachting is dat hiermee een einde zal komen aan de decennialange inkrimping van
het Russische kernwapenarsenaal. Rusland voert binnen de grenzen van het New START-
verdrag een grootscheepse modernisering van zijn strategische nucleaire strijdmacht
door. Dit betreft de gehele strategische triade van intercontinentale ballistische raketten
(ICBM), door onderzeeboten te lanceren ballistische raketten (SLBM) en nuclear capable
langeafstand bommenwerpers. Zie voor een samenvatting van de modernisering van de
strategische triade bijlage IV.83
Het Russische moderniseringsprogramma heeft daarnaast betrekking op een nog altijd
omvangrijk en gevarieerd arsenaal sub-strategische kernwapens van naar schatting
1.800 - 2.000 kernkoppen (waaronder met een zeer lage yield), inzetbaar door
grondtroepen, vanuit de lucht of vanaf schepen en onderzeeboten. Er is erg weinig
informatie bekend over de precieze samenstelling, aantallen en vernieuwingsplannen op
sub-strategisch gebied. Het gaat waarschijnlijk om nucleaire ladingen voor ballistische
raketten voor de korte afstand, lucht-gronddoelraketten, vrije-val bommen, dieptebommen,
torpedo’s, anti-schip/anti-onderzeeboot raketten en luchtverdedigingsraketten.
Rusland breidt volgens Amerikaanse analyses dit niet onder het New START-verdrag
vallende deel van het arsenaal bewust uit met dual capable systemen, geschikt voor
(tactische) inzet in verschillende operatiegebieden.84 Zo worden gemoderniseerde
Russische schepen en nucleair voortgestuwde aanvalsonderzeeboten toegerust met
dual capable kruisvluchtwapens (SS-N-30 Kalibr, mogelijk ook SS-N-26) en de MiG-31BM
Foxhound onderscheppingsvliegtuigen mogelijk met een nieuwe dual capable lucht-
gronddoelraket (Kh-47M2 Kinzhal) naar verluidt met een bereik van 2.000 km.85 Tot slot
82 Hans M. Kristensen en Robert S. Norris, ‘Russian Nuclear Forces, 2018’, Bulletin of the Atomic
    Scientists, 2018, Vol. 74, No. 3, pp. 185-195, <https://doi.org/10.1080/00963402.2018.1462912>.
83 Compleet overzicht van het Russische kernwapenarsenaal en moderniseringsprogramma: Hans M.
    Kristensen en Robert S. Norris, ‘Russian Nuclear Forces, 2018’, Bulletin of the Atomic Scientists, 2018,
    Vol. 74, No. 3, pp. 185-195, <https://doi.org/10.1080/00963402.2018.1462912>.
84 U.S. Nuclear Posture Review 2018, februari 2018, p. 9.
85 Hans M. Kristensen en Robert S. Norris, ‘Russian Nuclear Forces, 2018’, Bulletin of the Atomic
    Scientists, 2018, Vol. 74, No. 3, pp. 185-195, <https://doi.org/10.1080/00963402.2018.1462912>.
                                                     31
</pre>

====================================================================== Einde pagina 32 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 33 ======================================================================

<pre>worden in dit kader ook de invoering genoemd van een nieuw vanaf de grond te lanceren
dual capable kruisvluchtwapen (zie onder) en de modernisering van met nucleaire ladingen
toegeruste ballistische raketverdediging waaronder rond Moskou.
Nieuwe accenten
In 2017 heeft de Amerikaanse vicevoorzitter van de Joint Chiefs of Staff tegenover het
Congres bevestigd dat Rusland in de afgelopen jaren een nieuw type vanaf de grond te
lanceren nucleair kruisvluchtwapen heeft getest en opgesteld, met een zodanig bereik
dat daarmee het INF-verdrag zou worden geschonden. Dit betreft de zogenoemde 9M729,
door de NAVO ook wel aangeduid als SSC-8. In maart 2018 meldde de Commander US
Strategic Command aan het Congres dat Rusland de productie en invoering van dit nieuwe
wapen opvoert.86 Rusland ontkent de schending en beschuldigt op zijn beurt de Verenigde
Staten van overtreding van het INF-verdrag op drie punten: het ontwikkelen van prototypes
van raketten voor de middellange afstand om raketverdediging te kunnen testen; het
inzetten van op afstand bestuurbare onbemande vliegtuigen voor gevechtsmissies, die
volgens Moskou vergelijkbaar zouden zijn met op land gestationeerde kruisraketten; de
stationering van Amerikaanse Ballistic Missile Defence (BMD) systemen in Roemenië
en Polen die mogelijk geschikt kunnen worden gemaakt voor het afvuren van bij het
INF-verdrag verboden raketten. Het gaat wat betreft het laatste punt om het verticaal
lanceersysteem ‘Aegis Ashore’, dat praktisch identiek is aan lanceerinstallaties op
Amerikaanse marineschepen die kruisvluchtwapens kunnen afvuren. De juridische positie
van de Verenigde Staten is met betrekking tot de eerste twee punten vrijwel onkwetsbaar
– hier valt geen schending van de letter of geest van het verdrag in te zien. Met betrekking
tot het derde punt is de letter van het verdrag ook niet geschonden – deze vaste
lanceerinstallaties zijn nooit getest op het afschieten van kruisraketten van het land.87
De vermeende schendingen worden door Rusland ook als argument aangevoerd voor de
opstelling van dual capable ballistische raketten in Kaliningrad en op de Krim (Iskandr-M
met een bereik van 400 km). De stationering van de Iskandr-M in Kaliningrad betekent
een directe bedreiging van militaire en politieke doelen in omringende NAVO-landen.88
Van NAVO-zijde wordt gewezen op het defensieve karakter van het BMD-stelsel als reactie
op de raketdreiging met name vanuit Iran. Rusland betoogt evenwel dat de systemen,
waaronder de radarcomponenten, tegen het Russische grondgebied zijn gericht. BMD-
raketsystemen zijn echter niet in staat Russische intercontinentale raketten te bestrijden,
de trajecten naar de Verenigde Staten gaan immers over de Noordpool.
Overigens zijn de Verenigde Staten beducht dat Rusland (en China) een voorsprong
hebben bij de ontwikkeling van hypersonische wapens.89 Dit betreft raketten, projectielen
86 Radio Free Europe, ‘U.S. Says Russia Deployment of Banned Cruise Missile Increasing’, March 20 2018,
    <https://www.rferl.org/a/united-states-russia-increasing-deployment-of-banned-cruise-missile/29111751.
    html>.
87 Vladimir Frolov, ‘Met rakettencrisis INF-verdrag betreden we nieuw tijdperk’, Raam op Rusland,
    12 december 2018, <https://raamoprusland.nl/dossiers/militair-beleid/1160-met-rakettencrisis-
    infverdrag-betreden-we-nieuw-tijdperk>.
88 In dit kader baart de berichtgeving over een grote renovatie van een (actieve) opslagplaats voor
    kernwapens in Kaliningrad zorgen. Zie: Hans M. Kristensen, ‘Russia Upgrades Nuclear Weapons Storage
    Site In Kaliningrad’, Federation of American Scientists, 18 juni 2018.
89 The Times, ‘Need for speed: why the US is spending billions in a hypersonics arms race’,
    10 augustus 2018.
                                                      32
</pre>

====================================================================== Einde pagina 33 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 34 ======================================================================

<pre>of kruisvluchtwapens die snelheden bereiken van vijf maal de snelheid van het geluid en
(veel) hoger. Uitspraken van president Poetin hierover voeden de Amerikaanse zorgen
over Rusland.90 President Poetin kondigde medio december 2018 aan dat Rusland is
begonnen met de serieproductie van het Avangard hypersonisch (nucleair) glijvluchtwapen
en komend jaar een eerste regiment met het nieuwe raketsysteem operationeel
zal worden.91 Het is al langer bekend dat Rusland investeert in de ontwikkeling van
hypersonische rakettechnologie om door geavanceerde raketverdedigingssystemen heen
te kunnen dringen. President Poetin vestigde eerder tijdens zijn jaarrede op 1 maart
2018 de aandacht op de Avangard en op de hypersonische Kinzhal-raket, maar ook
op andere nieuwe nucleaire wapensystemen die de status van Rusland als nucleaire
grootmacht moeten onderstrepen. Naast de zware SS-X-29 Sarmat ICBM, betrof dit
een nucleair voortgestuwd kruisvluchtwapen en een autonoom inzetbaar, nucleair
voortgestuwd langeafstand onderwatersysteem (Status-6 torpedo). Nucleair voortgestuwde
kruisvluchtwapens vormen een al uit de Koude Oorlog stammend concept, dat Rusland
naar alle waarschijnlijkheid nog niet succesvol in de praktijk heeft weten te brengen.92 Ook
in het geval van de Status-6 gaat het mogelijk om een Koude Oorlog-concept, dat angst
moet inboezemen (‘doomsday drone’). Rusland beschikt reeds over nucleaire torpedo’s
die vanaf onderzeeboten en oppervlakteschepen kunnen worden gelanceerd. Het is
echter vanwege de vele technische hindernissen niet waarschijnlijk dat binnen afzienbare
termijn een nucleair voortgestuwd onderwatersysteem met kernwapens in gebruik zal
worden genomen dat geheel autonoom de Atlantische Oceaan kan doorkruisen en kan
overgaan tot een aanval. Deze aankondiging laat zich beter begrijpen als een baanbrekend
onderzoeksprogramma voor de ontwikkeling van geavanceerde onderwatertechnologie.93
China
Rol kernwapens in de Chinese militaire strategie
Het nucleaire afschrikkingsbeleid van China berust op het uitgangspunt van verzekerde
vergelding (assured retalliation). Dit betekent dat de strategische raketstrijdkrachten een
aanval voldoende moeten kunnen doorstaan om een nucleaire tegenaanval te kunnen
uitvoeren. Deze benadering legitimeert investeringen in nieuwe generaties (mobiele)
ballistische raketten, de plaatsing van meerdere nucleaire ladingen op een enkele raket94
en de ontwikkeling van middelen waarmee geavanceerde raketverdediging kan worden
omzeild. Vooral de vooruitgang die de Verenigde Staten en Rusland op het laatstgenoemde
gebied boeken, alsmede op het terrein van aanvalsmiddelen met een hoge precisie, baren
China in dit opzicht zorgen. China hanteert sinds lange tijd een ‘no first use’ doctrine ten
aanzien van de inzet van kernwapens. Dit behelst de verklaring dat China onder geen
enkele omstandigheid als eerste een kernwapen zal gebruiken en dat het land geen
90 Zie: <https://www.militarytimes.com/author/vladimir-isachenkov/>.
91 Zie onder meer: ‘Poetin says Russia is ready to deploy new hypersonic nuclear missile’ Reuters,
    26 december 2018 en ‘Russia to unleash ‘Avangard’ hypersonic missiles, evade U.S. defenses
    worldwide, Putin boasts’, The Washington Times, 26 december 2018.
92 CNBC, ‘Poetin claimed a new nuclear-powered missile had unlimited range — but it flew only 22 miles in
    its most successful test yet’, 21 mei 2018, <https://www.cnbc.com/2018/05/21/russian-missile-with-
    unlimited-range-crashed-after-only-22-miles.html>.
93 Kelsey Atherton, ‘Russia hints at a nuclear armed drone submarine for 2027’, C4ISRNET, 18 mei 2018.
94 Multiple Independently-targetable Re-entry Vehicles – MIRV.
                                                      33
</pre>

====================================================================== Einde pagina 34 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 35 ======================================================================

<pre>kernwapens zal inzetten of ermee zal dreigen tegen niet-kernwapenstaten en in ‘nuclear
weapon free zones’. De dubbele verklaring schept volgens sommigen toch een zekere
ambiguïteit, doch het Chinese leiderschap heeft zich tot heden onthouden van nadere
toelichting of clausulering.
De Chinese militaire strategie stelt zich sinds 2015 ten doel om de soevereiniteit van
China te waarborgen, nationale eenheid te bewaren (mede met het oog op Taiwan),
China’s belangen in nieuwe domeinen zoals de ruimtevaart en cyberspace en in
overzeese gebieden te beschermen en te voorzien in strategische afschrikking en een
nucleaire vergeldingscapaciteit. Daarnaast moet de strategie bijdragen tot internationale
veiligheidssamenwerking, interne stabiliteit, hulp bij natuurrampen, en de bescherming
van rechten en handelsverkeer.95 De algemene strategische opstelling van China kan
worden getypeerd door ‘actieve verdediging’, die erop is gericht om eventuele agressie
met krachtige tegenaanvallen te kunnen stoppen, ter de-escalatie en herneming van
het initiatief. Het Chinese leiderschap bevordert de Chinese strategische belangen op
assertieve wijze, maar bewust onder de drempel van gewapend conflict met tegenstrevers
zoals de Verenigde Staten en landen in de regio. Het duidelijkste voorbeeld hiervan vormt
de uitbreiding van de Chinese invloed en van territoriale claims in de Zuid- en Oost-Chinese
zee. Volgens de militair-strategische richtlijnen moeten de Chinese strijdkrachten zich
overigens wel expliciet voorbereiden op maritieme conflicten tegen een op het terrein van
de informatietechnologie geavanceerde strijdmacht.
Modernisering kernwapenarsenaal
De modernisering van het Chinese kernwapenarsenaal maakt deel uit van een langdurig
en veelomvattend militair moderniserings- en uitbreidingsprogramma dat is gericht op
versterking van het vermogen van China om zich krachtig te kunnen weren tegen alle
denkbare vormen van agressie, om tegenstanders de toegang tot bepaalde gebieden
te kunnen ontzeggen (A2/AD) en macht verder buiten de landsgrenzen en nabijgelegen
wateren te kunnen projecteren. De versterkingen hebben betrekking op conventionele
en nucleaire capaciteiten, als mede de ontwikkeling van capaciteiten voor defensieve
en offensieve operaties in het cyberdomein, in de ruimte en in het elektromagnetische
spectrum. Het Chinese leiderschap heeft zich ten doel gesteld in een conflict niet onder
te zullen doen voor tegenstanders die (nu nog) beschikken over een overwicht op het
terrein van hoogwaardige militaire informatie- en communicatietechnologie (in het bijzonder
‘net-centric warfare’ door de Verenigde Staten). Het land wil op defensiegebied voorop
lopen in digitalisering en de toepassing van kunstmatige intelligentie.96 De toenemende
militaire vermogens stellen China in staat zijn territoriale claims in de Zuid-Chinese zee
te bestendigen en om pogingen van Taiwan af te schrikken om zich verder los te maken
van het vasteland en de jure onafhankelijkheid te claimen. China investeert in de gestage
opbouw van een nucleaire afschrikkingsmacht, die voornamelijk bestaat uit op het land
gestationeerde ballistische raketten en vanaf strategische onderzeeboten te lanceren
ballistische raketten. Beide componenten maken deel uit van de raketstrijdkrachten
en strategische ondersteuningsmacht, opgericht in 2016 mede om de nucleaire
commandovoering te verbeteren. Het nucleaire arsenaal van China wordt gemoderniseerd
en (langzaam) uitgebreid, maar is relatief beperkt ten opzichte van de kernwapenarsenalen
95 Zie voor de Engelstalige versie van de Chinese militaire strategie: <http://eng.mod.gov.cn/Press/2015-
    05/26/content_4586805.htm>.
96 Annual Report to Congress, ‘Military and Security Developments Involving the People’s Republic of
    China’, Office of the Secretary of Defence, 16 mei 2018.
                                                     34
</pre>

====================================================================== Einde pagina 35 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 36 ======================================================================

<pre>van de Verenigde Staten en Rusland. Zie voor een samenvatting van de modernisering van
de strategische triade bijlage IV.97
Nieuwe accenten
De afgelopen jaren heeft China een nieuwe versie van de DF-21A
middellangeafstandsraket opgesteld (bereik ongeveer 2.150 km), ter versterking van de
regionale afschrikking. Het gaat om naar schatting 40 (mobiele) lanceerinrichtingen met
een herlaadmogelijkheid. Tot slot is een nieuwe middellangeafstandsraket ingevoerd (de
DF-26 met een bereik van ongeveer 4.000 km) die vanaf mobiele lanceerinrichtingen kan
worden afgevuurd, waarschijnlijk zowel in conventionele als nucleaire variant, waarmee de
Amerikaanse bases op Guam bereikt kan worden. De op land gestationeerde ballistische
raketten voor de korte afstand zijn alle voorzien van een conventionele lading, mogelijk
met uitzondering van één type (de DF-15).
Chinese militaire functionarissen hebben in 2016 aangekondigd dat het land een
nieuwe strategische bommenwerper voor de lange afstand ontwikkelt, die vanaf midden
jaren twintig zal worden ingevoerd. Deze mededeling, gepaard aan de groter wordende
strategische rol van de Chinese luchtstrijdkrachten sinds 2012, vormt volgens analisten
een signaal dat China de ambitie heeft om over een complete, geloofwaardige nucleaire
triade te beschikken. Rapportages waarin wordt vastgesteld dat het aannemelijk is dat
China dual capable kruisvluchtwapens en ballistische raketten ontwikkelt, mede voor een
eventuele nucleaire taak van de langeafstandsbommenwerpers, blijven echter vooralsnog
onbevestigd.98
De moderniseringsinspanningen zijn erop gericht om de kans zo klein mogelijk te maken
dat een tegenstander het Chinese nucleaire vergeldingsvermogen kan uitschakelen
of verstoren. Dit behelst de plaatsing op mobiele lanceerinstallaties en het lastig te
onderscheppen maken van ballistische raketten, maar ook verbetering van eigen detectie-
en waarschuwingscapaciteiten, zodat een aanval altijd wordt opgemerkt en (tijdig) kan
worden beantwoord. De vorderingen van China op het gebied van space based capabilities
en kunstmatige intelligentie scheppen op dit terrein nieuwe mogelijkheden, maar
introduceren mogelijk ook nieuwe risico’s.99
97 Compleet overzicht van het Chinese kernwapenarsenaal en moderniseringsprogramma: Hans M. Kristensen
    en Robert S. Norris, ‘Chinese Nuclear Forces, 2018’, Bulletin of the Atomic Scientists, 2018, Vol 74, No. 4,
    pp. 289–295, <https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/00963402.2018.1486620>.
98 Hans M. Kristensen en Robert S. Norris, ‘Chinese Nuclear Forces, 2018’, Bulletin of the Atomic Scientists,
    2018, Vol 74, No. 4, pp. 289–295, <https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/00963402.2018.14
    86620>.
99 Lora Saalman, ‘Fear of false negatives: AI and China’s nuclear posture’, 24 april 2018, <https://
    thebulletin.org/military-applications-artificial-intelligence/fear-false-negatives-ai-and-china%E2%80%99s-
    nuclear-posture>.
                                                             35
</pre>

====================================================================== Einde pagina 36 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 37 ======================================================================

<pre>III.2    Het moderniseringsprogramma van de Verenigde Staten
Rol kernwapens in de Amerikaanse militaire strategie
De nucleaire strategie en planvorming van de Verenigde Staten is er allereerst op
gericht om potentiële tegenstanders ervan te weerhouden een nucleaire aanval uit te
voeren op welke schaal dan ook. Daarnaast moeten de kernwapens bijdragen tot de
afschrikking van niet-nucleaire aanvallen, bescherming van geallieerden en partners,
zekerstelling van strategische doelen indien de afschrikking zou falen en bij onvoorziene
toekomstige gebeurtenissen.100 Hiervoor zijn een counter force strategie en een
geïntegreerd strategisch operatieplan voor de strijdkrachten uitgewerkt, die voorzien in
flexibele strategische en regionale inzetopties in meerdere scenario’s tegen verschillende
potentiele tegenstanders. Middels oefeningen bereiden de Verenigde Staten zich op
dergelijke scenario’s voor, zowel om de gereedheid te testen van de strategische nucleaire
strijdkrachten en nucleaire commandofaciliteiten, alsmede (in NAVO-kader) de gereedheid
van de DCA. Bovendien liggen aan de Amerikaanse nucleaire strategie overwegingen
ten grondslag die betrekking hebben op de voorkoming van verdere verspreiding van
kernwapens en van de mogelijkheid dat terroristen toegang krijgen tot nucleaire wapens,
kennis en materieel.
In de geactualiseerde NPR komt tot uitdrukking dat kernwapens voor de Verenigde
Staten een unieke afschrikkingscapaciteit vormen die geenszins aan relevantie heeft
ingeboet. Het Amerikaanse beleid heeft volgens het document nooit berust op ‘no
first use’ en hanteert bewust een zekere ambiguïteit wat betreft de omstandigheden
waaronder inzet van nucleaire wapens zal worden overwogen, zij het alleen ‘in the most
extreme circumstances’. Anders dan voorheen worden in dit kader ook ‘significant non-
nuclear strategic attacks’ beklemtoond als denkbare aanleiding. Dergelijke aanvallen
behelzen, maar zijn niet louter beperkt tot ‘attacks on the U.S., allied, or partner civilian
population or infrastructure, and attacks on U.S. or allied nuclear forces, their command
and control, or warning and attack assessment capabilities’.101 Gezien de aandacht
die de NPR besteedt aan offensieve cyberaanvallen en bedreigingen in outer space, is
het waarschijnlijk dat de functie van de nucleaire afschrikking zich vanuit Amerikaans
perspectief moet uitstrekken tot de voorkoming van agressie in deze relatief nieuwe
domeinen. In weerwil van de vaststelling dat kernwapens zo een grotere rol lijken te krijgen
in de Amerikaanse afschrikking, kan hieraan tevens de conclusie worden verbonden dat de
Verenigde Staten een krachtig signaal willen geven aan tegenstanders dat uitbreiding van
mogelijkheden tot doelgerichte ondermijning en (cyber-)manipulaties van essentiële (delen
van) de Amerikaanse nucleaire deterrent niet wordt geaccepteerd. De niet-vreedzame
toepassing van relatief nieuwe technologieën door vooral China en Rusland voeden de
Amerikaanse zorgen hieromtrent.
Hoewel de opgesomde strategische doelstellingen al lange tijd onverminderd van
kracht zijn, is sprake van een opvallend verschil in toonzetting en prioritering tussen de
NPR uit 2010 en de NPR van februari 2018. In de NPR 2010 stonden voorkoming van
nucleaire gevaren en proliferatie en het streven naar een wereld zonder kernwapens
voorop. New START werd beschouwd als eerste stap naar verdergaande nucleaire
wapenbeheersingsinitiatieven, ook op het terrein van de sub-strategische kernwapens.
De regering Obama wilde de rol van kernwapens kleiner maken, waar mogelijk het eigen
100 U.S. Nuclear Posture Review, februari 2018, Secretary’s Preface, pp. VII-IX.
101 Idem, p. 21.
                                                  36
</pre>

====================================================================== Einde pagina 37 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 38 ======================================================================

<pre>arsenaal verder inkrimpen en afzien van de doorontwikkeling van de meest vernietigende
wapens zoals intercontinentale raketten met een meervoudige nucleaire lading. Volgens
de NPR 2018 kunnen de Verenigde Staten het zich daarentegen, in het licht van de
verslechterde veiligheidssituatie en groeiende rivaliteit tussen de grootmachten, niet
langer veroorloven het kernwapenarsenaal verder in te krimpen en besluitvorming
over vervangings- en vernieuwingsinvesteringen uit te stellen. Zo onderstreept de NPR
dat terwijl de Verenigde Staten zelf de rol van kernwapens hebben teruggedrongen,
andere kernwapenstaten, waaronder Rusland en China, het tegenovergestelde
hebben nagestreefd. De modernisering van de nucleaire strijdkrachten is nodig, zodat
de Verenigde Staten vanuit een positie van kracht middels een gedifferentieerd en
geloofwaardig afschrikkingsbeleid verschillende bedreigingen het hoofd kunnen blijven
bieden (Rusland, China, Noord-Korea, Iran en nucleair terrorisme). In zijn voorwoord op de
NPR onderstreept de minister van Defensie Mattis dat de Verenigde Staten de afspraken
op het terrein van nucleaire wapenbeheersing en non-proliferatie toegewijd blijven, maar
dat verdere stappen wat betreft de nucleaire ontwapening op de korte termijn ‘extremely
challenging’ zullen zijn.102
Modernisering kernwapenarsenaal
De Verenigde Staten hebben de afgelopen jaren plannen uitgewerkt voor een alomvattend
moderniseringsprogramma voor zijn nucleaire strijdkrachten, waartoe naast de wapens
ook de overbrengingsmiddelen en de productie- en commandofaciliteiten moeten worden
gerekend. In de NPR 2018 wordt het beeld bevestigd dat de Amerikaanse regering
haast wil maken met de uitvoering van het programma, dat onder vorige regeringen
werd uitgewerkt en is aangevuld met enkele nieuwe elementen. Het Amerikaanse
moderniseringsprogramma heeft een looptijd van dertig jaar en de kosten voor de periode
2017-2026 zijn door de Congressional Budget Office geraamd op 400 miljard dollar.
Over de gehele looptijd van 2017-2046 zouden de kosten kunnen oplopen tot 1.200
miljard dollar indien alle plannen uit het programma worden uitgevoerd.103 Volgens
de NPR zijn de inspanningen gericht op het (binnen de afspraken van de nucleaire
wapenbeheersingsverdragen) op peil en toekomstbestendig houden van de Amerikaanse
nucleaire deterrent, bestaande uit de strategische nucleaire triade, ondersteund door Dual
Capable Aircraft (DCA) in NAVO-verband en robuuste nucleaire command and control.104 Zie
voor een samenvatting van de modernisering van de strategische triade bijlage IV.105
Naast de modernisering van de nucleaire triade zijn de Verenigde Staten voornemens
het door de vorige regering geïnitieerde levensduurverlengingsprogramma (Life Extension
Program - LEP) van de B61 vrije-val bom uit te voeren en deze geschikt te maken voor de
102 Idem, p. III.
103 Congressional Budget Office, ‘Projected Costs of US Nuclear Forces, 2017-2026’, februari 2017.
     Zie: <https://www.cbo.gov/publication/53211>.
104 U.S. Nuclear Posture Review, februari 2018, Secretary’s Preface, pp. I-III.
105 Compleet overzicht van het Amerikaanse kernwapenarsenaal en moderniseringsprogramma: Hans M.
     Kristensen en Robert S. Norris, ‘United States Nuclear Forces, 2018’, 2018, Bulletin of the Atomic
     Scientists, 74:2, pp. 120-131, <https://doi.org/10.1080/00963402.2018.1438219>.
                                                    37
</pre>

====================================================================== Einde pagina 38 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 39 ======================================================================

<pre>F-35 als platform.106 De levensduurverlenging van de huidige B61, die dateert van de jaren
zestig en het oudste kernwapen vormt in de active stockpile, is nodig omdat veroudering
een negatief effect heeft op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de effectiviteit van het
wapen. Het levensduurverlengingsprogramma betreft de vervanging vanaf 2020 van vier
van de vijf huidige varianten van de B61 door één nieuwe variant, de B61-12.107 Het LEP
past moderne technologie toe, waardoor de veiligheid verbetert, het onderhoud efficiënter
wordt en het wapen zijn rol kan blijven vervullen in de nucleaire afschrikking.108 De
NPR spreekt in dit verband over: ‘We will work with NATO to best ensure – and improve
where needed – the readiness, survivability, and operational effectiveness of DCA
based in Europe’.109 De B61-12 zal net als de huidige B61-varianten een vrije-val bom
blijven, al heeft de gemoderniseerde versie de optie van beweegbare staartvinnen die
de bom nauwkeuriger maken. De F-35 zal over de daarvoor benodigde digitale interface
beschikken.110 Sommige critici wijzen erop dat de nieuwe tailkit de B61-12 ook strategische
inzetmogelijkheden geeft en anderzijds, bij een low yield instelling, de inzetdrempel zou
kunnen verlagen. Dat zou volgens deze zienswijze dan ook een nieuwe betekenis geven
aan de extended deterrence in Europa.111 Hierbij is een aantal belangrijke kanttekeningen
op zijn plaats. De laagste (instelbare) yield-waarde verandert niet na modernisering, zodat
geen sprake zal zijn van onwenselijk geachte ‘miniaturisering’ (geen herinvoering van
gevechtsveldwapens).112 Het gegeven dat de B61-12 voor strategische missies van de B-2
(en op termijn B-21) bommenwerpers in aanmerking komt, betekent geen verbreding van
het takenpakket van de B61 (aan de B-2 zijn momenteel reeds (zwaardere) B61-varianten
toegekend). Ook is het niet de bedoeling dat de DCA-vliegtuigen in Europa dergelijke
strategische missies zullen overnemen. De AIV constateert in dit kader dat aanpassing
van de huidige nucleaire taak/missie van de Nederlandse F-16 niet is voorzien. Op basis
van verkregen informatie na actieve navraag bij de NAVO (onder meer de Nuclear Planning
Group), bij functionarissen van de Verenigde Staten en bij de andere DCA-landen, komt
de AIV tot de conclusie dat dit in de toekomst na de invoering van de F-35 / B61-12 niet
106 De development engineering van de B61-12 LEP begon in februari 2012. Volgens de Nuclear Posture
      Review 2018 is de B61-12 beschikbaar vanaf 2020, in de DCA-landen vanaf 2021. NPR 2018,
      February 2018, pp. 47-48.
107 De B61-11 maakt geen deel uit van het B61 LEP. Deze variant is exclusief bedoeld om onder de grond
      gelegen (en daardoor extra beschermd en moeilijk te bereiken) doelen te kunnen vernietigen. De
      B61-12 is niet ontworpen als een dergelijke earth penetrating capaciteit.
108 Factsheet National Nuclear Security Administration, B61-12 Life Extension Program, <https://www.
      energy.gov/sites/prod/files/2018/04/f50/B61-12%20LEP%20factsheet.pdf>.
109 Nuclear Posture Review 2018, p. 54.
110 US Government Accountability Office, Report to the Committee on Armed Forces, U.S. Senate (GAO-
      18-456), ‘B61-12 Nuclear Bomb. Cost Estimation for Life Extension, Incorporated Best Practices, and
      Steps Being Taken to Manage Remaining Program Risks’, mei 2018.
111 Zie: <https://nationalinterest.org/blog/buzz/air-force-stealth-b-2-spirit-just-test-dropped-nuclear-
      bomb-29547>.
112 Het vernietigende vermogen (yield) van de B61-12 zal variëren tussen 0,3 kt en 50 kt, overeenkomstig
      de huidige B61-variant met de laagste kt-waarden (de B61-4). Zie projectinformatie B61-LEP,
      <https://www.airforce-technology.com/projects/b61-12-nuclear-bomb/>.
                                                     38
</pre>

====================================================================== Einde pagina 39 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 40 ======================================================================

<pre>anders zal zijn. De AIV is bovendien van oordeel dat de taak/missie altijd bepalend moet
zijn voor de keuze van de (variant) van het wapen, en niet andersom. De nucleaire taak/
missie is ingebed in de NAVO-strategie, waarin voorop staat dat voorkomen moet worden
dat de inzet van kernwapens ooit zou moeten worden overwogen. Daarin ligt de enige
aanvaardbare legitimering besloten van de instandhouding van geloofwaardige nucleaire
afschrikking.
Nieuwe accenten
Nieuw in de NPR is de aankondiging dat een beperkt aantal strategische raketten voor
de onderzeeboten wordt voorzien van een kernkop met een relatief klein vernietigend
vermogen (low yield SLBM) en dat op langere termijn een nieuw sea-launched cruise
missile (SLCM) wordt ontwikkeld. Het nieuwe SLCM betreft wellicht niet een geheel nieuw
accent, maar kan wel worden beschouwd als een opvallende heroverweging van het door
de vorige regering in 2010 genomen besluit tot afschaffing van vanaf zee te lanceren
nucleaire Tomahawk Land Attack kruisvluchtwapens (TLAM/N). De nieuwe – en al gelijk
controversiële – maatregelen zijn bedoeld als ‘beperkte’ nucleaire inzetopties in aanvulling
op de dual capable aircraft (DCA), tot nu toe de enige sub-strategische inzetoptie. Dit
verschaft ook een zekere flexibiliteit: de wapens zijn wereldwijd inzetbaar, zonder gebruik
te hoeven maken van geallieerd grondgebied en met de (vrijwel) zekerheid dat ze door
de luchtverdediging van de tegenstander kunnen komen. De vraag lijkt opportuun wat de
betekenis hiervan is voor rol die de Europese NAVO-landen vervullen in de afschrikking.
Bij de beoordeling van de nieuwe maatregelen moet verder worden meegewogen of deze
niet vooral het gevoel van onveiligheid bij potentiële tegenstanders zullen vergroten,
hetgeen de stabiliteit juist kan ondergraven (het klassieke veiligheidsdilemma). Ook nu al
beschikken de Verenigde Staten over een variëteit aan kernwapens en inzetmogelijkheden.
De vraag kan worden gesteld waarom de Verenigde Staten de toevoeging van low-yield
wapens ter vergroting van de sub-strategische inzetopties nodig achten.113 Critici wijzen
erop dat de Verenigde Staten al over low yield kernwapens beschikken, dat uitbreiding
met deze optie de afschrikking niet werkelijk zal versterken en mogelijk de drempel naar
gebruik van kernwapens kan verlagen.114
Hoewel dat nadrukkelijk niet de Amerikaanse bedoeling is, zou vergroting van de flexibiliteit
de indruk kunnen wekken dat in reactie op de veronderstelde ontwikkeling van de
Russische doctrine en de invoering van nieuwe capaciteiten, de Verenigde Staten ook
een beperkte, vroege inzet van kleinere kernwapens zouden overwegen. In de NPR wordt
juist betoogd dat een aanvullende lower yield inzetoptie de afschrikking wel versterkt
(tegen relatief lage kosten), omdat het een antwoord is op de mogelijke, gevaarlijke
veronderstelling van andere kernwapenstaten (Rusland, mogelijk wordt ook China bedoeld)
dat een ‘gap’ is ontstaan in het regionale afschrikkingsvermogen van de Verenigde
Staten. Het veronderstelde gat heeft betrekking op het gebrek aan inzetmogelijkheden
als stap tussen de huidige sub-strategische kernwapens (de DCA) en de strategische
triade, waardoor de Verenigde Staten zelf zouden kunnen terugschrikken (‘self-deterred’)
voor kernwapeninzet en daarmee afbreuk zou doen aan de geloofwaardige afschrikking.
Bovendien is de ontwikkeling en beoogde invoering op de langere termijn van een nieuwe
SLCM bedoeld als antwoord op de schending van het INF-verdrag door Rusland (9M729).
113 Zie bijvoorbeeld het redactioneel commentaar over de NPR van de Washington Post, ‘An unnessary
      nuclear detour’, 4 februari 2018, en: Dick Zandee en Sico van der Meer, ‘Trump’s Nuclear Posture
      Review: A New Rift between Europe and the US?, Clingendael Policy Brief, februari 2018.
114 Jeffrey Lewis, ‘Why Donald Trump wants his nukes to be smaller’, Foreign Policy, 21 september 2017.
                                                     39
</pre>

====================================================================== Einde pagina 40 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 41 ======================================================================

<pre>De voormalige Amerikaanse minister van Defensie Mattis beklemtoonde in zijn toelichting
op de NPR dat deze maatregel ook als ‘wisselgeld’ in onderhandelingen kan worden
beschouwd, om de druk op te voeren voor naleving door Rusland van het INF-verdrag
en om ruimte te scheppen voor strategisch wapenbeheersingsoverleg met Moskou en
Peking.115 De aankondiging in de NPR van een onderzoek naar Amerikaanse opties voor
een nieuw ground-launched intermediate range raketsysteem, lijkt dezelfde aansporende
functie te moeten vervullen.116
III.3     ‘Verstrikking’ van nucleaire en niet-nucleaire capaciteiten en technologieën
Zorgen over de vervaging van de scheidslijn tussen kernwapens en conventionele wapens
bestaan reeds sinds de Koude Oorlog. Een voorbeeld vormt ‘miniaturisering’, dat allerlei
ontwikkelingen omvat die kernwapens verfijnen, kleiner en preciezer en technisch beter
inzetbaar maken. Kernwapens met zeer lage yield-waardes, ontwikkeld voor inzet op het
gevechtsveld (nucleaire gevechtsveldwapens) zouden weliswaar de explosieve schade en
straling beperken, maar ook de drempel tegen gebruik kunnen verlagen. Het voormalige
‘Westen’ heeft de nucleaire gevechtsveldwapens geëlimineerd (zie bijlage II), terwijl er
aanleiding is te veronderstellen dat Rusland nog steeds over een variëteit van dit soort
kernwapens beschikt.
Volgens experts groeit momenteel de kans op crisisinstabiliteit vanwege snelle
ontwikkelingen in verschillende, elkaar beïnvloedende domeinen van militair optreden.
In dit kader wordt al langere tijd gesproken over ‘verstrikking’ (entanglement).117
Door de toegenomen verwevenheid en onderlinge afhankelijkheid van nucleaire en
niet-nucleaire systemen bestaat bij oplopende spanningen een risico op (nucleaire)
overreactie, omdat kernwapenstaten zich niet de eigen nucleaire vergeldingscapaciteit
uit handen willen laten slaan en het liefst het initiatief willen hernemen.118 Daaraan
liggen verschillende ontwikkelingen ten grondslag. Al decennia bestaat het probleem van
dual use wapensystemen en van de integratie van nucleaire strijdkrachten in reguliere
militaire eenheden, die het moeilijker maken om vast te stellen of er sprake is van
nucleaire intenties, capaciteiten en voorbereiding op werkelijke inzet. In toenemende
mate gaat het in dit verband ook om de kwetsbaarheid van in hoge mate gedigitaliseerde
en genetwerkte systemen voor command and control, communications and information
(C3I)119 en om moeilijk traceerbare, of te laat herkenbare aanvalswapens die de
strategische overwegingen van kernwapenstaten beïnvloeden. Een aantal ontwikkelingen
115 Zie: <https://www.washingtonpost.com/world/national-security/mattis-plans-for-new-us-nuclear-weapon-
      could-be-bargaining-chip-with-russia/2018/02/06/198a6d14-0b68-11e8-baf5-e629fc1cd21e_story.
      html?utm_term=.fb55c9487ec1>.
116 U.S. Nuclear Posture Review, februari 2018, p. 10.
117 James M. Acton, ‘Why is Nuclear Entanglement so Dangerous’, Carnegie Endowment for International
      Peace, 23 januari 2019.
118 James N. Miller Jr. and Richard Fontaine, ‘A New Era in U.S.-Russian Strategic Stability. How Changing
      Geopolitics and Emerging Technologies are Reshaping Pathways to Crisis and Conflict’, September 2017.
119 James M. Acton, Alexey Arbatov, Vladimir Dvorkin, Petr Topychkanov, Tong Zhao, Li Bin, ‘Entanglement:
      Chinese and Russian Perspectives on Non-nuclear Weapons and Nuclear Risks’, 8 november 2017,
      <http://carnegieendowment.org/2017/11/08/entanglement-chinese-and-russian-perspectives-on-non-
      nuclear-weapons-and-nuclear-risks-pub-73162>.
                                                     40
</pre>

====================================================================== Einde pagina 41 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 42 ======================================================================

<pre>vergt nadere beschouwing, mede vanwege de lastige vraagstukken die eraan kleven voor
de wapenbeheersing en risicovermindering (zie hoofdstuk IV.2).
De plaatsing van een conventionele lading op raketten met een wereldwijd bereik kan
de strategische verhoudingen verstoren en het risico op een (nucleaire) tegenaanval
vergroten. Dit heeft er onder meer mee te maken dat een land dat wordt aangevallen
niet langer, of veel te laat, onderscheid kan maken tussen conventionele en nucleaire
aanvalswapens. Plannen voor de toerusting van (bestaande, ook voor nucleaire missies
gebruikte) intercontinentale raketten en vanaf onderzeeboten te lanceren raketten met
een conventionele lading staan in de Verenigde Staten te boek onder de aanduiding
conventional prompt global strike (CPGS). Het beoogde vermogen zou de Verenigde Staten
in staat stellen om doelen wereldwijd aan te vallen binnen een uur.120 Met CPGS zouden
de Verenigde Staten onder meer tegenwicht kunnen bieden aan de toegenomen dreiging
van middellangeafstandsraketten voor de Amerikaanse regionale presentie, reeds enkele
jaren geleden reden voor de huidige nationaal veiligheidsadviseur John Bolton om het
INF-verdrag ter discussie te stellen.121 Kanttekening hierbij is dat conventionele wapens
mogelijk nooit een alternatief zullen zijn voor nucleaire wapens. De laagste kiloton-waarde
in het nucleair arsenaal van de Verenigde Staten en NAVO is volgens een publicatie
van het Center for Strategic and International Studies (CSIS) 0,3 kt oftewel 300 ton. Het
zwaarste conventionele wapen van de Verenigde Staten is thans de massive ordnance
penetrator (MOP) met een lading van ongeveer 3 ton en gericht tegen ondergrondse
bunkers.122 Rusland beschikt over nog zwaardere conventionele bommen.
De ontwikkeling van nieuwe hypersonische wapens kan volgens generaal John Hyten,
hoofd van U.S. Strategic Command, op termijn de uitgangspunten van wederzijds
verzekerde vernietiging ondergraven.123 Rusland en mogelijk ook China hebben op het
terrein van de hypersonische wapens mogelijk een voorsprong op de Verenigde Staten.124
De hoge snelheden125, manoeuvreerbaarheid en niet-ballistische vliegroutes maken dat dit
soort projectielen tot in de laatste vluchtfase een zeer onvoorspelbaar vliegprofiel volgen,
waardoor de reactietijd fors minder is dan bij ‘gewone’ raketten en kruisvluchtwapens
en ze uiterst moeilijk te onderscheppen zijn, zelfs door de meest geavanceerde
raketverdedigingssystemen. Door de hoge snelheden en de grote precisie van de wapens
120 Congressional Research Service, Amy Woolf, ‘Conventional Prompt Global Strike and Long-Range Ballistic
     Missiles: Background and Issues’, 6 April 2018; <https://fas.org/sgp/crs/nuke/R41464.pdf>.
121 John Bolton and John Yoo, ‘An Obsolete Nuclear Treaty Even Before Russia Cheated’, Wall Street
     Journal, 9 September 2014, <https://www.wsj.com/articles/john-bolton-and-john-yoo-an-obsolete-
     nuclear-treaty-even-before-russia-cheated-1410304847>.
122 CSIS, Project Atom, mei 2015, p. 20, Table 1. Zie ook: NTI, ‘Building a Safe, Secure, and Credible NATO
     Nuclear Posture’, januari 2018, p. 24.
123 Travis J. Tritten, ‘Nuclear weapons chief: Doctrine of ‘mutually assured destruction’ is good for another
     10 years’, Washington Examiner, 7 maart 2018.
124 Michael Evans, ‘Need for speed: why the US is spending billions in a hypersonics arms race’, The
     Times, 10 augustus 2018, <https://www.thetimes.co.uk/article/need-for-speed-why-the-us-is-spending-
     billions-on-hypersonics-fr977p8jq>.
125 Hypersonische snelheden van de hier bedoelde wapens liggen hoger dan Mach 5, tussen 5.000 en
     25.000 km/u.
                                                      41
</pre>

====================================================================== Einde pagina 42 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 43 ======================================================================

<pre>kunnen versterkte, onder de grond gelegen militaire doelen met een relatief geringe lading
worden uitgeschakeld. De invoering van deze systemen zou het risico verhogen op een
‘disarming attack’, in het bijzonder voor staten die over een relatief beperkte strategische
kernwapenmacht beschikken. Een dergelijke dreiging kan kernwapenstaten aanmoedigen
de paraatheid van de nucleaire strijdkrachten te verhogen (launch on warning posture) of
de inzetbevoegdheid te delegeren naar lagere niveaus in de commandoketen, zodat de
mogelijkheid van een tegenaanval wordt zeker gesteld.126
Voorts lijkt er sprake van voortschrijdende militarisering van de ruimte door Rusland,
dat actief antisatelliet (ASAT)-wapens ontwikkelt waaronder krachtige, mobiele Laser-
wapens en middelen in de ruimte die ‘afwijkend gedrag’ vertonen.127 Ook China heeft
in 2007 zijn ASAT-capaciteit gedemonstreerd128 en dit vermogen waarschijnlijk verder
ontwikkeld. Recent heeft de Amerikaanse regering bekend gemaakt de activiteiten
op ruimtevaartgebied te bundelen en te versterken.129 Vooral de kwetsbaarheid
van Command, Control, Communications and Information (C3I)-systemen, die steeds
afhankelijker zijn geworden van in de ruimte geplaatste middelen, baart zorgen. Deze
systemen vormen de spil van conventionele militaire operaties, maar ook van het
vermogen tot detectie en tijdige waarschuwing bij een nucleaire aanval en (daarmee)
tot nucleaire vergelding.130 Het risico op onbeheersbare escalatie is groot, omdat het
tijdens crises en oplopende spanningen tussen de Verenigde Staten en Rusland, of
tussen de Verenigde Staten en China, voor beide opponenten verleidelijk kan zijn om
(delen van) de C3I-keten van de tegenstander te degraderen of aan te vallen, teneinde
diens militaire operaties te verhinderen. Voormalig president Obama (in 2016) noemde
een communicatiestoring een reëel gevaar.131 Volgens de Arms Control Association
kunnen cyber-aanvallen op nucleaire command and control systemen de instabiliteit in
crisissituaties zeer vergroten.132
126 Richard H. Speier, George Nacouzi, Carrie A. Lee, Richard M. Moore, ‘Hypersonic Missile
     Nonproliferation. Hindering the Spread of a New Class of Weapons’, Rand Corporation, 2017.
127 Stephanie Nebehay, ‘U.S. warns on Russia’s new space weapons’, Reuters, 14 augustus 2018.
     Zie: <https://www.reuters.com/article/us-russia-usa-space/us-warns-on-russias-new-space-weapons-
     idUSKBN1KZ0T1>.
128 Carin Zissis, ‘China’s Anti-Satellite Test’, Council on Foreign Relations, 22 februari 2007.
     Zie: <https://www.cfr.org/backgrounder/chinas-anti-satellite-test>.
129 Trump directive Space Command, 18 juni 2018. Zie: <https://www.newscientist.com/article/2171971-
     trump-has-directed-the-us-military-to-establish-a-space-force/>.
130 James M. Acton, ‘Escalation through Entanglement. How the Vulnerability of Command-and-Control
     Systems Raises the Risks of an Inadvertent Nuclear War’, International Security, Vol. 43, No. 1
     (Summer 2018), pp. 56-99.
131 Obama pleitte aan het slot van de NSS Washington 2016 voor beveiliging van ‘communication links
     between the weapons and their guardians needed better protections against cyberattack. But when
     asked if warhead miniaturization and similar improvements could undermine his record of progress on
     arms control, he replied: ‘It’s a legitimate question. And I am concerned’. In Broad en Sanger, op.cit.
132 Daryl Kimball, ‘Old deals to limit nuclear weapons are fraying. They may not be repaired. Politics and
     technology make arms control harder than ever.’, Economist, 5 mei 2018.
                                                        42
</pre>

====================================================================== Einde pagina 43 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 44 ======================================================================

<pre>Naast offensieve cybercapaciteiten133 staan de (nucleaire) grootmachten ook steeds
geavanceerder middelen voor elektronische oorlogvoering, manipulatie, verstoring of
fysieke uitschakeling van satellieten ter beschikking.134 Deze bieden de mogelijkheid van
een groot effect zonder meteen slachtoffers te maken, waarbij bovendien onduidelijk kan
blijven wie de aanval heeft uitgevoerd. Een dergelijke daad kan echter wel degelijk worden
geïnterpreteerd als voorbode voor een grotere, mogelijk nucleaire vervolgaanval. Deze
vaststelling zou nopen tot een krachtige tegenaanval uit voorzorg, met het risico van een
overreactie waardoor een conflict onbeheersbaar kan worden.
In het verlengde van deze ontwikkeling ligt de toepassing van kunstmatige intelligentie.
Gezien de snelheid en de complexiteit waarmee dit soort aanvalsscenario’s zich kunnen
voltrekken, is het denkbaar dat nucleaire grootmachten hun toevlucht zullen nemen tot
autonome besluitvormingssystemen, ondersteund door speciaal ontwikkelde digitale
algoritmes. Kunstmatige intelligentie roept in het kernwapendomein enerzijds het beeld
op van technische beheersing door geleidelijke reductie en misschien zelfs uitschakeling
van de (langzame en feilbare) mens in de totale inzetketen, maar anderzijds ook van
onbedoelde en zeer fatale effecten door aan kunstmatige intelligentie gedelegeerde
besluiten, die razendsnel en onherroepelijk kunnen zijn. Dat risico weerhoudt de militaire
opmars van kunstmatige intelligentie niet. Een recente RAND-studie135 concludeert dat
nucleaire destabilisering in potentie de ernstigste bedreiging vormt die van kunstmatige
intelligentie uitgaat.
Deskundigen achten de kans reëel dat kunstmatige intelligentie het vertrouwen van
landen in de onkwetsbaarheid van hun nucleaire vergeldingsvermogen zal ondermijnen
en dat zij zich – al dan niet terecht – kwetsbaar voelen voor een first strike. Hoewel dit
wellicht nog ver weg is, concluderen ze dat kunstmatige intelligentie het denken over
nucleaire stabiliteit wezenlijk kan veranderen. Kunstmatige intelligentie heeft de potentie
om uit miljoenen data en beelden voorheen ‘verborgen’ vijandelijke raketten op te sporen,
te monitoren en meer waarschuwingstijd te bieden dan nu bij eventuele lancering. Dat
zou positief zijn. Er is echter ook scepsis over de mogelijkheden van vroegtijdige en
waterdichte detectie van verborgen kernwapenprogramma’s. Een groter vermogen om
mogelijk aanvallende kernwapens preventief uit te schakelen, kan ook zeer destabiliserend
zijn. Er zou op dit terrein al sprake zijn van een wedloop tussen de Verenigde Staten, China
en Rusland.136
133 Chatham House Research Paper, ‘Cybersecurity of Nuclear Weapons Systems. Threats, Vulnerabilities
      and Consequences’, januari 2018.
134 Brian Weeden, Victoria Samson, ‘Global Counterspace Capabilities: An Open Source Assessment’,
      Secure World Foundation, april 2018.
135 Edward Geist, Andrew J. Lohn, ‘How Might Artificial Intelligence Affect the Risk of Nuclear War’, Rand
      Corporation, 2018.
136 Elsa B. Kania, ‘Battlefield Singularity: Artificial Intelligence, Military Revolution, and China’s Future
      Military Power’, Center for a New American Security, november 2017. Zie: <https://www.cnas.org/
      publications/reports/battlefield-singularity-artificial-intelligence-military-revolution-and-chinas-future-
      military-power>.
                                                          43
</pre>

====================================================================== Einde pagina 44 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 45 ======================================================================

<pre>IV        Nucleaire wapenbeheersing onder druk
IV.1      Belang nucleaire wapenbeheersing
Nucleaire wapenbeheersing verkeert in zwaar weer.137 Het is een vaststelling die
vaker is gemaakt in de ongeveer 50 jaar strekkende geschiedenis van de nucleaire
wapenbeheersing. Dit pessimisme is de dominante tendens onder deskundigen, die
geloven dat de verstandhouding tussen Rusland en de Verenigde Staten bepalend is
voor het succes van nucleaire wapenbeheersing. Volgens deze zienswijze laat het huidige
negatieve politieke klimaat weinig ruimte voor kansrijke wapenbeheersingsinitiatieven,
laat staan voor succesvolle resultaten. Er is ook een genuanceerdere, optimistischer
school. Paradoxaal genoeg is uitgerekend wapenbeheersing in de naoorlogse oost-west
geschiedenis soms juist ook verrassend succesvol geweest, in bepaalde opzichten te
vergelijken met anticyclisch begrotingsbeleid in een kwijnende economie: als hoopgevend
houvast of zelfs aanjager in barre tijden.
Wapenbeheersing gaat verder dan het in de hand houden van de wapenwedloop, een
evident nuttige maar op zich al ingewikkelde opgave. De ervaring leert dat wapenbeheersing
ook andere functies in het diplomatieke verkeer vervult. Wapenbeheersing behelst
dialoog en het maken van afspraken, die dwingen tot controle op de naleving ervan
(verificatiemechanismen). Hieruit voortvloeiende contacten tussen opponenten kunnen
normbepalend zijn, bieden procedurele zekerheid en scheppen realistische verwachtingen
jegens de wederpartij: een positieve bijwerking die ontegenzeggelijk de stabiliteit bevordert.
Er kan tussen wetenschappelijke, militaire en diplomatieke vertegenwoordigers van
opponenten zelfs een professioneel gemeenschapsgevoel en vertrouwen groeien, dat crisis-
dempend kan zijn indien daarop een beroep kan worden gedaan in tijden van incidenten en
spanning. Positieve ervaringen op dit terrein kunnen als voorbeeld dienen en bevorderlijk
zijn voor conflictoplossing in niet-militaire dossiers zoals handel, mensenrechten en
het beheer van de global commons. Omgekeerd kan het ontbreken van communicatie
en samenwerking leiden tot onzekerheid en een gevoel van onveiligheid, waarbij
misverstanden, incidenten en onbegrip kunnen uitgroeien tot moeilijk te beheersen crises
en diepgeworteld wantrouwen.
Wapenbeheersing kan echter alleen slagen als is voldaan aan een noodzakelijke
voorwaarde: er moet vooraf erkenning van een belangengemeenschap zijn en
dientengevolge geen verwarring of ernstig verschil van mening over het te bereiken doel.
Ruim vijftig jaar wapenbeheersing heeft geleerd dat ‘strategische stabiliteit’ een niet
eenvoudig te definiëren, maar werkbaar doel was. Wapenbeheersing is weinig kansrijk
als niet kan worden teruggevallen op deze fundamentele consensus. Een aantal voor
de nucleaire wapenbeheersing belangrijke verdragen loopt gevaar niet meer te worden
nageleefd of geen vervolg te krijgen. Van direct belang voor Europa en dus ook Nederland
is het Intermediate-range Nuclear Forces (INF)-verdrag uit 1987. Indirect hiermee
verbonden is ook het lot van het New START-verdrag van belang dat na 2021 afloopt,
137 Shannon Kile, ‘Arms control in Jeopardy’, SIPRI, juni 2018. Op cit.: “When important disarmament
      agreements like the New START treaty expire in the coming years, nuclear weapons experts fear that
      new treaties may not be made to replace them. There would then be no contractual limitations whats-
      oever on weapons arsenals.” “We are clearly moving away from Barack Obama’s 2009 vision of a
      nuclear-free world,” volgens Kile.
                                                     44
</pre>

====================================================================== Einde pagina 45 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 46 ======================================================================

<pre>terwijl op het vlak van de non-proliferatie de toekomst van het Non-Proliferatieverdrag uit
1970 aandacht verdient. Op individueel landenniveau beschikken Iran en niet-NPV-leden
(Israël, Pakistan, India, Noord-Korea) over nucleaire programma’s die voor regionale en
mondiale kernwapenbeheersing relevant zijn, maar die erg lastig onder controle zijn te
brengen. De onzekerheden hieromtrent roepen de vraag op of er sprake is van feilen
en veroudering van de akkoorden zelf, dan wel aan het wegvallen van de fundamentele
consensus waarop ze berusten.
IV.2     Belemmeringen en onzekerheden
Strategische ontwikkelingen
De zogenoemde MAD-doctrine (mutual assured destruction) vormde de grondslag voor een
reeks verdragen die het overleven van MAD-capaciteiten garandeerde. Geen van beide
partijen mocht een first strike vermogen ontwikkelen waarmee (de vergeldingscapaciteit
van) de tegenstander kon worden uitgeschakeld. Daartoe rekende men ook defensieve
systemen die helpen om een tegenaanval te weerstaan. Een break-out was theoretisch
mogelijk, maar de norm was toch dat beide partijen hun eigen kwetsbaarheid aanvaardden
als sine qua non voor strategische stabiliteit. Toen de Koude Oorlog voorbij was en het
gevaar van een confrontatie tussen de nucleaire grootmachten louter nog theoretisch
werd geacht, verschoof de prioriteit van de Verenigde Staten naar (kleine, maar reëel
geachte) nucleaire dreigingen van opkomende landen en niet-statelijke terroristische
actoren. De Verenigde Staten trokken zich in 2002 eenzijdig terug uit het Anti-Ballistic
Missile-verdrag (ABM-verdrag) en gaven ruimte aan de ontwikkeling en opstelling van
verdedigingssystemen tegen ballistische raketten (Ballistic Missile Defence - BMD). Naast
conventionele en nucleaire capaciteiten is BMD deel gaan uitmaken van het verdedigings-
en afschrikkingsbeleid van de Verenigde Staten en van de NAVO.
De BMD-systemen van de Verenigde Staten en hun bondgenoten vormen geen
ondoordringbaar ‘schild’ waartegen de Russische triade geen kans maakt. Ze zijn volgens
eigen zeggen bedoeld als verdediging tegen een of enkele raketten van een land zoals
Iran of Noord-Korea. Volgens Rusland ondergraaft de ontwikkeling van BMD-systemen
niettemin de MAD-doctrine en verstoort de opstelling ervan nu reeds de regionale militaire
balans. Rusland ziet hierin mede aanleiding om met prioriteit hypersonische wapens
te ontwikkelen die door de raketverdediging kunnen heendringen. De Verenigde Staten
onderkennen op hun beurt kwetsbaarheden in de bescherming van het eigen grondgebied
en dat van bondgenoten als gevolg van de proliferatie van rakettechnologie en de
ontwikkeling en opstelling van geavanceerde (dual capable) raketten en kruisvluchtwapens
door potentiële tegenstanders waaronder Rusland.
INF-verdrag
Het INF-verdrag, getekend door de leiders van de Verenigde Staten en de Sovjet Unie
in 1987, leidde tot de beëindiging van de crisis in de jaren tachtig, toen de Sovjet Unie
mobiele SS-20 raketten in het Europese deel van Rusland opstelde die op doelen in
West Europa waren gericht. Europese NAVO leden vroegen de Verenigde Staten om een
beschermende tegenmaatregel. Daarop nam de NAVO in 1979 het dubbelbesluit: de
Sovjet Unie werd verzocht deze wapens weg te halen en als dat niet gebeurde zouden in
West-Europa vergelijkbare wapens op de Sovjet Unie worden gericht: Pershingraketten en
kruisvluchtwapens. Er zouden ook 48 kruisvluchtwapens in Nederland worden geplaatst,
waarover de Staten-Generaal lang verdeeld bleef. Door deze middellange afstandswapens
zou de dreiging voor de Sovjet Unie toenemen. Plaatsing van deze wapens in Europa ging
niet door omdat Sovjet-leider Gorbatsjov en de Amerikaanse president Reagan het INF-
verdrag sloten. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, later Rusland, hebben zich in de
                                               45
</pre>

====================================================================== Einde pagina 46 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 47 ======================================================================

<pre>daaropvolgende decennia onthouden van de ontwikkeling en plaatsing van volgens het
verdrag verboden vanaf de grond te lanceren kruisvluchtwapens en ballistische raketten
met een bereik van tussen de 500 en 5.500 km.
Ongeveer tien jaar geleden is de verdenking gerezen van Russische schending van het
INF-verdrag.138 Vanaf 2014 is dit officieel door de Verenigde Staten jaarlijks aangekaart
in de wapenbeheersingsrapportage van de regering. Op zijn beurt beschuldigt Rusland
de Verenigde Staten van schending. Formeel rapporteren de Verenigde Staten in de
compliance-rapporten sinds 2014-2017 over deze schending door Rusland. In rapporten
van het Department of State (getiteld “Adherence to and Compliance with Arms Control,
Nonproliferation and Disarmament Agreements and Commitments”) is te lezen dat de
Verenigde Staten hebben vastgesteld dat “the Russian Federation is in violation of its
obligations under the INF Treaty not to possess, produce, or flight-test a ground-launched
cruise missile (GLCM) with a range capability of 500 km to 5.500 km, or to possess or
produce launchers of such missiles.”
In februari 2017 verschenen in de pers artikelen dat het om de 9M729 ging, een
oorspronkelijk Kalibr-kruisvluchtwapen dat vanaf schepen wordt ingezet, maar tot een (niet
toegestane) landversie is geconverteerd. Rusland ontkent de schendingen en is gekomen
met tegenbeschuldigingen (zie hoofdstuk III.1).139 Experts beweren dat het technisch
wel mogelijk moet zijn om de beschuldigingen te verifiëren en uit te praten in de sinds
november 2016 na een pauze van 13 jaar weer bijeengekomen INF Special Verification
Commission (SVC), die in december 2017 nogmaals bijeen kwam, opnieuw zonder
resultaat. Er zijn ook redenen om de toekomst van het INF in breder perspectief te zien dan
de schendingskwestie alleen. Zo meent Ian Antony “(I)t is not unreasonable to ask whether
a 30-year-old instrument, created in circumstances that no longer exist, is still in tune with
current needs”.140 Kevin Ryan analyseert dat het INF-verdrag geen toekomst heeft.141
Op 22 oktober 2018 bevestigde de Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur John Bolton
in Moskou het al eerder door president Trump geuite voornemen om zich terug te zullen
trekken uit het INF-verdrag. De Verenigde Staten stellen vast dat het INF-verdrag niet meer
voldoet, enerzijds omdat de situatie niet houdbaar is dat Rusland straffeloos de
INF-verplichtingen schendt en anderzijds omdat China geen partij is en onbelemmerd kortere
en middellange afstandsraketten ontwikkelt. Het opzeggen van het verdrag kan worden
gezien als een ‘geschenk’ voor Rusland dat het verdrag al jaren zelf ter discussie stelt,
niet over de veronderstelde schending heeft willen spreken tenzij ook andere twistpunten
138 Zie voor een overzicht: Amy F. Woolf, ‘Russian Compliance with the Intermediate Range Nuclear Forces
     (INF) Treaty: Background and Issues for Congress’, Congressional Research Service, 29 oktober 2018.
139 Zie voor de officiële Amerikaanse reactie op de Russische beschuldiging: <https://www.state.gov/t/
     avc/rls/2017/276360.htm>. Geen schending, maar door Rusland met argusogen gevolgd, is het feit
     dat in de Amerikaanse defensiebegroting FY2018 $58 miljoen is gereserveerd voor ‘a research and
     development program for a dual-capable road-mobile ground-launched missile system with a maximum
     range of 5,500 km’.
140 Ian Anthony (2017) European Security after the INF Treaty Ian Anthony (2017) in: Survival, 59:6,
     <https://doi.org/10.1080/00396338.2017.1399728>.
141 Kevin Ryan After the INF Treaty : An Objective Look at US and Russian Compliance, Plus a New Arms
     Control Regime, December 07, 2017. Zie: <https://www.russiamatters.org/analysis/after-inf-treaty-
     objective-look-us-and-russian-compliance-plus-new-arms-control-regime>.
                                                     46
</pre>

====================================================================== Einde pagina 47 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 48 ======================================================================

<pre>worden betrokken, maar zelf niet het besluit tot terugtrekking nam. Reeds in februari
2007 verklaarde Poetin dat het INF-verdrag niet langer de belangen van Rusland dient; het
verdrag zou een adequate reactie in de weg staan op nieuwe strategische uitdagingen als
gevolg van de opkomende macht van China en andere landen die grenzen aan Rusland.
De leiders van de NAVO-landen verklaarden tijdens de NAVO-top in juli 2018 dat ‘The most
plausible assessment would be that Russia is in violation of the INF Treaty’. Volgens de
secretaris-generaal van de NAVO heeft Rusland het bestaan van de 9M729 inmiddels
erkend en is er voldoende bewijs dat Rusland met de ontwikkeling en plaatsing ervan het
verdrag ondermijnt.142 De implicaties hiervan worden nader onderzocht, maar hij verwacht
niet dat dit zal leiden tot de plaatsing van meer kernwapens in Europese landen.143 Ook
de Nederlandse regering heeft gemeld op basis van inlichtingen ‘eigenstandig’ te kunnen
bevestigen dat Rusland deze nieuwe raket heeft ontwikkeld en op dit moment introduceert
met een bereik van meer dan 500 km, hetgeen onder het INF-verdrag verboden is. De
oproep aan Rusland om zo spoedig mogelijk terug te keren naar een verifieerbare naleving
van het verdrag, wordt gevolgd door de vaststelling dat indien Rusland het INF-verdrag blijft
ondermijnen, Nederland en NAVO-bondgenoten zich moeten beraden over vervolgstappen
– zowel op militair gebied als op het vlak van wapenbeheersing.144 Tijdens de NAVO-
bijeenkomst op 4 en 5 december 2018 schaarden de NAVO-lidstaten zich middels een
gezamenlijke verklaring achter het Amerikaanse standpunt dat een situatie waarin alleen
de Verenigde Staten zich houden aan het INF-verdrag niet houdbaar is en dat Rusland
moet terugkeren naar full and verifiable compliance.145 De Verenigde Staten verklaarden
op 4 december 2018 dat Rusland nog zestig dagen had om alsnog aan te tonen dat het
zich houdt en wil blijven houden aan de bepalingen van het INF-verdrag.146 Na een besluit
tot eenzijdige terugtrekking of opschorting van het verdrag treedt een periode van zes
maanden in werking, waarna de terugtrekking formeel een feit is. De gevolgen van een
definitieve Amerikaanse terugtrekking uit het INF-akkoord zullen voelbaar zijn in Europa en
Azië en kunnen aanleiding geven voor nieuwe spanningen of zelfs een wapenwedloop.
Rusland is vergevorderd met de modernisering van zijn nucleaire arsenaal en heeft
de afgelopen jaren een kwalitatief en kwantitatief indrukwekkend nucleair en dual use
vermogen opgesteld, onder meer op de Krim en in Kaliningrad hetgeen een directe
bedreiging voor Europa vormt. In Kaliningrad vergroot Rusland thans de opslagfaciliteiten
voor nucleaire wapens. Ook als het INF-verdrag zou worden gered, betekent dit niet dat
deze dreiging verdwijnt. De vraag is aan de orde of de NAVO zou moeten overwegen om,
mocht Rusland uiteindelijk geen gehoor geven aan de dringende oproep van de Verenigde
142 Zie: <https://www.politico.eu/article/nato-jens-stoltenberg-accuses-russia-of-violating-nuclear-treaty/>.
143 Zie: <https://www.reuters.com/article/us-usa-nuclear-nato/no-new-nuclear-arms-in-europe-despite-
     russian-treaty-breach-nato-idUSKCN1MY0T4?utm_source=Sailthru&utm_medium=email&utm_
     campaign=ebb%2010-24&utm_term=Editorial%20-%20Early%20Bird%20Brief>.
144 Kamerbrief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie over ‘Nederlandse conclusie
     over de Russische schending van het INF-verdrag’, DVB/NW-130/2018, 27 november 2018.
145 Kamerbrief van de minister van Buitenlandse Zaken, ‘Verslag bijeenkomst NAVO ministers van
     Buitenlandse Zaken op 4-5 december 2018’, BZDOC-9715814-2312, december 2018, met in bijlage
     de gezamenlijke verklaring.
146 Zie: <https://breakingdefense.com/2018/12/us-gives-russia-60-days-before-inf-withdrawal-nato-comes-
     around/>.
                                                    47
</pre>

====================================================================== Einde pagina 48 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 49 ======================================================================

<pre>Staten en de andere NAVO-landen, eveneens middellangeafstandsraketten of andere
(nucleaire) wapens in Europa te stationeren. De secretaris-generaal van de NAVO heeft
kenbaar gemaakt dat plaatsing van nucleaire raketsystemen in Europa onwaarschijnlijk
is. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken heeft zich uitgesproken tegen de plaatsing
van middellangeafstandsraketten in Duitsland en heel Europa.147 Draagvlak voor
tegenmaatregelen zal volgens de AIV vanuit de Europese optiek waarschijnlijk eerder
worden gevonden op andere terreinen, zoals raketverdediging, het aanscherpen van
sancties en aanpassing van het verdrag (hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de
beperking van de geografische werking van het verdrag tot Europa en Europees Rusland,
of uitbreiding met China en andere landen).
Voortzetting New START
Een negatieve uitkomst van de onderhandelingen over naleving van het INF-verdrag kan
ook gevolgen hebben voor de gesprekken over voortzetting van het Treaty on Measures for
the further Reduction and Limitation of Strategic Offensive Arms (New START) na 2021.148
Rusland en de Verenigde Staten hebben inmiddels aan de limieten van het uit 2010
daterende New START-verdrag voldaan, maar het verdrag loopt – als er geen actie wordt
ondernomen – in februari 2021 af. Rusland zal naar verwachting hechten aan voortzetting
van het verdrag, ook als het INF-verdrag wordt opgezegd door de Verenigde Staten. De
Verenigde Staten daarentegen zullen het verdrag wellicht niet willen voortzetten, omdat het
met het oog op de veranderende geopolitieke context geen heil ziet in verdere inkrimping
of bevriezing van het strategische deel van het nucleaire arsenaal. De huidige Nationale
Veiligheidsadviseur John Bolton staat niet bekend als een voorstander van New START,
dat hij ‘unilaterale ontwapening’ heeft genoemd.149 De begin 2018 verschenen NPR
onderstreept dat de Verenigde Staten wel toegewijd blijven aan de naleving van New START
en de andere wapenbeheersingsverdragen waar de Verenigde Staten aan deelnemen150,
maar van een formele verklaring over verlenging vanaf 2021 is het nog niet gekomen. De
in het verdrag neergelegde verificatieprocedures en geregelde contacten (de ‘interactive
procedure’) zouden bij niet-verlenging verloren gaan. Sommigen zien in een niet-verlenging
van New START een omineus begin van een langduriger ‘wapenbeheersingsloos tijdperk’,
wat ook voor Europa consequenties zou hebben.151
147 Zie: <https://www.handelsblatt.com/politik/deutschland/inf-vertrag-maas-sagt-widerstand-gegen-neue-
     atomare-aufruestung-voraus/23798814.html?ticket=ST-2621649-3RzraEPbQT4BTDWSYQPN-ap4>.
148 In februari 2011 trad het New START-verdrag, gesloten door de voormalige presidenten Obama en
     Medvedev, in werking. Met dit verdrag worden de strategische kernwapens van de Verenigde Staten en
     Rusland voor beide partijen in tien jaar tijd beperkt tot 1.550 kernkoppen (warheads) en 800 wapen-
     dragers (launchers); van deze laatste mogen er slechts 700 operationeel zijn. Het verdrag bevat geen
     afspraken over de vermindering van sub-strategische kernwapens of van reservevoorraden (niet-opge-
     stelde) kernwapens.
149 Zie: <https://www.wsj.com/articles/SB10001424052748703618504575459511831427690>.
150 Factsheet NPR 2018 ‘Reducing Nuclear Dangers’, zie: <https://media.defense.gov/2018/
     Feb/02/2001872881/-1/-1/1/REDUCING-NUCLEAR-DANGERS.PDF>. Passage over ‘arms control’:
     “The United States remains committed to its arms control obligations under New START and other
     arms control treaties to which it is party.”
151 Eugene Rumer, ‘A farewell, to arms … control’, Carnegie Endowment, 17 april 2018. Op cit., “Should New
     START be allowed to expire, the United States and Russia would lose the only remaining bilateral arms
     control agreement that both sides have complied with and have not accused each other of violating.”
                                                       48
</pre>

====================================================================== Einde pagina 49 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 50 ======================================================================

<pre>Toekomst van het NPV
Het Non-Proliferatie Verdrag (NPV), dat al sinds 1970 als de hoeksteen van het mondiale
regime voor nucleaire non-proliferatie en ontwapening wordt beschouwd, belichaamt de
norm dat kernwapens niet (verder) verspreid mogen worden.152 Zij zouden uiteindelijk
ex artikel VI van het verdrag weg onderhandeld moeten worden. Maar het NPV is niet
volledig universeel (191 staten zijn lid van het verdrag). Vier van de vijf niet-leden, te
weten Noord Korea, India, Pakistan en Israël, zijn bovendien de facto kernwapenstaten.
De onderhandelingen over volledige ontwapening die ook tot eliminatie van kernwapens
moeten leiden zijn ontegenzeggelijk weinig vruchtbaar. Het NPV is sinds 1995 onbeperkt
geldig en wordt iedere vijf jaar in een review conference tegen het licht gehouden. Het
verdrag discrimineert tussen haves en have nots en de ambitie is om dit verschil op den
duur op te heffen door de haves te verplichten ‘in due faith’ over eliminatie van (kern-)
wapens te onderhandelen, terwijl de have nots uitdrukkelijk recht hebben op steun van
de haves bij het exploiteren van kernenergie voor civiele oogmerken. Deze ruilverplichting
is neergelegd in artikel VI van het NPV.153 Per saldo is tot dusver het NPV een succes
geweest doordat er slechts weinig nieuwe kernwapenlanden bij zijn gekomen. Een fors
aantal landen heeft van zijn aspiraties afgezien. De grootste bedreiging voor de toekomst
van het NPV is dat de erkende kernwapenstaten zich niet houden aan hun art. VI
verplichtingen en aan beloften en afspraken die bij opeenvolgende toetsingsconferenties
zijn vastgelegd.
Op landenniveau is het NPV onderhevig aan erosie als gevolg van twee ontwikkelingen:
(1) het mogelijk uitstappen van landen die nu nog partij bij het NPV zijn en (2) het semi-
erkennen van landen die de facto kernwapenstatus hebben maar geen partij zijn van
het NPV. Zonder hier nu diep op in te gaan, kan het recente opzeggen van het Joint
Comprehensive Plan Of Action (JCPOA) met Iran door de Verenigde Staten leiden tot
heroverweging door Iran van zijn NPV-lidmaatschap (1).154 De wisselende opvattingen
van president Trump over het bezit van eigen kernwapens door landen die nu Non-Nuclear
Weapon States zijn (in Oost–Azië, Europa), voeden speculaties over de houdbaarheid van
de huidige status van deze landen. Voorbeelden van (2) zijn Israël, Pakistan en India.
152 The Nuclear NonProliferation Treaty at a Glance, updates, zie: <https://www.armscontrol.org/system/
      files/npt.pdf>.
153 Zie: <https://www.iaea.org/publications/documents/treaties/npt>.
154 Reuters, Iran might withdraw from NPT if nuclear deal is scrapped, <https://www.reuters.com/article/
      us-iran-nuclear-npt/iran-might-withdraw-from-npt-if-nuclear-deal-is-scrapped-senior-official-idUSKBN1H-
      V0UU>.
                                                        49
</pre>

====================================================================== Einde pagina 50 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 51 ======================================================================

<pre>Afbeelding afkomstig van: <https://www.armscontrol.org/factsheets>.
Bronnen: Hans M. Kristensen, Robert S. Norris, U.S. Department of State en Stockholm
International Peace Research Institute.
Horizontale en verticale proliferatie
De AIV constateert dat zowel op het vlak van horizontale als van verticale proliferatie
ontwikkelingen gaande zijn die het bestaande internationale regime voor nucleaire
wapenbeheersing aantasten. Dat hoeft niet meteen het voortbestaan van het regime
en de aanhangende verdragen op het spel te zetten, mits de onderliggende normen
(zoals: stabiliteit, humaniteit, terughoudendheid) gedeeld blijven en de basis zijn voor
transparantie en aanpassing van de verdragen. Uiteraard zijn de aard, snelheid en omvang
van de proliferatie wel van groot belang.
Er dreigt uitbreiding van het aantal partijen dat over kernwapens en hun
overbrengingsmiddelen beschikt, dan wel toegang heeft tot de middelen en technologie om
deze status te verwerven (horizontale proliferatie). Bij een groter aantal kernwapenstaten
neemt de kans op ongelukken en misverstanden toe. Verder zou hierdoor het risico
toenemen dat niet-statelijke actoren, zoals terroristen, de hand op nucleair materiaal
weten te leggen.155 De dreiging van nucleair terrorisme is niet verdwenen en neemt
volgens sommige analisten verder toe, naarmate de internationale verwevenheid en
verspreiding van kennis over geavanceerde (nucleaire) explosieven voortschrijdt. Hierbij
dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ‘vuile bom’, een conventioneel
explosief waarop radiologisch materiaal is bevestigd, of aan een terroristische aanslag op
faciliteiten voor de productie, opslag of toepassing van nucleair materiaal. Het is voor niet-
statelijke actoren een stuk lastiger om onopgemerkt door statelijke veiligheidsdiensten,
zelf nucleair materiaal te produceren, een kernwapen te vervaardigen en middels
geavanceerde overbrengingsmiddelen in te zetten. In het kader van de vier internationale
155 AIV-advies nr. 47, ‘Het nucleaire non-proliferatieregime. Het belang van een geïntegreerde en
      multilaterale aanpak’, januari 2006.
                                                      50
</pre>

====================================================================== Einde pagina 51 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 52 ======================================================================

<pre>conferenties voor nucleaire veiligheid (Nuclear Security Summits, waaronder in Den Haag
in 2014) zijn verschillende initiatieven genomen om de wereldwijde hoeveelheid nucleair
materiaal te verminderen en om te zetten van hoogverrijkt naar laag verrijkt uranium,
nucleaire faciliteiten, opslag en transport beter te beveiligen en de illegale handel in
nucleair materiaal terug te dringen. Ook is de aandacht gevestigd op de beschikbaarheid
van response-capaciteiten in het geval van een nucleaire of radiologische besmetting.156
Verder dreigt een onvermogen om de brug tussen de in artikel VI NPV neergelegde ambitie
van Nuclear Weapon States (NWS) en Non-Nuclear Weapon States (NNWS) te slaan,
waardoor ook de politieke bereidheid om het internationale regime te ‘onderhouden’ onder
druk staat. Op breder internationaalpolitiek vlak is er sprake van ‘multipolarisering’: de
wereldpolitiek is niet langer bipolair, ook niet in nucleair opzicht, en een aantal verdragen
(vooral tussen de Verenigde Staten en Rusland) weerspiegelt in zekere zin nog altijd de
machtsverhoudingen uit de Koude Oorlog. Tot slot is ook sprake van verticale proliferatie:
de innovatie van generaties kernwapens en hun inzetmiddelen.
Technologieontwikkeling en kernwapenbeheersing
Technologieontwikkeling is altijd een autonome factor geweest die de kernwapenbeheersing
sterk heeft beïnvloed. Technologieontwikkeling is in zoverre neutraal dat zij naast offensieve
inzetbaarheid ook de verdediging perfectioneert. Bovendien heeft verificatietechnologie
positieve gevolgen gehad omdat ze naleving van wapenbeheersingsverdragen bevorderde.
Alle wapensystemen zijn aan veroudering onderhevig en zijn, indien deze voor de eigen
veiligheid onmisbaar worden geacht, aan vervanging toe. De voorspelbaarheid en het
tempo van de technologische vernieuwing zijn met het oog op de wapenbeheersing
belangrijke factoren, met de aantekening dat de richting en de snelheid van de
technologische ontwikkelingen soms politiek te ‘sturen’ zijn. Voorbeelden van het laatste
zijn: verbetering van voortstuwingstechnologie in de jaren ‘50 en ‘60, aanpassing van de
‘kop’ van ballistische raketten in de jaren ’70157, verificatietechnologie in de jaren ‘80
en de ontwikkeling van verdedigingssystemen tegen ballistische raketten zoals Strategic
Defense Initiative (SDI) en Ballistic Missile Defence (BMD). Meer recent kunnen daar ook
hypersonische wapens aan worden toegevoegd. Waren de militaire en civiele sectoren in
de 20ste eeuw nog sterk gescheiden en tot op zekere hoogte beheersbaar, nu is sprake
van een veel onoverzichtelijker speelveld waarin ook private partijen de drijvende kracht
kunnen vormen achter innovatie en technologieontwikkeling.
Er zijn tal van ontwikkelingen (zie hoofdstuk III.3), elkaar soms overlappend maar ook
te onderscheiden, die wapenbeheersing ‘oude stijl’ onder druk zetten of zelfs dringend
aan herziening toe maken. Huidige en verwachte technologische ontwikkelingen baren
zorgen, omdat ze in het militaire domein mogelijkheden scheppen die oude zekerheden
en onderliggende normen ondermijnen. Ze kunnen in zekere zin als externe oorzaken
worden beschouwd waardoor handzame, voor de wapenbeheersing overeengekomen
categorieën achterhaald dreigen te raken (conventioneel versus nucleair, offensief versus
defensief, strategisch versus tactisch). Maar politiek-militaire beslissingen die op grond
van afschrikkingslogica zijn genomen veroorzaken ook een (bewuste) vervaging van
scheidslijnen. Een bekend en al decennia bestaand probleem vormt de invoering van dual
156 Zie voor een overzicht: <https://www.armscontrol.org/factsheets/NuclearSecuritySummit>.
157 Hier wordt gedoeld op de toerusting van een raket met meerdere nucleaire ladingen voor verschillende
      doelwitten, dan wel met een in de laatste fase nog bestuurbaar overbrengingsmiddel. MIRV: Multiple
      Independently-targetable Re-entry Vehicles, MARV: Maneuverable Re-entry Vehicle.
                                                      51
</pre>

====================================================================== Einde pagina 52 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 53 ======================================================================

<pre>capable systemen die een discriminatie- en dus attributieprobleem kunnen opleveren.
Uit een oogpunt van wapenbeheersing is bewuste vermenging (mixing and blurring)
van categorieën wapens kwestieus.158 Het naleven van beperkende verdragen hangt
immers van waarneming en verificatie af, en zonder transparantie en een heldere, door
alle partijen gerespecteerde afbakening is zulks met traditionele middelen onmogelijk.
Deze vaststelling noopt in het licht van de zich ontwikkelende buitenlandpolitieke
context tot afspraken op een ander niveau, namelijk over gedragsnormen, conflict- en
crisisbeheersing, vertrouwenwekkende maatregelen en nucleaire risicovermindering.
Overtolligheid
Wapenbeheersing heeft altijd al ‘last’ gehad van de beschikbaarheid van veel en soms
overbodige, wapensystemen (redundancy). Staten nemen liever het zekere voor het
onzekere en accepteren overtolligheid op gronden van flexibiliteit, de invoering van nieuwe
wapensystemen naast bestaande, en wederkerige maatregelen. Ook maakte enige
overtolligheid in het verleden zelfs de weg vrij voor wapenbeheersing, omdat het zekerheid
bood en de politiek waardevolle wapenbeheersingsdialoog er in elk geval doorgang door
vond.159 Niettemin kunnen overtolligheden ook kostbaar zijn en de kansen op nucleaire
wapenbeheersing schaden. Het risico bestaat dat de ontwikkeling en invoering van nieuwe
wapensystemen, mede bedoeld als aansporing voor wapenbeheersingsonderhandelingen,
leiden tot een overschot en disbalans, indien de beoogde onderhandelingen niet van de
grond blijken te komen of geen resultaat opleveren.
IV.3      Een veranderend internationaal krachtenveld
De ruimte van een zelfstandig Nederlands nucleair wapenbeheersingsbeleid is uiteraard
beperkt. Als EU- en NAVO-partner en als deelnemer in talrijke fora (multilateraal, like-
minded coalities en zogenaamde ‘vriendengroepen’, maar ook bilateraal) zijn er anderzijds
volop mogelijkheden om deel te nemen aan het debat. De Nederlandse inzet is verwoord
in het regeerakkoord van het kabinet Rutte III: ‘Het kabinet zet zich, binnen het kader van
de bondgenootschappelijke verplichtingen, actief in voor een kernwapenvrije wereld, gezien
de grote risico’s van proliferatie van deze wapens’.160 In de Kamerbrief over ‘inzet inzake
nucleaire ontwapening’ heeft de regering, mede in reactie op de motie Sjoerdsma c.s.,
158 Discussie hierover in Vipin Narang, ‘The Discrimination Problem: Why Putting Low-Yield Nuclear
     Weapons on Submarines Is So Dangerous’, February 8, 2018, <https://warontherocks.com/2018/02/
     discrimination-problem-putting-low-yield-nuclear-weapons-submarines-dangerous/>, en (reactie hierop)
     Austin Long, ‘Discrimination Details Matter: Clarifying an Argument About Low-Yield Nuclear Warheads’,
     February 16, 2018, <https://warontherocks.com/2018/02/discrimination-details-matter-clarifying-
     argument-low-yield-nuclear-warheads/>.
159 U.S. Nuclear Posture Review, februari 2018, op.cit., “Indeed, U.S. pursuit of a SLCM may provide the
     necessary incentive for Russia to negotiate seriously a reduction of its non-strategic nuclear weapons,
     just as the prior Western deployment of intermediate-range nuclear forces in Europe led to the 1987
     INF Treaty”.
160 Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de Toekomst’, 10 oktober 2017, p. 47,
     <https://www.kabinetsformatie2017.nl/documenten/publicaties/2017/10/10/regeerakkoord-
     vertrouwen-in-de-toekomst>.
                                                       52
</pre>

====================================================================== Einde pagina 53 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 54 ======================================================================

<pre>nader uitgewerkt wat hieronder moet worden verstaan.161 In de brief is de door het vorige
kabinet gekozen rol van ‘bruggenbouwer’ op dit terrein overgenomen. Deze dient in een
veranderend internationaal krachtenveld nader gestalte te krijgen.
Ten eerste op het mondiale niveau, waar multilaterale verdragen of initiatieven, die
veelal uit de 20ste eeuw stammen, toe zijn aan onderhoud, vernieuwing, soms nog altijd
wachten op uitvoering, aanpassing aan evident nieuwe veiligheidsomstandigheden,
kortom nu niet toekomstbestendig genoemd kunnen worden. Omdat verreweg de grootste
kernwapenvoorraad in handen van de Verenigde Staten en Rusland is, is het van groot
belang dat beide landen leiding en richting geven aan kernwapenbeheersing en op zijn
minst consensus hebben over de grondbeginselen ervan, de beheersing van het bezit
van kernwapens (non-proliferatie ten aanzien van staten en non-state actors), alsook de
veiligheid van kernwapens (het Nuclear Security Summit-proces, IAEA-procedures). Dit
alles is minder vanzelfsprekend dan enige decennia geleden, in een tijdsgewricht waar de
traditionele initiator van nucleaire wapenbeheersing – de Verenigde Staten – niet langer
alle lusten en lasten van hegemoniaal leiderschap lijkt te willen dragen. De NPR 2018
onderstreept weliswaar dat de Verenigde Staten aan wapenbeheersing hechten, maar
ook dat de mondiale consensus nu afwezig is en dat ‘strategische competitie’ tussen
de grootmachten nu het uitgangspunt is.162 Nadrukkelijker dan voorheen uit zich dit in
Amerikaanse ‘conditionaliteit’: wapenbeheersing in het algemeen, maar ook specifieke
commitments gaan de Verenigde Staten alleen maar aan als hier primair de veiligheid van
de Verenigde Staten en haar bondgenoten mee gediend is.163
Op het tweede, trans-Atlantische niveau, speelt zich de discussie af in hoeverre de NAVO
ruimte heeft om naast de Verenigde Staten een zelfstandig wapenbeheersingsbeleid te
voeren of het Amerikaanse beleid betekenisvol te beïnvloeden. Die ruimte is beperkt, maar
door een aantal factoren niet te verwaarlozen. Zo biedt de ‘vooruitgeschoven’ geografische
positie van Europese NAVO-leden naast kwetsbaarheden ook niet te onderschatten
militaire voordelen, maar de invloed van deze landen erodeert naarmate de Verenigde
161 Kamerstuk 33 694, nr. 15 (motie Sjoerdsma c.s. van 15 mei 2018), Kamerbrief van de minister van
     Buitenlandse Zaken over de Nederlandse inzet inzake nucleaire ontwapening, BZDOC-2117071682-
     140, 21 juni 2018.
162 Factsheet NPR 2018 ‘Reducing Nuclear Dangers’, <https://media.defense.gov/2018/
     Feb/02/2001872881/-1/-1/1/REDUCING-NUCLEAR-DANGERS.PDF>. Op cit., “The international
     security environment has deteriorated since 2010. Many previous assumptions are no longer valid.
     Strategic competition among states characterizes today’s environment.” Passage over ‘arms control’:
     “The United States remains committed to its arms control obligations under New START and other
     arms control treaties to which it is party. “The United States will focus on helping to create political
     and security conditions conducive to future arms control negotiations.”
163 Factsheet NPR 2018, op. cit., “The United States remains prepared for and receptive to future arms
     control negotiations if the potential outcome improves the security of the United States, its allies
     and partners.” Voorbeeld van specifieke conditionaliteit: CTB 1996, (Kernstopverdrag, niet door VS
     geratificeerd maar tot dus ver wel nageleefd). Zie ook: NPR 2018, p. XVII: ‘The United States will not
     resume nuclear explosive testing unless necessary to ensure the safety and effectiveness of the U.S.
     nuclear arsenal.’ M.b.t. simulatie van kernwapenproeven zie ook: Stephen Chen: “China steps up pace
     in new nuclear arms race with US and Russia as experts warn of rising risk of conflict”, in: South China
     Morning Post, 28 mei 2018, <https://www.scmp.com/news/china/society/article/2147304/china-
     steps-pace-new-nuclear-arms-race-us-and-russia-experts>.
                                                       53
</pre>

====================================================================== Einde pagina 54 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 55 ======================================================================

<pre>Staten zich met niet-op-Europees-grondgebied geplaatste middelen minder afhankelijk
maken.
Het NAVO-arrangement hield traditioneel een nucleaire rolverdeling in: afgezien van
de relatief bescheiden nucleaire middelen van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk,
zagen de lidstaten af van een eigen kernwapen in ruil voor de bescherming van de
Amerikaanse ‘atoomparaplu’. Ze steunden het op VS-dominantie gebaseerde mondiale
non-proliferatieregime en hadden een zekere inspraak via onder meer de Noord-
Atlantische Raad van de NAVO. Theoretisch, maar niet ondenkbaar, is deze ‘solidariteit’
ook omkeerbaar, in het licht van twijfels over de waarde van de NAVO-afspraken en de
tegendraadse opstelling van lidstaten zoals Turkije die de cohesie ernstig op de proef
stellen. Vanzelfsprekend leidt NAVO-lidmaatschap en nucleair gastheerschap tot meer
invloed op het nucleaire NAVO-beleid en mogelijk op dat van de Verenigde Staten, dan het
afzien daarvan.
Op het derde, Europese niveau, moet worden vastgesteld dat van een zichtbare Europese
caucus in de NAVO geen sprake is en van een welomlijnde definitie van het Europees
belang evenmin. Dit klemt. In haar recente adviesrapport over coalitievorming na de
Brexit merkt de AIV in algemene zin op: ‘[Het] ontrafelende trans-Atlantische decor dwingt
zeker Nederland tot een Europese heroriëntatie’.164 Op nucleair defensiegebied is deze
er (nog) niet. Al worden de (economische) banden met de Verenigde Staten als ‘innig’
omschreven, stelt de AIV ook vast: ‘Herwaardering van de relatie is nodig, ook indien het
geneigd zou zijn het presidentschap van Donald Trump te beschouwen als een aberratie,
een tijdelijke afwijking van een traditioneel pro-Europees beleid van de Verenigde Staten.
Want los van de invloed van de persoon van de huidige bewoner van het Witte Huis is de
zorg om de veiligheid van Europa sinds langere tijd niet meer de dominante factor in het
Amerikaanse veiligheidsbeleid’.165 Er vindt op academisch niveau en door NGO’s wel een
non-proliferatiediscussie plaats, maar deze tekent zich niet af als pendant van de optie
van een Europese kernmacht.166
164 AIV-advies 108, ‘Coalitievorming na de Brexit: Allianties voor een Europese Unie die moderniseert en
     beschermt’, 7 september 2018, p. 7.
165 Idem, p. 39.
166 Zie bijvoorbeeld: <http://www.eufp.eu/arms-control>.
                                                    54
</pre>

====================================================================== Einde pagina 55 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 56 ======================================================================

<pre>V         Te voeren NAVO-beleid
V.1       Nucleair beleid NAVO
Het kernwapenbeleid van de NAVO is beschreven in het Strategisch Concept van de NAVO
(2010) en de Deterrence and Defence Posture Review (DDPR) van 2012 en het werd
bevestigd in de slotverklaringen van de NAVO-toppen van Wales (2014), Warschau (2016)
en Brussel (2018). Dit beleid kan als volgt worden samengevat. Vastbesloten om haar
grondgebied en bevolkingen te verdedigen zal de NAVO een effectieve combinatie (an
appropriate mix) van nucleaire, conventionele en raketverdedigingscapaciteiten in stand
houden, die nodig zijn om elke dreiging af te schrikken en te weerstaan. Kernwapens
spelen daarbij een cruciale rol. De NAVO onderschrijft het streven om de omstandigheden
te creëren voor een wereld zonder kernwapens. Zolang er echter kernwapens bestaan, zal
de NAVO een nucleaire alliantie blijven.
Kernwapens leveren in het NAVO-beleid de uiteindelijke garantie voor de veiligheid van
het bondgenootschap, in het bijzonder de strategische kernwapens van de Verenigde
Staten; de onafhankelijke kernmachten van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk dragen
bij tot de gezamenlijke afschrikking en veiligheid van de bondgenoten. Frankrijk heeft zijn
nucleair arsenaal buiten de NAVO gehouden en hecht sterk aan zijn nucleaire autonomie.
De omstandigheden waaronder in de NAVO gebruik van kernwapens zou kunnen worden
overwogen, zijn bijna ondenkbaar (extremely remote). De slotverklaring van Brussel
onderstreept dat de NAVO zich voortdurend aanpast, waartoe ook een effectief antwoord
behoort op de veranderingen in de capaciteiten en doctrines van mogelijke tegenstanders
en hun aanzienlijke investeringen in modernisering en uitbreiding van hun capaciteiten. Als
gevolg van veranderingen in de veiligheidsomgeving heeft de NAVO, aldus de slotverklaring,
stappen gezet om te verzekeren dat haar nucleaire afschrikkingsmiddelen veilig en
effectief (safe, secure and effective) blijven.167
De NAVO-bondgenoten (behalve Frankrijk) voeren regulier overleg over het kernwapenbeleid
in de Nuclear Planning Group (NPG). Daarbij gaat het vooral om ontwikkelingen in de
Amerikaanse kernbewapening, de NAVO-doctrine en planning inzake kernwapens, en om
de consultatie-afspraken voor het geval inzet van kernwapens zou worden overwogen.
Gestreefd wordt naar een zo breed mogelijke participatie van de bondgenoten in de
nucleaire taak van de NAVO op grond van de daartoe bestaande sharing arrangements.
Naast de Verenigde Staten stellen een aantal Europese NAVO-landen (België, Duitsland,
Italië, Nederland, Turkije) dual capable jachtvliegtuigen beschikbaar die kunnen worden
uitgerust met Amerikaanse nucleaire vrije-valbommen; met het oog daarop is een aantal
van die wapens in Europa opgeslagen. Nederland participeert met één, op de vliegbasis
Volkel gestationeerd, F-16 squadron. Hoewel in publicaties opslaglocaties zijn vermeld168,
heeft de Nederlandse regering, net als alle andere NAVO-partners, steeds gesteld dat op
grond van bondgenootschappelijke afspraken geen mededelingen worden gedaan over
167 Brussels Summit Declaration, paragraaf 34 en 35.
168 Zie bijvoorbeeld Robert S. Norris & Hans M. Kristensen: US tactical nuclear weapons in Europe,
      Bulletin of the Atomic Scientists, No. 67-1, 2011, pp. 64-73.
                                                      55
</pre>

====================================================================== Einde pagina 56 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 57 ======================================================================

<pre>aantallen en locaties van Amerikaanse nucleaire wapens in Europa.169
In de NAVO-documenten is gedurende een periode afnemende aandacht voor de
stationering van sub-strategische kernwapens in Europa weerspiegeld. In het Strategisch
Concept van 1999 worden de in Europa aanwezige nucleaire strijdkrachten een
“essentiële politieke en militaire schakel” tussen de Europese en Noord-Amerikaanse
bondgenoten genoemd. Het Strategisch Concept van 2010 herhaalt nog wel het belang
van zo breed mogelijke deelname van de bondgenoten, waaronder stationering in
vredestijd van nucleaire strijdkrachten; maar die wordt niet meer een essentiële schakel
genoemd. De DDPR van 2012 kondigt zelfs de ontwikkeling aan van concepten om een zo
breed mogelijke participatie in de nuclear sharing arrangements te waarborgen, ook voor
het geval de NAVO zou besluiten de afhankelijkheid van in Europa geplaatste nucleaire
wapens te verminderen. Die formulering lijkt de weerslag van (vooral door de toenmalige
Duitse regering geëntameerde) discussies in het bondgenootschap over de vraag of in
vredestijd de stationering van kernwapens in Europa nog langer nodig was. Gelet op de
veiligheidspolitieke ontwikkelingen komt in de Amerikaanse NPR 2018 de “essentiële
politieke en militaire schakel” weer terug. Ook in de slotverklaring van Brussel (juli 2018)
wordt de bondgenootschappelijke afschrikkings- en defensiecapaciteit weer een ‘essential
political and military transatlantic link’ genoemd.
V.2      Geloofwaardige afschrikking
In algemene zin heeft de NAVO tijdens de topconferenties van Wales (2014) en Warschau
(2016) maatregelen getroffen om de conventionele slagkracht van de NAVO te vergroten
door grotere gereedheid en voorwaartse stationering van grondeenheden; in het eerdere
advies van de AIV over ‘De Toekomst van de NAVO en de Veiligheid van Europa’ is betoogd
dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.170 Nu dient te worden bezien in hoeverre
ook het nucleaire beleid moet worden aangepast.
Uitgangspunt is dat zolang er kernwapens bestaan de NAVO een nucleaire alliantie blijft.
Het gaat hierbij om een wat ongelukkige typering, omdat het Atlantisch bondgenootschap
in de eerste plaats een waardengemeenschap en een veiligheidsorganisatie is, gericht op
de gezamenlijke verdediging van het bondgenootschappelijk grondgebied; daarbij vervullen
kernwapens een belangrijke functie in de afschrikking, maar bepaald niet als enig middel.
De kernwapens ontlenen hun politieke en militaire waarde aan de bijdrage die ze in de
NAVO leveren aan oorlogsvoorkoming door afschrikking en verdediging en daarmee als
uiteindelijke garantie voor de veiligheid van het bondgenootschap. Alle door de NAVO
genomen maatregelen op nucleair gebied die bijdragen aan geloofwaardige afschrikking
dienen er uiteindelijk toe dat deze wapens nooit hoeven te worden ingezet. Ook in de
huidige veiligheidssituatie blijft de kans op inzet van kernwapens zeer ver verwijderd en
alleen onder de meest extreme omstandigheden zal dit worden overwogen. Wat er ook de
afgelopen decennia is veranderd, het nucleaire beleid van de NAVO wordt gekenmerkt
169 Zie onder meer de reactie van voormalig minister Timmermans op het verzoek van de vaste commissie
     voor Buitenlandse Zaken inzake de uitspraken van de oud-premiers Lubbers en Van Agt over de
     aanwezigheid van kernwapens bij Volkel, Kamerstuk 33783 nr. 3 dd. 25 oktober 2013; en meer recent
     de beantwoording door de ministers Blok en Bijleveld van vragen van de leden Karabulut, Van Ojik en
     Ploumen over kernwapenbeleid dd. 29 maart 2018.
170 AIV-advies nr. 106, ‘De toekomst van de Navo en de veiligheid van Europa’, oktober 2017.
                                                   56
</pre>

====================================================================== Einde pagina 57 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 58 ======================================================================

<pre>door continuïteit. Daarvoor is immers geloofwaardige afschrikking met kernwapens
instrumenteel.
De Deterrence and Defence Posture Review van 2012 van de NAVO concludeerde dat
‘the Alliance’s nuclear posture currently meets the criteria for an effective deterrence and
defence posture’. De vraag is of de NAVO nu in het licht van de veranderde internationale
veiligheidssituatie op nucleair gebied extra maatregelen zou moeten nemen. In het
algemeen is er geen noodzaak ontwikkelingen die zich in de Russische kernwapendoctrine
voordoen één op één te ‘spiegelen’. Anders dan bij conventionele krachtsverhoudingen is de
afschrikkende werking van kernwapens niet afhankelijk van volledige pariteit; zolang de NAVO
tenminste over de capaciteiten, de flexibiliteit en de besluitvaardigheid beschikt om haar
afschrikkingsbeleid, inclusief de bijdrage van de kernwapens, geloofwaardig uit te voeren.
Een zorgwekkende ontwikkeling is de groeiende discussie binnen de NAVO over de trans-
Atlantische verbondenheid. Als twijfel ontstaat over de bereidheid van de Verenigde Staten
de Europese bondgenoten zonder reserves te hulp te komen in geval van agressie, kan
dat zeer negatieve gevolgen hebben en ernstig afbreuk doen aan afschrikking. Spanningen
tussen de Verenigde Staten en Europa zijn des te riskanter als ze ook betrekking zouden
hebben op de nucleaire dimensie van de Europese verdediging. De Amerikaanse president
heeft uitspraken gedaan waardoor twijfel zou kunnen ontstaan over de Amerikaanse
garantie. Door het Amerikaanse beleid of de onduidelijkheid daarover rijzen vragen over
de continuïteit van de strategische cohesie van het bondgenootschap. Het is overigens
te vroeg om te concluderen dat het Amerikaanse beleid ter zake fundamenteel zou zijn
veranderd. De NPR onderstreept het belang van regionale afschrikking en extended
deterrence, waarvoor extra flexibele nucleaire opties zijn voorzien. Anderzijds is voor de
aangekondigde maritieme maatregelen (low yield submarine launched ballistic missile,
sea launched cruise missile) geen host nation support door bondgenoten nodig. Tenslotte
moet worden opgemerkt dat de NPR niet alleen betrekking heeft op Europa en de trans-
Atlantische veiligheid, maar een wereldwijde strekking heeft; met name de ontwikkelingen
in Azië en de Pacific en de verplichtingen van de Verenigde Staten jegens Amerikaanse
bondgenoten in dit deel van de wereld zijn in dit opzicht relevant.
Een Europese nucleaire deterrent?
Sinds de ‘pivot to Asia’ onder de regering Obama, hebben de Verenigde Staten het initiatief
nadrukkelijker overgelaten aan de Europese landen zelf om hun veiligheidsbelangen
te behartigen, zodat het land zich meer op zijn belangen in Azië kan richten. Dat het
leiderschap en de steun van Washington minder vanzelfsprekend zijn geworden, tekent
zich onder de regering Trump in scherpere bewoordingen af dan voorheen.171 Het is
niet uitgesloten dat deze ontwikkeling zich ook na de periode Trump onverminderd
zal voortzetten. Het vertrouwen in de Verenigde Staten is onder de bevolking van de
meeste Europese landen thans erg laag. Europese leiders stellen vraagtekens bij de
Amerikaanse veiligheidsgaranties, soms wordt zelfs getwijfeld of onze bondgenoot nog wel
het toonbeeld is van de gedeelde waarden die de Euro-Atlantische samenwerking onder
171 De verschillende strategische oriëntaties van de Verenigde Staten en hun Europese bondgenoten (ook
      wel: ‘trans-Atlantic drift’) dateren volgens sommigen al vanaf het einde van de Koude Oorlog, toen het
      ‘Westen’ zijn gemeenschappelijke vijand verloor. De presidenten Bush jr. en Obama bekritiseerden de
      achterblijvende defensie-uitgaven van de Europese NAVO-landen, president Trump eist dat de Europese
      bondgenoten concrete verbetering laten zien en lijkt de veiligheidssamenwerking daarvan afhankelijk te
      maken.
                                                        57
</pre>

====================================================================== Einde pagina 58 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 59 ======================================================================

<pre>Amerikaans leiderschap zo lang hebben geschraagd. Sinds eind 2016 wordt het debat
gevoerd over een onafhankelijke Europese nucleaire afschrikking, aanvankelijk in de Duitse
media en later ook internationaal (zie voor een overzicht bijlage V).
Onder Europese politieke leiders is het besef toegenomen dat Europa op veiligheidsgebied
veel meer op eigen benen moet staan. Europese NAVO-landen hebben hun krijgsmacht na
het einde van de Koude Oorlog sterk verwaarloosd en lijken, mede daartoe aangespoord
door opeenvolgende Amerikaanse regeringen, ervan doordrongen dat een grotere defensie-
inspanning moet worden geleverd en nauwer onderling moet worden samengewerkt.
Hoewel hiermee het Europese strategische handelingsvermogen wordt versterkt, blijft
de militaire afhankelijkheid van de Verenigde Staten om operaties van enige omvang
te kunnen uitvoeren en volhouden voorlopig onverminderd groot. Deze afhankelijkheid
zal de komende 10-20 jaar naar verwachting niet verdwijnen. Ondanks het optreden
van de huidige Amerikaanse president, is de steun voor de NAVO in het Congres en
onder de Amerikaanse bevolking nog steeds groot. Het Huis van Afgevaardigden en de
Senaat hebben wetten aangenomen die het moeilijker moeten maken voor de Verenigde
Staten om uit de NAVO te treden.172 De feitelijke bijdrage van de Verenigde Staten aan
de verdediging van Europa is tijdens de regering Trump onder het European Deterrence
Initiative zelfs aanzienlijk versterkt.
De uitgangspunten voor het nucleaire beleid, inclusief de Amerikaanse rol daarbij, staan in
de NAVO niet ter discussie. De concrete uitwerking van een ‘Plan B’, mocht in de toekomst
niet langer een beroep kunnen worden gedaan op de nucleaire veiligheidsgaranties van
de Verenigde Staten, zou tegen deze achtergrond dan ook voorbarig zijn. Een dergelijk
plan zou tot grote onzekerheid leiden over de wijze waarop de Europese landen hun
veiligheidsbelangen in uiterste gevallen wensen zeker te stellen. Dit betekent niet dat
een taboe moet rusten op gedachtevorming over beëindiging in de toekomst van de
veiligheidsafhankelijkheid van de Verenigde Staten, maar dat terughoudendheid en
realisme geboden zijn omdat een dergelijke ‘ontkoppeling’ de veiligheid en stabiliteit van
Europa op de voorzienbare termijn niet ten goede zou komen.
Vanuit geopolitiek perspectief is een zelfstandiger Europa dat nauwer samenwerkt
op het gebied van buitenland- en veiligheidsbeleid niet alleen toe te juichen, maar
ook noodzakelijk. Afhankelijkheid maakt immers kwetsbaar, dit geldt niet alleen voor
Amerikaanse invloed op Europese bondgenoten, maar ook voor de toenemende invloed
van China. Is nu vooral de dreiging die uitgaat van Rusland een zorgpunt voor met name
Europa’s oostelijke flank, op langere termijn is de opkomst van China naar verwachting
de grootste uitdaging voor het continent als geheel. Deze toekomstige economische
en militaire wereldmacht noopt naar verwachting tot een krachtig tegenwicht, militair en
economisch, door de Verenigde Staten en Europa gezamenlijk, als westerse democratieën.
Een verslechtering van de band zou voor beiden zeer schadelijk kunnen zijn. De Verenigde
Staten hebben nu 28 main operating bases in Europa waardoor ze in staat zijn om
wereldwijd invloed uit te oefenen en operaties uit te voeren. Het teloorgaan van de trans-
Atlantische band zou voor de Verenigde Staten ‘America Alone’ betekenen in een complexe
en gevaarlijke wereld. Voor Europa zouden de gevolgen de komende 10-20 jaar zo mogelijk
nog ernstiger zijn, omdat het kwetsbaar wordt voor ondermijning en inmenging door
verschillende, Europa minder goed gezinde, militaire grootmachten.
172 Zie: <https://www.defensenews.com/congress/2019/01/23/us-house-votes-overwhelmingly-to-bar-us-
      exit-from-nato/>.
                                               58
</pre>

====================================================================== Einde pagina 59 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 60 ======================================================================

<pre>Het is van groot belang dat Europa met prioriteit invulling geeft aan een grotere militaire
zelfstandigheid op conventioneel gebied. Dit is niet alleen nodig om zo snel mogelijk
een evenwichtiger relatie met de Verenigde Staten tot stand te brengen en in militaire
zin een serieuze bijdrage aan de alliantie te kunnen leveren, maar ook om in een
onzekere wereld op voor Europa ongunstige ontwikkelingen te zijn voorbereid. Werkelijke
‘strategische autonomie’ omvat niet alleen een militaire – ook nucleaire – component en
een sterke industriële- en economische basis, maar bovenal politiek handelingsvermogen
in tijden van crisis. Hier is nog een lange weg te gaan. Alles afwegend ligt het alternatief
van nucleaire afschrikking door een Europese kernmacht voorlopig dan ook niet voor
de hand. De kernmachten van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk dragen bij tot de
bondgenootschappelijke afschrikking; de basis ervan wordt gevormd door het strategische
nucleaire arsenaal van de Verenigde Staten.
Los van de haalbaarheid rijst ook de vraag of overeenstemming zou kunnen worden
bereikt over de wenselijkheid van een eigen Europese nucleaire afschrikkingsmacht, hoe
die vormgegeven zou moeten worden en op welke wijze die binnen de NPV-afspraken
zou kunnen worden ingepast. Het is ook de vraag of de gemeenschappelijke kaders en
capaciteiten van het Europese veiligheids- en defensiebeleid op afzienbare termijn robuust
genoeg zullen zijn om als basis te dienen voor een Europese kernmacht; die is er eerder
het sluitstuk van dan het begin. Als men al die weg op zou willen, met alle vragen over
beslissingsbevoegdheid en nationale soevereiniteit, dan zou een Europese kernmacht
vrijwel zeker niet het karakter hebben van een werkelijk gemeenschappelijke nucleaire
capaciteit maar eerder die van een, in gedeelde kaders ingebedde, veiligheidsgarantie
door (een van) beide Europese kernmachten (zie ook bijlage V).
Er is geen alternatief voor een zelfstandiger Europa, niet tegenover, maar naast
de Verenigde Staten. De politieke en militaire betekenis van de trans-Atlantische
verbondenheid is essentieel. Het is moeilijk denkbaar dat een Europese kernmacht
binnen afzienbare tijd een haalbaar alternatief zou kunnen zijn voor de veiligheidsgarantie
die de strategische nucleaire triade van de Verenigde Staten biedt voor de Europese
bondgenoten. Een en ander doet echter niet af aan de noodzaak het buitenlands en
veiligheidsbeleid van Europa te intensiveren en zijn militaire, economische en politieke
zelfstandigheid te vergroten. Met het oog op de onzekere toekomst, in het bijzonder
de onzekere toekomstige relatie met de Verenigde Staten, is het ook verstandig om te
verkennen welke mogelijkheden er zijn om invulling te geven aan een grotere Europese
nucleaire zelfstandigheid. De AIV zou in een afzonderlijk advies een bijdrage aan deze
gedachtevorming kunnen leveren.
V.3      Nucleaire rol- en taakverdeling
De nucleaire afschrikking van de NAVO wordt verzekerd door Amerikaanse nationale
systemen en in NAVO-verband opererende dual capable aircraft (DCA) van vijf Europese
lidstaten, waaronder Nederland. De onafhankelijke Franse en Britse kernmachten zijn in
vergelijking tot de Verenigde Staten relatief beperkt in omvang (‘minimum deterrence’) en
dragen bij aan de algehele afschrikking en aan de veiligheid van het bondgenootschap.
De twee landen overwegen in tegenstelling tot de Verenigde Staten traditioneel geen
counter force ­opties, waarvoor de technische en financiële middelen ook ontbreken.173
Het Verenigd Koninkrijk beschikt over vier nucleair voortgestuwde ballistische
173 Bruno Tertrais, ‘A Comparison between US, UK and French Nuclear Policies and Doctrines’, CERI,
      maart 2007.
                                                  59
</pre>

====================================================================== Einde pagina 60 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 61 ======================================================================

<pre>raketonderzeeboten. Met betrekking tot de daarop geplaatste ballistische raketten
leunt het land sterk op samenwerking met de Verenigde Staten. Naast vier nucleair
voortgestuwde ballistische raketonderzeeboten, beschikt Frankrijk ook over vanuit de lucht
lanceerbare nucleaire kruisvluchtwapens. De Verenigde Staten hebben in de NPR 2018
plannen gepresenteerd ter vergroting van de flexibiliteit van de nucleaire capaciteiten
door invoering van low yield options voor een aantal maritieme raketsystemen en de
ontwikkeling van maritieme nucleaire kruisraketten. Deze wapens zijn wereldwijd inzetbaar,
zonder gebruik te hoeven maken van geallieerd grondgebied en met de (vrijwel) zekerheid
dat ze door de luchtverdediging van de tegenstander kunnen geraken. De vraag lijkt
opportuun wat de betekenis hiervan is voor de rol die de Europese NAVO-landen vervullen
in de afschrikking, in het bijzonder de DCA-landen.
Invoering maritieme low-yield opties en de DCA-taak
Rusland beschikt over een breed scala aan sub-strategische nucleaire wapens en heeft
een omvangrijk programma waarin deze worden gemoderniseerd. Van belang hierbij is
niet alleen het aanmerkelijk grotere aantal wapens waarover Rusland beschikt, maar ook
de grotere diversiteit aan nucleaire wapens, specifiek ook in de sub-kiloton categorie.
Voorkomen moet worden dat Rusland onverhoopt zou overwegen een dergelijk wapen als
gevechtsveldwapen in te zetten. De NAVO is van mening dat elke inzet van een kernwapen,
hoe klein ook, de aard van het conflict fundamenteel zou veranderen. De NAVO heeft volgens
een publicatie van het Center for Strategic and International Studies (CSIS) thans slechts
één sub-kiloton nucleaire inzetoptie, de B61 vrije-valbom met een laagste instelbare kiloton-
waarde van 0,3 kiloton, in te zetten met dual capable vliegtuigen (DCA). De vraag doet
zich voor in welke mate de huidige dual capable vliegtuigen in staat zijn door de moderne
Russische luchtverdediging te geraken. Rusland heeft de laatste jaren sterk geïnvesteerd
in zeer geavanceerde en effectieve luchtverdedigings- en A2/AD-systemen. Dit maakt
inzet van deze NAVO-middelen in toenemende mate problematisch. De NAVO mag niet
afhankelijk zijn van een sub-kiloton inzetoptie die vereist dat eerst Ruslands geïntegreerd
luchtverdedigingssysteem en mogelijk ook command & control en sensorsystemen in
Rusland zelf zijn uitgeschakeld, voordat een nucleair antwoord mogelijk is.
Het feit dat de NAVO op dit moment slechts over één sub-kiloton inzetoptie beschikt (de
bovengenoemde, in bepaald opzicht verouderde DCA) vergroot het risico van nucleaire
inzet door een tegenstander. Deze zou de conclusie kunnen trekken dat de NAVO niet
snel een strategisch kernwapen met (relatief) hoge yield-waarde zal inzetten als deze
tegenstander zelf een sub-strategisch kernwapen in de sub-kiloton categorie inzet.
Adequate inzetopties op een vergelijkbaar sub-kiloton niveau kunnen mogelijk bijdragen
aan geloofwaardige afschrikking ter voorkoming dat de tegenstander een sub-kiloton
wapen inzet. Dit kan voor de Verenigde Staten een overweging zijn om naast de DCA-optie
te willen beschikken over een extra (sub-kiloton) inzetoptie (de maritieme low-yield optie)
die als adequate afschrikking kan dienen tegen de beschikbare Russische opties en die
mogelijk kan bijdragen tot escalation control. Daarnaast spelen de veiligheidspolitieke
ontwikkelingen in Azië en de Pacific en de verplichtingen van de Verenigde Staten jegens
Amerikaanse bondgenoten in dit deel van de wereld een rol.
Hier doet zich overigens het dilemma voor dat invoering van extra low-yield opties kan
worden gezien als drempelverlagend met betrekking tot eventuele inzet van een nucleair
wapen. Echter, om bij te kunnen dragen tot geloofwaardige nucleaire afschrikking moeten
low-yield opties door een tegenstander worden beschouwd als een reële militaire inzetoptie
op dat (lage) niveau van nucleaire escalatie. Maatregelen die de geloofwaardigheid dat
een dergelijk wapen kan worden ingezet vergroten, kunnen dan ook bijdragen aan het
voorkomen van een onverhoopte inzet door Rusland van een ­low-yield wapen en kunnen
dus ook als drempelverhogend worden gezien.
                                               60
</pre>

====================================================================== Einde pagina 61 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 62 ======================================================================

<pre>De invoering van maritieme low-yield inzetopties zou de stationering van Amerikaanse
wapens op Europees grondgebied kunnen beïnvloeden. De vanuit zee of de lucht
opererende Amerikaanse systemen zouden immers op zichzelf een geloofwaardige
nucleaire afschrikking kunnen opleveren. Daarbij moet echter worden overwogen
dat de betrokken Europese regeringen met de bestaande sharing arrangements, bij
voorbeeld door deelname aan nucleaire operaties met hun jachtvliegtuigen, een extra
verantwoordelijkheid tonen door actieve participatie, die de geloofwaardigheid van de
afschrikking versterkt. Deze participatie heeft naast militaire vooral politieke betekenis
en waarborgt dat de Verenigde Staten en de Europese landen van de NAVO nauw in
dialoog blijven over nucleaire, maar ook andere veiligheidspolitieke thema’s. Deze politieke
betekenis is echter in hoge mate afhankelijk van de vraag in hoeverre deze nucleaire
inzetoptie in militaire zin serieus kan worden genomen.
Zo bestaan, zoals hiervoor gesteld, zorgen dat de verbeterde Russische luchtafweer de
effectiviteit van de huidige dual capable aircraft systemen zou verminderen. Daar staat
tegenover dat de F-35 die de komende jaren in een aantal landen de oude jachtvliegtuigen
gaat vervangen, hiervoor minder kwetsbaar is. De NPR 2018 onderstreept dat de
Verenigde Staten samenwerken met de NAVO om de gereedheid, de overlevingskansen
en de operationele effectiviteit van de in Europa gestationeerde DCA te verzekeren en zo
nodig te verbeteren.174
Nuclear sharing raakt aan de essentie van de collectieve verdediging. DCA en de
conventionele ondersteuning daarvoor vormen essentiële pijlers van de extended
deterrence en daarmee van de verbondenheid van de Verenigde Staten met de veiligheid
van Europa. Nuclear sharing heeft daarnaast helpen voorkomen dat meer Europese landen
nucleaire ambities ontwikkelen en draagt daarmee bij aan de doelstelling van het NPV.
Belangrijk is ook dat de DCA-taak, vanwege de zichtbaarheid ervan voor de tegenstander,
uitermate geschikt is voor nuclear messaging (procedures die een hogere of juist lagere
gereedheid impliceren), een belangrijke tussenstap op de escalatieladder ter voorkoming
van een nucleaire confrontatie. Bovendien kunnen DCA-vliegtuigen tijdens een inzet op het
laatste moment nog worden teruggeroepen (re-tasking) hetgeen bijdraagt aan de flexibiliteit
van inzet. De DCA taak geeft Nederland en de andere DCA-landen een bijzondere positie
voor inspraak in nucleaire aangelegenheden. Het is de vraag of eenzijdige opzegging van
de DCA-taak door Nederland de veiligheidssituatie niet instabieler zou maken. Immers,
andere Europese NAVO-landen dichterbij Rusland hebben zich reeds diverse malen bereid
getoond deze taak over te nemen, wat door het Kremlin waarschijnlijk als een ernstige
provocatie zou worden geïnterpreteerd.
De Founding Act van 1997 bepaalde dat de NAVO geen intentie, plan of reden had
kernwapens te stationeren in de Oost-Europese NAVO-lidstaten. Volgens berichten
zouden sommige niet-nucleaire landen waarop de Founding Act betrekking heeft (zoals
Polen) onder de huidige omstandigheden moeten worden toegestaan actiever deel te
nemen aan de nucleaire taak van de NAVO, bijvoorbeeld door actieve betrokkenheid van
hun jachtvliegtuigen.175 Een dergelijke maatregel zou echter zoals gezegd ongewenste
repercussies kunnen hebben voor de betrekkingen met Rusland. Alle landen van de
NAVO die dat willen (met uitzondering van Frankrijk), nemen deel aan de beraadslagingen
in de Nuclear Planning Group. Naast de Verenigde Staten stellen vijf Europese NAVO-
174 Nuclear Posture Review 2018, p. XII en p. 36.
175 Zie bijvoorbeeld Hans M. Kristensen, Federation of American Scientists, <https://fas.org/blogs/
     security/2015/12/poland>.
                                                   61
</pre>

====================================================================== Einde pagina 62 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 63 ======================================================================

<pre>landen (België, Duitsland, Italië, Nederland, Turkije) jachtvliegtuigen beschikbaar die een
nucleaire missie kunnen uitvoeren, andere landen kunnen operationele ondersteuning
leveren met hun conventionele luchtstrijdkrachten. Ook al omdat alle landen in de Nuclear
Planning Group politiek betrokken zijn en desgewenst kunnen bijdragen aan conventionele
ondersteuning, is er, zo meent de AIV, geen aanleiding voor een nucleaire taak van de
NAVO-landen in Oost-Europa.
Over enige tijd wordt besloten over de voortzetting van de huidige nucleaire taak die
Nederland in NAVO-verband uitvoert met zijn jachtvliegtuigen.176 Beëindiging van de
nucleaire taak door de Europese lidstaten zou naar de mening van de AIV de cohesie van
het bondgenootschap schaden, de bereidheid van de Verenigde Staten ondergraven om
de veiligheid van de Europese landen te garanderen, en de invloed van die landen op het
Amerikaanse beleid tenietdoen.
176 In de reactie op de motie Van Dijk van 6 november 2013, die zich uitsprak tegen voortzetting van de
     Nederlandse nucleaire taak door de F-35, stelden de ministers Hennis en Timmermans op 14 januari
     2014 (Kamerstuk 33783 nr. 5) dat de regering zich niet op voorhand wilde vastleggen op het in de
     motie uitgesproken standpunt. De regering zag de motie als een aansporing om het Nederlandse
     beleid gericht op het terugdringen en uiteindelijk elimineren van alle nucleaire wapens, waaronder
     de niet-strategische nucleaire wapens in heel Europa, met kracht voort te zetten. Het zou volgens de
     ministers zeker tot 2024 duren voordat de F-16 niet meer in gebruik is. Het is niet te voorspellen hoe
     het geheel van afschrikkings- en defensiecapaciteiten van de NAVO er dan uitziet, aldus de ministers.
                                                      62
</pre>

====================================================================== Einde pagina 63 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 64 ======================================================================

<pre>VI        Conclusies en aanbevelingen
VI.1      Conclusies
Ethische beginselen en het internationaal recht
In de politiek en samenleving leven terecht grote zorgen over de rol die kernwapens nog
altijd – en zelfs in toenemende mate – spelen in de internationale betrekkingen. In de
nieuwe geopolitieke werkelijkheid lijkt de rol van kernwapens eerder toe dan af te nemen.
Naar normen van de deontologische ethiek (beginselethiek) is volstrekte verwerping van
het kernwapen, leidend tot het streven naar desnoods eenzijdige afschaffing, begrijpelijk
en respectabel. Redenerend vanuit de consequentialistische ethiek gelden echter ook
belangrijke argumenten die ervoor pleiten om vooralsnog geen afstand te doen van
kernwapens, zolang potentiële tegenstanders het bezit ervan voortzetten of blijven
nastreven en daar in strategische zin misbruik van kunnen maken. Kernwapens dienen
sinds de Tweede Wereldoorlog mede om een (psychologische) drempel op te werpen
tegen agressie door een strategische rivaal en als laatste toevlucht voor staten die zich
bedreigd weten om een overweldigende aanval te kunnen beëindigen. Er zijn vooralsnog
geen andere wapens voorhanden die een vergelijkbare, oorlog-voorkomende werking
wordt toegeschreven. De AIV is van mening dat, gegeven de huidige situatie, het bezit
van kernwapens alleen gerechtvaardigd is voor oorlogsvoorkoming en als voorwaarde
en uitgangspunt voor onderhandelingen om te komen tot wederkerige nucleaire
wapenbeheersing, wapenvermindering en uiteindelijke ontwapening.
Naast een geldige rechtsbasis vereist ieder gebruik van geweld dat conform het
toepasselijke rechtsregime wordt gehandeld. Het gaat hierbij om het humanitair
oorlogsrecht en de rechten van de mens. Het Internationaal Gerechtshof kwam in zijn
Advisory Opinion in 1996 unaniem tot het oordeel dat de bedreiging met of het gebruik van
nucleaire wapens in het algemeen in strijd zou zijn met de regels van internationaal recht
die op gewapende conflicten van toepassing zijn en in het bijzonder met de beginselen en
regels van humanitair recht. Gezien de stand van het internationale recht en de feitelijke
gegevens waarover het beschikte, kon het Hof echter niet definitief vaststellen of de
bedreiging met of het gebruik van nucleaire wapens al dan niet rechtmatig zou zijn in
uiterste omstandigheden van zelfverdediging waarbij het voortbestaan zelf van een Staat
op het spel zou staan.
De rechtsontwikkeling op dit gebied is evenwel niet afgesloten: volgens het Non-Proliferatie
Verdrag en het International Gerechtshof rust op de staten een verplichting, door
onderhandelingen te komen tot een goed controleerbare algehele nucleaire ontwapening.
In dit verband is ook het reeds genoemde nieuwe verdrag voor de wereldwijde uitbanning
van kernwapens (Treaty on the Prohibition of Nuclear Weapons) relevant. Het verdrag
herbevestigt het doel van een kernwapenvrije wereld conform artikel VI van het Non-
proliferatieverdrag, echter het verdrag ontbeert de steun van de kernwapenstaten en hun
bondgenoten. Voor inwerkingtreding is ratificatie door tenminste vijftig staten vereist, maar
tot nu toe hebben slechts 19 van de 69 ondertekenende staten dit gedaan. Nederland
nam als enig NAVO-land deel aan de onderhandelingen, maar oordeelde dat het resultaat
onvoldoende tegemoet kwam aan vijf van tevoren gestelde criteria. Het nieuwe ‘Nuclear
Ban Treaty’ zal, zolang daar geen kernwapenstaten aan deelnemen, een kernwapenvrije
wereld niet dichterbij brengen.
                                               63
</pre>

====================================================================== Einde pagina 64 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 65 ======================================================================

<pre>Naar de mening van de AIV zijn niet of nauwelijks situaties en locaties denkbaar waar de
inzet van een nucleair wapen niet in strijd zou zijn met het humanitair oorlogsrecht. Los van
juridische en ethische argumenten, is vooral het risico van nucleaire escalatie relevant als
een kernwapen zou worden ingezet tegen een andere kernwapenstaat. De eerste inzet van
een kernwapen sinds de Tweede Wereldoorlog zou zonder twijfel een groot risico op escalatie
met onaanvaardbare gevolgen met zich mee brengen. De AIV is dan ook van mening dat,
zolang er kernwapens zijn, voorkomen moet worden dat ooit een kernwapen wordt ingezet.
Veranderde nucleaire veiligheidscontext
Naast conventionele afschrikking is in de huidige wereldorde afschrikking met nucleaire
wapens door de NAVO helaas onvermijdelijk. Gelet op de risico’s die aan kernwapens
zijn verbonden, moet met prioriteit worden gewerkt aan wapenbeheersing en nucleaire
ontwapening. Dit mag echter niet ten koste gaan van stabiliteit en veiligheid in de wereld.
Nucleaire ontwapening kan de internationale veiligheid en stabiliteit alleen dan vergroten
als de kans op conflict en de inzet van een kernwapen tijdens het ontwapeningsproces
tot een absoluut minimum beperkt blijft. Daarom moet dit proces op wederkerige wijze
met opponenten worden ingericht, zodanig dat de veiligheid van Nederland en het
bondgenootschap gewaarborgd blijft. Vertrouwenwekkende maatregelen en afspraken over
nucleaire risicovermindering kunnen hiertoe een belangrijke aanzet vormen.
Tijdens de Koude Oorlog bleek dat machtsstrijd tussen grote mogendheden kan uitmonden
in moeilijk te beheersen wapenwedlopen en crises met in potentie catastrofale gevolgen,
indien de krachtmeting niet wordt gedempt door vertrouwenwekkende maatregelen,
wederzijds geaccepteerde normen en afspraken over militaire terughoudendheid. Het
risico dat de geschiedenis zich op dit punt lijkt te herhalen neemt volgens veel analisten
toe. In de eerste plaats vanwege de verslechterde relatie tussen de Verenigde Staten en
Rusland (die nog altijd over verreweg de grootste kernwapenarsenalen beschikken), maar
in toenemende mate ook door de vrees voor confrontaties met China (dat sterk in opmars
is als supermacht). De verdragen inzake beheersing van kernwapens zijn kwetsbaar
en ontoereikend in de context van mondiale machtsverschuivingen, technologische
ontwikkelingen, wederzijdse beschuldigingen over schending van verdragen, en het gebrek
aan vooruitgang met de uitvoering van het Non-Proliferatieverdrag.
Het belang van dialoog, risicovermindering en bevordering van de strategische stabiliteit
lijkt te worden overschaduwd door geopolitieke rivaliteit. Het nieuwe nog niet in werking
getreden verdrag tot afschaffing van alle kernwapens (‘Nuclear Ban Treaty’ ) herbevestigt
het doel van een kernwapenvrije wereld conform artikel VI van het NPV, maar ontbeert
de steun van de kernwapenstaten en hun bondgenoten. Het zal naar de mening van de
AIV om verschillende redenen, zoals in de Nederlandse stemverklaring van juli 2017
opgesomd, het doel van totale, wereldwijde afschaffing van kernwapens waarschijnlijk
niet dichterbij brengen. Het kan het traditionele regime voor nucleaire wapenbeheersing
mogelijk zelfs schaden, waardoor het contraproductief kan zijn. Ondertekening van het
nieuwe verdrag voor de uitbanning van kernwapens zou juridisch onverenigbaar zijn met
afspraken zoals die gelden in de NAVO die het mogelijk maken om voor zelfverdediging een
beroep te doen op nucleaire veiligheidsgaranties. Het is veelzeggend dat ook de Zwitserse
regering, een land dat zeer is gehecht aan zijn neutraliteit en aan naleving van het
internationaal recht, deze vaststelling heeft laten meewegen in zijn besluit om het ‘Nuclear
Ban Treaty’ nu niet te ondertekenen.
Dat de kernwapens in de jaren ‘90 in het politieke debat op de achtergrond raakten en
dat maatregelen werden genomen om de aantallen kernwapens drastisch te verminderen,
betekende niet dat het belang ervan voor de bondgenootschappelijke verdediging en de
                                               64
</pre>

====================================================================== Einde pagina 65 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 66 ======================================================================

<pre>voorkoming van een grootschalig conflict minder groot werd. In feite was sprake van een
hoge mate van continuïteit. Nucleaire afschrikking is dus niet terug van weggeweest, maar
vormt nog altijd een wezenlijk bestanddeel van de internationale veiligheidspolitiek, dat nu
opnieuw in de belangstelling staat. Door alle kernwapenstaten zijn moderniseringsplannen
aangekondigd. Het is daardoor niet waarschijnlijk dat de rol die door kernwapens wordt
vervuld als ultiem afschrikkingswapen de komende decennia zal vervallen of aan
belang zal inboeten. Geen van de internationaal erkende kernwapenstaten is onder
de huidige internationale omstandigheden tot volledige kernontwapening bereid en er
zullen waarschijnlijk niet-kernwapenstaten blijven die nucleaire ambities koesteren. Voor
de voorzienbare toekomst lijkt non-proliferatie urgenter, met name dat ‘drempelstaten’
zoals Iran in ruil voor veiligheidsgaranties en andere toezeggingen ertoe kunnen worden
bewogen af te zien van het aanleggen van een eigen kernwapenarsenaal.
Nieuwe accenten in het Amerikaanse veiligheidsbeleid
De Verenigde Staten hebben na de Tweede Wereldoorlog strategische dominantie gehad
en leiding gegeven in het NAVO-gebied. Het land heeft met zeer wisselend succes getracht
de leidende mogendheid buiten het NAVO-gebied te zijn. De Amerikaanse rol verschafte
tijdens de Koude Oorlog veiligheid en een zekere stabiliteit aan West-Europa en na de
Koude Oorlog ook aan Centraal-Europa. De niet-westerse wereld heeft Amerikaanse leiding
echter niet aanvaard en Rusland en China weigeren steeds nadrukkelijker zich aan de
beginselen van Noord-Atlantische ordening sinds 1945 te conformeren, al heeft China
wel de kapitalistische ordening aanvaard, doch zonder politieke vrijheid. Opmerkelijk is
dat de huidige Amerikaanse president een deel van de beginselen van het Amerikaanse
leiderschap zoals gevestigd sinds 1945 op losse schroeven zet of zelfs niet meer
handhaaft. Men mag veronderstellen dat deze en diverse andere mondiale veranderingen
grote spanningen en instabiliteit veroorzaken, in en buiten Europa.
Omvangrijke investeringsprogramma’s in de krijgsmachten van Rusland en China zijn
erop gericht om de Verenigde Staten de komende decennia op militair en (wapen)
technologisch gebied te naderen en op sommige terreinen zijn de Verenigde Staten zelfs
al voorbijgestreefd. Washington blijft, ondanks de erkenning dat er duidelijk grenzen zijn
aan wereldwijd militair optreden, van mening dat de mondiale stabiliteit en veiligheid
het meest zijn gediend met krachtig Amerikaans leiderschap. Bij de uitoefening van
dat leiderschap staan onverhuld nationale veiligheidsbelangen voorop. Explicieter dan
voorheen onderstrepen de Verenigde Staten in beleidsdocumenten dat moet kunnen
worden teruggevallen op geloofwaardige afschrikkingsstrategieën vis-a-vis een scala aan
tegenstrevers. Uitvoering van de plannen voor de modernisering van het grotendeels uit de
Koude Oorlog stammend kernwapenarsenaal (waarvan een deel reeds onder de regering-
Obama uitgewerkt) wordt tegen deze achtergrond noodzakelijk geacht.
Rekening houdend met een mogelijk scenario dat Europa in de zich ontwikkelende
veiligheidscontext zonder volledig betrouwbare (nucleaire) veiligheidsgaranties van de
Verenigde Staten kwetsbaar zou kunnen worden voor nucleaire chantage en andere
destabiliserende dwangstrategieën, verdienen de nieuwe Amerikaanse plannen op nucleair
gebied serieuze beschouwing. In het oog springend voor de NAVO is dat de Amerikaanse
regering in de NPR 2018 vaststelt dat naast de al langer beoogde modernisering van de
Europese DCA, aanvullende maatregelen en flexibiliteit nodig zijn om een antwoord te
hebben op een assertievere Russische nucleair posture en daarmee de geloofwaardigheid
van de afschrikking te waarborgen. Met het oog op extended deterrence in Noord-Oost-
Azië en mogelijk mede ter vermijding van een ingewikkelde discussie in de NAVO over
(onverhoopte) inzet van in Europa gestationeerde kernwapens, is gekozen voor een nieuw
accent op vanaf zee te lanceren kernwapens.
                                               65
</pre>

====================================================================== Einde pagina 66 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 67 ======================================================================

<pre>Een aantal vanaf onderzeeboten te lanceren ballistische raketten zal worden uitgerust met
een relatief beperkte nucleaire lading (low yield SLBM). Het plan is opgevat om een nieuw
sea launched cruise missile (SLCM) te ontwikkelen, terwijl in 2010 de vanaf zee te lanceren
Tomahawk land attack kruisvluchtwapens (TLAM/N) nog werden afgeschaft. Naast de
uitvoering van het onder de regering-Obama geïnitieerde levensduurverlengingsprogramma
van de B-61 vliegtuigbom, staat de vervanging gepland van het verouderde air launched
cruise missile (ALCM) door een nieuw long range stand-off missile. Beide capaciteiten
beschikken over low yield inzetopties. Als reactie op de schending door Rusland van het
INF-verdrag, kondigen de Verenigde Staten in de NPR aan om binnen de INF-bepalingen
onderzoek te verrichten naar conventionele vanaf land te lanceren raketsystemen voor de
middellange afstand. De vermelding in deze context lijkt erop te duiden dat de Verenigde
Staten, indien het beeld niet wijzigt dat Rusland het INF-verdrag schendt (in het bijzonder
de opstelling van het 9M729-systeem), op termijn over vergelijkbare inzetmogelijkheden
willen kunnen beschikken. Net als de aankondiging van de ontwikkeling van het nieuwe
SLCM past deze maatregel in het expliciete streven van de Verenigde Staten om de druk
op Rusland te verhogen om af te zien van de opstelling van wapensystemen die in strijd
zijn met het INF (als ‘onderhandelingskaart’).
De recent door de Verenigde Staten aangekondigde terugtrekking uit het INF-verdrag,
omdat Rusland al jaren straffeloos de verplichtingen schendt, en China – geen partij in het
verdrag – onbelemmerd korte- en middellangeafstandsraketten ontwikkelt, onderstreept
dat het de Verenigde Staten nu ernst is. Het is de vraag of Rusland zich tot naleving van
het INF-verdrag laat ‘dwingen’. Dat lijkt op dit moment niet waarschijnlijk. Mochten de
Verenigde Staten erop rekenen dat met de opzegging van het verdrag de weg vrij is om van
de grond te lanceren nucleaire kruis- of ballistische raketten te ontwikkelen en plaatsen
in Europa, dan zal dit vrijwel zeker een misrekening zijn, ook al zouden sommige landen
(bijvoorbeeld Polen) dit mogelijk wel toestaan. Plaatsing van nieuwe nucleaire wapens in
Europa zal de cohesie van de alliantie onder de huidige omstandigheden naar verwachting
verder ondermijnen en de trans-Atlantische verwijdering doen toenemen, hetgeen Rusland
verder in de kaart zou spelen. Hoewel het van groot belang is dat nieuwe verdragen
worden gesloten die niet alleen betrekking hebben op de Verenigde Staten en Rusland,
maar ook op China en de overige kernwapenstaten, is het nog maar de vraag of China zal
toetreden tot het INF-verdrag (hetzelfde geldt vanwege de samenstelling van de (nucleaire)
wapenarsenalen overigens voor India en Pakistan, Israël en Iran) of dat onderhandelingen
ertoe zullen leiden dat de geografische reikwijdte van het verdrag wordt beperkt tot
Europa.
Van uitbreiding van het Amerikaanse kernwapenarsenaal is vooralsnog geen sprake.
Allereerst biedt de regering Trump zoals gezegd ruimte voor nieuwe onderhandelingen met
Rusland die ertoe kunnen leiden dat de aanvullende maatregelen niet tot volle wasdom
komen. Voorts zullen de vervangings- en vernieuwingsplannen stapsgewijs moeten
worden uitgevoerd, waarbij goedkeuring is vereist van de jaarlijkse budgetwetten. Het zal
nog moeten blijken of er voldoende steun is voor alle beoogde investeringen, zeker nu
de Democratische Partij na de mid term elections een meerderheid heeft behaald in het
Huis van Afgevaardigden. Tot slot heeft elke Amerikaanse regering volgens de bestaande
wetgeving de instemming nodig van het Congres voor de ontwikkeling van nieuwe of
gemodificeerde kernkoppen. Vanwege de al langer lopende discussies in het Congres
over de noodzaak van aanvullende non-strategic (low yield) nuclear weapons is het niet
duidelijk of, en zo ja, onder welke voorwaarden zal worden ingestemd met de in de NPR
aangekondigde aanvullende maatregelen, die als vernieuwing of modificatie moeten
worden aangemerkt.
                                               66
</pre>

====================================================================== Einde pagina 67 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 68 ======================================================================

<pre>Anderzijds is het onmiskenbaar zo dat de toonzetting in het Amerikaanse nucleaire beleid
en de retoriek scherper zijn geworden. De Verenigde Staten willen vasthouden aan een
omvangrijk en divers kernwapenarsenaal waaronder sub-strategische low yield kernwapens
(geen nucleaire gevechtsveldwapens) en lijken nu niet voornemens het initiatief te zullen
nemen voor verdere reducties van de kernwapenarsenalen (dus: behoud en naleving
van de bestaande verdragen als hoogst haalbare doelstelling). Er zal waarschijnlijk een
verandering in de opstelling van de andere kernwapenstaten (in het bijzonder Rusland,
maar ook China) nodig zijn om ruimte te scheppen voor nieuwe initiatieven. Afschrikking
kan alleen effectief zijn indien helder wordt gecommuniceerd over de belangen die op het
spel staan en de gevolgen waarmee tegenstanders rekening dienen te houden indien zij
deze belangen denken te kunnen schaden. Dit heeft nadrukkelijk ook betrekking op de
belangen van bondgenoten, wier veiligheidsbeleid mede berust op nucleaire garanties.
Het scheppen of laten bestaan van ambiguïteit over nucleaire doelstellingen, capaciteiten
en intenties lijkt hiermee in tegenspraak, maar wordt door alle kernwapenmachten
bewust toegepast om kwetsbaarheden te maskeren en de afschrikking te versterken. De
NAVO ziet om deze reden af van een ‘no first use’ verklaring en handhaaft verschillende
nucleaire besluitvormingscentra. Het voeden van onzekerheid bij de tegenstander
mag anderzijds niet ontaarden in doelgerichte ondermijning van steunpilaren voor de
strategische stabiliteit.
Extended deterrence
De NPR bevat de boodschap dat nucleaire inzet niet onbeantwoord zal blijven, ook
niet in het geval van een beperkte/regionale nucleaire inzet die niet is gericht tegen
het grondgebied van de Verenigde Staten zelf, mocht daaraan worden getwijfeld. Deze
boodschap is expliciet gericht aan Rusland en dient wellicht tegelijk als geruststelling voor
bondgenoten die zich door Rusland bedreigd weten en die er minder dan in het verleden
van zijn overtuigd dat de ‘koppeling’ met de Verenigde Staten onwrikbaar is. Gezien
diverse publieke toespelingen en uitspraken, lijkt president Poetin er op z’n minst op uit
te zijn de onzekerheid over de Russische nucleaire doctrine en intenties in het Westen te
vergroten in de hoop dat de NAVO-landen zo kunnen worden geïntimideerd en uit elkaar
gespeeld. Dat blijkt onder meer ook uit de voorwaartse stationering van dual capable
lanceerinrichtingen in Kaliningrad, de information warfare en oefeningen met een mix van
conventionele, hybride en nucleaire middelen. Het is dus belangrijk dat de NAVO toont dat
die bedoelingen van Rusland tot niets zullen leiden. De extended deterrence heeft helpen
voorkomen dat meer Europese landen kernwapens hebben ontwikkeld en de reassurance
speelt ook tegen deze achtergrond nog altijd een rol.
De Verenigde Staten eisen voorts dat Europese bondgenoten zelf een grotere bijdrage
leveren aan conventionele afschrikking in Europa en insisteren daarnaast, ook als
tegenprestatie voor de Amerikaanse toewijding aan de veiligheid van Europa, dat
de Europese bondgenoten hun afspraken over de defensie-uitgaven nakomen, meer
bijdragen aan gemeenschappelijke kosten en een groter aandeel hebben in de NAVO-
inspanningen in het algemeen. Wat betreft de landen die een luchtmacht hebben die zowel
voor conventionele taken als kernwapens kan worden ingezet (DCA) bevat de NPR ook
duidelijke taal: het belang van de DCA-taak wordt onderstreept, maar om in de toekomst
geloofwaardig te blijven zal de nucleaire taak door veel modernere vliegtuigen (F-35/‘vijfde
generatie’ gevechtsvliegtuigen) moeten worden uitgevoerd.
Hoewel kan worden gesteld dat de Verenigde Staten met de introductie van nieuwe
vanaf zee te lanceren kernwapens minder afhankelijk zijn van de Europese bondgenoten,
betekent dit niet dat de DCA-taak onbelangrijk wordt. Naast de noodzakelijk geachte
modernisering van bestaande kernwapens, zijn de voorgestelde maritieme kernwapens
                                               67
</pre>

====================================================================== Einde pagina 68 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 69 ======================================================================

<pre>als (ten dele onderhandelbare) aanvulling bedoeld. De belangrijkste argumenten die
pleiten voor behoud van de DCA-taak betreffen: de zichtbaarheid (nuclear messaging),
de mogelijkheid om vliegtuigen tijdens de vlucht terug te roepen of andere taken te
geven (in tegenstelling tot afgevuurde raketten), de belichaming van de trans-Atlantische
veiligheidsband, de politieke lastenverdeling (burdensharing) bij de meest controversiële
veiligheidsvraagstukken, alsmede het behoud van invloed op het nucleaire NAVO-beleid.
Opzegging van de DCA-taak maakt de veiligheidssituatie mogelijk instabieler, indien een
NAVO-land dichterbij Rusland zich bereid toont deze taak over te nemen, wat door het
Kremlin waarschijnlijk als een ernstige provocatie zou worden geïnterpreteerd.
Het is tot dusver onduidelijk in hoeverre de nieuwe maatregelen (low yield SLBM, nieuw
te ontwikkelen SLCM) ook bedoeld zijn om (op termijn) in Oost-Azië de strategische
overwegingen van China te kunnen beïnvloeden. Daarop is in de toelichting van
hooggeplaatste Amerikaanse functionarissen op de NPR wel de aandacht gevestigd. China
beschikt over een overwicht aan raketten voor de middellange afstand en is niet zoals
de Verenigde Staten gehouden aan de beperkingen van het INF-verdrag. De Amerikaanse
regering geeft momenteel geen consistente boodschappen wat betreft de noodzaak
en bereidheid om bondgenoten zoals Zuid-Korea en Japan beter te beschermen tegen
regionale nucleaire dreigingen. Dit roept vragen op over de aard en de omvang van de
Amerikaanse regionale aanwezigheid. Indien deze onduidelijkheid blijft bestaan is het
niet uitgesloten dat China zijn positie in de regio verder zal versterken en dat Japan
(dat over de kennis en de middelen beschikt) zich genoodzaakt zal zien een nucleair
afschrikkingsevenwicht met China in te stellen.
Analoog redenerend is het denkbaar dat, indien een dusdanige verwijdering zou optreden
tussen de Verenigde Staten en de Europese bondgenoten, er ook in Europa serieus zou
kunnen worden getwijfeld aan de Amerikaanse nucleaire veiligheidsgaranties. Dit zou
de stemmen die zijn opgegaan om in Europees verband zelfstandig over kernwapens te
beschikken kunnen versterken (nucleair afschrikkingsbeleid als onderdeel van het streven
naar grotere militaire zelfstandigheid). Mocht het zover komen, dan zou het politiek en
strategisch naïef zijn om het denken daarover na te laten, ongeacht wie in het Witte Huis
zit. Het is nu echter om meerdere redenen moeilijk denkbaar dat een Europese kernmacht
binnen afzienbare tijd een haalbaar alternatief zou kunnen zijn voor de veiligheidsgarantie
die de strategische nucleaire triade van de Verenigde Staten biedt voor de Europese
bondgenoten. Dit betreft niet alleen de politieke haalbaarheid maar ook de vraag in
hoeverre een Europees afschrikkingsvermogen werkelijk afschrikwekkend zal werken.
Geloofwaardige nucleaire afschrikking
De meest effectieve manier om de geloofwaardigheid van de NAVO-strategie te vergroten
is het tonen van politieke vastbeslotenheid dat elke vorm van agressie door Rusland
en andere statelijke actoren ondubbelzinnig tegemoet zal worden getreden. Daarvoor
is politieke cohesie van het bondgenootschap cruciaal. Verder mag het zo zijn dat
uiteindelijk bij een grootschalig, langdurig conflict de conventionele sterkte van de NAVO
die van Rusland overtreft, maar Rusland is wel in staat om regionaal zeer snel een grote
troepenmacht samen te stellen. Provocaties en (verrassings-) operaties kunnen grote
schade aanrichten en mogen niet zonder reactie blijven. Verlaging van de zogenoemde
atoomdrempel wordt op de eerste plaats in de hand gewerkt door verwaarlozing van de
conventionele sterkte van de NAVO-strijdkrachten. Zoals in het eerdere AIV-advies over
‘De toekomst van de NAVO en de Veiligheid van Europa’ is uiteengezet (AIV-advies nr.
106, oktober 2017), heeft de NAVO maatregelen genomen voor een grotere militaire
presentie in het Oosten van Europa. Verdere herijking, aanpassing en vergroting van de
conventionele sterkte en het reactievermogen zijn de belangrijkste bijdragen die nu kunnen
                                               68
</pre>

====================================================================== Einde pagina 69 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 70 ======================================================================

<pre>worden geleverd om het NAVO-kernwapenbeleid van afschrikking en oorlogsvoorkoming
geloofwaardig en effectief te maken.
Geloofwaardige nucleaire afschrikking vereist dat er verschillende denkbare, defensieve
opties zijn waarmee de agressieve tegenstander rekening moet houden. Daarvoor is
flexibiliteit en een bepaalde mate van onvoorspelbaarheid van de defensieve reactie
nodig. Flexibiliteit werd in de Koude Oorlog vanaf begin jaren ’60 door de regering-Kennedy
geïntroduceerd om een regionaal nucleair antwoord te kunnen geven op overweldigende
agressie. Dit om te voorkomen dat bij een conflict of oplopende militaire spanningen
zich in een vroeg stadium besluitvorming zou opdringen over inzet van strategische
kernwapens, ter volledige uitschakeling van het oorlogvoerend vermogen van de
tegenstander (counter force) om verliezen aan eigen zijde tot een minimum te beperken.
Flexibility in response bood nucleaire besluitvormers diverse inzetopties, waaronder
de optie om kernwapens met zeer beperkte yield-waarde (de zogeheten nucleaire
gevechtsveldwapens, onder meer nucleaire artillerie en nucleaire mijnen) in te zetten, in
de hoop zo lang mogelijk het moment uit te stellen waarop zou moeten worden besloten
plannen in werking te stellen met catastrofale gevolgen voor een (groot) deel van de
mensheid, met een reëel risico van onacceptabele verliezen aan eigen zijde.
Mutually Assured Destruction (‘MAD’) vormde vanaf midden jaren ’60 een steeds
dwingender logica om te allen tijde de inzet van de strategische kernwapens te willen
voorkomen. Terwijl de inzetdrempel van de meest vernietigende wapens zo werd verhoogd,
was de keerzijde dat – om van geloofwaardige afschrikking te kunnen blijven spreken –
sterker moest worden geleund op de bruikbaarheid van het sub-strategische deel
van het arsenaal voor het militair theater. Uitgaande van rationele besluitvorming aan
beide zijden van het IJzeren Gordijn, werd het mogelijk geacht om op beheersbare wijze
stappen op de nucleaire escalatieladder te zetten. Daarvoor werden steeds verfijnder
besluitvormingsmodellen uitgewerkt.
Deze uitgangspunten zijn vanaf de jaren ‘70 omstreden geraakt, mede onder invloed van
wetenschappelijke inzichten in de effecten van kernwapens (nog verwoestender dan eerder
gedacht en berekend) en in de tekortkomingen van rationele menselijke besluitvorming ten
tijde van crises. Nog weinigen zullen bepleiten dat escalatie in een militair conflict tussen
nucleaire grootmachten gemakkelijk kan worden beheerst, of dat crisisbesluitvorming
louter volgens rationele processen zal verlopen. Maar het blijft aannemelijk dat bij het
ontbreken van ‘beperkte’, sub-strategische nucleaire inzetopties eerder de indruk bij
een tegenstander zal ontstaan dat de wil en het vermogen ontbreekt om inzet werkelijk
te overwegen, vanwege de verschrikkelijke gevolgen van het moeten aanspreken van de
strategische nucleaire strijdkrachten (‘self deterred’). Een tegenstander die daarop rekent
zou eerder in de verleiding kunnen komen om door agressie en nucleaire chantage de
machtsverhouding in zijn voordeel te doen kantelen. De drempel naar een conflict met
nucleaire escalatierisico’s zou in dat geval juist worden verlaagd. Flexibele inzetopties,
in aanvulling op MAD, blijven derhalve in een nucleaire afschrikkingsrelatie te prefereren
boven een situatie waarin ‘slechts’ moet worden vertrouwd op de inzet van een
waarschijnlijk alles vernietigend vermogen, hetgeen door een mogelijke tegenstander niet
bij voorbaat waarschijnlijk of geloofwaardig wordt geacht.
Dat laat onverlet dat er alle reden is kritisch te blijven staan tegenover kernwapens met
een in verhouding zeer gering explosief vermogen die de drempel tegen inzet zouden
verlagen (zoals ‘miniaturisering’ ten tijde van de Koude Oorlog). Dergelijke wapens zouden
volgens pleitbezorgers ervan de afhankelijkheid van verouderde kernwapens (met veel
grotere nevenschade) verminderen en een kosteneffectief alternatief kunnen zijn van
                                               69
</pre>

====================================================================== Einde pagina 70 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 71 ======================================================================

<pre>conventionele capaciteiten. Voorkomen moet worden dat nucleaire inzetopties beschouwd
zouden gaan worden als effectieve aanvulling van het conventionele militaire arsenaal
(nucleaire gevechtsveldwapens).
Nucleaire wapenbeheersing
Een kleinere rol voor kernwapens lijkt met het oog op de geopolitieke ontwikkelingen en
het heersende pessimisme misschien een wel erg zware of zelfs onmogelijke opgave,
maar paradoxaal genoeg heeft uitgerekend wapenbeheersing in de naoorlogse Oost-
West geschiedenis soms juist ook in tijden van oplopende spanningen een belangrijke
voorwaardenscheppende rol gespeeld voor (latere) spanningsvermindering en succesvolle
verkleining van wapenarsenalen.
De huidige inspanningen ter bevordering van de kernwapenbeheersing zijn versnipperd
en schieten tekort, waardoor de neiging tot militaire voorzorgsmaatregelen toeneemt.
Het niet-militaire alternatief zou zich niet alleen moeten toespitsen op de consolidatie
van bestaande verdragen. Er is duidelijk behoefte aan een constructieve strategische
dialoog, vanuit het gedeelde besef dat een gewapend evenwicht tevens de aanvaarding
van een zekere mate van kwetsbaarheid vergt. Het streven naar strategische dominantie
draagt het risico in zich van nieuwe wapenwedlopen en destabilisering van de mondiale
machtsverhoudingen.
Doorbraken op het gebied van digitale en elektronische oorlogvoering, raketaandrijving,
hypersonische projectielen, militarisering van de ruimte, en kunstmatige intelligentie,
kunnen de komende decennia de strategische verhoudingen tussen de grote
mogendheden wezenlijk verstoren. Afschrikkingsstrategieën leunen nu al in mindere mate
dan in het verleden op ‘traditionele’ kernwapens en overbrengingsmiddelen. Het bezit
van en de dreiging met inzet van kernwapens maakt deel uit van een veel complexer,
onoverzichtelijk palet aan directe en indirecte beïnvloedingsstrategieën. Het is onzeker hoe
lang nog kan worden uitgegaan van de vermeend stabiliserende werking van een verzekerd
wederzijds vermogen tot vernietiging (‘MAD’) tussen de supermachten.
Het is urgent geworden dat de kernwapenstaten nieuwe afspraken maken ter preventie van
(onbedoelde) escalatie, of het falen van (regionale) afschrikking. Nieuwe risico’s verbonden
met het bezit van en de dreiging met kernwapens moeten worden onderkend en met
kracht worden teruggedrongen. De ontwikkeling en opstelling van conventionele Prompt
Global Strike, van hypersonische glide vehicles en kruisvluchtwapens, en van kunstmatige
intelligentie in detectie en lanceersystemen, kunnen de stabiliteit ernstig verstoren,
maar laten zich niet inpassen in de kaders van de traditionele kernwapenbeheersing.
Wapenbeheersing kan niet los worden bezien van de bredere strategische en
veiligheidspolitieke agenda’s van de nucleaire grootmachten. Deze hebben daar ook een
gedeeld belang bij, omdat nieuwe wapenwedlopen een enorme verspilling kunnen betekenen
van schaarse middelen die beter voor andere doelstellingen kunnen worden aangewend.
De AIV concludeert dat het hard nodig is overleg tussen de kernwapenmogendheden
te bevorderen. Omdat de hoofdsteden geen aanstalten maken tot onderhandelen
over multilaterale kernwapenbeheersing, kan overleg worden voorbereid door een
gezaghebbende internationale commissie, te vergelijken met de World Commission
on Environment and Development (‘Brundtland-commissie’) die het rapport
‘Our Common Future’ uit 1987 schreef inzake mondiale milieubedreigingen en
ontwikkelingsvraagstukken. Een dergelijke commissie kan de weg schetsen naar
vruchtbaar overleg over beheersing van wapensoorten, aantallen en risico’s. Nederland
kan daarvoor een voorstel doen in de Verenigde Naties.
                                                 70
</pre>

====================================================================== Einde pagina 71 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 72 ======================================================================

<pre>Dialoog met Rusland
Op de Verenigde Staten en Rusland, die over veruit de grootste arsenalen beschikken,
rust allereerst de verplichting ernst te maken met de uitvoering van het NPV. Van die
landen mag openheid worden verwacht niet alleen over de omvang en de samenstelling
maar ook over de betekenis en de rol van hun kernwapens. Vermindering van de aantallen
blijft uiteraard van het grootste belang, maar de kans daarop wordt waarschijnlijk groter,
als over hun rol en betekenis in de strategie overeenstemming bestaat. Daarop dient
het overleg in eerste aanleg te zijn gericht. Gedeelde belangen over de wenselijkheid
van het voorkomen van ongelukken met kernwapens en het ontstaan van een onbedoeld
conflict kunnen bijdragen tot een sfeer van vertrouwen, waarin ook zaken als de risico’s
van de technische ontwikkeling van de wapens bespreekbaar worden. In diezelfde sfeer
kan ook worden gesproken over meer conceptuele kwesties als het belang van nucleaire
wapens voor de afschrikking en de strategische stabiliteit, de wenselijkheid van een
zo hoog mogelijke nucleaire drempel, de samenhang maar ook het principiële verschil
tussen nucleaire en conventionele wapens. De verdediging tegen ballistische raketten, de
voor- en nadelen van een no first use afspraak, het tactisch gebruik van nucleaire wapens
en de vervaging van de grens tussen de nucleaire en de conventionele bewapening zijn
hierbij lastige vraagstukken. Een zekere mate van overeenstemming over deze en andere
vraagstukken lijkt nodig om tot verdere vermindering van de nucleaire bewapening te
kunnen komen.
Veiligheid van nucleaire besluitvorming en lanceersystemen
Extra aandacht moet worden geschonken aan de veiligheid van de nucleaire besluitvorming
en de lanceersystemen. Het gaat daarbij niet alleen om de fysieke veiligheid van
de betrokken eenheden en faciliteiten. Vooral preventie van de verstoring van de
waarnemings-, communicatie- en beheerssystemen door elektronische en digitale/cyber
aanvallen moet voorop staan. Hoewel een deel van de oplossing kan worden gevonden in
geautomatiseerde systemen en nieuwe digitale en analoge technologieën, blijft menselijke
controle en oordeelsvorming essentieel in de besluitvorming over kernwapeninzet (zoals
bijna-ongelukken in het verleden hebben aangetoond). Voorzorgsmaatregelen om de
goede werking van nucleaire command and control te kunnen garanderen zijn noodzakelijk
voor geloofwaardige afschrikking, maar mogen er niet toe leiden dat onvoldoende tijd
resteert voor de menselijke oordeels- en besluitvorming. Aanvullende waarborgen zoals
lagere gereedheidsgraden (de-alerting, de-targeting) en redundantie in besturingssystemen
(analoog en digitaal) kunnen procedureel ruimte scheppen voor verificatie van
besluitvormingsinformatie en overleg, ter voorkoming van mispercepties, gebrekkige
communicatie en nauwelijks te stoppen lanceerprocedures. Kernwapenstaten dragen de
verantwoordelijkheid alles in het werk te stellen om nucleaire ongelukken en onbedoelde
escalatie te voorkomen en inzicht te verschaffen in de maatregelen om dit te kunnen
garanderen. Overleg hierover tussen nucleaire opponenten kan bijdragen tot onderling
vertrouwen en spanningsvermindering en uiteindelijk ook stappen naar ontwapening.
Rol van Nederland
De Nederlandse regering wil zich actief inzetten voor een kernwapenvrije wereld. Hierbij
gelden verschillende internationale afspraken; niet alleen het accepteren van de nucleaire
afschrikkingsstrategie die het bondgenootschap aanhangt, maar ook de verplichtingen
die kunnen leiden tot nucleaire risicoreductie en uiteindelijk nucleaire ontwapening. De in
diverse slotcommuniqués van de NAVO neergelegde stelling dat ‘de NAVO een nucleaire
alliantie is, zolang er nucleaire wapens zijn’, mag niet leiden tot een impasse en stagnatie
op weg naar een kernwapenvrije wereld. De actieve inzet van Nederland kan met het oog
hierop de formulering en agendering behelzen van concrete stappen om niet te berusten in
de huidige status quo.
                                                71
</pre>

====================================================================== Einde pagina 72 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 73 ======================================================================

<pre>Het is zeker in het Nederlandse belang om op korte termijn initiatieven te nemen om reëel
kernwapengebruik, bedoeld of onbedoeld, te voorkomen. Internationaal wordt nuclear risk
reduction reeds als een van de prioriteiten beschouwd, nu (alle) kernmachten niet alleen
aan het begin van een kostbare ronde in de nucleaire wapenwedloop lijken te staan maar
mogelijk ook de drempel voor eventueel kernwapengebruik verlagen. Nederland kan – met
gelijkgezinde landen – de nuclear risk reduction agenda actief en breed uitdragen.
Als Europees land – geconfronteerd met toegenomen spanningen in het oosten – heeft
Nederland er belang bij dat verificatie- en transparantieroutines gehandhaafd c.q. versterkt
worden. Alleen al om die reden zou Nederland instandhouding (en verlenging) van
bilaterale strategische akkoorden tussen Verenigde Staten en Rusland moeten bepleiten.
Het niet-naleven van het INF-verdrag en het niet starten van onderhandelingen over de
verlenging van het New START-verdrag na 2021 zou tot een actieve Europese inzet moeten
leiden, als blijkt dat de Verenigde Staten vooralsnog niet geïnteresseerd zijn. Nederland
kan verder aandringen op een constructieve dialoog, die de voorwaarden moet scheppen
voor voortzetting en revitalisering van het mondiale (maar tot voor kort op belangrijke
onderdelen vooral bilaterale) nucleaire wapenbeheersingsproces.
Afschrikking van Russisch onverhoopt gebruik van sub-strategische wapens, vooral
gevechtsveldwapens, moet op de eerste plaats worden gerealiseerd door geloofwaardige
conventionele en niet-conventionele middelen – een kernoorlog in het Baltische of
Zwarte Zee-bekken is (ook voor Rusland) een vernietigend perspectief. Vanwege de
onzekerheid over de waarde die de (huidige) Amerikaanse regering lijkt te hechten aan
het NAVO-bondgenootschap, is onder alle omstandigheden niet alleen een zelfstandiger
en assertiever Europese defensie-inspanning gewenst, maar ook een dito inspanning op
het gebied van kernwapenbeheersing. Naast de inzet in de NAVO (de trans-Atlantische
veiligheidsrelatie blijft de meest verkieslijke), kan het – bij gebleken Amerikaanse
desinteresse – de moeite waard zijn om te proberen om in EU-verband de dialoog met
Rusland te voeren. Daarvoor zijn dan wel een aanzienlijke versterking van de Europese
(conventionele) bijdrage aan de NAVO en een grotere politieke eenheid vereist.
Tot slot
Nederland heeft beperkt invloed op de hierboven geschetste ontwikkelingen. Echter, als
NAVO-lid en DCA-land dat onderhandelingen over het ‘Nuclear Ban Treaty’ niet uit de weg is
gegaan, heeft Nederland de mogelijkheid tot beïnvloeding van de prioriteitstelling in zowel
het nucleaire (afschrikkings-) beleid als in de nucleaire wapenbeheersing en ontwapening,
en kan het de politieke en diplomatieke communicatie tussen kernwapenstaten en niet-
kernwapenstaten helpen verbeteren.
Zolang er kernwapens zijn, behoort het wereldwijd voorkomen dat kernwapens
ooit – opzettelijk of onopzettelijk – tot ontploffing komen, leidend te zijn voor alle
staten wegens de onaanvaardbare humanitaire gevolgen. Strikte naleving en
handhaving van het non-proliferatieverdrag, met inbegrip van de in artikel VI van het
NPV vervatte opdracht aan kernwapen-bezittende landen om door onderhandeling
te komen tot een goed controleerbare algehele nucleaire ontwapening, blijft de
belangrijkste opgave op nucleair gebied. Het is hoog tijd voor nieuw overleg tussen de
kernwapenmogendheden. Een wapenwedloop dreigt, waaronder op nucleair gebied. De
nucleaire wapenbeheersingsverdragen en afschrikkingsconcepten uit de 20ste eeuw zijn
ontoereikend voor de 21ste eeuw. Er is een toegenomen strategische rivaliteit met meer
actoren en nieuwe wapensystemen. Het risico van verdere verspreiding van kernwapens
is aanwezig. Er staat veel op het spel voor Europa, dat stappen wil en moet zetten naar
grotere zelfstandigheid op veiligheidsgebied, maar nog lang afhankelijk blijft van het
                                                72
</pre>

====================================================================== Einde pagina 73 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 74 ======================================================================

<pre>Amerikaanse (nucleaire) afschrikkingsvermogen. Tegen deze achtergrond acht de AIV het
noodzakelijk om de Nederlandse inzet ten aanzien van kernwapens te concentreren op
drie aandachtsgebieden:
-   hervatting van overleg tussen de kernwapenmogendheden over terugdringing
    van de rol van kernwapens en voortzetting en versterking van bestaande
    wapenbeheersingsverdragen;
-   bevordering van de strategische stabiliteit door spanningsvermindering, evenwichtige
    opstelling van militaire vermogens en risicoreductie;
-   handhaving van de trans-Atlantische veiligheidssamenwerking.
De aanbevelingen vormen een nadere uitwerking hiervan.
VI.2      Aanbevelingen
1. De AIV beveelt aan dat Nederland een voorstel voorlegt aan de Algemene Vergadering
    van de Verenigde Naties om een gezaghebbende internationale commissie – te
    vergelijken met de Brundtland-commissie die het rapport ‘Our Common Future’ schreef
    inzake mondiale milieubedreigingen en ontwikkelingsvraagstukken – de weg te laten
    schetsen naar afspraken over beheersing van wapensoorten, aantallen en risico’s.
2. Nederland en andere Europese landen dienen zich krachtiger dan tot dusver uit te
    spreken voor behoud van het INF-verdrag. Zij kunnen de twee nucleaire grootmachten
    oproepen zich daarvoor de komende zes maanden (terugtrekkingsproces) te blijven
    inspannen. Het is een groot Europees belang effectieve afspraken te maken die een
    wapenwedloop in middellange afstandswapens voorkomen en daar ook andere staten
    dan Rusland bij te betrekken, in het bijzonder China. Mocht Rusland uiteindelijk niet
    bereid blijken om te onderhandelen over de verwijdering van de volgens het INF-verdrag
    verboden wapensystemen, en de Verenigde Staten zich definitief hieruit terugtrekken,
    dan dient de NAVO zich te bezinnen op vervolgstappen. Vanwege het belang van het
    INF-verdrag voor de Europese stabiliteit en veiligheid, zouden de Europese NAVO-
    landen hierin het voortouw moeten nemen. Europese leiders dienen ook in EU-verband
    president Poetin duidelijk te maken dat de Russische schending van het INF-verdrag
    de relatie met Rusland ernstig verslechtert en niet zonder gevolgen zal blijven. De AIV
    is desgewenst bereid nader te adviseren over de mogelijke vervolgstappen als het INF-
    verdrag teloorgaat.
3. De AIV is van mening dat Nederland in de NAVO de opening van een strategische
    dialoog met Rusland moet voorstellen over gedeelde belangen op het gebied van
    de beheersing en vermindering van de kernbewapening, teneinde stapsgewijs te
    komen tot multilaterale kernontwapening. Daarbij gaat het in eerste instantie om
    vertrouwenwekkende maatregelen en nucleaire risicovermindering. Een gezamenlijk
    optreden om verdere proliferatie van kernwapens tegen te gaan is eveneens van groot
    belang. Idealiter dienen onderhandelingen over drastische wederzijdse vermindering
    van sub-strategische kernwapens te leiden tot volledige verwijdering uit Europa
    (inbegrepen Europees Rusland) van alle sub-strategische kernwapens. Nederland zou
    binnen het bondgenootschap het initiatief kunnen nemen om deze onderhandelingen te
    initiëren zonder dat die onderhandelingen ertoe mogen leiden dat afbreuk wordt gedaan
    aan de veiligheid van ons land of van het bondgenootschap.
4. Nederland dient te voldoen aan de afgesproken NAVO-verplichtingen op conventioneel
    gebied. Oorlogsvoorkoming berust op een gebalanceerde mix van diplomatieke
                                              73
</pre>

====================================================================== Einde pagina 74 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 75 ======================================================================

<pre>   conflictbeheersing en afschrikking. Substantiële versterking van de conventionele
   NAVO-capaciteiten in Europa en het nakomen van de afgesproken NAVO-verplichtingen
   zijn cruciaal om het bondgenootschappelijk beleid van oorlogsvoorkoming geloofwaardig
   en effectief te maken. Evenwichtige conventionele verhoudingen in Europa verkleinen
   immers de kans dat een militair conflict ontstaat tussen Rusland en de NAVO en
   daarmee het risico dat nucleaire wapens worden ingezet. Een solide conventionele
   defensie verhoogt niet alleen de atoomdrempel maar biedt ook mogelijkheden voor
   wapenbeheersing en ontwapening.
5. Mede in het licht van het huidige Amerikaanse buitenlandbeleid dat de internationale
   multilaterale orde thans verzwakt moet ruimte worden geboden voor de discussie over
   een grotere Europese militaire zelfstandigheid. Europa is militair gezien afhankelijk
   van de Verenigde Staten, zowel op conventioneel als nucleair gebied. Dat zal naar
   verwachting in de (nabije) toekomst niet veranderen. Een stevige veiligheidsrelatie
   met de Verenigde Staten blijft voor Europa dan ook essentieel. De AIV zou het zeer
   onwenselijk achten als in Europa nieuwe kernwapenstaten ontstaan.
6. Om militaire maar vooral ook politieke redenen is het terugvallen op uitsluitend niet in
   Europa gestationeerde nationale Amerikaanse nucleaire middelen voor het uitvoeren
   van het nucleaire beleid van de NAVO, ook vanwege de huidige verhoudingen in het
   bondgenootschap, ongewenst. Door mogelijke deelname aan nucleaire operaties met
   hun jachtvliegtuigen, tonen Europese regeringen een extra verantwoordelijkheid, die
   de geloofwaardigheid van de NAVO-defensie versterkt. Tegen die achtergrond, mede
   gezien de internationale veiligheidssituatie en gelet op het belang van het in stand
   houden van de bondgenootschappelijke ‘burden-sharing’, verdient het aanbeveling om
   de huidige nucleaire taak van de Nederlandse jachtvliegtuigen voort te zetten bij de
   invoering van de F-35 als vervanger van de F-16 (de DCA-taak). De AIV bepleit maximale
   informatieverschaffing bij het besluit over de voortzetting van de nucleaire taak.
7. De AIV acht het belangrijk dat de NAVO aan de hand van generieke scenario’s
   onverminderd zorgvuldig op de procedures met betrekking tot de nucleaire bewapening
   blijft oefenen. Dat geldt ook voor de politieke besluitvorming en de operationele
   gereedstelling. Regelmatige beoefening van procedures is van belang met het
   oog op de geloofwaardigheid van de afschrikking, maar ook vanuit een oogpunt
   van risicovermindering, om zeker te stellen dat geen onbedoelde inzet plaatsvindt,
   bijvoorbeeld door miscommunicatie tussen besluitvormers of door ongelukken.
8. Bij de modernisering van systemen voor nucleaire besluitvorming en communicatie
   gaat het onder meer om de toepassing van digitale technologieën en kunstmatige
   intelligentie. Om onbedoelde inzet van kernwapens te voorkomen, acht de AIV het
   essentieel dat de staten die over kernwapens beschikken toegang hebben tot directe
   en betrouwbare communicatiemogelijkheden (hot lines). Kunstmatige intelligentie kan
   helpen om sneller een nauwkeurig beeld op te bouwen in een complexe, informatierijke
   omgeving, maar ook nieuwe risico’s met zich meebrengen. Dit onderstreept het belang
   van betekenisvolle menselijke interventie, beoordeling en besluitvorming in dit kader.
9. Het is van belang de kennis van en voorlichting over het kernwapenbeleid van de
   NAVO te verbeteren. De NAVO en de regeringen van de lidstaten zouden zich veel
   meer moeten inspannen het gevoerde nucleaire- en veiligheidsbeleid uit te leggen en
   informatie te verschaffen over alle relevante feiten.
                                               74
</pre>

====================================================================== Einde pagina 75 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 76 ======================================================================

<pre>10. De AIV, zich bewust van de beperkte directe invloed die Nederland kan uitoefenen
    op het mondiale niveau, meent dat voortzetting van het multilaterale proces van
    wapenbeheersing, inclusief non-proliferatie, al dan niet geleid door de Verenigde
    Staten, vanuit mondiaal – en dus niet slechts vanuit een nationaal – perspectief
    van cruciaal belang is. Nederland kan – vooral in NPV-kader – hieraan bijdragen
    door vanuit een goede kennispositie in een breed netwerk te participeren in de
    mondiale arms control community, met gelijkgezinde actoren op te trekken, in
    bilaterale contacten met de Verenigde Staten en andere landen op het belang
    van nucleaire wapenbeheersing te hameren, de verantwoordelijke voorbeeld- en
    beschermingsfunctie van sleutellanden te benadrukken, en – waar ruimte is als
    bruggenbouwer – elke kans aan te grijpen om de dialoog zo mogelijk concreet te
    faciliteren.
                                            75
</pre>

====================================================================== Einde pagina 76 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 77 ======================================================================

<pre>                           Bijlage I
Bijlage I – Adviesaanvraag
</pre>

====================================================================== Einde pagina 77 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 78 ======================================================================

<pre>Directie Velligheidsbeleld
Non-Proliferatie, Ontwapening en

en het International Partnership for Nuclear Disarmament Verification Nucleaire Aangelegenheden
(IPNDV).

Onze refesentle
Sinds het einde van de Koude Oorlog is het aantal nucleaire wapens ByB/NW-019/2018

wereldwijd afgenomen en werd de rol van nucleaire wapens voor de NAVO
en Rusland ondergeschikt, zowel in militaire als politieke zin. Sindsdien
zijn ook nucleaire expertise en bekendheid met nucleaire vraagstukken,
nucleaire afschrikking en nucleaire wapenbeheersing afgenomen. In
recente jaren proberen meer staten kernwapens te verwerven en zijn
kernwapenstaten hun nucleaire arsenalen aan het moderniseren.
Daarnaast kent Rusland binnen zijn defensiedoctrine (2014) een grote rol
toe aan kernwapens, ook in offensieve zin. Deze situatie kan gevolgen
hebben voor de veiligheidssituatie in Europa. Bovendien zijn er wereldwijd
diverse uitdagingen op het gebied van nucleaire proliferatie, met Noord-
Korea als meest in het oog springende probleem, Ook NAVO-bondgenoot
de Verenigde Staten kennen in de meest recente Nuclear Posture Review
(2018) opnieuw een grotere rol toe aan kernwapens voor de nationale
veiligheid.

Tegen de achtergrond van deze veranderende internationale context heeft
het kabinet behoefte aan een grondige analyse van de huidige en
toekomstige rol van nucleaire wapens en de rol die voor de NAVO als
geheel en Nederland in het bijzonder is weggelegd. De ministers van
Buitenlandse Zaken en van Defensie verzoeken de AIV daarom om een
advies op dit onderwerp en daarbij specifiek in te gaan op de volgende
deelvragen:

1. Hoe beoordeelt de Adviesraad de nucleaire veiligheidscontext van
de NAVO, mede gezien de geopolitieke, doctrinaire en
technologische veranderingen in de Euro-Atlantische regio en
daarbuiten? Hoe beoordeelt de Adviesraad specifiek de gevolgen
voor de NAVO van de nucleaire en ballistische ontwikkelingen in
Rusland? Wat zijn hiernaast de gevolgen van de nucleaire
aspiraties van en ontwikkelingen in Noord-Korea, Iran en
eventueel andere landen? Welke rol spelen niet-statelijke actoren
in deze veiligheidscontext?

2. In hoeverre zijn de nucleaire doctrine, het nucleaire beleid en de
nucleaire capaciteiten van de NAVO voldoende uitgerust voor deze
veiligheidscontext? Hoe kan de NAVO verzekeren dat het eigen
nucleaire beleid succesvol kan worden uitgevoerd? Hoe verhouden
het conventionele beleid en de conventionele capaciteiten van de
NAVO zich daartoe?

3. Hoe beoordeelt de Adviesraad de rol die de NAVO speelt op het
gebied van nucleaire wapenbeheersing, ontwapening en non-
proliferatie? In hoeverre sluit het eigen nucleaire beleid van de
NAVO aan bij de bondgenootschappelijke waarden en inzet op dit
vlak? Welke mogelijkheden zijn er om concreet te kunnen
Pagina 2 van 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 78 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 79 ======================================================================

<pre>Directie Veiligheidsbeleld
Non-Profiferatie, Ontwapening en
bijdragen aan het scheppen van de voorwaarden voor een Nucteaire Aangelegenheden
kernwapenvrije wereld?
Onze referentie
. ä DVB/NW-019/2018
4, Wat is de rol van de drie kernmachten binnen de NAVO en hoe

beïnvloeden de nationale nucleaire doctrines van deze
kernmachten het overkoepelende bondgenootschappelijke
nucleaire beleid? Wat is binnen het nucleaire beleid van de NAVO
de rol van Amerikaanse sub-strategische kernwapens in Europa?
Welke waarde moet de NAVO toekennen aan het concept van
‘burden sharing’?

5. Net als alle andere landen binnen het bondgenootschap heeft
Nederland in NAVO-verband een kernwapentaak. Op welke wijze
kan Nederland de juiste invulling blijven geven aan het uitvoeren
van deze bondgenootschappelijke taak? Welke waarde moet
Nederland toekennen aan het concept van ‘burden sharing?

6. De veiligheid van het bondgenootschap is ook gebaat bij het
voorkomen van een nucleair incident of ongeluk, of een nucleaire
inzet door miscalculatie of miscommunicatie. Op welke wijze kan
de NAVO bijdragen aan nucleaire risicoreductie?

Deze adviesaanvraag is opgenomen in het werkprogramma voor 2017-
2019. Wij zien uw advies met belangstelling tegemoet. Bij voorkeur
zouden wij uw aanbevelingen ontvangen voor de NAVO-Top die medio juli
2018 zal plaatsvinden.

Hoogachtend,

De Minister van Buitenlandse Zaken, De Minister van Defensie,

Stef Blok

Pagina 3 van 3
</pre>

====================================================================== Einde pagina 79 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 80 ======================================================================

<pre>                                                                                                 Bijlage II
Historisch overzicht nucleaire afschrikking en kernwapenbeheersing
Ontstaan van de Koude Oorlog
De discussie over de (on)bruikbaarheid van het kernwapen dateert reeds van de invoering
ervan aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. De eerste en tot dusver enige inzet
van kernwapens dwong Japan tot capitulatie, waarmee een einde kwam aan de Tweede
Wereldoorlog. Op 6 augustus 1945 wierp een Amerikaanse B-29 bommenwerper een
atoombom met een kracht vergelijkbaar met een explosie van 15.000 ton TNT (15 kiloton
- kt) op de Japanse stad Hiroshima. Drie dagen later werd een tweede bom van een ander
type met een kracht van 22 kt geworpen op de Japanse stad Nagasaki. Geconfronteerd
met de enorm vernietigende effecten van kernwapens177 trokken sommigen al snel de
conclusie dat de aard van de oorlogvoering tussen landen die over dergelijke wapens
beschikken, wezenlijk zou veranderen. In het strategische denken kwam de functie van
militaire afschrikking (deterrence) in een ander licht te staan. De klemtoon kon niet
langer worden gelegd op het winnen van gewapende conflicten, de aandacht zou moeten
verschuiven naar de voorkoming ervan.178 De idee vond na de Tweede Wereldoorlog
weerklank vanwege snelle nucleaire ontwikkelingen in de Verenigde Staten en de Sovjet-
Unie en de voortdurende dreiging van een confrontatie tussen de enige twee overgebleven
militaire grootmachten.
De belangrijkste dreiging van de Sovjet-Unie werd gezien in de uiteindelijke doelstelling
om het communisme over de wereld te verbreiden. Vanwege de machtsverhoudingen
werd de indamming (containment) van verdere expansie het hoogst haalbare geacht.179
De politiek-militaire dimensie ervan kreeg gestalte met de oprichting van de NAVO in april
1949 en de opbouw van een militair arsenaal dat in potentie zo vernietigend was, dat het
de tegenstander dwong tot militaire terughoudendheid. De Sovjet-Unie zette alles op alles
om te voorkomen dat de strategische balans definitief zou doorslaan in het voordeel van
het Westen. Na de eerste succesvolle test door de Sovjet-Unie van een splijtingswapen op
12 augustus 1949 besloot president Truman de ontwikkeling van de (nog veel krachtiger)
thermonucleaire waterstofbom te versnellen en het Amerikaanse arsenaal uit te breiden
met kleine splijtingswapens voor tactische doeleinden. Uit de nucleaire wapenwedloop
ontstond een delicaat afschrikkingsevenwicht, waarbij kernwapens oorlog hielpen
177 Bij de inzet van de relatief kleine kernbom op Hiroshima kwamen naar schatting direct 66.000 -
      150.000 mensen om het leven. Het totale aantal slachtoffers (lange termijn effecten meegerekend)
      bedraagt mogelijk meer dan 250.000. Zie: <http://www.pewresearch.org/fact-tank/2015/08/04/70-
      years-after-hiroshima-opinions-have-shifted-on-use-of-atomic-bomb/>, <http://edition.cnn.com/2007/
      WORLD/asiapcf/08/05/hiroshima.anniversary.reut/index.html>.
178 ‘Thus far the chief purpose of our military establishment has been to win wars. From now on its chief
      purpose must be to avert them’. Bernard Brodie, ‘The Absolute Weapon’, New York, 1946.
179 De strategie wordt toegeschreven aan George F. Kennan. Als diplomaat geplaatst in Moskou stuurde
      hij in 1946 zijn beroemd geworden long telegram over de agressieve buitenlandpolitiek van Stalin.
      Foreign Affairs publiceerde in 1947 een artikel van zijn hand onder het pseudoniem ‘Mr. X’. Kennan
      concludeerde: ‘the main element of any United States policy toward the Soviet Union must be that of
      a long-term patient but firm and vigilant containment of Russian expansive tendencies.’ Zie: <https://
      history.state.gov/departmenthistory/short-history/kennan>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 80 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 81 ======================================================================

<pre>voorkomen zolang beide kampen elkaar voldoende vrees inboezemden.180
Na de door de Sovjet-Unie gesteunde Noord-Koreaanse inval in Zuid-Korea in 1950 waren
in West-Europa de zorgen toegenomen over het beperkte vermogen om militair weerstand
te kunnen bieden tegen een aanval uit het Oosten. Waar aanvankelijk in het kader van
de NAVO werd ingezet op een ‘schild’ van conventionele Europese strijdkrachten en de
mogelijkheid van een tegenaanval door de Amerikaanse kernwapenmacht (het ‘zwaard’),
kwam vanaf 1954 het accent te liggen op afschrikking met massale nucleaire vergelding
(massive retaliation). De Europese landen bleken niet in staat binnen een aanvaardbare
termijn een geloofwaardige conventionele verdediging op poten te zetten, opgewassen
tegen de in numeriek opzicht sterke Sovjetstrijdkrachten in Oost-Europa. In de loop
van 1953 had president Eisenhower de New Look-doctrine vastgesteld. Een van de
uitgangspunten van de nieuwe doctrine betrof de gedachte dat vanwege de opbouw van
een kernwapenarsenaal en strategisch inzetbare luchtmacht kon worden volstaan met
minder conventionele strijdkrachten. Relatief goedkope nucleaire strijdkrachten, waaronder
een arsenaal tactische kernwapens, vormden voor de veiligheid in Europa een alternatief
waarmee een grootscheepse aanval door de Sovjet-Unie in een vroeg stadium kon worden
beantwoord. Met de Amerikaanse strategische luchtstrijdstrijdkrachten, die doelen in het
achterland van de Sovjet-Unie konden bereiken, kon de agressor in elk scenario op de
knieën worden gebracht.
  Strategische en sub-strategische kernwapens
  De aanduidingen ‘strategisch’ en ‘tactisch’ zijn sinds de Koude Oorlog vaak gebruikt
  om een onderscheid te maken tussen typen kernwapens, maar berusten niet op
  gezaghebbende definities. Nucleaire opponenten hanteren uiteenlopende visies op de
  rol die de wapens vervullen in hun arsenalen en laten bewust onduidelijkheid bestaan
  over de precieze eigenschappen, inzetmogelijkheden en intenties (ambiguïteit). Niettemin
  kan de indeling in categorieën kernwapens bijdragen tot de geloofwaardigheid van
  de afschrikking, kan deze spraakverwarring en mispercepties voorkomen, maar ook
  behulpzaam zijn voor de totstandkoming van wapenbeheersingsverdragen. Categorisering
  en stigmatisering van specifieke kernwapens geschiedt bovendien in het publieke debat
  (‘stop de neutronenbom’, ‘geen slagveldwapens in Europa’).
  De AIV is van oordeel dat de inzet van elk nucleair wapen, ongeacht zijn kenmerken, de
  aard van een conflict fundamenteel verandert en daarom altijd strategische betekenis
  heeft. Naast de kernwapens die vallen onder de strategische offensieve kernwapens uit
  de wapenbeheersingsverdragen (de strategische kernwapens), bestaat een gevarieerde
  categorie overige kernwapens die wordt aangeduid als ‘tactisch’ of (tegenwoordig
  vaker gebruikt) 'sub-strategisch' dan wel 'niet-strategisch'. De drie laatstgenoemde
  aanduidingen kunnen de indruk wekken dat aan de (bedreiging met) inzet van deze
  wapens geen politieke overweging ten grondslag ligt, noch strategische implicaties
  kleven. De AIV acht de aanduiding ‘sub-strategisch’ het minst bezwaarlijk: de term ‘niet-
  strategisch’ is ongelukkig vanwege de expliciete ontkenning en de kwalificatie ‘tactisch’
  berust op de oorspronkelijke militaire betekenis van een in tijd, plaats en effect beperkte
  inzet van strijdkrachten en op lager niveau gedelegeerde inzetbevoegdheid. Waar echter
  begripsverwarring dreigt, zijn in de oorspronkelijke context of bronnen gehanteerde
  begrippen gehandhaafd. Rusland kent in zijn arsenaal nog altijd een belangrijke rol toe
  aan kernwapens voor tactisch gebruik, geïntegreerd in reguliere militaire eenheden. In de
  militaire context blijft in algemene zin het onderscheid tussen strategische en tactische
  wapeninzet van belang.
180 A. Wohlstetter, ‘The Delicate Balance of Terror’, RAND, 1958.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 81 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 82 ======================================================================

<pre>De Sovjet-Unie, vanaf 1955 middels de oprichting van het Warschaupact verenigd met
de communistische landen in Oost-Europa, beschikte rond die tijd inmiddels ook over
langeafstand bommenwerpers en opgestelde raketten voor de middellange afstand
(SS-3), gericht op doelen in West-Europa. Een jaar na de inval van Sovjettroepen in
Hongarije en enkele maanden nadat de Sovjet-Unie de eerste intercontinentale raket in
de wereld had getest (de SS-6, in gemodificeerde vorm gebruikt om de eerste satelliet
ooit, de Sputnik, in de ruimte te brengen), besloot de NAVO-Raad van december 1957
om de NAVO-strijdkrachten in Europa uit te rusten met tactische nucleaire wapens en die
onder Amerikaans beheer op te slaan in enkele West-Europese landen. Daarnaast werd
besloten tot de plaatsing van Thor- en Jupiter-raketten voor de middellange afstand, als
tegenwicht tegen de Russische SS-3, SS-4 en SS-5 raketten (na de Cubacrisis zouden
al deze raketten in 1963 overigens weer worden teruggetrokken). Hierdoor ging de NAVO
in de jaren ’50 en ’60 beschikken over een grote variëteit tactische kernkoppen die
met verschillende wapensystemen vanuit de lucht, vanaf zee en op land konden worden
ingezet. In 1958 besloot het kabinet-Drees dat ook Nederland kernwapentaken op zich
zou nemen.181 Op 6 mei 1959 ondertekende het kabinet-De Quay hiervoor een bilaterale
overeenkomst met de Verenigde Staten (VS), waarbij het tevens een deel van de dual-
capable inzetmiddelen van de VS kon overnemen. De eerste Nederlandse nucleaire
taken betroffen de invoering via het mutual defence aid program van een afdeling Honest
John korteafstandsraketten bij de landmacht, een bataljon Nike-luchtafweerraketten
bij de luchtmacht, alsmede het gereedmaken van een squadron F-84F Thunderstreak
jagerbommenwerpers van de luchtmacht voor het meevoeren en afwerpen van Mk7
tactische atoombommen.182
Van massale vergelding naar flexibiliteit in het reactievermogen
Begin jaren ‘60 kwam de strategie van de massale vergelding onder druk te staan. Mede
beïnvloed door de kritische analyse van generaal Maxwell D. Taylor, zagen president
Kennedy en zijn defensieminister McNamara er weinig heil in.183 De ervaringen tijdens
de Cubacrisis in oktober 1962 sterkten de kritische opvatting van de regering-Kennedy
over massive retaliation. De koppeling van de Europese en de Amerikaanse veiligheid die
met de opstelling van tactische kernwapens tot stand was gebracht, bood de Europese
landen weliswaar meer zekerheid, maar leverde een nieuwe kwetsbaarheid op. De
strategie voorzag niet in een stapsgewijze reactie op gewapende agressie (graduate
response), maar stoelde juist op een zeker automatisme van (nucleaire) escalatie,
waardoor een klein geschil of een verkeerde inschatting in potentie kon uitmonden in de
vernietiging van (Amerikaanse) strategische objecten en een grootschalige kernoorlog. De
181 In Nederland is het begrip ‘kernwapentaak’ gekoppeld aan de inzetmiddelen waarmee kernwapens
     op hun doel worden gebracht. De kernwapens zelf bleven namelijk onder Amerikaans beheer. De
     Nederlandse nucleaire strijdkrachten werden dual-capable, oftewel geschikt gemaakt voor nucleaire
     en conventionele opdrachten. In totaal zou Nederland zes kernwapentaken op zich nemen: nucleaire
     vliegtuigbommen, artilleriegranaten, korte en middellange afstandsraketten, luchtdoelraketten,
     dieptebommen tegen onderzeeboten en demolitiemunitie (ADM). Zie voor een overzicht: Publicatie
     Nederlandse Atlantische Commissie, ‘Nederland en de Kernwapens. Een studie over het Nederlands
     nucleair beleid 1972-1983’, Den Haag, 1987, pp. 24-25.
182 D. Starink, ‘De Nuclearisering van de Krijgsmacht’ in: B. Schoenmaker en J.A.M.M. Janssen (red.) In de
     Schaduw van de Muur. Maatschappij en Krijgsmacht rond 1960, Den Haag, 1997, pp. 82-99.
183 M.D. Taylor had zijn bezwaren tegen de strategie opgesomd in ‘The Uncertain Trumpet’ (New York,
     1960). President Kennedy benoemde generaal Taylor in 1962 tot Chairman Joint Chiefs of Staff.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 82 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 83 ======================================================================

<pre>besluitvorming bij crises was hierdoor uitermate complex en risicovol geworden. Indien
een oorlog niet in traditionele zin kon worden gewonnen, dan resteerde immers de vraag
op welk moment (de dreiging met) inzet van kernwapens toch in beeld zou komen om de
tegenstander het strategische initiatief te kunnen ontzeggen. Mocht het onverhoopt komen
tot werkelijke inzet, dan was de vraag hoe de schade zoveel mogelijk kon worden beperkt.
Wetenschappers en strategen ontwikkelden steeds verfijnder scenario’s om de nucleaire
afschrikkingsdilemma’s te duiden en te bepalen hoe beleidsmakers – uitgaande van
rationele besluitvorming – in deze strategische setting de berekening van de tegenstander
effectief konden beïnvloeden.184
Secretaris-generaal van de NAVO Stikker presenteerde in 1962 het Special Report on
NATO Defence Policy over nucleaire consultatie (de zogenoemde Athens Guidelines). Het
bleek in de praktijk een lastige opgave om Europese bondgenoten die niet zelf over
kernwapens beschikten maar wel een belangrijke rol vervulden in de gedeelde nucleaire
taak inspraak te geven in de nucleaire besluitvorming. Washington wenste zoveel mogelijk
zelf de controle te houden over de nucleaire besluitvorming, maar vreesde anderzijds dat
Europese bondgenoten met onvoldoende vertrouwen in de extended deterrence zelf over
kernwapens zouden willen beschikken.185 Ambitieuze initiatieven zoals het Amerikaanse
voorstel voor de oprichting van een nucleair bewapende Multi-Lateral Force (MLF) met
multinationaal bemande eenheden en een Brits voorstel voor een Atlantic Nuclear Force
onder NAVO-gezag, boden alternatieven voor nuclear sharing maar bleken in de praktijk
een brug te ver.186 Om toch tegemoet te komen aan de inspraakbehoefte van vooral de
Bondsrepubliek Duitsland maar ook landen zoals Italië en Turkije, stemden de Verenigde
Staten en het Verenigd Koninkrijk in 1966 in met de oprichting van een Nuclear Planning
Working Group, vanaf 6 april 1967 de Nuclear Planning Group (NPG) genoemd.
In de jaren ‘60 groeide het besef dat afschrikking een zekere mate van onzekerheid en
bereidheid tot escalatie vergde, maar dat zorgvuldige controleprocedures en voorspelbaar
gedrag nodig waren om ongelukken en irrationeel gedrag te voorkomen. Anderzijds werd
de wapenwedloop nog altijd gedreven door de wens te beschikken over het vermogen
om, indien een militaire confrontatie onvermijdelijk dreigde te worden (het falen van
afschrikking), de tegenstander desnoods preemptief zo’n overweldigende klap uit te
delen dat een onacceptabel geacht verlies of een vernietigende aanval kon worden
afgewend (anticipatoire zelfverdediging ter voorkoming van een ‘nuclear Pearl Harbor’).
184 Het werk van de RAND corporation, een door de Amerikaanse overheid gesteunde denktank, over
     de toepassing van rationele keuzetheorie en speltheorie op vraagstukken van nucleaire afschrikking
     kreeg wereldwijde bekendheid. Naast de reeds aangehaalde Bernard Brodie en Albert Wohlstetter,
     waren wetenschappers zoals Herman Kahn en Thomas Schelling verbonden aan de denktank.
     Laatstgenoemde ontving in 2005 samen met Robert Aumann de Nobelprijs in de economische
     wetenschap voor de ontwikkeling van speltheorie voor de verklaring van strategisch gedrag, die zijn
     oorsprong heeft in de eerste decennia van de Koude Oorlog.
185 Extended deterrence betreft de garantie dat agressie tegen een bondgenoot die niet over kernwapens
     beschikt, zal worden gestopt, desnoods door inzet van het Amerikaanse nucleaire arsenaal. Critici
     wezen erop dat deze vorm van nucleaire afschrikking minder geloofwaardig is dan central deterence.
     Agressie tegen het eigen grondgebied vormt immers de ultieme beweegreden voor zelfverdediging met
     alle beschikbare middelen.
186 William Alberque, ‘The NPT and the Origens of NATO’s Nuclear Sharing Arrangements’, Proliferation
     Papers, No. 57, Ifri, February 2017.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 83 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 84 ======================================================================

<pre>De invoering door beide kampen van kernkoppen met een thermonucleaire lading187,
in ondergrondse silo’s geplaatste intercontinentale raketten en nucleair aangedreven
onderzeeboten met een vrijwel onbeperkte actieradius, maakten het echter steeds
onwaarschijnlijker dat men relatief ongeschonden uit de strijd kon komen. Vanaf midden
jaren ’60 werd deze patstelling ook wel aangeduid als Mutual Assured Destruction (MAD).
De militaire machtsverhouding tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie groeide toe
naar nucleaire ‘pariteit’: twee gelijkwaardige kernwapenarsenalen met als kern een triade
van langeafstand bommenwerpers, intercontinentale raketten en vanaf onderzeeboten
te lanceren ballistische raketten. Wederzijds gegarandeerde vernietiging impliceerde
een onkwetsbare second strike capability, oftewel de zekerheid dat na een first strike de
agressor alsnog onaanvaardbare verliezen kon worden toegebracht, desnoods ‘vanuit
het graf’. De samenstelling, omvang en positionering van het nucleaire arsenaal werden
tegen deze achtergrond geleidelijk onderwerp van diplomatieke inspanningen gericht
op voorkoming van verstoringen van het machtsevenwicht.188 Een voorbeeld vormde
de ondertekening in 1967 van het Outer Space Treaty, dat plaatsing in de ruimte van
kernwapens of andere massavernietigingswapens verbood en daarmee een nieuwe
wedloop voorkwam.189 Ook groeide in de tweede helft van de jaren ‘60 de bereidheid
van beide zijden om beperkingen te stellen aan defensieve anti-ballistic missile-systemen
(ABM), die afbreuk konden doen aan de effectiviteit van het second strike vermogen.
Het zou nog tot eind 1967 duren voor de NAVO zijn strategie van massale vergelding verving
door flexibility in response. Europese bondgenoten verzetten zich aanvankelijk tegen wat
werd gezien als een ontkoppeling van de tactische en de strategische componenten van
de nucleaire afschrikkingsmacht. Het tonen van bereidheid om vroeg in een conflict inzet
van kernwapens te overwegen was volgens de Bondsrepubliek Duitsland en andere landen
nodig om niet onbedoeld de indruk te wekken dat beperkte agressie van het Warschaupact
ongestraft zou blijven. De Verenigde Staten wilden nu juist het moment van nucleaire
escalatie controleren en kunnen uitstellen. Het Verenigd Koninkrijk had in 1962 ingestemd
met het aanbod om zijn strategische onderzeeboot capaciteit toe te rusten met Amerikaanse
Polarisraketten, onder voorwaarde dat deze onder NAVO-bevel werden gebracht en alleen
in uiterste gevallen voor de nationale veiligheid konden worden aangewend. Washington
had Parijs tevergeefs hetzelfde aanbod gedaan, in een poging om de Franse nucleaire
ambities te temperen. Frankrijk, dat al in 1957 het alternatief van een West-Europese
kernwapenmacht had voorgesteld in plaats van de koppeling met de Verenigde Staten, bleef
fel gekant tegen de Amerikaanse voorstellen. President De Gaulle besloot in maart 1966 de
Franse strijdkrachten uit de geïntegreerde militaire structuur van de NAVO terug te trekken en
zeggenschap te houden over een nationale strategische capaciteit.
Met de Franse militaire uittreding was de weg vrijgemaakt voor een compromis, dat
gestalte kreeg in het door de NAVO-raad in december 1967 goedgekeurde document
MC 14/3.190 De doelstelling van de nieuwe strategie werd als volgt beschreven:
187 De splijtingskernwapens op Hiroshima en Nagasaki vielen in het niet bij thermonucleaire
     waterstofbommen met een kracht van (tientallen) megatonnen TNT. De Sovjet-Unie veroorzaakte op
     30 oktober 1961 de zwaarste explosie ooit gemeten met een waterstofbom van 50 megaton (volgens
     de Verenigde Staten 57 megaton) in een wapentest boven Nova Zembla.
188 Lawrence Freedman, ‘Deterrence’, Cambridge, 2004, pp. 17-19.
189 Zie: <http://www.unoosa.org/oosa/en/ourwork/spacelaw/treaties/introouterspacetreaty.html>.
190 Te raadplegen via: <https://www.nato.int/archives/strategy.htm>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 84 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 85 ======================================================================

<pre>• meet initially any aggression short of general nuclear attack with a direct defence at the
    level – conventional or nuclear – chosen by the aggressor;
• conduct a deliberate escalation if aggression cannot be contained and the situation
    restored by direct defence;
• initiate an appropriate general nuclear response to a major nuclear attack.
In essentie betekende de nieuwe strategie dat, indien afschrikking zou falen, de inzet
van kernwapens op een beperkte schaal zou moeten bijdragen tot beëindiging van de
gewelddadigheden en voorkoming van escalatie naar een grootschalige nucleaire oorlog
(‘herstel’ van de afschrikking). Daarbij werd de Sovjet-Unie bewust in het ongewisse
gelaten met welke inzet van conventionele middelen, tactische en strategische nucleaire
wapens op enig moment rekening moest worden houden.
Na de invoering van de nieuwe strategie kon de aandacht worden verlegd van de
grondslagen van de trans-Atlantische veiligheidssamenwerking naar de uitwerking van de
voorwaarden die gecontroleerde escalatie stelde aan de opstelling van kernwapens.191
De discussie spitste zich toe op de Theatre Nuclear Forces (TNF), oftewel de kernwapens
bedoeld voor inzet in het Europese theater. Tegelijkertijd was met de bekrachtiging van
het zogenoemde Harmel-rapport een nieuwe fase in de Koude Oorlog ingeluid. Deze
commissie onder leiding van de Belgische minister voor Buitenlandse Zaken Pierre
Harmel onderstreepte in het Report on the Future Tasks of the Alliance het belang van
een tweesporenbeleid: naast afschrikking en verdediging diende de NAVO zich voortaan
in te spannen voor diplomatie en ontspanning (deterrence and détente). Het rapport
bepleitte onder meer gebalanceerde troepenvermindering voor het Warschaupact en
de NAVO, met het oogmerk om oplossingen te vinden voor de vraagstukken die Europa
en in het bijzonder Duitsland al twee decennia verdeeld hielden.192 De resultaten van
deze nieuwe benadering werden enkele jaren later ook zichtbaar op het gebied van
de kernbewapening, nadat de leiders van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in
november 1969 in Helsinki een begin hadden gemaakt met bilaterale strategische
wapenbeheersingsonderhandelingen.
Kentering in het debat begin jaren ‘70
Ontspanning en afschrikking
Dat verschillende zienswijzen bleven bestaan op de extended deterrence, in het bijzonder
de rol die tactische kernwapens vervulden voor de Europese veiligheid, bleek in de jaren
’70 in de discussies over het voorstel tot invoering van het Enhanced Radiation Reduced
Blast (ERRB) wapen (‘neutronenbom’) en de modernisering van de kernwapens voor de
middellange afstand (de plaatsing van kruisvluchtwapens en vervanging van de Pershing
IA-raketten als antwoord op de Russische plaatsing van SS-20 raketten met Europees
bereik). De besluitvorming hierover geschiedde tegen de achtergrond van toegenomen
zorgen bij politici en burgers over de risico’s van kernwapens en verlies van vertrouwen
in de oorlog-voorkomende werking van nucleaire afschrikking (‘nucleaire vrede’). Dat gold
voor de Verenigde Staten, maar ook voor Europese NAVO-landen waaronder Nederland.
191 Publicatie Nederlandse Atlantische Commissie, ‘Nederland en de Kernwapens. Een studie over het
      Nederlands nucleair beleid 1972-1983’, Den Haag, 1987, p. 40.
192 De onderhandelingen tussen de NAVO en het Warschaupact over conventionele troepenvermindering in
      Europa, de Mutual and Balanced Force Reductions (MBFR), gingen van start op 30 oktober 1973.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 85 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 86 ======================================================================

<pre>De regeringsverklaring van het kabinet-Biesheuvel (1971-1973) sprak voor het eerst over
‘het terugdringen van de rol van kernwapens’. Bij het aantreden van het kabinet-Den Uyl in
1973 was een periode van duidelijk verminderde spanningen aangebroken. Het jaar ervoor
hadden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie het eerste wapenbeheersingsverdrag
ondertekend over strategische kernwapens (Strategic Arms Limitation Treaty - SALT), waarbij
beperkingen werden gesteld aan defensieve anti-ballistic missile systemen (ABM) en aan
offensieve strategische raketten op land en op onderzeeboten.
De nota Ontwapening en Veiligheid (‘Ontwapeningsnota’) van 19 juni 1975 plaatste
wapenbeheersing en ontwapening voorop in het Nederlandse nucleaire beleid. De rol
van vooral gevechtsveldwapens voor de korte afstand moest worden teruggedrongen.
De nota stelde de strategie van flexible response, de noodzaak van afschrikking en het
lidmaatschap van de NAVO op zichzelf niet ter discussie. De NAVO vormde juist het
kader waarbinnen ontspanningsbeleid actief diende te worden nagestreefd, eenzijdige
denuclearisering vormde geen doelstelling van het beleid. Terugdringing van de rol van
kernwapens betekende dat plannen voor een West-Europese kernmacht of voor de
invoering van ‘miniatuurkernwapens’ werden afgewezen. In de nota volgde het kabinet
het advies van het Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken (NIVV) van juni 1974
om niet in te zetten op een eenzijdige of een wederzijdse no first use verklaring.193 De
uitgangspunten van nucleaire wapenbeheersing, terugdringing van de rol en de risico’s
van kernbewapening en beperking van de eigen kernwapentaken werden voortgezet
onder volgende kabinetten, echter de beleidsruimte voor concrete stappen bleek telkens
beperkt en afhankelijk van de internationale ontwikkelingen waaronder de in NAVO-verband
noodzakelijk geachte modernisering van de in Europa opgestelde kernwapens.
Het NAVO-dubbelbesluit
Nadat was gebleken dat de weerstand tegen de invoering van het ERRB-wapen te groot
was en president Carter in 1978 had besloten de ‘neutronenbom’ voorlopig niet in
productie te nemen, was het vooral de Bondsrepubliek Duitsland met steun van het
Verenigd Koninkrijk dat aandrong op de uitwerking van alternatieven voor de versterking
van de nucleaire strijdkrachten in Europa. Op basis van de resultaten van verschillende
studiegroepen werd in 1979 geconcludeerd dat de plaatsing van ground launched cruise
missiles (GLCM) en vervanging van de verouderde Pershing IA raketten door de Pershing II,
een raket met een bereik van 1.800 km, het meest geschikt waren om het veronderstelde
gat tussen de tactische kernwapens en de strategische strijdkrachten van de Verenigde
Staten te dichten. In het bijzonder de stationering door de Sovjet-Unie van mobiele SS-20
raketten met een Europees bereik en de introductie van de nieuwe Backfire bommenwerper
maakten volgens voorstanders plaatsing urgent. Ondertussen namen ook de protesten
tegen de moderniseringsplannen toe. Op verzoek van de Bondsrepubliek gesteund door
Nederland onderzocht een Special Group de mogelijkheden van wapenbeheersing. Dit
parallelle traject mondde uit in het NAVO-dubbelbesluit van 12 december 1979. Het besluit
behelsde de plaatsing in Europa van 108 Pershing II raketten in Duitsland en plaatsing van
464 Tomahawk GLCM in Duitsland, Engeland, Italië, Nederland en België. Voor Nederland
was de stationering van 48 GLCM voorzien. De stationering zou gepaard gaan met de
gelijktijdige vermindering van het aantal nucleaire ladingen in Europa met 1.000 stuks
(onder meer ladingen voor nucleaire artillerie en Atomic Demolition Mines) en anderzijds
onderhandelingsvoorstellen die – wanneer aanvaard – plaatsing uiteindelijk ongedaan
zouden maken.
193 Publicatie Nederlandse Atlantische Commissie, ‘Nederland en de Kernwapens. Een studie over het
      Nederlands nucleair beleid 1972-1983’, Den Haag, 1987, p. 70.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 86 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 87 ======================================================================

<pre>Nederlandse besluitvorming rond de kruisvluchtwapens
Het kabinet-Van Agt zag zich ten tijde van het dubbelbesluit alsnog gedwongen een
voorbehoud te plaatsen bij de voorgenomen stationering van kruisvluchtwapens in
Nederland. Sinds de discussie over de neutronenbom had zich in de publieke opinie een
groeiend verzet afgetekend tegen de kernbewapening. De regering en de regeringspartijen
stelden zich vanwege interne verdeeldheid terughoudend op. Hierdoor had het verzet tegen
de kernbewapening betrekkelijk vrij spel gekregen en kon de richting van het politieke
debat niet meer worden verlegd. In het najaar van 1979 waren de mogelijkheden om
de moderniseringsplannen nog aan te passen internationaal al sterk verminderd. In
het voorbehoud maakte Nederland duidelijk dat het in december 1981 zou beslissen,
afhankelijk van concrete resultaten in het wapenbeheersingsoverleg. De stationering
van nieuwe systemen zou voorts gepaard moeten gaan met een vermindering van de
bestaande Nederlandse nucleaire taken. Het Nederlandse uitstel van besluit zou duren
tot eind 1985. In de tussenliggende jaren was gebleken dat de beoogde plaatsing,
mede ten gevolge van de inspanningen van de vredesbeweging onder aanvoering van het
Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), de maatschappelijke en politieke gemoederen hoog deed
oplopen. Het streven van de vredesbeweging was gericht op een kernwapenvrij Europa,
desnoods door eenzijdige ontwapeningsinitiatieven te beginnen in Nederland. Tweemaal
werd een massademonstratie georganiseerd tegen plaatsing van de kruisraketten door de
NAVO.194 De demonstraties werden in 1985 gevolgd door een petitie tegen de plaatsing
van kruisvluchtwapens en Pershing-2 raketten, die in november dat jaar met 3.7 miljoen
handtekeningen aan premier Lubbers werd aangeboden.
Premier Lubbers wist de politieke patstelling te doorbreken met een voorwaardelijk
plaatsingsbesluit en de aan stationering van kruisraketten gekoppelde afstoting van
enkele nucleaire taken. Op 1 juni 1984 nam het kabinet het besluit tot plaatsing van 48
kruisraketten op de luchtmachtbasis Woensdrecht, waarvan zou worden afgezien indien
de Sovjet-Unie op 1 november 1985 over minder dan 378 SS-20-raketten zou beschikken.
Deze aanpak kreeg steun in de Kamer. Dit betrof overigens het laatst mogelijke tijdstip
binnen het NAVO-plaatsingsschema. Met een brief aan de Kamer maakte het kabinet op
1 november 1985 zijn definitieve standpunt inzake de plaatsing van kruisvluchtwapens
en andere nucleaire taken bekend.195 Daarin werd geconstateerd dat de Sovjet-Unie niet
bereid was gebleken te voldoen aan het Nederlandse streven tot wapenbeheersing en
wapenvermindering. Naast het besluit tot plaatsing van 48 kruisvluchtwapens, waartoe
zo spoedig mogelijk een overeenkomst met de VS zou worden gesloten, vermeldde de
brief het voornemen om de nucleaire taken van de Orion maritieme patrouillevliegtuigen
(afwerpen dieptebommen tegen onderzeeboten) en van de F-16 (afwerpen vrije-valbommen
voor inzet boven land) af te stoten, in tijd gesynchroniseerd met de werkelijke stationering
van de kruisvluchtwapens. In het kader van het zogenoemde ‘Montebello-besluit’ achtte de
regering het niet verantwoord de nucleaire taken uitgevoerd met de Lance-raketten en de
194 Na de demonstratie op 21 november 1981 in Amsterdam (400.000 deelnemers) werd op 29 oktober
     1983 in Den Haag de grootste demonstratie in de Nederlandse geschiedenis gehouden (550.000
     deelnemers).
195 Tweede Kamer, 1985/6, 17980, nr. 24 (kruisvluchtwapens). Brief van de minister-president, minister
     van Algemene Zaken, en de ministers van Buitenlandse Zaken en van Defensie.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 87 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 88 ======================================================================

<pre>8-inch Houwitser artillerie af te stoten of te reduceren.196 In de Kamerbrief op 2 december
1985 maakte de regering kenbaar vast te houden aan de aangekondigde maatregelen,
ondanks de bezwaren van geconsulteerde bondgenoten tegen de eenzijdige afstoting van
de nucleaire taken van de F-16 en de Orion en het verzoek om deze beleidsvoornemens
te heroverwegen. Deze gang van zaken illustreerde dat aan het besluit tot afstoting van
de taken op de eerste plaats nationaalpolitieke overwegingen ten grondslag lagen. Door
vooruit te lopen op het Montebello-besluit doorbrak Nederland het streven van de NAVO
naar een in samenhang beoordeelde vermindering van de tactische nucleaire bewapening.
De afschaffing van met name de kernwapentaak van de F-16 werd door de NAVO strijdig
geacht met de strategie van flexibility in response, omdat deze een rol vervulde bij het
escalatievermogen bedoeld om op een zo laag mogelijk niveau van geweld een conflict te
kunnen beëindigen.197
Met een briefwisseling tussen Nederland en de Verenigde Staten van 4 november 1985
kwam de overeenkomst inzake de stationering van een eenheid vanaf de grond te lanceren
kruisvluchtwapens van de luchtmacht van de Verenigde Staten tot stand. Anders dan bij
de bestaande Nederlandse kernwapentaken, waar de overbrengingsmiddelen Nederlands
eigendom waren, bleven de wapens en lanceerinrichtingen geheel in Amerikaanse handen.
Na deze overeenkomst kon de bouw en inrichting van de basis Woensdrecht, die reeds
geheel was voorbereid, ter hand worden genomen. Het schema voorzag in stationering
van de Tomahawk kruisvluchtwapens medio 1988. Zover kwam het echter niet. Op 8
december 1987 ondertekenden de presidenten Reagan en Gorbatsjov in Washington
het verdrag over Intermediate-range Nuclear Forces (INF). De onderhandelingen waren
gestart in 1981, voortvloeiend uit het NAVO-dubbelbesluit waaruit vastberadenheid
bleek wat betreft de reactie op de plaatsing van de SS-20, maar ook de bereidheid tot
onderhandeling. De Sovjet-Unie was tot het inzicht gekomen dat het meer belang had bij
geverifieerde, wederzijdse beperkingen, dan bij additionele maatregelen in reactie op de
door de NAVO aangekondigde moderniseringen.198 Het INF-verdrag voorzag in de eliminatie
van alle op het land gestationeerde raketsystemen van de Verenigde Staten en de Sovjet-
Unie met een bereik van 500 - 5.500 km in een periode van drie jaar. In een brief aan
de Kamer naar aanleiding van het INF-akkoord deelde het kabinet mee dat was besloten
om de nucleaire taken van de F-16 en van de Orion te handhaven, vanwege de in het 1
novemberbesluit gelegde koppeling tussen plaatsing en afstoting.
196 De Nuclear Planning Group van de NAVO gaf in oktober 1983 te Montebello goedkeuring aan een
     rapport dat de toekomstige behoefte beschreef aan nucleaire wapens met een kleiner bereik dan
     de long-range intermediate nuclear forces. Op grond van dit rapport besloten de ministers aan de
     vooravond van de plaatsing van de eerste Pershing II raketten en Tomahawk GLCM’s het aantal
     kernwapens in Europa tussen 1983 en 1988 met 1.400 te verminderen tot een niveau van ca. 4.600.
     Deze vermindering betrof vooral de Honest John en Nike-raketsystemen en de ADM, waarvan de studie
     concludeerde dat ze minder effectief waren.
197 Publicatie Nederlandse Atlantische Commissie, ‘Nederland en de Kernwapens. Een studie over het
     Nederlands nucleair beleid 1972-1983’, Den Haag, 1987, pp. 183-184.
198 Willem van Eekelen, ‘Nuclear Weapons are Back Again’, Atlantisch Perspectief, 2018 nr. 1.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 88 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 89 ======================================================================

<pre>Kleinere rol kernwapens na het einde van de Koude Oorlog
Afstoting van de Nederlandse kernwapentaken, op één na
Na de topontmoeting tussen de presidenten Reagan en Gorbatsjov in Moskou in mei
1988 verbeterde de Oost-Westverhouding aanzienlijk. In maart 1989 ging in Wenen het
wapenbeheersingsoverleg over conventionele strijdkrachten in Europa (Conventional
Forces Europe - CFE) en vertrouwenwekkende maatregelen (Confidence and Security
Building Measures - CSBM) van start. Op 29 en 30 mei 1989 gaven de staatshoofden
en regeringsleiders van de NAVO tijdens een topconferentie te Brussel het zogenaamde
comprehensive concept for arms control and disarmament uit. Daarin stond dat na
voltooiing van een CFE-akkoord ook kon worden onderhandeld over gedeeltelijke reducties
van op land gestationeerde kernwapens voor de korte afstand. Daarmee in samenhang
zou ook de beoogde modernisering van de Lance-raketten aan de orde komen. Na
de val van de Berlijnse muur op 9 november 1989 kwamen de ontwikkelingen in een
stroomversnelling en begonnen de onderhandelingen over de Duitse eenwording. Aan
de vooravond van de NAVO-Top in Londen kondigde president Bush op 3 mei 1990
aan dat hij de moderniseringsprogramma’s voor de nucleaire (155-mm) artillerie en de
Lance had stopgezet. In Londen gaven de staatshoofden en regeringsleiders op 6 juli
1990 een verklaring uit waarin de bereidheid werd uitgesproken afstand te doen van
de kernwapens voor de kortste afstand (artillerie) en daarover zo spoedig mogelijk na
ondertekening van het CFE-akkoord te zullen onderhandelen. Met de inwerkingtreding van
het eenheidsverdrag was op 3 oktober 1990 de Duitse eenwording een feit.
Op 9 maart 1991 verscheen de Defensienota van minister Ter Beek. Daarin werd
vastgesteld dat het voornemen van de NAVO, om alle nucleaire artilleriegranaten uit
Europa te verwijderen mits de Sovjet-Unie hetzelfde zou doen, paste in een al langer
zichtbare verschuiving van nucleaire gevechtsveldwapens naar systemen met een
groter bereik. De nucleaire taken van het legerkorps zouden waarschijnlijk vóór 1995
komen te vervallen en ook de afdeling Lance-raketten zou op termijn waarschijnlijk
buiten dienst worden gesteld. De Defensienota maakte duidelijk dat voor de nucleaire
dieptebommen vooralsnog geen alternatief bestond. Ook de kernwapentaak van de
F-16 zou worden voortgezet, want: “Dit is het enige Nederlandse systeem waarmee kan
worden voldaan aan het criterium ‘weapons of last resort’. Tijdens een groot conflict
vormen deze wapens tevens de koppeling tussen de conventionele defensie in Europa en
de strategische kernwapens van de Verenigde Staten.”199 In de memorie van toelichting
op de Defensiebegroting voor 1992 werd op 17 september 1991 bekendgemaakt dat
om financiële redenen en in het licht van de ontwikkelingen de Nederlandse nucleaire
taken van de artillerie eerder zouden worden beëindigd en de daarmee belaste eenheden
opgeheven, namelijk van de 8-inch houwitsers in 1992 en van de Lance in 1993.
Uitgangspunt was dat het bondgenootschappelijk overleg dit schema mogelijk zou maken.
Op 27 september 1991 nam president Bush het initiatief tot eenzijdige vermindering van
Amerikaanse strategische en sub-strategische kernwapens. Hij reageerde daarmee op
de situatie in de Sovjet-Unie na de mislukte staatsgreep van augustus 1991. Dit besluit
betekende dat de Verenigde Staten overgingen tot wereldwijde eliminatie van nucleaire
wapens voor de korte afstand (Short-range Nuclear Forces - SNF) en tot verwijdering van
maritieme kernwapens van oorlogsschepen en van bases voor patrouillevliegtuigen. In een
brief aan de Kamer van 6 oktober 1991 verwelkomden de ministers van Buitenlandse Zaken
en van Defensie de eenzijdige Amerikaanse stappen die soortgelijke Sovjet-Russische
199 Defensienota 1991, ‘Herstructurering en verkleining’, 9 maart 1991, TK 1990-1991, 21991. nr. 3.
                                                   88
</pre>

====================================================================== Einde pagina 89 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 90 ======================================================================

<pre>maatregelen tot gevolg hadden. Met betrekking tot de Nederlandse nucleaire taken
concludeerden de ministers dat de nucleaire taak van de F-16 bleef bestaan, de nucleaire
taken van de artillerie en van de Lance zouden naar alle waarschijnlijkheid worden
beëindigd, evenals die van de Orion maritieme patrouillevliegtuigen.
De NPG verwelkomde op 18 oktober 1991 de besluiten van de Amerikaanse president en
bevestigde het belang van een blijvende stationering van een zo beperkt mogelijk aantal
kernwapens – uitsluitend voor dual capable aircraft – in Europa. SACEUR werd verzocht
binnen de bandbreedte van 600-800 wapens een definitieve verdeling uit te werken.
Daarmee zou het aantal kernwapens in Europa met 80 procent afnemen ten opzichte van
het aantal van 4.600 dat in 1983 te Montebello was afgesproken. Op 22 oktober 1991
verklaarde SACEUR dat de operationele taken van de nucleaire artillerie en Lance terstond
werden beëindigd. SACLANT deed dat op 10 februari 1992 ten aanzien van de nucleaire
taak met dieptebommen. Op 2 juli 1992 werd door het Witte Huis bekendgemaakt dat
alle 1.700 SNF-wapens en 500 maritieme wapens uit Europa waren verwijderd. Tijdens
de NAVO-topconferentie op 7 en 8 november 1991 te Rome werd het nieuwe strategische
concept bekrachtigd ter vervanging van MC 14/3. Daarin werd de nieuwe situatie met
betrekking tot de nucleaire strijdkrachten formeel vastgelegd, die een kleinere rol voor
kernwapens in de bondgenootschappelijke verdediging rechtvaardigde. Anderzijds bleef
de politieke rol van kernwapens onverminderd overeind: ‘to preserve peace and prevent
coercion and any kind of war’. De resterende taak voor de dual capable aircraft in Europa
verzekerde de koppeling met de strategische Amerikaanse nucleaire strijdkrachten, ter
onderstreping van de trans-Atlantische band. Mocht de nucleaire taak in de toekomst
alsnog versterking behoeven, dan lag het volgens de strategie voor de hand kernwapens te
op te stellen op offshore (maritieme) systemen.200 Het is tegen deze achtergrond dat de
F-16 gevechtsvliegtuigen een nucleaire taak in NAVO-verband bleven vervullen. De nadruk
lag daarbij niet langer op de instandhouding van een hoge paraatheid, doch veeleer op de
handhaving van de vaardigheid van vliegers en grondpersoneel om alle aspecten van deze
cruciale taak onder uiteenlopende omstandigheden doeltreffend te kunnen uitvoeren.
Vermindering van de strategische kernwapens
Na de totstandkoming van het INF-verdrag van 8 december 1987 en het CFE-verdrag
van 19 november 1990 bleken de presidenten Bush en Gorbatsjov bereid afspraken
te maken over een verregaande vermindering van strategische nucleaire systemen. In
het Strategic Arms Reduction Treaty (START) dat zij op 31 juli 1991 in Moskou tekenden,
kwamen zij overeen de strategische kernwapens na het einde van de Koude Oorlog met
zo’n 80 procent te verminderen. Het START(-I)-verdrag beperkte voor beide partijen het
aantal strategische kernkoppen tot 6.000, te plaatsen op maximaal 1.600 wapendragers
(bommenwerpers, intercontinentale raketten en raketten op onderzeeboten). START-I trad
in werking op 5 december 1994 en had een looptijd van vijftien jaar. Hoewel president
Bush en president Jeltsin in 1993 een vervolg-overeenkomst tekenden (START-II) waarin
met name de meervoudige kernkoppen (MIRV) werden teruggedrongen, trad dit verdrag
uiteindelijk niet in werking. Het Amerikaanse Congres ratificeerde START-II in 1996 en
200 The Alliance’s New Strategic Concept, 8 november 1991, pt. 56: “[The Allies] will maintain adequate
     sub-strategic forces based in Europe which will provide an essential link with strategic nuclear forces,
     reinforcing the trans-Atlantic link. These will consist solely of dual capable aircraft which could, if
     necessary, be supplemented by offshore systems. Sub-strategic nuclear weapons will, however, not be
     deployed in normal circumstances on surface vessels and attack submarines. There is no requirement
     for nuclear artillery or ground-launched short- range nuclear missiles and they will be eliminated”.
     Zie: <https://www.nato.int/cps/ua/natohq/official_texts_23847.htm>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 90 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 91 ======================================================================

<pre>Rusland in 2000, maar Rusland trok zich in 2002 terug nadat president Bush in 2001 het
Anti-Ballistic Missile (ABM)-verdrag uit 1972 had opgezegd. In 2002 werd in Moskou het
Strategic Offensive Reductions (SORT)-verdrag getekend tussen Rusland en de Verenigde
Staten. Het verdrag zou van kracht zijn van juni 2003 tot februari 2011 en begrensde hun
beider nucleaire arsenaal tot 1700-2200 operationele warheads.
Beide partijen bleven onderhandelen over verdere drastische reducties van strategische
kernwapens. Op 8 april 2010 tekenden de presidenten Obama en Medvedev in Praag
een nieuwe overeenkomst: Measures for the Further Reduction and Limitation of Strategic
Offensive Arms, ofwel New START. Dit verdrag trad op 5 februari 2011 in werking met
een looptijd van tien jaar. Daarin werden de strategische kernwapens voor beide partijen
uiterlijk in februari 2018 beperkt tot 1.550 kernkoppen en 800 wapendragers; van deze
laatste mogen er slechts 700 operatio­neel zijn. Voor zover bekend voldoen beide partijen
aan deze limieten. Op 1 september 2017 rapporteerde de Amerikaanse overheid 1.393
operationele kernkoppen op 660 operationele wapendragers en een maximum van 800
wapendragers.201 Rusland beschikt, terwijl het een moderniseringsprogramma uitvoert,
naar schatting over 527 opgestelde wapendragers en 1.444 kernkoppen van deze
categorie.202
Vermindering van de overige kernwapens
Na de eliminatie van INF-wapens zijn geen verdere bindende overeenkomsten gesloten
tussen de Verenigde Staten en Rusland over de overige (sub-strategische) kernwapens.
Daarentegen hebben de presidenten Bush (sr.), Gorbatsjov en Jeltsin kort na het einde
van de Koude Oorlog eenzijdige maatregelen afgekondigd, waarbij ook de arsenalen sub-
strategi­sche kernwapens drastisch werden gereduceerd. Over deze categorie wapens zijn
beide partijen weinig mededeelzaam gebleven, zodat het – anders dan bij de strategische
kernwapens – moeilijker is om de juiste aantallen vast te stellen.
Eenzijdige reducties Amerikaans arsenaal. In 1991 was het aantal sub-strategische
wapens waarover de Amerikanen in Europa beschikten al geslonken van het in 1983 te
Montebello vastgestelde aantal van 4.600 stuks tot ca. 2.500 stuks. In dat jaar werden
ook de Amerikaanse kernwapens uit Zuid-Korea teruggetrokken. Op 27 september 1991
kondig­de president Bush een drastische wereldwijde eenzijdige reductie aan van sub-
strate­gische kernwa­pens:
• volledige eliminatie van nucleaire landmachtwapens: artilleriegranaten,
    korteafstandsraketten en Atomic Demolition Mines;
• terugtrekking van maritieme kernwapens van oppervlakteschepen,
    aanvalsonderzeeboten en bases voor patrouillevliegtuigen;
• terugbrenging van het aantal kernwapens voor jachtvliegtuigen in Europa ten behoeve
    van de NAVO tot ca. 500 stuks.
Het merendeel van de verwijderde kernwapens werd ontmanteld. Slechts de B61-
vliegtuigbom­men – voor zover niet in Europa aanwezig – en de ongeveer 260 kernkoppen
voor nucleaire Tomahawk-kruisvlucht­wapens van de marine (TLAM/N) gingen in centrale
opslag in de Verenigde Staten. De Nuclear Posture Review (NPR) van 1994 bevestigde de
opheffing van nucleaire taken van de vliegkampschepen en andere oppervlakte schepen.
201 Zie: <https://www.armscontrol.org/factsheets/USStratNukeForceNewSTART>.
202 Zie: <https://www.armscontrol.org/factsheets/Russian-Strategic-Nuclear-Forces-Under-New-START>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 91 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 92 ======================================================================

<pre>De TLAM/N-koppen bleven in opslag om in crisissituaties (vooral in de Pacific) op
aanvalsonderzeeboten te worden geladen.203
In 2004 voerde president Bush zonder daaraan ruchtbaarheid te geven een halvering van
het aantal sub-strategische kernwapens door. Daardoor verminderde het aantal in Europa
opgeslagen vlieg­tuig­bommen tot waarschijnlijk circa 180 in 2009204 en verdwenen ze
van Amerikaanse luchtmachtbases in Engeland. De aantallen in de overige Europese
NAVO-landen opgeslagen vliegtuigbommen werden gehalveerd. De ruim 300 uit Europa
teruggetrokken vliegtuigbommen werden centraal in de V.S. opgeslagen en dienden om in
crisissituaties uit te zenden F-15 en F-16 squadrons te bewapenen.205
De NPR van april 2010 onder president Obama beëindigde de nucleaire taak van
de mari­tieme kruis­vluchtwapens (TLAM/N), waarvan de uit 1980 stammende en
inmiddels verouderde kernkoppen geleidelijk zouden wor­den ontmanteld. Ook kondigde
deze NPR aan dat de F-35 de nucleaire taak van de F-16 gaat overnemen en dat een
moderniseringsprogramma voor zowel de strategische als tactische versies van de B61-
vliegtuigbommen zou worden uitgevoerd.206
Eenzijdige reducties (Sovjet-)Russisch arsenaal. Medio 1991 was de terugtrekking van
kernwapens uit de voormalige Warschau-Pactlanden naar Rusland vol­tooid. Na het
uiteenvallen van de Sovjet-Unie in december 1991 werden ook alle 3.500 kern­wapens,
waaronder 2.000 vliegtuigbommen, uit Oekraïne teruggetrokken. Daar­mee was het
kernwapenarsenaal van de voormalige Sovjet-Unie overgebracht naar Rusland.207
De schattingen van het aantal (Sovjet-)Russische sub-strategische kernkoppen anno 1991
lopen uiteen van 15.000 tot 21.700 stuks voor een grote verscheidenheid van wapen­
systemen.208 Onmiddellijk na de door president Bush aangekondigde reducties kwam
president Gorbatsjov op 5 oktober 1991 met soortgelijke eenzijdige stappen:
• volledige eliminatie van nucleaire ladingen voor sub-strategische raketten, artillerie en
    mijnen;
• verwijdering van kernwapens aan boord van oppervlakteschepen, niet-strategische
    onderzeeboten en marinevliegtuigen, alsmede eliminatie van een deel van deze wapens;
• verwijdering van kernkoppen van luchtverdedigingsraketten, alsmede eliminatie van een
    deel van deze koppen.
203 Hans M. Kristensen, Non-Strategic Nuclear Weapons, Federation of American Scientists Special Report
     No. 3, May 2013, p. 12.
204 Dit getal komt voor in een via Wikileaks gepubliceerd telegram van de Amerikaanse ambassadeur bij de
     NAVO Ivo Daalder van september 2009 waarin verslag werd gedaan van een briefing door James Miller,
     Principal Under Secretary of Defense for Policy in de regering Obama.
205 Kristensen, p. 12.
206 Nuclear Posture Review Report, April 2010, pp. 27-28.
207 J.E. Kaplan en R.S. Soll (red.), ‘Walking the Walk. Controlling Arms in the 1990s. Summary of the Fifth
     Annual International Conference on Controlling Arms’, 3-6 June 1996, p. 32.
208 Kristensen, p. 51.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 92 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 93 ======================================================================

<pre>Bovendien bood president Gorbatsjov aan alle maritieme tactische kernwapens te
elimineren en alle kernkoppen van door tactische gevechtsvliegtuigen af te werpen vrije-
val vliegtuigbommen en air launched missiles centraal op te slaan, op voorwaarde dat de
Verenigde Staten (en dus ook de NAVO) dat eveneens zouden doen.
Enkele maanden later, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie scherpte president Jeltsin
op 29 januari 1992 de maatregelen van Gorbatsjov verder aan:
• de productie van nucleaire ladingen voor de te elimineren sub-strategische raketten,
    artillerie en mijnen was inmiddels beëindigd;
• van de aan boord van oppervlakteschepen, niet-strategische onderzeeboten en
    marinevliegtuigen te verwijderen kernwapens zou een derde worden geëlimineerd;
• van de van luchtverdedigingsraketten te verwijderen kernkoppen zou de helft worden
    geëlimineerd;
• In aanvulling hierop verklaarde president Jeltsin dat de helft van de voorraad nucleaire
    bommen voor de tactische luchtstrijdkrachten zou worden geëlimineerd.
Net als zijn voorganger, stelde president Jeltsin voor om alle vanuit de lucht in te zetten
tactische kernwapens terug te trekken en centraal op te slaan, mits de Verenigde Staten
hetzelfde zouden doen. Rusland zette hiermee de praktijk voort van de Sovjet-Unie sinds
de jaren vijftig om bilaterale afspraken over sub-strategische kernwapens afhankelijk te
maken van de eenzijdige verwijdering van alle Amerikaanse sub-strategische kernwapens
uit Europa.209 Omdat na de beëindiging van de Koude Oorlog het Westerse standpunt
ongewijzigd bleef om niet in te gaan op deze voorwaarde voor vervolgonderhandelingen,
werd de prioriteit gelegd bij de uitvoering van de eenzijdige reducties en de vermindering
van de strategische kernwapens (START).
Terwijl de Verenigde Staten hun nucleaire presentie in Europa stapsgewijs tot een
minimum terugbrachten (zie boven), bleef het mede vanwege het ontbreken van
verificatiemechanismen onzeker in hoeverre Rusland werkelijk afstand deed van de sub-
strategische kernwapens. Uitspraken van hooggeplaatste Russische functionarissen
voedden de twijfels over de toewijding van Rusland aan de uitvoering van de verklaringen
van Gorbatsjov en Jeltsin over de eenzijdige reducties.210
In de aanloop naar de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) in 2005
werd duidelijk dat Rusland 30 procent van de maritieme sub-strategische kernwapens en
50 procent van de nucleaire vliegtuigbommen en koppen voor luchtverdedigingsraketten
had ontmanteld. De ont­man­teling van nucleaire ladingen voor landmacht-wapensystemen
(korteafstandsraketten, artil­leriegranaten en mijnen) ondervond vertraging door gebrek aan
financiën en technische mogelijkheden. Uiteindelijk deelde onderminister van Buitenlandse
Zaken Kislyak in de NPV-toetsingsconferentie mede dat het Russische arsenaal van sub-
strategische kernwapens ten opzichte van 1991 met driekwart was verminderd. Vijf jaar
later werd dezelfde reductie opnieuw bekendgemaakt.211 Dit was mogelijk dankzij de zeer
209 David S. Yost, ‘Russia’s Non-strategic Nuclear Forces’, International Affairs 77 (July 2001), pp. 531-551.
210 Simon Saradshyan, ‘Russia’s Non-strategic Nuclear Weapons in Their Current Configuration and
      Posture: a Strategic Asset or Liability?’, Belfer Center for Science and International Affairs, Harvard
      Kennedy School, January 2010, pp. 5-6.
211 Kristensen, p. 51.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 93 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 94 ======================================================================

<pre>omvangrijke technische en financiële steun door de Verenigde Staten.212 Uitgaande van
de geschatte omvang in 1991 (zie boven) zou Rusland in 2010 dus nog tussen 3.750
en 5.425 sub-strategische kernwa­pens moeten be­zitten. In 2011 verklaarde James
Miller tegenover het Congres dat de regering-Obama van oordeel was dat het Russische
nucleaire arsenaal tussen 2.000 en 4.000 sub-strategische wapens omvatte.213
Ondertussen is Rusland voortgegaan met de reductie van sub-strategische kernwapens.
De ontmanteling van 50 procent luchtmacht-wapensystemen en 30 procent maritieme
wapensystemen lijkt voltooid, die van 60 procent van de luchtverdediging is meer dan het
door Jeltsin toegezegde aantal. De volledige ontmanteling van landmacht-wapensystemen
is echter niet voltooid, daar voor de verouderde SS-21 (Tochka) en zijn opvolger SS-26
(Iskandr-M) ballistische raketten met een bereik van minder dan 500 km nog steeds
kernkoppen aanwezig zouden zijn. In 2017 schatte de Bulletin of Atomic Scien­tists de
omvang van het Russische sub-strategische kernwapenarsenaal op ongeveer 1.850
wapens, naar schatting als volgt onderverdeeld:
• 750 wapens voor gebruik op zee (kruisvluchtwapens en raketten tegen lucht- en
    scheepsdoelen, dieptebommen en torpedo’s);
• 560 bommen en raketten te lanceren door zo’n 350 tactische bommenwerpers (Tu-
    22M3, Su-24M, Su-35) met een Europees bereik;
• 400 kernkoppen voor luchtverdedigingsraketten tegen vliegtuigen en ballistische
    raketten;
• 140 mobiele ballistische raketten met bereik tot 500 km (SS-21 en SS-26).214
Proliferatie van massavernietigingswapens als nieuwe dreiging
De aandacht verschoof van afschrikking en inperking van de tegenstander naar de
ontmanteling en terugtrekking van overbodig geworden wapensystemen. Er ontstond
momentum om non-proliferatie en nucleaire ontwapening tot de internationale norm te
verheffen. Dit kreeg zijn beslag in het permanent van kracht verklaren van het Nuclear
Non-Proliferation Treaty (non-proliferatieverdrag - NPV) in 1995. Hieraan lag ook een
machtspolitieke overweging ten grondslag: nu er geen sprake meer was van twee
machtsblokken onder leiding van de dominante kernwapenmachten, waren nieuwe
instrumenten nodig om de nucleaire proliferatie te beteugelen. Na de Golfoorlog
in 1991 was gebleken dat Irak al gedurende enkele jaren in het geheim over een
kernwapenprogramma beschikte en niet ver was verwijderd van de ontwikkeling van een
eigen kernwapen. In de oorlog met Iran had de Iraakse dictator Saddam Hussein bewezen
het gebruik van chemische wapens niet te schuwen. Pakistan en India bleken in de jaren ‘90
vastbesloten om de status van kernwapenmacht te bereiken. De twee landen traden niet
toe tot het NPV en hielden in 1998 eerste kernwapentests. Landen zoals Noord-Korea en
Iran bleken zelf geavanceerde rakettechnologie te ontwikkelen. In een steeds meer verweven
wereld hadden transnationale proliferatienetwerken zich kunnen onttrekken aan het toezicht
van staten en internationale organisaties zoals het Internationaal Atoomenergieagentschap
(IAEA). Daardoor kon onder meer Pakistan zijn nucleaire programma verwezenlijken.215
212 Eugene Rumer, ‘Russia Is Winning—Or Is It?’, Moscow Times, 30 juli 2018.
213 Kristensen, p. 52.
214 Hans M. Kristensen en Robert S. Norris, ‘Russian nuclear forces, 2017’, Bulletin of Atomic Schientists
     73 (2017) (2) 116.
215 Zie: <https://www.nytimes.com/2004/02/12/world/a-tale-of-nuclear-proliferation-how-pakistani-built-
     his-network.html>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 94 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 95 ======================================================================

<pre>De vrees bestond dat niet alleen staten maar ook internationaal opererende criminele
netwerken en terroristische organisaties toegang konden krijgen tot (kennis voor de
vervaardiging van) massavernietigingswapens en hoogwaardige rakettechnologie. In
1998 concludeerde de onderzoekscommissie onder leiding van de toenmalige senator
Rumsfeld dat er voor de Verenigde Staten een groeiende dreiging uitging van pogingen
raketprogramma’s te ontwikkelen door landen die vijandig stonden ten opzichte van de
Verenigde Staten. Dit zou vijf jaar na een besluit door een dergelijk land om ballistische
raketten te vervaardigen, kunnen resulteren in een concrete dreiging.216 Een maand na
het verschijnen van het commissierapport had een proeflancering plaats van een Noord-
Koreaanse Taepo-Dong raket over Japans grondgebied. Hierin werd de bevestiging gezien
dat niet-bevriende landen zoals Noord-Korea het bezit nastreefden van raketten voor
de lange en intercontinentale afstand. Op 6 januari 1999 nam de Verenigde Staten de
National Missile Defense Act aan, waarmee strategische raketverdediging tien jaar na het
verdwijnen van de Sovjetdreiging weer op de politieke agenda stond.217
Nu de noodzaak was weggevallen om de Sovjet-Unie middels nucleaire afschrikking
op afstand te houden, was het steeds meer de vraag welke rol (nucleaire)
afschrikking nog speelde in het licht van de groeiende dreiging van (proliferatie van)
massavernietigingswapens in het bezit van risicolanden, die bovendien werden gelieerd
aan terroristische organisaties. Na de terroristische aanslagen op de Verenigde Staten
op 11 september 2001 concludeerde de regering-Bush dat er rekening mee moest
worden gehouden dat strategische concepten zoals containment en mutual assured
destruction onbruikbaar waren tegen terroristen en tegen ‘rogue states’ die weinig
ophadden met bescherming van de eigen burgerbevolking (Irak, Iran en Noord-Korea). Waar
massavernietigingswapens tijdens de Koude Oorlog werden beschouwd als ‘weapons of
last resort’, was de grootste zorg nu dat tegenstanders ze werkelijk zouden gebruiken als
‘weapons of choice’. In plaats van een reactieve opstelling moest worden overgegaan
tot ‘preemptieve’ actie tegen zich ontwikkelende dreigingen. Daarvoor konden het
conventionele militaire overwicht van de Verenigde Staten en diplomatieke inspanningen
worden aangewend, maar uiteindelijk werd geen enkele optie uitgesloten om te voorkomen
dat tegenstanders in staat zouden zijn om massavernietigingswapens in te zetten tegen
de Verenigde Staten of zijn bondgenoten.218 De gebeurtenissen op 11 september 2001
vormden verder de aanleiding voor aanvullende investeringen in de doorontwikkeling van
strategische raketverdediging en de aankondiging van de opzegging van het ABM-verdrag
op 13 december 2001, die op 13 juni 2002 zijn beslag zou krijgen.
216 Report of the Commission to Assess the Ballistic Missile Threat to the United States, 15 juli 1998.
     Zie: <https://fas.org/irp/threat/bm-threat.htm>.
217 Zie ook: AIV-advies nr. 28, ‘De Amerikaanse Plannen voor Raketverdediging Nader Bekeken’, 17 juli 2002.
218 The National Security Strategy of the United States of America, September 2002.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 95 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 96 ======================================================================

<pre>                                                                                           Bijlage III
Advisory Opinion Internationaal Gerechtshof
Op 15 december 1994 heeft de Algemene Vergadering van de VN besloten het
Internationaal Gerechtshof, een van de hoofdorganen van de Verenigde Naties (zie
artikel 7 van het Handvest) advies te vragen over de rechtmatigheid van bedreiging
met of gebruik van nucleaire wapens: ‘Is the threat or use of nuclear weapons in any
circumstance permitted under international law?’. Het Hof is alleen met grote moeite
tot een advies gekomen.219 Weliswaar was het unaniem in de op zichzelf voor de hand
liggende beoordeling dat bedreiging met en gebruik van nucleaire wapens aan de eisen
van het internationale recht, in het bijzonder die van het Handvest, moeten voldoen, maar
de vraag of er verder beperkingen gelden kreeg een antwoord waar zeven rechters vóór en
zeven tegen waren. Het werd aanvaard doordat de stem van de (toenmalige) President de
doorslag gaf. In de overwegingen die tot het dictum leidden, zette het Hof vijf stappen om
tot zijn afwegingen te komen. Het is van belang deze stappen bij de interpretatie van het
advies te betrekken.
Het Hof gaat allereerst in op de uitzonderlijke aard van nucleaire wapens, waaruit
door voorstanders van een algemeen verbod was afgeleid dat het gebruik ervan het
verbod van genocide (neergelegd in een Conventie van 9 december 1948) en de
internationaalrechtelijke normen ter bescherming van het milieu aantast. Deze aspecten
kunnen weliswaar een rol spelen, maar leiden niet tot een algemene conclusie. Wel zal
de aard van nucleaire wapens een rol moeten spelen bij de beoordeling of de dreiging en
het gebruik ervan zich verdragen met het internationale recht betreffende het gebruik van
geweld.
De tweede stap in de overwegingen van het Hof betreft de algemene regels over het
gebruik van geweld in de internationale betrekkingen. De overwegingen van het Hof
sluiten het gebruik van nucleaire wapens in het kader van een door het Handvest
gelegitimeerde individuele of collectieve zelfverdediging niet bij voorbaat uit, voor zover
deze aan de vereisten van noodzakelijkheid en evenredigheid voldoet. Dat sluit echter niet
de mogelijkheid uit dat het gebruik van deze wapens op andere aan verdragen ontleende
gronden moet worden afgewezen.
Vandaar dat het Hof in de derde stap van zijn argumentatie ingaat op de verdragen die
van belang zijn inzake de bedreiging met of het gebruik van nucleaire wapens. Allereerst
gaat het Hof in op de mogelijkheid dat nucleaire wapens moeten worden beschouwd
als giftige wapens zoals in 1899, 1907 en 1925 internationaal verboden. Omdat deze
verboden nooit zijn opgevat als mede gericht tegen nucleaire wapens, verwerpt het
Hof deze mogelijkheid. Het wijst erop dat veeleer via specifieke verdragen bepaalde
massavernietigingswapens worden verboden zoals de ontwikkeling, de productie en het
in voorraad hebben van bacteriologische wapens (verdrag van 10 april 1972) en van
chemische wapens (verdrag van 13 januari 1993). Inzake nucleaire wapens geeft het Hof
vervolgens een opsomming van de diverse verdragen gericht tegen de verwerving en het
bezit van nucleaire wapens, de verdragen die proeven met kernwapens verbieden en de
verdragen waarbij kernwapenvrije zones zijn ingesteld, zoals Antarctica en Latijns-Amerika.
219 Legality of the Threat or Use of Nuclear Weapons, Advisory Opinion 8 juli 1996, ICJ Reports 1996. De
     tekst in deze bijlage is gebaseerd op een artikel van Prof.dr. E.M.H. Hirsch Ballin (Nucleaire wapens in
     het internationale recht. Advies van het Internationaal Gerechtshof van 8 juli 1996 over de rechtmatigheid
     van de dreiging met of het gebruik van nucleaire wapens, Ars Aequi, Vol. 47, No. 9, pp. 630-639).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 96 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 97 ======================================================================

<pre>Het belangrijkste van deze verdragen is dat van 1 juli 1968, in 1995 voor onbepaalde tijd
verlengd, inzake de non-proliferatie van nucleaire wapens.
De vierde stap in de argumentatie van het Hof betreft de mogelijkheid dat internationaal
gewoonterecht de bedreiging met of het gebruik van nucleaire wapens verbiedt. Een
argument daarvóór kan worden ontleend aan de herhaalde uitspraken van die strekking
door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, te beginnen met haar resolutie
1653 (XVI) van 24 november 1961. Daartegen pleit echter dat deze resoluties door een
belangrijke minderheid werden afgewezen. Het Hof kon hierin niet meer zien dan dat er
een groeiende overtuiging is dat nucleaire wapens niet mogen worden gebruikt. De steun
voor de opvatting dat ze door hun oorlog afschrikkende werking worden gelegitimeerd
is echter nog zo sterk dat het nog niet kan concluderen tot de gelding van een
gewoonterechtelijk verbod.
Daarmee komt het Hof uit bij de kritieke laatste stap in zijn argumentatie, namelijk de
verhouding tussen nucleaire wapens en de beginselen en regels van het internationale
humanitaire recht. Daaraan voegt het een korte passage toe betreffende de sinds 1907 in
de Vijfde Haagse Conventie verankerde verplichting, de neutraliteit van staten in geval van
oorlog te respecteren.
Het internationale humanitaire recht keert zich zowel tegen onnodig lijden van militairen
als tegen het betrekken van de burgerbevolking in de oorlogsvoering. Op beide punten zijn
nucleaire wapens evident verdacht, terwijl de grensoverschrijdende gevolgen van nucleair
wapengebruik neutrale staten bedreigt. Het Hof onderkent in zijn overwegingen dat deze
regels en beginselen de geoorloofdheid van nucleair wapengebruik inperken. Alhoewel
verschillende verdragen en die betreffende de positie van neutrale staten gespeend zijn
van een specifieke verwijzing naar nucleaire wapens verwerpt het Hof de mening:
    86. that the established principles and rules of humanitarian law applicable in armed
    conflict did not apply to nuclear weapons. Such a conclusion would be incompatible
    with the intrinsically humanitarian character of the legal principles in question which
    permeates the entire law of armed conflict and applies to all forms of warfare and to all
    kinds of weapons, those of the past, those of the present and those of the future.
    89. The Court finds that as in the case of the principles of humanitarian law applicable in
    armed conflict, international law leaves no doubt that the principle of neutrality, whatever
    its content, which is of a fundamental character similar to that of the humanitarian
    principles and rules, is applicable (subject to the relevant provisions of the United Nations
    Charter), to all international armed conflict, whatever type of weapons might be used.
Na deze stappen te hebben gezet, komt het Hof tot zijn afwegingen, die niet alleen
blijkens de stemverhoudingen, maar ook blijkens de tekst zelf moeilijk op één lijn waren
te brengen. Daarbij werd het recht op zelfverdediging mits noodzakelijk en evenredig - met
name geconfronteerd met het humanitaire internationale recht en het beginsel van de
neutraliteit. Het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, die net als vele andere staten
gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid zich door het Hof te doen horen, betoogden
dat het bijvoorbeeld op volle zee of in dun bevolkte gebieden mogelijk zou zijn nucleaire
wapens zo in te zetten dat ze vrijwel alleen militaire doelen treffen. Dat overtuigde het Hof
niet, maar het voelde zich ook niet in staat deze opvatting te weerleggen:
    94. The Court would observe that none of the States advocating the legality of the use
    of nuclear weapons under certain circumstances, including the “clean” use of smaller,
</pre>

====================================================================== Einde pagina 97 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 98 ======================================================================

<pre>   low yield, tactical nuclear weapons, has indicated what, supposing such limited use
   were feasible, would be the precise circumstances justifying such use; nor whether
   such limited use would not tend to escalate into the all-out use of high yield nuclear
   weapons. This being so, the Court does not consider that it has a sufficient basis for a
   determination on the validity of this view.
Evenmin echter vond het Hof voldoende gronden om het inzetten van nucleaire wapens
zonder meer af te wijzen. Dat brengt het tot de volgende bijna afsluitende overwegingen:
   95. Nor can the Court make a determination on the validity of the view that the recourse
   to nuclear weapons would be illegal in any circumstance owing to their inherent and
   total incompatibility with the law applicable in armed conflict. Certainly, as the Court
   has already indicated, the principles and rules of law applicable in armed conflict -- at
   the heart of which is the overriding consideration of humanity -- make the conduct of
   armed hostilities subject to a number of strict requirements. Thus, methods and means
   of warfare, which would preclude any distinction between civilian and military targets,
   or which would result in unnecessary suffering to combatants, are prohibited. In view of
   the unique characteristics of nuclear weapons, to which the Court has referred above,
   the use of such weapons in fact seems scarcely reconcilable with respect for such
   requirements. Nevertheless, the Court considers that it does not have sufficient elements
   to enable it to conclude with certainty that the use of nuclear weapons would necessarily
   be at variance with the principles and rules of law applicable in armed conflict in any
   circumstance.
   96. Furthermore, the Court cannot lose sight of the fundamental right of every State to
   survival, and thus its right to resort to self-defence, in accordance with Article 51 of the
   Charter, when its survival is at stake.
   Nor can it ignore the practice referred to as “policy of deterrence”, to which an
   appreciable section of the international community adhered for many years. The Court
   also notes the reservations which certain nuclear-weapon States have appended to the
   undertakings they have given, notably under the Protocols to the Treaties of Tlatelolco
   and Rarotonga, and also under the declarations made by them in connection with the
   extension of the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons, not to resort to such
   weapons.
   97. Accordingly, in view of the present state of international law viewed as a whole, as
   examined above by the Court, and of the elements of fact at its disposal, the Court is led
   to observe that it cannot reach a definitive conclusion as to the legality or illegality of the
   use of nuclear weapons by a State in an extreme circumstance of selfdefence, in which
   its very survival would be at stake.
Het besef van dit open eind zal het Hof wellicht hebben gestimuleerd aan de eigenlijke
beoordeling van de rechtmatigheid van de bedreiging met of het gebruik van nucleaire
wapens een aantal overwegingen toe te voegen die de verantwoordelijkheid voor een
afdoende beantwoording teruglegt bij de internationale gemeenschap. Deze dient door
onderhandeling te komen tot een goed controleerbare algemene nucleaire ontwapening:
   98. Given the eminently difficult issues that arise in applying the law on the use of
   force and above all the law applicable in armed conflict to nuclear weapons, the Court
   considers that it now needs to examine one further aspect of the question before it, seen
   in a broader context.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 98 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 99 ======================================================================

<pre>   In the long run, international law, and with it the stability of the international order which
   it is intended to govern, are bound to suffer from the continuing difference of views with
   regard to the legal status of weapons as deadly as nuclear weapons. It is consequently
   important to put an end to this state of affairs: the long-promised complete nuclear
   disarmament appears to be the most appropriate means of achieving that result.
   99. In these circumstances, the Court appreciates the full importance of the recognition
   by Article VI of the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons of an obligation to
   negotiate in good faith a nuclear disarmament. This provision is worded as follows:
   Each of the Parties to the Treaty undertakes to pursue negotiations in good faith on
   effective measures relating to cessation of the nuclear arms race at an early date and to
   nuclear disarmament, and on a treaty on general and complete disarmament under strict
   and effective international control.
   The legal import of that obligation goes beyond that of a mere obligation of conduct; the
   obligation involved here is an obligation to achieve a precise result -- nuclear disarmament
   in all its aspects -- by adopting a particular course of conduct, namely, the pursuit of
   negotiations on the matter in good faith.
   100. This twofold obligation to pursue and to conclude negotiations formally concerns the
   182 States parties to the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons, or, in other
   words, the vast majority of the international community.
   Virtually the whole of this community appears moreover to have been involved when
   resolutions of the United Nations General Assembly concerning nuclear disarmament
   have repeatedly been unanimously adopted. Indeed, any realistic search for general and
   complete disarmament, especially nuclear disarmament, necessitates the cooperation of
   all States.
Op grond hiervan komt het Hof tot de volgende dicta:
   A. Unanimously,
   There is in neither customary nor conventional international law any specific authorization
   of the threat or use of nuclear weapons;
   B. By eleven votes to three,
   There is in neither customary nor conventional international law any comprehensive and
   universal prohibition of the threat or use of nuclear weapons as such;
   C. Unanimously,
   A threat or use of force by means of nuclear weapons that is contrary to Article 2,
   paragraph 4, of the United Nations Charter and that fails to meet al1 the requirements of
   Article 51, is unlawful;
   D. Unanimously,
   A threat or use of nuclear weapons should also be compatible with the requirements of
   the international law applicable in armed conflict, particularly those of the principles and
</pre>

====================================================================== Einde pagina 99 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 100 ======================================================================

<pre>    rules of interna- tional humanitarian law, as well as with specific obligations under treaties
    and other undertakings which expressly deal with nuclear weapons;
    E. By seven votes to seven, by the President’s casting vote,
    It follows from the above-mentioned requirements that the threat or use of nuclear
    weapons would generally be contrary to the rules of international law applicable in armed
    conflict, and in particular the principles and rules of humanitarian law;
    However, in view of the current state of international law, and of the elements of fact at
    its disposal, the Court cannot conclude definitively whether the threat or use of nuclear
    weapons would be lawful or unlawful in an extreme circumstance of self-defence, in
    which the very survival of a State would be at stake.
Samenvatting
Het Internationaal Gerechtshof is unaniem van oordeel dat een bedreiging met of gebruik
van geweld met nucleaire wapens dat in strijd is met artikel 2, vierde lid, van het Handvest
van de Verenigde Naties en niet voldoet aan alle vereisten van artikel 51 (‘het inherente
recht tot individuele en collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval’)
onrechtmatig is.
Het Hof is voorts unaniem van oordeel dat een bedreiging met of gebruik van nucleaire
wapens onderworpen is aan het internationaal recht voor gewapende conflicten, in het
bijzonder de beginselen en regels van het internationale humanitaire recht, alsmede aan
specifieke verdragsverplichtingen inzake nucleaire wapens.
Het Hof is van oordeel dat bijgevolg de bedreiging met of het gebruik van nucleaire
wapens in het algemeen in strijd zou zijn met de regels van internationaal recht die
op gewapende conflicten van toepassing zijn en in het bijzonder met de beginselen en
regels van humanitair recht. Gezien de stand van het internationale recht en de feitelijke
gegevens waarover het beschikte, kon het Hof echter niet definitief vaststellen of de
bedreiging met of het gebruik van nucleaire wapens al dan niet rechtmatig zou zijn in
uiterste omstandigheden van zelfverdediging waarbij het voortbestaan zelf van een Staat
op het spel zou staan. Het Hof legt unaniem de verantwoordelijkheid bij de internationale
gemeenschap om door onderhandeling te komen tot een goed controleerbare algemene
nucleaire ontwapening.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 100 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 101 ======================================================================

<pre>                                                                                               Bijlage IV
Modernisering strategische triades
Rusland
-  Rusland beschikt over naar schatting 318 intercontinentale ballistische raketten
   (ICBM). De verouderde SS-19 en SS-25 ICBM worden vervangen door twee typen
   nieuwe SS-27 raketten, de SS-27 Mod 1 met een enkele kernkop en de SS-27 Mod
   2 die tot vier kernkoppen kan dragen (MIRV). Beiden typen SS-27 bestaan uit twee
   varianten: de ene vanuit raketsilo’s te lanceren, de andere vanaf lastig traceerbare
   mobiele lanceerplatformen. De SS-18 ICBM zal worden vervangen door de nog in
   ontwikkeling zijnde SS-X-29 of Sarmat (RS-28). Deze ‘zware’ ICBM kan vergelijkbaar
   met de SS-18 waarschijnlijk tot tien nucleaire ladingen (MIRV) dragen en is bedoeld om
   ook door geavanceerde raketverdediging heen te kunnen dringen. Mogelijk worden de
   silo’s voor de SS-X-29 met een raketverdedigingssysteem toegerust;
-  de nucleair voortgestuwde ballistische raketonderzeeboten (SSBN) van de Delta IV- en
   Delta III klasse worden de komende jaren vervangen door de verbeterde Borei-klasse,
   waarvan er al drie in de vaart zijn. De levering van de overige vijf is vertraagd. Elke
   Borei-klasse onderzeeboot zal worden uitgerust met 16 SS-N-32 Bulava ballistische
   raketten, die elk tot zes kernkoppen kunnen dragen. De acht Borei-SSBN (955/955-A)
   worden mogelijk in de jaren twintig verder aangevuld met nog eens vier om op hetzelfde
   aantal SSBN uit te komen als de Verenigde Staten;
-  het programma voorziet in modernisering van de huidige vloot van 60-70 lange afstand
   bommenwerpers (Tu-160 Blackjack en Tu-95MS Bear H). Dit betreft onder meer de
   invoering van een nieuw vanuit de lucht te lanceren nucleair kruisvluchtwapen, de
   Kh-102 (AS-23B). Volgens planning moet na 2023 een nieuw type Tu-160 worden
   ingevoerd, de Tu-160M2 (vooral ter vervanging van de Tu-95MS). Vanaf midden jaren
   twintig zou bovendien een nieuwe generatie bommenwerpers zijn intrede moeten
   doen, de PAK-DA, echter het wordt betwijfeld of de Russische luchtvaarindustrie
   beide beoogde nieuwe toestellen min of meer tegelijk kan leveren. De strategische
   luchtstrijdkrachten zouden uiteindelijk over 50-60 toestellen moeten beschikken.
China
-  China beschikt over 50 tot 75 ICBM-lanceerinrichtingen en naar schatting tot 100 ICBM
   waarvan een deel de Verenigde Staten kan bereiken.220 Waarschijnlijk heeft China een
   deel van de in silo’s geplaatste ICBM uitgerust met meervoudige kernkoppen, bedoeld
   om door geavanceerde raketverdediging heen te kunnen dringen. De verouderde
   ICBM met vloeibare brandstofmotoren worden vervangen door (robuustere) vaste
   brandstofraketten, mede bestemd voor mobiele lanceerinrichtingen en mogelijk toe te
   rusten met MIRV (DF-31A, DF-41).
-  China beschikt sinds 2015 over zelf ontwikkelde Jin-class (Type 094) SSBN. De vier,
   op termijn mogelijk vijf onderzeeboten worden elk toegerust met 12 JL-2 ballistische
   raketten, een gemodificeerde versie van de DF-31 ballistische raket met een bereik van
   meer dan 7.000 km. Het is onzeker of de SSBN reeds op reguliere basis strategische
220 Schattingen kunnen variëren, afhankelijk of alleen het continentale deel van de Verenigde Staten in
     ogenschouw wordt genomen, of ook Alaska, Hawaii, Guam, Amerikaans Samoa en kleinere eilanden in
     de Stille Oceaan.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 101 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 102 ======================================================================

<pre>   afschrikkingspatrouilles kunnen uitvoeren. Voor een aanval op het vasteland van de
   Verenigde Staten zouden de SSBN zich wel ver buiten de relatief veilige thuiswateren
   moeten begeven. China zal naar verwachting het komende decennium een meer
   capabele derde-generatie SSBN ontwikkelen (Type 096);
-  de Chinese luchtstrijdkrachten hebben formeel geen nucleaire taak, maar enkele
   verouderde H-6 langeafstandsbommenwerpers zijn waarschijnlijk nuclear capable, want
   in het verleden gebruikt voor kernwapentests. In 2012 hebben de luchtstrijdkrachten
   een strategische afschrikkingstaak gekregen, waaronder de beoefening van
   langeafstandsaanvallen met conventionele (kruisvlucht-)wapens (H-6K).221 Volgens
   analisten beschikt China mogelijk nog altijd over een (Koude Oorlog-)restant van enkele
   tientallen nucleaire vrije-valbommen. Chinese militaire functionarissen hebben in 2016
   aangekondigd dat het land een nieuwe strategische bommenwerper voor de lange
   afstand ontwikkelt, die vanaf midden jaren twintig zal worden ingevoerd.
Verenigde Staten
-  Met een levensduur-verlengend programma zijn de 400 Minuteman III ICBM reeds
   gereed gemaakt om tot 2030 dienst te doen. Deze in silo’s opgestelde raketten zijn
   toegerust met een enkelvoudige nucleaire lading of een kop waarin drie nucleaire
   ladingen kunnen worden geplaatst. Vanaf 2029 moet een nieuwe generatie ground
   based ICBM haar intrede doen, op basis van de huidige twee typen kernkoppen, maar
   met waarschijnlijk een groter bereik en verbeterde targeting capability. In de tussentijd
   wordt de nucleaire command and control voor de ICBM gemoderniseerd, waaronder
   beter beveiligde en snellere communicatiesystemen;
-  volgens planning zullen vanaf eind jaren twintig 12 nieuwe Columbia-klasse SSBN de
   huidige 14 Ohio-klasse SSBN moeten vervangen. De Columbia-klasse zal 2.000 ton
   zwaarder zijn dan de Ohio-klasse en over 16 in plaats van de huidige 20 lanceerbuizen
   beschikken voor de reeds gemoderniseerde Trident II ballistische raketten. Deze
   raketten kunnen elk tot acht kernkoppen dragen, waarvoor twee varianten (100 kt en
   455 kt) beschikbaar zijn. Een klein aantal van de 100 kt-variant zal volgens de NPR
   worden geconverteerd naar een kop met een relatief beperkt vernietigend vermogen
   (low yield);
-  vanaf midden jaren twintig wordt een nieuwe generatie nucleaire bommenwerpers
   ingevoerd, de B-21, ter aanvulling en geleidelijke vervanging van (een deel van) de
   huidige strategische luchtvloot van B-52H en B-2 nuclear capable langeafstand
   bommenwerpers. De huidige vloot krijgt robuustere nucleaire systemen en
   communicatienetwerken. Voorts wordt een nieuw nucleair Long Range Stand-Off (LRSO)
   kruisvluchtwapen ontwikkeld voor ingebruikname door alle drie de vliegtuigtypen,
   ter vervanging van het uit de jaren tachtig van de vorige eeuw stammende air-
   launched cruisemissile, dat alleen aan de B-52H is toegewezen. De kernkop van het
   verouderde kruisvluchtwapen zal de basis vormen voor de nucleaire lading van het
   nieuwe kruisvluchtwapen. Het LRSO-kruisvluchtwapen moet ook door geavanceerde,
   geïntegreerde luchtverdedigingssystemen heen kunnen dringen en heeft een veel
   groter bereik dan de (B61) vrije-val bommen, die eveneens door de B-2 kunnen worden
   afgeworpen.
221 U.S.-China Economic and Security Review Commission, ‘China’s Expanding Ability to Conduct
     Conventional Missile Strikes on Guam’, 10 mei 2016.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 102 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 103 ======================================================================

<pre>                                                                                              Bijlage V
Europese nucleaire afschrikking
Het debat over een onafhankelijke Europese nucleaire afschrikking werd eind 2016
in de Duitse media gevoerd, maar drong pas later door tot andere Europese en
Amerikaanse media. De aanleiding was een aantal uitspraken die Donald Trump als
presidentskandidaat had gedaan waarbij hij de Amerikaanse nucleaire garantie voor
Europese NAVO-bondgenoten ter discussie stelde. Het Bondsdaglid voor de CDU/
CSU, Roderich Kiesewetter, startte de discussie over een ‘Eurodeterrent’ als een
gedachtenexperiment.222 Mocht het zo ver komen dat de nucleaire paraplu van de
Verenigde Staten zou wegvallen, dan zou Europa een ‘plan B’ tot zijn beschikking moeten
hebben. Een van de genoemde scenario’s was een Franse en Britse nucleaire garantie
ter bescherming van de Europese lidstaten van de EU en de NAVO.223 Een redactioneel
stuk in de Frankfurter Allgemeine Zeitung in november 2016 ging een stap verder door
erop te wijzen dat in het uiterste geval Duitsland zichzelf zou moeten bewapenen met
kernwapens.224 Hoewel de krant stelde dat een onafhankelijk Europees (nucleair)
afschrikkingsbeleid onrealistisch en onhaalbaar was, zwengelde het tegelijkertijd wel de
verdere discussie aan over de noodzaak dat er rekening moet worden gehouden met een
tijd waarin Europa niet meer kan rekenen op een Amerikaanse nucleaire garantie.
In Duitsland ging de discussie ging voort. In 2017 werd in een parlementair onderzoek
door de Bondsdag (onder leiding van Kiesewetter) onderzocht in hoeverre deelname van
Duitsland aan het Franse nucleaire afschrikkingsbeleid legaal zou zijn. Het onderzoek
concludeerde dat dit geen schending van het Nucleair Non-Proliferatieverdrag of het ‘Twee-
Plus-Vier Verdrag’ zou betekenen maar een aanvaardbare voortzetting zou zijn van het
‘nuclear-sharing’-beleid dat nu al door Duitsland binnen de NAVO wordt uitgevoerd.225
Overigens concludeert het onderzoek dat er al een volkenrechtelijke verplichting bestaat
van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in het kader van Artikel 42.7 van het EU-verdrag
om wederzijdse militaire bijstand te verlenen, inclusief nucleaire, in het geval van een
gewapende aanval op het grondgebied van een EU-lidstaat. Aangezien geen van beide
landen een voorbehoud heeft geplaatst bij het EU-verdrag, zijn de nucleaire capaciteiten
immers niet uitgezonderd voor de bijstandsverplichting van de lidstaten ‘met alle middelen
waarover zij beschikken’. Het onderzoek vraagt zich niet af of deze argumenten die
momenteel vooral een juridische strekking hebben ook voldoende politieke en militaire
afschrikking bieden voor een potentiële tegenstander.
222 Martin Zagatta, ‘Wir werden mehr Geld für unsere Sicherheit ausgeben müssen’, Deutschlandfunk,
      18 november 2016, <http://www.deutschlandfunk.de/eu-verteidigungspolitik-nach-der-us-wahl-wir-
      werden-mehr.694.de.html?dram:article_id=371737>.
223 ‘Fearing U.S. Withdrawal, ’Europe Considers its Own Nuclear Deterrent’, New York Times, March 2017.
224 Berthold Kohler, “Das ganz und gar Undenkbare,” Frankfurter Allgemeine Zeitung, 27 november
      2016, <http://www.faz.net/aktuell/politik/inland/nach-donald-trump-sieg-deutschland-muss-
      aussenpolitik-aendern-14547858.html>. Zie voor een overzicht van het debat in Duitsland van
      november 2016 tot heden: <https://carnegieendowment.org/2018/08/15/tracking-german-nuclear-
      debate-pub-72884>.
225 Wissenschaftliche Dienste Deutscher Bundestag, Völkerrechtliche Verpflichtungen
      Deutschlands beim Umgang mit Kernwaffen Deutsche und europäische Ko-Finanzierung
      ausländischer Nuklearwaffenpotentiale, 2017, <https://www.bundestag.de/blob/513080/
      c9a903735d5ea334181c2f946d2cf8a2/wd-2-013-17-pdf-data.pdf>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 103 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 104 ======================================================================

<pre>Hoewel tijdens en na de Koude Oorlog op verschillende momenten informele gesprekken
zijn gevoerd tussen Duitsland en Frankrijk over het uitstrekken van het Franse nucleaire
afschrikkingsbeleid over bondgenoten, zijn deze nooit uitgewerkt.226 Frankrijk zegt dat het
beschikbaar is voor overleg over een Europese nucleaire doctrine. Duitsland, dat dan ook
een deel van de kosten op zich zou moeten nemen, heeft vooralsnog geweigerd hier op
in te gaan. Een meerderheid van de Duitse bevolking is sterk gekant tegen kernwapens
en politiek gezien zou dit Washington vooral een reden kunnen geven om de Amerikaanse
betrokkenheid bij Europa te verminderen. Deze argumenten gelden nog steeds, maar dat
de discussie over een Eurodeterrent de laatste jaren weer oplaait en zelfs ruimte lijkt te
ontstaan voor debat over een zelfstandige (Duitse) nucleaire capaciteit, tekent hoezeer er
onzekerheid heerst over de trans-Atlantische band.227
Franse en Britse nucleaire afschrikking
Ondertussen is de nucleaire samenwerking tussen het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk
versterkt. De Frans-Britse Lancaster House Treaties uit 2010 kende op dit politiek gevoelige
terrein een separaat nucleair verdrag met een looptijd van vijftig jaar.228 Frankrijk en
het Verenigd Koninkrijk spraken af samen te investeren in onderzoeksfaciliteiten voor
kernwapens. Er worden nieuwe testlocaties gecreëerd in de Atomic Weapons Research
establishment in Aldermaston en in het Valduc-centrum van het Commissariat à l’énergie
atomique et aux énergies alternatives in Bourgogne. Te Valduc wordt de komende vijftig jaar
de veiligheid en bruikbaarheid van de Britse en Franse nucleaire kernkoppen getest. De
twee landen zijn daarnaast een onderzoek gestart naar het gezamenlijk ontwikkelen van een
aantal technologische onderdelen van de volgende generatie nucleaire onderzeeboten.229
Overigens is er al sinds 1992 een gezamenlijke ‘Nucleaire Commissie’ waarin Frankrijk en
het Verenigd Koninkrijk regelmatig overleggen.
Doordat de twee landen andere opvattingen hebben over de mate van autonomie van hun
nucleair afschrikkingsbeleid, blijft hun samenwerking beperkt. Het Verenigd Koninkrijk
heeft vier onafhankelijk opererende onderzeeboten met SLBM’s (Submarine Launched
Ballistic Missiles), maar het leunt sterk op samenwerking met de Verenigde Staten met
betrekking tot de raketten. Het neemt deel aan de upgrade van de Amerikaanse Trident II
D5 raketten en onderhoudt een gemeenschappelijke raket-pool met de Verenigde Staten.
Bovendien ontwikkelt Londen een gemeenschappelijk raketcompartiment met de VS voor
de opvolger van de Vanguard-klasse onderzeeboten, de Dreadnought. Frankrijk heeft zijn
226 Catherine McArdleKelleher, Germany & the Politics of Nuclear Weapons (Colombia UP, 1975, Germany
     goes Nuclear,: 1957-1960, pp. 60-89; Zie ook: ISS Occasional Papers 3, Burkard Schmitt, ‘L’Europe et
     la Dissuasion Nucleaire’, oktober 1997; en: <http://www.spiegel.de/international/europe/thanks-but-
     no-thanks-sarko-s-nuke-offer-bombs-with-berlin-a-506124.html>.
227 Opiniebijdrage Christian Hacke in Welt am Sonntag van 29 juli 2018, <https://www.welt.de/politik/
     deutschland/plus180136274/Eine-Nuklearmacht-Deutschland-staerkt-die-Sicherheit-des-Westens.
     html>, en in reactie daarop: Wolfgang Ischinger, <https://www.securityconference.de/news/article/
     ein-atomares-deutschland-waere-verhaengnisvoll/>.
228 Treaty Between the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland and the French Republic
     Relating to Joint Radiographic/Hydrodynamics Facilities, 2 november 2010.
229 Benoit Gomis, Franco-British Defence and Security Treaties: Entente While it Lasts?, Chatham
     House, March 2011, p. 6, <http://www.chathamhouse.org/sites/default/files/public/Research/
     International%20Security/0311pp_gomis.pdf>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 104 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 105 ======================================================================

<pre>onafhankelijkheid hoog in het vaandel. Het heeft zijn nucleair arsenaal buiten de NAVO
gehouden en hecht sterk aan zijn nucleaire autonomie door middel van vier operationeel
autonome onderzeeboten met SLBMs, inclusief in Frankrijk ontwikkelde kernkoppen.
Daarnaast beschikt het land over 54 met nucleaire lading uit te rusten medium-range
ASMP-A (airsol moyenne portée-améliorée) kruisvluchtwapens, toegewezen aan twee
squadrons jachtbommenwerpers.230 Alle systemen zijn van Franse makelij.
Eurodeterrent – haalbaar en geloofwaardig?
In de EU Global Strategy van 2016 wordt gesproken over de noodzaak van de EU om
“strategisch autonoom” te zijn. Nadat deze ambitie zich in de eerste jaren van het
Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid vooral richtte op ‘operationele
autonomie’ (zoals bijvoorbeeld de aspiratie ‘to act autonomously’ in de St. Malo verklaring
van premier Blair en president Chirac) ligt de nadruk de laatste jaren vooral op industriële
autonomie. Initiatieven zoals het Europese Defensiefonds van de Europese Commissie
zijn onder meer gericht op de ontwikkeling van een innovatieve en concurrerende Europese
defensie-industrie. Operationele, politieke en industriële Europese autonomie zou ook
een Europees nucleair afschrikkingsbeleid kunnen behelzen om zo de handelingsvrijheid
van Europa te vergroten.231 Hoewel de EU Global Strategy deze nucleaire dimensie van
strategische autonomie niet specifiek noemt, laten de EU-lidstaten zoveel onduidelijkheid
bestaan over de precieze definitie ervan, dat het niet is uit te sluiten dat het ook deze
dimensie behelst.
Het is politiek gevoelig om na te denken over de nucleaire opties voor Europa mocht
onverhoopt de Amerikaanse nucleaire garantie wegvallen. Maar het is politiek en
strategisch naïef om dit geheel na te laten, ongeacht wie in het Witte Huis zit.232 Er zijn
juridisch geen grote bezwaren om een Amerikaanse nuclear-sharing-doctrine aan te vullen
of, indien noodzakelijk, te verruilen voor één die wordt gegarandeerd door Frankrijk en
mogelijk het Verenigd Koninkrijk. Het lijkt geen inbreuk te zijn op het NPV en de garantie is
al gegeven door beide landen in het EU Verdrag (Art. 42.7) en het Verdrag van Washington
(Art. 5). De nucleaire arsenalen van Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zijn weliswaar
tezamen veel kleiner dan die van de Verenigde Staten, maar afschrikking heeft niet alleen
te maken met aantallen, maar ook met geloofwaardigheid. Anders dan de Verenigde
Staten zijn Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk door hun geografische positie in Europa net
zo kwetsbaar in het geval van een nucleaire aanval als hun Europese bondgenoten. Een
eigen, Europees nucleair afschrikkingsbeleid kan daarmee aan geloofwaardigheid winnen.
De effectiviteit, inzetbaarheid en betrouwbaarheid, ook tegen de modernste Russische
A2/AD-netwerken, van de nucleaire wapens van beide landen zou dan wel moeten worden
verbeterd. Dit betekent eventueel dat Europese landen bereid zouden moeten zijn om
financieel bij te dragen aan de hoge kosten van het nucleaire arsenaal van Frankrijk en het
Verenigd Koninkrijk. Een geloofwaardig Europees afschrikkingsbeleid omvat echter meer
dan een nucleaire component. Een zelfstandig(er) Europa in militaire zin vereist allereerst
230 Zie: <http://www.reachingcriticalwill.org/images/documents/Publications/modernization/assuring-
      destruction-forever-2018.pdf >, p. 9.
231 Zie: Margriet Drent, ‘European Strategic Autonomy – Going it Alone?’, Clingendael Policy Brief,
      August 2018, <https://www.clingendael.org/publication/european-strategic-autonomy-going-it-alone>.
232 Aleksandra Marksteiner, ‘Alternative Futures: Rethinking the European Nuclear Posture’, Atlantic
      Council, 18 juli 2017, <http://www.atlanticcouncil.org/blogs/new-atlanticist/alternative-futures-
      rethinking-the-european-nuclear-posture>.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 105 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 106 ======================================================================

<pre>een robuuste conventionele capaciteit en een sterke industriële en economische basis.
Daarbij komt nog de noodzaak van eensgezind politiek optreden in crisistijd. Ook daar is
nog een lange weg te gaan.
Politiek, militair en strategisch is het belangrijk dat de trans-Atlantische veiligheidsrelatie
robuust blijft en de Amerikaanse nucleaire veiligheidsgarantie geloofwaardig. Met het
oog op de onzekere toekomst, in het bijzonder de onzekere toekomstige relatie met de
Verenigde Staten, is het ook verstandig om te verkennen welke mogelijkheden er zijn
om invulling te geven aan een grotere Europese nucleaire zelfstandigheid. Hierin ligt het
dilemma voor Europa besloten: hoe de trans-Atlantische band te waarborgen en zich
tegelijkertijd te bezinnen op een mogelijk noodzakelijke Eurodeterrent?
</pre>

====================================================================== Einde pagina 106 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 107 ======================================================================

<pre>                                                                                  Bijlage VI
Woordenlijst en afkortingen
Woordenlijst
Afschrikking (deterrence): beïnvloeding van het strategische gedrag van een tegenstander
door ontmoediging van ongewenst handelen. Het denken hierover nam in de eerste
decennia van de Koude Oorlog aan Westerse zijde een hoge vlucht in academische
en politieke kringen. In de verhoudingen tussen kernwapenstaten heeft afschrikking
vooral betrekking op de ontmoediging van gewapende agressie, uitgaande van rationele
en gecontroleerde besluitvorming aan beide zijden. Besluitvormers van de tegenpartij
moeten worden overtuigd dat een gewapende aanval niet succesvol zal zijn en dat
escalatie fatale risico’s met zich mee zal brengen. Een geloofwaardig (nucleair) reactie-
en vergeldingsvermogen maakt een militaire confrontatie onaantrekkelijk en noopt tot
terughoudendheid. Ontmoediging van escalatie kan gepaard gaan met aansporingen tot
de-escalatie (terugtrekking, onderhandelingen), door een ultimatum en/of beloning van
gewenst gedrag in het vooruitzicht te stellen.
Anti-Access / Area Denial (A2/AD): het vermogen of de strategie om de tegenstander
de toegang te ontzeggen tot een betwist gebied en om de handelingsruimte van een
tegenstander in te perken in gebieden waar die militair aanwezig is of militair overwicht
heeft. A2/AD-capaciteiten kunnen een defensief oogmerk hebben, maar ook offensieve
operaties ondersteunen.
Ballistische raket (ballistic missile): een door een raketmotor voortgestuwd projectiel dat,
nadat de juiste snelheid en precisie zijn verkregen (en de voortstuwing is uitgeschakeld),
een ballistische baan volgt naar het ingestelde doel. De raket bestaat uit een
voortstuwingsdeel, een besturingsdeel en de kop (payload of warhead) die kan worden
voorzien van een conventionele of andere (nucleaire, chemische, biologische) lading en
ontsteker. Ballistische raketten kunnen vanaf een vaste plek op land, maar ook door
mobiele lanceerinrichtingen (vanaf voertuigen, vliegtuigen, schepen en onderzeeboten)
worden afgevuurd. Niet te verwarren met een kruisvluchtwapen (zie onder).
Counter force: strategische kernwapens die zijn gericht op militaire doelwitten zoals
lanceerinrichtingen, opslaglocaties en overbrengingsmiddelen voor kernwapens,
commandocentra, militair-logistieke infrastructuur.
Counter value: strategische kernwapens die zijn gericht op civiele doelwitten, in het
bijzonder steden en industrieën.
De-alerting: maatregelen bedoeld om de gereedheid van nucleaire wapensystemen te
verlagen, om de tijdsduur tot inzet te verlengen en het risico op ongelukken en onbedoelde
of niet-geautoriseerde inzet zo klein mogelijk te maken. Dit behelst bijvoorbeeld het
fysiek scheiden van kernkoppen van de rest van het wapensysteem of strengere
verificatievereisten in besluitvorming- en lanceerprocedures.
De-targeting: een specifieke maatregel bedoeld om de gereedheid van nucleaire
wapensystemen te verlagen (zie ook ‘de-alerting’) waarbij kernwapens niet onder
vredesomstandigheden worden voorzien van doelgegevens, of zijn gericht op gebieden waar
ze bij onbedoelde inzet zo min mogelijk schade zullen aanrichten (bijvoorbeeld op open zee).
Dual capable: de toerusting van wapensystemen voor zowel nucleaire als conventionele
inzet. Dit kan de explosieve lading van raketten en kruisvluchtwapens betreffen, maar ook
</pre>

====================================================================== Einde pagina 107 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 108 ======================================================================

<pre>gevechtsvliegtuigen die naast conventionele opdrachten ook een nucleaire taak vervullen
(Dual Capable Aircraft – DCA).
Escalatiedominantie: begrip uit de afschrikkingstheorie waarmee het streven van nucleaire
mogendheden wordt aangeduid om overwicht te bereiken op alle niveaus van militaire
inzet, voor het geval dat een confrontatie met een tegenstander onafwendbaar is geworden
(‘falen’ van de afschrikking). Hoewel het verloop van een dergelijk conflict onzeker is
en vraagtekens moeten worden geplaatst bij de beheersbaarheid ervan, kan een scala
aan conventionele en nucleaire capaciteiten ook bijdragen tot de geloofwaardigheid van
de afschrikking. Immers, beide opponenten hebben er baat bij om niet de strategische
kernwapenarsenalen te hoeven aanspreken (met vernietigende gevolgen voor alle
betrokken partijen) en een conflict op lager gelegen niveaus te kunnen beslechten
(‘herstel’ van de afschrikking).
Extended deterrence: het nucleaire arsenaal van de Verenigde Staten dient niet
alleen om agressie tegen het land zelf te ontmoedigen (central deterrence), maar ook
om bondgenoten en partners hiervan te vrijwaren (extended deterrence). Nucleaire
veiligheidsgaranties kunnen dienen om de band met bondgenoten en partners te
versterken, deze gerust te stellen en proliferatie te helpen voorkomen. De keerzijde
van deze ‘koppeling’ is dat een regionaal conflict met een strategische opponent kan
leiden tot een (nucleaire) vergeldingsaanval op het eigen grondgebied, hetgeen noopt tot
terughoudendheid en volgens critici de extended deterrence minder geloofwaardig maakt
dan de central deterrence.
First strike-capability: het vermogen om met een eerste aanval alle strategische wapens
van de tegenstander te vernietigen zodat deze geen tegenaanval kan uitvoeren die tot
onacceptabele verliezen aan eigen zijde zou leiden (ook wel: ‘disarming attack’).
Horizontale proliferatie: toename van het aantal staten dat over kernwapens beschikt.
Daarmee neemt ook het risico toe dat niet-statelijke actoren toegang kunnen krijgen tot
nucleaire kennis en nucleair materiaal waarmee een nucleaire explosie of radiologische
besmetting kan worden veroorzaakt.
Kernwapen: een wapen dat zijn vernietigende vermogen ontleent aan vrijgekomen energie
(schokgolf, hitte, straling) ten gevolge van een nucleaire reactie (het splijten van atomen,
het fuseren van atomen). Bij een splijtingsreactie spreekt men ook wel van atoombommen,
bij (gedeeltelijke) fusiereactie van thermonucleaire bommen of waterstofbommen.
Kernwapenstaten: de in het Non-proliferatie Verdrag (1970) formeel erkende
kernwapenstaten: Verenigde Staten, Sovjetunie (nu Rusland), Verenigd Koninkrijk, Frankrijk
en China. Ruimer geïnterpreteerd, beschikken tegenwoordig in totaal negen landen over
kernwapens.
Koppeling: tijdens de Koude Oorlog stelden de Verenigde Staten zich garant voor de
veiligheid van Europese bondgenoten door de toezegging in uiterste gevallen het
(strategische) kernwapenarsenaal van de Verenigde Staten te zullen aanspreken,
indien alleen op die manier een overweldigende aanval door de Sovjet-Unie kon worden
beëindigd (zie ook: extended deterrence). De hieruit voortvloeiende kwetsbaarheid (een
vergeldingsaanval van de Sovjet-Unie op Amerikaanse steden) zou, vanuit Europees
perspectief bezien, de Verenigde Staten tegelijk manen om terughoudend te zijn en
spanningen in het Europese theater niet te laten escaleren tot een nucleair conflict.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 108 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 109 ======================================================================

<pre>Kruisvluchtwapen (cruise missile): een projectiel dat gedurende de gehele vluchttijd wordt
voortgestuwd door een motor en middels een eigen navigatie- en besturingssysteem
volgens een vluchtplan naar het ingestelde doel vliegt (op veel lagere hoogte dan
ballistische raketten).
Launch-on-warning: een hoge staat van paraatheid van de nucleaire strijdkrachten waarbij
de tijd die nodig is om na de vaststelling van een vijandelijke aanval over te kunnen gaan
tot inzet van kernwapens, zo beperkt mogelijk wordt gemaakt.
Mutual Assured Destruction (MAD): doctrine die ervan uitgaat dat het perspectief van
wederzijdse vernietiging een matigende en mogelijk oorlog-voorkomende werking heeft in
een situatie van aan elkaar gewaagde strategische rivalen die beiden over een verzekerd
nucleair vergeldingsvermogen beschikken. Een op nucleaire vergelding gebaseerd
afschrikkingsevenwicht.
Niet-kernwapenstaten: de in het NPV formeel als niet-kernwapenstaten te boek staande
landen.
Nuclear sharing: een concept binnen het nucleaire afschrikkingsbeleid van de NAVO
waarmee NAVO-lidstaten die zelf niet beschikken over kernwapens worden betrokken bij
het kernwapenbeleid van de NAVO.
Nucleaire pariteit: kwantitatieve en/of kwalitatieve balans van wapensystemen tussen
partijen, waarbij iedereen zich veilig voelt. In absolute zin: numeriek gelijke aantallen
kernwapens en overbrengingsmiddelen. In relatieve zin: gelijkwaardige capaciteiten.
Second-strike capability: het vermogen van een kernwapenstaat om een aanval van
een andere kernwapenstaat te weerstaan en te vergelden met een vernietigende
tegenaanval (nucleair vergeldingsvermogen). Dit impliceert dat een deel van de nucleaire
capaciteiten een first strike moet kunnen overleven en dat een tegenaanval niet door
raketverdediging zal worden onderschept. Maatregelen om de geloofwaardigheid van
vergelding te verhogen betreffen de beschikking over een scala aan strategische inzet- en
verdedigingsmogelijkheden en robuuste bescherming van detectie-, besluitvormings- en
lanceersystemen.
Strategisch kernwapen: een kernwapen dat is ontwikkeld om tot diep in het achterland
van de tegenstander strategische doelen te kunnen uitschakelen (counter force en
counter value), om een slag toe te brengen aan het oorlogvoerende vermogen van de
tegenstander.
Strategische triade: een drieledig strategisch afschrikkingsvermogen dat bestaat uit
vanaf land te lanceren (in beschermende silo’s geplaatste) nucleaire intercontinentale
ballistische raketten, vanaf onderzeeboten te lanceren nucleaire ballistische raketten
en strategische bommenwerpers die nucleaire bommen kunnen afwerpen en/of
nucleaire raketten en kruisvluchtwapens kunnen lanceren. Het doel van deze drieledige
samenstelling is om het voor een tegenstander onmogelijk te maken om middels een first
strike alle strategische wapens tegelijk te vernietigen. Daardoor blijft de dreiging van een
verzekerde vergeldingsaanval (second strike capability) geloofwaardig.
Sub-strategische kernwapens: naast de kernwapens die vallen onder de strategische
offensieve kernwapens uit de wapenbeheersingsverdragen (de strategische kernwapens),
bestaat een gevarieerde categorie overige kernwapens die wordt aangeduid als ‘tactisch’
of tegenwoordig vaker gebruikt: ‘sub-strategisch’ of ‘niet-strategisch’.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 109 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 110 ======================================================================

<pre>Theatre nuclear forces: In de jaren ‘70 raakte in de NAVO de aanduiding Theatre Nuclear
Forces (TNF) in zwang voor de kernwapens die waren opgesteld met het oog op een
dreigend conflict tussen ‘Oost’ en ‘West’ in het Europese ‘theater’. Deze kernwapens
werden nader aangeduid op basis van inzetbereik (long range, medium range en short
range/’battlefield’ TNF). Ook defensieve systemen zoals de Atomic Demolition Munitions
(ADM) en verdedigingssystemen tegen ballistische raketten werden tot de Theatre Nuclear
Forces gerekend. Na het einde van de Koude Oorlog werd niet langer gesproken van een
Europees nucleair theater, kwamen eenzijdig besluiten tot stand voor de vermindering en
afstoting van hiertoe gerekende categorieën wapens en raakten deze termen in onbruik.
Verticale proliferatie: innovatie en opslag (‘stockpiling’) van generaties kernwapens en hun
inzetmiddelen.
Vrije-valbom (gravity bomb): een bom die door een vliegtuig wordt afgeworpen en die met
een initiële hoogte en snelheid onder invloed van (vooral) de zwaartekracht een traject
door de lucht aflegt naar het doel. Beweegbare staartvinnen kunnen de nauwkeurigheid
vergroten.
Yield-waarde: het vernietigende vermogen van een nucleair wapen of een kernkop, meestal
uitgedrukt in gewichtsequivalent TNT (kiloton of megaton).
Afkortingen
A2/AD			Anti-Access/Area Denial
ABM			Anti-Ballistic Missile
ADM			                     Atomic Demolition Mines
AIV			                     Adviesraad Internationale Vraagstukken
ALCM			                    Air-Launched Cruise Missile
BMD			                     Ballistic Missile Defence
C3I			                     Command, Control, Communications and Information
CAVV			                    Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken
CFE			                     Conventional Forces Europe
CPGS			                    Conventional Prompt Global Strike
CSBM			                    Confidence and Security Building Measures
CSIS			                    Center for Strategic and International Studies
CVV			                     Commissie Vrede en Veiligheid
DCA			                     Dual Capable Aircraft
DDPR			                    Deterrence and Defence Posture Review
ERRB			                    Enhanced Radiation Reduced Blast
EU			Europese Unie
GLCM			                    Ground-Launched Cruise Missile
IAEA			Internationaal Atoomenergieagentschap
ICAN			                    International Campaign to Abolish Nuclear Weapons
ICBM			                    Intercontinental Ballistic Missile
</pre>

====================================================================== Einde pagina 110 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 111 ======================================================================

<pre>INF			      Intermediate-range Nuclear Forces
JCPOA			    Joint Comprehensive Plan of Action
kt			Kiloton
LRSO			     Long Range Stand-Off (missile)
MAD			      Mutual Assured Destruction
MIRV			     Multiple Independently-targetable Re-entry Vehicles
MLF			Multi-Lateral Force
NAVO			Noord-Atlantische Verdragsorganisatie
New START		 Treaty on Measures for the Further Reduction and Limitation of
			Strategic Offensive Arms
NGO			Non-Gouvernementele Organisatie
NIVV			     Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken
NNWS			     Non-nuclear weapon states
NWS			      Nuclear weapon states
NPG			      Nuclear Planning Group
NPR			      Nuclear Posture Review
NPV			Non-Proliferatieverdrag
SACEUR		    Supreme Allied Commander Europe
SACLANT		   Supreme Allied Commander Atlantic
SALT			     Strategic Arms Limitation Treaty
SLBM			     Submarine-Launched Ballistic Missiles
SLCM			     Sea-Launched Cruise Missile
SNF			      Short-range Nuclear Forces
SORT			     Strategic Offensive Reductions Treaty
SSBN			     Nucleair voortgestuwde ballistische raket onderzeeboot
START 		    Strategic Arms Reduction Treaty
TLAM/N		    Tomahawk Land-Attack Missile/Nuclear
TNF			      Theatre Nuclear Forces
TNT			Trinitrotolueen
US			United States
VN			Verenigde Naties
VS			Verenigde Staten
</pre>

====================================================================== Einde pagina 111 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 112 ======================================================================

<pre>                                                                                   Bijlage VII
Lijst met geraadpleegde personen
Permanente vertegenwoordiging Nederland bij de NAVO:
- Dr. M. de Kwaasteniet, ambassadeur
- Vice-admiraal B. Bekkering, hoofd permanente militaire vertegenwoordiging
- Mr. R. in den Bosch
- Mr. A. van Wiggen
- Luitenant-kolonel O. Sluiter
Permanente vertegenwoordiging Frankrijk bij de NAVO:
- E. Mignot, plaatsvervangend ambassadeur
Permanente vertegenwoordiging Verenigd Koninkrijk bij de NAVO:
- P. Spoor
Permanente vertegenwoordiging Verenigde Staten bij de NAVO:
- C. Chesier
- Colonel S. Duvall
NAVO:
- W. Alberque, director arms control, disarmament, and WMD non-proliferation centre
- I. Stallion, nuclear policy directorate
- A. Zoklits, nuclear policy directorate
Ministerie van Buitenlandse Zaken:
- Drs. M.J. van Deelen, hoofd afdeling ontwapening, wapenbeheersing, non-proliferatie
- H.J.R. Slettenhaar MA
- Dr. T. Coppen
Ministerie van Defensie:
- Mr. C. Jonker, directeur internationale aangelegenheden en operaties
- Drs. H.J.A.M. van Oosterhout
- Luitenant-kolonel B.J.J. de Wit
- J.K. Wassen
Deskundigen op nucleair gebied:
- H.M. Kristensen, director nuclear information project Federation of American Scientists
- Dr. E.A.A. Hellendoorn, associate Harvard Belfer Center
Nederlandse Rode Kruis:
- Mr. J.T. Ninck Blok, juridisch adviseur internationaal humanitair recht
NVMP:
- P. Buijs, voorzitter
- Prof.dr. J.A. Knottnerus
Pax:
- W. van der Zeijden MA, projectleider defensie en veiligheidsbeleid
- S. van Oostwaard MA, programmamedewerker humanitaire ontwapening
Pugwash:
- Mr. M. Vogelaar, voorzitter
- Drs. L.J. Hogebrink
</pre>

====================================================================== Einde pagina 112 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 113 ======================================================================

<pre>Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte adviezen*
 1 EUROPA INCLUSIEF, oktober 1997
 2 CONVENTIONELE WAPENBEHEERSING: dringende noodzaak, beperkte mogelijkheden, april 1998
 3 DE DOODSTRAF EN DE RECHTEN VAN DE MENS: recente ontwikkelingen, april 1998
 4 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS EN CULTURELE VERSCHEIDENHEID, juni 1998
 5 EUROPA INCLUSIEF II, november 1998
 6 HUMANITAIRE HULP: naar een nieuwe begrenzing, november 1998
 7 COMMENTAAR OP DE CRITERIA VOOR STRUCTURELE BILATERALE HULP, november 1998
 8 ASIELINFORMATIE EN DE EUROPESE UNIE, juli 1999
 9 NAAR RUSTIGER VAARWATER: een advies over betrekkingen tussen Turkije en de Europese Unie, juli 1999
10 DE ONTWIKKELINGEN IN DE INTERNATIONALE VEILIGHEIDSSITUATIE IN DE JAREN NEGENTIG:
   van onveilige zekerheid naar onzekere veiligheid, september 1999
11 HET FUNCTIONEREN VAN DE VN-COMMISSIE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, september 1999
12 DE IGC 2000 EN DAARNA: op weg naar een Europese Unie van dertig lidstaten, januari 2000
13 HUMANITAIRE INTERVENTIE, april 2000**
14 ENKELE LESSEN UIT DE FINANCIËLE CRISES VAN 1997 EN 1998, mei 2000
15 EEN EUROPEES HANDVEST VOOR GRONDRECHTEN?, mei 2000
16 DEFENSIE-ONDERZOEK EN PARLEMENTAIRE CONTROLE, december 2000
17 DE WORSTELING VAN AFRIKA: veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling, januari 2001
18 GEWELD TEGEN VROUWEN: enkele rechtsontwikkelingen, februari 2001
19 EEN GELAAGD EUROPA: de verhouding tussen de Europese Unie en subnationale overheden, april 2001
20 EUROPESE MILITAIR-INDUSTRIËLE SAMENWERKING, mei 2001
21 REGISTRATIE VAN GEMEENSCHAPPEN OP HET GEBIED VAN GODSDIENST OF OVERTUIGING, juni 2001
22 DE WERELDCONFERENTIE TEGEN RACISME EN DE PROBLEMATIEK VAN RECHTSHERSTEL, juni 2001
23 COMMENTAAR OP DE NOTITIE MENSENRECHTEN 2001, september 2001
24 EEN CONVENTIE OF EEN CONVENTIONELE VOORBEREIDING: de Europese Unie en de IGC 2004,
   november 2001
25 INTEGRATIE VAN GENDERGELIJKHEID: een zaak van verantwoordelijkheid, inzet en kwaliteit, januari 2002
26 NEDERLAND EN DE ORGANISATIE VOOR VEILIGHEID EN SAMENWERKING IN EUROPA IN 2003:
   rol en richting, mei 2002
27 EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en slagvaardigheid voor
   de Europese Unie, mei 2002
28 DE AMERIKAANSE PLANNEN VOOR RAKETVERDEDIGING NADER BEKEKEN: voors en tegens van
   bouwen aan onkwetsbaarheid, augustus 2002
29 PRO-POOR GROWTH IN DE BILATERALE PARTNERLANDEN IN SUB-SAHARA AFRIKA: een analyse van
   strategieën tegen armoede, januari 2003
30 EEN MENSENRECHTENBENADERING VAN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, april 2003
31 MILITAIRE SAMENWERKING IN EUROPA: mogelijkheden en beperkingen, april 2003
32 Vervolgadvies EEN BRUG TUSSEN BURGERS EN BRUSSEL: naar meer legitimiteit en
   slagvaardigheid voor de Europese Unie, april 2003
33 DE RAAD VAN EUROPA: minder en (nog) beter, oktober 2003
34 NEDERLAND EN CRISISBEHEERSING: drie actuele aspecten, maart 2004
35 FALENDE STATEN: een wereldwijde verantwoordelijkheid, mei 2004**
36 PREËMPTIEF OPTREDEN, juli 2004**
37 TURKIJE: de weg naar het lidmaatschap van de Europese Unie, juli 2004
38 DE VERENIGDE NATIES EN DE RECHTEN VAN DE MENS, september 2004
39 DIENSTENLIBERALISERING EN ONTWIKKELINGSLANDEN: leidt openstelling tot achterstelling?, september 2004
</pre>

====================================================================== Einde pagina 113 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 114 ======================================================================

<pre>40 DE PARLEMENTAIRE ASSEMBLEE VAN DE RAAD VAN EUROPA, februari 2005
41 DE HERVORMINGEN VAN DE VERENIGDE NATIES: het rapport Annan nader beschouwd, mei 2005
42 DE INVLOED VAN CULTUUR EN RELIGIE OP ONTWIKKELING: stimulans of stagnatie?, juni 2005
43 MIGRATIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: de samenhang tussen twee beleidsterreinen, juni 2005
44 DE NIEUWE OOSTELIJKE BUURLANDEN VAN DE EUROPESE UNIE, juli 2005
45 NEDERLAND IN DE VERANDERENDE EU, NAVO EN VN, juli 2005
46 ENERGIEK BUITENLANDS BELEID: energievoorzieningszekerheid als nieuwe hoofddoelstelling,
   december 2005***
47 HET NUCLEAIRE NON-PROLIFERATIEREGIME: het belang van een geïntegreerde en multilaterale
   aanpak, januari 2006
48 MAATSCHAPPIJ EN KRIJGSMACHT, april 2006
49 TERRORISMEBESTRIJDING IN MONDIAAL EN EUROPEES PERSPECTIEF, september 2006
50 PRIVATE SECTOR ONTWIKKELING EN ARMOEDEBESTRIJDING, oktober 2006
51 DE ROL VAN NGO’S EN BEDRIJVEN IN INTERNATIONALE ORGANISATIES, oktober 2006
52 EUROPA EEN PRIORITEIT!, november 2006
53 BENELUX, NUT EN NOODZAAK VAN NAUWERE SAMENWERKING, februari 2007
54 DE OESO VAN DE TOEKOMST, maart 2007
55 MET HET OOG OP CHINA: op weg naar een volwassen relatie, april 2007
56 INZET VAN DE KRIJGSMACHT: wisselwerking tussen nationale en internationale besluitvorming, mei 2007
57 HET VN-VERDRAGSSYSTEEM VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: stapsgewijze versterking in een
   politiek geladen context, juli 2007
58 DE FINANCIËN VAN DE EUROPESE UNIE, december 2007
59 DE INHUUR VAN PRIVATE MILITAIRE BEDRIJVEN: een kwestie van verantwoordelijkheid, december 2007
60 NEDERLAND EN DE EUROPESE ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, mei 2008
61 DE SAMENWERKING TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN RUSLAND: een zaak van wederzijds
   belang, juli 2008
62 KLIMAAT, ENERGIE EN ARMOEDEBESTRIJDING, november 2008
63 UNIVERSALITEIT VAN DE RECHTEN VAN DE MENS: principes, praktijk en perspectieven, november 2008
64 CRISISBEHEERSINGSOPERATIES IN FRAGIELE STATEN: de noodzaak van een samenhangende aanpak,
   maart 2009
65 TRANSITIONAL JUSTICE: gerechtigheid en vrede in overgangssituaties, april 2009**
66 DEMOGRAFISCHE VERANDERINGEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, juli 2009
67 HET NIEUWE STRATEGISCH CONCEPT VAN DE NAVO, januari 2010
68 DE EU EN DE CRISIS: lessen en leringen, januari 2010
69 SAMENHANG IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: reactie op WRR-rapport ‘Minder pretentie,
   meer ambitie’, mei 2010
70 NEDERLAND EN DE ‘RESPONSIBILITY TO PROTECT’: de verantwoordelijkheid om mensen te
   beschermen tegen massale wreedheden, juni 2010
71 HET VERMOGEN VAN DE EU TOT VERDERE UITBREIDING, juli 2010
72 PIRATERIJBESTRIJDING OP ZEE: een herijking van publieke en private verantwoordelijkheden, december 2010
73 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE NEDERLANDSE REGERING: zoeken naar constanten in een
   veranderende omgeving, februari 2011
74 ONTWIKKELINGSAGENDA NA 2015: millennium ontwikkelingsdoelen in perspectief, april 2011
75 HERVORMINGEN IN DE ARABISCHE REGIO: kansen voor democratie en rechtsstaat?, mei 2011
76 HET MENSENRECHTENBELEID VAN DE EUROPESE UNIE: tussen ambitie en ambivalentie, juli 2011
77 DIGITALE OORLOGVOERING, december 2011**
78 EUROPESE DEFENSIESAMENWERKING: soevereiniteit en handelingsvermogen, januari 2012
</pre>

====================================================================== Einde pagina 114 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 115 ======================================================================

<pre>79  DE ARABISCHE REGIO, EEN ONZEKERE TOEKOMST, mei 2012
80  ONGELIJKE WERELDEN: armoede, groei, ongelijkheid en de rol van internationale samenwerking,
    september 2012
81  NEDERLAND EN HET EUROPEES PARLEMENT: investeren in nieuwe verhoudingen, november 2012
82  WISSELWERKING TUSSEN ACTOREN IN INTERNATIONALE SAMENWERKING: naar flexibiliteit en
    vertrouwen, februari 2013
83  TUSSEN WOORD EN DAAD: perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten, maart 2013
84  NIEUWE WEGEN VOOR INTERNATIONALE MILIEUSAMENWERKING, maart 2013
85  CRIMINALITEIT, CORRUPTIE EN INSTABILITEIT: een verkennend advies, mei 2013
86  AZIË IN OPMARS: strategische betekenis en gevolgen, december 2013
87  DE RECHTSSTAAT: waarborg voor Europese burgers en fundament van Europese samenwerking,
    januari 2014
88  NAAR EEN GEDRAGEN EUROPESE SAMENWERKING: werken aan vertrouwen, april 2014
 89 NAAR BETERE MONDIALE FINANCIËLE VERBONDENHEID: het belang van een coherent
    internationaal economisch en financieel stelsel, juni 2014
 90 DE TOEKOMST VAN DE ARCTISCHE REGIO: samenwerking of confrontatie?, september 2014
 91 NEDERLAND EN DE ARABISCHE REGIO: principieel en pragmatisch, november 2014
 92 HET INTERNET: een wereldwijde vrije ruimte met begrensde staatsmacht, november 2014
 93 ACS–EU-SAMENWERKING NA 2020: op weg naar een nieuw partnerschap?, maart 2015
 94 INSTABILITEIT ROND EUROPA: confrontatie met een nieuwe werkelijkheid, april 2015
 95 INTERNATIONALE INVESTERINGSBESLECHTING: van ad hoc arbitrage naar een permanent
    investeringshof, april 2015
 96 INZET VAN SNELLE REACTIEMACHTEN, oktober 2015
 97 AUTONOME WAPENSYSTEMEN: de noodzaak van betekenisvolle menselijke controle, oktober 2015**
 98 GEDIFFERENTIEERDE INTEGRATIE: verschillende routes in de EU-samenwerking, oktober 2015
 99 DAADKRACHT DOOR DE DUTCH DIAMOND: ondernemen in het licht van de nieuwe duurzame
    ontwikkelingsdoelen, januari 2016
100 GOED GESCHAKELD? Over de verhouding tussen regio en de EU, januari 2016
101 VEILIGHEID EN STABILITEIT IN NOORDELIJK AFRIKA, mei 2016
102 DE BESCHERMING VAN DE BURGERBEVOLKING IN GEWAPEND CONFLICT: over gebaande paden
    en nieuwe wegen, juli 2016
103 ‘BREXIT MEANS BREXIT’: op weg naar een nieuwe relatie met het VK, maart 2017
104 DE WIL VAN HET VOLK?: erosie van de democratische rechtsstaat in Europa, juni 2017
105 IS DE EUROZONE STORMBESTENDIG?: over verdieping en versterking van de EMU, juli 2017
106 DE TOEKOMST VAN DE NAVO EN DE VEILIGHEID VAN EUROPA, oktober 2017
107 FUNDAMENTELE RECHTEN IN HET KONINKRIJK: EENHEID IN BESCHERMING: theorie en praktijk
    van territoriale beperkingen bij de ratificatie van mensenrechtenverdragen, juni 2018
108 COALITIEVORMING NA DE BREXIT: Allianties voor een Europese Unie die moderniseert
    en beschermt, juli 2018
Door de Adviesraad Internationale Vraagstukken uitgebrachte briefadviezen
 1 Briefadvies UITBREIDING EUROPESE UNIE, december 1997
 2 Briefadvies VN-COMITÉ TEGEN FOLTERING, juli 1999
 3 Briefadvies HANDVEST GRONDRECHTEN, november 2000
 4 Briefadvies OVER DE TOEKOMST VAN DE EUROPESE UNIE, november 2001
 5 Briefadvies NEDERLANDS VOORZITTERSCHAP EU 2004, mei 2003****
</pre>

====================================================================== Einde pagina 115 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 116 ======================================================================

<pre>  6 Briefadvies RESULTAAT CONVENTIE, augustus 2003
  7 Briefadvies VAN BINNENGRENZEN NAAR BUITENGRENZEN - ook voor een volwaardig
    Europees asiel- en migratiebeleid in 2009, maart 2004
  8 Briefadvies DE ONTWERP-DECLARATIE INZAKE DE RECHTEN VAN INHEEMSE VOLKEN.
    Van impasse naar doorbraak?, september 2004
  9 Briefadvies REACTIE OP HET SACHS-RAPPORT: hoe halen wij de Millennium Doelen, april 2005
10 Briefadvies DE EU EN DE BAND MET DE NEDERLANDSE BURGER, december 2005
11 Briefadvies TERRORISMEBESTRIJDING IN EUROPEES EN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF,
    interim-advies over het folterverbod, december 2005
12 Briefadvies REACTIE OP DE MENSENRECHTENSTRATEGIE 2007, november 2007
13 Briefadvies EEN OMBUDSMAN VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, december 2007
14 Briefadvies KLIMAATVERANDERING EN VEILIGHEID, januari 2009
15 Briefadvies OOSTELIJK PARTNERSCHAP, februari 2009
16 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: nut en noodzaak van draagvlak, mei 2009
17 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2010, juni 2010
18 Briefadvies HET EUROPESE HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS: beschermer van burgerlijke
    rechten en vrijheden, november 2011
19 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKT FINANCIEEL-ECONOMISCH BESTUUR IN DE EU, februari 2012
20 Briefadvies NUCLEAIR PROGRAMMA VAN IRAN: naar de-escalatie van een nucleaire crisis, april 2012
21 Briefadvies DE RECEPTORBENADERING: een kwestie van maatvoering, april 2012
22 Briefadvies KABINETSFORMATIE 2012: krijgsmacht in de knel, september 2012
23 Briefadvies NAAR EEN VERSTERKTE SOCIALE DIMENSIE VAN DE EUROPESE UNIE, juni 2013
24 Briefadvies MET KRACHT VOORUIT: reactie van de Adviesraad Internationale Vraagstukken op de
    beleidsbrief ‘Respect en recht voor ieder mens’, september 2013
25 Briefadvies ONTWIKKELINGSSAMENWERKING: meer dan een definitiekwestie, mei 2014
26 Briefadvies DE EU-GASAFHANKELIJKHEID VAN RUSLAND: hoe een geïntegreerd EU-beleid dit kan
    verminderen, juni 2014
27 Briefadvies FINANCIERING VAN DE INTERNATIONALE AGENDA VOOR DUURZAME ONTWIKKELING,
    april 2015
28 Briefadvies DE TOEKOMST VAN SCHENGEN, maart 2016
29 Briefadvies TOEKOMST ODA, november 2016
30 Briefadvies ASSOCIATIEOVEREENKOMST EU-OEKRAÏNE: de noodzaak tot ratificatie, december 2016
31 Briefadvies RUSLAND EN DE NEDERLANDSE DEFENSIE-INSPANNINGEN, maart 2017
32 Briefadvies DE VERTEGENWOORDIGING VAN NEDERLAND IN DE WERELD, mei 2017
*     Alle adviezen zijn ook beschikbaar in het Engels. Sommige adviezen ook in andere talen.
**    Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake
      Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV).
***   Gezamenlijk advies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Algemene Energieraad (AER).
**** Gezamenlijk briefadvies van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Adviescommissie voor
      Vreemdelingenzaken (ACVZ).
</pre>

====================================================================== Einde pagina 116 =================================================================

<br><br>