<b>Bijsluiter</b>. De hyperlink naar het originele document werkt niet meer. Daarom laat Woogle de tekst zien die in dat document stond. Deze tekst kan vreemde foutieve woorden of zinnen bevatten en de opmaak kan verdwenen of veranderd zijn. Dit komt door het zwartlakken van vertrouwelijke informatie of doordat de tekst niet digitaal beschikbaar was en dus ingescand en vervolgens via OCR weer ingelezen is. Voor het originele document, neem contact op met de Woo-contactpersoon van het bestuursorgaan.<br><br>====================================================================== Pagina 1 ======================================================================

<pre>Reactie op het Wetenschapsbudget
1997
Advies 26
Adviesraad voor het Wetenschaps- en
Technologiebeleid
 1 Inleiding
 2 Relatie overheid-instituten
2.1 Huidige situatie
2.2 Een ander denkpatroon
 3 Enkele specifieke thema's
3.1 Mede-eigenaarschap
3.2 Prioriteiten in onderzoek
3.3 (Top)onderzoekscholen
3.4 Beleid ten aanzien van NWO
3.5 Beleid ten aanzien van de para-universitaire instituten
3.6 Human Resource Management
3.7 Internationale samenwerking
    Bijlage 1
    Werken aan de kennissamenleving
    Bijlage 2
    Keuzes maken
    Bijlage 3
    Fundamenteel onderzoek
    Bijlage 4
    Condities voor toponderzoek en internationale samenwerking
1 Inleiding
Het Wetenschapsbudget 1997 is niet zo maar een wetenschapsbudget. Het heeft de
ambitie van een strategisch beleidsdocument op het terrein van wetenschapsbeleid,
een document zoals een minister dat slechts ëën keer per kabinetsperiode uitbrengt.
Daar komt bij dat reeds vier jaar geleden werd aangekondigd dat in het
Wetenschapsbudget 1997 tal van keuzes gemaakt zouden worden; keuzes,
waarvoor de basis gelegd zou worden door de OverlegCommissie Verkenningen.
In de aanloop tot het voorliggend Wetenschapsbudget heeft de Minister van OCenW
de AWT meegedeeld een kort, beleidsrijk document uit te willen brengen. Hij nodigde
de Raad uit rondom 5 centrale thema's:
</pre>

====================================================================== Einde pagina 1 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 2 ======================================================================

<pre>    1.  werken aan de kennissamenleving;
    2.  keuzes maken;
    3.  herbezinning op de positie van het fundamentele onderzoek;
    4.  human resources management (HRM) van onderzoek;
    5.  internationale samenwerking
bijeenkomsten te beleggen met de relevante doelgroepen en te komen met aanbevelingen over
wat de belangrijkste problemen zijn en welke rol de overheid daar al of niet bij zou moeten
spelen.
De Raad heeft deze uitnodiging geaccepteerd en tegelijkertijd laten weten met een apart
advies te zullen komen wanneer het Wetenschapsbudget zou zijn verschenen. Dat advies is de
voorliggende reactie, waarmee wordt beoogd de verschillende beleidsmaatregelen in
samenhang te beschouwen en bouwstenen aan te dragen voor verdere besluitvorming.
De hoofdaandacht van het Wetenschapsbudget gaat uit naar het universitair onderzoek. De
Raad zal zich in zijn reactie daarom ook beperken tot het (para-)universitaire domein.
In de bijlagen bij dit advies zijn de verslagen van de bijeenkomsten met de daarbij behorende
deeladviezen van de Raad, zoals die de minister zijn aangeboden, toegevoegd. De thema's
HRM van onderzoek en internationale samenwerking zijn gezamenlijk in een bijeenkomst aan
de orde gesteld.
2 Relatie overheid-universiteiten
Het Wetenschapsbudget 1997 is een uitdagend document waarin de co”rdinerende
ambities van de minister voor wetenschapsbeleid duidelijk doorklinken. Op tal van
plaatsen steekt de minister zijn nek uit en kondigt hij initiatieven en beleidsvoorstellen
aan die het wetenschapsland ingrijpend kunnen veranderen. Uiteraard is kritiek
mogelijk. De Raad heeft die ook. Op sommige plaatsen draaft de minister wat hem
betreft te ver door; op andere plaatsen had hij van de Raad nog wel een stap verder
mogen gaan.
Het Wetenschapsbudget opent met een pleidooi dat Nederland zich meer en meer
tot een kennissamenleving moet ontwikkelen. De invalshoek wetenschapsbeleid
brengt echter met zich mee dat het document zich vooral richt op het universitaire
onderzoek, hetgeen uiteraard maar een beperkt onderdeel is van die
kennissamenleving. De doelstelling van de minister is het universitaire onderzoek
een sterkere oriëntatie te geven op de maatschappelijke behoeften en (delen van) de
samenleving zich meer mede-eigenaar te laten voelen van universitair onderzoek.
De Raad onderkent en onderschrijft de noodzaak van een sterke interactie tussen
universiteit en samenleving. Hij ziet echter grote gevaren aan de door de minister
gekozen benadering. Het eerste gevaar is dat door te sturen op onderzoek, zoals de
minister doet, de primaire taak van de universiteiten, te weten het opleiden van
mensen, op de achtergrond raakt. Wie garandeert dat met de externe sturing op
onderzoek, de vraag waaraan een goede opleiding moet voldoen en wat de
maatschappelijke behoefte aan universitair opgeleiden is, niet ondersneeuwt? Het
tweede gevaar is dat alle partijen (universiteiten, NWO, overheid, bedrijfsleven etc.)
zich op zo'n manier met het universitaire onderzoek (moeten) gaan bemoeien dat per
saldo niemand meer verantwoordelijk is en derhalve ook niemand, behalve het
collectief, op zijn verantwoordelijkheden kan worden aangesproken. Deze
beweringen vereisen uiteraard toelichting en een alternatief.
2.1 Huidige situatie
</pre>

====================================================================== Einde pagina 2 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 3 ======================================================================

<pre>In de huidige situatie krijgen de universiteiten van de overheid als basisfinanciering
een zogenoemde eerste geldstroom met daarbij wensenlijstjes die met de tijd steeds
langer worden: opleiden van academici die niet alleen voor het onderzoek maar ook
daarbuiten nuttig zijn, wetenschappelijke excellentie, profilering, samenwerking,
tientallen prioriteringsgebieden, relevant zijn voor de maatschappij in het algemeen
en het bedrijfsleven in het bijzonder, etc. Deze wensen lopen niet alle parallel in de
zin dat met verwezenlijking van de ene automatisch ook de andere wordt
gerealiseerd. Aangezien niet is aangegeven wat de belangrijkste doelstellingen zijn,
hoeveel middelen voor welk doel mogen worden ingezet en ook niet hoe te zijner tijd
wordt getoetst op realisatie, ontstaat een zeer ondoorzichtige situatie. De balans
moeten de universiteiten nu in feite zelf vinden. Het gevolg is dat de universiteiten
(achteraf) gemakkelijk verweten kan worden aan een specifieke doelstelling
onvoldoende aandacht te hebben besteed. Het gevaar dreigt van een universitaire
bovenwereld' die veel energie besteedt aan papieren exercities, voor een deel
maskerades van de status-quo, die nauwelijks invloed zullen hebben op de
universitaire werkvloer.
De situatie wordt met de voorstellen in het Wetenschapsbudget niet helderder.
Immers, de Minister van OCenW wil ook andere partijen, zoals NWO, andere
departementen en het bedrijfsleven, in directe zin medeverantwoordelijkheid geven
voor de besteding van de universitaire eerste geldstroom. Waar tot op heden de
universiteiten alleen zelf jegens de overheid verantwoordelijk waren voor de
besteding van de eerste geldstroom, wordt nu een eerste aanzet gegeven tot een
beperking van hun bewegingsvrijheid. Immers, op onderdelen is fiattering van NWO
nodig. De Raad doelt hier op de aangekondigde rol van NWO bij het financieren van
de onderzoekscholen uit de eerste geldstroom (2 x Ÿ 100 mln) en de taak die NWO
krijgt bij het instellen van leerstoelen op vakgebieden die in het bijzonder te lijden
hebben van vergrijzingsproblemen. Daarnaast worden ook bedrijven en
vakdepartementen mede-verantwoordelijk gemaakt: vanuit de doelstelling dat de
samenleving zich mede-eigenaar moet voelen van het universitaire onderzoek, wordt
van hen gevraagd prioritaire gebieden te benoemen en daarvoor financiële middelen
beschikbaar te stellen onder de toezegging dat de universiteiten uit eigen middelen
zullen meefinancieren.
In de optiek van de Raad is de situatie in feite nog onhelderder dan hiervoor is
aangeduid. Want wat is de belangrijkste taak van de universiteiten? Voor de Raad is
dat het opleiden van mensen waaraan maatschappelijk behoefte is. Alle sturende
indicaties die in het Wetenschapsbudget staan, zijn evenwel gebaseerd op
argumenten die betrekking hebben op onderzoek: de OCV heeft in zijn verkenningen
alleen naar het onderzoek en niet naar opleidingsbehoeften gekeken, de
technologische topinstituten zijn beargumenteerd door te wijzen op het belang van
het desbetreffende onderzoek voor het bedrijfsleven, en waar NWO een taak heeft
gekregen bij de besteding van de eerste geldstroom zullen ongetwijfeld onderzoek-
argumenten prevaleren. Hoe verhoudt deze sturing op onderzoek zich tot de primaire
opleidingstaak van de universiteit en de behoefte aan kennismanagers en opgeleide
onderzoekers? Kan met zoveel externe onderzoeksturing de opleidingstaak wel
adequaat worden uitgevoerd?
De Raad acht deze vraag van uitermate groot belang. Hij constateert dat in
afnemende mate studenten na hun afstuderen in researchfuncties terechtkomen. En
gegeven het feit dat bij de grote multinationals de researchactiviteiten in Nederland
nog steeds onder druk staan, komt de vraag naar wat voor soort opleidingen
</pre>

====================================================================== Einde pagina 3 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 4 ======================================================================

<pre>wenselijk is des te klemmender naar voren. Het Wetenschapsbudget besteedt aan
deze problematiek echter in het geheel geen aandacht.
Samenvattend acht de Raad het een gevaarlijke ontwikkeling om meer en meer
via de onderzoekdimensie de universitaire eerste geldstroom te sturen.
Daarmee wordt immers ontkend dat de eerste geldstroom in eerste instantie is
bedoeld ter financiering van de hoofdtaak van de universiteiten, namelijk het
opleiden van die mensen waaraan maatschappelijk behoefte is. Het is op zijn
minst niet evident dat met de externe sturing van het onderzoek automatisch
ook de universitaire opleidingstaak op adequate wijze wordt vervuld.
2.2 Een ander denkpatroon
De overheid is uiteraard gerechtigd de universiteiten allerlei taken op te leggen. Zij is
tenslotte een belangrijke financier van de universiteiten en heeft uit dien hoofde ook
een verantwoordelijkheid voor een goede besteding van de middelen. Binnen het
denken van een overheid op afstand' acht de Raad het echter oneigenlijk een
organisatie een taak op te dragen en tegelijkertijd te sturen op activiteiten die voor
die taakuitoefening nodig zijn. Op zo'n wijze kan een organisatie niet meer (volledig)
op een efficiënte en effectieve taakuitvoering worden aangesproken. Uit dat oogpunt
is het uitgangspunt 'één doelstelling per geldstroom' van groot belang. Als de
overheid de universiteiten de taak geeft mensen op te leiden, dan hoort daar een
geldstroom bij. De overheid kan in dat verband eisen stellen aan het produkt', i.c. de
afgestudeerden, zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin. Heeft de overheid
andere type wensen, bijvoorbeeld stimulering van een bepaald onderzoeksgebied,
dan hoort daar een apart of geoormerkt budget bij. Alleen op deze wijze is het in de
ogen van de Raad mogelijk invulling te geven aan een volwassen financiële relatie
tussen een overheid op afstand en de universiteiten.
De Raad wil tegen deze achtergrond kijken naar de voorstellen in het
Wetenschapsbudget aangaande de financiering van universitair onderzoek. Goed
onderzoek is in zijn ogen op zichzelf een onvoldoende voorwaarde voor
overheidsfinanciering. Het onderzoek moet een maatschappelijk verantwoord doel
dienen, wil overheidsondersteuning gerechtvaardigd zijn. Het eerste hoofddoel van
onderzoek bij de universiteiten is verbonden aan het opleiden van mensen.
Voorzover onderzoek dat doel niet dient moet het een ander, te expliciteren doel
dienen. Te denken is aan het belang voor specifieke maatschappelijke partijen
(bedrijfsleven, een vakdepartement etc.), het behoud en verdieping van culturele
waarden, het versterken van het prestige van een land, etc.
Onderzoek ten behoeve van de opleiding
Voor zover onderzoek nodig is voor het opleiden van mensen, is het een activiteit die
hoort bij de taakuitvoering van het opleiden. Over dit uitgangspunt, dat de Raad in
het verleden bij herhaling heeft geponeerd, bestaan veel misverstanden. Voor alle
duidelijkheid: de Raad doelt met de koppeling van onderzoek en universitaire
opleiding niet alleen op die activiteiten die uit de zogenaamde
verwevenheidscomponent kunnen worden gefinancierd. De Raad heeft daarentegen
een groot deel van het universitaire onderzoek op het oog. Immers, om een
universitaire opleiding te kunnen verzorgen is een breed scala van
onderzoeksactiviteiten nodig die het mogelijk maakt de wetenschappelijke
ontwikkelingen op de voor de universiteit relevante vakgebieden op de voet te volgen
en in het onderwijs te verwerken.
In de ogen van de Raad dient de overheid een aparte geldstroom voor deze
taakuitoefening beschikbaar te stellen i.c. de eerste geldstroom. De overheid moet
dan met de universiteiten afspraken maken (vastgelegd in strategische plannen of
</pre>

====================================================================== Einde pagina 4 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 5 ======================================================================

<pre>contracten) over de opleidingscapaciteit, de kwaliteitscontrole en dergelijke. Het is
oneigenlijk als de overheid het opleidingsproces' zelf wil sturen door bijvoorbeeld de
universiteiten bepaalde activiteiten op te dragen met de verplichting die uit de eerste
geldstroom (het opleidingsgeld) te financieren. De maatschappelijke relevantie moet
liggen in het feit dat de opleidingen mensen afleveren waarom de maatschappij
vraagt. Daarop moet de overheid de universiteiten ook toetsen. Waar sprake is van
eventuele onevenwichtigheden' moet de overheid dan ook consequenties trekken
wat betreft de financiering ervan.
Zeker in een internationaal competitieve kennissamenleving moet het onderwijs
uiteraard zo goed mogelijk zijn. Dat betekent ook dat het onderzoek aan hoge
kwaliteitseisen moet voldoen. Naast alle inspanningen die de universiteiten zelf
ondernemen ter bevordering van kwaliteit, bestaat er het krachtige instrument van de
tweede geldstroom, NWO: een aparte landelijke financieringsbron die alleen het
beste onderzoek financiert. Het bestaan van een dergelijke geldbron stimuleert om
beter te presteren. Honorering door NWO is nog altijd een prestige-verhogend
element. Deze functie van NWO, oneerbiedig te noemen het worstje' ter bevordering
van kwaliteit, acht de Raad de belangrijkste functie van NWO. Hij acht het oneigenlijk
als de overheid binnen de tweede geldstroom, zoals hiervoor gedefinieerd, ook nog
op specifieke activiteiten wil sturen, omdat op die manier NWO niet meer zelf de
verantwoordelijkheid kan dragen voor de haar opgedragen taak en derhalve daar ook
niet meer volledig op aanspreekbaar is.
Andere motieven voor onderzoek
Onderzoek met als rechtvaardiging dat de resultaten van belang zijn voor specifieke
partijen moet in principe ook door die partijen worden betaald; dit gebeurt in wat
algemeen de derde geldstroom wordt genoemd. In dit kader kan de overheid
natuurlijk zelf ook een actieve rol vervullen.
Het is heel wel denkbaar dat de overheid op grond van maatschappelijke
overwegingen bepaalde onderzoeksgebieden wil stimuleren. De Raad heeft eerder
gewezen op de mogelijkheid dat NWO als uitvoeringsorganisatie kan optreden voor
de besteding van de voor deze gebieden bestemde middelen. Het is wel noodzakelijk
dat deze middelen apart worden geoormerkt omdat het niet aan NWO zelf is om
prioriteiten te stellen en daarvoor middelen uit het algemene stimuleringsbudget (de
tweede geldstroom in enge zin) te reserveren. De kracht van NWO lijkt het beste te
worden benut wanneer het gaat om strategisch, lange termijn gericht onderzoek,
waarmee niet direct concrete toepassingen worden beoogd. Is dat laatste het geval
dan kan de overheid beter rechtstreeks een relatie met de voor haar relevante
onderzoeksgroep(en) aangaan.
In conclusie: het adagium één doelstelling per geldstroom', zoals in het
voorgaande beleden, is niet een intellectuele Spielerei'. De Raad stelt voor dit
adagium bij de financiering van de universiteiten zoveel mogelijk te
handhaven. Het geeft invulling aan een volwassen financieringsrelatie tussen
een overheid op afstand en zelfstandige universiteiten.
3 Enkele specifieke thema's
Tegen de achtergrond van het in het vorige hoofdstuk gegeven denk-patroon wil de
Raad nu nader ingaan op enkele specifieke thema's uit het Wetenschapsbudget.
3.1 Mede-eigenaarschap
De minister stelt terecht dat alle geledingen van onze maatschappij betrokken
moeten zijn bij de vormgeving van de kennissamenleving. Hij gaat daarbij zover dat
</pre>

====================================================================== Einde pagina 5 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 6 ======================================================================

<pre>hij spreekt van de noodzaak dat bedrijven, maatschappelijke organisaties en
overheidsdiensten zich mede-eigenaar voelen van zogenoemde
kennisontwikkelingstrajecten in de publieke sfeer. Met mede-eigenaarschap bedoelt
hij dat maatschappelijke partijen, waaronder het bedrijfsleven, lange-termijnrelaties
met onderzoekinstellingen onderhouden, waarin tegenover programmatische invloed
ook medefinanciering en medeverantwoordelijkheid staat. De Raad wil hier een
kanttekening bij maken.
De eerste kanttekening is dat bedrijven, instellingen etc. met betrekking tot de
universiteiten in de eerste plaats geïnteresseerd zijn in goed opgeleide mensen. Dat
is hun eerste en hun grote vraag. Voor specifieke vragen zijn zij uiteraard
geïnteresseerd in een kennisinfrastructuur waaraan zij contractonderzoek kunnen
opdragen. Lange-termijn universitair onderzoek is voor hen, alle mooie verhalen ten
spijt, commercieel nauwelijks aantrekkelijk. Het is dan ook te verwachten dat ze zeer
terughoudend zullen zijn om langdurige financiële verplichtingen aan te gaan ten
aanzien van universitair onderzoek.
De tweede kanttekening is dat wanneer bedrijven tot substantiële mede-financiering
van publiek-gefinancierd onderzoek overgaan, dat niet noodzakelijkerwijs leidt tot
een versterking van de kennisinfrastructuur in ons land. Zo zal in veel gevallen
meerjarige financiering van universitair onderzoek door bedrijven gepaard gaan met
een afname van research-activiteiten in hun eigen huis. Verder zal dit
uithuisplaatsen' gevolgen hebben voor flexibiliteit' in het financieren van het
onderzoek door het bedrijf: het bedrijf kan sneller iets starten, omdat het geen lange-
termijncommitment heeft aan eigen' mensen, en het bedrijf kan ook sneller iets
stoppen. Voor de universiteiten kan deze flexibiliteit slecht uitpakken als de primaire
taak van de universiteiten, namelijk het opleiden van mensen, teveel afhankelijk
wordt van deze externe financiering. De overwegingen van een bedrijf zijn immers
niet primair gelegen in het zelf financieren van opleidingscapaciteit in Nederland;
veranderingen in bedrijfspolitiek of economische conjunctuur kunnen snel tot
veranderingen in de financiële betrokkenheid leiden.
De Raad is derhalve van mening dat de minister behoedzaam moet zijn met zijn
streven naar mede-eigenaarschap. Hij zal voortdurend moeten nagaan of de
universiteiten hun opleidingstaak adequaat blijven vervullen, ook ten aanzien
van de bedrijven, die niet financieel bijdragen.
3.2 Prioriteiten in het onderzoek
Wanneer gesproken wordt over het maken van keuzes, moet duidelijk zijn wat er te
kiezen is en wie voor de keuzes en de implementatie ervan verantwoordelijk is. Bij
het kiezen met betrekking tot onderzoek is het van belang de verantwoordelijkheden
van de hoofdrolspelers, namelijk de universiteiten, NWO, bedrijven en de overheid,
goed uit elkaar te houden. In hoofdstuk 2 is de Raad hier in algemene termen nader
op ingegaan.
Het Wetenschapsbudget bevat 17 zogenoemde prioritaire kennisthema's en
strategische ontwikkelingslijnen. Dat is exclusief de gebieden waarop de op te richten
Technologische TopInstituten werkzaam zullen zijn. Voor 11 van de thema's zijn
stimuleringsacties aangekondigd, 30 in totaal. Daarmee is in totaal circa Ÿ 23 mln
(waarvan Ÿ 12,6 via de begroting van OCenW) per jaar gemoeid. Behalve de inzet
van extra stimuleringsmiddelen doet de minister een aantal keuzes die binnen de
bestaande budgetten moeten worden geëffectueerd. Er wordt geen toelichting
gegeven op welke gronden in het ene geval voor extra financiering is gekozen en in
het andere geval de middelen via herrangschikking van de eerste geldstroom moeten
worden gevonden.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 6 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 7 ======================================================================

<pre>Zoals hiervoor al aangegeven, onderschrijft de Raad de noodzaak van een verdere
interactie tussen universiteiten en hun buitenwereld. Hij constateert dat de overheid
in het verleden in dezen een stimulerende rol heeft gespeeld. Zo hebben de mede
door de overheid geïnitieerde verkenningscommissies een katalyserende rol vervuld
en hebben bescheiden financiële stimulansen die interacties op onderdelen ook
versneld en geïntensiveerd.
De Raad constateert dat in het Wetenschapsbudget de inhoudelijk-sturende rol
duidelijk wordt versterkt. De minister voor wetenschapsbeleid zet een verdere stap
door, puttend uit het OCV-materiaal, enkele tientallen gebieden als prioritair aan te
wijzen, te financieren uit de eerste geldstroom of uit het NWO-budget. De minister
heeft eerder al te kennen gegeven dat hij tot wel 80% van het universitaire eerste
geldstroom-onderzoek op basis van maatschappelijke behoeften aan onderzoek wil
sturen. De voorzet zoals nu gegeven in het Wetenschapsbudget, lijkt dan ook nog
maar een begin.
De Raad vindt dit geen goede ontwikkeling. Het tendeert naar een vorm van micro-
management dat zijns inziens principieel onjuist is. In zijn ogen moet de
verantwoordelijkheid voor een goede interactie tussen universiteit en buitenwereld
primair bij betrokkenen zelf worden gelegd; verkenningen kunnen hierbij een
stimulerende en katalyserende rol spelen.
Een belangrijk punt van kritiek van de Raad op de resultaten van de OCV-exercities
en de wijze waarop de minister er mee omgaat, is dat onvoldoende duidelijk is op
welke gronden meer onderzoek op bepaalde gebieden nodig is. Explicitering is van
belang omdat deze gronden mede bepalen wie prioriteiten en posterioriteiten moet
benoemen en op welke wijze deze gefinancierd moeten worden.
Drijfveer opleiding
Is de eigenlijke drijfveer de behoefte aan meer opgeleiden binnen het specifieke
gebied, dan is de meest logische weg om de middelen hiervoor binnen de eerste
geldstroom te vinden. Op termijn is het de meest natuurlijke weg als de universiteiten
deze prioritering (prioriteiten en posterioriteiten) zelf aanbrengen, mede geënt op
basis van de feedback van de arbeidsmarkt. Nu deze terugkoppeling nog niet of
nauwelijks werkt, kunnen indicaties dienaangaande nog wel van de minister komen.
De minister kan dan hierover afspraken maken en die vastleggen in zijn contracten
met de universiteiten op basis van de strategische plannen van de universiteiten.
Op grond van overwegingen van macro-doelmatigheid zal de overheid in incidentele
gevallen een actievere rol moeten spelen. Zo is het denkbaar dat bepaalde
opleidingen bij een universiteit op grond van overwegingen van kwaliteit en/of
landelijke concentratie, drastisch moeten inkrimpen of verdwijnen. Dergelijke
beslissingen kunnen in redelijkheid niet van de individuele universiteiten zelf worden
verwacht; zij staan toch primair voor hun eigen belang.
Drijfveer onderzoek Is het motief voor extra prioritering gelegen in de wens naar
meer onderzoek, dan is het niet logisch, en zelfs onwenselijk, om hiervoor de eerste
geldstroom aan te wenden. In deze gevallen is een andere vorm van financiering
vereist, bijvoorbeeld via de stimuleringsmiddelen wetenschapsbeleid waar de
minister zeggenschap over heeft en die hij thans met tussenkomst van NWO
verdeelt.
Met het middel van extra stimuleringsgelden is er geen noodzaak posterioriteiten te
expliciteren voorzover de middelen worden aangewend voor het tijdelijk extra
ondersteunen van onderzoeksgroepen. Prioritaire gebieden krijgen (tijdelijk) extra
geld en bijgevolg krijgen niet-prioritaire gebieden geen extra geld.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 7 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 8 ======================================================================

<pre>Samenvattend beveelt de Raad de minister aan het stellen van prioriteiten en
posterioriteiten in onderzoek over te laten aan de universiteiten voorzover het
de besteding van de eerste geldstroom betreft. Hij kan zich dan beperken tot
het aangeven van arbeidsmarktfixa ten aanzien van opleidingen waar sprake is
van structurele werkloosheid. Ten aanzien van de stimuleringsgelden
wetenschapsbeleid kan hij volstaan met het aangeven van zijns inziens
prioritaire gebieden.
3.3(Top)onderzoekscholen
De Raad is het graag met de minister eens over de wenselijkheid om ook in
Nederland condities te creëren voor excellent onderzoek. Tegelijkertijd is hij van
mening dat het woord excellent' en top' in beleidskringen wel heel gemakkelijk in de
mond wordt genomen: we hebben toponderzoekscholen nodig, technologische
topinstituten, toponderzoek en uiteraard toponderzoekers. Deze verbale
krachttermen roepen gemakkelijk het beeld op van maakbare excellentie. De
kwalificatie top' moet echter verdiend worden, bij voorkeur in een internationale
context. Top' kan niet worden opgelegd. Condities creëren voor excellent onderzoek
is dan ook het beste wat een overheid kan doen, wanneer zij hoge ambities ten
aanzien van onderzoek heeft.
Een belangrijke conditie voor toponderzoek is een universitaire bestuursstructuur die
meer bestuurskracht kan opbrengen dan de huidige structuur zodat HRM-beleid echt
mogelijk is. Het wetsvoorstel inzake de Modernisering van de Universitaire
Bestuursstructuur is in dezen een goede stap voorwaarts.
In het Wetenschapsbudget wordt de vorming van aparte fondsen voor de financiering
van 'top'onderzoekscholen aangekondigd. De manier waarop de minister zich deze
financiering voorstelt, en de rol van NWO daarbij, roept vragen op.
Naar de mening van de Raad moeten onderzoekscholen worden opgevat als intra-
universitaire organisaties voor onderzoek en onderzoekersopleidingen. Dat betekent
dat het universitaire bestuur primair verantwoordelijk is voor de financiering ervan.
Het voorstel van de minister komt er op neer dat de universiteiten voor de besteding
van een deel van de hun toegewezen middelen afhankelijk worden van de
goedkeuring van derden i.c. NWO. Dit vertroebelt het beeld wie waarvoor
verantwoordelijk is en wie waarop aanspreekbaar is. Als het de minister te doen is
om een verdere profilering van het universitaire onderzoeklandschap, dan ligt het
veel meer voor de hand NWO hiervoor verantwoordelijk te maken. Een directe
versterking van de tweede geldstroom is dan aan de orde. (De vraag of de eerste
geldstroom - de middelen voor de opleidingstaak - niet te omvangrijk is, is een aparte
vraag).
De Raad is dan ook van mening dat met de voorstellen van de minister alles op
een hoop wordt gegooid: de middelen voor verschillende doelstellingen alsook
de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen. Er ontstaat zodoende
een situatie dat iedereen van iedereen afhankelijk is bij zijn taakuitvoering en
bijgevolg niemand meer op zijn eigen verantwoordelijkheden kan worden
aangesproken. Hij stelt dan ook voor de middelen voor de verschillende
doeleinden duidelijk te scheiden en iedere organisatie, de universiteiten en
NWO, alleen verantwoordelijkheid te geven voor haar eigen taken en middelen.
3.4 Beleid ten aanzien van NWO
Paragraaf 3.3 van het Wetenschapsbudget is het antwoord van de minister op de
door de evaluatiecommissie NWO uitgevoerde analyse en de daaruit volgende
aanbevelingen. De Raad herkende in de aanbevelingen van de commissie veel van
wat hij zelf de laatste jaren naar voren heeft gebracht. Hij maakt een uitzondering
</pre>

====================================================================== Einde pagina 8 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 9 ======================================================================

<pre>voor de aanbeveling van de commissie om het Algemeen Bestuur (AB) van NWO uit
te breiden met als argument om dit bestuur beter te positioneren voor zijn inhoudelijk
strategische rol. De Raad ondersteunt deze aanbeveling niet. In zijn optiek ligt de
primaire taak van het AB niet op inhoudelijk-strategisch niveau, maar op het
procesmatig besturen. Het moet er op toe zien en bevorderen dat door de NWO-
organisatie gevolgde procedures en ingezette instrumenten inderdaad de beste
kwaliteit belonen. Daarnaast moet het er op toe zien en bevorderen dat de aan NWO
opgedragen uitvoering van strategische onderzoeksprogramma's naar tevredenheid
van de opdrachtgever worden uitgevoerd, uiteraard onverlet latend de eigen rol van
de opdrachtgever in dezen. De inhoudelijk-strategische prioritering is niet aan NWO.
Die rol is weggelegd enerzijds voor de groepen die bij NWO aankloppen voor
financiering (zij bepalen wat zij willen gaan doen), anderzijds voor degenen die NWO
financieren (zij bepalen wat zij willen laten doen).
De Raad betreurt het verder dat de minister is gezwicht voor het gemeenschappelijk
aanbod van KNAW, NWO en VSNU om uitbreiding van de tweede geldstroom
achterwege te laten en in plaats daarvan akkoord te gaan met een vorm van NWO-
bemoeienis bij eerste-geldstroomfondsen. De Raad is sceptisch over de effectiviteit
van de voorgestelde constructies, zoals hierboven reeds is beargumenteerd. Het leek
hem dat de tijd rijp was voor een substantiële verschuiving in geldstromen, zoals
overduidelijk bleek tijdens de discussiebijeenkomsten die hij heeft georganiseerd ter
voorbereiding van het Wetenschapsbudget. Het momentum daarvoor lijkt thans en
voor de komende jaren volledig tenietgedaan.
Concluderend is de Raad van mening dat de beste weg voor een verdere
profilering van het universitaire onderzoeklandschap een versterking van de
tweede geldstroom is. Hij acht het verder principieel onjuist dat NWO mede tot
taak lijkt te krijgen zelf prioriteiten aan te geven op inhoudelijk-strategische
gronden; die keuzes moeten door anderen worden gemaakt. De Raad
ondersteunt dan ook niet het voorstel tot een uitbreiding van het Algemeen
Bestuur van NWO.
3.5 Beleid ten aanzien van de para-universitaire instituten
Ten aanzien van de para-universitaire instituten heeft de minister ingrijpende
plannen. Hij heeft het voornemen om de huidige NWO- en KNAW-instituten in ëën
organisatie onder te brengen. Omdat een nieuwe, geheel zelfstandige organisatie
teveel van het goede is, geeft hij de voorkeur aan de oprichting van een organisatie
onder het gezag van KNAW en NWO. De Raad herkent in het motief van de minister
veel van zijn eigen opvattingen. Niettemin zet hij bij de gekozen weg grote
vraagtekens.
In zijn advies over de para-universitaire instituten heeft de Raad aangegeven dat de
instituten zodanig moeten worden opgehangen dat er een continue druk aanwezig is
en blijft tot nauwere samenwerking met de universiteiten, en waar mogelijk tot
integratie met de universiteiten. Hij kwam in zijn afwegingen tot de conclusie dat de
instituten het beste aan NWO konden worden opgehangen, onder de voorwaarde dat
de instituten hoger' in de NWO-organisatie worden opgehangen dan nu het geval is.
Het voorstel van de minister, onderbrenging van de instituten bij een koepel onder
gezamenlijk beheer van NWO en de KNAW, combineert, zo vreest de Raad, de
slechtste elementen van verschillende mogelijke oplossingen (alle instituten bij
KNAW, of bij NWO, of een aparte instituten-organisatie). Of de voorgestelde koepel
is zo zelfstandig dat er in feite toch een aparte Max Planck-organisatie' is gecreëerd,
of KNAW en NWO hebben wel grote invloed, maar dan zijn de nadelen van de
koppeling aan ieder van hen niet opgelost.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 9 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 10 ======================================================================

<pre>De Raad is van mening dat met de nu voorgestelde koepel de mogelijkheden
om de instituten nauwer aan de universiteiten te liëren, moeilijker is te
realiseren dan ooit. De Raad beveelt de minister aan het gevonden compromis
te heroverwegen.
3.6 Human Resources Management
De minister besteedt een hoofdstuk van het Wetenschapsbudget aan Human
Resources Management voor kwaliteit en vernieuwing in het onderzoek en onderwijs.
Op zich onderschrijft de Raad de noodzaak van een beter HRM-beleid, met name bij
de universiteiten, zoals hij in zijn advies Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor
management van human resources heeft betoogd. Zijn centrale boodschap was dat
een HRM-beleid iets is dat bij uitstek door de instellingen zelf moet worden vorm
gegeven. Het beste wat de minister in de ogen van de Raad kon doen, heeft hij ook
gedaan: hij heeft een proces van wijziging van de bestuursstructuur van de
universiteit in gang gezet. Dit leidt ongetwijfeld tot meer ruimte voor de universiteiten
om een eigen HRM-beleid te voeren.
De minister kondigt verder een stimuleringsregeling aan om jonge, kwalitatief (zeer)
goede opvolgers voor zittende oudere hoogleraren reeds aan te stellen in afwachting
van het emeritaat van de laatstgenoemden.
De Raad onderkent de problematiek die aan deze regeling ten grondslag ligt; hij is
hier uitvoerig op ingegaan in zijn voornoemd advies. De door de minister gekozen
oplossing acht hij echter onjuist. Ten eerste worden de universiteiten (weer) gestuurd
met een specifiek instrument en worden ze niet aangesproken op hun eigen
verantwoordelijkheden voor een goed HRM-beleid. Ten tweede krijgt NWO (weer)
een oneigenlijke rol toebedeeld. Bij een beleid inzake leerstoelen behoren naar de
mening van de Raad overigens overwegingen met betrekking tot de onderwijsvraag
centraal te staan, in plaats van onderzoek.
De Raad stelt de minister dan ook voor om genoemde stimuleringsregeling te
laten vervallen. Als de universiteiten extra geld nodig hebben om (vanuit het
verleden ontstane) problemen op te lossen, dan verdient het de voorkeur deze
middelen aan de eerste geldstroom toe te voegen. De universiteiten kunnen
dan naar eigen inzicht hun verantwoordelijkheden waar maken - een beleid dat
past in een verdere verzelfstandiging van de universiteiten. Een rol voor NWO
in dezen is niet alleen oneigenlijk maar ook onwenselijk.
3.7 Internationale samenwerking
Wetenschappers weten elkaar internationaal te vinden en werken veel internationaal
samen. De overheid kan echter ook eigen motieven hebben om te besluiten
internationale samenwerking door wetenschappers na te jagen, bijvoorbeeld
ontwikkelingssamenwerking, of Europese cohesie, of speciale relaties met
grenslanden of leren van Aziatische culturen. Dat vraagt aparte aandacht die terecht
in het Wetenschapsbudget wordt gegeven.
Het Wetenschapsbudget besteedt speciale aandacht aan het wetenschaps- en
technologiebeleid op Europees niveau. De hoofdopgaven voor dit beleid worden
thans heroverwogen in het kader van de besluitvorming over het Vijfde
Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling. Nederland heeft
naar de mening van de Raad een standpunt ingenomen dat te zeer de status quo
bestendigt, waarbij de EU - vanuit nationaal oogpunt bezien - in feite tot een
additionele financieringsbron wordt gedegradeerd. De vraag welke onderwerpen van
W&T-beleid nu het beste op Europees niveau dan wel op nationaal niveau dan wel
op regionaal niveau moeten worden behandeld, wordt nauwelijks beantwoord.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 10 =================================================================

<br><br>====================================================================== Pagina 11 ======================================================================

<pre>De Raad ziet voor genoemd beleid op Europees niveau met name de volgende
taken:
       het ondersteunen van industrieel technologisch onderzoek dat er toe bijdraagt dat in
        Europa gevestigde bedrijven de competitie met Amerikaanse en Aziatische bedrijven
        beter aankunnen. Dat impliceert dat veel MKB-bedrijven, die zich alleen op regionale
        EU-markten bewegen, niets tot weinig in Brussel te zoeken hebben.
       aparte Europese aandacht voor bevordering van het beste Europese fundamentele
        onderzoek met daarbij een eigen rol voor Brussel' ten aanzien van Europese instituties
        zoals CERN, EMBL en ESO. Dat laatste lijkt alleen maar aan belang te winnen nu
        Duitsland en waarschijnlijk met in zijn kielzog Groot-Brittannië, Frankrijk en Italië
        hun bijdragen aan de internationale onderzoekorganisaties heroverwegen.
       afstemming en coördinatie van onderzoek op gebieden waar landen niet elkaars
        concurrent zijn (volksgezondheid, milieu, ruimtelijke ordening etc.) en waar op veel
        onderzoeksterreinen efficiëntiewinst kan worden behaald.
Wellicht biedt het hiernavolgende (zesde) kaderprogramma nieuwe kansen voor een
grondige herbezinning van de rol van de EU op het gebied van wetenschaps- en
technologiebeleid.
Concluderend is de Raad van mening dat de Nederlandse overheid de
mogelijkheden tot een herbezinning op de taken van de EU wat betreft
wetenschaps-en technologiebeleid voorbij heeft laten gaan.
Aldus vastgesteld te Den Haag, 14 oktober 1996.
Dr.ir. H.L. Beckers
voorzitter
Dr. A. van Heeringen
secretaris
Eindnoten
[1] Zie AWT-advies nr. 20, Advies inzake de para-universitaire instituten. Den Haag, februari
1995.
[2] Onderzoek is mensenwerk; ruimte voor management van human resources,
AWT-advies nr.22. Den Haag, juli 1995.
[2] Zie voor een uitvoeriger argumentatie het AWT-advies nr. 24 over het
Nederlandse standpunt inzake het Vijfde Kaderprogramma van de EU. Den Haag,
april 1996.
</pre>

====================================================================== Einde pagina 11 =================================================================

<br><br>